|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op de artikelen
46 van
de Ziektewet en 17 van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zomede artikel 3 van het Besluit aanspraken bij beroepsziekten van niet ingevolge de WAO
verzekerden
(AMvB);
Besluit:
Art. 1.
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen laat de werkzaamheden met betrekking tot de personen,
bedoeld in artikel 46 van de Ziektewet,
respectievelijk artikel 17 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
verrichten door de
uitvoeringsinstelling die laatstelijk ten aanzien van
de betrokkene de werkzaamheden verrichtte.
Art. 2.
De werkzaamheden, uit te
voeren in verband met de voortduring
van aanspraken bij einde dienstbetrekking
van degenen, bedoeld in artikel
1 van het Besluit aanspraken bij beroepsziekten van niet ingevolge de WAO verzekerden,
dienen te worden verricht
door de uitvoeringsinstelling van de
werkgever bij wie de werkzaamheden
die de beroepsziekte hebben veroorzaakt, zijn verricht, bij gebreke waarvan bevoegd is de uitvoeringsinstelling
die laatstelijk ten aanzien van de
betrokkene de werkzaamheden verrichtte.
Art. 3.
Het Besluit aanwijzing uitvoeringsinstelling bij nawerking verzekeringen,
Stcrt. 1998, 226, pag. 8, wordt ingetrokken op de datum van
inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 4.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin
dit besluit wordt geplaatst.
Art. 5.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Regeling aanwijzing uitvoeringsinstelling bij nawerking verzekeringen.
Dit besluit wordt met de
toelichting geplaatst in de Staatscourant.
Amsterdam, 10 december 1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
TOELICHTING
[10 december 1999]
Op grond van
artikel 46 van de ZW
respectievelijk artikel 17 van de WAO heeft, kort gezegd, degene die
verzekerd is geweest, na afloop daarvan
bij intreden van ongeschiktheid tot werken, respectievelijk arbeidsongeschiktheid binnen
een in de wet bepaalde
termijn recht op uitkering alsof hij nog verzekerd is. Niet expliciet is geregeld
welke uitvoeringsinstelling de werkzaamheden in verband hiermee uitvoert.
Vσσr 1 maart 1997 was in de tekst
duidelijk dat betrokkene beschouwd
werd alsof hij nog verzekerd was bij de
bedrijfsvereniging waarbij hij voorheen
verzekerd was. Met de inwerkingtreding
van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 met ingang van 1 maart
1997 is door de wetgever niet beoogd
een wijziging aan te brengen in de uitvoering na het einde van de
verzekering. Er is naar het oordeel van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] geen aanleiding een andere
uitvoeringsinstelling de werkzaamheden met
betrekking tot de nawerking te laten verrichten dan de uitvoeringsinstelling die
dit deed tijdens de verzekering.
Uitzondering vormt het
hierna volgende:
Op grond van de artikelen
17, vierde lid, en 66, zevende lid, WAO
zijn regels gesteld betreffende
aanspraken bij beroepsziekten van niet-WAO-verzekerden (zie
Besluit aanspraken bij beroepsziekten van niet ingevolge de WAO verzekerden).
In artikel 3 van deze
algemene maatregel van bestuur is bepaald dat
het Lisv de uitvoeringsinstelling
aanwijst die de werkzaamheden uitvoert ten
aanzien van degene die ingevolge
artikel 1 van de AMvB beschouwd wordt
alsof hij verzekerd is krachtens de
WAO. Het Lisv is van oordeel dat
bevoegd is de uitvoeringsinstelling die
bevoegd was of zou zijn geweest ten
tijde van de werkzaamheden die de beroepsziekte hebben veroorzaakt. Wanneer
causaal verband niet aantoonbaar is
of indien aanwijzing op
onoverkomelijke problemen stuit, is de
uitvoeringsinstelling bevoegd die laatstelijk de
werkzaamheden ten aanzien van de
betrokkene verrichtte.
Deze regeling volgt het
Besluit aanwijzing uitvoeringsinstelling bij
nawerking verzekeringen (Stcrt.
1998, 226, pag. 8), welk besluit
tegelijk met inwerkingtreding van dit
besluit wordt ingetrokken.
Amsterdam, 10 december 1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|