|
BESLUIT van 25 februari 2008, houdende tijdelijke regels teneinde
door middel van een subsidie brugbanen voor herbeoordeelde
arbeidsgeschikten mogelijk te maken (Tijdelijk besluit brugbanen
herbeoordeelden)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 13 november 2007, nr. SV/R&S/07/36624;
Gelet op artikel
89 van de Grondwet;
De Raad van State
gehoord (advies van 17 december 2007, nr. W12.07.0425/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 februari 2008, nr. SV/R&S/08/5070;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art.
1. Definities
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
- UWV: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk
5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen;
- WAO: Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- WAZ: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
- Wajong: Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
- Wfsv: Wet
financiering sociale verzekeringen;
- WW: Werkloosheidswet;
- Wet SUWI: Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- herbeoordeelde: de persoon:
a. ten aanzien van wie op grond van
artikel 34, vierde lid, van de WAO,
artikel 35, vijfde lid, van de WAZ
of artikel 28, vijfde lid, van de
Wajong
is bezien of er in verband met wijziging van de mate van
arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening of intrekking van
zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en die niet in de hoogste
arbeidsongeschiktheidsklasse is ingedeeld, alsmede de persoon, bedoeld
in artikel 2, tweede lid, van het Besluit
eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, die niet in
de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse is ingedeeld; en
b. die een uitkering ontvangt op
grond van een wet waaraan uitvoering wordt gegeven door het UWV.
Art.
2. Loonkostensubsidie herbeoordeelden
-1. Het UWV kan
op aanvraag aan de werkgever die met een herbeoordeelde die een
indicatiebeschikking heeft als bedoeld in het derde lid, een
dienstbetrekking, niet zijnde een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk
2 of 3 van de Wet
sociale werkvoorziening, aangaat of is aangegaan na de
inwerkingtreding van dit besluit, subsidie voor loonkosten verlenen
indien de dienstbetrekking een duur van ten minste twaalf maanden heeft.
-2. Indien de dienstbetrekking, bedoeld in
het eerste lid, een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek betreft, verstrekt het UWV slechts
subsidie indien de derde in wiens opdracht de herbeoordeelde ter
beschikking wordt gesteld om arbeid te verrichten zich jegens de
werkgever verplicht de herbeoordeelde tenminste twaalf maanden arbeid te
laten verrichten.
-3. Het UWV kan van de herbeoordeelde
vaststellen dat hij in aanmerking komt voor toepassing van het eerste
lid indien het UWV van oordeel is dat met het oog op de inschakeling in
de arbeid geen andere voorziening of instrument meer geschikt is. De
vaststelling, bedoeld in de eerste zin, geschiedt bij
indicatiebeschikking.
-4. Het UWV verstrekt de subsidie slechts:
a. indien naar het oordeel van het
UWV reële behoefte bestaat aan de arbeid die op grond van de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, zal worden verricht en die
arbeid geen additionele arbeid betreft;
b. indien er naar het oordeel van
het UWV een reëel uitzicht is op continuering van de dienstbetrekking
voor ten minste zes maanden na afloop van de periode waarover de
loonkostensubsidie wordt verstrekt, dan wel op een op die
dienstbetrekking aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere
omvang voor ten minste zes maanden; en
c. indien ten behoeve van de
herbeoordeelde in de vijf jaar voorafgaand aan de indicatiebeschikking,
bedoeld in het derde lid, niet eerder loonkostensubsidie op grond van
dit besluit is verstrekt en hij in die periode niet eerder werkzaamheden
op een proefplaats als bedoeld in artikel 65g
van de WAO,
artikel 67e van de WAZ,
artikel 59h van de Wajong
of artikel 76a van de WW
heeft verricht.
-5. Onder additionele arbeid als bedoeld in
het vierde lid, onderdeel a, wordt verstaan primair op de
arbeidsinschakeling gerichte arbeid of het naast of in aanvulling op
reguliere arbeid verrichten van werkzaamheden die niet leiden tot
verdringing op de arbeidsmarkt.
-6. De subsidie bedraagt ten hoogste 50%
van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een werknemer
jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon,
bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van laatstgenoemde
wet. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin, wordt naar evenredigheid
verminderd indien de overeengekomen arbeidsduur korter is dan de
normale arbeidsduur, bedoeld in artikel 12 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
-7. De subsidie kan voor maximaal twaalf
maanden worden verstrekt.
-8. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel, welke regels in
ieder geval betrekking kunnen hebben op: [Rstiabu]
a. nadere subsidievoorwaarden;
b. het tijdstip waarop de aanvraag,
bedoeld in het eerste lid, moet zijn ingediend; en
c. een subsidieplafond.
Art.
3. Financiering
-1. Met betrekking tot de toepassing van artikel
115 van de Wfsv worden de kosten van de
subsidie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover
die wordt verstrekt aan de werkgever van de persoon ten aanzien van wie
op grond van artikel 34, vierde lid, van de WAO
of artikel 35, vijfde lid, van de WAZ
is bezien of er in verband met wijziging van de mate van
arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening of intrekking van
zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, aangemerkt als kosten die verband
houden met de uitvoering van artikel 30a,
eerste lid, onderdeel a en c, van de Wet SUWI.
De eerste zin is van overeenkomstige toepassing op de subsidie, bedoeld
in artikel 2, eerste lid, voor zover die wordt
verstrekt aan de werkgever van de persoon, bedoeld in artikel
2, tweede lid, van het Besluit eenmalige
herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, ten aanzien van wie
is bezien of er in verband met wijziging van de mate van
arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening of intrekking van
zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO
of de WAZ.
-2. Met betrekking tot de toepassing van artikel
65 van de Wajong
worden de kosten van de subsidie, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, voor zover die wordt verstrekt aan de werkgever van de
persoon ten aanzien van wie op grond van artikel
28, vijfde lid, van de Wajong
is bezien of er in verband met wijziging van de mate van
arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening of intrekking van
zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, aangemerkt als kosten verband
houdende met de uitvoering van artikel 30a,
eerste lid, onderdeel a en c, van de Wet
SUWI.
De eerste zin is van overeenkomstige toepassing op de subsidie, bedoeld
in artikel 2, eerste lid, voor zover die wordt
verstrekt aan de werkgever van de persoon, bedoeld in artikel
2, tweede lid, van het Besluit eenmalige
herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, ten aanzien van wie
is bezien of er in verband met wijziging van de mate van
arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening of intrekking van
zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, op grond van de Wajong.
-3. In afwijking van het eerste en tweede
lid worden met betrekking tot de toepassing van artikel
100 van de Wfsv de kosten van de subsidie,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover die wordt
verstrekt aan de werkgever van de herbeoordeelde die direct voorafgaand
aan de dienstbetrekking recht had op een uitkering op grond van de WW
en geen recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
WAO, WAZ of Wajong, aangemerkt als
kosten in verband met de uitvoering van artikel
30a,
eerste lid, onderdeel a en c, van de Wet
SUWI.
-4. In afwijking van het eerste, tweede en
derde lid worden met betrekking tot de toepassing van artikel
108 van de Wfsv de kosten van de subsidie,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, voor zover die wordt
verstrekt aan de werkgever van de herbeoordeelde die direct voorafgaand
aan de dienstbetrekking recht had op een uitkering die ten laste kwam
van het Uitvoeringsfonds voor de overheid en geen recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO, WAZ of Wajong,
aangemerkt als kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering
van artikel 30a,
eerste lid, onderdeel a en c,
van de Wet SUWI.
Art.
4. Samenloop loonkostensubsidie met ziekengeld
-1. Indien de herbeoordeelde, bedoeld in artikel
2, ziekengeld ontvangt op grond van de Ziektewet,
wordt het, naar werkdagen herleide, aan de werkgever verstrekte
subsidiebedrag, bedoeld in artikel 2, verminderd met
dit ziekengeld.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt
het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 2, niet
verminderd met het ziekengeld dat wordt uitgekeerd op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet.
Art.
5. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en vervalt op een
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.¹
1. Ingevolge artikel
2 van het Besluit van 29 december 2008, 2008,
591, vervalt dit besluit op 1 januari 2009, red.
Art.
6. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit brugbanen
herbeoordeelden.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 25 februari
2008
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de achtentwintigste
februari 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
NOTA
VAN TOELICHTING
[25 februari 2008]
Algemeen
1. Inleiding
Dit besluit
voorziet in de bevoegdheid voor het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) om
een tijdelijke loonkostensubsidie toe te kennen aan werkgevers die
arbeidsongeschikten die herbeoordeeld zijn in het kader van de
zogenoemde eenmalige herbeoordelingsoperatie in dienst nemen. Doel is
voor herbeoordeelden brugbanen mogelijk te maken, als opstap naar
duurzaam, regulier werk. Het gaat om personen met een uitkering op grond
van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
(WAZ) of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong),
die op 1 juli 2004 50 jaar of jonger waren en die na hun herbeoordeling
nog een uitkering ontvangen op grond van een wet die door het UWV wordt
uitgevoerd. Het gaat om een subsidie van maximaal 50% van het wettelijk
minimumloon voor maximaal één jaar.
In
het kader van het Coalitieakkoord van 7 februari 2007 heeft de regering
zich bereid verklaard deze kabinetsperiode 10 000 brugbanen voor
herbeoordeelden mogelijk te maken. Dit voornemen is eveneens opgenomen
in de gezamenlijke beleidsinzet van de participatietop van 27 juni 2007.
Dit besluit is hier de uitwerking van.
Dit
besluit heeft naar zijn aard een tijdelijk karakter, omdat het alleen
geldt voor personen die herbeoordeeld worden in het kader van de
eenmalige herbeoordelingsoperatie, die naar verwachting in 2009 wordt
afgerond. Dit besluit, dat gebaseerd is op artikel
89 van de Grondwet, is daarom van
tijdelijke aard. De regering acht het dringend gewenst dat de
werkhervattingskansen van herbeoordeelden zonder werk worden bevorderd
door de spoedige invoering van de mogelijkheid om via loonkostensubsidie
brugbanen mogelijk te maken. Omdat de herbeoordelingsoperatie begin 2009
wordt afgerond en het van belang is dat het nieuwe instrument waar nodig
zo snel mogelijk wordt ingezet, is de periode dat het instrument
effectief kan worden ingezet eindig. Daarnaast geldt dat de financiële
middelen beschikbaar zijn voor de periode tot en met 2010. Derhalve zal
dit besluit vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Naar verwachting zal het besluit eind 2010 vervallen.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de regering met zijn brief van 6
december 2007 aan de Tweede Kamer heeft aangekondigd een voorstel uit te
zullen werken waarmee het UWV de
bevoegdheid krijgt loonkostensubsidie te verstrekken aan langdurig
werklozen en arbeidsongeschikten. Hiermee wordt het voornemen tot
uitdrukking gebracht om een algemene regeling op het niveau van de wet
te treffen waarmee het instrument loonkostensubsidie mogelijk wordt voor
langdurig werklozen en arbeidsongeschikten. Streven is derhalve dat het
instrument loonkostensubsidie beschikbaar komt voor andere cliënten van
het UWV dan degenen die tot de doelgroep van dit besluit behoren, die
reeds langere tijd een uitkering ontvangen en een grote afstand tot de
arbeidsmarkt hebben. In het kader hiervan zal nog worden bezien of er
aanleiding is om in dit wetsvoorstel ook het instrument brugbanen voor
herbeoordeelden te incorporeren.
Doel van dit besluit is de kansen op regulier werk voor herbeoordeelden
te bevorderen. Met de bevoegdheid loonkostensubsidie toe te kennen, heeft
het UWV een extra instrument om de
re-integratie van herbeoordeelden mogelijk te maken. De inzet van
loonkostensubsidie is hierbij geen doel op zich, maar een opstap naar
regulier, duurzaam werk van ten minste zes maanden. Uitgangspunt is
derhalve dat degenen die met behulp van een subsidie aan het werk komen
na afloop daarvan aan het werk blijven. De regering is zich ervan bewust
dat dit niet in alle gevallen mogelijk zal zijn. Het is daarom de
bedoeling dat dit instrument zodanig wordt ingezet dat ten minste 50%
van de betrokkenen duurzaam regulier werk blijft verrichten.
Veel herbeoordeelden slagen erin met het reguliere re-integratie-instrumentarium aan het werk te komen. In totaliteit heeft
al circa de helft van de herbeoordeelden van wie de uitkering is
verlaagd of beëindigd na achttien maanden werk.¹ Voorts blijkt uit onderzoek
dat de grote meerderheid van werkgevers die mensen met een handicap in
dienst hebben, tevreden is over deze werknemers.² Deze werkgevers geven
aan dat het merendeel van de gedeeltelijk arbeidsgeschikten dat het werk
heeft hervat normaal functioneert en een normaal verzuim(gedrag) aan de
dag legt.
Een deel van de herbeoordeelden heeft echter
een grotere afstand tot de arbeidsmarkt en heeft nog geen werk gevonden.
Hierdoor blijven talenten van mensen onbenut; zij blijven aan de kant
staan, terwijl werkgevers juist behoefte hebben aan personeel om
knelpunten in de personeelsvoorziening op te lossen. Langdurige
uitkeringsafhankelijkheid kan met zich brengen dat extra inspanningen
noodzakelijk zijn om werkervaring en arbeidsritme op te doen en de
vaardigheden en productiviteit van betrokkenen te versterken. Door dit
extra instrument van tijdelijke loonkostensubsidie kunnen bestaande
belemmeringen worden weggenomen en wordt een brug geslagen naar duurzaam
en regulier werk.
1. Kamerstukken II 2006-2007,
26 448, nr. 36.
2. Zie onderzoek Werkgevers over het functioneren en ziekteverzuim van
hun (ex)arbeidsongeschikte werknemers, TNO Kwaliteit van Leven,
september 2005.
Met
de invoering van loonkostensubsidie krijgt het UWV
voor de herbeoordeelden een instrument waarover gemeenten nu reeds
beschikken. Dit bevordert de samenwerking in de uitvoering van de SUWI-keten.
Van belang is dat verschillende uitvoerders (UWV en gemeenten) over het
instrument loonkostensubsidie beschikken dat zij via maatwerk gericht
kunnen inzetten bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. In dit
besluit wordt zoveel mogelijk ruimte aan de uitvoeringsorganisatie
gelaten. Hierdoor wordt ook de samenwerking met gemeenten en de Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI) op regionaal niveau bevorderd.
Van
groot belang is voorts dat het UWV het
gebruik en effect van het instrument loonkostensubsidie monitort.
Met
deze regeling ontstaat voor werkgevers een aantrekkelijk perspectief om
te voorzien in knelpunten in de personeelsvoorziening en in potentiële
werknemers te investeren met het oog op een steeds krapper wordend
arbeidspotentieel. De loonkostensubsidie stelt de werkgever in de
gelegenheid om herbeoordeelden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
in dienst te nemen. Het is ook in het belang van de werkgever dat
daarbij het perspectief op regulier, duurzaam werk steeds in het oog
wordt gehouden.
Thans ervaren werkgevers veelal nog een zekere
schroom om herbeoordeelden in dienst te nemen. Bij veel werkgevers
bestaat het beeld dat zij een hoger ziekteverzuim hebben, dan wel hogere
financiële risico’s of een lagere productiviteit met zich mee
brengen. Dit beeld is in het algemeen niet juist, maar hardnekkig.
Daarom wordt via de beeldvormingscampagne "Geknipt voor de juiste
baan" ingezet op bijstelling van het beeld. Dit gebeurt door het
verspreiden van goede voorbeelden en het wijzen op bestaande
faciliterende regelingen, zoals de no-riskpolis bij ziekte van
gedeeltelijk arbeidsgeschikten en fiscale regelingen bij in dienst nemen
of houden van gedeeltelijk arbeidsgeschikten en oudere werknemers.¹ De
loonkostensubsidie maakt het nu mogelijk om mensen die
langere tijd buiten het arbeidsproces hebben gestaan te laten groeien in
een nieuwe baan.
1. no-riskpolis: de werkgever wordt
tegemoetgekomen in de kosten van loondoorbetaling, mocht een gedeeltelijk arbeidsgeschikte binnen vijf
jaar na aanvang dienstverband ziek worden. Premiekorting: bij in dienst
nemen van een gedeeltelijk arbeidsgeschikte ontvangt de werkgever drie jaar
korting van €|2042,- op premies WW en
arbeidsongeschiktheid; bij in dienst houden één jaar;
premievrijstellingsregeling: de werkgever die ouderen in dienst
neemt/heeft, profiteert van vrijstelling van de Aof-premie (maximaal circa €| 2300,-).
De
mogelijkheid van loonkostensubsidie biedt herbeoordeelden zonder werk
aantrekkelijke kansen. Allereerst ontstaat perspectief op een duurzame
reguliere baan waarmee zelfstandig in het bestaan kan worden voorzien.
Daarmee verbonden zijn andere aspecten van werk, zoals het opnieuw
opdoen van arbeidsritme en werkervaring, verdere persoonlijke
ontwikkeling en aanleren van vaardigheden, en het opbouwen van
netwerken. Voorts is van groot belang dat het zelfvertrouwen en
vertrouwen in de eigen mogelijkheden toeneemt.
In de tweede plaats is er het perspectief van
inkomensvooruitgang. Dit geldt veelal reeds voor de periode waarin
betrokkene met subsidie aan de slag gaat tegen het geldende CAO-loon,
maar, belangrijker nog, indien werkgever en werknemer erin slagen om
deze baan om te zetten in een duurzame plaatsing erna.
In de derde plaats is van belang dat de
herbeoordeelde zo nodig voorafgaand aan en gedurende indiensttreding
adequate begeleiding ontvangt.
De inspanningen voor de re-integratie van
herbeoordeelden zijn tot slot niet vrijblijvend. Hierbij zijn de
geldende wettelijke bepalingen met betrekking tot
re-integratieverplichtingen van belang.
Uiteraard is het van cruciaal belang dat werknemers gemotiveerd zijn en
dat het proces rondom de werkhervatting goed wordt begeleid, waar nodig
ook door versterking van vaardigheden. Het UWV
is met name verantwoordelijk om het proces tot aan werkaanvaarding te
begeleiden. De mate waarin hierbij begeleiding nodig is, wordt met
maatwerk afgestemd op de omstandigheden. Het UWV dient maximaal te
bevorderen dat zoveel mogelijk uitstroom naar regulier werk plaatsvindt.
De werkgever is vervolgens, na werkaanvaarding,
verantwoordelijk voor begeleiding en zo nodig vergroting van
vaardigheden. Uiteindelijk doel is immers dat de werknemer zich steeds
verder ontwikkelt en zich kan bewijzen, zodat hij duurzaam in het
arbeidsproces blijft ingeschakeld zonder dat subsidie aan de orde is.
Tot slot is van belang dat de administratieve
lasten voor werkgevers maximaal worden beperkt. Daartoe is noodzakelijk
dat de matching van werkzoekenden en werkgevers snel en soepel verloopt;
hetzelfde geldt voor de afwikkeling van de loonkostensubsidie.
Bij
de vormgeving van het besluit is een aantal uitgangspunten gehanteerd.
Het besluit is allereerst zo regelluw mogelijk
vormgegeven om ruimte voor maatwerk op decentraal niveau te bieden en de
administratieve lasten voor bedrijven tot het uiterste te beperken. Dit
is nodig omdat zowel aan de kant van de werkgever als aan de kant van de
werknemer de omstandigheden kunnen verschillen.
In de tweede plaats is gekozen voor een
bevoegdheid voor het UWV om gericht een
loonkostensubsidie toe te kennen indien het UWV van oordeel is dat dit
het meest geschikte instrument naar werk vormt en zal bijdragen als
opstap naar regulier en duurzaam werk. Het gaat dus, net als bij
gemeenten thans al het geval is, om een bevoegdheid voor het UWV, niet
om een recht voor de werknemer of werkgever. Voor de uitwerking kunnen
zo nodig nadere regels worden gesteld.
In de derde plaats gaat het om een instrument -
loonkostensubsidie - dat tijdelijke ondersteuning biedt naar
regulier, duurzaam werk.
De beoordeling of loonkostensubsidie is aangewezen, de
verstrekking van de subsidie en de monitoring vinden plaats door het UWV,
de matching (bemiddeling naar werkgevers) zoveel mogelijk via het CWI.
Dit wordt verduidelijkt door onderstaande figuur.

2.
Hoofdlijnen besluit
In deze paragraaf
komt een aantal hoofdlijnen van het besluit aan de orde.
A. Basis
van dit besluit
Hiervoor is
aangegeven om welke redenen het noodzakelijk wordt geacht een nieuw
re-integratie-instrument te creëren om herbeoordeelde
arbeidsongeschikten in de arbeid in te schakelen.
De in het besluit neergelegde tijdelijke
regeling waarmee loonkostensubsidie kan worden verstrekt aan werkgevers
die een herbeoordeelde arbeidsongeschikte in dienst nemen, is te
beschouwen als een naar buiten werkende algemene regel die een algemeen
verbindend voorschrift bevat. Naar de huidige rechtsopvatting behoort
zeer terughoudend te worden omgegaan met het vaststellen van een
algemeen verbindend voorschrift bij zelfstandige algemene maatregel van
bestuur, op grond van artikel 89 van de
Grondwet, zelfs indien deze, zoals in het
onderhavige besluit, de rechten en vrijheden van betrokkenen niet
beperkt - het staat werkgevers immers vrij al dan niet subsidie aan te
vragen -, maar slechts financiële aanspraken mogelijk maakt.
Desalniettemin is ervoor gekozen de materie te regelen bij zelfstandige
algemene maatregel van bestuur, omdat de regering het dringend gewenst
acht dat de werkhervattingskansen van herbeoordeelden zonder werk worden
bevorderd door de spoedige invoering van het instrument
loonkostensubsidie. Het uiteindelijke doel van de
herbeoordelingsoperatie is immers dat mensen met de mogelijkheden die
zij nog hebben weer aan de slag komen. Blijkens onderzoeken onder een
tweetal cohorten herbeoordeelden (2005 en 2006) die zijn verricht slaagt
circa de helft van de herbeoordeelden er na verloop van tijd in werk te
vinden; circa de helft slaagt daar niet in. Het nieuwe kabinet heeft
daarop in het Coalitieakkoord geconcludeerd tot de noodzaak van 10 000
brugbanen voor herbeoordeelden zonder werk in deze kabinetsperiode om de
werkhervattingskansen van deze kwetsbare groep een extra impuls te
geven. Het is gewenst dat het UWV zo snel
mogelijk over dit instrument kan beschikken, zodat het kan worden ingezet
bij de verdere uitvoering van de eenmalige herbeoordelingsoperatie
en de daarmee samenhangende re-integratie-inspanningen. Voorts heeft een
spoedige invoering het voordeel dat het instrument loonkostensubsidie
optimaal kan worden betrokken bij de herbeoordeling van degenen die nog
moeten worden herbeoordeeld. De tijdelijkheid van dit besluit volgt uit
de aard van de eenmalige herbeoordelingsoperatie. De loonkostensubsidie
is een re-integratiemaatregel en derhalve een voorziening waarmee
inschakeling in de arbeid wordt bevorderd. De Wet
financiering sociale verzekeringen
(Wfsv) regelt niet limitatief welke re-integratievoorzieningen uit de
fondsen kunnen worden gefinancierd, maar laat zich hier in algemene
termen over uit (artikelen 100, onderdeel l,
108, tweede lid, en 115,
eerste lid, onderdeel m, van de Wfsv en
artikel 65, eerste lid, onderdeel h,
van de Wajong).
Derhalve staat de Wfsv niet in de weg aan
gebruikmaking van de algemene bevoegdheid van de Kroon om regels te
stellen.
B. Doel
en karakter: extra re-integratie-instrument, als opstap naar regulier
werk
De bevoegdheid een
loonkostensubsidie toe te kennen, is een nieuw instrument voor het UWV
om de re-integratie van herbeoordeelden naar regulier werk te
bevorderen. Het UWV heeft thans geen mogelijkheid het instrument
loonkostensubsidie toe te passen; gemeenten wel. Na inwerkingtreding van
dit besluit kunnen dus personen met vergelijkbare afstand tot de
arbeidsmarkt van dezelfde mogelijkheden van re-integratieondersteuning
worden voorzien, ongeacht of zij tot de UWV-populatie of gemeentelijke
populatie behoren.
De loonkostensubsidie is een extra instrument
ten opzichte van het reguliere re-integratie-instrumentarium van het
UWV. Kern van het reguliere re-integratiebeleid is dat personen die op
eigen kracht aan de slag kunnen komen geen ondersteuning nodig hebben;
degenen die, gelet op de afstand tot de arbeidsmarkt, ondersteuning
nodig hebben, kunnen een beroep doen op het reguliere instrumentarium.
Dit kan diverse vormen aannemen: het bieden van begeleiding, de inzet
van een regulier traject of een IRO-traject (individuele
re-integratie-overeenkomst), de inzet van een proefplaatsing bij een
werkgever (voor maximaal drie maanden). Een eerder gevolgd
re-integratietraject is echter geen voorwaarde om voor
loonkostensubsidie in aanmerking te komen.
De
bevoegdheid van het UWV een
loonkostensubsidie toe te kennen, is bedoeld voor herbeoordeelden met een
grotere afstand tot de arbeidsmarkt voor wie het huidige instrumentarium
onvoldoende mogelijkheden biedt. Het UWV dient na te gaan voor welke
personen binnen de doelgroep, gelet op de afstand tot de arbeidsmarkt,
het instrument is aangewezen.
Doel van de loonkostensubsidie is een brug te
vormen naar regulier werk (duurzame plaatsing) voor degene voor wie het
UWV vaststelt dat dit het meest geschikte instrument naar regulier en
duurzaam werk is. De subsidie is gerechtvaardigd om werknemer en
werkgever een zekere periode te geven aan elkaar te wennen en om de
werknemer die vanuit een zwakkere arbeidsmarktpositie in dienst treedt
te integreren in het arbeidsproces. De subsidie kan worden verstrekt aan
een werkgever die bereid is een herbeoordeelde met loonkostensubsidie in
dienst te nemen voor ten minste één jaar. De baan zelf is een concrete
functie bij een werkgever (markt- of collectieve sector) en blijkt uit
een arbeidsovereenkomst.
C. Doelgroep
De doelgroep wordt
gevormd door personen uit de eenmalige herbeoordelingsoperatie
WAO,
WAZ, Wajong
die een gedeeltelijke uitkering hebben of geheel zijn goedgekeurd. Het
betreft de personen met een WAO-, WAZ- of Wajong-uitkering,
die op 1 juli 2004 jonger dan 50 jaar waren en uit hoofde daarvan zijn
of nog worden herbeoordeeld. Van deze personen behoren alleen degenen
die een uitkering ontvangen op grond van een wet die door het UWV
wordt uitgevoerd tot de doelgroep van dit besluit.
Uitgangspunt is dat mensen met
arbeidsbeperkingen moeten worden aangesproken op de mogelijkheden die
zij nog wel hebben in plaats van op hun beperkingen. Van cruciaal belang
zijn de werkhervattingskansen van herbeoordeelden met een toegenomen
verdiencapaciteit. De afgelopen periode zijn hiervoor extra middelen
ingezet en heeft het UWV extra re-integratie-inspanningen verricht. Vaak
vinden herbeoordeelden, met re-integratieondersteuning of op eigen
kracht, na verloop van tijd werk. Er zijn dus zeker mogelijkheden voor
deze groep. Een deel van de herbeoordeelden met toegenomen
arbeidsmogelijkheden is echter nog niet aan de slag. De regering acht
daarom gerichte inzet van dit instrument ook gewenst voor deze groep.
Bij
de groep herbeoordeelden zonder werk gaat het enerzijds om personen die
reeds herbeoordeeld zijn, anderzijds om personen die nog herbeoordeeld
moeten worden. De reeds herbeoordeelden die nog geen werk hebben, kunnen
in een verschillende positie verkeren: een deel heeft nog een lopend
re-integratietraject; van een ander deel is dit reeds afgesloten. Ook
zijn er herbeoordeelden die om uiteenlopende redenen geen
re-integratietraject hebben gehad. De aanpak van de brugbanen zal hierop
worden afgestemd.¹ In algemene zin geldt voor herbeoordeelden zonder
werk dat zij al een geruime periode, veelal meerdere jaren, afhankelijk
zijn geweest van een uitkering en daarin ook geen werk hebben gehad.
1. De totale omvang van de
potentiële doelgroep bedraagt naar schatting circa 60 000 personen. Dit
aantal is als volgt te benaderen. Het aantal reeds herbeoordeelden dat
nog in traject zit of van wie het traject is afgerond, bedraagt circa 20
000 personen. Het aantal dat nog herbeoordeeld moet worden en geen werk
heeft, is circa 24 000. Het aantal herbeoordeelden dat geen traject
heeft gehad en geen werk heeft, kan worden geraamd op circa 15 000.
In
veel gevallen zullen deze personen na verlaging of beëindiging van hun
arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komen voor een WW-uitkering
of een tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (Triha).
Uitgangspunt van de herbeoordelingsoperatie is
dat het UWV de herbeoordeelden actief re-integreert in het kader van een
sluitende re-integratieaanpak van herbeoordeelden. In de loop van de
tijd kan dit verschuiven richting gemeenten. Het kan voorkomen dat
mensen na herbeoordeling bijstand op grond van de Wet
werk en bijstand (Wwb) ontvangen of geen uitkering meer krijgen.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de re-integratie van mensen in de Wwb
en niet-uitkeringsgerechtigden.
Wat betreft de herbeoordeelden met een
uitkering op grond van de Wwb beschikken gemeenten over een adequaat
re-integratie-instrumentarium, waaronder loonkostensubsidies. Gemeenten
hebben ook een financiële prikkel om deze groep te re-integreren.
Daarom komen herbeoordeelden met alleen een uitkering op grond van de Wwb
niet in aanmerking voor een loonkostensubsidie op grond van dit besluit;
zij kunnen voor adequate re-integratie-ondersteuning bij hun gemeente
terecht. Voor personen die zowel een uitkering van het UWV
hebben als een aanvullende bijstandsuitkering kan het UWV het instrument
van loonkostensubsidie inzetten.
Het is gewenst dat het UWV de bevoegdheid
krijgt het instrument van loonkostensubsidie in te zetten voor de
herbeoordeelden die geen uitkering meer hebben. Door deze bevoegdheid
blijft voor hen één loket gelden. Op grond van een ministeriële
regeling op grond van de Kaderwet
SZW-subsidies zal een
loonkostensubsidie ten behoeve van deze personen kunnen worden verstrekt
[zie Tijdelijke regeling
brugbanen niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden,
red.]. Het UWV zal die regeling
uitvoeren. De financiering hiervan zal via de begroting plaatsvinden. Zo
ontstaat ook wat de loonkostensubsidie betreft een sluitende aanpak.
D. Beoordeling
door het UWV
Het besluit bevat
een bevoegdheid voor het UWV om
loonkostensubsidies toe te kennen aan werkgevers die herbeoordeelden
zonder werk in dienst nemen. Het behoren tot de doelgroep
herbeoordeelden betekent niet dat betrokkene zonder meer voor
loonkostensubsidie in aanmerking komt. Het gaat bij de
subsidieverstrekking, net als bij gemeenten, om een bevoegdheid voor het
UWV, niet om een recht voor een werknemer of werkgever.
Cruciaal is dat het UWV vooraf nagaat welke
cliënten naar zijn oordeel via het instrument aan het werk kunnen
worden geholpen. Hierbij worden de cliënten uiteraard betrokken. Bij de
beoordeling is van belang dat naar het oordeel van het UWV de
loonkostensubsidie het meest geschikte instrument naar werk is om aan de
slag te komen. Het UWV heeft hierin beoordelingsruimte. Voorkomen moet
worden dat het instrument wordt gebruikt voor herbeoordeelden die zonder
deze loonkostensubsidie erin slagen zelf aan de slag te komen. Het UWV
moet daarom vaststellen of de inzet van het instrument
loonkostensubsidie voor betrokken uitkeringsgerechtigde het meest
geschikte instrument is.
Na
matching met een werknemer kan de werkgever een aanvraag om
loonkostensubsidie bij het UWV indienen. Het UWV
kan hierbij faciliteren. De beoordeling van de aanvraag kan dan
betrekkelijk eenvoudig plaatsvinden, omdat dit de afsluiting is van het
voorliggende matchingsproces. Gegeven de bereidheid van een werkgever
betrokkene met subsidie in dienst te nemen, dient het UWV nog te beoordelen
of voldaan wordt aan de voorwaarde dat er sprake is van een
dienstverband van ten minste twaalf maanden. In het geval de werkgever
die subsidie ontvangt een uitzendbureau is, moet de werkgever waarbij de
herbeoordeelde daadwerkelijk gaat werken (de inlener), zich jegens het
uitzendbureau verplichten de herbeoordeelde ten minste twaalf maanden
arbeid te laten verrichten. Dit volgt uit het uitgangspunt dat sprake is
van een dienstverband van ten minste twaalf maanden.
Uiteraard kan alleen subsidie worden toegekend
bij dienstverbanden die na inwerkingtreding van dit besluit zijn
aangegaan. Doel is immers dat werkgevers over de streep worden getrokken
om herbeoordeelden in dienst te nemen. Het is mogelijk dat een aanvraag
om subsidie wordt ingediend nadat de dienstbetrekking reeds is
aangegaan. Dit blijkt uit de zinsnede "of is aangegaan" in artikel
2, eerste lid, aanhef. De aanvraag zal echter wel binnen een
redelijke termijn na aanvang van de dienstbetrekking moeten worden
ingediend. Deze termijn zal bij ministeriële regeling worden bepaald.
Gelet op de doelstelling dat zoveel mogelijk perspectief ontstaat op
reguliere arbeid beoordeelt het UWV voorts
of er sprake is van een reële arbeidsplaats; het mag dus niet gaan om
een gecrëerde, additionele arbeidsplaats. Dit kan bijvoorbeeld blijken
uit een vacature die is gemeld bij het CWI of uit de
arbeidsovereenkomst. Daarnaast dient het UWV te beoordelen of er reëel
uitzicht bestaat op regulier werk van ten minste zes maanden na afloop van
de loonkostensubsidie. Het UWV kan hierbij bijvoorbeeld afgaan op een
intentieverklaring van de werkgever om het dienstverband na één jaar
voort te zetten. Ook eventuele afspraken inzake de begeleiding van de
werknemer door de werkgever kunnen hierbij van belang zijn.
De subsidieduur is maximaal twaalf maanden. Dit is een termijn
waarbinnen doorgaans in redelijkheid moet kunnen worden vastgesteld of
betrokkene geschikt is de desbetreffende functie te vervullen. Deze
termijn dient te voorkomen dat betrokkene langdurig afhankelijk wordt
van een subsidie. Vanwege het tijdelijke karakter kan voor elke
herbeoordeelde het instrument ten hoogste eenmaal worden ingezet. Het
instrument loonkostensubsidie kan voorts niet cumuleren met het
instrument proefplaatsing.
De hoogte van de subsidie is maximaal 50% van
het wettelijk minimumloon. Er is derhalve gekozen voor een vast,
wettelijk ijkpunt voor het toekennen van de subsidie; partijen zijn
uiteraard vrij een hogere beloning overeen te komen, maar de overheid is
daaraan niet gebonden. De grens van 50% geeft voorts duidelijkheid naar
betrokkenen en komt de werkgever aanzienlijk tegemoet. Het maximum betekent
dat het UWV de ruimte heeft om in
voorkomende gevallen benedenwaarts af te wijken van 50% van het
wettelijk minimumloon.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de vaststelling of een
herbeoordeelde voor het instrument loonkostensubsidie in aanmerking komt
en de beslissing door het UWV op een aanvraag
van een werkgever om loonkostensubsidie voor een bepaalde werknemer een
besluit betreft waartegen de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat.
E. Samenloop
Er kan sprake zijn
van samenloop met de loonkostensubsidie en de bestaande
premievrijstellingsregeling voor het in dienst hebben (dit zal zich
gelet op de doelgroep weinig voordoen) of nemen van oudere werknemers en
de premiekortingsregeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten [zie Wet
van 19 december 2003, houdende premievrijstelling bij in dienst nemen en
in dienst houden van oudere werknemers (Stb. 2003, 557), red.]. Het
relatieve voordeel van ouderen en gedeeltelijk arbeidsgeschikten dat is
gecreëerd om hun arbeidsmarktpositie te verbeteren, blijft daarmee in
stand.
Het
is ook mogelijk dat iemand die werkt in een baan met loonkostensubsidie
recht krijgt op een ZW-uitkering. Dit is met
name mogelijk in de situatie waarin de werknemer die herbeoordeeld is
ziek wordt en een beroep kan worden gedaan op de no-riskpolis die is
opgenomen in de Ziektewet (ZW). De werkgever van de zieke werknemer kan
in dat geval het loon verrekenen met het ziekengeld, waarop op grond van
de no-riskpolis aanspraak bestaat.
Daarnaast is denkbaar dat gebruik gemaakt wordt
van een uitzendovereenkomst (met uitzendbeding) als bedoeld in artikel
690 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval behoeft de
(uitzend)werkgever bij ziekte van de werknemer op grond van de CAO geen
loon door te betalen (omdat de uitzendovereenkomst automatisch eindigt),
maar kan de zieke werknemer aanspraak maken op ziekengeld op grond van
de ZW.
Samenloop van ZW-uitkering en
loonkostensubsidie is in beide situaties niet beoogd. Daarom wordt de
subsidie in dit besluit verminderd met het bedrag aan ziekengeld.
3.
Budgettaire beheersbaarheid en financiering
De vormgeving van
de loonkostensubsidie is gebaseerd op maatwerk in de uitvoering en ruime
bevoegdheden voor de uitvoerder. Om de kosten beheersbaar te houden, zal
bij ministeriële regeling een maximumbedrag (subsidieplafond) voor de
toekenning van loonkostensubsidie worden gesteld [zie Regeling
subsidieplafond en tijdstip indiening aanvraag brugbanen
uitkeringsgerechtigden, red.].
Met het UWV worden
voorts jaarlijks, via de jaarplancyclus, afspraken gemaakt over de
hoogte van het budget en de bijbehorende uitvoeringskosten, het aantal
personen dat via loonkostensubsidie aan werk kan worden
geholpen en de manier waarop de prestaties zullen worden gemeten.
Het UWV zal op de gebruikelijke weg via de
tertaal- en jaarverslagen en fondsennota’s rapporteren over het
gebruik en de uitgaven van de loonkostensubsidie en de bijbehorende
uitvoeringskosten.
In
de financiering van deze regeling wordt voorzien vanuit de
arbeidsongeschiktheidsfondsen: Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) voor
herbeoordeelden WAO/WAZ
en het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten (Wajong-fonds)
voor herbeoordeelde Wajong-ers. De financiering vindt plaats vanuit het
Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) of het Uitvoeringsfonds voor de
overheid (Ufo), wanneer betrokkene direct voorafgaand aan de
dienstbetrekking recht op een WW-uitkering had.
4.
Uitvoering
De doelgroep omvat
de cliënten van het UWV. Om deze redenen
wordt het UWV belast met de uitvoering van de loonkostensubsidie. Het
betreft met name de beoordeling of loonkostensubsidie voor betrokkene is
aangewezen, de verstrekking van de subsidie en de monitoring.
Het toezicht hierop vindt plaats door de
Inspectie Werk en Inkomen [IWI, red.] conform de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
5.
Financiële gevolgen
In de onderstaande
tabel worden de gevolgen over de komende kabinetsperiode weergegeven die
voortvloeien uit de doelstelling om 9000 herbeoordeelden met een
arbeidsongeschiktheids-
en/of een WW-uitkering aan het werk te helpen
[bedragen in miljoen euro, red.].
De raming gaat uit van één jaar loonkostensubsidie ter hoogte van de
helft van het wettelijke minimumloon. De totale kosten voor de
loonkostensubsidies aan werkgevers bedragen naar verwachting bijna €|49 miljoen. Indien de werknemer ziek wordt, kan hij een uitkering
uitvangen vanuit het vangnet ZW. De
uitkeringslasten ZW worden geraamd op bijna €|10 miljoen.
Herbeoordeelden zullen deels andere uitkeringsgerechtigden verdringen
die bij afwezigheid van de subsidie anders deze baan zouden hebben
ingenomen. De extra uitkeringslasten WW als gevolg van verdringing zijn
geraamd op bijna €|5 miljoen. De uitvoeringskosten UWV
worden voorlopig geraamd op ruim €|11 miljoen, inclusief de extra
uitvoeringskosten voor de ZW en de WW.
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
|
2008
|
2009
|
2010
|
Totaal
|
| Loonkostensubsidies UWV
|
20,1
|
25,1
|
3,4
|
48,6
|
| Uitkeringslasten vangnet ZW
|
x4,1
|
x5,1 |
0,7
|
x9,8 |
| Uitkeringslasten WW
|
x1,9 |
x2,4 |
0,3
|
x4,6 |
| Uitvoeringskosten
loonkostensubsidies UWV
|
x6,9 |
x0,6 |
0,6
|
x8,1 |
| Uitvoeringskosten vangnet ZW en
WW |
x1,3 |
x1,6 |
0,2 |
x3,1 |
|
Totaal |
34,3 |
34,8 |
5,2 |
74,2 |
Uitvoeringskosten en
implementatiekosten
Het
UWV speelt bij de uitwerking van de
voornemens een cruciale rol. Uit de uitvoeringstoets van het UWV blijkt
dat de uitvoering van dit besluit kosten met zich meebrengt voor de
indicatiestelling voor de beoordeling van de inzet van het instrument
loonkostensubsidie, de subsidieverstrekking, inclusief de toets op het
bestaan van een reële arbeidsplaats en reëel uitzicht op continuering
van de dienstbetrekking na afloop van de periode met loonkostensubsidie,
en implementatiekosten. De kosten hiervan worden in totaal geraamd op €|9 miljoen. De uitvoeringskosten
voor
de ZW en de uitvoeringskosten WW
als gevolg van de verdringingseffecten worden geraamd op €|4 miljoen.
Hiervan wordt €|11 miljoen toegerekend aan de
9000 herbeoordeelden
met een arbeidsongeschiktheids- en/of WW-uitkering en €|2 miljoen aan de
1000
herbeoordeelden zonder uitkering. Voor de kosten van re-integratie van
herbeoordeelden is voorzien in de UWV-budgetten, inclusief de
aanpassingen daarop als gevolg van het Coalitieakkoord.
Bij
de vormgeving zijn de administratieve lasten een aandachtspunt. Het
streven is deze zo beperkt mogelijk te houden. Het UWV
heeft hiervoor een systematiek uitgewerkt waarbij de subsidie deels
vooraf wordt toegekend, deels achteraf bij de definitieve vaststelling
van de subsidie. De administratieve lasten voor deze systematiek worden
in totaal geraamd op circa €|0,6 miljoen.
6.
Commentaren
Aan UWV
en CWI, IWI en Actal
[Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.] is verzocht commentaar uit te brengen over het
voorgenomen besluit.
Het
UWV is, mede namens de CWI, positief over de
invoering van het instrument loonkostensubsidie en acht de regeling
uitvoerbaar en handhaafbaar.
Het
UWV geeft in zijn uitvoeringstoets aan op
welke wijze het UWV het instrument wil oppakken. UWV en CWI
zullen
hiertoe een gezamenlijke projectorganisatie opzetten. De matching zal
met name plaatsvinden via het CWI en
re-integratiebedrijven.
Het UWV onderstreept dat bij de beoordeling of
loonkostensubsidie voor betrokkene aangewezen is, sprake is van een
professionele beoordeling, waarin maatwerk centraal staat. Daarbij is
sprake van verschillende groepen herbeoordeelden die elk apart aandacht
zullen krijgen: degenen die nog herbeoordeeld worden (nieuwe instroom);
reeds herbeoordeelden met een lopend re-integratietraject; reeds
herbeoordeelden met een afgesloten re-integratietraject en reeds
herbeoordeelden die om uiteenlopende redenen geen re-integratietraject
hebben gehad.
Het
UWV geeft in zijn uitvoeringstoets voorts
ruime aandacht aan het uitvoeringsproces. Het UWV is doende met de
verdere voorbereiding van de uitvoering.
Uit de toets komt naar voren dat het gaat om
een veelomvattend proces, waarbij verschillende partijen een rol spelen
en dat ook enige tijd zal moeten hebben voordat duurzame resultaten
kunnen worden geboekt.
Het UWV zal periodiek aan de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid rapporteren over de inspanningen en
geboekte resultaten. Het UWV heeft voor wat betreft de wijze van
betaling van de subsidie een systematiek uitgewerkt waarbij de subsidie
deels vooraf wordt toegekend, deels achteraf, bij de definitieve
vaststelling van de subsidie. Hierbij wordt, binnen de kaders van de Algemene
wet bestuursrecht, enerzijds recht gedaan aan de belangen van de
werkgever, anderzijds aan aspecten van handhaving en van rechtmatige
aanwending van middelen.
De
IWI heeft geen opmerkingen over de toezichtbaarheid van het voorgenomen
besluit.
Actal adviseert met name af te zien van een
aanvraag voor een subsidie (geen toegevoegde waarde, verhoogt
administratieve last voor bedrijven). Een aanvraag is echter, gelet op
de Algemene wet bestuursrecht, nodig om te
kunnen besluiten over verlening van de loonkostensubsidie. Daarnaast
adviseert Actal een eenvoudiger manier van declareren van de loonkostensubsidie.
Dit advies was echter gebaseerd op een voorstel waarin er sprake was van
maandelijkse declaratie. Inmiddels heeft het UWV
zoals hierboven aangegeven een alternatief uitgewerkt. Voorts beveelt
Actal aan dat herbeoordeelden die na de subsidiebaan terugvallen op een
uitkering in aanmerking komen voor een verkorte procedure. Wat dit
betreft zijn de bestaande wettelijke procedures uitgangspunt; daarbinnen
dient ook in deze gevallen te worden geopereerd.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikelen
1 en 2
In artikel
2 wordt een bevoegdheid voor het UWV
geregeld een loonkostensubsidie te verstrekken aan de werkgever die een
herbeoordeelde in dienst neemt. In artikel 1 wordt het
begrip herbeoordeelde gedefinieerd. Deze doelgroep omvat de personen
die, in het kader van de "eenmalige herbeoordelingsoperatie",
zijn herbeoordeeld op grond van artikel 34,
vierde lid, van de WAO,
artikel 35, vijfde lid, van de WAZ
of artikel 28, vijfde lid, van de Wajong
en die niet volledig arbeidsongeschikt zijn. Dit laatste blijkt uit de
zinsnede "en die niet in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse is
ingedeeld". Maar ook de persoon, bedoeld in artikel
2, tweede lid, van het Besluit eenmalige
herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, valt onder het begrip
herbeoordeelde. Ook ten aanzien van hem geldt dat hij niet moet zijn
ingedeeld in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse. Van deze personen
behoren slechts degenen die een uitkering ontvangen op grond van een wet
die door het UWV wordt uitgevoerd tot de doelgroep. Hierbij wordt
opgemerkt dat hiertoe ook behoren de personen die recht hebben op een
tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke regeling inkomensgevolgen
herbeoordeelde arbeidsongeschikten. Deze tegemoetkoming wordt immers op
grond van artikel 2, negende
lid, van die regeling voor de toepassing van andere
wetten dan de Kaderwet
SZW-subsidies en de daarop berustende bepalingen aangemerkt als
uitkering op grond van de verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidswet.
Uit
artikel 2, eerste lid, blijkt dat de overeengekomen
arbeid geen dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk
2 of 3 van de Wet
sociale werkvoorziening mag betreffen en dat die dienstbetrekking voor ten minste twaalf maanden
moet worden of zijn aangegaan. Hierbij wordt opgemerkt dat derhalve ook
een dienstbetrekking die een langere duur kent dan twaalf maanden kan
worden gesubsidieerd. Aan de subsidieperiode is in het zevende lid een
maximum gesteld.
Het
tweede lid regelt dat in de situatie waarin de werknemer op grond van
een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek arbeid verricht, de inlener zich jegens
het uitzendbureau dient te verplichten om gedurende één jaar de
desbetreffende werknemer (uitzendkracht) te werk te stellen. Hierbij
wordt opgemerkt dat wanneer de werknemer ziek wordt, hem ziekengeld op
grond van de ZW wordt betaald. In die
situatie wordt overigens op grond van artikel 4 het
ziekengeld in mindering gebracht op de subsidie. Hiertoe wordt verder
verwezen naar de toelichting op artikel 4.
Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de
subsidievoorwaarden, bedoeld in het derde lid, en de overige leden van artikel
2 ook op het uitzendbureau van toepassing zijn.
Als
voorwaarde voor de subsidie geldt dat de werknemer beschikt over een
indicatiebeschikking.
Een dergelijke indicatiebeschikking geeft het UWV
slechts af indien naar het oordeel van het UWV met het oog op de
inschakeling in de arbeid de loonkostensubsidie het meest geschikte
instrument is (artikel 2, derde lid).
Opgemerkt wordt dat ook loonkostensubsidie kan worden verstrekt als de
dienstbetrekking reeds is aangevangen. Dit blijkt uit de zinsnede "of
is aangegaan" in artikel 2, eerste lid. Hierdoor
hoeven werkgevers niet te wachten op de toekenning van de
loonkostensubsidie met het in dienst nemen van de werknemer. De
mogelijkheid van subsidieverstrekking geldt, blijkens artikel
2, eerste lid, alleen voor dienstbetrekkingen die zijn aangegaan na
de inwerkingtreding van dit besluit. Wanneer de dienstbetrekking vóór
het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is aangegaan, komt de
werkgever niet in aanmerking voor loonkostensubsidie. De
loonkostensubsidie is immers niet bedoeld voor werknemers die al een
tijd in dienst zijn, maar heeft tot doel dat de werkgever nieuwe
werknemers in dienst neemt.
In
het vierde lid zijn extra subsidievoorwaarden geformuleerd.
Ten
eerste dient er reële behoefte te bestaan aan de arbeid die op grond
van de dienstbetrekking zal worden verricht (vierde lid, onderdeel a).
Het is aan het UWV om dit te beoordelen. Dat
er reële behoefte bestaat aan die arbeid kan bijvoorbeeld blijken uit
het feit dat het een vacature betreft die is geregistreerd bij de CWI.
Het UWV dient er in ieder geval van te zijn overtuigd dat het geen
arbeid betreft die enkel en alleen is gecreëerd om loonkostensubsidie
te ontvangen.
Tevens mag in de dienstbetrekking geen
additionele arbeid worden verricht. In het zesde lid wordt het begrip
additionele arbeid gedefinieerd.
Deze voorwaarde houdt in dat de werkzaamheden
van de werknemer primair op het realiseren van het bedrijfsdoel van
degene voor wie hij deze werkzaamheden verricht, moeten zijn gericht en
dat die werkzaamheden niet primair mogen zijn gericht op het bevorderen
van de inschakeling in de arbeid - re-integratie - van betrokkene.
De activiteiten moeten het karakter hebben van gewone productieve arbeid.
De subsidie wordt niet verleend voor
additioneel werk. Additionaliteit houdt in dat het een speciaal
gecreëerde functie betreft of een reeds bestaande functie die een
uitkeringsgerechtigde alleen met speciale begeleiding kan verrichten.
Hij zal minder productief zijn dan zijn collega’s op een reguliere
arbeidsplaats.
Ten
tweede dient er naar het oordeel van het UWV
na de dienstbetrekking waarvoor subsidie wordt verleend op afzienbare
termijn zicht te zijn op regulier en duurzaam werk (vierde lid,
onderdeel b). Daarbij geldt dat de dienstbetrekking voor ten
minste zes maanden na afloop van de periode waarover de
loonkostensubsidie wordt verstrekt, dient te worden gecontinueerd. Ook
is toegestaan dat, aansluitend op de te subsidiëren dienstbetrekking,
een nieuwe dienstbetrekking wordt aangegaan. Een dergelijke nieuwe
dienstbetrekking hoeft niet met dezelfde werkgever te worden aangegaan,
maar mag ook een dienstbetrekking met een andere werkgever betreffen.
Dit blijkt uit het tweede zinsdeel van artikel 2,
vierde lid, onderdeel b. Ook hiervoor geldt dat deze voor ten
minste zes maanden moet worden aangegaan.
Hierbij zij opgemerkt dat een
intentieverklaring van de werkgever om de herbeoordeelde na de
subsidieperiode bij gebleken geschiktheid in dienst te nemen een
aanwijzing kan zijn voor het voldoen aan deze voorwaarde. Ook de wijze
waarop de werkgever de herbeoordeelde in zijn werk begeleidt, kan een
aanwijzing daarvoor zijn.
Ten derde (vierde lid, onderdeel c) mag in de vijf jaar
voorafgaand aan de indicatiebeschikking, bedoeld in het derde lid, niet
eerder ten behoeve van dezelfde werknemer loonkostensubsidie op grond
van dit besluit zijn verstrekt. Of het dezelfde werkgever is bij wie de
werknemer arbeid gaat verrichten die eerder subsidie heeft ontvangen of
niet, is daarbij niet van belang. Als werkgever A loonkostensubsidie
heeft ontvangen voor de dienstbetrekking met werknemer X, kan werkgever
B die daarna een dienstbetrekking aangaat met werknemer X, niet ook
loonkostensubsidie ontvangen. Maar werkgever A kan ook niet tweemaal
loonkostensubsidie ontvangen voor een volgende dienstbetrekking met
werknemer X.
Deze anticumulatie geldt ook, met betrekking
tot dezelfde periode, ten aanzien van de loonkostensubsidie en het
verrichten van werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in de
artikelen 65g van de WAO,
67e van de WAZ,
59h van de Wajong
of 76a van de WW.
Ook hierbij is de vraag of de werknemer bij dezelfde werkgever (met
loonkostensubsidie) arbeid gaat verrichten als bij wie hij werkzaamheden
op een proefplaats heeft verricht, niet van belang; als die werknemer op
een proefplaats werkzaam is geweest, wordt ten behoeve van hem geen
loonkostensubsidie op grond van dit besluit verstrekt.
Hierbij zij opgemerkt dat in het vierde lid,
onderdeel c, tevens de proefplaats, bedoeld in artikel
76a van de WW, wordt genoemd, omdat
het mogelijk is dat de herbeoordeelde vanuit een situatie waarin hij een
WW-uitkering ontvangt arbeid gaat verrichten.
Op
grond van het zesde lid bedraagt de subsidie maximaal 50% van het
wettelijk minimumloon. De tweede zin van het zesde lid bepaalt hoe hoog
de subsidie is voor de werkgever wiens werknemer in deeltijd werkt.
In
het zevende lid is de maximale duur van de subsidie geregeld. De
subsidie kan voor een duur van maximaal één jaar worden verstrekt.
Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat in dit artikel een
bevoegdheid tot subsidiëring voor het UWV
wordt geregeld. Het UWV dient op iedere subsidieaanvraag een
individuele beslissing te nemen. Er bestaat dus geen automatisch recht
op subsidie. Verder wordt hierbij opgemerkt dat op grond van artikel
4:25 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) geen subsidie kan worden verstrekt en een aanvraag daartoe moet
worden geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het
subsidieplafond zou worden overschreden.
Op
grond van het achtste lid kunnen bij ministeriële regeling regels
worden gesteld met betrekking tot de subsidie. Er wordt een aantal
onderwerpen genoemd waar die regels betrekking op kunnen hebben. Dat de
opsomming van die onderwerpen niet limitatief is, blijkt uit de zinsnede
"in ieder geval" in de aanhef van artikel 2,
achtste lid.
Ten slotte wordt opgemerkt dat op de
subsidiëring door het UWV uiteraard hoofdstuk
4, titel 4.2 ("Subsidies") van de Awb
van toepassing is.
Artikel
3
Zoals ook aangegeven in het algemeen deel van deze nota van toelichting,
is het de bedoeling dat de loonkostensubsidie uit "de fondsen"
wordt gefinancierd. Om dit voor de loonkostensubsidie aan werkgevers die
een herbeoordeelde WAO-er
of WAZ-er in dienst nemen te bereiken, worden in
artikel 3, eerste lid, eerste zin, de kosten van deze
subsidie aangemerkt als re-integratiekosten. Hierdoor kan die subsidie,
op grond van artikel 115, eerste lid,
onderdeel m, van de Wfsv ten laste van
het Aof worden gebracht. Op grond van artikel 3, eerste
lid, tweede zin, wordt ook de subsidie die wordt verstrekt aan de
werkgever van de persoon, bedoeld in artikel
2 van het Besluit eenmalige
herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, die is herbeoordeeld
op grond van de WAO of de WAZ, ten laste van het Aof gebracht.
Met
betrekking tot de financiering van de loonkostensubsidie aan werkgevers
die een herbeoordeelde Wajong-er
in dienst nemen worden in artikel 3, tweede lid, eerste
zin, de kosten van die subsidie aangemerkt als re-integratiekosten.
Hierdoor kan die subsidie, op grond van artikel
65, onderdeel h, van de Wajong
ten laste van het Wajong-fonds worden
gebracht. Op grond van artikel 3, eerste lid, tweede
zin, wordt ook de subsidie die wordt verstrekt aan de werkgever van de
persoon, bedoeld in artikel 2 van het Besluit
eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, die is
herbeoordeeld op grond van de Wajong
ten laste van het Wajong-fonds
gebracht.
Wanneer de herbeoordeelde direct voorafgaand aan de dienstbetrekking
waarvoor subsidie wordt verstrekt recht had op een WW-uitkering,
wordt de subsidie ten laste gebracht van het AWf. Dit is geregeld in artikel
3, derde lid. Omdat deze personen ook zijn herbeoordeeld op grond
van de WAO,
WAZ of Wajong
en derhalve tevens tot de doelgroep van artikel 3,
eerste en tweede lid, behoren, vangt het derde lid aan met "In
afwijking van".
Een uitzondering op dit derde lid is opgenomen
in het vierde lid. De subsidie ten behoeve van de werknemer die zijn
WW-uitkering direct voorafgaande aan de dienstbetrekking ontving ten
laste van het Ufo, wordt tevens uit het Ufo gefinancierd.
Met betrekking tot het derde en vierde lid
wordt opgemerkt dat deze leden zien op de situatie dat de werknemer
direct voorafgaand aan de dienstbetrekking slechts recht had op een
WW-uitkering en niet ook op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (op
grond van de WAO, WAZ of Wajong). Dit
blijkt uit de zinsnede "en geen recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering" in genoemde leden. In dergelijke
samenloopgevallen zijn het derde en vierde lid niet en derhalve het
eerste en tweede lid wel van toepassing en wordt de subsidie dus niet
uit het AWf of het Ufo, maar uit het Aof of het Wajong-fonds
gefinancierd.
Artikel
4
Zoals aangegeven in het algemeen deel van deze nota van toelichting is
het niet gewenst dat de loonkostensubsidie en het ziekengeld dat op
grond van de ZW wordt betaald, cumuleren.
Cumulatie van loonkostensubsidie en ziekengeld kan bijvoorbeeld
voorkomen bij de no-riskpolis ZW (artikel 29b
van de ZW). In artikel 4
wordt geregeld dat de loonkostensubsidie wordt verminderd met het door
de werknemer te ontvangen ziekengeld.
Het is mogelijk dat iemand zowel in een
dienstbetrekking, waarvoor subsidie is verstrekt, deeltijdarbeid
verricht als een WW-uitkering ontvangt. Bij
ziekte ontstaat voor de herbeoordeelde voor wat betreft de arbeidsuren
recht op ziekengeld op grond van artikel 29b
van de ZW (no-riskpolis). Na drie maanden
ontstaat voor hem, omdat hij tevens WW-gerechtigde is, ook recht op
ziekengeld op grond van artikel 29, tweede
lid, onderdeel d, van de ZW. Het is niet
gewenst dat ook dit ziekengeld op het subsidiebedrag in mindering wordt
gebracht. Dit is geregeld in de tweede zin van artikel 4.
Artikel
5
In artikel
5 wordt, in verband met de uitlooptermijn van de eenmalige
herbeoordelingsoperatie, bepaald dat dit besluit vervalt op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Deze uitlooptermijn houdt
verband met het feit dat het
re-integratieproces na een herbeoordeling tijd vraagt en van persoon tot
persoon kan verschillen. Er moet dus rekening worden gehouden met een
redelijke doorlooptijd voordat een brugbaan aan de orde komt.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
|
|