|
Besluit van de Sociale
Verzekeringsraad van 20 april 1967
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Art. 1.
-1. Voor de toepassing van deze regelen wordt verstaan:
a. onder loon: het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering, met dien verstande dat hetgeen niet of niet geheel is
uitbetaald eveneens tot het loon behoort;
b. behoudens bij hernieuwde vaststelling van een dagloon als bedoeld in
artikel 48, derde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, onder het jaar aan het intreden van
zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande: het jaar
onmiddellijk voorafgaande aan de aanvang van de wachttijd,
bedoeld in artikel 19 van die wet;
c. onder onbetaald verlof: onbetaald verlof als bedoeld in artikel
1,
onderdeel j, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
d. onder salarisbetalingsperiode: de door de werkgever gehanteerde
gebruikelijke periode waarover de werknemer zijn salaris ontvangt van
ten hoogste één maand.
-2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, worden
geacht tot het loon te behoren:
a. het rechtens geldend loon, voor zover dit niet is genoten;
b. bijdragen strekkende tot betaling van premie van een door of voor de
werknemer afgesloten particuliere ziektekostenverzekering indien er op
de datum van ingang van de uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder medeberekening van die
bijdragen in het dagloon dat aan de uitkering ten grondslag ligt geen
verplichte verzekering ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 3
van de Ziekenfondswet ontstaat en er bij arbeidsongeschiktheid geen
vrijstelling bestaat tot betaling van de premie voor de particuliere
ziektekostenverzekering;
c. bedragen welke zijn ingehouden als bijdrage voor aanspraken die naar
aard en strekking overeenkomen met de aanspraken ingevolge
socialeverzekeringswetten, waaronder begrepen aanspraken op grond
van hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en
zorg, of als bijdrage voor aanspraken op uitkeringen
wegens overlijden of invaliditeit tengevolge van een ongeval.
-3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, worden
geacht niet tot het loon te behoren:
a. aanspraken uit een dienstbetrekking als bedoeld in artikel
10, tweede lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, behoudens die op
vakantietoeslag;
b. bedragen welke de hoogte van het rechtens geldende loon te boven
gaan;
c. bedragen strekkende tot vergoeding van te maken onkosten, ook al zijn
deze niet in een afzonderlijke onkostenvergoeding vastgesteld;
d. gratificaties, tantièmes, uitkeringen ingevolge winstdeling,
uitkeringen in de vorm van aandelen en andere dergelijke uitkeringen,
voor zover deze niet tot het normale regelmatig verstrekte loon behoren,
alsmede eenmalige uitkeringen;
e. loon bestemd voor vakantiedagen, niet zijnde vakantietoeslag, alsmede
vergoeding voor niet-genoten vakantie;
f. feestdagentoeslag, tenzij in het desbetreffende beroep onder normale
omstandigheden in de bedrijfstak arbeid op feestdagen wordt verricht;
g. prestatie- en productiepremie, voor zover deze een incidenteel of
uitzonderlijk karakter dragen;
h. vergoeding voor reisuren, voor zover door het in aanmerking nemen van deze
uren de normale wekelijkse arbeidsduur volgens arbeidsovereenkomst en
toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst zou worden overschreden;
i. afzonderlijke bijdragen strekkende tot betaling van premie van een
door of voor de werknemer afgesloten verzekering;
j. uitkeringen en verstrekkingen uit fondsen, behoudens die welke naar
aard en strekking overeenkomen met uitkeringen en verstrekkingen
ingevolge de wettelijke kinderbijslagverzekering;
k. uitkeringen en verstrekkingen tot dekking van kosten ter zake van
ziekte, invaliditeit, bevalling en sterfgeval;
l. het voordeel dat voor de werknemer is gelegen in het gebruik voor
privédoeleinden van een auto en/of telefoon waarvan de kosten geheel
of gedeeltelijk door de werkgever worden gedragen;
m. uitkeringen en verstrekkingen op grond van socialeverzekeringswetten,
waaronder begrepen toeslagen op grond van de Toeslagenwet
en uitkeringen op grond van hoofdstuk 3, afdeling
2, van de Wet
arbeid en zorg;
n. periodieke uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met
uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de Ziektewet, hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of de Werkloosheidswet;
o. uitkeringen over tijdvakken waarin de werknemer geen arbeid
verricht,
indien die uitkeringen minder bedragen dan de helft van zijn loon;
p. het voordeel dat de werknemer heeft van aan hem vanwege zijn
werkgever verstrekte geldleningen waarvoor hem geen of een lagere
rente, dan wel geen of een lagere afsluitprovisie in rekening wordt
gebracht;
q. de waarde van door de werkgever verstrekte aandelenoptierechten;
r. het voordeel dat voor de werknemer, werkzaam in de geestelijke en/of
lichamelijke gezondheids- of welzijnszorg, is gelegen in het gebruiken
van de maaltijd in de werktijd tezamen met de hem toevertrouwde
patiënten, pupillen of bewoners, indien hiertoe op basis van de
arbeidsovereenkomst of aanstelling een verplichting bestaat op grond van
opvoedkundige of therapeutische overwegingen of anderszins overwegingen
van resocialiserende aard;
s. het voordeel dat voor de werknemer is gelegen in
kinderopvang welke
door of vanwege de werkgever wordt verzorgd, alsmede een vergoeding van
de werkgever in de kosten van kinderopvang;
t. vervallen;
u. het voordeel dat voor de werknemer van een dagbladuitgeversbedrijf is
gelegen in een gratis abonnement op een dagblad uitgegeven door dat
bedrijf.
-4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, wordt voor
ongehuwde buitenlandse werknemers die tijdelijk hier te lande te werk
zijn gesteld en die behoren tot een gezin dat in het buitenland
verblijft, de door de werkgever aan de werknemer verstrekte
kostgeldvergoeding geacht niet tot het loon te
behoren.
HOOFDSTUK II
Dagloonberekening bij één
beroep
Art. 2.
-1. Indien de uitkeringsgerechtigde slechts één beroep gewoonlijk
uitoefende, wordt het dagloon vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in
de volgende artikelen van dit hoofdstuk.
-2. In die artikelen wordt onder beroep verstaan het in het vorige lid
bedoelde beroep.
Art. 3.
-1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon dat de
uitkeringsgerechtigde in het jaar aan het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande in zijn beroep
gemiddeld heeft genoten over de in de volledige salarisbetalingsperioden
in dat jaar gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem
normale werktijd in dat beroep werkzaam was, met dien verstande dat bij
deze berekening:
a. een evenredig deel van de vakantietoeslag, alsmede een evenredig deel
van een uitkering die het karakter heeft van een dertiende maandloon of
eindejaarsuitkering, wordt aangemerkt als loon dat over bedoelde dagen
is genoten;
b. de dagen waarop hij als gevolg van arbeidsongeschiktheid niet tegen
zijn normale loon werkzaam was, benevens het over die dagen genoten
loon, buiten aanmerking blijven;
c. buiten aanmerking blijft hetgeen hij heeft genoten in de vorm van
uitkeringen als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel d, die tot
het normale regelmatig verstrekte loon behoren;
d. het aantal dagen werken in een kalender- of loonweek geacht wordt
niet meer dan vijf te bedragen.
-2. Indien er geen sprake is van volledige salarisbetalingsperioden als
bedoeld in het eerste lid, wordt voor de vaststelling van het dagloon het
loon berekend dat de uitkeringsgerechtigde in het jaar aan het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande in
zijn beroep gemiddeld heeft genoten over in dat jaar gelegen dagen
waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in dat
beroep werkzaam was. Bij deze berekening is het eerste lid, onderdeel a
tot en met d, van toepassing.
-3. Voor de vaststelling van de periode van één jaar, bedoeld in het
eerste en tweede lid, wordt onbetaald verlof tot een maximum van
achttien maanden niet in aanmerking genomen.
Art. 4.
-1. Indien één of meer uitkeringen als bedoeld in artikel
1, derde
lid, onderdeel d, tot het normale regelmatig verstrekte loon
behoorden
of - als de uitkeringsgerechtigde niet arbeidsongeschikt was geworden -
daartoe zouden hebben behoord, wordt de uitkomst van de berekening
ingevolge het vorige artikel ter zake van elk dier uitkeringen verhoogd
op de wijze in de volgende leden bepaald.
-2. Indien een uitkeringsgerechtigde in een periode van drie jaren aan
het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande
een dergelijke uitkering genoot:
a. in elk van die drie jaren, bedraagt de verhoging 1/783 van de som van
het bedrag der uitkeringen in die drie jaren;
b. in twee van die drie jaren, bedraagt de verhoging 1/522 van de som
van het bedrag der uitkeringen in die twee jaren;
c. in één van die drie jaren, bedraagt de verhoging 1/261 van het
bedrag der uitkeringen in dat jaar.
-3. Indien de uitkeringsgerechtigde een dergelijke uitkering niet heeft
genoten in de periode van drie jaren, bedoeld in het vorige lid, doch wel
heeft genoten, dan wel - als hij niet arbeidsongeschikt was geworden -
zou hebben genoten in het jaar aan de dag van ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering voorafgaande, wordt de verhoging
vastgesteld op 1/261 van het bedrag van de uitkering die hij in dat jaar
heeft dan wel zou hebben genoten.
Art. 5.
Indien het loon van de uitkeringsgerechtigde na de aanvang van het in
artikel 3 bedoelde jaar, doch uiterlijk op de dag van ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, krachtens een voor hem geldende
regeling is of zou zijn gewijzigd, wordt de uitkomst van de berekening
ingevolge de vorige artikelen - voor zoveel nodig - herzien, alsof die
wijziging reeds was ingegaan op de eerste dag waarop hij zijn beroep
uitoefende in het jaar, in artikel 3 bedoeld.
Art. 6.
-1. Indien het op grond van artikel 3 berekende aantal dagen minder
bedraagt dan 65, wordt voor de toepassing van de artikelen 3 en
5 het in
artikel 3 bedoelde jaar verlengd met een zodanige periode dat:
a. indien artikel 3, eerste lid, van toepassing is, een zodanig aantal
volledige salarisbetalingsperioden wordt bereikt dat het aantal in
aanmerking te nemen dagen ten minste 65 bedraagt;
b. indien artikel 3, tweede lid, van toepassing is, het aantal van 65
dagen wordt bereikt;
doch met ten hoogste één jaar.
-2. Indien ook na verlenging met één jaar het aantal van 65 dagen niet
wordt bereikt, wordt het loon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, geacht gelijk
te zijn aan het loon dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde of een
gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in het
jaar aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid van de
uitkeringsgerechtigde onmiddellijk voorafgaande in diens beroep
gemiddeld hebben genoten over de in de volledige
salarisbetalingsperioden in dat jaar gelegen dagen waarop zij gedurende
ten minste de voor de uitkeringsgerechtigde normale werktijd in diens
beroep werkzaam waren. De artikelen 3, eerste lid, onderdeel a, b,
c en d, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing, alsof het een berekening
van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en zij op
dezelfde datum als de uitkeringsgerechtigde arbeidsongeschikt waren
geworden.
-3. Indien ook na verlenging met één jaar het aantal van 65 dagen niet
wordt bereikt, wordt het loon, bedoeld in artikel 3, tweede lid, geacht
gelijk te zijn aan het loon dat gelijksoortige werknemers in hetzelfde
of een gelijksoortig bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente
in het jaar aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid van de
uitkeringsgerechtigde onmiddellijk voorafgaande in diens beroep
gemiddeld hebben genoten over in dat jaar gelegen dagen waarop zij
gedurende ten minste de voor de uitkeringsgerechtigde normale werktijd
in diens beroep werkzaam waren. De artikelen 3, eerste lid, onderdeel a,
b, c en d, 4 en 5 zijn van overeenkomstige
toepassing, alsof het een
berekening van het dagloon voor de gelijksoortige werknemers betrof en
zij op dezelfde datum als de uitkeringsgerechtigde arbeidsongeschikt
waren geworden.
-4. In afwijking van het bepaalde in de vorige leden wordt voor de
uitkeringsgerechtigde op wie het bepaalde bij en krachtens artikel
17,
vierde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering van
toepassing is en het ingevolge artikel 3 berekende aantal dagen minder
bedraagt dan 65, voor de toepassing van de artikelen 3 en
5 het in
artikel 3 bedoelde jaar verlengd met een zodanige periode dat het
aantal van 65 dagen wordt bereikt.
-5. Indien de werknemer tariefverdiensten heeft genoten die, gelet op
hetgeen in de bedrijfstak gebruikelijk is, uitzonderlijk hoog zijn en de
uitkomst van de berekening overeenkomstig artikel 3 of de vorige leden,
gelet op de tariefverdiensten die in de bedrijfstak gebruikelijk zijn,
geen juiste maatstaf voor de vaststelling van het dagloon biedt, wordt
voor die vaststelling uitgegaan van laatstgenoemde verdiensten.
-6. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd om,
indien opgave van het loon over de perioden, genoemd in de artikelen 3
en 4 en in de vorige leden van dit artikel, in verband met de inrichting
van de loonadministratie van de betrokken werkgever bezwaarlijk is, in
overleg met die werkgever andere perioden vast te stellen, welke zo
weinig mogelijk van eerstbedoelde perioden afwijken.
Art. 7.
-1. Indien de uitkeringsgerechtigde laatstelijk vóór het intreden van
zijn arbeidsongeschiktheid in zijn beroep werkzaam was tegen een loon
dat was vastgesteld op een vast bedrag per dag, week, maand of jaar - al
dan niet vermeerderd met uitkeringen als bedoeld in artikel
1, derde
lid, onderdeel d, voor zover deze tot het normale regelmatig verstrekte
loon behoorde - wordt het dagloon vastgesteld op de wijze in de
volgende leden bepaald. Regelmatig verstrekte, naar tijdsruimte
vastgestelde toeslagen worden tot het vaste bedrag gerekend.
-2. Indien het loon uitsluitend bestond uit een vast bedrag als bedoeld
in het vorige lid, is het dagloon gelijk aan respectievelijk het vaste
bedrag per dag, 1/260 van het 52-voud van het weekloon of 1/261 van het
twaalfvoud van het maandloon of van het jaarloon.
-3. Het bepaalde in de artikelen 4 en 5 is van overeenkomstige
toepassing.
-4. Het in dit artikel bepaalde blijft buiten beschouwing indien het -
mede gelet op het loon dat de uitkeringsgerechtigde in zijn beroep
pleegt te genieten - tot een kennelijk onjuist dagloon zou leiden.
Art. 8.
Voor het geval het loonpeil in het beroep van de uitkeringsgerechtigde
op de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering afwijkt van
dat hetwelk mede bepalend was voor het loon waarmede bij de toepassing
van de vorige artikelen rekening werd gehouden, wordt dit loon - voor
zoveel nodig - in overeenstemming met eerstbedoeld loonpeil herzien.
HOOFDSTUK III
Dagloonberekening bij meer
dan één beroep
Art. 9.
-1. Indien de uitkeringsgerechtigde meer dan één beroep gewoonlijk
uitoefende, wordt voor de vaststelling van het dagloon berekend het loon dat hij in het
jaar aan het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande in die beroepen
gemiddeld heeft genoten over de in de volledige salarisbetalingsperiode
in dat jaar gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem
normale werktijd in één of meer van die beroepen werkzaam was.
-2. Indien de uitkeringsgerechtigde meer dan één beroep gewoonlijk
uitoefende en er in één of meer van die beroepen geen sprake is van
volledige salarisbetalingsperioden als bedoeld in het eerste lid, wordt
voor de vaststelling van het dagloon berekend het loon dat hij in het
jaar aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk
voorafgaande in die beroepen gemiddeld heeft genoten over de in dat
jaar gelegen dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale
werktijd in één of meer van die beroepen werkzaam was.
-3. De artikelen 3, eerste lid, onderdeel a tot en met d, en derde lid,
4, 5, 6, eerste en vijfde lid, en
8 zijn van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK IV
Bijzondere bepalingen
Art. 10.
-1. Indien de uitkeringsgerechtigde niet één of meer beroepen
gewoonlijk uitoefende, wordt voor de vaststelling van het dagloon
berekend het loon dat hij in het jaar aan het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande gemiddeld heeft genoten
over de in de volledige salarisbetalingsperioden in dat jaar gelegen
dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in
de desbetreffende dienstbetrekking of dienstbetrekkingen werkzaam was.
-2. Indien de uitkeringsgerechtigde niet één of meer beroepen
gewoonlijk uitoefende en er geen sprake is van volledige
salarisbetalingsperioden als bedoeld in het eerste lid, wordt voor de
vaststelling van het dagloon berekend het loon dat hij in het jaar aan
het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande
gemiddeld heeft genoten over de in dat jaar gelegen dagen waarop hij
gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in de desbetreffende
dienstbetrekking of dienstbetrekkingen werkzaam was.
-3. De artikelen 3, eerste lid, onderdeel a, b en d, en derde lid,
5, 6,
eerste en vijfde lid, en 8 zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 11.
-1. Indien de uitkeringsgerechtigde op de dag van ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft
bereikt, terwijl hij, ware hij niet arbeidsongeschikt, met ingang van een
daarna gelegen dag krachtens een regeling, zoals deze op eerstbedoelde
dag luidde, aanspraak zou hebben gehad op een hoger loon op grond van
zijn leeftijd, wordt met ingang van laatstbedoelde dag dat hogere loon
aan zijn dagloon ten grondslag gelegd.
-2. Telkens alvorens het dagloon in verband met de leeftijd ingevolge
het bepaalde in het eerste lid wordt herzien, vindt ten aanzien van dit
dagloon het bepaalde bij of krachtens, dan wel met betrekking tot de
toepassing van, artikel 15 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering overeenkomstige toepassing, alsof
bedoeld dagloon was vastgesteld op de dag van ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing totdat het
loon
waarop de uitkeringsgerechtigde, ware hij niet arbeidsongeschikt, bij
het bereiken van de leeftijd van 25 jaar aanspraak zou hebben gehad
volgens de in het eerste lid bedoelde regeling, aan zijn dagloon ten
grondslag ligt.
Art. 11a.
-1. Indien de uitkeringsgerechtigde partieel leerplichtig is, wordt zijn
dagloon evenredig herzien naar de mate van het aantal dagen per week
waarop hij partieel leerplichtig is op de dag van ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Indien tijdens het genot van arbeidsongeschiktheidsuitkering het
aantal arbeidsdagen zich wijzigt doordat de partiële leerplicht zich
over een ander aantal dagen per week gaat uitstrekken, dan wel eindigt,
wordt het dagloon met ingang van 15 augustus van het jaar waarin de
wijziging of beëindiging zich voordoet, evenredig herzien naar de mate
waarin de uitkeringsgerechtigde - ware hij niet arbeidsongeschikt - als
gevolg daarvan meer of minder per week zou kunnen verdienen.
Art. 12.
Voor de uitkeringsgerechtigde die wegens het ontvangen van opleiding
geen loon of niet het volle loon genoot, wordt het dagloon berekend
overeenkomstig het bepaalde in de vorige artikelen, met dien verstande
dat:
a. onder beroep wordt verstaan het beroep dat hij, gelet op zijn
werkzaamheden ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid,
te dien tijde uitoefende of geacht kon worden uit te oefenen;
b. hij geacht wordt te verkeren in het geval, bedoeld in het tweede lid
van artikel 6, waarbij onder "gelijksoortige werknemers" wordt
verstaan: gelijksoortige werknemers die geen opleiding
genieten.
Art. 13.
-1. Het dagloon van de uitkeringsgerechtigde van wie de dag van ingang
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ligt in een tussen hem en zijn
werkgever overeengekomen periode van verlof, waarbij wel een
dienstbetrekking aanwezig is, wordt vastgesteld met toepassing van de
artikelen 1 tot en met 12. Bij deze berekening wordt de normale werktijd
gesteld op de werktijd in die verlofperiode.
-2. Het dagloon van de uitkeringsgerechtigde, bedoeld in het eerste lid,
wordt, indien zijn arbeidsongeschiktheid na afloop van de periode,
bedoeld in het eerste lid, voortduurt, herzien met ingang van de eerste
dag na afloop van die periode. Het dagloon wordt daarbij bepaald op het
bedrag dat op de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
zou zijn vastgesteld indien het verlof zou worden aangemerkt als
onbetaald verlof. Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 14.
-1. Het volgens de voorgaande artikelen berekende dagloon wordt
evenredig verlaagd voor de uitkeringsgerechtigde die:
a. anders dan ingevolge een regeling tot toepassing van een kortere dan
de voor hem normale werktijd, onbetaald verlof of als verlof als bedoeld
in artikel 13, eerste lid, gemiddeld een geringer dan het normale aantal
uren per week placht werkzaam te zijn;
b. uit eigen verkiezing placht afwisselend wel en niet werkzaam te zijn;
c. placht afwisselend wel en niet arbeid te verrichten ter zake waarvan
een verzekering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering bestaat.
-2. Het bepaalde in het vorige lid vindt geen toepassing:
a. voor zover in verband met de in dat lid genoemde omstandigheden reeds
een lager dagloon is vastgesteld;
b. indien het arbeidspatroon van de uitkeringsgerechtigde kennelijk
zodanig is gewijzigd dat hij geacht kan worden niet meer te verkeren in
één van de in het eerste lid genoemde omstandigheden.
Art. 15.
-1. Indien op de uitkeringsgerechtigde het bepaalde in artikel
18,
tweede lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering van
toepassing is, wordt voor de toepassing van deze regelen verstaan onder:
a. het beroep dat hij gewoonlijk uitoefende: het beroep dat hij na de
aanvang van zijn verzekering gewoonlijk uitoefende;
b. de beroepen die hij gewoonlijk uitoefende: de beroepen die hij na
de aanvang van zijn verzekering gewoonlijk uitoefende;
c. zijn normale loon: het loon dat voor hem, gezien zijn bij de aanvang
der verzekering aanwezige gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, normaal
was in het beroep dat hij na de aanvang van zijn verzekering gewoonlijk
uitoefende;
d. het hogere loon, bedoeld in artikel 11, eerste lid: het hogere
loon
waarop hij aanspraak zou hebben gehad met inachtneming van zijn
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, zoals deze bestond bij de aanvang
van zijn verzekering.
-2. Indien op de uitkeringsgerechtigde het bepaalde in de tweede volzin
van artikel 18, tweede lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing is, wordt in het
voorgaande lid in plaats van de woorden "de aanvang van zijn
verzekering" gelezen: het tijdstip waarop de bij de aanvang van
zijn verzekering aanwezige arbeidsongeschiktheid is afgenomen.
Art. 15a.
-1. Ten aanzien van de berekening van het dagloon voor de werknemer van
55 jaar of ouder op wie artikel 7 van toepassing is en die aantoont dat
zijn loon, bij dezelfde werkgever tot wie hij in dienstbetrekking stond
als bij het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, op de dag van het
bereiken van die leeftijd, of daarna, is verlaagd, zijn de volgende
leden van dit artikel van toepassing.
-2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. verlaging van zijn loon: verlaging van het vaste bedrag per dag,
week, maand of jaar waarop het loon was vastgesteld;
b. voorafgaande dagloon: het dagloon dat voor de werknemer zou hebben
gegolden indien zijn arbeidsongeschiktheid op de dag voorafgaand aan de
verlaging van zijn loon zou zijn ingetreden en hij vanaf die dag
onafgebroken arbeidsongeschikt zou zijn geweest.
-3. Voor zover de verlaging van zijn loon, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel b, wordt aangemerkt als een wijziging krachtens een voor hem
geldende regeling, is artikel 5, in afwijking van artikel
7, derde lid,
bij de vaststelling van het voorafgaande dagloon van de werknemer niet
van overeenkomstige toepassing.
-4. Indien het dagloon berekend op grond van de voorgaande artikelen
lager zou zijn dan het voorafgaande dagloon, wordt het dagloon
vastgesteld op een bedrag dat overeenkomt met het voorafgaande dagloon,
doch niet meer dan het dagloon vermenigvuldigd met 9/7.
-5. Met betrekking tot de werknemer op wie het bepaalde in artikel
14,
eerste lid, van toepassing is, wordt het bepaalde in het vorige lid op
deze wijze toegepast dat het dagloon en het voorafgaande dagloon worden
vastgesteld zonder toepassing van artikel 14, eerste lid. Op het aldus
vastgestelde bedrag wordt vervolgens artikel 14, eerste lid, toegepast.
HOOFDSTUK V
Dagloonberekening bij
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art. 16.
-1. Bij hernieuwde vaststelling van een
dagloon als bedoeld in artikel 40
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
is het bepaalde in
de vorige artikelen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat:
a. in de artikelen 3, 4, tweede lid,
7, eerste lid, 9, eerste lid, 10, eerste lid,
12,
onderdeel a, en 15a, eerste lid, in plaats van de woorden
"het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid" wordt gelezen: het intreden van de toeneming van zijn
arbeidsongeschiktheid;
b. in artikel 4, eerste lid, in plaats van de woorden "als de
uitkeringsgerechtigde niet arbeidsongeschikt was geworden" wordt
gelezen: als de arbeidsongeschiktheid van de uitkeringsgerechtigde
niet was toegenomen;
c. in artikel 4, vierde lid, in plaats van de woorden "als hij niet
arbeidsongeschikt was geworden" wordt gelezen: als zijn
arbeidsongeschiktheid niet was toegenomen;
d. in de artikelen 4, vierde lid, 5,
8 en 11,
eerste en tweede lid, in plaats van de woorden "de dag van ingang
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering" wordt gelezen: de dag
met ingang waarvan op grond van het bepaalde in artikel 40 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering hernieuwde vaststelling van een
dagloon plaatsvindt;
e. in artikel 6, tweede lid, eerste volzin, in plaats van de woorden
"het intreden van de arbeidsongeschiktheid" wordt gelezen: het intreden van de toeneming van de arbeidsongeschiktheid;
f. in artikel 6, tweede lid, tweede volzin, in plaats van het woord
"arbeidsongeschikt" wordt gelezen: in toenemende mate
arbeidsongeschikt;
g. in artikel 15, tweede lid, in plaats van de woorden "zou zijn
ingetreden" wordt gelezen: zou zijn toegenomen.
-2. Bij hernieuwde vaststelling van een dagloon wordt het bedrag dat
overeenkomstig het voorgaande lid is berekend, verhoogd met een
percentage van het dagloon dat op de dag vóór de toeneming van de arbeidsongeschiktheid gold.
-3. Het percentage, bedoeld in het voorgaande lid, bedraagt bij een mate
van arbeidsongeschiktheid van:
15-25%: 20;
25-35%: 30;
35-45%: 40;
45-55%: 50;
55-65%: 60;
65-80%: 72½.
HOOFDSTUK VI
Slotbepaling
Art. 17.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1967.
|
|