|
MEMORIE
VAN TOELICHTING
Nadere
regelgeving:
- Bekendmaking
op grond van de Wet beperking export uitkeringen 2003
- Beleidsregel boete werknemer 2010
- Beleidsregel loon- en inkomenssuppletie
- Beleidsregel
maatregelen UWV
- Beleidsregels buiten aanmerking laten
van arbeidsongeschiktheid
- Beleidsregels Protocol Jobcoach
- Beleidsregels schorsing,
opschorting, intrekking en herziening
uitkeringen 2006
- Beleidsregels
uitbetaling arbeidsongeschiktheidsuitkering bij inkomsten uit arbeid
- Beleidsregel terug- en invordering
- Beleidsregel uurloonschatting
2008
- Beleidsregels UWV normbedragen
voorzieningen 2008
- Beleidsregels UWV normbedragen
voorzieningen 2009
- Beleidsregels UWV normbedragen
voorzieningen 2010
- Beleidsregel verhoging
uitkering bij hulpbehoevendheid
-
Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit afwijkende regels beperking export uitkeringen
- Besluit beleid toetsing verblijfstitel
- Besluit
beoordelingskader loonkostensubsidie
- Besluit betaling
zonder machtiging aan het College voor zorgverzekeringen
- Besluit buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid (WAO, WAZ en
Wajong)
- Besluit
eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten
- Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en Wajong
1999
- Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
- Besluit kostenvergoedingen arbeidsongeschiktheidswetten
- Besluit
maatschappelijke ondersteuning
- Besluit samenloop WAO en WAZ
- Besluit toekenning WAZ-uitkering met terugwerkende kracht
t.a.v. (te)
lang doorwerkende WAZ-verzekerden
- Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden WAZ
- Besluit uniformering loonkundige component
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
- Besluit uurloonschatting 1999
- Besluit voorkoming of beperking samenloop
AAW-uitkering met uitkering
ingevolge de sociale wetgeving van een andere mogendheid
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Controlevoorschriften arbeidsongeschiktheidswetten
2006
- Controlevoorschriften buitenland
arbeidsongeschiktheidswetten 2006
- Inkomensbesluit WAZ
- Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten
- Regeling aanwijzing uitvoeringsinstelling verplichte verzekeringen 2000
- Regeling afwijkende regels bij samenloop met inkomsten uit een
politiek ambt
-
Regeling afwijking datum Besluit
eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten
- Regeling bepaling eerste werkdag
- Regeling bepaling eerste werkdag (2006)
- Regeling herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering zonder wachttijd
- Regeling
nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden
- Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit
arbeid
-
Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en
terugvordering onverschuldigde betalingen
- Regeling
terugvordering geringe bedragen
-
Regeling verzekeringsgeneeskundige
protocollen arbeidsongeschiktheidswetten
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
- Reïntegratiebesluit
- Reïntegratieregeling
- Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten
Vervallen
nadere regelgeving:
- Bekendmaking op grond van de Wet beperking export
uitkeringen 2001
(vervallen)
- Beleidsregel afbakening maatregel en boete
(vervallen)
- Beleidsregel boete werknemer
(vervallen)
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2006 (vervallen)
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2007 (vervallen)
- Beleidsregel zwijgrecht (vervallen)
- Besluit afstemming boete werknemers (vervallen)
- Besluit
afwijking herbeoordelingstermijnen WAO, WAZ en Wajong 2003 (vervallen)
- Besluit
beleidsregels uurloonschatting 2004 (vervallen)
- Besluit betaling zonder machtiging aan de Ziekenfondsraad
(vervallen)
- Besluit herziening
en intrekking uitkeringen (vervallen)
- Besluit vaststelling premiepercentage Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2002 (vervallen)
- Besluit verhoging arbeidsongeschiktheidsuitkering bij
hulpbehoevendheid (WAO, WAZ en Wajong) 1999
(vervallen)
- Besluit waarschuwing (vervallen)
- Controlevoorschriften buitenland WAO, WAZ en Wajong
(vervallen)
- Controlevoorschriften WAO, WAZ en Wajong 2001
(vervallen)
- Maatregelenbesluit Tica (vervallen)
- Maatregelenbesluit
UWV
(vervallen)
- Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties BEU 2002
(vervallen)
- Regeling
betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en
onverschuldigde betalingen (vervallen)
- Regeling premieheffing WAZ (vervallen)
- Regeling
rijksbijdrage WAZ (vervallen)
- Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen
(vervallen)
- Regeling vaststelling premiepercentages
werknemersverzekeringen en volksverzekeringen 2002 (vervallen)
- Regeling
vaststelling premiepercentages werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen 2003 (vervallen)
- Regeling vaststelling premiepercentages werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen 2004 (vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Beleidsregels Protocol zeer moeilijk plaatsbaar
- Besluit schadebeleid
- Besluit verrekeningen Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten,
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen en Arbeidsongeschiktheidskas
met de uitvoeringsinstellingen
- Invoeringswet
nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
-
Regeling inzage- en correctierecht UWV
- Regeling
overgang vermogensbestanddelen Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen
- Regeling
subsidieplafond en tijdstip indiening aanvraag brugbanen uitkeringsgerechtigden
(vervallen)
- Reglement
behandeling bezwaarschriften UWV 2009
- Tijdelijk besluit brugbanen
herbeoordeelden (vervallen)
- Tijdelijke regeling
brugbanen niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden (vervallen)
- Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten
-
Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering
(vervallen)
- Wet
beslistermijnen sociale verzekeringen
Inhoudsopgave
WAZ
| Hoofdstuk
1 |
Algemene
bepalingen |
artt.
1 - 2 |
| Hoofdstuk
2 |
Kring
van verzekerden |
artt.
3 - 6 |
| Hoofdstuk
3 |
De
uitkeringen |
artt.
7 - 67 |
| Afdeling
1x |
Het
recht op en de hoogte van de uitkering |
artt.
7 - 32 |
| §
1x |
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering |
artt.
7 - 21b |
| §
2x |
Uitkering in verband met
bevalling (vervallen) |
artt.
22 - 24 |
| §
3x |
Vakantie-uitkering |
artt.
25 - 27 |
| §
4x |
Garantie voor oudere
arbeidsongeschikten |
artt.
28 - 32 |
| Afdeling
2x |
Het
geldend maken van het recht op uitkering |
artt.
33 - 54 |
| §
1x |
Melding |
artt.
33 - 34 |
| §
2x |
Toekenning |
artt.
35 - 44 |
| §
3x |
Maatregelen en
bestuurlijke boeten |
artt.
45 - 54a |
| Afdeling
3x |
De
betaling van de uitkering |
artt.
55 - 67 |
| Hoofdstuk
3a |
Reïntegratie-instrumenten |
artt.
67a - 67h |
| Hoofdstuk
4 |
De
invloed van de verzekering op het burgerlijk recht |
artt.
68 - 69 |
| Hoofdstuk
5 |
Het
verstrekken van inlichtingen |
art.
70 |
| Hoofdstuk
6 |
Financiering
(vervallen) |
artt.
71 - 80 |
| Hoofdstuk
7 |
Uitvoering |
artt.
81 - 88 |
| Hoofdstuk
8 |
Gemoedsbezwaren
(vervallen) |
artt.
89 - 93 |
| Hoofdstuk
9 |
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in
cassatie |
artt.
94 - 98a |
| Hoofdstuk
9a |
Overgangsbepalingen |
art.
98b |
| Hoofdstuk
10 |
Strafbepalingen |
artt.
99 - 101 |
| Hoofdstuk
10a |
Overgangsbepalingen |
artt.
101a - 101e |
| Hoofdstuk
11 |
Slotbepalingen |
artt.
102 - 104 |
| xxxxxxxxxxx|x |
|
xxxxxxxxxxxxxx |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 758.
Handelingen II 1996-1997, blz. 1658-1708, 1757-1784, 1931-1974,
2184-2185, 2187.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 758 (95a, 95b, 95c, 95d, 95e, 96).
Handelingen I 1996-1997, zie vergaderingen d.d. 15 en 22 april 1997.
Geschiedenis:
Staatsblad
1996, 478; Staatsblad 1997,
176; Staatsblad 1997, 465;
Staatsblad 1997, 660; Staatsblad 1997,
773; Staatsblad 1997, 789;
Staatsblad 1997, 794; Staatsblad 1998,
278; Staatsblad 1998, 290;
Staatsblad 1998, 267; Staatsblad 1998,
742; Staatsblad 1999, 24;
Staatsblad 1999, 185; Staatsblad 1999,
250; Staatsblad 1999, 564;
Staatsblad 1999, 594; Staatsblad 1999,
595; Staatsblad 2000, 496;
Staatsblad 2000, 571; Staatsblad 2000,
627; Staatsblad 2001, 481;
Staatsblad 2001, 568; Staatsblad 2001,
625; Staatsblad 2001, 628;
Staatsblad 2001, 695; Staatsblad 2003,
376; Staatsblad 2003, 524;
Staatsblad 2003, 544; Staatsblad
2004, 306; Staatsblad 2004, 324;
Staatsblad 2004, 416; Staatsblad
2005, 37; Staatsblad
2004, 717; Staatsblad 2005, 65;
Staatsblad 2005, 525;
Staatsblad 2005, 530; Staatsblad
2005, 573; Staatsblad
2005, 624; Staatsblad 2005, 710;
Staatsblad 2005, 708; Staatsblad
2006, 703; Staatsblad
2006, 697; Staatsblad 2007, 305;
Staatsblad 2007, 564;
Staatsblad 2007, 567; Staatsblad
2008, 199; Staatsblad 2008, 603; Staatsblad 2008, 510;
Staatsblad 2008, 590; Staatsblad
2008, 598; Staatsblad 2008, 600;
Staatsblad 2009, 384;
Staatsblad 2009, 265; Staatsblad
2009, 390;
Staatsblad 2009, 282; Staatsblad
2009, 318; Staatsblad 2009, 542;
Staatsblad 2009, 580; Staatsblad
2009, 589; Staatsblad 2009, 596.
WET van 24 april 1997, Stb.
1997, 176, houdende verzekering tegen geldelijke gevolgen van
langdurige arbeidsongeschiktheid en een uitkeringsregeling in verband
met bevalling voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende
echtgenoten (Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen). Laatste
tekstplaatsing: Stb. 1999, 24.
Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb.
1997, 391).
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz
Allen, die deze zullen zien of horen
lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het wenselijk is om in verband met de intrekking van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een
arbeidsongeschiktheidsverzekering alsmede om een regeling te treffen ter
zake van een uitkering in verband met bevalling voor personen die als
zelfstandige werkzaam zijn, voor beroepsbeoefenaren en voor meewerkende
echtgenoten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art.
1. Algemene
begrippen [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 660 + bis;
Stb. 1997, 789; Stb.
1997, 794
+ bis; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 595; Stb.
2000, 496; Stb. 2000, 571;
Stb. 2001, 625; Stb.
2004, 306; Stb. 2004, 324;
Stb.
2005, 37; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb. 2006, 703; Stb.
2009, 318; Stb. 2009, 596]
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
c.
verzekerde: de persoon, bedoeld in
artikel 3;
d.
arbeidsongeschiktheidsuitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van deze wet;
e.
dienstbetrekking: een dienstbetrekking in de zin van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
f.
winst uit onderneming: de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in
paragraaf 3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek,
bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die
wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die
wet;
g.
winst uit Nederlandse onderneming: de belastbare winst uit Nederlandse
onderneming, bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek,
bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die
wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die
wet;
h. aanmerkelijk belang:
aanmerkelijk belang als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
i.
inkomsten uit tegenwoordige arbeid: het gezamenlijke bedrag van:
1º. het belastbaar loon uit tegenwoordige
arbeid, bedoeld in afdeling 3.3 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
2º. het belastbaar loon ter zake van het
in Nederland verrichten van arbeid, bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
3º. het belastbaar resultaat uit overige
werkzaamheden, bedoeld in afdeling 3.4 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid
betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdeel a
en b, en 3.92 van de Wet
inkomstenbelasting 2001; en
4º. het belastbaar resultaat uit overige
werkzaamheden in Nederland, bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid
betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdeel a
en b, en 3.92 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
j. vreemdeling: hetgeen daaronder
wordt verstaan in de Vreemdelingenwet
2000;
k.
rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen,
behoudens de gevallen, bedoeld in de
Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel
37, eerste lid, van het Wetboek
van Strafrecht;
l.
justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting
voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting als
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen;
m.
reïntegratiebedrijf: een natuurlijk persoon dan wel rechtspersoon die
in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling
van personen in de arbeid bevordert;
n.
resterende verdiencapaciteit: datgene dat de persoon die recht heeft op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet nog met arbeid
kan verdienen en dat bij of krachtens artikel 2
is vastgesteld.
-2. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd.
-3. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde
meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een
gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in
de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam
gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben
en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt in
ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de
toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft
plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan
de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als
een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met
de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in
aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid,
onderdeel
d. [Bargh98]
-7. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan
onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in
het vierde lid.
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad
als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt mede verstaan
een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind
van de ongehuwde meerderjarige.
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld
in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde
meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet
op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving
op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.
Art.
2. Begrip
arbeidsongeschiktheid [Bbu04] [Bu08]
[Bulca] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2003, 544; Stb.
2004, 324; Stb. 2005, 710;
Stb. 2009, 318]
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of
gedeeltelijk, is de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch
vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling
geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen
hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter
plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de
omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-2. De verzekerde die op en sedert het
tijdstip dat zijn verzekering een aanvang neemt reeds gedeeltelijk
arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de
door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of
gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt indien hij als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken,
zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met
arbeid te verdienen hetgeen soortgelijke personen die in dezelfde mate
arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar
hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving
daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-3. Indien de bij de aanvang van de
verzekering aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid
naderhand is afgenomen, vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat voor de aanvang van de verzekering in
de plaats treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin
van het eerste lid is afgenomen.
-4. Onder de in het eerste en tweede lid
eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid
waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
-5. Bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of de verzekerde
de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
-6. Bij de toepassing van dit artikel
wordt buiten beschouwing gelaten hetgeen wordt of kan worden ontvangen
voor arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening.
-7. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid
nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld. [Sa]
-8. De voordracht voor een krachtens het
zevende lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de
vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke
algemene maatregel van bestuur, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp
in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de
gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de
bekendmaking is geschied wensen en bedenkingen ter kennis van Onze
Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het
ontwerp aan de beide kamers van de Staten-Generaal overgelegd.
-9. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent een afwijkende wijze
van vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in gevallen
waarin recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een
uitkering inzake arbeidsongeschiktheid op grond van een andere
wettelijke regeling ter verzekering tegen geldelijke gevolgen van
langdurige arbeidsongeschiktheid.
[Sa]
-10. Bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in
deze wet maakt de verzekeringsarts zoveel mogelijk gebruik van de bij
ministeriële regeling vastgelegde wetenschappelijke inzichten die de
beoordeling van arbeidsongeschiktheid kunnen ondersteunen. [Rvpa]
HOOFDSTUK
2
Kring
van verzekerden
Art.
3. De
verzekerde [Bbtv] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794 + bis;
Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 250; Stb.
1999, 594; Stb. 1999, 595
+ bis; Stb.
2000, 496 + bis; Stb.
2001, 568; Stb. 2003, 544;
Stb. 2004, 324 + bis]
-1. Verzekerd op grond van deze wet is de
persoon die vóór de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C,
van de
Wet einde toegang verzekering WAZ als
zelfstandige, beroepsbeoefenaar of meewerkende echtgenoot
arbeidsongeschikt is geworden:
a. gedurende de periode waarover
hij aanspraak maakt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband
met die arbeidsongeschiktheid, doch uitsluitend omdat de wachttijd,
bedoeld in
artikel 7, tweede lid, op hem van toepassing is, geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft;
b. gedurende vier weken na afloop
van de wachttijd, bedoeld in
artikel 7, tweede lid, betreffende die arbeidsongeschiktheid, indien
hij na afloop van die wachttijd niet arbeidsongeschikt is, doch dat wel
is binnen vier weken na afloop van die wachttijd;
c. gedurende de periode waarover
hij recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met die
arbeidsongeschiktheid;
d. gedurende de periode waarover
hem een toelage als bedoeld in
artikel 28 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
is toegekend in verband met die arbeidsongeschiktheid;
e. gedurende het tijdvak van vier
weken, bedoeld in artikel
20, eerste lid, indien dat tijdvak is aangevangen vóór de
inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C,
van de Wet einde toegang verzekering WAZ.
-2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in
Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a
tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding
dan wel beperking worden gegeven aan de kring van verzekerden. [BubkvW]
-4. Bij een algemene maatregel van bestuur
als bedoeld in het derde lid kan worden afgeweken van het tweede lid ten
aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid
verrichten dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben
gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e
en l, van de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel
8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet
2000.
Art.
3a. Afwijking
kring verzekerden [Geschiedenis:
Stb. 1998, 267; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 564]
Zo nodig in afwijking van artikel 3 en
de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als verzekerde aangemerkt de
persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de
toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als verzekerde
aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van
toepassing is.
Art.
4. Zelfstandige
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999; Stb.
2000, 571]
Zelfstandige is de persoon jonger dan
65 jaar:
a. die in Nederland woont en die winst
uit onderneming geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening
feitelijk drijft;
b. die niet in Nederland woont en die
winst uit Nederlandse onderneming geniet, tenzij hij de onderneming niet
voor eigen rekening feitelijk drijft.
Art.
4a.
Zelfstandigheidsverklaring [Geschiedenis:
Stb. 2001, 695]
-1. De beschikking,
bedoeld in artikel 3.156 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, waarin de
voordelen die de belastingplichtige geniet of zal gaan genieten uit een
arbeidsrelatie of uit arbeidsrelaties waarin sprake is van hetzelfde soort van
werkzaamheden die onder overeenkomstige condities worden
verricht, worden aangemerkt als winst uit een onderneming, heeft voor de termijn
waarvoor deze beschikking geldt als gevolg dat de
belastingplichtige, met betrekking tot die arbeidsrelaties, wordt aangemerkt als
zelfstandige als bedoeld in artikel 4.
-2. Indien de beschikking,
bedoeld in het eerste lid, wordt herzien, laat dat het in het eerste lid
bedoelde gevolg onverlet voor de termijn waarvoor die beschikking
gold.
Art.
5. Beroepsbeoefenaar
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999]
Beroepsbeoefenaar is de
persoon
jonger dan 65 jaar die:
a. anders dan uit dienstbetrekking
inkomsten uit tegenwoordige arbeid geniet;
b. anders dan in dienstbetrekking
arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang
heeft.
Art.
6. Meewerkende
echtgenoot [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 789; versie 1 januari 1999]
Meewerkende echtgenoot is de persoon
jonger dan 65 jaar die anders dan in dienstbetrekking, als zelfstandige of
als beroepsbeoefenaar, meewerkt in de onderneming van zijn echtgenoot.
HOOFDSTUK
3
De
uitkeringen
AFDELING
1
Het
recht op en de hoogte van de uitkering
§
1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art.
7. Het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
[BewuWWW99] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65; Stb. 2005, 710]
-1.
Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft de verzekerde die
arbeidsongeschikt wordt indien hij in de 52 weken onmiddellijk
voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden,
arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven heeft verricht gericht op het
verwerven van winst of inkomsten. Als eerste dag van de
arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet
is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij
ministeriële regeling kunnen nadere en afwijkende regels worden gesteld
in verband met het voor bijzondere gevallen vaststellen van welke dag
als eerste werkdag wordt aangemerkt. [Rbew]
[Rbew06]
-2. Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat niet eerder in dan nadat de
arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd en na afloop
van dat tijdvak voortduurt.
-3. Voor het bepalen van het tijdvak van
52 weken, bedoeld in het tweede lid, worden perioden van
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel
3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet
arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak.
-4. Recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de verzekerde die na
afloop van het in het tweede lid bedoelde tijdvak van 52 weken niet
arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is
binnen vier onafgebroken weken na afloop van dat tijdvak.
-5. Voor het bepalen van het tijdvak van
52 weken, bedoeld in het tweede lid, worden steeds in aanmerking genomen
tijdvakken gedurende welke de verzekerde recht zou hebben gehad op
ziekengeld op grond van de
Ziektewet indien hij op grond van die wet
zou zijn verzekerd.
-6. Voor de toepassing van het eerste tot
en met vierde lid wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd de
verzekerde die minder dan 25% arbeidsongeschikt is alsmede de verzekerde
die een uitkering geniet als bedoeld in het derde lid.
Art.
7a. Geen
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bij niet in Nederland wonen
[Geschiedenis:
Stb. 1998, 742; Stb.
1999, 250
+ bis; Stb.
1999, 594 + bis; Stb.
2001, 568 + bis; Stb.
2003, 524 + bis; Stb.
2004, 324]
-1. De verzekerde, bedoeld in
artikel 7, heeft geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is gelegen in een periode
dat hij niet in Nederland woont.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien de verzekerde op die dag woont in een land waarin op grond van
een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan.
-3. De persoon die op grond van het eerste
lid geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, heeft vanaf de
dag:
a. dat hij in Nederland woont; of
b. dat hij in een land woont
waarmee een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie van kracht is geworden, op grond waarvan
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan;
met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag arbeidsongeschikt
is. Artikel 7, zesde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
-4. De persoon, bedoeld in het derde lid,
die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten
aanzien van wie dat wel het geval is binnen vier weken na die dag, heeft
met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 7, zesde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen ten aanzien van het eerste lid afwijkende regels
worden gesteld ten gunste van: [Barbeu] [RaoB02]
a. de verzekerde die tevens werkzaamheden verricht in het
algemeen belang en niet in Nederland woont;
b.
de verzekerde die in de Nederlandse Antillen of Aruba woont; of
c.
de gezinsleden van de in de onderdelen
a of b bedoelde verzekerde.
-6. Onze Minister
deelt mede in welke landen op grond van een verdrag of een besluit van
een volkenrechtelijke organisatie recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan. In deze mededeling wordt
tevens opgenomen: [BB01] [BB03]
a. de vindplaats van het
desbetreffende verdrag of besluit; en
b. de eventueel in dat verdrag of
besluit aanwezige beperkingen.
Art.
7b. Geen
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering tijdens vrijheidsontneming
[Geschiedenis:
Stb. 1999, 595; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 324]
-1. De verzekerde, bedoeld in
artikel 7, heeft geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is gelegen in een periode
dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-2. De persoon die op grond van het eerste
lid geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, heeft vanaf de
dag dat hij in vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen
van deze wet recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die
dag arbeidsongeschikt is. Artikel 7, zesde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid
worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met
een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. De persoon, bedoeld in het tweede lid,
die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten
aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na die dag, heeft
met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 7, zesde lid,
is van overeenkomstige toepassing.
-5. Het eerste lid is niet van toepassing
en het tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen
waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt. [Bevsz]
[Rjj]
Art.
8.
Grondslag
van de uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794 + bis;
Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 324;
Stb. 2009, 265]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt berekend naar de grondslag.
-2. Voor de verzekerde, bedoeld in
artikel 4, is de grondslag:
a. hetgeen hij in het boekjaar onmiddellijk voorafgaande aan
het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld
per dag aan winst heeft genoten; of, indien dit leidt tot een hoger
bedrag,
b. hetgeen hij in de vijf boekjaren onmiddellijk
voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als
zelfstandige gemiddeld per dag aan winst heeft genoten.
-3. Voor de verzekerde, bedoeld in
artikel 5, is de grondslag:
a. hetgeen hij in het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande
aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als beroepsbeoefenaar
gemiddeld per dag aan inkomsten heeft genoten; of, indien dit leidt tot
een hoger bedrag,
b. hetgeen hij in de vijf kalenderjaren onmiddellijk
voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als
beroepsbeoefenaar gemiddeld per dag aan inkomsten heeft genoten.
-4. Voor de verzekerde, bedoeld in
artikel 6, is de grondslag hetgeen hij over een tijdvak gelegen in
de in het tweede lid genoemde perioden op basis van de geleverde
arbeidsinbreng gemiddeld per dag aan inkomsten geacht kan worden te
hebben genoten.
-5. Indien de verzekerde, bedoeld in
artikel 4 en 6, tevens verzekerde is op grond van artikel
5, wordt de grondslag bepaald op een bedrag dat de uitkomst vormt
van de samentelling van de gemiddelde winst of inkomsten per dag als
bedoeld in het tweede lid en vierde lid en de gemiddelde inkomsten per
dag als bedoeld in het derde lid.
-6. Voor personen die op grond van
artikel 3, derde lid, zijn verzekerd, kan bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur, zo nodig in afwijking van het tweede tot en met
vierde lid, een grondslag worden vastgesteld.
-7. De grondslag bedraagt ten hoogste het minimumloon.
-8. Onder het in het zevende lid bedoelde
minimumloon wordt verstaan het minimumloon per maand, bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of,
indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per
maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van genoemde
wet, gedeeld door 21,75.
-9. Indien het minimumloon wordt herzien,
wordt de grondslag, bedoeld in het tweede tot en met zesde lid, naar
evenredigheid herzien.
-10. Een herziening van de uitkering als
gevolg van een herziening van de grondslag van het minimumloon vindt
plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-11. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de herziene uitkering, bedoeld in
het tiende lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de
grondslag van het minimumloon is herzien.
-12. Indien de verzekerde die recht heeft
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van dezelfde dag recht
heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
wordt het bedrag van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid
vastgestelde grondslag, doch ten hoogste het door Onze
Minister in overeenstemming met Onze Minister
van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen bedrag,¹
verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het dagloon dat aan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering ten grondslag ligt.
-13. Indien de verzekerde die recht heeft
op arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het intreden van de
arbeidsongeschiktheid tevens verzekerde was op grond van artikel
3, 4 of 5
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
wordt het bedrag van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid
vastgestelde grondslag, doch ten hoogste het door Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën bij ministeriële
regeling aan te wijzen bedrag,¹ verminderd met een bedrag dat gelijk is
aan het loon dat hij als werknemer genoot, voor zover dat loon als
dagloon aan de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ten grondslag
ligt of zou liggen als hij bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid
tevens arbeidsongeschikt is in de zin van die wet
dan wel arbeidsongeschikt zou zijn geworden in de zin van die wet. De
eerste zin blijft buiten toepassing als artikel 59,
eerste of tweede lid, van toepassing is.
-14. Indien de verzekerde die recht heeft
op arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag van het intreden van de
arbeidsongeschiktheid recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld
op grond van de Ziektewet, uitkering op grond
van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1,
van de Wet arbeid en zorg of een uitkering op
grond van de Werkloosheidswet, wordt het bedrag
van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde
grondslag, doch ten hoogste het door Onze Minister in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te
wijzen bedrag,¹ verminderd met het bedrag van genoemde uitkering op
grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet,
de Wet arbeid en zorg of de Werkloosheidswet
waarop hij recht heeft op de dag voorafgaande aan het intreden van de
arbeidsongeschiktheid. De eerste zin blijft buiten toepassing als artikel
59, eerste of tweede lid, van toepassing is.
-15. Indien het in het twaalfde lid
bedoelde dagloon, het in het dertiende lid bedoelde loon of het in het
veertiende lid bedoelde bedrag van de uitkering op grond van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet, de Wet arbeid en
zorg of de Werkloosheidswet, alsmede het in die leden genoemde bedrag
van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde
grondslag, lager is dan het minimumloon, bedoeld in het achtste lid,
bedraagt de grondslag voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering het
minimumloon, verminderd met dat dagloon, loon of bedrag, tenzij de
grondslag, berekend op grond van het tweede tot en met zesde lid, tot
een lager bedrag leidt, in welk geval laatstgenoemd bedrag als grondslag
geldt.
-16. De toepassing van het twaalfde,
dertiende en veertiende lid geldt onverminderd het zevende lid.
-17. Voor de toepassing van het twaalfde
tot en met het veertiende lid wordt onder loon,
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van de Ziektewet,
uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling
2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg
of uitkering op grond van de Werkloosheidswet tevens verstaan de
vakantie-uitkering waarop uit hoofde van dat loon of die uitkering recht
bestaat, voor zover die vakantie-uitkering over dezelfde periode is
berekend. Voor de toepassing van het vijftiende lid wordt onder loon,
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van de Ziektewet,
uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling
2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg
of uitkering op grond van de Werkloosheidswet niet verstaan de
vakantie-uitkering waarop uit hoofde van dat loon of die uitkering recht
bestaat en wordt onder dagloon verstaan het dagloon maal 100/108.
-18. Het twaalfde tot en met vijftiende
lid zijn niet van toepassing op de persoon die een uitkering ontvangt op
grond van de vrijwillige verzekering, bedoeld in hoofdstuk
VI van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, hoofdstuk
IV van de Ziektewet of hoofdstuk
III van de Werkloosheidswet. Het veertiende
en vijftiende lid zijn evenmin van toepassing op de persoon die op grond
van artikel 3:6, tweede lid, van de Wet
arbeid en zorg een uitkering ontvangt.
-19. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld
met betrekking tot de winst, de inkomsten en de periode waarover de
winst en de inkomsten worden berekend, bedoeld in het tweede tot en met
het zesde lid. [IW]
-20. Voor de toepassing van het twaalfde
tot en met het vijftiende lid en het zeventiende lid wordt met een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet gelijkgesteld een uitkering
ter zake van ontslag of werkloosheid, onder welke benaming dan ook, met
uitzondering van een uitkering in verband met functioneel
leeftijdsontslag of vrijwillig vervroegd uittreden, uit hoofde van een
arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 1,
onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen. Dit lid vervalt op het tijdstip
van aanvang van fase 3 van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel
54 van die wet.
1. Bij Regeling van 11 oktober 2004, Stcrt.
2004, 202, is het bedrag, bedoeld in het twaalfde, dertiende en
vijftiende lid, met ingang van 1 januari 2005 vastgesteld op €|146,05,
red.
2. Volgens de redactie dient na "hoofdstuk
IV" te worden ingevoegd: van de tweede afdeling.
Art.
9. Percentage
arbeidsongeschiktheidsuitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 628; Stb. 2007, 567]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
bedraagt per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:
25-35%: 21% van de grondslag;
35-45%: 28% van de grondslag;
45-55%: 35% van de grondslag;
55-65%: 42% van de grondslag;
65-80%: 50,75% van de grondslag;
80% of meer: 75% van de grondslag.
-2. Bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid wordt, zoveel doenlijk, rekening gehouden met
verkregen nieuwe bekwaamheden.
Art.
10. Verhoging
arbeidsongeschiktheidsuitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 525]
Een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de verzekerde
verkeert in een althans voorlopig blijvende toestand van
hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, voor
de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste zijn grondslag
verhoogd. De eerste zin vindt geen toepassing indien de verzekerde in
een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een
zorgverzekering of een verzekering inzake ziektekosten komen. [Bvah99]
[Bvuh]
Art.
11. Buiten
aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid [BbalaWWW]
[Bsoihu06] [Rsohiu]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan met betrekking tot uit deze wet
voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend,
buiten aanmerking laten: [Bbala]
a. gehele arbeidsongeschiktheid die bestond op het tijdstip
dat de verzekering een aanvang nam;
b. arbeidsongeschiktheid die binnen een halfjaar na het
tijdstip dat de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de
gezondheidstoestand van de verzekerde ten tijde van de aanvang van zijn
verzekering het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar
kennelijk moest doen verwachten.
-2. De in het eerste lid, onderdeel b,
bedoelde bevoegdheid strekt zich mede uit tot toeneming van de
arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is
voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid die
binnen een halfjaar na de aanvang van de verzekering is ingetreden.
-3. Zolang het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op grond van het eerste lid
arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat, vindt artikel 2,
tweede lid, overeenkomstige toepassing met betrekking tot de door de
verzekerde aan deze wet nog te ontlenen aanspraken, met dien verstande
dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats treedt het tijdstip
met ingang waarvan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat.
Art.
12. Herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering [Bsoihu06]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2004, 416]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt herzien wanneer de verzekerde aan wie zij is toegekend, op grond van
deze wet voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.
-2. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
plaats met inachtneming van de artikelen 13 tot en met 16.
-3. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
van de verzekerde die deelneemt aan een voor hem gewenste opleiding of
scholing wordt gedurende deze opleiding of scholing niet herzien in verband met een daaruit
voortvloeiende
afneming van de arbeidsongeschiktheid,
tenzij artikel 9, derde lid, van toepassing is. Indien de verzekerde
tijdens de opleiding of scholing inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel
58,
eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Art.
13. Herziening
bij minder dan 45% arbeidsongeschiktheid [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65]
-1. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de
artikelen 15 en 16, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52
weken
heeft geduurd.
-2. De in het eerste lid bedoelde
herziening vindt niet plaats indien de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een
andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan
uitkering wordt genoten, is voortgekomen.
-3. Indien de uitkeringsgerechtigde bij
het intreden van de toeneming van de arbeidsongeschiktheid of in de 52
weken onmiddellijk voorafgaande aan de toeneming van de arbeidsongeschiktheid arbeid verricht of heeft
verricht
als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
vindt de in het eerste lid bedoelde herziening plaats ook indien de
toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de
ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen.
-4. Voor het bepalen van het tijdvak
van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid
samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:18 of 3:30,
eerste lid, van de Wet
arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak. Bij de vaststelling van
het tijdvak van 52 weken blijven perioden
waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel
3:18 of 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten,
buiten beschouwing.
Art.
14. Herziening
bij 45% arbeidsongeschiktheid of meer [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65]
-1. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, onverminderd
artikel 15, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid
onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 45% doch minder dan 80%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is
herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, doch binnen vier weken na de
dag met
ingang waarvan die uitkering is herzien de arbeidsongeschiktheid weer toeneemt, is het eerste lid
van
toepassing, onder afwijking van artikel 13.
-3. Voor het bepalen van het tijdvak
van vier weken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden perioden van
toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:18 of 3:30,
eerste lid, van de Wet
arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier
weken blijven perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:18 of 3:30,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten
beschouwing.
Art.
15. Herziening
uitkering zonder wachttijd [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999; Stb.
2007, 567]
-1. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid optreedt, indien deze intreedt:
a. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend;
b. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid
werd herzien;
c. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, die voordien was berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80%;
d. binnen een bij ministeriële regeling aan te geven
tijdvak in daarbij aan te wijzen gevallen. [Rhaw]
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, onderscheidenlijk wegens
toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, met toepassing van artikel
36, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 38,
tweede lid, geldt met betrekking tot het eerste lid, onderdeel a
en b, als dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend onderscheidenlijk herzien
de dag met ingang waarvan die uitkering zou zijn toegekend,
onderscheidenlijk zou zijn herzien, indien artikel 36,
tweede lid, onderscheidenlijk
artikel 38, tweede lid, geen toepassing zou hebben
gevonden.
-3. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een herbeoordeling als
bedoeld in artikel 35, zesde lid, plaats met ingang
van 22 februari 2007.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld voor gevallen waarbij direct herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt. Op grond van deze regels
kan bedoelde herziening slechts plaatsvinden ten behoeve van de
verzekerde die bij hervatting van de arbeid in het bedrijfs- of
beroepsleven winst of inkomsten geniet die minder bedragen dan evenredig
is aan zijn nog bestaande arbeidsgeschiktheid.
Art.
16. Herziening
bij toeneming arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65; Stb. 2007, 567]
-1. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning
of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit
dezelfde oorzaak
als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake
waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen, vindt herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toegenomen
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak
van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:18 of 3:30,
eerste lid, van de Wet
arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier
weken blijven perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:18 of 3:30,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing
indien recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van artikel 14 of 15, eerste lid, onderdeel a tot en met c,
of derde lid.
Art.
17. Grondslagvaststelling
bij toeneming arbeidsongeschiktheid [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999]
-1. Indien wegens toeneming van de
arbeidsongeschiktheid herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
heeft plaatsgevonden, vindt hernieuwde vaststelling van een grondslag plaats
overeenkomstig artikel 8 en de daarop berustende bepalingen,
mits dat leidt tot een hogere grondslag dan die welke laatstelijk
aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag werd gelegd.
-2. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt in artikel 8 in plaats van "het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid" gelezen: de toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid.
Art.
18. Overige
gronden voor herziening of intrekking [BewuWWW99]
[Bhiu] [Bsoihu06]
[Rsohiu] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 573]
-1. Onverminderd hetgeen overigens in
deze wet is bepaald ter zake van herziening of intrekking van een
beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsook ter zake
van een weigering van
een zodanige uitkering, herziet het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een dergelijke beschikking of trekt het
deze in:
a. ter uitvoering van een beslissing
als bedoeld in artikel 11;
b. indien het niet of niet behoorlijk
nakomen van een verplichting op grond van artikel 45,
46 of 70 heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een
uitkering;
c. indien anderszins de uitkering ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
d. indien het niet of niet behoorlijk
nakomen van een verplichting op grond van artikel 45,
46 of 70 ertoe
leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen besluiten geheel
of gedeeltelijk van herziening of intrekking
als bedoeld in het eerste lid af te zien.
-3. Een besluit tot
toekenning van loonsuppletie als bedoeld in artikel 67a
en van
inkomenssuppletie als bedoeld in artikel 67b
wordt ingetrokken of herzien indien die
loonsuppletie of de inkomenssuppletie ten onrechte of tot een te
hoog bedrag is vastgesteld.
Art.
19. Einde
van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 595 + bis;
Stb. 2001, 625]
-1. Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt;
b. wanneer de arbeidsongeschiktheid is geëindigd of beneden 25% is gedaald, met ingang van de
dag
aangegeven in de daartoe strekkende beschikking van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-2. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
van de verzekerde die deelneemt aan een voor hem gewenste opleiding of
scholing wordt gedurende deze opleiding of scholing niet ingetrokken
in verband met een daaruit voortvloeiende afneming van de arbeidsongeschiktheid,
tenzij artikel 9, derde lid, van toepassing is. Indien de
verzekerde tijdens de opleiding of scholing inkomsten uit arbeid verwerft, is
artikel 58, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
-3. Indien de intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide scholing of
opleiding, gaat deze intrekking niet eerder in dan één jaar na voltooiing
van die scholing of opleiding. Indien de verzekerde eerder inkomsten uit
arbeid verwerft, is artikel 58, eerste lid, tot uiterlijk het einde van dat
jaar van overeenkomstige toepassing.
-4. Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt, indien de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen,
vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.
-5. Voor de toepassing van het vierde
lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Art.
19a. Einde van het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bij niet in Nederland wonen
[Geschiedenis:
Stb. 1998, 742; Stb.
1999, 250
+ bis; Stb.
1999, 594 + bis; Stb.
2001, 568; Stb. 2003, 524
+ bis]
-1. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt indien
de verzekerde niet meer in Nederland woont.
-2. Artikel 7a, tweede,
vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. [Barbeu]
[RaoB02]
Art.
20. Toekenning
uitkering binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 595 + bis;
Stb. 2001, 568; Stb.
2004, 324 + bis; Stb.
2005, 65]
-1. Indien de verzekerde:
a. wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van
arbeidsongeschiktheid
op grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken; of
b. die aan het einde van de wachttijd,
bedoeld in artikel 7, tweede lid, ongeschikt is tot het verrichten van
zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling, maar geen
recht had op arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt
was;
binnen vijf jaar na de datum van die
intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die
wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt
uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake
waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond
waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte,
gebreken, zwangerschap of bevalling voortkomt, vindt toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering
steeds plaats zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak
van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan
vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:18 of 3:30,
eerste lid, van de Wet
arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier
weken blijven perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:18 of 3:30,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing:
a. indien op grond van artikel 21
aanspraak bestaat op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. indien artikel 29b van de Ziektewet
toepassing kan vinden, tenzij de toe te kennen
arbeidsongeschiktheidsuitkering het ziekengeld overtreft.
-4. In de gevallen waarin dit artikel
toepassing vindt, wordt de grondslag van de toe te kennen
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet lager gesteld dan de grondslag die voor de berekening
van de laatstelijk ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking werd genomen, dan wel de
grondslag die in aanmerking zou zijn genomen indien na het einde van de wachttijd, bedoeld in
artikel 7,
eerste lid, recht zou hebben bestaan op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering
zoals die sinds de beëindiging van de uitkering onderscheidenlijk sinds
het einde van die wachttijd op grond van artikel 8 zou zijn herzien.
-5. Artikel 7b en de daarop berustende
bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
21. Heropening
van de uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999; Stb.
1999, 595; Stb. 2004, 324;
Stb. 2007, 567]
-1. De
persoon wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten
minste 45%, in verband met artikel 19, eerste lid, onderdeel b, is
ingetrokken, heeft, indien hij binnen vier weken na de dag met ingang waarvan
de
uitkering is ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Het eerste lid is mede van
toepassing ten aanzien van de persoon
wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met
artikel 19, eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, indien hij weer
arbeidsongeschikt wordt binnen vier weken na de dag met ingang
waarvan die uitkering, die voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wegens
afneming van de arbeidsongeschiktheid
is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.
-3. De persoon
wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder
dan 45%, in verband met artikel 19, eerste lid, onderdeel b, is
ingetrokken met ingang van een dag gelegen binnen vier weken na de dag met
ingang waarvan die uitkering werd toegekend of wegens toegenomen
arbeidsongeschiktheid werd herzien, heeft, indien hij binnen die vier
weken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel 15, tweede lid, is van overeenkomstige
toepassing.
-4. De persoon
wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder
dan 45%, in verband met artikel 19, eerste lid, onderdeel b, is
ingetrokken, heeft, onverminderd het tweede en het derde lid, indien hij binnen
vier weken na de dag met ingang waarvan de uitkering is ingetrokken
weer arbeidsongeschikt wordt, niet kennelijk uit een andere oorzaak dan
die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken
uitkering werd genoten, is voortgekomen, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. Ten aanzien van degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken in verband met artikel
19, eerste lid, onderdeel b, en die weer arbeidsongeschikt is
geworden op grond van een herbeoordeling als bedoeld in artikel
35, zesde lid, vindt heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met ingang van 22 februari 2007.
-6. De heropening vindt plaats naar de
mate van arbeidsongeschiktheid op de dag waarop de heropening ingaat.
-7. Voor de toepassing van het eerste
tot en met zesde lid wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd de persoon
die minder
dan
25% arbeidsongeschikt is.
-8. Artikel 7b en de daarop berustende
bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
21a. Heropening van de uitkering bij terugkomst naar Nederland
en na de inwerkingtreding van een verdrag [Geschiedenis:
Stb. 1998, 742; Stb.
1999, 250
+ bis; Stb.
1999, 594 + bis; Stb.
2001, 568 + bis; Stb.
2003, 524 + bis; Stb.
2004, 324; Stb. 2004, 416]
-1. De
persoon wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel 19a, eerste lid, is
geëindigd, heeft vanaf de dag:
a. dat hij in Nederland woont; of
b. dat hij in een land woont
waarmee een verdrag in werking is getreden dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is
geworden, op grond waarvan
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan;
met inachtneming van de
bepalingen van deze wet aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag arbeidsongeschikt is.
-2. Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de
persoon,
bedoeld in het
eerste lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt
is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na
afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 7, zesde lid,
36, en 37 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de
aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in
dit artikel.
Art. 21b. Heropening
van de uitkering na afloop vrijheidsontneming [Geschiedenis:
Stb. 1999, 595; Stb.
2004, 324; Stb. 2004, 416]
-1. De
persoon wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel 19, vierde lid, is geëindigd,
heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de
bepalingen van deze wet aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij
op die dag arbeidsongeschikt is.
Artikel 7, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
-2. Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de
persoon,
bedoeld in het
eerste lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt
is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na
afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 7, zevende lid,
36 en 37 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de
aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in
dit artikel.
-4. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële
inrichting plaatsvindt. [Bevsz]
[Rjj]
§ 2.
Uitkering in verband met
bevalling
Vervallen
Art. 22. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 564; Stb.
1999, 595 + bis; Stb.
2001, 568]
Art.
22a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
1998, 742; Stb. 1999, 250
+ bis; Stb.
1999, 594 + bis; Stb.
2001, 568]
Art.
23. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 564; Stb.
2001, 568]
Art.
24. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568]
§ 3.
Vakantie-uitkering
Art. 25. Recht
op vakantie-uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568]
De verzekerde die over één maand recht
heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft over die maand recht op vakantie-uitkering.
Art. 26. Hoogte
van de vakantie-uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 265]
-1. De
vakantie-uitkering bedraagt 8 procent van het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop recht bestond in het
tijdvak van twaalf maanden voorafgaande aan de maand mei.
-2. Indien artikel 58, 59 en
59a is
toegepast, wordt onder het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in het eerste lid,
verstaan
het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering nadat dat artikel toepassing heeft gevonden.
-3. Indien het percentage van de
vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, treedt dit gewijzigde percentage in de
plaats van het in het eerste lid genoemde percentage. Het gewijzigde percentage
wordt in aanmerking genomen over de uitkering waarop recht bestaat
over het tijdvak aanvangende met de dag waarop de wijziging ingaat.
-4. De vakantie-uitkering wordt betaald
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Art. 27. Recht
op vakantie-uitkering over overlijdensuitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999]
De artikelen 25 en
26, eerste tot en
met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de overlijdensuitkering,
bedoeld in artikel 61.
§ 4.
Garantie voor oudere
arbeidsongeschikten
Art. 28. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999]
Art. 29. Garantie
voor oudere arbeidsongeschikten [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999]
Indien een verzekerde van 45 jaar of
ouder die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die als verzekerde, bedoeld in
artikel 3, eerste lid, winst of inkomsten gaat genieten in
verband waarmee zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beëindigd, wordt, indien hij
binnen vijf jaar na de datum van aanvang van zijn werkzaamheden
opnieuw recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
de grondslag van die uitkering niet lager gesteld dan de grondslag die voor de
berekening van de laatstelijk ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering in
aanmerking werd genomen, zoals die sinds de beëindiging van de uitkering op grond van
artikel 8 zou zijn
herzien.
Art. 30.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999]
Art.
31. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999]
Art.
32. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999]
AFDELING
2
Het
geldend maken van het recht op uitkering
§ 1.
Melding
Art. 33. Melding
gedurende wachttijd [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65]
-1.
Teneinde een recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering geldend te kunnen maken, meldt de verzekerde zijn
arbeidsongeschiktheid binnen dertien weken na het ontstaan van de
arbeidsongeschiktheid aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak
van dertien weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:18 of 3:30,
eerste lid, van de Wet
arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak. Bij de vaststelling van het tijdvak van dertien weken blijven
perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:18 of 3:30,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, buiten beschouwing.
Art. 34. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568]
§ 2.
Toekenning
Art. 35. Toekenning
arbeidsongeschiktheidsuitkering [BewuWWW99]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 1997, 794
+ bis + bis;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2000, 627 + bis;
Stb. 2001, 625; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 416;
Stb.
2005, 624; Stb. 2007, 567]
-1.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt op aanvraag
toegekend.
-2.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
stelt de verzekerde
schriftelijk in kennis van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag
uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop het in artikel
7, tweede lid, genoemde tijdvak van 52 weken eindigt.
-3. Het tweede lid is
niet van toepassing indien de verzekerde de melding, bedoeld in artikel
33,
eerste lid, niet of niet tijdig heeft gedaan. Indien de verzekerde deze melding niet
tijdig heeft gedaan, geldt de in het tweede lid bedoelde
verplichting voor het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen uiterlijk drie maanden
nadat de verzekerde de melding heeft gedaan.
-4. De verzekerde die in aanmerking
wenst te komen voor toekenning van de uitkering
doet zijn aanvraag binnen negen maanden na aanvang van zijn
arbeidsongeschiktheid.
-5.
Onverminderd hetgeen in deze wet ter zake van herziening of
intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is bepaald, wordt ten
aanzien van personen die na 1 juli 1954 zijn geboren, op een bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald tijdstip door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er in verband met
wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor
herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.¹ Het
tijdstip kan voor verschillende groepen van personen verschillend worden
vastgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
de eerste zin niet van toepassing is op bepaalde groepen van personen. [Beha]
-6. Ten aanzien van personen die na 1 juli
1954 maar vóór 2 juli 1959 zijn geboren en die vóór 22 februari 2007
op grond van het vijfde lid zijn herbeoordeeld, wordt door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er per 22
februari 2007 in verband met een wijziging van de mate van
arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening, heropening of
intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De eerste zin is niet
van toepassing op personen die op 22 februari 2007 reeds in de hoogste
arbeidsongeschiktheidsklasse zijn ingedeeld.
-7. Op grond van de beoordeling, bedoeld in
het zesde lid, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid van de persoon,
bedoeld in het zesde lid, die niet heeft verzocht om een nieuwe medische
beoordeling, niet lager vastgesteld dan de mate van
arbeidsongeschiktheid die voor die persoon gold op 21 februari 2007.
-8. Een aanvraag is tijdig ingediend
indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de kennisgeving, bedoeld in het tweede
lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere
kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen
vier weken nadat deze kennisgeving is ontvangen.
-9. Indien de toepassing van het vierde
lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bevoegd de uitkering ambtshalve toe te kennen.
1. Zie ook Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten, red.
Art. 36.
Ingangsdatum uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2004, 324]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
gaat in op de dag met ingang waarvan de betrokkene aan de vereisten voor
het recht op toekenning van die uitkering voldoet.
-2. In afwijking van het eerste lid kan
de uitkering niet vroeger ingaan dan één jaar vóór de dag waarop de
aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan voor bijzondere gevallen van de
eerste zin afwijken. [BtWtkldW]
-3. Toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats indien deze zou ingaan op of na de in
artikel 19, eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag.
Art. 37. Herziening
en heropening op aanvraag of ambtshalve [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2004, 416]
Herziening dan wel heropening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt op aanvraag of ambtshalve
plaats.
Art. 38. Ingangsdatum
herziening en heropening uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2004, 324]
-1. De herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag waarop de verzekerde op grond van deze
wet voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.
-2. Met betrekking tot de herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die een verhoging van die uitkering
tot gevolg heeft, alsmede met betrekking tot de heropening van de uitkering, is
artikel 36, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
-3. De herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van afneming van de arbeidsongeschiktheid gaat in
op de dag aangegeven in de daartoe strekkende beschikking van
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-4. Indien de herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide scholing of
opleiding, gaat deze herziening niet eerder in dan één jaar na voltooiing
van die scholing of opleiding. Indien de verzekerde eerder inkomsten uit
arbeid verwerft, is artikel 58, eerste lid, tot uiterlijk het einde van dat
jaar van overeenkomstige toepassing.
-5. De heropening van de uitkering,
bedoeld in artikel 21, gaat in op de dag met ingang waarvan de
betrokkene weer
arbeidsongeschikt is geworden.
-6. Heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats indien deze zou ingaan op of na de in
artikel 19, eerste lid, onderdeel a, bedoelde dag.
Art. 39. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568]
Art. 40. Toekenning
vakantie-uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
De vakantie-uitkering wordt ambtshalve
of, ingeval artikel 60, eerste lid, tweede zin, toepassing vindt, op aanvraag
door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen toegekend.
Art. 41. Oproep
en onderzoek door of namens het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794 + bis + bis
+ bis; Stb.
1998, 290; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 324;
Stb. 2005,
573]
-1.
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, zo dikwijls hij zulks nodig oordeelt, de
verzekerde oproepen of doen oproepen en op een door of vanwege het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te bepalen plaats
ondervragen of doen ondervragen in verband met de aanspraak op of het genot
van arbeidsongeschiktheidsuitkering of de toekenning of
verstrekking van een reïntegratie-instrument als bedoeld in hoofdstuk
3a.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde personen op een
door of namens hem te bepalen plaats door één of meer
daartoe door hem aangewezen deskundigen doen onderzoeken.
-3. De daartoe door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aangewezen deskundige kan, ook zonder opdracht
van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, de in het eerste lid bedoelde personen oproepen,
ondervragen,
doen oproepen, doen ondervragen en onderzoeken of doen onderzoeken door
één of meer door hem daartoe
aangewezen deskundigen.
Art. 42. Vergoeding
kosten en tijdverlies [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
Opgeroepenen en, indien hun toestand
geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en
tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels die door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen worden vastgesteld. [Bka]
Art. 43.
Voorschriften
van medische of administratieve aard [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb.
1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625 + bis + bis
+ bis;
Stb. 2001, 628; Stb.
2003, 544; Stb 2007, 564;
Stb. 2008, 600]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de door hem daartoe aangewezen deskundige
kunnen de personen, bedoeld in artikel 41, eerste lid, voorschriften
geven in het belang van een behandeling of van genezing of tot behoud,
herstel en bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van
arbeid.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan voorschrijven dat de personen, bedoeld in
artikel 41, eerste lid, zich laten registreren als werkzoekende bij
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt niet als arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking
als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3
van de Wet sociale werkvoorziening.
Art. 44. Controlevoorschriften
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften mogen niet
verder
gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.
[Ca06] [Cba06]
[CbWWW]
[CWWW01]
§ 3.
Maatregelen en bestuurlijke boeten
Art. 45. Gevolgen
weigeren onderzoek [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794 + bis + bis;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of
gedeeltelijk,
indien een verzekerde als bedoeld in artikel 41, eerste lid, na tijdig te zijn
opgeroepen niet is verschenen of heeft geweigerd:
a. vragen te beantwoorden die zijn
gesteld door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de door hem
daartoe aangewezen deskundige;
b. zich te laten onderzoeken door de
door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen daartoe aangewezen
deskundige; of
c. te voldoen aan het voorschrift,
gegeven door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de door hem
daartoe aangewezen deskundige, om zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een
aangewezen inrichting.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig het eerste lid bij toeneming van de
arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen
uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan het niet voldoen aan
de oproeping of de weigering plaatsvond.
Art. 46. Gevolgen
niet-naleving voorschriften [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794 + bis + bis;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625 + bis + bis
+ bis; Stb.
2001, 628; Stb. 2003, 544;
Stb. 2005,
573; Stb 2007, 564; Stb.
2008, 600]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig artikel
45, indien de verzekerde:
a. de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige
krachtens artikel 43 in het belang van een behandeling of genezing of tot
behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid en tot registratie als werkzoekende
bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gegeven voorschriften zonder
deugdelijke grond niet opvolgt;
b. zich niet, zolang als het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige
te kennen heeft gegeven dit noodzakelijk te achten, onder
geneeskundige behandeling stelt of indien hij de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
c. zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat voldoende mee te werken om
aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te verkrijgen;
d. de controlevoorschriften, bedoeld
in artikel 44, of de verplichting, bedoeld in artikel
55, tweede lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen
of de verplichting, bedoeld in artikel 70, niet binnen de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen;
e. zijn arbeidsongeschiktheid
opzettelijk heeft veroorzaakt;
f. zich niet houdt aan het
voorschrift, bedoeld in artikel 35, vierde lid;
g. zonder redelijke gronden niet meewerkt aan een scholing of
opleiding die wenselijk wordt geacht voor zijn inschakeling in de arbeid;
h. indien de
belanghebbende ¹ zonder redelijke gronden niet meewerkt aan het opstellen van de
reïntegratievisie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of het reïntegratieplan,
bedoeld in artikel 30a, derde lid, van die
wet;
i. indien de
belanghebbende ¹ de verplichtingen die zijn opgenomen in de reïntegratievisie,
bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of in het reïntegratieplan, bedoeld in
artikel 30a,
derde lid, van die wet, niet of niet behoorlijk is nagekomen;
j. indien de
belanghebbende ¹ die bij deelname aan een reïntegratietraject zijn
reïntegratieverplichtingen niet naleeft, de reden daarvan niet onmiddellijk aan het
reïntegratiebedrijf heeft medegedeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt niet als arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking
als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3
van de Wet sociale werkvoorziening.
-3. Het eerste lid, onderdeel g, is
niet van toepassing op de verzekerde die blijkens een
indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoort
van de Wet sociale werkvoorziening.
1. Volgens de redactie
dient de zinsnede "indien de
belanghebbende" te vervallen.
Art. 47. Afstemming
maatregel op ernst gedraging [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 1997, 794
+ bis + bis;
Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625 + bis + bis;
Stb. 2003, 544; Stb.
2007, 305; Stb. 2009, 265]
-1. Een maatregel als bedoeld in
artikel 45 of 46 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de
verzekerde de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen van
een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een
maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van
een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van
de verplichting, bedoeld in artikel 70, indien het
niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten
onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake
van het zich niet houden aan het voorschrift, bedoeld in artikel
35, vierde lid, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting
of het zich niet houden aan het voorschrift plaatsvindt binnen een
periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven. [BmU] [Bw]
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel
indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Het opleggen van een maatregel blijft
achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als
bedoeld in artikel 48 wordt opgelegd. [Mszw]
[MT] [MU]
Art. 48. Bestuurlijke
boete
bij niet-nakoming inlichtingenverplichting
[Babw] [Bbw10]
[Bbwn] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 1997, 794
+ bis + bis;
Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 481; Stb.
2001, 625; Stb. 2005, 708;
Stb. 2009, 265]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten
hoogste €|2269,00 ter zake van het niet
of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of zijn wettelijke
vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel
70.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke
boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk
nakomen door de verzekerde of zijn wettelijk vertegenwoordiger van de
verplichting, bedoeld in artikel 70, indien dit niet
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing
is gegeven. [Bw]
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke
boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. De persoon aan wie een bestuurlijke
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. [Bszw]
Art. 49. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2009, 265]
Art. 50.
Nadere regels tenuitvoerlegging bestuurlijke boete [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis
+ bis; Stb.
2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de
bestuurlijke boete is opgelegd. [Rbttbot]
[Rtbbtob]
Art. 51.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2009, 265]
Art. 52.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2009, 265]
Art. 53. Afwijking
artikel 8:69 Awb [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999; Stb.
2009, 265]
In afwijking van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag
waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.
Art. 54.
Invordering bestuurlijke boete [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 789; Stb.
1997, 794; Stb.
1998, 742 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2003, 376; Stb. 2003, 544;
Stb. 2004, 717; Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 265;
Stb. 2009, 390;
Stb. 2009, 282; Stb.
2009, 318; Stb.
2009, 580]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verrekent de bestuurlijke boete met een
uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet,
de Ziektewet, de Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet
arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet,
die de persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale
verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente
betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een
machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen indien de persoon aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet,
de Wet werk en bijstand,
de Wet investeren in jongeren, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet
werk en inkomen kunstenaars.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt van deze
bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking
van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan de
persoon aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de verzekerde of zijn wettelijke
vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel 48,
vierde lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete
voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel
4:116 van de Algemene wet bestuursrecht,
niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
Art.
54a. In kennis stellen reïntegratiebedrijf van sanctieoplegging
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 265]
Indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de verzekerde de uitkering tijdelijk of
blijvend, geheel of gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem een
bestuurlijke boete heeft
opgelegd, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
het reïntegratiebedrijf dat ten behoeve van die verzekerde werkzaamheden
gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van
arbeid of op inschakeling in arbeid verricht, van die beschikking in kennis
voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden door het
reïntegratiebedrijf.
AFDELING
3
De
betaling van de uitkering
Art. 55. Betaalbaarstelling
[BewuWWW99] [Bsoihu06]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794 + bis + bis;
versie 1 januari
1999; Stb. 2001, 568;
Stb. 2001, 625; Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 265]
-1.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaalbaar gesteld door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. De betaling geschiedt als regel in
tijdvakken van één maand.
-2. Onverminderd het tweede lid schort
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op of schorst
het de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van
oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat: [Rsohiu]
a. het recht op uitkering niet of niet
meer bestaat;
b. recht op een lagere uitkering
bestaat;
c. de verzekerde of zijn wettelijke
vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel
45, 46 of 70 niet
of niet behoorlijk is nagekomen.
-3. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald:
a. worden de daaraan verbonden
kosten van overmaking op de uitkering in mindering gebracht; en
b. geschiedt de betaling in
afwijking van artikel 4:89, derde lid, van
de Algemene wet bestuursrecht op het
tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser
aangewezen bank wordt gecrediteerd.
-4. Wanneer de verzekerde aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is toegekend een ander machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen,
onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan
gevolg gegeven met ingang van een betalingstijdvak aanvangende na de
dag waarop de machtiging wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar
intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste
dag van de tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk de mededeling.
-5. Indien een
reïntegratiebedrijf aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een
persoon aan wie een
uitkering is toegekend onvoldoende medewerking verleent aan de op hem
betrekking hebbende werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf, neemt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
een besluit omtrent de
gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling
van de uitkering aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.
-6. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt het reïntegratiebedrijf in
kennis van een besluit tot opschorting of schorsing als bedoeld in het zesde
lid.
Art. 55a. Opschorting
en hervatting betaalbaarstelling [Bsoihu06]
[Geschiedenis:
Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 564; Stb.
2000, 496; Stb. 2001,
568; Stb. 2001, 625]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen schort de betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op indien de persoon aan wie de
uitkering is toegekend een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland
verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet
2000.
-2. De betaling van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt hervat
indien de betrokkene daartoe een aanvraag indient en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland
woont of verblijf houdt.
Art. 56. Inhouding
vereveningsbijdrage [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb.
1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625; Stb. 2005,
37]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen houdt op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, op de vakantie-uitkering en op de toeslag op de uitkering op grond van de Toeslagenwet een bedrag
in dat gelijk is aan het bedrag van de premie die een werkgever op grond van
afdeling 2 van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen
op het overeenkomstige loon van een
werknemer die verzekerd is op grond van de
Werkloosheidswet
inhoudt.
Art. 57. Betaling
aan instellingen [BbzmC] [BbzmZ]
[Rbttbot] [Geschiedenis:
MvT; Stb. 1996, 478; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794 + bis + bis;
versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 185; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625; Stb. 2005, 525; Stb. 2005, 530;
Stb. 2009, 265]
-1. Indien de verzekerde
aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend aanspraak
heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage voor die
zorg verschuldigd is, is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van
aan de verzekerde zonder diens machtiging uit te betalen aan het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel
58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
-2. Indien de verzekerde aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is toegekend in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van
zwakzinnigen is opgenomen en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen van de desbetreffende inrichting of van het
college van burgemeester en wethouders van
de gemeente die de opnamekosten
betaalt het verzoek ontvangt om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die inrichting of die gemeente uit
te betalen, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen dat verzoek zonder het stellen van andere
voorwaarden inwilligen.
-3. Indien het eerste lid toepassing
vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dat niet aan het College
voor zorgverzekeringen wordt betaald.
-4. Een herziening van de uitkering op
grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de
verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
Art. 58.
Inkomsten
uit arbeid tijdens uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 465; Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 564; Stb.
2001, 625; Stb. 2003, 544;
Stb. 2005, 525; Stb. 2005,
573; Stb. 2006, 703;
Stb. 2008, 603; Stb.
2009, 318]
-1. Indien de verzekerde die recht heeft
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet,
wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar,
vanaf de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid worden genoten,
niet aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 2,
vierde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken
of herzien, doch wordt de uitkering: [Buaia]
a. niet betaald indien de inkomsten
uit arbeid zodanig zijn dat als die arbeid wel arbeid als bedoeld in
artikel 2, vierde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van
arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%; of
b. indien onderdeel a niet van
toepassing is, betaald tot een bedrag ter grootte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze zou zijn vastgesteld indien die arbeid wel
arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn.
Na afloop van het in de eerste zin genoemde tijdvak wordt de arbeid
aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde
lid.
-2. Het in het eerste lid genoemde tijdvak
van vijf jaar:
a. wordt niet onderbroken indien gedurende perioden van korter dan
vier weken geen inkomsten uit arbeid worden genoten;
b. wordt, indien gedurende een periode van vier weken of langer geen
inkomsten uit arbeid worden genoten, onderbroken indien vervolgens
opnieuw inkomsten worden genoten uit dezelfde arbeid als de arbeid die
werd verricht voor de onderbreking, met dien verstande dat het van de
vijf jaar resterende tijdvak aanvangt vanaf het moment dat opnieuw de
inkomsten uit die arbeid worden genoten;
c.
wordt onderbroken met de periode waarin inkomsten uit arbeid zijn
genoten doch waarin geen arbeid is verricht, mits die periode langer dan
vier weken duurt.
-3. Indien de verzekerde die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet
ingevolge
een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de hoofdstukken 2 en
3 van
de Wet sociale werkvoorziening, vindt het tweede lid geen toepassing.
-4. Maandelijks wordt, wat
betreft onderdeel b in afwijking van paragraaf 5.3 van de
Zorgverzekeringswet, aan ’s Rijks kas afgedragen het geraamde bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die op grond van het derde lid niet
worden uitbetaald wegens het genieten van dat loon, alsmede van de
dientengevolge niet uitbetaalde vakantie-uitkeringen, vermeerderd met:
a. het bedrag aan premies
dat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bij uitbetaling op grond
van enige wet over dat bedrag verschuldigd zou zijn en
dat niet op de uitkeringen in mindering kan worden gebracht; en
b. de op grond van artikel 46 van de
Zorgverzekeringswet vergoede inkomensafhankelijke
bijdrage, bedoeld in artikel 41 van die
wet, over dat bedrag.
-5. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels hebben in elk geval
betrekking op de gelijkstelling van inkomsten in verband met arbeid met inkomsten als bedoeld in het eerste
lid. [Rsaia]
-6. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat het tweede lid geen toepassing vindt ten aanzien van andere vormen
van arbeid die de verzekerde gaat verrichten. [Rarsipa]
[Rsaia]
Art. 59.
Samenloop met WIA-uitkeringen [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb. 2005,
573 + bis + bis;
Stb. 2006, 703]
-1. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid zowel recht ontstaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de
artikelen 12 tot en met
17 als op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen uit hoofde van een dienstbetrekking die is aangevangen na het
intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan het recht
is ontstaan op eerstbedoelde uitkering, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering
uitbetaald voor zover deze de uitkering op grond van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen overtreft, doch in elk geval uitbetaald
tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de
herziening.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering en uitkering op grond
van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tevens
verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van die uitkeringen recht
bestaat, voor zover die vakantie-uitkering over dezelfde periode is
berekend.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing op de persoon die een uitkering ontvangt op grond van de
vrijwillige verzekering als bedoeld in
paragraaf 2.2 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
-4. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als
arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verzekerde op wie artikel 58 van
toepassing is, in aanmerking genomen het bedrag van die uitkering nadat
bedoeld artikel toepassing heeft gevonden.
-5. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende
regels worden gesteld: [BvbsAuswm]
a. met betrekking tot het
eerste lid;
b. ter voorkoming of
beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met de in het eerste lid
bedoelde uitkeringen in situaties waarin deze leden niet of
onvoldoende voorzien.
Art.
59a. Samenloop
met andere uitkeringen [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb. 2005,
573 + bis; Stb. 2006, 703]
-1. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid recht bestaat op:
a. zowel herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de artikelen 12 tot en
met 17 als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering uit hoofde van een
dienstbetrekking die is aangevangen na het intreden van de
arbeidsongeschiktheid op grond waarvan recht is ontstaan op eerstbedoelde
arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. zowel toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 20 als toekenning
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering uit hoofde van een dienstbetrekking die
is aangevangen na het intreden van de arbeidsongeschiktheid op
grond waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel
20,
eerste lid, onderdeel a, werd toegekend dan wel tijdens of na de
wachttijd, bedoeld in onderdeel b van dat lid;
wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft. In de situatie,
bedoeld onder a, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering
in ieder geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening.
-2. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid recht bestaat op:
a. zowel herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met de
artikelen 36 tot en met 40
van die wet als toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van werkzaamheden
als verzekerde die zijn aangevangen na het
intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan recht is
ontstaan op eerstbedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. zowel toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43a
van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering als toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van werkzaamheden als verzekerde
die zijn aangevangen na het intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in artikel 43a,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
werd toegekend dan wel tijdens of na de wachttijd, bedoeld in onderdeel b van dat lid;
wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering
uitbetaald voor zover deze de
herziene of toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
overtreft.
-3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering
en arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
tevens
verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van die
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen recht bestaat, voor zover die
vakantie-uitkering over dezelfde periode is berekend.
-4. Het eerste en tweede lid zijn niet
van toepassing op de persoon die een arbeidsongeschiktheidsuitkering
ontvangt op grond van de vrijwillige verzekering, bedoeld in hoofdstuk VI van de
Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-5. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt als
arbeidsongeschiktheidsuitkering onderscheidenlijk uitkering op grond van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de verzekerde op
wie
artikel 58 onderscheidenlijk artikel 44 of
65 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing is, in aanmerking
genomen het bedrag van die uitkeringen nadat bedoelde artikelen
toepassing hebben gevonden.
-6. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden
gesteld:
a. met betrekking tot het eerste tot
en met derde lid;
b. ter voorkoming of beperking van
samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met de in het eerste tot en met
derde lid bedoelde uitkeringen in situaties waarin
deze
leden niet of onvoldoende voorzien;
c. ter voorkoming of beperking van
samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet met uitkering op grond
van andere wetten.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop
van arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering op grond van de sociale
wetgeving van de Nederlandse Antillen, Aruba of van een andere mogendheid.
[BvbsAuswm]
Art. 60. Betaling
van vakantie-uitkering [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
-1. De betaling van de
vakantie-uitkering vindt eenmaal per jaar plaats in de maand mei over de aan die maand
voorafgaande twaalf maanden of, indien het recht op uitkering eerder dan in
de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de vakantie-uitkering op een ander tijdstip
betalen, mits die betaling plaatsvindt over één of meer voorliggende maanden
waarover reeds recht op vakantie-uitkering bestaat.
-2. De artikelen 55, 57 en
61 zijn van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vakantie-uitkering, voor zover
bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.
Art. 61. Overlijdensuitkering
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 773; Stb. 1997, 789;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625]
-1. Na het overlijden van de
verzekerde aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt met ingang van de dag na het
overlijden de uitkering in de vorm
van een overlijdensuitkering betaald:
a. aan de langstlevende van de
echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in
onderdeel a bedoelde persoon, de minderjarige kinderen tot wie de overledene in
familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de
onderdelen a en b bedoelde personen, degenen ten aanzien van wie de
overledene grotendeels in de kosten van bestaan voorzag en met wie hij in
gezinsverband leefde.
-2. Met de verzekerde aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt voor de toepassing van dit
artikel gelijkgesteld de persoon wiens overlijden heeft plaatsgevonden
in de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt, doch
vóór het bereiken van deze leeftijd is overleden, en die uitsluitend op
grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel a, over de dag van zijn overlijden
geen recht op uitkering had.
-3. De overlijdensuitkering is gelijk
aan het bedrag van de uitkering over één maand, doch niet over de zaterdagen en
de zondagen, berekend naar de hoogte van die uitkering op de dag of
laatstelijk vóór de dag van overlijden van de verzekerde.
-4. In verband met het overlijden van
de verzekerde aan wie een uitkering is toegekend, is artikel
19, eerste lid, onderdeel
a, niet van toepassing.
-5. De overlijdensuitkering wordt op
aanvraag aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld in het eerste
lid, door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaald.
-6. De overlijdensuitkering wordt in
een bedrag ineens betaald.
-7. Het bedrag van de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
dat over na het overlijden gelegen
dagen reeds is betaald.
Art. 62. Verjaringstermijn
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999]
Uitkeringen op grond van deze wet die
niet in ontvangst zijn genomen of zijn ingevorderd binnen twee jaren na de
dag van betaalbaarstelling, worden niet meer betaald.
Art. 63. Terugvordering
[Bti] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 1997, 794
+ bis; Stb.
1998, 278 + bis; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710;
Stb. 2009, 265; Stb.
2009, 589]
-1. De uitkering, de
loonsuppletie, bedoeld in artikel 67a,
en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 67b, die als gevolg van een
besluit als bedoeld in artikel 18 onverschuldigd is verstrekt, alsmede hetgeen
anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen teruggevorderd.
-2. In afwijking van het eerste lid kan
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van
verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie
wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan
zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig
aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige
bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog
heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen
heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal
gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten
minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a en
b,
genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de
belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet
te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 70.
-4. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen besluiten geheel
of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
-5. De persoon van wie of de instelling
waarvan wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor
de terugvordering van belang zijn.
-6. In afwijking van het eerste lid kan
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister
kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het
terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
[Rtgb]
Art. 64.
Invordering bij dwangbevel [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1998, 278; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2009, 265]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd betaalde uitkering,
bedoeld in artikel 63, eerste lid, invorderen bij
dwangbevel.
-2. Artikel 54 is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie
jaar de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Art. 65.
Nadere regelgeving [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
Stb. 1998, 278; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2003, 544; Stb. 2005,
573; Stb. 2008, 600;
Stb. 2009, 265; Stb.
2009, 318 + bis; Stb.
2009, 589]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot: [Rbttbot]
[Rr] [Rtbbtob]
a. de wijze van tenuitvoerlegging
van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald;
b. de aanvraag van loonsuppletie als
bedoeld in artikel 67a, van inkomenssuppletie
als bedoeld in artikel 67b, de termijn
waarbinnen die aanvraag wordt ingediend, alsmede de rechtsgevolgen die
aan overschrijding van die termijn zijn verbonden.
Art.
65a. Schuldregeling [Geschiedenis:
Stb.
2008, 510]
-1. In afwijking van artikel
63, eerste lid, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, op verzoek van de belanghebbende, besluiten
gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere
terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling,
indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat
de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn
schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden
te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat
een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in
het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder
een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigd
betaalde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met
de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbare schuldregeling
tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als
bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat medewerking
aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
f. uitdeling in het kader van de
schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door de
belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 70,
en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 48 is
opgelegd, dan wel indien hiervoor aangifte is gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het afzien van
terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van belanghebbende gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat
dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen die
voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de belanghebbende zijn schuld aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet overeenkomstig de
schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige gegevens
zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van
de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art.
65b. Preferentie [Geschiedenis:
Stb.
2008, 510]
Een vordering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 63
en 65a van deze wet is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen uit artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 66. Onvervreemdbaarheid
van verstrekkingen [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 589]
-1. Onvervreemdbaar en
niet vatbaar voor verpanding en belening zijn:
a. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. de verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in artikel
10;
c. de vakantie-uitkering;
d. de loonsuppletie,
bedoeld in artikel 67a;
e. de inkomenssuppletie,
bedoeld in artikel 67b.
-2. Volmacht tot ontvangst van een
uitkering onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
Art. 67. Niet
voor beslag vatbare verstrekkingen [Geschiedenis:
MvT;
versie 24 april 1997; Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 589]
Niet vatbaar voor beslag zijn:
a. de verhoging, bedoeld in artikel 10; en
b. de overlijdensuitkering, bedoeld in
artikel 61.
HOOFDSTUK
3A
Reïntegratie-instrumenten
Art.
67a. Loonsuppletie [Bli]
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de persoon die recht heeft
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die arbeid in
dienstbetrekking aanvaardt of verricht op aanvraag loonsuppletie
toekennen indien het
loon lager is dan zijn resterende verdiencapaciteit.
-2. De loonsuppletie wordt
verstrekt over perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt
ontvangen, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen
vanaf de dag met ingang waarvan voor de eerste maal loonsuppletie is
toegekend.
-3. Als perioden waarin
loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen als bedoeld in het tweede lid
worden eveneens aangemerkt perioden waarin een uitkering op grond
van de Ziektewet of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1,
van de Wet arbeid en zorg wordt ontvangen, tenzij de dienstbetrekking is
geëindigd.
-4. De loonsuppletie wordt
voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake
premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
hoogte van de loonsuppletie. [Rb]
Art.
67b.
Inkomenssuppletie [Bli] [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de persoon die recht heeft
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die arbeid als zelfstandige
verricht of gaat verrichten op aanvraag inkomenssuppletie toekennen indien zijn
inkomen uit het bedrijf of beroep lager is dan zijn resterende verdiencapaciteit.
-2. De inkomenssuppletie
wordt verstrekt over perioden waarin het bedrijf of beroep wordt
uitgeoefend, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen
vanaf de dag met ingang waarvan voor de eerste maal inkomenssuppletie is
toegekend.
-3. De inkomenssuppletie
wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake
premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond van deze wet.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
hoogte van de inkomenssuppletie. [Rb]
Art.
67c. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710;
Stb. 2009, 589]
Art.
67d. Recht op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling van Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb 2007, 564]
-1. De zelfstandige die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft recht op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling en, met inachtneming van de daarvoor geldende
wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen noodzakelijk geachte voorziening
gericht op arbeidsinschakeling.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt voor personen die blijkens een indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoren van de Wet
sociale werkvoorziening onder een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling mede verstaan een voorziening gericht op het
verkrijgen van arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen
2 en 7 van die wet.
Art.
67e.
Proefplaatsing [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2006, 703]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, in het kader van de bevordering van de
inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering om op een proefplaats bij
een werkgever gedurende maximaal drie maanden onbeloonde
werkzaamheden te verrichten.
-2. Tijdens het verrichten
van werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste lid
wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien.
-3. De onbeloonde
werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste lid zijn:
a. werkzaamheden waartoe
de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is;
b. werkzaamheden waarbij
de werkgever bij wie de proefplaatsing geschiedt een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering ten behoeve van de verzekerde,
bedoeld in het eerste lid, heeft afgesloten;
c. werkzaamheden die de
verzekerde, bedoeld in het eerste lid, niet reeds eerder onbeloond op
een proefplaats bij die werkgever of diens rechtsvoorganger heeft
verricht; en
d. werkzaamheden waarbij
er, naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
een reëel uitzicht is op een op de onbeloonde werkzaamheden
aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor
ten minste zes maanden.
-4. Indien de
werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken, wordt
de periode waarin een uitkering bij ziekte wordt ontvangen, voor de
toepassing van dat lid buiten beschouwing gelaten.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
uitvoering van dit artikel.
Art.
67f. Loonkostensubsidie [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590; Stb.
2008, 598]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan op aanvraag aan de werkgever die met een
persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die
een indicatiebeschikking heeft als bedoeld in het derde lid, een
dienstbetrekking, niet zijnde een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk
2 of 3 van de Wet
sociale werkvoorziening, aangaat of is aangegaan na de
inwerkingtreding van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie, subsidie voor loonkosten verlenen indien de
dienstbetrekking een overeengekomen duur van ten minste twaalf maanden
heeft. De subsidie kan slechts worden verstrekt indien deze persoon op
de eerste dag van de dienstbetrekking de leeftijd van 50 jaar niet heeft
bereikt.
-2. Indien de dienstbetrekking, bedoeld in
het eerste lid, een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek betreft, verstrekt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen slechts subsidie indien de
derde in wiens opdracht de persoon die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ter beschikking wordt gesteld om arbeid
te verrichten, zich jegens de werkgever verplicht die persoon ten minste
twaalf maanden arbeid te laten verrichten. Indien de uitzendovereenkomst
binnen deze twaalf maanden wordt gevolgd door een dienstbetrekking bij
de derde, voor ten minste de resterende duur van de twaalf maanden, kan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op aanvraag aan die
derde loonkostensubsidie verstrekken voor maximaal de resterende duur
van de twaalf maanden.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan van de persoon die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering vaststellen dat hij in aanmerking komt
voor toepassing van het eerste lid indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen van oordeel is dat met het oog op de
inschakeling in de arbeid geen andere voorziening of instrument meer
geschikt is. De vaststelling, bedoeld in de eerste zin, geschiedt bij
indicatiebeschikking.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt de subsidie slechts: [Bbl]
a. indien naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen reële behoefte bestaat aan
de arbeid die op grond van de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste
lid, zal worden verricht en die arbeid geen additionele arbeid betreft;
b. indien er naar het oordeel van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een reëel uitzicht is
op continuering van de dienstbetrekking voor ten minste zes maanden na
afloop van de periode waarover de loonkostensubsidie wordt verstrekt,
dan wel op een op die dienstbetrekking aansluitende dienstbetrekking van
dezelfde of grotere omvang voor ten minste zes maanden;
c. indien ten behoeve van de persoon
die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in de vijf jaar
voorafgaand aan de indicatiebeschikking, bedoeld in het derde lid, niet
eerder loonkostensubsidie op grond van dit artikel of het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden is verstrekt; en
d. indien de persoon die recht heeft
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in de zes maanden voorafgaand aan
de indicatiebeschikking, bedoeld in het derde lid, geen werkzaamheden op
een proefplaats als bedoeld in artikel 67e of artikel
76a van de WW heeft verricht.
-5. Onder additionele arbeid als bedoeld in
het vierde lid, onderdeel a, wordt verstaan primair op de
arbeidsinschakeling gerichte arbeid of het naast of in aanvulling op
reguliere arbeid verrichten van werkzaamheden die niet leiden tot
verdringing op de arbeidsmarkt.
-6. De subsidie bedraagt ten hoogste 50%
van het wettelijk minimumloon, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een werknemer
jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon,
bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van die
wet. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin, wordt naar evenredigheid
verminderd indien de overeengekomen arbeidsduur korter is dan de normale
arbeidsduur, bedoeld in artikel 12 van laatstgenoemde
wet.
-7. De subsidie kan voor maximaal twaalf
maanden worden verstrekt.
-8. Indien de persoon, bedoeld in het
eerste lid, ziekengeld ontvangt op grond van de Ziektewet,
wordt het, naar werkdagen herleide, aan de werkgever verstrekte
subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, verminderd met dit
ziekengeld.
-9. Indien de dienstbetrekking, bedoeld in
het eerste lid, is aangegaan alvorens een aanvraag om subsidie voor
loonkosten met betrekking tot die dienstbetrekking wordt ingediend,
wordt de aanvraag om subsidie uiterlijk binnen drie maanden na de eerste
dag van het verrichten van arbeid ingediend.
-10. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel, welke regels
betrekking kunnen hebben op:
a. nadere subsidievoorwaarden; en
b. een subsidieplafond.
Art.
67g. Loonkostensubsidie niet-uitkeringsgerechtigde
herbeoordeelden [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590; Stb.
2008, 598]
-1. In afwijking van artikel
7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
werk en bijstand en artikel 30, eerste
lid, onderdeel b, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is artikel 67f
van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de persoon:
a. wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken als gevolg van de
toepassing van artikel 35, vijfde lid, alsmede de
persoon op wie dat artikel, op grond van artikel
2, tweede lid, van het Besluit eenmalige
herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, niet van toepassing
is en wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken;
b. die op de dag voorafgaand aan de
eerste dag van de dienstbetrekking met betrekking waartoe
loonkostensubsidie wordt aangevraagd geen uitkering ontvangt op grond
van een wet waaraan uitvoering wordt gegeven door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de Wet werk en
bijstand; en
c. die op de dag voorafgaand aan de
eerste dag van de dienstbetrekking met betrekking waartoe
loonkostensubsidie wordt aangevraagd geen tegemoetkoming ontvangt op
grond van de Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten.
-2. De leeftijdsgrens, bedoeld in artikel
67f, eerste lid, is niet van toepassing op deze persoon.
Art.
67h. [Onbeloonde additionele
werkzaamheden] [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de persoon die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en voor wie de kans op inschakeling in
het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar
is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten
verrichten gedurende maximaal twee jaar. Artikel
10a, tweede tot en met tiende lid, van de Wet
werk en bijstand is van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
4
De
invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Art. 68. Samenloop
aanspraken [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999]
Bij de vaststelling van de
schadevergoeding waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake
van
zijn arbeidsongeschiktheid houdt de rechter rekening met de aanspraken die hij op grond van deze wet
heeft.
Art. 69. Regresrecht
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794 + bis; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2008, 199]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft voor de op grond van deze wet gemaakte kosten verhaal op de
persoon die in verband met het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid
jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het
bedrag waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk
recht
aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag gelijk aan dat van de
schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de
verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
-2. Overeenkomstig door Onze Minister
te stellen regels kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in
plaats van het bedrag van de periodieke verstrekkingen de contante waarde
daarvan vorderen.
-3. De in het eerste lid bedoelde
aansprakelijke is eveneens verplicht tot vergoeding van de door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gemaakte redelijke kosten
ter nakoming van de verplichtingen tot inschakeling in de arbeid van de
verzekerde, die op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
rusten op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen en de daarop berustende bepalingen. De aansprakelijke kan
hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de verzekerde ten dienste zou
hebben gestaan.
HOOFDSTUK
5
Het
verstrekken van inlichtingen
Art. 70. Verplichting
tot verstrekken van inlichtingen [Bamb]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
Stb. 1998, 290; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625; Stb. 2005,
573]
-1. De verzekerde, diens wettelijke
vertegenwoordiger alsmede de instelling, bedoeld in artikel
57, waaraan arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
betaald, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen
beweging, alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hun
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op
uitkering of op het bedrag van de uitkering dat wordt betaald.
-2. Op de verzekerde die aanspraak
maakt op of recht heeft op vakantie-uitkering, alsmede op diens wettelijke vertegenwoordiger, rusten
overeenkomstige
verplichtingen als omschreven in het
eerste lid.
-3. De verzekerde aan wie
een reïntegratie-instrument als bedoeld in hoofdstuk
3a is verstrekt
of toegekend, of aan wie verstrekking of toekenning daarvan wordt
overwogen, alsmede diens wettelijke vertegenwoordiger, zijn verplicht aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of
onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
invloed kunnen zijn op de verstrekking of toekenning of op de duur of de
hoogte van het reïntegratie-instrument.
HOOFDSTUK
6
Financiering
Vervallen
Art. 71.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2003, 544; Stb.
2004, 324; Stb.
2005, 37]
Art. 72.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2000, 571; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 324]
Art. 72a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2000, 571; Stb.
2001, 481; Stb. 2004, 324]
Art. 73.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 324]
Art. 74.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2004, 324]
Art. 75.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 564; Stb.
2000, 571; Stb. 2004, 324]
Art. 76.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2004, 324]
Art. 77.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2004, 324]
Art. 78.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2004, 324]
Art. 79.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2004, 324]
Art. 80.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794 + bis; Stb.
1998, 290; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 324]
HOOFDSTUK
7
Uitvoering
Art. 81.
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis
+ bis; Stb.
2003, 544]
-1. De verzekerde, bedoeld in
artikel 3, is verzekerd bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-2. In de uitvoering van de in deze wet geregelde verzekering wordt,
behoudens de uitvoering die op grond van enig artikel van deze wet aan
een ander is opgedragen, voorzien door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Art. 82. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
Art.
83. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb. 2001, 625]
Art.
84. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 564; Stb. 2001, 625]
Art.
85. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb. 2001, 625]
Art. 86. Werkzaamheden
verricht door Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bij heropening [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb.
1997, 794; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 564; Stb. 2001, 625
+ bis + bis]
De heropende
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beschouwd als een voortzetting van de ingetrokken
uitkering. Voor de toepassing van de artikelen 14, tweede lid,
15, eerste lid,
onderdeel c, en 16 wordt daarbij met herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van
de arbeidsongeschiktheid gelijkgesteld
intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Art.
87.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb.
1997, 794; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999]
Art.
88. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1998, 290; versie 1 januari 1999]
HOOFDSTUK
8
Gemoedsbezwaren
Vervallen
Art. 89.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794 + bis + bis;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2004, 324]
Art. 90.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2004, 324]
Art. 91.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2004, 324]
Art. 92.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2004, 324]
Art. 93.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2004, 324]
HOOFDSTUK
9
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
Art. 94.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999; Stb.
2009, 265]
Art. 95. Beslistermijnen
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 564; Stb.
2000, 627 + bis; Stb.
2004, 324; Stb.
2009, 318; Stb. 2009, 542]
-1.
Onverminderd
artikel 95a
worden de
beschikkingen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen
gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2. De redelijke termijn is in ieder geval
verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen
beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde
of vierde lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking niet binnen de
termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een
redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in
kennis gesteld.
-4. Indien in verband met het geven van een
beschikking als bedoeld in het eerste lid een in het buitenland wonende
persoon is opgeroepen en om die reden de beschikking niet binnen acht
weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes
maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis
gesteld.
Art. 95a. Bijzondere
beslistermijnen [Geschiedenis:
Stb. 2000, 627 + bis;
Stb. 2001, 625; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 416;
Stb. 2009, 542]
-1. Een beschikking over
het verzekerd zijn op grond van deze wet wordt gegeven binnen dertien
weken na ontvangst van de aanvraag.
-2. Indien een beschikking
als bedoeld in het eerste lid om andere dan de in het tweede lid
bedoelde redenen niet binnen dertien weken kan worden gegeven, wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis
gesteld onder vermelding
van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel
tegemoet kan worden gezien.
Art.
95b. Afzien van
horen belanghebbende [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
In afwijking van artikel
7:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen van een
belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gestelde redelijke
termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden
gehoord.
Art. 96. Beslistermijn
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
bij bezwaarschrift [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis;
Stb. 2003, 544; Stb.
2009, 384; Stb.
2009, 318]
-1. In afwijking van
artikel 7:10,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen binnen dertien weken, gerekend vanaf de dag
na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is
verstreken.
-2. Indien bezwaar wordt gemaakt tegen
een besluit waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten
grondslag ligt, beslist het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel
7:10, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, binnen zeventien
weken of, indien het advies vraagt aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid
werkzaam
is, binnen 21 weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor
het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
-3. Indien in verband met het geven van een
beslissing op bezwaar een in het buitenland wonende persoon is
opgeroepen en om die reden de beslissing op bezwaar niet binnen de in
het tweede lid bedoelde termijn gegeven kan worden, wordt de beslissing,
in afwijking van artikel 7:10, derde lid,
van de Algemene wet bestuursrecht, verdaagd
met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verdaging
schriftelijk in kennis gesteld.
Art. 97. Medische
bezwaarschriftprocedure [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999]
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de behandeling van
bezwaarschriften tegen besluiten waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling
ten grondslag ligt.
Art. 98. Beroep
in cassatie [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 789; versie 1 januari 1999]
-1. Tegen uitspraken van de
Centrale
Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake
van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, derde tot en met
zevende lid, 3 tot en met 6 en de op die artikelen berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften
betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven
inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing,
waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
Art.
98a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 589]
HOOFDSTUK
9A
Overgangsbepalingen
Art.
98b.
Overgangsrecht intrekking Wet Rea [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
-1. Een beschikking tot
toekenning van inkomenssuppletie op grond van artikel 29 van de
Wet op
de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan de persoon die op de dag
voorafgaande aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10 van de
Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
vervalt recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt voor de duur
waarvoor inkomenssuppletie was toegekend, aangemerkt als
een beschikking tot toekenning van inkomenssuppletie als bedoeld in artikel
67b.
-2. Een beschikking tot
toekenning van loonsuppletie op grond van artikel 32 van de
Wet op
de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan de persoon die op de dag
voorafgaande aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10 van de
Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
vervalt recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt voor de duur
waarvoor die loonsuppletie was toegekend, aangemerkt als
een beschikking tot toekenning van loonsuppletie als bedoeld in artikel
67a.
HOOFDSTUK
10
Strafbepalingen
Art. 99. Strafbepaling
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999; Stb.
2009, 265]
Een gedraging die in strijd is met een
krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur voor zover
uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt
gestraft met een hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede
categorie.
Art. 99a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999]
Art.
99b.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999]
Art.
99c. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 564]
Art. 100. Vervallen.
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2009, 265]
Art. 101.
Overtredingen [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2003, 544]
De in artikel 99 bedoelde
strafbare feiten worden als overtredingen beschouwd.
HOOFDSTUK
10A
Overgangsbepalingen
Art. 101a. Overgangsrecht in verband
met de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen
arbeidsongeschiktheidswetten [Geschiedenis:
Stb. 2004, 416]
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend vóór de
inwerkingtreding van de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen
arbeidsongeschiktheidswetten
worden geacht te zijn toegekend voor onbepaalde tijd.
Art.
101b. Overgangsrecht
in verband met de Wet beperking export uitkeringen [Geschiedenis:
Stb. 2006, 697]
De artikelen 7a, 19a
en 21a zijn niet van toepassing op de persoon die:
a. op 31 december 1999 op
grond van de artikelen 7 dan wel 22 recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op die dag niet in Nederland
woont; en
b. op 19 december 2005 dit
recht op uitkering uitsluitend nog heeft op grond van artikel 2 van de Wet van 9 december 2004,
houdende goedkeuring van het
voornemen tot opzegging van het op 28 juni 1962 te Genève tot stand
gekomen Verdrag betreffende de gelijkheid van behandeling
van eigen onderdanen en vreemdelingen met betrekking tot de sociale
zekerheid (Verdrag nr. 118, aangenomen door de Internationale
Arbeidsconferentie in haar zesenveertigste zitting; Trb. 1962, 122, en
Trb. 1964, 23) (Stb. 2004, 715).
Art.
101c. Overgangsrecht in verband met artikel 69, derde lid
[Geschiedenis:
Stb.
2008, 199]
In gedingen aangevangen vóór het van toepassing worden van artikel
69, derde lid, bepaalt de rechter op verzoek van één van de
partijen of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de gelegenheid
wordt geboden hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te
passen aan artikel 69, derde lid. Stelt de rechter
partijen tot een zodanige aanpassing in de gelegenheid, dan staat tegen
die beslissing geen rechtsmiddel open; wijst de rechter een daartoe
strekkend verzoek af, dan staat een rechtsmiddel daartegen slechts
gelijktijdig met de einduitspraak open.
Art.
101d. Mogelijkheid vervallen loonkostensubsidie [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590]
-1. Artikel
67f vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
-2. Artikel 67g
vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Art.
101e. Overgangsrecht Tijdelijk besluit brugbanen
herbeoordeelden [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590]
De loonkostensubsidie die vóór de
dag van inwerkingtreding van de Wet stimulering
arbeidsparticipatie, op grond van het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden, is verstrekt aan een werkgever
ten behoeve van een persoon die op de dag vóór aanvang van die
gesubsidieerde dienstbetrekking recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangemerkt als loonkostensubsidie
als bedoeld in artikel 67f.
HOOFDSTUK
11
Slotbepalingen
Art. 102. Buitentoepassingverklaring
van Algemene termijnenwet [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568]
De Algemene
termijnenwet is niet van
toepassing op de tijdvakken van vier weken, genoemd in de artikelen
7,
derde en vierde lid, 13, vierde lid, 14,
15, eerste lid, 16, 20 en
21.
Art. 102a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2003, 524 + bis]
Art. 103. Inwerkingtreding
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999]
Deze wet treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 2 september 1997, Stb. 1997, 391, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1998, met uitzondering van de artikelen
89 en 93, die in werking treden met ingang van 1
oktober 1997, red.
Art. 104.
Citeertitel [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
versie 1 januari 1999]
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ‘s-Gravenhage, 24 april
1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de negenentwintigste
april 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
MEMORIE VAN
TOELICHTING
|
|