|
BESLUIT
van 19 juli 1997 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in artikel 78, zesde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (Besluit premiedifferentiatie WAO)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 29 november 1996, Directie Sociale Verzekeringen, nr.
SV/WV/96/4867a;
Gelet op artikel 78, zesde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
De Raad van State gehoord (advies van 11
februari 1997, nr. W12.96.0569);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 juli 1997,
Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/97/2689;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
Algemene
begrippen
-1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. Arbeidsongeschiktheidskas: de
Arbeidsongeschiktheidskas, bedoeld in artikel 73 van de
wet;
c. premieplichtig loon: het loon
waarover op grond van artikel 78, eerste lid, van de
wet, met
toepassing van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering,
premie wordt geheven;
d. premiejaar: het kalenderjaar
waarin de in artikel 78, eerste lid, van de
wet, bedoelde
gedifferentieerde premie wordt geheven;
e. kleine werkgever: een
werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan
het premiejaar vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is
gekomen dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 25-maal het
gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat
kalenderjaar;
f. grote werkgever: een
werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan
het premiejaar vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is
gekomen dat meer bedraagt dan 25-maal het gemiddelde
premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;
g. Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk
5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
h. minimumpremie: de
gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 9, die een
werkgever ten minste verschuldigd is;
i. maximumpremie: de
gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 9, die een
werkgever ten hoogste verschuldigd is;
i. sector: een sector als bedoeld in
artikel 97k van de Werkloosheidswet.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan op aanvraag van een werkgever
vaststellen dat hij voor het premiejaar wordt ingedeeld in
afwijking van het eerste lid, onderdeel e, of het eerste lid,
onderdeel f, indien uit door die werkgever bij de aanvraag
verstrekte gegevens blijkt dat als vaststaand mag worden aangenomen dat het in het premiejaar ten laste van die werkgever
komende premieplichtige loon ten minste 25% zal afwijken van 25-maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in het tweede
kalenderjaar dat aan het premiejaar vooraf is gegaan en de omvang
van het verwachte premieplichtige loon leidt tot een andere
indeling. Een aanvraag als bedoeld in de eerste zin wordt ingediend
uiterlijk zes weken nadat de werkgever schriftelijk in kennis is
gesteld van de door hem in het premiejaar verschuldigde
gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel
78, eerste lid, van de
wet.
-3. Het gemiddelde premieplichtige loon,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel e en f, wordt vastgesteld door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-4. Bij de vaststelling van het ten laste
van een werkgever komende premieplichtige loon, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel e en f, worden de via de werkgever betaalde
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen buiten aanmerking gelaten.
Art. 2.
Rekenpercentage
-1. Het rekenpercentage, bedoeld in
artikel 78, tweede lid, onderdeel a, van de
wet, is gelijk aan het
gemiddelde percentage, bedoeld in artikel
78, tweede lid, onderdeel b,
van de wet, vermeerderd of verminderd met:
a. een percentage ter
compensatie van het naar verwachting over het premiejaar
optredende verschil tussen de premie-inkomsten die worden
verkregen indien de in artikel 78, eerste lid, van de
wet
bedoelde premie wordt gebaseerd op het gemiddelde percentage,
bedoeld in artikel 78, tweede lid, onderdeel b, van de
wet, en het
totaalbedrag van de naar verwachting in het premiejaar ten
laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel 76f
van
de wet, alsmede de op grond van enige wet over deze
uitkeringen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verschuldigde premies die niet op deze
uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
b. een percentage, voor zover dit
nodig of mogelijk is, rekening houdend met de verplichting,
bedoeld in artikel 73 van de wet, betreffende het vormen en
in stand houden van een voldoende reserve in de
Arbeidsongeschiktheidskas.
-2. Het in het eerste lid, onderdeel a en
b, bedoelde percentage wordt naar beneden afgerond op twee
cijfers achter de komma.
Art.
3. Gemiddeld
percentage
-1. Het gemiddelde percentage, bedoeld in
artikel 78, tweede lid, onderdeel b, van de
wet, wordt vastgesteld door
het totaalbedrag van hetgeen in het premiejaar naar verwachting ten
laste komt van de Arbeidsongeschiktheidskas, bedoeld in artikel 76f
van de wet, verminderd met hetgeen naar verwachting op grond van
onderdeel b tot en met g van artikel 76e
van de
wet in het
premiejaar naar verwachting ten gunste komt van de
Arbeidsongeschiktheidskas, te vermenigvuldigen met honderd en de
uitkomst van deze berekening te delen door het totaalbedrag van de
over het premiejaar verwachte premieplichtige loonsom en de naar
verwachting in dat jaar te betalen uitkeringen als bedoeld in
artikel 78, zevende lid, van de wet. Onder uitkeringen als bedoeld
in de eerste zin worden niet verstaan de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de
wet waarvan het
risico van de betaling wordt gedragen door een werkgever als bedoeld
in artikel 75 van de wet.
-2. De uitkomst van de in het eerste lid
bedoelde deling wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter
de komma.
Art. 4.
Berekening
opslag of korting grote werkgevers
-1. De in artikel
78, derde lid, van de
wet bedoelde opslag of korting is voor een grote werkgever gelijk aan het individuele
werkgeversrisicopercentage, verminderd met het gemiddelde
werkgeversrisicopercentage.
-2. Het individuele
werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt
verkregen door het totaalbedrag van de ten laste van de
Arbeidsongeschiktheidskas komende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
bedoeld in artikel 76f van de wet, die in het tweede kalenderjaar vóór
het premiejaar zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van
de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in het vijfde lid in
dienstbetrekking stonden tot een werkgever, te vermenigvuldigen met
honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het ten
laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per
jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend
één jaar vóór aanvang van het premiejaar.
-3. Het gemiddelde
werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt
verkregen door het totaalbedrag van de ten laste van de
Arbeidsongeschiktheidskas komende aan werkgevers toe te rekenen
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel 76f
van
de wet, die in het tweede kalenderjaar vóór het premiejaar zijn
betaald, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze
berekening te delen door het totale gemiddelde premieplichtige loon
per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren,
eindigend één jaar vóór aanvang van het premiejaar.
-4. Bij de berekening van het gemiddelde
premieplichtige loon, bedoeld in het tweede en derde lid, worden de
via de werkgever betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen buiten
aanmerking gelaten.
-5. De in het tweede en derde lid
bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betreffen de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend:
a. aan de werknemers die op de
eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van hun
arbeid als bedoeld in artikel
19 van de Ziektewet tot de werkgever in dienstbetrekking
stonden en ter zake van die ongeschiktheid de wachttijd,
bedoeld in artikel 19 van de wet, hebben doorgemaakt;
b. met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel
a, van de wet nadat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend aan de werknemer,
bedoeld in onderdeel a, is ingetrokken op grond van artikel
43, eerste lid, van de wet;
c. met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel
b, van de wet aan de werknemer,
bedoeld in onderdeel a, die aan het einde van de wachttijd
ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet
arbeidsongeschikt was.
-6. Indien de werknemer bij het intreden
van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, bij meer dan één werkgever in dienstbetrekking stond, wordt
voor de toepassing van het tweede lid de
arbeidsongeschiktheidsuitkering naar rato van de loonsom toegerekend
aan de werkgevers waarbij de werknemer in dienstbetrekking staat of
heeft gestaan. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt niet
toegerekend aan de werkgever waarbij de werknemer met behoud van
hetzelfde loon arbeid is blijven verrichten.
-7. Voor de toepassing van het tweede en
derde lid worden de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
en de vakantie-uitkeringen die in de in de aanhef van artikel 76f
van
de wet bedoelde periode geheel of ten dele niet aan de werknemer
zijn uitbetaald wegens het genieten van loon als bedoeld in artikel
44, derde lid, van de wet, geacht aan de werknemer te zijn
uitbetaald.
-8. De uitkomst van de in het tweede en
derde lid bedoelde deling wordt naar beneden afgerond op twee
cijfers achter de komma.
Art. 4a. Berekening opslag of korting kleine
werkgevers
-1. De in artikel 78, derde lid, van de wet
bedoelde opslag of korting is voor alle kleine werkgevers in een sector
gelijk aan het sectorpercentage, bedoeld in het tweede lid, verminderd
met het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 3,
eerste lid.
-2. Het sectorpercentage is de uitkomst van
de volgende berekening:
(A - B) x 100
C
waarbij:
A staat voor: het totaalbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
die in het premiejaar naar verwachting ten laste komen van de
Arbeidsongeschiktheidskas, voor zover die kunnen worden toegerekend aan
de gezamenlijke kleine werkgevers in de sector, en een evenredig deel
van hetgeen overigens in het premiejaar naar verwachting ten laste komt
van de Arbeidsongeschiktheidskas;
B staat voor: een evenredig deel van hetgeen, met uitzondering van de
gedifferentieerde premie, naar verwachting op grond van artikel
76e van de wet
in het premiejaar ten gunste komt van de Arbeidsongeschiktheidskas;
C staat voor: het totaalbedrag van de over het premiejaar verwachte
premieplichtige loonsom ten laste van de gezamenlijke kleine werkgevers
in de sector die geen eigenrisicodrager zijn.
-3. De uitkomst van de in het tweede lid
bedoelde deling wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de
komma.
-4. Indien het totaalbedrag van de over het
premiejaar verwachte premieplichtige loonsom ten laste van de
gezamenlijke kleine werkgevers in een sector die geen eigenrisicodrager
zijn, gelijk is aan of minder bedraagt dan 25-maal het gemiddelde
premieplichtig loon per werknemer in het premiejaar, wordt de in artikel
78, derde lid, van de wet bedoelde opslag
of korting voor die kleine werkgevers bepaald op nihil.
Art. 4b.
Vervallen.
Art.
4c.
Vervallen.
Art. 5.
Overgang
van onderneming
-1. In geval van overgang van een
onderneming in de zin van artikel
662 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van
een dergelijke overgang bij faillissement, worden bij de toepassing
van artikel 4:
a. de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel
4,
vijfde lid, die zijn of worden toegekend aan de werknemer die
op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van
zijn arbeid in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de
onderneming heeft overgedragen, toegerekend aan de werkgever
die de onderneming verkrijgt; en
b. wordt het ten laste van de
werkgever die de onderneming heeft overgedragen gekomen
premieplichtig loon in enig kalenderjaar telkens opgeteld bij
het premieplichtig loon in dat kalenderjaar van de werkgever
die de onderneming verkrijgt, voordat het gemiddelde
premieplichtig loon van laatstgenoemde werkgever wordt
berekend.
-2. Indien slechts een deel van de
onderneming overgaat, vindt het eerste lid toepassing naar rato van
het deel van de loonsom dat het overgegane deel van de onderneming
deel uitmaakte van de gehele onderneming in het kalenderjaar
voorafgaande aan dat van overgang.
-3. Tenzij de overgang, bedoeld in het
eerste lid, plaatsvindt op 1 januari van het kalenderjaar, vindt voor de
werkgever die reeds de hoedanigheid van werkgever had vóór het moment
van overgang van de onderneming de toerekening, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a, en de optelling, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, eerst plaats met ingang van het kalenderjaar volgend
op het kalenderjaar waarin de onderneming of een deel van de onderneming
is overgedragen.
Art. 6.
Regres en
premievermindering grote werkgevers
-1. Indien blijkt dat een in artikel
4,
tweede lid, bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of ten
dele ten onrechte is toegekend, wordt bij de berekening van het
individuele werkgeversrisicopercentage in het kalenderjaar waarin
het besluit tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt ingetrokken of herzien, het in artikel 4, tweede lid, bedoelde
totaalbedrag verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag
van de te veel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Indien de in artikel 107a, tweede lid, van
Boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek bedoelde
schadevergoeding is ontvangen, wordt, op verzoek van de werkgever,
bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage met
ingang van het kalenderjaar waarin de schadevergoeding is ontvangen,
gedurende een tijdvak van vier jaren, het in artikel 4, tweede lid,
bedoelde totaalbedrag verminderd met een compensatiebedrag.
-3. Het in het tweede lid bedoelde
compensatiebedrag wordt vastgesteld door het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de betrokken werknemer jaarlijks
gedurende vier jaar te vermenigvuldigen met een getal dat is
verkregen door het bedrag van de in het tweede lid bedoelde
schadevergoeding te delen door het loon over het tijdvak van 104 weken, bedoeld in artikel
629, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek. Het
getal, bedoeld in de eerste zin, bedraagt niet meer dan 1.
-4. In afwijking van het derde lid wordt
in de gevallen waarin ziekengeld wordt uitgekeerd aan de verzekerde,
bedoeld in artikel
29 van de Ziektewet, het in het tweede lid bedoelde
compensatiebedrag vastgesteld door het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de betrokken werknemer te
vermenigvuldigen met een getal dat is verkregen door het bedrag van
het ontvangen verhaal dat is verkregen op grond van artikel 52a
van de
Ziektewet te delen door het aan betrokken werknemer
op grond van de Ziektewet
uitgekeerde ziekengeld.
-5. De uitkomst van de in het derde en
vierde lid bedoelde berekening wordt naar beneden afgerond op twee
cijfers achter de komma.
Art. 7.
Niet
gedurende gehele berekeningstijdvak grote werkgever
-1. Indien een grote werkgever, zonder dat
er sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel
5, in één of meer van de kalenderjaren van het in artikel
4, tweede
lid, bedoelde tijdvak niet de hoedanigheid van werkgever had, wordt bij
de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in
artikel 4, tweede lid, het ten laste van die grote werkgever komende
gemiddelde premieplichtige loon per jaar berekend over het aantal
kalenderjaren in het in artikel 4, tweede lid, bedoelde tijdvak waarin
de grote werkgever de hoedanigheid van werkgever had, waarna het
verkregen percentage wordt vermenigvuldigd met een breuk waarvan de
teller wordt gevormd door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage,
bedoeld in artikel 4, derde lid, en de noemer door het gemiddelde
werkgeversrisicopercentage, berekend over het aantal kalenderjaren in
het in artikel 4, derde lid, bedoelde tijdvak waarin de grote werkgever
de hoedanigheid van werkgever had.
-2. De uitkomst van de in het eerste lid
bedoelde berekening wordt naar beneden afgerond op twee cijfers
achter de komma.
Art. 8.
Premiepercentage startende grote werkgever
-1. Voor een grote werkgever die, zonder
dat er sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in
artikel 5, eerst in het premiejaar, of in het eerste of tweede
kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het premiejaar, de
hoedanigheid van werkgever heeft verkregen, is het percentage van de in
artikel 78, eerste lid, van de
wet, bedoelde gedifferentieerde premie gelijk aan het percentage,
bedoeld in artikel 78, tweede lid, onderdeel a, van de
wet.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
op de werkgever die in het tijdvak, bedoeld in artikel
4, tweede
lid, reeds werkgever was.
-3. Artikel 7 is niet van toepassing op
een werkgever als bedoeld in het eerste lid.
Art. 9.
Minimum-
en maximumpremie
-1. De gedifferentieerde premie, bedoeld in
artikel 78, eerste lid, van de wet, bedraagt
ten minste nihil en ten hoogste viermaal het gemiddelde percentage,
bedoeld in artikel 78, tweede lid, onderdeel b, van de wet.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt voor een grote werkgever een premiepercentage
vastgesteld lager dan nihil indien toepassing van artikel 6 daartoe
aanleiding geeft.
-3. Het in het tweede en derde lid
bedoelde percentage wordt naar beneden afgerond op twee cijfers
achter de komma.
Art. 10.
Algemene
overgangsbepalingen
-1. Voor de toepassing van artikel
4,
tweede en derde lid, wordt een arbeidsongeschiktheidsuitkering die
is ingegaan op of na 1 januari 1993 gelijkgesteld met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 76f
van
de wet.
-2. Het gemiddelde premieplichtige loon
en het totale gemiddelde premieplichtige loon, bedoeld in artikel
4,
tweede en derde lid, worden voor het premiejaar 1998 berekend over
het tijdvak van vier kalenderjaren, eindigend één jaar vóór
aanvang van het premiejaar.
-3. Voor de premiejaren 1998, 1999, 2000,
2001, 2002 en 2003 wordt bij de berekening van het gemiddelde
premieplichtige loon, bedoeld in artikel 4, tweede en derde lid, het
vierde lid van artikel 4 buiten toepassing gelaten en worden de op
grond van artikel 4 berekende opslagen en kortingen vermenigvuldigd
met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het gemiddelde
werkgeversrisicopercentage over de periode van respectievelijk één,
twee, drie, vier en vijf jaar, te rekenen vanaf het jaar 1996, en de
noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in
artikel 4, derde lid.
-4. De uitkomst van de in het derde lid
bedoelde berekening wordt naar beneden afgerond op twee cijfers
achter de komma.
-5. Onder arbeidsongeschiktheidsuitkering
als bedoeld in artikel 4, zesde lid, wordt uitsluitend verstaan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering die is ingegaan op of na de dag van
inwerkingtreding van dit besluit.
-6. De artikelen 4a
en 4b,
zoals deze luiden op 31 december 2002, zijn niet van
toepassing op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn ingegaan vóór
1 januari 1998.
-7. Een besluit tot intrekking of
herziening van een besluit tot toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voor de toepassing van
artikel 6 slechts in aanmerking genomen indien het besluit op of na
de dag van inwerkingtreding van dit besluit is getroffen.
-8. Artikel 6, tweede, derde en vierde
lid, is uitsluitend van toepassing in die gevallen waarin de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verzekerde ingaat op of na 1
januari 2002.
-9. Bij de toepassing van artikel
6, tweede en derde lid, wordt, indien ten aanzien van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van de betrokken werknemer artikel 76f
van
de wet van toepassing is, zoals dit artikel
luidde op 31 december 2003, voor "vier jaren" respectievelijk
"vier jaar" gelezen "vijf jaren" respectievelijk
"vijf jaar".
-10. Bij de toepassing van artikel
6, derde lid, wordt, indien ten aanzien van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van de betrokken werknemer artikel 76f
van
de wet van toepassing is, zoals dit artikel
luidde op 31 december 2003, voor "het tijdvak van 104 weken"
gelezen: het tijdvak van 52 weken.
-11. Voor het premiejaar 2006 worden de op
grond van artikel 4 berekende opslagen en kortingen
vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het
rekenpercentage, bedoeld in artikel 2, en de noemer
door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel
4, derde lid.
Art. 11.
Overgangsbepalingen voor specifieke werkgevers
-1. Bij de vaststelling van het
individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel
4, tweede
lid, van werkgevers van overheidswerknemers als bedoeld in artikel
1, onderdeel l, onder 1º en 3º, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen wordt het
premieplichtig loon voor wat betreft de jaren 1993 tot en met 1995
bepaald aan de hand van het gecorrigeerd ambtelijk inkomen over die
jaren. Onder het ambtelijk inkomen, bedoeld in de eerste zin, wordt
verstaan het ambtelijk inkomen, bedoeld in artikel C 1 van de
Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals dit artikel luidde vóór 1
januari 1996.
-2. Het in het eerste lid bedoelde
gecorrigeerd ambtelijk inkomen is het ambtelijk inkomen, verhoogd
met ambtelijke toelagen of toeslagen die op grond van artikel
6, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering niet
zijn uitgezonderd, verminderd met het werknemersdeel van de
pensioenpremie en zo nodig verminderd tot het maximumbedrag, bedoeld
in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering.
-3. Bij de vaststelling van het
individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel
4, tweede
lid, van werkgevers van overheidswerknemers als bedoeld in artikel
1, onderdeel l, onder 2º, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen wordt het
premieplichtig loon voor wat betreft de jaren 1993 en 1994 bepaald
aan de hand van de verhouding tussen de pensioengrondslag en het
premieplichtig loon over 1995. Onder de pensioengrondslag, bedoeld
in de eerste zin, wordt verstaan de pensioengrondslag, bedoeld in artikel
C 1 van de Algemene militaire pensioenwet.
-4. Voor de toepassing van het derde lid
wordt als premieplichtig loon in de jaren 1993 en 1994 aangemerkt
110% van de pensioengrondslag in die jaren, zo nodig verminderd tot
het maximumbedrag, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering.
-5. Bij de vaststelling van het
individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel
4, tweede
lid, van werkgevers van overheidswerknemers als bedoeld in artikel
1, onderdeel l, onder 2º, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen worden voor
de jaren 1996 en 1997 de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld
in artikel 4, tweede lid, bepaald als 85% van de aan de
beroepsmilitair toegekende pensioenen ter zake van
arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel E 6 van de Algemene militaire pensioenwet, met inachtneming van
de eventuele verhoging en bijzondere verhoging op grond van artikel
E 7, E 8 of E 9 van laatstgenoemde wet.
Art
12. Inwerkingtreding
Indien artikel I, onderdeel CC, van de Wet
premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen in werking treedt, treedt dit
besluit op hetzelfde tijdstip in werking.
Art. 13.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit premiedifferentiatie WAO.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 19 juli 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de vierentwintigste juli 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[19 juli 1997]
Algemeen
Hoofdstuk 1. Het systeem van
premiedifferentiatie
1.1. Inleiding
De premie die een werkgever
verschuldigd is, wordt vastgesteld rekening houdend met de WAO-uitkeringen die de werkgever worden toegerekend. Afhankelijk van
deze toerekening krijgt iedere werkgever een individuele premie opgelegd,
de gedifferentieerde premie. Op deze wijze worden werkgevers geprikkeld
een beter preventie- en reïntegratiebeleid te voeren en worden zij
beloond indien dit beleid zijn vruchten afwerpt.
In de Pemba [Wet premiedifferentiatie en
marktwerking bij arbeidsongeschiktheidverzekeringen, red.] is de wijze
waarop de premiedifferentiatie is vormgegeven in zijn algemeenheid beschreven. Tevens is in
deze wet
geregeld dat de regels aan
de hand waarvan de premies moeten worden gedifferentieerd in een
algemene maatregel van bestuur zullen worden vastgelegd. Deze algemene
maatregel dient daartoe.
In de voorbereiding van dit
besluit heeft uitgebreid informeel overleg plaatsgevonden met het
Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] en de uitvoeringsinstellingen.
De regels met betrekking tot
premiedifferentiatie vallen uiteen in drie hoofdzaken. In de eerste
plaats betreft het de definiëring van de relevante begrippen. Daarnaast worden
instrumenten onderscheiden die de wijze van de vaststelling van de
gedifferentieerde premie kunnen beïnvloeden. In de derde plaats moet de
overgangsproblematiek worden geregeld.
1.2. Definiëring van
begrippen
De premie die een werkgever
is verschuldigd, bestaat uit twee componenten. Er wordt allereerst een lastendekkend percentage op
landelijk niveau
vastgesteld. Vervolgens krijgt iedere werkgever op dit percentage een opslag of
korting, afhankelijk van zijn arbeidsongeschiktheidsrisico
in het verleden.
Bepaald moet worden op welke
wijze het lastendekkende percentage moet worden vastgesteld.
Daartoe worden twee verschillende percentages gedefinieerd, te weten het
gemiddelde percentage en het rekenpercentage. De hoogte van de opslag of
korting is, zoals gezegd, afhankelijk van het
arbeidsongeschiktheidsrisico. Dit risico is gedefinieerd als de verhouding tussen de
gegenereerde lasten en de loonsom. Gedefinieerd moet worden
welke periode moet worden gehanteerd, welke lasten relevant zijn en
welke loonsom bepalend is.
De wijze van berekening van
de uit het arbeidsongeschiktheidsrisico voortvloeiende opslag of
korting wordt vervolgens gedefinieerd. Ten slotte wordt ingegaan op de vaststelling van de gedifferentieerde premie
voor nieuwe werkgevers,
alsmede voor werkgevers met een onvolledige referteperiode, op de
premievaststelling bij een overgang van een onderneming, alsmede op de
premievaststelling bij een terugkerende werkgever.
1.3. Sturingsinstrumenten
De hoogte van de
gedifferentieerde premie kan in individuele gevallen tot ongewenste niveaus
leiden. Om deze reden worden grenzen aan de hoogte van de
gedifferentieerde premie gesteld in de vorm van een minimum- en een
maximumpremie. De hoogte van deze minimum- en maximumpremie verschilt naar
grootte van een werkgever. Allereerst wordt verduidelijkt waarom
het noodzakelijk is een onderscheid te maken tussen grote en kleine
werkgevers. Vervolgens wordt de hoogte van de maximumpremie gedefinieerd.
Daarna komt de vaststelling van de hoogte van de minimumpremie aan de
orde. Ten slotte wordt bepaald wanneer sprake is van een grote en
wanneer sprake is van een kleine werkgever.
1.4. Overgangsproblematiek
In de eerste jaren na
invoering van het systeem zijn slechts over een beperkte periode gegevens
beschikbaar. Dit betekent dat in de eerste jaren voor de berekening van de
opslag of korting als overgangsregeling een kortere tijdsperiode wordt
gehanteerd; deze periode wordt vervolgens uitgebouwd tot de volledige
periode is bereikt. Deze overgangsregeling moet derhalve worden
vastgelegd. Daarnaast bestaan er in de aanvangsfase specifieke
problemen met betrekking tot de overheid en geprivatiseerde werkgevers.
Ook hiervoor moet een overgangsregeling worden getroffen.
Hoofdstuk 2. Begripsbepaling
2.1. Gemiddeld percentage,
rekenpercentage en gedifferentieerde premie
Iedere werkgever krijgt een
individuele opslag of korting op het verschuldigde arbeidsongeschiktheidspercentage, het rekenpercentage.
De aldus ontstane gedifferentieerde premie dient ter financiering van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die voor rekening komen van de Arbeidsongeschiktheidskas.
Deze arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betreffen uitkeringen die
ná de datum van invoering van de Pemba zijn ingegaan. De
uitkeringen komen ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas
voor zover de uitkeringsduur van vijf jaren niet is verstreken. De
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die vóór deze datum zijn ingegaan (de
bestaande gevallen), worden gefinancierd door middel van de uniforme
landelijke basispremie en komen ten laste van het Aof
[Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.]. Ook uitkeringen
waarvan de uitkeringsduur langer dan vijf jaren bedraagt, worden
gefinancierd door middel van deze uniforme basispremie.
Als basis voor de
vaststelling van het rekenpercentage dient het gemiddelde percentage. Het
gemiddelde percentage kan worden gedefinieerd als de totale
lasten van de uitkeringen die ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas
komen, gedeeld door de totale premieplichtige som. De
totale uitkeringslasten omvatten de wettelijke sociale lasten. Tevens dient
bij de berekening van de hoogte van het gemiddelde percentage rekening te worden gehouden met overige baten
en lasten; gedacht kan onder
andere worden aan rentebaten en -lasten. In de totale premieplichtige
som zijn tevens de socialezekerheidsuitkeringen waarover WAO-premie
verschuldigd is, begrepen.
De premie die een
individuele werkgever verschuldigd is, wordt bepaald door het rekenpercentage,
verhoogd of verlaagd met de individuele opslag of korting die deze werkgever krijgt. Op deze wijze krijgt iedere
werkgever een individueel
percentage, de gedifferentieerde premie.
De keuze om de opslag of
korting toe te passen op het rekenpercentage en niet op het gemiddelde
percentage kan als volgt worden beargumenteerd. Indien de opslag of korting
zou worden toegepast op het gemiddelde percentage, bestaat de
mogelijkheid dat de hieruit voortvloeiende premieopbrengsten zouden
afwijken van de noodzakelijke premieopbrengsten ter financiering van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. In het rekenpercentage is,
anders dan bij het gemiddelde percentage, daarom rekening gehouden met
een aantal verdisconteringen, waardoor het rekenpercentage kan
afwijken van het gemiddelde percentage. Deze verdisconteringen betreffen
de volgende factoren:
* de doorberekening van de
opslag of korting geschiedt met een vertraging van twee jaren;
een wijziging van het arbeidsongeschiktheidsrisico (gemiddeld dan wel individueel) wordt pas twee jaren later
doorberekend. In deze twee
jaren moet deze wijziging worden opgebracht uit een algemene correctie op
het gemiddelde percentage;
* een deel van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die moeten worden gefinancierd, kan niet
meer worden toegerekend aan een individuele werkgever
(bijvoorbeeld omdat deze failliet is gegaan); deze uitkeringen moeten worden
opgebracht uit een algemene correctie op het gemiddelde percentage.
Daarbij kan worden aangetekend dat een deel van deze uitkeringen gedekt
wordt als gevolg van het feit dat over uitkeringen ook premies
worden geheven, alsmede door de premieopbrengsten, afkomstig van startende
werkgevers;
* de minimum- en
maximumpremie beïnvloeden de premieopbrengsten. Indien hieruit een saldo
(overschot dan wel tekort) voortvloeit, betekent dit eveneens een
algemene correctie op het gemiddelde percentage;
* de vermogenspositie dient
in de premiestelling te worden betrokken. Het rekenpercentage is
derhalve gelijk aan het gemiddelde percentage, vermeerderd dan wel verminderd met het totale saldo van bovengenoemde
factoren. Een voorbeeld: de uitkeringslasten van de Arbeidsongeschiktheidskas
bedragen in een jaar ƒ500 mln; de loonsom is ƒ25 mld. Het gemiddelde
percentage is dan 2%. Het saldo van bovengenoemde factoren bedraagt - ƒ50
mln, een tekort derhalve. Om toch ƒ500 mln aan premie-inkomsten te
verwerven, moet het rekenpercentage dus hoger worden vastgesteld dan het gemiddelde percentage. Het rekenpercentage
dient in dit voorbeeld ca.
2,2% te bedragen.
De eerste drie hierboven
genoemde factoren komen deels tot uitdrukking in een verschil tussen de geraamde noodzakelijke premieopbrengsten
om de uitgaven te dekken en
de berekende premieopbrengsten van de individuele werkgevers, die een opslag of korting krijgen. De opslagen en
kortingen van deze werkgevers worden vastgesteld op basis van gerealiseerde
gegevens in het jaar t-2 (hierop wordt in paragraaf 2.2 uitgebreid ingegaan). Het rekenpercentage wordt, evenals
het gemiddelde percentage,
in de zomer van jaar t-1 vastgesteld. De voor de vaststelling van de
hoogte van de opslagen en kortingen noodzakelijke realisatiecijfers zijn dan
echter nog niet voorhanden. Dit komt uitgebreid aan de orde in paragraaf
2.2. Om die reden wordt voor de vaststelling van het rekenpercentage gebruik
gemaakt van realisatiecijfers van het jaar t-3. Vervolgens worden deze
gegevens omgerekend naar het jaar t-2. Voor zover door deze omrekening een afwijking ontstaat met betrekking tot de
premiebaten in jaar t zal
deze afwijking, evenals de gebruikelijke afwijkingen als gevolg van verschillen
tussen ramingen en realisaties, tot uitdrukking komen in de
vermogenspositie van de Arbeidsongeschiktheidskas.
De vermogenspositie zal vervolgens worden meegenomen bij de
vaststelling van het rekenpercentage voor jaar t+1.
Het gemiddelde percentage is
bepalend voor de hoogte van de minimum- en maximumpremie.
Hierop wordt in hoofdstuk 3 ingegaan. Het rekenpercentage is
bepalend voor de hoogte van de premie die een werkgever uiteindelijk is
verschuldigd. Het percentage dat een werkgever is verschuldigd, de
gedifferentieerde premie, is gelijk aan het rekenpercentage verhoogd met de individuele
opslag of korting die een werkgever krijgt.
Concreet betekent dit dat in
1998 alleen de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn ingegaan in dat
jaar gefinancierd worden uit het rekenpercentage. In de daaropvolgende jaren
stijgt dit percentage als gevolg van de nieuwe instroom in
deze jaren. In het zesde jaar na invoering, met andere woorden het jaar
2003, wordt met betrekking tot het rekenpercentage de volledige periode in
aanmerking genomen. In dat jaar komen de uitkeringen die in
1998 zijn ingegaan vanaf het moment dat de uitkeringsduur van vijf jaren is verstreken niet langer meer ten laste van
de
Arbeidsongeschiktheidskas, maar van het Aof, dat wordt gefinancierd door middel van de uniforme
basispremie. Tegenover de nieuwe instroom van het jaar 2003 in de
arbeidsongeschiktheidskas staat derhalve ook een uitstroom van
uitkeringsgerechtigden uit de Arbeidsongeschiktheidskas als gevolg van het
verstrijken van de uitkeringsduur van vijf jaren.
Het gemiddelde percentage
wordt jaarlijks vastgesteld door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). Ook het rekenpercentage
wordt door het Lisv
vastgesteld, overeenkomstig de gebruikelijke wijze van premievaststelling voor
alle socialeverzekeringswetten.
Als basis daarbij geldt de
uitgavenraming voor het komende premiejaar, jaar t derhalve, en de
verwachte premieplichtige som. Het is mogelijk dat de feitelijke uitgaven in
jaar t afwijken van de uitgavenraming. Tevens is het mogelijk dat de
feitelijke premie-inkomsten afwijken van de verwachte premiebaten. In beide
gevallen betekent dit een wijziging van de vermogenspositie van de
Arbeidsongeschiktheidskas. In geval van een vermogenstekort ten opzichte
van het noodzakelijk vermogen (als gevolg van hogere uitgaven dan wel
lagere premie-inkomsten) dienen het gemiddelde percentage en het rekenpercentage voor het jaar daarop
hoger te worden vastgesteld
teneinde dit tekort in te lopen. Bij een vermogensoverschot geldt het
omgekeerde.
2.2.
Arbeidsongeschiktheidsrisico
De hoogte van de opslag of
korting die een werkgever krijgt op het rekenpercentage wordt
bepaald door het verschil tussen zijn eigen arbeidsongeschiktheidsrisico
en het gemiddelde arbeidsongeschiktheidsrisico. In het besluit zijn deze
begrippen aangeduid als het individuele respectievelijk het
gemiddelde werkgeversrisicopercentage. Hieronder zal steeds worden aangesloten
bij de in dit besluit gehanteerde begrippen.
Het
werkgeversrisicopercentage is gedefinieerd als de lasten van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
die ten laste komen van de Arbeidsongeschiktheidskas,
gedeeld door de premieplichtige loonsom. Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage betreft de totale lasten van
de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die ten laste komen van de Arbeidsongeschiktheidskas,
gedeeld door de totale premieplichtige loonsom; het individuele
werkgeversrisicopercentage wordt bepaald door de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die ten laste komen van de
Arbeidsongeschiktheidskas,
van werknemers die in dienst stonden tot een individuele werkgever,
gedeeld door zijn premieplichtige loonsom. Drie elementen zijn van belang om
het werkgeversrisicopercentage te kunnen vaststellen, te weten de
referteperiode, de afbakening van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de loonsom.
2.2.1. Referteperiode
De hoogte van de opslag of
korting wordt berekend op basis van de prestatie van een individuele werkgever in het verleden, met andere
woorden op basis van
gerealiseerde gegevens. Een werkgever krijgt deze opslag of korting op het
rekenpercentage in jaar t. De hoogte van de opslag of korting, alsmede
van het rekenpercentage over jaar t, moeten in jaar t-1 worden vastgesteld.
Het jaar t-2 is dus het meest recente jaar waarover realisatiecijfers
bekend zijn. Dit jaar geldt derhalve als basisjaar voor de berekening van
de
hoogte van de opslag of korting.
De hoogte van de opslag of
korting wordt berekend op basis van de door de individuele werkgevers gegenereerde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
over een periode van vijf jaren, de referteperiode. De uitkeringen die in deze referteperiode
zijn opgekomen en in jaar t-2 nog tot uitbetaling zijn gekomen, dienen als
basis voor de vaststelling van het werkgeversrisicopercentage. Concreet betekent dit dat
als uitgangspunt voor de berekening van de opslag of
korting worden genomen de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die in jaar t-2 tot
uitbetaling kwamen, voor zover het uitkeringen betreft
waarvan de duur van vijf jaren nog niet is verstreken. Met andere woorden, alle uitkeringen die in de vijf voorliggende
jaren, te rekenen vanaf het
jaar t-2, zijn ingegaan en die in jaar t-2 nog tot uitbetaling kwamen,
worden meegenomen bij de berekening van het
werkgeversrisicopercentage.
De referteperiode dient
betrekking te hebben op de jaren t-7 tot en met t-2. Het is dus noodzakelijk
ook het jaar t-7 in de referteperiode te betrekken. Onderstaand
schema moge dit verduidelijken.
Schema 1. Relevante
tijdsperioden voor de vaststelling van het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, alsmede van de hoogte
van opslag en korting:

Stel een werknemer wordt
arbeidsongeschikt in het jaar t-7, op tijdstip a. Deze werknemer blijft
arbeidsongeschikt. Na vijf jaren komt zijn uitkering niet meer ten
laste van de Arbeidsongeschiktheidskas, maar van het Aof. In de
premievaststelling van het jaar t-2 kwam deze uitkering derhalve slechts voor een
deel ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas
(het deel tot tijdstip b) en voor de resterende periode in jaar t-2 ten
laste van het Aof. Vanaf jaar t-1 komt de uitkering volledig ten laste van het
Aof.
Bij de vaststelling van de
hoogte van de opslag of korting voor het jaar t dienen de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in aanmerking te worden
genomen in jaar t-2, voor zover dit uitkeringen betreft waarvan de duur
van vijf jaren nog niet is
verstreken, met andere woorden voor zover deze binnen de referteperiode
vallen. Bij de vaststelling van deze opslag of korting wordt van de lasten
van bovengenoemde werknemer slechts het deel tot tijdstip b
meegenomen. Hieruit blijkt dat het noodzakelijk is ook het jaar t-7 te betrekken in
de referteperiode. Indien als referteperiode zou worden genomen de jaren
t-6
tot en met t-2, met andere woorden, indien de uitkeringslasten in jaar
t-2, voor zover de uitkering is ingegaan vanaf jaar t-6, als basis voor de
berekening zouden worden gehanteerd, zou de uitkering van de in
bovenstaand voorbeeld genoemde werknemer niet in de referteperiode vallen.
Bij een referteperiode van t-6 tot en met t-2 zouden derhalve niet alle
uitkeringen waarvan in t-2 de duur van vijf jaren nog niet is verstreken,
worden meegenomen in het werkgeversrisicopercentage. De uitkeringen die zijn
ingegaan in het jaar t-7 zouden daar dus buiten vallen. Gemiddeld
gezien stroomt iedereen in enig jaar halverwege het jaar in.
Indien het jaar t-7 niet wordt meegenomen in de referteperiode, wordt deze
periode in feite beperkt tot gemiddeld vier en een half jaar.
Dit laatste strookt niet met
de opzet van het systeem van berekening van opslag en korting. Als
referteperiode voor de bepaling welke uitkeringslasten, die in
jaar t-2 zijn gerealiseerd, moeten worden meegenomen bij de bepaling van het
werkgeversrisicopercentage wordt daarom gekozen voor de jaren t-7
tot en met jaar t-2. Iedere uitkering die vanaf jaar t-7 is opgekomen en in
jaar t-2 nog voortduurt, telt derhalve mee bij de berekening van het
werkgeversrisicopercentage. Uiteraard telt de uitkering die in jaar t-7 is
opgekomen en in jaar t-2 nog voortduurde in de uitkeringslasten van jaar
t-2 slechts mee voor het deel dat deze uitkering in jaar t-2 uit de gedifferentieerde premie werd gefinancierd.
Deze referteperiode leidt
uitvoeringstechnisch gezien niet tot complicaties. De uitvoeringsinstellingen
moeten alle uitkeringen vanaf het moment dat deze vijf jaren hebben geduurd, overhevelen van de
Arbeidsongeschiktheidskas
naar het Aof. Met andere woorden, de uitkeringen die in enig jaar
zijn ingegaan, dienen vijf jaren later op het moment dat zij de
vijfjaarsperiode hebben vol gemaakt, te worden overgeheveld. Er wordt derhalve altijd in de registratie vastgelegd
wanneer deze overheveling
heeft plaatsgevonden. In bovenomschreven voorbeeld kan in jaar t-1,
bij de vaststelling van de premie en de opslagen en kortingen voor jaar t,
exact worden nagegaan welke uitkeringen in jaar t-2 zijn overgeheveld van de
Arbeidsongeschiktheidskas naar het Aof en voor welk deel deze
uitkeringen dus nog moeten worden meegenomen bij de vaststelling van het
werkgeversrisicopercentage.
De dag van ingang van de
WAO- c.q. AAW-uitkering ten slotte is bepalend voor de aanvang van
de periode van vijf jaren gedurende welke een uitkering wordt
meegerekend voor de vaststelling van het werkgeversrisicopercentage.
2.2.2.
Arbeidsongeschiktheidslasten
Voor de bepaling van het
werkgeversrisicopercentage, zowel van het individuele als het gemiddelde percentage, zijn de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
die in jaar t-2 tot uitbetaling kwamen bepalend, voor zover deze uitkeringen
betreffen waarvan de duur van vijf jaar nog niet is verstreken.
De
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betreffen bruto-uitkeringen inclusief vakantie-uitkering.
Voor de berekening van het
individuele werkgeversrisicopercentage worden de uitkeringslasten
van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bepaald op kasbasis. Alle lasten van de
uitkeringen die in jaar t-2 tot
uitbetaling kwamen, worden
dus meegenomen in het individuele werkgeversrisicopercentage.
Hantering van een systeem op
kasbasis sluit aan bij de uitkeringsadministratie van de uitvoeringsinstellingen. Een wijziging van de hoogte
van de uitkering leidt op
deze wijze over voorgaande jaren niet tot een aanpassing van het
individuele werkgeversrisicopercentage en dus van de gedifferentieerde premie.
Het is evenwel mogelijk dat
een uitkering met terugwerkende kracht wordt aangepast. De aanpassingen kunnen dan (mede) betrekking hebben
op voorgaande jaren. Het kan daarbij gaan om een herziening van de hoogte van de uitkering met
terugwerkende kracht, een toekenning van een uitkering met
terugwerkende kracht dan wel de situatie dat een uitkering achteraf ten
onrechte blijkt te zijn vastgesteld. De vraag rijst dan op welke wijze binnen het
systeem van premiedifferentiatie met dergelijke herzieningen moet worden
omgegaan. Hierbij is ook de verhouding met eigen risico dragen van
belang. Dergelijke herzieningen leiden bij eigenrisicodragers tot een restitutie aan dan
wel een nabetaling van de eigenrisicodrager. Indien in
een systeem van premiedifferentiatie met een individuele premie in het
geheel geen rekening zou worden gehouden met bovengenoemde
aanpassingen van uitkeringen, zou een niet te rechtvaardigen onderscheid
ontstaan tussen eigenrisicodragers en niet-eigenrisicodragers.
Zonder nadere regelgeving zouden aanpassingen van uitkeringen niet in alle
gevallen doorwerken in de gedifferentieerde premie. Teneinde te
bewerkstelligen dat alle aanpassingen worden meegenomen in het systeem
van premiedifferentiatie is het volgende bepaald.
Indien een uitkering in een
bepaald jaar met terugwerkende kracht wordt aangepast (herziening,
toekenning dan wel intrekking), wordt het totale bedrag van de
aanpassing over alle relevante voorgaande jaren in mindering gebracht dan wel
opgeteld bij de toegerekende arbeidsongeschiktheidslasten
van de desbetreffende werkgever. Toerekening vindt, conform het
kasbasissysteem, plaats aan het jaar waarin de aanpassing is doorgevoerd.
Een werkgever ziet dit dus vanwege de systematiek van premiedifferentiatie pas na twee jaren terug in zijn
gedifferentieerde premie.
Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Stel een werknemer krijgt in jaar t
te horen dat in jaar t-3 ten onrechte is vastgesteld dat hij geen recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering had. In jaar t ontvangt hij alsnog
de uitkering over de jaren t-3 tot en met t-1. Daarnaast krijgt hij normaal
in het jaar t een uitkering. Voor de gedifferentieerde premie van de werkgever in
het jaar t+2 wordt de uitkeringslast van jaar t gewoon meegenomen
in zijn totale arbeidsongeschiktheidslast. Daarnaast wordt het totale
bedrag van de uitkeringen over de jaren t-3 tot en met t-1 bij deze last
opgeteld. De werkgever krijgt dus in jaar t+2 eenmalig een hogere
gedifferentieerde premie. Dit is ook terecht, want de uitkering is ten onrechte
niet meegenomen in zijn arbeidsongeschiktheidslast
in de drie jaren voorafgaand aan t+2.
Deze systematiek sluit
volledig aan bij het kasbasissysteem. De feitelijk uitbetaalde uitkeringslast
wordt in het jaar dat deze is uitgekeerd ten laste gebracht van de arbeidsongeschiktheidslast van de werkgever.
Bij bovenomschreven
systematiek is één situatie aanvullend geregeld. Indien wordt vastgesteld dat
een uitkering in het verleden ten onrechte is vastgesteld, kan het zo zijn
dat de werknemer over de periode vóór de intrekking de uitkering niet
hoeft te restitueren. Met name moet worden gedacht aan situaties als
bedoeld in artikel 36b, eerste lid, WAO. Daarin is bepaald dat de intrekking of
verlaging van de uitkering als gevolg van een bezwaar of beroep door de
werkgever eerst na zes weken na de beslissing ter zake wordt
geëffectueerd. Hierdoor wordt de positie van de werknemer beschermd. Een uitzondering
geldt slechts bij eigen schuld of toedoen door de werknemer.
Vanaf het moment van
intrekking of verlaging wordt de uitkering dus in mindering gebracht op de
uitkeringslast van de werkgever. Wanneer het kasbasissysteem onverkort
zou worden gevolgd, zou dit echter niet gelden voor de jaren dat de
werkgever in voorgaande jaren, achteraf bezien, een te hoge premie
heeft betaald. Er vindt immers geen restitutie plaats. De werkgever zou in
dit geval geen compensatie krijgen. Teneinde te bewerkstelligen dat ook
in deze situatie de werkgever wordt gecompenseerd, wordt het totale bedrag aan
uitkeringslasten dat in voorgaande jaren is verstrekt in
mindering gebracht op de uitkeringslast van de werkgever, ook al leidt dit
niet daadwerkelijk tot een feitelijk terugbetaling.
Dezelfde systematiek wordt
gehanteerd in het geval dat een uitkering door de uitvoeringsinstelling van de werknemer wordt teruggevorderd.
Het totale bedrag dat met de
terugvordering is gemoeid, wordt in mindering gebracht op de
last van de werkgever, ongeacht of de terugvordering al of niet
volledig wordt gerealiseerd. Op deze wijze wordt de werkgever altijd
gecompenseerd voor de, achteraf gezien, te hoge premiestelling. Dit betekent
wél dat de bedragen die feitelijk worden teruggevorderd uit de kasbasissystematiek moeten worden verwijderd.
Als dit niet zou gebeuren,
zou dit tweemaal tot een voordeel voor de werkgever leiden.
Bovenomschreven systematiek
heeft als feitelijk gevolg dat voor grote werkgevers ook een negatieve
premie kan worden vastgesteld. Als de uitkeringslast van een
werkgever wordt verlaagd als gevolg van een aanpassing van een uitkering,
is het mogelijk dat zijn totale premielast vóór het in mindering
brengen van de uitkering lager is dan de met de aanpassing gemoeide
uitkeringslast. In dat geval wordt de uitkeringslast van de werkgever voor dat
ene jaar negatief en krijgt de werkgever dus een negatieve premie. In dergelijke gevallen geldt niet de normale
minimumpremie, maar in
afwijking daarvan een negatieve premie.
Voor kleine werkgevers ligt
dit anders. Kleine werkgevers zijn in een premiejaar altijd ten minste
de minimumpremie voor kleine werkgevers verschuldigd, ongeacht de
door hen veroorzaakte last. Kleine werkgevers moeten immers bijdragen aan
de financiering van de premiederving als gevolg van de maximumpremie
voor kleine werkgevers. Een kleine werkgever zou daardoor in
sommige gevallen geen profijt hebben van een aanpassing van een
uitkering. Stel bijvoorbeeld dat bij een kleine werkgever één werknemer
arbeidsongeschikt wordt. De werkgever is twee jaar later de maximumpremie
verschuldigd. Daarna blijkt dat de uitkering ten onrechte is toegekend.
De totale uitkeringslast van de desbetreffende uitkering over de voorgaande
jaren wordt op de uitkeringslast van de kleine werkgever in
mindering gebracht. De kleine werkgever krijgt vervolgens een negatief
werkgeversrisicopercentage. Dit leidt echter niet tot een negatieve premie.
Immers, een kleine werkgever is voor het premiejaar zelf hoe dan ook de minimumpremie verschuldigd. Met andere
woorden, voor de jaren dat
hij de maximumpremie heeft betaald (terwijl hij eigenlijk de
minimumpremie verschuldigd zou zijn geweest) zou hij geen compensatie krijgen.
Om kleine werkgevers te
compenseren, is daarom voor hen een uitzondering op de algemene
systematiek getroffen. Als een kleine werkgever in één of meerdere
jaren een hogere premie dan de minimumpremie voor kleine werkgevers
verschuldigd is geweest, terwijl later blijkt dat hij als gevolg van een
aanpassing van een uitkering over dat jaar of die jaren de minimumpremie
dan wel een lagere premie verschuldigd zou zijn geweest, wordt voor die
werkgever het verschil tussen zijn feitelijk betaalde premie en de verschuldigde premie van dat jaar of die jaren
gerestitueerd.
Een herziening, met de
hierboven beschreven doorwerking, heeft uitsluitend betrekking op de
teller van de berekening van het werkgeversrisicopercentage. Op zich is denkbaar
dat ook
de noemer, de loonsom, wordt herzien. De definitief
vastgestelde loonsom is echter altijd het uitgangspunt voor de
berekening van het werkgeversrisicopercentage. De loonsom, die wordt
gehanteerd voor de berekening van het werkgeversrisicopercentage, betreft de loonsom van jaar
t-2. Deze wordt in jaar t-1, het jaar van vaststelling
van de gedifferentieerde premie voor jaar t, definitief vastgesteld.
Het is mogelijk dat bij een
looncontrole na de definitieve vaststelling blijkt dat de feitelijke loonsom van jaar t-2 afwijkt van de definitief
vastgestelde loonsom. In dat
geval wordt evenwel het individuele werkgeversrisicopercentage
niet herzien, maar geldt de in het jaar t-1 definitief vastgestelde
loonsom.
Bepalend voor de hoogte van
het werkgeversrisicopercentage zijn dus de uitkeringslasten op
kasbasis in jaar t-2. Het individuele werkgeversrisicopercentage wordt voor het premiejaar t
door de uitvoeringsinstellingen vastgesteld aan het eind van jaar t-1. Zowel de uitkeringslasten
van de individuele werkgever
als zijn loonsom zijn dan definitief vastgesteld. Het gemiddelde
werkgeversrisicopercentage wordt door het Lisv vastgesteld in het midden
van jaar t-1. Teneinde een zo zuiver mogelijke vergelijking te kunnen maken
tussen het individuele en het gemiddelde werkgeversrisicopercentage moeten bij de berekening van het gemiddelde
percentage alleen de
uitkeringslasten worden meegenomen die kunnen worden toegerekend
aan werkgevers. Op het moment van vaststelling van het
gemiddeld werkgeversrisicopercentage zijn echter nog niet alle relevante
gegevens definitief vastgesteld en toegerekend. Om deze reden moet voor de
hoogte van de uitkeringslasten een benadering worden
gehanteerd. Uitgangspunt daarvoor zijn de toegerekende lasten van jaar t-3. Deze
lasten worden vervolgens herberekend tot uitkeringslasten van jaar
t-2, rekening houdend met in- en uitstroom in jaar t-2, alsmede
prijseffecten in jaar t-2.
Bij een samenloop van een
WAO-uitkering met een WAZ- dan wel
Wajong-uitkering dient voor
de berekening van het werkgeversrisicopercentage alleen de WAO-uitkering in
aanmerking te worden genomen. Alleen deze uitkering is
immers relevant voor de premiedifferentiatie WAO.
Een andere samenloopsituatie
kan zich voordoen ingeval sprake is van twee dienstverbanden bij
verschillende werkgevers.
Bij gelijktijdige samenloop
is er sprake van een werknemer met een WAO-uitkering die op het
moment van uitval in dienst is bij twee werkgevers. De lasten van de arbeidsongeschikte werknemer worden dan
naar rato van het
individuele loon toegerekend aan beide werkgevers. Hierop bestaat één
uitzondering. Indien een werknemer bij de ene werkgever uitvalt, maar bij
de andere werkgever tegen hetzelfde loon blijft werken, krijgt deze tweede
werkgever geen lasten doorberekend in zijn werkgeversrisicopercentage.
Anders zou de naar-ratotoerekening ertoe leiden dat een deel van de
uitkering ook aan de tweede werkgever zou worden toegerekend. Als de werknemer daarna ook bij de tweede
werkgever uitvalt en de
uitkering derhalve hoger wordt vastgesteld, wordt de nieuwe uitkering
wél aan beide werkgevers naar rato van de loonsom toegerekend.
Van volgtijdelijke samenloop
is sprake indien een werknemer uit één dienstverband arbeidsongeschikt wordt en vervolgens, na indiensttreding
bij een andere werkgever, later weer of in toenemende mate arbeidsongeschikt
wordt. In het geval een
werknemer arbeidsongeschikt wordt, voor zijn resterende
verdiencapaciteit in dienst treedt bij een andere werkgever en vervolgens in toenemende
mate arbeidsongeschikt wordt, worden de lasten als gevolg van de
toegenomen arbeidsongeschiktheid toegerekend aan de eerste werkgever. In
het geval een werknemer bij einde wachttijd geen uitkering krijgt of na
toekenning van een uitkering volledig herstelt en hij in dienst treedt bij
een andere werkgever bij wie hij dan arbeidsongeschikt wordt, ontstaat de volgende
situatie. Als hij binnen vijf jaren arbeidsongeschikt wordt uit
dezelfde oorzaak, worden de lasten eveneens toegerekend aan de eerste
werkgever. Komt de arbeidsongeschiktheid voort uit andere oorzaak, dan
worden de lasten toegerekend aan de laatste werkgever, bij wie de werknemer in dienst is.
In de premiedifferentiatie
worden ten slotte ook de uitkeringslasten van arbeidsongeschikte
gelijkgestelde werknemers (de zogenaamde rariteiten, bedoeld in de artikelen 4 en
5 van de WAO) betrokken. De uitkeringslasten van deze werknemers worden
met andere woorden op gelijke wijze meegenomen voor de bepaling
van het gemiddelde c.q. individuele risico als de uitkeringslasten van
andere werknemers.
2.2.3. Loonsom
Ter bepaling van het
werkgeversrisicopercentage, zowel van het gemiddelde risicopercentage als van het individuele risicopercentage van
de werkgever, worden de arbeidsongeschiktheidslasten gerelateerd aan de loonsom. Deze loonsom
is niet gelijk aan het premieplichtige inkomen op basis waarvan het
gemiddelde percentage wordt vastgesteld. In de eerste plaats wordt voor
de bepaling van het werkgeversrisicopercentage geen rekening gehouden
met de premieplichtige uitkeringssom, dat is het totaal aan uitkeringen,
waarover WAO-premie verschuldigd is. Een deel van de premie-inkomsten
wordt gegenereerd over de totale premieplichtige uitkeringssom. Bij de berekening van het gemiddelde
percentage en het rekenpercentage maakt de premieplichtige uitkeringssom daarom wel
deel uit van het totale premieplichtige inkomen.
Bij de vaststelling van
het gemiddelde werkgeversrisicopercentage dient de premieplichtige
uitkeringssom echter niet meegenomen te worden. Bovendien moet slechts worden uitgegaan van de totale
premieplichtige loonsom
van werkgevers waarvan de uitkeringslasten kunnen worden gematched.
Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage dient immers om het
individuele werkgeversrisicopercentage tegen af te zetten. Bij het
individuele werkgeversrisicopercentage worden slechts de toe te rekenen lasten
meegenomen. Hiertoe behoren niet de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die vanuit een
WW-situatie zijn ontstaan. Het meenemen van de
premieplichtige uitkeringssom in het gemiddelde werkgeversrisicopercentage
zou dit risico drukken, waardoor een minder zuivere vergelijking met
het individuele werkgeversrisicopercentage zou ontstaan. Ook het meenemen van de loonsom van
werkgevers die niet in
de matching zijn
betrokken, bijvoorbeeld starters, zou de vergelijking van het gemiddelde en
individuele werkgeversrisicopercentage vertekenen.
In de tweede plaats
betreft het premieplichtige inkomen voor de vaststelling van het gemiddelde percentage het inkomen van het
premiejaar, het jaar t
derhalve; de loonsom op basis waarvan het werkgeversrisicopercentage
wordt bepaald, heeft betrekking op een periode in het verleden,
de referteperiode.
Er is gekozen voor de
gemiddelde loonsom van vijf jaren. Indien gekozen zou worden voor
de loonsom van één bepaald refertejaar, bijvoorbeeld jaar t-2,
zouden hieruit ongewenste effecten kunnen voortvloeien. In de
eerste plaats kan de loonsom van jaar op jaar (aanzienlijke)
schommelingen vertonen. Het relateren van de arbeidsongeschiktheidslasten
in jaar t-2 van uitkeringen waarvan de duur van vijf jaren nog niet
is verstreken, aan de loonsom van één jaar kan dan grote schokeffecten
teweeg brengen. In de tweede plaats kan een werkgever in een
refertejaar helemaal geen loonsom hebben, terwijl deze werkgever in het
jaar
waarin de premie betaald moet worden wel een loonsom heeft. Indien het
werkgeversrisicopercentage zou worden bepaald op basis van de
loonsom van één jaar, is het mogelijk dat deze werkgever, als gevolg van
het ontbreken van een loonsom in dat ene jaar, als een niet langer
bestaande werkgever wordt beschouwd en derhalve geen gedifferentieerde premie krijgt toegerekend.
In tegenstelling tot de
definitie van de arbeidsongeschiktheidslasten moet voor de bepaling van
de gemiddelde loonsom worden uitgegaan van kalenderjaren. Administratief-technisch zou een met de definitie van
de
arbeidsongeschiktheidslasten corresponderende vaststelling van de referteperiode voor de
loonsom veel te complex worden.
De voor de bepaling van
het werkgeversrisicopercentage noodzakelijke loonsom is de gemiddelde
loonsom van de jaren t-6 tot en met t-2, met andere woorden de
optelsom van de in dat jaar opgegeven loonsommen gedeeld door 5. Bij de
vaststelling van het gemiddelde werkgeversrisicopercentage moet voor de loonsom van
jaar t-2 worden uitgegaan van een raming. Op het moment van
de vaststelling van het gemiddelde werkgeversrisicopercentage
zijn immers nog niet alle loonsommen van individuele werkgevers
definitief vastgesteld. Deze raming zal evenwel naar verwachting niet
leiden tot grote afwijkingen van de definitief vastgestelde loonsom.
Aangesloten wordt bij het
premieloon volgens de Coördinatiewet Sociale
Verzekeringen. De
loonsommen betreffen de loonsommen die door de werkgever op de opgave aan de bedrijfsvereniging
[zie UWV, red.] worden
gedaan. De loonsom wordt
gemaximeerd op het maximumpremieloon WAO.
Indien
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden uitbetaald via de werkgever, dienen
deze te
worden uitgezonderd van de loonsom die een werkgever opgeeft aan de uitvoeringsinstelling. Indien deze uitkeringen
niet uit de totale
loonsom gedestilleerd zouden worden, zou dit een voordeel betekenen voor
de werkgevers die deze uitkeringen zelf verstrekken ten opzichte
van werkgevers die hiervoor niet kiezen. Immers, de totale loonsom van de
eerstgenoemde groep is, bij eenzelfde aantal werknemers met eenzelfde
loon, hoger dan van de laatstgenoemde groep, zodat voor de
eerstgenoemde groep een lager arbeidsongeschiktheidsrisico resulteert dan voor de
laatstgenoemde groep.
Thans wordt in de totale
loonsomopgave van een werkgever die de uitkeringen zelf verstrekt geen uitsplitsing aangebracht in loon aan
werknemers en door de
werkgever uitbetaalde uitkeringen. Voor de jaren vóór 1998 kan derhalve
bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage voor deze werkgevers geen
correctie worden aangebracht voor deze uitkeringen. Om
deze reden wordt in de overgangsfase, met andere woorden voor
de jaren voor 1998, uitgegaan van de totale loonsom van de desbetreffende werkgevers.
Vanaf 1998 moet de
uitsplitsing dus wel worden aangebracht. Deze uitsplitsing geschiedt op
kasbasis.
2.2.4. Verschil tussen
premie en risico
Een werkgever krijgt een
opslag of korting op het rekenpercentage. De hoogte van de opslag of
korting wordt bepaald op basis van de vergelijking van het individuele en
het gemiddelde werkgeversrisicopercentage.
Het rekenpercentage wordt
vastgesteld aan de hand van het gemiddelde percentage, rekening
houdend met de in paragraaf 2.1 genoemde factoren. Zowel het
gemiddelde percentage als het rekenpercentage hebben betrekking op de
lasten die in het jaar van de premievaststelling (jaar t-1) voor het
daaropvolgende jaar (jaar t) worden geraamd. De premievaststelling heeft
met andere woorden betrekking op de verwachte lasten van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas
komen.
Het
werkgeversrisicopercentage, zowel het individuele als het gemiddelde risico,
hebben betrekking
op gerealiseerde lasten in het verleden. In het jaar van premievaststelling zijn de lasten die zijn gerealiseerd in het
daaraan voorafgaande jaar
(jaar t-2), voor zover deze lasten betrekking hebben op uitkeringen waarvan
de duur van vijf jaren nog niet is verstreken, bepalend voor de hoogte
van het werkgeversrisicopercentage. Het gemiddelde risico en het
gemiddelde percentage hoeven, als gevolg van het verschil in tijdvak
dat in aanmerking wordt genomen, derhalve niet aan elkaar gelijk te
zijn.
2.2.5. Hoogte van de
opslag of korting
De hoogte van de opslag
of korting wordt bepaald door het verschil tussen het individuele
risico van een werkgever en het gemiddelde risico. Uitgaande van het jaar
waarin de premie wordt vastgesteld (jaar t-1) is zowel het gemiddelde
risico als het individuele risico gedefinieerd als de uitkeringslasten zoals
beschreven in paragraaf 2.2.2, gedeeld door de loonsom zoals
weergegeven in paragraaf 2.2.3, vermenigvuldigd met 100. Dit risico is
derhalve een percentage. Dit percentage wordt afgerond op twee cijfers achter
de
komma.
De opslag of korting
wordt dan berekend aan de hand van de volgende formule:
Pt, ok
=
Pris, ind
- Pris, gem
waarbij:
Pt, ok de
opslag of korting is voor het premiejaar;
Pris, ind het
individuele
werkgeversrisicopercentage is in de voor het premiejaar relevante referteperiode;
Pris, gem het
gemiddelde
werkgeversrisicopercentage is in de voor het premiejaar relevante referteperiode.
De hoogte van de opslag
of korting wordt dus bepaald door het verschil tussen het individuele
werkgeversrisicopercentage en het gemiddelde werkgeversrisicopercentage.
Een voorbeeld moge dit
verduidelijken:
- een individuele
werkgever heeft voor het premiejaar een individueel werkgeversrisicopercentage
van 4,00%;
- het gemiddelde
werkgeversrisicopercentage voor het premiejaar is 3,00%.
Het verschil tussen het
individuele en het gemiddelde werkgeversrisicopercentage is derhalve 1,00%; de
nieuwe opslag voor de werkgever wordt derhalve 1,00%.
De hoogte van de opslag
of korting wordt jaarlijks door de uitvoeringsinstelling vastgesteld.
De totale
gedifferentieerde premie die de werkgever is verschuldigd, wordt bepaald aan
de hand
van de volgende formule:
Pt, ind
=
Pt, rek
+
Pt,
ok
waarbij:
Pt, ind de
totale
gedifferentieerde premie is voor de individuele werkgever voor het
premiejaar;
Pt, rek het
rekenpercentage is voor het premiejaar.
2.3. Startende
werkgevers, overgangen van onderneming en terugkerende werkgevers
a. Startende werkgever
Voor startende werkgevers
moet de individuele premie in de eerste jaren op een andere wijze
worden vastgesteld. Een startende werkgever heeft immers geen
individueel werkgeversrisicopercentage in de voor het premiejaar relevante
referteperiode.
Met betrekking tot de
hoogte van de premie die een startende werkgever in rekening wordt gebracht, zijn twee opties mogelijk. De eerste
optie is om de
gedifferentieerde premie voor een startende werkgever gelijk te stellen aan het
rekenpercentage. De startende werkgever krijgt derhalve geen opslag of
korting. De tweede optie is om een startende werkgever wel een korting
toe te rekenen. Het individuele werkgeversrisicopercentage wordt voor een startende
werkgever fictief op 0% gesteld. Als gevolg van
deze fictie krijgt de startende werkgever een forse korting op het rekenpercentage.
De keuze om de
gedifferentieerde premie voor een startende werkgever gelijk te stellen aan het
rekenpercentage heeft de volgende voor- c.q nadelen:
voordelen:
* de startende werkgever
heeft geen concurrentievoordeel ten opzichte van zijn concurrenten.
Het direct toekennen van een korting zou betekenen dat een
startende werkgever direct op de laagst mogelijke premie en dus ten
opzichte van zijn reeds bestaande concurrenten een voordeel krijgt;
* indien een startende
werkgever direct een forse korting wordt toegerekend, betekent dit
een extra stimulans om een onderneming te beëindigen en een nieuwe
onderneming te starten om op deze wijze de reeds gegenereerde
arbeidsongeschiktheidslasten te ontlopen. Deze stimulans wordt veel
geringer indien een startende werkgever het rekenpercentage
verschuldigd is;
* lasten van werkgevers
die failliet zijn gegaan, moeten worden opgebracht door de overige werkgevers. Indien een startende werkgever
(in feite de tegenhanger
van een faillerende werkgever) het rekenpercentage verschuldigd is, wordt een
deel van de lasten van failliet gegane werkgevers
opgebracht door startende werkgevers. De verdiscontering van niet toe te rekenen
lasten betekent in deze optie dus een geringere stijging van
het rekenpercentage;
nadeel:
* een startende werkgever
heeft per definitie nog geen arbeidsongeschiktheidslasten gegenereerd. Indien hij wel het rekenpercentage
verschuldigd is, betaalt
hij mee aan de lasten van andere werkgevers. Dit kan een
stimulans inhouden om direct eigenrisicodrager te worden.
Bovenstaande voor- en
nadelen afwegende verdient het de voorkeur om bij de vaststelling van
de gedifferentieerde premie voor een startende werkgever een onderscheid
te maken tussen grote en kleine werkgevers. Voor grote startende werkgevers wordt de gedifferentieerde premie
gelijkgesteld aan het
rekenpercentage. Deze werkgevers wordt met andere woorden het
rekenpercentage in rekening gebracht. Voor grote startende werkgevers wegen de
voordelen van het rekenpercentage zwaarder dan het genoemde nadeel. Dit
nadeel is inherent aan een omslagstelsel. In een omslagstelsel zal immers
altijd een zekere verevening van lasten blijven plaatsvinden.
Voor kleine werkgevers
gaat bovenstaande redenering niet op. Gezien hun risicoprofiel zullen
kleine werkgevers nagenoeg altijd ofwel de minimumpremie hebben,
ofwel de maximumpremie; nagenoeg geen enkele kleine werkgever
heeft een gedifferentieerde premie op het gemiddelde niveau (dit
komt uitgebreid aan de orde in hoofdstuk 3). Indeling op dit gemiddeld
niveau ligt dan minder voor de hand. Voor kleine werkgevers geldt
bovendien een minimumpremie die nooit gelijk is aan 0%. Het merendeel van
de kleine werkgevers is deze minimumpremie verschuldigd. Uit
concurrentieoogpunt ligt het meer voor de hand om de gedifferentieerde premie
voor kleine startende werkgevers op de minimumpremie vast te
stellen.
Een startende grote
werkgever is in het eerste jaar op basis van bovenstaande afweging een
gedifferentieerde premie verschuldigd die gelijk is aan het
rekenpercentage. Ook in het tweede en het derde jaar wordt voor deze werkgever
het rekenpercentage in rekening gebracht. Dit is het gevolg van het
feit dat ook in deze jaren voor deze werkgever nog geen individueel
werkgeversrisicopercentage kan worden bepaald. Vanaf het derde jaar na
arbeidsongeschiktheid, met andere woorden het vierde jaar na oprichting van de
onderneming, wordt een opslag of korting berekend, conform de hierboven weergegeven methodiek, zij het dat het
individueel werkgeversrisicopercentage slechts wordt bepaald op basis van één jaar.
Vervolgens wordt de referteperiode steeds uitgebreid met één jaar, totdat ook
voor deze werkgever het gebruikelijke regime geldt.
Een voorbeeld moge
bovenstaande verduidelijken. In onderstaande tabel is aangegeven hoe
het risico van deze startende werkgever zich ontwikkelt.
Tabel 1. Fictief
voorbeeld van de ontwikkeling van het risico van een startende werkgever
in de jaren na aanvang van de onderneming:
| Risico in het premiejaar
op basis van het relevante refertejaar |
| Risicojaar |
2000 |
2001 |
2002 |
2003 |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
| 2000 |
- |
- |
- |
0,25% |
0,50% |
0,50% |
0,50% |
0,50% |
0,25% |
- |
| 2001 |
- |
- |
- |
- |
0,25% |
0,50% |
0,50% |
0,50% |
0,50% |
0,25% |
| 2002 |
- |
- |
- |
- |
- |
0,25% |
0,50% |
0,50% |
0,50% |
0,50% |
| 2003 |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
0,25% |
0,50% |
0,50% |
0,50% |
| 2004 |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
0,25% |
0,50% |
0,50% |
| 2005 |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
0,25% |
0,50% |
| 2006 |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
- |
0,25% |
| Totaal risico: |
0,00% |
0,00% |
0,00% |
0,25% |
0,75% |
1,25% |
1,75% |
2,25% |
2,50% |
2,50% |
Een werkgever start in
het jaar 2000. In dat jaar is de werkgever dus een premie verschuldigd. De
voor het premiejaar 2000 relevante referteperiode is de periode 1993-1998
(de jaren t-2 tot en met t-7). In deze periode bestond de
werkgever nog niet en is het risico derhalve nul. De werkgever krijgt in het
jaar 2000 het rekenpercentage in rekening gebracht. In het jaar
2001 is de referteperiode weliswaar één jaar opgeschoven, maar betreft
nog steeds een tijdvak waarin de werkgever niet bestond. Er is
derhalve nog steeds geen risico en de werkgever krijgt ook in dit jaar dus nog
het rekenpercentage. In het jaar 2002 heeft de werkgever nog steeds geen
risico. In het jaar 2000 kunnen werknemers van deze werkgever voor
het eerst ziek worden. Pas één jaar later kan de werkgever derhalve voor
het eerst geconfronteerd worden met werknemers die een
arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen. Met andere woorden, in het jaar 2001
kunnen werknemers voor het eerst een arbeidsongeschiktheidsuitkering
krijgen. In het premiejaar 2002 wordt het jaar 2001 echter nog niet
meegenomen in de referteperiode.
Pas in 2003 treedt voor
het eerst een risico op voor de werkgever. De werknemers die in het
jaar 2000 ziek worden en in het jaar 2001 een arbeidsongeschiktheidsuitkering
krijgen, gaan vanaf 2003 meetellen in het werkgeversrisicopercentage.
In de jaren daarna loopt het risico voor de werkgever op tot het
structurele niveau.
Een werkgever wordt als
starter beschouwd indien hij in het jaar t-2 voor het eerst een loonsom heeft en over de voorgaande jaren geen
loonsom heeft gehad dan
wel indien hij in geen van de jaren van de referteperiode een
loonsom heeft gehad.
De opslag of korting die
voor bovengenoemde werkgever vanaf het jaar 2003 moet worden bepaald,
wordt vervolgens op overeenkomstige wijze bepaald als voor andere werkgevers, zij het met één uitzondering. Voor de
hoogte van de opslag of
korting is de vergelijking tussen het individuele risico en het gemiddelde
risico relevant. Het individuele risico in het jaar 2003 betreft slechts de
instroom van één jaar. Het gemiddelde risico echter heeft betrekking
op de lasten van alle arbeidsongeschiktheidsuitkeringen waarvan de duur van vijf
jaren nog niet is verstreken. Het gemiddelde risico zal
derhalve altijd een stuk hoger liggen dan het individuele risico van
deze startende werkgever.
Om deze reden moet voor
deze werkgever eveneens het individuele risico worden "opgehoogd" tot een periode van vijf jaren. Dit kan aan de
hand van de verhouding
van het totale gemiddelde risico en het gemiddelde risico van de
referteperiode waarin de werkgever bestond. Indien de referteperiode van een
werkgever feitelijk bijvoorbeeld nog maar één jaar omvat, wordt zijn
werkgeversrisicopercentage vermenigvuldigd met de verhouding tussen het
totale gemiddelde werkgeversrisicopercentage en het gemiddelde
werkgeversrisicopercentage van één jaar. Dit werkgeversrisicopercentage
is dan gedefinieerd als de uitkeringslasten die zijn opgekomen in het
laatste jaar van de referteperiode, gedeeld door de gemiddelde
premieplichtige loonsom van de referteperiode. Het gemiddelde
werkgeversrisicopercentage van één jaar betreft dus de instroom van één jaar,
het totale werkgeversrisicopercentage de instroom van vijf jaren.
Strikt genomen bestaat er
een verschil tussen een werkgever die in de jaren t-5, t-4 en t-2
werkgever was, maar in t-3 niet en een werkgever die in de jaren t-5, t-3 en
t-2 werkgever was, maar in t-4 niet. Hoewel beide werkgevers in drie van de
vijf voor de premiestelling in t relevante refertejaren werkgever
waren, zouden voor beide werkgevers verschillende correctiefactoren
berekend moeten worden. Dit zou echter leiden tot een zeer groot aantal
correctiefactoren voor de uitvoeringsinstellingen. Aangezien er in de
praktijk waarschijnlijk slechts een zeer gering verschil tussen beide bovenomschreven correctiefactoren zou optreden, is er
gemakshalve voor gekozen
dat slechts het aantal jaren dat een werkgever in de referteperiode
bestond relevant is voor de hoogte van de correctiefactor en niet de jaren waarin
deze bestond.
De hierboven genoemde
verhoudingsgetallen worden mutatis mutandis eveneens gehanteerd in de
aanvangsjaren na invoering van het systeem van premiedifferentiatie. Hierop wordt in
paragraaf
4.1 uitgebreid
ingegaan.
Ook voor
werkgevers
waarvoor om andere redenen de referteperiode niet volledig is, wordt
op overeenkomstige wijze het individuele risico vastgesteld.
b. Overgang van een
onderneming
Ook bij een overgang van
een onderneming worden afwijkende regels gesteld met betrekking
tot de berekening van de hoogte van de opslag of korting. Bij de
vaststelling of sprake is van een overgang van een onderneming wordt
aangesloten bij de definitie van een overgang conform artikel 662 van Boek
7 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek. Daarbij gaat het in hoofdzaak om twee
situaties.
In de eerste plaats kan
een werkgever zijn onderneming omzetten in een andere rechtspersoon.
Hierbij kan worden gedacht aan de omzetting van een eenmansbedrijf of commanditaire vennootschap in een
BV of NV De
werkgever als zodanig zet
de activiteiten voort, zij het in de vorm van een andere rechtspersoon.
Indien een dergelijke onderneming zou worden beschouwd als een nieuwe,
startende werkgever, zou dit betekenen dat geen rekening meer zou
worden gehouden met de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die deze werkgever in het
verleden heeft gegenereerd. Voor werkgevers die goed
hebben gepresteerd, zou dit een fors nadeel betekenen: zij krijgen
immers de korting die ze voorheen hadden niet langer doorberekend. Voor
werkgevers die slecht presteerden, zou dit een stimulans kunnen betekenen om de onderneming om te zetten en op deze
wijze de opslag te
ontlopen.
Om die reden is bepaald
dat indien een onderneming die geheel of gedeeltelijk overgaat naar een andere werkgever deze werkgever de
arbeidsongeschiktheidslasten
behorend bij deze onderneming krijgt doorberekend. De hoogte
van de opslag of korting wordt bepaald op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
die deze werkgever heeft gegenereerd vóór de omzetting. Op
deze wijze heeft de omzetting geen invloed op de hoogte van de opslag of
korting. Een zeer groot gedeelte van de omzettingen van ondernemingen heeft
betrekking op dit soort "gladde" omzettingen. Het is voor
de uitvoering meestal betrekkelijk eenvoudig om deze omzettingen vast te
stellen.
Bovenbeschreven methode
wordt eveneens gehanteerd bij een doorstartende werkgever.
Een werkgever die failliet gaat en vervolgens de activiteiten onder een andere naam voortzet, krijgt eveneens de oude
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen doorberekend. In dit soort gevallen is
het voor de uitvoering
moeilijker om te bepalen of sprake is van een doorstarter dan wel een
nieuwe werkgever. Toch kan ook in deze gevallen vaak worden vastgesteld
dat sprake is van een doorstartende werkgever, bijvoorbeeld aan de hand
van het personeelsbestand. Indien niet kan worden vastgesteld of
sprake is van een overgang van een onderneming, wordt de desbetreffende
werkgever beschouwd als een startende werkgever en wordt de gedifferentieerde premie vastgesteld conform de
regeling voor startende
werkgevers.
De tweede overgang van
een onderneming betreft de overname, splitsing dan wel fusie van ondernemingen. Ook voor deze overgangen
geldt het uitgangspunt
dat de oude arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden doorberekend aan
de nieuwe werkgever. Indien een werkgever een andere werkgever
overneemt, worden de uitkeringen van de overgenomen werkgever toegerekend aan
de overnemende werkgever. Neemt een werkgever een deel
van een andere werkgever over, dan zal deze toerekening naar rato van
de loonsom van de overgenomen werkgever dienen te geschieden. Bij
splitsing of fusie worden de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen eveneens naar rato van de
loonsommen van de oude onderdelen of werkgevers
toegerekend.
Indien sprake is van een
gedeeltelijke overgang van de onderneming, wordt voor de vaststelling van het werkgeversrisicopercentage de totale
last van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de oude werkgever die
nog ten laste komen van de Arbeidsongeschiktheidskas, toegerekend naar rato van het deel van de
loonsom dat wordt overgenomen op het moment van overname. Dit dient
ook in de jaren na de overname te worden berekend, steeds in
dezelfde naar-ratoverhouding, totdat er geen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
van de overgenomen werkgever meer ten laste van de
Arbeidsongeschiktheidskas komen. Dit betekent dat gedurende een aantal
jaren afzonderlijk zal moeten worden geadministreerd welke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de overgenomen
werkgever nog ten laste
van de Arbeidsongeschiktheidskas komen. Van deze totale last wordt
dan steeds eenzelfde deel toegerekend aan de overnemende werkgever als
op het moment van overname is vastgesteld.
Indien sprake is van een
gedeeltelijke overgang van de onderneming, wordt voor de vaststelling van het werkgeversrisicopercentage de totale
last van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de oude onderneming die nog ten laste komen
van de Arbeidsongeschiktheidskas, toegerekend naar rato van het deel
van de loonsom dat wordt overgenomen op het moment van overname. Op
het moment van overname wordt de arbeidsongeschiktheidslast
van de overnemende onderneming dus verhoogd met een deel van
de arbeidsongeschiktheidslasten van de overgenomen onderneming. Het gaat dan dus om de lasten in het jaar t-2.
De overgenomen werknemers
komen dan evenwel nog niet in de loonsom van de
overnemende onderneming voor. Teneinde het nieuwe werkgeversrisicopercentage
van de overnemende onderneming correct vast te stellen, moet ook
de loonsom van de overnemende onderneming in het jaar t-2 worden verhoogd. De loonsom van de overgenomen
onderneming in jaar t-2
wordt in dezelfde verhouding toebedeeld aan de loonsom van de
overnemende onderneming in jaar t-2.
De loonsom van de
overnemende onderneming moet derhalve op eenzelfde wijze als in het jaar van overname worden verhoogd met een
deel van de loonsom van
de overgenomen onderneming, totdat de werknemers van de
overgenomen onderneming feitelijk in de loonsom van de overnemende
onderneming zijn opgenomen. Dit betekent dat deze naar-ratotoedeling van
de loonsom alleen plaatsvindt in de periode voorafgaand aan de
overgang zelf. Daarna wordt immers uitgegaan van de actuele, feitelijke
loonsom van de overnemende onderneming.
Bij de vaststelling of
sprake is van een overgang van een onderneming wordt, zoals gezegd,
aangesloten bij de definitie van een overgang conform artikel 7:662 van
het Nieuw Burgerlijk
Wetboek. Op basis van dit artikel is een
omvangrijke jurisprudentie beschikbaar met betrekking tot de vraag wanneer sprake
is van een overgang van een onderneming.
Bij dit soort overgangen
moet de uitvoering bepalen welk deel van de lasten van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen moet worden toegerekend
aan de nieuwe werkgever(s). Veelal zal dit dienen te gebeuren op basis van een
naar-ratoberekening. Overgangen bij fusie, splitsing en overname zijn voor de
uitvoering in veel gevallen moeilijker vast te stellen en de doorberekening van
de lasten van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zal in deze gevallen
lastiger te bepalen zijn. De uitvoeringsinstellingen hebben in het kader van
de premiedifferentiatie in de Ziektewet evenwel enige ervaring
opgedaan met deze overgangen. In het uiterste geval, wanneer niet is
vast te stellen dat sprake is van een overgang, zal de nieuwe werkgever
worden beschouwd als een startende werkgever dan wel zijn oude arbeidsongeschiktheidsuitkeringen behouden.
De uitvoeringsinstelling
stelt bij een overgang van een onderneming de nieuwe gedifferentieerde
premie vast voor de nieuwe werkgever en houdt daarbij rekening met de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de oude werkgever(s). Dit kan in
overleg met en op aangeven van de werkgever zelf, zoals in het
verleden al vaak het geval was bij de premiedifferentiatie in de ZW bij omzetting
van een onderneming in een andere rechtsvorm. De uitvoeringsinstelling
kan ook zelf constateren dat sprake is van een overgang van een
onderneming en een nieuwe gedifferentieerde premie vaststellen, rekening
houdend met de oude arbeidsongeschiktheidslasten. Slechts in die gevallen
waarin het niet meer naar redelijkheid mogelijk is om lasten van de oude
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen toe te delen, zal de nieuwe werkgever
worden gezien als een startende werkgever.
De nieuwe premie zal
worden opgelegd vanaf het moment van de overgang van de onderneming.
Het is onmogelijk
gebleken om alle overgangen te traceren die hebben plaatsgevonden vanaf
1 januari 1993. Om deze reden is in de Pemba
bepaald dat slechts die
overgangen moeten worden meegenomen in de berekening van de
gedifferentieerde premie die plaatsvinden na ingang van de Pemba.
c. Terugkerende werkgever
Een werkgever die
eigenrisicodrager wordt, neemt zijn arbeidsongeschiktheidslasten mee. Het is immers niet gewenst dat lasten
op het collectief kunnen
worden afgewenteld. Een werkgever die terugkeert in het
publieke stelsel blijft zelf verantwoordelijk voor de lasten van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die hij heeft gegenereerd tijdens het
eigenrisicodragerschap. Op deze wijze wordt mogelijke afwenteling op het
collectief eveneens voorkomen. Indien een werkgever de lasten van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die hij heeft gegenereerd tijdens zijn
eigenrisicodragerschap, zou kunnen meenemen naar het publieke stelsel,
zou een kleine werkgever bij voorbeeld eigenrisicodrager kunnen worden en zich
niet verzekeren. Zolang geen sprake is van een
arbeidsongeschikte werknemer in zijn bedrijf zou hij derhalve geen kosten hebben. Op
het moment dat hij voorziet dat een werknemer arbeidsongeschikt raakt,
zou hij terug kunnen keren in het publieke stelsel en daar de bescherming
van de maximumpremie genieten. Op deze wijze zou hij altijd kunnen profiteren van de maximumpremie, terwijl hij
jarenlang geen
minimumpremie heeft betaald. Er zou met andere woorden toch weer
afwenteling op het collectief kunnen plaatsvinden. Hetzelfde, zij het in
mindere mate, zou kunnen optreden bij grote werkgevers.
Een werkgever die
terugkeert naar het publieke stelsel blijft om bovengenoemde reden verantwoordelijk voor zijn
arbeidsongeschiktheidslasten
die vóór terugkeer zijn gegenereerd. De gedifferentieerde premie die deze werkgever wordt
toegekend, wordt bij zijn terugkeer bepaald op basis van een individueel
werkgeversrisicopercentage van 0%.
Indien
ten slotte een
niet-eigenrisicodragende werkgever de onderneming van een
eigenrisicodragende werkgever overneemt, worden de
lasten van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die de eigenrisicodrager
heeft gegenereerd eveneens niet meegenomen naar het publieke stelsel. De overnemende
niet-eigenrisicodragende werkgever zal deze lasten zelf moeten dragen.
Hoofdstuk 3.
Sturingsinstrumenten
3.1. Noodzaak tot
onderscheid grote en kleine werkgevers
Ten aanzien van de
maximum- en minimumpremie die in het systeem van premiedifferentiatie
worden gehanteerd, zal onderscheid worden gemaakt naar grootte van
de werkgever. Voor kleine werkgevers zal een andere maximum- en
minimumpremie worden vastgesteld dan voor grote werkgevers.
De reden om voor kleine
werkgevers een andere maximum- en minimumpremie vast te stellen dan voor grote werkgevers is gelegen in
het verschil in
risicoprofiel dat beide categorieën werkgevers hebben. Kleine werkgevers hebben
veelal gedurende een lange periode geen enkele werknemer die
arbeidsongeschikt wordt in de zin van de WAO, zij hebben derhalve doorgaans
een werkgeversrisicopercentage van 0%. In het geval echter één
werknemer recht krijgt op een WAO-uitkering zal het werkgeversrisicopercentage
van een kleine werkgever in één keer (zeer) hoog worden. Slaagt de
werkgever (of de uitvoeringsinstelling) er niet in deze arbeidsongeschikte
werknemer te reïntegreren, dan houdt de kleine werkgever gedurende vijf
jaren dit hoge risico. De mogelijkheden voor een kleine werkgever om
een arbeidsongeschikte werknemer te reïntegreren in de eigen onderneming
zijn geringer dan voor een grote werkgever. Een kleine
werkgever zal daarom afhankelijker zijn van de inspanningen van anderen
om deze werknemer elders te reïntegreren.
Een grote werkgever kent
een veel stabieler risicoprofiel. Deze categorie werkgevers wordt nagenoeg
ieder jaar wel geconfronteerd met werknemers die
arbeidsongeschikt worden. Een werkgeversrisicopercentage van 0%, alsmede extreem
hoge werkgeversrisicopercentages zullen voor deze
werkgevers eerder uitzondering als regel vormen.
Het verschil in de
gevolgen bij arbeidsongeschiktheid van één werknemer voor de hoogte
van de premie voor werkgevers kan als volgt worden aangetoond. Stel
dat de invalideringsfrequentie 1% is en dat deze onafhankelijk is van de
omvang van de onderneming. Een werkgever met 100 werknemers heeft dan
gemiddeld per jaar 1 arbeidsongeschikte werknemer. Honderd
werkgevers met elk 1 werknemer hebben gemiddeld ook 1 arbeidsongeschikte
werknemer. Er zijn dan echter 99 werkgevers zonder een
arbeidsongeschikte werknemer en maar 1 werkgever met 1 arbeidsongeschikte
werknemer.
De gevolgen van het
ontstaan van één arbeidsongeschikte voor het werkgeversrisicopercentage
en de premie zijn ook afhankelijk van de omvang van de werkgever.
In onderstaande tabel is de samenhang weergegeven tussen de
premie en de omvang van een werkgever waar eenmalig een volledig
arbeidsongeschikte werknemer ontstaat. Hierbij is verondersteld dat
gedurende vijf volle kalenderjaren de jaarlijkse lasten gelijk zijn aan 70% van
het gemiddelde premieplichtige loon van die werkgever en dat de
werkgever daarvoor een werkgeversrisicopercentage van 0% had. Bovendien is
verondersteld dat de werkgever de vrijgekomen arbeidsplaats weer bezet en dat er geen minimum- en maximumpremies
zijn.
Tabel 2. De relatie
tussen ondernemingsgrootte en de te betalen premie bij een eenmalig opkomen van
één arbeidsongeschikte werknemer in jaar 1:
| |
Premie
in procenten |
| xAantal werknemers |
Eerste 2 jaren |
5
daaropvolgende jaren |
| x1 |
0,00%xxxxxxxx |
70,00%xxxxxxxx |
| x5 |
0,00%xxxxxxxx |
14,00%xxxxxxxx |
| x10 |
0,00%xxxxxxxx |
7,00%xxxxxxxx |
| x20 |
0,00%xxxxxxxx |
3,50%xxxxxxxx |
| x50 |
0,00%xxxxxxxx |
1,40%xxxxxxxx |
| x100 |
0,00%xxxxxxxx |
0,70%xxxxxxxx |
| x250 |
0,00%xxxxxxxx |
0,35%xxxxxxxx |
| x500 |
0,00%xxxxxxxx |
0,14%xxxxxxxx |
| x750 |
0,00%xxxxxxxx |
0,09%xxxxxxxx |
| x1000 |
0,00%xxxxxxxx |
0,007%xxxxxxxx |
In de eerste twee jaren
is er nog geen sprake van een toename van de premie, omdat de referteperiode niet samenvalt met de periode waarin de
te betalen arbeidsongeschiktheidslasten zijn ontstaan. In de vijf daaropvolgende
jaren is de premie voor
een werkgever met 5 werknemers 14,00%. Voor een werkgever met 50
werknemers bedraagt de premie onder de geschetste omstandigheden
1,40%.
Van belang is dan hoe de
risicoverdeling van werkgevers feitelijk is, met andere woorden hoeveel
werkgevers zeer hoge dan wel zeer lage risico’s hebben. De werkgevers
zijn ingedeeld naar hun omvang en naar hun werkgeversrisicopercentage.
De verdeling van
werkgeversrisicopercentages naar de grootte van de werkgever op basis van
het aantal werkgevers is in onderstaande tabel gepresenteerd. Per grootteklasse is het aantal werkgevers naar het
werkgeversrisicopercentage weergegeven, alsmede het procentuele aandeel van het aantal
werkgevers van de desbetreffende grootteklasse in een risicoklasse. Tussen
haakjes is het aandeel van het totale aantal werkgevers in een
grootteklasse ten opzichte van het totale aantal werkgevers weergegeven.
De gepresenteerde
risicoverdeling betreft de werkgevers die zijn ingedeeld bij de destijds
bij het GAK [zie UWV GAK, red.] aangesloten bedrijfsverenigingen. Analyse van de gegevens
van andere bedrijfsverenigingen leverde geen afwijkend beeld op van de
GAK-bedrijfsverenigingen. Om deze reden is in
de hierna volgende
analyses steeds uitgegaan van het cijfermateriaal van deze
bedrijfsverenigingen.
Tabel 3. De verdeling van
de werkgeversrisicopercentages naar de grootte van de onderneming op
basis van het aantal werkgevers:
| Ao-risico |
<15
werknemers |
15
- 99
werknemers |
100
- 499
werknemers |
>500
werknemers |
Totaal |
0
x gem.
percentage: |
133t659 |
93,5% |
10t576 |
53,2% |
269 |
9,7% |
2 |
0,4% |
144t506 |
0
- 1
x gem.
percentage: |
5 |
0,0% |
7 |
0,0% |
1t581 |
56,9% |
344 |
64,1% |
1 937 |
1
- 2
x gem.
percentage: |
2
618 |
1,8% |
7 086 |
35,6% |
551 |
19,8% |
170 |
31,7% |
10 425 |
2
- 3
x gem.
percentage: |
23 |
0,0% |
0 |
0,0% |
254 |
9,1% |
16 |
3,0% |
293 |
3
- 4
x gem.
percentage: |
1 |
0,0% |
45 |
0,2% |
70 |
2,5% |
3 |
0,6% |
119 |
>4
x gem.
percentage:
|
6
711 |
4,7% |
2 166 |
10,9% |
54 |
1,9% |
2 |
0,4% |
8 933 |
Totaal:
|
143 017 |
(86,0%) |
19
880 |
(12,0%) |
2t779 |
(1,7%) |
537 |
(0,3%) |
166 213 |
Er zijn in het GAK-bestand ruim 166 000 werkgevers; het grootste deel, zo’n 143 000 (86% van
het totale aantal werkgevers), heeft minder dan 15 werknemers. Van deze kleine werkgevers heeft ruim 133 000 (93,5% van
het totale aantal
werkgevers met minder dan 15 werknemers) een werkgeversrisicopercentage
van 0%, zo’n 7000 werkgevers (4,7% van het totale aantal werkgevers
met minder dan 15 werknemers) hebben een extreem hoog
werkgeversrisicopercentage en zo’n 3000 werkgevers (1,8%) hebben een
bovengemiddeld werkgeversrisicopercentage, dat wil zeggen een
werkgeversrisicopercentage dat groter is dan 1 x het gemiddelde percentage.
Voor de allergrootste
werkgevers, dat zijn werkgevers met meer dan 500 werknemers, vertoont de
verdeling veel minder uitschieters. Van de 537 grote werkgevers (0,3%
van het totale aantal werkgevers) heeft ruim de helft (64,1%) een werkgeversrisicopercentage dat kleiner is dan het
gemiddelde; slechts 2
werkgevers hebben een werkgeversrisicopercentage van 0%. Er zijn 170
werkgevers (31,7%) met een werkgeversrisicopercentage dat ligt tussen eenmaal
en tweemaal het gemiddelde percentage en de overige
hebben een hoger werkgeversrisicopercentage.
Er zijn bijna 2800
werkgevers met meer dan 100 en minder dan 500 werknemers. De verdeling
van de werkgeversrisicopercentages van deze werkgevers vertoont
sterke overeenkomsten met die van de allergrootste werkgevers. De verdeling
van de werkgeversrisicopercentages van de werkgevers met 15 of meer
maar minder dan 100 heeft karakteristieken van zowel die van de
kleine als die van de grote werkgevers.
Op basis van het
bovenstaande kan het volgende worden geconcludeerd. Voor kleine werkgevers
dient in ieder geval een maximumpremie te worden bepaald. Zonder
een dergelijke maximering zouden de premies voor kleine werkgevers
onacceptabel hoog worden. Bovendien kan worden geconstateerd dat
kleine werkgevers nagenoeg altijd de maximumpremie
verschuldigd zullen zijn indien één werknemer arbeidsongeschikt wordt. Ook voor grote
werkgevers zal een maximumpremie worden bepaald. Deze kan hoger worden vastgesteld dan voor kleine
werkgevers en dient
bovendien slechts om extreem hoge premies als gevolg van calamiteiten
te voorkomen. Uit de risicoverdeling blijkt immers dat grote
werkgevers in de regel geen extreem hoge risico’s hebben.
Van belang is dan nog
waar de grens tussen grote en kleine werkgevers wordt gelegd. Hierop zal
worden ingegaan in paragraaf 3.4.
3.2. Maximumpremie
Het algemene uitgangspunt
bij het vaststellen van de hoogte van de maximumpremie moet zijn
dat zo weinig mogelijk werkgevers tegen dit maximum aanlopen. Het
bereiken van de maximumpremie neemt immers de prikkel om een goed
beleid te voeren voor een deel weg. Dit algemene uitgangspunt dient echter
te worden afgewogen tegen de randvoorwaarde dat de premie voor
alle werkgevers op een acceptabel en betaalbaar niveau moet
blijven.
Aangezien de ontwikkeling
van het arbeidsongeschiktheidsvolume, en daarmee deels de WAO-premie, in absolute termen geen constante is, is
het daarnaast niet
wenselijk de hoogte van de maximumpremie te definiëren als een
absoluut premiepercentage. Gekozen is daarom voor een maximumpremie die is
gerelateerd aan het gemiddelde percentage.
Het gemiddelde percentage
ondergaat, zoals eerder gesteld, geen wijziging als gevolg van
de opslagen of kortingen. Het relateren van de maximumpremie aan het
gemiddelde percentage betekent dat de maximumpremie direct
vastligt.
a. Kleine werkgevers
Kleine werkgevers kennen,
zoals gezegd, ofwel een werkgeversrisicopercentage van 0%, ofwel een zeer
hoog werkgeversrisicopercentage. Zonder een minimum- en
een maximumpremie zou een werkgever jarenlang een premie van
0% verschuldigd zijn, om ineens bij de arbeidsongeschiktheid van
één werknemer een zeer hoge gedifferentieerde premie in rekening
gebracht te zien worden. Met name kleine werkgevers missen de
financiële draagkracht om gedurende een aantal jaren geconfronteerd te
worden met een zeer forse stijging van de loonkosten.
Gezien de hoogte van het
werkgeversrisicopercentage van een kleine werkgever bij arbeidsongeschiktheid van één werknemer zal een kleine
werkgever, ongeacht de hoogte van de maximumpremie, vrijwel altijd tegen deze grens
aanlopen. De maximumpremie moet op een zeer hoog niveau worden gelegd, wil
dit niet in overwegende mate het geval zijn. Dit houdt in dat de hoogte
van de maximumpremie voor kleine werkgevers vooral wordt bepaald door
het niveau dat als acceptabel en betaalbaar wordt beschouwd.
Bovenstaande betekent dat
het uitgangspunt dat zo weinig mogelijk werkgevers worden geconfronteerd met de maximumpremie voor kleine
werkgevers feitelijk van
minder belang is. Ongeacht de hoogte van de maximumpremie worden zij
hiermee geconfronteerd als zich één geval van arbeidsongeschiktheid
voordoet. In tabel 3 is aangetoond dat nagenoeg evenveel kleine
werkgevers de maximumpremie verschuldigd zijn bij een
maximumpremie van driemaal het gemiddelde percentage als bij een maximumpremie van
viermaal het gemiddelde percentage. Een maximumpremie van viermaal het gemiddelde percentage heeft derhalve
geen extra prikkelwerking
om een goed preventie- en reïntegratiebeleid te voeren. Voorts wordt het
verschil tussen de minimum- en maximumpremie voor kleine werkgevers te
hoog in het licht van de randvoorwaarde van een betaalbare
premie. Een maximumpremie van viermaal het gemiddelde percentage
is derhalve niet wenselijk.
Bij een maximumpremie van
tweemaal het gemiddelde percentage daarentegen wordt de bandbreedte tussen minimum- en maximumpremie
erg gering. Hiervan zou
naar de mening van het kabinet een te geringe prikkelwerking
uitgaan naar kleine werkgevers.
De hoogte van de
maximumpremie voor kleine werkgevers bedraagt op basis van bovenstaande
afweging driemaal het gemiddelde percentage.
b. Grote werkgevers
Grote werkgevers kennen,
zoals gezegd, een veel stabieler arbeidsongeschiktheidsprofiel.
Dit betekent dat er nauwelijks werkgevers zijn die een werkgeversrisicopercentage van 0% hebben en dat daarnaast
extreem hoge werkgeversrisicopercentage’s eveneens een uitzondering vormen. Meer dan voor
kleine werkgevers geldt voor grote werkgevers dat, áls zij slechter
presteren dan andere grote werkgevers, dit kan worden verklaard als gevolg van
factoren waar een werkgever invloed op heeft.
Dit betekent dat het
uitgangspunt dat zo weinig mogelijk werkgevers met de maximumpremie
worden geconfronteerd voor grote werkgevers wel gehanteerd kan worden
in samenhang met een acceptabele en betaalbare premie. Voor
grote werkgevers kan ook een hogere maximumpremie worden vastgesteld dan
voor kleine werkgevers. Op deze wijze zullen minder grote
werkgevers de maximumpremie verschuldigd zijn. Uit tabel 3
blijkt dat
nagenoeg geen enkele werkgever van meer dan 500 werknemers een
arbeidsongeschiktheidsrisico heeft dat groter is dan viermaal het gemiddelde
percentage. Ook van de werkgevers tussen 100 en 500 werknemers heeft slechts een zeer gering aantal een zo hoog
werkgeversrisicopercentage.
Om deze reden is een maximumpremie van viermaal het gemiddelde
percentage voor grote werkgevers acceptabel. Als gevolg hiervan zullen
slechts zeer weinig grote werkgevers de maximumpremie
doorberekend krijgen, terwijl daarnaast toch een bescherming wordt geboden
tegen extreme calamiteiten.
3.3. Minimumpremie
Ook de hoogte van de
minimumpremie dient te verschillen als gevolg van de consequenties die
een minimumpremie heeft voor grote en kleine werkgevers. Dit heeft een
directe relatie met de wijze van bekostiging van de maximumpremie en het
gedrag van werkgevers met betrekking tot de keuze tot eigen risico
dragen. De keuze met betrekking tot de wijze van bekostiging, en daarmee
samenhangend de hoogte van de minimumpremie, dient derhalve optimaal
voor alle werkgevers te worden bepaald. Dit betekent dat de
kosten van de maximumpremie voor kleine werkgevers gedragen
moeten worden door kleine werkgevers en dat de kosten van de
maximumpremie voor grote werkgevers door grote werkgevers moeten worden
opgebracht.
a. Kleine werkgevers
Kleine werkgevers hebben,
zoals gezegd, het kenmerk dat deze gedurende een lange periode een werkgeversrisicopercentage van 0%
kunnen hebben. Zonder een minimumpremie zou dit risicoprofiel ertoe kunnen leiden dat deze
werkgevers een zeer lage premie verschuldigd zouden zijn. In het geval
zich echter één geval van arbeidsongeschiktheid voordoet, loopt een kleine
werkgever in de meeste gevallen direct tegen de maximumpremie aan.
Als gevolg van het feit
dat kleine werkgevers in de meeste gevallen de maximumpremie verschuldigd zijn bij arbeidsongeschiktheid van één
werknemer, komen er
minder premieopbrengsten binnen dan zonder de maximumpremie het geval
zou zijn. Een minimumpremie van 0% voor kleine werkgevers zou
betekenen dat zeer veel kleine werkgevers geen premieopbrengsten zouden
genereren. De premiederving als gevolg van de maximumpremie voor
kleine werkgevers zou dan gefinancierd moeten worden door middel van
een stijging van het rekenpercentage. In dat geval zouden grote werkgevers hieraan eveneens moeten meebetalen. Dit
laatste is zoals gezegd ongewenst. Daarom geldt voor kleine werkgevers, naast de maximumpremie,
een minimumpremie, die hoger is dan 0%.
De hoogte van de
minimumpremie wordt als volgt bepaald. Voor kleine werkgevers wordt als
uitgangspunt gehanteerd dat de kosten boven de maximumpremie worden opgebracht door de minimumpremie. De
introductie van een
maximumpremie heeft immers tot gevolg dat er minder premie wordt
betaald dan zonder deze maximumpremie het geval zou zijn geweest. De
totale kosten van de premiederving, met andere woorden de kosten boven de
maximumpremie die betrekking heeft op kleine werkgever, moeten worden opgebracht door de overige kleine
werkgevers. Aangezien
deze nagenoeg in alle gevallen ofwel een risico hebben dat boven het
maximum ligt, ofwel een risico van 0%, betekent dit dat de kosten boven de
maximumpremie moeten worden opgebracht door de minimumpremie,
rekening houdend met de opbrengsten als gevolg van de stijging
van het rekenpercentage ter dekking van de kosten van de maximumpremie voor
grote werkgevers. De hoogte van de minimumpremie wordt
derhalve zodanig vastgesteld dat de kosten van de maximumpremie van kleine
werkgevers worden gedekt. Op deze wijze ondergaat het
rekenpercentage als gevolg van de maximum- en minimumpremie voor kleine
werkgevers geen wijziging.
Voor kleine werkgevers
zal een hogere minimumpremie dan 0% meestal geen reden zijn om
eigenrisicodrager te worden. Immers, als een kleine werkgever besluit om
eigenrisicodrager te worden, zal hij zich nagenoeg altijd particulier willen
verzekeren. Ook particuliere verzekeraars hanteren een hogere minimumpremie
dan 0%.
b. Grote werkgevers
Voor grote werkgevers is
de maximumpremie zodanig bepaald dat nagenoeg geen grote werkgevers deze premie verschuldigd zullen zijn.
Daarnaast heeft nagenoeg
geen enkele grote werkgever een werkgeversrisicopercentage van 0%. Indien een grote
werkgever een zeer laag werkgeversrisicopercentage
heeft, is dit eerder het gevolg van een goed gevoerd beleid dan van
"toevalsfactoren". Immers, indien in een bepaalde sector een grote
werkgever bijvoorbeeld een werkgeversrisicopercentage heeft van 0,5%, terwijl
vergelijkbare werkgevers een hoger werkgeversrisicopercentage
hebben, kan dit verschil meestal niet worden verklaard uit het feit
dat één werknemer arbeidsongeschikt is geworden.
Ten aanzien van grote
werkgevers ligt een lage minimumpremie derhalve meer voor de hand. Bovendien zullen de kosten boven de
maximumpremie voor grote
werkgevers relatief gering zijn, aangezien de maximumpremie voor grote
werkgevers zodanig is gekozen dat slechts zeer weinig werkgevers
hier tegenaan lopen.
Om deze redenen wordt de
minimumpremie voor grote werkgevers gesteld op 0%. Dit betekent dat de kosten boven de maximumpremie van
grote werkgevers wél uit
het rekenpercentage moeten worden gefinancierd. De stijging van het
rekenpercentage als gevolg van de maximumpremie van grote werkgevers is
echter zeer gering.
Op deze wijze geldt ook
voor grote werkgevers dat de premiestelling in het systeem van premiedifferentiatie niet doorslaggevend is met
betrekking tot de keuze
om eigenrisicodrager te worden. Een hogere minimumpremie zou deze
keuze wel kunnen beïnvloeden. Werkgevers die een lager risico hebben
dan deze minimumpremie zouden dan voordeel kunnen behalen door
eigenrisicodrager te worden. Dit zou weer gevolgen hebben voor het
gemiddelde percentage, waardoor een vlucht van grote werkgevers richting het
eigenrisicodragerschap zou kunnen optreden.
In paragraaf 2.2.2 is
gesteld dat voor grote werkgevers in geval van een herziening van een
uitkering een negatieve premie kan ontstaan. Deze situatie vormt de enige
uitzondering op het stellen van een minimumpremie van 0% voor grote
werkgevers. Indien geen minimumpremie van 0% zou worden gesteld, zou
ook in andere situaties een negatieve premie kunnen optreden. Dit zou
het geval zijn als het gemiddelde werkgeversrisicopercentage hoger is dan het
gemiddelde percentage en een individuele werkgever
geen of zeer lage arbeidsongeschiktheidslasten zou hebben. Een voorbeeld
moge dit verduidelijken. Stel het gemiddelde werkgeversrisicopercentage
is 3%; het gemiddelde percentage is 2%. Een werkgever heeft in de
referteperiode geen arbeidsongeschiktheidslasten gegenereerd. Zijn korting
zou dan -3% bedragen. Zijn gedifferentieerde premie zou dan -1%
worden. In deze situaties is een negatieve premie echter niet wenselijk. De
mogelijkheid van een negatieve premie betreft dus slechts de uitzonderingssituatie wanneer sprake is van een herziening
van een uitkering.
3.4. De grens tussen
grote en kleine werkgevers
Eerder in deze
toelichting is al aangegeven dat werkgevers met minder dan 15 werknemers
als kleine werkgevers moeten worden beschouwd. Tevens is
aangetoond dat werkgevers met meer dan 100 werknemers als groot
kunnen worden aangemerkt. Van belang is dan bij welke categorie
werkgevers met meer dan 15 maar minder dan 100 werknemers worden
ingedeeld.
Met een veronderstelling
omtrent invalideringsfrequenties en het cijfermateriaal van de bij het GAK aangesloten bedrijfsverenigingen kan
een kansverdeling van de werkgeversrisicopercentages voor elke ondernemingsgrootte
worden berekend. Op basis van zo’n kansverdeling van
werkgeversrisicopercentages kan worden bepaald welke werkgevers bij verschillende grenzen
tussen klein en groot een werkgeversrisicopercentage hebben dat hoger is dan
de maximumpremie. Hierna wordt eerst de berekening van
bovengenoemde kansverdeling en de resultaten van die berekening
beschreven. Daarna wordt ingegaan op de hoogte van verschillende maximumpremies in samenhang met de grens tussen kleine
en grote werkgevers.
De berekening van de
kansverdeling van werkgeversrisicopercentages naar ondernemingsgrootte
Verondersteld wordt een
invalideringsfrequentie van 1%; deze komt overeen met de huidige
invalideringsfrequentie. Een werkgever met 100 werknemers heeft bij deze
invalideringsfrequentie gemiddeld één arbeidsongeschikte
werknemer per jaar en dus 5 arbeidsongeschikten in de referteperiode. Er is
verondersteld dat de invalideringsfrequentie niet samenhangt met de omvang
van de werkgever, met andere woorden een heel kleine werkgever
heeft dezelfde invalideringsfrequentie als een heel grote werkgever.
Vervolgens is verondersteld dat de financiële component van het werkgeversrisicopercentage (met andere woorden de uitkeringslasten)
niet verschilt tussen
werkgevers, met andere woorden één arbeidsongeschikte
werknemer kost in iedere werkgever evenveel. In onderstaande tabel is de
kansverdeling van de werkgeversrisicopercentages voor een aantal
werkgevers van verschillende omvang gepresenteerd. De
werkgeversrisicopercentages zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de grenzen tussen deze klassen zijn gerelateerd aan het
gemiddelde werkgeversrisicopercentage. De tabel geeft met andere woorden aan hoe groot de
kans is voor een werkgever met het weergegeven aantal werknemers op een
bepaald werkgeversrisicopercentage over de referteperiode
van vijf jaar.
Tabel 4. De kansverdeling
naar ondernemingsgrootte voor een werkgever (%-punt):
|
xAantal
xwerknemers |
0
x gem.
ao-risico |
0
- 1 x gem.
ao-risico |
1
- 2 x gem.
ao-risico |
2
- 3 x gem.
ao-risico |
3
- 4 x gem.
ao-risico |
>4 x gem.
ao-risico |
| x1 |
95,1xx |
0,0xx |
0,0xx |
0,0xx |
0,0xx |
4,9xx |
| x2 |
90,4xx |
0,0xx |
0,0xx |
0,0xx |
0,0xx |
9,6xx |
| x3 |
86,0xx |
0,0xx |
0,0xx |
0,0xx |
0,0xx |
14,0xx |
| x4 |
81,8xx |
0,0xx |
0,0xx |
0,0xx |
0,0xx |
18,2xx |
| x5 |
77,8xx |
0,0xx |
0,0xx |
0,01xx |
9,6xx |
2,6xx |
| x6 |
74,0xx |
0,0xx |
0,0xx |
0,0xx |
22,4xx |
3,6xx |
| x7 |
70,3xx |
0,0xx |
0,0xx |
24,9xx |
0,0xx |
4,8xx |
| x8 |
66,9xx |
0,0xx |
0,0xx |
27,0xx |
0,0xx |
6,1xx |
| x9 |
63,6xx |
0,0xx |
0,0xx |
28,9xx |
0,0xx |
7,5xx |
| x10 |
60,5xx |
0,0xx |
30,6xx |
0,0xx |
7,6xx |
1,4xx |
| x11 |
57,5xx |
0,0xx |
32,0xx |
0,0xx |
8,7xx |
1,8xx |
| x12 |
54,7xx |
0,0xx |
33,2xx |
0,0xx |
9,9xx |
2,2xx |
| x13 |
52,0xx |
0,0xx |
34,2xx |
0,0xx |
11xx |
2,8xx |
| x14 |
49,5xx |
0,0xx |
35,0xx |
12,2xx |
0,0xx |
3,3xx |
| x15 |
47,1xx |
0,0xx |
35,7xx |
13,3xx |
3,3xx |
0,7xx |
| x16 |
44,8xx |
0.0xx |
36,2xx |
14,4xx |
3,8xx |
0,9xx |
| x17 |
42,6xx |
0.0xx |
36,5xx |
15,5xx |
4,3xx |
1,1xx |
| x18 |
40,5xx |
0.0xx |
36,8xx |
16,5xx |
4,9xx |
1,3xx |
| x19 |
38,5xx |
0.0xx |
36,9xx |
17,5xx |
5,5xx |
1,6xx |
| x20 |
36,6xx |
3,.0xx |
18,5xx |
6,1xx |
1,5xx |
0,3xx |
| |
|
|
|
|
|
|
|
x30 |
22,2xx |
33,6xx |
37,8xx |
4,7xx |
1,7xx |
0,1xx |
| x40 |
13,4xx |
54,3xx |
27,2xx |
4,8xx |
0,4xx |
0,0xx |
| x50 |
8,1xx |
46,2xx |
41,6xx |
3,7xx |
0,4xx |
0,0xx |
| x60 |
4,9xx |
59,8xx |
32,0xx |
3,2xx |
0,1xx |
0,0xx |
| x70 |
3,0xx |
50,6xx |
43,8xx |
2,5xx |
0,1xx |
0,0xx |
| x80 |
1,8xx |
61,1xx |
35,0xx |
2,1xx |
0,0xx |
0,0xx |
| x90 |
1,1xx |
52,1xx |
45,2xx |
1,6xx |
0,0xx |
0,0xx |
| x100 |
0,7xx |
60,9xx |
37,1xx |
1,3xx |
0,0xx |
0,0xx |
Uit de tabel blijkt dat
grotere werkgevers een kleinere kans op een werkgeversrisicopercentage
van 0% hebben dan kleinere werkgevers. De kans dat werkgevers met 2 werknemers een werkgeversrisicopercentage van 0% heeft, is 90%; dit percentage daalt tot zo’n 60% voor werkgevers
met 10 werknemers en tot
zo’n 5% voor werkgevers met 60 werknemers.
Door de hoogte van de
werkgeversrisicopercentages voor met name de kleine werkgevers heeft
de bovenkant van de verdeling een gekarteld verloop. Als zich één arbeidsongeschikte werknemer voordoet is het
werkgeversrisicopercentage
voor een werkgever met 1, 2, 3 of 4 werknemers direct groter
dan viermaal het gemiddelde werkgeversrisicopercentage. In bovenstaande tabel
komt dit tot uitdrukking doordat de kansen op een
werkgeversrisicopercentage dat groter is dan 0% en kleiner dan viermaal het
gemiddelde, voor deze werkgevers gelijk is aan 0%. Omdat de kans op een werkgeversrisicopercentage van 0% daalt
naarmate de werkgever
groter is, is de kans dat een werkgever met 2, 3 of 4 werknemers een
werkgeversrisicopercentage heeft van meer dan viermaal het gemiddelde
werkgeversrisicopercentage groter dan die van een werkgever met één werknemer.
Voor een werkgever met 5
werknemers is het werkgeversrisicopercentage als zich één arbeidsongeschikte voordoet bij de gehanteerde
veronderstellingen
precies viermaal het gemiddelde werkgeversrisicopercentage. De kans dat deze situatie
zich voordoet is voor een werkgever met 5 werknemers volgens
bovenstaande tabel 19,6%. De kans dat een werkgever met 5
werknemers meer dan één arbeidsongeschikte heeft, en dus een werkgeversrisicopercentage heeft dat veel groter is dan
viermaal
het gemiddelde, is volgens bovenstaande tabel 2,6%. Dit verklaart de sprong in de bovenkant
van de in tabel 4 gepresenteerde verdeling van werkgeversrisicopercentages
als een werkgever van 5 werknemers wordt vergeleken met een
werkgever van 4 werknemers. De overige sprongen in de verdeling van de
werkgeversrisicopercentages kunnen op analoge wijze worden verklaard.
Hoe groter de werkgever is die wordt beschouwd, des te gelijkmatiger de
kansverdeling is en hoe kleiner de kans is dat een werkgever een risico
heeft dat groter is dan driemaal en viermaal het gemiddelde
werkgeversrisicopercentage.
Op basis van de in
bovenstaande tabel gepresenteerde kansverdeling van werkgeversrisicopercentages naar ondernemingsgrootte kan voor
elke ondernemingsgrootte
worden bepaald welk aandeel van de werkgevers gemiddeld genomen een werkgeversrisicopercentage heeft
dat groter is dan de
maximumpremie. Deze aandelen zijn in onderstaande tabel gepresenteerd,
uitgedrukt als percentages. De tabel dient als volgt te worden gelezen: 4,90% van
de werkgevers met één werknemer heeft gemiddeld genomen een
werkgeversrisicopercentage dat groter is dan de maximumpremie van
tweemaal het gemiddelde percentage, terwijl dit voor 6,50% van de werkgevers met 30 werknemers geldt. Omdat de
resultaten van
bovenstaande tabel [onderstaande tabel, red.] zijn gebaseerd op die van
tabel 4, neemt het percentage
werkgevers dat gemiddeld genomen een werkgeversrisicopercentage
heeft dat groter is dan een maximumpremie niet iedere keer af als
een grotere werkgever in ogenschouw wordt genomen. Dit hangt samen
met de grootte van de werkgeversrisicopercentages voor met name kleine
werkgevers en het gekartelde verloop van de kansverdeling op
een werkgeversrisicopercentage van deze werkgevers.
Tabel 5. Het percentage
werkgevers naar ondernemingsgrootte dat gemiddeld genomen een
arbeidsongeschiktheidsrisico heeft dat hoger is dan de maximumpremie:
xAantal
xwerknemers |
Maximum-
premie
tweemaal
gem. premie |
Maximum-
premie
driemaal
gem. premie |
Maximum-
premie
viermaal
gem. premie |
| x1 |
4,9xxxxxx |
4,9xxxxxx |
4,9xxxxxx |
| x2 |
9,6xxxxxx |
9,6xxxxxx |
9,6xxxxxx |
| x3 |
1,0xxxxxx |
14,0xxxxxx |
14,0xxxxxx |
| x4 |
18,2xxxxxx |
18,2xxxxxx |
18,2xxxxxx |
| x5 |
22,2xxxxxx |
22,2xxxxxx |
22,2xxxxxx |
| x6 |
26,0xxxxxx |
26,0xxxxxx |
26,0xxxxxx |
| x7 |
29,7xxxxxx |
4,8xxxxxx |
4,8xxxxxx |
| x8 |
33,1xxxxxx |
6,1xxxxxx |
6,1xxxxxx |
| x9 |
36,4xxxxxx |
7,5xxxxxx |
7,5xxxxxx |
| x10 |
8,9xxxxxx |
8,9xxxxxx |
1,4xxxxxx |
| x11 |
10,5xxxxxx |
10,5xxxxxx |
1,8xxxxxx |
| x12 |
12,1xxxxxx |
12,1xxxxxx |
2,2xxxxxx |
| x13 |
13,8xxxxxx |
13,8xxxxxx |
2,8xxxxxx |
| x14 |
15,5xxxxxx |
3,3xxxxxx |
3,3xxxxxx |
| x15 |
17,3xxxxxx |
4,0xxxxxx |
4,0xxxxxx |
| x16 |
19,1xxxxxx |
4,7xxxxxx |
0,9xxxxxx |
| x17 |
20,9xxxxxx |
5,4xxxxxx |
1,1xxxxxx |
| x18 |
22,7xxxxxx |
6,2xxxxxx |
1,3xxxxxx |
| x19 |
24,6xxxxxx |
7,0xxxxxx |
1,6xxxxxx |
| x20 |
7,9xxxxxx |
1,8xxxxxx |
0,3xxxxxx |
| x21 |
8,9xxxxxx |
2,2xxxxxx |
0,4xxxxxx |
| x22 |
9,9xxxxxx |
2,5xxxxxx |
0,5xxxxxx |
| x23 |
10,9xxxxxx |
2,9xxxxxx |
0,6xxxxxx |
| x24 |
12,0xxxxxx |
3,3xxxxxx |
0,7xxxxxx |
| x25 |
13,1xxxxxx |
3,7xxxxxx |
0,2xxxxxx |
| x26 |
14,2xxxxxx |
4,2xxxxxx |
0,2xxxxxx |
| x27 |
15,4xxxxxx |
1,2xxxxxx |
0,3xxxxxx |
| x28 |
16,6xxxxxx |
1,4xxxxxx |
0,3xxxxxx |
| x29 |
17,8xxxxxx |
1,6xxxxxx |
0,4xxxxxx |
| x30 |
6,5xxxxxx |
1,8xxxxxx |
0,1xxxxxx |
| x31 |
7,1xxxxxx |
2,0xxxxxx |
0,1xxxxxx |
| x32 |
7.8xxxxxx |
2,3xxxxxx |
0,1xxxxxx |
| x33 |
8.5xxxxxx |
2,6xxxxxx |
0,2xxxxxx |
| x34 |
9,2xxxxxx |
0,8xxxxxx |
0,2xxxxxx |
| x35 |
10,0xxxxxx |
0,9xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x36 |
10,8xxxxxx |
1,0xxxxxx |
0,1xxxxxx |
| x37 |
11,6xxxxxx |
1,1xxxxxx |
0,1xxxxxx |
| x38 |
12,4xxxxxx |
1,3xxxxxx |
0,1xxxxxx |
| x39 |
13,3xxxxxx |
1,4xxxxxx |
0,1xxxxxx |
| x40 |
5,2xxxxxx |
0,4xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x41 |
5,6xxxxxx |
0,5xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x42 |
6,1xxxxxx |
0,6xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x43 |
6,6xxxxxx |
0,6xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x44 |
7,2xxxxxx |
0,7xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x45 |
7,7xxxxxx |
0,8xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x46 |
8,3xxxxxx |
0,9xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x47 |
8,9xxxxxx |
0,3xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x48 |
9,5xxxxxx |
0,3xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x49 |
10,1xxxxxx |
0,4xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x50 |
4,1xxxxxx |
0,4xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x51 |
4,5xxxxxx |
0,5xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x52 |
4,8xxxxxx |
0,5xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x53 |
5,2xxxxxx |
0,6xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x54 |
5,6xxxxxx |
0,2xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x55 |
6,0xxxxxx |
0,2xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x56 |
6,4xxxxxx |
0,2xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x57 |
6,9xxxxxx |
0,3xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x58 |
7,3xxxxxx |
0,3xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x59 |
7,8xxxxxx |
0,3xxxxxx |
0,0xxxxxx |
| x60 |
3,3xxxxxx |
0,1xxxxxx |
0,0xxxxxx |
Bij een maximumpremie van
driemaal het gemiddelde percentage voor werkgevers met minder dan
15 werknemers heeft gemiddeld genomen een groot aantal kleine
werkgevers een werkgeversrisicopercentage dat groter is dan deze
maximumpremie. Dit aantal is slechts een weinig minder dan bij een
maximumpremie van tweemaal het gemiddelde percentage. Dit betekent
dat de kleine werkgevers die bij een maximumpremie van tweemaal het
gemiddelde percentage niet hun volledige werkgeversrisicopercentage betalen, ook bij een maximumpremie
driemaal het gemiddelde
niet hun volledig werkgeversrisicopercentage betalen. Het aantal
werkgevers dat de maximumpremie betaalt verschilt in dit geval dus nauwelijks.
De omvang van de premie-inkomsten van deze werkgevers neemt
daarentegen toe naarmate de maximumpremie hoger is.
Bij een maximumpremie van
viermaal het gemiddelde percentage voor grote werkgevers heeft
gemiddeld genomen een gering aantal werkgevers een
werkgeversrisicopercentage dat groter is dan de maximumpremie. Voor de
werkgevers met 15 tot 20 werknemers is de gemiddelde kans op een
dergelijk werkgeversrisicopercentage nog 1%, voor werkgevers met meer
dan 20 werknemers is deze kans gemiddeld niet groter dan 0,5%. Bij
een maximumpremie van driemaal het gemiddelde percentage is de kans op
een bovenmaximaal werkgeversrisicopercentage voor werkgevers met meer
dan 55 werknemers niet groter dan 0,5%. Het is derhalve
niet wenselijk de grens tussen grote en kleine werkgevers hoger te
leggen dan 20 werknemers. Slechts zeer weinig werkgevers zouden dan
profiteren van de lagere maximumpremie voor kleine werkgevers,
terwijl een veel groter aantal de hogere minimumpremie verschuldigd zou zijn.
Ten aanzien van de grens
tussen grote en kleine werkgevers bestaat er op basis van het
voorgaande een keuze tussen 15 en 20 werknemers. Bij de keuze tussen deze
beide grenzen kan de volgende afweging worden gemaakt.
Als de grens tussen
kleine en grote werkgevers bij 20 in plaats van 15 werknemers wordt gelegd,
dan biedt gemiddeld genomen een maximumpremie van driemaal het
gemiddelde percentage nog aan relatief een gering aantal werkgevers
een extra "bescherming" ten opzichte van een maximumpremie van
viermaal het gemiddelde percentage. Volgens tabel 5 is het percentage
werkgevers met 15 tot 20 werknemers dat wel "beschermd" wordt met
een maximumpremie van driemaal het gemiddelde, maar niet door een van viermaal het gemiddelde, zo’n 5%.
Tegenover deze extra "bescherming" staat dat door deze hogere grens tussen kleine en grote
werkgevers gemiddeld genomen zo’n 40% van de werkgevers met 15 tot 20
werknemers een hogere minimumpremie gaan betalen, terwijl zij een
werkgeversrisicopercentage van 0% kennen; dit valt af te leiden uit tabel
4.
Bijvoorbeeld een werkgever met 17 werknemers heeft een kans van 5,4%
om een werkgeversrisicopercentage te krijgen dat hoger is dan driemaal
het gemiddelde percentage; de kans dat deze werkgever een
werkgeversrisicopercentage krijgt dat hoger is dan viermaal het gemiddelde
percentage bedraagt 1,1%. Indien de grens tussen groot en klein bij
20 werknemers wordt gelegd, wordt van de werkgevers met 17 werknemers derhalve 3,7% extra beschermd, omdat
voor hen de maximumpremie
van driemaal in plaats van viermaal het gemiddelde percentage
gaat gelden. Indien een werkgever van 17 werknemers als klein
wordt aangemerkt, geldt voor deze werkgever ook de minimumpremie voor kleine
werkgevers. Uit tabel 4 blijkt dat in dat geval 42,6% de minimumpremie
van kleine werkgevers gaat betalen in plaats van de (lagere) minimumpremie voor grote werkgevers. Voor deze
werkgevers bestaat er
derhalve geen financiële prikkel om arbeidsongeschiktheid te voorkomen en
arbeidsongeschikte ex-werknemers weer in dienst te nemen.
Het onderscheid tussen
kleine en grote werkgevers wordt gelegd bij 15 werknemers. Daarbij wordt
het aantal werknemers gedefinieerd in termen van het gemiddelde premieplichtig loon. Heeft een werkgever een totale
premieplichtige loonsom
die gelijk is aan of geringer is dan vijftienmaal het gemiddelde
premieplichtig loon, dan behoort deze werkgever tot de categorie kleine
werkgevers. Is de totale premieplichtige loonsom groter dan vijftienmaal het
gemiddelde premieplichtig loon, dan is de desbetreffende werkgever een grote
werkgever.
Bij de vaststelling van
het gemiddelde premieplichtig loon wordt het jaar voorafgaand aan het
jaar waarin de premievaststelling plaatsvindt als uitgangspunt
gehanteerd. De premievaststelling voor jaar t vindt plaats in jaar t-1; het
gemiddelde premieplichtig loon wordt dus bepaald op basis van jaar t-2.
Indien een werkgever in het jaar t-2 een premieplichtige loonsom
had die kleiner was dan vijftienmaal de gemiddelde premieplichtige loonsom, dan wordt de werkgever ingedeeld
als kleine werkgever.
Indien de indeling van de
werkgever voor het jaar t op basis van het gemiddelde premieplichtig
loon in het jaar t-2 tot aantoonbare onredelijke situaties leidt, kan de bedrijfsvereniging de werkgever indelen in een
andere klasse.
Indien een werkgever in
een andere grootteklasse wil worden ingedeeld, moet hij dit uiterlijk
zes weken na de mededeling door de uitvoeringsinstelling van zijn gedifferentieerde premie aan de uitvoeringsinstelling
kenbaar maken. Teneinde
te voorkomen dat er voortdurende wisselingen optreden van
grootteklassen moet de totale premieplichtige loonsom van een werkgever die tot
een andere indeling verzoekt, in het premiejaar t meer dan 25% afwijken van
de vastgestelde grens tussen grote en kleine werkgevers op basis van
het jaar t-2. Deze ondergrens voorkomt dat een werkgever met bijvoorbeeld veertien
werknemers die was ingedeeld als
kleine werkgever als
gevolg van forse loonsverhogingen kan worden ingedeeld als grote
werkgever.
De grens tussen groot en
klein wordt door het Lisv vastgesteld; dit zal tezelfdertijd geschieden
met de vaststelling van het gemiddelde percentage, het
rekenpercentage en het gemiddeld werkgeversrisicopercentage, met andere woorden in het
midden van jaar t-1. Hierdoor weten werkgevers
ruimschoots van tevoren of zij voor het premiejaar t worden ingedeeld als
grote dan wel als kleine werkgever.
Op het moment van
vaststelling van de grens tussen grote en kleine werkgevers zijn evenwel
nog niet alle loonsomgegevens over jaar t-2 definitief vastgesteld.
Als basis voor de indeling wordt daarom het gemiddelde
premieplichtige loon over jaar t-3 gehanteerd. Dit gemiddeld premieplichtig loon wordt
vervolgens op basis van CPB-macrogegevens [CPB: Centraal Planbureau, red.]
omgerekend tot een
gemiddeld premieplichtig loon voor het jaar t-2.
Hoofdstuk 4.
Overgangsproblematiek
4.1. Noodzakelijke
gegevens
Het
werkgeversrisicopercentage wordt bepaald op basis van in het verleden gegenereerde
uitkeringslasten. Het betreft de uitkeringslasten die in jaar t-2 tot uitbetaling zijn gekomen, voor zover deze uitkeringen in
dat jaar korter duurden
dan vijf jaren. De referteperiode voor het werkgeversrisicopercentage
betreft derhalve de jaren t-7 tot en met t-2.
In het jaar na invoering
van Pemba, 1998, zou het werkgeversrisicopercentage derhalve moeten worden
berekend op basis van de jaren 1991 tot en met 1996. De
noodzakelijke gegevens met betrekking tot deze jaren zijn echter niet
voorhanden. Thans is voor de uitvoeringsinstellingen voor de uitvoering van de WAO
niet van belang bij welke werkgever een arbeidsongeschikte
werknemer (in de zin van de WAO) op het moment van arbeidsongeschiktheid
(in de zin van de ZW) in dienst was. De uitvoeringsinstellingen
hebben om deze reden geen registratie bijgehouden van de koppeling van een
werknemer met een WAO-uitkering en de werkgever bij wie deze werknemer voor het laatst in dienst was.
Vooruitlopend op de
invoering van Pemba hebben de uitvoeringsinstellingen de werknemers die het
meest recent zijn ingestroomd in de WAO, herleid naar de
laatste werkgever. Dit bleek in voldoende mate nog mogelijk voor de instroom
vanaf het jaar 1993. Voor de vóór dit jaar ontstane
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen was dit niet in voldoende mate mogelijk.
Bij de bepaling van het
werkgeversrisicopercentage, zowel het individuele als het gemiddelde risico, ten behoeve van de vaststelling van
de opslag of korting voor
het jaar 1998, wordt als referteperiode uitgegaan van de jaren 1993 tot en
met 1996, met andere woorden de jaren t-5 tot en met t-2. Het
werkgeversrisicopercentage wordt dan berekend op basis van de lasten in 1996 van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn ingegaan vanaf 1 januari
1993.
De referteperiode wordt vervolgens in twee stappen uitgebreid,
telkens met één jaar. Voor de vaststelling van het werkgeversrisicopercentage
ten behoeve van de bepaling van de opslag of korting voor het jaar
1999 geldt als referteperiode de jaren 1993 tot en met 1997; de
uitkeringslasten van 1997, voor zover de uitkeringen zijn ingegaan vanaf
1 januari 1993,
worden dan meegenomen om de hoogte van het risico te bepalen.
Voor de premiestelling van het daaropvolgende jaar, het jaar 2000 derhalve,
geldt de volledige referteperiode.
Voor de loonsom ten slotte geldt voor het eerste jaar na invoering van
Pemba dezelfde referteperiode als voor de uitkeringslasten. In het eerste
jaar na invoering wordt uitgegaan van de gemiddelde loonsom op basis van vier kalenderjaren,
te weten 1993 tot en met 1996. In het daaropvolgende jaar wordt de periode
waarover de gemiddelde loonsom wordt berekend met één jaar
uitgebreid.
In paragraaf
2.3 is
gesteld dat indien de periode waarover voor een individuele werkgever
gegevens beschikbaar zijn, niet gelijk is aan de volledige referteperiode,
het individuele werkgeversrisicopercentage moet worden opgehoogd.
Dezelfde situatie doet zich mutatis mutandis voor in de aanvangsjaren na
invoering van de premiedifferentiatie.
In het eerste jaar van
invoering worden slechts de WAO-lasten van de instroom in dat jaar via
premiedifferentiatie gefinancierd; in het tweede jaar betreft dit de
lasten van de instroom in dat jaar, alsmede de lasten in het vorige jaar
voor zover
betrokkenen nog niet zijn uitgestroomd etc., tot de volledige periode van
vijf jaar is bereikt. In concreto betekent dit dat bij invoering per 1
januari 1998
het systeem in 2003 de structurele situatie bereikt.
Daarnaast wordt in de
eerste jaren voor de berekening van de opslag of korting een kortere
tijdsperiode dan vijf jaar gehanteerd. Deze periode wordt vervolgens
uitgebouwd tot de volledige periode van vijf jaar is bereikt. Er zijn pas
WAO-gegevens per werkgever beschikbaar vanaf 1993. Dit betekent dat voor de
premiestelling van 1998 als referteperiode voor de bepaling van het
werkgeversrisicopercentage de jaren 1993 tot en met 1996 worden gehanteerd. Deze
referteperiode wijkt derhalve in de eerste jaren wat betreft het aantal
jaren af van de periode waarover de lasten worden genomen.
Concreet betekent dit dat
het gemiddelde percentage in het eerste jaar slechts de lasten van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die het eerste jaar zijn ontstaan,
betreft; dit gemiddelde percentage wordt op basis van gegevens over de periode
1993-1995 geraamd op ca. 0,2%. Het werkgeversrisicopercentage, op basis waarvan de
premie in het eerste jaar wordt gedifferentieerd, heeft
betrekking op de periode van 1993 tot en met 1996. Het gemiddelde
werkgeversrisicopercentage wordt over deze periode op basis van dezelfde gegevens
geraamd op 1,3%. Het individuele werkgeversrisicopercentage kan hiervan, soms fors,
afwijken. In verband hiermee is het wenselijker om in de aanvangsjaren een correctiefactor toe te passen.
Indien een werkgever een werkgeversrisicopercentage van 0% heeft, zou zijn korting
-1,3%
bedragen. Als zijn individuele werkgeversrisicopercentage 1% zou bedragen, een
relatief geringe afwijking van het gemiddelde
werkgeversrisicopercentage derhalve, zou zijn korting -0,3% bedragen. In beide
gevallen zou de gedifferentieerde premie, bij een gemiddeld percentage van
0,2% en een rekenpercentage dat hiervan nauwelijks afwijkt, 0% bedragen; een negatieve premie is immers niet
wenselijk. Ook het
omgekeerde, het bereiken van de maximumpremie, doet zich zeer snel voor.
De maximumpremie voor grote werkgevers bedraagt, bij een
gemiddeld percentage van 0,2%, slechts 0,8%. Het individuele
werkgeversrisicopercentage hoeft derhalve slechts meer dan 0,8% boven het
gemiddelde
werkgeversrisicopercentage van 1,3% te bedragen om tegen de maximumpremie aan te lopen. Met andere
woorden, als gevolg van
de, in jaren gemeten, langere referteperiode dan de lastenperiode worden
de premie-uitslagen relatief gezien veel groter dan in de structurele
situatie. Om deze reden wordt in de aanvangsfase een correctiefactor op de
berekening van de hoogte van de opslag of korting toegepast. Deze
correctiefactor is de verhouding tussen het werkgeversrisicopercentage
van de feitelijke referteperiode en het werkgeversrisicopercentage
van de periode van de lasten op basis waarvan het gemiddelde
percentage wordt berekend. In 1998 betreft de referteperiode voor het
arbeidsongeschiktheidsrisico de jaren 1993 tot en met 1996, dat wil zeggen vier
jaren. De periode van de lasten op basis waarvan het gemiddelde percentage wordt berekend, bestrijkt één jaar. De
opslagen en kortingen,
berekend op basis van de werkgeversrisicopercentages
over de periode 1993 tot en met 1996, worden vermenigvuldigd met de
verhouding van het gemiddelde werkgeversrisicopercentage van één jaar ten
opzichte van het gemiddelde werkgeversrisicopercentage
van vier jaren. Het gemiddelde werkgeversrisicopercentage van één jaar is daarbij
gedefinieerd als de uitkeringslasten van de uitkeringen die in
het laatste jaar van de referteperiode zijn ingegaan, gedeeld door de
gemiddelde loonsom. In de jaren daarna worden op gelijke wijze
verhoudingsgetallen toegepast, waarmee de opslagen en kortingen
worden vermenigvuldigd, totdat de structurele situatie is bereikt.
Op deze wijze ontwikkelt
de premieverdeling zich ook in de aanvangsfase conform de risicoverdeling in de structurele situatie.
Een soortgelijke
methodiek wordt, zoals in paragraaf 2.3 is beschreven, ook gehanteerd voor
werkgevers die niet gedurende de gehele relevante referteperiode de
hoedanigheid van werkgever bezaten. Voor de aanvangsfase van het
systeem betekent de daar besproken methodiek dat er in het eerste jaar
vier correctiefactoren moeten worden gehanteerd, te weten één voor werkgevers die de gehele referteperiode de hoedanigheid van werkgever hadden,
één
voor de werkgevers die drie van de vier jaren werkgever
waren, één voor werkgevers die twee van de vier jaren werkgever waren en
één voor degenen die slechts één jaar werkgever waren. Bij een
onvolledige referteperiode worden als uitgangspunt voor de
correctiefactor steeds de meest recente jaren genomen. Indien een
werkgever bijvoorbeeld slechts twee van de vier jaren de hoedanigheid van
werkgever had, wordt zijn opslag of korting vermenigvuldigd met de volgende correctiefactor: het gemiddeld
werkgeversrisicopercentage
van de volledige referteperiode gedeeld door het gemiddeld
werkgeversrisicopercentage van de laatste twee jaren van de referteperiode.
4.2. Overheid
a. Overheidspersoneel
Het overheidspersoneel
wordt voor wat betreft de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 1
januari 1998 in het kader
van de operatie Overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen (OOW) onder de
werknemersverzekeringen
gebracht. Vanaf dat moment vervalt derhalve het onderscheid tussen
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van werknemers in de
marktsector en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van het overheidspersoneel.
Alle vóór die datum ingegane arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van arbeidsongeschikte
ambtenaren worden in het kader van die operatie omgezet
in WAO-uitkeringen.
Met betrekking tot de
invoering van premiedifferentiatie voor het overheidspersoneel dient
onderscheid te worden gemaakt tussen het burgerlijk en het
militaire overheidspersoneel. Het burgerlijk overheidspersoneel kent vanaf
1 januari 1996 een
arbeidsongeschiktheidsuitkering die overeenkomt met de WAO,
de zogenaamde WAO-conforme uitkering. Deze uitkeringen zijn
weliswaar niet gebaseerd op de WAO, maar zijn daaraan materieel gelijk.
Alle uitkeringen die zijn ingegaan vóór 1 januari 1996 zijn op die datum omgezet
in een WAO-conforme uitkering.
Voor de berekening van
het werkgeversrisicopercentage ten behoeve van de vaststelling van
de opslag of korting voor het jaar 1998 moet worden uitgegaan van het werkgeversrisicopercentage over de jaren 1993
tot en met 1996. Concreet
betekent dit dat de lasten in 1996 van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
die zijn ingegaan vanaf 1 januari 1993, bepalend zijn voor het
werkgeversrisicopercentage. Deze gegevens zijn als gevolg van de
omzetting in een WAO-conforme uitkering voor het burgerlijk overheidspersoneel voor het jaar 1996 voorhanden en volledig
vergelijkbaar met het werkgeversrisicopercentage van de marktsector. Ook de datum van ingang
van de uitkering vormt geen probleem; vanaf 1992 geldt voor het
overheidspersoneel de fictieve AAW-uitvoering. Op basis hiervan kan voor
wat betreft de lasten van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in 1996 eenvoudig worden
vastgesteld welke uitkeringen zijn ingegaan vanaf 1 januari 1993.
De premieplichtige
loonsom voor de overheid is met ingang van 1 januari 1996 op gelijke wijze gedefinieerd als in de marktsector. Dit geldt
evenwel niet voor de
jaren 1993 tot en met 1995. De overheid kende in deze jaren geen
premieplichtig loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen
(CSV), maar hanteerde een andere grondslag, namelijk het ambtelijk inkomen. Dit inkomen verschilde van het CSV-loon. Voor de berekening van
het werkgeversrisicopercentage moet het gemiddeld premieplichtig
loon over de periode 1993 tot en met 1996 worden genomen. Dit
betekent dat het ambtelijk inkomen over de jaren 1993 tot en met 1995 moet
worden herleid tot een met het CSV-loon vergelijkbaar inkomen.
Bij de berekening van het
werkgeversrisicopercentage wordt als premieplichtig loon voor de jaren 1993 tot en met 1995 uitgegaan van het
ambtelijk inkomen. Dit
wordt vervolgens herleid tot premieplichtig loon in de zin van de CSV. Die
bestanddelen die wel behoren tot het ambtelijk inkomen maar niet tot het
CSV-loon, worden in mindering gebracht op het ambtelijk inkomen. Dit
betreft het werknemersdeel van de pensioenpremies. Daarnaast wordt het aldus
herleide ambtelijk inkomen gemaximeerd op de maximumpremiegrens
in de zin van het CSV-loon. Op deze wijze komt het aldus verkregen inkomen in hoge mate overeen met het
CSV-loon.
Voor het militaire
overheidspersoneel ligt de situatie anders. De arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
van militairen zijn niet omgezet in WAO-conforme uitkeringen.
De reeds ingegane arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van militairen worden
in
het kader van de OOW-operatie direct omgezet in
WAO-uitkeringen. Dit betekent dat pas vanaf 1998 voor militairen een
vergelijkbare situatie ontstaat als voor de marktsector en het burgerlijk
overheidspersoneel. Voor de berekening van het werkgeversrisicopercentage
ten behoeve van de opslag of korting voor het jaar 1998 zijn derhalve geen vergelijkbare gegevens voorhanden. Pas
voor het jaar 1998 zijn vergelijkbare gegevens voorhanden voor wat betreft de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van het militaire overheidspersoneel.
Het is echter gewenst om
ook Defensie vanaf de invoering van premiedifferentiatie mee te laten lopen in het systeem. Daartoe worden
voor de berekening van de gedifferentieerde premie in de eerste twee jaren na invoering van
het systeem van premiedifferentiatie de militaire arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
herleid tot WAO-conforme uitkeringen.
Daartoe is allereerst
nagegaan aan hoeveel militairen een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is toegekend vanaf 1 januari 1993, die in 1996 nog steeds tot uitbetaling kwam. Daarbij zijn alleen die uitkeringen
meegenomen die
vergelijkbaar zijn met een WAO-uitkering. Vervolgens is de totale uitkeringslast
van deze uitkeringen omgerekend naar een met de WAO vergelijkbare
uitkeringslast. Uit deze berekening blijkt dat de met de WAO vergelijkbare
uitkeringslast 85% bedraagt van de feitelijke uitkeringslast van de
totale groep. Dit percentage wordt gehanteerd bij de berekening van de teller
van het werkgeversrisicopercentage.
Ook voor Defensie geldt
dat niet over alle jaren van de referteperiode het CSV-loon voorhanden
is. Voor 1996 is dit, evenals bij het burgeroverheidspersoneel, het geval.
Voor de jaren
1993 en 1994 beschikt Defensie slechts over de
pensioengrondslag. Voor 1995 heeft Defensie zowel de
pensioengrondslag als het CSV-loon. Om deze reden is voor Defensie gekozen voor een
afwijkende benadering van het CSV-loon voor de jaren 1993 en 1994 in
vergelijking met de methode die voor de herleiding van het ambtelijk inkomen bij het burgeroverheidspersoneel wordt gehanteerd. Voor
Defensie wordt de pensioengrondslag over de jaren 1993 en 1994
herleid tot CSV-loon met behulp van de verhouding tussen de
pensioengrondslag en het CSV-loon voor 1995. Voor 1995 blijkt de totale CSV-loonsom
voor Defensie 10% hoger te liggen dan de totale pensioengrondslag. Het
CSV-loon over de jaren 1993 en 1994 wordt dan bepaald als zijnde 110%
van de pensioengrondslag in deze jaren.
b. Geprivatiseerde
werkgevers
In de afgelopen jaren is
een aantal werkgevers die voorheen tot de overheidssector behoorden, geprivatiseerd. Ook voor de geprivatiseerde
werkgevers dient voor het
jaar 1998 een opslag of korting te worden vastgesteld. Dit moet
gebeuren op basis van het werkgeversrisicopercentage over de jaren 1993 tot en
met 1996, met andere woorden de lasten in het jaar 1996
van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn ingegaan vanaf 1
januari 1993.
Deze gegevens zijn beschikbaar. De premieplichtige loonsom
zal, daar waar noodzakelijk, op identieke wijze worden herleid van het ambtelijk
inkomen tot CSV-loon als eerder in deze toelichting is
omschreven.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1. Algemene
begrippen
Eerste lid, onderdeel c
Door de verwijzing in de
definitie van premieplichtig loon naar uitsluitend het eerste
lid van artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering is duidelijk
dat het hier het loon betreft exclusief het gedeelte van het loon dat
krachtens artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering bij de
premieberekening buiten beschouwing blijft, doch inclusief het gedeelte
van het loon dat voorheen op grond van het derde lid van artikel 9
buiten
de premieheffing viel (de WAO-franchise). Door aan te sluiten bij dit
gegeven bij de berekening van de voor de vaststelling van de gedifferentieerde
premie van belang zijnde factoren zullen deze berekeningen op
eenvoudige wijze kunnen worden gebaseerd op de gegevens die in de
verzekerdenadministratie zijn opgenomen.
Eerste lid, onderdeel e
en f
De maatstaf voor de
bepaling of een werkgever als kleine of als grote werkgever moet worden
beschouwd - welke indeling van belang is voor de vaststelling welke
minimale en maximale gedifferentieerde premie krachtens artikel 9 voor
een werkgever geldt - is of de ten laste van de werkgever komende loonsom
lager of hoger is dan vijftienmaal de gemiddelde premieplichtige
loonsom per verzekerde werknemer. Bij de door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen vast te stellen gemiddelde premieplichtige loonsom
wordt uitgegaan van de gegevens over het tweede kalenderjaar dat
aan het premiejaar voorafgaat.
Tweede lid
Op grond van het tweede
lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen voor de indeling in
"klein of groot" uitgaan van de
verwachte gegevens over
het premiejaar indien de omvang van het verwachte premieplichtige
loon leidt tot een andere indeling. Een wijziging van de indeling
dient tijdig - dat wil zeggen: binnen zes weken nadat de werkgever
schriftelijk in kennis is gesteld van de door hem in het premiejaar verschuldigde
gedifferentieerde premie - door de werkgever te worden aangevraagd en wordt gehonoreerd indien uit de door de
werkgever bij de aanvraag
verstrekte gegevens blijkt dat het naar verwachting ten laste van
de werkgever komende premieplichtige loon in het premiejaar ten minste
25% zal afwijken van vijftienmaal het gemiddelde premieplichtige loon per
werknemer in het tweede kalenderjaar dat aan het premiejaar vooraf is
gegaan. De keuze hierbij voor een bandbreedte bewerkstelligt dat niet
iedere verwachte afwijking van de omvang van het premieplichtige loon kan
leiden tot een andere indeling en wordt gerechtvaardigd door het
feit dat het gaat om een verschil tussen de feitelijk gerealiseerde
loonsom in het jaar t-2 en de verwachte loonsom in het premiejaar. Laatstgenoemd gegeven is altijd met enige onzekerheid
omgeven.
Artikel
2. Rekenpercentage
Onderdeel a
Op de aan werkgevers in
rekening te brengen gemiddelde premie moet een correctie worden
aangebracht, aangezien door verschillende factoren het verschil van de voor
werkgevers geldende individuele premieopslagen en individuele
premiekortingen niet gelijk aan nul zal zijn. In het algemeen deel van deze
toelichting is hierop reeds ingegaan. De factoren die hier een rol spelen
zijn onder meer de vertraging van twee jaar die optreedt bij de
doorberekening van de opslag of korting, het feit dat de opslag of korting
met
betrekking tot een aantal werkgevers niet meer in rekening kan worden
gebracht omdat deze, bijvoorbeeld tengevolge van bedrijfsbeëindiging,
inmiddels de hoedanigheid van werkgever hebben verloren en de beperking
van de opbrengst van de individuele premieopslagen die voortvloeit uit de
vaststelling van een maximale gedifferentieerde premie.
Onderdeel b
Doordat de premieheffing
deels is gebaseerd op ramingen kan het voorkomen dat de gerealiseerde premieopbrengst in een premiejaar
achterblijft bij de
verwachtingen ter zake of deze juist overstijgt, hetgeen tot een aantasting of
overschot van de reservepositie van de Arbeidsongeschiktheidskas
kan leiden. Dit kan worden opgevangen door een correctie bij de
vaststelling van het rekenpercentage.
Artikel
3. Gemiddeld
percentage
Het gemiddeld percentage
dient als grondslag voor de berekening van het rekenpercentage en
wordt vastgesteld aan de hand van het in het premiejaar verwachte saldo van lasten en baten voor de
Arbeidsongeschiktheidskas
gedeeld door het totaalbedrag van de verwachte premieplichtige
loonsom in het premiejaar en de naar verwachting te betalen
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de WAO. Niet meegeteld
worden de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen waarvoor een werkgever
het risico van de betaling gedurende de eerste vijf jaar van de
uitkering op zich heeft genomen.
Artikel
4. Berekening
opslag of korting
Eerste tot en met vierde
lid
De ten aanzien van een
werkgever geldende premieopslag of premiekorting - mede aan de hand
waarvan de gedifferentieerde premie wordt vastgesteld - wordt
bepaald door het gemiddelde werkgeversrisico in mindering te brengen op
het individuele werkgeversrisico. Het individuele werkgeversrisico wordt
bepaald door de aan een werkgever toe te rekenen
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in het tweede kalenderjaar vóór het premiejaar,
afgezet tegen het ten laste van de werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon over
één jaar. Het gemiddelde
werkgeversrisico wordt
bepaald door het totaal van de ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas
komende aan werkgevers toe te rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
in het tweede kalenderjaar vóór het premiejaar, afgezet tegen
het totale gemiddelde premieplichtige loon. Hierbij worden arbeidsongeschiktheidsuitkeringen buiten beschouwing
gelaten, voor zover deze
langer dan vijf jaren werden genoten. Deze komen immers niet ten
laste van de Arbeidsongeschiktheidskas en de gedifferentieerde premie,
doch ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds en daarmee van de
basispremie als bedoeld in artikel 77 van de WAO. Om fluctuaties te
voorkomen, wordt voor de bepaling van het individuele werkgeversrisico en het gemiddelde werkgeversrisico in dit
verband respectievelijk verstaan onder het premieplichtige en het totale
premieplichtige loon: het
gemiddelde premieplichtige loon, respectievelijk het gemiddelde totale
premieplichtige loon, over de periode van vijf kalenderjaren gelegen
één jaar vóór het premiejaar.
Door de verwijzing naar
de ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende uitkeringen wordt
niet alleen bereikt dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering
slechts wordt toegerekend over een periode van vijf jaar,
doch tevens dat een in het vijfde lid van dit besluit bedoelde
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet wordt toegerekend indien zij wordt toegekend in
aansluiting op een eerder toegekende uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong). Voorts wordt
hiermee bereikt dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering niet wordt toegerekend
indien als gevolg van het intreden van de arbeidsongeschiktheid
tevens aanspraak bestaat op een uitkering op grond van artikel 20 van
de WAZ of artikel 18 van de Wajong. Laatstgenoemde uitkeringen komen ten
laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, zoals blijkt uit het
eerste en het vierde lid van artikel 76f
van de WAO.
Vijfde lid
In het vijfde lid is
aangegeven welke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in beginsel worden
toegerekend aan een werkgever ter bepaling van het individuele (en het gemiddelde) werkgeversrisico. Het betreft in de eerste
plaats de uitkeringen die
worden toegekend aan een werknemer die ten tijde van het ontstaan
van de arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking stond tot de werkgever.
Voorts betreft het de
uitkeringen die worden toegekend met toepassing van artikel 43a, eerste
lid, van de WAO. Het vijfde lid, onderdeel b, leidt ertoe dat indien een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken die was toegekend aan een
werknemer die ten tijde van het arbeidsongeschikt worden in de zin van
artikel 19 van de Ziektewet (ZW) in dienstbetrekking stond tot een werkgever
en vervolgens met toepassing van artikel 43a, eerste lid,
onderdeel a, WAO (binnen vijf jaar arbeidsongeschikt uit dezelfde oorzaak) wederom
wordt toegekend, deze uitkering wordt toegerekend aan de
oorspronkelijke werkgever. Het bepaalde in het vijfde lid, onderdeel c, leidt
ertoe dat indien aan de werknemer die ten tijde van het arbeidsongeschikt worden
in de zin van artikel 19 ZW in dienstbetrekking stond tot een werkgever,
met toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel b, WAO
een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend, deze uitkering eveneens
voor rekening van de oorspronkelijke werkgever komt. Het betreft hier
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan personen die aan het einde van de
wachttijd niet arbeidsongeschikt in de zin van de WAO
zijn, doch binnen een
periode van vijf jaar uit dezelfde oorzaak wel arbeidsongeschikt zijn in
de zin van WAO.
De toerekening van de
uitkering in situaties als deze wordt echter beperkt door het tweede
lid van artikel 76f WAO. Hierin is bepaald dat voor de vaststelling van
de periode van vijf jaar gedurende welke een uitkering ten laste van
de Arbeidsongeschiktheidskas komt indien deze wordt toegekend met
toepassing van artikel 43a, eerste lid, onderdeel a, WAO,
uitgegaan moet worden
van de dag waarop de in artikel 43a, eerste lid, onderdeel a, WAO
bedoelde ingetrokken arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan. Voorts is
bepaald dat indien een arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt toegekend met toepassing van artikel 43a, eerste lid,
onderdeel b, WAO,
de periode van vijf jaar aanvangt na het verstrijken van de
in artikel 43, eerste lid, onderdeel b, WAO
bedoelde wachttijd van 52 weken. Met andere woorden, indien de
uitkering bijvoorbeeld
één jaar na toekenning wordt ingetrokken en na twee jaar wederom wordt
toegekend, dan wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering
nog slechts over een periode van twee jaar aan de werkgever
toegerekend.
Zesde lid
In het zesde lid is
aangegeven dat indien de werknemer bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid bij meerdere werkgevers werkzaam was, de
toerekening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de verschillende werkgevers geschiedt naar
rato van het loon dat hij bij deze werkgevers verdiende. Door
uitsluitend te refereren aan de loonsom is duidelijk dat hierbij uitgegaan dient
te worden van het volledige loon en niet van het deel van het loon
waarover premies worden geheven. Voorts is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet wordt toegerekend aan de
werkgever bij wie de werknemer met behoud van hetzelfde loon is blijven werken.
Zevende lid
In het zevende lid is
aangegeven dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering die niet tot uitbetaling
komt wegens het genieten van loon uit een dienstbetrekking in
de zin van de WSW [zie ook Wet sociale
werkvoorziening (Wsw), red.], betrokken wordt bij de berekening van het
individuele en het gemiddelde werkgeversrisicopercentage. Dit ligt in de rede nu de
bedragen die met deze uitkeringen zijn gemoeid op grond van
artikel 76f, eerste lid, onderdeel b, WAO
ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas worden afgedragen aan ’s Rijks
kas.
Artikel
5. Overgang van
onderneming
Dit artikel bevat een
bijzondere regeling voor het geval sprake is van overgang van een onderneming. De arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
die vóór de overdracht
werden toegerekend aan de overdragende werkgever, worden op
grond van dit artikel - voor de berekening van het individuele
werkgeversrisico - vanaf het moment van overdracht toegerekend aan de
verkrijgende werkgever. Hetzelfde geldt ten aanzien van het ten laste van de
overdragende werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon, met
dien verstande dat de toerekening van het gemiddelde
premieplichtige loon eindigt op het moment dat het kalenderjaar waarin de overdracht
heeft plaatsgevonden, wordt bereikt. Dit laatste is bepaald
teneinde bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage
dubbeltelling te voorkomen in het jaar van overdracht van de
onderneming. In laatstgenoemd jaar is de loonsom van de overdragende werkgever
immers al geïncorporeerd in de loonsom van de verkrijgende
werkgever.
Indien slechts een deel
van een onderneming overgaat, geldt het voorgaande naar rato van
het deel - berekend aan de hand van het premieplichtige loon in
het kalenderjaar voorafgaande aan dat van overgang - dat het
overgegane deel van de onderneming uitmaakte van de totale onderneming.
Artikel
6. Intrekking of
herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering
In onderdeel
a van dit
artikel is geregeld dat indien achteraf blijkt dat ten onrechte een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend of dat een te
hoge uitkering is
toegekend, voor grote werkgevers het bedrag van de te veel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt verrekend met de
aan hen toe te rekenen arbeidsongeschiktheidslasten in enig jaar. De verrekening vindt plaats
met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidslasten in het kalenderjaar
waarin is vastgesteld dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Voor kleine werkgevers is
in onderdeel b van dit artikel bepaald dat in een situatie als hiervoor
geschetst premierestitutie plaatsvindt van de te veel betaalde
gedifferentieerde premie. Het verschillende regime dat aldus geldt voor grote en
kleine werkgevers is toegelicht in paragraaf 2.2.2 van het algemeen
deel van deze toelichting, zodat hier wordt volstaan met daarnaar te
verwijzen.
Artikel
7. Niet gedurende
gehele berekeningstijdvak werkgever
Dit artikel bevat een
regeling voor een afwijkende wijze van vaststelling van het individuele
werkgeversrisicopercentage in de situatie waarin de werkgever niet over de
volledige referteperiode als bedoeld in artikel 4 de hoedanigheid van
werkgever had. Voor een inhoudelijke toelichting op deze bepaling wordt
verwezen naar paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze
toelichting.
Van belang in deze
bepaling is de zinsnede "zonder dat er sprake is van een overgang van een
onderneming, bedoeld in artikel 5". Hiermee wordt bereikt dat het artikel
niet van toepassing is indien na overgang van een onderneming sprake is van
een nieuwe werkgever. In dat geval dient het individuele
werkgeversrisicopercentage te worden vastgesteld overeenkomstig artikel
4, tweede lid, en
met inachtneming van artikel 5.
Artikel
8.
Premiepercentage startende werkgever
Voor kleine startende
werkgevers is de gedifferentieerde premie gedurende het jaar waarin
zij als werkgever optreden en gedurende de eerste twee kalenderjaren
daarna, gelijk aan de voor deze categorie van werkgevers geldende
minimumpremie. Voor grote startende werkgevers is het percentage van de
gedifferentieerde premie gelijk aan het percentage van de
rekenpremie. Voor een toelichting op deze keuze zij verwezen naar het
algemeen deel van de toelichting.
Met de zinsnede "zonder
dat er sprake is van een overgang van een onderneming, bedoeld in
artikel 5" in het eerste lid wordt bereikt dat dit artikel niet van
toepassing is indien na overgang van een onderneming sprake is van een nieuwe
(startende) werkgever. Net als hiervoor bij de toelichting op artikel 7
is opgemerkt, dient het individuele werkgeversrisicopercentage in dat geval te worden
vastgesteld overeenkomstig artikel 4, tweede lid, en
met inachtneming van artikel 5.
In het tweede lid van dit
artikel is voorts een bepaling opgenomen waarmee wordt bereikt dat
een werkgever niet als startende werkgever wordt aangemerkt indien
hij in de referteperiode, bedoeld in artikel 4, tweede lid, reeds eerder
werkgever was. Het is immers ongewenst om een werkgever die
tijdelijk ophoudt werkgever te zijn, bij het opnieuw werkgever worden als
starter aan te merken.
Met het derde lid wordt
bereikt dat ten aanzien van een startende werkgever geen onduidelijkheid bestaat over de vraag welke bepaling op
hem van toepassing is in
het tweede kalenderjaar vóór het premiejaar. Zonder nadere regeling
zou op betrokkene zowel artikel 7 als het onderhavige artikel van
toepassing zijn.
Artikel
9. Minimum- en
maximumpremie
Dit artikel regelt de
minimaal en maximaal verschuldigde gedifferentieerde premie, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen kleinere en
grotere werkgevers. De
maximaal verschuldigde premie is gerelateerd aan het gemiddelde
percentage, bedoeld in artikel 3; de minimaal verschuldigde premie is
voor grotere werkgevers gelijk aan nihil, tenzij toepassing van artikel
6,
onderdeel a, aanleiding geeft het premiepercentage negatief vast te stellen.
Voor kleine werkgevers
dient de minimumpremie voor elk premiejaar door het Landelijk instituut sociale verzekeringen te worden
vastgesteld
en wel zodanig dat de
verlaagde premieopbrengst, welke voortvloeit uit het feit dat voor deze
werkgevers een relatief lage maximumpremie is vastgesteld, naar
verwachting wordt gecompenseerd.
De kosten die
voortvloeien uit het feit dat ook voor grotere werkgevers een maximum aan
de
gedifferentieerde premie is gesteld, zijn verwerkt in het voor alle werkgevers
geldende rekenpercentage. Teneinde te voorkomen dat langs deze
weg de kleinere werkgevers zouden meebetalen aan de
financiering van de voor grotere werkgevers geldende maximumpremie, wordt de
voor kleinere werkgevers geldende minimumpremie zodanig verlaagd dat
deze bijdrage niet aanwezig is.
Artikel
10. Algemene
overgangsbepalingen
Eerste lid
In artikel 4 van het
onderhavige besluit wordt verwezen naar arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
die ten laste komen van
de Arbeidsongeschiktheidskas,
bedoeld in artikel 76f van de WAO. In de
Pemba is in artikel VII
geregeld dat onder een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel
76f van de WAO uitsluitend wordt verstaan de
uitkering die is
ingegaan op of na de dag van inwerkingtreding van de Pemba. Om het systeem
van premiedifferentiatie direct na de inwerkingtreding van de Pemba in te kunnen voeren, moet evenwel uitgegaan kunnen worden
van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend vóór de inwerkingtreding van laatstgenoemde wet. Het eerste
lid voorziet hierin. De
begrenzing tot uitkeringen die zijn ingegaan op of na 1 januari 1993 houdt
verband met het feit dat de uitvoeringsinstellingen niet beschikken over tot
individuele werkgevers herleidbare gegevens betreffende
uitkeringen die zijn ingegaan vóór laatstgenoemde datum. Voor een verdere
toelichting zij verwezen naar hoofdstuk 4 van het algemeen deel van de
toelichting.
Tweede lid
Voor de berekening van de
(totale) gemiddelde premieplichtige loonsom geldt - net als
bij de berekening van de aan een werkgever toe te rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
- voor het jaar 1998 een
afwijkende
referteperiode, te weten: het tijdvak van vier in plaats van vijf kalenderjaren gelegen
één jaar vóór het premiejaar.
Derde lid
Het derde lid bevat een
tweetal correcties voor de premiejaren 1998 tot en met 2002. Enerzijds
betreft dit het tijdelijk wel meerekenen van via de werkgever betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bij de vaststelling
van de gemiddelde
premieplichtige loonsom, bedoeld in artikel 4, eerste en tweede lid, omdat over
de achterliggende jaren deze uitkeringen niet afzonderlijk in de
loonsom onderscheiden kunnen worden en anderzijds een correctie op de op
grond van artikel 4 berekende opslagen of kortingen.
Voor een inhoudelijke
toelichting zij verwezen naar paragraaf 4.1 van het algemeen deel van
deze toelichting.
Vijfde lid
In het vijfde lid is
geregeld dat onder arbeidsongeschiktheidsuitkeringen als bedoeld in artikel
4,
zesde lid, uitsluitend worden verstaan de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
die op of na de dag van inwerkingtreding van dit besluit zijn
ingegaan. De reden hiervoor is uitvoeringstechnisch van aard. Het toerekenen
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar rato van de loonsom
als bedoeld in artikel 4, zesde lid, is voor een uitkering die reeds is ingegaan niet mogelijk. In de huidige
administratie is slechts
één werkgever bekend, te weten: de werkgever waarbij de werknemer
vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid het hoogste bedrag aan loon
verwierf.
Zesde lid
In het zesde lid is
geregeld dat een besluit tot intrekking of herziening van een besluit tot
toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de toepassing van
artikel 6 slechts in aanmerking wordt genomen indien het besluit op of
na de dag van inwerkingtreding van dit besluit is getroffen. De reden voor
het treffen van deze overgangsbepaling is gelegen in de
omstandigheid dat het uitvoeringstechnisch gezien niet mogelijk is om na te gaan
welke besluiten vóór 1 januari 1998 betreffende intrekking of herziening
zijn getroffen.
Artikel
11.
Overgangsbepalingen voor specifieke werkgevers
Voor een toelichting op
dit artikel zij verwezen naar paragraaf 4.2 van het algemeen deel van de
toelichting.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|
|