|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2000-2001, 27 873
Wijziging van de Ziektewet en enkele andere
wetten in verband met de invoering van eigen risico dragen door de
werkgever (Wet eigen risico dragen Ziektewet)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Doel van het
eigen risico dragen |
| 3 |
Vormgeving van het
eigen risico dragen |
| 4 |
Wijze van aanvragen
eigen risico dragen |
| a |
Garantie
eigenrisicodrager |
| b |
Adequate
verzuimbegeleiding |
| 5 |
Financiële effecten
en de gevolgen voor het bedrijfsleven |
| a |
Uitkomsten onderzoek
draagvlakeffecten |
| b |
Overige gevolgen voor
het bedrijfsleven |
| c |
Financiële effecten
voor het vangnet ZW |
| 6 |
Ontvangen commentaren |
| 7 |
Evaluatie |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m V |
Algemeen
1. Inleiding
Tot 1 maart 1996 bestond
voor werkgevers de mogelijkheid om voor hun werknemers de in de
Ziektewet (ZW) verzekerde risico’s voor eigen rekening te nemen. Op grond
van
het Besluit eigen risico dragen (Besluit van 23 november
1994 (Stb. 1994, 820)) diende de (toenmalige)
bedrijfsvereniging aan iedere werkgever die een afdoende bankgarantie
overlegde,
toestemming te verlenen het eigen ZW-risico te dragen. De werkgever nam
daarmee namens de bedrijfsvereniging alle uitkeringen krachtens de
ZW voor zijn rekening.
Met de inwerkingtreding
van de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte
(Wulbz) per 1
maart 1996 (Stb. 1996, 134) kwam deze mogelijkheid te vervallen. Met
deze wet
werd de loondoorbetalingsverplichting voor werkgevers bij ziekte uitgebreid van
zes tot 52 weken. Het recht op uitkering krachtens de ZW werd met Wulbz beperkt tot personen voor wie bij ziekte geen
loondoorbetalingsplicht op de voet van het Burgerlijk
Wetboek (meer) bestaat. Dit is
het geval bij werknemers die werkzaam zijn in een arbeidsverhouding die
krachtens artikel 4 of 5 ZW is gelijkgesteld met een dienstbetrekking,
personen die hun aanspraak ontlenen aan de nawerking van de verzekering en
bij werknemers van wie de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zoals tijdelijke contractanten. De ZW kent daarnaast een aantal
bijzondere aanspraken toe aan vrouwelijke verzekerden bij zwangerschap en
bevalling,¹ aan
heringetreden arbeidsgehandicapten en aan orgaandonoren.
Na de omvorming van de ZW
tot een vangnetvoorziening achtte de regering het eigen risico dragen
geen voor de hand liggende keuze. De aard van de arbeidsverhoudingen
tussen de werkgever en de op de vangnetvoorziening aangewezen werknemers, de
relatief hoge lasten van met name het ziekengeld in verband met bevalling en de complexiteit van de
uitvoering van de
vangnetvoorziening speelden daarbij een rol. De noodzaak om de vangnetvoorziening
voldoende draagvlak te geven, was eveneens van betekenis.
Met Wulbz werd ook de
ZW-premie afgeschaft. De vangnetvoorziening ZW wordt thans deels
gefinancierd uit de sectorale wachtgeldfondsen en deels uit het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWf).
rblz.|2|
Al tijdens de behandeling
van Wulbz in het parlement werden vanuit het bedrijfsleven
signalen
ontvangen dat er ook na de omvorming van de ZW tot een
vangnetvoorziening belangstelling zou blijven bestaan voor de mogelijkheid van
eigen risico dragen. Naar aanleiding daarvan heeft staatssecretaris Linschoten op 22 mei 1996
de Tweede Kamer bericht de mogelijkheid daartoe te willen bezien (Kamerstukken II
1995-1996, 24 439, nr. 23). Hij gaf aan, alvorens tot een definitieve standpuntbepaling te
komen, de resultaten van een onderzoek naar de financiële effecten van
eigen risico dragen op het draagvlak van de vangnetvoorziening te
willen afwachten. Nagegaan is in welke sectoren zich als gevolg van het
eigen risico dragen in de ZW draagvlakeffecten van
enige betekenis zouden
kunnen voordoen. Voor deze sectoren is aan de hand van een aantal
scenario’s berekend welke effecten het eigen risico dragen veroorzaakt. In
paragraaf
5 worden de uitkomsten van deze berekeningen weergegeven. De regering
ziet in de berekende draagvlakeffecten geen aanleiding om af te
zien van de in dit wetsvoorstel voorgestelde
herintroductie van het eigen risico dragen in de ZW.
1. De uitkering in verband
met bevalling gedurende ten minste zestien weken is thans nog geregeld in de ZW. Deze
uitkering wordt echter overgebracht naar
de Wet arbeid en zorg (Kamerstukken II
1999/00, 27 207), waardoor er geen sprake
meer is van een uitkering op grond van de
ZW. Die wet zal naar verwachting eerder
in werking treden dan het onderhavige wetsvoorstel.
2. Doel van het
eigen risico dragen
De herintroductie van de
mogelijkheid voor werkgevers om het ZW-risico voor eigen rekening te
nemen, past binnen het beleid van de regering om het socialezekerheidsstelsel activerender te maken. Met
Wulbz
is het
financiële belang van werkgevers bij het beperken van het ziekterisico van
werknemers in vaste
dienst versterkt. Werkgevers worden aldus gestimuleerd een goed preventie- en
verzuimbeleid toe te passen. Het belang van werkgevers bij een
adequate reïntegratie van hun werknemers - in zowel vaste als in tijdelijke
dienst - is nog versterkt door de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsregelingen (Pemba). Immers, de
werkgever draagt eventueel vijf jaar lang de financiële lasten van
arbeidsongeschiktheid indien de reïntegratie in het eerste
ziektejaar door hem dan
wel door de uvi [uitvoeringsinstelling, red.]
niet voortvarend ter hand is genomen en de werknemer
instroomt in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
De mogelijkheid om het
risico van de vangnetvoorziening voor eigen rekening te nemen, vergroot derhalve het belang van werkgevers bij een
goede preventie en verzuimbegeleiding. Zij kunnen zelf de vruchten plukken van een adequaat
arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid. Daarnaast heeft de
werkgever er door de Pemba-prikkel financieel belang bij werknemers met een
flexibele arbeidsovereenkomst en personen met een andere
arbeidsverhouding dan een arbeidsovereenkomst eveneens te reïntegreren.
Door werkgevers de
mogelijkheid te bieden om het eigen ZW-risico zelf te dragen, worden zij
gestimuleerd een effectief en doelmatig reïntegratiebeleid te voeren. Met een
dergelijk beleid kunnen werkgevers voorkomen dat hun (voormalige)
werknemers in de WAO terechtkomen en dat hun WAO-premie als gevolg
hiervan wordt verhoogd dan wel dat zij de financiële lasten tengevolge van
deze WAO-instroom dragen. Langs deze weg levert het eigen risico dragen een bijdrage aan de verdergaande activering van het socialezekerheidsstelsel.
Overigens heeft ook de
Sociaal-Economische Raad (SER) in zijn advies van juni 1997 ¹ gewezen op
de stimulans die van het eigen risico dragen voor de
vangnetvoorziening uitgaat op de verzuimpreventie en de verzuimbegeleiding
gericht op flexwerkers. Daarnaast heeft de Raad als voordeel genoemd het
mitigerende effect dat van het eigen risico dragen kan uitgaan op de
onbedoelde impulsen van Wulbz
en Pemba op de vraag naar flexwerk. Als
mogelijke nadelen heeft de SER genoemd het effect van het eigen risico
dragen op het draagvlak van de vangnetvoorziening
en een drempelverhogend
effect op de arbeidsparticipatie van vrouwen. Op deze
nadelen wordt in het navolgende nog ingegaan.
1. Advies naar aanleiding
van de nota Werken aan zekerheid (Kamerstukken II 1996-1997, 25 019, nrs. 1 en 2).
rblz.|3|
3. Vormgeving van het
eigen risico dragen
In de tekst van het wetsvoorstel
alsmede in het navolgende is ervan uitgegaan dat de voorstellen van Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Wet SUWI, Kamerstukken II
2000-2001, 27 665), van Wet verbetering poortwachter
(Kamerstukken II 2000-2001, 27
678) en van Wet arbeid en zorg (Kamerstukken II 1999-2000, 27
207) reeds van kracht
zijn op het moment dat het onderhavige wetsvoorstel in werking treedt.
Genoemde wetsvoorstellen zullen naar verwachting namelijk
eerder in werking treden dan dit wetsvoorstel.
De werkgever die ervoor
kiest zelf het ZW-risico te dragen, betaalt in voorkomende gevallen ziekengeld aan
de in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c,
ZW bedoelde personen.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) blijft verantwoordelijk voor de uitvoering van de
ZW en geeft een besluit af waartegen bezwaar door de belanghebbende(n) kan worden gemaakt. De
bevoegdheid tot het nemen
van besluiten omtrent het uitkeren van ziekengeld berust derhalve bij het
UWV.
De eigenrisicodrager
neemt de betaling van het ziekengeld over van het UWV. Dit impliceert dat
de rechten en de plichten van de betrokkene gebaseerd blijven op de bepalingen
van de ZW. De polisvoorwaarden zijn derhalve volledig
gewaarborgd.
De werkzaamheden van de
eigenrisicodrager betreffen de werkzaamheden ter voorbereiding van
primaire besluiten. Dit impliceert dat de eigenrisicodrager de gegevens vergaart die relevant zijn voor het
- door
het UWV te nemen - besluit. Zijn werkzaamheden liggen in het verlengde van de werkzaamheden die
de werkgever - daartoe ondersteund door zijn arbodienst - verricht
ten aanzien van de werknemers voor wie tijdens ziekte een
loondoorbetalingsverplichting op basis van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek bestaat. Deze werkzaamheden hebben onder meer betrekking op de
beoordeling van de vraag of de verzekerde al dan niet ongeschikt is tot
het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te
stellen gevolg van ziekte (artikel 19, eerste lid, ZW); voor de vraag of er
recht op ziekengeld bestaat, is immers van doorslaggevend belang of er sprake is
van arbeidsongeschiktheid in de zin van de ZW. Evenals de
werkgever, dient ook de eigenrisicodrager zich hierbij te laten ondersteunen
door een arbodienst.
Voorts gelden voor de
eigenrisicodrager een aantal verplichtingen die op grond van de Wet
verbetering poortwachter ook voor de "gewone" werkgever gelden. Zo zal
de eigenrisicodrager, indien er sprake is van (dreigend) langdurig
ziekteverzuim, tezamen met de werknemer een reïntegratiedossier
vormen van het verzuim en van de verrichtte reïntegratie-inspanningen.
Op basis van dit dossier zal aan het einde van het eerste ziektejaar een
reïntegratieverslag samengesteld worden waarin verantwoording wordt afgelegd over het verloop van het eerste ziektejaar
en de tijdens dit jaar
door werknemer en werkgever verrichte reïntegratie-inspanningen.
De eigenrisicodrager kan
rechtstreeks bij een besluit van het UWV betrokken zijn en kan
derhalve ook belanghebbende zijn. Hij kan indien hij door een besluit van het
UWV rechtstreeks in zijn belang is getroffen, bezwaar aantekenen bij
het UWV. Hiertoe wordt de in de ZW opgenomen beperking van het
belanghebbendebegrip geschrapt. Tegen de beslissing op bezwaar kan de
eigenrisicodrager beroep instellen.
Om beleidsmatige en
technische redenen is de regering van oordeel dat het eigen risico
dragen
beperkt dient te worden tot het deel van de ZW dat via de wachtgeldfondsen
wordt gefinancierd. De werkgever kan aldus rblz.|4|
eigenrisicodrager worden
voor de ZW-uitkeringen aan personen die op grond van een andere
arbeidsverhouding dan een arbeidsovereenkomst verzekerd zijn, aan werknemers van wie de arbeidsovereenkomst tijdens
het ZW-jaar is geëindigd
en voor de ZW-uitkeringen op grond van de nawerkingsbepalingen. Hij
kan niet het eigen risico dragen voor de uitkeringen op grond van de ZW aan
heringetreden arbeidsgehandicapten, de uitkeringen aan vrouwen
van wie de arbeidsongeschiktheid haar oorzaak vindt in zwangerschap of
bevalling en de uitkeringen aan orgaandonoren.¹ Deze blijven
collectief, via het AWf gefinancierd. De belangrijkste reden voor deze beperking
van het eigen risico dragen is het - ook door de SER hiervoor genoemde
- negatieve effect dat het eigen risico kan hebben op de arbeidsparticipatie
van vrouwen en arbeidsgehandicapten. Indien werkgevers het risico
voor de uitkeringen aan vrouwen van wie de arbeidsongeschiktheid
haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling zelf zouden dragen, kan
dat leiden tot risicoselectie, hetgeen de positie van vrouwen en
arbeidsgehandicapten op de arbeidsmarkt zou schaden. Door de bekrachtiging van
ILO-conventie 103 [ILO: International Labour Organization, red.] heeft Nederland zich verplicht om een
collectieve voorziening te treffen voor de financiering van de kosten verbonden
aan (ziekte)verzuim wegens zwangerschap en bevalling. Op grond van
deze conventie mogen de kosten van de uitkeringen niet voor rekening van
individuele werkgevers worden gebracht.
1. Ter zake van de
bijzondere aanspraken van vrouwelijke verzekerden
bij verlof in verband met zwangerschap en
bevalling kan de werkgever op grond van de Wet arbeid en zorg
evenmin
het risico dragen.
De op basis van een
arbeidsovereenkomst werkzame orgaandonoren hebben met Wulbz
een
bijzondere positie gekregen, in die zin dat zij bij ziekte aanspraak houden
op een uitkering krachtens de ZW. Voorkomen moet worden dat
werknemers als gevolg van een orgaandonatie ten opzichte van hun werkgever in een moeilijke positie komen te verkeren. Vanuit deze gedachte
wordt voorgesteld de ZW-uitkering aan orgaandonoren niet voor risico van de
eigenrisicodrager te laten komen.
De eigenrisicodrager
draagt de financiële last van de uitkeringen aan de personen die arbeidsongeschikt zijn geworden op of na de dag waarop
het eigen risico dragen is aangevangen.¹ De ZW-uitkeringen aan personen die op dat moment reeds
arbeidsongeschikt zijn, blijven ten laste van het wachtgeldfonds komen.
Bij het einde van het eigen risico dragen blijven de uitkeringen aan personen die op de dag van
beëindiging reeds arbeidsongeschikt zijn voor rekening van de eigenrisicodrager.
1. Bij de premiestelling
voor kleine en middelgrote bedrijven richten
verzekeraars zich in het algemeen op het
gemiddelde ziekteverzuim van deze bedrijven. De
mogelijkheid om zich te verzekeren voor de
kosten van het ziekengeld tegen een premie die
gebaseerd is op het eigen ziekteverzuim zijn
hierdoor beperkt.
Het
eigen risico dragen in
de ZW zal voornamelijk interessant zijn voor ondernemingen met een
verhoudingsgewijs groot aantal flexibele arbeidskrachten, zoals ondernemingen in de uitzendbranche. Deze categorie
werkgevers heeft er
belang bij om de betreffende arbeidskrachten weer voor arbeid in of
ten behoeve van de eigen onderneming beschikbaar te krijgen. Bij eigen
risico dragen ontstaat er voor de werkgever bovendien een direct
financieel belang bij reïntegratie. In dit verband dient nog bedacht te
worden dat de eigenrisicodrager in de uitzendbranche bij uitstek de gelegenheid heeft om de reïntegratie van zijn
arbeidskracht te
bevorderen. De eigenrisicodrager kan immers bewerkstelligen dat de werknemer via de
eigen uitzendorganisatie passend werk gaat verrichten bij een
ander inlenend bedrijf.
Daarnaast zal er
vermoedelijk ook bij eigenrisicodragers voor de WAO interesse bestaan voor
het eigen risico dragen in de ZW. Dit biedt hun immers de mogelijkheid om gedurende het WAO-wachtjaar inzicht te
houden in en invloed uit
te kunnen oefenen op de ontwikkeling van de arbeidsongeschiktheid bij
werknemers met wie geen arbeidsovereenkomst (meer) bestaat. Het eigen
WAO-risico geeft deze werkgevers een aanzienlijk financieel
belang bij het in een vroeg stadium beperken van de arbeidsongeschiktheid. De
mogelijkheden voor reïntegratie worden door rblz.|5|
een goede
verzuimbegeleiding verruimd. Het eigen ZW-risico versterkt het belang van
WAO-eigenrisicodragers bij een optimale verzuimbegeleiding.
Hoewel door het
Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv) is aangegeven dat er op dit moment
voornamelijk in de uitzendbranche interesse lijkt te bestaan voor het eigenrisicodragerschap, acht de regering het niet
aangewezen om op voorhand
de mogelijkheid voor het eigenrisicodragerschap te beperken tot deze
branche en daarmee deze keuze aan andere ondernemingen te
onthouden.
Gelet op deze belangen
acht de regering het noodzakelijk aan het dragen van het eigen ZW-risico
de voorwaarde te koppelen dat de werkgever zorg draagt voor verzuimbegeleiding voor personen aan wie een ZW-uitkering
wordt betaald, ook al bestaat met hen geen arbeidsovereenkomst meer. Net als bij de
verzuimbegeleiding voor werknemers in vaste dienst dient hij zich te laten
bijstaan door een arbodienst en dient hij hiervoor een overeenkomst met een
arbodienst te sluiten.
In het wetsvoorstel
Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Invoeringswet SUWI, Kamerstukken II
2000-2001, 27 665) is het leidend criterium met betrekking tot het
beleggen van de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie bij de werkgever het al
dan niet bestaan van een arbeidsovereenkomst. Dit uitgangspunt leidt
ertoe dat het UWV verantwoordelijk wordt voor de reïntegratie van
degenen die wel recht hebben op een ZW-uitkering, maar geen
dienstbetrekking hebben. Met de eigenrisicodrager bestaat weliswaar geen
dienstbetrekking (meer), maar er is er wel sprake van een band en (financiële) betrokkenheid bij de reïntegratie van de
werknemer. Om deze reden
is in de Invoeringswet SUWI dan ook geregeld dat de eigenrisicodrager
voor de ZW verantwoordelijk is voor de reïntegratie van zijn zieke
werknemers.¹
1. Zie het in Kamerstukken
II 2000-2001, 27 665, nr. 2, voorgestelde
artikel 8 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten.
4. Wijze van aanvragen
eigen risico dragen
De werkgever die het
eigen risico wil dragen, dient hiervoor toestemming van het UWV
te
verkrijgen. Het UWV is gehouden om toestemming te verlenen indien de
werkgever voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor eigen risico
dragen. Het
gaat daarbij om de volgende voorwaarden:
a. Garantie
eigenrisicodrager
De eigenrisicodrager
dient een schriftelijke garantie van een kredietinstelling of een verzekeraar te
overleggen waarin deze garandeert de verplichtingen van de eigenrisicodrager
op verzoek van het UWV na te zullen komen. Het UWV kan de
borg dan aanspreken indien de eigenrisicodrager in gebreke blijft.
b. Adequate
verzuimbegeleiding
De eigenrisicodrager in
de ZW dient door middel van een overeenkomst met een gecertificeerde
arbodienst te voorzien in de verzuimbegeleiding ten behoeve van de personen aan wie hij in zijn hoedanigheid van eigenrisicodrager
het ziekengeld moet betalen.
Het
UWV zal enige tijd
nodig hebben om te verifiëren of de werkgever aan de wettelijke voorwaarden
voldoet en om de uitvoering over te dragen. De werkgever dient om die reden zijn aanvraag
ten minste dertien weken vóór de
gewenste aanvangsdatum
van het eigen risico dragen in te dienen. Het eigen risico dragen kan
jaarlijks op 1 januari en 1 juli aanvangen. Voor een startende werkgever
is het mogelijk het eigen risico te dragen vanaf het moment dat hij werkgever in de zin van de
ZW wordt.
rblz.|6|
Het eigen risico dragen
eindigt van rechtswege zodra de garantie aan het UWV
eindigt, wanneer de
werkgever failliet wordt verklaard, wanneer ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard
of wanneer hij ophoudt te bestaan. De eigenrisicodrager is verplicht het UWV op
de hoogte te stellen dat hij niet meer bijgestaan wordt door een
arbodienst. Indien de overeenkomst met de arbodienst eindigt,
betekent dit niet automatisch het einde van het eigen risico dragen. Het UWV kan de werkgever
een korte periode toestaan om een overeenkomst met een
andere arbodienst aan te gaan. Daarnaast kan op verzoek van de
werkgever (tegen betaling) de verzuimbegeleiding door het UWV worden verricht.
Het UWV kan het eigen risico dragen eveneens op verzoek van de
eigenrisicodrager beëindigen. In dat geval eindigt het eigen risico
dragen op 1
januari of 1 juli.
5. Financiële effecten
en de gevolgen voor het bedrijfsleven
Zoals al is aangegeven in
de inleiding, is er onderzoek verricht naar de financiële effecten van
het eigen risico dragen op het draagvlak van de vangnetvoorziening. De uitkomsten van dit onderzoek, de financiële
effecten voor het vangnet ZW, alsmede de overige gevolgen voor het bedrijfsleven, worden
nader toegelicht in deze paragraaf.
a. Uitkomsten onderzoek
draagvlakeffecten
De premie voor de
vangnetvoorziening vormt een onderdeel van de wachtgeldpremie.
De berekeningen van de
financiële effecten van het eigen risico dragen op het draagvlak van de
sectorale wachtgeldfondsen wijzen uit dat de vangnetvoorziening alleen
bij de sector uitleenbedrijven een substantieel deel van de lasten voor
het wachtgeldfonds veroorzaakt. Uitgaande van een drietal scenario’s
is berekend wat het effect van het eigen risico dragen op de vangnetpremie zou
kunnen zijn. In eerste instantie lijken die effecten mee te vallen.
Wanneer alle werkgevers met meer dan 50 werknemers en met een
risicopercentage onder het gemiddelde het vangnetrisico zelf gaan dragen, dan
stijgt de premie voor de vangnetvoorziening met maximaal 1,1% van de
loonsom. Deze verhoging wordt acceptabel geacht. Hierbij speelt
een rol dat in het verleden sprake was van een grote verevening van de
premielasten tussen bedrijven met veel en bedrijven met weinig vangnetlasten.
Door het eigen risico dragen zal deze verevening afnemen. Hierdoor wordt
de prikkel voor bedrijven met hoge ziekteverzuimlasten verhoogd om het verzuim terug te dringen. De
bedrijven kunnen dus door
een actief ziekteverzuimbeleid invloed uitoefenen op de premiehoogte.
Overigens is er ook in het verleden sprake geweest van endogene
premieschommelingen. In dat licht bezien is de premiestijging van 1,1%
geen grote uitschieter en is deze stijging aanvaardbaar te noemen.
Problemen kunnen zich
voordoen indien de - door het uittreden van werkgevers met relatief gunstige
ZW-risico’s - hogere vangnetpremie voor andere werkgevers aanleiding vormt om het eigen risico te gaan dragen.
Er kan dan een
vliegwieleffect ontstaan.
Voorkomen moet worden dat
het eigen risico dragen leidt tot een excessieve stijging van de
vangnetpremie. Daartoe wordt in de Werkloosheidswet (WW) bepaald dat de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
jaarlijks een maximum kan
vaststellen voor dit deel van de wachtgeldpremie in de sectoren waarin
eigen risico dragen voorkomt. Het maximeren van de premie kan leiden
tot een dekkingstekort bij de financiering van de vangnetlasten. Dit
dekkingstekort wordt gefinancierd door een verhoging van het voor de
WW-lasten bestemde deel van de wachtgeldpremie. In het Besluit
vaststelling premiepercentage wachtgeldfondsen rblz.|7|
worden nadere regels
gesteld voor de vaststelling van de wachtgeldpremie.
b. Overige gevolgen voor
het bedrijfsleven
De mogelijkheid om
eigenrisicodrager te worden, wordt voor alle werkgevers geïntroduceerd. Op grond
van de gekozen vormgeving valt te verwachten dat vooral bedrijven in sectoren waar de vangnetlasten een
substantieel deel van de
loonkosten vormen voor het eigenrisicodragerschap zullen opteren.
Het eigen risico dragen
impliceert dat de werkgever niet langer een vangnetpremie betaalt
gebaseerd op het gemiddelde ziekterisico in zijn sector, maar dat hij zijn
eigen ZW-lasten moet financieren. Naar verwachting zullen alleen bedrijven
met een ten opzichte van het gemiddelde gunstig risico voor het eigen
risico dragen opteren. Het effect hiervan zal van bedrijf tot bedrijf
verschillen.
c. Financiële effecten
voor het vangnet ZW
Bij de invoering van het
eigenrisicodragerschap bij het vangnet ZW wordt
verwacht dat in eerste
instantie met name de bedrijven met een structureel lager risico dan gemiddeld uit het vangnet ZW zullen stappen. Dat zijn
met name de grote
bedrijven. Bij deze groep zal het ziekteverzuim waarschijnlijk niet verder dalen. Zij
hebben immers reeds een laag ziekteverzuim en toucheren een
financieel voordeel louter en alleen door eigenrisicodrager te worden. In een verdere
verlaging van het ziekteverzuim is voor deze bedrijven niet
veel meer winst te halen; om deze reden krijgen zij niet een extra financiële prikkel.
Anders is dit voor de in
het vangnet achterblijvende bedrijven. Na het uitstappen van de grote
bedrijven blijven bedrijven met een gemiddeld hoger ziekteverzuim dan
voorheen achter in het vangnet. Logischerwijs ontvangt deze tweede
groep dus een extra financiële prikkel tot verlaging van het ziekteverzuim. Op
basis van gegevens van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor
(GAK) uit 1999 kan worden berekend dat bij een daling van het
ziekteverzuim van 10% als gevolg van de financiële prikkel de lasten van het vangnet
ZW met circa ƒ3 mln zal dalen.
Daarnaast treedt een
verschuiving van de administratieve lasten op van de collectieve sector
naar de werkgever van ƒ17 mln. Deze verschuiving kan worden meegeteld in
het kader van de taakstelling van het regeerakkoord als een besparing.
Aangezien alleen besparingseffecten te verwachten zijn van de
groep bedrijven die in tweede instantie uit het vangnet stappen, komt het
totale financiële effect derhalve uit op ƒ20 mln.
6. Ontvangen commentaren
Op 15 september 1999 is
een concept van dit wetsvoorstel zowel aan het
Lisv als aan het College
van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) gezonden met het verzoek
deze van uitvoeringstechnisch commentaar te voorzien respectievelijk
de toezichtbaarheidsaspecten daarvan te beoordelen.
Op 1 januari 2000 heeft
het Lisv zijn commentaar op het concept-voorstel van wet vastgesteld. Het
Ctsv heeft zijn commentaar op 11 november 1999 vastgesteld.
Het
Lisv onderschrijft de
gedachte dat via het eigenrisicodragerschap een financiële prikkel bij
de werkgevers wordt gelegd waardoor zij gestimuleerd kunnen worden tot een
goed preventie- en verzuimbeleid voor hun werknemers
respectievelijk gewezen werknemers. Het Lisv merkt op dat met name in de
uitzendsector de meeste belangstelling is te verwachten om van deze nieuwe
faciliteit gebruik te maken. Doordat in de overige rblz.|8|
sectoren weinig behoefte
bestaat om van deze regeling gebruik te maken, vraagt het Lisv zich af
of het wel zinvol is deze regeling voor alle sectoren in te voeren. Hierop is
in paragraaf 3 reeds ingegaan. Daarnaast wijst het Lisv erop dat het concept-wetsvoorstel geen duidelijke en volledige regeling
van de bevoegdheden van de eigenrisicodrager geeft. Naar aanleiding van dit commentaar zijn
wettekst en memorie van toelichting op enkele punten aangepast.
Ook het commentaar van het Ctsv is aanleiding geweest tot enkele
aanpassingen.
De Algemene
Bond Uitzendondernemingen (ABU) heeft gesignaleerd dat het draagvlak onder de
huidige en toekomstige vangnetvoorziening kan worden aangetast en dat
het concept-wetsvoorstel ongunstige bijwerkingen kan hebben op de door de
regering gewenste allocatieve functie van uitzendarbeid. De ABU
onderschrijft echter het beoogde doel van het concept-wetsvoorstel.
7. Evaluatie
Dit wetsvoorstel
zal twee
jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Daarbij zal in het
bijzonder aandacht worden besteed aan de uitzendbureaus. Achterliggende gedachte
hierbij is dat verwacht mag worden dat voornamelijk
uitzendbureaus gebruik zullen maken van de mogelijkheid tot het dragen van het
eigen risico in het kader van de ZW.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van
de Ziektewet
In de
ZW wordt een nieuw
hoofdstuk IIIa ingevoegd inzake het eigen risico dragen. De indeling van dit
hoofdstuk komt op hoofdlijnen overeen met het gelijknamige
hoofdstuk in de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals dit bij de Wet
premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
(Pemba, Stb. 1997, 175) is geïntroduceerd. In artikel 63 zijn de
meer procedurele bepalingen opgenomen zoals de voorwaarden, de
aanvang en het einde van het eigen risico dragen. Artikel 63a
bevat de
materiële uitwerking van het eigen risico dragen en de verhouding tussen
het UWV en de eigen risico dragende werkgever. Artikel 63b
geeft voorschriften voor enkele specifieke situaties zoals overgang van
onderneming en faillissement van de eigenrisicodrager.
Onderdeel A
Evenals in de
WAO is ook
in de ZW gekozen voor het opnemen van een definitie van het begrip
"eigenrisicodrager".
Onderdeel B
Artikel
2a vervalt.
Daarmee vervalt de beperking van het begrip belanghebbende in het kader van de
ZW.
Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht is een belanghebbende degene wiens belang rechtstreeks bij een
besluit is betrokken. De
eigenrisicodrager kan rechtstreeks bij een besluit van het UWV
op grond van
de ZW betrokken zijn en derhalve belanghebbende zijn. Niet eigen risico
dragende werkgevers in de zin van de ZW hebben geen rechtstreeks
belang bij besluiten van het UWV inzake de toekenning van ziekengeld
aan personen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b of
c, ZW, omdat ze geen plicht tot betaling van dat ziekengeld hebben en
omdat die toekenning de door de werkgever verschuldigde (WW-)premie
niet rechtstreeks en individueel beïnvloedt. Dit geldt evenzeer voor
iedere werkgever waar het de toekenning van rblz.|9|
ziekengeld aan personen
als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel e, f en g,
ZW betreft. Wel
is een werkgever belanghebbende met betrekking tot een besluit inzake
een verhoging van het ziekengeld op grond van artikel 29b, derde lid,
ZW.
Onderdeel C
Zie de
toelichting op
artikel II.
Onderdeel D
Indien een
werkgever/eigenrisicodrager in zijn bezwaar of beroep succesvol is, dan zal
dit - zonder aanvullende regeling - voor de werknemer als consequentie kunnen
hebben dat hij zijn uitkering geheel of gedeeltelijk met
terugwerkende kracht verliest. Een dergelijke consequentie heeft de regering eerder,
bij de regeling van het eigen risico dragen in de WAO, onaanvaardbaar
geacht. Er is geen aanleiding om voor de ZW hier anders over te
oordelen. In het hierbij voorgestelde onderdeel wordt dan ook bepaald dat de
intrekking of verlaging van een uitkering, die voortvloeit uit het door de werkgever ingestelde bezwaar of beroep, niet
eerder plaats vindt dan
de dag volgend op de beslissing op bezwaar of beroep. Een uitzondering
op deze regeling wordt gemaakt voor de situatie dat het ten onrechte of
te hoog verlenen van uitkering aan de werknemer kan worden verweten,
bijvoorbeeld omdat hij onjuiste inlichtingen heeft verstrekt.
Gelet op de
jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ter
zake wordt in de WAO
een
uitlooptermijn van zes weken gehanteerd. Gedurende de uitlooptermijn kan de
betrokkene zich (financieel) instellen op de nieuwe situatie en zich
oriënteren op arbeid. In de ZW bestaat evenwel geen aanleiding een
uitlooptermijn te hanteren. In de WAO geldt immers een ander
arbeidsongeschiktheidscriterium dan in de ZW. Indien geen sprake is van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, wil dat niet per definitie zeggen dat de
betrokkene zijn eigen arbeid weer kan verrichten. De oriëntatie op arbeid
kan dus zeer wel oriëntatie op andere - dan de door betrokkene in het
meer of minder verre verleden verrichte - arbeid betekenen.
Arbeidsgeschiktheid in de zin van de ZW betekent dat betrokkene geschikt is voor zijn
eigen - recent verrichte - arbeid.
Onderdeel E
In
artikel
52a ZW is het
recht van regres geregeld. Het UWV heeft ingevolge deze bepaling verhaal
voor gemaakte kosten uit hoofde van de ZW (waaronder het
ziekengeld) op degene die civielrechtelijk aansprakelijk is
voor het veroorzaken van
de ongeschiktheid tot werken. Toegevoegd wordt een tweede lid
waarin dit regresrecht aan de eigenrisicodrager wordt toegekend. Deze
heeft een eigen verhaalsrecht dat in de plaats treedt van het recht van
het UWV. Dit regresrecht is aanvullend op het regresrecht dat de
werkgever heeft op grond van artikel 107a van Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek. Dat artikel ziet immers op verhaal voor het door hem bij ziekte
doorbetaalde loon. In artikel 52b ZW is nader geregeld onder welke voorwaarde
recht op regres bestaat ten aanzien van de werkgever. Aanpassing van dat
artikel is niet noodzakelijk. Een werkgever zal immers niet het door hem
betaalde ziekengeld op zichzelf verhalen.
Onderdeel F
Artikel 63
In het eerste lid van
artikel 63 zijn de twee voorwaarden voor het eigen risico dragen opgenomen, te weten het
overleggen van een schriftelijke rblz.|10|
garantie die ziet op de financiële verplichtingen van de eigenrisicodrager,
alsmede een schriftelijk
bewijs dat de eigenrisicodrager zich ten aanzien van de begeleiding van
zieke werknemers laat begeleiden door een deskundige (arbo)dienst.
Behoudens deze laatste voorwaarde komt artikel 63 op hoofdlijnen overeen
met het nieuwe artikel 75 WAO.
De werkgever die
eigenrisicodrager wil worden, zal een schriftelijke garantie moeten overleggen van een kredietinstelling of
verzekeraar
waaruit blijkt dat deze
laatste zich garant stelt voor de verplichtingen die een werkgever heeft uit
hoofde van het eigenrisicodragerschap voor de ZW. Deze garantie dient
onvoorwaardelijk te zijn, waarbij de borg een eigen verplichting op
zich neemt jegens het UWV. De borg kan zich derhalve niet met een
beroep op nadere afspraken met of wanprestatie van de eigenrisicodrager
aan zijn garantieverplichtingen onttrekken. Het UWV heeft op zijn beurt
een eigen recht jegens de borg op uitwinning van de zekerheidstelling.
Deze zekerheidstelling is bedoeld voor de situatie dat een eigenrisicodrager
zijn verplichtingen - om welke reden dan ook - niet nakomt. Het UWV zal deze
verplichtingen dan overnemen en verhalen op de borg. Dit wordt nader
toegelicht bij artikel 63a.
Overheidswerkgevers
kunnen ook eigenrisicodrager voor het ZW-risico worden. Net als bij het
WAO-eigenrisicodragerschap acht de regering een schriftelijke garantie
van een kredietinstelling of een verzekeraar jegens het UWV
bij eigen risico dragen door een overheidswerkgever niet in de rede liggen, nu het niet
voorstelbaar is dat een dergelijke werkgever in betalingsonmacht zal
komen te verkeren.
De borg dient een
vergunning te hebben op grond van de Wet
toezicht kredietwezen 1992 of de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 (vierde en vijfde lid).
De reikwijdte van de
garantie is op gelijke wijze vormgegeven als in artikel 75 WAO. Dit betekent
onder meer dat de garantie overgaat op rechtsopvolgers van de eigenrisicodrager.
De garantie strekt zich niet uit tot ongeschiktheid tot werken die is veroorzaakt door omstandigheden als molest
en kernongevallen (zesde
en zevende lid).
In het achtste lid is
bepaald dat de toestemming om eigenrisicodrager te worden tweemaal per jaar
kan worden verleend, te weten 1 januari en 1 juli. De aanvraag dient dertien weken tevoren te worden ingediend bij
het UWV.
Het tiende lid betreft de
wijzen waarop het eigen risico dragen kan eindigen. Dit is van rechtswege het geval indien de garantie
eindigt
indien de werkgever
failliet gaat of ophoudt werkgever te zijn. Voorts kan het eigen risico
dragen op
verzoek van de werkgever op 1 januari of 1 juli van enig jaar eindigen.
Nieuw is de bepaling dat het UWV het eigen
risico dragen kan beëindigen indien de
werkgever zich niet meer laat bijstaan door een arbodienst.
Teneinde te bereiken dat het UWV dat ook zo snel mogelijk weet, is in het
negende lid de verplichting voor de eigenrisicodrager opgenomen om dat zo
spoedig mogelijk te melden.
Artikel 63a
De
werkzaamheden die de
eigenrisicodrager verricht, betreffen de betaling van de uitkering, de
werkzaamheden ter voorbereiding van primaire besluiten - met uitzondering van het besluit tot oplegging van een boete
- inzake uitkeringen op
grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c,
ZW en de
verzuimbegeleiding. Deze taken liggen in het verlengde van de werkzaamheden die de
werkgever, daartoe ondersteund door zijn arbodienst, rblz.|11|
reeds verricht
ten aanzien van de werknemers voor wie tijdens ziekte een
loondoorbetalingsverplichting op basis van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek bestaat. Omdat er geen sprake (meer) is van een dienstbetrekking
tussen de eigenrisicodrager en de ontvanger van het ziekengeld, is in het
tweede lid de juridische basis gelegd voor de eigenrisicodrager op grond waarvan
hij zijn
gewezen werknemer verplichtingen kan opleggen in het kader
van de genoemde werkzaamheden.
De aanspraken van de
gewezen werknemers van de eigenrisicodrager blijven berusten op de ZW. De eigenrisicodrager betaalt ziekengeld op grond van de ZW, geen
loon op grond van het Burgerlijk
Wetboek. De artikelen 38 en
38a ZW
zijn onverkort van toepassing. Dat betekent dat de werkgever/eigenrisicodrager
van de verzekerde, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel c,
op de laatste dag voordat de dienstbetrekking eindigt aangifte van de
ongeschiktheid tot werken doet bij het UWV. De persoon, bedoeld in
artikel 29, tweede lid, onderdeel b, dient zijn ongeschiktheid te melden bij het UWV. De
verzekerde, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a,
dient zich ziek te melden bij zijn werkgever, die hem vervolgens dient te
melden bij het UWV. Artikel 39 ZW is evenzeer van toepassing. Het UWV
beoordeelt derhalve of de werkgever zijn taak met betrekking tot de
verzuimbegeleiding op adequate wijze uitoefent. Tevens is het bestuurs(proces)recht onverkort van toepassing. Dit betekent dat in een situatie
waarin verschil van mening bestaat over de ongeschiktheid tot werken of waarin de
werknemer anderszins niet instemt met een besluit inzake
zijn ziekengeld, de werknemer tegen het desbetreffende besluit bij het UWV
bezwaar kan maken.
In het derde lid wordt
met zoveel woorden bepaald dat de eigenrisicodrager voor eigen rekening
ziekengeld verstrekt aan de personen die in aanmerking komen voor
uitkering op grond van de ZW. Evenals bij het
eigen risico dragen in de
WAO is vastgelegd dat het UWV
de uitkering betaalt in het geval de
werkgever niet tot betaling overgaat. Het UWV verhaalt het betaalde
ziekengeld en de daarover verschuldigde werkgeverslasten, alsmede de
uitvoeringskosten, op de eigenrisicodrager. De zieke werknemer die zijn uitkering (om wat voor reden dan ook) niet
ontvangt, behoeft derhalve
geen rechterlijke procedure te starten, maar kan zich rechtstreeks
wenden tot het UWV.
Het vierde lid bepaalt
dat het UWV op verzoek en voor rekening van een eigenrisicodrager één
of meer van de, in het eerste lid bedoelde, werkzaamheden verricht. Indien de
eigenrisicodrager één of meer van die werkzaamheden niet of
niet correct verricht, verricht het UWV die werkzaamheden op grond van het vijfde
lid ook zonder een dergelijk verzoek. De kosten daarvan worden
in rekening gebracht bij de eigenrisicodrager.
In het zesde lid is
geregeld dat het UWV aan de eigenrisicodrager de schade vergoedt die deze
lijdt door de toepassing van artikel 30b. Dit is conform de regeling
neergelegd in artikel 75f, tweede lid, WAO.
Het
UWV stelt volgens het
zevende lid nadere regels met betrekking tot dit artikel. Deze regels
kunnen een meer gedetailleerde uitwerking bevatten van de werkzaamheden die
de eigenrisicodrager verricht. Voorts worden daarin de kosten
vastgelegd die het UWV bij de eigenrisicodrager in rekening brengt voor het
verrichten van werkzaamheden als bedoeld in dit artikel. Deze nadere
regels behoeven de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Artikel 63b
Artikel
63b regelt de
afbakening van het eigen risico in een aantal specifieke rblz.|12|
situaties. Het
eerste en tweede lid zien op de aanvang en het einde van het eigen
risico dragen. Bij aanvang van het eigen risico dragen neemt de werkgever niet het
risico over van reeds lopende ZW-uitkeringen. Deze blijven ten laste komen
van het wachtgeldfonds van de sector. Het eigen risico dragen ziet uitsluitend op
gevallen waarvan de eerste ziektedag is gelegen op of na de dag
waarop het eigenrisicodragerschap start. Bij het eindigen van het eigen
risico dragen blijven de ZW-uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid,
die is ontstaan tijdens de eigenrisicoperiode, voor rekening van de werkgever
komen. Bij faillissement of het ophouden van het werkgeverschap zal
het UWV
deze uitkeringen voortzetten en verhalen op de borg.
Het derde en vierde lid
betreffen de situatie van overgang van een onderneming. Bij gehele overgang van
een eigenrisicodrager worden diens lopende ZW-lasten overgenomen door de verkrijgende werkgever, ook
indien deze geen
eigenrisicodrager is. Indien die werkgever geen eigenrisicodrager is als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel k, ZW, worden de werkzaamheden (met
uitzondering van de betaling van de uitkering) uitgevoerd door het UWV.
Bij gedeeltelijke overgang van een eigenrisicodrager blijven de lopende
ZW-risico’s voor diens rekening.
Artikel 63d
In het kader van de
artikelen 63 tot en met 63b is relevant op welke dag de eerste dag van
ongeschiktheid tot werken is gelegen (zie bijvoorbeeld artikel 63a, tweede lid,
en artikel 63b, eerste lid). Artikel 63d
wordt voorgesteld teneinde voldoende helder
te maken dat in het geval dat op grond van artikel
29, vijfde
lid, tijdvakken van ongeschiktheid worden samengeteld, die tijdvakken voor de
toepassing van de artikelen 63 tot en met 63b
ZW
geacht worden één
ononderbroken periode van ongeschiktheid te vormen. De eerste dag van
ongeschiktheid tot werken is - in een dergelijke situatie - de eerste
dag van ongeschiktheid in het eerstgelegen tijdvak.
Onderdeel G
Met dit onderdeel worden
de artikelen uit de WAO inzake de medische besluiten op grond van
die wet van overeenkomstige toepassing op de ZW. Dit in verband met
het feit dat de werkgever/eigenrisicodrager als belanghebbende partij kan
zijn in een bezwaar- of beroepsprocedure.
Artikel
II. Wijziging van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Met
onderdeel B wordt
geregeld dat artikel 71a WAO - zoals dat komt te luiden na de inwerkingtreding van het
voorstel van Wet verbetering poortwachter - van overeenkomstige
toepassing wordt op de eigenrisicodrager. In afwijking van de hoofdregel dat het
UWV verantwoordelijk is
voor de reïntegratie van
zieken die geen dienstbetrekking (meer) hebben, is de eigenrisicodrager
verantwoordelijk voor de reïntegratie van de persoon aan wie hij het
ziekengeld betaalt. De eigenrisicodrager dient op grond van het hier
voorgestelde derde lid van artikel 71b
WAO
aantekening bij te houden omtrent het
verloop van de arbeidsongeschiktheid en de reïntegratie van de zieke werknemer en een plan van aanpak op te
stellen. Ook moet hij in
samenwerking met de zieke een reïntegratieverslag opstellen. Aangezien er
geen sprake is van een loonbetalingsverplichting van de eigenrisicodrager
zijn het vierde en het negende lid van artikel 71a
WAO
niet
van overeenkomstige toepassing. Wel is een met het negende lid
vergelijkbare regeling getroffen in het hier voorgestelde artikel 71b, derde lid,
WAO. Indien de eigenrisicodrager zonder deugdelijke grond zijn
reïntegratieverplichtingen niet is nagekomen, stelt het UWV rblz.|13|
een tijdvak vast waarmee
de periode waarover het ziekengeld - ten laste van de eigenrisicodrager
- wordt uitgekeerd, wordt verlengd. In verband hiermee wordt in
onderdeel A ook artikel 43d aangepast en in
artikel I, onderdeel C, een lid
toegevoegd aan artikel 29 ZW.
Artikel
III. Wijziging
van de Werkloosheidswet
Onderdelen A en
E
Met de voorgestelde
aanpassing van artikel 85 WW wordt geregeld dat de eigenrisicodrager voor de
ZW geen premie behoeft te betalen voor de zogeheten lasten van de
vangnetvoorziening ZW. Het deel van de wachtgeldpremie dat
werkgevers in verband daarmee betalen, komt voor de eigenrisicodrager te
vervallen. In onderdeel E wordt een overeenkomstige regeling getroffen met
betrekking tot de door overheidswerkgevers verschuldigde premie voor
het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
Onderdelen B en
F
Indien het
UWV op grond
van artikel 63, negende lid, ZW een boete oplegt of op grond van
artikel
63a, derde lid, of 63b, tweede lid, ZW
ziekengeld betaalt en dat vervolgens
verhaalt op de eigenrisicodrager respectievelijk de kredietinstelling of
verzekeraar, dan wel op grond van het vierde of vijfde lid van artikel
63a ZW werkzaamheden verricht en daarvoor kosten in rekening brengt bij de
eigenrisicodrager, komen de bedragen die in verband daarmee door het
UWV worden ontvangen ten gunste van het wachtgeldfonds waaruit
het ziekengeld is betaald respectievelijk de kosten zijn gefinancierd. In
onderdeel F wordt dit overeenkomstig geregeld met betrekking tot het
Uitvoeringsfonds voor de overheid.
Onderdeel C,
D en G
Onderdeel
C, subonderdeel
2, en onderdeel D voorzien in een regeling die kan voorkomen dat een
versmalling van het draagvlak als gevolg van het uittreden van eigenrisicodragers leidt tot een buitensporig hoge premie
voor de
vangnetvoorziening.
Voorts wordt geregeld dat
de kosten die het UWV moet maken om het ziekengeld voor de
eigenrisicodrager te betalen en de kosten van de werkzaamheden, bedoeld in
artikel
63a,
vierde en vijfde lid, ZW alsmede de schadevergoeding, bedoeld
in het voorgestelde artikel 63a, zesde lid, ZW
ten laste komt van het
wachtgeldfonds. Ten slotte wordt, middels de toevoeging van een vijfde
lid aan artikel 90 WW, uitdrukkelijk geregeld dat de uitkering op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b of c, ZW, die is betaald door een
eigenrisicodrager, alsmede de door die werkgever gemaakte uitvoeringskosten en de over die uitkeringen verschuldigde
werkgeversdelen van de premies werknemersverzekeringen, niet ten laste van een wachtgeldfonds
komen. In onderdeel G wordt één en ander overeenkomstig geregeld met betrekking
tot het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
Artikel
IV. Wijziging van
de Wet op de
ondernemingsraden
Aan de ondernemingsraad
wordt het adviesrecht toegekend inzake de beslissing van een
werkgever om het eigenrisicodragerschap voor de ZW
aan te vragen, evenals
dat thans al het geval is met betrekking tot het eigenrisicodragerschap
voor de WAO.
rblz.|14|
Artikel
V. Wijziging van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
In
artikel 18 [artikel
30, red.] van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt verduidelijkt dat
de verplichting van het UWV tot het instellen van een onderzoek en het geven van een oordeel over de ongeschiktheid tot
werken (de "second opinion") ziet op de vraag of de werknemer op grond van artikel 629 van
Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek of artikel XV, tweede lid, van de Wet
terugdringing ziekteverzuim aanspraak kan maken op doorbetaling van loon
of bezoldiging.
De werknemer kan tegen
besluiten inzake ZW-uitkeringen bezwaar maken bij het UWV.
Zowel de werknemer als de werkgever - indien deze belanghebbende is - kunnen tegen de beslissingen op bezwaar van het UWV bij de
rechtbank
beroep instellen. De mogelijkheid van een "second opinion" is daarnaast
overbodig.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|