St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

BESLUIT  TOEKENNING  WAZ-UITKERING  MET  TERUGWERKENDE  KRACHT  T.A.V.  (TE)  LANG  DOORWERKENDE  WAZ-VERZEKERDEN
 
 

10 december 1997, Stcrt. 1997, 247
Inwerkingtreding: 1 januari 1998
(T.a.v. art. 36:2 WAZ)

 

  
 

 

 
     Het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op artikel 36, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Het Lisv hanteert bij het nemen van beslissingen over het toekennen met terugwerkende kracht van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) het in de bijlage weergegeven beleidskader.

 

Art. 2.
Indien de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Staatsblad 1997, 176) in werking treedt en het bij koninklijke boodschap van 21 juni 1997 ingediende voorstel van wet Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Kamerstukken 25 415) tot wet wordt verheven en in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.

 

Art. 3.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toekenning WAZ-uitkering met terugwerkende kracht t.a.v. (te) lang doorwerkende WAZ-verzekerden.

 

 

Amsterdam, 10 december 1997.
J.F. Buurmeijer, voorzitter

 

 

 

BIJLAGE

Zakelijke weergave

 

     Artikel 36, tweede lid, van de WAZ bepaalt dat een WAZ-uitkering niet eerder in kan gaan dan één jaar vóór datum aanvraag. Het Lisv [Landelijk instituut sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] kan voor bijzondere gevallen hiervan afwijken.
     (Doorwerkende) zelfstandigen die arbeidsongeschikt zijn, dienen zichzelf in het kader van de WAZ binnen dertien weken na het ontstaan van de eerste arbeidsongeschiktheid te melden bij de uvi [uitvoeringsinstelling, red.] en krijgen dan binnen acht maanden na de eerste arbeidsongeschiktheidsdag een signaal dat zij een WAZ-uitkering kunnen aanvragen. Nagegaan is of voor (te) lang doorwerkende zelfstandigen een beleidskader ontwikkeld kan worden voor de toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht van meer dan één jaar vóór datum aanvraag. Aangezien de groep zelfstandigen voor wie sprake zou moeten zijn van een bijzonder geval niet goed aan te geven is, is het volgende beleidskader voorgesteld voor alle (te lang) doorwerkende WAZ-verzekerden (dat zijn zelfstandigen, beroepsbeoefenaars en meewerkende echtgenotes) die langzamerhand arbeidsongeschikt zijn geworden en die te laat een uitkering aanvragen: hoofdregel is dat de uitkering slechts met terugwerkende kracht van één jaar vóór datum aanvraag kan worden toegekend. Nagegaan dient vervolgens te worden of sprake is van een bijzonder geval.
     In dit kader geldt allereerst het algemene beleid en de jurisprudentie met betrekking tot terugwerkende kracht van meer dan één jaar vóór datum aanvraag: in de rechtspraak is van een bijzonder geval onder meer sprake indien betrokken verzekerde ter zake van een te late aanvraag redelijkerwijs moet worden geacht niet in verzuim te zijn geweest. Dit zal onder meer het geval zijn wanneer die verzekerde om medische en/of psychische redenen kennelijk niet in staat is geweest eerder een aanvraag in te dienen, terwijl tevens geen beroep kon worden gedaan op personen in de directe omgeving.
     Indien in het hele tijdvak vóór de aanvraag het inzicht in de aard, ernst en duurzaamheid van de medische/psychische problematiek heeft ontbroken, acht de CRvB [Centrale Raad van Beroep, red.] dit voor het aannemen van een bijzonder geval in de zin van artikel 25 AAW niet doorslaggevend. Onbekendheid met de wettelijke regelingen levert volgens vaste jurisprudentie in beginsel ook geen grond op om een bijzonder geval aanwezig te achten. In dergelijke gevallen is de mate van terugwerkende kracht afhankelijk van de omstandigheden.
     Indien sprake is van een duidelijk te markeren moment van arbeidsongeschiktheid, terwijl de verzekerde zelfstandige pas later uitkering aanvraagt, kan in het verlengde van de jurisprudentie onder het huidige regime geen sprake zijn van een bijzonder geval, tenzij factoren voor het aannemen van een bijzonder geval zoals hiervoor genoemd een rol spelen. De keuze om geen aanvraag in te dienen, dient in principe voor rekening van betrokkene te worden gelaten. Belanghebbende wist dat hij arbeidsongeschikt was. Eventueel recht op uitkering wordt toegekend met terugwerkende kracht van één jaar vóór datum aanvraag.
     Omdat de problematiek van doorwerkende zelfstandigen te individueel bepaald is, is geen categorale regeling opgesteld. In plaats daarvan wordt hieronder een beleidskader aangegeven dat de uitvoeringsinstelling ruimte biedt voor een gewogen toepassing in het individuele geval.
     Indien op onderstaande wegingsfactoren significant gescoord wordt, kan uitkering met een langere terugwerkende kracht dan één jaar vóór datum aanvraag worden toegekend. Wegingsfactoren zijn:
- bestendige daling in inkomsten ten opzichte van de vroegere winst (vóór de eerste arbeidsongeschiktheidsdag) in combinatie met medische gegevens op grond waarvan de daling te verklaren is als een gevolg van langzaam afnemende arbeidsongeschiktheid;
- belanghebbende is duidelijk tengevolge van langzaam afnemende arbeidsgeschiktheid minder of minder productief gaan werken;
- toegenomen inbreng van familie/derden als gevolg van afnemende arbeidsgeschiktheid;
- na enige tijd duidelijk andere taakverdeling als gevolg van afnemende arbeidsgeschiktheid.
     Van langzaam afnemende arbeidsgeschiktheid kan sprake zijn bij ziektebeelden die vaak in het begin niet manifest zijn of waarbij de arbeidsongeschiktheid niet tot een ziektebeeld is te herleiden. Er is mogelijk wel al in het begin sprake van medische consumptie, terwijl vaak pas in een later stadium een diagnose gesteld kan worden.
     Indien de verzekerde in het wachtjaar wel de particuliere verzekering heeft aangesproken, is duidelijk dat hij op het moment waarop hij dat deed besef had van zijn arbeidsongeschiktheid en tijdig een AAW-uitkering had kunnen aanvragen. In dat geval is dan geen sprake van een bijzonder geval.
     De terugwerkende kracht wordt beperkt tot maximaal drie jaar, waarbij uiteraard rekening moet worden gehouden met de wachttijd van één jaar na de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Hieraan ligt de volgende overweging ten grondslag: het eerste jaar is de doorwerkende zelfstandige aan het kwakkelen met zijn gezondheid, hetgeen hij pas het jaar erop terugziet in zijn bedrijfsresultaten (winst- en verliesrekening). Na zo’n twee jaar zal zijn medische situatie dus meer zichtbaar worden in de financiële resultaten. De te verwachten neiging van de zelfstandige ondernemer om dan nog een eigen inspanning tot verbetering te leveren kan de hele aanvraagprocedure voor de ondernemer op drie jaar brengen. In vergelijking met de normale situatie van maximaal één jaar terugwerkende kracht lijkt een maximale periode van terugwerkende kracht van drie jaar in dergelijke gevallen een alleszins redelijke termijn.
     Een sanctie voor het te laat aanvragen is niet aan de orde, omdat het belanghebbende niet te verwijten is dat hij te laat heeft aangevraagd. Dit is immers voorwaarde voor het aannemen van een bijzonder geval.

 

Amsterdam, 10 december 1997
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x