|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1995-1996,
24 758
Verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid en een uitkeringsregeling in verband met bevalling
voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten (Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Voorgeschiedenis |
| 2.1 |
Totstandkoming van de AAW |
| 2.2 |
Huidige AAW |
| 2.3 |
Wetsvoorstel 22 968 tot nadere wijziging van de AAW |
| 3 |
Uitgebrachte adviezen |
| 4 |
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel |
| 4.1 |
Uitgangspunten |
| 4.2 |
Wenselijkheid van intrekking van de AAW en van een
verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen,
meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren |
| 4.3 |
Kring van
verzekerden |
| 4.4 |
Recht, hoogte en
duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering |
| 4.5 |
Financiering via een
landelijk uniforme omslagpremie door de zelfstandigen |
| 4.6 |
Wijze van
premieheffing en -inning |
| 4.7 |
De uitkering in
verband met bevalling voor vrouwelijke zelfstandigen, meewerkende echtgenoten
en beroepsbeoefenaren |
| 4.8 |
Overige aspecten in
verband met het recht op uitkering |
| 4.9 |
Uitvoering en
implementatie |
| 5 |
Volumebeheersing |
| 5.1 |
Mogelijkheden tot
preventie en reïntegratie |
| 5.2 |
Recht van regres op
degene die de arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt |
| 6 |
Handhavingsaspecten |
| 7 |
Overige onderwerpen |
| 7.1 |
Rechtsbescherming |
| 7.2 |
Informatievoorziening |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 103 |
| xBijlage:
Concordantietabel WAZ - AAW |
Algemeen
1.
Inleiding
Dit wetsvoorstel voorziet in een afzonderlijke
verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid
en in een uitkeringsregeling in verband met bevalling voor
zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en overige niet-werknemers met inkomsten uit
arbeid.
Het voorstel maakt deel uit van een pakket van
wetsvoorstellen waarmee wordt beoogd om de marktwerking op het terrein
van de sociale verzekeringen te versterken. Dit pakket vloeit voort uit
de afspraken in het regeerakkoord voor de kabinetsperiode 1994-1998 (Kamerstukken
II
1993-1994, 23 715, nr. 11). Voor een algemene toelichting
op de motieven en doelstellingen die aan dit pakket van voorstellen ten
grondslag liggen, wordt verwezen naar het voorstel van Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
(Pemba, Kamerstukken II 1995-1996, 24 698, nrs. 1-2).
Onderdeel van het pakket maatregelen is de voorgenomen
totstandkoming van een geïntegreerde arbeidsongeschiktheidsregeling
voor werknemers, waarvan de premie ten laste komt van
werkgevers. Hierin worden aanspraken voor werknemers uit hoofde van
arbeidsongeschiktheid op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
geïncorporeerd in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Als gevolg hiervan verliest de
huidige AAW haar
betekenis als volksverzekering. Aangezien het naar het oordeel van het
kabinet gewenst is om de sociale bescherming met betrekking tot het
risico van langdurige arbeidsongeschiktheid, voor zover er sprake is van
feitelijke inkomensderving, voor de huidige kring van AAW-verzekerden op
het huidige niveau te handhaven, dient, als onderdeel van het pakket voorstellen, te
worden voorzien in een afzonderlijke verzekering voor zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en overige niet-werknemers met
inkomsten uit arbeid. Het onderhavige wetsvoorstel strekt hiertoe. Ten
aanzien van jonggehandicapten en studenten wordt een afzonderlijke
wettelijke voorziening tegen de geldelijke gevolgen van
arbeidsongeschiktheid voorgesteld in de vorm van het voorstel van Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong), die ten laste komt van de rblz.|2|
algemene middelen. Bij deze voorziening is derhalve
sprake van een brede solidariteit, omdat het om een groep gaat die
arbeidsongeschikt is geworden op een tijdstip dat men nog geen inkomen kon
verwerven. Het voorwerp van vergoeding is bij deze voorziening
veronderstelde inkomensderving tengevolge van langdurige
arbeidsongeschiktheid.
In
het voorliggende wetsvoorstel wordt voor
zelfstandigen en meewerkende echtgenoten een verplichte
arbeidsongeschiktheidsverzekering op minimumniveau voorgesteld. Hierdoor zijn zij van
rechtswege verzekerd tegen het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid.
De verzekering is gebaseerd op het uitgangspunt van feitelijke
inkomensderving, hetgeen betekent dat alleen een uitkering kan worden verstrekt
wanneer daadwerkelijk inkomen in verband met de uitoefening van het bedrijf of
zelfstandig beroep is genoten. De verzekering wordt gefinancierd
door een uniforme omslagpremie die door betrokkenen zelf wordt opgebracht.
Een dergelijke financieringswijze is in overeenstemming met het
uitgangspunt van het regeerakkoord dat de financiële lasten van het
arbeidsongeschiktheidsrisico zoveel mogelijk daar worden gelegd waar het ontstaan en
het voortbestaan van de arbeidsongeschiktheid worden beïnvloed. De premie wordt geheven als een procentuele premie over de winst
uit onderneming van de zelfstandige. Ook de meewerkende echtgenoot wordt
voor zover mogelijk in de premieheffing betrokken.
Bij de premieheffing wordt een bij ministeriële
regeling vast te stellen maximumpremiegrens alsmede premievrije voet (franchise)
in acht genomen.
De onderhavige regeling geldt ook voor andere
niet-werknemers met inkomen uit arbeid. In het wetsvoorstel Pemba heeft het
kabinet reeds aangegeven dat als randvoorwaarde voor het kabinet bij
de integratie van de AAW
en WAO geldt dat er voor iedereen van rechtswege
een toegankelijke en betaalbare voorziening bij inkomensderving tengevolge van arbeidsongeschiktheid blijft bestaan. Indien dit
wetsvoorstel alleen zou gelden voor zelfstandigen en meewerkende echtgenoten,
zouden groepen die niet als werknemer in de zin van de WAO worden
beschouwd voor het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid "tussen wal
en schip" raken. Het kabinet acht dit ongewenst en heeft om deze reden
voor deze groepen aanvullende regelingen getroffen. Voor de categorie
directeuren-grootaandeelhouders wordt een regeling getroffen door hen onder de
kring van verplicht verzekerden voor de werknemersverzekeringen, waaronder de WAO, te brengen. Dit wordt geregeld
in het
wetsvoorstel Invoeringswet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
(wetsvoorstel Invoeringswet).¹ Groepen niet-werknemers met overig inkomen uit arbeid die
"tussen wal en schip" zouden raken omdat zij noch werknemer noch zelfstandige
zijn (bijvoorbeeld alfahulpen, geestelijken zonder dienstverband,
freelancers zonder dienstverband), zijn onder de kring van verzekerden van
de WAZ gebracht. In het vervolg van deze memorie worden zij als
beroepsbeoefenaren aangemerkt.
1. Invoeringswet premiedifferentiatie en marktwerking
bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Invoeringswet Pemba) luidde de citeertitel ten tijde
van het advies van de Raad van State; nadien is
sprake van Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen, red.
Voor een belangrijk deel wordt in
dit wetsvoorstel
aangesloten bij de huidige AAW-regeling. Dit geldt onder meer voor de
hoogte en duur van de uitkering en het arbeidsongeschiktheidscriterium.
Uiteraard is van de AAW afgeweken waar dit in verband met het gewijzigde
karakter van de regeling en de doelgroep noodzakelijk bleek. Voorts zijn
in dit wetsvoorstel de voorstellen ter versterking van het
inkomensdervingsbeginsel opgenomen uit het eerder bij de Tweede Kamer ingediende
wetsvoorstel tot nadere wijziging van de AAW (wijziging
van de kring van gerechtigden en van de grondslagvaststelling (Kamerstukken
II
1992-1993,
22 968). Dit betekent onder meer dat alleen een uitkering wordt verstrekt
als er ook daadwerkelijk inkomen is gederfd. Bij de bepaling van de rblz.|3|
hoogte van de uitkering wordt steeds uitgegaan van het
(winst)inkomen uit arbeid dat in het jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid als
verzekerde werd behaald, met dien verstande dat de uitkering niet meer kan bedragen dan 70% van het
minimumloon. Indien dit
voor de verzekerde gunstiger is, kan worden uitgegaan van het
gemiddelde inkomen in de drie jaar voorafgaand aan de
arbeidsongeschiktheid.
In dit wetsvoorstel wordt voorts, waar nodig,
aangesloten bij bepalingen uit andere wetten. Hierbij kan met name
worden gewezen op bepalingen uit de Wet financiering
volksverzekeringen,
wat betreft het hoofdstuk financiering.
Voorts is
ervan uitgegaan dat samenloop van een
uitkering op grond van deze wet kan plaatsvinden met een uitkering op grond
van de Algemene nabestaandenwet. Via de in die wet
geïntroduceerde inkomenstoets vindt anticumulatie van uitkeringsrechten plaats.
Naast deze inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van de
AAW
is voorts gestreefd naar een inzichtelijker opbouw van de
artikelen, zodat een hergroepering van de hoofdstukindeling en herschikking
van bepalingen heeft plaatsgevonden. Als bijlage is aan deze memorie
een concordantietabel toegevoegd, waarin de bepalingen van dit wetsvoorstel en
de corresponderende bepalingen van de AAW zijn opgenomen.
De heffing en inning van de premie op grond van
de
onderhavige wet is opgedragen aan de belastingdienst. De
geïnde premies
worden gestort in een afzonderlijk Arbeidsongeschiktheidsfonds
zelfstandigen dat door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming
(Tica) [zie Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv) en vervolgens Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] afzonderlijk zal worden beheerd en geadministreerd. Aangezien het kabinet
het niet gewenst acht dat de groep zelfstandigen wordt
geconfronteerd met de eventuele meerkosten van de verzekering tengevolge van
het opnemen in de WAZ van beroepsbeoefenaren is in het wetsvoorstel
voorzien in een regeling inzake het storten van een rijksbijdrage in het
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen in verband met de eventuele extra
uitkeringslasten voor deze groep.
De uitvoering ten aanzien van het verstrekken van
uitkeringen en voorzieningen ingevolge deze wet berust bij de
bedrijfsverenigingen. In het voorgenomen wetsvoorstel tot wijziging van de
uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (wetsvoorstel Organisatiewet
sociale verzekeringen [zie Osv 1997, red.]) zal worden voorgesteld om de bedrijfsverenigingen van
hun taak te ontheffen. Er zal een nieuwe verdeling van taken en
verantwoordelijkheden tussen de uitvoeringsinstellingen en de rechtsopvolger
van het Tica worden vastgelegd. Gezien de fase waarin de
voorbereidingen van dat wetsvoorstel zich thans bevinden, wordt in dit
wetsvoorstel vooralsnog uitgegaan van de bedrijfsverenigingen als uitvoerende
instantie.
Dit wetsvoorstel voorziet voorts in een uitkering in
verband met bevalling voor vrouwelijke verzekerden. Hiermee wordt
tegemoet gekomen aan een reeds geruime tijd levende wens om voor
vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten een
bevallingsuitkering te treffen, analoog aan die voor werkneemsters. De
mogelijkheid hiertoe ontstaat door de totstandkoming van een afzonderlijke
verzekering voor zelfstandigen. Het onderbrengen van de uitkeringsregeling in verband met
bevalling in deze wet is in overeenstemming met het
uitgangspunt dat de lasten van de uitkeringen worden opgebracht door de
zelfstandigen zelf. De voorgestelde uitkeringsregeling in verband met bevalling geldt voor
alle vrouwelijke zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren.
Wat betreft de duur van de uitkering in verband met bevalling wordt aangesloten bij de duur van
ten minste zestien weken die voor vrouwelijke werknemers als vertrekpunt geldt. De hoogte
van de bevallingsuitkering wordt bepaald op 100% van de
uitkeringsgrondslag, rblz.|4|
die afhankelijk is van het behaalde winstinkomen, maar
niet meer kan bedragen dan het minimumloon.
Dit wetsvoorstel regelt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en
beroepsbeoefenaren. In het wetsvoorstel Invoeringswet
wordt de intrekking van de AAW
geregeld en tevens voorzien in het uitkeringsregime van degenen die
thans reeds een uitkering op grond van de AAW hebben en van degenen die
reeds vóór de invoering van deze wet arbeidsongeschikt zijn, maar
vanwege de wachttijd van 52 weken nog geen recht op AAW-uitkering
hebben. In het kader van dat wetsvoorstel wordt geregeld dat zij
voortaan uitkering op grond van deze wet zullen hebben dan wel zullen krijgen
op het moment dat zij hun wachttijd hebben vol gemaakt. Hoewel derhalve
hun huidige AAW-uitkering wordt omgezet in een WAZ-uitkering, blijft
hun uitkering materieel beheerst door het AAW-regime. Hiermee wordt
gewaarborgd dat oud overgangsrecht, indien op hen van toepassing, ook daadwerkelijk van toepassing blijft. Zij behouden dus een uitkering
naar het huidige regime. De financiering van deze bestaande
gevallen komt eveneens ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
zelfstandigen.
In genoemd wetsvoorstel worden ook de noodzakelijke
wijzigingen als gevolg van intrekking van de AAW en de totstandkoming
van de WAZ in de overige wetten geregeld.
Meer technische aanpassingen zullen worden ondergebracht
in een wetsvoorstel Aanpassingwet.
De opbouw van deze memorie is als volgt. In
paragraaf 2
wordt eerst, voor zover relevant, ingegaan op de voorgeschiedenis van
deze wet en meer in het bijzonder op de totstandkoming van de AAW
in
1976, de inhoud van de huidige AAW en de inhoud van genoemd
wetsvoorstel 22 968 tot nadere wijziging van de AAW. Vervolgens wordt
in paragraaf 3 aandacht besteed aan de uitgebrachte adviezen en
commentaren. In paragraaf 4 komen de hoofdlijnen van het wetsvoorstel
aan de orde. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de wenselijkheid van
een verplichte verzekering; de kring van verzekerden; recht, hoogte en
duur van de uitkering; de financiering via een uniforme premie; de wijze van premieheffing
en -inning; de uitkering in verband met bevalling; enkele overige aspecten in verband met het recht op uitkering en de
uitvoering en implementatie van de regeling. In paragraaf 5 wordt
aandacht besteed aan de beheersing van het volume en met name aan de
mogelijkheden van preventie en reïntegratie en het recht van regres
van de bedrijfsvereniging op de veroorzaker van de arbeidsongeschiktheid. In
paragraaf 6 wordt ingegaan op de handhavingsaspecten van de
regeling, waarbij met name de administratieve boete aan de orde komt. Dit
algemeen gedeelte van de memorie wordt afgesloten met een tweetal
bijzondere aspecten. Het betreft de rechtsbescherming en de
informatievoorziening.
2. Voorgeschiedenis
2.1. Totstandkoming van de AAW
De totstandkoming van de AAW
in 1976 werd met name
ingegeven door de wenselijkheid om voor zelfstandigen en
jonggehandicapten tot een regeling te komen die bescherming zou bieden tegen
het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid. Voor beide groepen
werd het treffen van een wettelijke regeling destijds urgent geacht. Vóór
de totstandkoming van de AAW in 1976 hadden zelfstandigen geen aanspraken
op grond van enige sociale verzekering voor dit risico.
Door de Sociaal-Economische Raad (SER) werd aanvankelijk, in zijn advies
uit 1965 inzake verplichte verzekering tegen arbeidsongeschiktheid voor
anderen dan loontrekkenden, nog een afzonderlijke
arbeidsongeschiktheidsverzekering rblz.|5|
voor zelfstandigen bepleit. Volgens het toenmalige
kabinet kleefden daaraan echter overwegende bezwaren. Als bezwaren werden
onder meer genoemd: problemen met betrekking tot een goede
afbakening van de kring van zelfstandigen en de noodzaak van individuele
registratie van verzekerden.
De invoering van een volksverzekering die plaatsvond na
langdurige discussie werd in de memorie van toelichting bij het
wetsvoorstel gemotiveerd met de overweging dat het bij langdurige
arbeidsongeschiktheid gaat om een sociaal risico. Dat sociaal risico geldt
voor de gehele bevolking en dient daarom gedekt te worden door
middel van een volksverzekering.
Wat zelfstandigen betreft, werd overwogen dat zij wat
betreft de maatschappelijke consequenties van langdurige
arbeidsongeschiktheid in hoge mate vergelijkbaar zijn met werknemers. Voorts werd
overwogen dat zij slechts in geringe mate particulier verzekerd
waren tegen het risico van arbeidsongeschiktheid. Ten aanzien van
jonggehandicapten werd het gerechtvaardigd geacht om het recht op een eigen inkomen
en zelfontplooiing voor deze groep via een socialeverzekeringswet tot
stand te brengen, waar mogelijkheden in de particuliere
verzekeringssfeer ontbraken (Kamerstukken II 1974-1975, 13 231, nrs. 1-4,
blz. 42 e.v.). Voor werknemers voor wie reeds een regeling bestond in de
vorm van de WAO, werd de AAW een bodemvoorziening die, samen met de WAO-uitkering, in
één bedrag werd
uitgekeerd.
De
AAW
is in de loop van de tijd herhaaldelijk
gewijzigd, dit met name met het oog op gelijkberechtiging. Voor een overzicht
moge worden verwezen naar hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel tot
nadere wijziging van de AAW (Kamerstukken II, 22 968, nr. 3, blz. 6 e.v.).
2.2. Huidige AAW
De AAW
voorziet thans voor alle ingezetenen tot 65 jaar
in een uitkering op minimumniveau tegen de gevolgen van inkomensderving
vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. De AAW is vooral van
praktisch belang gebleken voor zelfstandigen en jonggehandicapten.
De verzekerde zelfstandige of meewerkende echtgenoot
heeft recht op een uitkering op grond van de AAW wanneer hij
arbeidsongeschikt is en een wachttijd van 52 weken heeft doorlopen. Voorts is in
de wet nog als voorwaarde voor toekenning van het recht op uitkering
opgenomen dat de verzekerde in het jaar dat voorafgaat aan het
intreden van de arbeidsongeschiktheid ten minste een inkomen uit of in verband met arbeid in
het bedrijfs- of beroepsleven ter hoogte van 48-maal het
minimumloon per dag heeft verworven (entree-eis, in 1996 ƒ4842,72). In
het Inkomensbesluit AAW is aangegeven wat onder inkomen uit of in verband
met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven moet worden
verstaan.
Als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep van 23 juni 1992 is artikel 6, tweede lid, van de AAW, waarin
de hoogte van de entree-eis is vastgelegd, echter inmiddels feitelijk
buiten toepassing verklaard. De voorwaarde voor recht op uitkering dat in
het refertejaar inkomen uit of in verband met arbeid moet zijn verworven
blijft echter van kracht. Voldoende is dat in het refertejaar enig inkomen
is genoten. De Raad is van oordeel dat de hoogte van de entree-eis in
strijd is met de Derde richtlijn van de EG en artikel 26 van het
Internationaal verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten. Volgens de Raad
is de hoogte van de entree-eis discriminatoir omdat vrouwen veel vaker
dan mannen minder verdienen dan het vereiste inkomen. De Raad vindt
het stellen van een inkomenseis op zichzelf wél geoorloofd, omdat de AAW bedoeld is
om het derven van inkomen te compenseren. Daarnaast is volgens de Raad een rechtvaardigingsgrond het voorkomen van kleine
"snipperuitkeringen". rblz.|6|
De huidige hoogte van de entree-eis is
echter niet geschikt en noodzakelijk om deze doeleinden te verwezenlijken.
De hoogte van de
AAW-uitkering is afhankelijk van de
mate van arbeidsongeschiktheid, die tot uitdrukking komt in een
bepaald arbeidsongeschiktheidspercentage, en van de uitkeringsgrondslag. Met ingang
van 1 augustus 1993 geldt op grond van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
(Wet TBA) een nieuw arbeidsongeschiktheidscriterium,
waarbij voor de schatting van de resterende verdiencapaciteit van de belanghebbende uitgegaan wordt van wat iemand nog
wél kan. Bij de schatting van de arbeidsongeschiktheid worden
derhalve, net als voor werknemers, ook functies in loondienst geduid, waarbij
voor de functies in loondienst de hoogste loonwaarde in aanmerking wordt
genomen.
De mate van arbeidsongeschiktheid wordt derhalve
gevonden door een vergelijking tussen het inkomen dat betrokkene vóór de arbeidsongeschiktheid behaalde (maatman)inkomen, waarbij voor zelfstandigen
in
de uitvoeringspraktijk in beginsel wordt gekeken naar het
gemiddelde van de behaalde winst over de laatste drie jaar, en de
resterende verdiencapaciteit, uitgaande van het inkomen dat betrokkene maximaal nog
zou kunnen verdienen.
Aangezien de AAW een verzekering op minimumniveau is, is
de uitkeringsgrondslag in beginsel gelijk aan het wettelijk
minimum(jeugd)loon. Dit is de "algemene" grondslag. De AAW-uitkering
kan derhalve in beginsel niet meer bedragen dan 70% van het geldende
minimumloon, ook wanneer in het jaar voorafgaand aan de
arbeidsongeschiktheid meer inkomen is genoten. Betrokkene kan zo nodig een
aanvulling tot het relevante sociaal minimum verkrijgen via een toeslag op
grond van de Toeslagenwet, voor zover de gezinssituatie daartoe
aanleiding geeft.
Uitgangspunt van de AAW is dat sprake moet zijn van
feitelijke inkomensderving, hetgeen impliceert dat de uitkering
wordt gerelateerd aan het feitelijk verdiende inkomen. Wanneer de
zelfstandige of de meewerkende echtgenoot in het refertejaar parttime heeft
gewerkt en tengevolge daarvan de winst of de toegerekende winst minder
bedraagt dan het minimumloon, wordt de grondslag bepaald op basis van
de feitelijk behaalde of toegerekende winst. Dit is de zgn. "individuele" grondslag. Wanneer sprake is van
parttimearbeid is geregeld in het
Besluit regels arbeid van normaal te achten duur. De individuele
grondslag wordt bepaald aan de hand van het Besluit gemiddeld per dag
verworven inkomen AAW.
Op het uitgangspunt van feitelijke inkomensderving is in
de huidige AAW voor jonggehandicapten en zgn. "bijzondere groepen", onder wie bepaalde zelfstandigen en meewerkende echtgenoten, een
uitzondering gemaakt. Op grond van de wet worden jonggehandicapten
uitgezonderd van de inkomensdervingseis. Verder worden, op grond van
het Besluit verzekerden die geacht worden vóór het intreden van de
arbeidsongeschiktheid inkomen te hebben verworven (Stb. 1980, 263), onder meer
zelfstandigen en hun meewerkende echtgenoten die
voltijds hebben gewerkt geacht inkomen te hebben verworven, waarmee zij
aan de entree-eis hebben voldaan en kunnen zij derhalve in
aanmerking komen voor een AAW-uitkering op basis van de algemene
grondslag. Voldaan moet worden aan de voorwaarde dat in het refertejaar
ten minste zes maanden voltijds is gewerkt. De voltijd werkende zelfstandige en meewerkende
echtgenoot die verlies hebben geleden komen niet alleen
in aanmerking voor een uitkering, maar ontvangen ook een
uitkering gerelateerd aan het minimumloon. Verzekerden zonder
inkomen worden op grond van het Besluit normaal te achten duur geacht
arbeid van normaal te achten duur te hebben verricht, zodat voor
hen de algemene grondslag geldt.
Voor voltijd werkende zelfstandigen en voltijd
werkende
meewerkende echtgenoten resulteert derhalve bij
arbeidsongeschiktheid een uitkering, rblz.|7|
gerelateerd aan het minimumloonniveau, ook indien
feitelijk een lager inkomen of zelfs een negatief inkomen werd behaald.
Samengevat kan sprake zijn van de volgende situaties:
- wie in het refertejaar een inkomen heeft behaald op
of boven het minimumloon kan aanspraak maken op een AAW-uitkering,
gerelateerd aan het minimumloon;
- wie minder dan het minimumloon heeft verdiend, maar
voltijd heeft gewerkt, kan eveneens aanspraak maken op een AAW-uitkering, gerelateerd aan het minimumloon;
- wie "enig inkomen", maar minder dan het
minimumloon heeft verdiend en parttime heeft gewerkt, kan aanspraak maken op een
AAW-uitkering, gerelateerd aan het verdiende inkomen.
Zoals alle verzekerden betalen zelfstandigen aan de
financiering van de financiële lasten van de AAW
door premiebetaling. De
huidige AAW-premie zit in de eerste schijf, als onderdeel van de
loonheffing. Over het inkomen in de eerste schijf wordt nu een uniform,
voor iedereen geldend percentage aan AAW-premie geheven. Hierbij wordt
rekening gehouden met de heffingsvrije voet. In 1996 bedraagt het
premiepercentage 6,7% over het belastbaar inkomen tot ten hoogste ƒ45
325,-. De maximumpremie bedraagt derhalve ƒ3037,-.
De huidige AAW-premie wordt geïnd door de belastingdienst. De
geïnde AAW-premies worden in het Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds (AAf) gestort. Daaruit worden de AAW-uitkeringen
gefinancierd.
Het aantal (ex)zelfstandigen dat in 1994 een
AAW-uitkering heeft, bedroeg eind 1994 ca. 58 000. In onderstaande tabel
wordt een overzicht gegeven van het aantal zelfstandigen dat sinds de
totstandkoming van de AAW een uitkering ontving.
Tabel 1. Overzicht van het aantal zelfstandigen dat
aangewezen is op de AAW:
| Jaarxxxxxxx |
xxPersonenxx
(x 1000) |
Uitkeringsjaren
(x 1000) |
xxxKostenxxx
(mln gld.) |
| 1976xxx |
18,3xxxxx |
3,6xxxxx |
57xxxxx |
| 1977 |
33,7xxxxx |
31,4xxxxx |
520xxxxx |
| 1978 |
37,8xxxxx |
35,6xxxxx |
653xxxxx |
| 1979 |
40,2xxxxx |
36,4xxxxx |
707xxxxx |
| 1980 |
42,0xxxxx |
37,9xxxxx |
755xxxxx |
| 1981 |
44,4xxxxx |
40,9xxxxx |
806xxxxx |
| 1982 |
45,9xxxxx |
41,1xxxxx |
846xxxxx |
| 1983 |
46,7xxxxx |
40,5xxxxx |
847xxxxx |
| 1984 |
47,5xxxxx |
40,7xxxxx |
874xxxxx |
| 1985 |
48,1xxxxx |
41,8xxxxx |
835xxxxx |
| 1986 |
49,4xxxxx |
43,2xxxxx |
853xxxxx |
| 1987 |
51,2xxxxx |
44,6xxxxx |
832xxxxx |
| 1988 |
52,9xxxxx |
46,2xxxxx |
801xxxxx |
| 1989 |
55,5xxxxx |
49,9xxxxx |
864xxxxx |
| 1990 |
59,1xxxxx |
63,0xxxxx |
1133xxxxx |
| 1991 |
58,7xxxxx |
54,9xxxxx |
1007xxxxx |
| 1992 |
60,1xxxxx |
53,3xxxxx |
1000xxxxx |
| 1993 |
60,6xxxxx |
52,9xxxxx |
994xxxxx |
| 1994 |
58,2xxxxx |
49,9xxxxx |
943xxxxx |
In de tabel zijn niet begrepen sociale lasten en
uitvoeringskosten.
Ruim de helft van de zelfstandigen met een AAW-uitkering
heeft een mate van arbeidsongeschiktheid die ligt tussen de 80 en
100%.
Voor het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid en voor
inkomensderving boven het AAW-niveau na het eerste jaar hebben
zelfstandigen de mogelijkheid zich particulier te verzekeren.
Voorts kunnen zelfstandigen en meewerkende echtgenoten
thans onder bepaalde voorwaarden een vrijwillige verzekering op
grond van de ZW en WAO
afsluiten voor het risico van ziekte en
arbeidsongeschiktheid. De bedrijfsvereniging is verplicht om betrokkene voor de
vrijwillige verzekering te accepteren indien deze voordien ten minste drie jaar
onafgebroken verplicht verzekerd is geweest op grond van een
wettelijke voorziening tegen geldelijke gevolgen van ziekte.
Uiteraard is de vrijwillige verzekering op grond van de WAO alleen
interessant voor het risico dat niet wordt gedekt door de AAW.
2.3. Wetsvoorstel 22 968 tot nadere wijziging van de AAW
In het kader van
dit wetsvoorstel zijn voorts de
voorgenomen maatregelen in het kader van genoemd wetsvoorstel 22 968 tot nadere
wijziging van de AAW van groot belang.
rblz.|8|
Mede naar aanleiding van uitspraken van het
Hof van
Justitie van 13 december 1989 en van de Centrale Raad van Beroep van 23
juni 1992 kwam het vorige kabinet tot de conclusie dat het
uitgangspunt dat sprake moet zijn van feitelijke inkomensderving in de AAW
niet
consistent en consequent is uitgewerkt. Dit gold met name voor de in
de wet opgenomen entree-eis en voor de positie van bijzondere
groepen.
Allereerst hebben bepaalde groepen (bijvoorbeeld
voltijd werkende zelfstandigen met een laag of negatief winstinkomen)
recht op AAW-uitkering zonder dat sprake is van feitelijke
inkomensderving, maar wel van een verlies van arbeidscapaciteit als gevolg van
arbeidsongeschiktheid. Andere groepen die eveneens geen inkomen derven
(bijvoorbeeld bijstandsontvangers en verzorgers van jonge kinderen)
hebben geen recht op uitkering, terwijl er toch ook sprake is
van verlies van arbeidscapaciteit. Dit levert niet te motiveren verschillen in rechtspositie
op. Daarnaast bestaan er thans niet te rechtvaardigen
verschillen in uitkeringshoogte. Het uitgangspunt van de AAW is
verzekering van inkomensderving wegens verlies aan verdiencapaciteit. Daaruit volgt dat
de uitkeringshoogte verband moet houden met het
feitelijk gederfde inkomen.
Het kabinet achtte het noodzakelijk de wet te wijzigen
en daarbij de volgende uitgangspunten te formuleren:
- er wordt uitsluitend recht op uitkering verleend
indien tengevolge van arbeidsongeschiktheid daadwerkelijk inkomen in
verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven is gederfd;
- de uitkering wordt gerelateerd aan het feitelijk
gederfde inkomen.
In het kader van genoemd wetsvoorstel stelde het vorige
kabinet, met het oog op de wenselijkheid om het
inkomensdervingsbeginsel in de AAW
te versterken, de volgende maatregelen voor:
- arbeidsongeschikten hebben recht op uitkering indien
in het refertejaar arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven is
verricht, gericht op het verwerven van inkomen;
- afschaffing van de entree-eis;
- de uitkering bedraagt nimmer meer dan 70% van het
feitelijk genoten arbeidsinkomen;
- met name met het oog op vooral bij zelfstandigen
wisselende inkomensvorming wordt een middelingsregeling ingevoerd,
inhoudende dat (indien zulks gunstiger is) niet het inkomen in het
refertejaar maar het gemiddelde inkomen in de drie jaar voorafgaand aan de
arbeidsongeschiktheid bepalend is voor de hoogte van de uitkeringsgrondslag.
Als gevolg van de voorgestelde afschaffing van de
inkomenseis zouden kruimeluitkeringen kunnen ontstaan. Het vorige kabinet
achtte dit aanvaardbaar. Belangrijke overweging om
kruimeluitkeringen te accepteren was het karakter van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering: het betreft een langlopende uitkering, zodat ook lage
inkomens een functie als inkomensbron kunnen vervullen. De "baten" voor
uitkeringsgerechtigden wogen dus zwaarder dan de kosten voor de uitvoering.
De voorgestelde middelingsregeling kwam voort uit de
wens om de nadelen van fluctuaties in het inkomen van zelfstandigen
enigszins te ondervangen. Door een deel van de Sociaal-Economische
Raad (SER) is in zijn Advies wijziging AAW, Abw,
Ioaw en Ioaz van 18
januari 1991 ten aanzien van zelfstandigen een regeling voorgesteld op
grond waarvan het hoogste jaarinkomen in de drie jaar voorafgaand aan de
arbeidsongeschiktheid als uitkeringsgrondslag wordt genomen. Het vorige
kabinet heeft dit voorstel niet overgenomen, onder meer gezien
de daaraan verbonden aanzienlijke meerkosten.
De behandeling van dat wetsvoorstel is niet verder
gekomen dan tot het uitbrengen van het verslag door de Tweede Kamer (Kamerstukken
II
1992-1993, 22 968, nr. 5). Het huidige kabinet acht het
zeer gewenst dat rblz.|9|
het voorliggende wetsvoorstel wordt gebaseerd op het
principe van feitelijke inkomensderving en wordt uitgewerkt langs de lijnen van
het reeds bij de Kamer ingediende wetsvoorstel. Het voornemen bestaat om
laatstgenoemd wetsvoorstel in verband hiermee in te trekken.
3. Uitgebrachte adviezen
Door de SER is, naar aanleiding van een adviesaanvraag
van 6 februari 1995, op 21 april 1995 advies uitgebracht over de
kabinetsvoornemens inzake de ZW, WAO
en AAW. Voor een algemene weergave van
het advies ter zake van de WAO en AAW alsmede het commentaar daarop
van het kabinet moge worden verwezen naar de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Pemba. In deze memorie wordt volstaan met
een weergave van het advies van de SER, voor zover dit specifiek
betrekking heeft op de voorgestelde verzekering voor zelfstandigen.
In hoofdstuk 5 van zijn advies van 21 april 1995 ging de
SER in op de voorgestelde arbeidsongeschiktheidsregelingen voor
niet-werknemers. De nieuwe arbeidsongeschiktheidsverzekering voor
zelfstandigen stuitte bij de SER niet op bezwaren. De Raad constateerde dat het
voornemen om afzonderlijke regelingen te treffen voor werknemers,
zelfstandigen en jonggehandicapten aansluit bij de opvattingen die de Raad in 1965 heeft uitgesproken in zijn advies over verzekering van
arbeidsongeschiktheid van niet-werknemers.
De SER achtte de overwegingen van het kabinet om bij de
verzekering voor zelfstandigen af te zien van invoering van
premiedifferentiatie overtuigend, met name vanwege de slechts zeer beperkte
effecten op het volume. Ook de overwegingen van het kabinet om ten
aanzien van zelfstandigen af te zien van de aanvankelijk door het
kabinet overwogen mogelijkheid om uit te stappen achtte de Raad
overtuigend, met name vanwege de daaruit voortvloeiende afkalving van het
draagvlak.
De SER kon voorts de door het kabinet gemaakte afweging
ten aanzien van de keuze van de premiegrondslag onderschrijven. Het
kabinet geeft daarbij de voorkeur aan winst uit onderneming boven de
belastbare som. De SER zag de voorgestelde premiegrondslag als een
verbetering. De Raad achtte het gegeven dat bij premieheffing over de
belastbare som ongewenste effecten zouden optreden bij een aanzienlijke
groep zelfstandigen die tevens looninkomen genieten op
zichzelf reeds een belemmering om voor dat alternatief te kiezen. Aan de
suggestie van de SER om de uit de voorgestelde premiegrondslag voortvloeiende
inkomenseffecten via een heffingsvrije voet te mitigeren
is in de verdere uitwerking van de voorstellen door het kabinet gevolg
gegeven.
Naar het oordeel van de
SER lag het in de rede dat de
meewerkende echtgenoot op enigerlei wijze in de premieheffing wordt
betrokken. De Raad was van mening dat dit via de voorgestelde
premiegrondslag in belangrijke mate wordt gerealiseerd. In situaties
waarin de meewerkende echtgenoot zelfstandig inkomen in de vorm van een
arbeidsbeloning ontvangt, lag het volgens de SER in de rede deze als
grondslag voor de premieheffing te hanteren. In situaties waarin geen
arbeidsbeloning wordt ontvangen maar doorgaans een meewerkaftrek wordt
genoten, is van belang dat de premieheffing voortaan over de winst
uit onderneming plaatsvindt, waarbij de premiegrondslag niet door de
meewerkaftrek wordt verlaagd, zoals nu het geval is. De Raad
constateerde dat, afgezien van de situatie waarin de winst de maximumpremiegrens
overstijgt, de meewerkende echtgenoot in die situaties reeds zonder
nadere maatregelen in de premieheffing wordt betrokken.
De
SER onthield zich ten slotte van een oordeel over de
vraag of voor directeuren-grootaandeelhouders en overige restgroepen
op enigerlei wijze een wettelijke regeling moet worden getroffen.
rblz.|10|
De SER onderschreef voorts, mede gelet op de resultaten
van onderzoek op dit terrein, de wenselijkheid van een
wettelijke regeling in verband met bevalling voor zelfstandigen en meewerkende
echtgenoten. Ten aanzien van de hoogte van de bevallingsuitkering
overwoog de SER dat, in aanmerking nemend dat het gaat om een
voorziening in het kader van de zelfstandigenverzekering, ook zou kunnen worden
aangesloten bij een maximering van 70% van het minimumloon. De SER
merkte hierbij echter terecht op dat dit ertoe zou leiden dat
vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten die thans vrijwillig verzekerd
zijn op grond van de ZW - op zich een kleine groep
- er ten opzichte
van het kabinetsvoorstel op achteruit zouden gaan. Mede om die reden stelt het
kabinet voor om, net als voor werknemers het geval is, niet te
kiezen voor 70%, maar voor 100% van de relevante grondslag, met als
maximum het minimumloon.
Naar het oordeel van het kabinet kan uit het advies van
de SER de conclusie worden getrokken dat de Raad in algemene zin
kan instemmen met de hoofdlijnen van de voorgenomen regeling.
Ten aanzien van de categorieën verzekerden die
inkomensvormende arbeid verrichten maar niet onder deze wet of de WAO
vallen en thans verzekerd zijn voor de AAW, zijn, zoals reeds eerder
opgemerkt, inmiddels aanvullende regelingen getroffen zodat zij ook na de
onderhavige herziening van de arbeidsongeschiktheidsregelingen van
rechtswege verzekerd zullen zijn. Hierop wordt nader ingegaan in
paragraaf 4.2.
Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van 21
maart 1995 heeft de Ziekenfondsraad [zie College
voor zorgverzekeringen, red.] voorts op 22 juni 1995
commentaar geleverd over de gevolgen voor de sociale
ziektekostenverzekeringen van de kabinetsvoornemens inzake versterking van de
marktwerking in de ZW en WAO. De
Raad beveelt onder meer aan om de regeling voor
zelfstandigen en jonggehandicapten titel voor ziekenfondsverzekering
te laten zijn indien betrokkenen een arbeidsongeschiktheidsuitkering
ontvangen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%. Een daartoe strekkende wetswijziging is opgenomen in het
wetsvoorstel Invoeringswet.
Na advisering door de
SER zijn de voorstellen uit de
adviesaanvraag nader uitgewerkt in een aantal wetsvoorstellen. Over het
onderhavige wetsvoorstel is op 15 mei 1995 technisch commentaar
gevraagd aan het Tica. Aan het College van toezicht sociale verzekeringen
(Ctsv) [zie Inspectie Werk en Inkomen (IWI), red.]
is op 15 mei 1995 verzocht om een toets te verrichten op de
toezichtsaspecten van dit wetsvoorstel. Voorts is op 24 augustus 1995 de
Registratiekamer [zie College bescherming
persoonsgegevens, red.] om commentaar gevraagd, waar het betreft de
informatieaspecten van het voorliggende wetsvoorstel.
Het Tica heeft bij brief van 20 juli 1995 een uitvoerig
commentaar uitgebracht. Het Tica ging in zijn commentaar onder meer
in op de kring van verzekerden, de uitvoering, de financiering,
premieheffing en -inning, de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de uitkering in
verband met bevalling, samenloopsituaties, het regresrecht en het
invoeringstraject. Op het commentaar van het Tica zal op de desbetreffende
onderdelen van deze memorie nader worden ingegaan.
Het Ctsv heeft op 15 september 1995 verslag gedaan van
de uitkomsten van de toets op toezichtsaspecten. Het Ctsv verwachtte
geen majeure problemen bij het toezicht op de uitvoering van de WAZ,
mede gezien het feit dat dit wetsvoorstel in hoge mate lijkt op de
huidige AAW. Op de kanttekening van het College ten aanzien van de
samenloop tussen de WAZ en de WAO zal in het vervolg van deze memorie worden
ingegaan.
De Registratiekamer heeft op 11 september 1995 zijn
opvattingen kenbaar gemaakt. De Registratiekamer gaf aan in te
kunnen stemmen met rblz.|11|
de wijze waarop in dit wetsvoorstel en de huidige
Organisatiewet sociale verzekeringen (Osv) [Stb.
1994, 790; zie Osv 1997, red.] aspecten in verband met
gegevensverstrekking en geheimhouding, gegevensuitwisseling tussen
bestuursorganen en beleids- en toezichtsinformatie zijn vormgegeven.
4. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
4.1. Uitgangspunten
Voor de totstandkoming van een afzonderlijke arbeidsongeschiktheidsverzekering
voor zelfstandigen hanteert het kabinet de volgende
uitgangspunten:
a. de wenselijkheid van een verplichte
arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en
beroepsbeoefenaren;
b. handhaving van recht op en hoogte en duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, uitgaande van de reeds
voorgenomen maatregelen uit wetsvoorstel 22 968;
c. de financiering van de verzekering door de
zelfstandigen en, voor zover mogelijk, door hun meewerkende echtgenoten,
alsmede beroepsbeoefenaren door middel van een landelijk uniforme omslagpremie over
het verzekerde inkomen;
d. de wenselijkheid van een uitkering in verband met
bevalling voor vrouwelijke verzekerden;
e. de heffing en inning van de premies in het kader van
de verzekering vinden plaats door de belastingdienst;
f. de beoordeling of betrokkene voor een uitkering en
voorzieningen in aanmerking komt en de verzorging van de uitkering en
daarmee samenhangende aspecten vindt plaats door de bedrijfsverenigingen.
Op basis van deze uitgangspunten worden hierna de
hoofdlijnen van het wetsvoorstel nader toegelicht.
4.2. Wenselijkheid van intrekking van de AAW en van een
verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen,
meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren
Het onderhavige wetsvoorstel moet naar het oordeel van
het kabinet worden gezien in het licht van het streven om een
eigentijdse invulling te vinden van een juiste balans tussen de uitgangspunten
van publieke solidariteit en eigen verantwoordelijkheid.
Het complex wetsvoorstellen tot herziening van het
stelsel van arbeidsongeschiktheidsregelingen, de Pemba, de WAZ, de
Wajong en de bij deze drie wetsvoorstellen behorende Invoeringswet,
vormt het sluitstuk van een gedurende een reeks van jaren in gang
gezette wijziging van het stelsel van sociale zekerheid waarbij een omslag
is gemaakt naar een activerend stelsel. In het verleden is het stelsel
vooral vormgegeven als een publieke verzekering waarbij weinig invulling
was gegeven aan en weinig ruimte was voor eigen verantwoordelijkheid en
eigen initiatief. Een stelsel waarbij bescherming, het waarborgen van inkomen,
voorop stond en het voorkomen van het verlies en het wederom ongedaan
maken hiervan te weinig aandacht kregen. Een dergelijk stelsel
kent zijn grenzen in die zin dat de mogelijkheid om risico’s af te
wentelen op het collectief te nadrukkelijk aanwezig is. In dit stelsel was geen juiste
balans (meer) aanwezig tussen solidariteit enerzijds en eigen verantwoordelijkheid en, in
het verlengde hiervan, eigen initiatief anderzijds. Het
stijgende volume in de sociale zekerheid en met name in de arbeidsongeschiktheidsregelingen
is hier een nadrukkelijk bewijs van. Vanuit het
uitgangspunt dat er minder nadruk moet komen te liggen op de publieke verzekering
en dat er meer ruimte moet worden gecreëerd voor eigen verantwoordelijkheid en
rblz.|12|
initiatief is het stelsel omgevormd tot een meer activerend stelsel. Een
publieke verzekering met een brede solidariteit is en blijft noodzakelijk
daar waar risico’s kunnen optreden die zo groot zijn
dat zij op individueel niveau niet gedragen kunnen worden. Echter daar waar
particuliere verzekeringen het risico kunnen dragen is er ruimte voor
de publieke verzekering om terug te treden.
Voor dit kabinet zijn de voorstellen tot het vormgeven
van een meer activerend stelsel binnen de
arbeidsongeschiktheidsregelingen aan een aantal uitdrukkelijke randvoorwaarden gebonden. Deze
betreffen de plicht voor alle werknemers om tegen
arbeidsongeschiktheidsrisico verzekerd te zijn en het recht van werkgevers om voor alle werknemers
(zonder selectie) een betaalbare verzekering tegen dit risico te
kunnen afsluiten. Ook dienen hoogte en duur van de uitkeringsrechten na de
overgang naar het nieuwe stelsel te zijn gewaarborgd.
Naar de mening van het kabinet is het in verband met het
voorgaande gewenst om de AAW
in te trekken. Allereerst verliest de
AAW zijn betekenis als volksverzekering als gevolg van de
invoering van premiedifferentiatie en de mogelijkheid van een eigen risico in de
WAO. De
WAO wordt immers in verband hiermee een geïntegreerde
arbeidsongeschiktheidsverzekering voor werknemers, waarvan de geïntegreerde premie ten
laste komt van de werkgever. Voorts past het "opsplitsen" van de AAW in categoriale regelingen in het beleid ten aanzien van een
activerend stelsel. Deze aanpak biedt ondermeer het voordeel dat de
premielast preciezer kan worden toegedeeld. Dit is in lijn met het
uitgangspunt dat de financiële lasten van het risico zoveel mogelijk daar
worden gelegd waar het ontstaan en voortbestaan van de arbeidsongeschiktheid worden
beïnvloed.
In dit opzicht komt het kabinet derhalve terug op de
destijds, bij de totstandkoming van de AAW, gehuldigde opvatting dat het
risico van langdurige arbeidsongeschiktheid het beste gedragen kan
worden door de gehele bevolking en wel via een algemene
omslagpremie. Weliswaar blijft in de opvatting van het kabinet ruimte voor het
gezamenlijk dragen van lasten, maar daarbij staat het kabinet een zodanige
invulling van de solidariteitsgedachte voor ogen dat betrokkenen direct
worden aangesproken op de eigen verantwoordelijkheid en de lasten niet
kunnen worden afgewenteld op anderen of het collectief. Hierbij
moet er een betaalbare en draagbare verzekering ontstaan, waarbij
solidariteitselementen indien noodzakelijk moeten worden ingebracht. Dit
laatste wordt voluit ingebracht in de Wajong. Het gaat daarbij immers om een
voorziening voor een groep personen die op een tijdstip arbeidsongeschikt
is geworden waarin men nog niet in zijn eigen inkomen
kon voorzien. Ook in de WAZ wordt voorzien in het aanbrengen
van een solidariteitselement buiten de eigen kring, nl. daar
waar wordt voorzien in een rijksbijdrage. In de WAZ wordt voorgesteld de
zelfstandigen de eigen lasten te laten opbrengen. De groep beroepsbeoefenaren
met overig inkomen niet zijnde loon en niet zijnde winst wordt
geconfronteerd met dezelfde premie als de zelfstandigen. Voor zover dit
niet voldoende is ter dekking van de lasten wordt dit aangevuld door middel
van een rijksbijdrage. Ook bij "het opsplitsen" van de AAW in categoriale
regelingen blijft derhalve sprake van belangrijke elementen van
solidariteit.
Ook bij het intrekken van de AAW en het creëren van
categoriale regelingen moet blijven worden voldaan aan de
randvoorwaarde dat iedereen van rechtswege verzekerd moet blijven tegen de
gevolgen van inkomensverlies bij arbeidsongeschiktheid. Het intrekken
van de AAW mag er niet toe leiden dat groepen die tengevolge van
arbeidsongeschiktheid geconfronteerd worden met een verlies van inkomen geen
uitkering meer zouden ontvangen. Dit resulteert erin
dat:
- werknemers en met hen gelijkgestelden (onder wie
directeuren-grootaandeelhouders)
verzekerd zijn op grond van de WAO;
rblz.|13|
- zelfstandigen, hun meewerkende echtgenoten en
beroepsbeoefenaren verzekerd zijn op grond van de WAZ;
- jonggehandicapten en studenten aanspraken kunnen
ontlenen aan de Wajong.
Hiermee wordt het bereik van de kring van verzekerden
van de huidige AAW omvat. Wel wordt in dit kader rekening gehouden met
de voorgenomen versterking van het inkomensdervingsbeginsel.
Zoals hiervoor aangegeven, was
één van de motieven voor
de totstandkoming van de AAW
dat zelfstandigen - de
hoofdgroep van de WAZ-verzekering - er niet in voldoende mate toe waren
overgegaan om het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid door
middel van een particuliere verzekering te dekken. Het kabinet acht dit
motief ook nu nog van groot gewicht.
Nu de AAW in het kader van deze operatie haar betekenis
als volksverzekering verliest, acht het kabinet het ten behoeve van de
sociale bescherming van zelfstandigen geboden om voor hen een
afzonderlijke verplichte wettelijke verzekering te treffen.
De wenselijkheid van een dergelijke regeling wordt
ingegeven door de volgende overwegingen:
- ingeval het aan zelfstandigen zelf zou worden
overgelaten om zich voor dit risico particulier te verzekeren dan wel van
enigerlei vorm van verzekering af te zien, is het risico groot dat een
groot gedeelte van de zelfstandigen vanwege een optimistische inschatting van
het eigen risico dan wel vanuit kostenoverwegingen, zal afzien van een
dergelijke verzekering. Vanwege de aard van dit risico is dit
ongewenst. Ingeval toch arbeidsongeschiktheid zou intreden, is bovendien het
gevaar niet denkbeeldig dat dit zou leiden tot afwenteling van
kosten op de Algemene bijstandswet;
- verzekeraars kunnen geen garantie bieden dat de
toegankelijkheid van een betaalbare particuliere verzekering voor alle
personen behorend tot deze categorie is gewaarborgd. Dit hangt samen met
het feit dat het bij zelfstandigen gaat om individuele contracten, waarbij de
inschatting door de verzekeraar van het individuele risico in sterke mate
bepalend is voor acceptatie en de hoogte van de premie;
- ten slotte is van belang dat de voorstellen tot
wijziging van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen niet als oogmerk
hebben om wijziging te brengen in de sociale bescherming van
zelfstandigen.
Om voor alle zelfstandigen een toegankelijke, betaalbare
verzekering met voldoende draagvlak voor de financiering te creëren acht het kabinet derhalve een verplichte verzekering noodzakelijk,
waarbij in beginsel alle zelfstandigen verplicht zijn te voorzien in de
financiering van de regeling. Deze regeling dient ook te gelden voor meewerkende
echtgenoten en beroepsbeoefenaren.
Het kabinet heeft overwogen of in deze regeling, net
zoals het geval is in het wetsvoorstel tot wijziging van de WAO, de
mogelijkheid zou moeten worden geschapen om voor een bepaalde periode
eigenrisicodrager te worden. Introductie van deze mogelijkheid levert echter
bij zelfstandigen c.s. eigensoortige vraagstukken op. Met name van belang
zijn de gevolgen voor het draagvlak van de publieke verzekering.
Bovendien geldt ook hier de overweging dat het risico bestaat dat
een groot gedeelte van de zelfstandigen vanwege een optimistische
inschatting van het eigen risico dan wel vanuit kostenoverwegingen, zal afzien van
een dergelijke verzekering, hetgeen kan leiden tot afwenteling van
kosten op de Algemene bijstandswet. Daarnaast geldt dat de
mogelijkheid tot eigen risico dragen voor zelfstandigen c.s. nauwelijks zal leiden tot extra
inspanningen om arbeidsongeschiktheid te voorkomen.
Bij de keuze tussen de publieke verzekering en
eigen risico dragen met de mogelijkheid van een particuliere verzekering speelt
voor de hoogte rblz.|14|
van de premie slechts het individuele risico een rol.
Vooral voor jongere ondernemers zou dit kunnen leiden tot de keuze om
eigenrisicodrager te worden. Omdat de hoogte van de premie afhankelijk is van
het individuele risico (en niet zoals bij werknemers van het collectieve
risico van meerdere werknemers binnen een bedrijf of bedrijfstak)
zou dit eerder dan in de verzekering voor werknemers ertoe kunnen leiden
dat slechts de slechtere risico’s in de publieke verzekering achterblijven, hetgeen door
het steeds smaller wordende draagvlak én de relatief
hoge uitkeringslasten al snel tot onverantwoord hoge premies kan leiden.
Voorts zou het introduceren van de mogelijkheid van eigen risico dragen leiden tot twee
premies (nl. één voor degenen die niet voor het
dragen van eigen risico kiezen en één voor de periode daarna), hetgeen
complicaties voor de premieheffing oplevert.
Deze overwegingen hebben het kabinet gebracht tot het
voorstel zelfstandigen c.s. niet de mogelijkheid te bieden om
eigenrisicodrager te worden.
Het kabinet geeft derhalve aan de onderhavige regeling
de voorkeur boven een terugkeer naar de situatie van vóór 1976, waarbij veel zelfstandigen niet voor het langdurig
arbeidsongeschiktheidsrisico bleken te zijn verzekerd.
4.3. Kring van
verzekerden
Van rechtswege verzekerd
voor deze verzekering zijn zelfstandigen, meewerkende echtgenoten
en beroepsbeoefenaren.
In de huidige AAW
zijn
zelfstandigen niet afzonderlijk als groep verzekerden gedefinieerd.
Dit is in een volksverzekering als de AAW ook niet nodig: de kring van
verzekerden wordt gevormd door ingezetenen en door niet-ingezetenen die
vanwege het verrichten van arbeid in dienstbetrekking in Nederland aan de
loonbelasting zijn onderworpen. Zelfstandigen die ingezetene zijn
vallen onder de AAW. Daarnaast vallen op grond van de Verordening (EEG)
nr. 1408/71 van 14 juni 1971 ook zelfstandigen die ingezetene zijn van
een andere EU-lidstaat dan wel van een staat die partij is bij het verdrag
van de EER (Europese Economische Ruimte), onder de werkingssfeer van de
AAW indien zij hier te lande een bedrijf of zelfstandig beroep
uitoefenen.
Voorgesteld wordt om als
zelfstandigen aan te merken natuurlijke personen, jonger dan 65
jaar, die als zelfstandige ondernemer gericht zijn op het behalen van winst
uit onderneming in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Wat de hoofdgroep van de regeling betreft, kan aldus worden aangesloten
bij fiscale begrippen en gegevens, hetgeen tot een zo eenduidig mogelijke uitvoering kan leiden van enerzijds de
premieheffing en -inning, anderzijds de beoordeling van het recht op uitkering.
Een persoon geniet winst
uit onderneming indien voor zijn rekening een onderneming wordt
gedreven. Daaronder wordt ook degene begrepen die, anders dan
aandeelhouder, medegerechtigd is tot het vermogen van een onderneming. Wat
betreft het begrip onderneming zijn voor de fiscus de volgende elementen van
belang:
- een duurzame
organisatie van arbeid en kapitaal;
- deelnemen aan het
maatschappelijk verkeer;
- oogmerk is het
behalen van winst;
- die redelijkerwijs
ook te verwachten moet zijn.
De beoordeling of sprake
is van een onderneming is afhankelijk van de beoordeling van de
feitelijke situatie (bijvoorbeeld BTW-nummer, bedrijfspand, personeel, adverteren,
vergunningen, inschrijving bij de Kamer van
Koophandel, presentatie
naar buiten, etc.).
rblz.|15|
Zelfstandigen zijn in het
algemeen als zodanig bekend bij de belastingdienst:
- men is als ondernemer
aangifte- en belastingplichtig voor de Wet op de Inkomstenbelasting
1964 en uit dien hoofde bij de belastingdienst ook als zodanig bekend. Ook
kan een ondernemer belang hebben bij het doen van aangifte met het oog
op fiscale tegemoetkomingen (zelfstandigenaftrek, verrekening van verliezen
e.d.);
- de belastingdienst
ontvangt van de Kamers van Koophandel en Fabrieken de inschrijving
van nieuwe ondernemers. Deze informatie wordt gebruikt voor de beoordeling van de belastingplicht. Verder heeft de
belastingdienst zelf
beleid om nieuwe ondernemers te achterhalen. De aanvang van de
verzekering kan doorgaans worden bepaald aan de hand van bijvoorbeeld een
ingevuld startersformulier, de datum van afgifte BTW-nummer, de melding
bij de bedrijfsvereniging (ingeval er personeel is).
Door aansluiting bij
fiscale begrippen en gegevens en de uitvoering van de premieheffing en
-inning door de belastingdienst wordt de kring van verzekerde zelfstandigen
in eerste instantie vastgesteld door de belastingdienst. Evenals nu het geval is,
vindt eerst toetsing van het verzekerd zijn door de
bedrijfsvereniging plaats, wanneer betrokkene een aanvraag indient voor een
uitkering.
Het Tica werpt in zijn
commentaar de vraag op of de zelfstandige die verlies lijdt wel
verzekerd is. Dit is inderdaad het geval. Voorwaarde om als zelfstandige in de
zin van de WAZ te worden aangemerkt is dat betrokkene winst geniet
als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Onder winst
genieten in de zin van die wet wordt niet alleen positieve winst verstaan,
maar ook negatieve winst. Dit houdt in dat een zelfstandige die verlies
lijdt ook voor de WAZ verzekerd is. Of betrokkene bij arbeidsongeschiktheid
daadwerkelijk in aanmerking komt voor een uitkering is, naast de
mate van arbeidsongeschiktheid, afhankelijk van het gerealiseerde
winstinkomen in de referteperiode. Op grond van dit wetsvoorstel geldt
daarbij de winst die behaald is in het boekjaar, onmiddellijk voorafgaand
aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, als uitgangspunt. Indien
het gerealiseerde winstinkomen echter in de drie boekjaren voorafgaande
aan de arbeidsongeschiktheid hoger was, wordt de uitkering berekend
over het gemiddelde winstinkomen in die laatste drie jaar, waarbij
uiteraard steeds als maximum het minimumloonniveau geldt. Toepassing van
deze middelingsregeling heeft dus tot gevolg dat zelfstandigen die het
laatste jaar verlies leden, maar de laatste drie jaar gemiddeld een positief
winstinkomen behaalden, wel voor een uitkering in aanmerking komen.
Voorts merkt het Tica op
dat bij zelfstandigen in het algemeen pas achteraf blijkt of winst
of verlies wordt gemaakt, hetgeen het problematisch maakt om tijdig een
vervangende particuliere verzekering af te sluiten.
Deze opmerking van het
Tica is op zich juist. Het kabinet zou daaruit echter niet de conclusie
willen trekken dat het problematisch zou zijn tijdig een vervangende
particuliere verzekering af te sluiten. De mogelijkheid van het behalen van
wisselende inkomsten en de onzekerheid die daaromtrent op voorhand
bestaat is immers inherent aan het zelfstandig ondernemerschap. Een
zelfstandige zal zich dan ook vooraf af moeten vragen in welke mate en tegen welke kosten hij zich aanvullend particulier
wil verzekeren.
Het wetsvoorstel beoogt
de zelfstandige, waar hij of zij ook woont, als verzekeringsplichtig aan
te merken, mits de werkzaamheden in Nederland worden uitgeoefend. Op
basis van Verordening (EEG) nr.1408/71 en een aantal bi- en
multilaterale verdragen inzake sociale zekerheid valt degene die in een EU- of
verdragsstaat woont en die in Nederland als zelfstandige rblz.|16|
werkzaam is onder de
Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Het opnemen van een specifieke bepaling
ter zake in de nationale wetgeving is
daarom voor deze mensen
niet strikt nodig. Om ieder misverstand te vermijden en om te
bereiken dat ook zelfstandigen die in een ander land dan een EU- of
verdragsstaat wonen verzekerd zijn, is in de WAZ expliciet opgenomen dat de
verzekeringsplicht op grond van deze regeling zich ook uitstrekt tot degene
die
buiten Nederland woont en binnen ons land als zelfstandige werkzaam is.
Tot de kring van
verzekerden behoren voorts meewerkende echtgenoten die jonger zijn dan 65
jaar en, anders dan als werknemer of als zelfstandige, meewerken
in de onderneming van de echtgenoot. Op grond van de huidige AAW
kan
ook de in de onderneming meewerkende echtgenoot van de zelfstandige in aanmerking komen voor een
AAW-uitkering. Met
betrekking tot de vaststelling van hun AAW-rechten moet onder meer de omvang
van de verrichte arbeid worden vastgesteld, evenals het aandeel in
het winstinkomen dat aan de meewerkende echtgenoot moet worden
toegerekend. Waar in deze memorie overigens wordt gesproken over
meewerkende echtgenoten, wordt hiermee niet alleen op gehuwde
personen gedoeld, maar tevens op de daarmee in het kader van dit
wetsvoorstel gelijkgestelde samenwonende partners.
Door het meewerken van de
echtgenoot in het bedrijf van de zelfstandige wordt
bijgedragen aan de inkomensvorming uit het bedrijf. De meewerkende echtgenoot
is als het ware niet los te zien van de zelfstandige. De noodzaak tot regeling van de positie van de meewerkende
partner in enigerlei vorm
vloeit bovendien voort uit de Richtlijn nr. 86/613/EEG van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 11 december 1986 betreffende
de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van
zelfstandig werkzame mannen en vrouwen, de landbouwsector daarbij
inbegrepen, en tot bescherming van het moederschap. Deze richtlijn verplicht
de lidstaat tot het nemen van de nodige maatregelen ten behoeve
van meewerkende echtgenoten indien in de lidstaat voor
zelfstandigen een op eigen bijdragen gebaseerd stelsel van sociale zekerheid
bestaat. De lidstaat kan daarbij kiezen tussen een regeling waarbij de
meewerkende echtgenoot zich op vrijwillige basis en tegen betaling van een
eigen bijdrage kan aansluiten of een regeling die hen onderbrengt in het
stelsel van sociale zekerheid waarvoor de zelfstandige in
aanmerking komt. Het kabinet heeft voor het laatste gekozen, teneinde een
optimale sociale bescherming voor betrokkenen te bieden.
Door betrokkene zal
aannemelijk moeten worden gemaakt dat sprake is van meewerken in de
onderneming van de zelfstandige. Dit kan mede op basis van de huidige
fiscale faciliteiten worden vastgesteld. Als de echtgenoot of daarmee
gelijk te stellen partner van de ondernemer meewerkt, zijn er in
fiscaal opzicht twee mogelijkheden:
a. de meewerkende
echtgenoot ontvangt op grond van een schriftelijke overeenkomst een reële
arbeidsbeloning die ten minste ƒ12 148,- per jaar (1995) bedraagt; de
arbeidsbeloning verlaagt de winst uit onderneming van de zelfstandige en de
meewerkende echtgenoot is over de arbeidsbeloning belasting en premie
verschuldigd;
b. de meewerkende
echtgenoot ontvangt een dergelijke beloning niet; de ondernemer komt in
aanmerking voor een meewerkaftrek als de meewerkende echtgenoot ten
minste 525 uur per jaar in de onderneming werkt. De hoogte van de
meewerkaftrek is een bepaald, forfaitair vastgesteld percentage
van de winst en afhankelijk van het aantal uren dat per kalenderjaar in
beslag wordt genomen door het meewerken. De meewerkaftrek varieert
van 1,25% tot maximaal 4% van de winst.
In de meeste gevallen
vindt de meewerkaftrek toepassing: in 1993 betrof het blijkens
gegevens van het ministerie van Financiën ca. 90
000-maal rblz.|17|
toepassing van de
meewerkaftrek en 11 000-maal toepassing van de arbeidsbeloning.
Veelal kan voor de
beoordeling of betrokkene meewerkende echtgenoot is, bij de toepassing van
één van beide fiscale faciliteiten worden aangesloten. In sommige
gevallen is dit echter niet mogelijk. Dit kan bijvoorbeeld het geval
zijn wanneer wel is meegewerkt in het bedrijf, maar voor minder dan 525
uur. In dergelijke gevallen zal op andere wijze aannemelijk moeten worden
gemaakt dat daadwerkelijk is meegewerkt in de onderneming.
Aangezien alleen in geval
van een reële arbeidsbeloning sprake is van zelfstandig inkomen, kan
alleen dan premie bij de echtgenoot zelf worden geheven. Hierop wordt
nader ingegaan in paragraaf 4.6. Dit betekent dat de
belastingdienst
ten
aanzien van meewerkende echtgenoten alleen in die situaties in eerste
aanleg de verzekeringsplicht kan vaststellen. De bedrijfsvereniging zal in
het kader van de beoordeling of sprake is van een recht op uitkering nader
moeten beoordelen of sprake is van verzekerd zijn in de zin van deze
regeling.
Op basis van de huidige
gegevens wordt de kring van verzekerde zelfstandigen en
meewerkende echtgenoten blijkens gegevens van het ministerie van Financiën gevormd door ca. 560 000 zelfstandigen en, uitgaande van toepassing
van fiscale faciliteiten, ca. 100 000 meewerkende echtgenoten. In totaal
gaat het dan om ca. 660 000 verzekerde zelfstandigen en
meewerkende echtgenoten.
Ten slotte behoren ook
beroepsbeoefenaren tot de kring van verzekerden. Zij zijn onder de kring
van verzekerden van de WAZ gebracht, omdat zij, net als zelfstandigen, niet als werknemer zijn aan te merken. Het
betreft hierbij dus degenen die geen werknemer in de zin van de WAO
zijn
en evenmin als zelfstandig ondernemer in de zin van de WAZ zijn aan te merken, maar die wel
inkomen uit betaalde arbeid verwerven. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
alfahulpen, geestelijken, auteurs,
sommige tussenpersonen en freelancers. Steeds geldt als voorwaarde dat geen sprake is van een
dienstbetrekking of een daarmee gelijkgestelde arbeidsverhouding in de
zin van de WAO (men is dan immers verzekerd voor de WAO) en dat
evenmin sprake is van winst genieten in de zin van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 (men is dan immers reeds als zelfstandige verzekerd
voor de WAZ).
Doorgaans betreft het
personen die in fiscaal oogpunt vallen onder artikel 22, eerste lid,
onderdeel b, van de Wet IB. Hierbij gaat het om alle niet uit winst uit onderneming aan te merken voordelen die worden
genoten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten.
De precieze omvang van
deze categorie WAZ-verzekerden is niet bekend. De omvang van de
groep wordt geraamd op ca. 300 000 personen. Voor het overgrote deel betreft het personen met overig
inkomen uit arbeid dat
onder de WAZ-franchise ligt.
directeuren-grootaandeelhouders vallen niet onder de kring van
WAZ-verzekerden. Zij
worden immers onder de kring van verplicht verzekerden voor de
werknemersverzekeringen, waaronder de WAO, gebracht. Dit houdt met
name verband met de omstandigheid dat directeuren-grootaandeelhouders,
ingeval zij zouden worden ondergebracht in de WAZ, voor de
premieheffing thans niet afzonderlijk door de belastingdienst
zijn te
traceren. Door het opnemen van directeuren-grootaandeelhouders in de werknemersverzekeringen worden zij voor
deze verzekeringen ook
als werknemer beschouwd, zodat aangesloten wordt bij de positie die
zij thans ook civielrechtelijk en in fiscaal opzicht innemen. Het opnemen van
directeuren-grootaandeelhouders wordt, zoals eerder opgemerkt,
geregeld en nader toegelicht in het wetsvoorstel Invoeringswet.
rblz.|18|
Door het opnemen van directeuren-grootaandeelhouders in de WAO en van beroepsbeoefenaren in
de WAZ wordt invulling gegeven aan de randvoorwaarde van het
kabinet dat bij de integratie van de AAW
en WAO voor iedereen van
rechtswege een toegankelijke en betaalbare voorziening bij inkomensderving
tengevolge van arbeidsongeschiktheid
blijft bestaan.
4.4. Recht, hoogte en
duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
4.4.1. Algemeen
In het kader van het
pakket wetsvoorstellen tot versterking van de marktwerking in de WAO
worden ten opzichte van de voorgenomen maatregelen uit
wetsvoorstel 22 968 geen wijzigingen in recht, hoogte en duur van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering voorgesteld.
Voor het recht op
uitkering moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
- er moet sprake zijn
van een verzekerde;
- er moet sprake zijn
van arbeidsongeschiktheid;
- er moet in het jaar,
voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid, arbeid zijn verricht,
gericht op het behalen van verzekerd inkomen;
- er moet een wachttijd
van 52 weken zijn verstreken, gerekend vanaf de eerste dag van
arbeidsongeschiktheid.
Voor de toekenning van
het recht op uitkering wordt niet langer de voorwaarde gesteld dat in
het refertejaar ten minste een bepaald minimuminkomen is genoten. Ook is bij
nader inzien afgezien van het stellen van de voorwaarde dat de
verzekerde in het refertejaar arbeid heeft verricht, gericht op het behalen
van verzekerd inkomen. In het kader van wetsvoorstel 22 968 werd
nog voorgesteld bij ministeriële regeling minimumeisen te stellen
omtrent de omvang van de verrichte arbeid, dit om te voorkomen dat de
kring van rechthebbenden wordt uitgebreid met personen die in het refertejaar incidenteel arbeid van geringe omvang
hebben verricht. Hiervan heeft het kabinet bij nader inzien afgezien. Nu
ten aanzien van
zelfstandigen in het onderhavige wetsvoorstel wordt aangesloten bij het
genieten van winst in de zin van de Wet IB boet deze overweging aan betekenis
in. Die incidentele activiteiten zullen immers steeds of nagenoeg steeds
niet te kwalificeren zijn als winst uit onderneming in de zin van artikel 6
van de Wet IB 1964. Bovendien is het achterwege laten van
minimumeisen omtrent de omvang van de verrichte arbeid in overeenstemming
met het uitgangspunt van het kabinet om het inkomensdervingsbeginsel
als uitgangspunt te nemen en niet de geleverde arbeidsinbreng.
De hoogte van de
uitkering op grond van dit wetsvoorstel is afhankelijk van de mate van
arbeidsongeschiktheid, zoals vastgesteld op basis van het huidige arbeidsongeschiktheidscriterium,
én van het gederfde
inkomen, uitgaande van wetsvoorstel 22 968 tot versterking van het
inkomensdervingsbeginsel,
met als maximum 70% van het minimumloon.
Ook bij het treffen van
een categoriale regeling voor zelfstandigen en beroepsbeoefenaren acht
het kabinet het zeer gewenst dat de uitwerking plaatsvindt langs de
lijnen van wetsvoorstel 22 968. Hierdoor worden niet te motiveren verschillen
tussen rechthebbenden en niet-rechthebbenden alsmede niet te
rechtvaardigen verschillen wat betreft uitkeringshoogte voorkomen. Dit betekent
dat op grond van de WAZ eerst dan recht bestaat op een uitkering, indien
daadwerkelijk inkomen wordt gederfd. Bij derving van inkomen beneden het
minimumloon volgt een daaraan gerelateerde uitkering. Het inkomensdervingsbeginsel bestaat er derhalve uit dat de
WAZ het inkomensverlies
bij arbeidsongeschiktheid verzekert, waarbij uitgegaan wordt van het
feitelijk gederfde inkomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de inkomensfluctuaties bij zelfstandigen door het
rblz.|19|
opnemen van een middelingsregeling die inhoudt dat voor de uitkeringsberekening
uitgegaan kan worden van
het gemiddelde inkomen van de laatste drie jaar als dit
hoger is dan het gederfde inkomen in het jaar voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid.
Hiermee wordt tevens een
eind gemaakt aan de thans nog in de AAW
bestaande situatie dat
een uitkering, gerelateerd aan het minimumloonniveau kan worden
verkregen,
zonder dat een toets plaatsvindt op het feitelijk gederfde
inkomen. In navolging van wetsvoorstel 22 968 wordt de uitkering op grond van
deze wet gerelateerd aan het feitelijk gederfde winstinkomen dat in het
jaar direct voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid wordt genoten. Wanneer
dit inkomen gelijk aan of hoger is dan het minimumloon, is de uitkeringsgrondslag het minimumloon. Wanneer
het winstinkomen lager
is dan het minimumloon, geldt het gemiddelde winstinkomen in de
laatste drie jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid - indien dit gemiddelde
hoger is dan het inkomen in het refertejaar - als
uitkeringsgrondslag. Steeds geldt als maximumuitkeringsgrondslag een bedrag ter hoogte van
het minimumloon. Dit betekent dat een
zelfstandige bij volledige arbeidsongeschiktheid op grond van deze wet een
uitkering kan ontvangen van 70% van het minimumloon. Indien dit
inkomen, gezien de gezinssituatie van betrokkene, ontoereikend
is, kan een toeslag worden aangevraagd op grond van de Toeslagenwet. Dit wordt geregeld in het wetsvoorstel
Invoeringswet.
Uiteraard blijft voor
degenen van wie het bedrijfsresultaat onder het minimumloon blijft, ook
na toepassing van de middelingsregeling, de mogelijkheid van
inkomensaanvulling tot aan het sociaalminimumniveau bestaan. Betrokkene kan
immers bij onvoldoende eigen middelen aanspraak maken op de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen dan wel de Algemene
bijstandswet.
Voor bestaande
uitkeringsgerechtigden uit hoofde van de AAW
treedt geen wijziging in
uitkeringsrechten op; zij behouden, ook als zij ondanks een feitelijk gederfde
inkomen beneden het minimumloonniveau toch een uitkering gebaseerd op
het minimumniveau ontvingen, recht op deze uitkering. Ook personen
die vóór inwerkingtreding van deze wet reeds in de wachttijd van 52 weken
zitten en daarmee uitzicht hebben op uitkering, zullen uitkering op basis
van het huidige regime kunnen ontvangen. Dit wordt geregeld in het wetsvoorstel
Invoeringswet.
Wat betreft het inkomen
dat uitgangspunt vormt voor de uitkeringsgrondslag geldt het volgende. Via
een algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere
regels worden gesteld. Het ligt in het voornemen om daarin aan
te sluiten bij de bestaande situatie.
Op grond van het huidige Inkomensbesluit AAW wordt thans voor zelfstandigen uitgegaan
van het begrip winst uit onderneming in de zin van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964, waarbij bepaalde bestanddelen van de winst daarvan zijn
uitgezonderd en andere daaraan zijn toegevoegd. Dit is ook het geval in de Inkomensbesluiten voor de
Toeslagenwet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Het betreft de volgende, meer incidentele posten, waarbij geen relatie is met
jaarwinst die als basis
voor de uitkeringsgrondslag dient. Deze posten zijn dus uitgezonderd van het
winstbegrip dat gehanteerd wordt voor de uitkeringsvaststelling:
- winst genoten ter
vervanging van door een onteigening gederfde of te derven voordelen uit
onderneming;
rblz.|20|
- winst behaald bij of
met het staken van een onderneming dan wel met of bij de overdracht
of liquidatie van een deel van de onderneming;
- winst bij
eindafrekening van de onderneming, ingeval degene voor wiens rekening de
onderneming wordt gedreven ophoudt uit de onderneming in Nederland belastbare
winst te genieten (bijvoorbeeld bij huwelijk, waarna de andere echtgenoot de onderneming voortzet of verplaatsing en
voortzetting van de onderneming in het buitenland).
Verder is in het
Inkomensbesluit vastgelegd dat mede tot de winst worden gerekend bepaalde
vergoedingen van de Stichting ontwikkeling en sanering midden- en
kleinbedrijf, c.q. de Stichting ontwikkeling en sanering voor de landbouw. Niet tot de winst worden gerekend bepaalde
uitkeringen uit hoofde van de Algemene
bijstandswet.
Ook ten aanzien van
meewerkende echtgenoten wordt voor de uitkeringsgrondslag
uitgegaan van het behaalde of toegerekende inkomen uit arbeid in de
onderneming over het boekjaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid dan
wel het gemiddeld inkomen over de drie jaar voorafgaand aan de
arbeidsongeschiktheid, wanneer dit gunstiger is, met als maximum het minimumloon. Dit inkomen kan worden gebaseerd op de genoten arbeidsbeloning, dan wel, ingeval geen arbeidsbeloning is
genoten of hiervan niet
kan worden uitgegaan, op een bepaalde verdeelsleutel. In het laatste geval
wordt, ter vaststelling van het deel van de winst dat aan één van
beiden toekomt, de winst vermenigvuldigd met de factor a/b, waarbij:
a. = loon van een
werknemer met een gelijkwaardige dienstbetrekking als de echtgenoot;
b. = som van a en loon
van een werknemer met een gelijkwaardige dienstbetrekking als de
ondernemer.
Het ligt in de bedoeling
de wijze van winsttoerekening, die aansluit bij de huidige praktijk op
grond van artikel 10 van het Inkomensbesluit AAW, in het kader van deze
verzekering voort te zetten via genoemde algemene maatregel van bestuur.
Ook voor de categorie
beroepsbeoefenaren met overig inkomen uit arbeid kan worden
aangesloten bij het huidige Inkomensbesluit AAW. In dat besluit wordt namelijk ook aangegeven wat onder inkomen uit arbeid,
anders dan winst, wordt
verstaan.
In aansluiting bij de
AAW
bevat dit wetsvoorstel overeenkomstige bepalingen over onder
meer de toekenning, herziening, beëindiging en heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze bepalingen omvatten mede recente wijzigingen van de AAW, ingevoerd met de
Wet
afschaffing malus en bevordering reïntegratie [Wet Amber, red.], die ertoe strekken dat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
na een wachttijd van vier weken kan worden toegekend of
herzien. Dit is het geval wanneer de arbeidsongeschiktheid, die is voortgekomen uit
dezelfde oorzaak als de aanvankelijk vastgestelde arbeidsongeschiktheid, binnen een termijn van vijf jaar is
toegenomen.
4.4.2. Samenloop van
uitkeringsrechten
4.4.2.1. Algemeen
Bij de totstandkoming van
de onderhavige verzekering is van belang op welke wijze voorzien
wordt in de samenloop met uitkeringsrechten op grond van andere
regelingen. Ook het Tica en het Ctsv hebben met betrekking tot het oorspronkelijke wetsvoorstel vragen gesteld over de
samenloop van een WAZ-uitkering met andere uitkeringen. Voor het Tica was niet duidelijk over
welke uitkeringen en welke wetten de cumulatie zich uitstrekte. Wat
betreft de samenloop van de WAZ met andere rblz.|21|
regelingen wees het Tica
onder meer op de gevolgen van toe- en afname van de
arbeidsongeschiktheid ingeval een zelfstandige tevens in loondienst werkt. Ook het
Ctsv heeft aandacht gevraagd voor samenloop van een WAZ-uitkering met
een WAO-uitkering. Verder informeerde het Tica naar de samenloop
met de Anw en samenloopsituaties met WW,
ZW, Ioaw en Ioaz.
4.4.2.2. Samenloop van
uitkeringsrechten op grond van de WAZ en de WAO dan wel de Wajong
Wat betreft de samenloop
van uitkeringsrechten op grond van de WAZ en de WAO
kan het
volgende worden opgemerkt. Hierbij kunnen zich in de praktijk uiteenlopende
situaties voordoen. Het is in de eerste plaats mogelijk dat iemand
uitvalt die gelijktijdig arbeid als zelfstandige heeft verricht en daarnaast
arbeid in loondienst. Betrokkene heeft dan gelijktijdig zowel aanspraak op een
WAZ-uitkering als op een WAO-uitkering. Voorts kan zich de
situatie voordoen dat iemand werkzaamheden heeft verricht als
zelfstandige, uitvalt en voor zijn resterende verdiencapaciteit arbeid in loondienst gaat
verrichten, waaruit betrokkene vervolgens eveneens uitvalt.
Betrokkene heeft dan eerst recht op toekenning van een WAZ-uitkering, en bij
uitval uit arbeid in loondienst, eveneens recht op toekenning van een
WAO-uitkering. De spiegelbeeldige situatie kan zich eveneens voordoen.
Met het oog op dergelijke
situaties is in het kader van de AAW
en WAO een samenloopregeling
getroffen (artikel 36a AAW
en 46a
WAO). Uitgangspunt van de
huidige regeling is dat bij samenloop van WAO- en AAW-rechten de AAW-uitkering niet wordt uitbetaald. Van dit
uitgangspunt wordt in de volgende gevallen afgeweken:
- indien de
WAO-uitkering lager is dan de AAW-uitkering, wordt de WAO aangevuld tot het
AAW-minimumniveau. Dit wordt technisch bereikt doordat de "AAW-kop"
als onderdeel van de WAO-uitkering wordt uitbetaald;
- in gevallen waarin
betrokkene voor een substantieel gedeelte WAO-verzekerde arbeid
verrichtte en betrokkene daarnaast in betekenende mate als zelfstandige
werkzaam is geweest. Indien betrokkene gelijktijdig uitvalt,
bestaat recht op WAO en kan daarnaast een gedeeltelijke AAW-uitkering tot
uitbetaling komen. Beide uitkeringen samen kunnen boven het
minimumniveau uitstijgen. Dit is nader uitgewerkt in het Besluit van 23 december 1986, nr. 86/10
945;
- indien betrokkene
eerst recht kreeg op een AAW-uitkering, vervolgens voor zijn
resterende verdiencapaciteit als werknemer arbeid ging verrichten en daarna
(toegenomen) arbeidsongeschikt werd. In dat geval kan de AAW-uitkering worden herzien en tevens een WAO-uitkering
worden toegekend. De
AAW-uitkering wordt dan na herziening uitbetaald, voor zover deze de
WAO-uitkering overtreft, maar in ieder geval tot het oorspronkelijk toegekende
bedrag.
Het kabinet acht het
gewenst om zoveel mogelijk bij de bestaande samenloopregeling aan te
sluiten. Hierdoor wordt enerzijds een ongewenste cumulatie van
uitkeringsrechten voorkomen, terwijl anderzijds wordt bereikt dat de inkomenssituatie voor betrokkenen in de
nieuwe constellatie
zoveel mogelijk aansluit bij de huidige situatie. Dit is mede gewenst door het
opnemen van beroepsbeoefenaren met inkomen uit arbeid in de WAZ.
Deze arbeid kan immers niet alleen van betekenende omvang zijn, maar
evenzeer van bijkomstige aard, bijvoorbeeld naast een aanzienlijk loon- of
winstinkomen.
Uiteraard moet bij de
nieuwe vormgeving wel rekening worden gehouden met verschillen
die tussen AAW
en WAZ bestaan omdat de WAZ, anders dan de AAW,
geen volksverzekering is. Dit betekent ook dat sprake is van twee afzonderlijke verzekeringen. Het object van verzekering
rblz.|22|
van de WAO wordt gevormd
door arbeid als werknemer, terwijl het object van verzekering van de WAZ wordt gevormd door arbeid als zelfstandige,
meewerkende echtgenoot of als beroepsbeoefenaar.
De verschillen betreffen:
- het maatmaninkomen
voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van de WAZ heeft alleen
betrekking op het inkomen dat als zelfstandige,
meewerkende echtgenoot of beroepsbeoefenaar wordt verworven en niet langer
op het totale inkomen uit arbeid, zoals thans nog het geval is in het kader
van de AAW;
- de
uitkeringsgrondslag wordt in de WAZ uitsluitend gerelateerd aan het verzekerd inkomen en
niet meer aan het totale inkomen uit of in verband met arbeid.
De samenloopregeling die
in het kader van dit wetsvoorstel is getroffen komt in essentie op het
volgende neer. Voor personen met uitsluitend een WAZ-inkomen bestaat bij
arbeidsongeschiktheid recht op een WAZ-uitkering tegen
maximaal 70% van het minimumloon. Voor personen met naast het WAZ-inkomen een looninkomen wordt een
anticumulatieregeling in
het leven geroepen langs dezelfde lijnen die op dit moment bestaan tussen
de AAW-uitkering en de WAO-uitkering. Voor deze situaties, waarbij
betrokkene dus werkzaamheden als werknemer én werkzaamheden als
niet-werknemer (als zelfstandige of in overige arbeid) heeft verricht,
impliceert dit het volgende:
* Als een werknemer die
naast inkomen uit arbeid in loondienst overige inkomen uit arbeid
verwerft (bijvoorbeeld winst) in zeer geringe omvang als werknemer heeft gewerkt,
kan in geval van arbeidsongeschiktheid zijn WAZ-uitkering de WAO-uitkering ten hoogste aanvullen tot maximaal 70%
van het minimumloon. In
deze situatie vormt het winstinkomen de hoofdinkomensbron. In die
zin is deze samenloopsituatie te vergelijken met de situatie waarin
iemand alleen winstinkomen heeft. Ook in deze laatste situatie kan de
uitkering nooit meer zijn dan 70% van het minimumloon.
* Als een werknemer met
overig inkomen uit arbeid overwegend als werknemer heeft gewerkt,
kan de WAZ-uitkering in geval van arbeidsongeschiktheid de WAO-uitkering
hoogstens aanvullen tot maximaal 70% van het minimumloon. In deze
situatie zullen de inkomsten uit loondienst de hoofdinkomensbron vormen.
Deze inkomsten zullen over het algemeen uitstijgen boven het
niveau van het minimumloon. In dat geval bestaat er geen behoefte aan
aanvulling. Alleen in het geval iemand met zijn looninkomsten onder het
minimumloon blijft is er behoefte aan aanvulling. Als voorbeeld
kan worden gedacht aan de situatie waarin iemand 7 uur per dag
werkt als werknemer tegen 7/8 van het minimumloon. Hiernaast
werkt hij als zelfstandige en verdient hiermee 1/8 van het minimumloon.
Op basis van de WAO krijgt hij dan 70% van 7/8 van het minimumloon.
Op basis van de WAZ krijgt hij hierop een aanvulling van 70% van 1/8 van het minimumloon.
* Heeft iemand
looninkomen en daarnaast overig inkomen, beide in betekenende mate, dan
worden beide inkomensposities als gelijkwaardig naast elkaar bestaand
beschouwd. Uit beide inkomensposities kan men dan, net als thans het
geval is, een uitkering ontvangen, ook als de WAO-uitkering op zichzelf
reeds boven het minimumniveau uitstijgt. Wel wordt bij de vaststelling van de uit te betalen WAZ-uitkering rekening
gehouden met de
WAO-uitkering in die zin dat de WAZ-uitkering alleen gedeeltelijk tot
uitbetaling kan komen.
Daarnaast bestaat de
situatie van volgtijdelijke samenloop. Hierbij kan worden gedacht aan de
situatie dat betrokkene eerst vanwege arbeidsongeschiktheid als zelfstandige een
WAZ-uitkering ontvangt, vervolgens voor zijn resterende verdiencapaciteit in loondienst gaat werken, waarna
(toegenomen) arbeidsongeschiktheid optreedt. Alsdan kan herziening van rblz.|23|
de WAZ-uitkering
en
tevens toekenning van een WAO-uitkering en derhalve samenloop van uitkeringsrechten plaatsvinden. Ook in deze
situaties wordt
aansluiting gezocht bij de bestaande regelgeving. De herziene WAZ-uitkering
kan de WAO-uitkering tot ten hoogste 70% van het minimumloon aanvullen,
maar wordt, in geval van toename van de arbeidsongeschiktheid, in
elk geval tot de oorspronkelijke omvang uitbetaald.
In de spiegelbeeldige situatie waarin iemand eerst een WAO-uitkering heeft, vervolgens
WAZ-verzekerde arbeid verricht, waarna hij (toegenomen) arbeidsongeschikt wordt,
komt de WAZ-uitkering alleen tot uitbetaling voor zover
deze de toename van de WAO-uitkering overtreft.
Voorts zijn twee aspecten
nog van bijzonder belang. Dit betreft allereerst de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Indien
nog resterende verdiencapaciteit aanwezig is, moet deze in samenloopsituaties
worden toegerekend aan de WAO- of WAZ-uitkering of aan beide. In de huidige situatie is
een dergelijk toerekeningsvraagstuk niet aan de orde, omdat de AAW
als volksverzekering voor de vaststelling van de
mate van
arbeidsongeschiktheid uitgaat van het totale inkomen uit arbeid. In de nieuwe constellatie
is toerekening van de resterende verdiencapaciteit dan wel, ingeval inkomen
wordt verworven, van het verworven inkomen wel van belang
voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid die ten grondslag ligt
aan de WAZ- respectievelijk de WAO-uitkering. Voor de diverse situaties
die zich in de praktijk kunnen voordoen is gedetailleerde
regelgeving nodig. Gezien de omvang en de mate van gedetailleerdheid van
deze wet is ervoor gekozen dit niet in de wet zelf maar in nadere
regelgeving te regelen.
In de tweede plaats is
van belang dat in geval van samenloop van uitkeringsrechten slechts één
bedrijfsvereniging bevoegd is. Hiermee worden immers eventuele
conflicten over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid en
de uitkeringshoogte bij voorbaat voorkomen. Bovendien is dan één bedrijfsvereniging belast met de
reïntegratie-inspanningen en bestaat voor
betrokkene één loket. In dit wetsvoorstel is geregeld dat als bevoegde
bedrijfsvereniging geldt de bedrijfsvereniging waar betrokkene als
werknemer verzekerd is (in geval van gelijktijdige samenloop) dan wel het
eerst een uitkering ontvangt (bij volgtijdelijke samenloop).
Het is ook mogelijk dat
zich een samenloop van uitkeringsrechten op grond van de WAZ en de
Wajong voordoet. Daarin wordt voorzien door de bepalingen van de Wajong.
In het algemeen zal sprake zijn van de volgende situatie. Een
jonggehandicapte komt op grond van de Wajong in aanmerking voor een
uitkering die gerelateerd is aan het minimumloon. Het is denkbaar dat betrokkene,
in geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid,
zijn resterende verdiencapaciteit invult met werkzaamheden als zelfstandige.
Betrokkene verwerft dan naast zijn gedeeltelijke Wajong-uitkering
winstinkomen.
Een andere mogelijkheid
is dat bij het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige
betwijfeld wordt of sprake is van algemeen geaccepteerde arbeid. In dat geval
wordt dit inkomen geanticumuleerd met de Wajong-uitkering. Op grond van de Wajong
wordt na drie jaar betrokkene geschat op zijn werkelijke verdiensten. Als hij dan nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt
is voor de Wajong, krijgt
hij een gedeeltelijke Wajong-uitkering. Daarnaast verwerft hij
inkomen uit het bedrijf.
Ingeval betrokkene er
vervolgens niet in slaagt het bedrijf te continueren vanwege (toegenomen)
arbeidsongeschiktheid, dan komt betrokkene als WAZ-verzekerde in aanmerking voor een
WAZ-uitkering. In
die situatie kan er dus
een samenloop optreden tussen het recht op Wajong en het recht op WAZ. Op grond van het wetsvoorstel Wajong
rblz.|24|
geldt als hoofdregel dat,
bij samenloop met een WAZ-uitkering, de Wajong-uitkering alleen
wordt uitbetaald wanneer het hoger uitkomt dan het WAZ-recht. In een
aantal situaties kan deze hoofdregel echter onredelijk uitwerken. Dit
kan ook het geval zijn in het hiervoor geschetste geval. Met betrekking tot
dergelijke samenloopsituaties zullen op grond van het wetsvoorstel
Wajong nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
4.4.2.3. Overige
samenloopsituaties
Ook andere
samenloopsituaties zijn denkbaar. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan samenloop
tussen een WAZ-uitkering en een WW-uitkering. Een dergelijke samenloop
kan zich voordoen als de WAZ-gerechtigde zijn resterende
verdiencapaciteit waarmaakt door arbeid in loondienst te verrichten, waarna
betrokkene werkloos wordt. Deze uitkeringen kunnen in beginsel zonder
noodzaak van anticumulatie naast elkaar bestaan.
Een andere situatie is de
volgende. Zodra betrokkene met arbeid in loondienst meer verdient
dan zijn resterende verdiencapaciteit, wordt de arbeidsongeschiktheid in
beginsel herzien. Indien echter twijfel bestaat of sprake is van algemeen
geaccepteerde arbeid, waartoe betrokkene met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is, wordt de uitkering niet direct herzien, maar kunnen
gedurende maximaal drie jaar de inkomsten worden geanticumuleerd
met de uitkering. Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid van een
ministeriële regeling, op grond waarvan nadere regels kunnen worden
gesteld omtrent de inkomsten uit of in verband met arbeid waarmee de uitkering kan worden
geanticumuleerd. Het ligt in het
voornemen daarin ook te voorzien in het geval van samenloop met
loondervingsuitkeringen,
zoals een WW-uitkering of, indien van toepassing, een ZW-uitkering, met het oog op de situatie dat betrokkene vanwege de arbeid in
loondienst in bedoelde periode werkloos of ZW-gerechtigd wordt.
Ook kan zich samenloop
voordoen met een Ioaz-uitkering. Bij de Ioaz gaat het om een
minimumbehoefteregeling voor oudere of gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Ioaz) met een langdurig arbeidsverleden. Met name
kan worden gedacht aan de situatie dat iemand als zelfstandige
gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt en zijn bedrijf moet staken. Indien betrokkene aan de voorwaarden van de
Ioaz
voldoet, bestaat recht op een Ioaz-uitkering. De Ioaz heeft een aanvullend karakter,
hetgeen betekent dat de Ioaz-uitkering de WAZ-uitkering aanvult tot
het sociaal minimum.
Wat betreft mogelijke
samenloop van een WAZ-uitkering met een uitkering op grond van de
Anw kan het volgende worden opgemerkt. Op grond van de Anw wordt
rekening gehouden met inkomsten uit of in verband met arbeid. In
het Inkomens- en samenloopbesluit Anw wordt aangegeven welke
inkomsten als inkomen uit of in verband met arbeid worden beschouwd. In dat
besluit zal worden aangegeven dat WAZ-uitkeringen als
inkomen uit of in verband met arbeid worden beschouwd. Via de Anw
wordt derhalve voorzien in anticumulatie van uitkeringsrechten.
4.5. Financiering via een
landelijk uniforme omslagpremie door de zelfstandigen
4.5.1. Gevolgen voor de
vaststelling van het premiepercentage WAZ
Voorgesteld wordt om in
de financiering van de verzekering te voorzien door middel van een
landelijk uniform vastgestelde premie. Met deze rblz.|25|
premie wordt voorzien in
de uitkerings- en overige lasten op grond van deze
wet.
De hoogte van de premie
wordt zodanig vastgesteld dat de premie-inkomsten van zelfstandigen
lastendekkend zijn voor wat betreft hun eigen uitkeringslasten.
Naast de zelfstandigen zijn ook beroepsbeoefenaren ondergebracht in de WAZ.
Het kabinet acht het ongewenst dat zelfstandigen als
gevolg van deze keuze nadelige gevolgen ondervinden. Om deze reden is voorzien
in (de mogelijkheid van) een rijksbijdrage mocht de premie, die door beroepsbeoefenaren wordt opgebracht,
niet lastendekkend zijn.
Deze aanpak biedt het
voordeel dat de premie voor de verzekering voor zelfstandigen door de
zelfstandigen zelf wordt opgebracht, hetgeen in lijn is met het uitgangspunt
dat de financiële lasten van het risico zoveel mogelijk daar worden
gelegd waar het ontstaan en voortbestaan van de arbeidsongeschiktheid
worden beïnvloed. De solidariteit tussen alle verzekerden onderling
wordt derhalve vervangen door de solidariteit tussen zelfstandigen
onderling.
Financiering via een
uniforme omslagpremie sluit voorts het meest aan bij de huidige situatie
voor zelfstandigen.
Consequentie is dat het
draagvlak ten opzichte van de bestaande AAW
smaller wordt: een qua
omvang beperkte groep moet de uitkeringslasten van een eveneens
beperktere doelgroep opbrengen. Van belang hierbij is dat de inkomensvorming
bij zelfstandigen veelal een wisselend verloop heeft, zodat een grotere
marge in acht genomen zal moeten worden bij het vaststellen van de
premiehoogte.
Zelfstandigen betalen
thans een AAW-premie over het totale inkomen (winstinkomen en inkomen
uit arbeid, al dan niet uit dienstbetrekking), voor zover dit inkomen
valt binnen de eerste belastingschijf. De totale grondslag van dit
premieplichtig inkomen bedraagt voor zelfstandigen ca. ƒ13,6 mld. Uitgaande van
een AAW-premie van 6,7% (het premiepercentage voor 1996) genereren
zelfstandigen thans derhalve ca. ƒ910 mln aan premie-inkomsten.
De verwachte uitgaven uit
hoofde van de WAZ voor zelfstandigen bedragen naar verwachting
per saldo ca. ƒ945 mln. Per saldo bedraagt de lastenverzwaring voor
zelfstandigen thans derhalve ca. ƒ35 mln. Daarnaast heeft de uitbreiding van
de verzekering met het zwangerschaps- en bevallingsverlof een
uitgavenverhogend effect van ca. ƒ85
mln tot gevolg. Het kabinet acht deze
lastenverzwaring acceptabel en betaalbaar, uitgaande van de keuze
voor een betere kostentoerekening naar afzonderlijke groepen.
Op de hoogte van de
WAZ-premie, de premie-inkomsten en de eventuele rijksbijdrage
alsmede de totaal te financieren uitkeringslasten van de WAZ zal in
paragraaf 4.6 nader worden ingegaan.
4.5.2. De wenselijkheid
van premiedifferentiatie binnen de WAZ
Het kabinet heeft zich de
vraag gesteld of ten aanzien van de verzekering uit hoofde van de WAZ
niet, net als bij werknemers, een systeem van premiedifferentiatie
zou kunnen worden ingevoerd. Het kabinet is tot de conclusie gekomen dat
een dergelijk stelsel, anders dan bij werknemers, geen functie
kan vervullen, waar het betreft een terugdringing van het volume.
Het doel van een systeem
van premiedifferentiatie is in eerste instantie door middel van financiële prikkels zodanige gedragseffecten te bewerkstelligen dat het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt teruggedrongen. Een
systeem van premiedifferentiatie waarbij een rblz.|26|
zelfstandige direct door
middel van financiële prikkels wordt gestimuleerd zijn arbeidsongeschiktheidsrisico terug te dringen lijkt echter onmogelijk.
Wel denkbaar is een
systeem waarbij op indirecte weg stimulansen worden ingebouwd. Zo’n
systeem legt de kosten daar waar ze gemaakt worden. Het effect (op
het volume) van een dergelijk systeem moet echter zeer gering worden
geacht.
Dit kan als volgt worden
toegelicht.
Een systeem van
premiedifferentiatie voor zelfstandigen zou op zichzelf kunnen worden vormgegeven
naar bedrijfstak of zelfs naar risicogroep. De zelfstandigen worden
dan van rechtswege ingedeeld in een bepaalde bedrijfstak of
risicogroep. Zelfstandigen die behoren tot die bedrijfstak of risicogroep dragen de
lasten van arbeidsongeschiktheid binnen de bedrijfstak of
risicogroep volledig zelf. Het arbeidsongeschiktheidsrisico, op basis waarvan de
premie wordt vastgesteld, zou vervolgens moeten worden bepaald door het
gemiddelde risico van de groep (op basis van ervaringscijfers en groepskenmerken). Een verdere differentiatie (bijvoorbeeld
in een hoge, lage en
middenklasse) op grond van het individuele arbeidsongeschiktheidsrisico
is echter onmogelijk. De indeling van zelfstandigen binnen deze
klassen vereist de berekening van het arbeidsongeschiktheidsrisico
voor elke individuele zelfstandige. Het feitelijke risico (op
basis van toetreding tot de arbeidsongeschiktheidsverzekering) kan daarvoor geen
maatstaf zijn. Een ondernemer is ofwel niet arbeidsongeschikt (risico
is dus nul) ofwel is reeds arbeidsongeschikt (risico is één).
Indeling zou dan alleen op basis van persoonskenmerken kunnen plaatsvinden
(leeftijd, gezondheidsverklaring, etc.). Dit zijn echter kenmerken die niet door
de zelfstandige kunnen worden beïnvloed en die niet thuishoren in een
sociale verzekering waarvan de onderlinge solidariteit één van de
hoofdkenmerken is.
Het meest vergaande
niveau van premiedifferentiatie is dus een indeling naar bedrijfstakken, conform de huidige indeling naar bedrijfsverenigingen,
of naar risicogroep
binnen een bedrijfstak. De bedrijfstak c.q. risicogroep met hoge arbeidsongeschiktheidsrisico’s zou dan een hogere
premie moeten betalen, de bedrijfstak of risicogroep met lage risico’s een
lagere premie.
Bezwaar van een
dergelijke indeling is dat de onderlinge concurrentieverhoudingen ongemoeid worden gelaten.
Niet verwacht mag worden dat de financiële prikkel
voor een individuele ondernemer zal toenemen om zijn eigen risico terug
te brengen (en dus een premieverlaging te bewerkstelligen).
Aangenomen mag worden dat iedere ondernemer ook nu al alles in het werk
zal stellen om zijn eigen arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Indien
bovendien zijn eigen extra inspanningen leiden tot een evenredige premieverlaging van zijn concurrent, gaat hiervan nauwelijks
een stimulans uit. Vanuit
de doelstelling om de instroom door middel van directe prikkels verder te reduceren, is premiedifferentiatie dus niet of
nauwelijks geschikt.
Het is wel mogelijk dat
een bedrijfstak of risicogroep in totaliteit de kosten van de
arbeidsongeschiktheid te hoog vindt. Zelfstandigen uit die bedrijfstak of
risicogroep zouden dan gezamenlijk kunnen besluiten inspanningen te verrichten teneinde het risico terug te dringen
(bijvoorbeeld door extra investeringen). Een dergelijke veronderstelling
vereist in de eerste
plaats een hoge organisatiegraad van de groep. Daarnaast vraagt dit een
hoge solidariteit van betrokkenen. Zelfstandigen die niet meedoen aan de
extra inspanningen hebben immers wel voordeel van de premiedaling, maar
niet de kosten van de investeringen (het zgn. "free-riderprobleem").
In de derde plaats moet het ook mogelijk zijn met extra inspanningen het
risico terug te dringen; er zullen echter ook sectoren zijn waarbij
dit technisch nauwelijks nog mogelijk is. Ten slotte geldt als bezwaar tegen
premiedifferentiatie dat bij nadere differentiatie rblz.|27|
naar sectoren het risico
bestaat dat een te gering draagvlak ontstaat omdat de doelgroep te
klein wordt.
Het kabinet ziet op grond
van de hiervoor geschetste overwegingen onvoldoende reden om in
dit wetsvoorstel een systeem van premiedifferentiatie op te nemen. Zoals reeds
eerder opgemerkt, kan de SER zich in deze benadering
vinden.
4.6. Wijze van
premieheffing en -inning
De nieuwe, uniforme
omslagpremie voor zelfstandigen zal, zoals aangegeven, voor
zelfstandigen en, voor zover mogelijk, hun meewerkende echtgenoten gaan gelden,
alsmede voor personen met een overig inkomen uit arbeid en dus
alleen bij deze groep moeten worden geheven. De premie zal dus niet langer deel uitmaken van het tarief eerste schijf,
zoals thans nog wel het geval is met de AAW-premie.
In deze paragraaf wordt
allereerst ingegaan op de systematiek van de premieheffing en -inning (paragraaf
4.6.1) en vervolgens op de inkomensgevolgen (paragraaf
4.6.2).
4.6.1. Systematiek van de
premieheffing en -inning
Wat betreft de door
verzekerden te betalen premie zijn met name drie aspecten van belang:
a. de premiegrondslag;
b. de maximumpremiegrens
en een premievrije voet (franchise);
c. het premiepercentage.
Op ieder van deze drie
punten zal hieronder nader worden ingegaan. Daarbij zal steeds de
uitsplitsing worden gemaakt tussen de groep zelfstandigen en de groep
met overig inkomen uit arbeid.
Ad a. De premiegrondslag
Voor de verzekering uit
hoofde van de WAZ is een afzonderlijke premiegrondslag
noodzakelijk. Het kabinet geeft daarbij de voorkeur aan een procentuele premie
die over de winst uit onderneming wordt geheven boven een procentuele
premie over de belastbare som.
Premieheffing over de
belastbare som houdt in dat vóór premieheffing allerlei
inkomenscomponenten worden bijgeteld (rente, huurwaardeforfait e.d.) en aftrekposten in
mindering worden gebracht (persoonlijke verplichtingen e.d.).
Een voordeel van aansluiting bij de belastbare som is dat deze aansluit bij de
huidige systematiek voor de inkomensheffing. Voorts kan als voordeel
worden gezien dat bij deze grondslag rekening wordt gehouden met
verliezen via de bestaande regeling voor verliescompensatie.
Aansluiting bij het
begrip belastbare som heeft echter ook belangrijke bezwaren. In de eerste
plaats wordt de hoogte van het te betalen bedrag aan premie beïnvloed
door de horizontale tariefstructuur (heffingsvrije voeten) en de verticale
tariefstructuur (allerlei aftrekposten). De nieuwe regeling betreft een
verzekering tegen inkomensderving als gevolg van arbeidsongeschiktheid,
waarvan de premie door betrokkenen zelf moeten worden opgebracht. Het
ligt daarom niet voor de hand om bij de hoogte van de premie voor deze
verzekering uit te gaan van het brede draagkrachtbeginsel, zoals dat wordt
gehanteerd bij de belastingheffing en bij inkomensgerelateerde
regelingen (bij voorbeeld huursubsidie). Dit is ook niet het geval bij de
premieheffing werknemersverzekeringen. Weliswaar is de premieheffing voor
de volksverzekeringen thans wel gebaseerd op de belastbare som, maar
hierbij hebben andere dan verzekeringsaspecten rblz.|28|
een rol gespeeld (eenvoud
en uniformering van heffing van belasting en premies die iedereen in
Nederland verschuldigd is).
Een tweede nadeel van
aansluiting bij de belastbare som is dat een zelfstandige dan ook over
eventueel looninkomen premie zou moeten betalen. Indien een
zelfstandige naast het winstinkomen ook inkomen uit arbeid in
dienstbetrekking heeft, zou hij over het totaalinkomen premie verschuldigd zijn, dus
ook over het loon waarover zijn werkgever reeds een arbeidsongeschiktheidspremie heeft betaald. Over dit loon is hij
echter niet verzekerd op
grond van deze wet. Vanuit de verzekeringsgedachte is dit ongewenst. Het
betreft hier een niet te verwaarlozen groep: ca. een derde van
de zelfstandigen geniet ook looninkomen.
Ten slotte is het
bezwaarlijk om in een specifieke regeling voor zelfstandigen voor wat
betreft de premiegrondslag aan te sluiten bij de belastbare som en bij de
uitkeringsgrondslag uit te gaan van winst uit onderneming.
Voorgesteld wordt daarom
uit te gaan van een procentuele premie over winst uit onderneming. De
nadelen die zijn genoemd bij de belastbare som doen zich hier niet
voor. Zoals aangegeven, geeft ook de SER
de voorkeur aan winst uit
onderneming als premiegrondslag. Aangesloten wordt derhalve bij de
winst vóór aftrek van allerlei posten, die geen kostenpost uit hoofde
van
de bedrijfsvoering zijn.
Uitvoeringstechnisch is
deze regeling goed uitvoerbaar.
Ook meewerkende
echtgenoten worden voor zover mogelijk in de premieheffing betrokken.
Voorgesteld wordt om meewerkende echtgenoten die een zelfstandig
inkomen in de vorm van een arbeidsbeloning genieten rechtstreeks in
de premieheffing te betrekken. Daarmee wordt aangesloten bij de
huidige situatie onder de AAW. De belastingdienst
zal bij deze meewerkende
echtgenoten derhalve premie heffen en wel over de genoten
bruto-arbeidsbeloning.
In overige situaties,
waarin geen arbeidsbeloning wordt genoten, is de meewerkende echtgenoot
niet premieplichtig en wordt volstaan met premieheffing bij de
zelfstandige. In deze situaties wordt, anders dan nu, premie geheven over de
winst van de zelfstandige vóór toepassing van de meewerkaftrek. Aangezien
de premiegrondslag voor de WAZ wordt gevormd door de winst uit
onderneming en niet door de belastbare som zoals dat wel het geval
is voor de premieheffing AAW, zal de meewerkaftrek niet langer de premiegrondslag kunnen verlagen. De premiegrondslag
winst uit onderneming
sluit derhalve aan bij de door de zelfstandige en de meewerkende echtgenoot gezamenlijk behaalde winst,
zonder dat hierop een meewerkaftrek is toegepast. In die zin kan is de meewerkende echtgenoot
voor zover mogelijk reeds zonder nadere maatregelen in de
premieheffing betrokken.
De premiegrondslag voor
de beroepsbeoefenaren is het overig inkomen uit arbeid. Dit betreft
dus inkomen, niet zijnde winst en niet zijnde inkomen uit een dienstbetrekking.
Hierop worden de verwervingskosten in mindering gebracht.
Ad b. De
maximumpremiegrens en de premievrije voet (franchise)
Voorts ligt het, gelet op
de hoogte van de uitkering, in de rede dat een maximumgrens aan de
premieheffing wordt gesteld. Bij het wegvallen van de AAW
en de
totstandkoming van een nieuwe zelfstandigenregeling, waarbij de regeling wordt
gefinancierd door de betrokkenen zelf, behoeft niet noodzakelijkerwijs
te worden aangesloten bij de huidige premiegrens. De keuze is in zekere zin
arbitrair. Voorgesteld wordt dat een maximumpremiegrens bij ministeriële
regeling wordt vastgesteld. Aanvankelijk dacht het kabinet daarbij
aan een maximumpremiegrens ter hoogte van ƒ55 000,-.
rblz.|29|
Het Tica mist blijkens
zijn commentaar een motivering van de gemaakte keuze ten aanzien van de
hoogte van de maximumpremiegrens in het
wetsvoorstel. Met het
voorgestelde systeem wordt het equivalentiebeginsel naar het oordeel van het
Tica volledig doorbroken.
Erkend zij dat de
oorspronkelijk voorgenomen hoogte van de maximumgrens voor de
WAZ-premie niet aansluit bij het equivalentiebeginsel. Het kabinet acht dit
echter geen overwegend bezwaar. In het kader van de sociale verzekering behoeft niet onverkort toepassing te
worden gegeven aan dit equivalentiebeginsel. Zuivere toepassing daarvan zou, gelet op de hoogte
van de uitkering, betekenen dat de hoogte van de maximumpremiegrens om en
nabij het minimumloon zou liggen. Dit zou tevens betekenen dat de
lagere inkomenscategorieën een relatief hoge premie zouden moeten
betalen, terwijl hogere inkomenscategorieën een relatief lage premie
verschuldigd zouden zijn. In een verplichte sociale verzekering als de
onderhavige is het mogelijk om elementen van onderlinge draagkracht te
verdisconteren. In het wetsvoorstel WAZ is daarom, zoals gezegd,
aanvankelijk een maximumpremiegrens van ca. ƒ55 000,- voorgesteld.
Deze grens achtte het kabinet toen nog een redelijke uitkomst, na
weging van de diverse aspecten waarmee rekening diende te worden
gehouden: het uitkeringsniveau (indiceert een maximumpremiegrens op
minimumloonniveau), de onderlinge draagkrachtverhoudingen
(indiceert een veel ruimere premiegrens of zelfs het afzien daarvan).
Vanwege de
inkomenseffecten die voor zelfstandigen zouden optreden staat thans echter een
hogere maximumpremiegrens voor ogen. Als gevolg van de intrekking
van de AAW
en de invoering van de WAZ treden voor zelfstandigen
inkomenseffecten op.
Deze inkomenseffecten
zijn uitgebreid beschreven in de memorie van toelichting
bij de Invoeringswet en komen in paragraaf 4.6.2 van deze memorie nogmaals aan de orde.
Ten opzichte van de
huidige AAW-premieheffingssystematiek betekende de oorspronkelijk
voorgestelde premiegrondslag van ƒ55 000,- voor zelfstandigen met een
winstinkomen tot of net boven het minimumniveau een onevenredig zware
inkomensachteruitgang. Zelfstandigen met een winstinkomen op dit
niveau zijn thans als gevolg van de fiscale invorderingsvrijstelling
geen belasting en premies volksverzekeringen verschuldigd.
Premieheffing over de winst vanaf de eerste gulden betekent voor
alleenverdieners in deze inkomenscategorieën een koopkrachteffect van ruim
-7%; daarentegen ondervinden alleenverdieners met een winstinkomen van bijvoorbeeld
ƒ50 000,- of
meer een positief koopkrachteffect. Teneinde een meer evenwichtig koopkrachtbeeld tot stand
te brengen is gezocht naar een premiegrondslag waarbij zoveel mogelijk recht werd gedaan aan het
equivalentiebeginsel,
echter rekening houdend met onderlinge draagkrachtverschillen.
Rekening houdend met beide aspecten heeft het kabinet gekozen voor een
franchise van ƒ23 000,- en een maximumpremiegrens van ƒ78 000,-. Het
kabinet erkent dat deze premiegrondslag een grote solidariteit
tussen hogere en lagere inkomenscategorieën betekent. Gezien de
uiteindelijke koopkrachteffecten als gevolg van deze premiegrondslag, die een
meer evenwichtige spreiding tussen de verschillende inkomenscategorieën te zien geeft, acht het kabinet de voorgestelde
premiegrondslag aanvaardbaar.
De premievrije voet zal,
evenals de maximumpremiegrens, bij ministeriële regeling worden
vastgesteld.
De voorgestelde
maximumpremiegrens, alsmede de franchise, gelden tevens voor de groep
beroepsbeoefenaren.
rblz.|30|
Ten aanzien van de
franchise geldt, zowel voor de zelfstandigen als voor de groep personen met
overig inkomen uit arbeid, één uitzondering.
Personen die zowel
inkomen uit een dienstbetrekking als overig inkomen uit arbeid
hebben, dan wel zowel inkomen uit een dienstbetrekking als winst uit onderneming, zijn uit hoofde van hun inkomen uit
dienstbetrekking al verzekerd uit hoofde van de WAO. Het kabinet acht het
ongewenst om die personen, voor wie het inkomen uit dienstbetrekking het hoofdinkomen
vormt,
te betrekken in de premieheffing voor de WAZ. Dit zou immers
ten opzichte van de huidige situatie extra premielasten
voor deze groep personen
betreffen. Voor deze categorie geldt om die reden voor de premieheffing WAZ als franchise het inkomen uit
dienstbetrekking, met een minimum van ƒ23 000,-. Op deze wijze zijn
personen die een
combinatie van inkomen uit dienstbetrekking en overig inkomen uit arbeid dan
wel winstinkomen genieten, geen WAZ-premie verschuldigd ingeval het
inkomen uit dienstbetrekking hoger is dan het overig inkomen of
winstinkomen. Voor zover het overig inkomen of winstinkomen hoger is dan
het inkomen uit dienstbetrekking wordt slechts premie geheven
over dat deel van het overig inkomen dan wel winstinkomen dat het
inkomen uit dienstbetrekking te boven gaat. Ook hierbij geldt de
maximumpremiegrens van ƒ78 000,-, voor beide inkomens tezamen.
Deze beperking van
premieplicht voor de WAZ gaat gepaard met een anticumulatie van
uitkeringsrechten. Deze is beschreven in paragraaf
4.4.2.
Ad c. Het
premiepercentage
De hoogte van het
premiepercentage is afhankelijk van enerzijds het aantal verzekerden, het
premieplichtig inkomen, de premievrije voet en de maximumpremiegrens en
anderzijds van uitkeringslasten en overige uitgaven die ten laste
komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen. De hoogte
van het premiepercentage wordt vastgesteld door het Tica, onder goedkeuring van
Onze Minister.
Zoals reeds eerder
gesteld, zal de premiestelling zodanig plaatsvinden dat de premie-inkomsten
van zelfstandigen gelijk zijn aan de uitkeringslasten voor
ex-zelfstandigen.
Beroepsbeoefenaren met overig inkomen uit arbeid zijn dezelfde
premie verschuldigd over hun overig inkomen. Voor zover deze premie-inkomsten niet lastendekkend zijn voor de uitkeringslasten
van deze groep personen
zal het tekort worden aangevuld door middel van een rijksbijdrage.
In onderstaande tabel is
een overzicht gepresenteerd van de verwachte uitkeringslasten voor
zelfstandigen (inclusief zwangerschaps- en bevallingsverlof), de
uitkeringslasten voor de overige inkomensgroepen (eveneens inclusief
zwangerschaps- en bevallingsverlof), alsmede de uitvoeringskosten. Tevens
zijn de relevante premiegrondslagen weergegeven, alsmede de hieruit
voortvloeiende premiepercentages. Uit dit overzicht blijkt ten slotte de hoogte van de noodzakelijke rijksbijdrage.
rblz.|31|
Tabel 2. Uitkeringslasten
en uitvoeringskosten, alsmede de premiegrondslagen en premiepercentages voor de
WAZ (in mln gld.):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Zelfstandigen |
Dga's |
Overige
inkomensgroepen |
Totaal |
x
xUitkeringslasten:
x(w.v. zwangerschapsverlof):
xUitvoeringskosten:
xTotaal:
xPremiegrondslag:
xPremie:
x |
950xxx
(85)xxx
80xxx
1030xxx
12,1xxx
8,55%xxx |
100xxx
10xxx
|
70xxx
(10)xxx
5xxx
75xxx
0,6xxx
8,55%xxx |
1120xxx
95xxx
1215xxx
12,7xxx
|
x
xPremie-inkomsten WAZ:
xPremieschuif Aof:
xRijksbijdrage:
x |
1030xxx
|
110xxx
|
50xxx
|
1080xxx
110xxx
25xxx |
Het kabinet ging
oorspronkelijk uit van een premiepercentage voor de WAZ van 10%. Thans kan
dit percentage lager worden vastgesteld. Dit is niet zozeer het gevolg
van een lagere uitgavenraming; in het oorspronkelijke wetsvoorstel was
uitgegaan van een totale uitgavenraming van ƒ1,2
mld ten laste van
zelfstandigen. Hierin waren echter in de eerste plaats ook toen al de lasten van
bestaande uitkeringsgerechtigde beroepsbeoefenaren inbegrepen; dit was
geregeld in de Invoeringswet. Beroepsbeoefenaren waren echter niet
verzekerd uit hoofde van de WAZ en droegen derhalve ook niet
bij aan de premie-inkomsten.
Nu de WAZ is uitgebreid
met beroepsbeoefenaren met overig inkomen uit arbeid dragen zij wel
bij aan de premie-inkomsten ter financiering voor de bestaande gevallen.
Het uitgangspunt dat de premiestelling zodanig wordt bepaald dat
zelfstandigen alleen de uitkeringslasten van arbeidsongeschikt geworden ex-zelfstandigen
opbrengen, betekent derhalve voor de zelfstandigen dat zij
minder lasten hoeven te financieren, namelijk niet langer de bestaande
uitkeringen van beroepsbeoefenaren.
In de tweede plaats
worden de directeuren-grootaandeelhouders onder de werknemersverzekeringen gebracht. De uitkeringslasten van
arbeidsongeschikte dga’s waren begrepen in
de totale uitkeringslasten voor zelfstandigen. Aangezien
dga’s niet verzekerd waren uit hoofde van de WAZ, en dus geen
premie-inkomsten genereerden, moesten ook deze lasten door de groep
zelfstandigen worden opgebracht. De keuze om de dga’s onder de werknemersverzekeringen te brengen betekent dat de
uitkeringslasten van bestaande arbeidsongeschikte dga’s niet langer door
zelfstandigen hoeven te
worden opgebracht. Deze lasten kunnen ten laste van het Aof
[Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.] komen; het Aof ontvangt immers de premie-inkomsten van de
door dga’s
verschuldigde WAO-premie. Als gevolg hiervan kunnen de
lasten die voor rekening
komen van de zelfstandigen met ca. ƒ110
mln dalen.
Ten aanzien van de lasten
van bestaande arbeidsongeschikte dga’s staan twee mogelijkheden
open. De eerste mogelijkheid is de huidige AAW-uitkeringen van dga’s
om te zetten naar WAZ-uitkeringen. Dit is beleidsmatig gezien goed
verdedigbaar: de WAZ-uitkering is evenals de AAW-uitkering een
uitkering op minimumniveau. Een tweede optie is om de AAW-uitkeringen van
dga’s om te zetten in WAO-uitkeringen. Dit ligt in de lijn met de keuze om
dga’s onder de werknemersverzekeringen te brengen. Dit vereist
echter dat de groep bestaande arbeidsongeschikte rblz.|32|
dga’s uit de administratie te traceren is. Indien dit laatste niet mogelijk
blijkt, dienen de bestaande AAW-uitkeringen van dga’s omgezet te worden
in WAZ-uitkeringen.
Administratief-technisch is dit geen probleem; dga’s vallen thans onder de
categorie zelfstandigen. In dat geval moet wel een oplossing worden gevonden
voor de financiering van deze lasten. Dit kan plaatsvinden door middel
van een premie-overdracht van het Aof naar het WAZ-fonds ter grootte van
het genoemde bedrag. Van deze laatste optie is in tabel 2 vooralsnog
uitgegaan.
De uitvoeringskosten
bedragen in totaal naar verwachting ca. ƒ95 mln. Hierin zijn begrepen de
extra kosten van de belastingdienst
als gevolg van de nieuwe wijze van
premieheffing. De uitvoeringskosten zijn naar rato verdeeld over de
verschillende categorieën uitkeringsgerechtigden. In termen van de totale
uitkeringslasten (exclusief zwangerschaps- en bevallingsverlof) bedragen de uitvoeringskosten ca. 8,3%; voor de
WAO is
dit percentage ca. 6,4%.
Worden de uitgaven voor het zwangerschaps- en bevallingsverlof meegenomen, dan is het aandeel van de uitvoeringskosten
ca. 7,7%.
De uitvoeringskosten voor
de WAZ zijn verhoudingsgewijs dus hoger dan voor de WAO.
Dit is overigens
verklaarbaar. In de eerste plaats betekent de nieuwe wijze van premieheffing
door de belastingdienst
dat wat betreft de uitvoeringskosten
meeruitgaven zullen optreden. Ook valt te verwachten dat het vaststellen van
de WAZ-uitkering ingewikkelder - en derhalve met hogere uitvoeringskosten
gepaard gaand - zullen zijn dan het vaststellen van de WAO-uitkering.
Daarnaast geldt dat voor de uitvoeringskosten van een regeling de vaste
kosten niet lineair af- of toenemen met de uitkeringslasten; naarmate met andere
woorden de uitkeringslasten van een regeling toenemen zullen
de vaste kosten relatief gezien daarvan een geringer aandeel
uitmaken.
Bij de voorgestelde wijze
van premieheffing is door het Tica een aantal kanttekeningen geplaatst.
Naar de opvatting van het
Tica is allereerst onduidelijk of de grondslag voor de premieheffing en
de grondslag voor de uitkeringsverstrekking op elkaar zijn afgestemd.
Zoals in paragraaf 4.4
is aangegeven, geldt als uitgangspunt dat de grondslag voor de
uitkeringsverstrekking wordt gevormd door de winst uit onderneming in de zin
van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; slechts in bijzondere
situaties is een zekere nuancering van dit uitgangspunt gewenst. Wat
de premiegrondslag betreft, kiest het kabinet eveneens voor winst uit onderneming in de zin van de Wet op de
inkomstenbelasting.
Hierdoor kan tussen de grondslag voor de uitkeringsverstrekking en de premiegrondslag
zoveel mogelijk afstemming worden bereikt. Deze afstemming
is ten opzichte van de huidige situatie een voordeel. Voor de
grondslag van de premieheffing wordt thans immers nog uitgegaan van het
begrip belastbaar inkomen, terwijl voor de uitkeringsgrondslag voor
een zelfstandige geldt dat de winst in de zin van de Wet op de
inkomstenbelasting uitgangspunt is.
Naar het oordeel van het
Tica wordt met de keuze van het kabinet voor premieheffing over winst
uit onderneming gekozen voor een zuiverder begrip. Nadeel vindt het
Tica dat in sv-land [socialeverzekeringsland, red.] weer een nieuw inkomensbegrip wordt geïntroduceerd,
hetgeen ook in strijd zou zijn met de wens om juist te komen tot
meer uniformering van loonbegrippen.
De constatering van het
Tica dat een nieuw inkomensbegrip wordt geïntroduceerd is op
zich juist. Het kabinet acht dit echter niet bezwaarlijk. Bij de WAZ is immers
sprake van een afzonderlijke categorie personen, met een eigensoortige
inkomensvorming, tot uitdrukking komend in het al dan niet genieten van
winst. De keuze voor een afzonderlijke verzekering rblz.|33|
voor zelfstandigen maakt
het mogelijk om bij de premieheffing aan te sluiten bij het winstinkomen. Bovendien is het daardoor mogelijk om voor
deze categorie te komen
tot een nauwe afstemming tussen de premieheffing en de uitkeringsverstrekking.
De wenselijkheid om te
komen tot meer uniformering van loonbegrippen heeft
overigens geen betrekking op zelfstandigen, maar op het loon van werknemers
en is mede gericht op vermindering van administratieve lasten voor werkgevers. Wat het laatste betreft, moge
worden verwezen naar het kabinetsstandpunt vereenvoudiging van de premieheffing
werknemersverzekeringen (Kamerstukken II 1994-1995, 24 044, nr. 1).
Met betrekking tot de
wijze waarop de premieheffing en -inning plaatsvindt kan al met al
het volgende beeld worden geschetst. Premieplichtig zijn de verzekerden, te weten zelfstandigen en meewerkende
echtgenoten, alsmede beroepsbeoefenaren. Er wordt bij de zelfstandigen premie
geheven over de behaalde winst uit onderneming in de zin van hoofdstuk II,
afdeling 2, van de Wet IB, bij beroepsbeoefenaren over overig inkomen uit
arbeid en bij meewerkende echtgenoten over de genoten reële
arbeidsbeloning, uiteraard voor zover daarvan sprake is. Het premiepercentage
wordt, doorgaans voor één kalenderjaar, onder goedkeuring van de minister vastgesteld door het
Tica. Bij de premieheffing wordt een maximumpremiegrens in acht genomen, waarbij de
gedachten thans uitgaan naar ca. ƒ78 000,-. Als franchise geldt een bedrag
van ƒ23 000,- of het inkomen uit dienstbetrekking voor zover dat hoger is.
Het voorgaande wil niet
zeggen dat bij iedere verzekerde ook steeds daadwerkelijk premie
wordt geheven. Wanneer geen winst of een negatief resultaat is behaald, is
geen premie verschuldigd. Ook wordt niet rechtstreeks premie
betaald indien sprake is van een meewerkende echtgenoot, zonder dat
een reële arbeidsbeloning wordt genoten. Er geldt bovendien voor
zelfstandigen en meewerkende echtgenoten, alsmede voor beroepsbeoefenaren
een forse premievrije voet.
Voor het recht op
uitkering is derhalve, evenals thans, niet vereist dat premie wordt betaald. Het
recht op uitkering vloeit voort uit de verzekering van rechtswege. Wel is de
hoogte van de uitkering afhankelijk van de behaalde winst of
inkomen in de referteperiode, waarbij de mogelijkheid van
middeling van de winst of het inkomen over drie jaar geldt.
De
belastingdienst wordt
belast met de heffing en inning van de premie. Daarbij wordt, evenals nu
het geval is, aangesloten bij de regels die gelden voor de heffing en
invordering van de inkomstenbelasting. Wat betreft de heffing van
premie op grond van deze wet wordt afgezien van de invorderingsvrijstelling en de
middelingsteruggaveregeling op grond
van artikel 65
respectievelijk 66a van de Wet IB.
Voorgesteld wordt om geen
aanslag vast te stellen voor de premie op grond van deze wet
indien voor de inkomstenbelasting geen aanslag wordt vastgesteld.
Hiermee wordt voorkomen dat voor (te) kleine bedragen aanslagen worden
vastgesteld, met alle administratieve rompslomp van dien. Wat
betreft de wijze van inning door de belastingdienst wordt eveneens aangesloten bij het huidige fiscale invorderingsbeleid,
zoals dit thans ook plaatsvindt bij de volksverzekeringen, waarbij toepassing kan worden
gegeven aan het fiscale beleid inzake uitstel van betaling,
boeteoplegging en dergelijke. Het voorgaande betekent dat premie wordt geheven en
geïnd volgens het gangbare fiscale aangifte- en aanslagtraject.
De premie-inning zal
plaatsvinden door middel van een voorlopige aanslag, conform de
huidige wijze van heffing van loon- en inkomstenbelasting.
rblz.|34|
Ten slotte is met
betrekking tot de premieheffing nog een tweetal aspecten van belang.
Allereerst komen de
premies voor de nieuwe regeling in aftrek voor de inkomstenbelasting. Dit
is in overeenstemming met het uitgangspunt dat geen belasting over de
aanspraak (premie) wordt geheven wanneer de uitkering belast is.
De aftrekbaarheid van de WAZ-premie wordt gerealiseerd door deze premie aan te merken als
persoonlijke verplichting. Hiertoe zijn wijzigingen van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 noodzakelijk, die worden opgenomen in het
wetsvoorstel Invoeringswet.
In de tweede plaats is
van belang welke premies op de uitkering op grond van deze wet moeten
worden ingehouden.
De uitkering uit hoofde
van deze wet is een bruto aan het minimumloon gekoppelde uitkering.
De uitkering wordt in de
belastingheffing betrokken als periodieke uitkering.
Over de uitkering zelf
zijn premies volksverzekeringen en inkomstenbelasting verschuldigd, die worden
geheven conform de normale systematiek.
Over de huidige AAW-uitkering wordt een vereveningsbijdrage ingehouden ter hoogte van
de premies werknemersverzekeringen. Deze vereveningsbijdrage komt
ten goede aan het AAf. Op deze wijze is het bruto-nettotraject voor
AAW-gerechtigden identiek aan dat van werknemers.
Het zou in de rede
liggen, conform de systematiek van de werknemersverzekeringen, dat over de WAZ-uitkering
de WAZ-premie zou worden geheven. Dit zou echter
leiden tot een netto-uitkering die in gunstige zin afwijkt van de
netto-uitkering voor ex-werknemers. Om deze reden wordt voorgesteld om het
bruto-nettotraject voor de WAZ-uitkering gelijk te stellen aan dat voor
werknemers door middel van introductie van een vereveningsbijdrage ter
hoogte van de premies voor de werknemersverzekeringen. Deze vereveningsbijdrage
komt vervolgens volledig ten goede aan het WAZ-fonds.
Op deze wijze blijft de nettobescherming op minimumniveau voor
WAZ-gerechtigden gehandhaafd.
Ingeval betrokkene een
uitkering op grond van deze wet ontvangt en uit dien hoofde verplicht
verzekerd is voor het ziekenfonds, houdt de bedrijfsvereniging tevens
de verschuldigde premie ziekenfonds in en draagt zij tevens het
werkgeversdeel van de premie ziekenfonds af aan de Centrale Kas van de Ziekenfondsraad.
Het Tica plaatst blijkens
zijn commentaar vraagtekens bij het voorstel van een
vereveningsbijdrage. Volgens het Tica ligt het niet voor de hand om, wanneer het risico
reeds is ingetreden, door te gaan met premie heffen. Bovendien is sprake van
het onnodig rondpompen van geld.
De constatering van het
Tica dat sprake is van rondpompen van geld is niet geheel onterecht.
Inderdaad wordt aldus een inhouding op de bruto-WAZ-uitkering
geheven, die in haar geheel weer ten goede komt aan het WAZ-fonds. Ik
acht dit geen zwaarwegend bezwaar. Het voorstel om over de WAZ-uitkering
een vereveningsbijdrage ter hoogte van de premies werknemersverzekeringen te heffen is niet ingegeven door
principiële overwegingen (zelfstandigen zijn immers niet verzekerd voor
de werknemersverzekeringen), maar houdt verband met de gevolgen van het
bruto-nettotraject.
Dit kan als volgt worden toegelicht.
De WAZ-uitkering is,
geheel conform de reguliere systematiek, gekoppeld aan het brutominimumloon. Over de bruto-uitkering is een gewezen zelfstandige
premies volksverzekeringen alsmede belasting verschuldigd. Indien over
de bruto-WAZ-uitkering geen verdere inhouding verschuldigd zou zijn, zou
de netto-WAZ-uitkering hoger uitkomen dan de rblz.|35|
netto-uitkering van een
arbeidsongeschikte werknemer met eenzelfde bruto-uitkering. Dit laatste acht het kabinet ongewenst.
Er staan dan twee wegen
open om deze ongewenste uitkomst te voorkomen. De eerste
mogelijkheid is om de WAZ-uitkering netto te koppelen aan het minimumloon. Dit is geen aantrekkelijke optie, met
name in situaties waarin naast een WAZ-uitkering andere inkomsten worden verworven. In
dergelijke situaties zal ten opzichte van de huidige situatie een extra
berekening moeten worden gemaakt om, uitgaande van de netto-WAZ-uitkering
voor de WAZ-uitkering de verschuldigde belasting en premies
volksverzekeringen te bepalen. Dit is voor betrokkenen een omslachtige en weinig
doorzichtige methode.
De tweede mogelijkheid is
om, in lijn met de huidige systematiek, te kiezen voor een
vereveningsbijdrage. Het bruto-nettotraject voor een ex-werknemer en een
WAZ-gerechtigde is dan volledig identiek. De netto-uitkering is dan in
beide gevallen aan elkaar gelijk. In geval van samenloop met andere
inkomsten kan een WAZ-gerechtigde ook op eenvoudige wijze het
totale belastbare inkomen bepalen.
4.6.2. Inkomenseffecten
In de
memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Invoeringswet worden de financiële
gevolgen van de intrekking van de AAW
uitgebreid weergegeven. Hieronder
wordt daarom volstaan met een korte weergave van de beschrijving van
deze effecten.
Voor zelfstandigen en
beroepsbeoefenaren heeft de intrekking van de AAW en de introductie van
de WAZ een aantal inkomensgevolgen. De AAW-premie komt te
vervallen; daartegenover ondervinden zelfstandigen en beroepsbeoefenaren,
evenals werknemers, een negatief effect als gevolg van de stijging
van het belastingtarief en de premies volksverzekeringen in de eerste schijf.
De grootste
inkomensgevolgen worden evenwel veroorzaakt door de introductie van de
WAZ-premie. Deze wordt geheven over de winst uit onderneming dan wel het
overig inkomen uit arbeid in plaats van - zoals de AAW-premie - over de
belastbare som. Verticale en horizontale tariefstructuren
(aftrekposten en tariefgroepen) hebben derhalve geen invloed meer op de hoogte
van het verschuldigde premiebedrag. Wel wordt de WAZ-premie als
persoonlijke verplichting aftrekbaar voor de loon- en inkomstenbelasting.
4.7. De uitkering in
verband met bevalling voor vrouwelijke zelfstandigen, meewerkende echtgenoten
en beroepsbeoefenaren
Voorgesteld wordt om in
deze wet tevens een uitkeringsregeling in verband met bevalling op
te nemen ten behoeve van vrouwelijke verzekerden. Een regeling
in verband met bevalling wordt blijkens diverse rapporten reeds geruime
tijd voor vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten gewenst
geacht en wordt thans ook mogelijk door de totstandkoming van een
afzonderlijke arbeidsongeschiktheidsverzekering voor deze categorie, die
door henzelf wordt gefinancierd.
Thans zijn
bedrijfsverenigingen verplicht om vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende
echtgenoten onder bepaalde voorwaarden toe te laten tot de vrijwillige
verzekering op grond van de Ziektewet. Deze mogelijkheid bestaat alleen indien men de laatste drie jaar als werknemer
op grond van de Ziektewet
verzekerd was. Belanghebbenden kunnen bij ziekte dan wel zwangerschap en bevalling een uitkering op grond van die
vrijwillige verzekering
ontvangen. Bij zwangerschap en bevalling komt men in aanmerking voor
een uitkering ter hoogte van het dagloon gedurende ten minste zes weken rond de bevalling. Deze periode kan
rblz.|36|
worden uitgebreid indien
men voorafgaand aan of na de bevalling ongeschikt tot werken is
in verband met de zwangerschap.
In 1992 is in opdracht
van het ministerie van SZW onderzoek verricht naar de vrijwillige
verzekering op grond van de Ziektewet als mogelijkheid voor
zwangerschaps- en
bevallingsverlof bij ondernemende en meewerkende vrouwen (Kinderen krijgen
verzekerd?, mei 1992). De voornaamste conclusies waren dat
slechts een klein deel van de ondernemende en meewerkende vrouwen
gebruik maakt van de vrijwillige ziekengeldverzekering. Bij slechts een vijfde
van de ondervraagde vrouwen was bekend dat ze via de
vrijwillige verzekering recht konden verkrijgen op een uitkering in verband met
bevalling. Vrouwen die geen verzekering afsluiten, maar wel van
de mogelijkheid op de hoogte zijn, zien de kosten als grootste belemmering.
Uit dit onderzoek blijkt dat de mogelijkheid tot verzekering van het
zwangerschaps- en bevallingsrisico in het kader van de vrijwillige
verzekering ingevolge de ZW in de praktijk niet blijkt aan te slaan. De conclusie wordt
getrokken dat een vrijwillige verzekering daarvoor niet de aangewezen weg is.
Het vorige kabinet sprak
zich naar aanleiding van het onderzoek overigens nog uit tegen
een verplichte verzekering in verband met bevalling voor zelfstandigen en meewerkende echtgenoten. Het vorige
kabinet wilde wel bezien
of verbetering van de voorlichting mogelijk was, maar achtte het voor het
overige de eigen verantwoordelijkheid van betrokkenen om zich al
dan niet vrijwillig voor de Ziektewet te verzekeren.
Door de Emancipatieraad
is ook gepleit voor een zwangerschapsregeling voor alle vrouwen die
inkomen uit arbeid verwerven (zie: Advies meewerkende vrouwen van
januari 1988 en Advies zwangerschaps- en bevallingsverlof van
maart 1988). Een vrijwillige regeling wordt niet wenselijk geacht, omdat
door de vrijwilligheid het draagvlak van de regeling klein zal zijn
en daardoor de kosten voor veel vrouwen te hoog zullen worden.
Het kabinet is van
oordeel dat de voorliggende verzekering een geschikt kader biedt om een
uitkering in verband met bevalling voor vrouwelijke zelfstandigen en
meewerkende echtgenoten te regelen. Voor werkneemsters is het
zwangerschaps- en
bevallingsverlof een maatregel met een tweeledig doel. Enerzijds
dient het verlof ter bescherming van de gezondheid van de vrouw
en het kind. Anderzijds wordt met het verlof beoogd te voorkomen dat vrouwen uit het arbeidsproces treden.
Bescherming van de
gezondheid van moeder en kind en stimulering van het actief blijven van
vrouwen op de arbeidsmarkt na de geboorte van kinderen gelden hier dus
als argumenten. Dezelfde argumenten gaan, blijkens de resultaten
van het onderzoek naar zwangerschaps- en bevallingsverlof voor
zelfstandige en meewerkende vrouwen in het midden- en kleinbedrijf,
op voor zelfstandige en meewerkende vrouwen (rapport Doorwerken
rond de bevalling, drs. J.T.F. Nouws en drs. M.T.E. Meijs-Appels, EIM-onderzoek
1989 [EIM: Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf, red.]). Verder blijkt uit genoemd onderzoek alsmede uit het
rapport Zwangerschapsverlof voor boerinnen en tuindersvrouwen (U.Ph. Blom en
J.M. van den Hoek,
Landbouw-Economisch Instituut,
1989, onderzoeksverslag 51) dat een ruime meerderheid van de
zelfstandige en meewerkende vrouwen vindt dat er iets geregeld moet worden
om hen in staat te stellen een periode van verlof te nemen vóór en
na de bevalling. Uit onderzoek blijkt dat er door desbetreffende vrouwen
thans alleen maar verlof wordt genomen als er sprake is van medische
complicaties. De meeste van de bij betreffende onderzoeken betrokken
vrouwen geven aan dat de belangrijkste belemmering om verlof op te nemen de
kosten van vervanging en inkomstenderving zijn. Met een
uitkeringsregeling in verband met bevalling kan worden voorkomen dat
betreffende vrouwen lang doorwerken en snel weer beginnen, hetgeen
schadelijk kan zijn voor zowel de gezondheid van de vrouw als van het
kind.
rblz.|37|
Naar het oordeel van het
kabinet maakt het treffen van een afzonderlijke verzekering voor
zelfstandigen c.s. het ook mogelijk om daarin een uitkeringsregeling in
verband met bevalling op te nemen. Het in de WAZ onderbrengen van een
dergelijke uitkeringsregeling is in overeenstemming met het door het kabinet
gehanteerde uitgangspunt dat de financiële verantwoordelijkheid zoveel mogelijk bij betrokkenen zelf moet
worden gelegd.
Ook de SER
onderschrijft,
mede op basis van onderzoeksresultaten, dat een wettelijke regeling
met een collectieve financiering wenselijk is.
Bij de voorbereiding van
de kabinetsvoorstellen zijn ook andere mogelijkheden overwogen
om tot een regeling in verband met bevalling te komen, bijvoorbeeld in
de vorm van een aparte volksverzekering voor zowel vrouwelijke
werknemers als zelfstandigen met een uitkeringshoogte van 70 of 100 procent van
het minimumloon. Voor vrouwelijke werknemers zou een dergelijke regeling echter een achteruitgang ten
opzichte van de huidige situatie betekenen en bovendien strijdigheid met
EG-recht opleveren. Ingevolge de EG-richtlijn 92/85 heeft de vrouwelijke
werknemer immers in verband met bevalling recht op behoud van loon of een uitkering die gelijk
is aan wat de vrouwelijke werknemer zou ontvangen wanneer zij
haar arbeid vanwege gezondheidsredenen zou moeten beëindigen. Een volksverzekering met een uitkering ter hoogte
van 100% van het laatstgenoten inkomen ontmoet bezwaren vanuit kostenoogpunt en vanwege
het doorbreken van de systematiek van de volksverzekeringen
doordat deze geen loongerelateerde uitkeringen kennen. Vanwege genoemde overwegingen is de voorkeur gegeven aan
een afzonderlijke
regeling in het kader van dit wetsvoorstel.
Het voorstel voor een
bevallingsuitkering voorziet in een algemene regeling voor alle
vrouwelijke zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren.
Doel van de bevallingsuitkering is om te bevorderen dat de
gezondheid van moeder en kind niet wordt geschaad. Dit kan het beste worden
bereikt door de regeling een verplicht karakter te geven. Een vrijwillige
verzekering zou een te gering draagvlak hebben. De kans is groot dat alleen
vrouwen zouden deelnemen die verwachten op korte termijn gebruik te
kunnen maken van de regeling, hetgeen de premie voor de vrijwillige verzekering dan fors hoger zou kunnen doen
uitvallen.
Door dit voorstel wordt
ook invulling gegeven aan de verplichting die Nederland op grond van
eerdergenoemde Richtlijn nr. 86/613/EEG heeft om te onderzoeken of en
op welke wijze vrouwelijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten
tijdens de onderbreking van hun werkzaamheden wegens zwangerschap of
moederschap:
- aanspraak kunnen
maken op vervangingsdiensten of bestaande sociale diensten;
- in aanmerking komen
voor uitkeringen in het kader van een stelsel voor sociale zekerheid of
een ander stelsel van sociale bescherming.
Qua inhoud wordt in
beginsel aangesloten bij de regeling die thans voor vrouwelijke
werknemers op grond van het huidige artikel 29a
van de Ziektewet geldt. Dit
betekent dat recht op uitkering bestaat gedurende ten minste zestien weken rond
de bevalling en dat de hoogte van de uitkering 100% van de toepasselijke
uitkeringsgrondslag bedraagt, zij het dat hierbij voor vrouwelijke WAZ-verzekerden een maximum van 100% van het
minimumloon geldt. De
hoogte van de grondslag wordt bepaald door het inkomen dat in het jaar
voorafgaand aan de ingangsdatum van het recht op uitkering c.q. de drie
jaar daaraan voorafgaande jaren door de vrouwelijke verzekerden
is behaald. Indien vanwege het tijdstip van de zwangerschap en bevalling
het inkomen ter bepaling van de hoogte van de grondslag niet bekend
is, kan de uitkering bij wege van voorschot rblz.|38|
worden toegekend, onder verrekening met het nadien bekend geworden
inkomen.
Anders dan bij
werkneemsters het geval is, wordt in deze regeling niet gekozen voor de
mogelijkheid om de basisuitkeringsduur van zestien
weken te verlengen. De uitgebreide
regeling voor werkneemsters houdt in dat niet alleen over de wettelijke
verlofperiode van zestien
weken rond de bevalling uitkering wordt
verstrekt, maar ook gedurende de daarvoor gelegen zwangerschapsperiode en
de onmiddellijk op genoemde zestien
weken aansluitende periode na
de bevalling van maximaal 52 weken waarin ziekte bestaat door of
als gevolg van de zwangerschap of de bevalling.
Voor een beperkte
regeling pleiten de volgende argumenten:
- het treffen van een
voorziening bij ziekte voor vrouwen, ook al is deze gerelateerd aan
zwangerschap of bevalling, waar voor mannelijke WAZ-verzekerden geen
voorziening bij ziekte wordt getroffen, lijkt nauwelijks te
rechtvaardigen. De WAZ voorziet in een uitkering bij langdurige arbeidsongeschiktheid. Indien de uitgebreide bevallingsregeling
in de WAZ zou worden
opgenomen, zou het element ziekte in deze regeling worden geïntroduceerd, beperkt tot hele specifieke vormen
van ziekte die zich uitsluitend bij vrouwen kunnen voordoen. Dit lijkt nauwelijks te verdedigen,
nu voor mannelijke WAZ-verzekerden geen enkel recht op uitkering
bij ziekte wordt geregeld;
- een belangrijke
overweging voor de uitgebreide regeling voor werkneemsters is het
recht op gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van
onder meer de toegang tot het arbeidsproces en de arbeidsvoorwaarden.
Door de uitkering tijdens de verlofperiode, alsmede ziekte tengevolge van zwangerschap of bevalling, niet ten laste van de werkgever te laten
komen, hoeven deze vrouwen om redenen van (mogelijke) zwangerschap
niet te passeren ten faveure van mannen. Deze overweging gaat voor
WAZ-verzekerden niet op omdat zij niet afhankelijk zijn van een
werkgever;
- voor het risico van
kortdurende arbeidsongeschiktheid kan de verzekerde zich
desgewenst op de particuliere markt bijverzekeren. Sinds 1 september 1994 kan op
grond van de Algemene
wet gelijke behandeling ongeschiktheid tot werken
in verband met zwangerschap en bevalling door de particuliere verzekeraars niet meer uitgesloten worden, noch mag
in de premiestelling door
verzekeraars enig direct of indirect onderscheid worden gemaakt naar geslacht (behoudens enkele uitzonderingen die
overigens niet zien op zwangerschap of bevalling);
- internationale
verdragen verplichten niet tot het treffen van een uitgebreide regeling voor
zelfstandigen. Met de uitgebreide regeling voor werkneemsters wordt
voldaan aan geldende internationale verplichtingen ter zake. Er bestaan geen
internationale verplichtingen die nopen tot een soortgelijke regeling
voor zelfstandige vrouwen. Zoals reeds vermeld, wordt in Richtlijn nr. 86/613/EEG alleen aan de lidstaten de opdracht
gegeven onder meer te onderzoeken op welke wijze vrouwelijke zelfstandigen
en meewerkende echtgenoten tijdens onderbreking van hun werkzaamheden wegens
zwangerschap of moederschap in aanmerking kunnen komen voor een uitkering in het kader van een stelsel van sociale
zekerheid.
Uitgaande van een
uitkeringshoogte van ten hoogste 100% van het minimumloon bedragen de
uitgaven in verband met zwangerschap en bevalling naar schatting ƒ95 mln.
Het is mogelijk dat een
samenloop van rechten op een uitkering in verband met bevalling en
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering optreedt. Via nadere
regels zal worden bepaald op welke wijze de samenloop van deze uitkeringsrechten zal worden beperkt.
In het wetsvoorstel Invoeringswet
wordt, in verband met de regeling die in deze wet wordt
getroffen, voorzien in het uitsluiten van het recht op rblz.|39|
uitkering in verband met
bevalling op grond van de vrijwillige verzekering van de Ziektewet voor
vrouwelijke WAZ-verzekerden.
Het Tica was blijkens
zijn commentaar van mening dat de voorgestelde wettelijke regeling een
verbetering is ten opzichte van de huidige situatie. Wel adviseerde het Tica
om de uitkering in verband met bevalling te baseren op de
inkomensgegevens uit eerdere jaren, omdat wegens het niet gelden van een
wachttijd voor deze uitkering niet kan worden beschikt over actuele winstgegevens.
Met voldoening stelt het
kabinet vast dat het Tica de voorgestelde regeling ten principale
een verbetering acht.
Wat de wijze van
vaststelling van de uitkering betreft, wordt het volgende opgemerkt.
Terecht constateerde het Tica dat veelal niet kan worden beschikt over
actuele winstgegevens. Mede vanwege deze omstandigheid is in het
wetsvoorstel dan ook voorzien in de mogelijkheid om de uitkering bij wege
van voorschot te betalen. Dit is bijvoorbeeld mogelijk in de situatie
dat niet duidelijk is wat de hoogte van de uitkering is omdat actuele inkomensgegevens niet voorhanden zijn.
Het kabinet is van
opvatting dat het recht op en de hoogte van de bevallingsuitkering ten
principale afgeleid dient te zijn van de actuele gegevens omtrent het
verzekerde inkomen. Een uitkering die gebaseerd zou zijn op
inkomensgegevens uit eerdere jaren, zou te weinig recht doen aan de inkomenssituatie
waarin de betrokken vrouw zich onmiddellijk voorafgaande aan de
ingang van het recht op uitkering bevindt. Wanneer actuele inkomensgegevens
ontbreken, kan de bedrijfsvereniging door de mogelijkheid om de
uitkering bij wege van voorschot (welk voorschot overigens gebaseerd kan
zijn op gegevens uit eerdere jaren) te betalen in een later stadium alsnog
het definitieve bedrag vaststellen van de uitkering waarop de betrokkene recht had.
4.8. Overige aspecten in
verband met het recht op uitkering
In deze paragraaf komen
aan de orde:
- het geldend maken van
het recht en de betaling;
- de
overlijdensuitkering;
- verzekering voor het
ziekenfonds.
4.8.1. Het geldend maken
van het uitkeringsrecht en de betaling
Wat betreft de bepalingen
met betrekking tot het geldend maken van het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt in beginsel aangesloten bij de huidige
AAW.
De belanghebbende dient
zich binnen uiterlijk vijf maanden na de aanvang van de
arbeidsongeschiktheid te melden bij de bedrijfsvereniging. Hierdoor wordt de
bedrijfsvereniging in staat gesteld zo nodig activiteiten te ontplooien in verband met revalidatie en eventueel
reïntegratie. Een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering dient
uiterlijk binnen negen maanden te zijn ingediend, zodat de bedrijfsvereniging
vóór het einde van de wachttijd een juiste beslissing met betrekking tot
toekenning van de uitkering kan nemen. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend voor een
periode van drie jaar. Hiermee wordt aangesloten bij de
huidige regeling in de AAW. Om uitvoeringstechnische redenen is deze periode
vooralsnog vastgesteld op vijf jaar. In het wetsvoorstel Invoeringswet
wordt dit nader geregeld.
Wat de uitkering in
verband met bevalling betreft, dient de vrouwelijke verzekerde zich uiterlijk
drie maanden vóór de beoogde ingangsdatum van de uitkering bij de
bedrijfsvereniging te melden. Een aanvraag dient uiterlijk twee weken vóór
de beoogde ingangsdatum bij de bedrijfsvereniging ingediend te zijn. De
uitkeringsduur is beperkt tot ten minste zestien weken.
rblz.|40|
In verband met het
geldend maken van het recht op uitkering kan de bedrijfsvereniging
betrokkene oproepen of door deskundigen laten onderzoeken. Ook kunnen
voorschriften worden gegeven in het belang van behandeling en
genezing. Voorts kan de bedrijfsvereniging controlevoorschriften opstellen.
Evenals in de AAW
is in
deze wet een algemene inlichtingenbepaling opgenomen. Op grond van
deze bepaling is de verzekerde verplicht aan de bedrijfsvereniging op
verzoek of uit eigen beweging mededeling te doen van al datgene dat
van invloed is op het recht op of de hoogte van de uitkering. Naast deze
algemene inlichtingenbepaling is in artikel 91 van de Osv een algemene
verplichting opgenomen om aan de bedrijfsvereniging inlichtingen en gegevens
te verstrekken. Deze bepaling zal ook voor verzekerden op grond
van de WAZ gelden.
Niet-nakoming van de aan
de uitkering verbonden verplichtingen leidt ertoe dat de
bedrijfsvereniging de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of
gedeeltelijk weigert.
Wat betreft het opleggen van een administratieve boete bij niet-nakoming
van de algemene informatieverplichting wordt verwezen naar paragraaf
6.
Over de
arbeidsongeschiktheidsuitkering en de uitkering in verband met bevalling bestaat
aanspraak op een vakantie-uitkering. Deze bedraagt 8% van het uitkeringsbedrag.
De vakantie-uitkering wordt steeds in de maand mei uitbetaald over de
voorafgaande twaalf maanden waarop recht op uitkering bestond. De
vakantie-uitkering wordt eerder uitbetaald indien de uitkering eerder wordt
beëindigd.
Ook kan de
vakantie-uitkering op verzoek van betrokkene eerder worden uitbetaald. Vanwege de
beperkte uitkeringsduur zal dit laatste regel zijn bij de uitkering in verband
met bevalling.
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering en de uitkering in verband met bevalling
worden als
regel in maandtermijnen uitbetaald. De bedrijfsvereniging is bevoegd om de
uitkering bij wege van voorschot uit te betalen indien de hoogte van de
uitkering niet vaststaat. Deze kan dan verrekend worden met de definitief
vastgestelde uitkering.
De uitkering kan van de
verzekerde worden teruggevorderd wanneer duidelijk is dat deze
onverschuldigd is betaald.
Indien de verzekerde die
een uitkering ontvangt inkomsten uit arbeid verwerft en niet
vaststaat of sprake is van algemeen geaccepteerde arbeid, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meteen aangepast, maar worden de inkomsten
geanticumuleerd op de uitkering. Alsdan blijft het reeds vastgestelde
arbeidsongeschiktheidspercentage van toepassing. Binnen een termijn van
uiterlijk drie jaar dient te worden beoordeeld of sprake is van algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is. Indien de verzekerde na het verstrijken van deze
periode deze arbeid nog steeds verricht, wordt ervan uitgegaan dat het om
algemeen geaccepteerde arbeid gaat. De termijn van drie jaar geldt niet
ten aanzien van deelname in Wsw-arbeid. Eén en ander sluit aan bij de
huidige regeling in de AAW.
Evenals in de
AAW
is in
dit wetsvoorstel bepaald dat bespaarde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
in verband met Wsw-arbeid worden gestort in ’s Rijks
kas. Ook hierop wordt in dit wetsvoorstel aangesloten. Wel worden bij de
bespaarde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ook de hierover verschuldigde
socialewerkgeverslasten betrokken. Voor een toelichting moge worden
verwezen naar paragraaf 3.10 [van de memorie
van toelichting bij, red.] van het wetsvoorstel Pemba.
rblz.|41|
4.8.2. De
overlijdensuitkering
Met betrekking tot de
overlijdensuitkering wordt in dit wetsvoorstel aangesloten bij de wet
tot wijziging van de AOW en enige andere wetten
(Stb. 1995, 696). Het
betreft met name de volgende onderdelen:
- uitbreiding van de
partnerdefinitie met samenwonende bloedverwanten in de tweede graad.
Voorheen waren samenwonende bloedverwanten in de tweede graad nog
uitgezonderd van de partnerdefinitie. Op grond van genoemde wet
werd aan de uitzonderingspositie van deze categorie in de gehele socialezekerheidswetgeving een einde gemaakt. Voor het voorliggende
wetsvoorstel leidt dit ertoe dat samenwonende bloedverwanten in de
tweede graad (broers en zussen, grootouders en kleinkinderen) in
aanmerking kunnen komen voor een overlijdensuitkering;
- verkorting van de
overlijdensuitkering. Voorheen bestond ingevolge de AAW
nog recht op een
overlijdensuitkering gedurende het restant van de maand van overlijden plus de twee daaropvolgende maanden.
Hierdoor varieerde de
duur van de overlijdensuitkering nu tussen twee en drie maanden. Conform
genoemde wet wordt de duur van de overlijdensuitkering in het voorliggende
wetsvoorstel bepaald op één maand;
- het niet opnemen van
de slotuitkering.
Voor een meer uitgebreide
toelichting op de motieven en doelstellingen van deze wijzigingen moge
worden verwezen naar de wet tot wijziging van de AOW.
4.8.3. Verzekering voor
het ziekenfonds
Thans zijn
AAW-gerechtigden met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, verplicht verzekerd op grond van de
Ziekenfondswet. Dit is met name van belang voor zelfstandigen en
vroeggehandicapten. Aan de
Ziekenfondsraad is
commentaar gevraagd over
de gevolgen van de kabinetsvoorstellen inzake de Ziektewet,
WAO en AAW en in het bijzonder over de vraag of het maatschappelijk wenselijk
moet worden geacht dat verzekerden op grond van deze wet en de Wajong
onder de verplichte verzekering van de Ziekenfondswet worden
gebracht. Naar aanleiding van het positieve advies van de
Ziekenfondsraad wordt dit geregeld in het wetsvoorstel Invoeringswet.
4.9. Uitvoering en
implementatie
Voorgesteld wordt om de
beoordeling van het recht op uitkering en voorzieningen alsmede de
verdere uitvoering ten aanzien van de uitkeringsverstrekking te
laten plaatsvinden door de bedrijfsverenigingen. Hiermee wordt aangesloten
bij de huidige situatie. Bedrijfsverenigingen beschikken over de
vereiste kennis en expertise ten aanzien van claimbeoordeling, uitkeringsverstrekking,
inzet van reïntegratie-instrumenten, e.d.
In dit wetsvoorstel is,
zoals eerder opgemerkt, geabstraheerd van de door het kabinet beoogde
wijzigingen van de Osv die op hoofdlijnen zijn vastgelegd in de brief van 30 mei 1995 van het kabinet over de toekomstige
uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen (Kamerstukken II 1994-1995, 24 215, nr. 1).
In dit wetsvoorstel wordt niet vooruitgelopen op deze wijzigingen.
Voorgesteld wordt,
eveneens in aansluiting bij de huidige AAW, om de uitvoering van de heffing
en inning van de premie voor de regeling op te dragen aan de belastingdienst
en te laten verlopen via het fiscale traject.
Hiervoor pleit dat aangesloten kan worden bij bestaande (fiscale) rblz.|42|
gegevens en het fiscale
traject dat zelfstandigen - de hoofdgroep van de WAZ
- reeds moeten
doorlopen. De belastingdienst beschikt over een infrastructuur en
heffingsstructuur die geënt is op de zelfstandige ondernemer. De
belastingdienst zal de premieopbrengsten vervolgens af moeten dragen ten behoeve
van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen dat
afzonderlijk wordt beheerd en geadministreerd door het Tica. Ten gunste van dit
fonds komen ook vereveningsbijdragen die op de uitkering in mindering
worden gebracht, geïnde boeten en de opbrengst van toepassing van het
recht van regres van de bedrijfsvereniging. Ten laste van dit fonds komen
de uitkeringen, toekenningen van een inkomenssuppletie, de
voorzieningen, middelen ten behoeve van een aan te houden reserve, de
uitvoeringskosten en overige kosten in verband met de uitvoering van deze
wet.
Overwogen is om de
uitvoering van de premieheffing en -inning niet op te dragen aan de
belastingdienst, maar aan de bedrijfsverenigingen. Hiervan is echter
afgezien. De invoering van de uitvoering van de premieheffing en -inning
door de bedrijfsverenigingen is een omslachtige weg. Bedrijfsverenigingen
zouden daarvoor moeten beschikken over de (fiscale) gegevens van de
belastingdienst.
Ten aanzien van de
premieheffing zal worden aangesloten bij de heffingssystematiek van
de inkomstenbelasting. Dit wil zeggen dat de definitieve heffing
geschiedt na afloop van het belastingjaar op basis van de aangifte
inkomstenbelasting, waarin de winst uit onderneming door de ondernemer wordt
aangegeven en het inkomen uit overige arbeid door de beroepsbeoefenaar. Na
toetsing door de belastingdienst wordt de definitieve aanslag voor
de WAZ tegelijkertijd met de aanslag inkomstenbelasting/premie
volksverzekeringen vastgesteld. Betrokkene wordt hierover geïnformeerd door middel van het aanslagbiljet, waarop het verschuldigde
bedrag
voor de WAZ-heffing is opgenomen. Aan meewerkende echtgenoten,
aan wie een arbeidsbeloning wordt toegekend, wordt een
afzonderlijke aanslag voor de WAZ opgelegd, waarbij de
heffingsgrondslag wordt gevormd door het bedrag van de arbeidsbeloning.
Vooruitlopend op de definitieve aanslag wordt reeds in het begin van het
belastingjaar een voorlopige aanslag voor de WAZ opgelegd. Het bedrag van
deze voorlopige aanslag wordt gebaseerd op historische gegevens die
bij de belastingdienst bekend zijn. Blijkt - bijvoorbeeld uit nadere
schattingen van de premieplichtige - dat de voorlopige aanslag
correcties behoeft, dan kan een nadere voorlopige aanslag worden opgelegd
dan wel de voorlopige aanslag worden verminderd. Met
betrekking tot bezwaar en beroep ten aanzien van de premieheffing en -inning,
het boetebeleid, navordering en vermindering vinden de overeenkomstige bepalingen in de belastingwetgeving
toepassing.
Bij de heffing van de
premie door de belastingdienst wordt, zoals hiervoor aangegeven,
gebruik gemaakt van de bestaande fiscale heffingsinstrumenten in
de inkomstenbelastingsfeer als voorlopige aanslag en definitieve
aanslag. De voorlopige aanslag inkomstenbelasting wordt thans in de regel
opgelegd in de maand januari van het belastingjaar. De hoogte
van de voorlopige aanslag wordt gebaseerd op aanslagen over voorgaande
belastingjaren. Met ingang van 1997 zal ter zake van de zelfstandigen
en de beroepsbeoefenaren een voorlopige aanslag worden opgelegd, die wordt gebaseerd op een met het aangiftebiljet
eenmalig meegezonden schattingsformulier. Hierop kan de ondernemer of
beroepsbeoefenaar zijn verwachte WAZ-inkomen voor het jaar 1997 opgeven.
Ditzelfde geldt in voorkomende gevallen voor meewerkende echtgenoten
aan wie naar verwachting een arbeidsbeloning zal worden toegekend. De
eerste betalingen op de voorlopige aanslagen WAZ zijn te verwachten in juni 1997. Met ingang van 1998
rblz.|43|
zullen de voorlopige
WAZ-aanslagen geautomatiseerd worden opgelegd en kan worden aangesloten
bij het reguliere traject van de voorlopige aanslagen voor de
inkomstenbelasting. Voor de jaren 1997 en 1998 kan dit betekenen dat een
vertraging optreedt met betrekking tot de premie-inkomsten. Als gevolg hiervan kan
een discrepantie ontstaan tussen de uitgaven en de inkomsten
van het WAZ-fonds gedurende deze jaren. Hierop zal nader worden
ingegaan in de memorie van toelichting bij de Invoeringswet.
De definitieve aanslagen
van de WAZ zullen tegelijkertijd met de definitieve aanslag voor
de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het eerst in de loop
van 1998 worden opgelegd.
De invoering van de
WAZ-heffing vergt voor de belastingdienst
een aanpassing van verschillende geautomatiseerde inkomstenbelastingsystemen.
Om deze aanpassingen
tijdig te kunnen realiseren dienen de vormgeving van de
heffingskant van de regeling, de kring van premieplichtigen, de
grondslag waarover geheven moet worden e.d. tijdig vast te staan.
De invoering van de
WAZ-heffing leidt tot incidentele en structurele uitvoeringskosten voor de
belastingdienst en de bedrijfsverenigingen.
De bedrijfsverenigingen
hebben thans ook uitvoeringskosten, samenhangend met de arbeidsongeschiktheidsuitkering van zelfstandigen. De
uitvoeringskosten van de bedrijfsverenigingen kunnen na invoering van de WAZ worden
gedeclareerd bij het WAZ-fonds; er treedt met andere woorden een verschuiving
van het AAf naar het WAZ-fonds op.
Ook voor de
belastingdienst betekent de invoering van de WAZ een verandering. Thans int de
belastingdienst de premies volksverzekeringen door middel van de gecombineerde heffing in het tarief eerste schijf. De
belastingdienst brengt
voor deze inning premie-inningskosten in rekening bij de vier
desbetreffende fondsen, waarbij het totale bedrag aan premie-inningskosten
gelijk over de vier fondsen wordt verdeeld. Intrekking van de AAW
heeft gevolgen voor de verdeling van de premie-inningskosten. Het Tica wijst daar ook
op in zijn commentaar op het wetsvoorstel. Het meest
voor de hand liggend is de premie-inningskosten om te slaan over de drie
fondsen van de resterende volksverzekeringen (AOW,
Anw, AWBZ). Het
ligt niet in de rede om deze kosten ook over het WAZ-fonds om te slaan. De
premie-inning voor de WAZ maakt immers geen deel uit van de
gecombineerde heffing, maar is een afzonderlijk traject voor de
belastingdienst in de premieheffing. De kosten van deze heffing kunnen door de
belastingdienst afzonderlijk worden bepaald. De premie-inningskosten voor
de gecombineerde heffing blijven dan alleen toegerekend worden aan de
premies volksverzekeringen. Deze lijn is ook gehanteerd bij de
verschuiving van de financiering van de Algemene kinderbijslagwet
(AKW)
van premies naar algemene middelen. De totale uitvoeringskosten van de
premie-inning voor de volksverzekeringen ondergaan als gevolg
hiervan geen verandering. Deze uitvoeringskosten worden voortaan
gedeclareerd bij de drie resterende fondsen, hetgeen voor die fondsen tot een
zekere verhoging van kosten leidt.
De invoering van de WAZ
brengt voor de belastingdienst uiteraard additioneel uitvoeringskosten met zich mee. De belastingdienst schat de
omvang van de uitvoeringskosten als volgt in. De premieheffing WAZ vergt een aanpassing en
uitbreiding van de bestaande automatiseringssystemen van de belastingdienst.
Ook zijn kosten verbonden aan het handmatig opbouwen van
een bestand van zelfstandigen inclusief winstgegevens en het
opbouwen van het bestand van beroepsbeoefenaren. Dit is nodig voor het
opleggen van de voorlopige aanslagen voor de WAZ in 1997.
rblz.|44|
Daarnaast zal de
belastingdienst zelfstandigen en beroepsbeoefenaren voorlichten over de
invoering van de WAZ en moeten automatiseringskosten worden gemaakt.
Het totaal van de
werkzaamheden, verbonden aan het opbouwen van een bestand, vergt naar
het oordeel van de belastingdienst aan incidentele
uitvoeringskosten ƒ14 mln. De structurele kosten voor de belastingdienst bedragen
jaarlijks naar schatting ƒ6 mln. Deze kosten zullen jaarlijks op nog
nader uit te werken wijze worden afgerekend met het WAZ-fonds.
Met betrekking tot de
uitvoering en de implementatie van de WAZ heeft het Tica een aantal
opmerkingen gemaakt.
Gelet op de ten opzichte
van de AAW
beduidend kleinere omvang van de doelgroep vroeg het
Tica zich allereerst af waarom uitvoering van de WAZ door de bedrijfsverenigingen en niet door een centraal orgaan
geschiedt. Het Tica deed
geen suggesties, maar noemde wel een aantal voor- en nadelen van
beide mogelijkheden.
Zoals eerder is opgemerkt,
is wat betreft de uitkeringsverstrekking door de bedrijfsverenigingen
aangesloten bij de huidige situatie, waarin de claimbeoordeling en
uitkeringsverstrekking van de AAW door de bedrijfsverenigingen
wordt uitgevoerd.
Uitvoering door een
centraal orgaan zou voor zelfstandigen met personeel kunnen betekenen dat zij als werkgever bij een bedrijfsvereniging
zijn aangesloten en als zelfstandige bij een centraal orgaan. Nog afgezien van andere
overwegingen acht het kabinet dit geen aantrekkelijke optie.
Naar de opvatting van het
Tica ligt het inderdaad voor de hand dat de feitelijke premieberekening en
-inning bij zelfstandigen plaatsvindt door de belastingdienst. Elders
in zijn commentaar gaf het Tica aan dat de invloed van premie-inningskosten
op de premiehoogte erg hoog zou kunnen zijn. Uit oogpunt van efficiëntie zou volgens het Tica kunnen worden overwogen de
premie-inning niet door de belastingdienst te laten verrichten, maar door een
uitvoeringsinstelling. Het Tica achtte duidelijkheid noodzakelijk betreffende
de berekening van de premie-inningskosten.
De
premieheffing WAZ zal
zoveel als mogelijk in de bestaande heffingsprocessen inkomstenbelasting worden
geïntegreerd. Zo zullen de voorlopige aanslag WAZ en de voorlopige aanslag inkomstenbelasting in
de structurele situatie
beide op basis van historische gegevens worden vastgesteld en op
hetzelfde tijdstip aan de premieplichtige worden verzonden. De definitieve
aanslag voor de WAZ wordt evenals de definitieve aanslag
inkomstenbelasting gebaseerd op de aangifte inkomstenbelasting. Ook
hierbij zullen de definitieve aanslagen op hetzelfde tijdstip worden
toegezonden. Ook de inning van niet-betaalde aanslagen WAZ en inkomstenbelasting loopt waar mogelijk parallel.
Hierdoor treden ten
aanzien van de uitvoeringskosten belangrijke synergievoordelen op en
wordt een hoge mate van efficiëntie bereikt. Deze effecten zijn niet
te bereiken bij een afzonderlijke WAZ-heffing door een andere
uitvoeringsinstantie.
Een dergelijke instantie
zou aanzienlijke kosten moeten maken om zelf een WAZ-verzekerdenbestand op te bouwen en bij te houden, jaarlijks
gegevens over de heffingsgrondslag van de premieplichtigen op te vragen, zelfstandig
WAZ-aanslagen vast te stellen en controles in te stellen. Naast extra
administratieve lasten voor de zelfstandigen zullen de uitvoeringskosten naar
verwachting aanzienlijk hoger liggen dan bij heffing door de belastingdienst.
rblz.|45|
Het Tica wees
erop dat
het nu, evenals de bedrijfsvereniging, over onvoldoende gegevens
beschikt om het premiepercentage jaarlijks te kunnen vaststellen en om
de hoogte van de uitkering te kunnen bepalen. De daartoe benodigde
gegevens zullen naar de mening van het Tica bij de fiscus moeten worden
opgevraagd.
Ten behoeve van de vast
te stellen premiehoogte zal de belastingdienst
jaarlijks een zo juist
mogelijk beeld geven van de omvang van de premiegrondslag. Hierover zullen nadere afspraken moeten worden
gemaakt tussen het Tica
en de belastingdienst.
Het Tica achtte verder
zowel aan fiscale als aan sv-kant grote systeemaanpassingen noodzakelijk. Het Tica
wees erop dat ten behoeve van de invoering moet worden voorzien in informatieverstrekking aan belanghebbenden,
instructie aan de uitvoeringskantoren, het inrichten van nieuwe werkprocessen, de opbouw
van informatiesystemen en de vaststelling van premies. Het wees ook
op het belang om "winst uit onderneming" op te nemen in een
geautomatiseerd systeem, de wenselijkheid dat alle gegevens vanuit één
centraal punt dan wel een directe verbinding beschikbaar zijn.
Het kabinet is zich ervan
bewust dat de door het Tica aangedragen punten aandacht verdienen
met het oog op de voorbereiding op en implementatie van de WAZ. Hiervoor is nog intensief overleg en
afstemming vereist tussen
vertegenwoordigers van het Tica, de bedrijfsverenigingen en de belastingdienst.
Het kabinet zal dit afstemmingsoverleg waar mogelijk
ondersteunen en stimuleren.
Wat betreft de
informatieverstrekking aan - verschillende categorieën - belanghebbenden wees
het Tica erop dat de voorlichting niet alleen door de bedrijfsverenigingen
kan plaatsvinden, maar dat ook de overheid hierin een actieve taak heeft.
Onderkend wordt dat ter zake van de voorlichting aan
potentiële belanghebbenden een taak
is weggelegd voor de overheid. Anders dan voor de categorie van bestaande uitkeringsgerechtigden zijn
potentiële
belanghebbenden immers
niet bekend bij de bedrijfsvereniging. Het kabinet heeft het
uitdrukkelijke voornemen in de behoefte aan voorlichtingsactiviteiten
te voorzien door middel van gerichte voorlichtingsactiviteiten.
5. Volumebeheersing
Volumebeheersing richt
zich op beperking van de uitkeringsafhankelijkheid en bevordering van
deelname aan arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als
niet-werknemer, bijvoorbeeld als zelfstandige.
In dit verband wordt in
de volgende paragrafen ingegaan op:
- de mogelijkheden tot
volumebeperking via preventie- en reïntegratiemaatregelen;
- invoering van het
regresrecht.
5.1. Mogelijkheden tot
preventie en reïntegratie
De mogelijkheden voor de
bedrijfsvereniging als poortwachter zijn, wat preventiemogelijkheden
betreft, beperkt. De verantwoordelijkheid om ziekte en arbeidsongeschiktheid te voorkomen berust bij de verzekerde
zelf, terwijl de bedrijfsvereniging in het eerste ziektejaar slechts een
beperkte rol heeft.
Evenals thans het geval
is, dient de verzekerde zich uiterlijk binnen vijf maanden na aanvang van de
ziekte bij de bedrijfsvereniging te melden. Dit stelt de bedrijfsvereniging in staat om zo nodig
inspanningen gericht
op revalidatie te verrichten. Ook kunnen de mogelijkheden tot reïntegratie
worden bezien.
rblz.|46|
Wat betreft de
mogelijkheden om de reïntegratiekansen van betrokkene te bevorderen, wordt in
dit wetsvoorstel aangesloten bij het huidige instrumentarium. Dit
instrumentarium is bijeengebracht in hoofdstuk
3, afdeling 1, paragraaf 4. Deze
paragraaf over reïntegratiemaatregelen omvat onder meer de voorzieningen tot
behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid die
thans deel uitmaken van de AAW. Als voorbeeld kan worden gewezen op de
zgn. werkvoorzieningen die de zelfstandige in staat kunnen stellen zijn
bedrijf, onder de nodige aanpassingen, te blijven uitoefenen, zodat
uitkeringsafhankelijkheid kan worden voorkomen of beperkt. Het is mogelijk
dat werkvoorzieningen worden verstrekt, voordat betrokkene arbeidsongeschikt raakt.
Zoals ook aangegeven in
de Wet Amber, omvat de bevoegdheid voor de bedrijfsvereniging om een
werkvoorziening te verstrekken ook de mogelijkheid om in voorkomende gevallen betrokkene in staat te stellen
opnieuw een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen. Voor degene die geen beroep op de reeds
bestaande kredietfaciliteit voor startende ondernemers op grond van
het Bijstandsbesluit zelfstandigen [zie Besluit
bijstandverlening zelfstandigen, red.] kan doen, noch langs andere weg de
nodige financiële ondersteuning kan krijgen, kunnen op grond van deze
wet voorzieningen worden verstrekt. Deze voorzieningen, bestaande
uit investeringen van het uitvoeringsorgaan ten behoeve van de start van
een bedrijf of zelfstandig beroep, kunnen worden overwogen indien de arbeid als zelfstandige als de enige of
allerbeste mogelijkheid
voor iemand zou moeten worden gezien om zijn arbeidsgeschiktheid te
verbeteren. Bovendien moet aannemelijk zijn dat betrokkene ook de
capaciteiten bezit als zelfstandige te werken en zich als zodanig te handhaven.
Voorts spelen daarbij ook nog aspecten een rol als de hoogte van de
investeringen en het "rendement" dat de investeringen aan te verwachten
vermindering van de arbeidsongeschiktheid zullen opleveren. Gelet op het
grote belang dat aan de reïntegratie moet worden gehecht, zal de
uitvoerende instanties erop gewezen worden dat deze instrumenten ook
daadwerkelijk dienen te worden ingezet in de daarvoor in aanmerking komende
gevallen.
Analoog aan de
Wet Amber wordt in dit wetsvoorstel een inkomenssuppletie voor oudere zelfstandigen
voorgesteld.
De inkomenssuppletie
biedt een faciliteit voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen die hun
bedrijf voortzetten. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid moet sinds de
Wet TBA ook rekening
worden gehouden met geschiktheid voor functies in loondienst en de daaruit voortvloeiende
resterende verdiencapaciteit. In bepaalde gevallen heeft dit tot gevolg dat
het voor de belanghebbende niet meer mogelijk is om het eigen bedrijf
voort te zetten, omdat het verschil tussen de werkelijke verdiensten in
het eigen bedrijf en de theoretische verdiencapaciteit in functies in loondienst
voor betrokkene niet is te overbruggen. De inkomenssuppletie
biedt de mogelijkheid om dit "gat" tijdelijk te verkleinen. De inkomenssuppletie zal nader worden uitgewerkt in een
algemene maatregel van bestuur. De inkomenssuppletie zal maximaal 20% van de theoretische
verdiencapaciteit van betrokkene bedragen en in vier jaar worden
afgebouwd. De regeling staat open voor zelfstandigen die gedeeltelijk
arbeidsongeschikt zijn, hun eigen bedrijf voortzetten en geconfronteerd worden met
een verschil tussen de werkelijke verdiensten en de theoretische
verdiencapaciteit.
Voorts is in dit
wetsvoorstel een garantieregeling voor oudere arbeidsongeschikte WAZ-verzekerden
opgenomen. Het is een feit dat de arbeidsmarktpositie van
oudere zelfstandigen c.s. zwak is. Het kabinet is van oordeel dat voor deze
groep personen een financiële prikkel gewenst is teneinde te bereiken
dat zij zich ook in de uitkeringssituatie blijven oriënteren op een
herintreding in het arbeidsproces. Dit is de reden dat, analoog aan de
voorgestelde regeling voor werknemers in het kader van de Wet Amber, voor deze
groep een specifiek op WAZ-verzekerden rblz.|47|
toegesneden garantieregeling wordt voorgesteld. Deze regeling houdt in
dat bij aanvaarding van werkzaamheden als WAZ-verzekerde de grondslag die laatstelijk
voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering gold, wordt gegarandeerd voor
de duur van vijf jaar. Dat betekent dat, indien binnen vijf jaar opnieuw
recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat dan wel de
uitkering binnen vijf jaar wordt herzien in verband met toegenomen
arbeidsongeschiktheid, de nieuwe grondslag niet minder kan bedragen dan
de grondslag die laatstelijk gold.
Voor de goede orde wordt
ten slotte opgemerkt dat de overige bepalingen tot bevordering van reïntegratie die in het kader van de
Wet Amber zijn opgenomen, ook
van betekenis kunnen zijn voor WAZ-verzekerden, voor
zover zij arbeid in dienstbetrekking gaan verrichten. Hierdoor
kunnen zij op grond van de werknemersverzekeringen in aanmerking komen voor
de in die wet voorgestelde reïntegratie-instrumenten.
Zoals in de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Pemba reeds is aangekondigd, zal het
totaal aan reïntegratiebevorderende maatregelen overigens worden
gebundeld in een Wet op de Reïntegratie [zie Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, red.].
5.2. Recht van regres op
degene die de arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt
Het regresrecht van de
uitvoeringsorganen van de sociale verzekeringen is het recht om de kosten
van een door het betrokken orgaan verstrekte uitkering te verhalen op degene die door zijn onrechtmatig handelen er de
oorzaak van is dat een
persoon een beroep moet doen op een bepaalde
socialeverzekeringsuitkering. In het huidige wettelijke systeem bestaat alleen voor de
werknemersverzekeringen een regresrecht. In het verleden is ervan afgezien om ook
voor de volksverzekeringen, zoals de AAW, een regresrecht tot stand te
brengen. Het uitgangspunt van de volksverzekeringen was dat zowel het risico
dat een verzekerde schade zou lijden was verzekerd als het risico
dat een verzekerde een schade zou veroorzaken welke zou leiden tot een uitkering of verstrekking ingevolge
één van de
volksverzekeringen.
Consequentie van dit
uitgangspunt is dat de kosten van bepaalde maatschappelijke activiteiten, bijvoorbeeld deelname aan het verkeer en
de daarmee gepaard gaande onveiligheid, voor zover die leiden tot AAW-uitkeringen voor
rekening komen van het collectief. De premies voor de sociale verzekeringen
zijn derhalve hoger dan strikt noodzakelijk is, terwijl de premies voor
de (al dan niet verplichte) aansprakelijkheidsverzekeringen relatief laag zijn, zeker
in vergelijking met de ons omringende landen. Zowel vanuit
beleidsmatige overwegingen (degene die schade veroorzaakt dient die ook
te vergoeden) als financiële overwegingen acht het kabinet een
dergelijke ruime werkingssfeer van de volksverzekeringen niet langer gewenst.
Deze overwegingen hebben
geleid tot een adviesaanvraag aan de Raad van State over een
wetsvoorstel tot uitbreiding van het regresrecht naar de volksverzekeringen. De
Raad van State heeft inmiddels negatief geadviseerd over dit wetsvoorstel, aangezien de Raad wil vasthouden aan
het oude uitgangspunt van
de volksverzekeringen.
In het kader van het
onderhavige wetgevingstraject verliest de AAW
als volksverzekering tegen
het risico van arbeidsongeschiktheid evenwel haar betekenis. Daarmee
bestaat ook geen reden meer om toepassing van het regresrecht in de arbeidsongeschiktheidsregelingen te beperken. De
totstandkoming van een afzonderlijke verzekering voor zelfstandigen c.s.
is derhalve aanleiding
om, analoog aan de WAO, ook in dit wetsvoorstel een regresrecht in te
voeren.
rblz.|48|
Het regresrecht wordt in
dit wetsvoorstel geregeld door in hoofdstuk 4 van deze wet bepalingen
op te nemen, die de relatie met het burgerlijk recht regelen en waarin
aan de bedrijfsvereniging een regresrecht wordt toegekend. Inhoudelijk is
de regeling gelijk aan die in de WAO en de daarop gebaseerde
jurisprudentie: de rechter moet bij het vaststellen van de schadevergoeding
rekening houden met de aanspraken die de verzekerde krachtens deze
wet heeft. Vervolgens kan de bedrijfsvereniging de door haar gemaakte
kosten op de schadeplichtige verhalen. Omdat het regresrecht in het
verlengde ligt van de schadevergoedingsvordering van het slachtoffer is dit
verhaal aan een maximum gebonden. De bedrijfsvereniging kan niet méér verhalen dan het bedrag dat betrokkene zou kunnen vorderen als de
betreffende sociale verzekering niet zou hebben bestaan. Dit maximum wordt het
civiel plafond genoemd. Hierbij wordt uitgegaan van een
nettoschadevergoeding, derhalve zonder heffing van belastingen en premies. Met de
invoering van een regresrecht in deze wet is een besparing van naar
schatting ƒ15 mln gemoeid.
Het Tica onderschreef het
voornemen om het regresrecht in te voeren in de voorgestelde
afzonderlijke regeling voor zelfstandigen. Het benadrukte dat het van groot belang
is dat het regresrecht in de praktijk is uit te voeren. Het Tica was van
mening dat de bestaande onduidelijkheden omtrent de omvang van het
regres van de bedrijfsvereniging niet met de WAZ worden opgelost.
Hierdoor stuit de uitoefening van het regresrecht door de
bedrijfsverenigingen naar het oordeel van het Tica in de praktijk op zeer grote
uitvoeringstechnische problemen.
Met betrekking tot de
opmerking van het Tica dat de problemen op het gebied van het
regresrecht onvoldoende zijn opgelost wil het kabinet het volgende opmerken.
Het kabinet is van mening
dat met de hier getroffen regeling de belangrijkste problemen
op het gebied van het regresrecht zijn opgelost. Het regresrecht dat in
dit wetsvoorstel is opgenomen komt overeen met dat in de WAO. Het
kernprobleem van de uitoefening van het regresrecht in het kader van de
huidige WAO is dat de berekening van het regres in een aantal gevallen
omstreden is en de opbrengst in het gunstigste geval gering. Dit wordt in
belangrijke mate veroorzaakt door het feit dat in de huidige situatie alleen
recht op regres bestaat voor zover dit uitgaat boven de AAW-verhaalsbodem.
Doordat in het kader van de wetsvoorstellen marktwerking de
verhaalsbodem, met de AAW, komt te vervallen is de berekening van de omvang
van het regesrecht ten principale een stuk eenvoudiger geworden.
Regres wordt nu mogelijk vanaf de eerste gulden tot het zogenoemde civiel
plafond. De materie wordt voorts verduidelijkt in die zin dat het
kabinet als beleidslijn heeft aangegeven dat in aansluiting op recente
jurisprudentie van de Hoge Raad uitgegaan moet worden van een
regresrecht op nettoniveau. Dit betekent uiteraard niet dat daarmee ook alle
problemen op het gebied van het regresrecht zijn opgelost. Het blijft
altijd mogelijk dat bedrijfsvereniging en aansprakelijkheidsverzekeraar
van mening verschillen over andere onderdelen van het
regres, bijvoorbeeld omtrent de mate van schuld of de voor regres in aanmerking
komende uitkeringselementen. Waar het hier gaat over individuele
schadeclaims, is het niet eenvoudig daarvoor in algemene termen regels te
stellen. Deze zouden dan op zich weer reden kunnen zijn voor nieuwe
procedures. In het kader van de versterking van de marktwerking in de
sociale verzekeringen lijkt het ook minder gewenst in dit stadium reeds tot
gedetailleerde regelgeving over te gaan. Zoals ook reeds bij de behandeling
van het wetsvoorstel Anw is aangegeven, gaat de voorkeur van het
kabinet ernaar uit om op meer algemeen niveau regels te stellen en
verwacht het kabinet dat de hoge kosten van het voeren van procedures voor partijen aanleiding zal zijn tot een collectieve
afdoening van
regresclaims te komen. In dit verband realiseert het kabinet rblz.|49|
zich dat tengevolge van
de vele problemen en procedures uit het recente verleden de verhoudingen
tussen de uitvoeringsinstellingen en de schadeverzekeraars
verstoord zijn. Dit zal moeten veranderen. Met de veel grotere rol die
particuliere verzekeraars in de sociale verzekeringen gaan spelen, mag van hen ook
verwacht worden dat zij zich ten opzichte van de uitvoeringsinstellingen
toeschietelijker opstellen. Ook omgekeerd zullen bedrijfsverenigingen de
tegenstellingen niet op de spits moeten drijven. Teneinde één en
ander te vergemakkelijken is in dit wetsvoorstel een aanknopingspunt voor
collectivering opgenomen. Het is in het belang van beide partijen om tot een
regeling over afdoening van regreszaken te komen. Het kabinet gaat ervan uit dat partijen daar gezamenlijk uit zullen komen, waarbij het Tica
wellicht een bemiddelende rol kan spelen.
6. Handhavingsaspecten
Wat betreft de
mogelijkheden voor bedrijfsverenigingen om misbruik en oneigenlijk gebruik van
de verzekering tegen te gaan valt te wijzen op de volgende aspecten.
Van groot belang is dat
het recht op en de hoogte van de uitkering adequaat kan worden
vastgesteld. Daartoe zijn in dit wetsvoorstel, in navolging van de
AAW, algemene en specifieke informatieverplichtingen
opgenomen voor de belanghebbende. Van belang is voorts dat verstrekte gegevens kunnen worden
geverifieerd, met name bij de belastingdienst. Hierin wordt voorzien
door de informatieplicht die berust op artikel 97 van de Osv.
In
dit wetsvoorstel wordt
aangesloten bij de recent ingevoerde maatregelen in het kader
van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid. Dit betekent dat in het voetspoor van deze wijzigingen ook in dit
wetsvoorstel de verplichting voor de bedrijfsvereniging om in bepaalde nader
omschreven situaties een maatregel of een boete op te leggen wordt
ingevoerd. Onderscheid wordt gemaakt tussen maatregelen en boeten.
Een maatregel wordt opgelegd bij overtreding van bepalingen die
gericht zijn op beperking van de instroom en op bevordering van de
uitstroom. Het kan niet worden geaccepteerd dat betrokkene een beroep
doet op de uitkering of dat de uitkering langer voortduurt dan feitelijk
noodzakelijk is. Ook bij overtreding van de controlevoorschriften
wordt een maatregel opgelegd.
De boete wordt geïntroduceerd voor de gevallen waarin de belanghebbende zijn rechtsplicht tot het
verstrekken van alle inlichtingen die van belang kunnen zijn voor het recht op uitkering of de hoogte daarvan niet
of niet behoorlijk is
nagekomen. Deze plicht bestaat uit het naar waarheid beantwoorden van
mondeling of schriftelijk gestelde vragen en het uit eigen beweging of
desgevraagd verstrekken van correcte en relevante informatie.
Verder wordt voorgesteld
om de uitvoeringsorganen een verplichting tot het sanctioneren op
te leggen. Ook worden enige voorstellen gedaan met betrekking tot de
herziening van de uitkering en de terugvordering van ten onrechte betaalde
uitkering.
De administratieve boete
die in geval van misbruik wordt opgelegd, komt bovenop de terugbetalingsverplichting.
De administratieve boete
moet als een criminal charge worden aangemerkt in de zin van
artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)
[Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, red.]. Dat betekent dat in elk geval de administratieve boete voor volledige
toetsing vatbaar is door een rechterlijke instantie die voldoet aan
artikel 6, eerste lid, van het EVRM, dat wil zeggen een eerlijke en openbare
behandeling binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en
onpartijdige rechterlijke instantie die bij wet is ingesteld. De geldende
rechtsgang voldoet zonder meer aan deze eisen. rblz.|50|
Daarnaast dient in de bestuurlijke fase aan een aantal eisen voldaan te
worden. In de
voorgestelde regeling zijn daarom bepalingen opgenomen met betrekking tot het
zwijgrecht van degene aan wie een boete wordt opgelegd, de plicht van
de bedrijfsvereniging om betrokkene te wijzen op het zwijgrecht in
mondelinge verhoorsituaties, tolkenhulp en een ruimere hoorplicht dan op grond
van de Algemene wet bestuursrecht nodig is.
Op de specifieke
elementen van het in navolging van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid voorgestelde boetesysteem wordt
ingegaan in de artikelsgewijze toelichting.
7. Overige onderwerpen
7.1. Rechtsbescherming
Met betrekking tot de
rechtsbescherming dient onderscheid te worden gemaakt tussen het fiscaal en het
sociaal verzekeringsrechtelijke traject.
Het fiscale traject heeft
betrekking op de premieheffing en -inning en voorziet in een verplichte bezwaarschriftprocedure alvorens beroep kan
worden ingesteld bij één van de belastingkamers van de gerechtshoven.
Het sociaal
verzekeringsrechtelijke traject ziet met name toe op de claimbeoordeling
en de
verstrekking van voorzieningen. Overeenkomstig de voorschriften van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient in deze
geschillen eerst een
verplichte bezwaarschriftprocedure te worden ingesteld alvorens een
beroep kan worden gedaan op de administratieve rechter.
In de huidige
arbeidsongeschiktheidswetten geldt thans maar voor een beperkt aantal geschillen
de verplichte bezwaarschriftprocedure. Het gaat hierbij om beschikkingen
inzake het verzekerd zijn, de verschuldigde premie en voorzieningen. Voor de overige beschikkingen is ingevolge
artikel IV, deel 6 Overgangs- en slotbepalingen van de [lees: artikel IV van
deel 6 (Overgangs- en slotbepalingen), van de, red.] Wet voltooiing eerste fase herziening
rechterlijke organisatie de invoering van de verplichte
bezwaarschriftprocedure uitgesteld tot 1 januari 1997.
Aangezien de beoogde
datum van inwerkingtreding van deze wet samenvalt met de datum
waarop de verplichte bezwaarschriftprocedure integraal in de arbeidsongeschiktheidswetten dient te worden ingevoerd,
is het niet noodzakelijk
in dit wetsvoorstel bij de thans bestaande, van de Awb afwijkende regeling
aan te sluiten.
Omdat zowel in het
fiscaal als het sociaal verzekeringsrechtelijke traject geschillen kunnen
voorkomen over bepalingen inzake de verzekeringsplicht, is voor die gevallen
voorzien in de mogelijkheid van het instellen van cassatie. Hiermee
wordt voorkomen - het Tica verwees hiernaar in zijn advies - dat
tussen de administratieve rechter en de belastingkamers verschillen in uitleg van
de betreffende bepalingen zal ontstaan.
7.2.
Informatievoorziening
In het voorafgaande is
aangegeven welke organen betrokken zijn bij de uitvoering van deze
wet.
Om hun taken en bevoegdheden adequaat te kunnen uitoefenen hebben
zij informatie nodig. De benodigde informatievoorziening valt uiteen in drie
onderdelen:
a.
informatieverplichtingen voor verzekerden;
b. gegevensuitwisseling
tussen bestuursorganen (met name belastingdienst
en bedrijfsverenigingen);
c. beleids- en toezichtsinformatie.
In het algemeen geldt dat
de informatievoorziening in het kader van de WAZ aansluit bij de
huidige situatie.
rblz.|51|
a.
Informatieverplichtingen verzekerden
Ter zake van de
premieheffing en -inning dient de verzekerde aan de belastingdienst
tijdig
inzicht te verschaffen ter vaststelling van de premieplicht en in het
behaalde c.q. verwachte verzekerde inkomen. Op basis van de behaalde
winst kan de definitief verschuldigde premiehoogte worden vastgesteld; op
basis van een schatting van het verzekerde inkomen kan een
voorlopige aanslag van te betalen premie worden opgelegd.
Wat betreft de
vaststelling van recht en hoogte van die uitkering dient de verzekerde alle
relevante informatie aan de bedrijfsvereniging te verstrekken. Vastgesteld
moet onder meer worden of betrokkene voor deze wet is verzekerd, of
sprake is van arbeidsongeschiktheid, of de wachttijd van 52 weken is
verstreken, of in het refertejaar arbeid is verricht, gericht op het
behalen van verzekerd inkomen, wat het behaalde inkomen is geweest, e.d.
Hiervoor zijn verschillende gegevens noodzakelijk. Op de verzekerden rust de
plicht om aan de bedrijfsvereniging alle gegevens en inlichtingen
te verschaffen die nodig zijn voor een correcte vaststelling van het
recht op en de hoogte van een (eventuele) uitkering. Deze verplichting is in
algemene zin geformuleerd in artikel 91 van de Osv. Daarnaast zijn in de
WAZ
algemene en specifieke inlichtingen- en medewerkingsverplichtingen
opgenomen.
Wat betreft het recht op
uitkering in verband met bevalling dient de belanghebbende zich
tijdig bij de bedrijfsvereniging te melden en een verklaring van een arts
of verloskundige over de vermoedelijke bevallingsdatum te overleggen.
De voorgestelde aanpak
brengt met zich dat, evenals nu het geval is, de verzekerde zowel gegevens
aan de belastingdienst dient te verstrekken als aan de bedrijfsvereniging, dit laatste uiteraard alleen voor zover
betrokkene aanspraak maakt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Bij een aanvraag om uitkering
zullen in principe dezelfde gegevens moeten worden overlegd die ook
reeds voor de belastingaangifte zijn gebruikt. Als er een definitieve
aanslag is vastgesteld, kan deze aanslag worden gebruikt. Uitgangspunt is
dat de bedrijfsverenigingen de noodzakelijke inkomensgegevens opvraagt
bij de personen die een uitkering aanvragen. Dit laat onverlet dat ten
behoeve van de verificatie van deze informatie de gegevens van de
belastingdienst gebruikt zullen worden. Hierop zal in het vervolg nog verder worden
ingegaan.
Op de verzekerde rust
geen verplichting om zich bij de bedrijfsvereniging te melden als verzekerde.
Van een dergelijke meldingsplicht is afgezien omdat deze extra administratieve lasten voor zowel de
zelfstandige ondernemers - de hoofdgroep van de regeling
- als de uitvoeringsorganisaties
met zich mee brengt, terwijl een afzonderlijke "verzekerdenadministratie"
voor WAZ-verzekerden een geringe toegevoegde waarde heeft. Het kabinet
meent dat het de voorkeur geniet om de belastingdienst
als de
authentieke, primaire bron voor gegevens over zelfstandige ondernemers
aan te wijzen. Voorwaarden hiervoor zijn wel dat de gegevensverzamelingen van de belastingdienst betrouwbaar en
actueel zijn en dat de benodigde gegevens op een efficiënte wijze voor de
bedrijfsverenigingen beschikbaar zijn. De gegevensverzameling van de belastingdienst voldoet
in principe aan de eerste voorwaarden. Alle bestaande ondernemingen
zijn reeds bij de belastingdienst bekend op grond van eerdere
belastingaangiften, en er kan van uit worden gegaan dat startende ondernemers
zich tijdig bij de belastingdienst kenbaar zullen maken in verband met de
fiscale voordelen die hieraan verbonden zijn. Dit betekent dat ook zonder
verplichte melding de belastingdienst beschikt over een redelijk
betrouwbaar en actueel overzicht van zelfstandige rblz.|52|
ondernemers. Indien mocht
blijken dat de betrouwbaarheid en de actualiteit van de
gegevens onvoldoende is voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van
de WAZ, zal bekeken worden of aanvullende maatregelen noodzakelijk
zijn. Wat betreft de tweede voorwaarde zij verwezen naar het
volgende onderdeel van deze paragraaf.
Het Tica merkte op dat de
inkomensgegevens die nodig zijn voor het vaststellen van de
uitkering niet als zodanig beschikbaar zijn bij de bedrijfsverenigingen.
Deze gegevens zullen hetzij opgevraagd moeten worden bij de verzekerden
zelf dan wel opgevraagd of geverifieerd moeten worden bij de belastingdienst.
Ook in de huidige
situatie dienen inkomensgegevens bij de verzekerde of de belastingdienst te
worden opgevraagd dan wel geverifieerd. In die zin stelt de introductie
van de WAZ bedrijfsverenigingen niet voor een volslagen nieuwe
situatie. Wel moet worden erkend dat de voorgestelde mogelijkheid van
middeling van inkomens over de laatste drie jaar de omvang van de benodigde
inkomensgegevens doet toenemen. Hetzelfde geldt voor het voorstel
om voortaan steeds uit te gaan van het gederfde inkomen, met als maximum
het minimumloon. Beide voorstellen zijn overgenomen uit het
eerder bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel tot nadere wijziging van de
AAW. In de huidige situatie kan
nog een AAW-uitkering
worden verstrekt, die is gerelateerd aan het minimumloon en losstaat
van het winstinkomen. In dergelijke gevallen moet thans uiteraard wel
worden vastgesteld dat sprake is van een voltijd werkende
zelfstandige, hetgeen uitvoeringstechnisch ook de nodige werkzaamheden met zich
meebrengt.
Uit het voorgaande kan de
conclusie worden getrokken dat inderdaad sprake zal zijn van een
toename van benodigde inkomensgegevens. Het kabinet onderschrijft de mening van het Tica dat de benodigde gegevens
op een zo efficiënt
mogelijke wijze beschikbaar moet zullen zijn. In het volgende onderdeel zal
hierop worden ingegaan.
b. Gegevensuitwisseling
tussen bestuursorganen
Het beleid van het
kabinet is erop gericht om door middel van gegevensuitwisseling tussen bestuursorganen te bewerkstelligen dat
sociale verzekeringen en voorzieningen rechtmatig en doelmatig kunnen worden uitgevoerd. Met
het oog hierop zijn in verschillende socialezekerheidswetten
bepalingen opgenomen die bestuursorganen verplichten dan wel de
bevoegdheid geven desgevraagd gegevens aan elkaar en aan derden te
verstrekken.
Deze bepalingen zijn
onverkort van toepassing op de in het kader van de WAZ noodzakelijke
gegevensverstrekkingen tussen bestuursorganen. Concreet gaat het hierbij
om de volgende gegevensstromen:
- de belastingdienst is
op grond van artikel 97 Osv verplicht om de bedrijfsverenigingen en
uitvoeringsinstellingen alle gegevens te verschaffen die zij nodig
hebben voor de uitvoering van de wet;
- de
bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen zijn verplicht om de belastingdienst alle
noodzakelijke gegevens te verstrekken krachtens de algemene maatregel van
bestuur op grond van artikel 103 Osv;
- in dezelfde algemene
maatregel van bestuur is ook vastgelegd aan welke andere organen de
bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen gegevens mogen dan wel moeten verstrekken.
Het Tica wees erop dat de
belastingdienst op grond van artikel 97 Osv verplicht is de bedrijfsverenigingen en
uitvoeringsinstellingen alle
gegevens te verschaffen
die zij nodig hebben voor uitvoering van deze wet, maar dat de wijze
waarop dit moet geschieden niet is vastgelegd. rblz.|53|
Vanuit
doelmatigheidsoverwegingen achtte het Tica het gewenst dat alle gegevens vanuit
één centraal punt of één directe verbinding beschikbaar zijn.
Het kabinet is met het
Tica van mening dat een efficiënte en effectieve opzet van de gegevensuitwisseling tussen de
belastingdienst en de
bedrijfsverenigingen onontbeerlijk is. Zoals hiervoor is aangegeven, maken de
bedrijfsverenigingen bij de uitvoering van de WAZ in belangrijke mate gebruik van gegevens
die de belastingdienst over zelfstandige ondernemers verzamelt en
beheert. In principe gaat het kabinet ervan uit dat de betrokken
organisaties zelf verantwoordelijk zijn voor het bepalen van de wijze waarop de
informatie-uitwisseling dient plaats te vinden. Wel moet in acht worden
genomen dat het beleid van het kabinet er nadrukkelijk op gericht is om de
gegevensuitwisseling tussen bestuursorganen zoveel mogelijk langs elektronische weg te laten verlopen. Uitgangspunt
hierbij is het zogeheten RINIS-concept. RINIS (Routeringsinstituut (Inter)nationale Informatiestromen) is naar de mening van het kabinet een noodzakelijke
voorwaarde om te komen tot een efficiënte en doeltreffende
elektronische gegevensuitwisseling, niet alleen tussen de belastingdienst en de
bedrijfsverenigingen, maar in het algemeen tussen bestuursorganen. In het
afstemmingsoverleg tussen het Tica, bedrijfsverenigingen en de belastingdienst
zullen, in lijn met het kabinetsbeleid, afspraken moeten worden gemaakt over de gegevensuitwisseling in het
kader van de WAZ.
c. Beleids- en
toezichtsinformatie
Van belang zijn voorts de
noodzakelijke informatiestromen vanuit de uitvoeringsorganisaties
in de richting van het Tica, de toezichthouder en de centrale overheid. Ook
hierbij geldt dat de uitvoeringsorganisaties op grond van de bestaande
regelingen reeds verplicht zijn om de benodigde informatie te leveren.
Het Tica is
verantwoordelijk voor het vaststellen van het premiepercentage en voor het beheer en de
administratie van het WAZ-fonds. Om deze taken adequaat te kunnen uitvoeren zal het Tica informatie moeten
verkrijgen van zowel de bedrijfsverenigingen als de belastingdienst.
De belastingdienst zal
het Tica inzicht moeten geven in de omvang van de verzekerdenpopulatie
en de hoogte van de verzekerde winstsom. Tevens zullen er gegevens
over de uitvoeringskosten moeten worden geleverd. De informatie
die het Tica van de bedrijfsverenigingen nodig heeft, betreft
voornamelijk het aantal verstrekte uitkeringen, de uitkeringslasten en de uitvoeringskosten
per bedrijfsvereniging.
Het
Ctsv is belast met
het toezicht op de uitvoering van de WAZ. In verband hiermee heeft het
Ctsv volume- en financiële gegevens nodig over zowel de
premieheffing als de uitkeringsverstrekking. Daarnaast zullen de
bedrijfsverenigingen en de belastingdienst informatie dienen te verstrekken over de wijze
waarop de WAZ wordt uitgevoerd. Belangrijke onderwerpen hierbij zijn
handhaving en de volumebeheersing door bedrijfsverenigingen. Het
Ctsv houdt ook toezicht op de doelmatigheid van de uitvoering.
Hiervoor heeft het College informatie nodig met betrekking tot de uitvoeringskosten van de bedrijfsverenigingen en de
belastingdienst.
De centrale overheid
heeft informatie nodig om haar beleid te kunnen ontwikkelen en evalueren.
De informatiebehoeften van de overheid betreffen in principe
alle aspecten van de WAZ. In de huidige situatie is het
Ctsv belast met de
informatietaak op het terrein van de sociale verzekeringen en
verkrijgt de overheid de benodigde beleidsinformatie rblz.|54|
over de distribuerende
kanten van de WAZ primair via het Ctsv. De beleidsinformatie over
premieheffing en -inning is afkomstig van de belastingdienst.
In het kader van het
wetsvoorstel post-nOsv [zie Osv
1997 en Wet SUWI, red.]
zal worden voorgesteld om de informatietaak van het
Ctsv over te hevelen naar de rechtsopvolger van het Tica. Deze wordt dan
verantwoordelijk voor het verzamelen en beschikbaar stellen van beleidsinformatie over de uitvoering van (onder
andere) de WAZ. De
consequenties van deze verandering zullen in het invoeringstraject van het
wetsvoorstel post-nOsv worden meegenomen.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1. Algemene
begrippen
In dit artikel worden
enkele begrippen die in deze wet nog vaker terugkomen, omschreven.
Artikel
2. Begrip
arbeidsongeschiktheid
Wat de omschrijving van
het begrip arbeidsongeschiktheid betreft, is in het algemeen gedeelte van
deze memorie reeds aangegeven dat het de bedoeling is om geen wijziging aan te brengen op dit punt. Daarom is het
arbeidsongeschiktheidscriterium,
zoals dat reeds in de AAW
gold, qua strekking niet aangepast.
Het
arbeidsongeschiktheidsbegrip is één van de centrale begrippen uit dit
wetsvoorstel. Aan de
hand van de vraag of, en zo ja, in welke mate de verzekerde als arbeidsongeschikt is aan te merken, wordt bepaald welk
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat en hoe hoog de aanspraken van de
verzekerde zijn. In het arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat onder andere in
artikel 5 van de AAW
is neergelegd, wordt
arbeidsongeschiktheid, geheel of gedeeltelijk, geformuleerd als het
"als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of
gedeeltelijk niet in staat zijn om met arbeid te verdienen hetgeen
gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse
waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan
met arbeid gewoonlijk verdienen" (artikel 5, eerste lid). Deze zinsnede is opgenomen bij gelegenheid van de
Wet
terugdringing beroep op
de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA). In het achtste lid van
artikel 5 worden zwangerschap en bevalling met ziekte gelijkgesteld.
In verband met de opname
in dit wetsvoorstel van dit arbeidsongeschiktheidscriterium
behoeft dat laatste onderdeel nadere aandacht, aangezien ten
opzichte van het AAW-criterium een tekstuele wijziging heeft plaatsgevonden.
De gelijkstelling van
zwangerschap en bevalling met ziekte spoort niet met het gangbare
spraakgebruik en handhaving daarvan is bovendien voor de toepassing van de
relevante wetsbepaling niet nodig. Het niet handhaven van de
gelijkstelling komt voorts overeen met de in de Wet uitbreiding
loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) opgenomen bepaling, strekkend tot
schrappen van de gelijkstelling. Het is evenwel geenszins de bedoeling om
een persoon die als gevolg van zwangerschap of bevalling
arbeidsongeschikt is uit te sluiten van WAZ-uitkering. Daarom is in het eerste en
tweede lid "ziekte of gebreken" aangevuld met "zwangerschap of
bevalling". Daarmee wordt bereikt dat de vrouwelijke
verzekerde die als gevolg
van zwangerschap of bevalling arbeidsongeschikt is geworden, onder
gelijke voorwaarden als verzekerden die als gevolg van ziekte of
gebreken arbeidsongeschikt zijn geworden, in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De betekenis van het
tweede en derde lid kan als volgt worden rblz.|55|
toegelicht. Als er bij aanvang van de verzekering sprake is van bijvoorbeeld
50% arbeidsongeschiktheid en de verzekerde werkt 19 uur per week, dan wordt op grond van
het tweede lid bij de bepaling van het zogenoemde maatmaninkomen
(soortgelijke persoon) en de resterende verdiencapaciteit
uitgegaan van 19 uur per week. Indien na verloop van tijd de
arbeidsgezondheidskundige toestand van deze verzekerde verbetert en hij meer
uren, bijvoorbeeld 30, per week kan werken, zal de verzekerde naar zijn verminderde arbeidsongeschiktheid worden
beoordeeld. Zijn arbeidsongeschiktheidspercentage vermindert dan, uitgaande van de
oorspronkelijke gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Dat vloeit voort uit het
derde lid. Neemt daarna de arbeidsongeschiktheid weer toe, bijvoorbeeld
tot 30 uur, dan wordt bij de maatman en de resterende
verdiencapaciteit niet uitgegaan van 20 uur, maar van 30 uur per week.
Het vierde lid van het
overeenkomstige artikel 5 van de AAW
is in dit artikel niet overgenomen,
aangezien voor deze wet dat lid betekenis mist.
Ten aanzien van het
vierde lid van dit artikel kan worden opgemerkt dat alle algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden
in staat is moet worden betrokken bij de vraag of, en zo ja, in
welke mate de verzekerde arbeidsongeschikt is. Dat betekent dat bij de
toepassing van het arbeidsongeschiktheidscriterium uitsluitend relevant is
wat de verzekerde nog kan doen en niet wat hij vroeger gekund en gedaan
heeft. Bij de vraag wat de verzekerde nog aan arbeid kan verrichten is
van belang de arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is. Dat de arbeid op iemands krachten moet zijn
berekend, betekent dat de belasting van de betrokken arbeid de belastbaarheid
van de persoon niet te boven mag gaan. De bekwaamheden zien op de
functie-eisen, zoals opleiding, ervaring en vaardigheden die voor de
betrokken arbeid nodig zijn. Voor zelfstandigen betekent deze
omschrijving van het begrip arbeid dat bij de vaststelling van de
arbeidsongeschiktheid niet alleen wordt gekeken naar arbeid als zelfstandige, maar ook
naar functies in loondienst. Zoals in paragraaf 4.4 van het algemeen deel van
deze toelichting reeds naar voren is gebracht, wordt echter bij de vaststelling van het maatmaninkomen alleen gekeken
naar de inkomsten die als verzekerde zijn genoten en niet naar eventuele
werkzaamheden die
betrokkene niet als verzekerde heeft verricht. De uitkeringsgrondslag wordt
dan uitsluitend gerelateerd aan het winstinkomen en niet meer aan overig
inkomen uit of in verband met arbeid.
In het geval
arbeidsongeschiktheid ontstaat uit één werkzaamheid als verzekerde, kan de mate
van die arbeidsongeschiktheid zonder meer worden bepaald op basis van het verschil tussen het maatmaninkomen en
de resterende
verdiencapaciteit. Anders is dat wanneer ter zake van meer dan één werkzaamheid
arbeidsongeschiktheid ontstaat. Te denken valt daarbij onder meer aan
het tezelfdertijd intreden van arbeidsongeschiktheid uit arbeid als
zelfstandige en als werknemer of een volgtijdelijke samenloop
van een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet en
een ontstaan van een recht op WAO-uitkering. Het
berekenen van de resterende verdiencapaciteit zou in zo’n geval niet
rechtvaardig kunnen uitwerken indien deze volledig zou worden afgemeten aan
zowel de arbeid als zelfstandige als de arbeid als werknemer. Voor situaties
als deze dienen afwijkende regels te kunnen worden gesteld met
betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid en met name de toerekening
van de resterende verdiencapaciteit. Het negende lid voorziet
daarin.
Artikel
3. De verzekerde
Met dit artikel wordt de
kring van verzekerden afgebakend. Met betrekking tot die kring
wordt, wat de zelfstandigen betreft, grotendeels aangesloten bij de Wet op
de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB). In artikel 4
rblz.|56|
wordt verder uitgewerkt
wie als zelfstandige wordt aangemerkt. De tweede categorie
verzekerden - nader uitgewerkt in artikel 5 - wordt gevormd door de
beroepsbeoefenaren, zijnde personen die anders dan uit hoofde van een
dienstbetrekking in de zin van de WAO
inkomen uit tegenwoordige arbeid
verwerven als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De derde
categorie verzekerden wordt gevormd door meewerkende echtgenoten. Dat zijn die personen die echtgenoot of
partner zijn van een zelfstandige en in diens bedrijf arbeidsinbreng leveren. In
artikel 6
wordt het begrip meewerkende echtgenoot nader uitgewerkt.
Tevens zijn verzekerd
degenen die niet meer als verzekerde werkzaam zijn. Het gaat daarbij
allereerst om diegenen die geen arbeid meer verrichten wegens
ontstane arbeidsongeschiktheid. Dat zijn de personen die arbeidsongeschikt
zijn geworden en uit dien hoofde hun werkzaamheden niet meer (geheel)
verrichten, maar nog geen recht op uitkering hebben in verband met het
feit dat zij niet eerder dan na 52 weken arbeidsongeschiktheid een
uitkering kunnen krijgen. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de
verzekerde na de wachttijd van 52 weken geen recht op uitkering heeft, omdat
hij op dat moment niet arbeidsongeschikt is. Artikel
7, vijfde lid,
bepaalt dat in dat geval toch recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
ontstaat indien betrokkene binnen vier weken na afloop van de
wachttijd alsnog arbeidsongeschikt is. Gedurende het tijdvak van die vier
weken moet, als betrokkene geen arbeid verricht, toch worden bepaald dat
deze persoon als verzekerde wordt aangemerkt. Daarin voorziet het
tweede lid, onderdeel b. Artikel 20 geeft nog een ruimere termijn waarbinnen een uitkering kan worden toegekend, na een
aanvankelijke intrekking
of niet-toekenning. Ook de persoon die op grond van dat artikel recht
heeft op heropening of toekenning van uitkering wordt als verzekerde
aangemerkt. Eén en ander is geregeld in het tweede lid, onderdeel d en
e.
Een volgende categorie personen die verzekerd is wordt gevormd door de
personen die recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
(tweede lid, onderdeel c). Hierbij kan worden opgemerkt dat het
niet van belang is of ook daadwerkelijk uitkering wordt ontvangen. Het kan zijn dat een uitkering niet tot
uitbetaling komt omdat de bedrijfsvereniging bijvoorbeeld een sanctie oplegt of de uitkering
niet wordt betaald omdat inkomsten worden genoten die in mindering
worden gebracht op de uitkering (zie artikel 57 [58], eerste lid, onderdeel a).
Ook personen die recht hebben op een bevallingsuitkering op grond van deze wet
zijn verzekerd. Het is van belang om te bepalen dat genoemde
groepen personen ook als verzekerd worden aangemerkt. Aan het
verzekerd zijn is namelijk een aantal rechten en verplichtingen gekoppeld,
zoals een recht op verhoging van de uitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid, de mogelijkheid om
in aanmerking te komen
voor een werkvoorziening en een verplichting tot naleving van bepaalde
door de bedrijfsvereniging gestelde voorschriften.
Voor alle duidelijkheid
kan met betrekking tot dit artikel nog worden opgemerkt dat het niet zo
is dat iemand ofwel verzekerd is op basis van het eerste lid, ofwel op basis van het tweede lid. Het verzekerd zijn op
basis van het eerste lid
sluit het verzekerd zijn op basis van het tweede lid niet uit. Andersom geldt
dat evenzeer. Het is mogelijk dat een persoon recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en daarnaast verzekerde werkzaamheden
verricht. Alsdan is hij als uitkeringsgerechtigde verzekerd op grond van
het tweede lid en wat zijn werkzaamheden betreft op grond van het
eerste lid.
In het derde lid is
- net als bij de overige socialeverzekeringswetten
- de mogelijkheid opgenomen
om bij algemene maatregel van bestuur de kring van verzekerden uit
te breiden dan wel te beperken.
rblz.|57|
Artikel
4. Zelfstandige
In dit artikel wordt het
begrip "zelfstandige" nader uitgewerkt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt
tussen de persoon die in Nederland woont en degene die niet in
Nederland woont, maar wel in Nederland een bedrijf of beroep uitoefent. In het
eerste lid, onderdeel a, wordt aangesloten bij het ondernemersbegrip voor de
binnenlandse belastingplicht. Het gaat om de persoon die in Nederland
woont en die winst geniet als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 2,
Wet IB. Winst kan zowel positief als negatief (verlies) zijn.
Voor de zelfstandige die
niet in Nederland woont, maar wel zijn onderneming in Nederland
drijft, verwijst artikel 4, eerste lid, onderdeel b, naar artikel 49, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet IB. Dat artikel betreft hetgeen een in Nederland
wonende persoon geniet als winst uit binnenlandse onderneming, zijnde het
bedrag aan gezamenlijke voordelen die worden verkregen uit een
onderneming die, of een gedeelte van een onderneming dat wordt
gedreven door een in Nederland aanwezige vaste inrichting of vaste
vertegenwoordiger. Door verwijzing naar artikel 48, vierde lid, worden de
bepalingen over winst uit onderneming als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling
2, Wet IB van overeenkomstige toepassing verklaard.
Voorgaande omschrijving
van het begrip zelfstandige impliceert dat een onderneming die in handen
is van een rechtspersoon, zoals een naamloze vennootschap of een
besloten vennootschap, niet wordt aangemerkt als onderneming, door een
natuurlijk persoon gedreven. Verder geldt de verzekeringsplicht alleen
de zelfstandige, jonger dan 65 jaar. Deze grens sluit aan bij wat binnen
de sociale verzekeringen gebruikelijk is.
Artikel
5. Beroepsbeoefenaar
De tweede categorie
verzekerden - de beroepsbeoefenaren - zijn personen die anders dan
uit hoofde van een dienstbetrekking in de zin van de WAO
inkomen uit tegenwoordige arbeid verwerven als bedoeld in de
Wet op de
inkomstenbelasting 1964 (Wet IB). Het betreft hier onder meer alfahulpen, ander
huishoudelijk personeel werkzaam op minder dan drie dagen per week,
geestelijken en meewerkende echtgenoten van zelfstandigen die wel een
arbeidsbeloning ontvangen.
Artikel
6. Meewerkende
echtgenoot
De groep meewerkende
echtgenoten bestaat uit de echtgenoten of de ongehuwde partners die - anders dan in dienstbetrekking, als zelfstandige of als beroepsbeoefenaar
- meewerken in het bedrijf of beroep van hun echtgenoot of levenspartner. Een situatie waarin geen arbeidsbeloning
wordt ontvangen kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de zelfstandige ten aanzien van de
arbeidsinbreng van zijn echtgenoot fiscale meewerkaftrek in de zin van artikel
44n
van de Wet IB geniet.
Evenals ten aanzien van
de zelfstandige geldt dat de meewerkende echtgenoot en de daarmee
gelijkgestelde persoon jonger dan 65 jaar moet zijn.
De in het tweede lid
neergelegde uitzondering "tenzij het personen betreft tussen wie
bloedverwantschap in de eerste graad bestaat" vloeit voort uit het voorstel
tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet en een aantal andere
wetten,
waarin de desbetreffende bepaling van het partnerbegrip op
overeenkomstige wijze gestalte is gegeven. De overweging om de
uitzondering voor bloedverwanten in de eerste of tweede graad te vervangen
door een uitzondering alleen voor bloedverwanten in de eerste graad, is in
dat voorstel nader toegelicht.
rblz.|58|
Artikel
7. Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering
In dit artikel wordt het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering geregeld, een recht dat
uitsluitend kan ontstaan als de betrokkene op het moment waarop zijn arbeidsongeschiktheid intrad verzekerd was. Van
belang is hierbij op te
merken dat niet gedurende de volledige 52 weken vóór het intreden van de
arbeidsongeschiktheid arbeid als verzekerde hoeft te zijn verricht.
Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat iemand gedurende een aantal jaren als
werknemer werkzaam is geweest en vervolgens als zelfstandige aan de slag
is gegaan. Mocht deze persoon na een aantal maanden arbeidsongeschikt
raken, dan verhindert het eerste lid van dit artikel het ontstaan van
een recht op uitkering op grond van deze wet niet. Met het oog daarop is in
het eerste lid in ruime zin aangegeven dat arbeid in het bedrijfs- of
beroepsleven moet zijn verricht, gericht op het verwerven van winst of inkomsten.
Wat het tijdstip van
ingang van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft, is goeddeels
aangesloten bij hetgeen de AAW
reeds regelde. Er bestaat een wachttijd van 52 weken, waarbij perioden van
arbeidsongeschiktheid die
elkaar met onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, worden
bijeengeteld. De arbeidsongeschiktheid moet ook na ommekomst van het
tijdvak van 52 weken voortduren. Arbeidsongeschiktheid van de verzekerde die
bestaat voordat hij 17 jaar is geworden, wordt eveneens
meegeteld. Een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
kan dus eerder ingaan dan het moment waarop de verzekerde 18
jaar wordt. Ten aanzien van de vrouwelijke verzekerde die recht
heeft op uitkering in verband met bevalling gedurende ten minste zestien
weken is in het vierde lid van dit artikel geregeld dat die periode meetelt
voor de wachttijd van 52 weken.
Als na ommekomst van de
wachttijd blijkt dat de verzekerde op dat moment niet arbeidsongeschikt is, komt hij toch in aanmerking voor
arbeidsongeschiktheidsuitkering
als hij binnen vier weken weer arbeidsongeschikt is. Het gaat hierbij om
vier onafgebroken weken. Wanneer niet binnen vier weken arbeidsongeschiktheid intreedt, gaat bij daarna
intredende
arbeidsongeschiktheid een nieuwe wachttijd van 52 weken in. Op grond van het zesde
lid wordt arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% niet aangemerkt als arbeidsongeschiktheid in de zin van deze wet.
Artikel
8. Grondslag van
de uitkering
Ten aanzien van de hoogte
van de uitkering is voor een belangrijk deel aangesloten bij de
regeling zoals deze is voorgesteld in het wetsvoorstel tot wijziging van de
AAW
(Kamerstukken II 1992-1993, 22 968). Uitgegaan wordt van het beginsel
van feitelijke inkomstenderving, waarbij een maximumgrens is aangelegd waarover uitkering kan worden vertrekt. De uitkering wordt
gerelateerd aan de inkomsten die als verzekerde feitelijk zijn verworven in het
boek- of kalenderjaar voorafgaande aan het intreden van de
arbeidsongeschiktheid. Als middeling van de inkomsten over de laatste drie boek- of
kalenderjaren vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid leidt tot een hoger
bedrag aan inkomsten per jaar, wordt dat hogere bedrag als uitkeringsgrondslag gehanteerd. Bij algemene
maatregel van bestuur
(AMvB) op basis van het tiende lid zullen overigens nog nadere regels worden
gesteld omtrent winst en inkomsten, waarbij bepaalde inkomstenbronnen
onder het winst- of inkomstenbegrip vallen dan wel daarvan worden
uitgesloten, alsmede over de periode waarover de uitkeringsgrondslag
berekend moet worden.
Ten aanzien van
meewerkende echtgenoten bij wie geen sprake is van direct aanwijsbare
inkomsten, zal aan de hand van nadere regels moeten worden bepaald wat de
inkomsten van deze verzekerde zijn geweest. Deze vaststelling kan bijvoorbeeld, als ten aanzien van de arbeidsinbreng
fiscale meewerkaftrek
wordt genoten, plaats vinden aan de hand van de rblz.|59|
hoogte van de door de
zelfstandige opgevoerde meewerkaftrek. Deze meewerkaftrek is namelijk
afhankelijk van het aantal uren arbeidsinbreng van de echtgenoot en
voorts gerelateerd aan de winst die de zelfstandige behaalt. Verder zal bij
de vaststelling van de inkomsten van de meewerkende echtgenoot een
vergelijking met het loon dat een werknemer met dit werk over dat aantal
uren verdient, kunnen worden gemaakt. Daarmee kan tot een reële
grondslagvaststelling voor meewerkende echtgenoten worden gekomen. De nadere
regelgeving met betrekking tot inkomsten van de meewerkende
echtgenoot zal plaatsvinden in genoemde AMvB op grond van het tiende lid.
De grondslag bedraagt
maximaal het minimumloon. Op grond van het zevende lid wordt
daaronder verstaan het minimumloon per maand dat voor de betrokkene geldt
uit hoofde van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag,
gedeeld door 21,75.
Artikel
9. Percentage
arbeidsongeschiktheidsuitkering
De hoogte van de
uitkering is niet alleen afhankelijk van de grondslag, maar tevens van de mate
van arbeidsongeschiktheid. Deze wet kent, evenals de
AAW, zes arbeidsongeschiktheidsklassen. Tot 25% arbeidsongeschiktheid
bestaat geen recht op
uitkering, gelet op het feit dat op grond van artikel
7,
zesde lid, arbeidsongeschiktheid tot dat percentage buiten beschouwing
blijft. De klassen beginnen dus te lopen vanaf 25% arbeidsongeschiktheid. De
maximale arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt 70% van de
grondslag, bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100.
Indien een
uitkeringsgerechtigde door bijvoorbeeld studie nieuwe bekwaamheden verwerft en
met deze bekwaamheden aan de slag gaat, leidt het rekening houden met die nieuw verkregen bekwaamheden
ertoe
dat bij de nadere
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid een vergelijking wordt
gemaakt met een persoon die diezelfde bekwaamheden bezit.
Zoals bij de vaststelling
van de arbeidsongeschiktheid in eerste aanleg wordt gekeken naar de
krachten en bekwaamheden die een verzekerde heeft voor het verrichten
van algemeen geaccepteerde arbeid, zo is het ook van belang deze gedurende de loop van het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering
te bezien. Daarin wordt voorzien door herbeoordeling van de
verzekerde. Een scholing of opleiding kan tevens bijdragen tot verhoging
van de bekwaamheden. Uiteindelijk kunnen deze zodanig zijn dat deze
leiden tot intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke intrekking
overigens niet eerder ingaat dan één jaar na afronding van die
scholing of opleiding (zie artikel 19). Ingeval de verzekerde een voor hem
wenselijk geachte scholing of opleiding weigert te volgen of de goede
afronding daarvan tegenwerkt, worden hem de bekwaamheden toegerekend
als had hij de scholing of opleiding afgerond. Hij wordt
alsdan in dezelfde situatie gebracht als de verzekerde die wel door middel van
scholing of opleiding werkt aan verhoging of uitbreiding van zijn
bekwaamheden. In de artikelen 12, vijfde lid en
19, tweede lid, wordt
geregeld dat in zo’n geval de uitkering kan worden herzien of ingetrokken.
Artikel
10. Verhoging
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Met dit artikel wordt een
tegemoetkoming geregeld voor de verzekerde die extra kosten maakt in
verband met oppassing en verzorging. De tegemoetkoming bestaat uit een verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
tot de grondslag. Het gaat om de verzekerde die ten minste
80% arbeidsongeschikt is en voorlopig blijvend hulpbehoevend is. Wordt
de verzekerde in deze toestand opgenomen in rblz.|60|
een inrichting en worden
de kosten van verblijf in die inrichting door een verzekeraar betaald, dan
geldt de verhoging van de uitkering niet.
Artikel
11. Buiten
aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid
Met dit artikel wordt in
een tweetal situaties de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging
geschapen om arbeidsongeschiktheid (al dan niet volledig) buiten aanmerking te laten. Allereerst geldt dat voor gehele
arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Ingeval sprake is van gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering, geldt artikel
2, tweede
lid. Voorts kan gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing
worden
gelaten, die binnen een halfjaar na aanvang van de
verzekering intreedt, als deze naar medische maatstaven voorzienbaar
was. Het is in dit verband niet relevant of de verzekerde het ontstaan
van de arbeidsongeschiktheid zelf voorzag.
De mogelijkheid voor de
bedrijfsvereniging om arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten bestaat ook wanneer er sprake is van toegenomen
arbeidsongeschiktheid die voorvloeit uit dezelfde oorzaak
als de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid die buiten aanmerking kon worden gelaten. Deze
bevoegdheid bij toename geldt ongeacht of de bedrijfsvereniging van
haar eerdere bevoegdheid ten aanzien van de ingetreden
arbeidsongeschiktheid gebruik heeft gemaakt.
Op grond van artikel 2,
tweede lid, kan de verzekerde die bij aanvang van de verzekering al
gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, nog slechts voor zijn resterende arbeidsongeschiktheid recht krijgen op uitkering. Dit geldt
ook ten aanzien van de verzekerde bij wie gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
buiten aanmerking is
gelaten op grond van het eerste lid. Uit het feit dat nog slechts
de resterende arbeidsongeschiktheid als basis voor het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering dient, vloeit voort dat alleen de mate waarin de
resterende arbeidsgeschiktheid is afgenomen, bepalend is voor het vast
te stellen arbeidsongeschiktheidspercentage. Wanneer de resterende
arbeidsgeschiktheid geheel is weggevallen, is er alsdan sprake van gehele
arbeidsongeschiktheid.
Artikelen
12 tot en met 15.
Herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
Deze vier artikelen
regelen de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze artikelen komen overeen met
hetgeen in de artikelen
26 tot en met 29 van de AAW
is opgenomen. Artikel 12 geeft het
uitgangspunt aan. De uitkering wordt herzien wanneer de verzekerde op grond
van enige bepaling in deze wet voor een hogere of een lagere uitkering
in aanmerking komt. Zo’n herziening kan plaatsvinden gedurende de gehele
looptijd van het recht op uitkering. De bedrijfsvereniging beoordeelt in ieder geval binnen
één jaar na ingang
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of er gronden zijn tot herziening
van de uitkering. Het is
mogelijk dat een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voor
hem gewenste scholing of opleiding juist door het volgen daarvan minder arbeidsongeschikt wordt. Het vijfde lid van
artikel 12 voorkomt dat
in een dergelijk geval de uitkering tijdens de duur van de opleiding of
scholing wordt herzien. Door verwijzing naar artikel
9, derde lid, wordt
overigens wel bewerkstelligd dat herziening tijdens de opleiding of scholing wel
mogelijk is indien betrokkene onvoldoende meewerkt aan het bereiken
van een gunstig resultaat daarvan. Wel kan worden opgemerkt dat een
herziening wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid tijdens het volgen van
opleiding of scholing mogelijk blijft.
In artikel 13 worden
regels gesteld ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid ten
aanzien van de verzekerde die minder dan 45% arbeidsongeschikt is.
Herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 13
vindt plaats zodra de toeneming van de arbeidsongeschiktheid rblz.|61|
52 weken
heeft geduurd. Voorwaarde daarbij is dat de toeneming voortvloeit uit dezelfde oorzaak als die welke aan de eerder
toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag lag. Komt de toeneming kennelijk
voort
uit een andere oorzaak, dan vindt geen herziening plaats. Wel
vindt herziening plaats ook al is er sprake van een kennelijk andere
oorzaak
als de uitkeringsgerechtigde, naast zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering,
arbeid als bedoeld in artikel 7, eerste lid, verricht op het moment
dat de arbeidsongeschiktheid intreedt, of heeft verricht in de 52 weken
vóór de toeneming van de arbeidsongeschiktheid. Het voorgaande impliceert
dus dat herziening niet plaats vindt als hij deze arbeid niet in die 52
weken heeft verricht en er is sprake van een kennelijk andere oorzaak die aan de
toeneming ten grondslag ligt. Bij het herzieningsregime op
grond van dit artikel geldt, evenals in artikel
7, derde lid, dat arbeidsongeschiktheidsperioden die elkaar met onderbreking
van minder dan vier weken
opvolgen worden samengeteld.
Artikel 14 geeft regels
met betrekking tot herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
van de verzekerde die 45% of meer arbeidsongeschikt is. De
regeling vervat in de artikelen 13 en 14 vindt geen toepassing bij
toename van de arbeidsongeschiktheid binnen vier weken na ingangsdatum van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering of herziening. Alsdan geldt artikel
15.
Artikel
16. Herziening
bij toeneming arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar
Dit artikel komt overeen
met artikel 29a van de AAW, zoals ingevoerd met de Wet
Amber. Dit
artikel bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien zodra de
toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken
heeft geduurd. Voorwaarde is dat de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid moet zijn ingetreden binnen vijf jaar na de datum van toekenning van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de herziening van de
uitkering en dat de toeneming van de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde
oorzaak als die welke ten grondslag lag aan de bestaande
uitkering. De termijn van vijf jaar hangt samen met de plicht van de
bedrijfsverenigingen om dossiers vijf jaar te bewaren. Voor de bepaling van de
wachttijdperiode van vier weken geldt op grond van het tweede lid de regel
dat perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid bij elkaar worden
opgeteld wanneer zij elkaar met tussenpozen van minder dan vier weken opvolgen. Hieruit volgt dat bij onderbrekingen
van langer dan vier weken
een nieuwe wachttijdperiode van vier weken aanvangt. Het, anders dan
in de AAW, gekozen tijdvak van vier weken sluit aan bij de
overeenkomstige tijdvakken die in deze wet zijn opgenomen.
Het kan voorkomen dat
zowel recht op herziening bestaat op grond van artikel 13 als op grond
van dit artikel 16. Waar sprake is van zo’n samenloop van mogelijkheden wordt toepassing gegeven aan dit artikel,
nu op die grond eerder recht op herziening bestaat. In verband hiermee is
bepaald dat herziening op
grond van dit artikel plaatsvindt in afwijking van artikel
13. Indien
herziening op basis van dit artikel plaatsvindt, hoeft geen herziening op basis
van artikel 13 meer plaats te vinden. Dat maakt overigens
artikel 13 niet
overbodig, omdat dat artikel uiteraard nog toepassing dient te
vinden in gevallen waarin sprake is van toeneming van de arbeidsongeschiktheid na afloop van de in dit artikel genoemde vijf
jaar.
Het kan zonder nadere
voorziening ook voorkomen dat zowel recht op herziening bestaat op
grond van dit artikel als op grond van artikel
14. In het kader van artikel
14
is de oorzaak van de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet relevant, terwijl de
toepassing van dat artikel niet is gebonden aan een termijn
van vijf jaar. In dit geval levert toepassing van artikel 16 geen extra
voordeel op. In verband hiermee is bepaald dat dit artikel geen toepassing
vindt indien recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van artikel 14.
rblz.|62|
Evenmin vindt dit artikel toepassing indien recht op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
bestaat op grond van artikel 15, onderdeel a tot en met c.
Toepassing van laatstgenoemd artikel werkt gunstiger uit dan
toepassing van dit artikel, aangezien de herziening van de uitkering dan direct
ingaat, in plaats van na vier weken.
Artikel
17. Hernieuwde
grondslagvaststelling bij toeneming arbeidsongeschiktheid
Als bij toeneming van de
arbeidsongeschiktheid herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
aan de orde is, vindt hernieuwde grondslagvaststelling plaats als dat leidt tot een hogere grondslag. Dit kan aan de orde
zijn als
de verzekerde met zijn restcapaciteit hogere arbeidsinkomsten is gaan verwerven dan hij ontving voorafgaand aan het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid.
Artikel
18. Overige
gronden voor herziening of intrekking
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248 (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid) opgenomen artikel
26a van
de AAW. Dit artikel laat onverlet de uit hoofde van andere bepalingen voortvloeiende herziening of intrekking. Mogelijkerwijs
bestaat in een concreet
geval samenloop met andere bepalingen inzake herziening of
intrekking. Alsdan verdient het de voorkeur om in één beschikking ter zake de
betrokken onderdelen te noemen. Dit artikel kan overigens ook ter
reparatie dienen, namelijk als andere bepalingen geen volledig uitsluitsel
kunnen bieden in de toepassing. Het artikel maakt geen onderscheid tussen
gevallen waarin eigen toedoen van de verzekerde een rol speelt en gevallen
waarin daarvan geen sprake is, maar het de verzekerde duidelijk kon
zijn dat er met de toegekende uitkering iets mis was. In het laatste geval
is er geen reden de verzekerde extra bescherming te bieden. Het verdient
overigens wel de voorkeur dat de bedrijfsvereniging in alle gevallen een
afweging maakt met betrekking tot de herziening c.q.
intrekking, aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en
dat niet de wet zelf de verschillende gevolgen dwingend verbindt aan de
omstandigheid dat verzekerde al dan niet door eigen toedoen heeft
bijgedragen aan foutieve toekenning. Toepassing van de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur kan er onder omstandigheden ook toe leiden dat de
bedrijfsvereniging zal moeten afzien van herziening of intrekking.
Het tweede lid van dit artikel geeft voor een beoordeling van de
bedrijfsvereniging op dat punt de basis.
Het gaat in dit artikel
niet om het opleggen van een maatregel of sanctie. Het artikel strekt uitsluitend tot correctie, tot herstel in de
rechtmatige toestand. In
het artikel is in het eerste lid een viertal gronden aangegeven op basis
waarvan de bedrijfsvereniging tot correctie (herziening of
intrekking) moet overgaan, behoudens, zoals hiervoor vermeld, in gevallen
waarin het tweede lid toepassing vindt.
Artikel
19. Einde van het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
Het eerste lid van dit
artikel geeft een tweetal eindigingsgronden aan van het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering. In verband met de ingang van het recht op
ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet op de eerste
dag van de maand waarin men 65 jaar wordt, eindigt het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering per diezelfde dag. De
tweede grond voor
eindiging van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is het einde van de
arbeidsongeschiktheid, dan wel een daling van de
arbeidsongeschiktheid tot beneden 25%. Anders dan bij de eerste
eindigingsgrond, eindigt
hierbij het recht niet op een bij deze wet vastgestelde dag, maar op
een door de bedrijfsvereniging te bepalen dag. rblz.|63|
Dat zal in de praktijk de
dag zijn met ingang waarvan de bedrijfsvereniging krachtens haar
beschikking van oordeel is dat de arbeidsongeschiktheid is geëindigd, dan wel
tot beneden 25% is gedaald. De ingangsdatum van de intrekking als
gevolg van eindiging van de arbeidsongeschiktheid of
een vermindering van de arbeidsongeschiktheid tot minder dan 25% kan
echter niet later zijn gelegen dan drie maanden na de dag waarop die intrekking is aangezegd. Deze aanzegging zal in de
regel plaatsvinden bij
het kenbaar maken door de bedrijfsvereniging dat er sprake van eindiging
of vermindering van de arbeidsongeschiktheid is.
Het tweede lid komt
overeen met hetgeen in artikel 12, vijfde lid, met betrekking tot de
herziening van de uitkering is bepaald. Het is mogelijk dat een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voor hem gewenste
scholing of opleiding
juist door het volgen daarvan minder arbeidsongeschikt wordt. Het tweede
lid
voorkomt dat in een dergelijk geval de uitkering tijdens de duur
van de opleiding of scholing wordt ingetrokken. Door verwijzing naar
artikel 9, derde lid, wordt overigens wel bewerkstelligd dat intrekking tijdens de
opleiding of scholing wel mogelijk is indien betrokkene
onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat
daarvan.
Ingeval verzekerde een
scholing of opleiding met succes heeft afgerond en in verband hiermee tot
intrekking van arbeidsongeschiktheidsuitkering zou moeten worden
geconcludeerd, gaat die intrekking niet eerder in dan één jaar na voltooiing van de scholing of opleiding. Als de verzekerde
binnen dat jaar inkomsten is gaan verwerven, worden die inkomsten op de voet van artikel 57
[58] geanticumuleerd.
Artikel
20. Toekenning
uitkering binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning
Dit artikel komt overeen
met artikel 32a van de AAW, zoals ingevoerd bij de Wet
Amber.
Dit artikel geeft aan dat
een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een wachttijd van vier weken
wordt toegekend wanneer opnieuw arbeidsongeschiktheid intreedt en aan twee
nadere voorwaarden is voldaan. De eerste voorwaarde is dat
de arbeidsongeschiktheid is ingetreden binnen een tijdvak van vijf jaar
na de datum van intrekking van een eerdere arbeidsongeschiktheidsuitkering
of na de wachttijdperiode van 52 weken, waarbij geen recht
bestond op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De tweede voorwaarde is dat
de ingetreden arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als
die welke ten grondslag lag aan de ingetrokken uitkering dan wel aan de
ongeschiktheid tot werken in de wachttijdperiode van 52 weken.
Voor de bepaling van de
wachttijdperiode van vier weken geldt op grond van het tweede lid
de regel dat perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid bij
elkaar worden opgeteld wanneer zij elkaar met tussenpozen van minder
dan vier weken opvolgen. Hieruit volgt dat bij onderbrekingen van langer
dan vier weken een nieuwe wachttijdperiode van vier weken aanvangt.
Ook bij toepassing van
dit artikel kan sprake zijn van een situatie dat eveneens recht bestaat op
heropening van de uitkering op grond van artikel
21. Aangezien toepassing van laatstgenoemd artikel gunstiger
uitwerkt omdat
heropening van de uitkering daarbij direct plaatsvindt in plaats van na vier weken,
is bepaald dat dit artikel geen toepassing vindt indien recht op
heropening bestaat op grond van artikel 21. Voorts vindt dit artikel geen
toepassing voor zover ten aanzien van de betrokkene artikel 29b
van de
Ziektewet (ZW) toepassing kan vinden. Deze laatste omschrijving omvat
overigens ook de situatie dat dat artikel daadwerkelijk toepassing vindt. Dit
onderdeel komt overeen met de in het kader van de Veegwet TAV,
TBA en TZ in
de Wet Amber aangebrachte wijziging van artikel 32a AAW. De situatie waar
het in dit geval om draait is dat een verzekerde rblz.|64|
zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest wegens einde van zijn
arbeidsongeschiktheid.
Vervolgens aanvaardt hij een dienstbetrekking. Valt hij binnen vijf jaar
na intrekking van zijn WAZ-uitkering uit wegens arbeidsongeschiktheid,
dan zou op basis van artikel 20 recht bestaan op toekenning, terwijl
betrokkene op basis van artikel 29b van de ZW recht op ziekengeld ter hoogte
van
zijn dagloon kan krijgen, althans wanneer hij in de drie jaar voorafgaand
aan zijn dienstbetrekking recht had op WAZ-uitkering of de
wachttijd voor die uitkering heeft doorgemaakt. In zo’n geval gaat de
werking van artikel 29b ZW voor, teneinde samenloop tussen een ZW-uitkering
c.q. WAO-uitkering en een WAZ-uitkering te voorkomen. Voorts kan,
bij voortdurende arbeidsongeschiktheid, de werking van artikel 20
ongunstig uitvallen wanneer het dagloon voor de WAO-uitkering lager is dan de grondslag van de oorspronkelijke
WAZ-uitkering. Om dat te
voorkomen wordt in de WAO
(artikel 43a) bepaald dat het
WAO-dagloon niet lager uitvalt dan de grondslag van de eerdere
WAZ-uitkering. In
het vierde lid van dit artikel wordt geregeld dat bij toekenning van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit artikel de grondslag niet
lager uitvalt dan de grondslag van de eerdere uitkering.
Artikel
21. Heropening
van de uitkering
In een aantal situaties
bestaat, nadat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
is ingetrokken, recht op heropening van de uitkering. In alle
gevallen gaat het om een heropening zonder wachttijd. In het eerste
en vierde lid betreft het een heropening na intrekking van de
uitkering, waarbij kan worden vermeld dat in de situatie, bedoeld in het vierde
lid, de arbeidsongeschiktheid moet zijn voortgekomen uit dezelfde oorzaak als
de arbeidsongeschiktheid die ten grondslag lag aan de ingetrokken arbeidsongeschiktheidsuitkering. In het
tweede en derde lid gaat
het om heropening van de uitkering die was ingetrokken na een
daaraan voorafgaande herziening.
Artikel
22. Recht op
uitkering in verband met bevalling
De redenen voor het
opnemen van een uitkeringsregeling in verband met zwangerschap en
bevalling zijn in het algemeen deel van deze toelichting reeds aangegeven. Tevens zijn daarbij de overwegingen
genoemd die aanleiding
hebben gegeven een beperktere regeling te treffen voor de groep
verzekerden uit hoofde van deze wet dan voor werkneemsters.
Recht op uitkering in
verband met bevalling hebben de verzekerde als bedoeld in artikel 3 en
de verzekerde die arbeidsongeschikt is geworden en in de wachttijd verkeert. De opsomming van deze groep verzekerden
komt overeen met de doelgroep onder de werknemers die op basis van de verplichte verzekering op
grond van de Ziektewet aanspraak kan maken op uitkering in verband
met bevalling. Ten aanzien van het uitkeringsrecht over deze zestien weken gelden
dezelfde regels als die voor werkneemsters gelden. Het recht op
uitkering gaat in op een door de verzekerde te bepalen dag. Die dag ligt
tussen de momenten waarop de bevalling binnen zes,
respectievelijk vier weken is te verwachten. De verzekerde moet de dag vanaf welke
zij recht op uitkering wil doen gelden doorgeven aan de bedrijfsvereniging. Dat is geregeld in artikel
33 [34]. De dag waarop de
bevalling is te verwachten moet blijken uit een verklaring van de verloskundige of arts.
Vanaf de ingangsdatum van het recht op uitkering in verband met de
bevalling duurt het recht zestien weken. Als de bevalling later dan de uitgerekende
dag plaatsvindt, eindigt het recht op uitkering even zoveel dagen later
als de bevalling "te laat" heeft plaatsgevonden. Dit is verwoord in het
vierde lid. Ingeval de bevalling meer dan zes weken voor de uitgerekende
datum plaatsvindt, heeft de verzekerde geen recht rblz.|65|
op uitkering gehad
voorafgaande aan haar bevalling. Alsdan begint het recht op uitkering op de
bevallingsdatum te lopen en eindigt het zestien weken later.
Er kan zich, bij
voorbeeld omdat betrokkene recht heeft gekregen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
een samenloopsituatie voordoen. Voor zo’n samenloopsituatie
kunnen op basis van artikel 58 [59] regels worden gesteld.
Artikel
23. De hoogte van
de uitkering
De hoogte van de
uitkering in verband met bevalling is 100% van de grondslag. De grondslagberekening vindt plaats volgens de berekening
die in het tweede tot en met vijfde lid van artikel 8 is neergelegd. Daarbij
wordt gekeken naar de
winst of inkomsten in het boek- of kalenderjaar of de drie boek- of
kalenderjaren vóór de ingangsdatum van het recht op uitkering.
Artikel 24. Recht op
vakantie-uitkering [zie
art. 25 WAZ, red.]
In dit artikel is het
recht op vakantie-uitkering neergelegd. Het recht op vakantie-uitkering
bestaat over elke maand waarin recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
of uitkering in verband met bevalling bestaat. Het is niet van
belang over hoeveel dagen in een maand recht op uitkering bestaat; dus
als een uitkeringsrecht op de tweede van een maand eindigt, bestaat
ook over die maand recht op vakantie-uitkering, die uiteraard gerelateerd
is aan het bedrag waarop over die maand recht bestaat.
Artikel 25. Hoogte van de
vakantie-uitkering [zie
art. 26 WAZ, red.]
De vakantie-uitkering
bedraagt acht procent van het bedrag aan uitkering waarop in de
twaalf maanden, voorafgaande aan de maand mei, recht bestond. Indien
sprake is van samenloop van uitkering met inkomsten uit arbeid,
wordt een bedrag aan uitkering in aanmerking genomen, nadat
verrekening met die inkomsten op basis van artikel 57 [58]
heeft plaatsgevonden.
Indien op basis van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag het percentage van de vakantie-uitkering wordt gewijzigd, wijzigt het
percentage in het eerste lid overeenkomstig. Het vierde lid regelt dat
voor de ambtshalve toekenning van de vakantie-uitkering geen formele beschikking
en een mededeling over de bezwaar- en beroepsmogelijkheden
hoeft te worden afgegeven.
Artikel 26. Recht op
vakantie-uitkering over overlijdensuitkering [zie
art. 27 WAZ, red.]
Dit artikel bepaalt dat
recht op vakantie-uitkering bestaat over de overlijdensuitkering
(artikel 60 [61]). De hoogte van de vakantie-uitkering over deze uitkeringen is
gelijk aan de hoogte, genoemd in artikel 25 [26].
Artikel 27.
Inkomenssuppletie gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen [zie
art. 28 WAZ, red.]
Bij de vaststelling van
de mate van arbeidsongeschiktheid zal tevens rekening moeten worden
gehouden met geschiktheid van de zelfstandige voor functies in loondienst en de daaruit voortvloeiende restcapaciteit. Dit
artikel voorziet erin dat ter overbrugging van het verschil tussen de werkelijke verdiensten
uit het bedrijf en de theoretische verdiencapaciteit inkomenssuppletie kan
worden toegekend. De inkomenssuppletie zal nader bij algemene
maatregel van bestuur worden uitgewerkt. De inkomenssuppletie zal
maximaal 20% van de theoretische verdiencapaciteit bedragen en geleidelijk
in vier jaar worden verminderd. De rblz.|66|
inkomenssuppletie staat open voor zelfstandigen die gedeeltelijk
arbeidsongeschikt zijn,
het eigen bedrijf voortzetten en geconfronteerd worden met een gat tussen
de werkelijke verdiensten en de theoretische verdiencapaciteit.
Artikel 28. Garantie voor
oudere arbeidsongeschikten [zie
art. 29 WAZ, red.]
Zoals in het
algemeen
deel van de toelichting reeds is aangegeven, wordt voorgesteld om
oudere uitkeringsgerechtigden bij aanvaarding van verzekerde werkzaamheden
de garantie te bieden dat bij hernieuwde arbeidsongeschiktheid de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
gebaseerd op ten minste de
eerder gehanteerde uitkeringsgrondslag. Voor oudere
uitkeringsgerechtigden kan deze terugval in inkomsten een drempel opwerpen om weer
werkzaamheden te gaan verrichten. Teneinde deze gerechtigden
zekerheid te geven, is in dit artikel een garantieregeling voor hen neergelegd.
Wanneer zij binnen vijf jaar na de datum van aanvang van de
werkzaamheden opnieuw recht krijgen op toekenning van een uitkering op grond
van deze wet, wordt de uitkeringsgrondslag niet lager gesteld dan de
grondslag die laatstelijk vóór de datum van aanvaarding van
werkzaamheden aan hun uitkering ten grondslag lag. Deze bepaling is
overigens alleen noodzakelijk voor diegenen die door aanvaarding van de
werkzaamheden hun arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel verliezen. Voor
diegenen die worden geconfronteerd met een lagere
arbeidsongeschiktheidsuitkering of met anticumulatie van inkomsten op de
arbeidsongeschiktheidsuitkering geldt dat er geen sprake is van intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, waardoor het niet kan voorkomen dat
een nieuwe en eventueel lagere grondslag wordt vastgesteld bij toename
van de arbeidsongeschiktheid.
Artikel 29. Voorzieningen
[zie art. 30 WAZ,
red.]
Op grond van dit artikel
kan de bedrijfsvereniging de verzekerde in aanmerking brengen voor
voorzieningen die strekken tot behoud, herstel of ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid. De kring van verzekerden op grond van deze wet is
ruim omschreven. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook de persoon die
arbeidsongeschikt is geworden, doch vanwege de wachttijd nog geen recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, in aanmerking kan worden
gebracht voor voorzieningen. Naast de verzekerde kunnen ook gewezen
verzekerden, of personen die een uitkering hebben gehad, in
aanmerking komen voor een voorziening. Het moet in dat geval wel gaan om
voorzieningen die reeds tijdens de verzekering zijn verstrekt. De
voorzieningen die kunnen worden verstrekt zijn in eerste instantie werkvoorzieningen. Daarnaast kunnen ook voorzieningen
worden verstrekt die tevens leiden tot verbetering van zijn levensomstandigheden,
maar daarbij geldt in elk
geval de eis dat deze ook strekken tot verbetering van de
arbeidsgeschiktheid. De voorzieningen ter verbetering van de leefomstandigheden
zijn beperkt tot vervoersvoorzieningen en het beschikbaar stellen van
een blindengeleidehond. Op basis van het vierde lid zullen regels worden
gesteld omtrent de te verstrekken voorzieningen. Deze zullen in nauwe
samenhang met vergelijkbare regelingen omtrent voorzieningen worden
getroffen. In dit verband is ook de afbakening met regelingen op andere
terreinen op basis waarvan voorzieningen kunnen worden getroffen, zoals
op het terrein van de gezondheidszorg, van belang.
Artikel 30.
Overeenkomstige toepassing artikel 18 op voorziening [zie
art. 31 WAZ, red.]
In
artikel 18 is geregeld
in welke gevallen de bedrijfsvereniging de beschikking omtrent
toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering rblz.|67|
in elk geval herziet of
intrekt. Deze gevallen gelden eveneens met betrekking tot
beschikkingen inzake voorzieningen.
Artikel 31. Toelage en
vergoeding [zie
art. 32 WAZ, red.]
Deze bepaling is deels
gelijkluidend aan artikel 58 van de AAW. Het treffen van revalidatiemaatregelen kan
ertoe leiden dat een verzekerde
geen of slechts gedeeltelijk arbeid kan verrichten, waardoor zijn inkomsten geheel of
gedeeltelijk wegvallen. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid compensatie
voor dat inkomensverlies te verlenen. Anders dan in de AAW
is de
toelage gemaximeerd tot de grondslag die de basis heeft gevormd voor de
uitkering. Wel kan de bedrijfsvereniging, als het bedrag aan gederfde
inkomsten meer bedraagt dan de grondslag, een hogere toelage verlenen.
Voorts bestaat de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om
tijdens de voorziening een vergoeding te verlenen wegens kosten van
onderhoud en huisvesting.
Artikel 32. Melding
gedurende wachttijd [zie
art. 33 WAZ, red.]
Dit artikel beoogt de
bedrijfsvereniging bijtijds op de hoogte te doen zijn van een ingetreden
arbeidsongeschiktheid. Een melding dient plaats te vinden binnen vijf maanden na het intreden van de arbeidsongeschiktheid.
Door een tijdige melding kan de bedrijfsvereniging zo nodig maatregelen nemen en
inspanningen verrichten, gericht op revalidatie van de verzekerde. Er is
bij de melding nog geen sprake van een aanvraag voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Op basis van artikel 34 [35]
dient de bedrijfsvereniging de
verzekerde uiterlijk vier maanden vóór het tijdstip waarop de wachttijd van
52 weken verstrijkt in kennis te stellen van de mogelijkheid een aanvraag
voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in te dienen. Doet de verzekerde de melding niet of niet tijdig, dan leidt dat er
op grond van artikel 34 [35], derde lid, toe dat de bedrijfsvereniging niet gehouden is deze
kennisgeving binnen de aldaar gestelde termijn te doen.
Zijn er onderbrekingen in
de arbeidsongeschiktheid van minder dan vier weken, dan tellen die op
grond van het tweede lid niet mee voor het vijfmaandstijdvak. Dat
lid komt overeen met hetgeen in artikel 7, derde lid, is bepaald.
Artikel 33. Melding
tijdens zwangerschap [zie
art. 34 WAZ, red.]
Evenals voor de melding
van arbeidsongeschiktheid is ook vereist dat de vrouwelijke verzekerde
die zwanger is zich meldt. Deze melding is van belang enerzijds voor een
tijdige uitkeringsverstrekking, anderzijds heeft de bedrijfsvereniging ook
tijd nodig om na te gaan op basis van welke grondslag de uitkering in
verband met bevalling moet worden verstrekt. Een uiterste dag van
melding, gelegen drie maanden vóór de uitgerekende bevallingsdatum, zoals
het eerste lid bepaalt, lijkt daarvoor redelijk. Bij de melding moet door
de verzekerde worden aangegeven op welk moment zij haar recht op
uitkering wil laten ingaan. Zoals in artikel 22
is aangegeven, ligt die
ingangsdatum tussen de zes en vier weken vóór de vermoedelijke
bevallingsdatum. Ten bewijze van haar zwangerschap en haar verwachte
bevallingsdatum zal zij ook (een kopie van) de zwangerschapsverklaring moeten overleggen. Vanzelfsprekend kunnen
zich situaties voordoen
waarbij een melding als hiervoor omschreven binnen de gestelde
termijn niet haalbaar is. Daarbij zou onder andere kunnen worden gedacht aan
langdurige ziekenhuisopname van betrokkene. In zo’n
situatie kan de bedrijfsvereniging op grond van het tweede lid ten gunste van
verzekerde afwijken van de wettelijke termijn.
rblz.|68|
Artikel 34. Toekenning
arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag [zie
art. 35 WAZ, red.]
Deze bepaling is
overeenkomstig artikel 24 van de AAW
opgesteld, met enige wijzigingen voor
zover het de verzekerdengroep betreft. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt uitsluitend op aanvraag toegekend. Die aanvraag
moet worden gedaan uiterlijk binnen negen maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid, dan wel uiterlijk drie
maanden vóór het
verstrijken van het tijdvak waarover de uitkering is toegekend. Het tijdvak
waarover uitkering wordt toegekend is drie jaar. Evenwel zal in het
invoeringstraject voorlopig een tijdvak worden gehanteerd overeenkomstig
artikel XVIII van de Wet TBA. Op grond van dat artikel geldt
vooralsnog een toekenning voor een periode van vijf jaar.
De bedrijfsvereniging
moet de verzekerde tijdig op de hoogte stellen van het feit dat hij een
aanvraag om uitkering of voortzetting van de uitkering kan doen.
Tijdig wil zeggen: uiterlijk vier maanden vóór het einde van de wachttijd,
dan wel vier maanden vóór het einde van het tijdvak van drie (vijf)
jaar waarover de uitkering is toegekend. Doet zij dat niet, dan wordt een
aanvraag beschouwd bijtijds te zijn ingediend. Doet de bedrijfsvereniging haar
kennisgeving te laat, dan geldt dat een aanvraag binnen één maand daarna
bijtijds is ingediend. Op grond van het derde lid geldt de
kennisgevingsverplichting, zoals in het tweede lid beschreven,
niet als de verzekerde het ontstaan van zijn arbeidsongeschiktheid niet of
niet tijdig aan de bedrijfsvereniging meldt. Deze meldingsplicht staat vermeld in artikel
31 [32]. In geval van niet-tijdige melding moet de bedrijfsvereniging de kennisgeving binnen
drie maanden na het tijdstip van melden doen. In dit verband kan
overigens worden opgemerkt dat, ook al heeft betrokkene de melding
niet (tijdig) gedaan, dit geen consequenties voor hem behoeft te hebben.
Het ontbreken van de melding of een niet-tijdige melding laat immers
onverlet dat hij zijn aanvraag om toekenning of voortzetting nog wel
binnen de op grond van het vierde lid bepaalde termijn kan indienen.
Voorts is van belang op
te merken dat wanneer de bedrijfsvereniging niet binnen de wettelijk
vastgelegde termijn een beschikking afgeeft over een aanvraag tot voortzetting, de uitkering doorloopt volgens de
oorspronkelijke
toekenning, totdat zij een nieuwe (andere) beschikking heeft getroffen. Het Tica
kan ten slotte bepalen dat uitkeringen kunnen worden verstrekt over een
andere periode dan de in het eerste lid bedoelde drie jaar. Te
denken valt hierbij vooral aan verzekerden ten aanzien van wie een
herbeoordeling nauwelijks zin heeft, zoals degenen die langdurig in een verpleeginrichting zijn opgenomen.
Artikel 35. Ingangsdatum
uitkering [zie
art. 36 WAZ, red.]
Als eerste dag waarop
recht bestaat op een uitkering geldt de eerste dag na afloop van een
tijdvak van 52 weken arbeidsongeschiktheid. Op deze eerste dag begint de
uitkering te lopen. Wanneer de verzekerde de uitkering te laat
aanvraagt, dan heeft dat tot consequentie dat een uitkering niet eerder kan
beginnen te lopen dan vanaf één jaar voorafgaande aan de aanvraag. Dat
betekent dat de verzekerde die meer dan één jaar na ommekomst van
de wachttijd van 52 weken de uitkeringsaanvraag doet, een deel van zijn
aanspraken verspeelt. Wel bestaat de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om in situaties waarin toepassing
van deze regel tot
bijzondere hardheid zou leiden af te wijken van die regel. Een toekenning van
de uitkering kan op grond van het derde lid echter niet ingaan op of
na de eerste dag van de maand waarin de verzekerde 65 jaar wordt.
Artikel 36. Herziening en
heropening op aanvraag of ambtshalve [zie
art.
37 WAZ, red.]
Indien een verzekerde van
mening is dat er termen zijn voor herziening rblz.|69|
van zijn uitkering, kan
hij een aanvraag indienen tot herziening van zijn uitkering. Ingeval de
bedrijfsvereniging echter een herbeoordeling wenselijk acht, dan wel
op basis van artikel 12 tot een beoordeling overgaat, zal zij eigener
beweging dienen te beslissen over herziening van de uitkering. In dat
geval is sprake van een herziening ambtshalve. Bij heropening ligt dat
evenwel anders. Een heropening volgt immers steeds na een eindiging van het
recht op uitkering (zie artikel 21). Wanneer een uitkering is geëindigd,
is de verzekerde niet meer rechtstreeks bij de bedrijfsvereniging in
beeld. Alsdan is een heropening ambtshalve niet aan de orde en ligt het voor
de hand om, als er na eindiging weer sprake is van arbeidsongeschiktheid, de verzekerde de aanvraag om heropening te
laten doen.
Artikel 37. Ingangsdatum
herziening en heropening uitkering [zie
art.
38 WAZ, red.]
In de
artikelen 12 tot en
met 15 is aangegeven welke tijdvakken gelden alvorens een herziening
van de uitkering plaatsvindt. Het eerste lid van dit artikel haakt hierop aan
door aan te geven dat de herziening ingaat op het moment dat de verzekerde
voor de herziening in aanmerking komt. Evenals bij de aanvraag
om uitkering en voortzetting van uitkering, geldt dat herziening en
heropening niet eerder kunnen ingaan dan één jaar vóór de datum van aanvraag om
herziening of heropening. Voor herziening die leidt tot een verlaging
van de uitkering in verband met afgenomen arbeidsongeschiktheid
geldt als ingangsdatum de dag die de bedrijfsvereniging aangeeft als dag waarop
de arbeidsongeschiktheid is verminderd. Evenals in artikel
19,
eerste lid, onderdeel b, geldt ook hier dat de herziening uiterlijk
ingaat drie maanden na de aanzegging daarvan. Evenals in artikel
19,
derde lid, neergelegd met betrekking tot de intrekking van de
uitkering, wordt met het vierde lid van dit artikel beoogd de verzekerde die
opleiding of scholing heeft voltooid de gelegenheid te bieden gedurende
één jaar
na afronding naar passend werk te zoeken. In dat jaar wordt de
verzekerde niet geconfronteerd met een verlaging van zijn uitkering. De ingangsdatum van de heropening van de uitkering
spreekt voor zich. Een
heropening van de uitkering kan op grond van het zesde lid echter niet
ingaan op of na de eerste dag van de maand waarin de verzekerde 65 jaar
wordt.
Artikel 38. Toekenning
uitkering in verband met bevalling [zie
art. 39 WAZ, red.]
Dit artikel regelt dat de
uitkering in verband met bevalling op aanvraag wordt toegekend.
Aangezien het in deze gaat om een kortdurende uitkering en de vrouwelijke verzekerde ruime termijnen worden geboden
alvorens de melding, bedoeld in artikel 33, en de aanvraag te doen, is afgezien van het opnemen
van een bepaling die de bedrijfsvereniging verplicht betrokkene in
kennis te stellen van de mogelijkheid een aanvraag te doen, welke
verplichting wel geldt in verband met de aanvraag om arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De verzekerde kan de
aanvraag doen op hetzelfde moment als waarop zij de melding doet, maar
verplicht is zij daartoe niet. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat
zij de aanvraag uiterlijk twee weken vóór de door haar gekozen ingangsdatum
van het recht op uitkering moet doen. De bedrijfsvereniging kan
ten gunste van de verzekerde van die regel afwijken. Deze
afwijkingsmogelijkheid komt overeen met de regel, vervat in artikel 33 [34], tweede
lid.
Artikel 39. Toekenning
andere uitkeringen op aanvraag of ambtshalve [zie
art. 40 WAZ, red.]
In dit artikel wordt ten
aanzien van de overige uitkeringen en verstrekkingen bepaald op welke wijze
deze worden verstrekt. Ten aanzien van de vakantie-uitkering is bepaald dat deze ambtshalve wordt verstrekt. Alleen
rblz.|70|
wanneer de verzekerde de vakantie-uitkering op een ander moment wenst te ontvangen dan de in
deze wet geregelde maand mei, zal hij een aanvraag daartoe bij de
bedrijfsvereniging moeten indienen (zie ook artikel 59 [60]). De wijze van
toekenning van een voorziening, toelage en vergoeding spreekt voor
zich. Met betrekking tot de inkomenssuppletie wordt in de algemene
maatregel van bestuur op grond van artikel 27 [28] geregeld langs welke weg deze wordt toegekend.
Artikel 40. Oproep en
onderzoek door of namens bedrijfsvereniging [zie
art. 41 WAZ, red.]
Met de in dit artikel aan
de bedrijfsvereniging toegekende bevoegdheden kan worden bewerkstelligd
dat zij die gegevens verkrijgt die het mogelijk maken een
oordeel te geven over het recht op uitkering, de mate van
arbeidsongeschiktheid, de hoogte van de grondslag, het treffen van voorzieningen en andere
met de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdende aspecten. Ten
opzichte van de AAW
(artikel 14) is in onderdeel a toegevoegd de verzekerde.
De aan de bedrijfsvereniging toegekende bevoegdheden moeten zich
ook over deze persoon uitstrekken, in verband met mogelijke toepassing
van artikel 11, eerste lid. In verband met het recht op en de hoogte van
bevallingsuitkering kunnen verder vragen nodig blijken die op
basis van dit artikel aan de vrouwelijke verzekerde kunnen worden gesteld.
De bevoegdheden op basis
van het eerste lid kunnen worden uitgeoefend door de bedrijfsvereniging of door een door haar aangewezen
deskundige. Indien de bedrijfsvereniging een onderzoek nodig oordeelt, vindt dat onderzoek
plaats door een door haar aangewezen deskundige. Een aangewezen deskundige
kan, op grond van het derde lid, op zijn beurt andere deskundigen
aanwijzen voor het oproepen, ondervragen of onderzoeken van een
verzekerde. Ten aanzien van de uitkering in verband met bevalling is het,
gelet op de objectieve mogelijkheid tot vaststellen van de zwangerschap, niet
nodig tot onderzoek door een deskundige van deze verzekerde over te
gaan.
Artikel 41. Vergoeding
kosten en tijdverlies [zie
art. 42 WAZ, red.]
Onze Minister stelt
regels vast op basis waarvan aan opgeroepenen en hun eventuele begeleiders
kosten worden vergoed. Het orgaan dat de oproep heeft gedaan is
verantwoordelijk voor de toekenning en betaling van de kosten, vermeld in
dit artikel.
Artikel 42. Voorschriften
van medische of administratieve aard [zie
art.
43 WAZ, red.]
Ten aanzien van
arbeidsongeschikten kunnen door de bedrijfsvereniging of door de door haar
aangewezen deskundige voorschriften worden gegeven die
strekken tot genezing, behandeling of bevordering van de
arbeidsgeschiktheid. In geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid kunnen voorschriften
worden gegeven omtrent inschrijving als werkzoekende bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.].
Artikel 43.
Controlevoorschriften [zie
art. 44 WAZ, red.]
Gedurende de loop van het
uitkeringsproces, waaronder ook begrepen de wachttijdperiode vóór
ingang van de uitkering, moet de bedrijfsvereniging controlevoorschriften
kunnen geven om dat uitkeringsproces in goede banen te doen
leiden. Zo zijn op basis van de AAW
controlevoorschriften gesteld met betrekking
tot vakantie van degene die arbeidsongeschikt is. Die voorschriften hebben betrekking op de verplichte melding
van het voornemen
vakantie te houden. Het ligt voor de hand dat op basis van dit artikel
soortgelijke voorschriften zullen worden gesteld. Voorts kan de bedrijfsvereniging ook
controlevoorschriften stellen in verband met de rblz.|71|
verplichting voor de
verzekerde informatie te verstrekken met betrekking tot het uitkeringsproces.
De controlevoorschriften moeten worden goedgekeurd door het
College van toezicht sociale verzekeringen. Het niet of niet behoorlijk
naleven van de controlevoorschriften leidt op grond van artikel 45 [46]
tot tijdelijke
of blijvende gehele of gedeeltelijke weigering van de uitkering of toelage.
Artikel 44. Gevolgen
weigeren onderzoek [zie
art. 45 WAZ, red.]
Het niet voldoen aan de
verplichtingen die op grond van dit artikel worden gesteld aan de
personen, genoemd in artikel 40 [41], leidt tot een weigering van de
uitkering, toelage of voorziening. Het gaat daarbij om de personen die in de
wachttijd zitten, die een uitkering ontvangen of daarop aanspraak maken, alsmede
de personen ten aanzien van wie een voorziening wordt
getroffen of overwogen. Van belang is op te merken dat wanneer de betrokken
persoon één van de relevante verplichtingen niet is nagekomen, een
sanctie wordt opgelegd. De formulering op dit punt komt overeen met de
in de AAW
(artikel 16) gebezigde formulering. Ter zake bestaat er voor
de bedrijfsvereniging geen vrijheid af te zien van het opleggen van een
sanctie, zij het dat op basis van artikel 46 [47]
de maatregel moet worden
afgestemd op de ernst van de gedraging van de betrokkene en de mate
waarin de gedraging hem verweten kan worden en dat wanneer dringende
redenen aanwezig zijn de bedrijfsvereniging kan besluiten van het
opleggen van een maatregel af te zien.
De in dit artikel
neergelegde sanctieplicht is overgenomen uit de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid (Stb. 1996, 248) op grond waarvan in
de socialezekerheidswetten, waaronder ook de AAW, bepalingen zullen worden opgenomen onder meer omtrent
administratieve sancties.
De voorstellen die ter zake van de AAW zijn gedaan zijn in dit
wetsvoorstel overgenomen.
De sanctie die in het
eerste lid van dit artikel is opgenomen, geldt tevens in gevallen waarin
sprake is van toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voortgekomen uit dezelfde
oorzaak als de arbeidsongeschiktheid zelf.
Artikel 45. Gevolgen
niet-naleving voorschriften [zie
art. 46 WAZ, red.]
Een gelijke maatregel als
omschreven in artikel 44 [45] wordt getroffen ten aanzien van de verzekerde
die de voorschriften, genoemd in artikel 42 [43]
of 43 [44], niet heeft opgevolgd. Daarnaast is nog een aantal andere omstandigheden
in dit artikel opgenomen
die leiden tot een maatregel. De verplichting, bedoeld in
artikel 91, vierde lid, van de Osv, betreft de verlening van inzage in
een identiteitsdocument door de verzekerde op verzoek van de
bedrijfsvereniging. De maatregel komt overeen met hetgeen in de bij de
toelichting op artikel 44 genoemde wet ter zake van artikel 19 van de
AAW
is
opgenomen.
Artikel 46. Afstemming
maatregel op ernst gedraging [zie
art. 47 WAZ, red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid opgenomen artikel 20 AAW. De bedrijfsvereniging dient bij oplegging van maatregelen de algemene
beginselen van behoorlijk
bestuur in acht te nemen. Dat brengt mee dat de factoren in het eerste
lid genoemd, moeten worden meegewogen.
Evenals bij het
herzieningsartikel (artikel 18), de boeteoplegging (artikel 47 [48]) en de terugvordering
(artikel 62 [63]) het geval is, stelt deze wet de verplichting daartoe voorop. Daarbij wordt echter steeds tot uitdrukking
gebracht dat van een
absolute verplichting geen sprake is in die zin dat om dringende redenen van
uitoefening van die verplichting kan worden afgezien. De
bedrijfsvereniging legt deze beslissing neer in een rblz.|72|
beschikking. Wordt voor
de desbetreffende gedraging een boete opgelegd, blijft
oplegging van een maatregel achterwege.
Artikel 47. Boete bij
niet-nakoming inlichtingenverplichting [zie
art. 48 WAZ, red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid opgenomen artikel 20a AAW. Wanneer de algemene verplichting tot het verschaffen van alle informatie
die relevant is voor het
recht op en de hoogte van de uitkering niet wordt nageleefd, legt de
bedrijfsvereniging een boete op. Deze algemene verplichting geldt op
grond van artikel 69 [70] de verzekerde, diens wettelijke vertegenwoordiger en
instellingen aan wie in plaats van aan de verzekerde de uitkering wordt
betaald (inrichtingen en gemeenten, bedoeld in artikel
56 [57]). Van het
opleggen van boete zijn de instellingen evenwel uitgesloten. Mocht als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van
de
inlichtingenverplichting door de instelling herziening van de uitkering noodzakelijk blijken, dan
werkt dat terug naar de uitkeringsgerechtigde of zijn wettelijke
vertegenwoordiger. Het tweede lid komt overeen met artikel 46 [47], eerste lid. Het derde
lid komt overeen met artikel 18, tweede lid, 46 [47], tweede lid en
62 [63], tweede
lid. Uitzonderingen moeten mogelijk zijn indien de boete voor de
betrokkene onaanvaardbare consequenties heeft. Daarbij moet het om
incidentele gevallen gaan, gebaseerd op een individuele afweging van alle relevante omstandigheden. Van algemene
of categoriale
afwijkingen kan geen sprake zijn. De verplichting, in het vierde lid opgenomen, tot
het verstrekken van informatie ten behoeve van de tenuitvoerlegging van
de boete is nodig naast de bestaande algemene informatieplicht,
aangezien het hierbij niet gaat om inlichtingen met betrekking tot de
uitkering. De niet-nakoming van deze inlichtingenverplichting wordt, evenals dat bij de
AAW
geldt, strafbaar gesteld op grond van artikel 108 van de Organisatiewet sociale
verzekeringen.
Eén en
ander zal in het
invoeringstraject worden geregeld.
Het strafkarakter van de
boete brengt mee dat alleen de dader zelf daardoor moet worden
getroffen. Een nog niet geïnde boete vervalt dan ook op grond van het
vijfde lid van rechtswege bij overlijden van de dader, zonder dat
daarvoor een intrekking van de boetebeschikking nodig is.
Artikel 48. Voorschriften
rond voorgenomen boeteoplegging [zie
art. 49 WAZ, red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid opgenomen artikel 20b AAW. Wanneer de betrokkene aan
een handeling van de bedrijfsvereniging redelijkerwijs de
conclusie kan verbinden dat hem een boete zal worden opgelegd, geldt het
zwijgrecht. Doorgaans zal dat pas aan de orde zijn wanneer kennis is gegeven
van het voornemen tot boeteoplegging, hoewel dat ook eerder kan
zijn, bijvoorbeeld als de betrokken verzekerde of diens wettelijke
vertegenwoordiger, opgeroepen voor een gesprek inzake de beoordeling van
de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking, aangeeft niet te hebben
voldaan aan de hem geldende inlichtingenverplichting.
In dat geval zal de bedrijfsvereniging moeten wijzen op het zwijgrecht.
De cautie, dat wil zeggen het uitdrukkelijk wijzen op het zwijgrecht, is
uitsluitend van toepassing indien de betrokkene mondeling om informatie
is gevraagd.
De bedrijfsvereniging
moet de betrokkene in kennis stellen van het voornemen een boete op te
leggen en de gronden waarop dat voornemen rust. In artikel 6, derde
lid, onderdeel a, van het EVRM is het recht vastgelegd van degene
tegen wie een vervolging is ingesteld, om in een taal die hij verstaat op
de hoogte te worden gesteld van de beschuldiging. Het derde lid voorziet
hierin. In het vierde lid is een ruimere hoorplicht ingevoerd dan op grond
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt.
rblz.|73|
In de situatie dat
betrokkene zijn zienswijze geeft (vijfde lid), moet gewaarborgd zijn dat deze
de gestelde vragen volledig begrijpt en zich ook verstaanbaar kan
maken. Om die reden is de zorgplicht voor de bedrijfsvereniging stringenter geformuleerd. Als redelijkerwijze kan
worden aangenomen dat aan
een taalhulp geen behoefte bestaat, kan worden afgezien van een
taalhulp. Daarbij kan worden gedacht aan een verzekerde die al langere
tijd een uitkering ontvangt, waaruit kan worden afgeleid dat hij bekend
is met de in het uitkeringsproces gebezigde taal, of dat de verzekerde zich
ook naar de bedrijfsvereniging toe zelfstandig of met hulp heeft weten uit
te drukken.
Artikel 49. Voorschriften
rond boetebesluit [zie
art. 50 WAZ, red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid opgenomen artikel 20c AAW. De bedrijfsvereniging zal degene die zij een boete oplegt in haar beschikking
duidelijk moeten
informeren over de wijze en de termijn van betalen van de boete. Tevens zal
betrokkene moeten worden meegedeeld dat hem bij niet-tijdige betaling
tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 53 [54]
boven het hoofd hangt.
Op grond van het tweede
lid moet de in het besluit vervatte informatie zoveel mogelijk in een
voor de betrokkene begrijpelijke taal worden meegedeeld. Dit lid komt overeen met het derde lid van het vorige artikel.
Artikel 50.
Niet-oplegging van boete [zie
art. 51 WAZ, red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid opgenomen artikel 20d AAW. Hangende een onderzoek van het OM wordt de
boeteoplegging
opgeschort. Het tweede
lid geeft, samen met het voorgestelde artikel 99 [100], uitwerking aan het
una-viabeginsel. Zodra de bedrijfsvereniging een boete heeft opgelegd, kan
wegens dezelfde gedraging geen strafrechtelijke afdoening meer volgen
(artikel 99 [100]). Aan de andere kant kan geen administratiefrechtelijke
boete meer worden opgelegd indien ter zake van de gedraging
strafvervolging is ingesteld die zover is gevorderd dat het onderzoek ter
terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht op strafvervolging is
vervallen door een schikking met het OM op de voet van artikel 74 Wetboek
van Strafrecht. Het derde lid geeft een informatieplicht ter zake aan het OM.
Artikel 51.
Termijnstelling van boete [zie
art. 52 WAZ, red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid opgenomen artikel 20e AAW. Teneinde voldoende effectiviteit te bewerkstelligen is het noodzakelijk dat
tussen de kennisgeving en
de oplegging van de boete niet te veel tijd ligt. Daarom is één jaar
als uiterste termijn aangehouden, te rekenen vanaf het moment dat de betrokkene
op grond van artikel 48 [49], vierde lid, in de gelegenheid is gesteld
zijn zienswijze over de voorgenomen boeteoplegging naar voren te brengen.
Als aangifte is gedaan of proces-verbaal opgemaakt, begint de
termijn te lopen vanaf de dag dat het OM de bedrijfsvereniging heeft
meegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld. Uit een
oogpunt van rechtszekerheid wordt een boete hoe dan ook niet opgelegd als
vijf jaar na de gedraging zijn verstreken.
Artikel 52. Afwijking
artikel 8:69 Awb [zie
art. 53 WAZ, red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid opgenomen artikel 20f AAW. Aansluitend op hetgeen de
Hoge Raad heeft geoordeeld inzake de fiscale rblz.|74|
boete, waarbij de boete
naar analogie van hetgeen geldt voor straffen in het commune strafrecht
door de rechter kan worden verhoogd, wordt in dit artikel bepaald dat
de rechter in (hoger) beroep het bedrag van de boete ten nadele van de
betrokkene kan wijzigen. Uiteraard wordt deze wijziging in elk geval
begrensd door de maximale hoogte van de op te leggen boete.
Artikel 53. Boetebesluit
executoriale titel [zie
art. 54 WAZ, red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid opgenomen artikel 20g AAW. Het besluit tot oplegging van
een boete levert een executoriale titel op die met toepassing van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan worden ten uitvoer
gelegd.
Ten aanzien van het besluit tot terugvordering is datzelfde geregeld in
artikel 63 [64]. Overigens hoeft van de executoriale kracht die een
boetebesluit oplevert niet altijd onmiddellijk gebruik te worden gemaakt.
Dit artikel geeft een
zekere voorkeur aan met betrekking tot de volgorde van te hanteren
executiewijzen. Voorop staat de verrekening, tussen dezelfde partijen en
met
uitkering of andere verstrekking op grond van deze
wet, de WW, de
Ziektewet, de WAO, de AAW, de
Wamil of een toeslag op grond van de
Toeslagenwet (tweede lid). Daarna volgt inhouding door een ander
uitvoeringsorgaan met afdracht aan de boeteoplegger (derde en
vierde lid; pseudo-verrekening). De derde mogelijkheid is executie
met de middelen van Rv. De bepalingen zijn alle imperatief, ofschoon het
wenselijk kan zijn af te wijken van de aangegeven volgorde, dan wel om
tegelijkertijd of achtereenvolgens verschillende vormen toe te passen.
Deze mogelijkheid is neergelegd in het zesde lid. Kosten voortvloeiend
uit additionele werkzaamheden, noodzakelijk om tot invordering te komen
bij niet-tijdige betaling, komen voor rekening van de betrokkene. In het
achtste lid worden de artikelen 479b tot en met 497g Rv, behoudens
497e
Rv, van overeenkomstige toepassing verklaard op executoriaal
derdenbeslag.
Het in het negende lid
bepaalde over de beslagvrije voet volgt met betrekking tot de echte
verrekening al uit het eerste lid van artikel 6:135 BW
en voor de tenuitvoerlegging met toepassing van Rv uit dat wetboek.
Dit lid is echter nodig
voor de pseudo-verrekening.
Het niet nakomen van de
verplichting om informatie te verschaffen die van belang is voor de
tenuitvoerlegging van de boete leidt tot verlies van de bescherming die de
beslagvrije voet anders biedt.
Artikel 54.
Betaalbaarstelling [zie
art. 55 WAZ, red.]
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering en uitkering in verband met bevalling wordt door
de
bedrijfsvereniging betaald, in principe over tijdvakken van telkens één maand. Het kan voorkomen dat de bedrijfsvereniging heeft vastgesteld dat
recht op uitkering bestaat, maar dat nog niet kan worden vastgesteld
welk bedrag aan uitkering moet worden betaald. Dat kan bijvoorbeeld te
maken hebben met het feit dat de grondslag van de uitkering nog niet
vaststaat. Dat is bij voorbeeld het geval bij de bevallingsuitkering,
waarbij veelal uitkering moet worden betaald vrij korte tijd nadat de
melding en de aanvraag is gedaan en waarbij het nogal eens zal voorkomen dat
geen relevante inkomensgegevens voorhanden zijn. In verband daarmee
heeft de bedrijfsvereniging de mogelijkheid om de uitkering bij wijze
van voorschot te verlenen. Dit voorschot wordt dan naderhand verrekend met
het definitief vastgestelde uitkeringsbedrag. In een drietal situaties
gaat de bedrijfsvereniging over tot schorsing of opschorting van de
betaling van de uitkering. Dat is het geval wanneer zij op grond van duidelijke
aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat geen
recht (meer) bestaat op uitkering, dan wel recht rblz.|75|
op een lagere uitkering
of dat de verzekerde één van de verplichtingen, genoemd in artikel 44
[45], 45 [46] of 69 [70]
niet is nagekomen. Het niet nakomen van één van die
verplichtingen leidt op grond van artikel 19, wat de arbeidsongeschiktheidsuitkering
betreft, tot herziening of intrekking. In het derde lid wordt ook de
uitkering in verband met bevalling genoemd. Veelal zal bij deze
uitkering wel het recht kunnen worden vastgesteld, maar het verstrekken van
onjuiste inlichtingen kan tot gevolg hebben dat een te hoge uitkering
wordt betaald. Op het moment dat de bedrijfsvereniging van oordeel is dat dat
het geval is, schort zij de betaling op dan wel, als de uitkering al
is gestart, schorst zij de betaling. Voor alle duidelijkheid wordt
opgemerkt dat de bedrijfsvereniging niet lichtvaardig kan overgaan tot
schorsing of opschorting. Er moeten duidelijke aanwijzingen of gegronde vermoedens
bestaan dat zich één van de omstandigheden, genoemd in dit lid,
voordoet.
Overmaking van een
uitkering naar het buitenland brengt meer kosten met zich dan wanneer de
uitkering binnenslands wordt uitbetaald. De kosten van overmaking
naar het buitenland worden dan ook in mindering gebracht op de uitkering.
De uitkeringsgerechtigde
kan een ander machtigen de uitkering in ontvangst te nemen. Hij
kan die machtiging elk moment weer intrekken. In het vijfde lid is bepaald
dat aan de machtiging, respectievelijk de intrekking van de
machtiging zo spoedig mogelijk moet worden voldaan. In principe bij het
eerstvolgende betalingstijdvak, maar als dat gelet op het tijdstip waarop de
machtiging is gedaan, respectievelijk ingetrokken, niet mogelijk is, met
ingang van het daaropvolgende betalingstijdvak.
Artikel 55. Inhouding
vereveningsbijdrage [zie
art. 56 WAZ, red.]
Dit artikel regelt de
inhouding van de zogenoemde vereveningsbijdrage op de uitkering. Ten
aanzien van de persoon die uitkering ontvangt, wordt geen premie op grond van
deze wet geheven. Dat vloeit voort uit artikel 70 [71]. In dit verband kan overigens worden opgemerkt dat een persoon die
naast een uitkering
andere (verzekerde) inkomsten verwerft voor die andere inkomsten wel
premieplichtig is. Wat de vereveningsbijdrage betreft, is de regeling zo
dat de uitkeringsgerechtigde wat de inhouding betreft op gelijke wijze
wordt behandeld als een werknemer.
Artikel 56. Betaling aan
instellingen [zie
art. 57 WAZ, red.]
Op grond van het eerste
lid kan de bedrijfsvereniging de uitkering tot het bedrag van de eigen
bijdrage in de verpleegkosten op grond van de AWBZ zonder machtiging van de verzekerde betalen aan de
Ziekenfondsraad.
Het tweede lid biedt de
mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om de uitkering in plaats van
aan de uitkeringsgerechtigde te betalen aan een inrichting waar de verzekerde is opgenomen of aan de
gemeente die de
desbetreffende
opnamekosten betaalt. Die mogelijkheid bestaat indien de uitkeringsgerechtigde
niet in staat is kwijting te verlenen voor de betaling van uitkering. Betaling
vindt echter eerst plaats nadat een daartoe strekkend verzoek is
gedaan door de inrichting of de betrokken gemeente. Voor het na toepassing
van het eerste lid resterende bedrag kan het tweede lid nog toepassing
vinden. Op grond van artikel 3:41 Awb moet bekendmaking van
besluiten geschieden door toezending of uitreiking aan de belanghebbende. Op
grond van artikel 3:45 Awb moet melding worden gemaakt van de bezwaar-
en beroepsmogelijkheden. Vasthouden aan deze voorschriften zou in het
geval dat na toepassing van het tweede lid een herzieningsbeschikking
wordt getroffen, een onevenredige belasting kunnen opleveren voor de
bedrijfsvereniging. Daarom is in het vierde lid van dit artikel met
betrekking tot het eerste lid de toepasselijkheid van genoemde Awb-artikelen
uitgesloten.
rblz.|76|
Artikel 57. Inkomsten uit
arbeid tijdens uitkering [zie
art. 58 WAZ, red.]
In het algemeen zal
werkhervatting door de uitkeringsgerechtigde leiden tot herziening of
intrekking van de uitkering. Wanneer echter geen zekerheid bestaat dat deze arbeid valt aan te merken als arbeid, genoemd
in artikel 2, vierde lid,
kan ten aanzien van de verzekerde nog geen schatting op die arbeid
plaatsvinden. Alsdan wordt het uitkeringsrecht niet herzien of
ingetrokken, maar vindt een vermindering van het bedrag van de uitkering plaats.
Deze anticumulatie vindt plaats alsof de arbeid die de verzekerde aanvangt,
wel algemeen geaccepteerde arbeid is. Op basis van de aldus verrichte
fictieve schatting wordt dan de uitkering verminderd met het bedrag
van de inkomsten. Wanneer de inkomsten zodanig zijn dat er bij
wel algemeen geaccepteerde arbeid een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% zou
resteren, wordt de uitkering niet betaald. Toepassing van
het eerste lid kan over maximaal drie jaar plaatsvinden. Na afloop
van dat tijdvak geldt de aangevangen arbeid als arbeid in de zin van
artikel 2, vierde lid. De driejaarstermijn geldt niet ten aanzien van degene die
Wsw-arbeid verricht. In die gevallen worden over de gehele duur van die
arbeid de inkomsten daaruit op de uitkering in mindering gebracht. Eén en ander staat in het derde lid. De als gevolg
daarvan niet-betaalde
uitkeringen komen ten gunste van ’s Rijks kas (vierde lid). Op grond
van het vijfde lid worden bij ministeriële regeling regels gesteld met
betrekking tot het eerste lid. Deze regeling voorziet in elk geval in
gelijkstelling van inkomsten in verband met arbeid, zoals uitkeringen uit hoofde
van het verrichten of verricht hebben van de arbeid, genoemd in het
eerste lid, met inkomsten uit arbeid. In het zesde lid wordt geregeld dat
bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat ook bij andere arbeid dan
Wsw-arbeid de driejaarstermijn niet geldt. Dit lid komt overeen met
artikel 33, vijfde lid, AAW.
Artikel 58. Samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering met andere uitkeringen [zie
art. 59 WAZ, red.]
In het eerste, tweede en
derde lid van dit artikel worden de hoofdregels weergegeven bij
gelijktijdige samenloop van WAO- en WAZ-uitkering. Onder gelijktijdige
samenloop wordt in dit verband verstaan de situatie waarin een persoon ter
zake van arbeidsongeschiktheid met ingang van dezelfde dag aanspraak
heeft op een WAO- en een WAZ-uitkering.
In het eerste lid is
geregeld dat in die situatie de uitkering op grond van de WAZ niet tot
uitbetaling komt, tenzij de WAO-uitkering lager is dan 70% van het minimumloon
per
dag, of de persoon in kwestie in het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande
aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid in betekenende mate
geregeld zowel WAO-verzekerde arbeid als WAZ-verzekerde arbeid
heeft verricht.
In het tweede lid is
geregeld dat als de WAO-uitkering lager is dan 70% van het minimumloon per
dag, de WAZ uitkering de WAO-uitkering aanvult tot ten hoogste 70% van het minimumloon.
In het derde lid is
aangegeven dat de WAZ-uitkering van een persoon die vóór het intreden van
de arbeidsongeschiktheid in betekenende mate zowel WAO-verzekerde arbeid als WAZ-verzekerde arbeid heeft verricht tot
een nader te bepalen
bedrag tot uitbetaling komt. De wijze waarop dit bedrag moet worden
vastgesteld, alsmede hetgeen onder "in betekenende mate" moet worden worden
verstaan, zal worden opgenomen in de algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het achtste lid van dit artikel. Het ligt in het
voornemen bij het opstellen van deze regels aan te sluiten bij het thans
bestaande Besluit van 23 december 1986, nr. 86/10 945, op grond van artikel
36a, achtste lid, van de AAW
betreffende
regels in geval van
samenloop AAW-uitkering met een WAO-uitkering (Stcrt. 1986, 250).
rblz.|77|
In het vierde lid is een
regeling getroffen voor de (volgtijdelijke) samenloopsituatie waarin
een persoon eerst WAZ-uitkeringsgerechtigd is en daarna tevens WAO-uitkeringsgerechtigd wordt. Deze situatie zal zich
kunnen voordoen als de WAZ-uitkeringsgerechtigde voor zijn resterende verdiencapaciteit
werkzaamheden als werknemer gaat verrichten en uit dien hoofde
arbeidsongeschikt wordt. Indien de arbeidsongeschiktheid ter zake van laatstgenoemde
werkzaamheden tevens leidt tot een herziening van de WAZ-uitkering dan
kan, op grond van het bepaalde in het vierde lid, de herziene
WAZ-uitkering de WAO-uitkering tot ten hoogste 70% van het minimumloon
aanvullen, zij het dat de WAZ-uitkering in elk geval tot uitbetaling komt
naar het
niveau van vóór de herziening. Met deze regeling wordt
aangesloten bij de regeling zoals die thans geldt voor de volgtijdelijke samenloop
van AAW- en WAO-uitkering (zie artikel 36a, tweede lid,
AAW). Het
voorgaande impliceert dat in de situatie waar de arbeidsongeschiktheid uit
WAO-verzekerde werkzaamheden niet leidt tot een herziening van de
WAZ-uitkering, de WAZ-uitkering volledig naast de WAO-uitkering tot
uitbetaling komt.
Het vijfde lid regelt de
omgekeerde situatie van het vierde lid, dat wil zeggen dat eerst sprake
is van een WAO-uitkering en nadien tevens van een
WAZ-uitkering. In dat
geval komt de WAZ-uitkering tot uitbetaling voor zover zij hoger is
dan het bedrag waarmee de WAO-uitkering na herziening door toeneming
is verhoogd.
Het zesde lid,
betreffende de vakantie-uitkering, komt overeen met het voormalige vijfde lid van
artikel 36a AAW
en behoeft geen verdere toelichting. Dit laatste
geldt ook ten aanzien van het zevende lid, dat als zevende lid was opgenomen
in het eerdergenoemde artikel 36a AAW.
Het achtste lid,
onderdeel a, voorziet in de mogelijkheid tot het stellen van nadere regels. Zoals
hiervoor bij de bespreking van het derde lid reeds is aangegeven,
zullen deze regels in ieder geval betrekking hebben op het begrip "in
betekenende mate" en op de omvang van de WAZ-uitkering die tot
uitbetaling komt in de situatie waar een persoon, voorafgaande aan het
intreden van de arbeidsongeschiktheid, in een substantiële omvang
zowel WAZ- als WAO-verzekerde werkzaamheden heeft verricht.
Op grond van het achtste
lid, onderdeel b, kunnen regels worden gesteld inzake de samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
op grond van andere wetten dan de WAO. Eenzelfde bepaling
is opgenomen in het wetsvoorstel Pemba en het wetsvoorstel Wajong.
Tevens kunnen op grond van dit onderdeel regels worden gesteld bij samenloop van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
en een
bevallingsuitkering op grond van deze wet of een andere wet. Dit kan zich bij voorbeeld
voordoen ten aanzien van de verzekerde wier recht op bevallingsuitkering
ingaat tegen het einde van de wachttijd voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering
of voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO.
Alsdan kan zich de situatie voordoen dat een recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat terwijl het recht op bevallingsuitkering nog
niet is geëindigd. Het ligt in deze situatie in de rede de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet tot uitbetaling te doen
komen. Voorts kan de situatie zich voordoen dat zowel uit hoofde van deze wet als uit hoofde
van de ZW recht bestaat op een bevallingsuitkering. In deze situatie ligt het
in de rede de samenloop te beperken zodanig dat indien de
ZW-uitkering hoger is dan 100% van het minimumloon per dag, de
bevallingsuitkering op grond van de WAZ niet tot uitbetaling komt.
Indien de ZW-uitkering lager is dan eerdergenoemd bedrag dan ligt het in de
rede dat de bevallingsuitkering op grond van de WAZ niet tot uitbetaling
komt voor zover deze uitkering tezamen met de rblz.|78|
bevallingsuitkering op
grond van de ZW meer bedraagt dan 100% van het minimumloon per dag.
Het negende lid komt
overeen met hetgeen in artikel 43 van de AAW
was bepaald en behoeft
geen nadere toelichting.
Artikel 59. Betaling van
vakantie-uitkering [zie
art. 60 WAZ, red.]
In het eerste lid wordt
aangegeven dat de vakantie-uitkering in de maand mei wordt betaald.
Er wordt dan uitgekeerd het bedrag over de twaalf maanden
voorafgaand aan die maand. Er zijn evenwel situaties denkbaar waarin het in de
rede ligt de vakantie-uitkering op een ander tijdstip te betalen. Dit
geldt allereerst wanneer een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
eerder dan in mei eindigt. Dit zal zich tevens voordoen bij het
recht op uitkering in verband met bevalling, welk recht immers een duur van
ongeveer zestien weken kent. Los hiervan heeft de bedrijfsvereniging de
bevoegdheid vakantie-uitkering op een ander tijdstip uit te betalen
als de verzekerde daartoe een verzoek doet. In tegenstelling tot hetgeen
artikel 56 van de AAW
bepaalt, zijn in dit lid alle afwijkingen ten opzichte
van betaling in de maand mei opgenomen. Het treffen van een ministeriële regeling ter zake is dan niet nodig.
De overeenkomstige
toepassing in het tweede lid van de artikelen 54 [55], 56
[57] en 60 [61] betreft de
toepasselijkheid van een aantal artikelen over de betaling. Voor zover voor de
vakantie-uitkering niet anders is geregeld, gelden deze artikelen ook voor de
vakantie-uitkering. Het gaat om de artikelen over de betaalbaarstelling, de
uitbetaling aan instellingen en de betaling van overlijdensuitkering.
Artikel 60.
Overlijdensuitkering [zie
art. 61 WAZ, red.]
Op grond van dit artikel
wordt na overlijden van de uitkeringsgerechtigde de arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel de uitkering in verband
met bevalling enige tijd
doorbetaald. Deze doorbetaling vindt plaats in de vorm van een overlijdensuitkering. Rechthebbend ten aanzien van de
overlijdensuitkering is allereerst de langstlevende echtgenoot indien de
overledene niet duurzaam gescheiden leefde van de andere echtgenoot. Indien er geen
langstlevende echtgenoot is, zijn rechthebbend de minderjarige wettige en
natuurlijke kinderen. Indien ook die er niet zijn, zijn rechthebbend de
personen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten
van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde. Ten
aanzien van deze laatste groep rechthebbenden kan worden opgemerkt dat
deze zowel (bloed)verwanten van de overledene kunnen zijn als ook personen kunnen zijn die geen familierechtelijke
betrekkingen met de overledene hebben gehad. Genoemde volgorde is dwingend, in
die zin dat als er een rechthebbende is als bedoeld in onderdeel a,
er geen volgende rechthebbenden meer zijn.
Het kan zijn dat de
overledene op de dag van zijn overlijden geen recht op uitkering had. Het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt immers op de eerste dag
van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt.
Indien de verzekerde om die reden geen recht meer heeft op uitkering en hij
overlijdt vóór de dag waarop hij 65 jaar zou worden, wordt niettemin
toch overlijdensuitkering verstrekt aan de rechthebbende(n). Dat
wordt geregeld in het tweede lid, door deze persoon gelijk te stellen
met een uitkeringsgerechtigde.
In het derde lid is de
gelijkstelling neergelegd van niet met elkaar gehuwde personen met
echtgenoten. Deze gelijkstelling komt overeen met die welke in andere socialeverzekeringswetten is neergelegd.
Het derde en vierde lid van
artikel 5 [het derde en vierde lid van artikel 6; zie artikel
6 juncto artikel 1, derde tot en met
zevende lid, van de WAZ, red.] zijn
daarbij van toepassing. De voorheen in ZW,
WAO en AAW
bestaande
uitzondering voor bloedverwanten in de eerste of tweede graad
is vervangen door een uitzondering alleen voor bloedverwanten in de
eerste graad. Dat leidt ertoe dat wanneer een rblz.|79|
uitkeringsgerechtigde een
gezamenlijke huishouding voert met een bloedverwant in de tweede
graad, dat wil zeggen een broer of zus dan wel een grootouder of kleinkind, en ook overigens aan de
omschrijving
van artikel 5, derde lid [artikel 6, derde lid, red.],
voldoet, na zijn overlijden deze bloedverwant als echtgenoot aanspraak kan
maken op overlijdensuitkering.
In het vijfde lid is de
hoogte van de overlijdensuitkering aangegeven. Uitgangspunt bij de
berekening is de hoogte van de uitkering op de dag van overlijden. Voor
degene op wie het tweede lid van toepassing is, is bepalend de
uitkeringshoogte op de laatste dag van zijn uitkeringsrecht.
Gerekend vanaf de dag
volgend op de dag van overlijden van de uitkeringsgerechtigde is
de overlijdensuitkering gelijk aan het bedrag van één maand uitkering. Een
voorbeeld ter verduidelijking. Een uitkeringsgerechtigde overlijdt op 10
januari.
Tot en met die dag bestaat recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
of uitkering in verband met bevalling. Vanaf 11 januari tot en
met 10 februari wordt de uitkering doorbetaald in de vorm van
overlijdensuitkering. De uitkeringshoogte op 10 januari is bepalend voor de hoogte
van de overlijdensuitkering over de daaropvolgende dagen in de
periode van 11 januari tot en met 10 februari.
Zou de overledene in
kwestie op 20 januari 65 jaar zijn geworden, dan is zijn recht op uitkering
geëindigd op 31 december van het voorafgaande jaar. In dat geval is de
uitkeringshoogte op 31 december bepalend voor de hoogte van de overlijdensuitkering in de periode van 11 januari tot en met
10 februari.
Overlijdt de
uitkeringsgerechtigde op een zaterdag of een zondag, dan bestaat over die dag geen
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband met bevalling. Alsdan is de uitkeringshoogte op de
vrijdag daaraan
voorafgaand bepalend.
Met het zesde lid wordt
voorkomen dat onbedoeld een voortijdig einde aan de overlijdensuitkering komt. Dat zou kunnen gebeuren in de situatie
dat een verzekerde op 15
januari overlijdt terwijl hij op 4 februari 65 jaar zou zijn geworden. Consequentie zou dan zijn dat met ingang van 1
februari de uitkering
eindigt. Dit is ongewenst. In verband hiermee wordt in het zesde lid artikel
19, eerste lid, onderdeel a, in verband met het overlijden van de
uitkeringsgerechtigde buiten werking gesteld. Aanspraak op
overlijdensuitkering bestaat ook als een vrouwelijke verzekerde overlijdt die
recht had op een bevallingsuitkering. In dit verband is uitsluitend
van belang dat zij dat recht had en niet over hoeveel weken zij dat recht al
had gehad. Dat betekent dus dat wanneer de vrouw overlijdt en op dat
moment 14 weken recht heeft gehad op bevallingsuitkering, de overlijdensuitkering
toch over één maand wordt uitbetaald. Met het oog daarop is in
het zesde lid van dit artikel tevens artikel 22, derde lid, buiten
toepassing verklaard.
De overlijdensuitkering
wordt in een bedrag ineens uitbetaald. De uitbetaling geschiedt
eerst na een daartoe strekkend verzoek van de rechthebbende of rechthebbenden. Dit is verwoord in het zevende en
achtste lid.
Afhankelijk van de dag
van overlijden, het moment waarop de overlijdensmelding bij de bedrijfsvereniging
binnenkomt en de dag waarop de reguliere uitkering wordt betaald, zal het in de praktijk vaak voorkomen
dat de reguliere
uitkering al over de gehele maand is betaald op het moment dat de
uitkeringsgerechtigde overlijdt. Om te voorkomen dat over een bepaalde, na het
overlijden gelegen periode zowel een reguliere uitkering als een
overlijdensuitkering wordt betaald, wordt in het negende lid bepaald dat de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan uitkering dat over na
het overlijden gelegen dagen reeds was betaald.
Over het bedrag aan
overlijdensuitkering bestaat recht op vakantie-uitkering. Dat is neergelegd in
artikel 26 [27].
rblz.|80|
Artikel 61.
Verjaringstermijn [zie
art. 62 WAZ, red.]
De inhoud van dit artikel
spreekt voor zich.
Artikel 62.
Terugvordering [zie
art. 63 WAZ, red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid opgenomen artikel 48 AAW. In dit artikel is de verplichting neergelegd tot terugvordering van al hetgeen in
het kader van de uitkeringsrelatie onverschuldigd is betaald. Het gaat om
een terugvordering van de persoon aan wie of de instelling waaraan de uitkering is betaald. Dat
betekent een terugvordering niet alleen van de verzekerde zelf, maar ook
van andere personen en instellingen die in plaats van de verzekerde
uitkering hebben ontvangen op grond van deze wet. Een terugvordering
van willekeurige derden die bijvoorbeeld als gevolg van een foutieve
overboeking gelden hebben ontvangen, kan niet op de voet van dit artikel plaatsvinden. In die situatie is immers geen
sprake van betaling van verstrekkingen op grond van deze wet. Alsdan zal
op de voet van het BW
terugvordering van onverschuldigde betaling moeten plaatsvinden.
Terugvordering vindt
plaats van achteraf onverschuldigd verstrekte uitkeringen of voorzieningen als gevolg van een
herzienings- of intrekkingsbeslissing,
genoemd in artikel 18. Door deze beslissing komt de rechtsgrond aan een reeds
verleende uitkering of voorziening geheel of gedeeltelijk te
ontvallen. Het kan bij zo’n beslissing gaan om zowel de inhoudelijke aspecten van
de uitkering, zoals het recht op uitkering en de verlaging van de
uitkering bij wege van maatregel, als om vergissingen, zoals rekenfouten. Beide
leiden tot herstel van het toekenningsbesluit. Dat op grond van het eerste
lid hetgeen overigens onverschuldigd is betaald ook teruggevorderd wordt,
heeft ermee te maken dat er ook terugvordering moet plaatsvinden in de
gevallen dat er geen sprake is van een herzienings- of
intrekkingsbeslissing. Dat doet zich bijvoorbeeld voor als
er een goed besluit is getroffen, doch abusievelijk een hoger bedrag wordt
betaald dan het besluit vermeldt. De in het eerste lid gekozen formulering
impliceert tevens dat in
de gevallen waarin achteraf, als gevolg van een rechterlijke uitspraak,
wijziging in het recht op uitkering optreedt terugvordering
plaatsvindt.
Het tweede lid komt
overeen met hetgeen in artikel 18, tweede lid, 46 [47], tweede lid, en
47 [48], derde
lid, is bepaald. Uitzonderingen moeten mogelijk zijn indien de terugvordering voor de belanghebbende onaanvaardbare
consequenties heeft. Daarbij moet het om incidentele gevallen gaan, gebaseerd op een
individuele afweging van alle relevante omstandigheden. Van algemene of
categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn. Toepassing van dringende
redenen dient te geschieden met inachtneming van de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur. Bij dringende redenen behoeft niet
alleen aan financiële omstandigheden te worden gedacht. Ook immateriële omstandigheden kunnen een rol spelen. Wat de
financiële omstandigheden kan nog worden bedacht dat in het algemeen
voldoende bescherming
wordt geboden door de beslagvrije voet (zie artikel 63 [64], tweede lid,
jo. 53 [54], negende lid). Dringende redenen worden niet gevormd door doelmatigheidsoverwegingen, in die zin dat op grond van
een kosten-batenafweging van uitoefening van de verplichting door de bedrijfsvereniging kan
worden afgezien. Uit een oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en
preventieve werking is het consequent ten uitvoer leggen van deze
besluiten van groot belang.
Evenals bij een besluit
tot boeteoplegging is bepaald (zie artikel 49 [50], eerste lid), zal in een
terugvorderingsbesluit informatie moeten worden verstrekt over de wijze
van tenuitvoerlegging van dat besluit. Het derde lid voorziet daarin.
rblz.|81|
Het vierde lid komt
overeen met artikel 47 [48], vierde lid. De niet-nakoming van deze inlichtingenverplichting zal in het invoeringstraject strafbaar
worden gesteld op grond
van artikel 108 van de Organisatiewet sociale verzekeringen. Voorts
leidt niet-nakoming van deze inlichtingenverplichting tot verlies van de
bescherming van de beslagvrije voet.
Artikel 63. Besluit als
executoriale titel [zie
art. 64 WAZ, red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid opgenomen artikel 48a AAW. Evenals een boetebesluit (artikel
53 [54], eerste lid), levert het besluit tot
terugvordering een
executoriale titel op.
Artikel 64. Nadere regels
[zie art. 65 WAZ,
red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid opgenomen artikel 48b AAW. Evenals bij het treffen van maatregelen (artikel
46 [47], derde lid) en in geval
van opleggen van boete,
is ter wille van afstemming op het concrete geval ter zake van
terugvordering regelgeving nodig. In de wetgeving kan niet verder worden gegaan dan
het aangeven van enkele kaders. Ten aanzien van de reikwijdte van
deze gedelegeerde regelgeving kan worden verwezen naar paragraaf
10 "Nadere regelgeving" van [het algemeen deel van de memorie
van toelichting bij, red.] eerdergenoemde wet.
Artikel 65.
Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen [zie
art. 66 WAZ, red.]
Teneinde te bereiken dat
de op basis van deze wet verleende uitkeringen zoveel mogelijk
beantwoorden aan het doel waarvoor zij worden verstrekt, te weten een inkomensvoorziening, wordt in dit artikel bepaald
dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
de uitkering in verband met bevalling, de voorziening, de
inkomenssuppletie, de toelage noch de vergoeding op grond van artikel 31
[32], in
eigendom kan worden overgedragen of kan worden beleend dan wel verpand. Met geen beding kan daarvan worden
afgeweken. Op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de uitkering in verband met bevalling, de
vakantie-uitkering, de inkomenssuppletie en de toelage kan overigens wel
beslag worden gelegd.
Artikel 66. Niet voor
beslag vatbare verstrekkingen [zie
art. 67 WAZ, red.]
Een aantal verstrekkingen
op grond van deze wet is uitgezonderd van de mogelijkheid tot
beslaglegging. Dat zijn de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
in verband met hulpbehoevendheid, de voorzieningen, de
vergoeding, bedoeld in artikel 31 [32], en de overlijdensuitkering.
Gelet op het feit dat een
verleende voorziening niet vatbaar is voor beslag, ligt het in de
rede ook de vergoeding beslagvrij te houden. Deze vergoeding houdt namelijk
rechtstreeks verband met de verstrekte voorziening. Dat geldt
niet voor de toelage, bedoeld in artikel 31 [32], die veeleer het karakter
heeft van een tegemoetkoming wegens gederfde inkomsten en als zodanig
overeenkomt met een uitkering, die dat karakter eveneens heeft.
Artikel 67. Samenloop
aanspraken [zie
art. 68 WAZ, red.]
Wanneer de
arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is ontstaan door toedoen van een ander,
die daarvoor naar burgerlijk recht verplicht is tot schadevergoeding, moet
worden voorkomen dat langs twee wegen schadevergoeding kan
worden verkregen. Met het oog daarop is in dit rblz.|82|
artikel bepaald dat de
rechter die oordeelt over de schadevergoeding naar burgerlijk recht,
rekening houdt met de aanspraken die de verzekerde op grond van deze wet heeft.
Artikel 68. Regresrecht
[zie art. 69 WAZ,
red.]
In
paragraaf 5.2 is
ingegaan op de achtergronden van het voorstel tot uitbreiding van het
regresrecht. Over de omvang van het regres is het volgende bepaald. De rechter moet bij het vaststellen van de schadevergoeding
rekening houden met de aanspraken die de verzekerde krachtens deze wet heeft (artikel
67 [68]). Vervolgens kan de bedrijfsvereniging de door haar gemaakte kosten op
de schadeplichtige verhalen. Omdat het regresrecht van de
bedrijfsvereniging in het verlengde ligt van de schadevergoedingsvordering
van de verzekerde, is dit verhaal aan een maximum gebonden. Dit
wordt gedaan door een fictie op te nemen: de bedrijfsvereniging kan niet
méér verhalen dan het bedrag dat de
verzekerde zou kunnen
vorderen als de betreffende sociale verzekering niet zou hebben bestaan.
Dit maximum wordt het civiel plafond genoemd.
Om de hoogte van het
regres te kunnen vaststellen moet de rechter dus eerst de hoogte van de
schadevergoeding van het slachtoffer vaststellen, zoals die zou zijn geweest als er geen sociale verzekeringen waren
geweest. De rechter gaat
er dan van uit dat in die situatie het slachtoffer een schadevergoeding
ontvangen zou hebben uit een particuliere verzekering. Aangezien
dergelijke uitkeringen in het algemeen niet aan de heffing van belasting en
sv-premies onderworpen zijn, gaat het bij het maximaal verhaalbare
bedrag om een netto bedrag. Deze systematiek is door de Hoge Raad een
aantal malen bevestigd, laatstelijk bij arrest van 25 februari 1995, NJ
1995, 608 (Sterpolis/Staat).
Het tweede lid van dit
artikel bepaalt dat de bedrijfsvereniging in plaats van de periodieke
verstrekkingen de contante waarde daarvan kan vaststellen in de vorm van een jaarlijkse afkoopsom, die de totale schade
als gevolg van het
veroorzaken van arbeidsongeschiktheid weerspiegelt.
Artikel 69. Verplichting
tot verstrekken van inlichtingen [zie
art. 70 WAZ, red.]
Dit artikel behelst de
algemene verplichting tot het verstrekken van alle mededelingen die van
invloed kunnen zijn op het recht op, de hoogte en het bedrag van de uitkering. Deze verplichting geldt allereerst de
verzekerde, zoals
omschreven in artikel 3. Reeds bij aanvang van de verzekering kunnen zich
omstandigheden voordoen die van invloed zijn op het recht op
uitkering. In dat verband rust op de verzekerde die (nog) geen aanspraak maakt op
uitkering de algemene inlichtingenverplichting. Daarnaast gaat het om de
verzekerde die een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, om de verzekerde
die in de wachttijd verkeert en de verzekerde die aanspraak
maakt op uitkering. Afgezien van de verzekerde is diens wettelijke
vertegenwoordiger mededelingsplichtig. Tot slot betreft de verplichting de
instelling waaraan de uitkering wordt betaald op grond van artikel 56 [57].
De
inlichtingenverplichting strekt zich tevens uit over de aanspraak op vakantie-uitkering. De
inlichtingenverplichting geldt tevens de vrouwelijke verzekerde die aanspraak
maakt op uitkering in verband met bevalling, de verzekerde ten aanzien
van wie een voorziening wordt getroffen of overwogen of aan wie een inkomenssuppletie, toelage of vergoeding is
verleend.
Het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting voorvloeiend uit dit artikel, kan op grond
van artikel 18 of 30 [31] leiden tot herziening of intrekking van
uitkering
en op grond van artikel 47 [48] leiden tot een boete. Daarnaast wordt op grond
van artikel 54 [55] de betaling van uitkering geschorst of
opgeschort
als de bedrijfsvereniging op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel
is of het gegronde vermoeden heeft dat de rblz.|83|
verzekerde of diens
wettelijke vertegenwoordiger de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk
heeft nagekomen.
Artikel 70. Premieplicht
[zie art. 71 WAZ,
red.]
Met dit artikel wordt
aangegeven wie premieplichtig zijn voor de verzekering op grond van
deze wet. De opbrengst van de premies dienen, naast een aantal andere bronnen
- zie artikel 78 [79] -, tot dekking van alle
uitgaven die voor deze
wet moeten worden gedaan. Dat betreft niet alleen de uitkeringen,
voorzieningen en toelagen, maar ook de kosten die uitvoering van deze wet
door bedrijfsverenigingen en belastingdienst met zich brengt en de
middelen die noodzakelijk zijn voor instandhouding van een reserve van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen. De uitgaven die ten laste
van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komen, staan vermeld in
artikel 79 [80].
Ten aanzien van de
verzekerden bij wie premie wordt geheven, wordt aangesloten bij de in
artikel 4, 5 en 6 omschreven kring van respectievelijk zelfstandigen (onderscheiden naar in Nederland wonend en niet in
Nederland wonend), beroepsbeoefenaren, meewerkende echtgenoten/partners. Op de voet van
dit artikel vindt premieheffing en -inning door de belastingdienst plaats.
Ten aanzien van personen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, geldt een
ander regime. Ten aanzien van hen vindt op de uitkering inhouding van
vereveningsbijdrage plaats. Overeenkomstig de regel, neergelegd in
artikel 19, eerste lid, onderdeel a, eindigt de premieplicht met ingang van de eerste
dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt.
Artikel 71. Maatstaf voor
premieheffing [zie
art. 72 WAZ, red.]
In het eerste lid van dit
artikel is de grondslag voor de premieheffing neergelegd: het premie-inkomen. Dit premie-inkomen bestaat uit het
gezamenlijke bedrag aan
winst uit onderneming, winst uit binnenlandse onderneming en de anders
dan uit dienstbetrekking genoten inkomsten uit tegenwoordige arbeid.
Het begrip "winst uit onderneming" ziet op een nettobedrag, dat wil
zeggen na aftrek van de daarmee gemoeide kosten. Om voor de anders dan uit
dienstbetrekking genoten inkomsten uit tegenwoordige arbeid
eenzelfde benadering te bewerkstelligen is bepaald dat deze inkomsten worden
verminderd met de aftrekbare kosten die betrekking hebben op de inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Deze
benadering heeft tot
gevolg dat bij samenloop tussen loon uit dienstbetrekking in de zin van de
WAO en
andere inkomsten uit arbeid, de aftrekbare kosten die
zien op het loon uit dienstbetrekking, in aftrek komen op de andere
inkomsten uit arbeid en dientengevolge de premiegrondslag verminderen. Splitsing
van deze kosten, in een deel dat ziet op het loon uit
dienstbetrekking en een deel dat ziet op de andere inkomsten uit tegenwoordige arbeid,
is uitvoeringstechnisch bezwaarlijk. Daaraan zij toegevoegd dat het
meestal zo zal zijn dat het grootste deel van de kosten wordt opgeroepen
door de
andere inkomsten uit tegenwoordige arbeid.
In het tweede lid van dit
artikel is de maximumpremiegrens neergelegd. Zoals reeds is vermeld in paragraaf
4.5 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting,
is geen premie verschuldigd over het premie-inkomen voor zover dit een bij
ministeriële regeling vast te stellen bedrag te boven gaat.
Artikel 72. Franchise en
tarief [zie
art. 73 WAZ, red.]
In het eerste lid is de
zogenaamde franchise opgenomen. Deze franchise ziet op het deel van het
premie-inkomen waarover geen premie is verschuldigd. De
franchise bestaat in de eerste plaats uit een basisbedrag rblz.|84|
dat bij
ministeriële
regeling wordt vastgelegd. In de tweede plaats komt in de franchise de
afstemming op de werknemersverzekering tegen arbeidsongeschiktheid (de WAO) tot uiting. Indien het bedrag van de inkomsten uit
dienstbetrekking hoger is dan het basisbedrag van de franchise, geldt het
bedrag van de inkomsten uit dienstbetrekking in de zin van de WAO als franchise.
Het tweede en derde lid
van dit artikel betreft de vaststelling van het premiepercentage voor de
verzekering op grond van deze wet, die opgedragen is aan het
Tica. Het Tica stelt daarbij tevens vast voor welk tijdvak dat percentage
geldt. In het algemeen zal die vaststelling per kalenderjaar
plaatsvinden, ofschoon vaststelling voor een korter tijdvak tevens tot de
mogelijkheden behoort. Het ligt voor de hand deze vaststellingstaak in
handen te leggen van het Tica, aangezien bij deze instantie ook de kennis
aanwezig is over de op basis van deze wet verleende uitkeringen en
het Tica tevens het beheer voert over het Arbeidsongeschiktheidsfonds
zelfstandigen. Voorts komt premievaststelling door het Tica ook overeen
met hetgeen in artikel 10 van de Wet financiering volksverzekeringen
(Wfv) is bepaald ten aanzien van de
vaststelling van de
premie voor de AAW-verzekering. De vaststelling van het premiepercentage is
onderworpen aan de goedkeuring van Onze
Minister. Indien het door
het Tica vastgestelde percentage of de door hem vastgestelde periode niet
tot goedkeuring leidt, stelt in plaats van het Tica de minister het
percentage of de periode vast.
Artikel 73. Gemiddeld
premiepercentage [zie
art. 74 WAZ, red.]
Zoals aangegeven, zal in
de praktijk de vaststelling van het premiepercentage per kalenderjaar
plaatsvinden. Ingeval echter een wijziging in het percentage optreedt op
een andere datum dan 1 januari, zal een herberekening moeten
plaatsvinden. Dit geschiedt op basis van een ministeriële regeling,
die een gemiddeld premiepercentage aangeeft voor bij die regeling aan te
wijzen tijdvakken.
Artikel 74. Heffing van
premie [zie
art. 75 WAZ, red.]
Met dit artikel wordt
bereikt dat de regels die gelden voor de heffing en invordering van de
inkomstenbelasting, op dezelfde manier worden toegepast bij de heffing
en de invordering van de premie die verschuldigd is op grond van deze
wet.
Dat betekent dat zowel de formele bepalingen in de Wet IB als die in
de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (Awr) en de Invorderingswet
1990 overeenkomstig worden toegepast, alsmede de op die wetten gebaseerde
lagere regelgeving, zoals die inzake uitstel van betaling. Voorts is
hierdoor de fiscale regeling inzake bezwaar en beroep, zoals onder andere
geregeld in de Awr en de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, van overeenkomstige toepassing, alsmede de
uitsluiting van de toepassing van boek 8 [hoofdstuk
8, red.] Awb in artikel
8:4, onderdeel g, Awb. Deze opzet heeft
tevens tot gevolg dat bijvoorbeeld ook de regeling inzake heffingsrente met
betrekking tot de inkomstenbelasting overeenkomstig wordt toegepast voor de
premie. Daarmee is de premie echter nog geen
inkomstenbelasting geworden. Zo wordt door deze opzet verrekening van
loonbelasting met premie (artikel 15 Awr) niet mogelijk en heeft het
één en ander
geen gevolgen voor de toepassing van artikel 14, vijfde lid, van de
Wet op de vermogensbelasting 1964.
Het is de opzet om de
heffing en de invordering van de premie zoveel mogelijk te combineren
met die van de inkomstenbelasting. Daartoe is in het derde lid bepaald dat
de aanslag voor de premie gelijktijdig met die voor de
inkomstenbelasting of premie volksverzekeringen wordt vastgesteld. In artikel
62 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is geregeld dat de
inkomstenbelasting bij wege van aanslag wordt vastgesteld. rblz.|85|
Met de uitsluiting
van de toepassing van artikel 64 van de Wet op de inkomstenbelasting wordt
beoogd een zelfstandig criterium voor het niet opleggen van
premieaanslagen uit te sluiten. In plaats hiervan wordt geheel aangesloten bij
het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting. Met de regeling in het
vierde lid wordt namelijk bereikt dat ondernemers die een aanslag
inkomstenbelasting ontvangen, altijd een verplichte
premieaanslag krijgen opgelegd. Dit is niet alleen het geval indien aan de
ondernemer een verplichte aanslag inkomstenbelasting wordt opgelegd, maar ook bij de
vaststelling van een zogeheten nihilaanslag. Indien geen aanslag
inkomstenbelasting wordt opgelegd, blijft ook de premieaanslag achterwege. Dit is het
geval in de situaties dat geen aangiftebiljet aan de ondernemer is uitgereikt
of de termijn voor het opleggen van de aanslag is verstreken. In dat
geval neemt de inspecteur een besluit om geen aanslag op te leggen.
Overigens kan worden
opgemerkt dat ten aanzien van ondernemers bijna altijd een aanslag
inkomstenbelasting zal worden vastgesteld, ook in gevallen dat geen belasting hoeft te worden betaald
(nihilaanslag). De
omstandigheid dat geen
aanslag premie wordt vastgesteld omdat geen aanslag
inkomstenbelasting wordt vastgesteld, is overigens niet van belang voor
beantwoording van de vraag of iemand is verzekerd, dan wel of recht op uitkering
bestaat.
Artikel 75.
Rijksbijdragen [zie
art. 76 WAZ, red.]
In dit artikel (dat
gelezen moet worden in combinatie met bepaalde in artikel 78 [79], onderdeel
e)
is geregeld dat het Rijk een financiële bijdrage levert als de uitgaven
ingevolge deze wet ten behoeve van beroepsbeoefenaren, de gelden die van hen uit
hoofde van premieheffing worden verkregen, overtreffen.
Voor de redenen die hebben geleid tot een dergelijke bijdrage, zij
verwezen naar het algemeen deel van de toelichting.
Artikel 76. Nadere regels
[zie art. 77 WAZ,
red.]
Voor een aantal situaties
behoeven de in de wet opgenomen bepalingen inzake maatstaf, tarief
en heffing aanvullende regelgeving. Deze wet biedt hiertoe in dit artikel de
mogelijkheid. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan de situatie
dat de verzekerings- en premieplicht niet het gehele kalenderjaar
bestrijkt, bijvoorbeeld door het bereiken van de 65-jarige leeftijd of bij
overlijden.
Artikel 77.
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen [zie
art. 78 WAZ, red.]
De opbrengsten van
premies en andere middelen die op grond van deze wet worden opgebracht en
de uitgaven die op grond van artikel 79 [80] moeten worden gedaan, worden ten gunste, respectievelijk ten laste
gebracht van een Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen. Evenals dat voor andere
socialeverzekeringsfondsen geldt, zoals het Algemeen Werkloosheidsfonds, maakt
dit fonds onderdeel uit van het Tica en wordt het apart beheerd en
geadministreerd.
Artikel 78. Bedragen ten
gunste van Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen [zie
art. 79 WAZ, red.]
Dit artikel somt op welke
bedragen ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komen. Afgezien van de
premies zijn dat de
vereveningsbijdrage die op de verstrekte uitkeringen in mindering worden
gebracht, de geïnde boeten wegens niet of niet-voldoende naleving
van de inlichtingenverplichting en de bedragen die de bedrijfsvereniging
int door toepassing van het recht van verhaal.
rblz.|86|
Artikel 79. Uitgaven ten
laste van Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen [zie
art. 80 WAZ, red.]
Dit artikel somt de
bedragen op die ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen worden gebracht. Dat zijn in
eerste instantie alle
uitkeringen die op basis van deze wet worden gedaan, te weten
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen in verband met bevalling,
vakantie-uitkeringen en overlijdensuitkeringen. Voorts komen de inkomenssuppletie voor
gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen, de voorzieningen en
toelagen en vergoedingen op grond van artikel 31 [32] ten laste van het fonds.
Premies die wettelijk
zijn verschuldigd door de bedrijfsvereniging over de uitkering, zonder dat
deze op de uitkering in mindering kunnen worden gebracht, komen tevens
ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen. Te denken
valt hierbij onder andere aan het deel van de premie op grond van de
Ziekenfondswet dat de bedrijfsvereniging verschuldigd is. Toelagen
door het Tica verleend op basis van artikel 87 [88] en de kosten die uitvoering
van deze wet met zich brengt, komen tenslotte ook ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen. Wat dit laatste betreft, kan
worden opgemerkt dat het hierbij niet alleen om door de bedrijfsvereniging
gemaakte uitvoeringskosten gaat, maar ook om de uitvoeringskosten die de
belastingdienst maakt in het kader van deze wet.
Artikel 80. Uitvoering
door bedrijfsverenigingen [zie
art. 81 WAZ, red.]
Op grond van
deze wet
hebben de bedrijfsverenigingen tot taak de verzekering uit te voeren. Het gaat hierbij om alle aspecten rond het recht
op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling
van uitkering. Maar niet
alleen deze aspecten van de uitvoering van de verzekering zijn van
belang. De bedrijfsvereniging heeft onmiskenbaar, naast de belastingdienst,
ook een taak met betrekking tot de vaststelling van de
verzekeringsplicht. Immers, ten aanzien van een groot deel van de personenkring van
verzekerden kan, op het moment dat uitkering wordt aangevraagd, niet met
zekerheid worden vastgesteld dat er sprake is van verzekeringsplicht.
Veelal zal over de periode voorafgaand aan de aanvraag niet op grond
van een aanslag van de belastingdienst de verzekeringsplicht naar
voren komen. Een definitieve aanslag inkomstenbelasting wordt meestal geruime
tijd (gemiddeld drie kwart jaar) na afloop van het belastingjaar
opgelegd. In het geval dat een persoon die niet zelfstandig inkomsten
geniet, bijvoorbeeld de meewerkende echtgenoot, een uitkering aanvraagt,
zal over voorliggende jaren in het geheel geen verzekeringsplicht via
aanslag zijn vastgesteld. Alsdan is het verzekerd zijn van betrokkene geheel ter
beoordeling aan de bedrijfsvereniging.
Het voorgaande laat
onverlet dat op grond van deze wet ook de belastingdienst uitvoerende taken heeft, zoals de premieheffing, die
vaststelling van verzekeringsplicht impliceert, en premie-invordering.
Artikel 81. Bevoegde
bedrijfsvereniging [zie
art. 82 WAZ, red.]
Dit artikel regelt de
bevoegde bedrijfsvereniging voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren,
meewerkende echtgenoten en personen die recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband met bevalling
hebben. De zelfstandige
is verzekerd bij de bedrijfsvereniging waarbij hij als werkgever voor zijn
personeel is aangesloten. Als hij geen werknemers in dienst heeft, is dat
de bedrijfsvereniging waarbij hij zou zijn aangesloten als hij wel werknemers in
dienst zou hebben gehad. De beroepsbeoefenaar is aangesloten bij de
bedrijfsvereniging waarbij hij zou zijn aangesloten indien hij
zijn werkzaamheden in dienstbetrekking zou hebben verricht. De
meewerkende echtgenoot is verzekerd bij de bedrijfsvereniging
waarbij zijn echtgenoot/zelfstandige is aangesloten. De rblz.|87|
tweede zin van het tweede
lid voorziet in aanwijzing van de bevoegde bedrijfsvereniging indien de echtgenoot/zelfstandige zelf niet (meer)
verzekerd is voor de WAZ
wegens bijvoorbeeld het bereiken van de 65-jarige leeftijd. De
persoon die recht heeft op uitkering op grond van deze wet is verzekerd bij
de bedrijfsvereniging tegenover welke hij die aanspraak heeft.
Datzelfde geldt voor diegenen die in de wachttijd verkeren.
Artikel 82. Bevoegde
bedrijfsvereniging bij samenloop [zie
art. 83 WAZ, red.]
Het eerste lid geeft een
regel voor de situatie dat de zelfstandige, de beroepsbeoefenaar of de
meewerkende echtgenoot op grond van zijn werkzaamheden bij meer
dan één bedrijfsvereniging is aangesloten. In dat geval geschiedt de
toekenning van de uitkering door de bedrijfsvereniging die haar werking uitstrekt over het onderdeel van het
bedrijfs- en
beroepsleven waartoe de werkzaamheden in hoofdzaak behoren. Dit laatste wordt vastgesteld
aan de hand van de omvang van het bedrag van de winst of de inkomsten
die de verzekerde in de periode waarover de grondslag wordt
vastgesteld heeft genoten.
In het tweede lid wordt
geregeld door welke bedrijfsvereniging de toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering geschiedt indien de
verzekerde als gevolg van arbeidsongeschiktheid tevens aanspraak heeft op een uitkering op grond
van de WAO. Op grond van het derde lid worden regels gesteld die
voorzien in een bevoegde bedrijfsvereniging in de situatie dat een
persoon aan wie reeds eerder een WAO- of Wajong-uitkering was toegekend, later
tevens recht verkrijgt op toekenning van WAZ-uitkering.
Artikel 83. Bevoegde
bedrijfsvereniging bij herziening [zie
art. 84
WAZ, red.]
In het systeem van
deze
wet kan een uitkeringsgerechtigde slechts één uitkering op grond van
deze wet ontvangen. Heeft hij eenmaal een WAZ-uitkering en werkt
hij (wederom) al dan niet gedeeltelijk als zelfstandige, dan is het
de bedrijfsvereniging die de oorspronkelijke uitkering heeft toegekend
die de uitkering herziet, ook als hij voor zijn werkzaamheden bij een
andere bedrijfsvereniging is aangesloten.
Artikel 84. Bevoegde
bedrijfsvereniging bij toekenning binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning
[zie art. 85 WAZ,
red.]
Dit artikel regelt de
bevoegde bedrijfsvereniging bij toepassing van artikel
20. De bedrijfsvereniging die aanvankelijk de uitkering heeft
ingetrokken dan wel niet toegekend, is de bevoegde instantie voor de latere toekenning van
uitkering.
Artikel 85. Bevoegde
bedrijfsvereniging bij heropening [zie
art. 86
WAZ, red.]
Dit artikel regelt de
bevoegde bedrijfsvereniging bij toepassing van artikel
21. De bedrijfsvereniging die de uitkering heeft ingetrokken, is de
bevoegde instantie voor de latere heropening van uitkering.
Artikel 86. Bevoegde
bedrijfsvereniging bij reïntegratiemaatregelen [zie
art. 87 WAZ, red.]
De bedrijfsvereniging,
bevoegd voor de toekenning, herziening en heropening van de uitkering, is tevens bevoegd ten aanzien van de
verstrekking van
inkomenssuppletie, voorzieningen en toelagen op basis van artikel 31 [32].
rblz.|88|
Artikel 87. Verlening
toelagen [zie
art. 88 WAZ, red.]
Op basis van dit artikel
kunnen instellingen en organisaties zich tot het Tica wenden met een
verzoek om een financiële bijdrage in projecten van uiteenlopende aard.
Voorbeeld daarvan kan zijn het ontwikkelen van voorzieningen voor
gehandicapten. De activiteiten van deze instanties dienen behoud, herstel of
bevordering van de arbeidsgeschiktheid tot doel te hebben.
Subsidieaanvragen zullen door het Tica dan ook op basis van deze criteria
worden getoetst.
Artikel 88. Ontheffing
wegens gemoedsbezwaren [zie
art. 89 WAZ, red.]
Dit artikel komt overeen
met de artikelen 72 van de AAW
en 22 van de Wfv. Er zijn personen die
overwegende gemoedsbezwaren hebben tegen welke vorm van verzekering
dan ook en daarom zichzelf, noch hun eigendommen hebben
verzekerd. Voor deze personen bestaat de mogelijkheid ontheven te
worden van de verplichtingen op basis van hoofdstuk 6 van deze
wet.
Het gaat dan met name om ontheffing van de verplichting tot
premiebetaling. Ontheffing kan uitsluitend plaatsvinden op verzoek van de
gemoedsbezwaarde en wordt verleend door de bedrijfsvereniging.
Artikel 89. Heffing van
premievervangende inkomstenbelasting [zie
art.
90 WAZ, red.]
Is een ontheffing wegens
gemoedsbezwaren verleend, dan wordt ten aanzien van de betrokkene
een premievervangende inkomstenbelasting geheven. Deze belasting wordt zodanig geheven dat zij dezelfde hoogte
heeft als het bedrag dat
als premie zou worden geheven indien er geen sprake zou zijn van
gemoedsbezwaren.
Artikel 90. Belasting
beschouwd als premie voor bepaalde wetten [zie
art. 91 WAZ, red.]
Door de premievervangende
inkomstenbelasting voor deze wet, de Wet op de inkomstenbelasting
1964 en de Invorderingswet
1990 te beschouwen als premie op grond van deze wet wordt bewerkstelligd dat
waar in de betrokken
belastingwetten wordt gesproken over premie, de premievervangende
belasting op dezelfde voet wordt behandeld en dat voor de fiscale
behandeling een adequaat onderscheid wordt gemaakt tussen de
inkomstenbelasting en de premievervangende belasting.
Artikel 91. Premie ten
laste van het Rijk [zie
art. 92 WAZ, red.]
De premie die als gevolg
van ontheffing wegens gemoedsbezwaren niet wordt geheven bij de
betrokkene wordt ten laste van het Rijk gebracht en gestort in het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen.
Artikel 92. Nadere regels
[zie art. 93 WAZ,
red.]
Op grond van dit artikel
kunnen met betrekking tot de ontheffing wegens gemoedsbezwaren
bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. Deze regels
zullen overeenkomen met de regels, getroffen op basis van artikel 24 van
de Wfv.
Artikel 93. Begrip
belanghebbende [zie
art. 94 WAZ, red.]
Met dit artikel wordt, in
afwijking van de Algemene wet bestuursrecht, een begrip belanghebbende
gedefinieerd. Deze inperking van het begrip belanghebbende geldt uitsluitend besluiten inzake het bestaan, het
voortbestaan en de mate
van arbeidsongeschiktheid. Belanghebbende in deze is de verzekerde
wiens aanspraken deze besluiten betreft. Uitgaan rblz.|89|
van het algemene
belanghebbendebegrip van de Awb zou ertoe kunnen leiden dat meer personen
als belanghebbend zouden kunnen worden aangemerkt in deze
kwesties, die toch als overwegend privacygevoelig moeten worden beschouwd.
Artikel 94.
Beslistermijnen [zie
art. 95 WAZ, red.]
Ten aanzien van de
termijn waarbinnen een beschikking op aanvraag, dan wel een beschikking
ambtshalve moet worden gegeven, kunnen bij AMvB regels worden gesteld. Deze AMvB draagt een tijdelijk karakter. Bij
het treffen van deze AMvB
zal naar verwachting worden aangesloten bij het Besluit
beslistermijnen socialeverzekeringswetten. Het gaat bij deze regels om beschikkingen
die de bedrijfsvereniging geeft. De beschikkingen die de belastingdienst
afgeeft met betrekking tot verzekeringsplicht, premieplicht en
premiehoogte, zijn onderworpen aan de fiscale rechtsgang.
Artikel 95. Beslistermijn
bedrijfsvereniging bij bezwaarschrift [zie
art. 96 WAZ, red.]
Met dit artikel is
afgeweken van artikel 7:10 van de Awb, dat zegt dat beslissingen op bezwaar
binnen zes of, als er een externe adviescommissie is ingesteld, binnen
tien weken moeten zijn genomen. Voor de bedrijfsvereniging geldt
ten aanzien van beslissingen op bezwaar een termijn van dertien
weken.
Artikel 96. Medische
bezwaarschriftprocedure [zie
art. 97 WAZ, red.]
Aangezien de beoogde
datum van inwerkingtreding van deze wet - 1 januari 1997
¹ - samenvalt met de datum waarop de verplichte
bezwaarschriftprocedure
integraal in de arbeidsongeschiktheidswetten dient te worden
ingevoerd, is in dit artikel voorzien in de mogelijkheid om bij algemene maatregel
van bestuur regels te stellen met betrekking tot medische
bezwaarschriftenprocedures.
1. Bij Besluit van 2
september 1997, Stb. 1997, 391, is de datum van inwerkingtreding
vastgesteld op 1 januari 1998, met uitzondering van de artikelen 89 en
93, die met ingang van 1 oktober 1997 in werking treden, red.
Artikel 97. Beroep in
cassatie [zie
art. 98 WAZ, red.]
Dit artikel opent de
mogelijkheid cassatieberoep in te stellen naar aanleiding van een beslissing door de bedrijfsvereniging genomen over
het verzekerd zijn. Het
betreft de artikelen 3 tot en met 6. Naar aanleiding van een uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep over deze beslissing kan een belanghebbende
beroep in cassatie instellen. Aangezien ook door de belastingdienst
beschikkingen worden afgegeven ter zake van het verzekerd zijn is, om te
voorkomen dat tussen de rechter in belastingzaken en de rechter in
socialeverzekeringszaken verschil van mening over de uitleg van deze artikelen
zou ontstaan, deze cassatiemogelijkheid opgenomen.
Artikel 98. Strafbepaling
[zie art. 99 WAZ,
red.]
Dit artikel komt overeen
met artikel 86 van de AAW. Deze bepaling spreekt voor zich.
Artikel 99. Verval van
recht tot strafvordering [zie
art. 100 WAZ, red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid opgenomen artikel 87 AAW. Dit artikel geeft, samen met
het voorgestelde artikel 50 [51], tweede lid, uitwerking aan het
una-viabeginsel.
Zodra de bedrijfsvereniging een boete heeft opgelegd, kan wegens
dezelfde gedraging geen strafrechtelijke afdoening meer volgen. Aan de
andere kant kan geen administratiefrechtelijke boete rblz.|90|
meer worden opgelegd
indien ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld die zover is
gevorderd dat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan
wel het recht op strafvervolging is vervallen door een schikking met
het OM op de voet van artikel 74 Wetboek
van Strafrecht.
Artikel 100.
Overtredingen [zie
art. 101 WAZ, red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale
zekerheid opgenomen artikel 88 AAW
en behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 101. Buitentoepassingverklaring van Algemene termijnenwet [zie
art. 102 WAZ, red.]
De
Algemene
termijnenwet geeft regels voor de berekening van termijnen in verband met
de zaterdag, zondag en algemeen erkende feestdagen. Op grond van
die wet moet een bij wet gestelde termijn die op één van de genoemde
dagen eindigt, worden verlengd tot de eerstvolgende dag, niet
zijnde een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag. Als erkende
feestdag gelden nieuwjaarsdag, tweede paas- en pinksterdag, koninginnedag,
Hemelvaartsdag en de beide kerstdagen. Goede Vrijdag is met deze
dagen gelijkgesteld. De Algemene termijnenwet geldt onder
meer niet voor termijnen die zijn omschreven in meer dan twaalf weken,
drie maanden of in één of meer jaren.
Met dit artikel wordt ten
aanzien van een aantal in deze wet genoemde
tijdvakken de Algemene
termijnenwet buiten toepassing verklaard. Dat betreft de tijdvakken van vier weken, genoemd in de
artikelen 7, derde en
vijfde lid, 13, vierde
lid, 14, 15, eerste lid,
16, 20 en 21.
Artikel 102.
Inwerkingtreding [zie
art. 103 WAZ, red.]
Het voornemen bestaat om
deze wet in werking te doen treden op 1 januari 1997.¹ Op dit
moment kan nog niet worden vastgesteld of alsdan alle artikelen van deze
wet tegelijkertijd in werking kunnen treden. Met het oog daarop is de
inwerkingtreding bepaald op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met de
mogelijkheid onderdelen op verschillende tijdstippen in te laten
gaan.
1. Bij Besluit van 2
september 1997, Stb. 1997, 391, is de datum van inwerkingtreding
vastgesteld op 1 januari 1998, met uitzondering van de artikelen 89 en
93, die met ingang van 1 oktober 1997 in werking treden, red.
Artikel 103. Citeertitel
[zie art. 104 WAZ,
red.]
Deze bepaling behoeft
geen nadere toelichting.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
rblz.|91|
BIJLAGE
Concordantietabel WAZ-AAW
| WAZ-artikel |
AAW-artikel
(tekst m.i.v. 1-8-1996)
|
Onderwerp |
| 1 |
1 |
algemene begrippen |
| 2,
eerste t/m derde lid |
5,
eerste t/m derde en achtste lid |
begrip arbeidsongeschiktheid |
| 2,
vierde t/m zesde lid |
5,
vijfde t/m zevende lid |
idem |
| 2,
zevende lid |
5,
negende lid |
idem |
| 2,
achtste lid |
5,
tiende lid |
idem |
| 2,
negende lid |
--- |
idem |
| 3,
eerste lid |
4,
eerste lid |
de
verzekerde |
| 3,
tweede lid |
--- |
idem |
| 3,
derde lid |
4,
tweede lid |
idem |
| 4 |
--- |
zelfstandige |
| 5 |
--- |
beroepsbeoefenaar |
| 6 |
--- |
meewerkende
echtgenoot |
| 7,
eerste en tweede lid |
6,
eerste lid |
recht op ao-uitkering |
| 7,
derde lid |
6,
vierde lid, onderdeel a |
idem |
| 7,
vierde lid |
--- |
meetellende
ao-periode |
| 7,
vijfde en zesde lid |
6,
vijfde en zesde lid |
recht op ao-uitkering |
| 8,
eerste lid |
10,
eerste lid |
grondslag uitkering |
| 8,
tweede t/m zesde lid |
--- |
idem |
| 8,
zevende lid |
10,
tweede lid |
idem |
| 8,
achtste lid |
10,
vijfde lid |
idem |
| 8,
negende lid |
10,
achtste lid |
idem |
| 8,
tiende lid |
10,
zesde lid |
idem |
| 9 |
12 |
percentage
ao-uitkering |
| 10 |
13,
eerste lid |
verhoging
ao-uitkering |
| 11,
eerste lid |
21,
eerste lid, onderdeel a en c |
buiten aanmerking laten ao |
| 11,
tweede lid |
21,
derde lid |
idem |
| 11,
derde lid |
22 |
idem |
| 12,
eerste t/m vierde lid |
26 |
herziening ao-uitkering |
| 12,
vijfde lid |
32,
vierde lid |
niet
herzien ao-uitkering |
| 13 |
27 |
herziening bij <45% ao |
| 14 |
28 |
herziening bij 45%
of meer ao |
| 15 |
29 |
herziening
uitkering zonder
wachttijd |
| 16 |
29a |
herziening
bij toename ao binnen 5 jaar |
| 17 |
29b,
eerste en tweede lid |
grondslag bij toegenomen ao |
| 18 |
26a |
overige gronden
herziening of intrekking |
| 19,
eerste lid |
40,
eerste lid, resp.
32, eerste lid, onderdeel a |
einde ao-uitkering |
| 19,
tweede lid |
32,
vierde lid |
idem |
| 19,
derde lid |
32,
derde lid jo. 31, vierde lid |
idem |
| 20,
eerste t/m derde lid |
32a,
eerste, tweede en vierde lid |
uitkering
binnen 5 jaar na intrekking of niet-toekenning |
| 20,
vierde lid |
--- |
idem |
| 21 |
37,
eerste t/m zesde lid |
heropening
uitkering |
| 22 |
--- |
uitkering
i.v.m.
bevalling |
| 23 |
--- |
hoogte
uitkering i.v.m. bevalling |
| 24 |
52 |
recht op
vakantie-uitkering |
| 25 |
53,
eerste, tweede, vierde en vijfde lid |
hoogte vakantie-uitkering |
| 26 |
55 |
vakantie-uitkering over
overlijdensuitkering |
| 27 |
59b |
inkomenssuppletie
voor gedeeltelijk ao zelfstandigen |
| 28 |
--- |
garantie
voor oudere ao zelfstandigen |
| 29,
eerste en tweede lid |
57,
eerste en tweede lid |
voorzieningen |
| 29,
derde lid |
57,
eerste lid |
idem |
| 29,
vierde lid |
57,
derde lid |
idem |
| 30 |
26a |
art. 18
overeenkomstige
toepassing |
| 31 |
58 |
toelage en
vergoeding |
| 32,
eerste lid |
65 |
melding
gedurende wachttijd |
| 32,
tweede lid |
--- |
idem |
| 33 |
--- |
melding
zwangerschap |
| 34,
eerste, tweede en vierde t/m zevende lid |
24 |
toekenning ao-uitkering |
| 34,
derde lid |
--- |
idem |
| 35,
eerste en tweede lid |
25 |
ingangsdatum uitkering |
| 35,
derde lid |
40,
tweede lid |
idem |
| 36,
eerste lid |
30,
eerste lid |
herziening
en heropening op aanvraag of ambtshalve |
| 36,
tweede lid |
26,
tweede lid |
idem |
| 36,
derde lid |
37,
zevende lid |
idem |
| 37,
eerste t/m vierde lid |
31,
eerste t/m vierde lid |
ingangsdatum
heropening uitkering |
| 37,
vijfde lid |
37,
vijfde lid |
idem |
| 37,
zesde lid |
40,
tweede lid |
idem |
| 38 |
--- |
toekenning
uitkering i.v.m. bevalling |
| 39,
eerste lid |
53,
derde lid |
toekenning andere uitkeringen |
| 39,
tweede lid |
57,
eerste lid |
idem |
| 39,
derde lid |
58 |
idem |
| 40 |
14 |
oproep/onderzoek
bedrijfsvereniging |
| 41 |
17 |
vergoeding kosten
en tijdverlies |
| 42 |
15 |
voorschriften
med./adm. aard |
| 43 |
18 |
controlevoorschriften |
| 44 |
16 |
gevolgen weigeren
onderzoek |
| 45 |
19,
eerste lid |
gevolgen
niet naleven voorschriften |
| 46 |
20 |
afstemming
maatregel |
| 47 |
20a |
boete |
| 48 |
20b |
voorschriften
i.v.m. voorgenomen boete |
| 49 |
20c |
voorschriften
i.v.m. boete |
| 50 |
20d |
niet
opleggen
boete |
| 51 |
20e |
termijnstelling
boete |
| 52 |
20f |
afwijking Awb |
| 53 |
20g |
executoriale titel |
| 54,
eerste lid |
41,
eerste lid |
betaalbaarstelling |
| 54,
tweede lid |
--- |
idem |
| 54,
derde t/m vijfde lid |
41,
tweede t/m vierde lid |
idem |
| 55,
eerste lid |
41a,
eerste lid |
inhouding vereveningsbijdrage |
| 55,
tweede lid |
41a,
tweede lid |
idem |
| 56 |
45 |
betaling aan
instelling |
| 57 |
33 |
inkomsten en
uitkering |
| 58,
eerste t/m achtste lid |
(36a) |
samenloop uitkeringen |
| 58,
negende lid |
43 |
idem |
| 59,
eerste lid |
53,
derde lid |
betaling vakantie-uitkering |
| 59,
tweede lid |
55 |
idem |
| 60 |
44 (tekst 1-1-1997) |
overlijdensuitkering |
| 61 |
47 |
verjaringstermijn |
| 62 |
48 |
terugvordering |
| 63 |
48a |
executoriale titel |
| 64 |
48b |
nadere regels |
| 65 |
50 |
onvervreemdbaarheid
verstrekkingen |
| 66, onderdeel a |
13,
tweede lid |
niet voor beslag
vatbare verstrekkingen |
| 66, onderdeel b |
57,
achtste lid |
idem |
| 66, onderdeel c |
--- |
idem |
| 66, onderdeel d |
44,
negende lid |
idem |
| 67 |
82 |
samenloop
aanspraken |
| 68 |
--- |
regresrecht |
| 69 |
7 |
inlichtingenverplichting |
| 70 |
--- |
premieplicht |
| 71 |
--- |
maatstaf voor
premieheffing |
| 72 |
--- |
tarief |
| 73 |
--- |
gemiddeld
premiepercentage |
| 74 |
--- |
heffing
en invordering premie |
| 75 |
--- |
rijksbijdrage |
| 76 |
--- |
nadere regels |
| 77 |
--- |
Ao-fonds
zelfstandigen |
| 78 |
--- |
bijdrage
t.g.v. Ao-fonds zelfstandigen |
| 79 |
--- |
uitgaven
ten laste van Ao-fonds zelfstandigen |
| 80 |
60 |
uitvoering door bv |
| 81,
eerste lid |
61,
eerste lid, onderdeel c |
bevoegde bv |
| 81,
tweede en derde lid |
--- |
idem |
| 81,
vierde lid |
61,
eerste lid, onderdeel a |
idem |
| 82,
eerste lid |
61,
tweede lid |
bevoegde bv bij samenloop |
| 82,
tweede en derde lid |
--- |
idem |
| 83 |
62 |
bevoegde bv bij
herziening |
| 84 |
32a,
derde lid |
bevoegde bv
bij toekenning binnen 5 jaar na intrekking of niet-toekenning |
| 85 |
39 |
bevoegde bv bij
heropening |
| 86 |
63 |
bevoegde bv bij
reïntegratiemaatregelen |
| 87 |
69 |
verlening toelagen |
| 88,
eerste lid |
72 |
gemoedsbezwaren |
| 88,
tweede en derde lid |
--- |
idem |
| 89 |
--- |
premievervangende
belasting |
| 90 |
--- |
belasting
aangemerkt als premie |
| 91 |
--- |
premie
ten laste van Rijk |
| 92 |
--- |
nadere regels |
| 93 |
3a |
belanghebbende |
| 94 |
3b |
beslistermijn |
| 95 |
79 |
afwijking Awb |
| 96 |
--- |
medische
bezwaarschrift
procedure |
| 97 |
80 |
beroep in cassatie |
| 98 |
86 |
strafbepaling |
| 99 |
87 |
verval recht
strafvordering |
| 100 |
88 |
overtredingen |
| 101 |
99 |
buiten toepassing
Algemene termijnenwet |
| xxxxxxxxxxxxxx |
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
|
|