St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

BESLUIT  UNIFORMERING  LOONKUNDIGE  COMPONENT  ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSBEOORDELING
 
 

22 augustus 2001, Stcrt. 2001, 169
Inwerkingtreding: 1 april 2002
(T.a.v. artt. 18 WAO, 2 WAZ en 3:1 Wet Wajong)

 

  
 

 

 
     Het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op de artikelen 18 WAO, 2 WAZ en 2 Wajong;

     Besluit:

 

 

Maatman en maatmaninkomen

 

Art. 1. WAO-verzekerden
-1. De werkgeversbijdragen in de premie pensioenverzekering, prepensioenverzekering en VUT-verzekering worden niet in het maatmaninkomen meegenomen.
-2. De werkgeversbijdrage in de premie particuliere ziektekostenverzekering wordt in het maatmaninkomen meegenomen.
-3. Indien de cliënt bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid ten minste twee jaar werkloos is en geen loongerelateerde WW-uitkering (meer) ontvangt, wordt de maatman in principe gesteld op de langdurig werkloze met als maatmaninkomen het wettelijk minimumloon per uur.
-4. Het maatmaninkomen van een cliënt die op het moment van vaststelling van dat maatmaninkomen nog onder een jeugdloonregeling valt, wordt verhoogd volgens de jeugdloonregeling uit de CAO of de regeling bij de werkgever.

 

Art. 2. WAZ-verzekerden
Bij de vaststelling van het maatmaninkomen van een zelfstandige wordt zowel voor om niet meewerkende ouders als voor om niet meewerkende kinderen alleen een deel van de winst aan hen toegerekend als de keuze hiervoor gemaakt is in het kader van de fiscale wetgeving.

 

Art. 3. Overgangsregeling
Dit besluit is vanaf de inwerkingtredingsdatum van toepassing in de gevallen waarin de maatman en het maatmaninkomen na de inwerkingtredingdatum voor de eerste keer vastgesteld worden (de nieuwe gevallen). Bepalend is hierbij dat de datum schriftelijke aanzegging ligt op of na datum inwerkingtreding van dit beleid. Voor op de inwerkingtredingsdatum lopende gevallen vindt toepassing van dit besluit plaats per de eerstvolgende herbeoordeling na de datum inwerkingtreding. In afwijking van de vorige volzin wordt, indien het maatmaninkomen vóór 1 juli 2002 is vastgesteld met inbegrip van werkgeversbijdragen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, het maatmaninkomen voor wat betreft deze werkgeversbijdragen niet meer herzien.

 

Art. 4. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2002.

 

Art. 5. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uniformering loonkundige component arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.

 

 

     Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Amsterdam, 22 augustus 2001.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

TOELICHTING
[22 augustus 2001]

 

Algemeen

 

     Tot nog toe is het handelen van de uitvoeringsinstellingen met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling gebaseerd op besluiten van verschillende orde (BV-beleid, FBV-beleid, GMD-beleid, bij de uitvoeringsinstelling gegroeid beleid) ¹ en jurisprudentie. In de praktijk betekent dit dat de uitvoeringsinstellingen met betrekking tot het vaststellen van de maatman en het maatmaninkomen op onderdelen verschillend zijn gaan handelen. Dit besluit beoogt het handelen van de uitvoeringsinstellingen te uniformeren.

1. BV: bedrijfsvereniging; FBV: Federatie van Bedrijfsverenigingen; GMD: Gemeenschappelijke Medische Dienst, red.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Maatman en maatmaninkomen


Artikel 1

     Eerste lid. Op grond van jurisprudentie (RSV 1996/186 en USZ 1998/88) hoeft in principe alleen als de werkgever meer premie voor zijn rekening neemt dan in de bedrijfstak gebruikelijk is, de werkgeversbijdrage in de premie meegenomen te worden voor het maatmaninkomen.
     Hierbij kan de uvi [uitvoeringsinstelling, red.] in principe volstaan met de cliënt te vragen naar de verdeling van de premie in de voor de werknemer geldende pensioenregeling respectievelijk VUT-regeling. Is de werkgeversbijdrage conform deze verdeling, dan is geen sprake van een meer dan gebruikelijke werkgeversbijdrage.

     Tweede lid. Conform de jurisprudentie (RSV 1994/204) wordt de werkgeversbijdrage in de particuliere ziektekostenverzekering in zijn geheel meegenomen in het maatmaninkomen.

     Derde lid. Hoofdregel is dat de maatman en het maatmaninkomen bepaald worden aan de hand van de laatstelijk verrichte arbeid. Indien men echter bij arbeidsongeschikt worden langdurig werkloos is (daarvan is volgens de jurisprudentie sprake bij langer dan 24 maanden werkloos) en een vervolguitkering WW (gebaseerd op het wettelijk minimumloon) heeft, wordt de maatman gesteld op de langdurig werkloze en het maatmaninkomen bepaald op het wettelijk minimumloon.
     Hiermee wordt aangesloten bij het loondervingprincipe in het kader van de WW. Als men een kortdurende WW-uitkering heeft, voldoet men alleen niet aan de jareneis voor een WW-uitkering. Gezien het feit dat de kortdurende WW-uitkering slechts zes maanden duurt en men dus nog niet zo lang geleden de laatst verrichte arbeid gedaan heeft, is het redelijk om voor het maatmaninkomen bij de laatst verrichte arbeid aan te sluiten. Bij de WW-vervolguitkering staat men al verder van de laatst verrichte arbeid af. Aangezien de WW-vervolguitkering gebaseerd is op het minimumloon is het redelijk ook voor de maatman WAO hiervan uit te gaan. Met het bepaalde in dit lid is bedoeld een uitgangspunt te formuleren. Onder omstandigheden kan er aanleiding zijn ook in de gevallen waarin de werkloosheidsperiode minder dan twee jaar heeft geduurd als maatman de langdurig werkloze te beschouwen.

     Vierde lid. In de praktijk zijn kleine verschillen in uitvoering. Dit lid beoogt uniformering van beleid op dit punt. Onder een jeugdloon wordt ook begrepen het wettelijk minimumjeugdloon. Volgens de toelichting bij het Schattingsbesluit van vóór 1 januari 1998 moet het maatmaninkomen bij het bereiken van een nieuw leeftijdsjaar worden verhoogd tot het volwassenenloon is bereikt. Tot het bereiken van het volwassenenloon wordt het jeugdloon dus verhoogd (maatmanwisseling dus).
     Vanaf het moment dat het volwassenenloon is bereikt, vindt in principe alleen nog verhoging door indexering conform het Schattingsbesluit plaats. Omdat dit onderwerp niet meer is opgenomen in de toelichting bij het Schattingsbesluit van 1 januari 1998 en die van juli 2000, wordt dit als Lisv-beleid [Lisv: Landelijk instituut sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] overgenomen, opdat er in dit opzicht geen discrepantie is tussen degenen voor wie het oude Schattingsbesluit van toepassing is en degenen voor wie het Schattingsbesluit van 1 januari 1998 of het nieuwe Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten aan de orde is.

 

Artikel 2

     Om niet meewerkende ouders en om niet meewerkende kinderen zijn niet met echtgenoten gelijkgesteld en zijn daarom niet verzekerd voor de WAZ. Ook al hebben zij deels bijgedragen aan het bedrijfsresultaat.
     Op grond van jurisprudentie (RSV 1994/30) wordt bij het vaststellen van het maatmaninkomen van de zelfstandige, ouders die om niet meewerken geen deel van de winst toegerekend indien de zelfstandige in het kader van de fiscale wetgeving de keuze om hen een deel van de winst toe te rekenen niet heeft gemaakt. Deze lijn wordt thans doorgetrokken naar kinderen, zodat zowel voor om niet meewerkende ouders als voor om niet meewerkende kinderen alleen een deel van de winst aan hen toegerekend wordt als de keuze hiervoor gemaakt is in het kader van de fiscale wetgeving.

 

Artikel 3

• Invoering van het nieuwe beleid voor nieuwe gevallen is relatief eenvoudig en beperkt de gegevensuitvraag en vereenvoudigt de uitvoering en voorkomt herberekening bij een volgende herbeoordeling.
• Bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen die voor nieuwe gevallen plaatsvinden volgens dit besluit is de datum van de verzending van de zogenaamde aanzeggingsbrief bepalend. In de aanzeggingsbrief worden cliënten geïnformeerd over de uitkomst van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. De schriftelijke aanzegging kan worden gedaan door een afzonderlijk schrijven, gevolgd door formele beslissing of uitsluitend door een formele beslissing. De datum van verzending van de schriftelijke aanzegging is bepalend voor het toepassen van dit besluit. Alle gevallen waarin de schriftelijke aanzegging is gedaan op of na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, dienen te zijn beoordeeld volgens dit beleid.
• Herbeoordeling van het maatmaninkomen in lopende gevallen met betrekking tot maatman/maatmaninkomen langdurig werkloze en maatmaninkomen bij een minimumjeugdloonregeling is niet nodig. Het nieuwe beleid ten aanzien van deze onderwerpen verschilt namelijk niet zoveel met de huidige uitvoeringspraktijk.
• Op verzoek of in beroeps- of bezwaarzaken dient uiteraard ook in lopende gevallen vanaf de datum inwerkingtreding conform het nieuwe beleid beslist te worden.

 

Artikel 4

     Als invoeringsdatum is gekozen voor 1 april 2002. De uitvoeringsinstellingen hebben dan ruim de tijd om hun systemen aan te passen en het nieuwe beleid te implementeren.

 

Amsterdam, 22 augustus 2001.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x