|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel 27 van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 44 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en artikel 36 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
Besluit:
§ 1. Definities
Art. 1.
In deze
controlevoorschriften wordt verstaan onder:
a. uitvoeringsinstelling:
een rechtspersoon als bedoeld in artikel 41,
derde lid, van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997; ¹
b. Landelijk instituut
sociale verzekeringen: het Landelijk instituut
sociale verzekeringen, bedoeld in
hoofdstuk 4 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997; ¹
c. WAO: de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
d. WAZ: de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
e. Wajong: de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
f. uitkering: de uitkering
in de zin van hoofdstuk II en VI van
de WAO, hoofdstuk 3
van de WAZ of
hoofdstuk 2 van de Wajong;
g. uitkeringsgerechtigde: de
persoon aan wie een uitkering WAO,
WAZ of Wajong is toegekend;
h. aanvrager: degene,
bedoeld in de artikelen 34, derde lid, van de WAO,
35, vierde lid, van de WAZ en
28, vierde lid, van de
Wajong.
1. Zie hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, red.
§ 2.
De aanvraag van
uitkering
Art. 2.
De aanvrager maakt met
betrekking tot zijn aanvraag voor
toekenning, heropening dan wel
voortzetting van de uitkering gebruik van een
formulier, beschikbaar gesteld door de uitvoeringsinstelling, waarop de gegevens zijn vermeld die voor de beoordeling van
de aanvraag
door de uitvoeringsinstelling
noodzakelijk zijn en dat door de aanvrager is ondertekend.
Art. 3.
-1. Degene die in het jaar
voordat hij arbeidsongeschikt werd
winst of inkomsten heeft genoten als
zelfstandige, beroepsbeoefenaar of
meewerkende echtgenoot, voegt bij de aanvraag de aangiften en de aanslagen
voor de Wet
inkomstenbelasting 2001 die betrekking hebben op de
drie kalenderjaren die aan het
intreden van de arbeidsongeschiktheid
zijn voorafgegaan.
-2. De zelfstandige of
meewerkende echtgenoot voegt tevens bij
de aanvraag de jaarstukken die
betrekking hebben op de drie
kalenderjaren of niet met het kalenderjaar
samenvallende boekjaren, die aan het
intreden van de arbeidsongeschiktheid
zijn voorafgegaan.
-3. Desgevraagd worden deze
gegevens verstrekt over andere jaren.
Art. 4.
De aanvrager zorgt ervoor - voor zover dat in zijn vermogen ligt - dat de
uitvoeringsinstelling in
staat is om een onderzoek uit te voeren
naar de juistheid en volledigheid
van de gegevens die bij de aanvraag zijn
verstrekt.
§ 3.
Controle in verband
met de toekenning, heropening, voortzetting of continuering van uitkering
Art. 5.
-1. De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde voldoen aan een verzoek van de uitvoeringsinstelling
of een daartoe schriftelijk door of
vanwege de uitvoeringsinstelling gemachtigd persoon om ten behoeve van
de uitvoering van de WAO, de WAZ en de
Wajong:
a. mondeling of schriftelijk
inlichtingen te geven en in het laatste geval binnen twee weken na datum
dagtekening van het schriftelijke
verzoek daartoe, tenzij de uitvoeringsinstelling een andere redelijke termijn
bepaalt. De termijn wordt in verband met vakantie verlengd met de
duur van de vakantie doch ten hoogste
met vier weken;
b. inzage te verlenen in en
desgevraagd afschrift te verstrekken van boeken, bescheiden, stukken
en andere gegevensdragers, voor zover deze betekenis hebben of kunnen
hebben voor het vaststellen van het
recht op, de hoogte en/of de duur van
de uitkering of het bedrag dat daarvan
wordt uitbetaald;
c. controle door personen
die daarmee door of namens de
uitvoeringsinstelling zijn belast en die zich met
een daartoe strekkende
machtiging kunnen legitimeren, mogelijk te
maken; daartoe dient hij op zijn
woon- of verblijfsadres bereikbaar te zijn of er zorg voor te dragen dat de
met controle belaste personen kunnen
vernemen waar hij bereikbaar is;
d. op door of namens de
uitvoeringsinstelling aan te wijzen dagen c.q. uren thuis te zijn en de
door of namens de
uitvoeringsinstelling aangewezen personen gelegenheid te geven tot controle.
-2. De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde die in Nederland wonen, zijn verplicht een vragenformulier van
de uitvoeringsinstelling
volledig ingevuld en ondertekend binnen één maand na datum dagtekening
van het schriftelijke verzoek
daartoe terug te sturen. De termijn wordt in
verband met vakantie verlengd met de
duur van de vakantie doch ten
hoogste met vier weken.
-3. De uitkeringsgerechtigde
die arbeid verricht als zelfstandige, beroepsbeoefenaar of meewerkende echtgenoot
legt vóór een door de
uitvoeringsinstelling vastgesteld tijdstip een
kopie van de jaarstukken van het
jaar voorafgaande aan dat tijdstip over. De beroepsbeoefenaar die niet
verplicht is jaarstukken op te
stellen, legt in plaats hiervan over de
aangifte Inkomstenbelasting.
Art. 6.
-1. De aanvrager en de
uitkeringsgerechtigde zijn verplicht onverwijld mededeling te doen van een
wijziging van hun woon- of
verblijfplaats.
-2. De aanvrager en de uitkeringsgerechtigde die voor langer
dan vier weken naar het buitenland
vertrekken, doen hiervan zo spoedig
mogelijk doch uiterlijk twee weken vóór het vertrek mededeling aan
de uitvoeringsinstelling.
§ 4.
Slotbepalingen
Art. 7.
Het bepaalde in de
voorgaande paragrafen is van overeenkomstige
toepassing op de wettelijk
vertegenwoordiger van de uitkeringsgerechtigde
en de aanvrager alsmede de instelling als bedoeld in artikel 54 WAO,
artikel 57 WAZ of artikel 49 Wajong aan
welke de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald.
Art. 8.
De Controlevoorschriften
WAO, WAZ en Wajong 1998 worden
ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit
besluit.
Art. 9.
Deze voorschriften treden in
werking met ingang van 1 december
2001. Indien de Staatscourant
waarin dit besluit wordt geplaatst,
wordt uitgegeven na 30 november 2001, treedt het in werking met ingang
van de tweede dag na de dagtekening
van de Staatscourant waarin het
wordt geplaatst en werkt terug tot
en met 1 december 2001.
Art.10.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Controlevoorschriften WAO,
WAZ en Wajong 2001.
Amsterdam, 7 december 2001.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
TOELICHTING
[7 december 2001]
Algemeen
De wetten verplichten tot
het vaststellen van controlevoorschriften. Tengevolge van de invoering van
de Wet arbeid en zorg en
bijbehorende Invoeringswet dienen de Controlevoorschriften WAO, WAZ en Wajong 1998 te worden
aangepast. Deze controlevoorschriften
worden daarom vervangen. De
volgende uitgangspunten zijn bij het opstellen gehanteerd:
1. Lisv [Landelijk instituut sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] is formeel
uitvoerder. In de materiële wetten en
lagere regelgeving wordt vrijwel steeds het
Lisv genoemd als formele partij.
Ook in dit besluit is het Lisv
degene die de controlevoorschriften vaststelt. Uit de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 [zie ook
hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, red.] volgt dat de
uitvoeringsinstelling de feitelijke taken verricht
die uit de formele bevoegdheid voortvloeien. Aangezien bij de
controlevoorschriften het verkeer tussen de aanvrager/uitkeringsgerechtigde
en de uitvoeringsinstelling op de
voorgrond staat, wordt de
uitvoeringsinstelling genoemd als degene die de
feitelijke handeling verricht of degene
aan wie de uitkeringsgerechtigde de
gegevens moet leveren.
2. Concretisering van de
wettelijke bepalingen. Wat in de wet voldoende
duidelijk is geregeld, wordt niet in de
controlevoorschriften herhaald. Zo is bijvoorbeeld in de artikelen 24 WAO,
43
WAZ en 35 Wajong geregeld
dat het Lisv voorschriften van
medische aard kan geven. Deze bepaling is
dermate concreet dat opname in de
controlevoorschriften overbodig wordt gevonden.
De controlevoorschriften
geven als het ware een concretisering
van hetgeen wettelijk geregeld is. Een
voorbeeld betreft de aanvraagprocedure voor een uitkering.
3. Ten behoeve van in het
buitenland woonachtige gerechtigden
zijn aparte Controlevoorschriften
buitenland WAO, WAZ en Wajong
opgesteld. De aanleiding hiervoor lag
voornamelijk in de inwerkingtreding van
de Wet beperking export uitkeringen.
Artikelsgewijs
§ 1. Definities
Artikel 1
Dit artikel bevat enkele
definitiebepalingen. Het begrip "uitvoeringsinstelling" is ingevoerd om aan te geven
dat de formele taak van het
Lisv materieel wordt uitgevoerd door de uitvoeringsinstelling. Om
het onderscheid in administratieve
handelingen tussen de aanvraag van
uitkering en de controle in verband met
de toekenning, heropening voortzetting of continuering van de
uitkering tot uitdrukking te brengen, zijn in de
definitiebepalingen de begrippen "aanvrager" en "uitkeringsgerechtigde"
vermeld.
Het bepaalde onder f en g
leidt ertoe dat de bepalingen van dit
besluit ook van toepassing zijn op de
uitkeringen op grond van de vrijwillige
verzekering ex hoofdstuk VI WAO.
Artikel 86 WAO
bepaalt immers dat
de bepalingen van de overige hoofdstukken van de WAO voor zoveel
nodig van overeenkomstige
toepassing zijn, voor zover daarvan in of
krachtens hoofdstuk VI van de WAO niet
is afgeweken.
§ 2. De aanvraag van
uitkering WAO, WAZ en Wajong
Artikel 2
Ingevolge de artikelen
34,
derde lid, van de WAO, 35, vierde lid,
van de
WAZ en 28, vierde lid, van de Wajong dient de
belanghebbende die in aanmerking wenst te komen voor toekenning dan wel
voortzetting van de uitkering zijn aanvraag
te doen binnen negen maanden na aanvang
van zijn arbeidsongeschiktheid
onderscheidenlijk uiterlijk drie maanden vóór het einde van de termijn
waarover de uitkering is toegekend.
De uitvoeringsinstelling
stelt de belanghebbende schriftelijk
in kennis van de mogelijkheid van het
doen van een aanvraag. Voor degene die een ZW-uitkering dan wel een WAO-,
WAZ- of Wajong-uitkering
heeft ontvangen en derhalve bekend is bij de uitvoeringsinstelling, is
een summier formulier ontwikkeld. Voor degene die geen uitkering heeft
ontvangen, wordt na ontvangst van de
zogenaamde "melding WAO", "melding WAZ" of "melding Wajong"
gebruik gemaakt van een uitvoerig
vragenformulier teneinde de behandelende
uitvoeringsinstelling en het recht op uitkering te kunnen bepalen.
Artikel 3
In dit artikel wordt
aangegeven welke gegevens de zelfstandige en
de persoon die niet in dienstbetrekking werkzaam is bij de aanvraag
moet verstrekken. Met aanvraag
wordt hier bedoeld de aanvraag die
wordt gedaan met behulp van het
aanvraagformulier.
Om het maatmaninkomen te
kunnen vaststellen, zijn de
financiële gegevens nodig over een periode van
drie kalender- of boekjaren
voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Met behulp van
de aanslagen en aangiften Inkomstenbelasting en de
jaarstukken (balans en winst- en
verliesrekening) wordt het maatmaninkomen bepaald. Omdat beroepsbeoefenaars
niet verplicht zijn jaarstukken voor de
belasting op te stellen, is deze
verplichting ook niet opgenomen in de
controlevoorschriften.
Vanzelfsprekend geldt dat de
gevraagde gegevens alleen
kunnen worden verstrekt als in de
desbetreffende jaren ook als zelfstandige
of beroepsbeoefenaar arbeid is
gewerkt. Het vierde lid van dit
artikel vervalt in verband met de
overheveling van de uitkering in verband met
bevalling naar de Wet arbeid en zorg.
Artikel 4
In dit artikel wordt de
medewerking gevorderd van de aanvrager
van uitkering met betrekking tot de
verificatie van de door hem verstrekte
gegevens door de uitvoeringsinstelling.
§ 3. Controle in verband
met de toekenning, heropening, voortzetting of continuering van uitkering
Zowel bij de toekenning als
bij de heropening, voortzetting en
continuering van de uitkering ligt de
nadruk in de controle op de vraag
of de uitkering rechtmatig wordt verstrekt.
Om deze vraag te kunnen
beantwoorden, beschikt de
uitvoeringsinstelling enerzijds over informatie
uit eigen bronnen dan wel van
andere uitvoeringsorganen en anderzijds over informatie van de
uitkeringsgerechtigde zelf.
Voor het beoordelen van het
recht op en de hoogte van de
uitkering is met name bepalend de mate
van arbeidsongeschiktheid en de
vraag of er inkomen uit of in verband
met arbeid wordt genoten.
Daarnaast dient de
uitvoeringsinstelling te beschikken over de juiste
inhoudingsgegevens en het juiste woon- of
verblijfsadres. De plicht om op een
aangegeven plaats en tijd te
verschijnen is niet in de controlevoorschriften opgenomen, omdat dit thans in de
wetten
is geregeld.
De uitvoeringsinstelling
controleert regelmatig de juistheid van
de in de administratie aanwezige
gegevens door de
uitkeringsgerechtigde te bezoeken of hem of haar een zogenaamd inlichtingen-,
vragen- of
enquêteformulier toe te
zenden. Om dit onderdeel van het
controleproces goed te laten verlopen, is
een aantal bepalingen geformuleerd in paragraaf 3 van de
controlevoorschriften.
Artikel 5
Eerste lid
Om het recht en de hoogte
van de uitkering vast te stellen,
zal de uitvoeringsinstelling onderzoeken moeten instellen door onder meer
een verzekeringsarts, een arbeidsdeskundige en een beoordelaar. Deze
onderzoeken zullen veelal op het kantoor van de uitvoeringsinstelling
plaatsvinden, waarbij gebruik gemaakt
wordt van informatie van de aanvrager
en de uitkeringsgerechtigde.
Daarbij is het gewenst dat de uitvoeringsinstelling inzage kan krijgen en
beschikken over een uitgebreid scala aan noodzakelijk geachte (merendeels
schriftelijke) stukken, zoals bijvoorbeeld loonstroken, balans en
winst-en-verliesrekening, kasboeken, ziekenfondsinschrijvingspapieren, loonbelastingverklaring,
aangifte voor de Inkomstenbelasting, etc. De termijn voor het verstrekken
van inlichtingen is twee weken.
De uitvoeringsinstelling kan een andere redelijke termijn bepalen die langer
kan zijn maar ook korter. Om
problemen ten aanzien van tijdige
terugzending in verband met vakantie te
voorkomen, kan de termijn worden
verlengd met vier weken.
Daarnaast is het gewenst
controle op het huisadres mogelijk te
maken. Controle thuis heeft een
meerwaarde in vergelijking met een
controle ten kantore van de uitvoeringsinstelling. Anders dan bij een bezoek
aan het kantoor van de uitvoeringsinstelling heeft de betrokkene thuis
alle gegevens meestal bij de hand. Dat levert in de afhandeling een
aanzienlijk tijdsvoordeel op.
Met name bij de toekenning
van een uitkering krachtens de WAO is het gebruikelijk dat de
aanvrager bezocht wordt door een
buitendienstfunctionaris van de uitvoeringsinstelling. Deze verzamelt alle
benodigde aanvullende gegevens (in
verband met bijvoorbeeld de
ziekenfondsverzekering en inhouding op de
uitkering) en verifieert samen met de
betrokkene de bij diens werkgever
verzamelde loongegevens die nodig zijn voor de
vaststelling van het dagloon. Ook andere situaties kunnen evenwel aanleiding
geven de aanvrager of de
uitkeringsgerechtigde te vragen op bepaalde dagen c.q. uren thuis te
zijn. Om de dagelijkse thuisbezoeken
efficiënt te kunnen plannen, is het
noodzakelijk dat de
buitendienstmedewerkers ervan op aan kunnen dat zij
hem thuis aantreffen. Om deze reden is
de verplichting opgenomen dat een betrokkene - vanzelfsprekend na
afspraak - op een afgesproken dag c.q.
uren thuis dient te zijn.
Tweede lid
In dit lid is de
verplichting neergelegd om een door de
uitvoeringsinstelling toegezonden vragen- of
inlichtingenformulier volledig in te vullen en
binnen één maand terug te zenden. Vanwege het belang dat deze
vorm van controle voor de uitvoeringspraktijk heeft, is deze verplichting
afzonderlijk geformuleerd. Om problemen tijdens de vakantieperioden
te voorkomen, wordt de termijn in die
situatie verlengd.
Derde lid
Voor de
uitkeringsgerechtigde die (nog) werkzaam is als
zelfstandige, beroepsbeoefenaar of
meewerkende echtgenoot dient de
uitvoeringsinstelling tijdig te beschikken over de
jaarstukken (balans, de winst-en-verliesrekening) of de aangifte voor de Inkomstenbelasting over het
voorafgaande (boek)jaar. In de praktijk blijkt men in vele gevallen
niet aan deze verplichting te voldoen, hetgeen tot extra administratieve handelingen
en te hoge of te lang
doorlopende betalingen kan leiden.
Artikel 6
Eerste lid
Om controle mogelijk te
maken, dient de woon- of verblijfplaats
van de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde bekend te zijn. Derhalve is
het noodzakelijk dat hij wijzigingen in zijn woon- of verblijfplaats
meedeelt aan de uitvoeringsinstelling.
Tweede lid
In dit voorschrift wordt
geen onderscheid gemaakt tussen vertrek naar het buitenland bij wijze van
vakantie en vertrek om andere
redenen, bijvoorbeeld (r)emigratie.
Met betrekking tot de
termijn waarbinnen de aanvrager of
uitkeringsgerechtigde mededeling dient te doen van zijn vertrek naar
het buitenland is opgenomen dat hij
dit zo spoedig mogelijk, doch
uiterlijk twee weken vóór vertrek, dient te
doen. Voor alle duidelijkheid
benadrukken wij nog eens dat de
aanvrager of de uitkeringsgerechtigde van
zijn voornemen alleen mededeling hoeft te
doen aan de uitvoeringsinstelling; hij hoeft hiervoor geen toestemming te
vragen.
Door de kennisgeving van het
voorgenomen vertrek kan de
uitvoeringsinstelling tijdig (laten) beoordelen of er reden is om bezwaar te
maken tegen het voorgenomen vertrek. Met name in die situaties
waarin de aanvrager of de
uitkeringsgerechtigde actief wordt begeleid of
bemiddeld, zou hiervan sprake kunnen
zijn en zou de uitvoeringsinstelling voorschriften kunnen geven. Of ingeval
voorschriften zijn gegeven in het belang van de behandeling of
genezing of tot behoud, herstel of
ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid (ex artikel 24 WAO/43
WAZ/35 Wajong).
In overleg tussen de
uitvoeringsinstelling en de aanvrager of de uitkeringsgerechtigde kan een kortere termijn
worden afgesproken,
bijvoorbeeld om last-minuteboekingen mogelijk te maken.
Amsterdam, 7 december 2001.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|