|
BESLUIT
van 17 december 1997 tot vaststelling van regels als bedoeld in artikel
8, elfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
(Inkomensbesluit WAZ)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 4 november 1997, nr. SV/WV/97/4413;
Gelet op artikel 8, achttiende lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
De Raad van State gehoord (advies van 5
december 1997, nr. W12.97.0713);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 december
1997, nr. SV/WV/97/5234;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
Algemeen
In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
Art. 2.
Winst
zelfstandige
-1. Voor de toepassing van artikel
8, tweede lid, van
de wet worden onder
winst mede verstaan:
a. algemene bijstand als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
2004;
b. bijstand om niet als bedoeld in artikelen 3 en 21
van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004.
-2. Onder winst wordt niet verstaan de bestanddelen van de winst,
bedoeld in artikel
3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Art. 3.
Inkomsten
beroepsbeoefenaar
Voor de toepassing van artikel 8, derde lid, van de wet wordt voor de vaststelling van de grondslag
waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend, onder
inkomsten verstaan al hetgeen anders dan uit dienstbetrekking wordt
genoten als belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid of belastbaar
resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk
3 en 7
van de Wet
inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een
werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen
3.91, eerste lid, onderdeel a en b, en 3.92
van die
wet.
Art. 4.
Grondslag bij toepassing artikel 12a van de Wet op de loonbelasting
1964
Zo nodig in afwijking van artikel 3
wordt voor de verzekerde ten aanzien van wie artikel 12a van de Wet
op de loonbelasting 1964 toepassing heeft gevonden in het
kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid, de grondslag waarnaar de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend, gesteld op het bedrag
van het in dat kalenderjaar genoten loon, vastgesteld op grond van dit
artikel 12a, onverminderd artikel 8, zevende lid, van
de
wet.
Art. 5.
Grondslag
meewerkende echtgenoot en echtgenoot/zelfstandige
-1. Voor de toepassing van artikel
8, vierde lid, van
de wet wordt ter
vaststelling van de inkomsten die de meewerkende echtgenoot, bedoeld in
artikel 6 van de wet, geacht kan worden te hebben genoten, de winst van
zijn echtgenoot uit de onderneming waarin hij meewerkt, vermenigvuldigd
met de factor X/Y, waarbij:
a. X is het loon van de werknemer die in dienstbetrekking een
gelijkwaardige functie uitoefent als die meewerkende echtgenoot; en
b. Y is de som van het in onderdeel a bedoelde loon en het loon van de
werknemer die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent
als zijn echtgenoot.
-2. Voor de toepassing van artikel
8,
tweede lid, van de wet wordt ter vaststelling van de winst van de
zelfstandige, bedoeld in artikel 4 van de wet, die
"zijn echtgenoot"
is in de zin van het eerste lid, zijn winst vermenigvuldigd met de
factor A/B, waarbij:
a. A is het loon van de werknemer die in dienstbetrekking een
gelijkwaardige functie uitoefent als die zelfstandige; en
b. B is de som van het in onderdeel a bedoelde loon en het loon van de
werknemer die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent
als zijn meewerkende echtgenoot die verzekerde is, bedoeld in artikel 6
van de wet.
Art. 6.
Winst of
inkomsten over minder dan één jaar
-1. Indien de persoon die recht heeft op toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de wet
voorafgaande aan
zijn werkzaamheden als verzekerde arbeid heeft verricht in
dienstbetrekking en als gevolg daarvan slechts een gedeelte van het
boekjaar of kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van
zijn arbeidsongeschiktheid als verzekerde werkzaam is geweest, worden de
winst en de inkomsten die hij als verzekerde heeft verworven in het
boekjaar of kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van
zijn arbeidsongeschiktheid, berekend volgens de volgende formule:
[(WWI / AW) / 5] x 261
waarbij:
WWI is het totaal aan werkelijk door de persoon als verzekerde behaalde
winst en inkomsten in het desbetreffende boekjaar of kalenderjaar; en
AW is het aantal weken waarin de persoon als verzekerde arbeid in het
bedrijfs- of beroepsleven heeft verricht gericht op het verwerven van
winst of inkomsten in het desbetreffende boekjaar of kalenderjaar.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een persoon in de vier
boekjaren of kalenderjaren voorafgaand aan het in het eerste lid
bedoelde boekjaar of kalenderjaar gemiddeld per boekjaar of kalenderjaar
als verzekerde een gelijk of hoger bedrag aan winst of inkomsten heeft
verworven dan de werkelijk door de persoon als verzekerde behaalde winst
en inkomsten in het in het eerste lid bedoelde boekjaar of kalenderjaar.
Art. 7.
Gemiddeld per dag
genoten winst en inkomsten
-1. Het bedrag van de gemiddeld per dag genoten winst of inkomsten wordt,
indien artikel 8, tweede lid, onderdeel a, of derde lid, onderdeel
a,
van de wet toepassing vindt, gevonden door hetgeen de verzekerde in het
boekjaar of kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van
zijn arbeidsongeschiktheid als verzekerde aan winst of inkomsten heeft
genoten, te delen door 261.
-2. Het bedrag van de gemiddeld per dag genoten winst of inkomsten wordt,
indien artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of derde lid, onderdeel
b,
van de wet toepassing vindt, gevonden door hetgeen de verzekerde in de
vijf boekjaren of kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als verzekerde aan winst of
inkomsten heeft genoten, te delen door 1305.
Art. 8.
Indexering
grondslagbedragen
Bij de toepassing van dit besluit worden de winst en de inkomsten van de
verzekerde in elk boekjaar of kalenderjaar die grondslag vormen voor
een uitkering op grond van de wet, herzien naar de mate waarin
herziening van het minimumloon heeft plaatsgevonden vanaf het jaar
volgende op het boekjaar of kalenderjaar waarin de desbetreffende winst
en inkomsten zijn verworven, tot de datum van ingang van de uitkering.
Art. 9.
Nihilstelling
negatieve winst en inkomsten
Indien de totaalsom van de door een verzekerde als zodanig verworven
winst en inkomsten, waaronder begrepen de inkomensbestanddelen die op
grond van dit besluit mede worden gerekend tot die winst of inkomsten in
enig boekjaar of kalenderjaar als bedoeld in artikel
8, tweede of derde
lid, van de wet, leidt tot een negatief bedrag, worden die winst en
inkomsten op nihil gesteld.
Art. 10.
Hardheidsclausules
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afwijken van
artikel 8 van de wet of dit besluit voor zover de toepassing daarvan,
gelet op het tijdstip van verwerving van een bestanddeel van de winst of
de inkomsten, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Alsdan bepaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op welke
periode dat bestanddeel betrekking heeft en hoe dit bestanddeel is
verdeeld over die periode.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afwijken van
artikel 7 van dit besluit voor zover toepassing daarvan, gelet op de
berekening van de gemiddeld per dag genoten winst of inkomsten, zal
leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Alsdan bepaalt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een ander getal dan het
getal, genoemd in artikel 7, eerste of tweede lid.
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afwijken van
artikel 8, tweede lid, onderdeel a, of derde lid, onderdeel a, van
de wet of
dit besluit voor zover de toepassing daarvan, gelet op het tijdstip
waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, zal leiden tot een
onbillijkheid van overwegende aard. Alsdan bepaalt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in plaats van het boekjaar
of kalenderjaar een andere aaneengesloten periode van twaalf maanden
waarover de grondslag van de uitkering wordt berekend, welke periode
evenwel ingaat na de dag van ingang van bedoeld boekjaar of
kalenderjaar.
-4. In het derde lid, tweede zin,
wordt in het geval van recht op uitkering in verband met bevalling voor
"welke periode evenwel ingaat na de dag van ingang van bedoeld boekjaar
of kalenderjaar" gelezen: welke periode evenwel ingaat uiterlijk
twaalf maanden vóór de maand waarin de zwangerschap een aanvang nam.
Art. 11.
Grondslagwijziging AMvB in verband met Aanpassingswet
Indien het bij koninklijke boodschap van 21 juni 1997 ingediende
voorstel van wet tot aanpassing van een aantal wetten in verband met de
invoering van de Wet
premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 (Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen; Kamerstukken 25 415) tot wet wordt
verheven en in werking treedt, berust dit besluit op artikel
8,
achttiende lid, van de
wet.
Art. 12.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1998.
Art. 13.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Inkomensbesluit WAZ.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 17 december
1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de negenentwintigste
december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[17 december 1997]
Algemeen
Dit besluit voorziet in
regels ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van een uitkering op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
(WAZ). De
totstandkoming van de WAZ vloeit voort uit de invoering van premiedifferentiatie en de mogelijkheid van
eigen risico dragen in de WAO.
In verband daarmee worden de regelingen inzake langdurige
arbeidsongeschiktheid ingrijpend herzien. De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) dekt voortaan het integrale arbeidsongeschiktheidsrisico
voor werknemers en de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) wordt ingetrokken, omdat zij haar betekenis als volksverzekering verliest. Voor de AAW komen twee
afzonderlijke nieuwe
regelingen in de plaats, de WAZ en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
Op grond van de
WAZ is reeds
bepaald dat de uitkeringshoogte in alle gevallen wordt gebaseerd op
het inkomen dat de verzekerde in de periode voorafgaande aan
het intreden van de arbeidsongeschiktheid feitelijk als verzekerde
heeft genoten. Dit geldt zowel voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering
als voor de uitkering in verband met bevalling [zie Wet
arbeid en zorg, red.] die op grond van
de WAZ kan worden verstrekt. Het is derhalve van groot belang dat het
inkomen dat in beschouwing wordt genomen, alsmede de periode waarop
dat inkomen betrekking heeft, duidelijk worden omschreven.
In de artikelen 8 en
24 van
de WAZ zijn de hoofdlijnen van de regeling neergelegd. Uitgangspunt is
steeds het boekjaar of kalenderjaar onmiddellijk voorafgaand aan
het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Wanneer het gemiddeld
inkomen echter in de vijf boekjaren of kalenderjaren onmiddellijk voorafgaand aan
de arbeidsongeschiktheid hoger was dan het inkomen van het
laatste boekjaar of kalenderjaar, geldt het gemiddeld inkomen over die
jaren als uitgangspunt voor de vaststelling van de uitkering.
Voor de uitkering in verband
met bevalling geldt dezelfde regeling, zij het dat dan het boekjaar of
kalenderjaar, dan wel de boekjaren of kalenderjaren vóór de
ingangsdatum van het recht op bevallingsuitkering in aanmerking worden
genomen. In alle gevallen wordt voor de vaststelling van de
grondslag van de uitkering het inkomen ten hoogste vastgesteld op het minimumloon.
In de WAZ zijn voor de
diverse categorieën die tot de kring van verzekerden van de WAZ behoren
bepalingen getroffen omtrent hetgeen onder inkomen moet worden verstaan. Voor zelfstandig ondernemers geldt het
winstinkomen als maatstaf.
Voor de beroepsbeoefenaren, waartoe ook directeur-grootaaandeelhouders
behoren, is de maatstaf het inkomen uit tegenwoordige arbeid.
Voor meewerkende echtgenoten wordt de maatstaf gevormd door het
inkomen dat betrokkene op basis van zijn of haar arbeidsinbreng in de
onderneming van de zelfstandige geacht kan worden als inkomen te hebben
verworven.
Het is echter noodzakelijk
om ter nadere uitwerking van deze bepalingen inzake winst en
inkomen aanvullende bepalingen te treffen. artikel
8, elfde lid, WAZ
biedt daartoe de ruimte. Het gaat hierbij met name over hetgeen verder onder
winst en inkomen moet worden verstaan en de periode die in beschouwing
wordt genomen. De daartoe benodigde bepalingen zijn opgenomen in
dit besluit.
Ook de
AAW
kende een
Inkomensbesluit, waarin regels waren opgenomen over het in aanmerking te nemen inkomen en de in
aanmerking te nemen periode.
Tevens kende de AAW een besluit waarin het gemiddeld per dag
verworven inkomen voor de AAW werd bepaald. Voor dit besluit kan slechts
ten dele worden aangesloten bij genoemde besluiten in het kader van
de AAW.
Dit houdt met name verband
met het feit dat de AAW als volksverzekering betrekking had op alle
ingezetenen, terwijl de WAZ alleen betrekking heeft op zelfstandigen en daarmee op één lijn gestelde groepen
niet-werknemers. In verband
daarmee is voor dit besluit een begrensder en toegespitster
omschrijving van het inkomensbegrip noodzakelijk. Omdat de kring van
verzekerden van de WAZ beperkter is, is in dit besluit gekozen voor een opzet die
nauw aansluit bij de kring van verzekerden van de WAZ. Het gaat louter
om de inkomsten die als verzekerde in het kader van de WAZ worden genoten. Ook de omstandigheid dat in de
WAZ
het uitgangspunt van
feitelijke inkomensderving consequent wordt doorgevoerd, heeft tot gevolg
dat niet steeds bij genoemde besluiten kon worden aangesloten.
Dit Inkomensbesluit is van
belang voor personen die onder het nieuwe regime vallen. De vraag of
iemand onder het nieuwe, dan wel onder het oude regime valt, kan worden beantwoord aan de hand van de
bepalingen van de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen. Het nieuwe regime geldt, wat
het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
betreft, voor de persoon wiens arbeidsongeschiktheid intreedt op of na de dag van
inwerkingtreding van de WAZ en, wat het recht op bevallingsuitkering betreft, de vrouwelijke
WAZ-verzekerde wier
bevalling plaatsvindt op of na de dag van inwerkingtreding van de WAZ.
Het Inkomensbesluit AAW en
het Besluit gemiddeld per dag verworven inkomen AAW blijven hun
betekenis houden voor personen die vóór de dag van inwerkingtreding van de
WAZ arbeidsongeschikt zijn geworden.
Ofschoon deze personen vanaf
de inwerkingtreding van de WAZ een beschikking krijgen
gebaseerd op die wet, wordt de inhoud van die beschikking, wat de hoogte
van de uitkering betreft, materieel beheerst door de bepalingen van de AAW
en de daarop berustende bepalingen.
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] heeft op 27 augustus 1997 uitvoeringstechnisch
commentaar gegeven op het ontwerp-besluit. Het Lisv verzocht het
besluit op een aantal onderdelen nader te bezien of aan te passen. Het betrof de
volgende punten:
- Het indexeren van de
winst of het inkomen naar het peil op het moment van de aanvang van de
uitkering. In het ontwerp-besluit was hierin niet voorzien. Naar aanleiding van het commentaar van het Lisv is
hierin alsnog voorzien (artikel 8).
- Het betrekken van de
fiscale meewerkaftrek bij het vaststellen van het aandeel van de winst of
inkomsten van de meewerkende echtgenoot. Deze aanbeveling van het
Lisv is niet gevolgd. Anders dan hetgeen door het Lisv wordt gesteld, wordt
het bedrag van de meewerkaftrek namelijk niet buiten beschouwing
gelaten. In artikel 1, onderdeel i, van de WAZ
is het begrip "winst uit onderneming" gedefinieerd. Hieronder wordt verstaan: winst uit onderneming als
bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 2, van de Wet op de inkomstenbelasting
1964. Het gaat hierbij om het winstbegrip, vóórdat de meewerkaftrek
wordt toegepast. Bij de toerekening van winst aan de meewerkende echtgenoot op grond van
artikel 5 van dit besluit
wordt de meewerkaftrek dus betrokken.
- Bezien of bij de
vaststelling van de grondslag van de verzekerde rekening moet worden
gehouden met het aandeel van de meewerkende echtgenoot. Naar aanleiding van deze opmerking van het Lisv is
artikel 5
van het besluit
dienovereenkomstig aangepast. Dit spoort ook met artikel 10 van het huidige
Inkomensbesluit AAW, waarbij de toerekening van winst ingeval sprake is van
een meewerkende echtgenoot, voor beide echtgenoten geldt.
- De regeling om dagen
waarop wegens arbeidsongeschiktheid niet is gewerkt en het buiten
beschouwing laten van de inkomsten over deze dagen te laten vervallen. Aanvankelijk was deze regeling wel in het
ontwerp-besluit opgenomen,
dit overeenkomstig dezelfde regeling die nu geldt in de AAW. Het Lisv
heeft erop gewezen dat deze regeling zelden wordt toegepast en bovendien
onuitvoerbaar is. Bovendien voorziet de hardheidsclausule (nu
opgenomen in artikel 10 van dit besluit) in voorkomende gevallen in een
oplossing. Om deze redenen is de aanbeveling van het Lisv gevolgd.
- De hardheidsclausule met
betrekking tot het vaststellen van de periode van twaalf maanden, voor
zover dit betrekking heeft op de bevallingsuitkering, te verruimen. Deze
aanbeveling is eveneens gevolgd.
Tot slot kan worden vermeld
dat in het op 21 juni 1997 bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal
aanhangig gemaakte wetsvoorstel Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen
(Kamerstukken II 1996-1997,
25 415, nr. 2, blz. 28) is voorzien in een wijziging van artikel
8 van de
WAZ.
Het elfde lid van dat artikel wordt daarbij vernummerd tot achttiende
lid. Na inwerkingtreding van genoemde Aanpassingswet, met deze
wijziging van artikel 8 WAZ, zal deze algemene maatregel van bestuur dan
ook zijn gebaseerd op artikel 8, achttiende lid, van de WAZ.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Algemeen
Dit besluit stelt regels met
betrekking tot de berekening van de winst en de inkomsten op grond van de
WAZ die als grondslag dienen voor de berekening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
die wet.
Artikel 24, tweede lid, van
de WAZ bepaalt dat artikel
8 van overeenkomstige toepassing is op de
grondslag van de uitkering in verband met bevalling. In verband
hiermee is dit besluit tevens van toepassing op de bevallingsuitkering
[zie Wet arbeid en zorg, red.].
Artikel
2. Winst
zelfstandige
Wat onder winst wordt
verstaan, is in artikel 1 van de wet omschreven. In het eerste lid van dit
artikel wordt bepaald dat een aantal verwervingen mede tot de winst wordt
gerekend. Deze uitbreiding van het winstbegrip voor de berekening van de
uitkeringsgrondslag komt deels overeen met hetgeen ook op basis van het Inkomensbesluit AAW was bepaald,
behoudens uiteraard de
elementen van het winstbegrip die reeds in de wet
zijn opgenomen. Voorts
zijn elementen van het winstbegrip, opgenomen in het
Inkomensbesluit AAW, die niet langer geldend zijn, niet overgenomen. De uitzondering
op het winstbegrip, neergelegd in het tweede lid van dit artikel,
is verder tevens overgenomen uit het Inkomensbesluit AAW.
Artikel
3. Inkomsten
beroepsbeoefenaar
Wat de bepaling van de
inkomsten van beroepsbeoefenaren betreft, wordt aangehaakt bij hetgeen
artikel 72, eerste lid, van de wet als maatstaf voor de
premieheffing noemt voor beroepsbeoefenaren en bij hetgeen de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 als inkomsten voor deze categorie aanmerkt. Het gaat
om de inkomsten uit buiten dienstbetrekking in de zin van de WAO
verrichte tegenwoordige arbeid. Deze inkomsten behoren tot de inkomsten als
omschreven in artikel 22, eerste lid, onderdeel a en b, van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964. De inkomsten worden verminderd met de aftrekbare kosten die betrekking
hebben op de inkomsten uit
tegenwoordige arbeid. Wat de inkomsten, genoemd in artikel 22,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, betreft, gaat het om de
inkomsten die een persoon uit dienstbetrekking in fiscale
zin ontvangt. Voor de toepassing van dit besluit zijn dat dan de inkomsten
uit (fiscale) dienstbetrekking, niet zijnde een dienstbetrekking in de zin
van de WAO. Dat zijn met name de inkomsten van een
directeur-grootaandeelhouder die een dienstbetrekking in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 heeft, doch geen dienstbetrekking in de zin van de WAO.
Artikel
4. Grondslag bij
toepassing artikel 72, derde lid, van de wet
Dit artikel geeft een
regeling voor de vaststelling van de uitkeringsgrondslag voor de
beroepsbeoefenaar/aanmerkelijk belanghouder wanneer in het kader van de premiegrondslag
artikel 72, derde lid, van
de wet toepassing heeft
gevonden. De toepassing van dat artikellid geldt overigens in het algemeen de
directeur-grootaandeelhouder. Op grond van genoemd artikellid wordt
de grondslag voor de premieheffing ten minste gesteld op het
premie-inkomen dat ten hoogste voor premieheffing in aanmerking wordt genomen,
tenzij betrokkene aannemelijk maakt dat voor soortgelijke
arbeidsverhoudingen, waarbij aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lagere beloning
gebruikelijk is. In dat
geval wordt die lagere beloning in aanmerking genomen. Wanneer ten aanzien
van deze beroepsbeoefenaar op basis van artikel
72, derde lid, een
premiegrondslag in aanmerking wordt genomen, geldt dit bedrag zonder
nader onderzoek ook voor de grondslagvaststelling van de uitkering. Uiteraard
geldt op grond van artikel 8, zevende lid, van de
wet als
maximale uitkeringsgrondslag het minimumloon.
Artikel
5. Grondslag
meewerkende echtgenoot en echtgenoot/zelfstandige
Aangezien de meewerkende
echtgenoot in de zin van de wet niet zelfstandig inkomsten geniet, maar via arbeidsinbreng bijdraagt aan het
totale bedrijfsresultaat van
de onderneming waarin hij meewerkt, dient voor de
grondslagvaststelling voor deze verzekerde een inkomen te worden berekend. Die
berekening vindt plaats op basis van de in dit artikel neergelegde formule.
Deze formule is gelijk aan die welke in het Inkomensbesluit AAW werd
gehanteerd voor in het bedrijf samenwerkende echtgenoten. Genomen wordt
het loon dat een werknemer verdient die een met de werkzaamheden
van de meewerkende echtgenoot vergelijkbare
dienstbetrekking vervult. Dat loon wordt gedeeld door de som van dat vastgestelde
loon plus het loon dat een werknemer verdient die een met de werkzaamheden
van de zelfstandige vergelijkbare dienstbetrekking vervult. De
uitkomst van deze breuk wordt vervolgens vermenigvuldigd met de
totale winst in het boekjaar of met de gemiddelde boekwinst in de vijf
boekjaren voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid van
de meewerkende echtgenoot.
Hoewel uit het eerste lid
kan worden afgeleid wat, gelet op de berekening van het eerste
lid, de winst is van de zelfstandige met een meewerkende echtgenoot, is
voor alle duidelijkheid het tweede lid opgenomen. Dit lid geeft ten
aanzien van de echtgenoot/zelfstandige een vergelijkbare formule als in
het eerste lid ten aanzien van de meewerkende echtgenoot is bepaald.
Artikel
6. Winst of
inkomsten over minder dan één jaar
Het onderhavige artikel
vindt alleen toepassing wanneer er sprake is van een continu verloop van
de arbeidsinzet, doch niet over de gehele relevante periode als
verzekerde. De situatie kan zich voordoen dat een persoon als werknemer
werkzaam is geweest en zijn werknemersbestaan inruilt voor een bestaan als
verzekerde. Als hij vervolgens binnen één jaar uitvalt wegens
arbeidsongeschiktheid, is het vanuit de arbeidssituatie van de verzekerde geredeneerd
niet redelijk om uitsluitend de winst of de inkomsten over de beperkte
periode dat hij als verzekerde werkzaam is geweest in aanmerking te nemen. In deze situatie wordt alsdan het bedrag
van de winst of de inkomsten geëxtrapoleerd naar een volledig boekjaar of kalenderjaar. Dit
geschiedt door het bedrag van de winst of inkomsten te delen door het aantal
weken waarin hij als verzekerde werkzaam is geweest. Het gaat
uitdrukkelijk om weken waarin als verzekerde is gewerkt. Het aantal
uren/dagen in een week dat is gewerkt doet niet ter zake. Zodra in een week
werkzaamheden als verzekerde zijn verricht, telt die week mee voor de
berekening. De uitkomst van genoemde deling (WWI : AW) wordt met een volgende deling door het getal 5 herleid tot
een bedrag per dag. Dat
bedrag, vermenigvuldigd met 261, leidt vervolgens tot een
totaalbedrag aan winst of inkomsten over het boekjaar of kalenderjaar onmiddellijk
voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Met
de berekening van de gemiddeld per dag genoten winst en inkomsten
op basis van artikel 7 wordt alsdan de grondslag voor de uitkering berekend.
Zoals gesteld, vindt dit
artikel alleen toepassing wanneer er sprake is van doorlopende arbeidsinzet. Dat betekent dat wanneer een persoon
enig moment vanuit een
situatie van niet verzekerd zijn op grond van de WAO of enige andere
wettelijke regeling inzake geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid start als zelfstandige, beroepsbeoefenaar of meewerkende echtgenoot,
geen extrapolatie plaatsvindt. Onder omstandigheden kan er
wel aanleiding zijn voor toepassing van een hardheidsclausule als
bedoeld in artikel 10. Evenmin vindt extrapolatie plaats als een verzekerde in
één of meer eerdere jaren ook als verzekerde werkzaam is
geweest en het gemiddelde van de winst of inkomsten over de voorgaande
vier boekjaren of kalenderjaren gelijk of hoger is dan de winst of
inkomsten over het laatste boekjaar of kalenderjaar.
Artikel
7. Gemiddeld per dag
genoten winst en inkomsten
In artikel
8, tweede tot en
met vijfde lid, van de wet wordt ter bepaling van de grondslag uitgegaan
van hetgeen de verzekerde gemiddeld per dag aan winst of inkomsten
heeft genoten of wordt geacht te hebben genoten. De bepaling van de
winst of inkomsten per dag is van belang vanwege het feit dat de
uitkering ook per dag wordt berekend. Wanneer de grondslag wordt
vastgesteld over hetgeen in het laatste boekjaar of kalenderjaar vóór intreden
van de arbeidsongeschiktheid aan winst of inkomsten is genoten, wordt
het totaalbedrag van die winst en inkomsten gedeeld door 261.
Wanneer de winst of
inkomsten over de laatste vijf boekjaren of kalenderjaren tot een hoger
bedrag leiden, dient een gemiddeld bedrag aan winst of inkomsten per
dag over die vijf jaar te worden berekend. Alsdan is het eerste lid van
overeenkomstige toepassing, zij het dat het getal van 261 wordt
vermenigvuldigd met 5 en dus leidt tot een totaalsom van winst of inkomsten over
vijf jaar gedeeld door 1305.
Bij de berekening van de
winst of inkomsten per dag vloeit uit hetgeen dit artikel bepaalt voort
dat winst en inkomsten worden geacht te zijn verworven over een vijfdaagse werkweek.
Mocht de verzekerde in een
periode wegens niet aan hem toe te rekenen omstandigheden niet
in staat zijn geweest werkzaamheden uit te oefenen en zijn winst of
inkomsten daardoor lager zijn uitgevallen dan wanneer hij het gehele jaar
zou hebben gewerkt, dan kan het Lisv met toepassing van de
hardheidsclausule (artikel 10) een andere, voor de betrokken verzekerde
gunstigere, berekening toepassen dan in het eerste en tweede lid vermeld.
Artikel
8. Indexering
grondslagbedragen
Tijdens de duur van de
uitkering voorziet artikel 8, negende lid, van de
wet in een indexering van de
uitkering aan de hand van de herziening van het minimumloon. Datzelfde
wordt in dit artikel geregeld waar het gaat om bedragen van de winst en
de inkomsten die meetellen bij de grondslagvaststelling voor
de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de uitkering in verband met
bevalling [zie wet Arbeid en zorg, red.]. Daarbij worden verzekerde
winst/inkomsten over een bepaald
jaar geïndexeerd aan de hand van de ontwikkeling van het
minimumloon over de volgende jaren, tot het moment van ingang van de
uitkering.
Artikel
9. Nihilstelling
negatieve winst en inkomsten
Dit artikel komt overeen met
artikel 6, vierde lid, van het Inkomensbesluit AAW. Met dit artikel wordt
geregeld dat negatieve winst en inkomsten op nihil worden
gesteld. Deze bepaling is vooral van belang bij middeling van winst en
inkomsten over de vijf boekjaren of kalenderjaren vóór intreden van de
arbeidsongeschiktheid. Voor die middeling betekent het dat het negatieve bedrag
van deze winst en inkomsten buiten aanmerking wordt gelaten. In
het geval dat een middeling niet aan de orde is, leidt deze bepaling
ertoe dat de grondslag voor de uitkering ƒ0,- bedraagt, hetgeen betekent
dat ondanks ingetreden arbeidsongeschiktheid c.q. bestaande zwangerschap
en bevalling [zie Wet arbeid en zorg, red.]
geen uitkering zal worden verstrekt.
Bij de nihilstelling van
winst en inkomsten gaat het voor alle duidelijkheid om de totaalsom van de winst
en inkomsten die de verzekerde als verzekerde in één jaar heeft genoten. Aan de hand van het volgende
voorbeeld kan dat worden
verduidelijkt.
Een verzekerde verdient in
een jaar dat meetelt voor zijn grondslagvaststelling ƒ50 000,- als
beroepsbeoefenaar. Hij is tevens zelfstandige en heeft in dat jaar een
verlies geleden van ƒ80 000,-. Op basis van de rekenregel van artikel 9
wordt de totaalsom van zijn verzekerde inkomsten in dat jaar genomen. Deze
totaalsom is ƒ50 000,- + (- ƒ80 000,-) = - ƒ30 000,-. Het verlies van
ƒ80 000,-
wordt dus niet eerst op nihil gesteld, alvorens de totaalsom van zijn inkomsten
wordt genomen.
Artikel
10.
Hardheidsclausules
In dit artikel wordt een
aantal situaties beschreven waarin kan worden afgeweken van de regels van
artikel 8 van de wet en van dit besluit. Er kan sprake zijn van
verwerving van winst of inkomsten op een tijdstip dat buiten de periode valt
waarover de grondslag wordt berekend, terwijl die winst of inkomsten
redelijkerwijs zouden kunnen worden toegerekend aan die periode. Ook is het
mogelijk dat winst of inkomsten worden verworven in een periode,
terwijl zij aan een langere of andere periode zouden moeten worden
toegerekend. Strikte toepassing van de wet en dit besluit zou alsdan tot een
onbillijkheid van overwegende aard kunnen leiden. Indien dit naar het
oordeel van het Lisv het geval is, bepaalt het een andere periode van
verwerving. Deze eerste situatie komt overeen met hetgeen in artikel 8 en 9,
derde lid, van het Inkomensbesluit AAW is bepaald.
Het tweede lid voorziet in
de mogelijkheid voor het Lisv om af te wijken van artikel
7. Dit artikel
voorziet in strakke rekenregels voor de berekening van het gemiddeld per dag
verworven inkomen. Daarbij kan bijvoorbeeld sprake zijn van een situatie, als gevolg van niet aan de verzekerde toe te rekenen omstandigheden, dat
de verzekerde een periode niet heeft kunnen werken en als gevolg
daarvan geen winst of inkomsten heeft behaald. In zo’n situatie
kan het Lisv afwijken van artikel 7 door bij de berekening niet te delen
door het getal 261 (1305), maar door een lager getal, waardoor de grondslag
op een hoger niveau uitkomt.
De derde situatie ziet, ingeval de grondslag wordt berekend over een boekjaar of kalenderjaar,
toe op de vaststelling van een andere twaalfmaandsperiode dan het in
de wet genoemde boekjaar en kalenderjaar. Zo’n situatie zou zich
kunnen voordoen wanneer een verzekerde bijvoorbeeld in de maand december
arbeidsongeschikt wordt. Als hij kan aantonen in het jaar
voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid een inkomen te hebben
behaald ter hoogte van de grondslag van het minimumloon, terwijl hij dat inkomen niet heeft behaald in het boekjaar of
kalenderjaar vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid, kan er evenzeer sprake
zijn
van een kennelijk onredelijk resultaat bij toepassing van
de wet en dit besluit. Indien het Lisv zulks van oordeel is, bepaalt het een
andere twaalfmaandsperiode. Deze periode mag echter niet eerder liggen
dan het boekjaar of kalenderjaar vóór het intreden van de
arbeidsongeschiktheid.
Zoals gesteld, is dit besluit
tevens van toepassing op de uitkering in verband met bevalling [zie Wet
arbeid en zorg, red.]. De
grondslag voor deze uitkering wordt berekend aan de hand van de winst of
inkomsten in het boekjaar of kalenderjaar vóór ingang van het recht op
uitkering. Wat de berekening van de grondslag over het laatste
boekjaar/kalenderjaar betreft, kan ook hierbij sprake zijn van een
onbillijkheid van overwegende aard. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de
betrokken verzekerde, zonder arbeidsongeschikt te zijn geweest, tijdens
haar zwangerschap bepaalde werkzaamheden met het oog op het goede verloop
van die zwangerschap niet heeft uitgeoefend en in die periode minder winst of inkomsten heeft genoten.
Teneinde een dergelijke
onbillijkheid van overwegende aard te vermijden, is het vierde lid opgenomen.
Daarbij kan worden afgeweken van de rekenregels van artikel
7.
Als alternatief kan in plaats van het boekjaar of kalenderjaar vóór ingang van
het recht op uitkering een andere periode van twaalf maanden worden
genomen. Die periode mag in tijd echter niet verder weg liggen dan
twaalf maanden vóór aanvang van de zwangerschap die uiteindelijk heeft
geleid tot de uitkering in verband met bevalling. De aanvang van de zwangerschap
kan worden vastgesteld aan de hand van een verklaring van een arts
of een verloskundige. Uitdrukkelijk is hierbij gekozen voor een uiterste
termijn van twaalf maanden vóór aanvang van de zwangerschap, omdat een
later gelegen termijn per definitie zou zijn gelegen in de periode waarin
ook de zwangerschap bestond en er juist rekening moet worden gehouden met
de verminderde mogelijkheid tot
arbeidsinzet tijdens de
periode van zwangerschap.
Artikel
11.
Grondslagwijziging AMvB in verband met Aanpassingswet
In het wetsvoorstel
Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Kamerstukken II
1996-1997, 25
415, nr. 2, blz. 28) is een wijziging opgenomen van artikel
8 van de wet. Deze wijziging heeft betrekking op de
grondslagvaststelling in geval van samenloop van rechten uit hoofde van
gelijktijdig verrichte werkzaamheden. Als gevolg van deze wijziging wordt
artikel 8, elfde lid, vernummerd tot achttiende lid. Indien dit wetsvoorstel
tot wet wordt verheven en in werking treedt, dient dit besluit te
berusten op artikel 8, achttiende lid, van de wet. Dit artikel voorziet daarin.
Artikel
12. Inwerkingtreding
De inwerkingtredingsdatum
van de WAZ is krachtens het Koninklijk
besluit van 2 september
1997 tot vaststelling van de data van de inwerkingtreding van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen,
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten en de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Stb.
1997, 391) gesteld op 1
januari 1998. Dit besluit zal dan met ingang van
dezelfde dag in werking treden.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|
|