|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel
36,
tweede lid, van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen;
Besluit:
Art. 1.
Het Lisv hanteert bij het
nemen van beslissingen over het
toekennen met terugwerkende kracht van een
uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) het in de
bijlage weergegeven
beleidskader.
Art. 2.
Indien de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Staatsblad 1997, 176) in werking treedt
en het bij koninklijke boodschap van 21
juni 1997 ingediende voorstel van wet
Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Kamerstukken
25 415) tot wet
wordt verheven en in werking
treedt, treedt dit besluit op hetzelfde
tijdstip in werking.
Art. 3.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit toekenning WAZ-uitkering met
terugwerkende kracht t.a.v. (te) lang doorwerkende WAZ-verzekerden.
Amsterdam, 10 december 1997.
J.F. Buurmeijer, voorzitter
BIJLAGE
Zakelijke weergave
Artikel
36, tweede lid, van de WAZ
bepaalt dat een WAZ-uitkering niet
eerder in kan gaan dan één jaar vóór datum
aanvraag. Het Lisv [Landelijk instituut sociale verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] kan voor bijzondere
gevallen hiervan afwijken.
(Doorwerkende) zelfstandigen
die arbeidsongeschikt zijn,
dienen zichzelf in het kader van de WAZ binnen dertien weken na het ontstaan van de
eerste arbeidsongeschiktheid te melden bij de uvi [uitvoeringsinstelling,
red.] en krijgen dan binnen acht maanden
na de eerste arbeidsongeschiktheidsdag een signaal
dat zij een WAZ-uitkering kunnen
aanvragen. Nagegaan is of voor (te)
lang doorwerkende zelfstandigen een
beleidskader ontwikkeld kan worden voor
de toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht van
meer dan één jaar vóór datum
aanvraag. Aangezien de groep
zelfstandigen voor wie sprake zou moeten zijn van een bijzonder geval niet goed aan te geven
is, is het volgende beleidskader voorgesteld voor alle (te lang)
doorwerkende WAZ-verzekerden (dat zijn zelfstandigen, beroepsbeoefenaars en
meewerkende echtgenotes) die
langzamerhand arbeidsongeschikt zijn
geworden en die te laat een uitkering
aanvragen: hoofdregel is dat de uitkering slechts
met terugwerkende kracht van één jaar vóór datum aanvraag kan worden
toegekend. Nagegaan dient vervolgens te
worden of sprake is van een bijzonder
geval.
In dit kader geldt
allereerst het algemene beleid en de jurisprudentie met betrekking tot terugwerkende kracht van
meer dan één jaar vóór datum
aanvraag: in de rechtspraak is van een
bijzonder geval onder meer sprake
indien betrokken verzekerde ter zake van een
te late aanvraag redelijkerwijs moet
worden geacht niet in verzuim te
zijn geweest. Dit zal onder meer het geval
zijn wanneer die verzekerde om medische
en/of psychische redenen kennelijk
niet in staat is geweest eerder een aanvraag in te dienen, terwijl tevens
geen beroep kon worden gedaan op personen in de directe omgeving.
Indien in het hele tijdvak
vóór de aanvraag het inzicht in de aard,
ernst en duurzaamheid van de
medische/psychische problematiek heeft
ontbroken, acht de CRvB [Centrale Raad van Beroep,
red.] dit voor het
aannemen van een bijzonder geval in de zin
van artikel 25 AAW niet doorslaggevend. Onbekendheid met de
wettelijke regelingen levert volgens vaste jurisprudentie in beginsel ook geen grond op
om een bijzonder geval aanwezig te achten. In dergelijke gevallen is de
mate van terugwerkende kracht
afhankelijk van de omstandigheden.
Indien sprake is van een
duidelijk te markeren moment van
arbeidsongeschiktheid, terwijl de verzekerde
zelfstandige pas later uitkering
aanvraagt, kan in het verlengde van de
jurisprudentie onder het huidige regime
geen sprake zijn van een
bijzonder geval, tenzij factoren voor het aannemen
van een bijzonder geval zoals
hiervoor genoemd een rol spelen. De keuze om
geen aanvraag in te dienen, dient in
principe voor rekening van betrokkene te
worden gelaten. Belanghebbende wist
dat hij arbeidsongeschikt was.
Eventueel recht op uitkering wordt toegekend
met terugwerkende kracht van één jaar vóór
datum aanvraag.
Omdat de problematiek van
doorwerkende zelfstandigen te individueel bepaald is, is geen
categorale regeling opgesteld. In plaats daarvan
wordt hieronder een beleidskader aangegeven
dat de uitvoeringsinstelling
ruimte biedt voor een gewogen toepassing
in het individuele geval.
Indien op onderstaande
wegingsfactoren significant gescoord wordt,
kan uitkering met een langere
terugwerkende kracht dan één jaar vóór
datum aanvraag worden toegekend. Wegingsfactoren zijn:
- bestendige daling in
inkomsten ten opzichte van de vroegere
winst (vóór de eerste arbeidsongeschiktheidsdag) in combinatie met medische
gegevens op grond waarvan de daling te
verklaren is als een gevolg van langzaam
afnemende arbeidsongeschiktheid;
- belanghebbende
is duidelijk tengevolge van langzaam afnemende
arbeidsgeschiktheid minder of minder productief gaan
werken;
- toegenomen inbreng van
familie/derden als gevolg van afnemende arbeidsgeschiktheid;
- na enige tijd duidelijk
andere taakverdeling als gevolg van afnemende arbeidsgeschiktheid.
Van langzaam afnemende
arbeidsgeschiktheid kan sprake zijn bij
ziektebeelden die vaak in het begin niet
manifest zijn of waarbij de
arbeidsongeschiktheid niet tot een ziektebeeld is
te herleiden. Er is mogelijk wel al in het
begin sprake van medische consumptie,
terwijl vaak pas in een later stadium een
diagnose gesteld kan worden.
Indien de verzekerde in het
wachtjaar wel de particuliere
verzekering heeft aangesproken, is duidelijk
dat hij op het moment waarop hij dat deed
besef had van zijn arbeidsongeschiktheid en tijdig een AAW-uitkering had kunnen
aanvragen. In dat geval is dan geen
sprake van een bijzonder geval.
De terugwerkende kracht
wordt beperkt tot maximaal drie jaar, waarbij
uiteraard rekening moet worden
gehouden met de wachttijd van één jaar na
de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
Hieraan ligt de volgende overweging ten
grondslag: het eerste jaar is de
doorwerkende zelfstandige aan het kwakkelen met zijn gezondheid, hetgeen hij pas
het jaar erop terugziet in zijn
bedrijfsresultaten (winst- en verliesrekening).
Na zo’n twee jaar zal zijn medische
situatie dus meer zichtbaar worden in de
financiële resultaten. De te verwachten neiging van
de zelfstandige ondernemer om dan nog een eigen inspanning tot
verbetering te leveren kan de hele aanvraagprocedure voor de ondernemer op drie
jaar brengen. In vergelijking met de normale situatie van maximaal één jaar
terugwerkende kracht lijkt een maximale periode van terugwerkende kracht van
drie jaar in dergelijke gevallen een
alleszins redelijke termijn.
Een sanctie voor het te laat
aanvragen is niet aan de orde, omdat het
belanghebbende niet te verwijten is dat hij
te laat heeft aangevraagd. Dit is
immers voorwaarde voor het aannemen van een
bijzonder geval.
Amsterdam, 10 december 1997
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|
|