|
rblz.|1|
Kamerstukken
II 2003-2004, 29 531
Invoering
van de Wet financiering sociale verzekeringen
(Invoeringswet Wet financiering sociale
verzekeringen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING ¹ |
1. De adviezen en toetsen
op het wetsvoorstel zijn ter inzage gelegd bij het Centraal
Informatiepunt Tweede Kamer.
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Overgangsrecht |
| 3 |
Bevoegdheden
in verband met
invoering |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
2.1.1 t/m 4.5 [2-52] |
Algemeen
1.
Inleiding
In paragraaf 1.4 van het
algemeen deel van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet
financiering sociale verzekeringen (Kamerstukken II 2003-2004, ..., nr. ...
Wfsv [Kamerstukken II 2003-2004, 29 529, nr. 3, red.]) is aangegeven dat
ervoor is gekozen om een voorstel voor een
afzonderlijke invoeringswet in te dienen. In dit wetsvoorstel komen de volgende
onderwerpen aan de orde:
- wijziging van de
betrokken wetgeving van SZW (de materiewetten
- zowel de
volksverzekeringen als de werknemersverzekeringen - de Coördinatiewet Sociale
Verzekering (CSV), de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen (Wet SUWI));
- wijziging van de
betrokken wetgeving van Financiën (de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (Awr), de Wet
op de loonbelasting 1964 (Wet LB), de Invorderingswet
1990 (Iw 1990));
- wijziging van de
betrokken wetgeving van VWS (de Ziekenfondswet
(Zfw) en de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ));
- technische aanpassing
van de overige wetgeving van SZW, Financiën en VWS en van wetgeving
van enkele andere departementen;
- intrekking van de Wet
financiering volksverzekeringen en de Wet premieregime bij
marginale arbeid;
- overgangsrecht;
- bevoegdheden in
verband met de invoering.
Tot de onderwerpen die in
de Invoeringswet worden geregeld, behoren er enkele waarvan de
betekenis de techniek te buiten gaat. Dit betreft met name de
polisadministratie (geregeld in de Wet SUWI) en de overdracht van de uitvoering van de
heffing en inning van de procentuele ziekenfondspremie aan de belastingdienst.
Beide onderwerpen zijn - gelet op het essentiële en
directe verband met de materie van de Wfsv zelf
- in de memorie van toelichting
bij dat wetsvoorstel toegelicht (zie met name hoofdstuk 4 voor de polisadministratie).
De uitvoering van de
heffing en inning van de procentuele ziekenfondspremie zal ook naar de belastingdienst
worden overgeheveld. De rblz.|2|
bepalingen betreffende de
financiering van de Zfw zijn echter niet in de
Wet financiering sociale
verzekeringen opgenomen. De kring van verzekerden ingevolge de Zfw
bestaat niet alleen uit werknemers, maar is zeer divers. In de loop der
jaren is de Zfw van een echte werknemersverzekering uitgebreid tot een
verzekering die sociale bescherming biedt aan categorieën van personen
die daaraan maatschappelijk gezien behoefte hebben. De premie en de
premieheffing zijn voor de onderscheiden groepen heel verschillend
geregeld, omdat daarbij vooral is gekeken naar de praktische
uitvoerbaarheid. De hoogte van de procentuele premie varieert en sommige
categorieën van personen betalen alleen nominale premie. Voor een
aantal categorieën van verzekerden wordt de premieheffing in de Zfw
geregeld, voor andere categorieën in een algemene maatregel van
bestuur.
Het overhevelen van alle
regelgeving omtrent de financiering van de ziekenfondsverzekering naar
de nieuwe Wet financiering sociale verzekeringen, terwijl de
premieheffing van bijna alle andere categorieën van verzekerden
geregeld blijft in de Zfw en het Aanwijzingsbesluit verzekerden
Zfw, zou
ertoe leiden dat de regelgeving op het vlak van de financiering zeer
verbrokkeld in twee wetten neerslaat en er naar verwachting over en weer
veel verwijzingen noodzakelijk zouden zijn. De regelgeving zou er niet
inzichtelijker op worden.
Daar komt bij dat op de
voorziene datum van inwerkingtreding van de onderhavige wet naar
verwachting ook de stelselwijziging ziektekostenverzekeringen wordt
ingevoerd. Aanpassingen van de Wfsv aan deze stelselwijziging zullen
worden geregeld in de daarbij behorende invoeringswet. Het is erg
ingewikkeld om het wetgevingstraject, dat leidt tot intrekking van de
Zfw, afgestemd te houden op het traject van de Wfsv. Uit een oogpunt van
zorgvuldige wetgeving is besloten de financieringsbepalingen van de
ziekenfondsverzekering in de Zfw te handhaven. Het College
voor zorgverzekeringen (CVZ) onderschrijft deze keuze. De wijziging van de
Zfw is in deze Invoeringswet Wfsv opgenomen. Voor de categorieën van
verzekerden waarvan de premieheffing niet in de wet maar in een algemene
maatregel van bestuur is geregeld, zal de overheveling van de uitvoering
van de heffing en inning van de procentuele ziekenfondspremie van UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.],
Sociale Verzekeringsbank dan wel uitkerings- of pensioeninstelling naar
de belastingdienst te zijner tijd bij algemene maatregel van bestuur
worden geregeld.
Daarnaast kent de
Invoeringswet nog een tweetal onderwerpen die aanleiding geven tot een
enkele algemene beschouwing: het overgangsrecht en de bevoegdheden in
verband met de invoering.
De overige onderwerpen
die in de Invoeringswet worden geregeld, worden hieronder, bij de
desbetreffende artikelen, voor zover nodig nog nader toegelicht. Waar
sprake is van geheel technische aanpassingen, met name van verwijzingen,
blijft toelichting in het algemeen achterwege.
2.
Overgangsrecht
Als hoofdregel van
overgangsrecht wordt voorgesteld voor de vóór de beoogde datum van
inwerkingtreding (1 januari 2006) gelegen kalenderjaren het toen
geldende recht van toepassing te laten blijven. Dit betekent -
kort gezegd - dat de (afwikkeling van de) premieheffing en -inning
voor de werknemersverzekeringen over die jaren door UWV
zal blijven
geschieden, met toepassing van het "oude" recht, en dat daarvoor ook
de voorheen geldende rechtsbescherming van kracht blijft. Deze
hoofdregel is vastgelegd in artikel 3.1
[42], tweede lid, van
dit wetsvoorstel. Voor de premieheffing en -inning voor de
volksverzekeringen is in het eerste lid van genoemd artikel dezelfde
hoofdregel vastgelegd; verschil met de werknemersverzekeringen is echter
dat hierbij in materiële zin geen wijziging optreedt, aangezien immers
de premieheffing en -inning voor de rblz.|3|
volksverzekeringen ook thans al - op grond van de Wfv
- door de belastingdienst plaatsvindt, met
toepassing van de fiscale regelgeving.
Zoals opgemerkt, geldt de
genoemde hoofdregel ook voor de rechtsbescherming. Daaruit volgt dat
bezwaar- en beroepschriften in premiezaken werknemersverzekeringen die
ten tijde van de inwerkingtreding aanhangig zijn dan wel nadien
aanhangig worden gemaakt en die uitsluitend betrekking hebben op oude
jaren, nog door UWV (in bezwaar) en door rechtbank, CRvB
[Centrale Raad van Beroep, red.] en in een
aantal gevallen Hoge Raad worden behandeld. Deze keuze voorkomt dat de
belastingdienst formeel partij zou worden in gedingen inzake besluiten
die door UWV met toepassing van het oude recht zijn genomen en waarvan
de betekenis zich niet (mede) over de periode na inwerkingtreding van de
wet uitstrekt; tevens behoeven daardoor zodanige lopende zaken niet van
de bestuursrechter in sv-zaken [socialeverzekeringszaken, red.] naar de belastingrechter te worden
overgeheveld. Het is overigens mogelijk dat UWV (ambtenaren van) de belastingdienst machtigt om namens UWV in procedures op te treden. Dit
biedt de mogelijkheid om naar behoefte van belastingdienst en UWV de
werkzaamheden op het terrein van bezwaar en beroep geleidelijk te laten
overgaan.
Vooral om praktische
redenen is ook een voorziening getroffen voor het voortduren van
bestaande lagere regelgeving na invoering van de Wfsv. In
artikel 3.2 [43] is
dat geregeld voor een aantal AMvB’s en ministeriële regelingen die
niet (mede) de verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën
betreffen of waarvoor anderszins aanleiding bestaat tot inhoudelijke
wijziging per 1 januari 2006. Voor beleidsregels van de SVB [Sociale
verzekeringsbank, red.] en het
CVZ
is eveneens in het blijven gelden voorzien.
Met betrekking tot de
gelding van bepaalde onder het oude recht getroffen beschikkingen bevat
artikel 3.3 [44] een voorziening. Deze houdt in dat die beschikkingen indien
ze (mede) betrekking hebben op een periode na 1 januari 2006, onder het
nieuwe stelsel hun werking behouden. Artikel 3.6
[47] bevat een voorziening
voor de afhandeling van ten tijde van de inwerkingtreding nog aanhangige
aanvragen voor zulke beschikkingen; deze vindt plaats door de
oorspronkelijk bevoegde organen, met toepassing van oud recht. Dit wordt
eveneens geregeld - in de artikelen 3.4
[45], eerste lid, en
3.5 [46], eerste
lid - voor lopende bezwaar- en beroepsprocedures tegen deze
beschikkingen. Voor de behandeling van bezwaarschriften die na de
inwerkingtreding worden ingediend tegen enkele categorieën van
beschikkingen van het UWV geldt een andere regel (artikel
3.4 [45], tweede
lid); daarop zal door de inspecteur worden beslist, met toepassing van
het nieuwe recht. Ook is ten aanzien van het (hoger) beroep tegen
uitspraken op bezwaar inzake dergelijke beschikkingen dat wordt
ingesteld na de inwerkingtreding van de wet, bepaald dat daarop het
nieuwe rechtsregime van toepassing is (artikel
3.5 [46], tweede lid). Bezwaar en
beroep alsmede aanvragen om beschikkingen die uitsluitend oude jaren
betreffen, vallen overeenkomstig de hoofdregel van artikel 3.1
[42] onder het
oude recht.
3.
Bevoegdheden
in verband met invoering
Het
inwerkingtredingsartikel (artikel 4.5
[52]) van
dit wetsvoorstel (en dat van
het wetsvoorstel Wfsv) voorziet in vaststelling van het tijdstip van
inwerkingtreding bij koninklijk besluit en maakt het mogelijk daarbij te
differentiëren naar onderdelen van de voorstellen. Langs deze weg wordt
fasering van de inwerkingtreding mogelijk gemaakt. In het geval dat
invoering per 1 januari 2006 niet verantwoord zou zijn,¹ dan biedt deze
bepaling tevens de mogelijkheid om bij koninklijk besluit een latere
inwerkingtredingsdatum vast te stellen.
Daarnaast bestaat bij
deze omvangrijke en complexe operatie behoefte aan een bevoegdheid tot
het treffen van regelen voor onvoorziene gevallen; hierin voorziet het
voorgestelde artikel 4.2 [49]. Omdat bij de overgang naar het nieuwe stelsel
niet het risico mag bestaan van (omvangrijke) lacunes of onjuistheden in
de administratie (zowel in verband met rblz.|4|
de premieheffing en -inning
als met het oog op een correcte uitkeringsverzorging), is een voorziening
getroffen op grond waarvan de administratieve verplichtingen en de
administraties zoals die vóór 1 januari 2006 golden nog tijdelijk naast
het nieuwe stelsel van kracht kunnen blijven. Dit "terugvalscenario" is opgenomen in
artikel 4.3 [50].
1. Zie ook paragraaf 6.1
van de memorie van toelichting bij de Wfsv.
Artikelsgewijs
De wijzigingen als gevolg
van het vervallen, wijzigen of verplaatsen van artikelen naar de Wfsv
worden in het algemeen niet toegelicht.
Voor de goede orde wordt
nog opgemerkt dat bij de formulering van de wetteksten is uitgegaan van
het reeds tot stand gekomen zijn van enkele wetsvoorstellen die thans nog
bij de Staten-Generaal aanhangig zijn. Het gaat daarbij om:
- Wet administratieve
lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten (Kamerstukken
28
219);
- Aansluitingswet Wet
administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in
socialeverzekeringswetten (Kamerstukken 28 371);
- Wet feitelijk
arbeidsverleden WW (Kamerstukken 29 249);
- Wet branchegewijze premiedifferentiatie voor
kleine werkgevers (Kamerstukken 29 292);
- Wet
belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties (Kamerstukken 29 251);
- Wet einde toegang verzekering WAZ (Kamerstukken
29 497);
- Wet tot vereenvoudiging
van enkele socialeverzekeringswetten en enige andere wetten (Kamerstukken
29 513).
Artikel 2.1.1
[2].
Werkloosheidswet
B
Deze wijziging houdt
verband met verplaatsing van de regeling inzake gemoedsbezwaarden en met
de ter zake gewijzigde terminologie (ontheffing in plaats van
vrijstelling).
C
Het nieuwe
artikel 37
betreft de betaling van een sv-uitkering door UWV
ten behoeve van een
overheidswerknemer aan een overheidswerkgever. De inhoud van dit artikel
is gelijk aan het artikel 97d, derde lid, dat is komen te vervallen
omdat hoofdstuk VII is geschrapt.
H
Hoofdstuk VII
dat
betrekking heeft op de financiering kan in zijn geheel vervallen, omdat
de bepalingen zijn opgenomen in de Wfsv. Het hoofdstuk bevatte ook een
paragraaf met bepalingen in verband met het brengen van
overheidswerknemers onder de werkloosheidsverzekering. De bepalingen in
die paragraaf die geen betrekking hebben op de financiering zien op het
verhaal van UWV op de overheidswerkgever en zijn in het nieuwe
hoofdstuk VII ondergebracht.
M en
N
Na inwerkingtreding van
de Wfsv dient een werkgever die zekerheid wil hebben over het verzekerd
zijn van één of meer van zijn werknemers zich te richten tot de belastingdienst. Op zijn verzoek geeft de inspecteur binnen
dertien weken na
de aanvraag een beschikking inzake de verzekeringsplicht rblz.|5|
af. Tegen
deze beschikking staat uitsluitend voor de werkgever bezwaar en beroep
open.
De werknemer die
helderheid wil hebben over zijn status als verzekerde kan UWV
een
beschikking vragen. UWV geeft de gevraagde beschikking binnen dertien weken
na de aanvraag af.
Daarnaast zal UWV
beoordelen of sprake is van verzekeringsplicht indien door de werknemer
een aanvraag is gedaan om een uitkering. In dat geval maakt de
beoordeling van de verzekeringsplicht onderdeel uit van de beschikking
op de aanvraag om een uitkering.
Tegen de beslissing van
UWV inzake het verzekerd zijn staat uitsluitend voor de werknemer
bezwaar en beroep open. Het maakt niet uit of de beslissing van UWV
inzake het verzekerd zijn een zelfstandige beschikking is dan wel een
onderdeel vormt van een beschikking op een verzoek om een uitkering.
De voorgestelde bepaling
regelt dat de werkgever geen mogelijkheid heeft om bezwaar en beroep in te
stellen tegen de verzekeringsplichtbeslissingen van UWV. De werkgever
heeft immers via de fiscale weg de mogelijkheid om de verzekeringsplicht
in bezwaar en beroep aan de orde te stellen.
De werking van
artikel 4.1.3 [59], derde lid, Wfsv
en de artikelen 127a, eerste lid, WW,
87, eerste
lid, WAO en 72c, eerste lid,
ZW is exclusief in die zin dat daarmee
wordt aangegeven dat alleen de werkgever een beschikking over de
verzekeringsplicht kan aanvragen bij de inspecteur, en alleen de
werknemer zo’n beschikking kan aanvragen bij UWV. En alleen de
inspecteur, onderscheidenlijk UWV, kan op de aanvraag beslissen. De
bepalingen vormen in die zin elkaars complement. De bepaling inzake een
aanvraag van de werkgever bij de inspecteur is opgenomen in de Wfsv,
aangezien deze plaatsvindt in het kader van het collecterende proces.
Regeling van de aanvraag van de werknemer was impliciet al deel van de materiewetten, maar is daarin nu
- met het oog op de onderlinge
verhouding van de betrokken bepalingen - expliciet verwoord.
Q
Voor de hier voorgestelde
uitbreiding van het cassatieberoep wordt verwezen naar het algemeen deel
van de memorie van toelichting bij de Wfsv, paragraaf 3.5.
S
De strafbepaling van
artikel 131, tweede lid, is verplaatst naar artikel 8.3
[125] Wfsv.
Artikel 2.1.2
[3].
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
D
Deze wijziging houdt
verband met verplaatsing van de regeling inzake gemoedsbezwaarden en met
de ter zake gewijzigde terminologie (ontheffing in plaats van
vrijstelling).
L
In verband met het feit
dat de belastingdienst de verzoeken van werkgevers om eigenrisicodrager
te worden, gaat afhandelen, is artikel 75f, eerste lid, aangepast.
De kosten van de
beoordeling van de aanvraag zullen overigens niet meer in rekening
worden gebracht, omdat het bij de belastingdienst gebruikelijk is dat de
eigen apparaatskosten die voortvloeien uit wettelijke taken zelf worden
gedragen.
rblz.|6|
Q en
R
Zie ook de
toelichting op artikel 2.1.1 [2], onderdelen M en N. De voor de WAO
voorgestelde
bepalingen verschillen in die zin van die voor de WW
en de ZW dat de
werkgever in de gevallen waarin hij thans belanghebbende is bij
beslissingen van UWV dat ook in de toekomst blijft; dit betreft met name
de gevallen waarin de beoordeling van de verzekeringsplicht onderdeel
vormt van de beschikking op de aanvraag om een uitkering. Uit het
voorgestelde artikel 86a volgt dat voor de werkgever de mogelijkheid van
bezwaar en beroep alleen niet bestaat indien het betreft een
verzekeringsplichtbeslissing van UWV op verzoek van de werknemer op
grond van artikel 87, eerste lid.
Bij onderdeel R is
uitgegaan van de tekst van artikel 87 zoals
die met ingang van 1 januari 2004 is
komen te luiden ingevolge de Wet beslistermijnen sociale
verzekeringen.
U
Voor de hier voorgestelde
uitbreiding van het cassatieberoep wordt verwezen naar het algemeen deel
van de memorie van toelichting bij de Wfsv, paragraaf 3.5.
V
De
medewerkgever, bedoeld
in artikel 16a van de CSV, is dezelfde als de
inlener, bedoeld in artikel
34 van de Invorderingswet
1990. Omdat artikel 16a
CSV komt te vervallen,
wordt de verwijzing aangepast.
W
Dit betreft uitgewerkt
overgangsrecht in verband met de invoering van de
arbeidsgehandicaptenkorting.
Y
De strafbepaling van
artikel 92, tweede lid, is verplaatst naar artikel 8.3
[125] Wfsv.
Artikel 2.1.3
[4].
Ziektewet
D
Zie de
toelichting op artikel 2.1.1 [2], onderdeel B, en 2.1.2
[3], onderdeel
D.
E
Zie de
toelichting op artikel 2.1.2 [3], onderdeel V.
L
Artikel
63e kan
vervallen, omdat de berekening van de hoogte van het garantiebedrag
wordt geregeld in artikel 3.5.2.2
[44] van de
Wfsv.
P
Zie de
toelichting op artikel 2.1.1 [2], onderdelen M en N.
Q
Voor de hier voorgestelde
uitbreiding van het cassatieberoep wordt verwezen naar het algemeen deel
van de memorie van toelichting bij de Wfsv, paragraaf 3.5.
rblz.|7|
Artikel 2.1.4.
Coördinatiewet Sociale Verzekering [vervallen,
red.]
A [vervallen,
red.]
In verband met
artikel 9
zijn definities opgenomen van de begrippen loontijdvak en
premiebetalingstijdvak.
B [vervallen,
red.]
Artikel
3c CSV kan
vervallen aangezien het de toepassing betreft van artikelen van de CSV
die volgens onderdeel F [vervallen,
red.] zullen vervallen.
C [vervallen,
red.]
In
artikel 9 van de CSV
wordt de loondagensystematiek vervangen door een systematiek van
loontijdvakken.
Bij de huidige
loondagensystematiek moet de werkgever per werknemer het aantal
loondagen bijhouden en moet hij een afzonderlijke berekening maken voor
de hoogte van de toe te passen franchise en maximum. Indien een
werknemer voltijd werkt en een normaal arbeidspatroon van vijf dagen
heeft, levert deze systematiek niet al te veel problemen op. Echter,
voor voltijdwerknemers met een afwijkend arbeidspatroon moet het aantal
loondagen worden bepaald aan de hand van een aantal bijzondere regels
die tot doel hebben het verschil in premiedruk zoveel mogelijk te
beperken. Voor werkgevers en ook voor UWV is de toepassing van deze
bijzondere regels soms zeer ingewikkeld.
Bovendien leidt de
loondagensystematiek ook tot verschil in premiedruk bij deeltijders.
Vijf halve dagen werken of twee en een halve dag geeft bij hetzelfde
loon een verschillende premiedruk.
Om aan deze bezwaren
tegemoet te komen, is niet meer het aantal loondagen, maar het aantal
loontijdvakken van het premiebetalingstijdvak bepalend voor de hoogte
van de toe te passen franchise en maximum in het premiebetalingstijdvak.
Het loontijdvak is het
tijdvak waarover de werknemer loon geniet. Aangezien op grond van
artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de CSV
onder loontijdvak moet
worden verstaan het loontijdvak, bedoeld in artikel 25, eerste en vierde
lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, dient, wanneer voor
laatstgenoemde wet een ander tijdvak dan het tijdvak waarover het loon
is genoten als loontijdvak is aangemerkt, dat ook te worden toegepast
bij de berekening van de franchise en het maximum. In de artikelen 62,
63 en 64 van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001 zijn voor
werknemers die doorgaans op minder dan vijf dagen werkzaam zijn, voor
werknemers met vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken en
voor sommige studenten en scholieren afwijkende loontijdvakken
vastgesteld.
Voor de premieheffing en
de loonheffing gelden derhalve dezelfde loontijdvakken, hetgeen voor de
werkgever/inhoudingsplichtige een vereenvoudiging is.
Bij een loontijdvak van
een maand worden de hoogte van de franchise en van het maximum in het
premiebetalingstijdvak als volgt bepaald. De op grond van het vierde lid
van artikel 9 CSV voor dat maandtijdvak vastgestelde bedragen worden
vermenigvuldigd met het aantal loontijdvakken in het
premiebetalingstijdvak. Wanneer de werknemer het hele jaar in dienst is
geweest, worden die (maand)bedragen dus vermenigvuldigd met twaalf;
wanneer hij maar acht maanden in dienst is geweest, met acht.
De nieuwe systematiek
gaat ook voor de overheid gelden. De deeltijdfactor voor personen die in
deeltijd werken, komt te vervallen. Op deze wijze wordt de
premieheffingsystematiek voor marktsector en overheid geüniformeerd.
De bestaande regeling van
artikel 9, zevende lid (thans opgenomen in het rblz.|8|
vijfde lid), die
herziening van de premievaststelling mogelijk maakt wanneer premie is
betaald over een hoger bedrag dan het maximumpremieloon, is aan de
nieuwe systematiek aangepast, met dien verstande dat bij de toepassing
van deze bepaling de teruggave - evenals in de huidige situatie - altijd aan de werkgevers plaatsvindt. Dit is geregeld in artikel
4.1.3 [59],
negende lid, Wfsv. Die bepaling laat overigens onverlet dat de werknemer
jegens zijn werkgever aanspraak heeft op het aan deze teruggegeven
werknemersdeel van de te veel betaalde premies.
Het huidige derde lid is
vervallen. Hierin werd geregeld dat de Minister van SZW het bedrag voor
de franchise voor de wachtgeldfondsen vaststelt. In de praktijk werd dit
bedrag echter al jaren op nihil vastgesteld, aangezien de franchise
anders in diverse sectoren tot extreem hoge premiepercentages zou
leiden. Daarmee is dit lid overbodig geworden.
E [vervallen,
red.]
Op grond van
artikel 9,
eerste en tweede lid, CSV wordt bij de premieheffing voor de
werknemersverzekeringen over het deel van het loon dat in het
premiebetalingstijdvak het maximumpremieloon overschrijdt geen premie
geheven. Bij de berekening van het loon waarover de premie voor de WW
wordt geheven, worden op grond van het derde lid van artikel 9
franchises toegepast waardoor aan de voet een deel van het loon buiten
de premieheffing blijft.
In de in artikel 9b
genoemde situaties blijven de maximering en franchises buiten toepassing
en moet over het totale bedrag aan loon premie worden geheven. De
situaties zijn gelijk aan die waarin voor de loonheffing het
anoniementarief van toepassing is.
De werkgever zal bij
iedere aangifte over het volledige loonbedrag premies moeten afdragen
net zolang tot aan de in artikel 9b genoemde verplichtingen is voldaan.
Vanaf dat moment worden bij de afdracht van de premies weer de
maximering en de franchise toegepast.
Indien nog binnen het
lopende premiebetalingtijdvak aan de verplichtingen wordt voldaan,
worden de maximerings- en franchisebepalingen alsnog toegepast op het
totale loon in dat premiebetalingtijdvak en door het voortschrijdend
cumulatief rekenen dat in het nieuwe aangiftesysteem wordt toegepast,
zullen dan aan het einde van het premiebetalingtijdvak over de juiste
premiegrondslag de premies zijn geheven.
Wanneer het
premiebetalingtijdvak is verstreken voordat aan de verplichtingen is
voldaan, is over het loon in dat premiebetalingtijdvak de
anoniemenheffing verschuldigd.
F [vervallen,
red.]
De verplichtingen van de
werkgever neergelegd in artikel 10 van de CSV om een administratie te
voeren (eerste lid) en om loonopgave te doen aan UWV
(tweede lid), met
inachtneming van door Onze Minister te stellen regels, kunnen komen te
vervallen. Overeenkomstige bepalingen zijn reeds neergelegd in de Awr
en Wet
LB. Het derde lid van artikel 10 is overbodig geworden door het
vervallen van het eerste en tweede lid.
De bepalingen inzake de
boete respectievelijk de straf op overtreding van artikel 10 in de
artikelen 12a tot en met 12e respectievelijk paragraaf 6
(artikel
17a)
van de CSV kunnen eveneens komen te vervallen.
Op grond van
artikel
4.2.1 [60] Wfsv draagt de belastingdienst
voortaan zorg voor de invordering
van de premies voor de werknemersverzekeringen. De belastingdienst past
daarbij de regels toe die gelden voor de invordering van de
loonbelasting. De bepalingen in de CSV die betrekking hebben op het
invorderen - door UWV
- van premies zijn als gevolg daarvan
overbodig geworden. Het gaat daarbij om bepalingen die zien op:
rblz.|9|
- de verjaring van het recht
op dwanginvordering en van het vorderingsrecht van de werkgever tot
terugbetaling van onverschuldigd betaalde premie (artikel
13, tweede en
derde lid);
- het vorderen van interest
bij te late betaling van premie door de werkgever (artikel
14);
- het toepassen van
dwanginvorderingsmaatregelen bij het onbetaald laten van de premie; de
bevoegdheden van de ontvanger van de belastingdienst in dat kader en de
wijze van toerekening van betalingen (artikel 15);
- de mogelijkheid van verzet
door de werkgever tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel (artikel
15a);
- de bevoorrechting van
vorderingen wegens premie (artikel 16);
- de regeling van de
inlenersaansprakelijkheid (artikel 16a);
- de regeling van de
ketenaansprakelijkheid (artikel 16b);
- de regeling van de
opdrachtgeversaansprakelijkheid c.a. in de confectiesector (artikel 16ba
en artikel 16bb);
- de aansprakelijkheid voor
premieschuld van de in het buitenland wonende of gevestigde werkgever en
de aansprakelijkheid voor premieschuld van een lichaam zonder
rechtspersoonlijkheid of van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam
dat niet volledig rechtsbevoegd is (artikel 16c);
- de regeling van de
bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 16d);
- het vervallen van artikel
16e van de CSV, dat het mogelijk maakt nadere regels te stellen over
onder meer de heffing van premie, is reeds voorgesteld in artikel 1,
onderdeel J van het wetsvoorstel Walvis (Kamerstukken II
2001-2002, 28
219);
- de verhaalsregelingen voor
degene die op grond van de artikelen 16a,
16b, 16ba,
16bb, 16c, eerste
lid, onderdeel a, of 16d premie heeft betaald ten aanzien van andere
aansprakelijke derden (artikelen 16f
en 16g);
- de subrogatie van de
aansprakelijke die premie heeft betaald in het voorrecht van UWV (artikel 16h).
H [vervallen,
red.]
Met de wijziging van
artikel 18c, eerste lid, van de CSV
wordt een uitbreiding van de
cassatiemogelijkheden gerealiseerd ter zake van geschillen over de
begrippen werknemer en dienstbetrekking.
Artikel 2.1.5
[5].
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
A
In
artikel 1, onderdeel
l,
werden de fondsen omschreven. Deze omschrijvingen zijn opgenomen in de Wfsv, waarmee onderdeel l kan vervallen. Het beheer van enkele fondsen
wordt niet in die wet geregeld, maar in de desbetreffende
materiewet.
Ook dit heeft tot gevolg dat de bepalingen over het beheer in de Wet
SUWI komen te vervallen.
Voor het artikel over de
polisadministratie (artikel 33) is in artikel
1, onderdeel l, een
definitie opgenomen van werknemersverzekeringen. In onderdeel n is
- eveneens voor het artikel over de polisadministratie - een definitie
opgenomen van het begrip werknemer. Het betreft iedere persoon op wiens
loon premies voor de werknemersverzekeringen of loonbelasting wordt
ingehouden. Dit begrip omvat ook de sporters en artiesten.
Voor het artikel over de
verzekerdenadministratie van de Sociale verzekeringsbank (artikel
35) is
in artikel 1, onderdeel m, een definitie opgenomen van
volksverzekeringen. Het betreft hier de volksverzekeringen die door de
Sociale verzekeringsbank worden uitgevoerd, aldus exclusief de AWBZ.
rblz.|10|
B
De introductie van de
polisadministratie met verderstrekkende doeleinden dan alleen
gegevensverwerking ten behoeve van de uitvoering van wetten door UWV
en
de gegevensinwinning door de belastingdienst via de loonaangifte bij de
werkgever voor de doelen van de polisadministratie is aanleiding geweest
om de bepalingen over gegevensverstrekking aan private organisaties (artikelen 13 en
73) nader te bezien. Het uitgangspunt in de Wet
SUWI is
dat de gegevensverstrekking aan private organisaties in de wet wordt
geregeld. Dit betekent dat in beginsel expliciet en limitatief in de Wet
SUWI wordt opgesomd aan welke private organisaties met welk doel
gegevens worden verstrekt. Nieuw is dat bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt bepaald welke gegevens mogen worden
verstrekt.
Conform deze
uitgangspunten zou in artikel 13 behoren te worden gespecificeerd aan
welke derden en waarvoor gegevens worden verstrekt. Vooralsnog kan dit
gezien de diversiteit bij dit artikel niet worden aangegeven. Derhalve
zal bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald aan
wie, voor welke doel en welke gegevens mogen worden verstrekt.
C
De sectorindeling is
opgenomen in de Wfsv en niet meer in de Werkloosheidswet.
D,
H en J
In
artikel 30, eerste
lid, onderdeel c, wordt de taak van UWV
geregeld over het beheren en
administreren van fondsen. Het fondsenbeheer is thans geregeld in de Wfsv. In
die wet worden de fondsen omschreven. Naar die omschrijvingen
wordt verwezen. De bepalingen over het geïntegreerd middelenbeheer van
alle fondsen die UWV en SVB beheren in de Wet
SUWI
(artikelen 50 tot en
met 53) komen dan ook te vervallen (zie onderdeel
J). In onderdeel H is
om dezelfde reden de taak van de SVB aangepast.
Daarnaast beheert UWV het Rea-fonds,
WAZ- en Wajong-fonds. Het beheer van die fondsen wordt niet
geregeld in de Wfsv. In de taakomschrijving worden nu de betreffende
wetten genoemd.
In de onderdelen f en g
van artikel 30 over de taak van het UWV wordt niet langer verwezen naar
de bepalingen over eigen risico dragen in de Ziektewet
(artikel 63),
omdat de regeling is opgenomen in de Wfsv.
Met de toevoeging van
onderdeel m wordt de taak van UWV om, in het kader van de handhaving,
als intermediair op te treden bij het doorgeleiden van gegevens naar het
buitenland en vice versa wettelijk vastgelegd. Het gaat hierbij met name
om het coördineren van stromen van controlegegevens in verband met
onderzoek in het buitenland, noodzakelijk voor de uitkeringsvaststelling
door UWV en gemeenten. Deze taak wordt uitgevoerd in het Internationaal
Bureau Fraude-informatie (IBF). De diensten bestaan uit het opvragen en
doorgeleiden van gegevens. In hoeverre deze diensten daadwerkelijk
worden uitgevoerd, is afhankelijk van wat nader tussen UWV en gemeenten
en de andere bestuursorganen wordt afgesproken. Het is aan partijen om
te bepalen of deze afspraken schriftelijk worden vastgelegd. Behalve
voor de coördinatie van gegevensverkeer kunnen instanties zich tevens
tot het IBF wenden voor advies over de afhandeling van
grensoverschrijdende fraudesignalen en informatie over de mogelijkheden
van conservatoir beslag in het buitenland.
Met de toevoeging "rechtmatige uitvoering" wordt benadrukt dat de hier bedoelde taak van
UWV alleen betrekking heeft op grensoverschrijdende fraudebestrijding.
rblz.|11|
Over
de dienstverlening ten behoeve van de SVB zullen in ieder geval nog nadere
afspraken worden gemaakt. In een pilot over dienstverlening voor de SVB
wordt het IBF ingeschakeld voor het verzamelen van aanvullende
informatie in gevallen waarin de SVB zelf al een vermoeden van fraude
heeft.
De diensten van het IBF
kunnen ook plaatsvinden ten behoeve van de Arbeidsinspectie.
De hier bedoelde taak van UWV
wordt gefinancierd ten laste van de SZW-begroting. Hiertoe worden in
het kader van het Handhavingsprogramma 2003-2006, en vervolgens
structureel, middelen toegevoegd aan de UWV-begroting.
E
In
dit wetsvoorstel wordt
de polisadministratie geïntroduceerd (zie hoofdstuk 4 algemeen deel van
de memorie van toelichting bij de Wfsv).
Artikel 33 definieert het
bestaan en de doelstellingen van de polisadministratie. De doeleinden
van de polisadministratie worden beschreven en de verantwoordelijken
voor de verwerking van de persoonsgegevens worden aangewezen. Voorts
wordt ingevuld hoe de gegevens worden verkregen en welke
gegevensverstrekkingen - in verband met de ambitie om de
polisadministratie op termijn te ontwikkelen tot authentieke registratie
- uit de polisadministratie plaatsvinden. Kern is dat het een
administratie betreft van nominatieve gegevens van arbeidsverhoudingen
en van uitkeringsverhoudingen krachtens werknemersverzekeringen. De
voeding van de polisadministratie geschiedt vooral via de gecombineerde
aangifte loon/premieheffing (loonaangifte) door de werkgever/inhoudingsplichtige
aan de belastingdienst. De polisadministratie wordt daarnaast gevoed en
gewijzigd door bijvoorbeeld terugmeldingen van afnemers (bijvoorbeeld
door ziekenfondsen en SVB).
In het eerste lid van
artikel 33 is geregeld dat UWV zorg
draagt voor zowel de inrichting van
de polisadministratie als de adequate werking daarvan. In het tweede lid
worden de doeleinden voor de verwerking van de gegevens beschreven. In
de polisadministratie worden uitsluitend gegevens verwerkt voor publieke
taken: de uitvoering van de werknemersverzekeringswetten, de uitvoering
van de taken van de belastingdienst en de uitvoering van de Ziekenfondswet. Het verwerken van gegevens voor statistische doeleinden
door het CBS is ook een publieke taak.
De doeleinden van de
polisadministratie zien in de eerste plaats op het vastleggen van
persoonsgegevens van werknemers die van belang zijn voor de
werknemersverzekeringen (tweede lid, onderdeel a). Deze gegevens over
het loon, de arbeidsverhouding en de verzekering zijn ook de
basisgegevens voor het besluiten over recht op uitkering of verstrekking
(tweede lid, onderdeel b). Om die reden wordt een verzekeringsbericht
verstrekt, dat als bewijs kan dienen voor de vastlegging van die
gegevens (tweede lid, onderdeel b). De polisadministratie biedt ook
informatie voor de uitvoering van de vrijwillige verzekering voor de ZW,
WW en WAO (tweede lid, onderdeel c).
Tevens heeft de
polisadministratie tot doel het verwerken voor de verantwoordelijke, de
Minister van Financiën, van de fiscale gegevens (voorheen als Fi-base-gegevens of loonbelastingkaartgegevens aangeduid) die van belang
zijn voor de uitvoering van de taken van de belastingdienst (tweede lid,
onderdeel d). Daarnaast kunnen enkele gegevens worden verwerkt in de
polisadministratie ten behoeve van de uitvoering van de Ziekenfondswet
voor wat betreft de inschrijving van verzekerden voor de
ziekenfondsverzekering en ten behoeve van de statistieken van arbeid en
lonen voor het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (tweede lid,
onderdeel e en f). Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om berekeningen op
rblz.|12|
nominatief niveau voor de loongrens in de Ziekenfondswet respectievelijk
om overwerkloon.
Gezien het vorenstaande
is in het derde lid bepaald voor de verwerking van welke gegevens UWV
de verantwoordelijke ¹ dan wel de bewerker in de zin van de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) is. In het vierde lid is geregeld wie in de zin
van de Wbp de verantwoordelijken zijn voor de verwerking door UWV van
gegevens in zijn rol als bewerker.
Per (deel)verwerking (artikel
33, tweede lid, onderdeel a tot en met f) is derhalve een
afzonderlijke verantwoordelijke aangewezen. Dit laat onverlet dat er
gegevens kunnen zijn waarvoor een gezamenlijke verantwoordelijkheid
geldt, bijvoorbeeld de persoonsidentificerende gegevens, zoals naam,
adres, woonplaats en sociaal-fiscaal nummer, loonbestanddelen die
dezelfde zijn voor het fiscale en sv-loon alsmede gegevens van de
werkgever. Voor zover verschillende verantwoordelijken zijn aangewezen
voor dezelfde persoonsgegevens, is er sprake van een gezamenlijke
verantwoordelijkheid. Dit betekent dat elk van deze verantwoordelijken
in beginsel ² hoofdelijk aansprakelijk is voor de verwerking van die
zogenoemde overlapgegevens.
1. Verantwoordelijke in de
zin van de Wbp
is degene die het doel en de middelen voor de verwerking
van persoonsgegevens vaststelt.
2. Dit laat onverlet de mogelijkheid van regres wanneer bijvoorbeeld de
schuld bij één van de andere verantwoordelijken ligt.
De
belastingdienst verstrekt aan UWV gegevens en inlichtingen voor de polisadministratie op
basis van artikel 33, vijfde lid. Hierbij gaat het vooral om de
nominatieve gegevens die de werkgever/inhoudingsplichtige in de aangifte
heeft vermeld (zie de toelichting op artikel
4.1.3 [59] van de
Wfsv). Het
betreft in de eerste plaats gegevens die van belang zijn voor de premie-
en belastingheffing. Daarnaast kan het gaan om aanvullende
gegevens (zie artikel 4.1.3 [59], tweede lid, van de
Wfsv, bijvoorbeeld
gegevens voor de uitkeringsvaststelling) die aan de belastingdienst zijn
verstrekt door de werkgever/inhoudingsplichtige. Ook kan worden gedacht
aan het inlichten van UWV over een door de inspecteur ten aanzien van
een werkgever genomen beschikking over de verzekeringsplicht. Naast deze
bepaling tot het verstrekken van gegevens door de belastingdienst die
noodzakelijk zijn voor de gegevensverwerking in de polisadministratie,
is de belastingdienst op grond van artikel 54 ook verplicht binnen een
door UWV te stellen termijn gegevens te verstrekken. Dit betreft met
name medewerking aan onderzoeken in het belang van de uitvoering van
wetten door UWV. Artikel 54 ziet ook op de gegevensverstrekking aan
SVB en CWI [Centrale
organisatie werk en inkomen, red.].
Voor
de persoonsgegevens, zoals naam, adres, woonplaats en gegevens over de
burgerlijke staat, is de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens (GBA) de basisadministratie. Bij de verwerking van de
gegevens zal UWV de aangeleverde gegevens verifiëren met de gegevens
die zijn opgenomen in de GBA. UWV is daarvoor afnemer. Die afnemerstatus
houdt in dat wijzigingen ook via de GBA kunnen worden aangeleverd,
zonder tussenkomst van de betrokkene. Dit uitgangpunt is neergelegd in
het zesde lid.
In het zevende lid is
geregeld dat UWV gegevens en inlichtingen aan de
belastingdienst verstrekt die noodzakelijk zijn ten behoeve van de uitvoering van de
taken van de belastingdienst, waaronder de heffing en invordering van
rijksbelastingen of van premies voor de volksverzekeringen dan wel
werknemersverzekeringen. In algemene zin is deze verplichting thans
geregeld in artikel 73 en het op dat artikel gebaseerde
Besluit SUWI (thans artikel
5.2, onderdeel a, van het Besluit
SUWI). Om de samenhang
tussen de verwerking in de polisadministratie door UWV mede als bewerker
voor de belastingdienst en de daaruit voortvloeiende
gegevensverstrekkingen duidelijk in de wet kenbaar te maken, is ervoor
gekozen deze gegevensverstrekking expliciet te regelen in dit zevende
lid. Bij deze gegevensverstrekking aan de belastingdienst gaat het
bijvoorbeeld om gegevens die van afnemers (van de polisadministratie,
zie het achtste en negende lid) zijn verkregen. Ook zal UWV de belastingdienst inlichten
rblz.|13|
over bijvoorbeeld een
door UWV genomen beschikking over de verzekeringsplicht, over een
schriftelijke opzegging bij UWV van de eigenrisicogarantie of het
gegeven dat een eigenrisicodrager zich niet meer laat bijstaan door een
arbodienst.
Het achtste lid regelt de
gegevensverstrekking aan de afnemers, dat wil zeggen de bestuursorganen
die voor hun uitvoeringsprocessen gebruik maken van de gegevens uit de
polisadministratie. Het gaat om de reguliere stromen in het kader van
het SUWI-domein (artikel 62 en
72) en om de gegevensverstrekking aan
bestuursorganen, die geregeld wordt op grond van artikel
73, vierde lid
en het Besluit SUWI. Omdat in dit artikel niet wordt verwezen naar
artikel 73, eerste en tweede lid, wordt duidelijk dat de daar geregelde
gegevensverstrekking aan bijvoorbeeld pensioenfondsen en arbodiensten
niet beschouwd wordt als een afnemersrelatie waarbij structurele
gegevensuitwisseling aan de orde is. In het achtste lid is tevens
uitdrukkelijk aangegeven dat de verstrekking van fiscale gegevens
(tweede lid, onderdeel d) niet is bedoeld. Het regime van de Awr
en de Invorderingswet
1990 (artikel 67 van beide wetten) is en blijft van
toepassing op die fiscale gegevens. De toetsing of tot verstrekking van
fiscale gegevens mag worden overgegaan en eventueel daaropvolgende
verstrekking van die gegevens aan (semi-)overheden door de belastingdienst blijft dan ook plaatsvinden op grond van de artikelen
67, tweede lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet
1990 en het daarmee samenhangende Voorschrift
informatieverstrekking 1993 (VIV 1993) of op basis van wettelijke
verplichtingen daartoe. Dit ligt ook om praktische redenen voor de hand
daar voor vele inkomensafhankelijke regelingen in het kader van het
bepalen van het toetsingsinkomen niet alleen de fiscale loongegevens (in
de zin van de loonbelasting) van belang kunnen zijn, maar ook de fiscale
inkomensgegevens (in de zin van de inkomstenbelasting). Deze laatste
gegevens komen niet in de polisadministratie voor.
De algemene verplichting
tot gegevensverstrekking op verzoek voor onder meer UWV
en de belastingdienst aan elkaar is opgenomen in artikel 8.2
[124] van de
Wfsv.
Op grond van
artikel 33,
negende lid, worden regels gesteld voor de inrichting, de gegevensset
(op basis van het tweede lid, onderdeel a tot en met f) van de
polisadministratie en de wijze van verkrijging van de gegevens via het
elektronische gegevensverkeer en de infrastructuur daarvoor. Met de
wijze van verkrijging van de gegevens wordt onder meer verwezen naar
nadere regeling van de plicht tot terugmelden van (wijzigingen in)
gegevens door afnemers, zoals de ziekenfondsen. Dit is noodzakelijk om
de kwaliteit van de gegevens in stand te houden. Het gaat niet om nadere
regels voor het verzamelen van de gegevens afkomstig van de werkgever
via de gecombineerde aangifte premie/loonheffing (loonaangifte). Dit
wordt bepaald door de fiscale regelgeving. Tevens wordt op grond van dit
lid geregeld welke eisen aan de gegevensverstrekking uit de
polisadministratie worden gesteld. Daarnaast kunnen regels worden
gesteld aan bijvoorbeeld de beveiliging van de gegevens, de organisatie
van de gegevensverwerking, de technische en organisatorische maatregelen
en de verwerking van gegevens door UWV voor de ziekenfondsen en
CBS. De
uitvoering van de verwerkingen van de fiscale gegevens door de bewerker
(UWV) wordt geregeld in een overeenkomst dan wel bij of krachtens deze
algemene maatregel van bestuur.
De voordracht van de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het negende lid, vindt plaats
in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en
Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
rblz.|14|
F en
S
Het
artikel
33a inzake de
arbeidsverledenbeschikking komt te vervallen. In de plaats daarvan is een
overgangsrechtelijke bepaling (artikel 83c) opgenomen. Dit betekent dat het
gedurende enige tijd nog wel noodzakelijk is deze beschikking te
verstrekken om bewijsrechtelijke problemen over het opgebouwde arbeidsverleden te voorkomen. Zodra de gegevens relevant
voor de opbouw van het
feitelijk arbeidsverleden kwalitatief voldoende uit de polisadministratie zou
kunnen blijken - mede door de invoering van het zogenoemde
verzekeringsbericht (artikel 33c) dat de verzekerde periodiek ontvangt
- zal
er geen
arbeidsverledenbeschikking meer worden afgegeven. Streven is immers dat door de periodieke melding via het verzekeringsbericht en
verplichte verificatie door de werknemer na verloop van tijd een zodanige polisadministratie wordt opgebouwd dat
deze gegevens wel
voorhanden zijn bij het UWV
en de werknemer ook eerder in staat is
gesteld hierop te reageren. Van afschaffing van de arbeidsverledenbeschikking
zal pas sprake zijn indien duidelijk is dat de bewijsrechtelijke
problemen die tot de invoering daarvan hebben geleid op andere wijze kunnen
worden voorkomen. Tot die tijd is in artikel 83c
zowel de inhoud van
artikel 33a, zoals het luidde, opgenomen (met aanpassing aan de polisadministratie zoals geregeld in
artikel 33) als het
bij de introductie van de
arbeidsverledenbeschikking vastgestelde overgangsrecht.
G
In het nieuwe
artikel
33a wordt de verantwoordelijkheid van UWV
voor het verwerken van
gegevens voor de uitvoering van zijn taken en met name de
uitkeringsverstrekking geregeld. Dat UWV met dit doel gegevens verwerkt, vloeit voort uit
de Wbp. Het artikel is opgenomen in verband met het tweede lid, waarin
bepaald is dat de gegevens slechts worden uitgevraagd bij de
uitkeringsgerechtigde indien ze niet via de GBA of de polisadministratie
kunnen worden verkregen,
of van de SVB uit zijn verzekerdenadministratie kunnen worden verkregen.
Dit geldt ook voor de intake van de uitkeringen via CWI.
In het nieuwe derde lid
wordt geregeld dat UWV in het IBF als bewerker voor verantwoordelijken
als gemeenten en SVB gegevens verwerkt. Door de regeling bij wet hoeft
het aanmerken van UWV als bewerker niet meer in overeenkomsten over
dienstverlening te worden geregeld.
In het nieuwe
artikel
33b wordt het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer (sofinummer) door
UWV geregeld. De oude regeling was opgenomen in
artikel 33, tweede en
derde lid. De formulering is aangepast aan de Wbp. Gegevens van
personen
die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de aan UWV opgedragen genoemde taken worden op
sofinummer verwerkt.
Dit kunnen bijvoorbeeld
ook gegevens van partners zijn, van uitkeringsgerechtigden in verband met
verhaalsrechten of om het inkomen in een huishouden te bepalen.
Daarnaast is een wettelijke basis gelegd voor verificatie van het
sociaal-fiscaal nummer in relatie tot de bijbehorende persoonsidentificerende
gegevens door UWV bij de belastingdienst, omdat de
belastingdienst
de nummers toekent en dus de bron is van die gegevens. Indien van de
persoon van wie gegevens worden opgenomen in de polisadministratie
geen sofinummer bekend is, kan bepaald worden dat toch een sofinummer
wordt toegekend. De ministeriële regeling, genoemd in het derde lid,
kan hier betrekking op hebben.
Artikel
33c regelt het
zogenoemde verzekeringsbericht aan de werknemer. Het verzekeringsbericht
licht hem onder meer in over zijn geregistreerde persoonsgegevens,
arbeidsverhoudingen, duur, loon, premies in het rblz.|15|
kader van de
werknemersverzekeringen (artikel 1, onderdeel
l). Tevens vermeldt het bericht of
hij al dan niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen. Ook de
uitkeringsgerechtigde die voor de Ziekenfondswet is verzekerd, ontvangt
een verzekeringsbericht.
Als de gegevens in het
verzekeringsbericht niet juist of niet volledig zijn, is de werknemer verplicht
dit te melden. Ook als de werknemer ten onrechte geen verzekeringsbericht
heeft ontvangen, is hij verplicht dat te melden. Indien bijvoorbeeld een
werknemer van zijn werkgever wel een loonstrookje heeft ontvangen en geen
verzekeringsbericht van UWV, kan hij redelijkerwijs vermoeden
dat hij dit wel had moeten ontvangen. In dat geval ligt het voor de
hand dat hij dit aan UWV meldt, bijvoorbeeld omdat zijn ziekenfonds zijn
verzekerde status verifieert bij de polisadministratie of omdat een toekomstige
aanvraag tot uitkering sneller behandeld kan worden als zijn gegevens
in de polisadministratie aanwezig zijn. UWV en CWI
zullen bij de intake
van een uitkeringsaanvraag vorderen dat de betrokken werknemer
verzekeringsberichten overlegt. De meldingsplicht van betrokkene is bedoeld
om de polisadministratie zo goed mogelijk overeen te laten komen
met de feiten. Het stelsel van van rechtswege verzekerd zijn blijft in
stand.
De desbetreffende
werknemer of uitkeringsgerechtigde zal indien hij vaststelt naar aanleiding van het
verzekeringsbericht dat gegevens onjuist zijn, moeten verzoeken de
gegevens te corrigeren. Overigens kan hij zijn correctierecht, los van
het verzekeringsbericht, ook altijd uitoefenen met een beroep op de Wet
bescherming persoonsgegevens. In beide gevallen
beslist UWV binnen acht
weken. Het UWV beslist over het opnemen in de polisadministratie van
nieuwe gegevens of het aanvullen of verbeteren van de gegevens naar
aanleiding van de melding of het verzoek. Dit is op grond van artikel 45
Wbp een besluit in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht. Met de
regeling in artikel 33c kan het oude
artikel 59 vervallen.
De mededeling of het
correctieverzoek aan UWV kan aanleiding geven tot een nader onderzoek bij
de werkgever door de belastingdienst.
H
De Bureaus Duitse en
Belgische Zaken zijn stichtingen die onderdeel uitmaken van de SVB-organisatie. Dat het tot de taak van de SVB hoort deze (en andere
vergelijkbare, zo die worden opgericht) bureaus in stand te houden met de daarbij
vastgestelde taken in belang van het gegevensverkeer met het buitenland was
nog niet geregeld. Daarmee vloeide het verwerken van gegevens
door die bureaus niet zonder meer uit de wet voort als een wettelijke
verplichting. Daartoe draagt het nieuwe onderdeel h van artikel 34 bij.
Deze bureaus verwerken ook gegevens afkomstig uit het buitenland voor het
College voor zorgverzekeringen voor de uitvoering van de AWBZ
en Zfw. Voorts
zal het in het algemeen over gegevens gaan die van belang zijn om de verzekeringsplicht voor de volks- en werknemersverzekeringen
vast te stellen. Dat de
SVB gegevens verwerkt als verbindingskantoor op
grond van internationale verdragen blijkt ook al uit artikel
35.
I
Artikel 35 is
geherformuleerd en aangepast aan de Wbp. Materieel zijn geen wijzigingen beoogd
ten opzichte van de feitelijke situatie. Ook de gegevensuitwisseling
tussen SVB en de belastingdienst
wijzigt niet. De regeling daarvoor is
opgenomen in artikel 5.2 van het Besluit
SUWI op grond van artikel 73 van
de Wet SUWI.
Nauwkeuriger is
aangegeven met welk doel welke soort gegevens door de SVB in de verzekerdenadministratie zijn opgenomen. Verzekerd voor de
volksverzekeringen zijn
in ieder geval alle ingezetenen. Het tijdvak van rblz.|16|
verzekering is
uiteindelijk van belang voor de AOW-uitkering. Gegevens van
personen die niet
meer ingezetene zijn, blijven daarom relevant. De gegevens van verzekerden
voor zover ze ingezetene zijn en niet verzekerd zijn op basis van
vrijwillige verzekering of in verband met het verrichten van arbeid, komen overeen
met die in gemeentelijke basisadministratie. Die gegevens zullen in het algemeen ook via de GBA worden verkregen.
Van belang zijn de
gegevens over niet-verzekerde tijdvakken in verband met werkzaamheden in het
buitenland bijvoorbeeld. Deze worden door de SVB in de verzekerdenadministratie verwerkt. Dat
de SVB deze gegevens
verwerkt, vloeit voort uit
EG-regelgeving. De SVB is verbindingsorgaan, die deze gegevens
registreert ten behoeve van zusterorganisaties. Dit geldt omgekeerd ook voor
de registratie van personen die zich in Nederland hebben gevestigd. Hiermee
voldoet de SVB aan verplichtingen die voortvloeien uit
EG-regelgeving. Het tweede lid, onderdeel f, heeft hierop betrekking.
De gegevens over
dienstverbanden kunnen veelal worden verkregen via de polisadministratie.
In het derde lid wordt
het verstrekken van gegevens uit de verzekerdenadministratie nadrukkelijk geregeld,
met name om duidelijk te maken dat hier sprake is van de
structurele gegevensstroom naar publiekrechtelijke afnemers en vooral aan
UWV voor voeding van de polisadministratie. Voor de polisadministratie zijn de gegevens uit het buitenland van belang.
De SVB vormt daarvoor de
ingang. Het derde lid is ook opgenomen om de verhouding tot de
administraties weer te geven. De afnemers kunnen bij de SVB terecht voor
zover
het gegevens betreft die niet uit de polisadministratie kunnen worden verkregen.
Het vierde lid maakt duidelijk dat dit soort gegevens dan niet van de betrokkene zelf worden
verkregen. Omdat de verzekerde en andere in de verzekerdenadministratie
opgenomen personen met dit artikel op de hoogte kunnen zijn van de
verwerking van deze gegevens door de SVB en de herkomst van de
gegevens, hoeft de betrokkene niet over de vastlegging van de gegevens te worden
geïnformeerd (artikel 34 Wbp).
Het vijfde lid heeft
betrekking op het gebruik van sofinummer. Ook de SVB dient dit nummer te
verifiëren bij de belastingdienst overeenkomstig artikel 33b, tweede en
derde lid.
In de algemene maatregel
van bestuur op grond van het zesde lid worden in ieder geval nadere
regels opgenomen over de inrichting van de verzekerdenadministratie
en de gegevensuitwisseling ten behoeve van de verificatie van gegevens
om de kwaliteit in stand te houden. De inhoud van de gegevensset en het gebruik van de infrastructuur wordt nader
ingevuld in
overeenstemming met de mate waarin de verzekerdenadministratie als bron kan dienen voor
andere bestuursorganen.
K
Deze wijziging is van
terminologische aard. Zie ook de toelichting op artikel
33, vijfde lid.
L
Het derde lid van
artikel
55 dat betrekking heeft op de verplichting van de werkgever om de
identiteit van de werknemer vast te stellen en de gegevens daarvan op te nemen in
zijn administratie kan vervallen, omdat deze verplichting is opgenomen
in artikel 28 van de Wet
op de loonbelasting 1964. Door de van-overeenkomstige-toepassingverklaring geldt deze
verplichting ook voor de
premieheffing werknemersverzekeringen.
Het vierde lid is
opgenomen in artikel 15 Wav [Wet
arbeid vreemdelingen, red.] (zie voor een nadere toelichting
artikel
2.1.11 [11])
Het vijfde lid wordt
vernummerd tot derde lid en regelt de algemene verplichting van de
werkgever om ervoor te zorgen dat er op de werkplek rblz.|17|
kan worden gecontroleerd
op de identiteit van personen die aan het werk zijn, zoals in artikel
55, tweede lid, is voorgeschreven.
M
Artikel
58, eerste lid,
kan vervallen. Het betreft de situatie dat ingeval een werknemer weigert de
relevante gegevens te verstrekken aan de werkgever, UWV
de gegevens maar bij
die werknemer zelf moet halen. Deze bepaling was van vóór de
invoering van de Wet
op de identificatieplicht, waardoor de werknemer verplicht werd zich ten opzichte van de werkgever
te identificeren. De
werknemer is thans verplicht de relevante gegevens aan de werkgever te
verstrekken. Bovendien heeft een dergelijke bepaling alleen betekenis indien UWV de gegevens verzamelt. Het is niet
meer noodzakelijk te
regelen dat een werkgever zich niet kan verschuilen achter de weigering van
de werknemer. De meldingsplicht voor de werkgever ingeval de werknemer niet
aan zijn informatieverplichtingen aan die werkgever voldoet, kan
ook komen te vervallen, omdat in dat geval de "anoniemenheffing",
zoals opgenomen in het nieuwe artikel 9b
CSV, wordt toegepast.
Het tweede lid van
artikel 58 betreft de reguliere melding van begin en einde van de
dienstbetrekking alsmede van wijziging in de arbeidsverhouding als apart door de
werkgever te melden gegeven (zie ook paragraaf
3.10.5 van het algemeen deel memorie
van toelichting bij de Wfsv). Deze mededelingsplicht komt te vervallen.
Artikel 60 betreft de
administratieverplichting van de werkgever om te kunnen voldoen aan de informatieverplichtingen ten opzichte van UWV en
kan met het schrappen van
de meldingsverplichting van de werkgever aan UWV ook vervallen.
Het vervallen van artikel
59 is bij onderdeel G toegelicht.
N
Artikel 61 regelt de
verplichting tussen de SUWI-ZBO’s [ZBO:
zelfstandig bestuursorgaan, red.] om elkaar in kennis te stellen van een
vermoeden van misdrijf. Deze verplichting wordt - in verband met de overdracht
van de premieheffing en -inning van de werknemersverzekeringen - uitgebreid naar de
belastingdienst.
O en
P
Artikel 73 regelt de
gegevensverstrekking door UWV, CWI,
SVB en de minister. Het artikel
moet in samenhang met artikel 13, vierde lid (gegevensverstrekking aan
derden bij andere taken), en artikel 74 (de geheimhoudingsplicht)
worden bezien. Zoals in onderdeel B is toegelicht, is de introductie van de
polisadministratie en gegevensinwinning door de belastingdienst
bij de
werkgever aanleiding geweest om de bepalingen over gegevensverstrekking
aan private organisaties nader te bezien. De wijzigingen in artikel 73
hebben hierop betrekking. In beginsel is aan wie en waarvoor gegevens
worden verstrekt aan private organisaties in het artikel zelf geregeld.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke
gegevens mogen worden verstrekt. Het Besluit
SUWI en de
Regeling SUWI zullen ook aan de uitgangspunten worden aangepast.
Tevens is van de
gelegenheid gebruik gemaakt de artikelen 73 en
74 aan te passen om
onduidelijkheden in de formulering en hun onderlinge samenhang weg te nemen.
De gegevensverstrekking
in het eerste en tweede lid van artikel 73 betreft de gegevensverstrekking
aan de private instanties. Het verstrekken van gegevens aan derden ten
behoeve van wetenschappelijk onderzoek en statistiek, die geregeld
wordt in het tot derde lid vernummerde vierde lid, rblz.|18|
is ook als zodanig te
kenschetsen. Ook de gegevensverstrekking van CWI
aan
reïntegratiebedrijven (zie het nieuwe zevende lid) betreft
gegevensverstrekking aan private instanties.
Het gaat om de bevoegdheid voor UWV, SVB
en CWI op verzoek of uit eigen beweging (alleen voor de
gegevensverstrekking aan arbodiensten) gegevens te verstrekken. De gegevensverstrekkingen
worden begrensd door het noodzakelijkheidvereiste. Dit betekent dat UWV,
SVB en CWI alleen die gegevens mogen verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van taken door die instanties. Uit artikel 9
van de Wbp
vloeit dan voort dat deze instanties de van UWV, SVB en CWI
verkregen gegevens niet voor andere doeleinden mogen verwerken.
Artikel 74 regelt de
geheimhoudingsplicht, tenzij de bekendmaking in de Wet
SUWI is
voorgeschreven of toegestaan. In het tweede lid van het artikel 74 wordt voorts
bepaald dat deze geheimhoudingsplicht kan worden doorbroken indien
enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht. Dit betreft
met name verplichtingen tot gegevensverstrekking die uit andere wetten dan
de Wet SUWI voortvloeien. In artikel 73, zesde lid, was
bepaald dat
gegevens ook kunnen worden verstrekt indien degene wiens gegevens het betreft schriftelijk heeft aangegeven daartegen
geen bezwaar te hebben.
Dit artikellid riep in zijn formuleringen onduidelijkheid op. Om
die reden zijn - conform artikel 65, tweede lid, van de
Wet werk en bijstand (Wwb) - alle uitzonderingen op de doorbreking van de
geheimhoudingsplicht in artikel 74, tweede lid, opgenomen en kan
artikel 73, zesde lid,
vervallen. Over de toepassing van het vereiste schriftelijk te verklaren geen bezwaar
te hebben, kan nog worden opgemerkt dat uit de Wet elektronisch
bestuurlijk verkeer (artikel 2:13 e.v. Awb)
voortvloeit dat ook onder de daar
geregelde voorwaarden op digitale wijze kenbaar kan worden
gemaakt dat iemand geen bezwaar heeft. De formulering van dit vereiste sluit
ook niet meer uit dat ook niet-natuurlijke personen hun "geen
bezwaar" kenbaar kunnen maken.
Artikel 73
bevat de
bepalingen in de Wet SUWI die gegevensverstrekking buiten het
SUWI-domein
(dit is geregeld in artikel 62 en 72 voor de gegevensverstrekking aan
de minister) toestaat of voorschrijft. Uitgangspunt in de Wet
SUWI is
- evenals in haar voorgangers, de verschillende
organisatiewetten sociale verzekering - dat alle verstrekkingen van gegevens door de
zelfstandige bestuursorganen, UWV, CWI
en SVB, in de wet of in een
op de wet gebaseerde algemene maatregel van bestuur geregeld worden.
In de Wet SUWI is er daarbij voor
gekozen dat de gegevensverstrekking
uit de administraties van UWV, SVB en CWI aan bestuursorganen voor aan
die bestuursorganen opgedragen taken, bij algemene maatregel van bestuur
(i.c. in het
Besluit SUWI) worden geregeld
en dat de
gegevensverstrekking aan private instanties in de wet wordt geregeld. Artikel
73, eerste, tweede, derde en zevende lid, bevat de bepalingen voor de gegevensverstrekking aan private instanties. Bij wet
wordt zoveel mogelijk
bepaald aan wie en voor welk doel aan deze organisaties wordt verstrekt. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat mag
worden verstrekt.
De wijzigingen in de
aanhef van artikel 73 en eerste lid, onderdeel d (zie ook hierna), hangen samen
met de polisadministratie en verduidelijken dat het alleen kan gaan
om gegevensverstrekking uit de administratie voor zover UWV,
SVB of CWI voor de verwerking van die gegevens de verantwoordelijke is in
de zin van de Wet
bescherming persoonsgegevens.
Het eerste lid, onderdeel
c, betreft de gegevensverstrekking aan fondsen, instellingen en
voorzieningen die met de uitvoering van vooral bij CAO bepaalde regelingen zijn
belast. Verduidelijkt is dat alleen gegevens mogen worden verstrekt
voor de uitvoering van taken die naar hun aard rblz.|19|
gelijk zijn aan de
wettelijke taken die door UWV, CWI en SVB worden uitgevoerd. Bij die
wettelijke (dan wel bij of krachtens wet toegestane andere) taken moet
gedacht worden aan het verstrekken van uitkeringen bij inkomensderving als
gevolg van het verlies van arbeid (UWV: door werkloosheid of
arbeidsongeschiktheid; SVB: wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd en het
overlijden van een partner of ouders) of arbeidsbemiddeling en ondersteuning bij het
verkrijgen of behouden van arbeid. De noodzaak van deze
gegevensverstrekking hangt samen met de in de CAO’s opgenomen
bovenwettelijke regelingen voor aanspraken op uitkeringen en andere voorzieningen,
zoals scholing. Dit onderdeel c moet dan ook worden bezien in
samenhang met de uitvoering van andere taken door UWV, CWI en SVB,
zoals geregeld in artikel 13 van de Wet
SUWI. In het vierde lid van
artikel 13 is bepaald dat UWV, CWI en SVB gegevens die zij mogen verwerken
voor de uitvoering van andere taken op verzoek verstrekken aan derden
die gelijke taken uitvoeren (zie ook de toelichting
op de wijziging van artikel
13,
vierde lid). Bij de afbouw van de uitvoering van de bovenwettelijke
regelingen door UWV, CWI en SVB zal die uitvoering meer gaan berusten bij de
in dit onderdeel c genoemde instanties. De bevoegdheid tot verstrekking van gegevens sluit hierbij aan.
Onderdeel d regelt de
bevoegdheid gegevens te verstrekken aan verzekeraars voor zover die gegevens
nodig zijn voor de verzekering van werkgevers voor de betaling van loon
bij ziekte en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Geregeld was al dat dit
alleen gegevens betreffen die UWV heeft verkregen via de
werkgevers. Verduidelijkt is dat de gegevensverstrekking door UWV alleen
betrekking kan hebben op gegevens die van werkgevers afkomstig zijn en door
het UWV als verantwoordelijke in de zin van de Wbp worden verwerkt. Zo
is duidelijk dat deze gegevensverstrekking nooit betrekking kan
hebben op gegevens waarvoor de belastingdienst
verantwoordelijke in de
zin van de Wbp is.
Het derde lid vervalt,
omdat de verplichting tot het verstrekken van gegevens aan het CBS voortvloeit
uit artikel 33, vierde lid, van de Wet
op het Centraal bureau voor de statistiek en in de Wet
SUWI geen nadere regeling meer behoeft.
De toevoeging aan het
nieuwe derde lid is om conform de eerder genoemde uitgangspunten
expliciet te bepalen wie welke gegevens krijgt. Dit gebeurt bij algemene
maatregel van bestuur.
Met de introductie van de
polisadministratie met de verderstrekkende doeleinden dan alleen gegevensverwerking ten behoeve van de uitvoering
van wetten door UWV is
het samenstel van bepalingen in de Wet SUWI nader bezien.
Artikel 33 regelt het totaal van het verwerken van gegevens in de polisadministratie inclusief de daarmee samenhangende
gegevensverstrekking. Voor zover de gegevensverwerking in de polisadministratie anders dan ten behoeve
van de belastingdienst de basis vormt voor de uitvoering
van aan bestuursorganen opgedragen taken en die bestuursorganen dus
afnemer zijn, wordt de gegevensverstrekking behalve op artikel 33
gebaseerd op het vierde lid van artikel 73. Het nieuwe vierde lid was het
vijfde lid, dat grondslag vormt voor de regeling in het Besluit
SUWI. De
verwijzing naar regels over niet tot individuele natuurlijke personen
herleidbare gegevens is daaruit komen te vervallen, omdat het verstrekken van
die gegevens door de toevoeging van onderdeel c aan artikel
74, tweede
lid, buiten de geheimhoudingsplicht valt. Het zevende lid is vernummerd
tot vijfde lid en bevat de gegevensverstrekking aan de minister.
In het nieuwe zesde lid
is de delegatiebepaling opgenomen om te bepalen welke gegevens en tegen
welke kosten verstrekking aan private instanties, bedoeld in het eerste en
tweede lid, mag plaatsvinden. Het is wenselijk te regelen welke gegevens
door UWV, CWI en SVB
mogen worden verstrekt aan de private instanties, nu de meeste gegevens via de
belastingdienst rblz.|20|
door werkgevers worden
aangeleverd. Dit zal worden geregeld in de algemene maatregel van
bestuur op grond van het zesde lid.
Het nieuwe zevende lid
heeft alleen betrekking op de gegevensverstrekking door CWI. Het gaat om de
gegevensverstrekking aan reïntegratiebedrijven.
Deze bevoegdheid was geregeld in het Besluit
SUWI op grond van de
ruime delegatiebepaling (het oude vijfde lid), die nu is komen te vervallen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld omtrent de gegevens die kunnen worden verstrekt. In het
voornoemde besluit ging het om naam, adres, telefoonnummer, postcode, woonplaats,
opleiding en werkervaring.
De voordracht voor de
algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in artikel
13, vierde lid, 73, derde, vierde, zesde en zevende lid, zal worden gedaan in overeenstemming
met de Minister van Financiën.
Q,
S en
T
Dit betreft aanpassingen
in de artikelen over de nadere regelgeving, de arbeidsverledenbeschikking
en de strafbepalingen, die voortvloeien uit de andere wijzigingen in de Wet
SUWI. Tevens komt de bevoegdheid van UWV
in artikel 77 om
nadere regels te stellen over de gegevensverstrekking op grond van artikel 54
te vervallen, zoals in artikel 77, tweede lid, zou worden
geregeld, na het vervallen van de artikelen 58 en
60. Artikel 54 heeft niet
alleen betrekking op gegevensverstrekking aan UWV. Voorts zou nadere
regelgeving door UWV niet passen in het uitgangspunt in de
socialeverzekeringswetgeving dit soort nadere regels alleen via ministeriële
regelingen te stellen. De noodzaak van die nadere regelgeving bij de
gegevensverstrekking aan UWV op verzoek is niet gebleken. De specificatie
van de gegevensaanlevering door de daargenoemde personen en instanties
kan in dat verzoek nader worden gegeven.
Artikel 2.1.6
[6].
Algemene
nabestaandenwet
D
De
medewerkgever, de inlener, in artikel 16a van de CSV
is dezelfde als die in artikel 34 van de Invorderingswet
1990. Omdat artikel 16a
CSV komt te vervallen, wordt de
verwijzing aangepast.
G
Artikel 74 houdt rekening
met mogelijke uitgaven ten laste van het Weduwen- en Wezenfonds
die ten laste worden gebracht van het Nabestaandenfonds. Voor zover deze bepaling nog betekenis heeft, is het onderwerp daarvan ook al
geregeld in artikel 7.2.1.4 [85], tweede lid,
Wfsv, zodat zij kan vervallen.
Artikel 2.1.9
[9].
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Naast enkele technische
aanpassingen (onderdelen A en B) wordt (in
onderdeel C) voorzien in
het vervallen van hoofdstuk 6 van de WAZ. Dit hoofdstuk ("Financiering") omvat na de
Wet einde toegang verzekering WAZ nog slechts het
nieuwe artikel 71 (ook met het opschrift
"Financiering") alsmede het kopje
"Premieplicht". Eén en ander kan vervallen nu dit - voor de
resterende uitvoering van de WAZ - in de Wfsv
wordt geregeld.
rblz.|21|
Artikel 2.1.10
[10].
Wet op de
ondernemingsraden
B
Op grond van artikel
46a
van de Wet op
de ondernemingsraden (WOR) kan de
Sociaal-Economische Raad (SER) bij verordening een heffing ten behoeve van de scholing
en vorming van ondernemingsraadleden opleggen (de zogenaamde WOR-heffing) aan ondernemers op wie de verplichting rust een ondernemingsraad
(OR) in te stellen. Deze heffing wordt thans geïnd door UWV.
Overeenkomstig de opvatting van de SER wordt voorgesteld ook de inning van de
WOR-heffing in het vervolg door de belastingdienst, namens de SER, te laten
plaatsvinden. Tevens wordt voorgesteld - ter bevestiging van de
bestaande situatie - oplegging van de heffing niet langer afhankelijk te
stellen van een daartoe strekkend besluit van de SER, maar rechtstreeks bij
wet
verplicht te stellen. De belastingdienst zal de heffing bij wege van
aanslag opleggen en daarbij de regels voor de heffing en invordering
van de inkomstenbelasting overeenkomstig toepassen. Deze regels omvatten de
Invorderingswet
1990 en de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, waaronder begrepen de fiscale rechtsgang; in zoverre sluit dit aan
bij hetgeen op grond van de Wfsv zal gelden. De kosten die de
belastingdienst ter uitvoering van deze taak maakt,
komen ten laste van de
SER.
De heffing op grond van
dit artikel wordt per (heel) kalenderjaar opgelegd. Heffingsplichtig is de
ondernemer die op 1 januari van dat jaar ondernemingsraadplichtig is; dit laatste wordt,
overeenkomstig de WOR, bepaald door het feit of in de
onderneming of de ondernemingen van de ondernemer in de regel 50 of meer personen werkzaam zijn. Voorts is
- overeenkomstig
de huidige praktijk - heffingsplichtig de ondernemer die op grond van
CAO of
publiekrechtelijke arbeidsvoorwaardenregeling een OR moet instellen, alsmede
de ondernemer die vrijwillig een OR instelt of in stand houdt. De heffing
bedraagt een (door de SER bij verordening vast te stellen) percentage van
het bij de betrokken ondernemer door de bij hem werkzame personen genoten
loon (dit is het loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964),
dat gelijk is voor alle heffingsplichtige ondernemers. Ten behoeve van de
uitvoering door de belastingdienst is voorts voorzien in afstemming op
het fiscale begrip inhoudingsplichtige. Tussen SER en belastingdienst
worden overigens afspraken gemaakt over de uitvoering van dit
artikel; deze afspraken betreffen onder meer de informatieverstrekking door de SER aan de
belastingdienst over de ondernemers die OR-plichtig zijn.
De SER is bevoegd bij
verordening nadere regels met betrekking tot de WOR-heffing te stellen.
Voor zover de verordening
betrekking heeft op de overheidssector, wordt deze vastgesteld na
overleg met de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.
Verordeningen op grond
van dit artikel behoeven de goedkeuring van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. Aangezien een verordening gevolgen kan hebben voor
de uitvoering door de belastingdienst is voorgeschreven dat de
goedkeuring in overeenstemming met de Minister van Financiën wordt
verleend; deze kan dan de belastingdienst daarover raadplegen.
Inhoudelijk worden
overigens geen wijzigingen ten opzichte van het huidige artikel 46a
voorgesteld.
Artikel 2.1.11
[11].
Wet arbeid
vreemdelingen
De bepaling over de
verplichting van de werkgever om de identiteit van de werknemer vast te
stellen aan de hand van een ID-bewijs en daarvan een afschrift in de
administratie op te nemen en de verplichting van de werknemer daaraan mee te
werken, komt in de Wet SUWI te vervallen rblz.|22|
(artikel
55, derde lid).
Volstaan kan worden met de regeling in artikel 28 en 29 Wet
LB, waarin
bepaald wordt dat op de inhoudingsplichtige en de werknemer deze
verplichtingen berusten. Deze bepalingen zijn op grond van de Wfsv
van overeenkomstige toepassing voor de werkgever in
de zin van de WW, ZW en
WAO.
In artikel 55, vierde
lid, van de Wet SUWI is geregeld dat de werkgever van een
vreemdeling die
de arbeid feitelijk bij een andere werkgever laat verrichten een afschrift
van het identiteitsdocument dat in zijn administratie is opgenomen, verstrekt
aan die andere werkgever. In artikel 15 van de Wet
arbeid vreemdelingen (Wav) is vervolgens geregeld dat de
"formele" werkgever ervoor zorgt draagt dat de feitelijke werkgever een afschrift van dit
document ontvangt. In het tweede tot en met vierde lid van artikel 15 Wav
wordt
bepaald dat de feitelijke werkgever dit afschrift opneemt in zijn
administratie en dit document ten minste vijf jaar bewaart en dat de vreemdeling
zich ook ten opzichte van de feitelijke werkgever identificeert.
De achtergrond van deze
bepalingen is dat de formele werkgever van een uitzendkracht de uitlener
is. Bij die werkgever berust de loonadministratie. Werkgever voor de Wav
is
de persoon die een ander arbeid laat verrichten. Dat kan dus
ook de inlener zijn. Echter op die inlener rust niet de verplichting de
identiteit van de vreemdeling vast te stellen en de afschriften van
ID-bewijzen te bewaren. Deze werkgever moet wel een tewerkstellingsvergunning
hebben als hij vreemdelingen laat werken. De AI [Arbeidsinspectie,
red.] controleert dit en
heeft dan houvast indien ook in de administratie van die inlener een afschrift
van het ID-bewijs is opgenomen waarmee de vreemdeling zich ten
opzichte van de formele werkgever heeft geïdentificeerd. Op die wijze kan
gemakkelijker de vergelijking plaatsvinden met de vreemdeling die op de
werkplaats wordt aangetroffen. De inlener/Wav-werkgever moet dan wel over het
afschrift beschikken. Hij kan dit alleen verkrijgen van de formele
werkgever. De formele werkgever dient ervoor zorg te dragen dat het
afschrift van het document uit zijn administratie door de feitelijke
werkgever wordt ontvangen. Indien er sprake is van doorlening, dient de
doorlener de afschriften door te geven. Voor de premie- en
belastingheffing wordt de doorlener als inlener beschouwd. De verplichting om het
document in de loonadministratie op te nemen, geldt alleen voor de formele
werkgever die de premies verschuldigd is. Deze uitlener dient er dus
voor zorg te dragen dat iedere inlener in een keten de afschriften ontvangt.
Deze zorgplicht was reeds geregeld in het eerste lid van artikel 15 Wav.
Omdat de verplichtingen
van de werkgever in de Wet SUWI komen te vervallen, is het eerste
lid van artikel 15 Wav
zodanig aangepast dat daarin nu de verplichting
is opgenomen voor de formele werkgever, dat wil zeggen de werkgever
in de zin van de WW, ZW en WAO die premie is verschuldigd, om het
document dat hij door het van overeenkomstige toepassing zijn van de Wet
LB in zijn loonadministratie dient op te nemen te verstrekken aan
de feitelijke werkgever.
In het tweede lid wordt
voorgeschreven dat de inlener de identiteit van de vreemdeling vaststelt en
een afschrift van het ID-bewijs opneemt in de zijn administratie. Hij kan
deze gegevens dan vergelijken met de afschriften van de documenten die
hij van de formele werkgever heeft ontvangen. Hiertoe dient de vreemdeling zijn identiteitsbewijs aan de inlener ter
inzage te verstrekken.
Dit wordt geregeld in het vierde lid. Het vierde lid is technisch aangepast aan
het gewijzigde eerste lid om het beter te laten aansluiten bij het tweede
lid van artikel 15.
rblz.|23|
Artikel 2.1.13
[13].
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten
D
De medewerkgever, de inlener, in artikel 16a van de CSV
is dezelfde als die in artikel 34 van de Invorderingswet
1990. Omdat artikel 16a
CSV komt te vervallen. wordt de
verwijzing aangepast.
Artikel 2.2.1
[25]. Algemene
wet inzake rijksbelastingen
A
De verzuimboete voor het
niet, niet tijdig dan wel onjuist of onvolledig doen van de aangifte
loonbelasting is ondergebracht in een nieuw tweede lid van artikel 67b. De
hoogte van de boete voor deze tekortkomingen is gesteld op het niveau
zoals die ook geldt voor het niet of niet tijdig doen van de aangifte voor de
aanslagbelastingen. Deze wijziging hangt samen met het feit dat de
gecombineerde aangifte loonbelasting/premies werknemersverzekeringen binnen het
administratieve proces van de overheid een groter belang heeft
dan de voormalige aangifte loonbelasting.
De keuze voor het laten
verlopen van de bevoegdheid tot het opleggen van de boete na vijf
jaren in geval van onjuiste of onvolledige aangifte is toegelicht in paragraaf
3.7 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij de Wfsv.
B
De wijziging van artikel
68, eerste lid, onderdeel c, hangt samen met het vervallen van de
verplichting voor de inhoudingsplichtige jaarlijks aan de inspecteur opgave te
verstrekken van het in een kalenderjaar genoten loon, de ingehouden
loonbelasting en andere voor de heffing van de inkomstenbelasting van belang zijnde gegevens. Zie ook
artikel 2.2.2 [26], onderdelen F en I,
hierna.
Artikel 2.2.2
[26].
Wet op de
loonbelasting 1964
A
Deze delegatiebepaling,
waaraan geen uitvoering is gegeven, heeft geen actuele betekenis meer en
kan derhalve vervallen.
B
De verwijzing in artikel
11, eerste lid, onderdeel j, onder 2º, naar de WW
wordt vervangen door een
verwijzing naar de overeenkomstige bepalingen van de Wfsv.
C,
D en E
In de artikelen
19d, 21
en 21b van de Wet
LB worden de verwijzingen naar bepalingen van de
Wfv vervangen door verwijzingen naar de overeenkomstige bepalingen van de
Wfsv.
F en
I
De gegevens per werknemer
die de inhoudingsplichtige verplicht was jaarlijks door middel van
de loonbelastingkaart aan de inspecteur te verstrekken, worden in de
aangifte vermeld. Hierdoor kan deze verplichting komen te vervallen. De
wijziging in onderdeel I hangt samen met het
rblz.|24|
vervallen van de verplichting voor de inhoudingsplichtige tot het
verstrekken van de
loonbelastingkaart aan de inspecteur.
G
Het tweede, het vijfde en
het achtste lid van artikel 27 betreffen de heffing van premie voor de volksverzekeringen. Deze leden worden verplaatst
naar de nieuwe artikelen 27b en 27d.
H
In het eerste en tweede
lid van het nieuwe artikel 27a zijn de bepalingen ondergebracht die
voorheen in artikel 31, eerste en elfde lid, waren opgenomen. Hiermee wordt geen
inhoudelijke wijziging beoogd. De wijzigingen met betrekking tot de
premieheffing voor de werknemersverzekeringen zijn aangegrepen om deze
bepalingen, die handelen over de wijze van heffing, te
verplaatsen naar hoofdstuk IV van de
wet, waarin de wijze van heffing
wordt behandeld en waar zij dus systematisch thuishoren.
In het nieuwe artikel
27b, eerste tot en met derde lid, zijn de bepalingen ondergebracht die
voorheen in artikel 27, tweede en vijfde lid, waren ondergebracht. Hiermee
wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd. De wijzigingen met
betrekking tot de premieheffing voor de werknemersverzekeringen zijn aangegrepen om
deze
bepalingen, die handelen over de heffing van premie
volksverzekeringen, in één artikel onder te brengen. Hiermee wordt de
overzichtelijkheid van hoofdstuk IV van de Wet
LB gediend.
Het nieuwe artikel
27c
regelt de wijze van heffing van de premies voor de werknemersverzekeringen.
Zij beogen geheel gelijk op te lopen met de regels die gelden voor de
loonbelasting, zoals dat ook het geval is voor de heffing van de premie
voor de volksverzekeringen.
In het eerste lid van
artikel 27c wordt aangegeven dat indien ten aanzien van een werknemer zowel
loonbelasting als premies werknemersverzekeringen verschuldigd zijn, deze
beide heffingen gelijktijdig plaatsvinden en op één aangifte
worden afgedragen. Dit geschiedt met overeenkomstige toepassing van de regels
voor de loonbelasting.
Dit betekent dat de
werknemersverzekeringen voor zover deze op het loon van de werknemer worden
ingehouden tegelijkertijd met de in te houden loonbelasting op het loon
dienen te worden ingehouden. Dit geschiedt ingevolge artikel 27,
tweede lid, van de Wet
LB op het tijdstip waarop het loon wordt genoten.
De in het aangiftetijdvak ingehouden belasting en premies
werknemersverzekeringen worden vervolgens samen met de in het aangiftetijdvak door
de werkgever verschuldigde premies werknemersverzekeringen en eindheffing
loonbelasting op één aangifte afgedragen. Wordt te weinig afgedragen, dan volgt door de éne aangifte ook
één naheffingsaanslag
voor de loonheffing (loonbelasting én premie voor de volksverzekeringen in
één bedrag ingevolge artikel 27b) en/of premieheffing voor de werknemersverzekeringen.
De gelijktijdige heffing
en de afdracht op één aangifte met overeenkomstige toepassing van de regels
die gelden voor de loonbelasting heeft verder tot gevolg dat ook
de regels bij of krachtens de Awr, de
Iw 1990 en de
Kostenwet
invordering rijksbelastingen voor zover ze betrekking hebben op de loonbelasting, van
overeenkomstige toepassing zijn op de gelijktijdig met de loonbelasting
geheven en op aangifte afgedragen premies voor de
werknemersverzekeringen. De belastingdienst zal
voor zover de inhoudingsplichtige te
weinig loonbelasting (en premie volksverzekeringen) en premies
werknemersverzekeringen op aangifte heeft afgedragen, voor het totaal één
naheffingsaanslag opleggen, waarbij de rblz.|25|
premie voor de werknemersverzekeringen afzonderlijk wordt vermeld.
Verder kan tegen de
inhouding of de afdracht van belasting (en premie voor de
volksverzekeringen) en premies voor de werknemersverzekeringen worden opgekomen met
één bezwaarschrift. Bij invordering van een naheffingsaanslag
worden de vervolgingskosten in één keer berekend over het totaal
van de verschuldigde premies werknemersverzekeringen (en premie
volksverzekeringen) en loonbelasting.
Het tweede lid van
artikel 27c bepaalt dat ook de procentuele premie ingevolge de
Ziekenfondswet onder de werking van dit artikel en artikel 27d valt (aangezien deze
overigens niet onder het begrip premies werknemersverzekeringen valt). De formulering
brengt mee dat dit uitdrukkelijk niet de nominale premie betreft, en evenmin de premie voor zelfstandigen.
Het derde lid schrijft
voor dat betalingen op de aangifte naar evenredigheid worden
toegerekend aan de belasting en de premies voor de werknemersverzekeringen. Voor een naheffingsaanslag is deze
evenredigheid vastgelegd in artikel 7, tweede lid, Iw
1990 (zie ook toelichting op
artikel 2.2.3 [27], onderdeel A).
In het nieuwe artikel
27d
is de bepaling opgenomen die voorheen in artikel 27, achtste lid,
was ondergebracht. De werking van de bepaling is uitgebreid tot de premies
voor de werknemersverzekeringen. Deze bepaling is opgenomen omdat ook in
de Wet
inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot de volksverzekeringen een overeenkomstige bepaling voorkomt.
Deze bepaling
concretiseert hetgeen reeds volgt uit het eerste lid van artikel 27b en het
eerste lid van artikel 27c.
J
De inhoudingsplichtige
wordt in het nieuwe artikel 28a verplicht geconstateerde onjuistheden of
onvolledigheden in de aangifte loonbelasting door middel van een
correctiebericht te verbeteren en door te geven aan de belastingdienst.
In artikel 28a, eerste
lid, is de verplichting opgenomen voor het geval de inhoudingsplichtige zelf
constateert dat hij een onjuiste/onvolledige aangifte heeft gedaan.
Het correctiebericht moet binnen één maand nadat de inhoudingsplichtige de
onjuistheden/onvolledigheden heeft ontdekt, worden ingediend.
Het tweede lid regelt de
verplichting indien de inspecteur de onjuistheid/onvolledigheid van eerder
ingediende aangiften constateert. De inspecteur kan dan de
inhoudingsplichtige verplichten de geconstateerde onjuistheden en
onvolledigheden in de aangifte door middel van een correctiebericht te verbeteren en door te geven aan de
belastingdienst. De
inspecteur zal hierbij
een termijn stellen waarbinnen het correctiebericht moet zijn ingediend.
De periode waarover een
inhoudingsplichtige gehouden is een onjuiste of onvolledige aangifte te verbeteren, is in beide gevallen gelijkgesteld aan
de periode, bedoeld in
artikel 20, derde lid, Awr, waarover een naheffingsaanslag kan worden opgelegd.
In artikel
28b is de
sanctie opgenomen die gesteld wordt op het niet, niet tijdig, niet juist of
onvolledig doen van het correctiebericht. Het betreft een verzuimboete, die qua
hoogte vergelijkbaar is met de verzuimboete voor het niet, niet tijdig,
niet juist of onvolledig doen van de aangifte op grond van artikel 67b, tweede
lid, van de Awr. Voor wat betreft de termijn waarbinnen deze verzuimboete kan
worden opgelegd, wordt onderscheid gemaakt tussen het geval
dat de inspecteur de onjuistheid heeft geconstateerd en het geval dat de
inhoudingsplichtige zelf de onjuistheid of onvolledigheid heeft geconstateerd. In
het eerste geval kan het verzuim door de belastingdienst
snel
worden geconstateerd. De termijn waarbinnen de boete moet worden opgelegd is daarom beperkt tot één jaar na het
rblz.|26|
verstrijken van de door
de inspecteur gestelde termijn waarbinnen het correctiebericht had
moeten zijn ingediend. In het tweede geval zal de belastingdienst niet snel
kunnen constateren dat de inhoudingsplichtige ten onrechte geen
correctiebericht heeft ingediend. Voor dat geval is de termijn gesteld op de
termijn gedurende welke de inhoudingsplichtige verplicht is een correctiebericht in te dienen.
In het vierde lid is een
inkeerbepaling opgenomen waardoor geen verzuimboete wordt
opgelegd in het geval dat de inhoudingsplichtige zijn eerder ingediende
onjuiste aangifte alsnog verbetert door middel van het indienen van een
correctiebericht. De strekking van deze bepaling komt overeen met de reeds
bestaande inkeerregeling in artikel 67n van de Awr.
K
De wijzigingen in artikel
29, derde lid, hangen samen de wijzigingen in artikel 28 (zie ook
hiervoor de toelichting op onderdeel F en I).
L
De wijzigingen in artikel
31 zijn een gevolg van het verplaatsen van het eerste en het elfde lid
naar artikel 27a in hoofdstuk IV van de
wet over de wijze van heffing. Met
één en ander wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd.
M
De wijzigingen in artikel
32a hangen enerzijds samen met de vernummering in artikel 31 en
anderzijds worden de verwijzingen naar de WW en naar bepalingen die
gewijzigd zijn in de Invoeringswet Wfsv vervangen door de correcte
verwijzingen.
Artikel 2.2.3
[27]. Invorderingswet
1990
A
Ingevolge het nieuwe
artikel 27c, eerste lid, van de Wet
LB geschiedt de heffing van de premies
voor de werknemersverzekeringen gelijktijdig met die van de belasting.
De afdracht van die premies en belasting geschiedt op één
aangifte, één en ander met overeenkomstige toepassing van de voor heffing en
invordering van de loonbelasting geldende regels. De wijziging van artikel
7, tweede lid, van de Iw
1990, dat de toerekening van betalingen aan de
verschillende onderdelen van een belastingaanslag regelt, bewerkstelligt
dat indien artikel 27c, eerste lid, van de Wet
LB van toepassing is
betalingen naar evenredigheid worden toegerekend aan de loonbelasting en de
premies voor de werknemersverzekeringen.
B en
C
De wijzigingen opgenomen
in artikel 35, vijfde lid, en artikel 35a, vierde lid, hangen samen met de
overgang van de invordering van de premie voor de
werknemersverzekeringen naar de belastingdienst. De desbetreffende bepalingen in de
CSV over
invordering komen daarmee te vervallen. De
verwijzingen naar de CSV daarmee ook.
rblz.|27|
Artikel 2.2.4
[28].
Wet
inkomstenbelasting 2001
A tot en met M
In de artikelen 2.5, 2.7,
2.11, 3.150, 3.154, 5.11, 8.1, 8.4, 8.5, 8.6, 8.7, 8.9a en 10.7 van de
Wet
inkomstenbelasting 2001 worden verwijzingen naar bepalingen van de Wfv
vervangen door
verwijzingen naar de overeenkomstige bepalingen van de Wfsv
en
worden twee verwijzingen naar de Wet
op de loonbelasting 1964 aangepast.
Artikel 2.2.5
[29].
Wet op de
vennootschapsbelasting 1969
In artikel
20 van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 wordt een verwijzing naar een
bepaling van de Wfv vervangen door een verwijzing naar de overeenkomstige
bepaling van de Wfsv.
Artikel 2.3.1
[30].
Ziekenfondswet
A,
B,
C,
D en
E
In de
artikelen 1, eerste
lid, onderdeel l, 1a, tweede lid,
1s, vierde lid, onderdeel
b, 1u, derde
lid, en 1x14, vierde lid, van de Zfw
worden de verwijzingen naar de
Wfv of naar bepalingen in die wet vervangen door de
Wfsv of de
desbetreffende bepalingen in die wet. Tevens wordt
- in verband met het nieuwe
artikel 22 - in artikel 1, eerste lid, aan de begripsomschrijvingen die van de
SVB
toegevoegd.
F
In
artikel 15, derde lid,
van de Zfw wordt bepaald dat de verschuldigde procentuele
ziekenfondspremie door de rijksbelastingdienst wordt geheven en ingevorderd.
Evenals dat voor de ZW, de WW
en de WAO in de Wfsv
is geregeld,
geschiedt dit overeenkomstig het systeem voor de heffing en de invordering
van loonbelasting en de daarbij geldende regels. Daarbij gaat het
in het bijzonder om de regels van hoofdstuk IV van de Wet
LB, de
bepalingen van de Awr
en de Iw 1990. Dit betekent met name dat de
verschuldigde premie na afloop van het aangiftetijdvak op aangifte door de
werkgever wordt afgedragen. Anders dan de loonbelasting kent de Zfw
niet het
begrip inhoudingsplichtige, maar het begrip werkgever. De overeenkomstige toepassing van de regels voor de loonbelasting
brengt mee dat waar in
die regels sprake is van inhoudingsplichtige bij de premieheffing
ziekenfondsverzekering de werkgever in de zin van de Zfw wordt bedoeld.
De beschikkingen die de inspecteur van de rijksbelastingdienst op
grond van deze wet zal nemen, vallen onder het rechtsbeschermingsregime
van de Awr. Dat regime houdt in dat alleen de in de Ziekenfondswet
expliciet als zodanig aangemerkte beschikkingen voor bezwaar vatbaar
zijn.
De wijziging van het
vierde lid regelt het verbod op verhaal van niet-ingehouden premie op dezelfde wijze
als in artikel 3.1.2 [artikel 3.1.2.1
[20],
red.], tweede lid, van de
Wfsv voor de overige
premies voor de werknemersverzekeringen is geschied.
In het vijfde lid van
artikel 15 van de Zfw is in verband met de afdracht door de
rijksbelastingdienst van premie, bestuurlijke boeten en renten aan de Algemene Kas van de
ziekenfondsverzekering een delegatiebepaling opgenomen. Door de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Financiën worden regels gesteld omtrent de afdracht en
de wijze van toerekening.
Het nieuwe zesde lid van
artikel 15 van de Zfw betreft het volgende. In de ziekenfondsverzekering
kan zich de situatie voordoen dat een persoon gelijktijdig op grond van
verschillende wettelijke bepalingen ziekenfonds verzekerd rblz.|28|
is.
Bijvoorbeeld een persoon ontvangt een vervroegd pensioen en heeft daarnaast
nog
een dienstbetrekking. Indien blijkt dat voor zijn ziekenfondsverzekering in
totaal meer procentuele premie is betaald dan op grond van artikel
9,
tweede lid, van de CSV verschuldigd is, wordt de
te veel betaalde premie
terugbetaald. De terugbetaling geschiedt met overeenkomstige
toepassing van artikel 9 van de CSV
en artikel 4.1.3 [59], negende lid, van de Wfsv.
Deze regels zijn al van toepassing bij samenloop van twee of meer
dienstbetrekkingen, waarbij alleen loon in de zin van de CSV
is betrokken.
De belastingdienst voert deze terugbetalingsregeling uit. Voor categorieën
van personen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de
Zfw, kan de
terugbetaling van eventueel te veel betaalde ziekenfondspremie volgens dezelfde regels
verlopen als het inkomensbestanddelen betreft die geen loon in
de zin van de CSV zijn. Ook deze terugbetalingsregeling
voert de belastingdienst uit.
De in artikel 15, zevende
lid, van de Zfw opgenomen rechtsbeschermingsregels met betrekking tot de
door de inspecteur van de belastingdienst aan de werkgever
uitgebrachte beschikking over het verzekerd zijn van zijn werknemer zijn in
lijn met de huidige regeling voor deze beschikkingen die thans door UWV
worden
afgegeven. Mocht de werkgever bezwaar maken tegen een
aan hem verstrekte beschikking, dan moet de inspecteur overeenkomstig
artikel 4.1.3 [59], zesde lid, van de Wfsv binnen dertien weken na
ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak doen op dit bezwaar.
De door het ziekenfonds
genomen beschikking over de verzekeringsplicht van een werknemer kan van
belang zijn voor de werkgever in het kader van de heffing en
invordering van de premie ingevolge de Zfw. De beschikking kan
bijvoorbeeld een naheffingsaanslag of teruggave van ziekenfondspremie door de
belastingdienst tot gevolg hebben. Daarom is in artikel
15, achtste
lid, van de Zfw erin voorzien dat de inspecteur de werkgever
zo nodig
inlicht. Informatie aan de werkgever kan achterwege blijven indien er voor
hem uit de beschikking geen gevolgen voortvloeien. Ook overigens zijn het
zevende en achtste lid afgestemd op de overeenkomstige bepalingen in de Wfsv
(zie artikel 4.1.3 [59] Wfsv) en in de werknemersverzekeringen (zie de nieuwe artikelen
127a WW, 87, eerste lid,
WAO, en 72c, eerste lid,
ZW, zoals voorgesteld in dit
wetsvoorstel), waar het betreft het
exclusieve karakter van het werkgevers- respectievelijk werknemersloket. Zie ook de
toelichting op artikel 2.1.1 [2], onderdelen M en N. In negende lid is in overeenstemming met de Wfsv
bepaald dat geen
premie is verschuldigd
over de maand dat een verzekerde 65 jaar is geworden.
G
In
hoofdstuk 3, afdeling
6, paragraaf 3, van de Wfsv is de premievrijstellingsregeling opgenomen die tot nu
toe
in de Wet premieregime bij marginale arbeid is
geregeld.
De belastingdienst kan
onder voorwaarden ter zake van een dienstbetrekking tussen de werkgever en
een uitkeringsgerechtigde op verzoek van de werkgever vrijstelling
verlenen van de verplichting om premies werknemersverzekeringen te betalen. De werkgever
moet wel aangifte doen. De vrijstelling wordt
verleend indien de dienstbetrekking ten hoogste zes aaneengesloten weken
duurt en de werkgever in het kalenderjaar niet eerder een
dienstbetrekking met de uitkeringsgerechtigde is aangegaan, en indien niet
eerder in
het kalenderjaar voor een dienstbetrekking van die uitkeringsgerechtigde
vrijstelling is verleend. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
kan voor de Tabaksverwerkende en Agrarische sector categorieën
werknemers aanwijzen voor wie de vrijstelling ook mogelijk is.
In artikel 15d
wordt
bepaald dat een overeenkomstig genoemde paragraaf van de Wfsv
verleende
vrijstelling van de premies ingevolge de ZW, WW
rblz.|29|
en WAO bij marginale
arbeid tevens geldt als vrijstelling voor de op grond van artikel 15 van de
Zfw verschuldigde ziekenfondspremie.
H
In de sociale zekerheid
komt het regelmatig voor dat een sociale uitkering wordt gekort in verband
met het feit dat betrokkene tevens recht heeft op een andere
loondervingsuitkering, schadevergoeding of tegemoetkoming dan wel een uitkering
krachtens de sociale wetgeving van een andere mogendheid. Indien hij op
grond van die gekorte uitkering ziekenfonds verzekerd wordt, zou hij zonder
nadere regeling daarvoor minder premie betalen dan indien de
uitkering niet gekort zou zijn. Betrokkene heeft aanspraak op het totale
ziekenfondspakket. Om te voorkomen dat in deze situatie een persoon op
basis van het ontvangen van een kleine (aanvullende) sociale uitkering
verzekerd is tegen een geringe premie, kan bij ministeriële regeling
voor bepaalde categorieën van personen worden geregeld dat over de
ongekorte uitkering premie wordt geheven.
I
De in de
CSV en in de Wfv bestaande procedure voor degenen die gemoedsbezwaren hebben
tegen verzekering ingevolge de werknemersverzekeringen of de volksverzekeringen
om van de verplichtingen die hen op grond van de CSV
respectievelijk de Wfv zijn opgelegd te worden vrijgesteld, wordt thans
in de Wfsv opgenomen.
Degenen die
gemoedsbezwaren hebben tegen de verzekering ingevolge de Zfw
kunnen van de
verplichtingen worden ontheven overeenkomstig de in de Wfsv opgenomen
procedure op grond waarvan ontheffing kan worden verkregen van
verplichtingen voor degenen die gemoedsbezwaren hebben tegen verzekering
ingevolge de ZW, WW en WAO.
Een verzoek om ontheffing
wordt door een betrokkene ingediend bij de SVB. De SVB beslist op
het verzoek. Uit een oogpunt van uniformiteit is artikel 22
Zfw geformuleerd overeenkomstig artikel 5.1
[64] Wfsv. Overigens is hoofdstuk 5 van de
Wfsv van toepassing.
J
Artikel
78, eerste lid,
van de Zfw is aangescherpt teneinde te verduidelijken dat de in dat lid
bedoelde beroepsgang niet geldt voor bezwaar tegen de verschuldigde
premie die door de belastingdienst wordt geheven en ingevorderd.
Hiervoor geldt immers de hiervoor aangeduide in de Awr
geregelde
beroepsgang die ook voor de loonbelasting van toepassing is.
Wijziging van het tweede
lid van genoemd artikel leidt ertoe dat nu de heffing van alle aan de
bron te heffen premies door de belastingdienst plaatsvindt, die
bezwaarschriftprocedure uitsluitend betrekking heeft op de situatie dat het
ziekenfonds zelf de premie int. Dit komt bijvoorbeeld voor bij verzekerden van
65 jaar of ouder als geen bronheffing mogelijk is (buitenlands inkomen).
K
Met het nieuwe
artikel 80 wordt bereikt dat de werkgever geen belanghebbende is bij een besluit van
het ziekenfonds jegens de werknemer inzake diens verzekeringsplicht.
Dit is conform de voorstellen in de overige werknemersverzekeringswetten;
zie de nieuwe artikelen 126a WW,
86a WAO en
72a ZW, en de toelichting daarbij.
Artikel 81 strekt ertoe
ook voor wat betreft rechterlijke uitspraken inzake de Zfw eenheid met
betrekking tot de uitleg van de begrippen (on)gehuwd, rblz.|30|
gezamenlijke
huishouding en verzekeringsplicht te waarborgen, door van uitspraken van
de CRvB daarover cassatieberoep open te stellen. De CRvB is de hogerberoepsrechter voor alle besluiten op grond van de
Zfw. Cassatieberoep
bestond al voor geschillen over het loon op grond van de CSV. Dit stemt
waar het de verzekeringsplicht betreft overeen met de voorstellen ten
aanzien van de
werknemersverzekeringen, als opgenomen in de artikelen 129d
WW,
87f,
eerste lid, WAO en 75c, eerste lid,
ZW; zie daaromtrent het algemeen deel van de
memorie van toelichting bij de Wfsv, paragraaf 3.5.6. Voor zover de
mogelijkheid van cassatieberoep wordt ingevoerd ten aanzien van de begrippen
(on)gehuwd
en gezamenlijke huishouding, geschiedt dit uit het oogpunt van
harmonisatie (deze mogelijkheid bestaat reeds in de overige werknemersverzekeringswetten).
Artikel 2.3.2
[31].
Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten
In de
artikelen 1, eerste
lid, onderdeel i, 32c, eerste lid, onderdeel d, en
76a, tweede lid, van de AWBZ worden de verwijzingen naar de Wfv of naar bepalingen in
die
wet vervangen door de Wfsv of door de desbetreffende bepalingen in
die wet.
Tevens vervalt het eerste lid van artikel 32 (de ontheffing wegens gemoedsbezwaren wordt ook voor de
AWBZ geregeld
in hoofdstuk 5 van de Wfsv; het tweede
(nu enige) lid van artikel 32, dat de - niet onder de Wfsv
vallende - nominale premie betreft, wordt hieraan aangepast. Onderdeel B
betreft een terminologische aanpassing aan artikel
32. Artikel 48
vervalt nu het verantwoordingsregime in de Wfsv niet nader wordt geregeld
(onderdeel E) (zie
hoofdstuk 5 van de algemene toelichting bij de Wfsv).
Artikel 2.4.1
[35].
Algemene
wet bestuursrecht
Artikel
4:21, tweede lid,
Awb heeft tot doel de toepassing van de subsidietitel uit te sluiten als
ingevolge een wettelijk voorschrift het verrichten van een bepaalde activiteit
leidt tot vermindering van een belasting- of premieschuld. Daarvan kan
ook sprake zijn bij de premies voor de werknemersverzekeringen (in geval van
de
premievrijstellingen en -kortingen, bedoeld in hoofdstuk 3,
afdeling 6, Wfsv); daarom wordt nu de vermelding van de Wfv
vervangen door
die van de Wfsv. Deze mogelijkheid bestaat ook op grond van
de Ziekenfondswet (zie nieuw artikel 15d), zodat
deze wet hier ook wordt
genoemd.
Artikel 2.4.2
[36].
Beroepswet
Met de vermelding van de
Wfsv op de bijlage
bij de Beroepswet wordt bereikt dat - evenals
thans voor de Wfv het geval is - in hogerberoepszaken betreffende besluiten op
grond van deze wet de CRvB
de bevoegde rechter is en dat (zowel
in eerste aanleg als in appel) voor natuurlijke personen het lage griffierecht geldt (op grond van
artikel 8:41, derde lid,
onderdeel a, onder 1º, van de Awb,
respectievelijk artikel
22, tweede lid, onderdeel a, onder 1º, van de Beroepswet). Aangezien
in geschillen betreffende besluiten die op grond van de Wfsv door de belastingdienst
worden genomen de fiscale rechtsgang van toepassing
zal zijn, is de vermelding beperkt tot besluiten van de SVB
en UWV. Het
beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen
besluiten van het College voor zorgverzekeringen of het College van
toezicht op de zorgverzekeringen op grond van de Wfsv (zie artikel 7.2.2.4
[92] van
die wet, ontleend aan artikel 51 Wfv), blijft gehandhaafd.
rblz.|31|
Hoofdstuk 3.
Overgangsrecht
Artikel 3.1
[42]
In dit artikel wordt de
hoofdregel van het overgangsrecht vastgelegd, inhoudende dat met
betrekking tot de financiering van de sociale verzekeringen over verstreken jaren het
toen toepasselijke recht blijft gelden; zie hierover ook paragraaf
6.1 van
het algemeen deel van de memorie van toelichting bij de Wfsv. Het begrip
"financiering" moet hier - evenals dat het geval is bij de Wfsv
- in al
zijn relevante facetten worden begrepen (waarover hieronder nader). Ook de
term "recht" in deze bepaling moet in de ruimste zin worden opgevat. Daaronder moet in dit verband worden
verstaan alle op de
financiering betrekking hebbende regelgeving, zowel de formele wetten als de
daarop steunende AMvB’s en ministeriële regelingen, alsmede de op deze
regelgeving gebaseerde beleidsregels.
Het eerste lid van het
artikel ziet op hetgeen thans nog in de Wfv met betrekking tot de
financiering van de volksverzekeringen (zowel de verplichte als de
vrijwillige) is geregeld, met inbegrip van de daarbij toepasselijk verklaarde
fiscale regelgeving en rechtsbescherming. Materieel wordt met de overheveling
van dit alles naar de Wfsv geen wijziging beoogd. In verband met
het vervallen van de Wfv is echter een formele grondslag nodig voor
hetgeen met betrekking tot de afhandeling van "oude" jaren nog moet plaatsvinden; daarin voorziet deze bepaling.
Het tweede lid van het
artikel betreft de regels voor de financiering - eveneens in ruime zin op te vatten
- van de werknemersverzekeringen (ook zowel de verplichte als
de vrijwillige) die thans nog verspreid over verschillende wetten zijn
opgenomen en die overgaan naar de Wfsv; de bepaling verschaft een
formele basis voor afwikkeling van de oude jaren met toepassing van die
(oude) regels. Het gaat daarbij om voorschriften gesteld bij en krachtens
de WW, de ZW, de WAO, de
PMA, de Zfw, de CSV, de
Wet SUWI, alsmede
- voor zover het betreft de rechtsbescherming - de Awb en de
Beroepswet. Dit betekent in hoofdlijn dat de bevoegdheid tot uitvoering van de
betrokken wettelijke taken (met name de premieheffing en -inning) over die
jaren blijft berusten bij UWV, dat voor UWV de verplichtingen inzake
beheer, verantwoording en toezicht conform het oude recht blijven gelden
en dat de rechtsbescherming waar het betreft besluiten die op die
jaren betrekking hebben geen wijziging ondergaat (dat wil zeggen dat daarvoor niet
de fiscale rechtsgang gaat gelden, maar de bestaande rechtsgang van
toepassing blijft, te weten beroep bij de rechtbank
en hoger beroep bij de CRvB, voorafgegaan door bezwaar overeenkomstig de Awb). De bij UWV blijvende taak omvat in de eerste plaats de
zogenaamde reguliere
afwikkeling van de oude jaren, inclusief correctienota’s en invordering. Dit kan,
gelet op artikel 13 CSV,
voor zover het betreft de premievaststelling nog
vijf jaren, dat wil zeggen tot en met het jaar 2010, spelen, en voor
zover het betreft
invordering nog tien jaren daarna, dat wil zeggen tot en met het jaar 2020. Door
uitbesteding van de invordering aan de belastingdienst, zoals ook thans al kan
geschieden voor wat betreft de dwanginvordering, kan evenwel feitelijk op
een eerder tijdstip de uitvoering al bij die dienst komen te
berusten.
Gevolg van de gekozen
hoofdlijn is dat de werkgever nog enige tijd met twee loketten te maken
zal hebben (belastingdienst en UWV) in plaats van met
één en dat ook de
rechtsgang - naargelang van de ouderdom van een zaak en het tijdvak
waarop deze betrekking heeft - zal verschillen.
Deze lijn is op zichzelf
voor alle betrokkenen volstrekt duidelijk, maar kan niettemin uit een oogpunt
van eenvoud en gelet op de mogelijk lange duur ervan minder
wenselijk zijn. Het is daarom denkbaar - los van de mogelijkheid van eerdere
overgang door middel van mandaat van UWV aan de belastingdienst - dat op enig moment in de toekomst de wetgever aanleiding zal zien het
nieuwe regime integraal van toepassing te rblz.|32|
verklaren, dat wil zeggen ook
voor zaken betreffende jaren die vóór de datum van inwerkingtreding zijn
gelegen. Of en wanneer er aanleiding zou bestaan voor een dergelijk
besluit is afhankelijk van thans onvoorzienbare ontwikkelingen, die met name betreffen de
vraag hoeveel "oude" zaken na verloop van hoeveel tijd
nog zullen spelen, en de beschikbaarheid van de voor de afhandeling van
die zaken nodige menskracht bij de oorspronkelijk bevoegde en de nieuw
bevoegde instanties (zowel de uitvoerende als de rechterlijke).
Artikel 3.2
[43]
Met het eerste en tweede
lid van dit artikel wordt bereikt dat AMvB’s en ministeriële regelingen
die zijn getroffen op grond van de in te trekken wetten, dan wel op grond
van naar andere wetten overgaande bepalingen, niet terstond door nieuwe
hoeven te worden vervangen. De genoemde regelingen blijven van kracht door daaraan een nieuwe wettelijke basis te
verschaffen. Dit laat
onverlet dat het vanaf de inwerkingtreding bevoegde orgaan op ieder moment
tot wijziging of vervanging van de hier bedoelde regels kan overgaan. De
bepaling is zo geformuleerd dat de getroffen voorziening tevens
regelingen betreft die mede gebaseerd zijn op (een artikel van) de
ingetrokken regelgeving (zie bijvoorbeeld de Wijzigingsregeling sociale verzekeringen
2002, die mede op artikel 17 Wfv
is gebaseerd).
Voor zover sprake is van
bestaande regelingen die betrekking hebben op de nieuwe taak van de belastingdienst
met betrekking tot de heffing en
inning van de premies
werknemersverzekeringen of anderszins het opnieuw (al dan niet
gewijzigd) vaststellen wenselijk is, wordt niet voorzien in het doorgelden
daarvan.
Het derde lid omvat een
voorziening voor bestaande beleidsregels, voor zover afkomstig van de SVB.
Hetzelfde wordt in het vierde lid voor beleidsregels van het CVZ
geregeld. Aangezien met betrekking tot de financiering van de volksverzekeringen en
de taken en bevoegdheden van de SVB en van het CVZ op grond van de Wfv
geen (materiële) wijzigingen plaatsvinden, is het uit praktisch
oogpunt gewenst ook de ter zake bestaande beleidsregels te laten voortduren
(zulks uiteraard onverminderd de mogelijkheid tot wijziging). Zo’n voorziening is niet gewenst met betrekking tot de
bestaande beleidsregels
van UWV, gelet op het voor de bevoegdheden van UWV
- ingrijpend - gewijzigde regime; voor zover daaraan onder het nieuwe regime behoefte
bestaat, kunnen door de nieuw bevoegde organen (UWV en belastingdienst), met inachtneming van dat regime, nieuwe beleidsregels
worden ontwikkeld en vastgesteld.
Artikel 3.3
[44]
Dit artikel bevat
overgangsrechtelijke voorzieningen voor (individuele) beschikkingen die
vóór de
datum van inwerkingtreding van de wet zijn genomen op grond van
wettelijke bepalingen die overgaan van de Wfv, de
materiewetten, de PMA of de CSV naar de Wfsv
en waarvan de werking zich (geheel of
mede) uitstrekt tot na die datum.
Deze bepaling voorziet in
de geldigheid na 1 januari 2006 van dergelijke beschikkingen. Met dit
artikel wordt aan dergelijke beschikkingen ook na die datum een formele
grondslag gegeven. Een dergelijke voorziening is niet nodig voor
beschikkingen die uitsluitend betrekking hebben op vóór 2006 gelegen jaren; de
geldigheid daarvan (alsmede de toepasselijkheid daarop van het oude
recht) volgt al uit de hoofdregel van artikel
3.1 [42]. Evenzo is geen bepaling
nodig met betrekking tot beschikkingen die uitsluitend de jaren 2006 e.v.
betreffen; daarvoor geldt ten volle het nieuwe recht, zoals
neergelegd in deze wetsvoorstellen.
In het tweede en derde
lid worden enkele categorieën van beschikkingen van UWV
die van kracht
blijven nader omschreven. Deze specificatie rblz.|33|
houdt verband met hetgeen
in de volgende artikelen over de daartegen openstaande
rechtsmiddelen wordt geregeld; voor zover daaruit de toepasselijkheid van de
fiscale rechtsgang volgt, is een limitatieve opsomming nodig in verband met het
daarvoor geldende gesloten stelsel. Dit betreft de besluiten van UWV inzake eigen risico dragen WAO en ZW, de besluiten inzake de korting arbeidsgehandicapte werknemer, de besluiten
inzake premievrijstelling
bij marginale arbeid en de besluiten inzake sectorindeling. Voorts
betreft het besluiten van UWV, genoemd in het derde lid, inzake verzekeringsplicht.
Artikel 3.4
[45]
Het eerste lid van dit
artikel heeft betrekking op ten tijde van de inwerkingtreding van de wet nog
aanhangige
bezwaarschriften tegen vóór 1 januari 2006 genomen
beschikkingen als bedoeld in artikel 3.3
[44]. Bepaald wordt dat het oorspronkelijk
bevoegde orgaan zo’n bezwaarschrift afhandelt, met toepassing van het oude
recht.
Voor na de datum van
inwerkingtreding ingediende bezwaarschriften tegen beschikkingen van UWV
als bedoeld in artikel 3.3 [44], tweede en derde lid, wordt echter het
nieuwe regime van toepassing, dat wil zeggen dat op bezwaarschriften tegen
dergelijke beschikkingen door de inspecteur wordt beslist, met toepassing
van het nieuwe recht.
Een voorziening voor de
behandeling van bezwaarschriften tegen beschikkingen die uitsluitend
betrekking hebben op vóór 1 januari 2006 gelegen jaren is niet nodig;
daarvoor volgt de bevoegdheid van de "oude" organen alsmede de
toepasselijkheid van het oude recht al uit de hoofdregel van artikel
3.1 [42].
Artikel 3.5
[46]
Dit artikel heeft in de
eerste plaats tot doel aanhangige beroepszaken te laten afhandelen door de
rechter waarbij de zaak aanhangig is, met toepassing van het oude
recht. Dit strekt zich tevens uit tot het hoger beroep van een uitspraak
die op grond van deze bepaling door de rechtbank
wordt gedaan.
Voor het beroep en het
hoger beroep dat na de inwerkingtreding van de wet wordt aanhangig
gemaakt en dat betrekking heeft op beschikkingen van het UWV
die ook na 1
januari 2006 van betekenis zijn, wordt nieuw recht - en dus de
fiscale rechtsgang - van toepassing. Met het oog op het daarbij geldende gesloten
stelsel wordt bepaald dat dit geldt voor de zaken die betrekking
hebben op de in artikel 3.3 [44], tweede en derde lid, genoemde beschikkingen.
Het derde lid regelt dat in die gevallen de inspecteur als
procespartij voor het UWV in de plaats treedt.
Artikel 3.6
[47]
Deze bepaling bevat een
voorziening met betrekking tot ten tijde van de inwerkingtreding van de
wet nog aanhangige aanvragen voor beschikkingen die (mede) betekenis
hebben voor de periode na 1 januari 2006; bepaald wordt dat daarop
wordt beslist door de oorspronkelijk bevoegde organen, met toepassing
van het oude recht. Een dergelijke voorziening is voor gevraagde
beschikkingen die uitsluitend de kalenderjaren vóór 2006 betreffen niet nodig;
daarvoor volgt hetzelfde reeds uit de hoofdregel van artikel
3.1 [42].
rblz.|34|
Hoofdstuk 4.
Overige en slotbepalingen
Artikel 4.2
[49]
De overheveling van de
premieheffing en -inning van UWV naar belastingdienst
is een zodanig
omvangrijke en complexe operatie dat niet kan worden uitgesloten dat
zich overgangsrechtelijke en invoeringsproblemen zullen voordoen die thans
niet volledig kunnen worden overzien en voorzien. In verband daarmee kan
behoefte blijken te bestaan aan aanvullende voorzieningen en regels,
die - gelet op het mogelijk technisch karakter en de vereiste spoed - bij
ministeriële regeling getroffen moeten kunnen worden. Dit artikel
verschaft hiervoor de grondslag. Hoewel deze grondslag noodzakelijkerwijs ruim
is geformuleerd, is deze uitdrukkelijk wel geclausuleerd. In het
artikel is de beperking opgenomen dat het moet gaan om regels "met het
oog op een goede invoering" van de Wfsv (wel te onderscheiden van
"een goede uitvoering") en dat de bevoegdheid om bij die regels af te
wijken van de in het artikel genoemde wetten alleen mag worden gebruikt
indien en voor zover dit - voor hetzelfde genoemde doel - noodzakelijk
is.
Artikel 4.3
[50]
Om de operatie
beheersbaar en zonder grote risico’s te kunnen realiseren, is in paragraaf
6.1 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bij het
wetsvoorstel Wfsv de mogelijkheid aangegeven om de invoering van wetgeving,
voorzieningen en processen gefaseerd te laten verlopen. Met artikel 4.3
[50] wordt
het
mogelijk gemaakt om in de periode tot uiterlijk 1 januari 2008
maatregelen te treffen die zeker stellen dat de belastingdienst
en UWV
alsnog over de
voor hun processen benodigde gegevens kunnen beschikken. Het
gaat hier om de verzekerdenadministraties, de jaarloonopgave, de
loonbelastingkaart en de melding sociale verzekering (MSV). Volgens het derde
lid blijven, voor zover deze verplichtingen worden gehandhaafd, ten
aanzien daarvan de daaraan gekoppelde sancties ook van toepassing. Mocht
onverhoopt besloten moeten worden tot een latere
inwerkingtredingsdatum dan 1 januari 2006, dan dient de hier bedoelde periode ook
verlengd te kunnen worden; met het vijfde lid wordt hierin voorzien. De
voordracht voor een besluit op grond van deze bepaling zal in overeenstemming
met de Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden
gedaan.
Artikel 4.5
[52]
De voordracht voor het
inwerkingtredingsbesluit op grond van dit artikel zal in overeenstemming
met de Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
worden
gedaan.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
De Staatssecretaris van
Financiën,
J.G. Wijn
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
|
|