|
MEMORIE
VAN TOELICHTING
Nadere
regelgeving:
- Algemeen
inkomensbesluit socialezekerheidswetten
- Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
2008
- Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
2009
- Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
2010
- Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
2011
- Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
2012
- Besluit gedifferentieerde premie WGA
2007
- Besluit gedifferentieerde premie WGA 2013
- Besluit
premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2007
- Besluit
premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2008
- Besluit
premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2009
- Besluit
premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2010
- Besluit
premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2011
- Besluit
premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2012
- Besluit
premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2013
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering Wet WIA 2006
- Besluit premievaststelling
vrijwillige verzekering Wet WIA 2007
- Besluit premievaststelling
vrijwillige verzekering Wet WIA 2008
- Besluit premievaststelling
vrijwillige verzekering Wet WIA 2009
- Besluit premievaststelling
vrijwillige verzekering Wet WIA 2010
- Besluit premievaststelling
vrijwillige verzekering Wet WIA 2011
- Besluit premievaststelling
vrijwillige verzekering Wet WIA 2012
- Besluit premievaststelling
vrijwillige verzekering Wet WIA 2013
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering ZW 2007
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering ZW 2008
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering ZW 2009
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering ZW 2010
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering ZW 2011
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering ZW 2012
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering ZW 2013
- Besluit premievaststelling vrijwillige
werkloosheidsverzekering 2007
- Besluit premievaststelling vrijwillige
werkloosheidsverzekering 2008
- Besluit premievaststelling vrijwillige
werkloosheidsverzekering 2009
- Besluit premievaststelling vrijwillige
werkloosheidsverzekering 2010
- Besluit premievaststelling vrijwillige
werkloosheidsverzekering 2011
- Besluit premievaststelling vrijwillige
werkloosheidsverzekering 2012
- Besluit premievaststelling vrijwillige
werkloosheidsverzekering 2013
- Besluit vaststelling gewijzigde
lastenplafonds sectorfondsen 2009
- Besluit vaststelling lastenplafonds
sectorfondsen 2007
- Besluit vaststelling lastenplafonds
sectorfondsen 2008
- Besluit vaststelling lastenplafonds
sectorfondsen 2010
- Besluit vaststelling lastenplafonds
sectorfondsen 2011
- Besluit vaststelling lastenplafonds
sectorfondsen 2012
- Besluit vaststelling lastenplafonds
sectorfondsen 2013
- Besluit vaststelling lastenplafonds wachtgeldfondsen
2006
- Besluit vaststelling sectorpremies
2008
- Besluit vaststelling sectorpremies
2009
- Besluit vaststelling sectorpremies
2010
- Besluit vaststelling sectorpremies 2011
- Besluit vaststelling sectorpremies 2012
- Besluit vaststelling sectorpremies 2013
- Besluit vaststelling
wachtgeldpremies 2006
- Besluit Wfsv
- Regeling financiering bijstand
buitenland
- Regeling indicatiestelling no-riskpolis en premiekorting
UWV
- Regeling
tegemoetkoming asbestslachtoffers
- Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen
- Regeling
vaststelling bijdragen in kosten heffingskortingen 2009
- Regeling
vaststelling periode eigen risico dragen WGA-uitkeringen
-
Regeling vaststelling
premiepercentage AWBZ 2006
- Regeling vaststelling
premiepercentage AWBZ 2007
- Regeling vaststelling
premiepercentage AWBZ 2008
- Regeling vaststelling
premiepercentage AWBZ 2009
- Regeling vaststelling
premiepercentage AWBZ 2010
- Regeling vaststelling
premiepercentage AWBZ 2011
- Regeling vaststelling
premiepercentage AWBZ 2012
- Regeling vaststelling
premiepercentage AWBZ 2013
- Regeling
vaststelling premiepercentages werknemersverzekeringen,
volksverzekeringen en opslag kinderopvang 2013
- Regeling Wfsv
- Regels voor vermogensoverdracht
na wijziging sectoraansluiting van werkgevers
- Regels vrijwillige
arbeidsongeschiktheidsverzekering WAO 2007
-
Regels vrijwillige
verzekering Wet WIA 2007
-
Regels vrijwillige
werkloosheidsverzekering 2007
- Regels vrijwillige
ziekengeldverzekering 2007
Vervallen
nadere regelgeving:
- Besluit afschaffing Pemba WAO
(vervallen)
- Besluit
financiering uitvoeringsorganisatie bijzondere ziektekostenverzekering
AWBZ (vervallen)
- Besluit gedifferentieerde premie WAO,
opslagen en kortingen 2006
(vervallen)
- Besluit gedifferentieerde premie
WAO, opslagen en kortingen 2007
(vervallen)
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering WAO 2006 (vervallen)
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering ZW 2006 (vervallen)
- Besluit premievaststelling vrijwillige
werkloosheidsverzekering 2006 (vervallen)
- Besluit vaststelling lastenplafonds
sectorfondsen 2009 (vervallen)
- Besluit
vaststelling premiepercentage wachtgeldfondsen (vervallen)
- Besluit vaststelling
rekenpremie wachtgeldfondsen (vervallen)
- Besluit vaststelling sectorpremies
2007 (vervallen)
- Besluit
vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001 (vervallen)
- Besluit vrijwillige verzekering AWBZ (vervallen)
- Financieringsregeling
Algemeen Kinderbijslagfonds 2005
(vervallen)
- Financieringsregeling
hoofdstuk 7 Wet arbeid en zorg 2004 (vervallen)
- Financieringsregeling
Toeslagenfonds en Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten (vervallen)
- Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren (vervallen)
- Regeling rekening-courantverhouding
sociale verzekeringen (vervallen)
- Regeling reservevorming
Algemeen Werkloosheidsfonds 2002 (vervallen)
- Regeling reservevorming wachtgeldfondsen
2002 (vervallen)
- Besluit uniforme premie
Arbeidsongeschiktheidskas 2008 (vervallen)
- Besluit uniforme premie
Arbeidsongeschiktheidskas 2009 (vervallen)
- Besluit uniforme premie
Arbeidsongeschiktheidskas 2010 (vervallen)
- Regeling
vaststelling bijdragen in kosten heffingskortingen 2006 (vervallen)
- Regeling
vaststelling bijdragen in kosten heffingskortingen 2007 (vervallen)
- Regeling
vaststelling bijdragen in kosten heffingskortingen 2008
(vervallen)
- Regeling
vaststelling bijdragen in kosten heffingskortingen 2010
(vervallen)
- Regeling
vaststelling bijdragen in kosten heffingskortingen 2011 (vervallen)
- Regeling
vaststelling bijdragen in kosten heffingskortingen 2012
(vervallen)
- Regeling
vaststelling opslag gemiddelde premie Besluit Wfsv 2007 (vervallen)
- Regeling
vaststelling opslag gemiddelde premie Besluit Wfsv 2008
(vervallen)
- Regeling
vaststelling opslag gemiddelde premie Besluit Wfsv 2009 (vervallen)
- Regeling
vaststelling opslag gemiddelde premie Besluit Wfsv 2010
(vervallen)
- Regeling
vaststelling opslag gemiddelde premie Besluit Wfsv 2011
(vervallen)
- Regeling
vaststelling opslag gemiddelde premie Besluit Wfsv 2012
(vervallen)
- Regeling
vaststelling premiepercentages werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen 2006 (vervallen)
-
Regeling vaststelling
premiepercentages werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen 2007 (vervallen)
- Regeling vaststelling
premiepercentages werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen 2008 (vervallen)
- Regeling
vaststelling premiepercentages werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen 2009
(vervallen)
- Regeling
vaststelling premiepercentages werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen 2010
(vervallen)
- Regeling
vaststelling premiepercentages werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen 2011
(vervallen)
- Regeling
vaststelling premiepercentages werknemersverzekeringen,
volksverzekeringen en opslag kinderopvang 2012 (vervallen)
- Regeling
vaststelling rijksbijdrage Ouderdomsfonds 2007 (vervallen)
- Regeling
vaststelling rijksbijdrage Ouderdomsfonds en Nabestaandenfonds 2008
(vervallen)
- Regeling
vaststelling rijksbijdrage Ouderdomsfonds en Nabestaandenfonds 2009
(vervallen)
- Regeling
vaststelling rijksbijdrage Ouderdomsfonds en Nabestaandenfonds 2010 (vervallen)
- Regeling
vaststelling rijksbijdrage Ouderdomsfonds en Nabestaandenfonds 2011 (vervallen)
- Regeling
vaststelling rijksbijdrage Ouderdomsfonds en Nabestaandenfonds 2012 (vervallen)
- Regeling verdeling
premiekorting WAO (vervallen)
- Regeling
vergoeding bijdragen Remigratiewet (vervallen)
-
Regels vrijwillige
verzekering Wet WIA (vervallen)
- Regels vrijwillige
WAO-verzekering 2006 (vervallen)
- Regels vrijwillige
werkloosheidsverzekering 2006
(vervallen)
-
Regels vrijwillige
ziekengeldverzekering 2006 (vervallen)
- Tijdelijke
regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (vervallen)
-
Tijdelijke regeling loonkostensubsidies 2012 (vervallen)
- Tijdelijke
subsidieregeling omscholing werknemers bij dreigende werkloosheid
(vervallen)
- Uitvoeringsregeling premieheffing
volksverzekeringen 2002 (vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Coördinatiewet Sociale Verzekering (vervallen)
- Invoeringswet Wet financiering sociale
verzekeringen
- Wet financiering volksverzekeringen (vervallen)
- Wet premieregime bij marginale arbeid
(vervallen)
Inhoudsopgave
Wfsv
| Hoofdstuk
1 |
Algemene
bepalingen |
artt.
1 - 2 |
| Hoofdstuk
2 |
De
financiering van de volksverzekeringen |
artt.
3 - 15 |
| Afdeling
1x |
Inleidende
bepalingen |
artt.
3 - 5 |
| Afdeling
2x |
Premie
van verzekerden |
artt.
6 - 13 |
| §
1x |
Premieplicht |
art.
6 |
| §
2x |
Maatstaf |
artt.
7 - 8 |
| §
3x |
Tarief en
heffingskorting |
artt.
9 - 12 |
| §
4x |
Aanvullende regeling |
art.
13 |
| Afdeling
3x |
Rijksbijdragen |
artt.
14 - 15 |
| Hoofdstuk
3 |
De
financiering van de werknemersverzekeringen en de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen |
artt.
16 - 56 |
| Afdeling
1x |
Inleidende
bepalingen |
artt.
16 - 22 |
| §
1x |
Het loonbegrip |
artt.
16 - 19 |
| §
2x |
Inhouding en verbod
van verhaal |
art.
20 |
| §
3x |
Uitzondering
en uitbreiding premieplicht |
art.
21 - 21a |
| §
4x |
Premiewijziging
anders dan per 1 januari |
art.
22 |
| Afdeling
2x |
Algemeen
Werkloosheidsfonds en sectorfondsen |
artt.
23 - 28 |
| §
1x |
Premies ten gunste
van de fondsen |
art.
23 |
| §
2x |
Uitzondering
overheid |
art.
24 |
| §
3x |
Premieplicht |
art.
25 |
| §
4x |
Maatstaf |
art.
26 |
| §
5x |
Tarief |
artt.
27 - 28 |
| Afdeling
3x |
Uitvoeringsfonds
voor de overheid |
artt.
29 - 32 |
| §
2x |
Door overheid in te
houden op het loon (vervallen) |
art.
32 |
| Afdeling
4x |
Arbeidsongeschiktheidsfonds
en Werkhervattingskas |
artt.
33 - 39 |
| §
1x |
Premies en
rijksbijdragen ten gunste van de fondsen |
art.
33 |
| §
2x |
Premieplicht
werkgever |
art.
34 |
| §
3x |
Maatstaf |
art.
35 |
| §
4x |
Tarief |
artt.
36 - 38a |
| §
5x |
Rijksbijdrage |
art.
39 |
| Afdeling
5x |
Eigen
risico dragen |
artt.
40 - 46 |
| Afdeling
6x |
Premiekortingen
en premievrijstelling |
artt.
47 - 55 |
| §
1x |
Bonussen
in de vorm van premiekortingen |
artt.
47 - 48 |
| §
2x |
Algemene
bepalingen en nadere regels premiekorting |
artt.
49 - 50c |
| §
3x |
Premievrijstelling
bij marginale arbeid |
artt.
51 - 55 |
| Afdeling
7x |
Dienstplichtigen
(vervallen) |
art.
56 |
| Hoofdstuk
4 |
De
heffing en invordering van premies |
artt.
57 - 63 |
| §
1x |
Heffing |
artt.
57 - 59 |
| §
2x |
Invordering |
art.
60 |
| §
3x |
Schuldige
nalatigheid premie volksverzekeringen |
artt.
61 - 62 |
| §
4x |
Aanvullende regeling |
art.
63 |
| Hoofdstuk
5 |
Gemoedsbezwaarden |
artt.
64 - 67a |
| Hoofdstuk
6 |
De
financiering van de vrijwillige sociale verzekeringen |
artt.
68 - 80 |
| Afdeling
1x |
De
financiering van de vrijwillige volksverzekeringen |
artt.
68 - 71 |
| §
1x |
Inleidende
bepalingen |
artt.
68 - 69 |
| §
2x |
Heffing en inning |
art.
70 |
| §
3x |
Premieplicht en
tarief |
art.
71 |
| Afdeling
2x |
De
financiering van de vrijwillige werknemersverzekeringen |
artt.
72 - 76 |
| §
1x |
Inleidende bepaling |
art.
72 |
| §
2x |
Heffing en inning |
art.
73 |
| §
3x |
Werkloosheidswet |
art.
74 |
| §
4x |
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering |
art.
75 |
| §
5x |
Ziektewet |
art.
76 |
| §
6x |
Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen |
art.
76a |
| Afdeling
3x |
Aanvullende
bepalingen |
artt.
77 - 80 |
| Hoofdstuk
7 |
De
fondsen |
artt.
81 - 122 |
| Afdeling
1x |
Algemeen |
art.
81 |
| Afdeling
2x |
Volksverzekeringen |
artt.
82 - 92 |
| §
1x |
Algemene
Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet |
artt.
82 - 88 |
| §
2x |
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten |
artt.
89 - 92 |
| Afdeling
3x |
Werknemersverzekeringen |
artt.
93 - 118 |
| §
1x |
Algemeen
Werkloosheidsfonds, sectorfondsen en Uitvoeringsfonds voor de overheid |
artt.
93 - 111 |
| §
2x |
Arbeidsongeschiktheidsfonds, Arbeidsongeschiktheidskas en
Werkhervattingskas |
artt.
112 - 118 |
| Afdeling
4x |
Geïntegreerd
middelenbeheer |
artt.
119 - 122 |
| Hoofdstuk
7a |
Overgangsbepalingen |
artt.
122a - 122k |
| Hoofdstuk
8 |
Slot-
en strafbepalingen |
artt.
123 - 128 |
| xxxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxxxxxxxxr|| |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2003-2004, 29 529.
Handelingen II 2003-2004, blz. 5665-5684, 5794-5804, 5906-5906,
5906-5907, 5907-5907.
Kamerstukken I 2003-2004, 2004-2005, 29 529 (A, B, C, D).
Handelingen I 2004-2005, blz. 459-471.
Geschiedenis:
Staatsblad
2004, 720; Staatsblad 2004, 731;
Staatsblad 2005, 36; Staatsblad
2005, 382; Staatsblad 2005, 525;
Staatsblad
2005, 573; Staatsblad
2005, 683; Staatsblad 2005, 710;
Staatsblad 2005, 708; Staatsblad
2005, 713; Staatsblad 2006, 223;
Staatsblad 2006, 303; Staatsblad
2006, 415; Staatsblad 2006, 559;
Staatsblad 2006, 605; Staatsblad
2006, 644; Staatsblad 2006, 673;
Staatsblad 2006, 703;
Staatsblad 2006, 682; Staatsblad
2007, 376; Staatsblad 2007, 551;
Staatsblad 2007, 557; Staatsblad
2007, 563; Staatsblad
2007, 567; Staatsblad 2008, 414;
Staatsblad 2008, 569; Staatsblad
2008, 590; Staatsblad 2008, 598;
Staatsblad 2008, 600; Staatsblad
2009, 108; Staatsblad 2009, 384; Staatsblad 2009, 265;
Staatsblad 2009, 390;
Staatsblad 2009, 282;
Staatsblad 2009, 287; Staatsblad
2009, 318; Staatsblad 2009, 580; Staatsblad 2009, 609;
Staatsblad 2009, 612; Staatsblad
2010, 296; Staatsblad 2010,
840; Staatsblad 2010,
838; Staatsblad 2010, 867;
Staatsblad 2010, 871; Staatsblad
2011, 231; Staatsblad 2011,
288; Staatsblad 2011, 481;
Staatsblad 2011, 561; Staatsblad
2011, 575; Staatsblad 2011,
596; Staatsblad 2011, 618;
Staatsblad 2011, 642; Staatsblad
2011, 645; Staatsblad 2011,
650; Staatsblad 2011, 670;
Staatsblad 2012, 224; Staatsblad
2012, 323; Staatsblad
2012, 327; Staatsblad 2012,
361; Staatsblad 2012, 657; Staatsblad 2012, 464;
Staatsblad 2012, 544; Staatsblad
2012, 669; Staatsblad 2012,
675; Staatsblad 2012, 682.
WET van 16 december 2004, Stb.
2005, 36, houdende regels betreffende de financiering van de sociale
verzekeringen (Wet financiering sociale verzekeringen).
Inwerkingtreding: 1 januari 2006 (Stb.
2005, 717); artikelen 122c en 122ca
9 december 2005 (Stb.
2005, 619).
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is ter vermindering van
administratieve en uitvoeringslasten en vereenvoudiging van regelgeving de
heffing en invordering van de premies voor de werknemersverzekeringen
te laten plaatsvinden door de rijksbelastingdienst
tezamen met en op zoveel mogelijk gelijke wijze als die van de loonbelasting en de
regeling daarvan en van hetgeen overigens de financiering van de
werknemersverzekeringen betreft tezamen met de regeling van de
financiering van de volksverzekeringen - onder intrekking van onder andere de Wet
financiering volksverzekeringen - onder te brengen in één wet;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan
bij deze:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art.
1.
Algemene
begrippen (1.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573; Stb. 2006, 415;
Stb. 2009, 108; Stb.
2010, 867; Stb. 2011, 481]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. UWV: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5
van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. SVB: de Sociale
verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6
van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
d. College zorgverzekeringen: het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel
58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet;
e. zorgautoriteit: de Nederlandse
Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet marktordening
gezondheidszorg;
f. Ouderdomsfonds: het
Ouderdomsfonds, genoemd in artikel 82, eerste lid;
g. Nabestaandenfonds: het
Nabestaandenfonds, genoemd in artikel 82, tweede lid;
h. vervallen;
i. Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten: het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, genoemd in
artikel 89;
j. Algemeen Werkloosheidsfonds: het
Algemeen Werkloosheidsfonds, genoemd in artikel 93;
k. sectorfonds: een sectorfonds
als bedoeld in artikel 94;
l. Uitvoeringsfonds voor de
overheid: het Uitvoeringsfonds voor de overheid, genoemd in artikel
106;
m. Arbeidsongeschiktheidsfonds: het
Arbeidsongeschiktheidsfonds, genoemd in artikel 112;
n. vervallen;
o. werknemer: de werknemer in de
zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet,
de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of
de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
p. overheidswerknemer: de
werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel j,
van de
Werkloosheidswet;
q. werkgever: de werkgever in de
zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
r. overheidswerkgever: de
werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel i,
van de
Werkloosheidswet;
s. burgerservicenummer: het
nummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer;
sa.
sociaal-fiscaal nummer: het nummer, bedoeld in artikel 2, derde lid,
onderdeel k, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
t. inspecteur: de functionaris van
de rijksbelastingdienst die als zodanig bij
regeling van Onze Minister
van Financiën is aangewezen;
u. loontijdvak: het loontijdvak,
bedoeld in artikel 25, eerste en vierde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964;
v. vervallen;
w.
Werkhervattingskas: de Werkhervattingskas, genoemd in artikel
113a;
x. WGA-uitkering:
de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in artikel
54 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Art.
2. Sociale verzekeringen
(1.2) [Geschiedenis:
versie 16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573]
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. volksverzekeringen: de verplichte
verzekeringen op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
b. vrijwillige
volksverzekeringen: de vrijwillige verzekeringen op grond van de Algemene
Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet;
c. werknemersverzekeringen: de
verplichte verzekeringen op grond van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet,
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
d. vrijwillige
werknemersverzekeringen: de vrijwillige verzekeringen op grond van de
Werkloosheidswet, de Ziektewet,
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
HOOFDSTUK
2
De
financiering van de volksverzekeringen
AFDELING
1
Inleidende
bepalingen
Art.
3. Premieheffing en rijksbijdragen
(2.1.1) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004]
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van de
fondsen voor de volksverzekeringen, alsmede de financiële middelen voor
het vormen en in stand houden van reserves in deze fondsen, worden
verkregen door het heffen van premie en door bijdragen van het Rijk.
Art.
4. Algemene begrippen
(2.1.2) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en afdeling 2 van hoofdstuk 7
wordt verstaan onder:
a. algemene ouderdomsverzekering:
de verzekering, bedoeld in hoofdstuk II
van de
Algemene Ouderdomswet;
b. nabestaandenverzekering: de
verzekering, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Algemene
nabestaandenwet;
c. algemene verzekering bijzondere
ziektekosten: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk
II van de
Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten.
Art.
5. Uitzondering nominale premie AWBZ
(2.1.3) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525]
Voor de toepassing van deze wet wordt onder premie voor de
volksverzekeringen niet begrepen de nominale premie die de verzekerde op
grond van artikel 17 van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten verschuldigd is.
AFDELING
2
Premie
van verzekerden
§
1. Premieplicht
Art.
6. Premieplicht
(2.2.1.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
-1. Premieplichtig voor de
volksverzekeringen is de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen.
-2. Ingeval artikel 26b van de Wet
op de loonbelasting 1964 toepassing vindt, wordt de in dat artikel bedoelde
werknemer geacht premieplichtig te zijn. Ten aanzien van deze werknemer
worden de in artikel 10, eerste lid, bedoelde percentages toegepast
op het loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964.
§
2. Maatstaf
Art.
7. Maatstaf (2.2.2.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
De maatstaf voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen is
het premie-inkomen van de premieplichtige.
Art.
8. Premie-inkomen (2.2.2.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
708; Stb. 2009, 612; Stb.
2010, 871]
-1. Voor de heffing van de premie voor de
volksverzekeringen bij wege van aanslag wordt onder premie-inkomen
verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de
regels van hoofdstuk 3 van de Wet
inkomstenbelasting 2001. De toerekening van de gemeenschappelijke
inkomensbestanddelen van de premieplichtige en zijn partner geschiedt
overeenkomstig artikel 2.17 van de Wet
inkomstenbelasting 2001. In het geval de premieplichtige en zijn
partner beiden belastingplichtig zijn, geldt de gemaakte keuze, bedoeld
in artikel 2.17, tweede lid, van die
wet, zowel voor de heffing van de inkomstenbelasting als voor de
heffing van de premie voor de volksverzekeringen.
-2. Voor de heffing van de premie voor de
volksverzekeringen bij wijze van inhouding wordt onder premie-inkomen
verstaan het belastbare loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 met uitzondering van de
eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel d
tot en met g, van
die wet.
-3. Het premie-inkomen wordt tot geen
hoger bedrag in aanmerking genomen dan het als tweede vermelde bedrag in
kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10 van de Wet
inkomstenbelasting 2001. In afwijking van de eerste volzin wordt het
premie-inkomen van een premieplichtige die is geboren vóór 1 januari
1946 tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het als tweede
vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10a
van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
§
3. Tarief en heffingskorting
Art.
9. Verschuldigde premie (2.2.3.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
De verschuldigde premie voor de volksverzekeringen is de premie voor de
volksverzekeringen verminderd met de voor de premieplichtige
toepasselijke heffingskorting voor de volksverzekeringen.
Art.
10. Premie (2.2.3.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2012, 361]
-1. De premie voor de volksverzekeringen
wordt vastgesteld op de som van de percentages, bedoeld in artikel
11, van het premie-inkomen.
-2. Tot de premie, bedoeld in het eerste lid,
behoort met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, zal bereiken niet de premie voor de algemene
ouderdomsverzekering.
Art.
11. Premiepercentage (2.2.3.3)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004]
-1. Het premiepercentage voor de algemene
ouderdomsverzekering wordt bij regeling van Onze Minister vastgesteld.
Het bedraagt ten hoogste 18,25. [Rvpwv06]
[Rvpwv07] [Rvpwv08]
[Rvpwv09] [Rvpwv10]
[Rvpwv11] [Rvpwvok12]
[Rvpwvok13]
-2. Het premiepercentage voor de
nabestaandenverzekering wordt bij regeling van Onze Minister
vastgesteld. [Rvpwv06] [Rvpwv07]
[Rvpwv08] [Rvpwv09]
[Rvpwv10] [Rvpwv11]
[Rvpwvok12] [Rvpwvok13]
-3. Het premiepercentage voor de algemene
verzekering bijzondere ziektekosten wordt vastgesteld bij regeling van
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overeenstemming
met Onze Minister. [RvpA06] [RvpA07]
[RvpA08] [RvpA09]
[RvpA10] [RvpA11]
[RvpA12] [RvpA13]
-4. Indien een wijziging van een
premiepercentage ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, vindt de
vaststelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van Financiën
en kunnen daarbij regels worden gesteld omtrent de wijze van berekening
van de premie over het gehele kalenderjaar.
Art.
12. Heffingskorting (2.2.3.4)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
-1. De heffingskorting voor de
volksverzekeringen is de som van:
a. indien betrokkene premieplichtig
is voor de algemene ouderdomsverzekering: de op grond van hoofdstuk 8
van de Wet
inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de algemene
ouderdomsverzekering;
b. indien betrokkene premieplichtig
is voor de nabestaandenverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de
nabestaandenverzekering;
c. indien betrokkene premieplichtig
is voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten: de op grond van
hoofdstuk 8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de algemene
verzekering bijzondere ziektekosten.
-2. Indien de premie voor de
volksverzekeringen bij wijze van inhouding wordt geheven, worden voor de
toepassing van het eerste lid de heffingskortingen, genoemd in artikel
8.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, die geen deel uitmaken van de
standaardloonheffingskorting, bedoeld in artikel 21c van de Wet
op de loonbelasting 1964, geacht geen deel uit te maken van de
standaardheffingskorting, bedoeld in artikel 8.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
§
4. Aanvullende regeling
Art.
13. Nadere regels (2.2.4.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met
Onze Minister van
Financiën en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot deze afdeling. [RW]
[Upv02]
AFDELING
3
Rijksbijdragen
Art.
14. Rijksbijdragen Nabestaandenfonds,
Ouderdomsfonds en Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (2.3.1) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb. 2006,
559; Stb. 2006, 644]
-1.
Bij ministeriële regeling kunnen bedragen worden vastgesteld die
als rijksbijdrage ten gunste komen van het Nabestaandenfonds en het
Ouderdomsfonds. [RvrO07] [RvrON08]
[RvrON09] [RvrON10]
[RvrON11] [RvrON12]
-2. Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan jaarlijks bedragen vaststellen die als
rijksbijdrage ten gunste komen van het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten.
Art.
15. Rijksbijdrage in kosten heffingskortingen
(2.3.2) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004]
Ten gunste van het Ouderdomsfonds, het Nabestaandenfonds en het Algemeen
Fonds Bijzondere Ziektekosten wordt jaarlijks een rijksbijdrage in de
kosten van de heffingskortingen voor de volksverzekeringen toegekend.
Deze bijdrage wordt door Onze Minister
vastgesteld volgens de formule:
BIKKt =
(BIKKt-1 +
A * Kt-1)
* Kt/Kt-1
waarbij:
BIKKt = de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen ten gunste van
het fonds in een bepaald jaar;
BIKKt-1 = de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen ten gunste
van het fonds in het voorafgaande jaar;
A = het aandeel van de premie ten gunste van het fonds in het
gecombineerde heffingspercentage, bedoeld in artikel 8.1, onderdeel c,
van de Wet
inkomstenbelasting 2001, in het jaar waarvoor de bijdrage
wordt toegekend, verminderd met het aandeel in het daaraan voorafgaande
jaar;
Kt = de door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van
Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, geraamde totale
kosten voor de heffingskortingen in het jaar waarvoor de bijdrage wordt
toegekend;
Kt-1 = de door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van
Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, geraamde totale
kosten voor de heffingskortingen in het jaar voorafgaand aan het jaar
waarvoor de bijdrage wordt toegekend. [Rvbkh06]
[Rvbkh07] [Rvbkh08]
[Rvbkh09] [Rvbkh10]
[Rvbkh11] [Rvbkh12]
HOOFDSTUK
3
De
financiering van de werknemersverzekeringen en de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
AFDELING
1
Inleidende
bepalingen
§
1. Het loonbegrip
Art.
16. Loon (3.1.1.1)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 683; Stb.
2005, 708 + bis; Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 618
+ bis]
-1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk
wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet
op de loonbelasting 1964.
-2. Tot het loon behoren niet:
a. hetgeen uit een vroegere
dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt
genoten met uitzondering van uitkeringen op grond van een
werknemersverzekering of wachtgeld als
bedoeld in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de
Werkloosheidswet
en de aanvullingen daarop van degene tot wie de
werknemer in dienstbetrekking staat en met uitzondering van toeslagen op
grond van de Toeslagenwet;
b. eindheffingsbestanddelen als bedoeld
in artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met h, van de
Wet op
de loonbelasting 1964.
Art.
17. Maximumpremieloon (3.1.1.2)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
708; Stb. 2006, 703;
Stb.
2010, 867; Stb. 2011, 288;
Stb.
2012, 657; Stb. 2012, 669]
-1. Het loon waarnaar de premies op grond
van dit hoofdstuk worden geheven, wordt bij dezelfde werkgever tot geen
hoger bedrag in aanmerking genomen dan het door Onze
Minister, in overeenstemming met Onze
Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van
Financiën, met betrekking tot het kalenderjaar vastgestelde bedrag.
Voorts bedraagt het dagloon dat aan de uitkeringen op grond van de
werknemersverzekeringen of vrijwillige werknemersverzekeringen ten
grondslag ligt of wordt gelegd ten hoogste het bedrag, bedoeld in de
eerste volzin, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, waarbij
het kalenderjaar wordt gesteld op 261 dagen.
[Rvpwv06] [Rvpwv07]
[Rvpwv08] [Rvpwv09]
[Rvpwv10] [Rvpwv11]
[Rvpwvok12] [Rvpwvok13]
-2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, wordt
herleid en vastgesteld voor loontijdvakken waarin
loon als bedoeld in artikel 16 wordt genoten waarvoor Onze Minister dit, in
overeenstemming met Onze Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
en van Financiën, nodig acht. Voor de herleiding van het loontijdvak van
één jaar naar een ander loontijdvak is artikel 25, eerste en vierde
lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing, met
uitzondering van de toepassing voor het dagloon, bedoeld in het eerste
lid, tweede volzin. Het dagloon wordt
herleid en vastgesteld voor loontijdvakken waarvoor Onze Minister dit
nodig acht. [Rvpwv11]
[Rvpwvok12] [Rvpwvok13]
-3. De premies die op grond van dit
hoofdstuk worden geheven, worden per loontijdvak berekend over het
verschil tussen het loon dat de werknemer in het kalenderjaar heeft
genoten tot en met dat loontijdvak en het loon dat de werknemer in dat
kalenderjaar heeft genoten tot en met het aan dat loontijdvak
voorafgaande loontijdvak, met dien verstande dat van het bij eenzelfde
werkgever genoten loon buiten aanmerking blijft het gedeelte dat meer
bedraagt dan het met toepassing van het tweede lid vastgestelde bedrag
per loontijdvak, vermenigvuldigd met het aantal loontijdvakken van het
kalenderjaar.
-4. Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen regels worden
gesteld voor de vaststelling van het voor premieberekening in aanmerking
komende loon bij samenloop van loon dat gelijktijdig wordt genoten uit
een dienstbetrekking in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 en uit een vroegere dienstbetrekking in de
zin van die wet.
In de te stellen regels wordt uitgegaan van een totaal
loonbedrag in een kalenderjaar dat niet hoger is dan het bedrag,
bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, waarbij niet meer dan één
keer rekening wordt gehouden met dat bedrag en waarbij het tweede en
derde lid van overeenkomstige toepassing zijn. [RW]
-5. Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen nadere regels
worden gesteld in ieder geval voor de omstandigheid dat bij één of
meerdere werkgevers naast loon uit dienstbetrekking ook een uitkering op
grond van een werknemersverzekering of op grond van hoofdstuk 3,
afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg wordt
ontvangen. [RW]
Art.
18. Herziening maximumpremieloon (3.1.1.3)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb. 2006,
703]
-1. Het bedrag, bedoeld in artikel
17, eerste lid, wordt herzien met ingang van de dag waarop en in de
mate waarin het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c,
van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt herzien.
-2. De dag, bedoeld in het eerste lid, en het overeenkomstig het
eerste lid herziene bedrag worden door Onze Minister
in de Staatscourant bekendgemaakt.
-3. Het overeenkomstig het eerste lid
herziene bedrag treedt in de plaats van het bedrag, bedoeld in artikel
17, eerste lid.
-4. Uitsluitend voor de berekening van het
loon waarnaar de premies worden geheven, blijft het bedrag, bedoeld in artikel
17, eerste lid, zoals dat geldt per 1 januari van een kalenderjaar
gedurende dat hele kalenderjaar van kracht.
Art.
19. Uitzondering maximumpremieloon
(3.1.1.4) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb. 2007,
376; Stb. 2008, 569; Stb.
2009, 108; Stb.
2010, 867; Stb. 2011, 288]
Artikel 17, eerste en tweede lid, is niet van
toepassing in de gevallen, bedoeld in artikel 26b, eerste volzin,
van de Wet
op de loonbelasting 1964.
§
2. Inhouding en verbod van verhaal
Art.
20. Verbod verhaal op werknemer
(3.1.2.1) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb.
2011, 288]
De werkgever mag de door hem
verschuldigde premie niet verhalen op de werknemer. Elk beding waarbij
van de eerste zin wordt afgeweken, is nietig.
§
3. Uitzondering en uitbreiding premieplicht
Art.
21. Uitzondering premieplicht
AOW-gerechtigden (3.1.3.1) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb.
2012, 361]
Geen premies voor de
werknemersverzekeringen zijn verschuldigd met ingang van de eerste dag
van de maand waarin de verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd,
bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, zal bereiken.
Art.
21a. Premieplicht Wet WIA tijdens
levensloopverlof. [Geschiedenis:
Stb.
2011, 288]
Voor de toepassing van dit hoofdstuk
wordt in afwijking in zoverre van artikel 8, derde lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen mede als werknemer in de zin van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen beschouwd degene die levensloopverlof geniet in het
kader van de toepassing van de levensloopregeling, bedoeld in artikel 19g van de
Wet op
de loonbelasting 1964.
§
4. Premiewijziging anders dan per 1 januari
Art.
22. Premiewijziging anders dan per 1 januari
(3.1.4.1) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb.
2011, 288]
-1. Indien een wijziging van een
premiepercentage bij ministeriële regeling op grond van dit hoofdstuk ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, vindt de
vaststelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën.
-2. Indien een wijziging door het UWV
van een premiepercentage op grond van dit hoofdstuk ingaat op een ander
tijdstip dan 1 januari, is goedkeuring vereist van Onze Minister
en Onze Minister van Financiën. Indien Onze Minister en Onze Minister
van Financiën hun goedkeuring onthouden, stellen zij het percentage
zelf vast.
-3. Onze Minister en Onze Minister van
Financiën kunnen in een geval als bedoeld in dit artikel regels stellen
omtrent de wijze van berekening van de premie over het gehele
kalenderjaar.
AFDELING
2
Algemeen
Werkloosheidsfonds en sectorfondsen
§
1. Premies ten gunste van de fondsen
Art.
23. Premieheffing (3.2.1.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 573 + bis]
-1. De financiële middelen tot dekking
van de uitgaven ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds en de
sectorfondsen, alsmede de financiële middelen voor het vormen en in stand
houden van reserves in deze fondsen, worden verkregen door het heffen van
premie.
-2. De premie wordt onderscheiden in een
deel dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds en een deel
dat ten gunste komt van het sectorfonds dat het UWV
voor de betrokken sector afzonderlijk administreert.
§
2. Uitzondering overheid
Art.
24. Uitzondering overheid (3.2.2.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 573]
-1. Deze afdeling is niet van toepassing op
overheidswerknemers en op overheidswerkgevers voor zover zij werkgever
zijn van overheidswerknemers.
-2. In afwijking van het eerste lid is deze
afdeling van toepassing ten aanzien van degenen die uitkering ontvangen
op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet,
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de
Wet arbeid en zorg, dan wel een toeslag op grond van de
Toeslagenwet, indien zij die uitkering of toeslag uit hoofde van een
dienstbetrekking als overheidswerknemer ontvangen.
§
3. Premieplicht
Art.
25. Premieverschuldigdheid werkgever
(3.2.3.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 573 + bis; Stb.
2011, 288]
De premie is verschuldigd door de
werkgever in de zin van de Werkloosheidswet. [Rvpwv06]
[Rvpwv07] [Rvpwv08]
[Rvpwv09] [Rvpwv10]
[Rvpwv11] [Rvpwvok12]
§
4. Maatstaf
Art.
26. Maatstaf (3.2.4.1)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004]
De maatstaf voor de heffing van de premie is het loon.
§
5. Tarief
Art.
27. Premiepercentage Algemeen Werkloosheidsfonds
(3.2.5.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
Bij ministeriële regeling wordt het deel van de premie dat ten gunste
komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds vastgesteld op een voor alle
takken van bedrijf en beroep gelijk percentage van het loon. [Rvpwv06]
[Rvpwv07] [Rvpwv08]
[Rvpwv09] [Rvpwv10]
[Rvpwv11] [Rvpwvok12]
[Rvpwvok13]
Art.
28. Premiepercentage sectorfonds
(3.2.5.2)
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2004, 731 + bis;
versie 16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573 + bis + bis;
Stb. 2005, 708 + bis;
Stb.
2011, 288; Stb.
2012, 464]
-1. Het deel van de premie dat ten gunste
komt van een sectorfonds wordt door het UWV
vastgesteld op een percentage van het loon dat voor categorieën van
werkgevers en werknemers die behoren tot verschillende sectoren en
sectoronderdelen als bedoeld in artikel
95 kan verschillen. Bij de vaststelling van het percentage blijven
ten aanzien van eigenrisicodragers als bedoeld in artikel
40, eerste lid, onderdeel a, uitkeringen op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel a, b en c, van de Ziektewet,
vermeerderd met een door het UWV vast te stellen opslag in verband met
kosten ter zake van de betaling van die uitkeringen en van de
werkzaamheden, bedoeld in artikel
63a, eerste lid, van die wet,
alsmede de op grond van enige wet over die uitkeringen verschuldigde
premies die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht,
buiten beschouwing. Bij de vaststelling van het percentage blijven ten
aanzien van Onze Minister van Defensie en
Onze Minister, voor zover zij werkgever
zijn van personen als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, onderdeel i en j, van de Ziektewet,
de uitkeringen, bedoeld in artikel 104,
eerste lid, onderdeel c en d, alsmede de daaraan
gerelateerde overige uitgaven uit het sectorfonds buiten beschouwing. Bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere
regels worden gesteld. [Bvpw]
[Bvs07] [Bvs08]
[Bvs09] [Bvs10]
[Bvs11] [Bvs12]
[Bvs13] [Bvw06] [BW]
-2. In afwijking van het eerste lid wordt
met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels
bij ministeriële regeling over een uitkering op grond van de Werkloosheidswet,
de
Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de Wet arbeid en zorg aan de
werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in
artikel 3:6, eerste lid, van die wet, over
een toeslag op grond van de
Toeslagenwet en over loon op grond van een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening
voor het deel van de premie dat ten gunste komt van een sectorfonds een
gemiddeld premiepercentage vastgesteld. Dit wordt bepaald op een
gemiddelde van de percentages die zijn vastgesteld op grond van het eerste
lid. [Bvrw]
[BW] [Rvpwv06]
[Rvpwv07] [Rvpwv08]
[Rvpwv09] [Rvpwv10]
[Rvpwv11] [Rvpwvok12]
[Rvpwvok13]
-3. Het deel van de premie dat met
toepassing van het tweede lid ten gunste komt van het sectorfonds bedraagt
ten hoogste de premie die op grond van het eerste lid is vastgesteld. Het
resterende deel van deze premie komt ten gunste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds.
-4. Het tweede lid wordt niet toegepast
ingeval het UWV de uitkering, vermeerderd met de daarover door de
werkgever verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, betaalt aan de
werkgever, bedoeld in
artikel 9, 10 of 12
van de
Werkloosheidswet en de Ziektewet, artikel
11 van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
en in
artikel 8, 9 of 11
van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die
werkgever, tenzij die werkgever een werkgever is van degene die loon
ontvangt uit een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2
van de
Wet sociale werkvoorziening.
-5. Een door het UWV bepaald percentage
als bedoeld in het eerste lid behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Indien Onze Minister zijn goedkeuring onthoudt, stelt hij het percentage
zelf vast.
-6. Het UWV dan wel, indien Onze Minister het percentage heeft
vastgesteld, Onze Minister maakt bekend welk deel van het percentage,
bedoeld in het eerste lid, is gerelateerd aan hetgeen op grond van artikel
104, eerste lid, onderdeel a en b, onderdeel c,
respectievelijk onderdeel
d, ten laste komt van een sectorfonds.
AFDELING
3
Uitvoeringsfonds
voor de overheid
Art.
29. Premieheffing en verhaal (3.3.1.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid, alsmede de financiële middelen voor
het vormen en in stand houden van een reserve in dat fonds, worden
verkregen door het in rekening brengen van de uitgaven, bedoeld in
artikel 79 van de Werkloosheidswet, bij de overheidswerkgevers en door
het heffen van premie.
Art.
30. Premieverschuldigdheid overheidswerkgever
(3.3.1.2) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
De premie is verschuldigd door de overheidswerkgever.
Art.
31. Maatstaf en tarief (3.3.1.3)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2012, 464]
De premie wordt bij ministeriële regeling vastgesteld op een percentage
van het loon. Dit percentage kan uitsluitend voor verschillende
werkgevers verschillen, omdat bij de vaststelling daarvan ten aanzien
van de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 40, eerste lid,
onderdeel a, uitkeringen op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel
a, b en c, van de Ziektewet, vermeerderd met een opslag in verband met
kosten ter zake van de betaling van die uitkeringen en van de
werkzaamheden als bedoeld in artikel 63a, eerste lid, van
die wet,
alsmede de op grond van enige wet over die uitkeringen verschuldigde
premies die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht,
buiten beschouwing blijven. [Rvpwv06]
[Rvpwv07] [Rvpwv08]
[Rvpwv09] [Rvpwv10]
[Rvpwv11] [Rvpwvok12]
[Rvpwvok13]
§
2. Door overheid in te houden op het loon
Vervallen
Art.
32. Vervallen. (3.3.2.1)
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2004, 720 + bis; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
708 + bis + bis;
Stb.
2011, 288]
AFDELING
4
Arbeidsongeschiktheidsfonds
en Werkhervattingskas
§
1. Premies en rijksbijdragen ten gunste van de fondsen
Art.
33. Premieheffing en rijksbijdrage (3.4.1.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 573; Stb. 2007, 557;
Stb.
2010, 867]
-1. De financiële middelen tot dekking
van de uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, alsmede
de financiële middelen voor het vormen en in stand houden van een
reserve in dat fonds, worden verkregen door het heffen van de in artikel
36 bedoelde basispremie en door een bijdrage van het Rijk als
bedoeld in
artikel 114, onderdeel f.
-2. De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten
laste van de Werkhervattingskas, alsmede de financiële middelen voor
het vormen en in stand houden van een reserve in de Werkhervattingskas,
worden verkregen door het heffen van de in artikel 38
bedoelde gedifferentieerde premie.
§
2. Premieplicht werkgever
Art.
34. Basispremie en gedifferentieerde
premie
(3.4.2.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 573; Stb. 2005, 710;
Stb. 2007, 557; Stb.
2010, 867; Stb.
2011, 288; Stb.
2012, 464]
-1. De premie is verschuldigd door werkgevers in de zin van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen en bestaat uit een basispremie en een gedifferentieerde premie.
-2. In afwijking van artikel
20 kan de werkgever de met betrekking tot een werknemer
door hem verschuldigde gedifferentieerde premie ten behoeve van de
Werkhervattingskas, bedoeld in artikel
38, onder bij ministeriële regeling te bepalen voorwaarden, tot ten
hoogste de helft verhalen op de werknemer. [RW]
§
3. Maatstaf
Art.
35. Maatstaf (3.4.3.1)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004]
De maatstaf voor de heffing van de premie is het loon.
§
4. Tarief
Art.
36. Basispremie (3.4.4.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
Bij ministeriële regeling wordt voor de berekening van de basispremie
een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk percentage
vastgesteld. [Rvpwv06] [Rvpwv07]
[Rvpwv08] [Rvpwv09]
[Rvpwv10] [Rvpwv11]
[Rvpwvok12] [Rvpwvok13]
Art.
37. Vervallen. (3.4.4.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 573; Stb. 2007, 557;
Stb.
2010, 867]
Art.
38.
Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (3.4.4.3)
[BgpW07] [BgpW08]
[BgpW09] [BgpW10]
[BgpW11] [BgpW12]
[BgpW13] [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2004, 720 + bis; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573 + bis + bis;
Stb. 2005, 708 + bis
+ bis; Stb.
2012, 464]
-1. Het
UWV stelt vast:
a. voor de berekening van de
gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas, een voor
alle takken van bedrijf en beroep gelijk rekenpercentage;
b. voor de berekening van het
rekenpercentage, bedoeld in onderdeel a, een voor alle takken van
bedrijf en beroep gelijk gemiddeld percentage.
-2. Elk jaar wordt met ingang van 1 januari een opslag of
korting vastgesteld waarmee het in het eerste lid, onderdeel a,
bedoelde percentage wordt verhoogd respectievelijk verlaagd. Bij of
krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid,
kan worden bepaald dat de opslag of korting voor een werkgever dan wel
voor categorieën van werkgevers wordt vastgesteld, waarbij de korting of
opslag voor categorieën van werkgevers kan verschillen of op nihil kan
worden vastgesteld. Indien een werkgever met toepassing van de artikelen 96
of
97 is aangesloten bij verschillende
sectoren, wordt voor elk bedrijfsonderdeel van de werkgever waar
werkzaamheden worden verricht die behoren tot een afzonderlijke sector, de
opslag of korting toegepast als was dat bedrijfsonderdeel een
afzonderlijke werkgever. Voor de werkgever die niet behoort tot een
categorie als bedoeld in de tweede zin stelt de inspecteur de korting of
opslag vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
-3. De inspecteur stelt in geval van overgang van een
onderneming in de zin van artikel 662 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke
overgang bij faillissement, de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in
het tweede lid, opnieuw bij voor bezwaar vatbare beschikking vast voor de
werkgever die een onderneming of een deel daarvan verkrijgt en voor de
werkgever die een deel van zijn onderneming overdraagt.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld omtrent:
[BW]
a. de wijze waarop het
rekenpercentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het
gemiddelde percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
worden vastgesteld;
b. de wijze waarop de in het tweede
en het derde lid bedoelde opslag en korting worden berekend;
c. de percentages die op grond van
dit artikel ten hoogste voor een werkgever mogen gelden en omtrent de
percentages die op grond van dit artikel ten minste voor een werkgever
moeten gelden.
-5. Beschikkingen van de inspecteur op grond van dit artikel
worden genomen gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV.
Art.
38a. Vervanging gedifferentieerde premie [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2004, 720 + bis; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573 + bis; Stb.
2005, 710; Stb. 2007, 557;
Stb.
2011, 288; Stb.
2012, 464]
-1.
In afwijking van artikel 38 is over een uitkering op
grond van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet,
hoofdstuk 3, afdeling
2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg,
de Werkloosheidswet, over een toeslag op grond van
de Toeslagenwet en over het loon uit een
dienstbetrekking op grond van de Wet
sociale werkvoorziening, als gedifferentieerde premie ten behoeve
van de Werkhervattingskas een premie verschuldigd naar het percentage,
bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel a.
Met een uitkering op grond van de Werkloosheidswet wordt gelijkgesteld een
wachtgeld als bedoeld in artikel 1, onderdeel r,
van de
Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
-2. Behalve voor degene die loon ontvangt
uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening wordt
het eerste lid niet toegepast ingeval het UWV
de uitkering, vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde
premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, betaalt aan de
werkgever, bedoeld in artikel
11 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, en in artikel 9,
10 of 12 van
de Werkloosheidswet
en de Ziektewet, onafhankelijk van het
voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.
§
5. Rijksbijdrage
Art.
39. Rijksbijdrage (3.4.5.1)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004]
Onze Minister kan bedragen vaststellen die jaarlijks of in het
desbetreffende jaar als rijksbijdrage als bedoeld in artikel
114,
onderdeel f, ten gunste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
AFDELING
5
Eigen
risico dragen
Art.
40. Verzoek eigen risico dragen (3.5.1.1)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 573; Stb. 2005, 710;
Stb. 2006, 605; Stb.
2006, 703; Stb. 2007, 557;
Stb. 2009, 265; Stb.
2009, 318; Stb.
2010, 867; Stb. 2011, 618;
Stb. 2011, 670; Stb.
2012, 464]
-1. De inspecteur verleent overeenkomstig
deze afdeling aan een werkgever op aanvraag bij voor bezwaar vatbare
beschikking toestemming om zelf het risico te dragen van betaling van:
a. het ziekengeld aan de personen,
bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b
en
c, van de Ziektewet, die laatstelijk tot
de werkgever in dienstbetrekking stonden; of
b.
WGA-uitkering overeenkomstig hoofdstuk
9 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
-2. De werkgever legt bij een aanvraag als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, een schriftelijke garantie over waaruit blijkt
dat een bank of een verzekeraar zich jegens het UWV
verplicht, op het eerste verzoek van het UWV waarbij het UWV schriftelijk
meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van
het risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen.
-3. De overheidswerkgever, bedoeld in
artikel 1, onderdeel k, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, voor zover deze door Onze Minister
in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën is aangewezen, is ontheven van de verplichting tot het
overleggen van een schriftelijke garantie als bedoeld in het tweede lid. [RW]
-4. De in het eerste lid bedoelde
toestemming wordt niet verleend gedurende drie jaren nadat het door de
werkgever zelf dragen van het desbetreffende in het eerste lid bedoelde
risico is beëindigd.
-5. Onder een bank
als
bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een financiële onderneming die
ingevolge de Wet op het financieel
toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen.
-6. Onder een verzekeraar als bedoeld in
het tweede lid wordt verstaan een financiële onderneming die ingevolge de
Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van
levensverzekeraar of schadeverzekeraar mag uitoefenen.
-7. De garantie, bedoeld in het tweede
lid, wordt voor onbepaalde tijd gegeven. Deze garantie strekt zich uit tot
rechtsopvolgers onder algemene titel van de eigenrisicodrager en tot het
risico dat overgaat op de verkrijgende werkgever, bedoeld in artikel
84, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Deze garantie kan door de desbetreffende bank
of verzekeraar
niet worden beëindigd zonder schriftelijke opzegging bij de inspecteur.
-8. De garantie, bedoeld in het tweede
lid, strekt zich niet uit tot een WGA-uitkering.
-9. De toestemming, bedoeld in het eerste
lid, wordt door de inspecteur verleend met ingang van 1 januari of 1 juli
van enig jaar, mits de aanvraag ten minste dertien weken vóór de
desbetreffende datum is ingediend. Aan een startende werkgever wordt op
zijn verzoek toestemming verleend met ingang van het tijdstip waarop deze
aanvangt werkgever te zijn.
-10. Het door de werkgever zelf dragen van
het risico, bedoeld in het eerste lid:
a. eindigt met ingang van de dag
waarop de schriftelijke garantie, bedoeld in het tweede lid, eindigt,
onderscheidenlijk met ingang van de dag waarop de eigenrisicodrager in
staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard
dan wel de dag waarop hij ophoudt werkgever te zijn;
b. wordt door de inspecteur op 1
januari of 1 juli van enig jaar beëindigd bij voor bezwaar vatbare
beschikking op aanvraag van de werkgever, mits deze aanvraag ten minste
dertien weken vóór de desbetreffende datum is ingediend;
c. kan door de inspecteur zonder
aanvraag van de werkgever met onmiddellijke ingang bij voor bezwaar
vatbare beschikking worden beëindigd indien de rechtbank
de noodregeling, bedoeld in hoofdstuk 3.5 van de Wet op het financieel
toezicht heeft uitgesproken over de betrokken verzekeraar
onderscheidenlijk bank.
-11. In een geval als bedoeld in het
tiende lid, onderdeel a, doet de inspecteur daarvan op verzoek van
de werkgever mededeling bij voor bezwaar vatbare beschikking.
-12. Indien de periode, bedoeld in artikel 82,
eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
wordt gewijzigd in die zin dat de wijziging een verlenging van de periode
betekent, legt de werkgever die zelf het risico draagt van betaling de
WGA-uitkering, binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn,
een schriftelijke garantie over aan de inspecteur waaruit blijkt dat een bank
of een verzekeraar zich jegens het UWV verplicht, op het
eerste verzoek van het UWV, waarbij het UWV schriftelijk meedeelt dat de
verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van het risico niet
worden nagekomen, die verplichtingen na te komen. [RvpeW]
-13. Indien niet of niet tijdig wordt voldaan aan het twaalfde lid,
eindigt het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel d, met ingang van de dag waarop de wijziging
van de periode, bedoeld in artikel 82, eerste
lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, in
werking treedt.
-14. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het twaalfde en
dertiende lid nadere regels worden gesteld.
-15. Beschikkingen van de inspecteur op
grond van deze afdeling worden genomen gehoord het UWV en in
overeenstemming met het UWV.
-16. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat de toestemming, bedoeld in het negende lid, eerste zin,
en de beëindiging, bedoeld in het tiende lid, onderdeel b,
uitsluitend wordt verleend onderscheidenlijk plaatsvindt met ingang van 1
januari van enig jaar. Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën, kan in bijzondere omstandigheden de
termijn van dertien weken, bedoeld in het negende lid, eerste zin, en het
tiende lid, onderdeel b, worden ingekort.
Art.
41. Verhaal kosten
eigenrisicodrager op werknemer (3.5.1.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
710; Stb. 2007, 557]
-1. De
eigenrisicodrager met betrekking tot de WGA-uitkering, bedoeld in artikel
40, eerste lid, onderdeel b, en de startende werkgever,
bedoeld in artikel
40, negende lid, die in afwachting is van de door de inspecteur te
nemen beslissing op aanvraag, bedoeld in artikel 40,
eerste lid, onderdeel
b, kunnen de bij ministeriële regeling genoemde kosten met
betrekking tot een werknemer ten behoeve van eigen risico dragen, onder
bij ministeriële regeling te bepalen voorwaarden, tot ten hoogste de
helft verhalen op de werknemer. [RW]
-2. De eigenrisicodrager die ter dekking van het risico, bedoeld
in artikel
40, eerste lid, een verzekering heeft afgesloten, mag de door hem
ter zake van die verzekering verschuldigde premie niet verhalen op de
werknemer voor zover dit niet voortvloeit uit het eerste lid. Elk beding
waarbij wordt afgeweken van de eerste zin is nietig.
Art.
42. Nadere regelgeving eigen risico dragen
(3.5.1.3) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2012, 657; Stb.
2012, 464]
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot deze afdeling. [BW]
Art.
43. Vervallen. (3.5.2.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
708; Stb. 2006, 673; Stb. 2010,
838; Stb.
2012, 464]
Art.
44. Vervallen. (3.5.2.2) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 573; Stb. 2010,
838; Stb.
2011, 288; Stb.
2012, 464]
Art.
45. Aanvullende bepaling eigen risico dragen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (3.5.3.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 573 + bis; Stb.
2007, 557; Stb. 2011, 618;
Stb.
2012, 464]
Aan een gemeente of een bestuur van een openbaar
lichaam ingevolge een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel
1, tweede lid, van de Wet sociale werkvoorziening
wordt geen toestemming verleend
als bedoeld in artikel 40, aanhef en eerste lid,
onderdeel b,¹ ten aanzien van werknemers die werkzaam zijn in een
dienstbetrekking op grond van de Wet sociale
werkvoorziening.
1. Volgens de redactie
dient "artikel 40, aanhef
en eerste lid, onderdeel b" te worden vervangen door: artikel
40, eerste lid, aanhef en onder b.
Art.
46. Vervallen. (3.5.3.2)
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2004, 720 + bis; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708 + bis
+ bis; Stb. 2006, 703;
Stb. 2007, 557; Stb.
2010, 867]
Art.
46a. Vrijstelling
premie eigenrisicodrager WGA-uitkering [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710;
Stb. 2007, 557; Stb.
2012, 464]
-1. De eigenrisicodrager
met betrekking tot de WGA-uitkering, bedoeld in artikel
40, eerste
lid, onderdeel b, is over het loon van de tot hem in dienstbetrekking staande
werknemers de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel
38, en
over de door hem te betalen WGA-uitkeringen de premie ten behoeve van de
Werkhervattingskas, bedoeld in artikel 38a, niet verschuldigd.
-2. De startende
werkgever, bedoeld in artikel 40, negende lid, is in afwachting van de door de
inspecteur te nemen beslissing op aanvraag, bedoeld in artikel
40,
eerste lid, onderdeel b, over het loon van de tot hem in dienstbetrekking
staande werknemers de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel
38,
niet verschuldigd.
AFDELING
6
Premiekortingen
en premievrijstelling
§ 1.
Bonussen in de vorm van premiekortingen
Art.
47.
Premiekorting oudere werknemer (3.6.1.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2008,
598; Stb.
2009, 390; Stb. 2009, 609;
Stb. 2010, 840; Stb.
2011, 618 + bis; Stb.
2011, 645; Stb. 2012, 323]
-1. De werkgever past een korting toe op
het totaal van de door hem op grond van de afdelingen
2, 3 en 4 verschuldigde
premies bij een dienstbetrekking met een werknemer:
a. die onmiddellijk voorafgaand aan
de aanvang van de dienstbetrekking recht heeft op een uitkering op grond
van de Werkloosheidswet, de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet
werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening
oudere werklozen, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen en de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers, of op wachtgeld als bedoeld in artikel
6, vijfde lid, van de Werkloosheidswet, dan wel recht heeft op inkomensondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten; en
b. die op het moment van in dienst
treden bij die werkgever 50 jaar of ouder is.
De korting wordt toegepast voor zolang de dienstbetrekking met die
werknemer duurt, doch ten hoogste gedurende de eerste drie jaar vanaf de
aanvang van die dienstbetrekking.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is bij
een dienstbetrekking met een werknemer die behoort tot een nader te
bepalen categorie van personen die onmiddellijk voorafgaand aan de
aanvang van de dienstbetrekking recht hebben op een
nabestaandenuitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet. [Ais]
-3. De werkgever bewaart bij de
loonadministratie een verklaring van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, de Sociale
verzekeringsbank, het college van burgemeester en wethouders of een
andere uitkeringsinstantie, dat de werknemer, bedoeld in het eerste of
tweede lid, voorafgaande aan de datum van aanvang van dienstbetrekking
recht had op een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
of voldoet aan het tweede lid.
Art.
48. Omvang bonus oudere werknemer
(3.6.1.2) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2008,
598; Stb. 2011, 618;
Stb. 2012, 323]
De korting, bedoeld in artikel 47, eerste
en tweede lid, bedraagt €|7000,00 per
jaar.
Art.
49. Premiekorting arbeidsgehandicapte
werknemer (3.6.2.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710;
Stb. 2006, 703; Stb.
2008, 598; Stb. 2008, 600;
Stb. 2009, 282; Stb.
2009, 580; Stb. 2011, 618
+ bis; Stb.
2011, 650; Stb.
2012, 323]
-1. De werkgever past een korting toe op
het totaal van de door hem op grond van de afdelingen
2, 3 en 4 verschuldigde
premies bij een
dienstbetrekking met een werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan de
aanvang van de dienstbetrekking:
a. recht heeft op een
uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
b. recht heeft op een uitkering of
op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk
en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
c. een
indicatiebeschikking als bedoeld in artikel 11 van de
Wet sociale werkvoorziening heeft;
d. naar het oordeel van het UWV
een structurele functionele
beperking heeft en voor wiens ondersteuning bij arbeidsinschakeling het
college van burgemeester en wethouders, op die dag, op grond van artikel
7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en
bijstand verantwoordelijk is;
e. de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en in verband met ziekte of gebrek een
belemmering ondervindt of heeft ondervonden bij het volgen van onderwijs en
binnen vijf jaar na afronding van dat onderwijs arbeid in dienstbetrekking
gaat verrichten; of
f. geen werknemer is als
bedoeld in onderdeel b, 18 jaar is of ouder en in verband met
ziekte of gebrek een belemmering ondervindt of heeft ondervonden bij het
volgen van onderwijs en binnen vijf jaar na afronding van dat onderwijs
arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten.
De korting wordt toegepast voor zolang de dienstbetrekking met die
werknemer duurt, doch ten hoogste gedurende de eerste drie jaar vanaf de
aanvang van die dienstbetrekking.
-2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de werknemer, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, die zijn eigen arbeid geheel of gedeeltelijk
heeft hervat of een andere functie bij dezelfde werkgever is gaan
bekleden voor zolang de dienstbetrekking duurt, doch ten hoogste gedurende
één
jaar nadat die werknemer zijn eigen arbeid geheel of gedeeltelijk
heeft hervat of een andere functie bij dezelfde werkgever is gaan
bekleden.
-3. Ter uitvoering van het eerste lid, onderdeel d, wordt op verzoek van het college van burgemeester en
wethouders, bedoeld in dat lid, de aanwezigheid van een structurele
functionele beperking vastgesteld. Bij ministeriële regeling kunnen nadere
regels worden gesteld voor het eerste lid, onderdeel d, en dit lid
in ieder geval met betrekking tot de gegevens die bij de aanvraag worden
verstrekt en de kosten die voor de beoordeling van de aanvraag bij de
aanvrager in rekening worden gebracht. [RinpU]
-4. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de werknemer van wie in een
arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat hij op de eerste dag na afloop
van de wachttijd, bedoeld in artikel 23
van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen of van het tijdvak, bedoeld in
artikel 24 of 25,
negende lid, van
die wet:
1º. minder dan 35% arbeidsongeschikt is;
2º. op de eerste dag van dertien weken voorafgaand aan die dag geen
dienstbetrekking had met een andere dan zijn eigen werkgever, tenzij de
dienstbetrekking met die andere werkgever reeds bestond op de eerste dag
van de wachttijd;
3º. niet in staat is tot het verrichten van
eigen of andere passende arbeid bij de eigen werkgever; en
4º. binnen vijf jaar na die dag in
dienstbetrekking werkzaamheden gaat verrichten bij een werkgever.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de toepassing
van het eerste lid, aanhef en onder d. [RinpU]
-6. Het UWV verstrekt op verzoek van de werknemer of de persoon die
verwacht een dienstbetrekking met een werkgever te zullen aangaan een
verklaring of de aanvrager naar het oordeel van het UWV voldoet aan de
voorwaarden voor toepassing van het eerste lid, onderdeel e of f.
-7. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld voor de gegevens die de werkgever bij de
loonadministratie bewaart waaruit blijkt dat de werknemer, bedoeld in
het eerste lid, voorafgaande aan de datum van aanvang van de
dienstbetrekking voldoet aan het eerste lid.
Art.
50. Omvang bonus arbeidsgehandicapte
werknemer (3.6.2.2) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710;
Stb. 2008, 598; Stb.
2009, 580; Stb. 2012, 323]
De korting, bedoeld in artikel 49,
bedraagt €|7000,00 per jaar, met dien
verstande dat de korting bij een
dienstbetrekking met een werknemer als bedoeld in artikel
49, eerste
lid, onderdeel b, waarbij artikel 2:20 of
artikel 3:63 van de Wet werk
en arbeidsondersteuning jonggehandicapten van toepassing is, €|3500,00
per jaar bedraagt.
§
2. Algemene bepalingen en nadere regels premiekorting
Art.
50a. Uitzondering premiekorting [Geschiedenis:
Stb. 2008, 598; Stb.
2012, 323]
-1. De artikelen 47 en 49 zijn niet van
toepassing indien de werknemer arbeid verricht in een dienstbetrekking
in de zin van artikel 2 van de Wet
sociale werkvoorziening.
-2. Artikel 47 is niet van toepassing bij
een dienstbetrekking met een werknemer indien de werkgever met
betrekking tot een dienstbetrekking met diezelfde werknemer artikel 49
kan toepassen dan wel heeft toegepast.
Art.
50b. Vaststelling bedrag bonussen [Geschiedenis:
Stb. 2008, 598; Stb.
2012, 323]
-1. Het bedrag van de korting, bedoeld in
artikel 48 en 50, wordt naar evenredigheid
verminderd indien de met die
werknemer overeengekomen gemiddelde arbeidsduur per week in het tijdvak
waarover premie wordt betaald korter is dan de volledige arbeidsduur,
die op 36 uur per week wordt gesteld en indien geen vaste arbeidsduur is
overeengekomen.
-2. Voor een werknemer zonder vast
overeengekomen arbeidsduur wordt de vermindering van het bedrag van de
korting, bedoeld in artikel 48 en 50, bepaald aan de hand van het aantal
uren waarover de werkgever loon is verschuldigd in het tijdvak waarover
premie wordt betaald herleid naar weken.
-3. Indien de toepassing van artikel 48 en
50 ertoe zou leiden dat een negatieve premie wordt geheven, wordt de
premie op nihil gesteld.
Art.
50c. Nadere regels [RW]
[Geschiedenis:
Stb. 2008, 598]
-1. Bij regeling van Onze
Minister, in overeenstemming met Onze Minister
van Financiën, worden met betrekking tot de premiekortingen regels
gesteld over de toepassing van die kortingen bij onderbreking van het
dienstverband dan wel opeenvolgende en verschillende dienstverbanden bij
dezelfde werkgever of bij overgang van ondernemingen en voor het in
dienst treden.
-2. Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen regels worden
gesteld ten behoeve van een goede uitvoering van paragraaf
1 van deze afdeling, waaronder voor het berekenen van de evenredige
vermindering en de samenloop van premiekortingen en premievrijstelling
in het tijdvak waarover premie wordt betaald.
§ 3.
Premievrijstelling
bij marginale arbeid
Art.
51.
Voorwaarden premievrijstelling marginale arbeid
(3.6.3.1) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573; Stb. 2008, 600;
Stb. 2009, 282; Stb.
2009, 580; Stb. 2010, 840;
Stb.
2011, 650]
-1. Op aanvraag van een
werkgever verleent de inspecteur, gehoord het UWV
en in overeenstemming
met het UWV, bij voor bezwaar vatbare beschikking vrijstelling
van alle op grond van dit hoofdstuk verschuldigde premies ter zake van een
dienstbetrekking met een uitkeringsgerechtigde, indien:
a. de dienstbetrekking
ten hoogste zes aaneengesloten weken duurt; en
b. de werkgever in het
kalenderjaar niet eerder een dienstbetrekking met die
uitkeringsgerechtigde is aangegaan; en
c. voor een
dienstbetrekking van die uitkeringsgerechtigde in het kalenderjaar niet eerder
vrijstelling is verleend.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid worden dienstbetrekkingen tussen de werkgever en de uitkeringsgerechtigde geacht eenzelfde niet
onderbroken
dienstbetrekking te zijn indien die dienstbetrekkingen elkaar met tussenpozen van niet
meer dan 31 dagen zijn opgevolgd.
-3. Voor de toepassing van
deze paragraaf wordt onder uitkeringsgerechtigde verstaan: degene wiens inkomen uit en in verband met arbeid in
het bedrijfs- en
beroepsleven onmiddellijk voorafgaande aan de aanvang van de in het eerste lid,
aanhef, bedoelde dienstbetrekking uitsluitend bestaat uit een uitkering
of inkomensvoorziening op grond van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen, de
Toeslagenwet of uit een uitkering op grond van vergelijkbare regelingen
dan wel uit een combinatie van deze uitkeringen en die bij het UWV
als werkzoekende is geregistreerd.
-4. Het derde lid is van overeenkomstige
toepassing op de persoon die recht op arbeidsondersteuning heeft op
grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
Art.
52.
Aanvraag (3.6.3.2) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb. 2009,
108]
-1. De werkgever vraagt de
vrijstelling aan vóór de afloop van de dienstbetrekking. De
aanvraag wordt mede door de uitkeringsgerechtigde ondertekend.
-2. De aanvraag bevat in
ieder geval het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaal nummer van de uitkeringsgerechtigde.
Art.
52a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2009, 609]
Art.
53.
Aanwijzing categorieën werknemers (3.6.3.3)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004]
-1. Bij ministeriële
regeling kunnen voor de Tabakverwerkende en Agrarische sector
categorieën van werknemers worden aangewezen waarvoor de werkgever ter
zake van een dienstbetrekking met een onder die categorie vallende
werknemer de premievrijstelling, bedoeld in deze paragraaf, kan worden
verleend.
-2. Voor aanwijzing komen
in aanmerking categorieën van werknemers, die behalve uit de in het
eerste lid bedoelde dienstbetrekking, bij aanvang van die dienstbetrekking
niet zijn aangewezen op inkomen uit arbeid en geen
uitkeringsgerechtigde zijn.
Art.
54.
Vrijstelling aangewezen categorieën (3.6.3.4)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004]
-1. De inspecteur, gehoord
het UWV en in overeenstemming met het UWV, verleent voor de Tabakverwerkende en Agrarische sector op
aanvraag van een
werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vrijstelling van de
verplichting tot het betalen van premies ter zake van een dienstbetrekking met
een werknemer vallend onder een categorie als bedoeld in artikel
53, eerste lid, die voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel
51,
eerste lid.
-2. De artikelen 51 en 52 zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
55.
Nadere
regels (3.6.4.1) [RW]
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
708; Stb. 2008, 598]
Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën,
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanvragen,
bedoeld in deze paragraaf, en ten behoeve van een goede uitvoering van
deze paragraaf.
AFDELING
7
Dienstplichtigen
Vervallen
Art.
56. Vervallen. (3.7.1)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; Stb.
2004, 720 + bis; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573 + bis; Stb.
2005, 708 + bis + bis;
Stb. 2008, 600]
HOOFDSTUK
4
De
heffing en invordering van premies
§ 1.
Heffing
Art.
57.
Premieheffing door de rijksbelastingdienst (4.1.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
De rijksbelastingdienst heft de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen.
Art.
58.
Premieheffing volksverzekeringen (4.1.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
-1. De premie voor de
volksverzekeringen wordt, onverminderd het tweede lid en onder
verrekening van de krachtens dat lid geheven premie, bij wege van aanslag
geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de
inkomstenbelasting geldende regels, met uitzondering van artikel 3.154 van de
Wet
inkomstenbelasting 2001.
-2. Voor zover de
premieplichtige van een inhoudingsplichtige loon geniet in de zin van de
Wet op de
loonbelasting 1964, wordt de premie voor de
volksverzekeringen bij wijze van inhouding geheven met overeenkomstige
toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels.
-3. Voor zover de
premieplichtige aan de loonbelasting is onderworpen op grond van artikel
5a
van de Wet
op de loonbelasting 1964, is het tweede lid niet van toepassing.
Art.
59.
Premieheffing werknemersverzekeringen (4.1.3)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2005, 708;
Stb. 2006, 682; Stb.
2007, 376; Stb. 2007, 563 +
bis; Stb.
2010, 867; Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 642
+ bis; Stb.
2012, 669; Stb.
2012, 682]
-1. De premies voor de
werknemersverzekeringen worden geheven met overeenkomstige
toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels.
Artikel 32d van de Wet
op de loonbelasting 1964 is slechts van overeenkomstige toepassing
indien degene aan wie het loon wordt afgestaan werkgever van de
werknemer is.
-2. In de uitnodiging
tot het doen van aangifte, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, kan mede opgave worden verlangd van gegevens die noodzakelijk zijn ten behoeve van de
vaststelling van de premiepercentages, bedoeld in de artikelen
27, 28, 31,
36 en 38, alsmede ten behoeve
van de doelen
van de gegevensverwerking
in de polisadministratie, bedoeld in artikel
33, tweede lid, onderdeel
a en e, van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, waarbij
met betrekking tot die verlangde gegevens de regels die
gelden voor de heffing van de loonbelasting van overeenkomstige
toepassing zijn.
-3. Een aanvraag tot het
geven van een beschikking over het verzekerd zijn op grond van de werknemersverzekeringen kan door de werkgever
uitsluitend bij de
inspecteur worden ingediend. De inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
-4. Op het beroep van de werkgever tegen
de uitspraak op bezwaar van de inspecteur op grond van de artikelen
95 of 97 is hoofdstuk V, afdeling 2, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.
-5. De inspecteur stelt de
werkgever zo nodig op de hoogte van de door het UWV
op aanvraag van
de werknemer genomen beschikking over het verzekerd zijn op grond
van de werknemersverzekeringen.
-6. Indien in verband met een gevraagde
beschikking informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten
Nederland en om die reden de beschikking niet binnen de termijn, bedoeld
in afdeling 4.1.3 van Algemene
wet bestuursrecht, gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd
met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging
schriftelijk in kennis gesteld.
-7. In afwijking van de artikelen 25, 30
en 34, eerste lid, en met overeenkomstige toepassing van artikel 13bis,
zestiende en twintigste lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, is de premie door de
werknemer verschuldigd in de gevallen, bedoeld in artikel 13bis,
zestiende en twintigste lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964.
-8. Het zesde lid is van overeenkomstige
toepassing op een aanvraag als bedoeld in het derde lid en op een
aanvraag of melding op grond van de artikelen 40, 95
of 97.
§ 2.
Invordering
Art.
60.
Invordering
door de rijksbelastingdienst (4.2.1)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004]
-1. De rijksbelastingdienst
vordert de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de
werknemersverzekeringen in.
-2. Bij de invordering van
de premie voor de volksverzekeringen zijn, naargelang artikel
58, eerste lid dan wel tweede lid, van toepassing is, de regels geldende voor
de invordering van de inkomstenbelasting onderscheidenlijk de
loonbelasting van overeenkomstige toepassing.
-3. Bij de invordering van
de premies voor de werknemersverzekeringen zijn de regels geldende
voor de invordering van de loonbelasting, met uitzondering van artikel
38, eerste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet
1990, van
overeenkomstige toepassing.
§ 3.
Schuldige
nalatigheid premie volksverzekeringen
Art.
61.
Schuldige
nalatigheid (4.3.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2009, 318; Stb. 2011, 618]
-1. Indien een
premieplichtige heeft nagelaten over een bepaald jaar de op aanslag verschuldigde
premie voor de volksverzekeringen te betalen, beslist de SVB dat sprake
is van schuldig nalaten als bedoeld in artikel 13 van de
Algemene Ouderdomswet, behoudens voor zover de premieplichtige aantoont
dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen
van de premie hem niet toegerekend kan worden.
-2. Een beslissing als
bedoeld in het eerste lid wordt in elk geval genomen, indien:
a. de aanslag voor de
premie voor de volksverzekeringen ambtshalve is vastgesteld omdat de premieplichtige geen of onvoldoende medewerking
heeft verleend bij het
vaststellen van het premie-inkomen;
b. de premie voor de
volksverzekeringen niet of niet geheel kan worden ingevorderd omdat is
nagelaten te voldoen aan de krachtens de artikelen 65, eerste tot en met
derde en vijfde tot en met zevende lid, 66 en 68 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geldende verplichtingen; of
c. de premieplichtige de
bekendmaking van de beslissing op grond van het eerste lid
bemoeilijkt of onmogelijk maakt omdat is nagelaten te voldoen aan de krachtens
de artikelen 65, eerste tot en met derde en vijfde tot en met zevende lid,
66 en 68 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geldende
verplichtingen.
-3. Nadat de betalingen op een
belastingaanslag zijn toegerekend overeenkomstig artikel 7, tweede lid,
van de Invorderingswet
1990 en alvorens de SVB beslist dat de premieplichtige schuldig
nalatig is als bedoeld in het eerste lid, wordt het door de
premieplichtige reeds betaalde deel van de op aanslag verschuldigde
premie voor de volksverzekeringen in een bepaald jaar achtereenvolgens
toegerekend aan:
a. de premie verschuldigd gebleven
voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten en de
nabestaandenverzekering;
b. de premie verschuldigd gebleven
voor de algemene ouderdomsverzekering, waarbij de betaling eerst wordt
toegerekend aan het oudste tijdvak.
-4. Indien de
premieplichtige ten aanzien van wie een beslissing als bedoeld in het eerste lid
is genomen binnen vijf jaren na de dagtekening van de aanslag het op
aanslag verschuldigde bedrag alsnog geheel of gedeeltelijk betaalt, is hij een opslag verschuldigd
van 5% op de verschuldigd gebleven premie voor de algemene
ouderdomsverzekering. Indien een beslissing als bedoeld in het eerste lid
meer dan vier jaren en 48 weken na de dagtekening van de
aanslag wordt genomen, wordt de termijn van vijf jaren verlengd tot vier
weken na de datum van die beslissing.
-5. In geval van een gehele of
gedeeltelijke betaling van het op aanslag verschuldigde bedrag, bedoeld
in het vierde lid, worden, nadat deze betalingen zijn toegerekend
overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Invorderingswet
1990, de premies volksverzekeringen toegerekend aan:
a. de premie verschuldigd gebleven
voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten en de
nabestaandenverzekering;
b. de opslag, bedoeld in het vierde
lid;
c. de premie verschuldigd gebleven
voor de algemene ouderdomsverzekering, waarbij de betaling eerst wordt
toegerekend aan het oudste tijdvak of de oudste tijdvakken binnen de
termijn van vijf jaren, bedoeld in het vierde lid.
-6. In geval van gehele of gedeeltelijke
toerekening van een betaling als bedoeld in het vierde lid aan de premie
verschuldigd gebleven voor de algemene ouderdomsverzekering wordt de
beslissing op grond van het eerste lid in zoverre gewijzigd of
ingetrokken.
-7. De SVB registreert de schuldige
nalatigheid van de premieplichtige. Indien bij de SVB ten tijde van de
registratie geen actueel adres van de premieplichtige bekend is, gaat de
termijn van vier weken, genoemd in het vierde lid, in op de datum van
registratie.
Art.
62.
Beroep (4.3.2) [Geschiedenis:
versie 16 december 2004]
Het beroep tegen een
beslissing van de SVB op grond van artikel
61 kan niet zijn gegrond op
de stelling dat de aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
vastgesteld. Het beroep kan slechts
dan zijn gegrond op de stelling dat de aanslag niet is ontvangen, indien
de belanghebbende aannemelijk kan maken dat hij de aanslag nimmer
ontvangen heeft en dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan het
niet ontvangen van de aanslag hem kan worden toegerekend.
§ 4.
Aanvullende regeling
Art.
63. Nadere
regels (4.4.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met
Onze Minister van
Financiën en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot dit hoofdstuk. [RW]
HOOFDSTUK
5
Gemoedsbezwaarden
Art.
64.
Ontheffing
wegens gemoedsbezwaren (5.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2010, 867; Stb. 2011, 575]
-1. De SVB kan op verzoek
wegens gemoedsbezwaren tegen één of meer volksverzekeringen
of alle werknemersverzekeringen ontheffen van de verplichtingen opgelegd
op grond van de desbetreffende wetten en deze wet:
a. de persoon die deze
gemoedsbezwaren heeft;
b. de rechtspersoon
waarbij natuurlijke personen zijn betrokken die deze gemoedsbezwaren
hebben.
-2. De SVB doet de
inspecteur mededeling omtrent de ontheffing of intrekking van de
ontheffing.
-3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
wet bestuursrecht is van toepassing op verzoeken aan de SVB
met betrekking tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in het
eerste lid.
Art.
65.
Premievervangende belasting (5.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2006, 703;
Stb.
2011, 288]
-1. Indien een ontheffing
is verleend in het kader van één of meer volksverzekeringen, wordt
voor geen van de volksverzekeringen premie geheven, doch vindt voor
al die verzekeringen heffing van premievervangende inkomstenbelasting of
premievervangende loonbelasting plaats overeenkomstig
artikel 58 tot het bedrag van de verschuldigde premie als bedoeld in
artikel 9.
-2. Indien een werkgever
ontheffing is verleend in het kader van de werknemersverzekeringen,
wordt premievervangende loonbelasting geheven overeenkomstig
artikel 59 tot het bedrag aan premies dat hij met toepassing van
hoofdstuk 3 zou hebben afgedragen indien hem geen ontheffing zou zijn
verleend.
-3. Voor de toepassing van
deze wet, de Wet
inkomstenbelasting 2001, de Wet
op de loonbelasting 1964 en de Invorderingswet
1990 wordt de premievervangende
belasting beschouwd als premie voor de volksverzekeringen dan wel voor de
werknemersverzekeringen.
Art.
66.
Premie ten
laste van Rijk (5.3) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
Ten laste van het Rijk
komen de bedragen aan premie voor de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen die wegens een ontheffing
niet zijn geheven
overeenkomstig artikel 65.
Art.
67.
Nadere regels (5.4) [RW]
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met
Onze Minister van
Financiën en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, worden regels gesteld ten
aanzien van:
a. de voorwaarden
waaronder een ontheffing wordt verleend;
b. de verdere gevolgen
die aan een ontheffing worden verbonden;
c. de gevallen waarin
een ontheffing wordt ingetrokken en de gevolgen die aan die intrekking
worden verbonden.
Art.
67a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2006, 703; Stb.
2012, 682]
HOOFDSTUK
6
De
financiering van de vrijwillige sociale verzekeringen
AFDELING
1
De
financiering van de vrijwillige volksverzekeringen
§ 1.
Inleidende
bepalingen
Art.
68.
Premieheffing (6.1.1.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
De financiële middelen
tot dekking van de uitgaven voor de vrijwillige volksverzekeringen worden
verkregen door het heffen van premie.
Art.
69.
Algemene
begrippen (6.1.1.2) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525]
Voor de toepassing van
deze afdeling wordt verstaan onder:
a. vrijwillige algemene
ouderdomsverzekering: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk IV van de
Algemene Ouderdomswet;
b. vrijwillige
nabestaandenverzekering: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk 5 van de
Algemene nabestaandenwet.
§ 2.
Heffing en inning
Art.
70.
Premieheffing door SVB (6.1.2.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525]
-1. De verschuldigde
premie voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering of de vrijwillige
nabestaandenverzekering wordt in rekening gebracht en geïnd door
de SVB op de wijze en het tijdstip aangegeven door de
SVB.
-2. Een schuld aan premie
voor een vrijwillige verzekering valt buiten de nalatenschap van degene
die tot die verzekering was toegelaten. De schuld wordt betaald door
degene die krachtens de betrokken vrijwillige verzekering prestaties
ontvangt.
§ 3.
Premieplicht en
tarief
Art.
71.
Premieplicht en tarief (6.1.3.1) [BvvA] [BvvAA01]
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525]
-1. Degene die is
toegelaten tot de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering of de vrijwillige
nabestaandenverzekering is voor die verzekeringen een premie verschuldigd
volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen tarief. [BW]
-2. De voordracht voor een
op grond van het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van
bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
AFDELING
2
De
financiering van de vrijwillige werknemersverzekeringen
§ 1.
Inleidende bepaling
Art.
72.
Premieheffing (6.2.1.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
De financiële middelen
tot dekking van de uitgaven voor de vrijwillige werknemersverzekeringen
worden verkregen door het heffen van premie.
§ 2.
Heffing en inning
Art.
73.
Premieheffing door UWV (6.2.2.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
-1. De premies voor de
vrijwillige werknemersverzekeringen worden in rekening gebracht en
geïnd door het UWV op de wijze en het
tijdstip aangegeven door dat
instituut.
-2. Het UWV kan nadere
regels stellen met betrekking tot de premie. [RvaW07]
[RvvW]
[RvvW07] [Rvw06]
[Rvw07] [RvW06]
[Rvz06]
[Rvz07]
-3. De door het UWV op
grond van het tweede lid gestelde regels behoeven de goedkeuring
van Onze Minister.
§ 3.
Werkloosheidswet
Art.
74.
Hoogte
premie vrijwillige werkloosheidsverzekering (6.2.3.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2011, 288]
-1. De premie voor de
vrijwillige verzekering op grond van de Werkloosheidswet
wordt
berekend over het dagloon, bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de
Werkloosheidswet.
-2. De premie bedraagt een
door het UWV te bepalen percentage van het in het eerste lid
bedoelde dagloon, met dien verstande dat de premie niet meer bedraagt dan
het deel van de premie, bedoeld in artikel 27, dat ten gunste komt van
het Algemeen Werkloosheidsfonds, vermeerderd met de premie, bedoeld in
artikel 28, tweede lid. [Bpvw06] [Bpvw07]
[Bpvw08]
[Bpvw09] [Bpvw10]
[Bpvw11] [Bpvw12]
[Bpvw13]
§ 4.
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
Art.
75.
Hoogte
premie vrijwillige WAO-verzekering (6.2.4.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2007,
557; Stb.
2010, 867]
-1. De premie voor de
vrijwillige verzekering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt berekend over het dagloon, bedoeld in
artikel 84,
eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. De premie bedraagt een
door het UWV te bepalen percentage van het in het eerste lid
bedoelde dagloon, met dien verstande dat de premie niet meer bedraagt dan de
in artikel 36 bedoelde basispremie. [BpvvW06]
[BpvvW07] [BpvvW08]
[BpvvW09] [BpvvW10]
[BpvvW11] [BpvvW12]
[BpvvW13]
§ 5.
Ziektewet
Art.
76.
Hoogte
premie vrijwillige Ziektewetverzekering (6.2.5.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
-1. De premie voor de
vrijwillige verzekering op grond van de Ziektewet
wordt berekend over het
dagloon, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de
Ziektewet.
-2. De premie bedraagt een
door het UWV te bepalen percentage van het in het eerste lid
bedoelde dagloon. [BpvvZ06] [BpvvZ07]
[BpvvZ08] [BpvvZ09]
[BpvvZ10] [BpvvZ11]
[BpvvZ12] [BpvvZ13]
§
6. Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen
Art.
76a. Hoogte
premie vrijwillige WIA-verzekering [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2007, 557;
Stb.
2010, 867; Stb.
2012, 464]
-1. De premie voor de
vrijwillige verzekering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen wordt berekend over het dagloon, bedoeld in artikel
21,
eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
-2. De premie bedraagt een door het UWV
te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon, met
dien verstande dat de premie niet meer bedraagt dan de in artikel
36 bedoelde basispremie, vermeerderd met een premieopslag
die wordt berekend op grond van het in artikel 38,
eerste lid, onderdeel a, bedoelde percentage.
[BpvvW06] [BpvvW07]
[BpvvW08] [BpvvW09]
[BpvvW10] [BpvvW11]
[BpvvW12] [BpvvW13]
AFDELING
3
Aanvullende
bepalingen
Art.
77.
Inlichtingenplicht (6.3.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
Degene die is toegelaten
tot een vrijwillige verzekering is verplicht aan de SVB
of het UWV
onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is dat zij van
invloed zijn op de hoogte van de verschuldigde premie.
Art.
78. Vervallen. (6.3.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573; Stb.
2012, 682]
Art.
79.
Beslistermijn bezwaar (6.3.3) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2009,
384]
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht beslist de SVB
of het UWV
binnen dertien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn
voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
Art.
80.
Nadere
regels (6.3.4) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de vaststelling, de inning en de betaling van de premie
voor een vrijwillige verzekering. [BW]
HOOFDSTUK
7
De
fondsen
AFDELING
1
Algemeen
Art.
81.
Premieafdracht en -toerekening (7.1.1)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004]
Bij regeling van Onze Minister en Onze Ministers van Financiën en
van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport worden regels gesteld met betrekking tot de afdracht van de
premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de
werknemersverzekeringen alsmede van de daarmee verband houdende bestuurlijke
boeten en renten door de rijksbelastingdienst
aan de fondsen en de wijze
van toerekening van die premies, boeten en renten aan de fondsen. [RW]
AFDELING
2
Volksverzekeringen
§ 1.
Algemene
Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet
Art.
82.
Ouderdomsfonds en Nabestaandenfonds (7.2.1.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
-1. De SVB beheert en
administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven,
bedoeld in artikel 83, tweede lid, in de vorm van een Ouderdomsfonds.
-2. De SVB beheert en
administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven,
bedoeld in artikel 85, tweede lid, in de vorm van een
Nabestaandenfonds.
-3. Het Ouderdomsfonds en
het Nabestaandenfonds maken deel uit van de SVB.
Art.
83.
Inkomsten
en uitgaven Ouderdomsfonds (7.2.1.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 713; Stb. 2009, 265;
Stb. 2011, 231; Stb.
2011, 288]
-1. Ten gunste van het
Ouderdomsfonds komen:
a. de premies voor de
algemene ouderdomsverzekering en voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering;
b. rijksbijdragen als
bedoeld in artikel 14;
c. de opslag, bedoeld in
artikel 61, derde lid;
d. de bestuurlijke boeten boeten, bedoeld in
artikel 17c van de Algemene
Ouderdomswet;
e. de bijdrage in de
kosten van de heffingskortingen, bedoeld in artikel 15.
-2. Uit het Ouderdomsfonds
worden betaald:
a. de lasten van de
algemene ouderdomsverzekering en van de vrijwillige algemene
ouderdomsverzekering;
b. de lasten van de regeling vervat in hoofdstuk VIII van de Algemene
Ouderdomswet;
c. de bijdrage, bedoeld in artikel 87a.
Art.
84.
Prognose
benodigde middelen (7.2.1.3) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2011, 481]
Onze Minister stelt één
keer per jaar een prognose op van de benodigde middelen tot dekking van
de lasten van de algemene ouderdomsverzekering voor de eerstkomende tien
jaren, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar de opbrengst
van de premies voor de algemene ouderdomsverzekering en de rijksbijdragen,
bedoeld in artikel 14.
Art.
85.
Inkomsten
en uitgaven Nabestaandenfonds (7.2.1.4)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
708; Stb.
2006, 559; Stb. 2009, 265]
-1. Ten gunste van het
Nabestaandenfonds komen:
a. de premies voor de
nabestaandenverzekering en voor de vrijwillige nabestaandenverzekering
alsmede de te ontvangen bijdragen op grond van artikel 66a
van de
Algemene nabestaandenwet en de daarop berustende bepalingen;
b. de bestuurlijke boeten boeten, bedoeld in
artikel 39 van de
Algemene nabestaandenwet;
c. de bijdrage in de
kosten van de heffingskortingen, bedoeld in artikel 15;
d. rijksbijdragen als bedoeld in artikel
14, eerste lid.
-2. Uit het
Nabestaandenfonds worden betaald:
a. de lasten van de
nabestaandenverzekering en van de vrijwillige nabestaandenverzekering;
b. de lasten
voortvloeiend uit hoofdstuk 8 van de
Algemene nabestaandenwet en de
daarop berustende bepalingen;
c. de lasten van de tegemoetkomingen, bedoeld in artikel
29a van de Algemene nabestaandenwet,
en de daaraan verbonden uitvoeringskosten.
Art.
86. Vervallen. (7.2.1.5)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb.
2011, 481]
Art.
87. Vervallen. (7.2.1.6)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb.
2011, 481]
Art.
87a. Bijdrage
Zorgverzekeringsfonds [Geschiedenis:
Stb.
2011, 288]
-1. Periodiek wordt door de SVB een
bijdrage ten laste gebracht van het Ouderdomsfonds die ten gunste komt
van het Zorgverzekeringsfonds, bedoeld in artikel
39, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet.
-2. De bijdrage, bedoeld in het eerste
lid, vormt het verschil tussen het in het kalenderjaar geldende
percentage, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, dat wordt toegepast voor het loon, bedoeld in
artikel 42, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet,
en het in het
kalenderjaar geldende percentage, bedoeld in artikel
45, tweede lid, van
de Zorgverzekeringswet, dat wordt toegepast voor het bijdrage-inkomen,
bedoeld in artikel 43, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet,
vermenigvuldigd met de lasten van de algemene ouderdomsverzekering en de
vrijwillige algemene ouderdomsverzekering.
-3. De SVB stelt regels omtrent de
termijnen waarin en de wijze waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste
lid, betaalbaar wordt gesteld.
-4. De door de SVB op grond van het derde
lid gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze
Minister, na
overleg met Onze Ministers van Financiën en
van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport.
Art.
88. Vervallen. (7.2.1.7)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb.
2011, 481]
§ 2.
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten
Art.
89.
Algemeen
Fonds Bijzondere Ziektekosten (7.2.2.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
Het College
zorgverzekeringen beheert en administreert afzonderlijk een Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten.
Art.
90.
Inkomsten
en uitgaven AFBZ (7.2.2.2) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2005, 708
+ bis; Stb.
2006, 644; Stb. 2011, 561;
Stb. 2011, 596; Stb.
2011, 618]
-1. Ten gunste van het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten komen:
a. de premie voor de
algemene verzekering bijzondere ziektekosten;
b. de inkomsten die in
verband met de algemene verzekering bijzondere ziektekosten
voortvloeien uit internationale overeenkomsten;
c. de bijdragen in de
kosten van zorg die op grond van artikel 6,
vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten
worden betaald door of namens de verzekerde, dan wel, in voorkomend geval,
door het krachtens een wettelijke regeling tot betaling van zodanige
bijdragen bevoegde orgaan dat uitkeringen of pensioenen uit hoofde van
die regeling aan die verzekerde betaalbaar stelt;
d. de bijdragen in de
kosten van de heffingskortingen, bedoeld in artikel
15;
e. een rijksbijdrage als
bedoeld in artikel 14, tweede lid;
f. door
zorgaanbieders ingevolge een regel van de zorgautoriteit op grond van
artikel 37, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet
marktordening gezondheidszorg dan wel op aanwijzing van de
zorgautoriteit op grond van artikel 76, tweede lid, van die
wet afgedragen bedragen en door de zorgautoriteit van zorgaanbieders
op grond van artikel 81, eerste lid, onderdeel c, van die
wet ingevorderde bedragen, voor zover die bedragen niet worden
afgedragen aan het Zorgverzekeringsfonds of aan derden.
-2. Uit het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten worden betaald:
a. de gehele of
gedeeltelijke kosten van de algemene verzekering bijzondere ziektekosten
en uitkeringen als bedoeld in artikel 3.1.2 van de
Invoerings- en
aanpassingswet Zorgverzekeringswet;
b. de uitgaven voor deze verzekering voortvloeiende uit overeenkomsten, waaronder begrepen
internationale overeenkomsten;
c. de uitgaven die in
verband met die verzekering voortvloeien uit enige andere wettelijke
regeling dan de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten;
d. bijdragen aan Onze
Minister van Veiligheid en Justitie in verband met diens financiële
verantwoordelijkheid, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten;
e. bijdragen aan Onze
Minister van Defensie op grond van artikel 7, derde lid, van de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten;
f. uitgaven ten behoeve
van subsidies verstrekt op grond van artikel 44 van de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten;
g. bijdragen waarmee het CAK gemeenten
compenseert voor in het kader van de Wet
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten
ingevoerde kortingen op eigen bijdragen of andere eigen
betalingen als bedoeld in de Wet maatschappelijke
ondersteuning;
h.
bedragen als bedoeld in artikel 56a van de Wet
marktordening gezondheidszorg;
i. de door het College
zorgverzekeringen op grond van een ministeriële regeling vastgestelde
verdeelbedragen, zijnde aan de relevante zorgverzekeraars toegekende delen
van de bedragen bedoeld in onderdeel f van het eerste lid.
-3. Uit het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten kunnen middelen worden gebruikt voor het
vormen en in stand houden van een reserve.
Bij ministeriële regeling
kunnen door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, in
overeenstemming met Onze Minister, met betrekking tot de vorige volzin
nadere regels worden gesteld.
-4. Onverminderd het
bepaalde krachtens artikel 15 wordt jaarlijks aan het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten een bijdrage verleend voor de uitvoering van de
Regeling Ziekenfondsraad Abortusklinieken 1992 dan wel de regeling die op
grond van artikel 44 van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten ter vervanging van die regeling is vastgesteld. Op de bijdrage worden
voorschotten verleend. De bijdrage voor enig jaar is gelijk aan het
saldo van de uitgaven en ontvangsten in het desbetreffende jaar met
betrekking tot de uitvoering van de bedoelde regeling, voor zover door
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aanvaard.
Het
College zorgverzekeringen neemt een specificatie van de ontvangsten en
uitgaven op in de jaarrekening, bedoeld in artikel 45 van de
Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport stelt de bijdrage uiterlijk drie maanden na ontvangst van de
jaarrekening vast.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
worden de bijdragen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel g, nader
aangeduid en worden regels gesteld over de wijze van betaalbaarstelling
van deze bijdragen.
Art.
91.
Dekking
uitgaven AFBZ (7.2.2.3) [BfuBZ]
[BfubzA] [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb.
2006, 415]
-1. Het College
zorgverzekeringen doet jaarlijks uitkeringen uit het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten ter dekking van de noodzakelijke uitgaven gedaan voor de
uitvoering van de in de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten geregelde verzekering, volgens bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen regelen. [BW]
-2. De zorgautoriteit is bevoegd vast te stellen dat uitgaven niet verantwoord waren voor
zover deze door hem niet noodzakelijk worden geacht voor de uitvoering
van de verzekering op grond van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten. Met de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, evenals met de daarmee
verkregen opbrengsten worden geen uitgaven gedekt waarvan de
zorgautoriteit heeft vastgesteld dat zij niet verantwoord waren, tenzij
de zorgautoriteit anders besluit.
-3. Op de uitkeringen,
bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschotten worden verleend
overeenkomstig door het College zorgverzekeringen te stellen regels.
Art.
92. Vervallen. (7.2.2.4)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb.
2006, 415; Stb.
2012, 682]
AFDELING
3
Werknemersverzekeringen
§ 1.
Algemeen
Werkloosheidsfonds, sectorfondsen en Uitvoeringsfonds voor de overheid
Art.
93.
Algemeen
Werkloosheidsfonds (7.3.1.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
Het UWV beheert en
administreert afzonderlijk de in artikel 99 bedoelde middelen tot
dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in de artikelen
100, 101 en 102, in de vorm van een Algemeen Werkloosheidsfonds dat
deel uitmaakt van het UWV.
Art.
94.
Sectorfondsen (7.3.1.2) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573]
-1. Het UWV stelt voor een
sector als bedoeld in artikel 95, met uitzondering van de
sectoren waartoe alleen overheidswerkgevers behoren, een sectorfonds in.
-2. Het UWV beheert de
middelen, bedoeld in artikel 103, en de uitgaven, bedoeld in
artikel 104, eerste lid, gezamenlijk en administreert deze middelen en uitgaven
met betrekking tot elk sectorfonds afzonderlijk.
Art.
95.
Sectorindeling (7.3.1.3) [Ribbs]
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004]
-1. Bij regeling van Onze Minister, na overleg met
Onze Minister van
Financiën en nadat hij
het UWV in de gelegenheid heeft gesteld daarover advies uit te brengen,
wordt het bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld in sectoren, waarbij elke
sector één of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat,
en kan een sector worden onderverdeeld in sectoronderdelen, waarbij
elk sectoronderdeel de bedrijfsactiviteiten van één of meer werkgevers
omvat. [RW]
-2. Indien een sector in
sectoronderdelen is ingedeeld, stelt de inspecteur ten aanzien
van elke bij de betrokken sector aangesloten werkgever bij voor
bezwaar vatbare beschikking vast bij welk sectoronderdeel de werkgever behoort of
bij welk sectoronderdeel de werkzaamheden die hij
doet verrichten, behoren.
Art.
96.
Aansluiting bij sector (7.3.1.4) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb.
2012, 657]
-1. Een werkgever is van
rechtswege aangesloten bij de op grond van artikel 95 vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet
verrichten.
-2. Indien een werkgever
werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende
sectoren, is hij van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden
behoren waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag
aan premieplichtig loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.
-3. Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen met betrekking
tot de aansluiting van één of meer categorieën werkgevers bij een
sector regels worden gesteld waarbij voor deze aansluiting andere
criteria bepalend kunnen zijn dan genoemd in het eerste en tweede lid. [RW]
Art.
97.
Mededeling aansluiting (7.3.1.5) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb.
2009, 318]
-1. De werkgever die op
grond van artikel 96 bij een sector is aangesloten of ophoudt
bij een sector aangesloten te zijn, doet daarvan binnen twee weken
schriftelijk melding bij de inspecteur.
-2. De inspecteur deelt
een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking mee bij
welke sector en vanaf welke datum hij op grond van artikel
96 is
aangesloten.
-3. In afwijking van
artikel 96, tweede lid, beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare
beschikking op aanvraag dat een werkgever met ingang van
een door de inspecteur aan te geven datum voor door de inspecteur
aan te wijzen werkzaamheden is aangesloten bij een andere sector dan de
sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij overigens doet
verrichten.
Art.
98.
Overgang
vermogen (7.3.1.6) [Rvwsw]
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573]
-1. Indien één of meer
werkgevers van een sector overgaan naar een andere sector, kan het UWV
besluiten dat tevens een deel van het vermogen van dit instituut dat betrekking heeft op het door dit instituut voor die sector
afzonderlijk beheerde en geadministreerde sectorfonds overgaat naar het
vermogen dat betrekking heeft op een door dit instituut voor een andere
sector afzonderlijk beheerd en geadministreerd sectorfonds.
-2. Met betrekking tot het
eerste lid stelt het UWV regels omtrent:
a. de gevallen waarin
vermogen overgaat;
b. de wijze van
berekening van vermogensbestanddelen;
c. de termijnen waarin en
de wijze waarop vermogen overgaat.
-3. De door het UWV op
grond van het tweede lid gestelde regels behoeven de goedkeuring
van Onze Minister.
Art.
99.
Middelen
Algemeen Werkloosheidsfonds (7.3.1.7)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb.
2009, 318; Stb.
2012, 464; Stb.
2012, 675]
Ten gunste van het
Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
a. de premies op grond
van de artikelen 27, 28, derde lid, en
76 en de premie op
grond van artikel 74, voor zover deze niet ten gunste komt van een
sectorfonds;
b. de bedragen die het UWV
ontvangt door de toepassing van artikel 36 van de
Werkloosheidswet, voor zover deze bedragen betrekking hebben op
uitkeringen die ten
laste van dat fonds zijn gebracht;
c. de bedragen die het
UWV ontvangt door de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van
artikel 66 van de Werkloosheidswet;
d. de bedragen die het
UWV ontvangt door toepassing van artikel 45a
van de Ziektewet, voor zover deze verband houden met te betalen uitkeringen op grond van
de Ziektewet, anders dan op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel a,
b en c, van die wet;
e. de
bedragen die het UWV ontvangt van de werkgever in het kader van de
toepassing van artikel 8, derde lid,
van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945.
Art.
100.
Uitgaven
Algemeen Werkloosheidsfonds (7.3.1.8)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710;
Stb. 2005, 708; Stb.
2006, 303; Stb. 2006, 703;
Stb. 2008, 598; Stb.
2008, 600; Stb.
2009, 318; Stb 2010, 296;
Stb.
2010, 867; Stb.
2011, 288; Stb. 2012, 323; Stb. 2012, 327;
Stb.
2012, 464]
Ten laste van het
Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet
te betalen uitkeringen:
1º. met uitzondering van de uitkeringen, bedoeld in artikel
104, eerste
lid;
2º. met inbegrip van de uitkeringen, bedoeld in artikel
104, zevende lid;
b. de op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel d, e, f en g, en
artikel 70 van de Ziektewet
te
betalen uitkeringen en de uitkeringen op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel a, b en c, die direct
aansluitend zijn toegekend op een uitkering op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel d, e, f of g, van de Ziektewet
of artikel 70 van de Ziektewet;
c. de uitvoeringskosten, voor zover deze betrekking hebben op de in de onderdelen a en b
bedoelde uitkeringen;
d. de op grond van enige
wet over de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a en b, door het UWV
verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet,
die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen
worden gebracht;
e. de bedragen die op
grond van artikel 104, vierde lid, door het UWV ten laste van het
Algemeen Werkloosheidsfonds zijn gebracht;
f. de subsidies op grond
van de Wet tijdelijke bijdrage herstructurering arbeidsvoorziening
havens;
g. de bedragen van de premievrijstelling bij
marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3,
voor zover
die worden toegepast op de premies berekend op grond van artikel
27;
h. vervallen;
i.
vervallen;
j. de op grond van
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg te betalen
uitkeringen en de daaraan verbonden uitvoeringskosten, met
uitzondering van hetgeen op grond van artikel 108 ten laste komt
van het Uitvoeringsfonds voor de overheid;
k.
de kosten in verband met de uitvoering van artikel
30a van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van personen die
een uitkering ontvangen als bedoeld in de onderdelen a en b
en de kosten van de re-integratiemaatregelen, bedoeld in hoofdstuk
VI van de Werkloosheidswet en hoofdstuk
IIa van de Ziektewet, ten aanzien van
deze personen;
l. vergoedingen aan gemeenten die
worden overeengekomen ter uitvoering van artikel
30a, derde lid, onderdeel a, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover
betrekking hebbend op personen die een uitkering ontvangen als bedoeld
in de onderdelen a en b.
Art.
101. Vervallen. (7.3.1.9)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2008,
600]
Art.
102.
Vergoeding migrerende werknemers (7.3.1.10) [Rvbr]
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
-1. Het UWV vergoedt, ten
laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, aan het Rijk bijdragen
die vanwege het Rijk worden verleend aan uit het buitenland afkomstige
werknemers die geen Nederlander zijn en die terugkeren naar hun land
van herkomst of emigreren naar een ander land en tot het tijdstip van
vertrek uitkering op grond van de Werkloosheidswet
ontvangen.
-2. De in het eerste lid
bedoelde vergoedingen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen die de in
het eerste lid bedoelde werknemers op grond van de Werkloosheidswet
zouden hebben kunnen ontvangen indien zij werkloos waren gebleven
en niet naar hun land van herkomst of een ander land waren
vertrokken.
-3. Bij ministeriële
regeling, na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, worden regels
gesteld met betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden bijdragen,
bedoeld in het eerste lid. [RW]
Art.
103.
Middelen sectorfondsen (7.3.1.11)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573 + bis + bis;
Stb. 2008, 600; Stb.
2012, 464]
-1. Ten gunste van een sectorfonds komen:
a. de premies op grond
van artikel 28, met uitzondering van de premies die op grond van
het derde lid van dat artikel ten gunste komen van het Algemeen
Werkloosheidsfonds, en de premie op grond van artikel 74, voor zover deze
de premie op grond van artikel 28, tweede lid, niet overschrijdt;
b. de bedragen die het UWV
ontvangt door toepassing van de artikelen
27a en 36 van de Werkloosheidswet,
voor zover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen die
ten laste van dit fonds zijn gebracht;
c. de bedragen die het
UWV op grond van artikel 100, onderdeel d, ten laste van het
Algemeen Werkloosheidsfonds brengt;
d. de bedragen die het
UWV ontvangt door toepassing van de artikelen 38, vierde lid,
39a,
63a,
derde tot en met vijfde lid, 63b, tweede lid, en
63c van de Ziektewet;
e. de bedragen die het
UWV ontvangt door toepassing van artikel 45a
van de Ziektewet, voor zover deze verband houden met op grond van artikel
29, tweede lid,
onderdeel a, b en c, van die wet te betalen uitkeringen;
f. de bijdragen van de werkgever of de eigenrisicodrager of de
werknemer in de kosten van het onderzoek, bedoeld in artikel
32, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
g. de bedragen die het UWV ontvangt door toepassing van de artikelen
76, 91 en 99 van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
voor zover deze bedragen
betrekking hebben op uitkeringen die ten laste van dit fonds zijn
gebracht.
-2. Bij ministeriële regeling wordt
een jaarlijkse bijdrage vastgesteld die in een kalenderjaar ten
gunste komt van het sectorfonds waarin werkgevers op grond van
artikel 95 zijn ingedeeld, die zich in het kader van de uitoefening
van hun bedrijf of beroep bezighouden met het ter beschikking
stellen van arbeidskrachten aan een derde om krachtens een door deze
aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder
leiding en toezicht van de derde, waarbij die werknemers werkzaam
zijn op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690
van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek, waarin tevens een beding als
bedoeld in artikel 691, tweede lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen.
Art.
104.
Uitgaven sectorfondsen (7.3.1.12)
[Geschiedenis:
MvT; Stb. 2004, 731 + bis;
versie 16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573 + bis + bis;
Stb. 2005, 710; Stb.
2005, 708 + bis; Stb.
2006, 303; Stb. 2006, 644;
Stb. 2006, 703; Stb.
2007, 557; Stb. 2008, 590;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 318; Stb. 2010,
838; Stb.
2011, 288; Stb. 2012, 224;
Stb.
2012, 464; Stb. 2012, 544]
-1. Ten laste van een sectorfonds komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet
over de eerste zes maanden vanaf de eerste
werkloosheidsdag te betalen uitkering aan de werknemer die in de kalenderweek
onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies
in de sector werkzaam is geweest waarvoor het sectorfonds is
ingesteld, waarbij, voor de bepaling van de periode van zes maanden, perioden
waarin de werknemer geen recht op uitkering heeft buiten beschouwing
worden gelaten;
b. de op grond van
artikel 18 van de Werkloosheidswet te betalen uitkeringen;
c. de op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, van de
Ziektewet te betalen uitkeringen en de
uitkeringen op grond van artikel 29, tweede
lid, onderdeel d, e, f en g, die direct
aansluitend zijn toegekend op een uitkering op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel a, b of c, of artikel
70 van de Ziektewet, met uitzondering van de uitkeringen aan de personen wier arbeidsverhouding op grond van artikel
4, eerste lid, onderdeel
i of j, van de Ziektewet als dienstbetrekking wordt
beschouwd;
d. de door het UWV
te betalen WGA-uitkeringen aan een werknemer die uit de dienstbetrekking
waaruit de WGA-uitkering is ontstaan recht had op een uitkering als
bedoeld in onderdeel c dan wel van dit recht was uitgesloten op
grond van artikel 19a of artikel
19b van de Ziektewet, gedurende de
periode die op grond van artikel 82, eerste
lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen geldt op de dag waarop het recht op een uitkering op
grond van die wet is ontstaan, te rekenen vanaf
de laatstgenoemde dag;
e. de uitvoeringskosten, voor zover deze betrekking hebben op de in de onderdelen
a tot en
met d
bedoelde uitkeringen;
f. de op grond van enige
wet over de uitkeringen, bedoeld in de
onderdelen a tot en met d, door het UWV
verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet,
die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen
worden gebracht;
g. de kosten van de
werkzaamheden, bedoeld in artikel 63a, vierde en vijfde lid, van de
Ziektewet, alsmede de schade, bedoeld in het zesde lid van dat artikel, die
wordt vergoed aan een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel
40,
eerste lid, onderdeel a, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
h. de kosten van
onderzoek, bedoeld in artikel 32, eerste,
tweede, derde en vierde lid, van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
i. de bedragen van de
premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van
hoofdstuk 3, toegepast op de sectorpremie;
j. de uitvoeringskosten, voor zover deze betrekking hebben op de uitvoering van de
artikelen 38, vierde lid, 39 en 39a
van de Ziektewet ten aanzien van anderen
dan de personen, bedoeld in onderdeel c,
en niet reeds op grond van
onderdeel d ten laste van een sectorfonds worden gebracht, alsmede
de uitvoeringskosten, voor zover deze betrekking hebben op de
uitvoering van artikel 629, derde lid, onderdeel c, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek;
k. de kosten die in verband
met de uitvoering van artikel 30a, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van personen die een uitkering ontvangen als bedoeld in onderdeel c.
-2. Het UWV is bevoegd in
bijzondere gevallen voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, werkzaamheden in de ene sector gelijk te stellen met werkzaamheden
in een andere sector.
-3. Artikel 21 van de Werkloosheidswet
is met betrekking tot de in het eerste lid,
onderdeel a, bedoelde periode waarover de uitkering ten laste van
een sectorfonds komt van overeenkomstige toepassing.
-4. Het UWV brengt hetgeen ten laste van
het sectorfonds komt, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds voor
zoveel dit meer bedraagt dan het voor het sectorfonds op grond van artikel
105, eerste lid, vastgestelde maximum, met dien verstande
dat het UWV ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds brengt, voor
zoveel dit uitkeringen, bedoeld in artikel 104,
eerste lid, onderdeel d, betreft die meer bedragen dan dit
maximum.
-5. Ten laste van het sectorfonds komen voorts:
a. de kosten die rechtstreeks
verband houden met de uitvoering van artikel 30a
van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van een
betrokkene indien deze ten tijde van het aanvangen van de werkzaamheden
van het re-integratiebedrijf, bedoeld in het achtste lid van dat artikel,
een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d,
ontvangt; en
b. de loonkostensubsidie, bedoeld in
artikel 37a van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen zoals dat luidde op 31 december
2011, indien de
uitkeringsgerechtigde met wie de werkgever aan wie de loonkostensubsidie
wordt verstrekt een dienstbetrekking aangaat of is aangegaan, op de dag
voorafgaand aan die dienstbetrekking recht heeft op een uitkering als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
-6. In afwijking van het
eerste lid, onderdeel c, e en f, komen de
uitkeringen die worden
betaald door een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel
40, eerste
lid, onderdeel a, of een werkgever die een onderneming verkrijgt als bedoeld in
artikel 63b, derde lid, van de Ziektewet, en de door hem gemaakte
kosten ter zake van de betaling van die uitkeringen en van de werkzaamheden,
bedoeld in artikel 63a, eerste lid, van
die wet, alsmede de op grond van
enige wet over die uitkeringen verschuldigde premies of vergoedingen als bedoeld in artikel
46 van de Zorgverzekeringswet
die niet op die
uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht, niet ten laste van een
sectorfonds.
-7. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, komen de
uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet die worden betaald gedurende de eerste dertien weken van
ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte, niet ten laste van een sectorfonds. Artikel
20, zevende
lid, van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.
-8. Voor de bepaling van de periode van zes maanden, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, worden perioden waarin de werknemer
uitkering ontvangt als bedoeld in het zevende lid, buiten aanmerking
gelaten.
Art.
105.
Vaststelling lastenplafond sectorfondsen (7.3.1.13)
[Geschiedenis:
MvT; Stb. 2004, 731 + bis;
versie 16 december 2004; Stb. 2005,
573 + bis + bis;
Stb. 2005, 708 + bis;
Stb. 2006, 703; Stb.
2009, 318; Stb.
2011, 288; Stb.
2012, 464]
-1. Het UWV
stelt elk jaar
voor elk sectorfonds afzonderlijk een maximum vast dat in een kalenderjaar op grond van artikel 104 ten laste van dat
sectorfonds komt. [Bvgls09] [Bvls07] [Bvls08]
[Bvls09] [Bvls10]
[Bvls11] [Bvls12]
[Bvls13] [Bvlw06]
-2. Bij de vaststelling
van het maximum, bedoeld in het eerste lid, blijven buiten
beschouwing:
a. de bedragen die ten
laste van een sectorfonds komen op grond van artikel
104,
eerste lid,
onderdeel c, d en i; en
b. de lasten die op grond
van artikel 104, vierde lid, bij het UWV ten laste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds of het Arbeidsongeschiktheidsfonds in rekening worden gebracht.
-3. Indien één of meer
werkgevers eigenrisicodrager zijn als bedoeld in artikel
40, eerste
lid, onderdeel a of c, kan Onze Minister
het deel van de premie dat ten gunste
komt van het desbetreffende sectorfonds maximeren, voor zover dat
deel betrekking heeft op de uitkeringen, bedoeld in artikel 104,
eerste lid, onderdeel c, respectievelijk artikel
104, eerste lid, onderdeel
d, alsmede de uitvoeringskosten met betrekking tot die
uitkeringen en de op grond van enige wet over die uitkeringen
verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke
bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet,
die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden
gebracht.
-4. Het door het UWV
vastgestelde maximum, bedoeld in het eerste en derde lid, behoeft de goedkeuring
van Onze Minister. Indien Onze Minister zijn goedkeuring onthoudt aan
het door het UWV vastgestelde maximum, stelt hij dat zelf vast.
Art.
106.
Uitvoeringsfonds voor de overheid (7.3.1.14)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
Het UWV beheert en
administreert afzonderlijk de in artikel 107 bedoelde middelen tot
dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in de artikelen
108, 109 en 110, in de vorm van een Uitvoeringsfonds voor de
overheid dat deel uitmaakt van het UWV.
Art.
107.
Middelen
Uitvoeringsfonds voor de overheid (7.3.1.15)
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2004, 720 + bis; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708 + bis
+ bis; Stb.
2008, 600; Stb. 2011, 618;
Stb.
2012, 464]
Ten gunste van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:
a. de bedragen die het UWV
ontvangt door de toepassing van artikel 79 van de
Werkloosheidswet;
b. de premies op grond
van artikel 31;
c. de premies geheven
over uitkeringen en toeslagen van personen als bedoeld in artikel
24, tweede lid;
d. de bedragen die het
UWV ontvangt door de toepassing van de artikelen
27a en 36 van
de Werkloosheidswet, voor zover deze bedragen betrekking hebben op
uitkeringen die ten laste van dat fonds zijn gebracht;
e. de bedragen die het
UWV ontvangt door de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van
artikel 66 van de Werkloosheidswet indien de in dat artikel bedoelde
werkgever een overheidswerkgever is;
f. de bedragen die het
UWV ontvangt door de toepassing van artikel 45a
van de Ziektewet, voor zover deze bedragen betrekking hebben op
uitkeringen die ten
laste van dat fonds zijn gebracht;
g. de bedragen die het
UWV ontvangt door de toepassing van de artikelen
38, vierde lid,
en 39a van de Ziektewet indien de in het toegepaste artikel bedoelde
werkgever een overheidswerkgever is;
h. de bijdragen van de
overheidswerkgever of overheidswerknemer in de kosten van het
onderzoek, bedoeld in artikel 32, eerste,
tweede, derde, vierde en zesde lid, van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
i. de bedragen die het
UWV ontvangt door de toepassing van de artikelen 63a, derde tot
en met vijfde lid, 63b, tweede lid, en
63c van de Ziektewet;
j. de bedragen die het
UWV ontvangt door toepassing van de artikelen 76,
91 en 99 van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
voor zover deze bedragen
betrekking hebben op uitkeringen die ten laste van dat fonds zijn
gebracht.
Art.
108.
Uitgaven
Uitvoeringsfonds voor de overheid (7.3.1.16)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 382; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb.
2006, 303; Stb. 2006, 644;
Stb. 2006, 703; Stb.
2008, 598; Stb. 2008, 600 + bis;
Stb. 2009, 287; Stb.
2009, 318; Stb 2010, 296;
Stb. 2010, 840; Stb.
2010, 867; Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 618;
Stb. 2012, 323;
Stb. 2012, 327; Stb.
2012, 464]
-1. Ten laste van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet
te betalen uitkeringen aan de personen, bedoeld in
artikel 24;
b. de op grond van artikel 29, tweede
lid, van de
Ziektewet te betalen
uitkeringen aan de personen, bedoeld in artikel
24;
c. de op grond van
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en
zorg te betalen
uitkeringen;
d. de door het UWV
te betalen WGA-uitkeringen aan de personen, bedoeld in artikel
24, die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan
recht hadden op een uitkering als bedoeld in artikel
29, tweede lid, onderdeel a, b of c, van de Ziektewet
dan wel van dit recht waren uitgesloten op grond van de artikelen
19a en 19b van de Ziektewet,
en op een uitkering op grond van artikel 29,
tweede lid, onderdeel d, e, f en g, die
aansluitend is toegekend op de uitkering op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel a, b of c, van de Ziektewet
of artikel 70 van de Ziektewet,
gedurende de periode die op grond van artikel 82,
eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen geldt op de dag waarop het recht op een uitkering op
grond van die wet is ontstaan, te rekenen vanaf
de laatstgenoemde dag;
e. de uitvoeringskosten, voor zover deze betrekking hebben op de in de onderdelen a tot en met
d bedoelde uitkeringen;
f. de op grond van enige
wet over de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a tot en met d,
door het
UWV verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke
bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet,
die niet op deze uitkeringen in mindering
kunnen worden gebracht;
g. de kosten van het
onderzoek, bedoeld in artikel 32, eerste,
tweede, derde, vierde en zesde lid, van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, indien dat op
verzoek van een overheidswerkgever of overheidswerknemer is ingesteld;
h. de uitvoeringskosten, voor zover betrekking hebbend op de uitvoering van de
artikelen 38, vierde lid, 39 en 39a
van de Ziektewet ten aanzien van
overheidswerkgevers en overheidswerknemers die niet reeds op grond van onderdeel
c
ten laste van dat fonds worden gebracht, voor zover deze betrekking
hebben op de uitvoering van artikel 629, derde lid, onderdeel c, van
Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek;
i. vervallen;
j. de op diens aanvraag
aan de werkgever door het UWV te verlenen vergoeding van de schade
die de werkgever lijdt door toepassing van
artikel 23, eerste lid,
van de Werkloosheidswet
en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
k. de uitvoeringskosten
verbonden aan werkzaamheden gericht op het ontvangen van bedragen,
premies en bijdragen als bedoeld in artikel
107;
l. de kosten van de
werkzaamheden, bedoeld in artikel 63a, vierde en vijfde lid, van de
Ziektewet, alsmede de schade, bedoeld in het zesde lid van dat artikel, die
wordt vergoed aan een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel
40, eerste
lid, onderdeel a, en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
m. vervallen;
n. de bedragen van de premievrijstelling bij
marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk
3, toegepast op
de premies berekend op grond van artikel 31;
o. de uitvoeringskosten die betrekking
hebben op de uitvoering van artikel 32,
vijfde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
p. vergoedingen aan gemeenten
die worden overeengekomen ter uitvoering van artikel
30a, derde lid, onderdeel a, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover dat
artikel wordt toegepast ten aanzien van personen als bedoeld in artikel
24 van de Werkloosheidswet.
-2. Ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen
voorts de kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van artikel
30a van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van een betrokkene
indien deze ten tijde van het aanvangen van de werkzaamheden van het
re-integratiebedrijf, bedoeld in het achtste lid van dat
artikel:
a. een uitkering ontvangt als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel a, en het UWV deze uitkering met
toepassing van artikel 79 van de Werkloosheidswet
niet kan verhalen op de overheidswerkgever; of
b. een uitkering ontvangt als bedoeld
in het eerste lid, onderdeel d.
-3. In afwijking van het
eerste lid, onderdeel b, d en f, komen de
uitkeringen die worden
betaald door een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel
40, eerste lid,
onderdeel a, of een werkgever die een onderneming verkrijgt als bedoeld in
artikel 63b, derde lid, van de Ziektewet, en de door hem gemaakte kosten ter
zake van de betaling van die uitkeringen en van de werkzaamheden, bedoeld
in artikel 63a, eerste lid, van die
wet, alsmede de op grond van
enige wet over die uitkeringen verschuldigde premies of vergoedingen
als bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet
die
niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht, niet ten
laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
Art.
109. Vervallen. (7.3.1.17)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2008,
600]
Art.
110.
Vergoeding migrerende werknemers (7.3.1.18) [Rvbr]
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
-1. Het UWV vergoedt, ten
laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, aan het Rijk
bijdragen die vanwege het Rijk worden verleend aan uit het buitenland
afkomstige werknemers die geen Nederlander zijn en die terugkeren naar
hun land van herkomst of emigreren naar een ander land en tot het
tijdstip van vertrek uitkering op grond van de Werkloosheidswet
ontvangen.
-2. De in het eerste lid
bedoelde vergoedingen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen die de
in het eerste lid bedoelde werknemers op grond van de Werkloosheidswet
zouden hebben kunnen ontvangen ten laste van het Uitvoeringsfonds voor
de overheid indien zij werkloos waren gebleven en niet naar hun
land van herkomst of een ander land waren vertrokken.
-3. Bij ministeriële
regeling, na overleg met Onze Minister wie het mede aangaat, worden regels
gesteld met betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden bijdragen,
bedoeld in het eerste lid. [RW]
Art.
111.
Verdeling premie over uitkeringen overheidswerknemers over
fondsen (7.3.1.19) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573 + bis]
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, kan een bedrag worden vastgesteld dat op grond
van artikel 24 met toepassing van de artikelen
27 en 28, tweede en derde lid, op uitkeringen op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
aan overheidswerknemers, volgens een bij die
regeling te bepalen verdeling, wordt afgedragen aan het
Uitvoeringsfonds voor de overheid dan wel de sectorfondsen en het
Algemeen Werkloosheidsfonds.
§ 2.
Arbeidsongeschiktheidsfonds, Arbeidsongeschiktheidskas en
Werkhervattingskas
Art.
112.
Arbeidsongeschiktheidsfonds (7.3.2.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
Het UWV beheert en
administreert afzonderlijk de in artikel 33, eerste lid, bedoelde
middelen tot dekking van de uitgaven, alsmede de middelen benodigd voor
het vormen en in stand houden van een reserve, in de vorm van een
Arbeidsongeschiktheidsfonds dat deel uitmaakt van het UWV.
Art.
113.
Vervallen. (7.3.2.2) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2010, 867]
Art.
113a.
Werkhervattingskas [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
Het
UWV beheert en
administreert afzonderlijk de in artikel 33, derde lid, bedoelde middelen tot
dekking van de uitgaven, alsmede de middelen benodigd voor het vormen
en in stand houden van een reserve, in de vorm van een
Werkhervattingskas die deel uitmaakt van het UWV.
Art.
114.
Middelen
Arbeidsongeschiktheidsfonds (7.3.2.3)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb. 2006, 223; Stb.
2007, 557; Stb.
2010, 867; Stb.
2012, 464]
Ten gunste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds komen:
a. de premies op grond van de artikelen
36 en 75 en de premie op grond van artikel
76a voor zover deze niet ten gunste komt van de
Werkhervatttingskas;
b. de gelden die het UWV
ontvangt door toepassing van de artikelen 29a
en 91i, eerste lid,
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. de gelden die het UWV
ontvangt door toepassing van de artikelen 57 en
90 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met uitkeringen als
bedoeld in artikel 115, eerste lid, onderdeel a;
d. vervallen;
e. de gelden die het UWV
ontvangt door toepassing van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen;
f. een rijksbijdrage ter hoogte van
het door Onze Minister geraamde bedrag aan
lasten als bedoeld in artikel 115, eerste lid,
onderdeel c en onderdeel e, voor zover de uitvoeringskosten,
bedoeld in dat laatste onderdeel betrekking hebben op de op grond van hoofdstuk
3, afdeling 2, paragraaf 2, en de op grond van artikel
3:30 van de Wet arbeid en zorg te betalen
uitkeringen;
g. de gelden die het UWV
ontvangt door toepassing van de artikelen 86
en 91 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
h. de gelden die het UWV
ontvangt door toepassing van de artikelen 76
en 99 van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in verband met
uitkeringen als bedoeld in artikel 115, eerste lid, onderdeel d.
Art.
115.
Uitgaven
Arbeidsongeschiktheidsfonds (7.3.2.4)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573 + bis; Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 223;
Stb. 2006, 703; Stb.
2007, 567; Stb. 2008, 598;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 318; Stb.
2009, 580; Stb.
2010, 867; Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 618;
Stb. 2012, 323; Stb.
2012, 464]
-1. Ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds komen, met inachtneming van de artikelen
56, 104, 108 en
117b en artikel
5:3 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten:
a. de door het
UWV
op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering te betalen uitkeringen;
b. de door het
UWV op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen te betalen
uitkeringen;
c. de op grond van
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, en de op grond van artikel 3:30 van de
Wet arbeid en zorg te betalen uitkeringen;
d. de door het UWV op
grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen te
betalen uitkeringen;
e. de uitvoeringskosten, voor zover die betrekking hebben op de in de
onderdelen a tot en met d bedoelde uitkeringen;
f. de op grond van enige
wet over de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a tot en
met d,
door het UWV verschuldigde premies
en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet,
die niet op deze uitkeringen in
mindering kunnen worden gebracht;
g. de gelden die door
toepassing van artikel 118 worden overgeheveld naar de
Werkhervattingskas;
h.
vervallen;
i. het gezamenlijke
bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de
vakantie-uitkeringen die niet zijn uitbetaald wegens het genieten van loon als bedoeld in
artikel 44, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en dat op grond van
artikel 44, vierde lid, van die wet wordt afgedragen aan ’s Rijks kas, vermeerderd met:
1º. het bedrag aan
premies dat het UWV bij wel-uitbetaling op grond van enige wet over dat
bedrag verschuldigd zou zijn en dat niet op de uitkeringen in mindering
kan worden gebracht; en
2º. de op grond van artikel 42
van de Zorgverzekeringswet
over dat bedrag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage;
j.
de re-integratie-instrumenten op grond van hoofdstuk
IIb van de Wet op
arbeidsongeschiktheidsverzekering, hoofdstuk
3a van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en paragraaf
4.2 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
k.
de bedragen van de kortingen oudere
werknemer en arbeidsgehandicapte werknemer en van de premievrijstelling,
bedoeld in artikel 122c, en de bedragen van de premievrijstelling,
bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, voor zover deze
premievrijstelling wordt toegepast op de basispremie, bedoeld in artikel
36;
l.
vervallen;
m. de kosten die verband
houden met de uitvoering van artikel 30a
van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
n. de subsidie, bedoeld
in artikel 32b van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
o. hetgeen op grond van
artikel 83, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen op het UWV wordt verhaald;
p. vervallen;
q. vergoedingen aan gemeenten
die worden overeengekomen ter uitvoering van artikel
30a, derde lid, onderdeel a, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voor zover betrekking
hebbend op de uitvoering van een wettelijke
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
r. de
bedragen die op grond van artikel 104, vierde lid, ten
laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds kunnen worden gebracht;
s.¹ de kosten van de werkzaamheden,
bedoeld in artikel 63a, vierde, vijfde en zesde lid, van de Ziektewet
alsmede de schade, bedoeld in het zevende lid van dat
artikel, die wordt vergoed aan een eigenrisicodrager als bedoeld in
artikel 40, eerste lid, onderdeel a, en de daaraan verbonden
uitvoeringskosten;
t.¹ de kosten van onderzoek, bedoeld
in artikel 32, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
u.¹ de uitkeringen op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, van de Ziektewet, die
op grond van artikel 63a, derde lid, van
die wet door het UWV worden
betaald en niet kunnen worden verhaald op de eigenrisicodrager,
bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a, en de daaraan
verbonden uitvoeringskosten;
v. de bijdrage, bedoeld in artikel
103, tweede lid.
-2. Het UWV bezigt de
middelen die zijn gereserveerd ten behoeve van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds niet tot bestrijding van uitgaven ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds dan met toestemming van Onze Minister.
1. De onderdelen s, t
en u treden in werking met ingang van 1 januari 2014, red.
Art.
116.
Vervallen. (7.3.2.5) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573; Stb. 2007, 557;
Stb.
2010, 867]
Art.
117. Vervallen. (7.3.2.6)
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 710;
Stb. 2005, 708; Stb. 2006, 703;
Stb. 2007, 557; Stb.
2007, 567 + bis; Stb.
2008, 414; Stb. 2008, 590;
Stb. 2008, 598; Stb.
2008, 600; Stb.
2009, 318; Stb.
2009, 580; Stb.
2010, 867]
Art.
117a. Middelen
Werkhervattingskas [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb.
2012, 464]
Ten gunste van de
Werkhervattingskas komen:
a. de premie op grond van
artikel 38, eerste lid, de gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas op grond van
artikel
38a,
eerste lid, en de premie
op grond van artikel 76a voor
zover deze de gedifferentieerde premie
ten behoeve van de Werkhervattingskas op grond van artikel
38,
eerste lid, niet overschrijdt;
b. de gelden die het
UWV ontvangt met toepassing van de artikelen
76, 83, derde lid, 84, tweede en
vierde lid, en 99 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen in verband met uitkeringen als bedoeld in artikel 117b, eerste lid;
c. de gelden die door
toepassing van artikel 118 worden overgeheveld uit het
Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Art.
117b. Uitgaven
Werkhervattingskas [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573 + bis; Stb. 2006, 703;
Stb. 2007, 557; Stb.
2008, 590; Stb. 2008, 598;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 318; Stb.
2009, 580; Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 670;
Stb. 2012, 224; Stb.
2012, 323; Stb.
2012, 657; Stb.
2012, 464]
-1. Ten
laste van de Werkhervattingskas komen de door het
UWV
te betalen WGA-uitkeringen,
alsmede de op grond van enige wet over deze uitkeringen door het UWV
verschuldigde premies en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de
Zorgverzekeringswet,
die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen
worden gebracht gedurende de periode die op grond van artikel
82, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen
geldt op de dag waarop het
recht op uitkering op grond van die wet is
ontstaan, te rekenen vanaf die dag.
-2. Indien een
WGA-uitkering wordt toegekend direct aansluitend op een op grond van artikel
24 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
verlengd tijdvak waarin
de verzekerde recht heeft op loon, wordt de duur van de verlenging
van dat tijdvak in mindering gebracht op de periode,
bedoeld in het eerste lid.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing, indien:
a. het een WGA-uitkering
betreft die op grond van artikel 72, eerste lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen door het UWV wordt betaald en op grond
van het derde lid van dat artikel niet op een eigenrisicodrager wordt
verhaald;
b. het een WGA-uitkering
betreft die op grond van artikel 83, derde lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen door het UWV wordt betaald en niet kan
worden verhaald op een bank of verzekeraar als bedoeld in artikel
40;
c. het een WGA-uitkering
betreft, toegekend aan een werknemer die uit de dienstbetrekking
waaruit de WGA-uitkering is ontstaan recht had op ziekengeld;
d. het een WGA-uitkering
betreft, toegekend aan een werknemer wiens WGA-uitkering wordt
toegekend in aansluiting op een voordien op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten toegekende uitkering,
dan wel het op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten toegekende recht op arbeidsondersteuning;
e. het een
vervolguitkering als bedoeld in artikel 62,
derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
betreft die door het UWV
wordt betaald voor zover die uitkering meer bedraagt dan hetgeen berekend op
grond van het eerste en tweede lid van dat artikel;
f. het een
loonaanvullingsuitkering als bedoeld in artikel
60, eerste lid, onderdeel
a, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen betreft die door het UWV
wordt betaald voor zover die uitkering meer bedraagt dan een bedrag
overeenkomende met het bedrag van de vervolguitkering, bedoeld
in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van
die wet, waar de verzekerde, zonder toepassing
van artikel
62, derde lid, van die
wet, recht op zou hebben indien hij geen recht zou hebben gehad op de
loonaanvullingsuitkering, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel
a,
van die wet, vermeerderd met de premies die op grond van enige wet
daarover verschuldigd zouden zijn en de inkomensafhankelijke
bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet,
en die daarop niet in mindering kunnen
worden gebracht.
-4. Het UWV bezigt de
middelen die zijn gereserveerd ten behoeve van de Werkhervattingskas
niet tot bestrijding van uitgaven ten laste van de Werkhervattingskas dan
met toestemming van Onze Minister.
-5. Ten laste van de Werkhervattingskas komen voorts:
a. de bedragen van de premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in afdeling
6 van hoofdstuk 3, toegepast op de gedifferentieerde premie ten
behoeve van de Werkhervattingskas, bedoeld in artikel 38;
en
b. de loonkostensubsidie, bedoeld in artikel
37a van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen zoals dat luidde op 31 december 2011, indien de uitkeringsgerechtigde met wie de werkgever
aan wie de loonkostensubsidie wordt verstrekt een dienstbetrekking aangaat
of is aangegaan, op de dag voorafgaand aan die dienstbetrekking recht
heeft op een uitkering die ten laste komt van de Werkhervattingskas.
-6. De kosten die verband houden met de uitvoering van artikel
30a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen ten aanzien van een uitkeringsgerechtigde indien deze ten tijde
van het aanvangen van de werkzaamheden van het re-integratiebedrijf,
bedoeld in het achtste lid van dat artikel, recht heeft op een uitkering
die ten laste komt van de Werkhervattingskas.
-7. Ten laste van de Werkhervattingskas komen voorts de
uitvoeringskosten, voor zover deze betrekking hebben op de in het eerste
lid bedoelde uitkeringen.
-8. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot dit artikel.
Art.
118.
Nadere
regels (7.3.2.7) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573; Stb.
2010, 867]
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de overheveling
van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar de Werkhervattingskas.
AFDELING
4
Geïntegreerd
middelenbeheer
Art.
119.
Beheer en
rekening-courant (7.4.1) [Rrsv]
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2005,
573 + bis]
-1. Het College
zorgverzekeringen, het UWV en de SVB
beheren en administreren elk fonds,
met uitzondering van het Uitvoeringsfonds voor de overheid en de sectorfondsen, afzonderlijk.
-2. Het UWV beheert het
Uitvoeringsfonds voor de overheid en de sectorfondsen gezamenlijk en administreert het Uitvoeringsfonds voor de overheid en elk
sectorfonds afzonderlijk.
-3. Indien met betrekking
tot een fonds de lasten de baten blijken te overtreffen, wordt het
tekort niet gedekt uit een ander fonds.
-4. Het College
zorgverzekeringen, het UWV en de SVB houden, elk afzonderlijk, de
financiële middelen die deel uitmaken van hun fondsen aan in één of meer
rekeningen-courant bij Onze Minister van
Financiën.
-5. In afwijking van het
vierde lid kunnen het College zorgverzekeringen, het UWV en de SVB een
deel van de in het vierde lid bedoelde financiële middelen buiten de in het
vierde lid bedoelde rekeningen-courant houden.
-6. Bij regeling van Onze Minister
en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden,
in overeenstemming met Onze Minister van Financiën,
na overleg met het College zorgverzekeringen, de SVB en het UWV, regels
gesteld betreffende de omvang van het in het vijfde lid bedoelde deel
van de financiële middelen. [RW]
-7. Bij regeling van Onze
Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen,
in overeenstemming met Onze Minister van Financiën,
nadere regels worden gesteld omtrent het vierde lid. [RW]
Art.
120.
Beschikking
over financiële middelen (7.4.2) [Rrsv]
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb. 2008,
600]
-1. Het College
zorgverzekeringen, het UWV en de SVB
kunnen, voor de uitvoering van hun
wettelijke taken, beschikken over de financiële middelen die zij in
rekening-courant bij Onze Minister van
Financiën aanhouden.
-2. Bij regeling van Onze Minister
en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden,
in overeenstemming met Onze Minister van Financiën
en na overleg met het College zorgverzekeringen, het UWV en de SVB, regels
gesteld omtrent de rente die over de saldi van de in artikel
119,
vierde lid, bedoelde rekeningen-courant wordt vergoed onderscheidenlijk in
rekening wordt gebracht. [RW]
-3. Onze Minister van
Financiën brengt voor het beheer van de in artikel 119, vierde lid,
bedoelde rekeningen-courant geen kosten in rekening.
-4. Bij een tekort aan financiële
middelen maken het College zorgverzekeringen, het UWV en de SVB
uitsluitend gebruik van de kredietfaciliteiten die door Onze Minister
van Financiën worden verleend of lenen het UWV en de SVB uit een door
hen beheerd fonds.
-5. Onze Minister van
Financiën informeert dagelijks het College zorgverzekeringen, het
UWV en de SVB ten aanzien van de in artikel 119, vierde lid, bedoelde
rekeningen-courant, in elk geval met betrekking tot:
a. de slotstanden per
dag;
b. alle dagelijks
geboekte mutaties of transacties in de desbetreffende rekening-courant.
-6. Het College
zorgverzekeringen, het UWV en de SVB informeren Onze Minister van Financiën
ten aanzien van de in artikel 119, vierde lid, bedoelde
rekeningen-courant, in elk geval met betrekking tot de prognoses van de saldi
van de desbetreffende rekening-courant.
-7. Bij regeling van Onze
Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen,
in overeenstemming met Onze Minister van Financiën
en na overleg met het College zorgverzekeringen, het UWV en de SVB, nadere
regels worden gesteld omtrent het vierde, vijfde en zesde lid. [RW]
-8. Bij regeling van Onze
Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen regels
worden gesteld met betrekking tot de door het College
zorgverzekeringen, het UWV en de SVB beheerde fondsen betreffende: [RrA02]
[Rrw02] [RW]
a. de onderscheiding van
het vermogen van het fonds in verschillende bestanddelen en de normen
tot vaststelling van de omvang van deze bestanddelen;
b. de vorming, omvang en
instandhouding van reserves.
Art.
121.
Financiële
rapportage (7.4.3) [RW]
[Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
-1. Jaarlijks vóór bij
regeling van Onze Minister vast te stellen tijdstippen zenden het UWV
en de SVB aan Onze Minister met betrekking tot elk fonds afzonderlijk:
a. een rapportage van de
ontwikkelingen die zich tot op dat moment hebben voorgedaan met
betrekking tot de financiële middelen en de gerealiseerde uitgaven;
b. een begroting van de
te verwachten uitgaven uit elk afzonderlijk fonds in het eerstvolgend
kalenderjaar.
-2. Bij regeling van Onze
Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en inrichting van
de in het eerste lid bedoelde rapportage en de begroting van uitgaven. [Rta]
[Tog00]
Art.
121a. Financieringsregeling rijksbijdragen [Geschiedenis:
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 318]
Bij regeling van Onze
Minister worden regels gesteld over de wijze waarop en de
voorwaarden waaronder de aan het UWV en de SVB
toegekende rijksbijdragen worden afgedragen en vastgesteld. [Rfbb]
[RW]
[Trl12]
[Tsowdw]
Art.
122.
Afdracht
gelden door het Rijk (7.4.4) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
Bij regeling van Onze Minister en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen,
in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, en na overleg
met het College
zorgverzekeringen, regels worden gesteld over de
wijze waarop en de voorwaarden waaronder de afdracht van gelden
plaatsvindt aan de fondsen die geheel of gedeeltelijk door het Rijk worden
gefinancierd. [FA] [Fh7W04]
[FTA] [RW]
[Tog00]
[Triha]
HOOFDSTUK
7A
Overgangsbepalingen
Art.
122a.
Overgangsrecht premiekorting [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573]
-1. De werkgever past de
korting, bedoeld in artikel 49, eerste lid, overeenkomstig dat lid
eveneens toe voor de persoon die vóór de inwerkingtreding van
artikel 1.5, onderdeel V en W, van de
Wet invoering en financiering Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen arbeidsgehandicapte was op grond van artikel
2 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten
indien die werknemer op de dag van aanvang van de dienstbetrekking
arbeidsgehandicapte was op grond van artikel 2 van de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten dan wel dit zou zijn geweest indien het
laatstgenoemde artikel niet zou zijn ingetrokken.
-2. Artikel 49, eerste
lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de persoon die vóór
de inwerkingtreding van
artikel 1.5, onderdeel V en W, van de
Wet invoering en financiering Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen
arbeidsgehandicapte is geworden als bedoeld in artikel 2 van de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten, voor zolang de dienstbetrekking duurt,
doch ten hoogste gedurende één jaar nadat die persoon zijn eigen arbeid
of een andere functie bij diezelfde werkgever geheel of gedeeltelijk heeft hervat dan wel gedurende één jaar nadat
diens arbeidsplaats is
aangepast tot behoud, herstel of ter bevordering van de mogelijkheden tot
het verrichten van arbeid van die werknemer, indien die persoon op de
dag van hervatting respectievelijk op de dag van aanpassing van de
arbeidsplaats arbeidsgehandicapte was op grond van artikel 2 van de
Wet op
de (re)integratie arbeidsgehandicapten dan wel dit zou zijn geweest indien
het laatstgenoemde artikel niet zou zijn ingetrokken.
-3. Ten aanzien van de
werkgever wiens werknemer na de dag van inwerkingtreding van
artikel 2.10 van de Wet invoering en financiering Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen
en vóór de dag van inwerkingtreding van
artikel 1.5, onderdeel V, van die wet recht krijgt op een uitkering op grond
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, wordt voor:
a. de zinsnede "vanaf de
aanvang van de dienstbetrekking" in artikel
49, eerste lid; en
b. de zinsnede "nadat
die werknemer zijn eigen arbeid of een andere functie bij dezelfde
werkgever geheel of gedeeltelijk heeft hervat" in het tweede lid en in
artikel 49, tweede lid;
gelezen: vanaf de dag van inwerkingtreding van artikel 1.5,
onderdeel V, van de Wet invoering en financiering Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen.
-4. Dit artikel is niet
van toepassing indien de werknemer werkzaam is in een dienstbetrekking in
de zin van artikel 2 van de Wet sociale
werkvoorziening.
Art.
122ab. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
2005, 710; Stb. 2011, 618]
Art.
122ac. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
2007, 551; Stb. 2011, 618]
Art.
122b. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573 + bis; Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 703;
Stb. 2007, 557; Stb.
2008, 598; Stb. 2012, 323]
Art.
122c. Overgangsbepaling premievrijstelling oudere werknemer
[Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb.
2005, 710; Stb. 2007, 557;
Stb. 2008, 598; Stb.
2010, 867]
-1. Artikel 47, aanhef en onder b, zoals dat
artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet
van 29 december 2008 tot wijziging van de Wet financiering sociale
verzekeringen en enige andere socialeverzekeringswetten in verband met
de invoering van een premiekorting voor het in dienst nemen van
uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder en het in dienst houden van
werknemers van 62 jaar of ouder (Stb. 2008, 598), blijft van
toepassing voor zover de betreffende premievrijstelling op die dag werd
toegepast voor het in dienst hebben van werknemers van 54,5 jaar of
ouder, tot die werknemers de leeftijd van 62 jaar hebben bereikt.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
op de premie die het UWV betaalt aan de
werkgever op grond van artikel 11, tweede
lid, van de Werkloosheidswet, artikel
11, derde lid, van de Ziektewet of artikel
10, derde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, met dien verstande dat ten
aanzien van de premie die de werkgever in dat geval is verschuldigd het
eerste lid van toepassing blijft.
Art.
122ca. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2007, 557]
Art.
122d. Overgangsbepaling ontwikkeling premie Algemeen
Werkloosheidsfonds [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2007, 557;
Stb. 2008, 598; Stb.
2012, 323]
De premie die op grond van artikel 27 is vastgesteld,
wordt met ingang van het jaar 2015 in verband met de ontwikkeling van de
lasten voor werkgevers voortvloeiend uit de toepassing van artikel
47 en 122c verlaagd met 0,35% in 2015, 0,45% in 2016, 0,55% in 2017, 0,60% in 2018,
0,70% in 2019 en 0,75% in 2020.
Art.
122e. Nog niet in werking getreden. [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb. 2006, 703;
Stb. 2007, 557; Stb.
2009, 318; Stb.
2010, 867; Stb.
2012, 464]
Art.
122f. Nog niet in werking getreden. [Geschiedenis:
Stb.
2006, 303; Stb. 2011, 618;
Stb.
2012, 464]
Art.
122g.
Beëindiging premievrijstelling arbeid in kleine banen [Geschiedenis:
Stb. 2009, 609; Stb. 2010,
838]
Artikel 52a vervalt met ingang van 1 januari
2012, tenzij
vóór die datum een voorstel van wet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal is
ingediend dat een vergelijkbare regeling bevat voor arbeid in kleine banen.
Art.
122h. Overgang
vermogensbestanddelen Arbeidsongeschiktheidskas
[Geschiedenis:
Stb.
2010, 867]
Alle vermogensbestanddelen die door het UWV,
genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, afzonderlijk
worden beheerd en geadministreerd in de vorm van een
Arbeidsongeschiktheidskas als bedoeld in artikel 113,
zoals dat luidde op de dag vóór de inwerkingtreding van artikel
IV, onderdeel G, van de Wet harmonisatie en
vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, gaan over op het
Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld artikel 112,
overeenkomstig door Onze Minister te stellen
regels.
Art.
122i. Overgangsbepaling
eigen risico dragen WGA gemeente voor schoolpersoneel [Geschiedenis:
Stb.
2010, 867]
Een gemeente die zelf het risico, bedoeld
in artikel 40, eerste lid, draagt op 1 juli 2011, draagt op die datum
tevens zelf dit risico ten aanzien van haar werknemers als bedoeld in
artikel 40, elfde lid, zoals dat luidde op de dag vóór de
inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel H, van de
Wet
harmonisatie en
vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving.
Art.
122j. Overgangsrecht ontheffing
wegens gemoedsbezwaren [Geschiedenis:
Stb.
2010, 867]
Artikel 64, zoals dat luidde op dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel K,
van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving, blijft van toepassing op ontheffingen
die op grond van dat artikel zijn verleend.
Art.
122k. Overgangsrecht in verband met wijziging regime voor
vergoedingen en verstrekkingen in de Wet op de loonbelasting 1964
[Geschiedenis:
Stb. 2010, 871]
-1. Voor zover ter zake van het belastbare inkomen uit werk en woning
artikel 10a.8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 wordt toegepast, wordt voor de toepassing
van artikel 8, eerste lid, eerste volzin, onder
premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning
bepaald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, met inachtneming van artikel 10a.8 van die
wet.
-2. Ingeval ter zake van het belastbare loon artikel 39c van de Wet
op de loonbelasting 1964 wordt toegepast:
1º. wordt voor de toepassing van artikel 8, tweede
lid, onder premie-inkomen verstaan het belastbare loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 met uitzondering van de
eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel e,
onder 1º, f en g, van die
wet, zoals dat op 31 december 2010 luidde;
2º. behoren voor de toepassing van artikel 16, tweede
lid, aanhef en onder b, niet tot het loon
eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
onderdeel b tot en met h, van de Wet
op de loonbelasting 1964, zoals dit op 31 december 2010 luidde.
-3. Dit artikel komt te vervallen met ingang van de dag waarop artikel
39c van de Wet
op de loonbelasting 1964 komt te vervallen.¹
1. Ingevolge artikel Vbis
van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 (Stb. 2010, 611) vervalt
artikel 39c van de Wet
op de loonbelasting 1964 met ingang van 1 januari 2014, red.
HOOFDSTUK
8
Slot-
en strafbepalingen
Art.
123.
Samenwerking (8.1) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2006, 415]
Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze
waarop de rijksbelastingdienst, het UWV, de
SVB, het College
zorgverzekeringen, de
zorgautoriteit en de organen die betrokken zijn bij de
uitvoering van de algemene verzekering bijzondere ziektekosten
samenwerken ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet,
de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de
volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Zorgverzekeringswet
en de belastingwetten,
voor zover het betreft de financiering van de sociale verzekeringen.
Art.
124.
Onderlinge
gegevensuitwisseling (8.2) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004; Stb.
2005, 525; Stb. 2006, 415]
De SVB, het UWV, het
College
zorgverzekeringen, de
zorgautoriteit, de organen die betrokken
zijn bij de uitvoering van de algemene verzekering bijzondere ziektekosten,
de rijksbelastingdienst, het Centraal Planbureau en het
Centraal bureau voor de statistiek zijn verplicht desgevraagd aan elkaar en
aan Onze Minister, Onze Minister van
Financiën en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kosteloos de opgaven en
inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
deze wet, de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de
volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Zorgverzekeringswet
en de
belastingwetten, voor zover het betreft de financiering van de sociale
verzekeringen.
Art.
124a. Doorlevering aan derden van gegevens afkomstig van de
rijksbelastingdienst [Geschiedenis:
Stb.
2005, 708; Stb. 2008, 600]
Het UWV is bevoegd de van de rijksbelastingdienst
afkomstige gegevens, genoemd in de krachtens artikel
73a, eerste lid, artikel 73, vierde lid,
of artikel 73, zevende lid, in verbinding
met het eerste en tweede lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen uitgevaardigde algemene
maatregel van bestuur, te verstrekken aan de in de krachtens artikel
73a, eerste lid, of artikel 73, vierde
lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur,
onderscheidenlijk de in artikel 73, eerste
en tweede lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen genoemde derden.
Art.
125.
Strafbepalingen (8.3) [Geschiedenis:
versie 16 december 2004]
-1. Hij die niet voldoet
aan de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 77, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde
categorie.
-2. Hij die door hem op
grond van deze wet betaalde of verschuldigde premie inhoudt op het
loon van of op enige andere wijze verhaalt op een werknemer of gewezen
werknemer, zonder dat dit bij deze wet is toegestaan, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede
categorie.
-3. De in het eerste en
tweede lid bedoelde strafbare feiten zijn overtredingen.
Art.
125a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2008, 598; Stb.
2008, 598; Stb. 2011, 618]
Art.
126.
Nummering (8.4) [Geschiedenis:
versie 16 december 2004]
Vóór de plaatsing in het
Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen,
paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast en brengt
hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, paragrafen,
afdelingen en hoofdstukken met de nieuwe nummering in
overeenstemming.
Art.
127.
Inwerkingtreding (8.5) [Geschiedenis:
MvT; versie
16 december 2004]
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.¹
1. Ingevolge artikel
1 van het Besluit van 15 december 2005, Stb.
2005, 717, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 januari
2006, met dien verstande dat ingevolge artikel
2, tweede lid, van het Besluit van 2 december
2005, Stb. 2005, 619, het tijdstip van inwerkingtreding
van de artikelen 122c en 122ca
is bepaald op 9 december 2005, red.
Art.
128.
Citeertitel (8.6) [Geschiedenis:
versie 16 december 2004]
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet financiering sociale verzekeringen.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
16 december 2004
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
De Staatssecretaris van
Financiën,
J.G. Wijn
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de derde
februari 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|