|
7 augustus 1996/nr.
963810
Het
College van toezicht sociale verzekeringen;
Gelezen een verzoek van het Tijdelijk instituut
voor coördinatie en afstemming;
Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Regeling
voorlegging besluiten uitvoeringsinstanties;
Besluit:
Goed te keuren het
bijgevoegde besluit van 15 mei 1996 van het bestuur van het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming tot vaststelling van regels
over het aantal (verloren) arbeidsuren bij de toepassing van de
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria.
Zoetermeer, 7 augustus
1996.
College van toezicht sociale verzekeringen,
A. Geurtsen, voorzitter.
BIJLAGE
Besluit
vaststelling arbeidsurenverlies Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria
Het
Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming;
Gelet op artikel 8, derde lid, Tijdelijke wet
beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria;
Besluit:
Art. 1.
In dit besluit wordt onder
belanghebbende verstaan: de werkloze persoon, bedoeld
in artikel 2 van de Tijdelijke wet
beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria.
Art. 2.
Voor de berekening van het
gemiddeld aantal arbeidsuren per
kalenderweek, bedoeld in artikel 16 van de Werkloosheidswet, wordt voor de
belanghebbende die niet in aanmerking komt
voor een uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet omdat hij niet voldoet aan
de wekeneis op grond van deze wet ¹, uitgegaan van het aantal kalenderweken gelegen tussen de aanvang
van de dienstbetrekking en het
intreden van de arbeidsongeschiktheid.
1. Volgens de redactie
dient "deze wet" te worden vervangen door:
die wet.
Art. 3.
Het gemiddeld aantal
arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in
artikel 16 van de Werkloosheidswet, wordt
voor de belanghebbende die niet in
aanmerking komt voor een uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet
omdat hij
na een eerdere arbeidsongeschiktheidsschatting reeds in aanmerking is
gekomen voor een uitkering ingevolge deze
wet ¹ en ter zake dat recht de maximale
uitkeringsduur heeft bereikt, vastgesteld
op het gemiddeld aantal arbeidsuren
per kalenderweek dat gold bij
dat eerdere recht op uitkering.
1. Volgens de redactie
dient "deze wet" te worden vervangen door:
die wet.
Art. 4.
-1. Het gemiddeld aantal
arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in
artikel 16 van de
Werkloosheidswet,
wordt voor de belanghebbende die niet
in aanmerking komt voor een uitkering
ingevolge de
Werkloosheidswet omdat
hij geen werknemer is in de zin van
deze wet ¹, vastgesteld op 38.
-2. Indien uit de gegevens
van de bedrijfsvereniging blijkt
dat het gemiddeld aantal arbeidsuren per week
lager is dan 38, wordt in afwijking
van het eerste lid het gemiddeld
aantal arbeidsuren per week op dit lagere
aantal vastgesteld.
1. Volgens de redactie
dient "deze wet" te worden vervangen door:
die wet.
Art. 5.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin
het wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 januari 1996.
Art. 6.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit vaststelling
arbeidsurenverlies Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria.
Dit besluit zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
gepubliceerd.
Amsterdam, 15 mei 1996.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
TOELICHTING
[15 mei 1996]
Algemeen
Met ingang van 1 januari
1996 is de Wet van 7 februari 1996, Stb. 1996, 93, tot tijdelijke regeling houdende
beperking van de inkomensgevolgen door
toepassing van arbeidsongeschiktheidscriteria voor personen in bepaalde
leeftijdscategorieën (Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (WBIA)) in werking getreden.
De
wet beoogt de
inkomensgevolgen te beperken voor arbeidsongeschikten die als gevolg van de
herbeoordelingen in het kader van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) van 7 juli 1993, Stb.
1993, 412, hun
arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk
verliezen.
De geheel of gedeeltelijk
arbeidsgeschikte komt, nadat de maximale
uitkeringsduur op grond van de
Werkloosheidswet (WW) is verstreken, in aanmerking voor een WBIA-uitkering.
Ook degenen die geen recht
hebben of krijgen op een WW-uitkering
op het moment dat zij als gevolg
van de herbeoordeling een deel van hun arbeidsongeschiktheidsuitkering verliezen,
komen in aanmerking voor een
dergelijke WBIA-uitkering. De uitkering
is gebaseerd op het minimumloon
of op het dagloon, indien dat
lager is dan het minimumloon, en komt
derhalve overeen met de vervolguitkering op
grond van de WW. De WBIA-uitkering
is niet gebonden aan een
maximumduur, waardoor deze in beginsel
doorloopt tot het 65e jaar.
Het aantal arbeidsuren per
kalenderweek wordt voor de WBIA-gerechtigden zoveel mogelijk
overeenkomstig artikel 16 van de WW en de daarop
berustende bepalingen vastgesteld (artikel 8, eerste lid, WBIA). De
werkloze WBIA-gerechtigde wordt voor het aantal verloren arbeidsuren de
hoedanigheid van werknemer in de zin van de
WW toegekend. Overigens worden alle
bepalingen van de WW op de betrokken
groep van toepassing verklaard. Mede
vanwege het feit dat de categorie WBIA-gerechtigden deels afwijkt van de normale
WW-populatie heeft het Tica ¹ de
bevoegdheid om regels te stellen omtrent
het gemiddeld aantal arbeidsuren en het
aantal verloren arbeidsuren per
kalenderweek (artikel 8, derde lid, WBIA).
Dit besluit voorziet in de
vaststelling van het gemiddeld aantal
arbeidsuren per kalenderweek van de
belanghebbende die in aansluiting op de
herziening of intrekking van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet in aanmerking komt voor een
uitkering ingevolge de WW, maar wel
voor een uitkering op grond van de WBIA. Het besluit ziet
derhalve niet op diegene die in
aansluiting op de herziening of intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering een uitkering ingevolge de WW is
toegekend. Voor deze persoon geldt immers de
bepaling van artikel 8, eerste lid, WBIA, met als gevolg dat het
gemiddeld aantal arbeidsuren dat
aantal bedraagt dat is vastgesteld bij de
toekenning van die uitkering.
Bij het opstellen van het
besluit is rekening gehouden met het feit dat de
wetgever in de gevalsbehandeling geen onderscheid wenst tussen de WBIA-gerechtigde die een uitkering ontvangt waarop de bepalingen van de
WW van toepassing zijn en de niet-WBIA-gerechtigde die een uitkering ingevolge
de WW ontvangt.
1. Het Tica (Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming) is de rechtsvoorganger van
het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). Het Lisv is ingevolge de Wet SUWI met
ingang van 1 januari 2002 opgevolgd door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1
In dit artikel wordt voor de
definitie van belanghebbende verwezen
naar de werkloze persoon, genoemd in
artikel 2 van de WBIA.
Artikel 2
Dit artikel ziet op de
persoon die zijn recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft verloren dan wel voor
een lagere
arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt en
vervolgens geen recht heeft op een uitkering
ingevolge de WW omdat hij niet voldoet
aan de wekeneis op grond van
artikel 17 van die wet.
Voor deze persoon wordt het
gemiddeld aantal arbeidsuren per
kalenderweek berekend door uit te gaan
van het aantal kalenderweken dat is
gelegen tussen de aanvang van de
dienstbetrekking en het (laatste) moment van
uitval.
Indien de berekening van het
gemiddeld aantal arbeidsuren per
kalenderweek voor deze persoon zou
geschieden op basis van de periode van
26 kalenderweken als genoemd in
artikel 16, tweede lid, van de WW,
terwijl tussen moment aanvang dienstbetrekking en het moment definitieve
uitval maar 18 weken zouden zijn
gelegen, dan zou dat een (te) laag gemiddeld
aantal arbeidsuren per kalenderweek
opleveren ten opzichte van de
soortgelijke werknemer die wel minimaal 26 weken heeft gewerkt.
Bij een mogelijke
werkhervatting zou deze persoon in een
nadeliger positie komen te verkeren dan degene
wiens gemiddeld aantal arbeidsuren
wel over een werkzame periode van 26
weken berekend kon worden.
Artikel 3
Hierin opgenomen is de
vaststelling van het gemiddeld aantal
arbeidsuren voor de belanghebbende die na een
eerdere arbeidsongeschiktheidsschatting
dan de schatting op grond van de
Wet TBA recht had op een uitkering
ingevolge de WW en ter zake dat recht op
uitkering reeds de maximale termijn
bereikt had. Voor deze persoon is aansluiting gezocht bij het gemiddeld
aantal arbeidsuren per kalenderweek
zoals dat is vastgesteld bij het recht
op uitkering dat eerder de maximale duur
heeft bereikt. Een hernieuwde
berekening van het gemiddeld aantal
arbeidsuren is voor deze personen immers
overbodig.
Artikel 4
Voor diegenen die niet
verzekerd zijn krachtens de WW,
bijvoorbeeld zelfstandigen, is in artikel 4, eerste lid, bepaald dat de
bedrijfsvereniging [zie UWV en uitvoeringsinstellingen,
red.] het gemiddeld aantal arbeidsuren
per kalenderweek (fictief)
vaststelt op 38. Als basis is gekozen het
aantal arbeidsuren per week van een fulltimewerknemer.
Per bedrijf verschilt het
aantal arbeidsuren voor een fulltimewerknemer. In het ene bedrijf zal dit
aantal 40 bedragen, in een ander
bedrijf 36 en in weer een ander bedrijf 38.
In het algemeen echter kan een
arbeidsverhouding van 38 uur per week voor een werknemer als fulltimedienstverband
worden beschouwd.
Indien een werknemer met een WW uitkering gebaseerd op 38 uur per week het werk hervat, dan wordt
hij (doorgaans) niet langer werkloos geacht.
Zou voor de belanghebbende
uitgegaan worden van een hoger fictief
aantal arbeidsuren, bijvoorbeeld
50, dan zou dat als consequentie hebben
dat bij een werkhervatting van 38 uur
per week nog een recht op
WW-uitkering resteert (in dit geval van 12 uur per
week), hetgeen ten opzichte van de
werknemer met een reguliere WW-uitkering tot een ongewenst verschil leidt.
Het is echter denkbaar dat
uit de gegevens van de bedrijfsvereniging
blijkt dat de belanghebbende minder
arbeidsuren per kalenderweek werkzaam
was dan voornoemde 38. Gewezen wordt
op het voorbeeld van een
huishoudelijke hulp, werkzaam bij meerdere
private personen gedurende 4 dagen à 4 uur.
In dat geval is in artikel 4, tweede lid, bepaald dat het gemiddeld
aantal arbeidsuren wordt
vastgesteld op dat lagere aantal uren, (in dit
voorbeeld: 16) per week.
Artikel 5
De inwerkingtreding van dit
besluit is bepaald op de tweede dag na
dagtekening van de Staatscourant waarin
het wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 januari 1996. Hiermee
is aangesloten bij de inwerkingtreding van
de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria.
Amsterdam, 15 mei 1996.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|