|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1999-2000,
27 248
Wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten ter verkorting van
beslistermijnen bij beschikkingen op aanvraag (Wet beslistermijnen
sociale verzekeringen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Overzicht vorige en
huidige termijnen |
| 3 |
Opmerkingen bij enkele
voorgestelde termijnen |
| 3.1 |
Beschikkingen inzake
verzekeringsplicht van de door de uvi’s uitgevoerde wetten |
| 3.2 |
Beschikkingen inzake
arbeidsongeschiktheid |
| 3.3 |
Beschikkingen op grond
van hoofdstuk 4, paragrafen 1 en 3, Wet Rea |
| 3.4 |
Beschikkingen op grond
van hoofdstuk IV WW |
| 3.5 |
Indelingsbeschikkingen |
| 3.6 |
Instituutssubsidies Wet
Rea |
| 4 |
Gekozen systematiek van
regelgeving; verlenging |
| 4.1 |
Plaats regeling
beslistermijnen in de diverse wetten |
| 4.2 |
Wijze van regeling |
| 4.3 |
Verlenging |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m XVI |
Algemeen
1.
Inleiding
Op 1 januari 1994 traden
de eerste twee tranches van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in
werking. Daarin is onder meer geregeld dat indien in bijzondere wetten geen
termijnen zijn opgenomen waarbinnen bestuursorganen een
beschikking op aanvraag moeten nemen, deze binnen een redelijke
termijn na ontvangst van de aanvraag genomen moeten worden. De
redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan niet
binnen acht weken na de ontvangst heeft beslist, tenzij het bestuursorgaan
vóór die datum een kennisgeving heeft verzonden waarin de beslistermijn met een redelijke termijn wordt
verlengd.
Vóór inwerkingtreding van
de eerste twee tranches van de Awb kenden de meeste
socialeverzekeringswetten geen termijnen waarbinnen de
uitvoeringsorganen een beschikking op een aanvraag moesten nemen. Ook bestonden geen
rechtsmiddelen tegen het uitblijven van beschikkingen. Tijdens de voorbereiding
van de eerste twee tranches Awb kwam dan ook de vraag op of
het verstandig was in de socialeverzekeringswetten aparte beslistermijnen
neer te leggen, dan wel of volstaan kon worden met
de redelijke termijn.
Ook toen al was het
streven van het kabinet voor de socialeverzekeringswetten
zo kort mogelijke
beslistermijnen te regelen. Het is immers evident dat werknemers, uitkeringsgerechtigden en werkgevers een groot belang
hebben bij een snelle en
goede besluitvorming. Aan de andere kant was (en is) het echter zaak
de beslistermijnen zo vast te stellen dat ze in het gros van de gevallen ook
daadwerkelijk gehaald kunnen worden. Niemand is immers gebaat
bij termijnen die op papier erg kort zijn, maar die in de praktijk
telkens verlengd moeten worden omdat ze niet haalbaar zijn. Dit streven om
te
komen tot zo kort mogelijke, maar wel haalbare termijnen, heeft geleid
tot een stelsel waarin als hoofdregel voor beschikkingen op grond van de meeste
sociale verzekeringen een termijn van acht weken geldt. Deze
termijn is gelijk aan de (maximale) redelijke rblz.|2|
termijn uit de Awb. Op
deze hoofdregel is echter een groot aantal uitzonderingen gemaakt. In dat geval
gaat het vaak om een beslistermijn van dertien weken. Voor de
volksverzekeringen is de beslistermijn van dertien weken zelfs hoofdregel.
Besloten is indertijd om
de beslistermijnen niet op te nemen in de socialeverzekeringswetten
zelf, maar deze tijdelijk
neer te leggen in een algemene maatregel van bestuur
(het Besluit beslistermijnen socialeverzekeringswetten, Bbsv). Tijdens de
beperkte werkingsduur van het besluit zou de uitvoerbaarheid kunnen worden getoetst en zou tevens kunnen worden
onderzocht of de gestelde
termijnen konden worden bekort. Nadat hierover uitsluitsel zou zijn
verkregen, zouden de (zo mogelijk dus kortere) termijnen alsnog in de
sociale verzekeringen zelf worden opgenomen, waarna het Bbsv zou
vervallen.
Aanvankelijk was het de
bedoeling dat dit op 1 januari 1999 zou gebeuren. Deze termijn is tweemaal
verlengd, laatstelijk tot 1 januari 2001. Een belangrijke reden voor de
eerste verlenging was de inwerkingtreding van nieuwe wetgeving, zoals
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong) en de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet
Rea). Het werd
wenselijk geacht ook de beslistermijnen ingevolge deze nieuwe wetten eerst
in de praktijk te beproeven. Hiertoe werd besloten het Bbsv uit te
breiden en het geheel nog een jaar te laten bestaan. De reden voor
het tweede uitstel was gelegen in het feit dat het introduceren van nieuwe
beslistermijnen per 1 januari 2000 de met het oog op de
millenniumwisseling benodigde automatiseringsaanpassingen zou kunnen doorkruisen.
Gevolg
is dat op dit
moment in de socialeverzekeringswetten is opgenomen dat het
Bbsv op 1 januari
2001 zal vervallen. Uiterlijk op die datum dienen de beslistermijnen derhalve in die wetten te zijn opgenomen.
Het
voorliggende wetsvoorstel
voorziet hierin.
Zoals altijd al de
bedoeling is geweest, is bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel nagegaan of
de huidige beslistermijnen niet verkort kunnen worden. Uitgangspunt hierbij is
geweest dat alle termijnen worden
gesteld op de redelijke
termijn van de Awb (met dien verstande dat de paar termijnen die nu al
korter zijn dan die redelijke termijn, korter blijven) en dat alleen indien een
langere besluitvorming onontkoombaar is, een langere beslistermijn
wordt geregeld. In nauw overleg met medewerkers van de Sociale verzekeringsbank
(SVB), het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] en
de uitvoeringsinstellingen (uvi’s; deze werken in opdracht van het
Lisv) is
nagegaan voor welke beschikkingen het laatste geldt en hoe lang de
bijbehorende beslistermijnen dan dienden te worden. De gesprekken
verliepen in een constructieve sfeer. Ondanks het feit dat de uitvoering in
de afgelopen periode te maken heeft gehad met omvangrijke en complexe
wijzigingen van de socialeverzekeringswetten, die grote inspanningen hebben gevraagd, kon geconstateerd worden dat
de tijdigheid van de
besluitvorming een onderwerp is dat veel aandacht heeft. In de afgelopen
jaren is door de uitvoering daarom al het nodige werk verzet om
administratieve processen aan te passen en te verbeteren, met als gevolg dat een
termijn van (maximaal) acht weken voor veel beschikkingen haalbaar is
geworden.
In
het voorliggende
wetsvoorstel wordt dit dan ook beslecht door de meeste dertienweekstermijnen terug te brengen tot de redelijke termijn
van de Awb. Voor een aantal termijnen was verkorting echter
écht niet mogelijk. In
paragraaf 3
zal hier uitgebreid op worden ingegaan. Daarnaast kan het in individuele
gevallen voorkomen dat de geldende (redelijke rblz.|3|
of andere) termijn - die op zich voor de betreffende soort beschikkingen door de bank genomen
haalbaar is - niet gehaald kan worden. Het is wenselijk dat deze dan
verlengd kan worden. Paragraaf 4 gaat in op de verlengingsmogelijkheden,
die overigens ten opzichte van het Bbsv beperkt zullen worden.
Voor het overzicht wordt eerst in paragraaf 2 schematisch aangegeven welke
termijnen nu gelden en tot welke termijnen deze straks zullen zijn
teruggebracht.
Hoewel
het wetsvoorstel in samenwerking met medewerkers van de uitvoeringsorganisaties
is uitgewerkt, is het ook nog voor een toets op de uitvoerbaarheid aan de
SVB en het Lisv voorgelegd. Tegelijkertijd is het voor een toezichtbaarheidstoets naar het College van toezicht sociale
verzekeringen (Ctsv) [zie Inspectie Werk en Inkomen
(IWI), red.] gezonden.
Het
Ctsv is van opvatting dat het regelen van een vaste (zij het te verlengen) wettelijke
termijn de voorkeur verdient boven de "redelijke termijn" die ingevolge
het wetsvoorstel in de verschillende wetten wordt opgenomen. Deze
"redelijke termijn", zo merkt het College terecht op, bedraagt maximaal acht
weken en kan verlengd worden met een volgende redelijke
termijn, waarvan de duur, aldus het College, niet nader is bepaald. Enerzijds is
het College voorstander van een vaste termijn, omdat dit de duidelijkheid (en rechtszekerheid) ten goede komt, zowel
voor de aanvrager en de betrokken uitvoeringsorganisatie als voor de toezichthouder die een
oordeel moet geven over de recht- en doelmatigheid van de wijze waarop
uitvoeringsinstanties aanvragen afhandelen. Anderzijds wijst het
College erop dat de Awb lijkt uit te gaan van vaste termijnen met de
redelijke termijn als vangnet, terwijl het wetsvoorstel juist uitgaat van de
redelijke termijn.
In reactie hierop kan
allereerst worden opgemerkt dat het stelsel dat het Ctsv voorstaat, namelijk
vaste termijnen met een (algemene) verlengingsmogelijkheid, niet past binnen het
algemene Awb-kader zoals dat is opgenomen in het wetsvoorstel Eerste evaluatiewet Awb
(Kamerstukken II
1998-1999, 26 523, nrs. 1-3).
Dat wetsvoorstel, waarover meer in het nader rapport (punten 2b en 3),
gaat er immers van uit dat vaste termijnen niet verlengd kunnen worden,
terwijl redelijke termijnen met redelijke termijnen verlengd kunnen
worden. In het voorliggende wetsvoorstel is uiteraard aansluiting
gezocht bij dit algemene kader. Ten tweede kan worden opgemerkt dat ingevolge het voorliggende wetsvoorstel in iedere
socialeverzekeringswet
een bepaling wordt opgenomen waarin telkens wordt geëxpliciteerd dat
de redelijke termijn in ieder geval na acht weken verstreken is (tenzij
vóór die datum is verlengd). Hiermee wordt wat betreft helderheid jegens
de cliënt, het uitvoeringsorgaan en de toezichthouder hetzelfde bereikt als met
een vaste termijn van acht weken (plus verlengingsmogelijkheid).
De
SVB
constateert in
haar uitvoerbaarheidstoets dat het voorstel om de beslistermijnen in de
volksverzekeringen terug te brengen van dertien weken naar de redelijke
termijn, niet op uitvoeringsproblemen zal stuiten. Wel zal de SVB haar werkwijze met betrekking tot de aanvraag van uitkeringen
ingevolge de Algemene Ouderdomswet moeten herzien, maar de hiertoe benodigde
aanpassingen zullen naar verwachting vóór 1 januari 2001 kunnen zijn
afgerond.
Het
Lisv merkt op dat de
voorgestelde beslistermijnen in het algemeen haalbaar zijn. Wel heeft
het Lisv opmerkingen bij enkele beslistermijnen. Hierop wordt in paragraaf
3 ingegaan.
rblz.|4|
2. Overzicht vorige en
huidige termijnen
In het hierna
volgende
worden de beslistermijnen waaraan de socialeverzekeringsinstanties zich moeten houden,
weergegeven. De kolom "nu" bevat de op dit [moment geldende, red.]
termijn
in het Bbsv neergelegde termijnen, de kolom "straks" de beslistermijnen die zullen gelden na inwerkingtreding van
voorliggend wetsvoorstel.
| |
Nu |
Straks |
| •
Algemene Kinderbijslagwet
(AKW) |
| alle beschikkingen |
13
weken |
redelijke termijn (8 weken) |
| •
Algemene nabestaandenwet
(Anw) |
| alle beschikkingen |
13
weken |
redelijke termijn (8 weken) |
| •
Algemene Ouderdomswet
(AOW) |
| alle beschikkingen |
13
weken |
redelijke termijn (8 weken) |
| •
Coördinatiewet Sociale
Verzekering (CSV) |
| beschikking over wat tot
het loon behoort |
13 weken |
redelijke termijn (8 weken) |
| overige beschikkingen |
8 weken |
redelijke termijn (8 weken) |
| •
Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 (Osv 1997) |
| beschikking indeling
werkgever in sector |
13 weken |
13 weken |
| overige beschikkingen |
8 weken |
redelijke termijn (8 weken) |
| •
Toeslagenwet (TW) |
| indien aanvraag van
toeslag tegelijk met aanvraag
loondervingsuitkering |
termijn die geldt voor
het geven van een beschikking inzake de
loondervingsuitkering |
termijn die geldt voor
het geven van een beschikking inzake de
loondervingsuitkering |
| overige beschikkingen |
8 weken |
redelijke termijn (8 weken) |
| •
Werkloosheidswet (WW) |
| beschikking over
verzekeringsplicht |
13 weken |
13 weken |
| beschikking geldend maken
recht op uitkering |
13 weken |
redelijke termijn (8 weken) |
| voorschotbeschikking |
4 weken |
4 weken |
| beschikking ingevolge
hoofdstuk IV WW (overname verplichtingen bij
betalingsonmacht werkgever) |
26 weken |
26 weken |
| overige beschikkingen |
8 weken |
redelijke termijn (8 weken) |
| •
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) |
| beschikking over
verzekeringsplicht |
13 weken |
13 weken |
| beschikking inzake recht
op, geldend maken en betaling uitkering |
13 weken |
a. beschikkingen die
(her)beoordeling
arbeidsongeschiktheid vergen: 13 weken
b. overige beschikkingen: redelijke termijn (8
weken) |
| overige beschikkingen |
8 weken |
redelijke termijn (8 weken) |
| •
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) |
| beschikking inzake recht
op, geldend maken en betaling uitkering |
13 weken |
a. beschikkingen die
(her)beoordeling
arbeidsongeschiktheid vergen: 13 weken
b. overige beschikkingen: redelijke termijn (8
weken) |
| overige beschikkingen |
8 weken |
redelijke termijn (8 weken) |
| •
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) |
| beschikking over
verzekeringsplicht |
13 weken |
13 weken |
| beschikking inzake recht
op, geldend maken en betaling uitkering |
13 weken |
a. beschikkingen die
(her)beoordeling
arbeidsongeschiktheid vergen: 13 weken
b. overige beschikkingen: redelijke termijn (8
weken) |
| •
Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) |
| beschikking over
toekenning voorzieningen voor
arbeidsgehandicapte niet-werknemers en over instrumenten voor arbeidsgehandicapte
zelfstandigen |
13 weken |
13 weken |
| beschikking over
proefplaatsing met
reïntegratie-uitkering |
2 weken |
2 weken |
| beschikking over scholing
met reïntegratie-uitkering |
4
weken |
4
weken |
| beschikking over
verlening subsidie aan niet-scholingsinstituten |
17 weken na deadline
voor indienen |
17 weken na deadline
voor indienen |
| beschikking over
vaststelling subsidie aan niet-scholingsinstituten |
13 weken |
13 weken |
| overige beschikkingen |
8 weken |
redelijke termijn (8 weken) |
| •
Ziektewet (ZW) |
| beschikking over
verzekeringsplicht |
13 weken |
13 weken |
| beschikking die
uitsluitend betrekking heeft op het
al dan niet bestaan of
voortbestaan van ongeschiktheid tot
werken |
4 weken |
4 weken |
| overige beschikkingen |
8 weken |
redelijke termijn (8 weken) |
rblz.|6|
Niet in het schema zijn
opgenomen de nu nog in het Bbsv bij ieder artikel opgenomen termijn voor
het nemen van een beschikking op een aanvraag om terug te komen op een
rechtens onaantastbare beschikking. Het gaat dan om een aanvraag om
een beschikking waartegen geen bezwaar of beroep meer open staat
toch nog eens te heroverwegen, met name indien inmiddels feiten,
omstandigheden of argumenten bekend zijn geworden die ten tijde van het
nemen van de oorspronkelijke beschikking bij het bestuursorgaan niet
bekend waren en die - zo zal de aanvrager stellen - tot een andere
beschikking zouden hebben geleid indien zij indertijd bekend zouden zijn
geweest. In het Bbsv geldt voor iedere beschikking op een aanvraag om terug te
komen op een rechtens onaantastbare beschikking een termijn van dertien
weken, ook indien de beslistermijn voor de oorspronkelijke
beschikking korter is. Hiervoor is, aldus de nota van toelichting op het
oorspronkelijke Bbsv (Stb. 1993, 779), gekozen omdat een beschikking om terug
te komen op een rechtens onaantastbare beslissing veelal tot extra
onderzoeksactiviteiten noopt.
In het schema is ook niet
opgenomen de termijn voor de Rea-instrumenten herplaatsingsbudget en
plaatsingsbudget.¹ De voor deze instrumenten geldende beslistermijnen
worden verkort van de huidige acht weken naar zes weken.
1. Ingevolge artikel II, onderdeel F,
van het
Belastingplan 2002 V - Socialezekerheidswetgeving zijn het (her)plaatsingsbudget en het pakket op maat met ingang van
1 januari 2002 komen te vervallen. Zie verder de artikelen 15 en
16 Wet
Rea en het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea, red.
Bij bespreking van de
nieuwe beslistermijnen met medewerkers van de SVB, het
Lisv en de uvi’s
is gebleken dat het mogelijk is beschikkingen om terug te komen op een rechtens onaantastbare beschikking binnen rblz.|7|
dezelfde termijn te nemen
als de oorspronkelijke beschikking. In het voorliggende
wetsvoorstel zijn hier
dan ook geen aparte termijnen voor geregeld. Nu het verzoek om terug
te komen op een rechtens onaantastbare beschikking te zien is
als een verzoek om (nogmaals) te besluiten op basis van de artikelen waarop
de oorspronkelijke beschikking was gebaseerd, betekent dit dat voor het
geven van beschikkingen op een verzoek om terug te komen op een rechtens onaantastbare beschikking automatisch
dezelfde termijn zal
gelden als gold voor het nemen van de oorspronkelijke beschikking. Aangezien
deze termijn na inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel
meestal de redelijke termijn is, betekent dit voor de termijn
waarbinnen een verzoek om terug te komen op een rechtens onaantastbare beschikking
moet zijn behandeld een aanzienlijke verkorting (van dertien
weken naar - meestal - de redelijke termijn).
3. Opmerkingen bij enkele
voorgestelde termijnen
Zoals uit paragraaf
2 kan
worden afgeleid, wordt met het voorliggende wetsvoorstel
een groot
aantal beslistermijnen van - nu - dertien weken verkort tot de redelijke
termijn (maximaal acht weken). Voor enkele categorieën beschikkingen was
verkorting tot deze redelijke termijn echter niet mogelijk of beter gezegd,
weinig efficiënt. Immers, op zich is het natuurlijk altijd mogelijk in de wet
neer te leggen dat beschikkingen binnen de redelijke termijn genomen moeten
worden, maar als al vanaf het begin duidelijk is dat deze termijn voor
bepaalde beschikkingen in de praktijk niet of nauwelijks gehaald zal
worden, zal dat, wil het bestuursorgaan niet geconfronteerd kunnen worden met de
juridische gevolgen daarvan, vooral leiden tot vele verlengingsbriefjes. De cliënt gaat daar dan uiteindelijk niet
op vooruit, omdat de werkelijke beslistermijn niet korter wordt, terwijl
daarentegen wel de
bureaucratie zowel voor de cliënt als voor het uitvoeringsorgaan toe
zal nemen. Hieronder wordt nader aangegeven welke beslistermijnen
niet tot de redelijke termijn konden worden teruggebracht en voor welke
- zo kort
mogelijke maar uitvoerbare - termijn in dat geval wél is
gekozen.
3.1. Beschikkingen inzake
verzekeringsplicht van de door de uvi’s uitgevoerde wetten
De beslistermijn inzake
de verzekeringsplicht op grond van de door de uvi’s
uit te voeren
wetten WAO, WW,
ZW en de WAZ blijft in
dit wetsvoorstel
gehandhaafd op dertien
weken. Het betreft deels beschikkingen die op aanvraag worden verstrekt
om duidelijkheid te bieden over de vraag of iemand als zelfstandige
werkt dan wel als werknemer. Voor het overige gaat het om beschikkingen
die ambtshalve aan werkgevers worden uitgereikt in het kader van de
premieheffing.
Het
Lisv merkt in zijn
uitvoerbaarheidstoets op dat in het verleden relatief weinig beschikkingen op
aanvraag over de verzekeringsplicht werden verstrekt, maar dat dit aantal de laatste jaren groeiende is. In voorkomende
gevallen is een
beslistermijn van (maximaal) acht weken moeilijk haalbaar, aldus het
Lisv,
omdat er verschillende onderzoeken bij de werknemer en de werkgever
noodzakelijk zijn. Deze onderzoeken zijn in het algemeen bewerkelijk
omdat zij opvolgend moeten plaatsvinden, omdat het vaak
verzekeringsplicht van meerdere werknemers betreft, omdat het juist om grensgevallen
gaat en omdat de gegevensaanlevering vaak traag verloopt.
Zoals bekend, zijn er wat
betreft de afbakening van het begrip "zelfstandige" of "ondernemer" van
het begrip "werknemer" enkele knelpunten. Deze knelpunten liggen zowel op het terrein van de
wet- en regelgeving
als van de
uitvoeringsstructuur. In het kader van het project Marktwerking, rblz.|8|
Deregulering en
Wetgevingskwaliteit (MDW) heeft een werkgroep "Harmonisatie
Ondernemers- en Zelfstandigenbegrip" (HOZ) een advies om tot harmonisatie te
komen, uitgebracht. Dit advies is u, voorzien van een kabinetsstandpunt, op
16 mei jl. toegezonden (Kamerstukken II 1999-2000, 24 036, nr. 161)
toegezonden. Uiteraard streef ik ernaar om het kabinetsstandpunt samen
met het ministerie van Financiën, de belastingdienst, het
Lisv,¹ dat het voor
uvi’s gemakkelijker zal worden bij de afgifte van
zelfstandigheidsverklaringen een zo kort mogelijke feitelijke beslistermijn
te halen.
1. Volgens de redactie
dient "Uiteraard streef ik ernaar om het kabinetsstandpunt samen
met het ministerie van Financiën, de belastingdienst, het Lisv,"
te worden vervangen door: Uiteraard streef ik ernaar, samen met het ministerie van
Financiën, de belastingdienst en het Lisv,.
3.2. Beschikkingen inzake
arbeidsongeschiktheid
3.2.1. Inleiding
Op dit moment bedraagt de
termijn voor het vaststellen van het recht op WAO-,
WAZ- of Wajong-uitkering, het geldend maken van het recht op een dergelijke uitkering
en de betaling van zo’n uitkering dertien weken. Tijdens de plenaire Tweede-Kamerbehandeling van het wetsvoorstel
Veegwet SZW 1999 (Handelingen II 1999-2000, blz. 22-1644 tot en met 1646) werd duidelijk dat
de kamerleden met name deze termijn te lang vonden.
Ook het kabinet is van
mening dat de beslistermijnen voor het vaststellen van (de omvang van) het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zoveel mogelijk verkort moeten
worden. Zowel voor de werknemer als voor de werkgever is het
ongewenst om een lange periode in onzekerheid te verkeren. Daarbij vindt
het kabinet echter wel dat de termijn die zal gelden ook daadwerkelijk
haalbaar moet zijn. Immers, indien een termijn niet wordt gehaald, zal
dat kunnen leiden tot procedures wegens het uitblijven van tijdige
besluiten. Ook zal niet-tijdige besluitvorming tot gevolg kunnen hebben dat
(voorschotten) op de uitkering dienen te worden betaald. Niet al
deze betalingen zullen kunnen worden teruggevorderd indien achteraf blijkt
dat geen of een lager recht bestond. Een dergelijke gang van zaken
kan derhalve niet alleen tot een toename van WAO-,
WAZ- en Wajong-lasten maar ook van uitvoeringskosten leiden.
Uit voorlopige cijfers
van het Lisv blijkt dat de uvi’s in ieder geval bij het beoordelen van
eerste
aanvragen WAO
grote moeite hebben met het halen van de huidige
beslistermijn van dertien weken. Zoals blijkt uit mijn antwoord op vragen van
het Tweede-Kamerlid mevrouw Bijleveld-Schouten (aanhangsel Handelingen
II 1999-2000, nr. 998), wordt deze termijn slechts in 63% van de gevallen
gehaald. Nu zijn deze cijfers volgens het Lisv nog niet geheel betrouwbaar
en ook nog niet compleet, maar ze geven wel een weinig rooskleurig
beeld. Daarbij komt dat niet op voorhand te verwachten is dat het
beeld bij herbeoordelingen veel beter is.
Ondanks het voorgaande
is, mede gezien eerder genoemde wens van de Tweede Kamer, de
medewerkers van de uvi’s bij de voorbereiding van
dit wetsvoorstel
gevraagd
zeer minutieus na te gaan wat de belangrijkste oorzaken van de huidige
vertraging zijn, welke maatregelen genomen kunnen worden om deze weg
te nemen en of een verkorting van de beslistermijn - desnoods met een uiterste inspanning van de uvi’s
- na totstandkoming van deze
maatregelen echt niet mogelijk is.
3.2.2. Maatregelen om
beslistermijnen daadwerkelijk haalbaar te maken
Als belangrijke redenen
voor de lange duur van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling worden door de
uvi’s genoemd:
a. Er is een tekort aan
verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
rblz.|9|
b. Het duurt lang voordat
de behandelend sector gevraagde informatie verstrekt.
c. Soms geven
verzekeringsartsen externe deskundigen opdracht tot het doen van onderzoek.
Dergelijk onderzoek kost nogal wat tijd.
d. Een groot deel van de
werkzaamheden om het recht op uitkering te kunnen bepalen, dient
noodzakelijkerwijs volgtijdelijk te gebeuren: eerst vindt keuring door
een verzekeringsarts plaats, op basis van de resultaten daarvan
bepaalt de arbeidsdeskundige de verdiencapaciteit en vervolgens stelt een
wetstechnisch medewerker vast of er recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
bestaat, en zo ja, naar welke hoogte.
a. Tekort aan
verzekeringsartsen
Getracht wordt het tekort
aan verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen op te lossen door de
beroepspraktijk aantrekkelijker te maken (bijvoorbeeld door het vergroten van
carrièremogelijkheden) en de opleidingen te verbeteren. Daarnaast
zijn er verschillende pilots gaande die zijn gericht op het ontlasten van de
verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen en op het efficiënter
inrichten van de werkprocessen. Middelen hiertoe zijn bijvoorbeeld het
inschakelen van paramedici en ondersteunende wetstechnische en administratieve
krachten. In hoofdstuk 4 van de Voortgangsnota
arbeidsongeschiktheidsregelingen, die ik op 14 april jl.
aan uw Kamer zond (Kamerstukken II 1999-2000, 22 187, nr. 104), is hier nader op ingegaan. Het
zal duidelijk zijn dat deze maatregelen slechts op termijn vruchten zullen
afwerpen. Naarmate het aantal verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen
echter zal stijgen, zal de daadwerkelijk gerealiseerde gemiddelde beslistermijn
dalen.
b. Informatie behandelend
sector
Vergoeding verstrekking
informatie behandelend sector
Verzekeringsartsen hebben
voor een goede taakvervulling regelmatig informatie van behandelend artsen (huisartsen en medisch specialisten)
nodig. Deze informatie
werd de laatste jaren in toenemende mate niet of traag geleverd, omdat
behandelend artsen van mening waren dat zij voor het verstrekken daarvan
onvoldoende vergoed werden. Inderdaad was de vergoeding aan de lage
kant. Op mijn verzoek heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het
College tarieven gezondheidszorg (CTG) dan ook verzocht
maximumtarieven vast te stellen voor de vergoeding door uvi’s
van door
huisartsen en medisch specialisten verstrekte informatie. Het overleg dat het CTG
hiertoe met alle betrokken partijen heeft gehouden, heeft inmiddels
tot resultaten geleid. De nieuwe tarieven zijn op 1 juni 2000 in werking
getreden. De regeling zal in 2001 worden geëvalueerd.
Meer informatie bij de
aanvraag
Voor een adequate
voorbereiding van de besluitvorming over het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is goede medische informatie
onontbeerlijk. Deze informatie wordt
voor een belangrijk deel tijdens de keuring verkregen. Daarnaast hebben verzekeringsartsen echter ook regelmatig
informatie over en van
behandelend artsen nodig. Op dit moment wordt deze informatie pas
opgevraagd nadat de verzekeringsarts de cliënt heeft onderzocht. De verdere
behandeling van de aanvraag moet soms worden stopgezet over de periode
die de behandelend arts nodig heeft om te reageren. In de
tussentijd loopt de beslistermijn wel door. Op het eerste gezicht lijkt het er
derhalve op dat de beslistermijnen vaker gehaald zullen worden en dat de
medische
beoordelingen efficiënter kunnen verlopen indien bij de aanvraag
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering al de rblz.|10|
nodige medische gegevens
en gegevens over de behandelend artsen beschikbaar zijn. Gezien
de maatschappelijke ontwikkelingen, die ertoe hebben geleid dat
cliënten over het algemeen beter geïnformeerd en mondiger zijn, mag
bovendien inmiddels van cliënten worden verwacht dat zij een deel van de
nodige informatie reeds bij de aanvraag leveren. Dit betreft in ieder
geval naam, adres en telefoonnummer van de behandelend artsen. Verdergaand zou
van de cliënt misschien ook gevraagd kunnen worden de door hem
gebruikte medicijnen te benoemen of medische informatie bij
zijn huisarts op te vragen. Aan de andere kant wordt er in het kader van
de uitvoering van de WAO naar gestreefd dat de arbodienst in een
uiterlijk binnen negen maanden na de eerste ziektedag aan de uvi
te zenden
reïntegratieverslag onder meer de relevante medische informatie over de
cliënt opneemt. Het is de vraag of het daarnaast nog zinvol is ook de
werknemer bij aanvraag van de WAO-uitkering meer informatie te laten
leveren. Eén en ander zal in het kader van bij het wetsvoorstel inzake de zogenoemde
poortwachter nader worden uitgewerkt.
c. Onderzoek door een
extern deskundige
Als derde reden voor de
lange afhandelingsduur van aanvragen om een arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt genoemd de duur van een door de verzekeringsarts
aangevraagd onderzoek door een extern deskundige. Hoewel de frequentie
waarin externe onderzoeken worden gevraagd niet groot is, laat de
ervaring zien dat deze onderzoeken een behoorlijke tijd in beslag kunnen nemen.
Hiervoor is geen duidelijke reden aanwijsbaar. Het maken van heldere
afspraken met de extern deskundige omtrent de datum waarop zijn
rapportage wordt verwacht en het toezien op de naleving hiervan kan wellicht tot
verbetering leiden. Deze aangelegenheid zal nader worden gemonitord.
Voor de tussentijd wordt voorgesteld om de beslistermijn met
(maximaal) vier weken te verlengen indien een extern deskundige om advies
wordt gevraagd. Wat betreft de maximale duur van de verlenging (vier
weken) is aangesloten bij artikel 87d
van de WAO.
d. Verschillende
onderdelen tijdens de afhandeling dienen volgtijdelijk plaats te vinden
Wat betreft de inrichting
van de administratieve processen hebben de uitvoeringsorganen de
afgelopen jaren al veel verbeteringen aangebracht. Werkzaamheden die
gelijktijdig kunnen worden verricht, worden thans al waar mogelijk naast elkaar
verricht. Zo vindt bijvoorbeeld de dagloonvaststelling al tegelijk met de
werkzaamheden van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige
plaats. Hoewel ook in de toekomst nog verdere efficiency-inspanningen
zullen worden verricht, zal hiervan niet heel erg veel tijdwinst mogen
worden verwacht.
3.2.3. Gevolgen van deze
maatregelen voor de beslistermijnen
Oorspronkelijk was ik van
mening dat bovengenoemde maatregelen ertoe zouden leiden dat:
a. een
dertienwekentermijn voor het afdoen van eerste beoordelingen en van wettelijk
voorgeschreven herbeoordelingen op aanvraag daadwerkelijk gehaald zou
worden; en
b. een tienwekentermijn
voor het afdoen van andere herbeoordelingen gehaald zou kunnen
worden.
Ad a. De reden om voor
het afdoen van eerste beoordelingen en wettelijk voorgeschreven
herbeoordelingen op aanvraag (voorlopig) vast te blijven houden aan de
dertienwekentermijn was dat - afgezien van het feit dat het al genoeg inspanning
van de uvi’s
zou vergen om deze te halen - de aanvragen drie maanden vóór het einde van de wachttijd voor de WAO,
rblz.|11|
WAZ
en Wajong ingediend
moeten zijn (men leze de artikelen 34 WAO,
35 WAZ
en 28 Wajong). In
deze gevallen is het van groot belang dat de werknemer, zelfstandige
of jonggehandicapte (en, in geval van de eerste toekenning van
WAO-uitkering, zijn werkgever) vóór het einde van de wachttijd respectievelijk
de duur waarvoor is toegekend een beslissing op de aanvraag heeft, maar
is een besluitvorming binnen acht weken niet per se noodzakelijk.
Ad
b. Voor beschikkingen op
aanvraag om een bestaande arbeidsongeschiktheidsuitkering tussentijds te
herzien, te beëindigen of te heropenen, geldt echter (uiteraard) geen
verplichting tot aanvraag vóór een bepaalde datum. Hetzelfde geldt
indien gevraagd wordt een uitkering toe te kennen indien de uitkering
binnen een periode van vijf jaar daaraan voorafgaand is ingetrokken of -
bij het einde van het wachtjaar - niet is toegekend, als bedoeld
in de artikelen 43a WAO,
20 WAZ en 19
Wajong. Hier is een kortere
beslistermijn dan ook zinvol. Mede omdat in deze gevallen reeds een
dossier met basisinformatie over de cliënt voorhanden is, werd een
verkorting hier oorspronkelijk haalbaar geacht, zij het dat toen al
duidelijk was dat het realiseren hiervan inderdaad een uiterste
inspanning van de uvi’s
zou vergen. Om die reden is in het
wetsvoorstel zoals dat uiteindelijk voor de uitvoerbaarheidstoets aan
het Lisv
is aangeboden, voorgesteld de beslistermijn voor dergelijke
herbeoordelingen terug te brengen naar tien weken.
Het Lisv
merkt in zijn
uitvoerbaarheidstoets echter op dat voor het nemen van beschikkingen
inzake herzieningen, beëindigingen, heropeningen en hernieuwde
toekenningen weliswaar bepaalde informatie over de cliënt reeds
aanwezig is, maar dat, nu er veelal sprake zal zijn van gewijzigde
(medische) omstandigheden, het werk dat verricht moet worden om tot een
verantwoord besluit te komen, nauwelijks afwijkt van het werk dat verzet
moet worden voor beschikkingen inzake eerste beoordelingen en
voortzettingen. Dezelfde processtappen moeten worden doorlopen:
informatieverzameling, beoordeling verzekeringsarts, beoordeling
arbeidsdeskundige, beoordeling claimbehandelaar en uitreiking van de
beschikking. Daarbij komen de uvi’s
dezelfde, eerder opgesomde,
problemen tegen als bij eerste beoordelingen en beslissingen omtrent
voortzetting. Het Lisv voegt daaraan toe dat in paragraaf 3.2.2 genoemde
maatregelen weliswaar een bijdrage kunnen leveren aan een snellere
afhandeling, maar dat nog niet zeker is hoe groot het effect daarvan zal
zijn op de verkorting van de beslistermijnen.
In wezen pleit het Lisv
- zich daarbij baserend op schriftelijke informatie van alle uvi’s
- derhalve voor handhaving van de dertienwekentermijn voor alle
beschikkingen waaraan een beoordeling van de arbeidsongeschiktheid ten
grondslag ligt. Hoewel met pijn in het hart, meen ik dat het
onverstandig zou zijn om niet naar deze opmerkingen te luisteren. Als
eerder uiteengezet, zou dat slechts tot extra inefficiëntie, zowel voor
werknemer en werkgevers als voor de uvi’s, leiden. Daarom is in dit
wetsontwerp geregeld dat voor beschikkingen op aanvraag inzake
toekenning, voortzetting, herziening, intrekking of heropening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, dus beschikkingen waarvoor een
beoordeling van de arbeidsongeschiktheid dient plaats te vinden, een
beslistermijn van dertien weken geldt.
Uiteraard brengt het
voorgaande niet met zich dat afgezien wordt van het treffen van
maatregelen die moeten leiden tot het wegnemen of het verminderen van de
vertragingsoorzaken. Deze maatregelen zullen er allereerst toe moeten
leiden dat de dertienwekentermijn in de toekomst ook daadwerkelijk in
het overgrote deel van de gevallen wordt gehaald. Of en in welke mate
dit het geval is, zal worden gemonitord. Daarnaast rblz.|12|
dienen het Lisv en de uvi’s
te blijven streven naar het realiseren van kortere termijnen.
Ook dit zal worden gevolgd. Zodra duidelijk is dat de
dertienwekentermijn met enkele weken kan worden bekort, zal een
wetsvoorstel worden ingediend om dit te beslechten.
Ten slotte wordt opgemerkt
dat de termijn voor het nemen van de overige beschikkingen inzake de
vaststelling van het recht op uitkering, het geldend maken van het recht
op uitkering en de betaling van de uitkering, die nu dertien weken is,
in het
voorliggende wetsvoorstel wél tot de redelijke termijn wordt
bekort. Dit betekent onder meer dat op een verzoek tot betaling van een
overlijdensuitkering of op een verzoek om wegens dringende redenen af te
zien van terugvordering, binnen acht weken besloten moet zijn. Het Lisv
en de uvi’s
achten dit uitvoerbaar.
3.3. Beschikkingen op grond
van hoofdstuk 4, paragraaf 1 en 3,
Wet Rea
In het wetsontwerp zoals dat
voor uitvoerbaarheidstoets naar het Lisv
was gezonden, was voorgesteld
de beslistermijn voor het nemen van beschikkingen inzake het toekennen
van reïntegratie-instrumenten aan arbeidsgehandicapte niet-werknemers (artikel 22 Wet Rea) en arbeidsgehandicapte zelfstandigen
(artikelen 28,
29 en 30 Wet Rea) terug te brengen van dertien weken naar de redelijke
termijn. In zijn uitvoerbaarheidstoets betoogt het Lisv echter dat een
termijn van (maximaal) acht weken niet haalbaar is, aangezien hier zowel
een beoordeling die lijkt op een (eerste)
arbeidongeschiktheidsbeoordeling als - veelal - een toets op het
inkomen van een zelfstandige moeten worden verricht. Beide beoordelingen
kosten veel tijd.
Voorwaarde voor toekenning
van een Rea-instrument is dat betrokkene arbeidsgehandicapt is. Indien
iemand (nog) geen arbeidsongeschiktheidsuitkering of voorziening heeft
of in een periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag heeft gehad
(in welk geval men op grond van artikel 2 van de Wet
Rea "uit de wet
zelve" arbeidsgehandicapt is), dient de zogenoemde "arbeidsgehandicaptetoets" te worden verricht. De werkzaamheden voor
deze toets lijken inderdaad veel op die in het kader van een (eerste)
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en zijn derhalve nogal tijdrovend. Het
is waar dat het juist bij toekenning van de instrumenten op grond van
de artikelen 22, 28,
29 en 30 van de Wet Rea vaak zal gaan om mensen die
nog niet bij de uvi
bekend zijn, derhalve om mensen voor wie die toets
moet worden verricht. Mede gezien het feit dat daarnaast inderdaad ook
vaak het inkomen van zelfstandigen moet worden nagegaan en dat ook dat
vaak de nodige tijd kost, ben ik uiteindelijk tot de conclusie gekomen
dat het verstandig is hier de geldende beslistermijn van dertien weken
te handhaven.
Overigens duiden recente
signalen erop dat de uvi’s
de huidige termijnen voor het toekennen
van Rea-instrumenten ook meer in het algemeen vaak overschrijden. In dat
verband kan gewezen worden op het verslag van de hoorzitting die de Vaste
Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 17 en 18
februari 2000 heeft gehouden (Kamerstukken II 1999-2000, 22 187, nr.
101). Zo worden bijvoorbeeld plaatsingsbudgetten aan werkgevers die een
arbeidsgehandicapte in dienst nemen lang niet altijd tijdig (dat wil
zeggen binnen acht weken) toegekend. Het Lisv
ontwikkelt op dit moment
beleid om de werkelijk gehaalde beslistermijnen naar de wettelijke terug
te brengen.
Voor een tweetal
instrumenten, te weten het herplaatsingsbudget en het plaatsingsbudget,
¹
zal het beleid van het Lisv
- zo verwachten ook de uvi’s
- zoveel tijdwinst opleveren dat de beslistermijnen omlaag kunnen naar rblz.|13|
zes weken. Met het oog hierop heb ik de wettelijke beslistermijnen voor
deze instrumenten verkort van de huidige acht weken naar zes weken.
1. Ingevolge artikel II, onderdeel F,
van het Belastingplan
2002 V - Socialezekerheidswetgeving zijn het
(her)plaatsingsbudget en het pakket op maat met ingang van 1 januari
2002 komen te vervallen. Zie verder de artikelen 15 en
16 Wet
Rea en het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea, red.
Voor de overige
Rea-instrumenten zijn de effecten van het voorgenomen
Lisv-beleid op de
termijnen nog niet zo helder dat gesteld kan worden dat ze nu al met
een aantal weken omlaag kunnen worden gebracht. Daarom heb ik ervoor
gekozen de huidige achtwekentermijnen voor beschikkingen over
werkgevers- en werknemersvoorzieningen voorlopig te handhaven, met dien
verstande dat zij zijn omgezet in redelijke termijnen. Uiteraard zijn
daarnaast de vier- respectievelijk tweewekentermijnen voor het nemen
van beschikkingen over toekenning van reïntegratie-uitkeringen bij
scholing respectievelijk proefplaatsing in dit wetsvoorstel
gehandhaafd.
Zou het beleid van het Lisv er op termijn toe leiden dat de
daadwerkelijk gehaalde termijn in een aanzienlijk aantal gevallen
beneden de wettelijke komen te liggen, dan zullen ook de overige
wettelijke termijnen alsnog kunnen worden verkort.
3.4. Beschikkingen op grond
van hoofdstuk IV WW
Hoofdstuk IV
WW
bepaalt dat
het Lisv
een aantal uit de dienstbetrekking voortvloeiende
verplichtingen van de werkgever over moet nemen indien die werkgever
niet meer in staat is aan die verplichtingen te voldoen. Het betreft
hier voornamelijk het loon over ten hoogste dertien weken voorafgaande
aan de dag van opzegging, het loon over de opzegtermijn, het
vakantiegeld, de vakantiebijslag en pensioenpremies over maximaal één
jaar voorafgaande aan het einde van de opzegtermijn.
Uit informatie van de
uvi’s
blijkt dat de huidige beslistermijn van zes maanden in een substantieel
aantal gevallen ook echt nodig is. Dit houdt verband met het feit dat
het vaak gaat om uiterst complexe gevallen. Zo krijgen uvi’s te maken
met slechte of zelfs geen boekhoudingen, met met de noorderzon
vertrokken werkgevers en met ondoorzichtige constructies van
rechtspersonen. Vaak is intensief contact met (ex-)werkgevers, curatoren
en/of bewindvoerders nodig en soms wordt een her- of doorstart gemaakt
of vindt overname plaats, met alle gevolgen voor de rechten op grond van
hoofdstuk IV WW
van dien. Daarbij komt dat zelfs in de eenvoudiger
gevallen, het vaststellen van de te betalen pensioen- en VUT-premies
veel tijd kost. Naast het feit dat het om complexe gevallen gaat, speelt
daarnaast nog dat faillissementen zeer omvangrijk kunnen zijn. Een
failliet bedrijf kan immers vele mensen in dienst hebben (gehad).
Bij mijn beslissing de
beslistermijn voor beschikkingen op grond van hoofdstuk IV
WW
op zes
maanden te handhaven, heeft een grote rol gespeeld dat de betrokken
werknemers recht hebben op voorschot op hun loon (artikel
68, tweede lid,
juncto 31 WW). Indien het voorschot is aangevraagd, moet de beschikking
- nu
zowel als straks - binnen vier weken worden gegeven. In de praktijk
worden deze voorschotten tijdig verstrekt. Daarnaast streven de uvi’s
ernaar op die onderdelen van de hoofdstuk IV-aanvraag waarvoor wel
snel helderheid kan worden verkregen, al veel eerder dan zes maanden te
beschikken. Onder die omstandigheden is het voor de werknemer niet al te
bezwaarlijk indien de uvi maximaal zes maanden de tijd krijgt voor de
uiteindelijke beschikking op grond van hoofdstuk
IV.
3.5. Indelingsbeschikkingen
Op grond van de Osv 1997
dienen werkgevers in sectoren te worden ingedeeld [zie Regeling
indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren, red.]. Dit doen de
uvi’s
in opdracht van het Lisv, waarbij echter het Lisv zelf op verzoeken tot
gesplitste aansluiting of aansluiting van uitleenbedrijven beschikt.
Zowel de uvi’s als het Lisv hebben aangegeven dat het rblz.|14|
niet mogelijk is
de indelingsbeschikkingen binnen acht weken te geven. De belangrijkste
reden hiervoor is dat voor een indeling in een bepaalde sector vaak bij
verschillende opdrachtgevers onderzoek moet worden gedaan. Dit kost
relatief veel tijd.
Met het oog hierop wordt
voorgesteld de huidige beslistermijn van dertien weken te handhaven.
3.6. Instituutssubsidies Wet
Rea
Artikel
44, eerste lid, van
de Wet Rea bepaalt dat het Lisv
ieder kalenderjaar aan door de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te bepalen scholingsinstituten een
bij ministeriële regeling te bepalen subsidie betaalt. Ingevolge het
tweede lid van dat artikel kan het Lisv daarnaast subsidie verstrekken
aan andere instellingen of organisaties dan scholingsinstituten, mits
deze ten doel hebben het nemen of bevorderen van maatregelen die
strekken tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid.
Het
Lisv
maakt ook
daadwerkelijk van deze mogelijkheid gebruik. Hiertoe stelt het ieder
jaar een uiterste datum vast voor welke subsidieaanvragen moeten zijn
ingediend. Vervolgens worden de binnengekomen aanvragen bezien, om te
kunnen besluiten aan welke organisaties en instellingen subsidie wordt
verleend. Omdat het hier om een complexe beoordeling gaat, waarbij de
aanvragen bovendien in onderling verband moeten worden bezien, is
besloten de huidige termijn van zeventien weken te handhaven. Ook wordt
voorgesteld de dertienwekentermijn voor de vaststelling van de subsidie
te blijven gebruiken.
4. Gekozen systematiek van
regelgeving; verlenging
4.1. Plaats regeling
beslistermijnen in de diverse wetten
Het in de
socialeverzekeringswetten opnemen van de beslistermijnen is aanleiding
geweest deze materie in deze wetten op dezelfde wijze vast te leggen. De
tot op heden bestaande delegatiebepalingen ten behoeve van het Bbsv
waren op verschillende plaatsen in de diverse wetten opgenomen: bij de
algemene bepalingen aan het begin van de desbetreffende wet of meer aan
het einde van de desbetreffende wet bij de bepalingen inzake beroep en
bezwaar. Thans is de gelegenheid aangegrepen één en ander zodanig in de
diverse wetten vast te leggen dat aan het einde van alle
socialeverzekeringswetten waarin dit nog niet het geval was een
hoofdstuk of een paragraaf is opgenomen met bepalingen in verband met de
Awb
en het beroep in cassatie. In dit hoofdstuk of deze paragraaf zullen
dan eerst de bepalingen inzake de beslistermijnen bij beschikkingen op
aanvraag zijn vastgelegd en vervolgens de al bestaande bepalingen in
verband met de behandeling van bezwaarschriften en het beroep in
cassatie.
Omdat in de WW
geen behoefte
bestaat aan bepalingen in verband met beroep in cassatie doch wel aan
bepalingen inzake beroep bij de Centrale Raad van
Beroep, wijkt de WW op
dit punt af van de andere socialeverzekeringswetten.
4.2. Wijze van regeling
Met uitzondering van de
TW
is er telkens voor gekozen in iedere wet het algemeen geldende geval
- te weten dat binnen de redelijke termijn moet worden besloten - voorop
te stellen. Daar waar vervolgens vaste (kortere of langere) termijnen
moeten gelden, is dit in een tweede artikel neergelegd. Voor de TW is
deze volgorde omgedraaid, omdat de meeste rblz.|15|
toeslagen tegelijk met een
loondervingsuitkering zullen worden aangevraagd en in dat geval voor het
beschikken op de TW-aanvraag dezelfde beslistermijn dient te gelden als
voor het beschikken op de aanvraag van de loondervingsuitkering.
4.3. Verlenging
Voor het geval het
bestuursorgaan niet binnen de in het Bbsv
geregelde termijn kan
beslissen, zijn in het Bbsv
twee verlengingsmogelijkheden opgenomen. In
artikel 17 Bbsv
staat dat de termijn ten hoogste zes maanden verlengd
kan worden indien informatie is gevraagd aan een persoon of instantie
buiten Nederland en om die reden de beschikking niet binnen de geldende
beslistermijn kan worden gegeven. In artikel 18 Bbsv
is geregeld dat in
andere gevallen waarin het bestuursorgaan niet binnen de normale
beslistermijn dreigt te kunnen beslissen, met een redelijke termijn kan
worden verlengd. In beide gevallen dient de verlenging schriftelijk
onder vermelding van de termijn waarop de beschikking wél kan worden
verwacht, aan de aanvrager te worden meegedeeld. Indien tijdig is
verlengd, kan tijdens de periode waarmee is verlengd niet gesproken
worden van niet tijdig besluiten. De aanvrager kan pas in bezwaar gaan
nadat ook de verlengde termijn ongebruikt is verlopen.
In het
voorliggende wetsvoorstel wordt gekozen voor een andere methodiek. Deze methode is
meer in overeenstemming met het bepaalde in de Awb
en het wetsvoorstel Eerste evaluatiewet Awb
(Kamerstukken II 1998-1999, 26 523, nrs. 1-3) en
houdt het volgende in.
Daar waar de redelijke
beslistermijn geldt, is - in de voorgestelde derde leden van de
betreffende artikelen - de mogelijkheid opgenomen om deze met een
redelijke termijn te verlengen. De hier bedoelde verlenging met een
redelijke termijn komt overeen met de verlenging met een redelijke
termijn als bedoeld in artikel 4:14, derde lid,
Awb zoals dat artikel
zal komen te luiden na inwerkingtreding van de Eerste evaluatiewet Awb.
Daarnaast is telkens in de vierde leden van die artikelen de
mogelijkheid opgenomen om met ten hoogste zes maanden te verlengen
indien de termijn van acht weken niet kan worden gehaald omdat gewacht
moet worden op vanuit het buitenland aan te leveren informatie. Deze
vierde leden zijn te beschouwen als bijzondere gevallen van het derde
lid: in wezen wordt daarin geregeld dat een redelijke verlengingstermijn
in dergelijke "buitenlandgevallen" maximaal zes maanden is.
Daar waar een bij wettelijk
voorschrift geregelde, vaste beslistermijn geldt, is gezien het
wetsvoorstel Eerste evaluatiewet Awb
geen algemene
verlengingsmogelijkheid met een redelijke termijn meer opgenomen. Net
als in dat wetsvoorstel, is geregeld dat indien de termijn niet wordt
gehaald, dit aan betrokkene moet worden meegedeeld onder vermelding van
een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
worden gezien. Maar dat staat er niet aan in de weg dat er juridisch te
laat is beslist. De schriftelijke mededeling dat de termijn niet is
gehaald, is derhalve uitsluitend informatief en is geen verlenging;
betrokkene kan na het overschrijden van de termijn in bezwaar en beroep.
Op dit punt is het
wetsvoorstel dus strenger dan het Bbsv.
Het
wetsvoorstel bevat
echter wat betreft verlenging van vaste beslistermijnen twee specifieke
verlengingsmogelijkheden en wijkt op dit punt wél van de het
wetsvoorstel Eerste evaluatiewet Awb
af. De eerste mogelijkheid betreft
de (schriftelijke) verlenging voor het geval de beschikking niet binnen
de normale beslistermijn genomen kan worden omdat gewacht moet worden op
informatie uit het buitenland. Dit komt regelmatig voor en de
oorspronkelijke beslistermijn wordt dan, zo leert de ervaring bij met rblz.|16|
name de SVB, (vrijwel) altijd ruimschoots overschreden. Het zou daarom
zinloos zijn in deze "buitenlandgevallen" vast te blijven houden aan
de normale termijn. Dit zou immers slechts met zich brengen dat de SVB
of de uvi
bij gebrek aan informatie de aanvraag afwijst of op
onvoldoende gegevens afdoet, waarna de kans groot is dat betrokkene in
bezwaar of beroep gaat. Een weinig efficiënte en klantvriendelijke
werkwijze. Om dit te voorkomen, is in het voorliggende wetsontwerp
neergelegd dat ingeval informatie uit het buitenland moet komen en de
normale beslistermijn dientengevolge niet zal worden gehaald,
schriftelijk met maximaal zes maanden verlengd kan worden. Dit betekent
derhalve dat de aanvrager pas in bezwaar en beroep kan komen nadat ook
de verlengde termijn is verlopen. Het feit dat verlengd kan worden,
betekent overigens niet dat het uitvoeringsorgaan niet door middel van
rappelberichten en dergelijke moet streven de benodigde informatie zo
spoedig mogelijk uit het buitenland te verkrijgen.
Op de tweede
verleningsmogelijkheid waarin dit wetsvoorstel nog voorziet, is reeds in
paragraaf 3.3.2 ad c [paragraaf 3.2.2 ad c, red.]
ingegaan. Voorgesteld wordt de uvi’s de
mogelijkheid te geven de beslistermijn met maximaal vier weken te
verlengen indien in het kader van een (her)beoordeling van de
arbeidsongeschiktheid het advies van een extern deskundige is gevraagd.
In het wetsvoorstel
is niet
apart geregeld wat er dient te gebeuren indien zelfs na verlenging de
beschikking niet tijdig kan worden gegeven. Het kabinet is namelijk van
mening dat dit niet dient voor te komen. Mocht dit in een enkel geval
echter toch gebeuren, dan is het uiteraard wenselijk dat er - net als
dat het geval is bij overschrijding van een bij wettelijk voorschrift
geregelde termijn - door de SVB
of de uvi
een mededeling aan de
aanvrager wordt verzonden waarin wordt aangegeven op welke, zo kort
mogelijke, termijn de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
Onderdelen A en B: zie
paragraaf 4.1 van het algemeen gedeelte van deze toelichting.
Onderdeel C: zie paragraaf 4.3 van het algemeen
gedeelte van deze toelichting.
Artikel
II. Algemene
nabestaandenwet (Anw)
Onderdelen A en
B: zie
paragraaf 4.1 van het algemeen gedeelte van deze toelichting.
Onderdeel C: zie paragraaf 4.3 van het algemeen
gedeelte van deze toelichting.
Onderdeel D: artikel
106, tweede lid, van de Anw bevatte een overbodige verwijzing naar het
Bbsv.
Artikel
III. Algemene Ouderdomswet (AOW)
Onderdelen A en
B: zie
paragraaf 4.1 van het algemeen gedeelte van deze toelichting.
Onderdeel C: zie paragraaf 4.3 van het algemeen
gedeelte van deze toelichting.
rblz.|17|
Artikel
IV. Coördinatiewet
Sociale Verzekering (CSV)
Onderdelen A tot en met D en
F: zie paragraaf 4.1 van het algemeen gedeelte van deze toelichting.
Onderdeel E: zie paragraaf 4.3 van het algemeen
gedeelte van deze toelichting.
Artikel
V. Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid (IWS)
Dit artikel beoogt een loze
bepaling uit de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid te
schrappen. Van de in artikel 1a van die wet gegeven delegatiebepaling
tot het uiterlijk tot 1 januari 2000 treffen van een AMvB waarin regels
konden worden opgenomen waarbinnen een beschikking op aanvraag diende te
worden afgedaan, is nimmer gebruik gemaakt. Inmiddels is de uiterste
termijn tot wanneer die regels van kracht konden zijn, verlopen, als
gevolg waarvan het artikellid kan vervallen.
Artikel
VI. Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997)
Onderdeel
A:
bij de Veegwet
SZW 1997 is de inhoud van het oorspronkelijke artikel
52, derde lid, Osv 1997 opgenomen in artikel
53, eerste lid. Daarbij is de clausule dat
het Lisv
een termijn kan stellen waarbinnen een melding als bedoeld in
dat lid binnen moet zijn, per ongeluk komen te vervallen. Via dit
onderdeel wordt deze clausule weer toegevoegd.
De zinsnede in artikel
53,
derde lid, van de Osv 1997 dat het Lisv zo spoedig mogelijk dient mede
te delen bij welke sector een werkgever is aangesloten, kan vervallen.
Hiervoor is in artikel 105a een voorziening getroffen.
Onderdeel B: alle bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en in verband met het
beroep bij de Centrale Raad van
Beroep worden in één hoofdstuk van
de wet vastgelegd. De mogelijkheid van beroep bij de Centrale Raad van
Beroep wordt vastgelegd in het nieuwe artikel 106a. In verband hiermee
kunnen de artikelen 55 en 81 vervallen.
Onderdeel C: in verband met
de systematiek van regelgeving wordt verwezen naar paragraaf
4.1.
Voor het nieuwe artikel 105
van de Osv 1997: zie paragraaf 4.3 van het algemeen gedeelte van deze
toelichting.
Voor artikel 105a
van de Osv 1997: zie de paragrafen 3.5 en
4.3 van het algemeen gedeelte van deze
toelichting.
In artikel 106 wordt een
bepaling in verband met de behandeling van bezwaarschriften ingevoegd
waarbij wordt voorzien in een afwijking van artikel
7:10, eerste lid,
van de Awb. Ingevolge laatstgenoemd artikel dienen bestuursorganen
binnen zes weken of, indien een adviescommissie is ingesteld, binnen
tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift te beslissen. In alle socialeverzekeringswetten
is in afwijking van deze bepaling een termijn
van dertien weken vastgelegd (met dien verstande dat voor de afdoening
van bezwaren tegen besluiten met medische of arbeidskundige aspecten
langere termijnen gelden). De reden hiervoor is dat binnen de sociale
verzekeringen veel bezwaarschriften leiden tot nader feitelijk
onderzoek. Dit is bij bezwaren op grond van de Osv 1997, die veelal
zullen gaan over de indeling van werkgevers in sectoren, niet anders.
Eerder is echter verzuimd ook in de Osv 1997 op te nemen dat in
afwijking van artikel 7:10, eerste lid, Awb een termijn van dertien
weken geldt voor de afhandeling van bezwaarschriften. Dit verzuim wordt
in voorliggend
wetsvoorstel hersteld.
rblz.|18|
Voor de
toelichting op het nieuwe artikel 106a
wordt verwezen naar de toelichting
bij onderdeel B.
Onderdeel D: zie paragraaf
4.1 van het algemeen gedeelte van deze toelichting.
Artikel
VII. Toeslagenwet
(TW)
Onderdelen A en
B: zie
paragraaf 4.1 van het algemeen gedeelte van deze toelichting.
Onderdeel C: voor een algemene toelichting op
dit onderdeel zie paragraaf 4.2 van het algemeen gedeelte van deze
toelichting. Voor een toelichting op de artikelen 36 en
37 van de TW:
zie paragraaf 4.3 van het algemeen gedeelte van deze toelichting.
Artikel
VIII.
Werkloosheidswet (WW)
Onderdelen A en
B: zie
paragraaf 4.1 van het algemeen gedeelte van deze toelichting. Omdat de
WW
geen bepalingen inzake cassatie kent, hoeft het opschrift van
hoofdstuk X slechts te luiden "Bepalingen in verband met de Algemene
wet bestuursrecht".
Onderdeel C, artikel
127 van de WW: zie
paragraaf 4.3 van het algemeen gedeelte van deze toelichting.
Onderdeel D, artikel 127a
van de WW: zie de
paragrafen 3.1, 3.4 en 4.3 van het algemeen gedeelte van deze
toelichting.
Artikel
IX. Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
Onderdeel
A:
nu in artikel
95a van de WAZ expliciet is voorzien in een termijn waarbinnen een
beschikking in verband met de voortzetting van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering dient te worden gegeven, is het ten behoeve
van de duidelijkheid wenselijk ook in artikel 53 [artikel
35, red.], vijfde lid, rblz.|19|
expliciet
te verwijzen naar het desbetreffende wettelijke voorschrift in artikel
95a.
Onderdeel B, artikel 95 van de WAZ: zie
paragraaf 4.3 van het algemeen gedeelte van deze toelichting. Ter
toelichting op de uitzondering die in dit artikel is gemaakt voor
beschikkingen op grond van artikel 72a
en 75 wordt nog het volgende
opgemerkt. In deze artikelen worden regels gegeven in verband met het
vaststellen van het inkomen van de zelfstandige door de inspecteur van
de rijksbelastingdienst. In verband hiermee is het wenselijk dat voor
dergelijke beslissingen de beslistermijnen blijven gelden zoals die zijn
vastgelegd in artikel 5a van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen.
Onderdeel B, artikel 95a
van de WAZ: zie de
paragrafen 3.1, 3.2 en 4.3 van het algemeen gedeelte van deze
toelichting. Voor de volledigheid wordt hier nog opgemerkt dat met de
zinsnede "beschikking over toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering" in het eerste lid van artikel 95a
bedoeld wordt zowel de eerste toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering als de toekenning, bedoeld in artikel 20
van de WAZ.
Artikel
X. Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) [zie
art. XI Wbsv, red.]
Onderdeel
A:
nu in artikel
69a van de Wajong expliciet is voorzien in een termijn waarbinnen een
beschikking in verband met de voortzetting van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering dient te worden gegeven, is het ten
behoeve van de duidelijkheid wenselijk in artikel
28, vijfde lid, ook
expliciet te verwijzen naar het desbetreffende wettelijke voorschrift in
artikel 69a.
Onderdeel B, artikel 69 van de
Wajong: zie
paragraaf 4.3 van het algemeen gedeelte van deze toelichting.
Onderdeel B, artikel 69a van de
Wajong: zie de
paragrafen 3.2 en 4.3 van het
algemeen gedeelte van deze toelichting. Voor de volledigheid wordt hier
nog opgemerkt dat met de zinsnede "beschikking over toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering" in het eerste lid van artikel 69a
bedoeld wordt zowel de eerste toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering als de toekenning, bedoeld in artikel 19
van de Wajong.
Artikel
XI. Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) [zie
art. XIII Wbsv, red.]
Onderdeel
A:
nu in artikel
87 van de WAO
expliciet is voorzien in een termijn waarbinnen een
beschikking in verband met de voortzetting van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering dient te worden gegeven, is het ten
behoeve van de duidelijkheid wenselijk in artikel
34, vierde lid, ook
expliciet te verwijzen naar het desbetreffende wettelijke voorschrift in
artikel 87.
Onderdeel B, artikel 86a
van de WAO: zie
paragraaf 4.3 van het algemeen gedeelte van deze toelichting.
Onderdeel B, artikel 87 van de
WAO: zie de
paragrafen 3.1, 3.2 en 4.3 van het algemeen gedeelte van deze
toelichting. Voor de volledigheid wordt hier nog opgemerkt dat met de
zinsnede "beschikking over toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering" in het eerste lid van artikel 87
bedoeld wordt zowel de eerste toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering als de toekenning, bedoeld in artikel 43a
van de WAO.
Artikel
XII. Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) [zie
art. XV Wbsv, red.]
Onderdeel
A,
artikel
49a van
de Wet Rea: zie paragraaf 4.3 van het algemeen gedeelte van deze
toelichting.
Onderdeel A, artikel 49b
van de Wet
Rea: zie de
paragrafen 3.3, 3.6 en 4.3 van het algemeen gedeelte van deze
toelichting.
Onderdeel B: zie paragraaf 4.1 van het algemeen
gedeelte van deze toelichting.
Artikel
XIII. Wet
premieregime bij marginale arbeid (PMA) [zie
art. XVII Wbsv, red.]
Dit artikel beoogt een loze
bepaling uit de Wet premieregime bij marginale arbeid te schrappen. Van
de in artikel 3, derde lid, van die wet gegeven delegatiebepaling tot
het uiterlijk tot 1 januari 2000 treffen van een algemene maatregel van
bestuur waarin regels konden worden opgenomen waarbinnen een beschikking
op aanvraag diende te worden afgedaan, is nimmer gebruik gemaakt.
Inmiddels is de uiterste termijn tot wanneer die regels van kracht konden
zijn, verlopen, als gevolg waarvan het artikellid kan vervallen.
Artikel
XIV. Ziektewet (ZW)
[zie art. XVIII Wbsv,
red.]
Onderdelen A en
B: zie
paragraaf 4.1 van het algemeen gedeelte van deze toelichting.
Onderdeel C: zie paragraaf 3.1 en
4.3 van het
algemeen gedeelte van deze toelichting.
rblz.|20|
Artikel
XV. Overgangsbepaling
[zie art. XIX Wbsv,
red.]
Op grond van het eerste lid
van dit artikel hebben de in dit wetsvoorstel
voorgestelde verkortingen
van de beslistermijnen betrekking op beschikkingen op aanvraag die op of
na 1 januari 2001 worden ontvangen. Op aanvragen die vóór die datum zijn
ingediend, blijft het Bbsv
op grond van dit overgangsartikel van
toepassing.
Voor bezwaarschriften tegen
beschikkingen op grond van de Osv 1997 en ontvangen
vóór 1 januari 2001
geldt de in artikel 7:10 Awb neergelegde beslistermijn (zes weken).
Artikel
XVI. Inwerkingtreding
[zie art. XXII Wbsv,
red.]
Omdat het
Bbsv, zoals al eerder
gezegd, met ingang van 1 januari 2001 van rechtswege zal vervallen, zal
met ingang van die datum moeten zijn voorzien in nieuwe beslistermijnen.
Dit artikel voorziet daarin.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|