|
BESLUIT
van 14 maart 1996 tot vaststelling van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in de artikelen 60 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering ¹, 32 van de Wet
privatisering ABP en X
6 van de Algemene militaire pensioenwet (Besluit loonsuppletie)
1. Ingevolge artikel
69,
onderdeel B, onder 2, Wet Rea is artikel 60 WAO
met ingang van 1 juli 1998 komen te vervallen en is de loonsuppletie met
ingang van die datum op grond van artikel 32 Wet
Rea nader geregeld in het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet
Rea. Onderhavig besluit is nog slechts van toepassing
op de persoon aan wie vóór 1 juli 1998 loonsuppletie is toegekend,
zolang die suppletie duurt (zie artikel 76, eerste lid, Wet
Rea), doch uiterlijk - gelet op artikel 4, eerste lid, van dit
besluit - tot 1 juli 2002, red.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 20 december 1995, Directie Sociale Verzekeringen,
nr. SV/WV/95/5613, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse
Zaken en de Staatssecretaris van Defensie;
Gelet op de artikelen
60 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, 32 van de Wet
privatisering ABP en X 6 van de Algemene
militaire pensioenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 22
januari 1996, nr. W12.95.0697);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 maart 1996,
Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/96/0388, uitgebracht in
overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en de
Staatssecretaris van Defensie;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
-1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. WAO: Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. WPA: Wet
privatisering ABP ¹;
c. vervallen;
d.
arbeidsongeschiktheidsuitkering: een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO, een
WAO-conforme uitkering op grond van de WPA of een pensioen
ter zake van ziekte of gebreken op grond van de
bij of krachtens de Kaderwet
militaire pensioenen vastgestelde
bepalingen;
e. FAOP: het Fonds
arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel, bedoeld
in artikel
21 van de Wet
financiële voorzieningen privatisering ABP;
f. theoretische
verdiencapaciteit: het loon dat op grond van artikel
3, tweede lid, en artikel
4 van het Schattingsbesluit ² bij de schatting in aanmerking
wordt genomen.
-2. Daar waar in dit besluit wordt
gesproken van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt
daaronder mede verstaan het FAOP voor zover het een WAO-conforme
uitkering op grond van de WPA betreft, of de Staatssecretaris van
Defensie voor zover het een pensioen ter zake van ziekte of gebreken
op grond van de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen
vastgestelde bepalingen betreft.
1. ABP: Algemeen burgerlijk
pensioenfonds, red.
2. Zie ook Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, red.
Art. 2.
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kan aan een persoon die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en die werk in dienstbetrekking
aanvaardt tegen een lager loon dan zijn theoretische
verdiencapaciteit, een loonsuppletie toekennen.
-2. De loonsuppletie, bedoeld in het
eerste lid, wordt voor de toepassing van de WAO aangemerkt als
onderdeel van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Onder dienstbetrekking als bedoeld in
het eerste lid wordt verstaan een privaatrechtelijke of
publiekrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de WAO, een op grond van
artikel 4 of 5 van
die wet daarmee
gelijkgestelde arbeidsverhouding alsmede de arbeidsverhouding van
een overheidswerknemer als bedoeld in artikel 2 van de WPA.
Art. 3.
-1. De loonsuppletie wordt verstrekt over
perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen.
-2. Als perioden waarin loon uit
dienstbetrekking wordt ontvangen als bedoeld in het eerste lid
worden eveneens aangemerkt perioden waarin een uitkering krachtens
de Ziektewet
wordt ontvangen, tenzij de dienstbetrekking is geëindigd.
-3. De loonsuppletie wordt in ieder geval
niet verstrekt na afloop van een periode van vier jaar, die ingaat
op het tijdstip waarop loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen in
verband waarmee voor de eerste maal loonsuppletie is verstrekt.
Art. 4.
-1. De hoogte van de loonsuppletie wordt
in elk geval elk jaar na het in artikel 3, derde lid, bedoelde
tijdstip opnieuw vastgesteld en bedraagt:
a. gedurende het eerste jaar
100%;
b. gedurende het tweede jaar 75%;
c. gedurende het derde jaar 50%;
d. gedurende het vierde jaar 25%;
van het verschil tussen de hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering
die zou worden verkregen indien de theoretische verdiencapaciteit
per uur bezien zou worden verlaagd tot het feitelijk door betrokkene
per uur verdiende loon, en de lagere feitelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering, met dien verstande dat de
loonsuppletie niet meer bedraagt dan 20% van zijn theoretische
verdiencapaciteit.
-2. Indien betrokkene in de
dienstbetrekking waarvoor loonsuppletie wordt verstrekt in minder
uren werkt dan waartoe hij bij de theoretische vaststelling van de
mate van arbeidsongeschiktheid in staat wordt geacht, wordt het
bedrag van de suppletie vermenigvuldigd met een factor waarbij de
teller wordt gevormd door het aantal uren waarin in deze
dienstbetrekking arbeid wordt verricht en de noemer door het aantal
uren waarop de resterende verdiencapaciteit is gebaseerd.
-3. De loonsuppletie bedraagt tezamen met
de arbeidsongeschiktheidsuitkering, het loon en, indien van
toepassing,
a. een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende
uitkering;
b. een uitkering krachtens de Ziektewet
of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende
uitkering,
niet meer dan het maatmaninkomen.
-4. Voor de toepassing van het derde lid
wordt onder maatmaninkomen verstaan: het inkomen, bedoeld in artikel
1 van het Schattingsbesluit.¹
1. Zie ook Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, red.
Art. 5.
Een loonsuppletie ingevolge dit besluit wordt uitsluitend toegekend
ter zake van dienstbetrekkingen welke aanvangen op of na het in
artikel 6 bedoelde tijdstip.
Art. 6.
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Art. 7.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit loonsuppletie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij
behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 14 maart 1996
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
Uitgegeven de achtentwintigste maart 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[14 maart 1996]
Algemeen
Na het van kracht worden per
1 augustus 1993 van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen is het, in tegenstelling tot vóór die datum, niet meer mogelijk om bij de vaststelling
van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening te houden met de werkelijke verdiensten van
een belanghebbende. Dit omdat arbeidsmarktelementen in het geheel geen rol
meer
mogen spelen bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid. Dit heeft tot gevolg dat de mate van arbeidsongeschiktheid
wordt vastgesteld op basis van de mediane loonwaarde van de ten minste
drie te duiden functies met de hoogste loonwaarde uit alle algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe een belanghebbende met zijn
krachten en bekwaamheden in staat is.
Door onder andere
arbeidsdeskundigen is gepleit voor het handhaven van de mogelijkheid bij de
schatting rekening te houden met de gerealiseerde verdiencapaciteit omdat dit
een belangrijk instrument was bij de reïntegratie van
gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
Na uitgebreide discussie in
de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de
Tweede Kamer ter gelegenheid van het concept-Schattingsbesluit [zie ook Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, red.] is
besloten om de schatting op basis van gerealiseerde
verdiencapaciteit niet mogelijk te maken. Dit vanuit de overweging dat bij de
arbeidsongeschiktheidsschatting arbeidsmarktelementen geen rol mogen spelen.
Het voorgaande laat onverlet
dat een fors verschil tussen de theoretische verdiencapaciteit en de
werkelijke verdiensten een drempel kan opwerpen voor daadwerkelijke reïntegratie door aanvaarding van betaalde arbeid. Door de in dit besluit opgenomen loonsuppletieregeling
wordt het "gat" tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering gebaseerd op
de theoretische
verdiencapaciteit en de arbeidsongeschiktheidsuitkering gebaseerd op de werkelijke
verdiensten tijdelijk geheel of gedeeltelijk overbrugd, zonder dat dit
invloed heeft op de arbeidsongeschiktheidsschatting. Dit zal de reïntegratie
in dat soort gevallen vergemakkelijken.
Het loonsuppletie-instrument
is primair gericht op degene die arbeid in dienstbetrekking verricht,
maar kan ook als onderhandelingsinstrument naar de werkgever toe worden
ingezet.
In het kader van de Wet
afschaffing malus en bevordering reïntegratie zijn - vooruitlopend op
het moment waarop het overheidspersoneel feitelijk onder de werknemersverzekeringen zal worden gebracht, naar
verwachting per 1 januari 1998 - in de eigen regelgeving van het overheidspersoneel dezelfde
maatregelen getroffen als voor de werknemers in de
marktsector. Dit besluit is dan ook op beide categorieën van toepassing. In dat kader
dient daar waar in deze toelichting sprake is van de bedrijfsvereniging
[zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV), red.] daaronder tevens het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel te worden
begrepen.
Op mijn verzoek heeft het
Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) [de
rechtsvoorganger van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv), dat met ingang van 1 januari 2002 is opgevolgd
door het UWV, red.] over een concept-Besluit loonsuppletie, tezamen met een
concept-Besluit inkomenssuppletie AAW, een uitvoeringstechnisch
advies uitgebracht en wel
op 20 november 1995 (kenmerk VG/V/2627). Bij het opstellen van dit
besluit en de toelichting is in belangrijke mate rekening gehouden met de
aanbevelingen uit dit advies.
In het Tica-advies wordt
o.a. gewezen op het ontbreken van bepalingen ten aanzien van de
aanvraagprocedure en met betrekking tot het tegengaan van zogenaamde
kruimeluitkeringen. Ons inziens is het niet noodzakelijk in dit besluit bepalingen op te nemen ten aanzien van dit
soort onderwerpen, waarbij overigens ook gedacht kan worden aan procedures voor het geval
dat het, op basis van artikel 76, vierde lid, van de WAO, ten behoeve van de
loonsuppletie toegekende budget wordt overschreden of dreigt te
worden overschreden. Zoals het Tica overigens ook opmerkt, gaat het bij het
toekennen van loonsuppletie om een bevoegdheid van de
bedrijfsvereniging, die daarbij, binnen de door de algemene maatregel van
bestuur aangegeven grenzen, een zekere discretionaire ruimte heeft
die door het stellen van beleidsregels nader ingevuld kan worden. Ten
opzichte van deze bevoegdheid van de bedrijfsverenigingen heeft
het Tica een coördinerende taak en de bevoegdheid regels te
stellen op grond van de artikelen 36 en 38 van de Organisatiewet sociale
verzekeringen. Ter illustratie van de wijze waarop in de uitvoering een nadere
invulling aan een bevoegdheid gegeven kan worden, valt te denken aan
het ook door het Tica aangehaalde voorbeeld van de beleidsregels die
door de toenmalige Gemeenschappelijke Medische Dienst werden
gehanteerd bij de uitvoering van de loonkostensubsidieregeling.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Het Schattingsbesluit
geeft
regels om ter bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid vast
te stellen welk loon betrokkene met algemeen geaccepteerde arbeid kan
verdienen. Gezien het belang van deze op grond van het
Schattingsbesluit vastgestelde theoretische verdiencapaciteit voor de materie van het
onderhavige besluit wordt een definitie van het begrip theoretische
verdiencapaciteit opgenomen onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen in het Schattingsbesluit.
Artikel 2
Loonsuppletie is
één van de reïntegratiemaatregelen waarover de bedrijfsvereniging kan
beschikken voor zover het budget dat daarvoor op grond van artikel
76, vierde
lid, van de WAO door het Tijdelijk instituut voor
coördinatie en
afstemming is toegekend, reikt. Het toekennen van loonsuppletie is dan ook een
bevoegdheid van de bedrijfsvereniging. De loonsuppletie kan door de
betrokken werknemer zelf worden aangevraagd, maar zal ook vaak een rol spelen in het bemiddelingsproces en
kan dan door de
bedrijfsvereniging op eigen initiatief worden ingezet om betrokkene te stimuleren de
dienstbetrekking te aanvaarden.
Onder het aanvaarden van
werk in dienstbetrekking tegen een lager loon dan de theoretische
verdiencapaciteit valt zowel het in dienst treden bij een nieuwe werkgever als
het aanvaarden van aangepast werk tegen een aangepaste beloning bij
de oorspronkelijke werkgever.
Aangezien de loonsuppletie,
zoals hierboven uiteengezet, een tegemoetkoming is voor het
verdwijnen van de mogelijkheid te schatten op basis van gerealiseerde verdiencapaciteit, hetgeen alleen mogelijk was
bij arbeidsongeschiktheid,
wordt de mogelijkheid van toekenning gekoppeld aan het recht op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De loonsuppletie wordt
toegekend als aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering en vormt een onderdeel
daarvan. Hieruit volgt onder meer dat de regels die gelden
voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals inlichtingenverplichting,
controlevoorschriften en terugvorderingsbepalingen, van overeenkomstige
toepassing zijn op de loonsuppletie. Het betekent ook dat de
loonsuppletie gelijktijdig en samen met de arbeidsongeschiktheidsuitkering
aan de werknemer wordt uitbetaald, zodat over het totaalbedrag
in één keer premies werknemersverzekeringen, loonbelasting en premies
volksverzekeringen kunnen worden ingehouden.
De bedrijfsvereniging is
overigens bevoegd bij wege van beleidsregels te bepalen in hoeverre
allerlei dienstbetrekkingen van zeer kleine duur of omvang al dan niet in
aanmerking komen voor toekenning van loonsuppletie en het Tica
kan daarbij tussen de bedrijfsverenigingen coördineren.
Artikel 3
Aangezien de loonsuppletie
wordt toegekend teneinde de aanvaarding van betaalde arbeid te
bevorderen, wordt deze uitsluitend uitbetaald voor zover ook daadwerkelijk
arbeid in dienstbetrekking verricht wordt, derhalve over perioden dat
loon wordt ontvangen. Perioden waarin wegens ziekte niet wordt
gewerkt, tellen echter wel mee als perioden waarover loon wordt
ontvangen, hetzij omdat in verband met de loondoorbetalingsverplichting
daadwerkelijk loon wordt ontvangen, hetzij, zoals in het tweede lid van
dit artikel is geregeld, omdat een uitkering krachtens de Ziektewet wordt
ontvangen.
Voor de goede orde wordt
erop gewezen dat, indien het ziekengeld of het tijdens ziekte
doorbetaalde loon lager is dan het loon uit arbeid, de loonsuppletie niet
wordt
aangepast. Indien in die ziekteperiode de loonsuppletie herbeoordeeld wordt op grond van
artikel 4, eerste lid, zal
dit geschieden op grond van
het loon dat gold vóór het intreden van de ziekte.
Wanneer de arbeid wordt
onderbroken en geen loon of ziekengeld wordt ontvangen, vervalt ook
de suppletie. Na hervatting van de arbeid herleeft ook het recht op
suppletie weer. Het kan daarbij gaan om arbeid verricht in de oorspronkelijke dienstbetrekking, maar ook om arbeid in een
nieuwe betrekking.
Ongeacht de mate waarin de
loonsuppletie wordt genoten, eindigt deze echter altijd na een periode
van vier jaar na de eerste toekenning, zoals overeenkomt met het karakter
van de loonsuppletie als overbruggingsregeling. Indien betrokkene in de
periode van vier jaar niet voortdurend loonsuppletie heeft genoten,
omdat hij niet voortdurend in dienstbetrekking werkzaam is geweest, eindigt
de periode desalniettemin precies vier jaar nadat de
loonsuppletie is ingegaan. Hiermee wordt voorkomen dat nog jaren na ommekomst
van de periode van vier jaar om die reden opnieuw een beroep op dit
besluit kan worden gedaan. Anders is het indien na volledig herstel
betrokkene opnieuw, na doorlopen wachttijd, gedeeltelijk
arbeidsongeschikt is. Er is dan sprake van een nieuwe situatie. In zo’n geval kan, indien
aan de voorwaarden wordt voldaan, wel opnieuw loonsuppletie worden
toegekend.
Artikel 4
De hoogte van de
loonsuppletie wordt uitgedrukt in een percentage van het verschil tussen de
hogere uitkering die verkregen zou worden als, zoals dat voorheen mogelijk
was, het feitelijk verdiende loon als basis wordt genomen voor het
vaststellen van de verdiencapaciteit, en de lagere uitkering waarop betrokkene thans feitelijk recht heeft.
De suppletie is bedoeld voor
de situatie waarin betrokkene minder verdient dan het loon waarop
zijn resterende verdiencapaciteit is vastgesteld. Daarbij wordt ervan
uitgegaan dat betrokkene gaat
hervatten in de omvang
waarin hij nog aan het werk kan, doch tegen een lager loon dan hij
theoretisch gezien kan verdienen.
Ook indien betrokkene in
minder uren gaat hervatten dan waartoe hij nog in staat wordt geacht,
is een loon- of inkomenssuppletie mogelijk. In dat geval dient evenwel
voorkomen te worden dat de suppletie als compensatie gaat werken voor
het feit dat de inkomsten louter als gevolg van het minder werken lager
zijn dan de theoretisch vastgestelde resterende
verdiencapaciteit. Immers voor de uren waarin betrokkene nog wel kan werken, doch dat
feitelijk niet doet, is sprake van werkloosheid. Een suppletie kan worden
verkregen indien betrokkene per uur bezien minder verdient dan het
uurloon waarop de theoretische verdiencapaciteit is gebaseerd. Om die reden
is in het eerste lid van artikel 4 bepaald dat bij het berekenen van de hogere
arbeidsongeschiktheidsuitkering die betrokkene zou krijgen als
op de feitelijke verdiensten zou worden geschat, een vergelijking
moet worden gemaakt tussen de theoretische verdiencapaciteit per uur
bezien en de feitelijke verdiensten per uur.
Voorts is in het tweede lid
van artikel 4 geregeld dat indien in minder uren wordt hervat dan
volgens de theoretische schatting mogelijk is, de suppletie evenredig wordt
verminderd. Zonder deze bepaling zou de suppletie altijd gebaseerd
zijn op de arbeidsongeschiktheidsuitkering die betrokkene zou kunnen
verkrijgen bij een volledige werkhervatting.
Terzijde zij opgemerkt dat
indien in het kader van de theoretische schatting is vastgesteld dat
betrokkene minder uren kan werken dan voordat hij arbeidsongeschikt werd, hij uiteraard een volledige suppletie
kan krijgen. In die situatie
is immers het tweede lid van artikel 4 niet van toepassing.
Het recht op loonsuppletie
wordt gedurende vier jaar afgebouwd in vier gelijke stappen. Na de
eerste keer dat loonsuppletie wordt toegekend is er in ieder geval jaarlijks een
beslissingsmoment waarop de hoogte van de loonsuppletie wordt
vastgesteld en waarbij eventuele veranderingen in het feitelijk loon in aanmerking genomen worden.
De loonsuppletie is
gemaximeerd op 20% van de theoretische verdiencapaciteit. Voorts is de loonsuppletie
gemaximeerd zodanig dat deze samen met de arbeidsongeschiktheidsuitkering en het loon, alsmede met
een eventuele werkloosheidsuitkering of ziekengelduitkering, nooit meer bedraagt dan het
maatmaninkomen.
Artikel 5
De loonsuppletie betreft een
op reïntegratie gerichte maatregel. Die maatregel is niet bedoeld
voor personen die al gereïntegreerd zijn. Reden waarom uitdrukkelijk is
bepaald dat de loonsuppletie uitsluitend wordt toegekend aan personen die
op of na de inwerkingtreding van dit besluit in de in artikel 2 beschreven situatie komen te verkeren.
Artikel 6
Dit besluit is
onder meer
gebaseerd op artikel 60 van de WAO. In de Wet
afschaffing malus en bevordering reïntegratie is bepaald dat dit artikel in werking treedt op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De inwerkingtreding van dit
besluit zal eveneens in dat koninklijk besluit worden geregeld. Genoemd
artikel en dit besluit zullen met ingang van dezelfde datum in werking
treden.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
|
|