|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1995-1996,
24 484
Tijdelijke regeling houdende beperking van de
inkomensgevolgen door de toepassing van het
arbeidsongeschiktheidscriterium voor
personen in bepaalde leeftijdscategorieën (Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen nieuw arbeidsongeschiktheidscriterium)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Huidige situatie |
| 3 |
Redenen
voorgestelde regeling |
| 4 |
De vormgeving van
de regeling |
| 5 |
De voorwaarden voor
het recht op uitkering |
| 6 |
De hoogte van de
uitkering |
| 7 |
Financiële
gevolgen |
| a |
Kosten van de regeling |
| b |
Financiering van de
uitkering |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
1 t/m 14 |
Algemeen
1. Inleiding
In
dit wetsvoorstel wordt
uitvoering gegeven aan de voornemens van het kabinet de inkomensgevolgen van de toepassing van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium
voor bepaalde categorieën oudere werknemers te beperken,
zoals bij brief van 2 juni 1995 medegedeeld aan de Tweede Kamer (Kamerstukken
II
1994-1995, 22 187, nr. 32). Voorts wordt
uitvoering gegeven aan de motie-Adelmund c.s. (Kamerstukken II 1994-1995,
24 221, nr. 23) om voor
oudere zelfstandigen die in dezelfde omstandigheden verkeren, te komen tot
een qua hoogte en voorwaarden gelijke garantie.
Op 1 augustus 1993 trad
de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet
TBA) in werking. In
die wet is onder meer een nieuw
arbeidsongeschiktheidscriterium opgenomen, aan de hand waarvan de mate van
arbeidsongeschiktheid van alle nieuwe aanvragers van een uitkering ingevolge de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) of de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) moet worden bepaald. De Wet
TBA brengt met zich dat ook personen die op 31 juli 1993 een AAW- of
WAO-uitkering hadden en op 1 augustus 1993 jonger waren dan 50 jaar
te maken krijgen met het nieuwe arbeidsongeschiktheidsbegrip:
bepaald is dat zij op basis van dat nieuwe begrip moeten worden
herbeoordeeld. In het Cohortenbesluit is aangegeven op welk moment deze
herbeoordeling dient plaats te vinden. Dat moment is gekoppeld aan
de leeftijd van de betrokken persoon op 1 augustus 1993.
rblz.|2|
Tabel 1. Jaar van
herbeoordeling op grond van het Cohortenbesluit:
| Leeftijd
op 1 augustusi1993 |
1994 |
1995 |
1996 |
1997 |
1998 |
| totv35xxxxxxxxxxxxxxxxxx |
X |
|
|
|
|
| 35
tot 41 |
|
X |
|
|
|
| 41
tot 45 |
|
|
X |
|
|
| 45
tot 48 |
|
|
|
X |
|
| 48
tot 50 |
|
|
|
|
X |
Zoals ook uit tabel 1
blijkt, krijgen personen die op 31 juli 1993 reeds AAW- of WAO-gerechtigd
waren en op 1 augustus 1993 50 jaar of ouder waren, niet met het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium te maken.
Tengevolge van de
herbeoordelingen zal een deel van de AAW- en WAO-gerechtigden de
arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk verliezen
(of reeds hebben verloren). Vinden deze personen geen werk, dan kan dit met zich brengen dat zij, onmiddellijk dan wel op
termijn, een beroep
zullen moeten doen op de Algemene bijstandswet (Abw), de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz).
In het debat over de reïntegratiemaatregelen voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten en gewezen
arbeidsongeschikten is het feit dat men na afschatting uiteindelijk aangewezen kan raken op de Abw,
Ioaw of Ioaz
met betrekking tot de wat
oudere personen ter discussie gesteld. Dit werd, omdat deze wetten een
partnerinkomens- of vermogenstoets kennen, voor deze groep als een
te hard gevolg van de Wet TBA ervaren, met name gezien de
arbeidsmarktpositie van betrokkenen. Van verschillende kanten is dan ook
gevraagd om de inkomensgevolgen van de herbeoordeling voor deze
groep te beperken.
Ook het kabinet is van
oordeel dat de inkomensgevolgen van de herbeoordeling voor deze
groep beperkt dienen te worden. Het kabinet stelt daartoe voor om de
volgende personen, nadat de maximumduur van de uitkering op grond van
de Werkloosheidswet (WW) is verstreken, een uitkering toe te kennen
overeenkomstig de vervolguitkering op grond van de WW en deze uitkering
niet aan een maximumduur te binden, waardoor deze in beginsel
doorloopt tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene 65 jaar wordt:
a. personen die op 1
augustus 1993 45 jaar of ouder, maar jonger dan 50 jaar waren, op 31 juli
1993 recht hadden op AAW- of WAO-uitkering en deze uitkering op het moment van de in het Cohortenbesluit bedoelde
herbeoordeling hadden ("categorie 45-50-jarigen");
b. personen die op 31
december 1986 35 jaar of ouder waren, toen reeds recht hadden op
AAW- of WAO-uitkering en deze uitkering op het moment van de in het Cohortenbesluit bedoelde herbeoordeling hadden
("categorie verdisconteerden").
Voorts stelt het kabinet
voor degenen uit deze groep die geen recht hebben of krijgen op
WW-uitkering op het moment dat zij als gevolg van de herbeoordeling een deel van de AAW- of WAO-uitkering verliezen,
onmiddellijk in
aanmerking te laten komen voor een uitkering overeenkomstig de vervolguitkering op
grond van de WW.
De motieven voor de
regeling worden uiteengezet in paragraaf 3. Daaraan voorafgaand
wordt, voor een goed begrip, een kort overzicht gegeven van de huidige
situatie (paragraaf 2). In paragraaf 4 wordt ingegaan op de vormgeving
van de regeling en in paragraaf 5 op de voorwaarden voor het
recht op uitkering op grond van deze regeling.
rblz.|3|
Nadat in paragraaf 6 is
ingegaan op de hoogte van de uitkering, komen in paragraaf 7 de financiële gevolgen aan de orde.
Wat de aanpassing betreft
van de uitkeringsregelingen voor het overheidspersoneel aan de
hier voorgestelde regeling wordt het volgende opgemerkt.
De in
het onderhavige
voorstel beoogde maatregelen zullen vooralsnog niet gaan gelden voor de
ontslaguitkeringen voor het overheidspersoneel. Het kabinet heeft namelijk het voornemen om het overheidspersoneel met
ingang van 1 januari 1998 onder de werking van de werknemersverzekeringen
te brengen. Vanaf die
datum zal onder andere volledige WW-conformiteit worden
gerealiseerd voor het overheidspersoneel. Aanpassing van de
ontslaguitkeringsregelingen voor het overheidspersoneel vóór die datum zal
aldus slechts een regeling voor een zeer korte periode betekenen.
Bovendien kleeft hieraan het nadeel dat aanpassing van de ontslaguitkeringsregelingen erg arbeidsintensief zou
zijn, gelet op het zeer
grote aantal van die regelingen. Daarnaast bestaat er voor het
overheidspersoneel op basis van artikel F 9b van de Algemene burgerlijke pensioenwet
(Abp-wet) - en in het kader van de conversie van aanspraken in verband met
de privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds vanaf 1
januari 1996 artikel 8.9 van het Pensioenreglement van de Stichting
pensioenfonds ABP - reeds een minimuminkomensgarantie die qua niveau
overeenkomt met die van de WW-vervolguitkering. Voor
militair overheidspersoneel is deze garantie neergelegd in artikel F 9a van de Algemene militaire pensioenwet
(Amp-wet). Net als bij de
WW-vervolguitkering is bij deze regelingen geen vermogens- of
partnerinkomenstoets aan de orde. Voorts geldt de onderhavige garantie tot
de 65-jarige leeftijd, omdat de invaliditeitsgepensioneerden in het kader van de
conversie per 1 januari 1996 tot die leeftijd ongeacht de mate
van arbeidsongeschiktheid het recht houden op een invaliditeitspensioen. Vanuit een
materiële invalshoek bezien bestaat
er dus geen noodzaak om
de ontslaguitkeringsregelingen van het overheidspersoneel aan te passen.
Wel wordt geregeld dat de
arbeidsongeschikte overheidswerknemer in de categorie 45-50-jarigen
en de categorie verdisconteerden die werk heeft gevonden in de marktsector en uit dien hoofde verzekerde is
geworden in de zin van de
WW, bij een geheel of gedeeltelijk verlies van invaliditeitspensioen bij
de herbeoordeling op grond van de Wet TBA eveneens in aanmerking
komt voor een uitkering op grond van de onderhavige wet.
Op 6 oktober 1995 heeft
het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) [zie Landelijk
instituut sociale verzekeringen en vervolgens Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] technisch commentaar ¹ uitgebracht op een concept-wetsvoorstel
waarin de hier voorgestelde regeling is neergelegd. Op de belangrijkste aspecten
van dit commentaar wordt ingegaan in de passages van deze memorie
van toelichting die betrekking hebben op de onderdelen waarop het
commentaar ziet. Met betrekking tot de meer technische aspecten van
het commentaar zij opgemerkt dat dit deels heeft geleid tot aanpassingen
in de onderhavige regeling.
1. Ter inzage gelegd bij
de afdeling Parlementaire Documentatie.
2. Huidige situatie
Werknemers die na een
herbeoordeling hun arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk
verliezen, beschikbaar zijn voor arbeid en aan de wekeneis ¹ voldoen, hebben in beginsel recht op
WW-uitkering.
Omdat de 4-uit-5-eis voor
hen niet geldt, bestaat deze uitkering altijd uit een loongerelateerde fase
en uit een vervolguitkeringsfase. De hoogte van de loongerelateerde WW-uitkering is 70% van het dagloon. Bij samenloop met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is de hoogte van die rblz.|4|
WW-uitkering een zodanig
percentage van 70% van het dagloon dat de hoogte van de uitkeringen
samen 70% van het WAO-(vervolg)dagloon is. De duur van de loongerelateerde fase is afhankelijk van het feitelijke en
het fictieve
arbeidsverleden.
Bij een feitelijk
arbeidsverleden van vijf jaar zal de loongerelateerde uitkering voor de
betrokken groepen twee en een half, drie of vier jaar duren.
De hoogte van de
WW-vervolguitkering is 70% van het minimumloon of 70% van het dagloon
indien dat lager is. Bij samenloop met een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is de hoogte van de WW-vervolguitkering een
percentage van 70% van het minimumloon of van laatstbedoeld
dagloon. Dat percentage is gelijk aan het verschil tussen 100 en het midden
van de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de werknemer is ingedeeld.
Aldus kan er, afhankelijk
van de hoogte van het WAO-(vervolg)dagloon, sprake zijn van een totaalinkomen aan WW- en WAO-uitkering dat meer bedraagt dan 70% van het
minimumloon. De duur van de vervolguitkering is voor betrokkenen twee
jaar.
Niet-werknemers die na
een herbeoordeling hun arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de AAW
geheel of gedeeltelijk verliezen, hebben geen recht op WW-uitkering. Immers, de WW verzekert slechts
werknemers.
1. Aan de wekeneis voldoet
men indien men in de 39 weken onmiddellijk
voorafgaande aan de eerste
werkloosheidsdag in ten minste 26 weken arbeid als
werknemer heeft verricht. Juist om personen die
ziek/arbeidsongeschikt zijn geweest een even
grote kans op instroom in de WW te geven als
anderen, is echter bepaald dat de periode
van 39 weken wordt verlengd met de perioden
waarin men tengevolge van ziekte of arbeidsongeschiktheid niet heeft kunnen werken.
Dit is de zgn. "voorverlengingsregeling".
Op basis van de
Toeslagenwet (TW) kan de WW-, WAO- en
AAW-uitkering,
voor zover
die lager is dan het voor de betrokkene relevante sociaal minimum, worden verhoogd tot het relevante sociaal minimum of het dagloon
voor zover dat lager is. Het relevante sociaal minimum is voor een
gehuwde of samenwonende 100% van het minimumloon, voor een
eenoudergezin (kind jonger dan 18 jaar) 90% van het minimumloon en voor
een alleenstaande 70% van het minimumloon. De toeslag bedraagt niet
meer dan het verschil tussen het dagloon of de grondslag waarnaar de uitkering is berekend en de uitkering, doch ten
hoogste respectievelijk
30%, 27% en 21% van het minimumloon.
Na het bereiken van de
maximumduur van de WW-uitkering kunnen werkloze oudere
werknemers een beroep doen op de Ioaw. Daarnaast kunnen ook jongere gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte vroeggehandicapten een beroep doen op de
Ioaw. Met
uitzondering van gedeeltelijk arbeidsongeschikte vroeggehandicapten geldt
voor hen als voorwaarde dat zij een WW-uitkering hebben
ontvangen gedurende de volledige uitkeringsduur. Zelfstandigen die na het
bereiken van de leeftijd van 55 jaar het bedrijf of beroep hebben beëindigd kunnen een beroep doen op de
Ioaz. Hetzelfde geldt voor zelfstandigen
die het bedrijf of beroep hebben beëindigd in verband met arbeidsongeschiktheid en die recht hebben op een uitkering
op grond van de AAW berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%.
Belanghebbenden kunnen
voorts, voor zover ze met de WW-, WAO-, of AAW-uitkering en de
toeslag beneden het relevante sociaal minimum blijven, een beroep doen
op de Abw, evenals degenen die geen recht (meer) hebben op een
WW-, WAO-, AAW-, Ioaw- of Ioaz-uitkering.
Gerekend in
uitkeringspercentages zijn de vervolguitkering WW (inclusief een eventuele
toeslag op grond van de TW), de Ioaw, de
Ioaz en de Abw (inclusief een eventuele toeslag) vergelijkbaar. De Abw kent
echter een
partnerinkomens- en vermogenstoets. De Ioaw en Ioaz kennen een beperkter
toets op het inkomen uit of in verband met arbeid, terwijl de Ioaz bovendien
een toets kent op het forfaitaire inkomen uit vermogen, voor zover dit
een bepaald maximum overtreft. Ook de TW bevat een
partnerinkomenstoets. De vervolguitkering WW kent geen partnerinkomens- of
vermogenstoets.
rblz.|5|
3. Redenen
voorgestelde regeling
Zoals reeds in paragraaf
1 is aangekondigd, stelt het kabinet voor om de inkomensgevolgen van de
herbeoordeling op het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium
voor twee groepen te verzachten. Het kabinet stelt daartoe
voor om die groepen, na afloop van de maximumduur van de WW-uitkering waarop zij op of vanaf het moment van de herbeoordeling
recht hebben, een uitkering overeenkomende met de vervolguitkering op
grond van de WW toe te kennen en deze niet aan een maximumduur te binden,
waardoor deze dus in beginsel doorloopt tot de eerste dag van de
maand waarin de betrokkene 65 jaar wordt. Voorts stelt het kabinet
voor om ook degenen uit deze groepen die geen recht hebben of krijgen
op WW-uitkering op het moment dat zij als gevolg van de herbeoordeling een
deel van de AAW- of WAO-uitkering verliezen, in aanmerking te laten
komen voor een dergelijke uitkering. Het betreft hier allereerst (gewezen)
zelfstandigen en andere personen die buiten de WW-verzekering vallen.
Daarnaast gaat het om personen die niet aan de zogenaamde wekeneis van
de WW voldoen en om personen die reeds vóór de herbeoordeling op
grond van de Wet TBA gedeeltelijk arbeidsongeschikt waren, naast de
arbeidsongeschiktheidsuitkering reeds een WW-uitkering over de
maximumduur hebben ontvangen en bij de herbeoordeling in een
lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden ingedeeld.
Achtergrond van deze
beperking van de inkomensgevolgen is dat het kabinet het feit dat deze
betrokkenen na de herbeoordeling aangewezen kunnen raken op de Abw,
Ioaw of Ioaz als een te hard gevolg van de Wet
TBA ervaart.
Wel wil het kabinet er
daarbij op wijzen dat er bij deze beperking van inkomensgevolgen geen
sprake is van een absolute garantie. Voor zover een betrokkene al
aangewezen is op Abw, Ioaw of Ioaz door andere oorzaken dan de herbeoordeling op grond van de Wet
TBA, ligt het niet in
de rede om hem in plaats van die uitkeringen een uitkering op grond van de onderhavige regeling
te verstrekken.
Het gaat om de volgende
twee groepen.
Allereerst de groep
personen die op 1 augustus 1993 45 jaar of ouder, maar jonger dan 50 jaar
waren, op 31 juli 1993 recht hadden op AAW- of WAO-uitkering en deze uitkering op het moment van de in het Cohortenbesluit
bedoelde herbeoordeling hadden. Het gaat hier om de oudste twee cohorten die met
herbeoordeling op grond van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium
te maken krijgen. De arbeidsmarktpositie van betrokkenen die bij
de herbeoordeling tussen de 48 en de 55 jaar oud zullen zijn, zal op het
moment van afschatting niet sterk zijn.
Daarnaast stelt het
kabinet voor ook personen die op 31 december 1986 35 jaar of ouder waren,
toen recht hadden op een AAW- of WAO-uitkering en deze op het moment van
de in het Cohortenbesluit bedoelde herbeoordeling hadden,
bij afschatting te verzekeren van een met de WW-vervolguitkering
overeenkomende uitkering zonder maximumduur. Daarvoor kunnen de
volgende redenen worden aangevoerd. Allereerst is ook per 1 januari 1987
het arbeidsongeschiktheidsbegrip aangepast. Vanaf die datum mocht
werkloosheid niet meer in het arbeidsongeschiktheidspercentage worden verdisconteerd,
hetgeen ertoe leidde dat arbeidsongeschikten meer dan voordien te
maken kregen met afschatting. Voor personen die op 31
december 1986 reeds recht hadden op een AAW- of WAO-uitkering en toen 35
jaar of ouder waren, bleef echter ingevolge artikel 52 van de Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid het arbeidsongeschiktheidsbegrip
van vóór 1 januari 1987 gelden. Dit was ook het geval indien de
desbetreffende persoon zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering rblz.|6|
na die datum
verloor wegens beëindiging van de arbeidsongeschiktheid en op een later
moment
weer arbeidsongeschikt werd.
Op de in het
Cohortenbesluit neergelegde herbeoordelingsdatum zullen deze betrokkenen niet
alleen aan de hand van het per 1 augustus 1993 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium beoordeeld worden, maar
zullen ze bovendien hun verdiscontering kwijtraken.¹ Derhalve zouden ze door de herbeoordeling
extra zwaar getroffen worden, daar waar juist met de in 1987 geregelde
vrijwaring tegen de afschaffing van de verdiscontering de indruk kan zijn gewekt
dat betrokkenen ook bij verdere aanscherpingen van het
arbeidsongeschiktheidscriterium blijvend een gunstiger uitzonderingspostitie
zouden verkrijgen. Indien daarbij bovendien in aanmerking wordt genomen
dat betrokkenen op de datum van herbeoordeling ten minste
44 jaar oud zijn en dan ofwel onafgebroken ofwel herhaalde malen in
een periode van ten minste negen jaar een AAW- of WAO-uitkering
hebben ontvangen en dat derhalve de arbeidsmarktpositie van
deze groep niet sterk is, is er naar het oordeel van het kabinet voldoende
aanleiding om ook voor deze groep de inkomensgevolgen van de herbeoordeling
naar het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium te beperken. Opgemerkt
wordt overigens dat deze groep en de eerste groep elkaar
grotendeels overlappen.
1. Uiteraard met
uitzondering van personen die op 1 augustus 1993 50
jaar of ouder waren. Deze worden in het
geheel niet aan de hand van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium
beoordeeld en behouden
derhalve ook hun verdiscontering. Ook voor
vroeggehandicapten gelden afwijkende regels.
Voorts wordt geregeld dat
de arbeidsongeschikte overheidswerknemer in de categorie 45-50-jarigen
of in de categorie verdisconteerden die werk heeft gevonden in de
marktsector en uit dien hoofde verzekerd is geworden in de zin van de WW, bij een geheel of gedeeltelijk verlies van invaliditeitspensioen bij
de herbeoordeling op grond van de Wet TBA eveneens in aanmerking
komt voor een uitkering overeenkomend met de vervolguitkering WW
zonder maximumduur.
Wat betreft de
omschrijving van de doelgroep onder de overheidswerknemers is het volgende aan de
orde.
De voor de
arbeidsongeschikte werknemers in de marktsector geldende "peildata" zijn niet
toepasbaar voor het overheidspersoneel. Dit wordt met name veroorzaakt door
de omstandigheid dat een invaliditeitspensioen niet exact na een
wachttijd van twaalf maanden na uitval wegens ziekte wordt toegekend,
maar dat er sprake is van een onbepaalde, vaak langere, periode.
Bovendien mag in de Abp- en de Amp-wet eerst vanaf 1 augustus 1993
werkloosheid niet meer in het arbeidsongeschiktheidspercentage worden verdisconteerd.
Deze problematiek is evenwel niet nieuw en speelde ook al in het
kader van het overgangsrecht ten aanzien van de zgn. "oude gevallen" in
de Wet TBA. In het onderhavige voorstel is zoveel mogelijk aangesloten bij
de omschrijving van de doelgroep van overheidswerknemers in de
Wet TBA.
De garantie van, in
beginsel, een uitkering totdat men 65 wordt, wordt gegeven aan degenen uit
de twee doelgroepen die tengevolge van een herbeoordeling op basis van het nieuwe arbeidsongeschiktheidsbegrip
hun
arbeidsongeschiktheidsuitkering, geheel of ten dele, kwijtraken. Meer specifiek zal de garantie
derhalve ook toekomen aan degenen die na de herbeoordeling, tijdens
het recht op uitkering op grond van deze wet werk aanvaarden, dat weer
verliezen en die ter zake van die nieuwe werkloosheid een nieuw
recht op WW-uitkering blijken te hebben opgebouwd. Voorts geldt
de garantie voor personen uit de doelgroep die niet al bij de in het Cohortenbesluit geregelde herbeoordeling hun
arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of ten dele verliezen, maar pas bij
een latere herbeoordeling
naar het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium.
rblz.|7|
4. De vormgeving van
de regeling
Wetstechnisch ligt het in
de rede om de WW niet te belasten met een tijdelijke regeling,
welke de hier voorgestelde regeling feitelijk toch is. Immers, ultimo 2016 zal
iedereen uit de twee doelgroepen de AOW-gerechtigde leeftijd
hebben bereikt. Bovendien kan de regeling, gelet alleen al op de op
te nemen bepalingen voor niet-werknemers, zich niet beperken tot een
verlenging van de vervolguitkering voor bepaalde groepen werknemers. In
het onderhavige voorstel wordt de te treffen regeling dan ook in een
aparte tijdelijke wet neergelegd.
Wel is een groot deel van
de WW-bepalingen van overeenkomstige toepassing verklaard,
zodat die WW-bepalingen niet in de nieuwe wet hoeven te worden overgenomen. Door te bepalen dat de uitkering op
grond van deze wet wordt aangemerkt als een uitkering op grond van de verplichte verzekering
ingevolge de WW wordt bovendien voorkomen dat door middel van een
aanpassingswet wijzigingen in velerlei wetten moeten worden aangebracht
omdat een nieuw soort uitkering wordt geïntroduceerd.
Bovendien zijn aldus de TW, de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (CSV), de
Organisatiewet sociale verzekeringen (Osv), etc. direct van toepassing op
de betrokkenen.
Het van overeenkomstige
toepassing verklaren van grote delen van de WW impliceert dat er
sprake moet zijn van werkloosheid, wil recht kunnen bestaan op een
uitkering als hier bedoeld. De WW-bepalingen ter zake van de wekeneis zijn
echter buiten de overeenkomstige toepassing gelaten. Hierdoor zullen
degenen uit de doelgroep die geen recht hebben of krijgen op
WW-uitkering op het moment dat zij als gevolg van de herbeoordeling een deel
van de AAW- of WAO-uitkering verliezen, op dat moment wel in aanmerking
komen voor deze uitkering. Dit is slechts anders indien aansluitend
op het moment waarop zij hun AAW- of WAO-uitkering (gedeeltelijk) verliezen een uitsluitingsgrond als bedoeld in
artikel 19 WW van toepassing is of betrokkene niet beschikbaar is voor arbeid. In het laatste
geval ontstaat geen recht op een uitkering ingevolge deze wet indien de
uitsluitingsgrond of de niet-beschikbaarheid langer dan dertien weken duurt.
Volledigheidshalve zij
opgemerkt dat op de betrokkenen het normale verplichtingenregime van
de WW van toepassing is. Het is dus zo dat de betrokkenen die recht
hebben op een uitkering als hier bedoeld, zich dienen in te schrijven
bij het arbeidsbureau [zie Centrum voor werk en
inkomen (CWI), red.], in voldoende mate zullen moeten trachten passende
arbeid te vinden, etc.
Wel wordt in deze
tijdelijke wet in afwijking van de duurbepalingen in de WW bepaald dat de
uitkering op grond van deze wet in beginsel doorloopt tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene 65 jaar
wordt.
Het onderhavige
wetsvoorstel beoogt de leden van de doelgroep die een achteruitgang in hun
inkomen ondervinden als gevolg van een nieuw arbeidsongeschiktheidscriterium
hiervoor compensatie te bieden. In essentie betekent deze
aanvullende inkomensbron dat - voor zover dat voor de herbeoordeling
niet al het geval was - geen beroep voor (aanvullend) levensonderhoud behoeft te worden gedaan op de
Abw, Ioaw of Ioaz. Juist door het
creëren van deze extra inkomensvoorziening
buiten de Abw, Ioaw en Ioaz om wordt het aantal bezwaar- en beroepszaken die het gevolg zouden
kunnen zijn van de medische herkeuring beperkt, dit ongeacht de
opzet van de systematiek.
Bij de opzet van een
systeem van beperking van inkomensachteruitgang is gekozen voor een
methodiek die bij de uitvoering van de WW gebruikelijk is. De uitkering wordt
afhankelijk gesteld van het aantal uren dat men niet in staat is door
arbeid inkomen te verwerven. Hierdoor wordt de beoogde gelijkheid tussen
(ex-)zelfstandigen en (ex-)werknemers in hoge rblz.|8|
mate bereikt. Het
voordeel daarvan is voorts dat de bedrijfsverenigingen, die de beoogde nieuwe
regeling moeten uitvoeren, met deze werkwijze vertrouwd zijn. Dat het
berekenen van een uitkering niet in alle gevallen een eenvoudige
aangelegenheid is, met name niet met betrekking tot de categorie zelfstandigen,
is niet geheel te vermijden. Een alternatief, bestaande uit het
achterwege laten van een uitkering voor deze categorie is als onaanvaardbaar
verworpen. Een ander alternatief, bestaande uit het aansluiten bij een andere
wettelijke regeling, bijvoorbeeld de Ioaz, zou soortgelijke problemen
opleveren.
Dat op voorhand reeds
zichtbaar is in welke gevallen uitvoeringsproblemen zouden zijn te
verwachten, biedt de mogelijkheid daarvoor voorzieningen te treffen.
Het Tica, dat om advies is gevraagd met betrekking tot de
uitvoerbaarheid van de voorgenomen regelgeving, heeft erop gewezen dat de
uitvoerbaarheid kan worden bevorderd indien hij richtlijnen, of zo nodig,
nadere regels stelt. Ik zal het Tica verzoeken dergelijke richtlijnen of
nadere regels te stellen.
Het Tica heeft voorts
geconstateerd dat de inkomensgarantie op grond van het voorliggende
wetsvoorstel zich niet uitstrekt tot een mogelijk recht op een pensioenpremiebijdrage in het kader van de Bijdrageregelen
Fonds Voorheffing Pensioenverzekering.
Immers, de in het
voorliggende wetsvoorstel geregelde uitkering wordt voor de uitvoering van
andere wetten (waaronder derhalve ook de Wet FVP [Wet
privatisering FVP, red.]) aangemerkt als vervolguitkering op grond van de verplichte
verzekering ingevolge de Werkloosheidswet. Nu vervolguitkeringen WW (met uitzondering van die
voor personen die op hun eerste werkloosheidsdag 57,5
jaar of ouder zijn) niet leiden tot het recht op een pensioenpremiebijdrage,
geldt hetzelfde voor de uitkering die in het voorliggende wetsvoorstel
wordt geregeld, aldus het Tica. Het Tica vraagt zich af of het kabinet
zich dit heeft gerealiseerd.
Uiteraard is dit het
geval. De vraag of de pensioenopbouw vanaf het moment dat een betrokkene
in de WW-vervolguitkering terechtkomt doorgang zou moeten
vinden, is aan de orde gekomen tijdens de plenaire behandeling van het
wetsvoorstel tot wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten
(Wet
afschaffing malus en bevordering reïntegratie; Kamerstukken II 1994-1995,
24 221). Naar aanleiding van een - later ingetrokken - motie van
de heer Van Dijke (nr. 17) heb ik toegezegd de betreffende problematiek
in kaart te brengen en de Kamer daarover een brief te sturen.
Anderzijds heb ik gesteld dat het repareren van eventuele voor de betrokkene
ongunstige gevolgen van de huidige regeling een verantwoordelijkheid is van de sociale
partners en dat het onderwerp
hooguit in relatie tot de
discussie over het FVP [Fonds Voorheffing
Pensioenverzekering, red.] aan de orde kan komen. Ik ben derhalve niet
voornemens om daarover nadere voorstellen te doen. In de brief die ik de Kamer
heb toegezegd zal niet alleen worden ingegaan op de (afwezigheid van)
pensioenopbouw tijdens de vervolguitkering WW, maar ook tijdens de
uitkering ingevolge het voorliggende wetsvoorstel.
5. De voorwaarden voor
het recht op uitkering
Gelet op de omstandigheid
dat ook niet-werknemers in aanmerking dienen te komen voor de
hier aan de orde zijnde uitkering, kan niet worden volstaan met het
van toepassing verklaren van de WW. Aan niet-werknemers kan
immers niet de eis worden gesteld dat ze voldoen aan de wekeneis. Die eis
zal dan ook niet gesteld worden voor het ontstaan van een recht op
uitkering ingevolge de onderhavige regeling.
Bovendien zouden er,
indien de wekeneis wel zou worden gesteld, problemen ontstaan met
betrekking tot de, vóór de herbeoordeling al gedeeltelijk arbeidsongeschikte, werknemers die op het moment van de
rblz.|9|
herbeoordeling geen recht
(meer) hebben op WW-uitkering. Dat kan verschillende oorzaken
hebben, waaronder:
a. de betrokkene voldeed
op het moment dat hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt werd niet aan de (toen)
geldende wekeneis;
b. de betrokkene heeft
zijn uitkeringsduur WW al opgesoupeerd, omdat hij naast zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering al een
WW-uitkering had lopen.
Gezien het oogmerk van
de
nieuwe regeling is het kabinet van oordeel dat een betrokkene als
bedoeld onder a en b wel in aanmerking dient te komen voor een uitkering
op grond van de onderhavige regeling.
Hierbij zij wel opgemerkt
dat een deel van deze onder a en b bedoelde betrokkenen al voor de
herbeoordeling aangewezen zal zijn op de Abw of de
Ioaw. Daarin zal de hier voorgestelde regeling geen verandering
brengen.
Ten slotte zij opgemerkt
dat, indien aansluitend op de effectuering van een intrekking of
verlaging van de AAW- of WAO-uitkering een uitsluitingsgrond van toepassing is of betrokkene niet beschikbaar is voor
arbeid, geen uitkering
ingevolge deze wet zal worden verstrekt als deze situatie langer dan
dertien weken duurt. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat degene die
aansluitend op de effectuering van de afschatting geen recht op WW-uitkering
heeft, te bevoordelen boven degene die eerst recht op WW-uitkering krijgt.
Zoals in
paragraaf 3
uiteengezet zal de garantie van, in beginsel, een uitkering totdat men 65
wordt ook toekomen aan degenen die na de herbeoordeling, tijdens
het recht op uitkering op grond van deze wet werk aanvaarden, dat weer
verliezen en die ter zake van die nieuwe werkloosheid een nieuw
recht op WW-uitkering hebben opgebouwd. Dit wordt bewerkstelligd door
in die situatie het recht op uitkering op grond van de onderhavige
regeling na het einde van de duur van die WW-uitkering te laten
herleven. Op die manier zal werkaanvaarding als werknemer, zoals dat ook
in de WW het geval is, nooit tot een verlies van rechten leiden. Naar
aanleiding van het technisch commentaar van het Tica is dit in de tekst
van de onderhavige regeling neergelegd (artikel
4). Voor het overige is er
naar het oordeel van het kabinet geen aanleiding om af te wijken van de
bepalingen inzake de herleving zoals die gelden in de WW. Van de persoon
wiens recht op uitkering op grond van de onderhavige regeling
eindigt bij het gaan verrichten van werkzaamheden als zelfstandige, dan wel
uitbreiding van die werkzaamheden als hij die op het moment van het
ontstaan van het recht op uitkering al verrichtte, zal dat recht niet kunnen
herleven indien hij die (meerdere) werkzaamheden anderhalf jaar na aanvang (van
de uitbreiding) daarvan heeft verricht. Het Tica vraagt zich af of deze
gevolgen niet in strijd komen met de bedoeling om betrokkene tot zijn 65e
jaar een uitkering op minimumniveau te garanderen. Dat is naar het oordeel
van het kabinet niet het geval. Die garantie betreft immers een
garantie onder voorwaarden, namelijk de voorwaarden zoals die gelden onder het WW-regime (met uitzondering
uiteraard van de
bepalingen inzake de wekeneis en de maximumduur van de uitkering). Indien een
WW-gerechtigde pogingen onderneemt om als zelfstandige aan de slag
te gaan, heeft hij een periode van anderhalf jaar waarbinnen hij de tijd
heeft om te bezien of hij daarmee door wil gaan. Meent hij binnen die
periode geen goed bestaan te kunnen opbouwen als zelfstandige, dan kan hij
bij het staken van zijn werkzaamheden als zelfstandige terugvallen
op de WW. Er is naar het oordeel van het kabinet geen reden om hiervan in
de onderhavige regeling af te wijken. Ook de persoon met recht op
uitkering op grond van de onderhavige regeling heeft een periode van
anderhalf jaar om te bezien of hij door wil gaan met zijn poging om als
zelfstandige aan de slag te gaan of zijn werkzaamheden als rblz.|10|
zelfstandige uit te
breiden als hij die al verrichtte bij het ontstaan van het recht op uitkering.
6. De hoogte van de
uitkering
Voor
één deel van de
doelgroep, nl. de werknemers voor wie op het moment van de (gehele of
gedeeltelijke) eindiging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
recht op een "gewone" WW- uitkering ontstaat of al bestaat,
vervalt feitelijk slechts de maximumduur van de vervolguitkering WW. De
hoogte van de uitkering op grond van de onderhavige regeling kan
worden vastgesteld aan de hand van de bestaande bepalingen in
de WW met betrekking tot de vervolguitkering (artikelen 51 en
52 WW).
Dit is neergelegd in artikel 5, vierde lid. Voor een ander deel van de
doelgroep zal op het moment van de herbeoordeling recht ontstaan op een
uitkering overeenkomend met de vervolguitkering WW (zie echter artikel
4,
vierde en zesde lid, en de artikelsgewijze toelichting
daarop).
Letterlijke toepassing van de bestaande bepalingen inzake de hoogte van de
vervolguitkering WW zou tot onjuiste uitkomsten leiden gelet op het doel
van de hier voorgestelde regeling. Degene die gedeeltelijk
arbeidsongeschikt was voor de herbeoordeling zou - door een dergelijke
toepassing - na de herbeoordeling recht kunnen hebben op een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering, die samen met de uitkering op
grond van deze wet evenwel meer zou bedragen dan de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Teneinde dit tegen te gaan zijn in de onderhavige
regeling, in
artikel 10, bepalingen neergelegd die specifiek zien op de hoogte van de
uitkering in die situatie. Door middel van die bepalingen wordt de
hoogte van die uitkering vastgesteld naar analogie van de "gewone"
vervolguitkering WW. Aldus wordt bereikt dat de personen uit de doelgroep
bij indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse
bij de herbeoordeling op grond van de Wet TBA, allen op dezelfde
wijze worden gecompenseerd voor de inkomensachteruitgang. De uitkering bedraagt een
percentage van het minimumloon; dit
percentage is gelijk aan het percentage van het (vervolg)dagloon WAO dan
wel de AAW-grondslag waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering
is verlaagd.
Door de hoogte van de
uitkering op die manier vast te stellen zouden er evenwel betrokkenen
kunnen zijn die vóór het moment van de herbeoordeling aan arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer van het
minimumloon ontvangen en
na de herbeoordeling aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
en uitkering op grond van deze wet tezamen onder 70% van het
minimumloon komen. Gelet op de achterliggende gedachte van de
onderhavige regeling - het feit dat men na afschatting aangewezen
kan raken op de Abw, Ioaw of
Ioaz wordt als een te hard gevolg van de
Wet TBA ervaren - stelt het kabinet voor in die situaties de uitkering
zodanig op te hogen dat deze samen met de resterende AAW- of
WAO-uitkering 70% van het minimumloon bedraagt. Er is geen aanleiding om
dit te doen voor de situatie waarin betrokkene vóór de herbeoordeling
aan arbeidsongeschiktheidsuitkering minder dan 70% van het minimumloon
ontving. Betrokkenen zouden dan immers aan uitkering op grond van
deze wet en AAW- of WAO-uitkering samen meer ontvangen dan aan AAW- of
WAO-uitkering vóór de herbeoordeling.
Het kabinet kan zich,
gelet op het vorenstaande, dan ook niet vinden in het commentaar van het
Tica dat de verschillen in uitkomsten tussen de toepassing van artikel 5
en artikel 10 onlogisch zouden zijn. Het Tica wijst daarbij in de eerste
plaats op de situatie van de verlaging van het arbeidsongeschiktheidspercentage
van 80-100% of 65-80%. Bij een arbeidsongeschiktheidsuitkering
gebaseerd op een dagloon dat hoger was dan het minimumloon,
is - zo overweegt het Tica - de uitkering op grond van artikel 5 hoger
dan de uitkering op grond van artikel 10. rblz.|11|
Datzelfde geldt als de
uitkering voor de afschatting minder dan 70% van het minimumloon bedroeg.
In de tweede plaats wijst
het Tica op het verschil tussen de situatie van de verlaging van het
arbeidsongeschiktheidspercentage tijdens een lopende WW-uitkering en
na het bereiken van het einde van de duur van de WW-uitkering.
Naar het oordeel van het
kabinet betreft zowel de situatie waarop het Tica in de eerste plaats
wijst als de situatie waarnaar het Tica in de tweede plaats wijst in wezen
dezelfde situatie. Namelijk de hoogte van de uitkering van de
gedeeltelijk arbeidsongeschikte die als gevolg van de herbeoordeling zijn recht
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest dan wel voor een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking
komt.
Naar het oordeel van het
kabinet dient in de situatie van een verlaging van het arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% de hoogte van de
uitkering namelijk wel
gebaseerd te worden op 70% van het minimumloon, of 70% van
het dagloon, indien dat lager is. Dit blijkt ook uit de toelichting
hiervoor. Teneinde tekst en toelichting op dit punt overeen te laten komen, is
de tekst van artikel 10 aangepast.
Voorts vindt de
berekening op grond van artikel 10 alleen plaats in de situatie dat de betrokkene na de herbeoordeling geen recht heeft op een
WW-uitkering. Zoals hierboven uiteengezet zou letterlijke toepassing van
de bestaande bepalingen
inzake de hoogte van de vervolguitkering WW tot onjuiste uitkomsten
leiden, gelet op het doel van de hier voorgestelde
regeling. Het kabinet wil
dit graag illustreren aan de hand van één van de door het Tica gegeven
voorbeelden.
Stel dagloon of grondslag
is gelijk of lager dan het minimumloon. Betrokkene wordt afgeschat van 65-80% naar 25-35%.
De uitkering op grond van
artikel 5 bedraagt dan: (100 - 30) x 70%
minimumloon of lager dagloon/grondslag = 49% minimumloon of lager
dagloon/grondslag.
De uitkering op grond van
artikel 10 bedraagt: (72,5 - 30) x 70%
minimumloon = 29,75% minimumloon of lager dagloon/grondslag.
Er is dus een verschil
van 19,25% minimumloon of lager dagloon/grondslag.
Naar het oordeel van het
kabinet is dit verschil niet onlogisch. De betrokkene die onder
artikel 5 valt heeft na de herbeoordeling recht op een WW-uitkering. Dit
betekent, gelet op zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, dat hij naast zijn
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering (50,75% van het dagloon
of vervolgdagloon) voor de herbeoordeling al recht had op een
gedeeltelijke WW-uitkering. Deze bedroeg, als het een vervolguitkering WW
betrof, (100 - 72,5%) x 70% van het minimumloon of lager (vervolg)dagloon =
19,25 procent van het minimumloon/(vervolg)dagloon. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering en de WW-uitkering bedroegen
dus samen (50,75 + 19,25) = 70% van het minimumloon of het lager
(vervolg)dagloon. Na de herbeoordeling stijgt de WW-uitkering dus van 19,25% naar 49% van het
minimumloon/(vervolg)dagloon, hetgeen
een stijging is met 29,75%. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
bedraagt na de herbeoordeling 21% van het dagloon of
vervolgdagloon. Samen bedragen zij dus 70% van het minimumloon/(vervolg)dagloon.
De uitkering op grond van deze wet bedraagt, na afloop van
de uitkeringsduur WW, evenals de WW-vervolguitkering 49%
van het minimumloon/(vervolg)dagloon.
Degene uit het hiervoor
gegeven voorbeeld die niet onder artikel 5 valt maar onder
artikel 10,
heeft na de herbeoordeling geen recht op een WW-uitkering. Dit
betekent dat hij naast zijn gedeeltelijke rblz.|12|
arbeidsongeschiktheidsuitkering
(50,75% van het (vervolg)dagloon) in ieder geval op de dag van
de herbeoordeling geen recht (meer) heeft op een WW-uitkering.
Toepassing van artikel 5 zou in dat geval betekenen dat betrokkene na de
herbeoordeling recht zou hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
van 21% van het dagloon of vervolgdagloon en een uitkering op grond
van deze wet van 49% van het minimumloon of lagere (vervolg)dagloon. Door de herbeoordeling zou
betrokkene in plaats van
een uitkering van 50,75% van het (vervolg)dagloon twee uitkeringen
ontvangen die samen 70% van het minimumloon/(vervolg)dagloon bedragen.
Om een dergelijk ongewenst effect te voorkomen komt de hoogte
van de uitkering voor personen die voor hun herbeoordeling
gedeeltelijk arbeidsongeschikt waren op grond van artikel 10 van deze wet overeen
met de verhoging die de WW-vervolguitkering zou ondergaan bij een
verlaging van de arbeidsongeschiktheidsklasse indien betrokkene na de herbeoordeling recht op WW-uitkering zou
hebben gehad.
7. Financiële
gevolgen
a. Kosten van de regeling
Indien herbeoordeelde
arbeidsongeschikten die een lagere mate van arbeidsongeschiktheid
krijgen, recht krijgen op de uitkering tot het 65e jaar, treden meeruitgaven
op. Er wordt, net als bij de WW, noch een vermogenstoets noch een partnerinkomenstoets toegepast.
Het voorstel
betreft in de eerste
plaats de totale categorie 45-50-jarigen op het moment van
inwerkingtreding van de Wet TBA. In de tweede plaats betreft het de groep die
op 31 december 1986 en op 31 juli 1993 een AAW/WAO-uitkering had en
op eerstgenoemde datum 35 jaar of ouder was, alsmede degenen die
op 31 december 1986 35 jaar of ouder waren, op 31 juli 1993 recht hadden op een invaliditeitspensioen, een
herplaatsingswachtgeld of herplaatsingstoelage op grond van de Spoorwegpensioenwet of de
Abp-wet dan wel een pensioen uit hoofde van ziekte of gebreken op
grond van de Amp-wet, en die op het moment van de herbeoordeling
werknemer zijn in de zin van de WW. Hierbij zij opgemerkt dat het
invaliditeitspensioen, het herplaatsingswachtgeld en de herplaatsingstoelage
op grond van de Spoorwegpensioenwet per 1 januari 1994, op grond
van de Wet
privatisering Spoorwegpensioenfonds zijn omgezet in een WAO-uitkering en dat de persoon die op 31 december
1993 een dergelijk
pensioen, wachtgeld of toelage genoot vanaf 1 januari 1994 als werknemer in de
zin van de WW wordt aangemerkt. Ten opzichte van de eerstgenoemde
groep betekent de tweede groep een uitbreiding tot degenen die op het
moment van herkeuring 44 jaar zijn en voldoen aan voor het recht op een
uitkering op grond van deze wet noodzakelijke criteria. Immers, de
35-jarigen op 31 december 1986 waren op het moment van inwerkingtreding van de Wet TBA minstens 41 jaar; zij
worden dus in 1996 herbeoordeeld en zijn op dat moment al minstens 44 jaar.
Het gaat in beide groepen
om iedereen die tengevolge van een lagere mate van arbeidsongeschiktheid krijgt.
Ten opzichte van
ongewijzigd beleid treden door het voorstel meerkosten op uit hoofde
van deze wet en in de TW. Daartegenover staan besparingen in de
Abw en Ioaw/Ioaz. Voor de berekening van de
financiële effecten
kunnen drie groepen worden onderscheiden.
Bij ongewijzigd beleid
zou door de werking van de middelentoets, onmiddellijk of na afloop
van de WW-periode, een groep betrokkenen geen
recht hebben op een Abw- of Ioaw/Ioaz-uitkering. Deze personen krijgen door het voorstel
recht op een uitkering, hetgeen tot meerkosten rblz.|13|
leidt, zonder dat daar
besparingen tegenover staan. Tevens treden ook in de TW meeruitgaven op; de
TW vult voor een aantal personen de uitkering aan tot het
wettelijk sociaal minimum.
Een tweede groep zou
- wederom bij ongewijzigd beleid - onmiddellijk of na afloop van de WW-uitkering recht hebben op een gedeeltelijke
Abw- of Ioaw/Ioaz-uitkering.
Betrokkenen krijgen recht op een uitkering die vanwege het niet
toepassen van de middelentoets hoger is (meeruitgaven); de
gedeeltelijke Abw- of Ioaw/Ioaz-uitkering vervalt, waardoor besparingen in
deze regelingen optreden. Ook in de TW treden meeruitgaven op.
De laatste groep zou,
onmiddellijk of na afloop van de WW-uitkering, bij ongewijzigd beleid, recht
hebben op een volledige Abw- of Ioaw/Ioaz-uitkering. Verondersteld is dat voor
deze groep door de onderhavige regeling geen meerkosten
optreden. Zowel de Abw/Ioaw/Ioaz-uitkering als de uitkering op grond
van deze wet zijn immers regelingen op minimumniveau.
In onderstaande tabel
zijn de partiële meeruitgaven van het voorstel gepresenteerd; dat wil
zeggen dat de kosten zijn weergegeven van de personen die recht hebben
op een uitkering op grond van deze wet, alsmede de besparingen
die optreden in de Ioaw/Ioaz en de
Abw. Niet weergegeven zijn de
uitgaven van de normale WW-periode; het wetsvoorstel betekent
immers geen verandering voor deze uitgaven. Daarnaast is weergegeven
hoeveel personen recht op de uitkering krijgen, alsmede voor hoeveel
personen dit daadwerkelijk een inkomensverbetering betekent.
De meeruitgaven luiden in
miljoenen guldens. Het grootste deel van de uitgaven uit hoofde van
de uitkering op grond van deze wet betreft uitkeringen voor herbeoordeelde werknemers. De eerste
AAW/WAO-gerechtigden
voor wie de voorgestelde
regeling geldt, waren op het moment van
inwerkingtreding van de Wet TBA minstens 41 jaar. Zij worden in 1996 herbeoordeeld en
hebben voor het overgrote deel dan vier en een half jaar recht op een WW-uitkering
(twee en een half
jaar loongerelateerde uitkering en twee jaar WW-vervolguitkering).
Deze personen die eventueel recht op de uitkering op grond van deze wet
krijgen, stromen dus pas in de tweede helft van 2000 in.
Daarnaast heeft een groep
personen al vanaf 1996 recht op een uitkering op grond van
deze wet. Het betreft enerzijds ex-werknemers die niet voldoen aan de
wekeneis, al dan niet doordat zij hun WW-periode al tijdens de
arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben doorlopen. Anderzijds, en dit vormt het grootste
deel van deze groep, betreft het niet-werknemers (bijvoorbeeld gewezen zelfstandigen), die na de herbeoordeling op grond
van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium geen recht hebben op een WW-uitkering.
In de tabel is allereerst
aangegeven hoeveel personen uit de doelgroep eerst recht hebben op een
loongerelateerde WW-uitkering dan wel WW-vervolguitkering. Dit betreft personen die als gevolg van de herkeuringen
(een deel van) de arbeidsongeschiktheidsuitkering verliezen. Het gaat om personen die in
de huidige situatie na herkeuring al recht hebben op een WW-uitkering. Als
gevolg van onderhavige wetsvoorstel treedt ten opzichte van de huidige
situatie dus geen verandering op ten aanzien van de hiermee gepaard gaande
uitgaven.
Vervolgens is weergegeven
hoeveel personen recht krijgen op een uitkering op grond van
deze wet. Dit betreft enerzijds personen die onmiddellijk na
herkeuring geen recht op WW-uitkering hebben. Anderzijds gaat het om personen voor
wie de normale WW-periode (inclusief WW-vervolguitkering) na
herkeuring is verstreken.
rblz.|14|
De uitgaven die in
onderstaande tabel zijn gepresenteerd, betreffen de meeruitgaven als gevolg
van onderhavige wetsvoorstel, alsmede de besparingen in de Ioaw/Ioaz en Abw die optreden omdat personen recht krijgen op een uitkering
op grond van deze wet. Niet weergegeven zijn de uitgaven in de WW; deze
treden immers ook op zonder de hier voorgestelde maatregelen en ondergaan
dus geen wijziging ten opzichte van de huidige situatie.
Tabel 2. Uitgaven
uitkering op grond van deze wet (WBIA-uitkering) en besparingen
Ioaw/Ioaz en Abw
(bedragen x ƒ1 mln), alsmede het aantal personen met een uitkering op grond van
deze wet en het aantal personen dat een inkomensverbetering ondervindt:
|
|