|
BESLUIT
van 8 juli 2000 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur
houdende nieuwe regels betreffende de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 28 april 2000, nr. SV/WV/00/26762;
Gelet op de artikelen 18, achtste en tiende lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
2,
zevende en negende lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, en
2,
achtste en tiende lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
De Raad van State gehoord (advies van 6 juni
2000, nr. W12.00.0178/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 7 juli 2000, nr.
SV/WV/00/45397;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art. 1.
Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. WAO:
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. WAZ: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
c. Wet Wajong: de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
d. Wet WIA: Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
e. verzekerde: de verzekerde in de zin van de Wet WIA of de
WAO;
f. jonggehandicapte: de
jonggehandicapte, bedoeld in de artikelen
2:3 en 3:2 van de Wet
Wajong;
g.
aangiftetijdvak: aangiftetijdvak, bedoeld in artikel
1 van het Besluit dagloonregels
werknemersverzekeringen;
h. refertejaar: refertejaar, bedoeld
in artikel 1 van het Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen;
i. maatgevende arbeid: uitgeoefende
arbeid door gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, als
bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO,
de artikelen 2:2, eerste lid, en 3:1,
eerste lid, van de Wet Wajong
en in artikel 1, onder maatmaninkomen, van de
Wet WIA;
j. loondervingsuitkeringen:
loondervingsuitkeringen, bedoeld in artikel 1
van het Inkomensbesluit Wet WIA, alsmede de
uitkeringen en inkomensvoorzieningen op grond van de Wet WIA, de WAO,
de WAZ en de Wet Wajong
en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die daarmee naar hun strekking
overeenkomen.
Art. 2.
De
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
-1. De arbeidsongeschiktheidsbeoordeling,
bedoeld in de WAO, de WAZ
en de Wet Wajong en de beoordeling van volledige en duurzame
arbeidsongeschiktheid of de mate van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid,
bedoeld in de Wet WIA, worden gebaseerd op een
verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidsdeskundig onderzoek.
-2. Van het arbeidsdeskundig onderzoek
kan worden afgezien:
a. gedurende de periode waarin
uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat
betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft;
b. indien uit het
verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene
benutbare mogelijkheden heeft maar dat hij die mogelijkheden
naar verwachting binnen drie maanden zal verliezen, en dit
verlies in een verzekeringsgeneeskundig onderzoek wordt
vastgesteld;
c. indien uit
verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene
benutbare mogelijkheden heeft maar dat hij wegens zijn
terminale ziekte een zodanig slechte levensverwachting heeft
dat hij die mogelijkheden naar verwachting binnen afzienbare
termijn zal verliezen, en dit verlies in een
verzekeringsgeneeskundig onderzoek wordt vastgesteld;
d. indien uit
verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene
zodanig wisselend belastbaar is voor arbeid dat betrokkene
geen benutbare mogelijkheden heeft.
-3. Indien uit het
verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene geen
benutbare mogelijkheden heeft maar betrokkene die mogelijkheden
naar verwachting na verloop van een periode wel zal hebben, vindt
na verloop van die periode opnieuw een verzekeringsgeneeskundig
onderzoek plaats.
-4. Het wisselend belastbaar zijn voor
arbeid, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, wordt ten minste
driemaal in een verzekeringsgeneeskundig onderzoek vastgesteld.
-5. Benutbare mogelijkheden als bedoeld
in het tweede tot en met het vierde lid zijn alleen dan niet
aanwezig, indien:
a. betrokkene is opgenomen in een ziekenhuis of in een
instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van
de Wet
toelating zorginstellingen die zorg
verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten, met
uitzondering van een inrichting waar geestelijk gestoorde delinquenten
van overheidswege verpleegd worden;
b. betrokkene bedlegerig is;
c. betrokkene voor het
uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven dermate
afhankelijk is dat hij lichamelijk niet zelfredzaam is; of
d. betrokkene
als gevolg van een ernstige psychische stoornis
in zijn
zelfverzorging, in zijn directe samenlevingsverband alsook
in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet
of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet
zelfredzaam is.
-6. Van het arbeidsdeskundig onderzoek
kan worden afgezien indien de verzekeringsarts vaststelt dat
betrokkene niet ongeschikt is tot het verrichten van zijn
laatstelijk uitgeoefende arbeid.
-7. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel
nadere regels worden gesteld.
HOOFDSTUK
2
Het
verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Art. 3.
Doel verzekeringsgeneeskundig onderzoek
-1. Het verzekeringsgeneeskundig
onderzoek strekt ertoe vast te stellen of betrokkene tengevolge
van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot
werken.
-2. Daarbij onderzoekt de
verzekeringsarts of bij betrokkene sprake is van vermindering of
verlies van lichamelijke of psychische structuur of functie, die
vermindering of verlies van normale gedragingen en activiteiten en
van normale sociale rolvervulling tot gevolg heeft.
-3. Tevens stelt de verzekeringsarts
vast welke beperkingen betrokkene in zijn functioneren in arbeid
ondervindt tengevolge van het verlies of vermindering van
vermogens, bedoeld in het tweede lid, alsmede in welke mate
betrokkene belastbaar is voor arbeid.
Art. 4.
Kwaliteitseisen verzekeringsgeneeskundig onderzoek
-1. Het verzekeringsgeneeskundig
onderzoek voldoet aan de volgende vereisten:
a. de gebruikte
onderzoeksmethoden, argumentatie, bevindingen en conclusies
van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek worden
schriftelijk vastgelegd;
b. een door een andere
verzekeringsarts uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig
onderzoek zal tot dezelfde bevindingen en conclusies kunnen
leiden;
c. de redeneringen en
conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn
vrij van innerlijke tegenspraak.
-2. De vaststellingen en het onderzoek,
bedoeld in artikel 3, geschieden aan de hand van algemeen
aanvaarde verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethoden die gericht
zijn op het kunnen vaststellen van ongeschiktheid tot werken als
gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling.
HOOFDSTUK
3
Het
arbeidsdeskundig onderzoek
Art.
5. Doel arbeidsdeskundig onderzoek
Het arbeidsdeskundig onderzoek strekt tot vaststelling van:
a. de mate van
arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel
18 van de WAO,
zoals dit artikel luidt sinds 1 augustus 1993, artikel
2 van de WAZ en artikel
3:1 van de Wet Wajong;
b. volledige en duurzame
arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel
2:5, eerste lid, van de Wet Wajong.
c. volledige arbeidsongeschiktheid
als bedoeld in artikel 4 van de Wet
WIA;
dan wel
d. de mate van gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid, bedoeld in artikel 5 van
de Wet WIA, en de beoordeling van wat
iemand met arbeid kan verdienen, bedoeld in artikel
2:5, eerste lid, van de Wet Wajong.
Daartoe wordt het maatmaninkomen per uur van betrokkene vergeleken met
hetgeen hij met arbeid kan verdienen.
§ 1.
Maatmaninkomen
Art.
6. Maatmaninkomen WAO, Wet WIA, WAZ en Wet Wajong
-1. Het maatmaninkomen WAO
is het
inkomen per uur dat gezonde personen, bedoeld in artikel
18, eerste lid, van de WAO, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-2. Het maatmaninkomen WAZ
is het
inkomen per uur dat gezonde personen, bedoeld in artikel
2, eerste lid, van de WAZ, met arbeid als verzekerde,
bedoeld in artikel 3 van de
WAZ,
gewoonlijk verdienen.
-3. Het maatmaninkomen Wet
Wajong is voor de jonggehandicapte die:
a. geen inkomsten uit arbeid
geniet, 108% van het bedrag dat voor een werknemer van
dezelfde leeftijd geldt als minimumloon per uur op grond
van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag;
b. inkomsten uit arbeid
geniet, het inkomen dat een niet-jonggehandicapt persoon
van dezelfde leeftijd met de door de jonggehandicapte
feitelijk verrichte arbeid gedurende de normale, volledige
werkweek per uur zou verdienen.
-4. Het maatmaninkomen van de
jonggehandicapte, bedoeld in het derde lid, wordt hoger gesteld,
en ten minste op een bedrag gelijk aan anderhalfmaal het bedrag
dat voor de belanghebbende geldt als minimumloon per uur op
grond van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, indien de
jonggehandicapte:
a. arbeidsongeschikt is
geworden binnen één jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
behalen van een diploma, dan wel na het behalen van een
diploma, aan een beroepsgerichte opleiding die opleidt
voor een beroep waarvan het aanvangssalaris ten minste
gelijk is aan anderhalfmaal het bedrag dat voor een
werknemer van dezelfde leeftijd geldt als minimumloon op
grond van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag;
b. tijdens de
arbeidsongeschiktheid doch uiterlijk op de dag dat hij de
leeftijd van 30 jaar bereikt, een diploma behaalt van een
beroepsgerichte opleiding die opleidt voor een beroep
waarvan het aanvangssalaris ten minste gelijk is aan
anderhalfmaal het bedrag dat voor een werknemer van
dezelfde leeftijd geldt als minimumloon op grond van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
-5. Indien de vaststelling van het maatmaninkomen met toepassing van het
vierde lid tot een hoger maatmaninkomen leidt dan de vaststelling van
het maatmaninkomen met toepassing van het derde lid, wordt uitgegaan van
het eerstgenoemde maatmaninkomen.
-6. In de gevallen waarin artikel
43a van de WAO, artikel
2:3, tweede lid, 2:17 of 3:21
van de Wet Wajong,¹
artikel 48, eerste lid, aanhef en onder b
en c, 50, eerste lid, aanhef en onder
b, of 55, eerste lid, aanhef en onder
b en c, van de Wet WIA toepassing
vindt, alsmede in de gevallen waarin dat niet het geval is omdat artikel 29b
van de Ziektewet
toepassing kan vinden, wordt het maatmaninkomen niet lager vastgesteld
dan het maatmaninkomen dat voor de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid of mate van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid in
aanmerking zou worden genomen indien de uitkering niet zou zijn
ingetrokken, dan wel indien aan het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel 19 van de
WAO, artikel 2:3
of 3:3 van de Wajong of artikel 23
van de Wet WIA, recht zou hebben bestaan op een
dergelijke uitkering.
-7. In de gevallen waarin, na eerdere
intrekking van een uitkering op grond van de WAO, de Wet Wajong of de Wet
WIA,
dan wel na het eerder niet toekennen van een uitkering aan het einde van
de wachttijd, bedoeld in artikel 19 van de
WAO, artikel 2:3
of 3:3 van de
Wet Wajong of artikel 23
van de Wet WIA, bij de vaststelling van het
maatmaninkomen wordt uitgegaan van arbeid op basis waarvan voor de
betrokkene reeds eerder een maatmaninkomen is vastgesteld, wordt het
maatmaninkomen vastgesteld op het maatmaninkomen dat voor de
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid of mate van
gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid in aanmerking zou worden genomen
indien de uitkering niet zou zijn ingetrokken, dan wel indien aan het
einde van de genoemde wachttijd recht zou hebben bestaan op een
dergelijke uitkering.
1. Volgens de redactie dient
"Wajong," te worden vervangen
door: Wajong of.
Art.
6a. Vervallen.
Art. 7.
Inkomsten en
verdiensten voor vaststelling van het maatmaninkomen
-1. Bij de vaststelling van het
maatmaninkomen, bedoeld in artikel 6, eerste en derde
lid, en in artikel 1 van de Wet
WIA, worden het inkomen, de inkomsten uit arbeid en de verdiensten
van de gezonde of de niet-jonggehandicapte persoon bepaald door van de
verzekerde of de jonggehandicapte in aanmerking te nemen:
a. het loon in de zin van artikel
16 van de Wet financiering sociale
verzekeringen voor de werknemer in de zin van die
wet;
b. het loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964, voor zover de verzekerde of de
jonggehandicapte niet als werknemer als bedoeld in onderdeel a
inkomen verdient;
c. het belastbaar loon of het
belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in paragraaf
3.3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.4.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid
betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdeel a
en b, en 3.92 van die
wet, voor zover de verzekerde of de jonggehandicapte geen werknemer
is als bedoeld in de onderdelen a en b;
d. de belastbare winst uit
onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek,
bedoeld in artikel 3.74 van die
wet en vermeerderd met de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in artikel
3.79a van die
wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in
artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van die
wet, niet geacht worden te behoren tot de winst.
-2. Indien de berekening van het resultaat
uit overige werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
of de winst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, leidt tot
een negatief bedrag, wordt het resultaat onderscheidenlijk de winst op
nihil gesteld.
-3. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel a en b, wordt voor de vaststelling van het
maatmaninkomen, bedoeld in artikel 6, eerste en derde
lid, en in artikel 1 van de Wet
WIA niet als inkomen, inkomsten uit arbeid of verdiensten in
aanmerking genomen:
a. het loon uit vroegere
dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964;
b. loondervingsuitkeringen, alsmede
de door de werkgever betaalde aanvullingen op die uitkeringen;
c. een vergoeding voor de
inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel
46 van de Zorgverzekeringswet;
d. de eindheffingsbestanddelen als
bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met h,
van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Art.
7a. De berekening van het maatmaninkomen bij inkomsten en
verdiensten in de vorm van loon
-1. Het maatmaninkomen, bedoeld in artikel
6, eerste en derde lid, en artikel 1 van
de Wet WIA, wordt vastgesteld door het loon,
bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a en
b, dat de verzekerde of de jonggehandicapte met de maatgevende
arbeid in het refertejaar heeft verdiend te delen door het aantal uren
van die maatgevende arbeid in het refertejaar, waarbij het loon geacht
wordt te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de
inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.
-2. Bij de toepassing van het eerste lid
worden het loon verdiend met maatgevende arbeid en het aantal uren van
de maatgevende arbeid in volledige aangiftetijdvakken in aanmerking
genomen en worden daarbij de aangiftetijdvakken buiten beschouwing
gelaten waarin geen sprake is van maatgevende arbeid van de verzekerde
of de jonggehandicapte of waarin sprake is van arbeid in een urenomvang
die niet maatgevend is.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt
een andere periode van maximaal één jaar vast waarover het inkomen en
het aantal uren van de maatgevende arbeid in aanmerking worden genomen,
indien in het refertejaar geen sprake is van maatgevende arbeid of van
arbeid van een urenomvang die maatgevend is.
-4. Indien de verzekerde of de
jonggehandicapte feitelijk geen inkomen heeft verdiend met maatgevende
arbeid of arbeid van een urenomvang die maatgevend is, neemt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het inkomen in aanmerking
dat de verzekerde of de jonggehandicapte zou hebben verdiend indien hij
de maatgevende arbeid of arbeid in de urenomvang die maatgevend is, zou
hebben verricht, alsmede het aantal uren van die arbeid.
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan loon in aanmerking nemen waarvan geen opgave
is gedaan in de aangiftetijdvakken in het refertejaar, indien de
verzekerde aantoont dat hij daarop wel recht had in die
aangiftetijdvakken.
Art. 8.
Indexering
maatmaninkomen en maatmaninkomen bij hernieuwde vaststelling,
heropening, herleving of herziening van de mate van
arbeidsongeschiktheid
-1. Bij de vaststelling van het
maatmaninkomen, bedoeld in artikel 6, eerste en derde
lid, en artikel 1 van de Wet
WIA, worden het inkomen, de inkomsten uit arbeid en de verdiensten,
bedoeld artikel 7, eerste lid, die bij toepassing van artikel
7a in aanmerking worden genomen, vanaf het begin van het
eerste in aanmerking genomen aangiftetijdvak aangepast aan de
eerstgepubliceerde cijfers van de index van de CAO-lonen per uur
inclusief bijzondere beloningen, zoals die uiterlijk ten tijde van het
arbeidsdeskundige onderzoek, bedoeld in artikel 5, door
het Centraal bureau voor de statistiek wordt
gepubliceerd.
-2. Nadat een eerste beoordeling in verband
met de vaststelling, bedoeld in artikel 5, heeft
plaatsgevonden, wordt bij een hernieuwde vaststelling, een heropening,
een herleving of een herziening van de uitkering geen rekening gehouden
met na die eerste beoordeling opgetreden wijzigingen in het
maatmaninkomen, met dien verstande dat bij de hernieuwde vaststelling
van de mate van arbeidsongeschiktheid het maatmaninkomen wordt aangepast
aan de eerstgepubliceerde cijfers van de index van de CAO-lonen per uur
inclusief bijzondere beloningen, zoals dit uiterlijk ten tijde van het
arbeidsdeskundige onderzoek door het Centraal bureau voor de statistiek
wordt gepubliceerd.
-3. In gevallen waarin het maatmaninkomen
voor het laatst is vastgesteld vóór 1 januari 2001 vindt bij de
eerstvolgende vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid na deze
datum naast de aanpassing, bedoeld in het tweede lid, eenmalig een extra
verhoging van het maatmaninkomen plaats overeenkomstig artikel 3 van de Wet
brutering overhevelingstoeslag lonen.
§ 2.
Resterende verdiencapaciteit
Art.
9. Vaststelling in aanmerking te nemen arbeid
Bij bepaling van hetgeen betrokkene nog met arbeid kan verdienen,
worden de volgende regels in acht genomen:
a. in aanmerking wordt genomen die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee
betrokkene per uur het meest kan verdienen, waaronder mede wordt
begrepen arbeid waarvoor bekwaamheden nodig zijn die algemeen
gebruikelijk zijn en binnen zes maanden kunnen worden verworven, tenzij
betrokkene niet over dergelijke bekwaamheden beschikt en als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of
gebrek dergelijke bekwaamheden niet kan verwerven. Onder deze
bekwaamheden worden ten minste verstaan mondelinge beheersing van de
Nederlandse taal en eenvoudig computergebruik. Deze arbeid wordt nader
omschreven in de vorm van ten minste drie verschillende in Nederland
uitgeoefende functies. Deze functies vertegenwoordigen ieder ten minste
drie arbeidsplaatsen. De gegevens met betrekking tot de in aanmerking
genomen functies, met alle daaraan verbonden specifieke aspecten inzake
belasting, beloning en opleidingseisen, mogen op het moment van de datum
waarop de ter gelegenheid van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
gegeven beschikking betrekking heeft niet ouder zijn dan 24 maanden;
b. bij het bepalen van de urenomvang van de onder a bedoelde functies
mogen ook functies in aanmerking worden genomen met een omvang groter
dan de urenomvang van de door de in artikel 6 bedoelde gezonde persoon
uitgeoefende arbeid, tenzij betrokkene voor een geringer aantal uren
belastbaar is, in welk geval de urenomvang van de onder a bedoelde
functies niet meer bedraagt dan dat aantal uren;
c. arbeid die door betrokkene
alleen kan worden verricht na toepassing van zodanige
voorzieningen dat het accepteren van die toepassing in
redelijkheid niet van een werkgever kan worden verlangd,
blijft bij de toepassing van onderdeel a buiten beschouwing;
d. arbeid die niet door
betrokkene kan worden verricht omdat voor het verrichten van
die arbeid een in de wet of collectieve arbeidsovereenkomst
neergelegde functionele leeftijdsgrens geldt die door
betrokkene is overschreden of nog niet is bereikt, blijft
bij de toepassing van onderdeel a buiten beschouwing;
e. indien betrokkene zodanige
kenmerken heeft dat van een werkgever in redelijkheid niet
kan worden verlangd hem in bepaalde arbeid te werk te
stellen, blijft die arbeid bij de toepassing van onderdeel a
buiten beschouwing;
f. bij de toepassing van onderdeel
a blijft arbeid die meer dan
incidenteel tussen 0.00 uur en 6.00 uur wordt verricht buiten
beschouwing, tenzij de gezonde persoon, bedoeld in artikel 6, in
dergelijke arbeid werkzaam is;
g. Indien betrokkene de leeftijd van 23 jaar
nog niet heeft bereikt, wordt onderdeel a toegepast alsof hij die
leeftijd heeft bereikt;
h. in afwijking van de
onderdelen b en f wordt uitgegaan van de arbeid die
feitelijk wordt verricht, mits dit leidt tot een lagere mate
van arbeidsongeschiktheid dan de met toepassing van
onderdeel a en artikel 10 vastgestelde mate van
arbeidsongeschiktheid;
i. voor de toepassing van onderdeel
h wordt onder arbeid die feitelijk
wordt verricht mede verstaan arbeid die na het intreden van de
arbeidsongeschiktheid feitelijk is verricht en waartoe de betrokkene met
zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Art.
10. Berekening loonwaarde in aanmerking te nemen arbeid
-1. Bij de berekening van hetgeen
betrokkene met arbeid kan verdienen, wordt:
a. uitgegaan van de
urenomvang van de arbeid die bij de toepassing van artikel
7 en 7a in aanmerking wordt genomen, tenzij betrokkene voor een
geringer aantal uren belastbaar is, in welk geval van dit
aantal wordt uitgegaan; en
b. in aanmerking genomen het
loon van de middelste van de in artikel 9, onderdeel a,
bedoelde functies.
-2. Indien betrokkene de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt,
wordt het inkomen per uur dat hij na toepassing van het eerste lid met
arbeid kan verdienen, verlaagd door het te vermenigvuldigen met het
minimumloonpercentage, bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, tenzij wordt uitgegaan van
feitelijke inkomsten uit arbeid.
-3. Indien het inkomen per uur dat
betrokkene na toepassing van het eerste en tweede lid met arbeid kan
verdienen meer bedraagt dan zijn maatmaninkomen per uur, wordt
hetgeen hij met arbeid kan verdienen niet hoger gesteld dan zijn
maatmaninkomen per uur.
-4. Het derde lid vindt geen
toepassing:
a. indien wordt uitgegaan
van de feitelijke inkomsten uit arbeid; of
b. indien betrokkene nog tot
arbeid in dezelfde omvang in staat is als de in artikel 6
bedoelde gezonde persoon.
-5. Voor zover het niet gaat om feitelijke
inkomsten uit arbeid, wordt onder het loon, bedoeld in dit artikel,
verstaan: het loon in de zin van artikel 16
van de Wet financiering sociale verzekeringen
voor de werknemer in de zin van die wet dat
voor de desbetreffende functie gebruikelijk is. Hierbij wordt geen
rekening gehouden met incidentele loonbestanddelen of loonbestanddelen
die op de persoon van de werknemer betrekking hebben.
-6. De feitelijke inkomsten uit arbeid in
dit artikel worden vastgesteld door hetgeen daarvoor op grond van artikel
7 in aanmerking wordt genomen.
§
3. Overige
regels
Art.
11. Nadere regels
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de berekening van het maatmaninkomen en de resterende
verdiencapaciteit ten behoeve van de vaststelling, bedoeld in artikel
5. Daarbij kan worden
bepaald wat mede wordt verstaan onder bekwaamheden die algemeen
gebruikelijk zijn en binnen zes maanden kunnen worden verworven als
bedoeld in artikel 9, onderdeel a.
[Rniagb]
Art.
11a. Correcties voor vakantiebijslag en periodieke salarissen
-1. Bij de vaststelling van het
maatmaninkomen, bedoeld in artikel 7a, en van
de feitelijke inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel 10,
zesde lid, wordt het in de relevante aangiftetijdvakken opgebouwde
bedrag aan vakantiebijslag en extra periodiek salaris op de wijze als is
bepaald in artikel 3, eerste lid, van het
Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen in aanmerking genomen.
-2. Bij de vaststelling van het
maatmaninkomen, bedoeld in artikel 7a, en van
de feitelijke inkomsten uit arbeid, bedoeld in artikel 10,
zesde lid, wordt niet in aanmerking genomen het in de relevante
aangiftetijdvakken betaalde bedrag aan vakantiebijslag en extra
periodiek salaris, op de wijze als bepaald is in artikel
3, eerste lid, van het Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen.
HOOFDSTUK
4
Overgangs-
en slotbepalingen
Art. 12.
Overgangsbepaling maatmaninkomen
Indien de mate van arbeidsongeschiktheid voor de eerste maal is
vastgesteld op een datum gelegen vóór 10 augustus 1994, wordt, bij
een hernieuwde vaststelling of een herziening van de uitkering na
laatstgenoemde datum, geen rekening gehouden met de sedert de
laatste vaststelling of herziening van de mate van
arbeidsongeschiktheid opgetreden wijzingen in het maatmaninkomen.
Voor personen, bedoeld in de artikelen
XX, XXI, XXIV
en XXV
van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen, zoals deze artikelen luidden vóór de inwerkingtreding van de eerste fase van de
Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, wordt de in
de eerste zin bedoelde datum gesteld op 1 januari 1998.
Art. 12a.
Overgangsbepaling wijzigingsbesluit met betrekking tot
functieduiding en maatmaninkomensgarantie arbeidsongeschiktheidswetten
-1. De artikelen 2, 6,
9, 10 en 11, zoals die luidden op de dag
vóór
inwerkingtreding van het Besluit van 18 augustus 2004 tot wijziging van
het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten met betrekking tot de
te duiden functies alsmede in verband met de introductie van een
maatmaninkomensgarantie en enkele andere onderwerpen (Stb. 2004, 434), blijven
van toepassing op een recht op uitkering met een ingangsdatum vóór of op
die dag indien betrokkene vóór of op 1 juli 1959 is geboren.
-2. In
afwijking van het eerste lid is artikel 9, onderdeel a,
laatste zin, van toepassing op een recht op uitkering als bedoeld in het
eerste lid van de betrokkene die vóór of op 1 juli 1959 is geboren.
-3. Onverminderd het eerste lid alsmede artikel
13, tweede lid, zijn op personen wier mate van arbeidsongeschiktheid voor de eerste maal is
vastgesteld op een datum gelegen vóór inwerkingtreding van het Besluit
van 18 augustus 2004 tot wijziging van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten met betrekking tot de te duiden functies
alsmede in verband met de introductie van een maatmaninkomensgarantie
en enkele andere onderwerpen (Stb. 2004, 434), de artikelen
2, 6, 8, 9, 10 en
11, zoals deze luiden na inwerkingtreding van dat besluit, eerst van
toepassing indien een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid
plaatsvindt ter zake waarvan een beschikking wordt afgegeven, bij
gelegenheid van die beoordeling.
-4. In afwijking van het derde lid is artikel
6, zesde lid, niet van
toepassing in de gevallen waarin artikel 43a
van de WAO, artikel 20 van
de WAZ of artikel 19 van de
Wajong toepassing heeft gevonden vóór de
datum van inwerkingtreding van het Besluit van 18 augustus 2004 tot
wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten met
betrekking tot de te duiden functies alsmede in verband met de
introductie van een maatmaninkomensgarantie en enkele andere onderwerpen
(Stb. 2004, 434).
Art.
12b. Overgangsrecht met betrekking tot de bepaling van het
maatmaninkomen en de resterende verdiencapaciteit
-1. Op de persoon die vóór 1 juli 2008
recht had op een uitkering op grond van de WAO,
WAZ, Wajong of Wet
WIA worden, onverminderd artikel 8, tweede lid, de artikelen
7 en 7a slechts toegepast indien de
maatgevende arbeid die bepalend is voor het maatmaninkomen, na 1 juli
2008 is gewijzigd, waarbij deze artikelen voor de uitkering op grond van
de WAZ van overeenkomstige toepassing zijn.
-2. Indien het inkomen, de inkomsten uit
arbeid en de verdiensten, bedoeld in artikel 7,
betrekking hebben op aangiftetijdvakken die zijn gelegen vóór 1
januari 2006, wordt voor de bepaling van het inkomen, de inkomsten uit
arbeid of de verdiensten uitgegaan van het loon waarnaar de premies met
toepassing van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering, met uitzondering van artikel 9
van die wet, zoals die wet
luidde ten tijde van die aangiftetijdvakken, zou zijn geheven. Hierbij
wordt geen rekening gehouden met het betaalde bedrag aan vakantiebijslag
en periodieke loonelementen, maar met een evenredig deel van de
vakantiebijslag en periodieke loonelementen.
-3. Tot 1 juli 2010 is artikel
10, vijfde lid, niet van toepassing op niet door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
geactualiseerde functies die worden gebruikt bij de bepaling van hetgeen
betrokkene nog met arbeid kan verdienen als bedoeld in de artikelen
9 en 10.
-4. Op de persoon die op 30 juni 2008 recht
had op uitkering op grond van de WAO, WAZ, Wajong of Wet WIA en
inkomsten uit arbeid had, wordt artikel 10, zesde lid,
pas van toepassing indien na 30 juni 2008 een onderzoek plaatsvindt als
bedoeld in artikel 5 bij gelegenheid van dat onderzoek.
Art. 13.
Intrekking Schattingsbesluit
WAO, WAZ en Wajong
-1. Het Schattingsbesluit
WAO, WAZ en Wajong wordt ingetrokken.
-2. In afwijking van het eerste lid
blijft artikel
10 van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong, zoals dat
luidde op de dag vóór de inwerkingtreding van deze wet ¹, van
toepassing op personen op wie dit artikel op die dag van
toepassing was.
1. Volgens de redactie
dient "deze wet" te worden vervangen door: dit besluit.
Art. 14.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Art. 15.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
's-Gravenhage, 8 juli 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de vijfentwintigste juli 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[8 juli 2000]
1.
Algemeen
Voor de toepassing van de
verschillende wettelijke arbeidsongeschiktheidsregelingen is de kernvraag die
beantwoord moet worden of en in hoeverre een zieke
werknemer of zelfstandige, of een jonggehandicapte arbeidsongeschikt is. De
algemene definitie van het arbeidsongeschiktheidscriterium is vastgelegd in de
artikel 18 van de WAO,
artikel 2 van de WAZ
en artikel 2 van
de Wajong. Tevens wordt in deze artikelen de mogelijkheid geopend om
ter uitvoering van deze artikelen nadere en zo nodig afwijkende regels
te stellen. Tot nu toe is van deze mogelijkheid vrij spaarzaam gebruik
gemaakt. De reden hiervoor is dat het vaststellen van de mate van
arbeidsongeschiktheid in grote mate een zaak is van een professioneel oordeel van
de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige in het individuele geval.
De eerste keer dat het
noodzakelijk bleek van de nadere regelingsbevoegdheid gebruik te maken was
1994, toen het Schattingsbesluit (Stb. 1994, 596) werd
getroffen. De aanleiding voor deze nadere regeling was de Wet terugdringing
beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA, Stb. 1993, 412) die
per 1 augustus 1993 in werking was getreden. Met deze wet werden in
het arbeidsongeschiktheidscriterium verschillende wijzigingen
doorgevoerd
die erop gericht waren de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van karakter te doen
veranderen: niet langer moest datgene wat iemand
niet meer kan allesbepalend zijn, voortaan zou datgene wat iemand nog
wél kan centraal moeten komen te staan. Dit uitgangspunt heeft tot
aanpassingen geleid zowel aan de arbeidskundige als aan de medische kant
van het wettelijk arbeidsongeschiktheidscriterium.
De arbeidskundige
aspecten van het gewijzigde arbeidsongeschiktheidscriterium zijn vervolgens
uitgewerkt in het Schattingsbesluit. De nadere regels van dit
besluit betroffen derhalve in hoofdzaak de wijze van vaststellen van de
resterende verdiencapaciteit, dat wil zeggen de functies die daarbij in aanmerking
genomen dienen te worden en de berekening van de bij die functies
behorende loonwaarde.
De medische kant van het
arbeidsongeschiktheidscriterium is in het Schattingsbesluit toen
niet geregeld. Wel is in de TBA-wetgeving een belangrijke aanwijzing
aan de medische beoordelingspraktijk gegeven door aan het wettelijk arbeidsongeschiktheidscriterium toe te voegen dat
het verlies aan
verdiencapaciteit een "rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg"
moet zijn van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling. De aandacht
zou, aldus de memorie van toelichting bij de Wet TBA
(Kamerstukken II 1992-1993, 22 824, nr 3,
blz. 26) met name gericht moeten worden op de
implementatie van het begrip "rechtstreeks en objectief medisch vast te
stellen". Daartoe zouden in de uitvoeringspraktijk procedures ontwikkeld
moeten worden gericht op het standaardiseren van het medisch
beoordelingsproces.
De uitvoeringspraktijk is
er inmiddels in geslaagd de medische beoordelingspraktijk te voorzien van standaarden en richtlijnen. Twee
daarvan zijn cruciaal. De
eerste richtlijn, de standaard "geen duurzaam benutbare
mogelijkheden" (GDBM) van 1 april 1996 ¹ geeft als hoofdregel dat het
verzekeringsgeneeskundig onderzoek in principe altijd gevolgd wordt door een
arbeidsdeskundig onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden. Alleen indien de ernst
van de klachten zelfstandig functioneren onmogelijk maakt, kan van arbeidsdeskundig onderzoek worden afgezien.
Deze richtlijn waarborgt derhalve dat arbeidsdeskundig onderzoek alleen dan achterwege
blijft
indien een dergelijk onderzoek, gegeven de gezondheidstoestand van
betrokkene, geen zin zou hebben.
1. Een eerdere versie van
deze richtlijn was vanaf januari 1995 in
gebruik.
De tweede essentiële
richtlijn "medisch arbeidsongeschiktheidscriterium" (MAOC) is sinds
september 1996 in gebruik. Deze richtlijn beschrijft het doel van
het verzekeringsgeneeskundig onderzoek (het in kaart brengen van de
mogelijkheden die betrokkene nog heeft om - in arbeid - te functioneren) en de werkwijze die daarbij gehanteerd moet worden. Een belangrijk
kenmerk van deze werkwijze is dat niet de (oorzaak van de) ziekte
als zodanig centraal gesteld wordt, maar de mogelijkheden die betrokkene nog heeft om een arbeidsrol te vervullen,
ondanks zijn met ziekte samenhangende beperkingen en handicaps. Essentieel voor deze
werkwijze is voorts dat de beoordeling voldoet aan de volgende eisen: de
beoordeling moet toetsbaar zijn, reproduceerbaar en consistent.
In de debatten met de
Tweede Kamer over de toepassing van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium is met name deze richtlijn
uitvoerig aan de orde geweest. Punt van discussie was niet zozeer de inhoud van deze
richtlijn, als wel de juridische status ervan. De Vaste Commissie SZW van de
Tweede Kamer stond overwegend positief tegenover de suggestie om
de richtlijn een wettelijke status te geven, vanuit de gedachte dat
daarmee buiten twijfel zou worden gesteld dat niet alleen de
uitvoeringsinstellingen die - gelet op het besluit van het Lisv (Stcrt. 17 april
1997, nr. 74) jegens het Lisv [Landelijk instituut sociale
verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] gehouden zijn de richtlijnen na te leven
- maar ook de rechterlijke macht aan de richtlijn gebonden is.
Het kabinet heeft
besloten deze suggestie op te volgen - hetgeen bij brief van 9 november
1998, Kamerstukken II 1998-1999, 22 187, nr. 69, aan de Voorzitter van de Tweede
Kamer is medegedeeld - en heeft daarbij het volgende overwogen. De verzekeringsgeneeskundige beoordeling maakt
een essentieel onderdeel
uit van het proces van claimbeoordeling. Regels omtrent de
verzekeringsgeneeskundige beoordeling zijn dan ook van zodanig belang dat deze
op het niveau van wetgeving gesteld behoren te worden. Om die reden
wordt de bestaande algemene maatregel van bestuur, het Schattingsbesluit, uitgebreid met een regeling van de
medische component van de arbeidsongeschiktheidsschatting. Deze codificatie is beperkt
tot voornoemde richtlijnen, aangezien die de kern van de
verzekeringsgeneeskundige beoordeling betreffen. De belangrijkste overwegingen van het
kabinet bij het besluit om de hoofdzaken van de richtlijnen op het
niveau van wetgeving te tillen zijn het bevorderen van de rechtszekerheid en
het bereiken van een zo groot mogelijke uniformiteit in de
uitvoering. De verplichting van de uitvoeringsinstellingen om de richtlijnen na te
leven wordt vastgelegd met een wettelijke regeling en
de toetsing of de regeling wordt nageleefd (niet alleen - in voorkomende
gevallen - door de rechter, maar ook door het Ctsv [College van toezicht
sociale verzekeringen, zie Inspectie Werk en Inkomen
(IWI), red.]) kan beter worden
gewaarborgd.
Het kabinet is van mening
dat met dit besluit en de bijbehorende toelichting aan de uitvoering meer handvatten worden geboden dan met
de oorspronkelijke
standaarden het geval was. Thans is blijkens Ctsv-onderzoek ¹ in
bepaalde gevallen sprake van verschillende uitleg en toepassing van de
standaarden. Verzekeringsartsen ervaren knelpunten in hun werk, zowel in de
beoordelingssystematiek als in de informatieverschaffing en de organisatie,
waarvoor zij pragmatische oplossingen zoeken. De objectiviteit
kan hierdoor in het geding komen. Door de implementatie van dit
besluit gecombineerd met organisatorische aanpassingen in de
uitvoeringsorganisatie, zal een meer objectieve beoordeling mogelijk
worden.
1. "In de spreekkamer van
de verzekeringsarts", een onderzoek naar het
verzekeringsgeneeskundige deel van de WAO-claimbeoordeling (april 2000).
Met codificatie van deze
richtlijnen vervallen de richtlijnen voor zover het betreft de WAO, de
WAZ
en de Wajong. De wijze waarop in dit besluit de kernbegrippen uit de
richtlijnen zijn vastgelegd en toegelicht, maakt deze richtlijnen
overbodig voor de drie arbeidsongeschiktheidswetten. Dit neemt niet weg dat de
inhoud ervan van belang blijft voor andere regelgeving zoals met
betrekking tot de reïntegratie. Ook op een aantal andere terreinen blijven
nog richtlijnen van het Lisv van kracht, en op sommige gebieden (herstelgedrag bijvoorbeeld) zijn zij nog in ontwikkeling.
Vergeleken met het
Schattingsbesluit WAO,
WAZ en Wajong is het onderhavige besluit in belangrijke mate nieuw van opzet en indeling. Het
meest opvallend is
uiteraard de codificatie van de Lisv-richtlijn
"medisch arbeidsongeschiktheidscriterium"
alsmede de Lisv-standaard "geen duurzaam benutbare mogelijkheden". Dit heeft ertoe geleid dat in het nieuwe Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten de arbeidsongeschiktheidsschatting
is gesplitst in een hoofdstuk 2 "verzekeringsgeneeskundig onderzoek" en een
hoofdstuk 3
"arbeidsdeskundig onderzoek". De materie
van het huidige Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong is dan ook grotendeels terug te vinden in het
nieuwe hoofdstuk 3. Van
de gelegenheid is echter gebruik gemaakt om de teksten in
overeenstemming te brengen met de Aanwijzingen voor de regelgeving. Ook is
gekozen voor een meer logische opzet van het arbeidsdeskundig deel van
de schatting. De bepalingen inzake maatmaninkomen en resterende
verdiencapaciteit zijn gegroepeerd en ondergebracht in aparte paragrafen. De
vaststelling van de resterende verdiencapaciteit is onderverdeeld in twee
artikelen, betreffende de in aanmerking te nemen arbeid en de berekening van de loonwaarde van die arbeid. In de
artikelsgewijze toelichting volgt hierover meer.
Het uitvoeringstechnisch
advies van het Lisv en de toets op de toezichtbaarheid door het
Ctsv hebben geleid tot bijstellingen van het
concept-besluit.
2. Geen duurzaam
benutbare mogelijkheden
Het eerste kernpunt bij
de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling dat hier wordt gecodificeerd is de
standaard "geen duurzaam benutbare mogelijkheden". Deze standaard is
ontwikkeld om voor de verzekeringsarts eenduidig aan te geven
aan de hand van welke overwegingen de verzekeringsarts
cliënten volledig arbeidsongeschikt kan achten zonder arbeidsdeskundige
beoordeling. Dit is kort gezegd het geval wanneer de cliënt als gevolg van de
ernst van zijn stoornissen niet meer zelfstandig kan functioneren. Het zal
hier veelal de meest ernstige ziektegevallen betreffen die de verzekeringsarts ter beoordeling krijgt voorgelegd. Tevens
worden in dit verband voorwaarden gegeven waaronder de verzekeringsarts zo nodig
herhaaldelijk volledige arbeidsongeschiktheid kan aannemen bij
cliënten met sterk veranderende mogelijkheden. In dit onderdeel van het besluit
wordt het afwegingsproces beschreven dat de verzekeringsarts gevolgd
moet hebben indien hij besluit om tot een uitzondering op het principe
"altijd arbeidsdeskundig onderzoek" te
adviseren.
In het systeem van de
arbeidsongeschiktheidsschatting is de rol van de verzekeringsarts dat hij
de algemene mogelijkheden om te functioneren beoordeelt die iedere
cliënt heeft, zonder zich daarbij uit te spreken over specifieke
arbeidsmogelijkheden. Vanzelfsprekend zal bij deze beoordeling door de verzekeringsarts
op de achtergrond ook zijn kennis meespelen over hetgeen noodzakelijk
is voor het functioneren in arbeid, maar in principe is het de
arbeidsdeskundige die dient vast te stellen wat de arbeidsmogelijkheden van
betrokkene zijn. Zoals in de algemene inleiding werd opgemerkt, is sinds
de Wet TBA de kern van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling dat deze gericht dient te
zijn op datgene dat betrokkene nog wel kan. Waar de
meeste ziekten en gebreken nog wel mogelijkheden laten om te functioneren,
zal ook zoveel mogelijk moeten worden nagegaan wat de resterende mogelijkheden betekenen voor de
mogelijkheid om arbeid te
verrichten. Een op reïntegratie gerichte arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
is daarom zoveel mogelijk gericht op het in kaart brengen van
die resterende mogelijkheden tot het verrichten van arbeid, juist ook
omdat daarmee weer mogelijkheden worden geboden om weer in het arbeidsproces te kunnen terugkeren. Het gaat
erom dat zoveel mogelijk
wordt getracht de cliënt zo snel en zo volledig als mogelijk is aan het
arbeidsproces te laten deelnemen.
In een aantal gevallen
echter is dit niet mogelijk. Het gaat daarbij om een minderheid van de
gevallen waarin het evident is dat betrokkene niet kan werken: "hij heeft
geen duurzaam benutbare mogelijkheden" en zal ook op korte termijn niet
in staat zijn om te werken. Het verzekeringsgeneeskundig oordeel over de
duurzaamheid van de mogelijkheden van de cliënt strekt zich in
het algemeen uit tot een termijn van ten minste drie maanden. In dat geval kan
de verzekeringsarts zelfstandig beslissen dat een verzekerde volledig
arbeidsongeschikt is. Diens belemmeringen acht hij dusdanig ernstig dat
betrokkene niet of nauwelijks kan functioneren en het heeft dan ook geen
zin een belastbaarheidspatroon vast te stellen.
Het gaat hier om de
situatie waarin de mogelijkheden van de cliënt om te functioneren op het
moment van onderzoek zo gering zijn dat de cliënt niet of nauwelijks
zelfredzaam is, zijn zelfredzaamheid binnen drie maanden zeker of zeer
waarschijnlijk zal verliezen of indien er sprake is van een in de tijd sterk
wisselende belastbaarheid. Indien de verzekeringsarts op
termijn verbetering verwacht, stelt hij de datum voor een heronderzoek vast.
Indien het gaat om een
situatie van iemand die door een ziekte met terminale afloop een zeer
slechte levensverwachting heeft, geldt niet per definitie de periode van
drie maanden waarbinnen een verslechtering van mogelijkheden te
verwachten is. Er kan dan ook afgezien worden van het arbeidsdeskundig
onderzoek als een verslechtering binnen afzienbare tijd is te verwachten. In het
algemeen kan dan gedacht worden aan een periode van ongeveer een
jaar. In dergelijke gevallen zou een arbeidskundige toetsing zinloos
zijn en
het ligt voor de hand om dan de verzekeringsarts, die de
cliënt als eerste ziet, te laten vaststellen dat van arbeidskundige toetsing
kan worden afgezien. Hij zal betrokkene dan volledig
arbeidsongeschikt verklaren.
Wat zijn nu de concrete
situaties die een uitzondering op het uitgangspunt "altijd arbeidsdeskundig
onderzoek" rechtvaardigen? De
verzekeringsarts stelt
vast dat de cliënt geen benutbare mogelijkheden heeft en dat daarvan ook
duurzaam geen sprake zal zijn, zoals in geval van:
1. opname in ziekenhuis
of AWBZ-erkende instellingen;
2. bedlegerigheid;
3. afhankelijkheid in het
dagelijks leven (ADL);
4. onvermogen tot
persoonlijk en sociaal functioneren.
De meeste van deze
situaties spreken voor zich. Ter toelichting valt hier nog het volgende op te
merken. Onder opname in instelling wordt verstaan opname in een ziekenhuis of een
AWBZ-erkende instelling, niet
zijnde een TBS-instelling, en voor die opname geldt dat ten minste een duur van drie maanden
geprognosticeerd moet zijn.
ADL-afhankelijkheid (dat
is: afhankelijkheid bij het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven) betreft zeer basale dagelijkse
activiteiten die van
belang zijn voor de primaire fysieke zelfstandigheid, zoals eten en drinken,
wassen, toiletgang, binnenshuis lopen en zitten.
Het persoonlijk en
sociaal functioneren heeft betrekking op de situatie waarin het verlies van
zelfredzaamheid van psychische aard is. Onvermogen tot persoonlijk en
sociaal functioneren kan alleen worden aangenomen indien
betrokkene op drie terreinen aantoonbaar disfunctioneert:
a. de zelfverzorging in
het dagelijks leven (het zelfstandig initiatief kunnen nemen tot noodzakelijke handelingen tot behoud van zaken als
hygiëne, dagritme en
structurering van het dagelijks leven);
b. het
samenlevingsverband (gezin, familie);
c. sociale contacten
buiten het gezin, inclusief het onderhouden van werkrelaties.
Voor het aannemen van
onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren is noodzakelijk dat de cliënt op alle drie die terreinen niet kan
functioneren. Indien betrokkene bijvoorbeeld alleen problemen heeft in zijn samenlevingsverband,
impliceert dit immers niet dat hij in arbeid niet kan functioneren. Ook
indien iemand minder goed functioneert in de sociale aspecten van werk,
wil dat niet zeggen dat hij geen andere mogelijkheden heeft tot arbeid en het verwerven van inkomsten. Het moet dus gaan om psychische klachten van zeer ernstige aard.
Voor de volledigheid zij
vermeld dat er nog een situatie is waarin afgezien kan worden van
een arbeidsdeskundig onderzoek. Dit is het geval wanneer de
verzekeringsarts van mening is dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid
omdat betrokkene geschikt is voor het verrichten van de eigen arbeid. Een
arbeidsdeskundig onderzoek is dan overbodig; er zijn immers geen
beperkingen en er is geen verlies van verdiencapaciteit. Het kan ook voorkomen dat
er wel enige beperkingen zijn, maar dat de arts vermoedt dat die niet van invloed zijn op het functioneren in
eigen werk; in dat geval
kan desgewenst de arbeidsdeskundige geraadpleegd worden om meer inzicht te
krijgen in relevante aspecten van het eigen werk. Het verzoek
hiertoe kan zowel door de verzekeringsarts als door de cliënt gedaan
worden. Als in een dergelijk geval blijkt dat betrokkene geschikt is voor eigen werk, is het niet nodig de resterende
verdiencapaciteit van
betrokkene middels het FIS-systeem [Functie-informatiesysteem, red.]
te onderzoeken.
Tot slot wordt opgemerkt
dat het afzien van een arbeidsdeskundig onderzoek niet betekent
dat ook afgezien kan worden van herbeoordelingen. Bij een wettelijk voorgeschreven herbeoordeling komt dan
opnieuw de vraag aan de
orde of een arbeidsdeskundig onderzoek geboden is.
3. Het medisch
arbeidsongeschiktheidscriterium
Een volgend onderdeel van
dit nieuwe Schattingsbesluit betreft het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium. Kort geparafraseerd vereist de
wet dat er voor het recht
op een WAO-uitkering moet worden vastgesteld dat bij een verzekerde
sprake is van ziekte of gebreken die hem beperken in zijn mogelijkheden bij
het verwerven van inkomen door arbeid. Deze paragraaf betreft de
medische kant van deze vraag. Sinds de inwerkingtreding van de WAO is de taak van
de verzekeringsarts om vast te stellen of iemand wegens (na de Wet TBA:
als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van)
ziekte of gebreken ..., geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid
inkomen te verwerven. Met andere woorden: de kernvragen die de
verzekeringsarts dient te beantwoorden zijn: is iemand ziek en in welke mate
belemmert deze ziekte betrokkene te werken?
Het zal duidelijk zijn
dat een eenduidig antwoord op deze vragen soms zeer moeilijk te geven
is. Het stellen van een diagnose is niet altijd eenvoudig; het bestaan
van ziekte wil niet zeggen dat iemand daardoor beperkingen ondervindt
en lang niet alle beperkingen leiden tot verminderde arbeidsmogelijkheden. In
bijna elk individueel geval worden de verzekeringsarts en
arbeidsdeskundige met een uniek complex van factoren geconfronteerd.
Ook als de rechter over deze vraag moet oordelen, zijn het
uiteindelijk weer de feiten en omstandigheden van het individuele geval die de
doorslag geven. Het individuele karakter van de claimbeoordeling en de
individuele toetsing daarvan door de rechter, gekoppeld aan het
ontbreken van nadere regelgeving, hebben als nadeel dat zij veel ruimte laten
voor discussie over de uitgangspunten van de claimbeoordeling. Dit kan -
en dat is ook in zekere mate gebeurd - onzekerheid scheppen
omtrent het recht op uitkering bij bepaalde klachten en aandoeningen.
Het is deze onzekerheid die heeft geleid tot het opstellen van de
richtlijn "medisch arbeidsongeschiktheidscriterium" en die ook aanleiding is
geweest voor het voorliggende Schattingsbesluit. Op zich is dit ook een goed
moment hiervoor. Inhoudelijk is de jurisprudentie van de Centrale Raad van
Beroep (CRvB) voldoende uitgekristalliseerd en verzekeringsartsen werken
reeds geruime tijd met de richtlijn "medisch
arbeidsongeschiktheidscriterium".
Inhoudelijk wordt de richtlijn in het veld algemeen
onderschreven.
Het proces dat geleid
heeft tot het treffen van dit besluit is begonnen bij de wijziging van artikel
18 WAO, zoals die bij de Wet TBA
werd doorgevoerd. Daarbij werd de zinsnede
in de wettelijke formulering "ongeschiktheid wegens ziekte of
gebrek"
vervangen door "rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte of gebreken". De reden voor die wetswijziging was
tweeledig. Enerzijds werd daarmee nauwer aangesloten bij de vaste
jurisprudentie van de CRvB op het arbeidsongeschiktheidscriterium, anderzijds
- het werd
in de inleiding reeds opgemerkt - had de wetswijziging een
signaalfunctie. De wetgever wenste te voorkomen dat op basis
van klachten waarvan niet kan worden vastgesteld dat deze een rechtstreeks
gevolg zijn van ziekte of gebrek toch uitkering zou worden
verstrekt. Het was een signaal aan de uitvoeringspraktijk en de rechtspraak om oog
te hebben voor de relatie tussen de aandoening en de
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid. Zo zou bijvoorbeeld goed
nagegaan moeten worden of niet slechts sprake was van een subjectieve
beleving van de cliënt, al dan niet slechts als gevolg van sociale omstandigheden.
De discussies die door de
wetswijziging werden opgeroepen hadden echter tot gevolg dat
door sommigen in de verzekeringsgeneeskundige praktijk het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium onjuist werd
geïnterpreteerd. Het
begrip "objectief" zou zo moeten worden uitgelegd dat alleen ongeschiktheid
als gevolg van ziekte aangenomen zou mogen worden indien
lichamelijke afwijkingen aangetoond konden worden of een eenduidige diagnose
kon worden gesteld. Hoewel de onjuistheid van die opvatting zowel door
het toenmalige Tica [Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming, rechtsvoorganger van het Lisv, red.]
en de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid werd bevestigd, maakte het belang van deze
discussie het noodzakelijk een standaard vast te stellen over "slecht
objectiveerbare aandoeningen" om zodoende de onduidelijkheden weg te
nemen. Uiteindelijk is dit geworden de richtlijn "medisch
arbeidsongeschiktheidscriterium" van het Lisv, die hierbij gecodificeerd wordt.
Doel van deze codificatie
is de methode vast te leggen (en daarmee de praktijk te bevestigen)
waarmee verzekeringsartsen (en arbeidsdeskundigen) tot hun oordeelsvorming
komen. Deze methode geldt voor alle
verzekeringsgeneeskundige beoordelingen en niet alleen voor de "moeilijk
objectiveerbare aandoeningen". Het vaststellen van de relatie tussen
"ziekte" en "inkomensverlies tengevolge van ongeschiktheid tot
werken" bij aandoeningen
met duidelijk aantoonbare afwijkingen roept immers soortgelijke
problemen op als de beoordeling van minder duidelijk aantoonbare
aandoeningen. Voorts wordt nauw aangesloten bij de jurisprudentie van de
CRvB, die erop neerkomt dat "ziekte" en
"ongeschiktheid" (zie
ook de artikelsgewijze toelichting) in samenhang en niet afzonderlijk
beoordeeld moeten worden. Gewerkt wordt met het internationaal
gezondheidskundig begrippenkader van de World Health Organization. Dit is
vastgelegd in de International Classification of Impairments (stoornissen), Disabilities (beperkingen) en Handicaps
(ongeschiktheid), de ICIDH.
Een eerste vraag die bij
de claimbeoordeling zal moeten worden beantwoord is in hoeverre
er sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte. Doel
van de claimbeoordeling is vast te stellen of iemand arbeidsongeschikt
is. De rol van het onderzoek van de verzekeringsarts daarbij
is de beoordeling van de (on)mogelijkheden van de cliënt om in het
algemeen te functioneren. Daarbij dient hij duidelijk het oog te hebben op het
functioneren in arbeid: iemand die als gevolg van ziekte of gebrek in
het algemeen niet kan functioneren, kan ook niet werken, maar waar wel
sprake is van mogelijkheden om te functioneren, zullen ook al snel vormen
van arbeid mogelijk zijn. De rol van de arts is om de belemmeringen van
de cliënt te bepalen en zijn belastbaarheid voor arbeid vast te
leggen. Bij het onderzoek daarnaar is van belang dat wordt nagegaan welke
belemmeringen betrokkene in zijn arbeid ondervond en welke
oplossingen hij zoekt of gezocht heeft om weer te kunnen werken (het
herstelgedrag). Op die manier wordt een beeld verkregen van de globale
voorwaarden waaronder betrokkene zou kunnen werken. Dit is het
kernpunt van de bemoeienis van de verzekeringsarts met de factor arbeid; hij
zal daarbij overigens veelal dienen te overleggen met de arbeidsdeskundige.
Waar een arts in sommige
gevallen al snel kan constateren dat er evident geen sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden, is het ook
mogelijk dat hij bij zijn
onderzoek tot de conclusie komt dat er kennelijk geen sprake is van ziekte
of gebrek. Er zijn diverse redenen denkbaar waarom iemand niet in
staat is om te werken, zonder dat verder van duidelijke
ziekteverschijnselen sprake is. Die redenen kunnen gelegen zijn zowel in de
sfeer van de
arbeidsomstandigheden als in de sfeer van sociale omstandigheden.
In de werksituatie kan daarbij gedacht worden aan zaken als
onverenigbaarheid van karakters, onvoldoende kwalificaties, overtolligheid, relatieve
overbelasting (bij oudere werknemers) tengevolge van ploegendienst
of langere reistijden of een promotie te ver (Peter’s principle). In
de sociale sfeer kan gedacht worden aan te zware belasting in de thuissituatie, intensieve of gevaarlijke hobby’s en het
hebben van riskante of
ongezonde levensgewoonten. Het enkele feit dat iemand zijn werk niet
aankan is nooit voldoende reden om tot ongeschiktheid als gevolg
van ziekte te concluderen. Indien blijkt van hiervoor omschreven
situaties zonder dat van duidelijke ziekteverschijnselen sprake is, dan mag de
verzekeringsarts geen ongeschiktheid wegens ziekte aannemen. De verzekeringsarts is medeverantwoordelijk voor de
rechtmatigheid van het
gebruik van collectieve middelen. Terecht wijst de richtlijn "medisch
arbeidsongeschiktheidscriterium" erop dat het
behandelen van sociale
problemen alsof het gevolgen van ziekte zijn, terwijl dat niet zo is,
leidt tot stigmatisering en medicalisering. Het hebben van een WAO-uitkering kan
op zichzelf genomen ook invaliderend werken en dit dient voorkomen te
worden.
Om van ziekte te kunnen
spreken, dient er een stoornis te zijn in het menselijk organisme, met
een vermindering van de persoonlijke autonomie. Vermindering
of verlies van autonomie betekent dat men niet in staat is (een deel
van) de sociale rollen te vervullen; er is sprake van een vermindering of
verlies van lichamelijke of psychische functie, als gevolg waarvan een
vermindering of verlies van normale gedragingen, activiteiten en sociale
rolvervulling optreedt. De sociale rollen worden geheel of gedeeltelijk
verdrongen door de ziekterol.
Cliënten uiten ziekte in
de vorm van klachten die zowel op hun gezondheidsproblemen betrekking hebben als op hun achteruitgang in
ervaren mogelijkheden om
te functioneren. De beleving van de cliënt vormt het startpunt voor
de verzekeringsarts, die vervolgens het feitelijk bestaan van deze klachten
toetst. Het kan immers zijn dat tijdens het onderzoek blijkt dat de
klachten niet reëel bestaand zijn. Is dit wel het geval, dan toetst de
verzekeringsarts of deze klachten berusten op een feitelijk bestaande
stoornis die leidt tot ongeschiktheid.
Daarbij onderzoekt hij
alle drie niveau’s van mens-zijn waarop uitingen van ziekte zich kunnen
manifesteren: er dient sprake te zijn van stoornissen op het niveau van het
lichamelijk en geestelijk functioneren, beperkingen op het niveau
van gedragingen en activiteiten en handicaps op het niveau van de
sociale rolvervulling gericht op de arbeidsrol (zie ook de artikelsgewijze
toelichting). Om arbeidsongeschiktheid te kunnen aannemen, dient de
verzekeringsarts steeds op deze drie niveau’s logisch samenhangende uitingen
van ziekte te constateren. Ontbreekt een van deze drie elementen of
hangen deze niet consistent samen, dan is er geen ongeschiktheid als gevolg
van ziekte. Het kan immers heel goed zijn dat de stoornissen op fysiek
niveau geen beperkingen in gedragingen met zich brengen of dat
bepaalde beperkingen in gedragingen geen duidelijke relatie vertonen met de
geconstateerde stoornis. De ziekte, de beperkingen en de verminderde
mogelijkheden om te werken dienen consistent samen te hangen.
Met name bij de
beoordeling van psychische klachten speelt nog de vraag waar men de scheidslijn moet trekken tussen verschijnselen die als
ziekte of gebrek moeten
worden beschouwd en verschijnselen van onwelbevinden die niet
voor deze kwalificatie in aanmerking komen. In het algemeen kan worden
gesteld dat karaktertrekken en eigenaardigheden niet als ziekte of gebrek
moeten worden beschouwd, maar dat ziekte en gebrek wel aan
de orde zijn indien betrokkene op zijn gedrag geen greep meer krijgt. In de zin van dit besluit nemen zij dan het karakter
aan van stoornissen.
Indien er ook beperkingen en handicaps worden vastgesteld, kan er
sprake zijn van ongeschiktheid als uiting van ziekte.
Het feit dat de
ongeschiktheid het gevolg moet zijn van ziekte, met andere woorden, dat de
ziekte de ongeschiktheid moet hebben veroorzaakt, betekent niet dat de verzekeringsarts in alle gevallen ook de oorzaak
van de klachten of de
ziekte zou moeten aantonen.
Met betrekking tot de
bewijsvoering van het begrip "ongeschiktheid tot werken wegens
ziekte"
kan het volgende afgeleid worden uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van
Beroep. De Centrale Raad van Beroep heeft herhaaldelijk te
kennen gegeven dat het niet altijd nodig is een somatische of psychische
oorzaak van klachten aan te tonen. Het onderzoek dient gericht
te zijn op het objectiveren van de gestelde klachten als uiting of een gevolg van een somatisch of psychiatrisch ziek
zijn, dan wel een
combinatie van beide, waarbij niet altijd exact valt aan te geven aan welke ziekte de
klachten zijn toe te schrijven (RSV 1996/161, 1997/32). Voor de inhoud
van het Schattingsbesluit zijn twee zaken die uit deze uitspraken kunnen
worden afgeleid van essentieel belang.
Ten eerste dat, gegeven
een bepaalde diagnose, altijd nog de beperkingen en handicaps dienen te
worden vastgesteld. Een diagnose verschaft immers op
zichzelf geen recht op uitkering. De diagnose maakt de klachten en
beperkingen voor de verzekeringsarts gemakkelijk herkenbaar. Het is
derhalve een belangrijk hulpmiddel voor de arts, maar geen doel op zichzelf.
Het ontbreken van een exacte diagnose ontheft de arts echter niet van de
verplichting de stoornissen, beperkingen en handicaps vast te
stellen.
Een tweede afgeleide uit
deze uitspraken is dat indien het niet mogelijk is lichamelijke of psychische oorzaken precies te meten, dat niet in alle
gevallen betekent dat er
daarom geen stoornissen, beperkingen en handicaps bestaan. Van
belang is of hun bestaan aannemelijk is te achten en in hoeverre daarmee
ongeschiktheid als gevolg van ziekte optreedt. De Centrale Raad van Beroep
stelt dat "waar in bijzondere gevallen bij - onafhankelijke -
medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch
gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat
ongeschiktheid tot werken voldoende aannemelijk is, ook al is niet steeds geheel en al
duidelijk aan welke ziekte of gebrek precies die ongeschiktheid valt toe
te schrijven of, al verschillen zij tot op zekere hoogte omtrent het
antwoord op die vraag, een toerekende objectieve vaststelling van die
ongeschiktheid alsdan niet zonder meer geheel valt uit te sluiten". Waar het
dan om gaat is dat meerdere deskundigen tot dezelfde opvatting komen.
Ook in meer recente rechtspraak heeft de Centrale Raad van Beroep
een "ongedifferentieerde" stoornis geaccepteerd als ziekte, hoewel de
geraadpleegde medische deskundige erkende dat het ontstaan en
oorzaak van de afwijking (nog) niet bekend zijn. In een uitspraak van 6 oktober
1998 gaf de Raad aan: "het moge zo zijn dat elk van de klachten van
betrokkene op zich niet als ziekte of gebrek valt aan te merken, ... dit niet
uitsluit dat de combinatie van deze verschijnselen moet worden afgeleid dat
sprake is van beperkingen op grond van ziekte of gebrek".
Dit betekent uiteraard
niet dat de medisch deskundige zich uitsluitend op de klachten van de
betrokkene mag baseren. In zijn uitspraak van 20 oktober 1998 (RSV 1999,
7)
kwam de Raad tot de conclusie dat waar deskundigen hun conclusie
uitsluitend baseren op de door betrokkene verwoorde
gezondheidsklachten, zij "om die reden geen toereikende motivering van hun
oordeel hebben gegeven, zodat een beroep op een uitzonderingsgeval als
bedoeld in RSV 1996/161 niet kan slagen".
Resumerend kunnen wij het
volgende zeggen over de relatie tussen diagnose en het objectief
kunnen vaststellen van arbeidsongeschiktheid tengevolge van ziekte. Uitgangspunt is het wettelijk kader dat zowel het
aanwezig zijn van ziekte
of gebrek vereist alsmede een causale relatie met het verlies aan
verdiencapaciteit. De verzekeringsarts onderzoekt of er feitelijk stoornissen,
beperkingen en handicaps bestaan in een consistent geheel, waarbij het
kunnen aangeven van de oorzaak voor de ziekte of de diagnose een belangrijke
bouwsteen vormt voor de oordeelsvorming. Het afwijzen van een WAO-aanvraag uitsluitend op grond van het ontbreken van een diagnose of het
niet aantoonbaar zijn van een ziekteverwekker is echter evenzeer onjuist
als het toekennen van een uitkering alleen omdat wel een diagnose of
ziekteverwekker is gevonden. In gevallen waar de medische oorzaken van de
beperkingen niet goed kunnen worden vastgesteld, moeten wel
extra eisen gesteld worden aan het in kaart brengen van de klachten
en beperkingen van betrokkene. Op die manier wordt aan het objectiveringsvereiste voldaan, aangezien de subjectieve
beleving van betrokkene
ten aanzien van zijn beperkingen alléén uiteraard niet voldoende is voor
het aannemen van arbeidsongeschiktheid.
Ook het Ctsv
zit geheel
op deze lijn.
In zijn brief aan de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 september 1997 over
de richtlijn MAOC wijst het Ctsv
erop dat "uit hetgeen de
wetgever en de rechter naar voren brengen kan worden opgemaakt dat de
uitvoerder van de AAW/WAO bij zijn medische beoordeling niet over
één
nacht ijs mag gaan. Een gedegen medisch onderzoek is altijd een
vereiste en hoe moeilijker het is een medische oorzaak vast te stellen,
hoe grondiger en uitvoeriger het te verrichten onderzoek zal moeten zijn". Het besluitvormingsproces dient derhalve
voldoende waarborgen te
bevatten voor een gefundeerd medisch oordeel. Geen enkele wettelijke
definitie zal ooit het begrip ziekte voor alle gevallen goed toepasbaar kunnen
vatten. Wel kunnen de eisen worden geformuleerd waarop het oordeel in die
individuele gevallen gebaseerd moet zijn.
Om te kunnen spreken van
een kwalitatief goede claimbeoordeling dient aan de volgende eisen te worden voldaan. Ten eerste is daar de
vaststelbaarheid van de
stoornissen, beperkingen en handicaps. De verzekeringsarts dient
van het bestaan daarvan te zijn overtuigd. De verzekeringsarts gaat
daarbij uit van de beleving van de cliënt, maar stelt zelf vast. De
gezondheidsbeleving van betrokkene alleen (zie de hiervoor aangehaalde jurisprudentie) kan nooit doorslaggevend zijn. Er is altijd een
verschil in perceptie mogelijk, waarbij de verzekeringsarts de situatie van
de cliënt als ernstiger
dan wel als minder ernstig kan inschatten dan de cliënt zelf doet.
Uiteindelijk echter is het de verzekeringsarts die verantwoordelijk is voor de vraag of
ongeschiktheid als gevolg van ziekte is vastgesteld.
De tweede voorwaarde is
dat het vaststellen van de ongeschiktheid medisch dient te zijn, hetgeen wil zeggen op in de reguliere gezondheidszorg
aanvaarde wijze. Dit
vereist dat onderzoeksmethoden toegepast dienen te worden die in
de verzekeringsgeneeskunde onder artsen en paramedische deskundigen
algemeen geaccepteerd zijn. De gebruikte onderzoeksmethoden dienen
gerelateerd te zijn aan het doel van het onderzoek, het vaststellen van de
"ongeschiktheid als gevolg van ziekte".
De belangrijkste methode daartoe is het beoordelingsgesprek met de cliënt.
Een derde voorwaarde is
dat het oordeel van de verzekeringsarts objectief moet zijn. Objectief in dit verband wil zeggen gebaseerd op de
feiten, niet beïnvloed
door vooroordelen. Objectiviteit wordt hier geoperationaliseerd in
controleerbaarheid, reproduceerbaarheid en consistentie. In de
toelichting bij artikel 4 worden deze begrippen verder uitgewerkt.
Indien de
verzekeringsarts de correcte methoden en technieken heeft toegepast en met
behulp
daarvan de stoornissen, beperkingen en handicaps in beeld heeft
gebracht, heeft hij voldoende kennis verzameld om een
belastbaarheidsprofiel van de cliënt vast te stellen. Slechts in een minderheid van de
gevallen kan direct tot het oordeel wel of niet arbeidsongeschikt worden
gekomen. Aan de hand van het belastbaarheidsprofiel beziet de
arbeidsdeskundige welke werkzaamheden betrokkene nog kan verrichten en wat diens verlies aan verdiencapaciteit is. In de
artikelsgewijze
toelichting bij hoofdstuk 3 wordt deze procedure verder toegelicht. Eerst
daarna is het oordeel "arbeidsongeschikt" mogelijk. Er zijn vele
redenen waarom de beoordeelde persoon het hiermee niet eens kan
zijn; hij kan tegen dat oordeel ook in beroep gaan. Dit besluit brengt hier
geen verandering in. Waar het om gaat is dat het oordeel professioneel tot
stand is gekomen. Dat garandeert geen perfectie, maar betekent
wel dat voor alle betrokkenen duidelijk is waarom tot dit oordeel gekomen
is. Dat moet niet alleen de basis vormen voor het al dan niet verstrekken
van uitkering; een dergelijk gemotiveerd oordeel kan ook in veel gevallen
een hulpmiddel - een aanzet - zijn voor een beter gerichte reïntegratie
naar het arbeidsproces. Verwacht mag worden dat dit besluit hieraan een bijdrage zal leveren.
4. Het arbeidsdeskundig
onderzoek
In hoofdstuk 3 van dit
besluit wordt de inhoud van het huidige Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong overgenomen, waarbij deze
inhoud deels in andere
artikelen en in een andere volgorde is ondergebracht. Hiermee is slechts een
logischer en toegankelijker opzet beoogd en geen inhoudelijke
wijziging.
Het arbeidsdeskundig
onderzoek is naast het verzekeringsgeneeskundig onderzoek een essentieel
onderdeel van de claimbeoordeling. Doel van het arbeidsdeskundig
onderzoek is om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Hiertoe
wordt wat betrokkene zou hebben verdiend ware hij niet
arbeidsongeschikt geworden (het maatmaninkomen) vergeleken met wat hij na
het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid nog kan verdienen (de
resterende verdiencapaciteit).
De maatmanfunctie wordt
in principe vastgesteld op de functie die betrokkene laatstelijk voordat hij arbeidsongeschikt werd, uitoefende. Het
maatmaninkomen wordt
uitgedrukt in het loon dat de met betrokkene vergelijkbare gezonde
persoon per uur verdiende. De resterende verdiencapaciteit wordt
gebaseerd op hetgeen betrokkene nog kan verdienen in om en nabij
het aantal uren waarin de maatman werkzaam was, tenzij betrokkene
voor een geringer aantal uren belastbaar is. Er wordt in het kader van de
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling dus niet van een deeltijdwerker
gevergd dat hij na arbeidsongeschikt te zijn geworden het aantal
arbeidsuren uitbreidt om op die manier het verlies aan verdiencapaciteit te
compenseren. Voor zo iemand kunnen functies geduid worden die in
ongeveer de omvang van de maatmanfunctie voorkomen op de arbeidsmarkt. Met deze uurloonvergelijkingssystematiek
wordt een eventueel
verschil tussen de omvang van de geduide functies
enerzijds en de maatmanfunctie anderzijds uit de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
geëlimineerd.
Bij de
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling worden ten minste drie functies betrokken die
samen ten minste dertig arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. De resterende
verdiencapaciteit wordt vastgesteld op de middelste van deze
functies. Functies die niet of nauwelijks arbeidsplaatsen vertegenwoordigen blijven
buiten beschouwing. Functies waarin toeslagen worden betaald
voor het werken in afwijkende arbeidstijden blijven ook buiten
beschouwing, tenzij dergelijke toeslagen ook tot het maatmaninkomen behoren.
Aan het arbeidsdeskundig
onderzoek kunnen net als aan het verzekeringsgeneeskundig onderzoek kwaliteitseisen gesteld worden. Dit
betekent dat het
onderzoek objectief (controleerbaar, reproduceerbaar en consistent) dient te
zijn. Er moet daarbij gebruik gemaakt worden van betrouwbare en bij
vakgenoten onomstreden methoden. Hiertoe zijn overigens door het Lisv
al normen ontwikkeld.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1. Algemene
bepalingen
Artikel 2. De
arbeidsongeschiktheidsschatting
Artikel
2, eerste lid,
bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsschatting als hoofdregel bestaat uit
een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidsdeskundig onderzoek. Het tweede lid bevat de uitzondering hierop:
er kan (tijdelijk) van
het arbeidsdeskundig onderzoek worden afgezien indien uit het
verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene geen benutbare
mogelijkheden heeft. De term "mogelijkheden" omvat alle mogelijkheden van
betrokkene om (basaal) te functioneren en ziet derhalve niet uitsluitend
op mogelijkheden tot het verrichten van arbeid.
Gedurende de periode
waarin uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene
geen benutbare mogelijkheden heeft of indien uit verzekeringsgeneeskundig
onderzoek blijkt dat betrokkene naar verwachting nog slechts
ten hoogste gedurende drie maanden wél benutbare mogelijkheden
heeft, kan worden afgezien van een arbeidsdeskundig onderzoek (onderdeel
a, respectievelijk b). In het laatste geval (onderdeel b) zal na
verloop van drie maanden in een tweede verzekeringsgeneeskundig
onderzoek moeten worden vastgesteld of het eerder verwachte verlies
van benutbare mogelijkheden heeft plaatsgevonden. In dat tweede onderzoek
kan opnieuw blijken dat betrokkene naar verwachting nog slechts
ten hoogste gedurende drie maanden wél benutbare mogelijkheden
heeft. In dat geval is onderdeel b opnieuw van toepassing en zal na
verloop van drie maanden een derde verzekeringsgeneeskundig onderzoek moeten
plaatsvinden. In enig vervolggeneeskundig onderzoek zal blijken dat
betrokkene gedurende een langere periode dan drie
maanden geen benutbare mogelijkheden heeft (dan is onderdeel a van
toepassing en kan gedurende die periode worden afgezien van arbeidsdeskundig onderzoek) of dat betrokkene gedurende
een langere periode dan
drie maanden wél benutbare mogelijkheden heeft (dan dient alsnog
een arbeidsdeskundig onderzoek plaats te vinden).
Wanneer betrokkene ten
minste drie maanden geen benutbare mogelijkheden heeft of slechts nog ten hoogste gedurende drie maanden
wél benutbare
mogelijkheden, kan worden afgezien van een arbeidsdeskundig onderzoek (onderdeel
a, respectievelijk b). Wanneer betrokkene thans geen benutbare
mogelijkheden heeft, maar naar verwachting op termijn wel, kan van het
arbeidsdeskundig onderzoek worden afgezien totdat verbetering wordt
verwacht (derde lid).
Wanneer betrokkene nog
wel benutbare mogelijkheden heeft, maar hij wegens zijn ziekte als
terminaal kan worden aangemerkt en verwacht wordt dat hij die
mogelijkheden binnen afzienbare termijn zal verliezen, kan van een
arbeidsdeskundig onderzoek worden afgezien. In algemene zin kan hierbij gedacht
worden aan periodes van ongeveer een jaar. Het gaat hier om patiënten met
een zeer slechte levensverwachting.
Wanneer betrokkene
zodanig wisselend belastbaar is voor arbeid dat geen duurzaam benutbare
mogelijkheden aanwezig zijn, kan eveneens worden afgezien van het arbeidsdeskundig onderzoek (onderdeel
d).
Het tweede en derde lid
geven aan wanneer in elk geval heronderzoek door de verzekeringsarts
dient plaats te vinden. In het geval, bedoeld in onderdeel a, geschiedt het heronderzoek op indicatie van de
verzekeringsarts.
Het vierde lid bepaalt
dat het naar verwachting blijvend wisselend belastbaar zijn voor arbeid ten minste
driemaal in een verzekeringsgeneeskundig
onderzoek dient te worden vastgesteld: in de praktijk zal dit de eerste maal bij de
initiële WAO-beoordeling het geval zijn en daarna bij twee door de
verzekeringsarts geïnitieerde heronderzoeken.
Het vijfde lid beschrijft
inhoudelijk onder welke omstandigheden benutbare mogelijkheden
niet aanwezig zijn. Deze omstandigheden, die als limitatief moeten
worden beschouwd, worden onderstaand toegelicht. Het spreekt voor zich dat
bij feitelijke opname in een ziekenhuis of instelling de
mogelijkheid tot het verrichten van arbeid niet aanwezig kan worden geacht (onderdeel
a). Dit geldt in gelijke zin indien betrokkene bedlegerig is, dat wil
zeggen: aan het bed gebonden is. Er wordt van uitgegaan dat dit voor de
verzekeringsarts voldoende eenduidig is (onderdeel b).
De onderdelen c en d zien
op ernstig disfunctioneren van betrokkene van fysieke, respectievelijk psychische aard, waardoor hij zijn zelfredzaamheid
verliest. Het verlies van
fysieke zelfredzaamheid is op zichzelf genomen voldoende voor de
conclusie dat geen benutbare mogelijkheden aanwezig zijn. Zoals in
het algemeen deel van de toelichting reeds werd aangegeven, vereist
onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren een drieledige motivering
van de verzekeringsarts, te weten op de niveaus van zelfverzorging, het
samenlevingsverband alsmede de sociale contacten buiten het gezin, waaronder het onderhouden van werkrelaties.
Op al deze terreinen
dient sprake te zijn van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren.
Het onvermogen dient voorts te blijken uit het dagelijks functioneren
van betrokkene, alsmede uit de geschiedenis van betrokkene op deze drie
terreinen. De verzekeringsarts dient dit in zijn argumentatie concreet te
beschrijven.
Het zesde lid ziet op de
situatie dat de verzekeringsarts vaststelt dat betrokkene geschikt is
voor zijn eigen werk. Dan is er om die reden reeds geen sprake van arbeidsongeschiktheid en kan van een arbeidsdeskundig
onderzoek worden
afgezien.
Op deze plaats wordt nog
opgemerkt dat ook de vaststelling dat betrokkene geen benutbare
mogelijkheden heeft, wordt beheerst door de kwaliteitseisen, bedoeld
in artikel 4 van dit besluit. Dit betekent onder meer dat ook deze vaststelling
toetsbaar, reproduceerbaar en consistent zal moeten zijn. De
verzekeringsarts zal derhalve gemotiveerd dienen aan te geven, aan de hand van
feiten en omstandigheden, hoe en waarom hij tot dit oordeel is gekomen.
Voor een uitgebreidere uiteenzetting over de kwaliteitseisen wordt
verwezen naar de toelichting bij artikel 4.
Hoofdstuk 2. Het
verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Artikel 3. Doel
verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Artikel
3, eerste lid,
geeft in de kern aan waar het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op gericht is:
de vaststelling van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte,
gebrek, zwangerschap of bevalling. Het tweede lid geeft op meer
operationeel niveau aan hetgeen de verzekeringsarts bij zijn onderzoek dient te
betrekken. Het derde lid geeft, kort gezegd, aan dat de verzekeringsarts zowel
de beperkingen met betrekking tot het functioneren in arbeid
als de belastbaarheid voor arbeid dient vast te stellen.
Een aantal begrippen
wordt hieronder nader toegelicht. Het begrip "ongeschiktheid tot werken als gevolg van
ziekte" moet blijkens de
jurisprudentie van de
CRvB als één geheel worden opgevat. Dat is ook uitdrukkelijk de
bedoeling van de wet.
Dit betekent dat de
enkele constatering dat (geen) sprake is van "ziekte", rechtens nog niet relevant is, evenmin als de enkele bevinding in
een concreet geval dat
betrokkene "ongeschikt tot werken" is. Teneinde aanspraken op WAO-uitkering te kunnen vaststellen, is dan ook vereist dat beoordeeld wordt of
sprake is van "ongeschiktheid tot werken wegens ziekte".
De woorden "als gevolg van" geven een oorzakelijke relatie aan: de ongeschiktheid moet een
gevolg zijn van ziekte, niet van andere oorzaken, zoals bijvoorbeeld niet
gekwalificeerd zijn.
Het is evenwel niet zo
dat altijd een precieze oorzaak voor de ziekte moet worden aangetoond.
Met name bij moeilijk objectiveerbare aandoeningen kan deze
soms niet exact (in een diagnose) worden vastgesteld, dat wil
zeggen: worden gekwalificeerd als een bekende ziekte-eenheid of te
benoemen syndroom. Het stellen van zo’n precieze diagnose is geen conditio
sine qua non voor het kunnen vaststellen van ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte; overigens verschaft - omgekeerd - een
diagnose op zichzelf nooit recht op uitkering. Het feit dat geen lichamelijke of
psychische oorzaak gemeten of aangetoond kan worden, betekent niet
noodzakelijk dat daarom geen stoornissen, beperkingen of handicaps
bestaan. Van belang is dan wel dat zal moeten worden aangetoond dat er
sprake is van meer dan de subjectieve beleving van betrokkene alleen. Hoe moeilijker het is een medische oorzaak vast te
stellen, des te grondiger
en uitvoeriger het te verrichten onderzoek zal moeten zijn. Voorwaarde
is daarbij dat onder onafhankelijke medisch deskundigen een vrijwel
eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en
verantwoorde opvatting bestaat dat ongeschiktheid tot werken wegens ziekte voldoende aannemelijk is.
Met betrekking tot het
tweede lid wordt het volgende opgemerkt. In het algemeen deel werd reeds
uiteengezet dat het in de verzekeringsgeneeskunde consistent wordt geacht
dat uitingen van ziekte op alle drie de niveaus van het
mens-zijn kunnen worden vastgesteld, te weten het niveau van lichamelijk en
geestelijk functioneren (waarin stoornissen kunnen optreden), het
niveau van gedragingen en activiteiten (waarin beperkingen kunnen
optreden) en het niveau van sociale rollen, toegespitst op de arbeidsrol (waarin
handicaps kunnen optreden). Deze drie aspecten zijn dan ook voorwerp van onderzoek door de verzekeringsarts
en zijn omschreven in het
tweede lid. Bij dit onderzoek zal de verzekeringsarts in
eerste instantie uitgaan van de (gezondheids)klachten die betrokkene uit; deze
vormen het startpunt voor zijn waarnemingen. Deze klachten zijn de
verbale uitingen van betrokkene over zijn beleving van zijn gezondheid of de
belemmeringen in zijn functioneren. De verzekeringsarts moet vervolgens vaststellen of er feitelijk stoornissen,
beperkingen en handicaps
bestaan. Deze drie aspecten dienen een logisch samenhangend - consistent
- geheel te vormen. Daarbij beschouwt de verzekeringsarts de "ongeschiktheid tot werken als gevolg van
ziekte" conform de jurisprudentie
als één geheel. Dit betekent dat wanneer de verzekeringsarts deze
consistentie in stoornissen, beperkingen en handicaps niet kan vaststellen, hij concludeert dat geen ongeschiktheid als
gevolg van ziekte
bestaat.
De verzekeringsarts geeft
tevens aan welke beperkingen betrokkene ondervindt met betrekking
tot de arbeid, alsmede in welke mate betrokkene belastbaar is
voor arbeid (derde lid). De beperkingen moeten als uitingen van ziekte
rechtstreekse gevolgen hebben voor het kunnen verrichten van arbeid.
Wanneer dat niet het geval is, bestaat er geen ongeschiktheid als gevolg
van ziekte.
Artikel
4. Kwaliteitseisen
verzekeringsgeneeskundig onderzoek
In de
Lisv-richtlijn
"Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium" wordt de in artikel 18 WAO
genoemde voorwaarde van objectiviteit geoperationaliseerd in drie aspecten, te
weten toetsbaarheid, reproduceerbaarheid en consistentie. Deze
aspecten zijn uitgewerkt in het eerste lid van artikel 4.
Objectiviteit impliceert
allereerst dat sprake is van toetsbaarheid. Daarvoor is nodig dat de
vaststelling schriftelijk wordt vastgelegd. Deze eis is opgenomen in
onderdeel a.
Onderdeel b betreft de
eis van reproduceerbaarheid. Dit houdt in dat andere gekwalificeerde
beroepsgenoten dan de verzekeringsarts die het verzekeringsgeneeskundig
onderzoek heeft uitgevoerd, in eenzelfde geval tot dezelfde bevindingen
en conclusies zullen kunnen komen. Dit kan alleen indien de
vaststellingen berusten op vakkundige waarnemingen en constateringen van
feiten.
Onderdeel c heeft
betrekking op de eis van consistentie, namelijk dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek vrij van innerlijke tegenspraak
is. Dit betekent dat de
conclusie eenduidig moet zijn. De conclusie is gebaseerd op
verschillende deelonderzoeken, verschillende bronnen en eventueel op het oordeel
van verschillende artsen. Het is mogelijk dat de verzekeringsarts op
deelgebieden tot verschillende bevindingen komt die elkaar tegenspreken. Op
basis van zijn professionaliteit weegt hij mogelijke verschillende
uitkomsten tegen elkaar af, na eventueel aanvullende onderzoeken,
en komt tot een slotconclusie. Deze afweging moet inzichtelijk gemaakt worden.
In het tweede lid wordt
de voorwaarde geconcretiseerd dat het proces van vaststelling medisch
verantwoord dient te geschieden. Dit betekent dat
verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethoden worden toegepast die onder artsen en
paramedische deskundigen algemeen geaccepteerd zijn. Bovendien moet het
gaan om onderzoeksmethoden die geëigend zijn voor het kunnen
vaststellen van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte.
Hoofdstuk 3. Het
arbeidsdeskundig onderzoek
Artikel 5. Doel
arbeidsdeskundig onderzoek
Hoofdstuk 3 van dit
besluit, betreffende het arbeidsdeskundig onderzoek, opent met een bepaling waarin het doel van dit onderzoek
- de
vaststelling van de mate
van arbeidsongeschiktheid - wordt vastgelegd, alsmede wordt aangegeven
op welke wijze deze vaststelling dient te geschieden, namelijk door
een vergelijking van het maatmaninkomen met de resterende
verdiencapaciteit. Opname van een dergelijke bepaling - die in het huidige
Schattingsbesluit ontbreekt - is wenselijk omdat daardoor doel en methode
van de schatting direct uit de wettekst blijken. Het begrip maatmaninkomen
wordt uitgewerkt in paragraaf 1 (artikelen 6 tot en met
8) en de vaststelling en berekening van de resterende
verdiencapaciteit in
paragraaf 2 (artikelen 9 en 10).
§ 1. Maatmaninkomen
Artikel 6. Maatmaninkomen
WAO, WAZ en Wajong
In
artikel 6 wordt het
begrip maatmaninkomen voor de drie onderscheidene arbeidsongeschiktheidswetten
gedefinieerd en uitgewerkt. Deze materie is
ongewijzigd overgenomen uit artikel 2 van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong. Voor
de maatmaninkomens WAO en WAZ geldt dat daaronder wordt
verstaan het inkomen per uur dat gezonde personen, bedoeld in
artikel 18, eerste lid, WAO en 2, eerste lid, van de
WAZ, met arbeid als
werknemer, respectievelijk als verzekerde, gewoonlijk verdienen (eerste en
tweede lid). Het maatmaninkomen in het kader van de WAO heeft derhalve betrekking op het inkomen dat betrokkene in
WAO-verzekerde arbeid verdiende en het maatmaninkomen voor de WAZ heeft uitsluitend
betrekking op het inkomen dat betrokkene met WAZ-verzekerde
werkzaamheden genereerde. Indien betrokkene voor zijn arbeidsongeschiktheid
tegelijkertijd zowel WAO-verzekerde arbeid verrichtte als WAZ-verzekerde arbeid, is hij voor beide wetten verzekerd.
In geval van uitval uit
beide werkzaamheden wordt de theoretische resterende
verdiencapaciteit primair "toegerekend" aan het WAO-recht. Bij samenloop van WAO en
WAZ fungeert de WAO namelijk als hoofdverzekering en heeft de WAZ, zowel
voor wat betreft de premieheffing als voor de
grondslagberekening, een aanvullend karakter.
De maatmanfunctie wordt
in principe vastgesteld op de functie die betrokkene laatstelijk voordat hij arbeidsongeschikt werd, uitoefende.
Uitzonderingen op dit
beginsel zijn blijkens de jurisprudentie van de CRvB mogelijk in die situaties
waarin de maatmanarbeid geen correct beeld geeft van de
oorspronkelijke verdiencapaciteit van betrokkene. Dat doet zich bijvoorbeeld
voor
indien betrokkene in een arbeidsomvang werkzaam was die als
excessief moet worden aangemerkt. In die gevallen levert de omvang van de
laatstelijk verrichte arbeid geen juiste maatstaf op voor de vaststelling
van de maatmanarbeid en dient daarop derhalve een zekere correctie
plaats te vinden. De wijze waarop dit gebeurt, is geregeld in het Besluit
uurloonschatting 1999 van het Lisv.
Het maatmaninkomen
Wajong
kent een meer uitgebreide regeling in het derde tot en met het
vijfde lid. Onderscheiden worden de situaties dat de jonggehandicapte wel of
geen inkomsten uit arbeid geniet (derde lid), dan wel met een
beroepsgerichte opleiding een diploma heeft behaald (vierde lid). In het laatste
geval wordt het maatmaninkomen gesteld op ten minste anderhalfmaal het minimumloon. Het vijfde lid bepaalt dat indien het maatmaninkomen dat wordt
verkregen door toepassing van het vierde lid hoger is dan het
maatmaninkomen op de voet van het derde lid, van eerstgenoemd maatmaninkomen wordt uitgegaan.
Artikel
7. Maatmaninkomen
bij hernieuwde vaststelling en herziening
Bij de introductie van
het Schattingsbesluit in 1994 is vastgelegd dat na de eerste vaststelling
van de mate van arbeidsongeschiktheid geen rekening meer wordt
gehouden met nadien opgetreden wijzigingen in het maatmaninkomen: het
maatmaninkomen wordt bij een latere vaststelling of herziening van de
uitkering niet "geactualiseerd". De reden hiervan is dat de band met het
vorige beroep na verloop van tijd steeds meer wordt losgelaten en de
vergelijking daarmee steeds meer een fictief karakter zou krijgen. Voor de
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid is dan meer bepalend wat
betrokkene met arbeid nog wel kan verdienen.
Het niet actualiseren van
het maatmaninkomen laat overigens onverlet dat van maatman gewisseld
kan worden indien de situatie daartoe aanleiding geeft,
bijvoorbeeld bij verkregen nieuwe bekwaamheden of bij leeftijdgebonden
functies.
Artikel
8. Indexering
maatmaninkomen
Artikel 8 bepaalt dat het
maatmaninkomen geïndexeerd wordt aan de hand van de index van de
CAO-lonen per uur, zoals die gepubliceerd wordt door het Centraal
Bureau voor de Statistiek.
§ 2. Resterende
verdiencapaciteit
De paragraaf betreffende
de resterende verdiencapaciteit - dit is hetgeen betrokkene met arbeid nog kan verdienen
- is gesplitst in een
artikel 9 dat regels
geeft voor de vaststelling van de in aanmerking te nemen arbeid en een
artikel 10 dat aangeeft op welke wijze de loonwaarde van die arbeid
moet worden berekend.
Artikel
9. Vaststelling in
aanmerking te nemen arbeid
Artikel 9 schrijft voor
welke arbeid in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit. In het
Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong was deze materie geregeld in artikel
3, tweede lid, en 4, eerste lid. Laatstgenoemd artikellid - dat aangaf op welke wijze de in
aanmerking te nemen (gangbare) arbeid nader moet worden omschreven - is
thans opgenomen in onderdeel a van artikel 9. Deze nadere omschrijving
vindt plaats in de vorm van ten minste drie verschillende in
Nederland uitgeoefende functies waarmee het hoogste inkomen per uur kan
worden verworven en die tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Dit laat onverlet dat geen functies
worden geduid die geen of nauwelijks arbeidsplaatsen vertegenwoordigen (onderdeel
b). De
onderdelen c tot en met e zien op functies die in een concreet geval, gelet
op de specifieke kenmerken van betrokkene, niet voor duiding in
aanmerking komen. Deze zijn: de noodzaak van toepassing van
voorzieningen die in redelijkheid niet van een werkgever verlangd kunnen
worden,
het overschrijden of nog niet bereikt hebben van een functionele
leeftijdsgrens door betrokkene, alsmede het hebben van zodanige kenmerken
dat tewerkstelling in een bepaalde functie in redelijkheid niet van
werkgever verlangd kan worden.
De onderdelen f en g
betreffen functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden. Dergelijke
functies worden alleen in aanmerking genomen indien deze toeslagen
zijn meegenomen bij de vaststelling van het maatmaninkomen.
In onderdeel f is de
uitzondering op deze regel opgenomen. De redactie van dit onderdeel, zoals
dit nog luidde in het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong, stamde nog uit
de tijd dat geschat kon worden op slechts één functie (thans geldt het
vereiste dat ten minste drie functies kunnen worden geduid). Dit
onderdeel bepaalde dan ook dat functies met toeslagen voor afwijkende
arbeidstijden in aanmerking konden worden genomen indien
uitsluitend arbeid kon worden verricht in afwijkende arbeidstijden. Een letterlijke interpretatie daarvan brengt evenwel mee dat
functies met afwijkende toeslagen wél mogen worden geduid wanneer er geen functies met normale
arbeidstijden kunnen worden geselecteerd, maar niet wanneer er
één of twee (minder dan drie) dagfuncties worden geselecteerd. Deze
consequentie moet als ongewenst worden aangemerkt. Ook de Centrale Raad van
Beroep is van oordeel dat deze interpretatie (waaraan hij zich
overigens wel gebonden achtte) "tot een merkwaardig resultaat leidt" (RSV 1998/240). De redactie van onderdeel
g is daarom aangepast,
waarmee dit knelpunt is opgeheven.
De redactie van onderdeel
h is enigszins gewijzigd en aangepast aan het opschrift van artikel
9,
waarmee wordt aangegeven dat het in dit artikel gaat om het wel of niet
in aanmerking nemen van - in dit geval feitelijk verrichte - arbeid. Bij
de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid dienen vervolgens
uiteraard de inkomsten uit die arbeid in aanmerking te worden genomen.
Artikel
10. Berekening
loonwaarde in aanmerking te nemen arbeid
Dit artikel geeft in het
eerste lid twee regels voor de berekening van wat betrokkene met arbeid nog
kan verdienen. In onderdeel a is vastgelegd dat in beginsel wordt
uitgegaan van de urenomvang van de [door de, red.] in artikel
18, eerste lid, van de WAO
en 2, eerste lid, van de WAZ bedoelde gezonde persoon uitgeoefende
arbeid. Indien betrokkene voor een geringer aantal uren belastbaar is, wordt
van dit geringere aantal uitgegaan.
Dit betekent dat de te
duiden functies qua arbeidsomvang vergelijkbaar dienen te zijn met de
maatmanfunctie. Er worden, met andere woorden, aan personen die voor hun
arbeidsongeschiktheid 20 uur per week werkten functies geduid
waarin eveneens ongeveer 20 uur per week wordt gewerkt. Er kunnen
derhalve ook functies worden geduid met een iets grotere of iets
kleinere arbeidsomvang. Achterliggende gedachte bij deze bandbreedte is dat
daarmee uit een grotere variëteit aan functies kan worden geput die naar
aard en belasting voor betrokkene geschikt zijn. Om te voorkomen dat een eventueel verschil in arbeidsomvang
tussen de te duiden
functies enerzijds en de maatmanfunctie anderzijds doorklinkt in de
berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage, worden de loonwaarde van
respectievelijk de maatmanfunctie en de geduide functies in een
uurloon uitgedrukt. Bij de invoering van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong in 1998 is deze zogeheten uurloonvergelijkingssystematiek
reeds gecodificeerd (artikel
3, eerste lid).
Onderdeel b geeft
vervolgens aan welk loon moet worden gehanteerd: het loon van de middelste
van de in artikel 9, onderdeel a, bedoelde functies.
In het tweede en het
derde lid zijn de maximering van het verdieninkomen op het maatmaninkomen,
respectievelijk de uitzonderingen daarop opgenomen. Deze
materie is ongewijzigd overgenomen uit artikel 5 van het
Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong.
Hoofdstuk 4. Overgangs- en
slotbepalingen
Artikel 12.
Overgangsbepaling maatmaninkomen
Artikel 11 ziet op de
situatie van hernieuwde vaststelling of herziening van de uitkering indien
de mate van arbeidsongeschiktheid voor de eerste maal is
vastgesteld vóór 10 augustus 1994. Voor deze personen geldt dat bij latere
schattingen uitgegaan moet worden van het maatmaninkomen zoals dit de laatste maal
vóór die datum is vastgesteld. Voor overheidswerknemers is
deze datum gesteld op 1 januari 1998, zijnde de datum waarop de WAO
op
hen van toepassing werd. Deze bepaling is overgenomen uit artikel 6, tweede lid, van het Schattingsbesluit WAO,
WAZ en Wajong.
Artikel
13. Intrekking
Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong
De gewijzigde opbouw en
vormgeving van de arbeidsongeschiktheidsschatting maakt het noodzakelijk
het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong in te trekken en
te vervangen door een nieuw besluit. Artikel 10 van het Schattingsbesluit
WAO, WAZ en Wajong is niet overgenomen in het nieuwe
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Bij gelegenheid van de
introductie van de uurloonvergelijking op 1 januari 1998 is in dat artikel
een speciale regeling getroffen voor een aantal situaties van
overgangsrechtelijke aard. Deze regeling is uitsluitend voor die situaties getroffen
en kan niet zonder meer worden overgeheveld naar het nieuwe Schattingsbesluit.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|
|