|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op de artikelen 18 WAO,
2 WAZ en 2 Wajong;
Besluit:
Maatman en maatmaninkomen
Art. 1.
WAO-verzekerden
-1. De werkgeversbijdragen in de premie pensioenverzekering, prepensioenverzekering
en VUT-verzekering worden niet in het maatmaninkomen meegenomen.
-2. De werkgeversbijdrage in
de premie particuliere
ziektekostenverzekering wordt in het maatmaninkomen meegenomen.
-3. Indien de cliënt bij het
intreden van de arbeidsongeschiktheid ten minste twee jaar werkloos is en geen
loongerelateerde WW-uitkering (meer)
ontvangt, wordt de maatman in principe gesteld op de langdurig
werkloze met als maatmaninkomen het wettelijk minimumloon per uur.
-4. Het maatmaninkomen van
een cliënt die op het moment
van vaststelling van dat maatmaninkomen nog onder een jeugdloonregeling
valt, wordt verhoogd volgens de jeugdloonregeling uit de CAO of de regeling
bij de werkgever.
Art. 2.
WAZ-verzekerden
Bij de vaststelling van het
maatmaninkomen van een zelfstandige wordt zowel voor om niet meewerkende ouders als voor om
niet meewerkende kinderen alleen een deel van de winst aan hen toegerekend als de
keuze hiervoor gemaakt is in het
kader van de fiscale wetgeving.
Art. 3.
Overgangsregeling
Dit besluit is vanaf de
inwerkingtredingsdatum van toepassing in de gevallen waarin de maatman
en het maatmaninkomen na de
inwerkingtredingdatum voor de eerste keer vastgesteld worden (de
nieuwe gevallen). Bepalend is hierbij dat de
datum schriftelijke aanzegging
ligt op of na datum inwerkingtreding van
dit beleid. Voor op de inwerkingtredingsdatum lopende gevallen vindt
toepassing van dit besluit plaats per de eerstvolgende herbeoordeling na de datum
inwerkingtreding.
In afwijking van de vorige volzin wordt, indien het maatmaninkomen
vóór 1 juli 2002 is vastgesteld met inbegrip van werkgeversbijdragen
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, het maatmaninkomen voor wat
betreft deze werkgeversbijdragen niet meer herzien.
Art. 4.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 1 april 2002.
Art. 5.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit uniformering loonkundige component arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
Dit besluit zal met
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Amsterdam, 22 augustus 2001.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
TOELICHTING
[22 augustus 2001]
Algemeen
Tot
nog toe is het handelen
van de uitvoeringsinstellingen met
betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
gebaseerd op besluiten van
verschillende orde (BV-beleid, FBV-beleid,
GMD-beleid, bij de uitvoeringsinstelling
gegroeid beleid) ¹ en jurisprudentie.
In de praktijk betekent dit dat de
uitvoeringsinstellingen met betrekking tot het
vaststellen van de maatman en het maatmaninkomen op onderdelen
verschillend zijn gaan handelen. Dit besluit beoogt het handelen
van de uitvoeringsinstellingen te
uniformeren.
1. BV: bedrijfsvereniging;
FBV: Federatie van Bedrijfsverenigingen; GMD: Gemeenschappelijke
Medische Dienst, red.
Artikelsgewijze
toelichting
Maatman en maatmaninkomen
Artikel 1
Eerste
lid. Op grond van
jurisprudentie (RSV 1996/186 en USZ
1998/88) hoeft in principe alleen als
de werkgever meer premie voor zijn
rekening neemt dan in de bedrijfstak gebruikelijk is, de werkgeversbijdrage in
de premie meegenomen te worden
voor het maatmaninkomen.
Hierbij kan de uvi [uitvoeringsinstelling,
red.] in
principe volstaan met de cliënt te vragen
naar de verdeling van de premie in
de voor de werknemer geldende
pensioenregeling respectievelijk VUT-regeling. Is de werkgeversbijdrage conform
deze verdeling, dan is geen sprake van een meer dan gebruikelijke
werkgeversbijdrage.
Tweede
lid. Conform de
jurisprudentie (RSV 1994/204) wordt de werkgeversbijdrage in de particuliere
ziektekostenverzekering in zijn geheel meegenomen in het maatmaninkomen.
Derde
lid. Hoofdregel is dat de
maatman en het maatmaninkomen
bepaald worden aan de hand van de
laatstelijk verrichte arbeid. Indien men
echter bij arbeidsongeschikt worden langdurig werkloos is
(daarvan is volgens de jurisprudentie sprake bij langer dan 24 maanden
werkloos) en een vervolguitkering WW
(gebaseerd op het wettelijk minimumloon) heeft, wordt de maatman gesteld op
de langdurig werkloze en het
maatmaninkomen bepaald op het wettelijk minimumloon.
Hiermee wordt aangesloten
bij het loondervingprincipe in het
kader van de WW. Als men een
kortdurende WW-uitkering heeft, voldoet
men alleen niet aan de jareneis
voor een WW-uitkering. Gezien het
feit dat de kortdurende WW-uitkering
slechts zes maanden duurt en men dus nog
niet zo lang geleden de laatst
verrichte arbeid gedaan heeft, is het
redelijk om voor het maatmaninkomen
bij de laatst verrichte arbeid aan
te sluiten. Bij de WW-vervolguitkering
staat men al verder van de laatst
verrichte arbeid af. Aangezien de
WW-vervolguitkering gebaseerd is op het
minimumloon is het redelijk ook voor de maatman WAO hiervan uit te
gaan. Met het bepaalde in dit lid
is bedoeld een uitgangspunt te
formuleren. Onder omstandigheden kan er
aanleiding zijn ook in de gevallen
waarin de werkloosheidsperiode
minder dan twee jaar heeft geduurd als maatman de langdurig werkloze te
beschouwen.
Vierde
lid. In de praktijk zijn
kleine verschillen in uitvoering. Dit lid
beoogt uniformering van beleid op
dit punt. Onder een jeugdloon wordt
ook begrepen het wettelijk minimumjeugdloon. Volgens de toelichting bij het Schattingsbesluit van
vóór 1 januari 1998 moet het maatmaninkomen bij
het bereiken van een nieuw
leeftijdsjaar worden verhoogd tot het
volwassenenloon is bereikt. Tot het bereiken van het volwassenenloon
wordt het jeugdloon dus verhoogd (maatmanwisseling dus).
Vanaf het moment dat het
volwassenenloon is bereikt, vindt in
principe alleen nog verhoging door
indexering conform het
Schattingsbesluit plaats. Omdat dit onderwerp niet
meer is opgenomen in de toelichting
bij het Schattingsbesluit van 1 januari 1998 en die van juli 2000, wordt dit als
Lisv-beleid [Lisv: Landelijk instituut sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] overgenomen, opdat er in dit opzicht geen discrepantie is tussen
degenen voor wie het oude
Schattingsbesluit van toepassing is en degenen
voor wie het Schattingsbesluit
van 1 januari 1998 of het nieuwe Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
aan de orde is.
Artikel 2
Om
niet meewerkende ouders
en om niet meewerkende kinderen
zijn niet met echtgenoten
gelijkgesteld en zijn daarom niet verzekerd voor
de WAZ. Ook al hebben zij deels
bijgedragen aan het bedrijfsresultaat.
Op grond van jurisprudentie
(RSV 1994/30) wordt bij het
vaststellen van het maatmaninkomen van de
zelfstandige, ouders die om niet meewerken geen deel van de winst
toegerekend indien de zelfstandige in
het kader van de fiscale
wetgeving de keuze om hen een deel van de
winst toe te rekenen niet heeft
gemaakt. Deze lijn wordt thans
doorgetrokken naar kinderen, zodat zowel
voor om niet meewerkende ouders als
voor om niet meewerkende kinderen
alleen een deel van de winst aan hen toegerekend wordt als de keuze hiervoor
gemaakt is in het kader van
de fiscale wetgeving.
Artikel 3
• Invoering van het nieuwe
beleid voor nieuwe gevallen is
relatief eenvoudig en beperkt de
gegevensuitvraag en vereenvoudigt de
uitvoering en voorkomt herberekening
bij een volgende herbeoordeling.
• Bij de
arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen die voor nieuwe gevallen plaatsvinden
volgens dit
besluit is de datum van de verzending van
de zogenaamde aanzeggingsbrief bepalend. In de aanzeggingsbrief worden cliënten geïnformeerd over
de uitkomst van de
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. De schriftelijke aanzegging kan worden
gedaan door een afzonderlijk schrijven,
gevolgd door formele beslissing of
uitsluitend door een formele beslissing. De
datum van verzending van de
schriftelijke aanzegging is bepalend voor het
toepassen van dit besluit. Alle gevallen waarin de schriftelijke aanzegging is gedaan op of na de datum van
inwerkingtreding van dit besluit, dienen te zijn beoordeeld volgens dit
beleid.
• Herbeoordeling van het
maatmaninkomen in lopende gevallen met betrekking tot maatman/maatmaninkomen
langdurig werkloze en
maatmaninkomen bij een minimumjeugdloonregeling is niet nodig. Het nieuwe
beleid ten aanzien van deze onderwerpen verschilt namelijk niet
zoveel met de huidige
uitvoeringspraktijk.
• Op verzoek of in beroeps-
of bezwaarzaken dient uiteraard
ook in lopende gevallen vanaf de
datum inwerkingtreding conform het
nieuwe beleid beslist te worden.
Artikel 4
Als invoeringsdatum is
gekozen voor 1 april 2002. De
uitvoeringsinstellingen hebben dan ruim de tijd om
hun systemen aan te passen en
het nieuwe beleid te implementeren.
Amsterdam, 22 augustus 2001.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|