|
REGELING van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 november 2003, nr. SV/F&W/03/75677, tot
vaststelling van de wijze waarop de
rijksbijdrage, bedoeld in artikel 76 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, wordt berekend (Regeling
rijksbijdrage WAZ)
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
Handelende in
overeenstemming met de Minister van Financiën;
Gelet op de artikelen 76 en
77 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
Besluit:
Art. 1.
Berekening
rijksbijdrage
-1. De rijksbijdrage, bedoeld
in artikel 76 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, is de uitkomst van de volgende
berekening:
€|3,9 miljoen + (A - B)
waarbij:
A = het door Onze Minister
van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid geraamde bedrag aan
uitkeringen als bedoeld in artikel 80,
onderdeel a, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen aan beroepsbeoefenaren over het
kalenderjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt berekend; en
B = het door Onze Minister
van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën geraamde
bedrag aan premie en premievervangende
belasting als bedoeld in artikel 79, onderdeel
a, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen dat wordt ontvangen van
beroepsbeoefenaren over het kalenderjaar
waarvoor de rijksbijdrage wordt
berekend.
-2. Indien de uitkomst van de
berekening, bedoeld in het eerste lid,
negatief is, wordt de rijksbijdrage vastgesteld op nihil.
-3. Voor de berekening van de
rijksbijdrage over 1998 wordt bij de
toepassing van het eerste lid voor "€|3,9
miljoen" gelezen: €|10,9 miljoen.
Art. 2.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 januari 1998.
Art. 3.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling rijksbijdrage WAZ.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 13 november 2003.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
TOELICHTING
[13 november 2003]
Op grond van
artikel 76 van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) volgt er
een rijksbijdrage aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen die voorziet in de benodigde resterende dekking indien de
WAZ-premie die beroepsbeoefenaren - met uitzondering van
directeuren-grootaandeelhouders als bedoeld in artikel 6
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
- over hun inkomen in rekening wordt gebracht,
niet voldoende is om de lasten van deze groep te dekken. De
rijksbijdrage is derhalve afhankelijk van
twee factoren: de door de genoemde groep
verschuldigde WAZ-premie over een kalenderjaar en de uitgaven
ten behoeve van die groep in dat
kalenderjaar. Deze twee factoren zorgen evenwel voor problemen bij
de definitieve vaststelling van de
rijksbijdrage.
De premieheffing vindt bij
wege van aanslag plaats tezamen
met de heffing van de
inkomstenbelasting. In incidentele gevallen duurt
het ongeveer tien jaar voordat alle
aanslagen definitief zijn vastgesteld.
Op grond van artikel 76 van de WAZ
kan de rijksbijdrage over enig
kalenderjaar pas worden vastgesteld als
definitief vaststaat wat de door de
betrokken groep verschuldigde premie
is. Gezien de lange tijdsduur voordat
dat vaststaat, is het niet wenselijk om
voor die periode een
rijksbijdrage bij wege van voorschot open te laten staan.
Het tweede probleem betreft
de lasten van de groep
beroepsbeoefenaren. Ook de vaststelling van de definitieve lasten ten behoeve van de
genoemde groep kan eerst na verloop
van enige tijd plaatsvinden, waarbij
het bovendien niet mogelijk is de directeuren-grootaandeelhouders
als hierboven bedoeld van de andere
beroepsbeoefenaars te onderscheiden.
Gezien bovenstaande
problemen wordt in deze ministeriële
regeling een methodiek gekozen
waarbij de rijksbijdrage wordt
vastgesteld op de premie-inningskosten plus
het verschil tussen het geraamde bedrag
aan uitkeringslasten aan beroepsbeoefenaren en het geraamde bedrag van
de premieopbrengsten van beroepsbeoefenaren. De raming van de bedragen
aan uitkeringslasten en
premieopbrengsten zal plaatsvinden in het
voorjaar van het jaar t+3 over het jaar
t. In het voorjaar van het jaar t+3 is ongeveer 95 procent van de
definitieve WAZ-aanslagen door de belastingdienst verwerkt. De
premie-inningskosten worden daarbij gesteld op €|3,9 miljoen, met
uitzondering van het kalenderjaar 1998,
waarin deze vanwege implementatiekosten €|10,9 miljoen bedroegen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
|