|
rblz.|6|
Uniformering heffing en inning
Het
heffingsregime voor de loonbelasting en de huidige heffingsregimes voor
de werknemersverzekeringen worden geharmoniseerd tot één uniform
regime (afdracht op aangifte achteraf).
De geringe verschillen in de inning van
loonbelasting en premie verdwijnen. Ook de rechtsbescherming in de
collecterende functie gaat het fiscale regime volgen. Dit betekent onder
meer dat de bestaande rechtsgang (rechtbank,
Centrale Raad van Beroep en in sommige gevallen de Hoge
Raad) zal veranderen. De nieuwe rechtsgang bestaat uit rechtbank, gerechtshof
en Hoge Raad (na inwerkingtreding van de Wet
belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties).
In het kader van dit
wetsvoorstel zal op twee onderdelen een materiële uniformering van
heffingsregimes plaatsvinden. Het regime voor de premies
werknemersverzekeringen zal ten aanzien van de anoniemenheffing en de
loontijdvakken worden aangepast aan het regime van de loonbelasting.
Ministeriële verantwoordelijkheid
De
beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid blijft ongewijzigd voor de materiewetgeving op het
gebied van de werknemersverzekeringen. Dit betekent onder andere dat
de hoogte van de premiepercentages, de kring van verzekerden voor de WW,
ZW
en WAO en de sectorindeling van het bedrijfs-
en beroepsleven de verantwoordelijkheid blijven van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Voor de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
geldt hetzelfde voor de Ziekenfondswet.
Daarnaast wordt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
verantwoordelijk voor de polisadministratie.
De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van
het collecterende deel van de werknemersverzekeringen en de
gegevensinwinning bij werkgevers wordt overgeheveld naar de Minister van Financiën,
aangezien de uitvoering hiervan door de belastingdienst
plaatsvindt.¹
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid moet voorts in staat blijven de ministeriële
verantwoordelijkheden en bevoegdheden ten aanzien van de financiering
van de sociale verzekeringen uit te oefenen. Dit vergt in de nieuwe
situatie een verdergaande informatieplicht van de belastingdienst.
Hetzelfde geldt mutatis mutandis ook voor de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
1. De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid blijft beleidsverantwoordelijk voor de
uitvoering van het collecterende deel van de vrijwillige verzekeringen
aangezien deze uitvoering door de SVB en UWV
plaatsvindt.
1.3.
Voorgeschiedenis/verhouding met de wetsvoorstellen Walvis en
Aansluitingswet Walvis
Het idee om de
uitvoering van de premieheffing en -inning van de
werknemersverzekeringen over te hevelen naar de belastingdienst
is niet nieuw. Steeds is dit idee verbonden geweest met suggesties om de
loonbegrippen in de loonbelasting en de werknemersverzekeringen te
harmoniseren. Zo heeft de commissie-Stevens er in het rapport
"GRAAG of niet" (Sdu, juli 1991) voor gepleit om de
premie-inning over te hevelen naar de belastingdienst en de grondslag
voor de premieheffing werknemersverzekeringen te uniformeren met de
grondslag voor de heffing van de loonbelasting. Dit voorstel maakte
destijds deel uit van een veel groter geheel aan voorstellen. Integrale
invoering van de voorstellen kon niet op voldoende steun rekenen (SER-advies
Herziening belasting- en premieheffing, nr. 92/09), onder meer vanwege
bezwaren tegen één onderdeel van deze voorstellen, namelijk de
afschaffing van de aftrekbaarheid van de premies
werknemersverzekeringen.
rblz.|7|
De commissie-Slechte (Kamerstukken II 1999-2000, 24 036, nr. 148) en de
werkgroep Loonbegrip stelden in 1999 respectievelijk 2000 voor meer
eenheid te brengen in de heffing van premies en loonbelasting. De
werkgroep Loonbegrip ging ervan uit dat de heffing van premies
werknemersverzekeringen is gebaseerd op de verzekeringsgedachte: over
het verzekerde loon is premie verschuldigd en over ditzelfde loon wordt
een eventuele uitkering berekend (premieloon = uitkeringsloon).
Aangezien de heffing van loonbelasting in essentie bedoeld is als een
voorheffing op de heffing van inkomstenbelasting, worden zoveel mogelijk
bestanddelen van het inkomen tot het loon voor de loonbelasting
gerekend. Logischerwijs is het fiscale loonbegrip dus ruimer dan het
premieloon en het uitkeringsloon.
Gezien deze achtergrond zou volgens de
werkgroep Loonbegrip de grondslag van het uitkeringsloon als vertrekpunt
moeten gelden voor zowel het premieloon als het fiscale loon. De
suggestie was om de gemeenschappelijke grondslag van het uitkeringsloon,
het premieloon en het fiscale loon zoveel mogelijk te vereenvoudigen en
de overige loonbestanddelen die uitsluitend tot het fiscale loon behoren
helder te ordenen.
In
de wetsvoorstellen
Walvis en Aansluitingswet Walvis (Kamerstukken II 2001-2002, 28
371, nr. 1) zijn de voorstellen van de werkgroep Loonbegrip gedeeltelijk
overgenomen. In lijn met de verzekeringsgedachte vindt een volledige
uniformering plaats van het premieloon en het uitkeringsloon tot één
zogenaamd socialeverzekeringsloon. Na de tweede nota van wijziging op
het wetsvoorstel Walvis (Kamerstukken II 2002-2003, 28 219, nr. 10) zijn
het socialeverzekeringsloon en het fiscale loon zoveel mogelijk
geüniformeerd. Het socialeverzekeringsloon wordt op een viertal
uitzonderingen na gelijk aan het fiscale loon. Daarnaast vindt er in de
wetsvoorstellen Walvis en Aansluitingswet Walvis een vereenvoudiging
plaats in de grondslagen door de mogelijkheid van de toepassing van
collectieve eindheffing uit te breiden voor de loonheffing.
De Walvis en de Aansluitingswet Walvis zijn als
de katalysator te beschouwen voor verdergaande gedachtevorming over
samenwerking in de collecterende functie.
Verhouding tussen de wetsvoorstellen Walvis
en Aansluitingswet Walvis en dit wetsvoorstel
De
wetsvoorstellen
Walvis
en Aansluitingswet Walvis voorzien primair in een aanpassing van het
loonbegrip in de Coördinatiewet Sociale Verzekering
(CSV) en de
Wet op de
loonbelasting 1964. Het voornemen is het nieuwe loonbegrip per 1
januari 2005 in te voeren en de vereenvoudigde dagloonsystematiek voor
de distribuerende functie per 1 januari 2006 in te voeren.¹ Paragraaf 6.1
gaat verder in op de implementatie.
De memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Walvis bevat reeds een
beschrijving van de voornemens voor een nieuwe heffingssystematiek en de
polisadministratie. De Wfsv en de Invoeringswet Wfsv
gaan uit van de totstandkoming van de wetsvoorstellen Walvis en
Aansluitingswet Walvis en voorzien in de volgende stappen: de heffing en
inning wordt bij wet opgedragen aan de belastingdienst,
er wordt een nieuwe heffingssystematiek geïntroduceerd en de
polisadministratie krijgt een wettelijke verankering.
1. Zoals vermeld in de
brief van 1 juli 2003 bij de aanbieding van de Eindrapportage samenwerking UWV/belastingdienst
aan de Tweede Kamer.
1.4.
Uitwerking van de wettelijke vormgeving
De voorgestelde
wettelijke vormgeving sluit nauw aan bij de vormgeving van de Wet
financiering volksverzekeringen (Wfv), waarin tot de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel de
heffing en inning van de premie volksverzekeringen geregeld was. De Wfsv
integreert de bepalingen over de financiering van de volksverzekeringen,
de bepalingen over de financiering rblz.|8|
van de werknemersverzekeringen en de bepalingen over de financiering van
de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) zoveel
mogelijk in één wet. De Wfsv zal evenals
de Wfv, naast bepalingen over de heffing en
inning van de premies door de belastingdienst,
ook bepalingen bevatten over het fondsbeheer alsmede de
premievaststelling en -inning van de vrijwillige verzekeringen. Daartoe
worden ook de bepalingen betreffende het geïntegreerd middelenbeheer
overgebracht van de Wet SUWI naar de Wfsv.
Het
voorgaande betekent dat de Wfv en de
financieringsbepalingen uit de
materiewetten zullen verdwijnen (bij de
volksverzekeringen is dit destijds bij de totstandkoming van de Wfv
geschied). De CSV bevat straks alleen
bepalingen over het loonbegrip en de berekening van het premieloon. De
bepalingen over heffing (gesproken wordt in de CSV over vaststelling),
inning en aansprakelijkheid komen te vervallen. Hiervoor komt de
loonbelastingregelgeving in de plaats. Ook de Wet premieregime bij
marginale arbeid komt te vervallen.
De wijzigingen van de belastingwetten en de
verschillende socialeverzekeringswetten
worden geregeld in de Invoeringswet Wfsv.
Dat wetsvoorstel bevat ook de overgangsbepalingen en de technische
aanpassingen van wetgeving van andere departementen.
Daarnaast regelt de Invoeringswet de benodigde
wijzigingen in de Zfw voor de overheveling
van de heffing en inning van de procentuele Zfw-premie van UWV
naar de belastingdienst. De Wfsv
heeft wetstechnisch gezien dus nog geen betrekking op de Zfw, omdat in
de huidige opzet van de Zfw de overdracht van taken aan de
belastingdienst beter en eenvoudiger via wijzigingswetgeving in de Zfw
kan worden geregeld (zie ook het algemeen
deel van de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Wfsv).
Daarnaast regelt de Invoeringswet de wettelijke verankering van de
polisadministratie in de Wet SUWI.
De
gekozen wettelijke vormgeving levert winst op uit oogpunt van
toegankelijkheid en omvang van de regelgeving. In het bijzonder de keus
voor een nieuwe wet Wfsv
draagt bij aan de toegankelijkheid. De overeenkomstige toepassing van de
regels voor de belastingheffing en -inning op de premieheffing en
-inning werknemersverzekeringen dringt de omvang van de bestaande
regelgeving flink terug. Dit dereguleringsaspect hangt direct samen met
de besparing op de uitvoeringskosten en administratieve lasten die met dit
wetsvoorstel worden beoogd.
1.5.
Uitgebrachte adviezen
Over de voorstellen
is advies gevraagd aan Actal [Adviescollege toetsing administratieve
lasten, red.], het College bescherming persoonsgegevens
(CBP), de Hoge Raad, de Raad voor de
Rechtspraak, het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI), de Stichting
Inlichtingenbureau en het College voor zorgverzekeringen
(CVZ). De voorstellen zijn voor een toezichtbaarheidstoets voorgelegd
aan de
Inspectie Werk en Inkomen (IWI); tevens is IWI gevraagd een
oordeel te geven over de wijzigingen in het toezicht. In verband met de
wijzigingen in het toezicht is het stuk voorgelegd aan de Algemene
Rekenkamer. Verder zijn de voorstellen voor een uitvoerbaarheidstoets
voorgelegd aan
UWV en de SVB. De
voorstellen zijn verder ter commentaar voorgelegd aan de Sociaal-Economische
Raad (SER) vanwege de gevolgen voor de OR-heffing die UWV verzorgde
in het kader van de Wet
op de ondernemingsraden. Voorts heeft de Raad voor
Overheidspersoneel advies uitgebracht. Ten slotte is het CBS
om commentaar verzocht in verband met de mogelijkheden om de
administratieve lasten van werkgevers te verminderen via het verkrijgen
van gegevens uit de polisadministratie. Van al deze organen zijn
reacties ontvangen. Deze reacties zijn bijgevoegd. Met de opmerkingen is
rekening gehouden in dit
wetsvoorstel, de rblz.|9|
Invoeringswet
Wfsv en in de memorie van toelichting bij deze wetsvoorstellen. Van
belangrijke beleidsmatige adviezen die niet zijn opgevolgd, wordt
melding gemaakt.
1.6.
Opbouw memorie van toelichting
De opbouw van de
memorie van toelichting is als volgt. Na deze inleiding volgt in hoofdstuk 2
een korte beschrijving van de huidige opzet van de heffing en inning van
premies werknemersverzekeringen en loonbelasting.
Hoofdstuk 3
bevat een uitvoerige beschrijving van de relevante aspecten van de
nieuwe opzet. Daarbij is gekozen voor een beschrijving die de procesgang
van heffing en inning volgt. Achtereenvolgens komen aan de orde:
paragraaf 3.1. inleiding;
paragraaf
3.2. inhouding en aangiftesystematiek (inclusief anoniemenheffing);
paragraaf
3.3. naheffing (inclusief omkering bewijslast);
paragraaf
3.4. beschikkingen in het collecterende loket (inclusief
verzekeringsplicht);
paragraaf
3.5. nieuwe systematiek rechtsbescherming/rechtsgang premieheffing;
paragraaf
3.6. controle, administratieve en informatieverplichtingen;
paragraaf
3.7. sancties;
paragraaf
3.8. invordering;
paragraaf
3.9. internationale aspecten;
paragraaf 3.10. overige aspecten (waaronder
uitvoering bedrijfstakeigen regelingen, vrijwillige
werknemersverzekeringen en fondsafdracht/toerekening fondsen).
Hoofdstuk 4
beschrijft de inhoud, de doelen en de privacyaspecten van de
polisadministratie. De gegevens in de polisadministratie dienen primair
voor de taken van UWV
en de belastingdienst. Deze gegevens zijn ook
van belang voor andere doeleinden. Zo zal in dit hoofdstuk ook aandacht
worden gegeven aan het gegevensverkeer met onder meer
overheidsorganisaties.
Hoofdstuk 5 gaat in op het
ministeriële toezicht. Aan de implementatie van de nieuwe opzet en de
gevolgen voor het personeel wordt in hoofdstuk 6
aandacht besteed.
In hoofdstuk 7 komen de
financiële consequenties en gevolgen voor administratieve lasten aan de
orde.
In de artikelsgewijze
toelichting wordt nader toegelicht welke betekenis de voorgestelde
artikelen hebben. Deze toelichting is toegespitst op de nieuwe
bepalingen. Veel bepalingen zijn immers ontleend aan de Wfv
en de materiewetten sociale
verzekeringen. Daarom is ook een bijlage
met transponeringstabellen bij deze memorie van toelichting
gevoegd.
2. Huidige vormgeving van de heffing en inning van de premies voor de
werknemersverzekeringen en de loonbelasting
2.1.
Huidige vormgeving premieheffing werknemersverzekeringen
Per 1 januari 2002
is de
Wet SUWI van kracht geworden. Bij die wet
is UWV
opgericht. UWV komt voort uit de vijf uitvoeringsinstellingen
(GAK, Cadans, USZO,
UOSV Bouwnijverheid [Sociaal Fonds Bouwnijverheid
(SFB), red.], GUO) en het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). De vijf afzonderlijke uitvoeringsinstellingen hadden allemaal
hun eigen systeem van premieafdracht. Met de oprichting van UWV is
begonnen de premieafdrachtsystemen te migreren tot één systeem. De
wettelijke basis voor de huidige systemen ligt in de CSV.
rblz.|10|
Onderstaand komen de kenmerken van deze systemen in de volgorde van het
heffingsproces aan de orde.
Premiebetalingstijdvak
De
heffing van premies werknemersverzekeringen kent een systeem van
loondagen. De premieheffing kent een vrijstelling aan de voet (de
franchise in het Algemene Werkloosheidsfonds (AWf)) en een maximering
aan de top (het maximumpremieloon). Deze franchise en maximering zijn
dagbedragen. De maximering en franchise worden toegepast op het loon in
het premiebetalingtijdvak (kalenderjaar) en berekend door het bedrag van
maximering en franchise te vermenigvuldigen met het aantal dagen van het
premiebetalingtijdvak waarover loon is genoten. De werkgever moet per
werknemer het aantal loondagen bijhouden en een afzonderlijke berekening
maken voor de hoogte van de toe te passen franchise en maximum.
Premie-inhouding en -afdracht
In
de
WAO, WW en Zfw
is vastgelegd of de premies ten laste van de werkgever en/of de
werknemer komen (voor de ZW
worden geen aparte premies geheven). Zo wordt in de WW en in de Zfw
bepaald dat de premies verschuldigd zijn door de werkgever en de
werknemer. Voor de WAO geldt dat de werkgever de premies verschuldigd
is. De WAO kent, anders dan de WW en Zfw, in beginsel geen bepaling dat
een deel van de premies op het loon van de werknemer mag worden
ingehouden.
De loondagensystematiek vormt voor de
inhouding, evenals bij de premieafdracht, het criterium. Voor het
tijdstip van inhouding is in de materiewetten bepaald dat dit het moment
is waarop het loon wordt betaald en/of genoten is. De inhouding heeft
dan betrekking op de periode waarover het loon wordt genoten.
Er
zijn grofweg twee systemen die voor de premieafdracht worden gebruikt:
de premieafdracht op voorschot (met een definitieve premienota achteraf)
en de premieafdracht op aangifte achteraf. Beide systemen worden thans
nog door UWV toegepast.
De voorschotsystematiek geldt nog steeds voor
werkgevers die waren aangesloten bij het voormalige GAK
en Cadans. Voor werkgevers die waren aangesloten
bij de voormalige UOSV Bouwnijverheid, het GUO
en de USZO werkt UWV met een vorm van
premieafdracht op aangifte achteraf.
Kenmerken van de voorschotsystematiek
UWV
stelt voor werkgevers die waren aangesloten bij het voormalige GAK
of Cadans
een voorschotpremie vast op basis van het vermoedelijke bedrag dat door
een werkgever in het komende kalenderjaar zal worden verloond.
UWV bepaalt de wijze waarop en de termijn
waarbinnen de voorschotpremie door de werkgever moet worden betaald. In
de praktijk hanteert UWV doorgaans nog steeds de termijnen die in het
verleden door de toenmalige bedrijfsverenigingen zijn vastgesteld.
Binnen UWV worden dus verschillende termijnen toegepast.
De voorschotpremie kan per maand of per
kwartaal worden betaald. Indien de werkgever ná de vervaldatum betaalt,
kan UWV wettelijke rente in rekening brengen. Na afloop van het
kalenderjaar moet de werkgever aan UWV voor iedere werknemer in januari
een jaaropgave doen van het genoten loon. Vervolgens wordt door UWV een
definitieve premienota vastgesteld.
Binnen de voorschotsystematiek is de zogenaamde
5%-regeling van rblz.|11|
toepassing. De werkgever is verplicht om die veranderingen in de loonsom
aan UWV te melden, die ertoe leiden dat het feitelijk verloonde bedrag
meer dan 5%, doch ten minste een bedrag van €|2269,-
hoger is dan het bedrag waarop de voorschotnota is gebaseerd. Als de
werkgever de wijziging niet binnen drie maanden meldt, wordt door UWV
een bestuurlijke boete opgelegd.
Kenmerken van een premieafdracht op
nominatieve aangifte achteraf
UWV
kent voor werkgevers die waren aangesloten bij het voormalige UOSV
Bouwnijverheid, GUO en USZO
een systeem van premieafdracht op aangifte achteraf. Gezien de
bijzondere positie van het voormalige USZO wordt het afdrachtsysteem van
deze voormalige uitvoeringsinstelling hierna afzonderlijk besproken.
Bij een systeem van premieafdracht op
nominatieve aangifte achteraf geeft de werkgever na afloop van een
salarisbetalingperiode het bedrag dat per werknemer is verloond op aan
UWV. Binnen het systeem van het voormalige UOSV Bouwnijverheid moet de
werkgever per maand, per vier weken of per week een loonopgave doen. Het
Premievaststellings- en invorderingssysteem van het voormalige GUO kent
geen wekelijkse loonopgave. Dit betekent dat de werkgever bij wekelijkse
betaling per vier weken loonopgave moet doen.
Na ontvangst van de loongegevens berekent UWV
de verschuldigde premies. Vervolgens verstuurt UWV de werkgever een
premienota. Hoewel UWV thans formeel verantwoordelijk is voor de
vaststelling van de premies, biedt UWV de werkgever een mogelijkheid om
zelf te berekenen hoe hoog het verschuldigde premiebedrag is. De
voormalige UOSV Bouwnijverheid heeft hiervoor een diskette ontwikkeld.
UWV baseert de premievaststelling op de gegevens van de laatste
loonbetalingperiode. Dit betekent dat de feitelijk verloonde bedragen en
het feitelijke aantal socialeverzekeringsdagen bepalend zijn.
Anders dan het systeem van de voormalige UOSV
Bouwnijverheid houdt het systeem van het voormalige GUO wél rekening
met voorliggende loonbetalingtijdvakken. Dit wordt het voortschrijdend
cumulatief rekenen genoemd. Van werkgevers die zijn aangesloten op het
systeem van het voormalige GUO vraagt UWV derhalve geen jaarloonopgave
per werknemer, maar stelt UWV de definitieve jaaropgave samen op basis
van de periodieke loonopgaven in het desbetreffende kalenderjaar.
Het voormalige USZO
De
werkgevers die zijn aangesloten bij het voormalige USZO
verstrekken maandelijks alle loongegevens én persoonsgegevens in de
vorm van een gecombineerde stroom van meldingen sociale verzekering (MSV)
en loongegevens aan UWV. De werkgever
berekent de door hem verschuldigde premies en draagt deze vervolgens af
aan UWV. UWV verstuurt geen premienota’s naar de werkgever. Op basis
van de door de werkgever verstrekte gegevens berekent UWV wél hoeveel
premies de werkgever verschuldigd is en vergelijkt deze premies met de
door de werkgever berekende en betaalde premies. Een verschil wordt in
overleg met de werkgever opgelost. De betaling vindt in principe ultimo
van de maand plaats. Eens per jaar vindt er een definitieve afrekening
plaats tussen de werkgever en UWV.
Uitvoeringsbeslissingen UWV
Voor de uitvoering van de premieheffing voor de werknemersverzekeringen
neemt UWV
beslissingen van verschillende aard. In hoofdlijnen gaat het om de
volgende beslissingen:
- sectorindeling: op grond van de WW
is het bedrijfs- en beroepsleven rblz.|12|
ingedeeld naar sectoren. Een werkgever is van rechtswege aangesloten bij
de sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever laat
verrichten. UWV kan vervolgens een sector onderverdelen in
sectoronderdelen. UWV deelt met het oog op de wachtgeldpremies en de
branchegewijze premiedifferentiatie in de WAO
de werkgevers uit die sector via een beschikking mee tot welke sector of
sectoronderdeel zij behoren;
- premiedifferentiatie WAO: in de WAO is een deel van de premie,
de basispremie, voor alle werkgevers gelijk. Daarnaast bestaat de
gedifferentieerde premie, waarmee de uitkeringen gedurende de eerste
vijf jaar worden bekostigd. UWV stelt hiervoor een rekenpercentage vast.
Vervolgens wordt voor iedere grote werkgever door middel van een opslag
of korting op het rekenpercentage het percentage van de
gedifferentieerde premie door UWV afzonderlijk vastgesteld en per
beschikking aan de werkgever meegedeeld. Voor kleine werkgevers wordt de
opslag of korting op het rekenpercentage per sector bepaald;
- vrijstelling basispremie WAO voor ouderen: UWV heft geen
basispremie WAO over het loon van de werknemer die aan het begin van het
kalenderjaar de leeftijd van 54,5 jaar heeft bereikt of die bij
indienstneming 50 jaar of ouder is. Deze regeling wordt ambtshalve door
UWV uitgevoerd zonder dat een aanvraag en een beschikking zijn vereist;
- gemoedsbezwaarden: een verzoek om vrijstelling wegens
gemoedsbezwaren wordt ingediend bij de SVB
die onderzoekt of de verklaring van gemoedsbezwaren tegen elke vorm van
verzekering overeenkomstig de waarheid is. Wanneer het verzoek mede de
werknemersverzekeringen betreft, geeft de SVB van zijn bevindingen en
oordeel kennis aan UWV. Wanneer UWV daarmee kan instemmen, verlenen SVB
en UWV, gemeenschappelijk, ieder voor de hem ter uitvoering opgedragen
taken de vrijstelling. In de praktijk volgt UWV altijd het oordeel van
de SVB. Een bewijs van de verleende vrijstelling wordt door de SVB aan
de verzoeker uitgereikt.
In plaats van premies dient dan een
premievervangende belasting te worden betaald. Deze belasting wordt
ingevorderd door de belastingdienst;
- vaststelling verzekeringsplicht: werknemers zijn van rechtswege
verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Bij twijfel kan de werkgever
of de werknemer UWV verzoeken een uitspraak over de verzekeringsplicht
te doen. Naast uitspraken op verzoek van de werkgever of de werknemer
kan UWV bijvoorbeeld een uitspraak doen over de verzekeringsplicht naar
aanleiding van looncontroles of de aanvraag van een uitkering.
Vorenstaande opsomming is niet uitputtend (denk
bijvoorbeeld aan arbeidsgehandicaptenkorting (inclusief
jonggehandicapten), eigenrisicodragerschap en de premievrijstelling
marginale arbeid).
Correctienota
De
verschuldigde premies worden vastgesteld door UWV
aan de hand van een opgave van de werkgever. Indien - veelal naar
aanleiding van een looncontrole - gebleken is dat er te weinig premies
zijn betaald, kan de te weinig betaalde premie worden geheven door
middel van het opleggen van één of meer correctienota’s.
Invordering
De
invordering van de premies voor de werknemersverzekeringen is geregeld
in de CSV. De bepalingen van de Invorderingswet
1990 (Iw 1990) zijn niet van toepassing op de invordering van deze
schuld.
rblz.|13|
Indien de werkgever niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting
voldoet, ontvangt hij van UWV
een aanmaning alsnog te betalen. Als de werkgever ook na deze aanmaning
in gebreke blijft de premies te voldoen, kan de invordering van de
premies voor de werknemersverzekeringen geschieden bij een door UWV uit
te vaardigen dwangbevel. De betekening en de tenuitvoerlegging van een
dergelijk dwangbevel geschiedt in de regel met inschakeling van de belastingdienst.
Zolang UWV de belastingdienst inschakelt, kan de belastingdienst
overeenkomstig de bepalingen van de Iw
1990 verrekenen, bepaalde vorderingen doen onder derden
(vereenvoudigd derdenbeslag) en onder voorwaarden uitstel van betaling
aan de werkgever verlenen.
UWV
kan de door de werkgever verschuldigde premies voor de
werknemersverzekeringen ook zelf invorderen overeenkomstig de regels van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Indien UWV van deze mogelijkheid
gebruik maakt, heeft het dezelfde bevoegdheden als een (preferente)
crediteur in het civiele recht.
Als de invorderingsactiviteiten van UWV of van
de belastingdienst
er niet toe hebben geleid dat de verschuldigde premies zijn voldaan, kan
UWV ook bepaalde derden voor deze schuld aansprakelijk stellen. UWV
heeft voor de uitvoering van het invorderingsproces van de premies voor
de werknemersverzekeringen beleid vastgelegd in het Besluit incasso en
invordering.
Controle en bestuurlijke sancties
Bij
het niet (volledig) nakomen van aan de werkgever opgelegde
verplichtingen kan strafrechtelijk worden vervolgd of kan een
bestuurlijke boete worden opgelegd. Daarnaast stelt UWV
ambtshalve het (alsnog) verschuldigde bedrag aan premies
werknemersverzekeringen vast. De keuze tussen strafrechtelijke
vervolging of bestuurlijke boete wordt gemaakt aan de hand van de
criteria genoemd in de Richtlijn premiefraude werkgevers inzake
fraudegevallen premies werknemersverzekeringen.
In de CSV wordt
onderscheid gemaakt tussen ernstige en minder ernstige tekortkomingen.
Voor de minder ernstige tekortkomingen geldt een verzuimboete, zodra UWV
constateert dat aan bepaalde wettelijke verplichtingen niet is voldaan.
Deze boete bedraagt ten hoogste 10% van het (alsnog) verschuldigde
bedrag aan premies werknemersverzekeringen.
Indien het niet voldoen aan de verplichtingen
te wijten is aan opzet of grove schuld van de werkgever, dan wordt een
hogere vergrijpboete opgelegd. De vergrijpboete bedraagt maximaal 100%
van het (alsnog) verschuldigde bedrag aan premies
werknemersverzekeringen.
Bij dringende redenen kan UWV besluiten van het
opleggen van een boete af te zien. Van het opleggen van een boete wordt
afgezien als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Opsporing
De
opsporing van fraude op het terrein van de werknemersverzekeringen is
binnen het domein van sociale zekerheid belegd bij twee organisaties,
bij UWV
(bijzonder onderzoek) en bij de Sociale inlichtingen- en
opsporingsdienst (SIOD).
In zijn algemeenheid is het zo dat onderzoeken
op het terrein van de werkgeversfraude waarvan het vermoedelijke
premienadeel hoger is dan €|45 000,- en
waarbij tevens sprake is van georganiseerde of complexe benadeling en/of
sprake is van een internationale context of samenloop met bijvoorbeeld
fraude met de volksverzekeringen of de
Abw, door de SIOD worden uitgevoerd. In
andere gevallen zal het opsporingsonderzoek door UWV worden uitgevoerd.
rblz.|14|
Rechtsgang/rechtsbescherming
Op
de bezwaar- en beroepsprocedures in premieheffingszaken zijn in beginsel
de bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) van toepassing. Met uitzondering van geschillen omtrent de
sectorindelingsbeslissingen in het bedrijfs- en beroepsleven houdt dit
in dat een beroep in twee feitelijke instanties kan worden beoordeeld.
In eerste aanleg oordelen rechtbanken en in
hoger beroep de Centrale Raad van Beroep
(CRvB). In een tweetal situaties kan beroep in cassatie worden ingesteld
tegen een uitspraak van de CRvB (namelijk de uitleg en toepassing van
begrippen als (on)gehuwd en gezamenlijke huishouding en de uitleg van
het loonbegrip).
De
Awb kent een open systeem als het gaat om
bezwaar of beroep. Voor premiebeslissingen geldt dit systeem onverkort,
hetgeen betekent dat tegen elke schriftelijke beslissing van UWV
die gericht is op een rechtsgevolg bezwaar openstaat.
Internationaal
Voor grensoverschrijdende situaties bij de premieheffing
werknemersverzekeringen past UWV
nationale bepalingen (CSV en materiewetten)
en verdragsrechtelijke bepalingen (EG-verordening 1408/71 en diverse
bilaterale verdragen) toe. Daarbij kan sprake zijn van een buitenlandse
werkgever met een in Nederland werkende werknemer of van een Nederlandse
werkgever met een in het buitenland werkende werknemer. Als de
desbetreffende werknemer verzekerd is voor de Nederlandse
werknemersverzekeringen, kan UWV op grond van de CSV steeds premies
werknemersverzekeringen heffen bij de werkgever, ook als dit een
buitenlandse werkgever is.
2.2.
Huidige vormgeving heffing en inning loonbelasting
De heffing en
inning van de loonbelasting is opgedragen aan de belastingdienst.
Daarbij wordt een systeem van afdracht op aangifte gehanteerd. De
loonbelasting wordt in beginsel geheven door inhouding op het loon door
de inhoudingsplichtige. De loonbelasting is verschuldigd over het
loontijdvak en wordt per aangiftetijdvak op aangifte afgedragen aan de
belastingdienst.
Heffingssubject
In
beginsel is de werknemer degene die loonbelasting verschuldigd is (het
heffingssubject). De door de werknemer verschuldigde loonbelasting wordt
geheven door inhouding op het loon door de inhoudingsplichtige. De
inhoudingsplichtige draagt de door inhouding geheven loonbelasting
vervolgens af aan de belastingdienst. Voor
sommige loonbestanddelen geldt dat de daarover verschuldigde
loonbelasting niet door de werknemer (via inhouding) maar als
eindheffing door de inhoudingsplichtige is verschuldigd.
Loonbelasting per loontijdvak verschuldigd /
inhouding en afdracht
De
loonbelasting is verschuldigd over het loontijdvak. Het loontijdvak is
het tijdvak waarover het loon wordt genoten. In de praktijk is dit vaak
een maand of vier weken, maar ook andere loontijdvakken komen voor,
zoals bijvoorbeeld een kwartaal, een week of een dag.
De door de werknemer verschuldigde
loonbelasting wordt ingehouden door het van het brutoloon afzonderen van
een bedrag gelijk aan het later op aangifte af te dragen bedrag aan
loonbelasting.
rblz.|15|
De inhoudingsplichtige draagt de ingehouden loonbelasting en de
loonbelasting die hij zelf ingevolge de eindheffing is verschuldigd, op
aangifte af aan de belastingdienst. Deze
afdracht geschiedt in beginsel achteraf per kalenderkwartaal. Voor
bepaalde gevallen geldt echter een ander aangiftetijdvak. Zo geldt op
vordering van de inspecteur bij slechte betaling een tijdvak van een
kalendermaand. Grote betalers met een aangiftetijdvak van een
kalenderkwartaal kunnen worden verplicht in de tweede en de derde maand
van het kwartaal een voorlopige betaling te doen.
In
de
Wfv is de collecterende functie van de
volksverzekeringen opgedragen aan de belastingdienst.
De premieheffing voor de volksverzekeringen is gecombineerd met de
heffing van de loon- en de inkomstenbelasting. Voor zover een
premieplichtige voor de volksverzekeringen ook aan de loonbelasting is
onderworpen, wordt de premie voor de volksverzekeringen samen met de
loonbelasting door inhouding op het loon geheven. Deze gecombineerde
heffing wordt de loonheffing genoemd. De inhouding van loonheffing
geschiedt in dat geval in één bedrag of in één percentage.
Als de premie volksverzekeringen gecombineerd
met de loonbelasting op het loon wordt ingehouden, dient deze ook samen
met de ingehouden loonbelasting op aangifte te worden afgedragen. Voor
de inhouding en afdracht van de premie volksverzekeringen gelden dan de
regels die ook voor de inhouding en afdracht van de loonbelasting
gelden.
Kenmerken aangifte loonbelasting
Als
een inhoudingsplichtige wordt uitgenodigd tot het doen van aangifte
loonbelasting, ontstaat daarmee voor hem in beginsel de verplichting
aangifte te doen.
Een uitnodiging tot het doen van aangifte
loonbelasting vindt plaats door uitreiking of toezending van een
aangiftebiljet, een aangiftediskette of een aangiftebrief waarin wordt
verzocht om aangifte te doen op elektronische wijze. Voor het doen van
aangifte per diskette of op elektronische wijze is een vergunning van de
inspecteur vereist. Deze vergunning wordt verleend bij voor bezwaar
vatbare beschikking.
De
aangifte loonbelasting is een collectieve aangifte. De aangifte bevat
derhalve geen nominatieve gegevens. Vóór 1 februari van het
kalenderjaar moet de inhoudingsplichtige de nominatieve gegevens van het
afgelopen kalenderjaar aan de
belastingdienst verstrekken. Hiertoe levert
de inhoudingsplichtige per werknemer een loonbelastingkaart bij de
inspecteur in. De nominatieve gegevens van de loonbelastingkaarten
worden met name gebruikt voor de heffing van inkomstenbelasting.
De loonbelastingkaart bevat het in het
afgelopen kalenderjaar door de werknemer genoten loon, de ingehouden
loonbelasting en premie volksverzekeringen en enkele andere gegevens die
van belang kunnen zijn voor de heffing van inkomstenbelasting. De
loonbelastingkaartgegevens worden opgenomen in de zogenoemde Fi-base.
Naheffing
Indien een inhoudingsplichtige de belasting die op aangifte behoort te
worden afgedragen niet (geheel) heeft betaald, kan de inspecteur de te
weinig betaalde belasting door middel van een aanslag naheffen.
Naheffing is mogelijk indien er weliswaar tot een juist bedrag is
ingehouden, maar te weinig belasting is afgedragen, maar ook indien er
te weinig is afgedragen omdat te weinig is ingehouden.
rblz.|16|
Invordering
Ten
aanzien van de invordering van de naheffingsaanslag zijn de bepalingen
van de Iw 1990
van toepassing. De Iw 1990 biedt de ontvanger van de belastingdienst
ook de mogelijkheid ter zake van zijn vordering gebruik te maken van de
bevoegdheden zoals een (preferent) schuldeiser die heeft op grond van
het civiele recht. In de regel zal hij de belastingschulden echter
invorderen met gebruikmaking van de regels van de Iw 1990. Als de
naheffingsaanslag niet (volledig) is voldaan op het moment van het
verstrijken van de betalingstermijn, stuurt de ontvanger de
belastingschuldige een aanmaning om alsnog te betalen. Als de
belastingschuldige ten aanzien van zijn betalingsverplichting in gebreke
blijft, zal de ontvanger een dwangbevel uitvaardigen en dit laten
betekenen. Dit dwangbevel levert een executoriale titel op welke
overeenkomstig de regels van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kan worden gelegd.
Tenuitvoerlegging zal in de regel plaatsvinden door beslaglegging op
zaken die in eigendom toebehoren aan de belastingschuldige. Als de
invorderingsactiviteiten jegens die belastingschuldige er niet toe
hebben geleid dat zijn belastingschuld is voldaan, kan de ontvanger
bepaalde derden voor deze schuld aansprakelijk stellen.
Controle en bestuurlijke sancties
Tekortkomingen in de fiscale verplichtingen kunnen met een bestuurlijke
boete worden bestraft of strafrechtelijk worden vervolgd.
De inspecteur is niet vrij in zijn keuze al dan
niet strafrechtelijk te vervolgen. Door de belastingdienst
en het openbaar ministerie zijn regels opgesteld die voorschrijven in
welke gevallen de inspecteur een zaak moet aanmelden voor
strafrechtelijk onderzoek. Dit beleid is vastgelegd in de zogenoemde
Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale- en
douanedelicten (ATV-richtlijnen).
Opsporing en vervolging
Opsporing om te komen tot strafrechtelijke aanpak van fraude wordt
ingezet als de zwaarste vorm, als ultimum remedium van de handhaving.
Deze taak wordt binnen de belastingdienst
verzorgd door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst en de
Economische Controledienst (FIOD-ECD).
Elk
jaar worden door de Directeur-Generaal Belastingdienst
en het College van Procureurs-generaal, daarbij vertegenwoordigd door de
Procureur-Generaal Fraude en Economie, met inachtneming van ieders
verantwoordelijkheden en taken, in een Handhavingsarrangement de
afspraken rond de strafrechtelijke handhaving door de FIOD-ECD en het
openbaar ministerie (OM) vastgelegd.
Per
jaar rondt de FIOD-ECD 450 processen-verbaal af op het terrein van
fiscale en douanefraude. Bij de start van elk opsporingsonderzoek worden
tussen FIOD-ECD, het OM en het leverende kantoor van de belastingdienst
afspraken gemaakt over in te zetten deskundigheid, gewenste
samenwerking, doorlooptijd, te besteden tijd, beoogd eindresultaat en
vervolging (recherchecontract, vervolgingsplan). Elk onderzoek wordt
afgesloten met een evaluatie.
Rechtsgang/rechtsbescherming
Op
de bezwaar- en beroepsprocedure in loonbelastingzaken zijn in beginsel
de bepalingen uit de Awb van toepassing.
In de Awr [Algemene
wet inzake rijksbelastingen, red.] is echter een aantal, van
de Awb-systematiek afwijkende bepalingen opgenomen. rblz.|17|
De Awr kent het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsbescherming. Dit
betekent kort gezegd dat er slechts één rechtsmiddel kan worden
aangewend tegen beschikkingen, die in de regelgeving worden aangemerkt
als voor bezwaar vatbaar.
Op dit moment kent de fiscale rechtsgang
slechts één feitelijke instantie: in belastingzaken staat beroep open
bij het gerechtshof. Na de inwerkingtreding van
de
Wet
belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties zal het beroep
worden ingesteld bij de rechtbank en hoger
beroep bij het gerechtshof. Hierna kan eventueel beroep in cassatie
worden ingesteld bij de Hoge Raad.
Internationaal
Voor grensoverschrijdende situaties bij de loonbelasting past de belastingdienst
de Wet LB [Wet
op de loonbelasting 1964, red.] in combinatie met
belastingverdragen toe. Er kan pas loonbelasting worden geheven indien
een belastingverdrag de heffingsbevoegdheid aan Nederland toewijst én
de Wet LB heffing mogelijk maakt. Er kan sprake zijn van een
buitenlandse werkgever zonder vaste inrichting of vaste
vertegenwoordiger in Nederland met een in Nederland werkende werknemer
of van een Nederlandse werkgever met een in het buitenland werkende
werknemer. Buitenlandse werkgevers zonder vaste inrichting of vaste
vertegenwoordiger in Nederland kunnen alleen als inhoudingsplichtige
worden aangemerkt als zij als uitzendorganisatie optreden of een verzoek
hebben gedaan als inhoudingsplichtige te worden aangemerkt. Er kan dus
niet in alle gevallen waarin de heffingsbevoegdheid over het loon van
een werknemer aan Nederland is toegewezen loonbelasting worden geheven
(er is dan wel heffing van inkomstenbelasting mogelijk).
Als werknemers buiten Nederland wonen en hun
dienstbetrekking geheel buiten Nederland vervullen, wijzen de
belastingverdragen de bevoegdheid tot heffen vrijwel nooit aan Nederland
toe.
Bij
de premieheffing volksverzekeringen in grensoverschrijdende situaties
past de belastingdienst
nationale bepalingen (Wfv en materiewetten)
en verdragsrechtelijke bepalingen (EG-verordening 1408/71 en diverse
bilaterale verdragen) toe. Daarbij kan het voorkomen dat in Nederland
werkzame werknemers van buitenlandse werkgevers als verzekerden voor de
volksverzekeringen worden aangemerkt, terwijl de buitenlandse werkgever
niet als inhoudingsplichtige in de zin van de Wet
LB wordt aangemerkt. Het is dan niet mogelijk premie
volksverzekeringen in de inhoudingsfeer bij de werkgever te heffen. De
premie volksverzekeringen kan dan alleen maar worden geheven door middel
van een aanslag aan de werknemer.
2.3.
Beheer van gegevensbestanden
Voor de uitvoering
van hun wettelijke taken werken zowel UWV
als de
belastingdienst met gegevens die worden
opgeslagen en ontsloten in gegevensbestanden. Sommige gegevens worden
ingewonnen en opgeslagen voor de collecterende functie (UWV en
belastingdienst) en sommige ten behoeve van de distribuerende functie
(UWV). Tevens stellen zij sommige gegevens ter beschikking van andere (semi-)overheidsorganen.
Bij UWV zitten deze gegevens thans in de verzekerdenadministratie; bij
de belastingdienst onder meer in de Fi-base.
Daarnaast worden door UWV, op grond van de
vigerende wet- en regelgeving, ook gegevens ingewonnen, opgeslagen en
ontsloten ten behoeve van zogenaamde andere taken, niet zijnde de
sociale verzekeringen.
rblz.|18|
De verzekerdenadministratie
De
verzekerdenadministraties (VZA’s) zijn de basisregistraties van de uitvoeringsinstellingen,
waarin de gegevens van de verzekerde, diens werkgever, gegevens van
verzekeringsplichtige arbeidsverhoudingen, daarbij behorende lonen en
overige gegevens zijn vastgelegd. In 2002 is de Wet
SUWI in werking getreden, waarmee de voormalige
uitvoeringsinstellingen met het Lisv zijn
samengevoegd tot UWV. Het proces van
UWV-vorming maakt het noodzakelijk om vijf verschillende
gegevenshuishoudingen met daarin de VZA’s, te transformeren tot één
gegevenshuishouding voor geheel UWV. Kern van deze gegevenshuishouding
zal de polisadministratie vormen, die de functies van de verschillende
VZA’s overneemt.
Bij het wetsvoorstel
Walvis is de lijn vastgehouden om de VZA’s verder te ontwikkelen
tot een volwaardige polisadministratie, die het hart vormt van de
gegevenshuishouding van UWV en die de voor de distribuerende en
collecterende functies noodzakelijke gegevens van de verzekerden bevat.
De wettelijke verankering van de polisadministratie zal worden
gerealiseerd via de onderhavige wetsvoorstellen.
Ontwikkeling in het kader van Stroomlijning
Basisgegevens
Naast haar betekenis voor de collecterende en distribuerende functies
van UWV
en de SUWI-keten is het de bedoeling dat de
polisadministratie uitgroeit tot een registratie - op nominatief niveau
- van arbeidsverhoudingen en van uitkeringsverhoudingen in het kader van
de werknemersverzekeringen. In deze bredere context heeft het kabinet in
2001 aangegeven (Programma Stroomlijning Basisgegevens, Kamerstukken II
2001-2002, 26 387, nr. 11) dat hij de gegevenshuishouding van de
overheid wil stroomlijnen door het vestigen van basisregistraties,
waarmee veelgebruikte gegevens eenmalig en eenduidig opgeslagen en
ontsloten worden. Dit komt de effectiviteit en efficiëntie van de
overheidsorganisatie ten goede. Meervoudig gebruik van de eerder
geregistreerde gegevens draagt bij aan verlichting van administratieve
lasten, voorkoming van fraude, vermindering van uitvoeringskosten en
verbetering van dienstverlening aan burgers en bedrijven. Naast de meer
bekende basisregistraties als gemeentelijke basisadministraties (GBA's)
en Basisbedrijvenregister (BBR) vermeldt het Programma Stroomlijning
Basisgegevens de ontwikkeling van een geüniformeerde
verzekerdenadministratie binnen de overheidsgegevenshuishouding als
authentieke registratie van dienstverbanden en uitkeringsverhoudingen
voor de werknemersverzekeringen. Het is de ambitie om de
polisadministratie uit te laten groeien tot zo’n authentieke
registratie.
De Fi-Base
De
belastingdienst beschikt momenteel over een
database (Fi-base) waarin onder meer de gegevens over het fiscale loon,
de ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen alsmede enkele
loongerelateerde inkomstenbelastinggegevens op naam van de individuele
werknemer met zijn sociaal-fiscaal nummer zijn opgeslagen. Deze Fi-base
wordt gevoed met gegevens die door de inhoudingsplichtigen worden
aangeleverd met behulp van de loonbelastingkaarten. Het bestaan van de
Fi-base is niet verankerd in een wettelijke regeling. De database wordt
door de belastingdienst gebruikt als raadpleeg/verificatie- en
renseigneringssysteem. De gegevensverstrekking aan (semi-)overheidsorganen
vindt plaats op grond van de artikelen 67, tweede lid, van de Awr
en de Iw 1990
en het daarmee samenhangende Voorschrift informatieverstrekking 1993 of
op basis van wettelijke verplichtingen daartoe.
rblz.|19|
3. Voorgestelde systematiek van heffing en inning
3.1.
Inleiding
Dit hoofdstuk bevat
een uitgebreide beschrijving van de uitwerking van het voornemen om de
taken van UWV inzake de heffing en inning
van premies voor de werknemersverzekeringen (ZW, WW,
WAO en Zfw) over te
hevelen naar de
belastingdienst. Daarbij worden de
verschillende facetten van het heffings- en inningsproces beschreven in
de volgorde waarin zij in de procesgang aan de orde komen (vgl. paragraaf 1.6).
3.2.
Inhouding en aangiftesystematiek
3.2.1. Voorgestelde
systematiek
Voorgesteld wordt de systematiek van afdracht op aangifte zoals de
loonbelasting die thans kent, ook van toepassing te laten zijn voor de
premies voor de werknemersverzekeringen. Daarnaast worden de
loonbelasting, de premie volksverzekeringen en de premies
werknemersverzekeringen in één aangifte opgenomen. Dit is een
zogenoemde gecombineerde aangifte (hierna wordt overigens de term
aangifte of loonaangifte gebruikt). De premiesystemen zoals UWV
die thans kent, komen hiermee te vervallen. Een belangrijke afwijking
van de huidige voor de loonbelasting geldende systematiek is gelegen in
het feit dat de nieuwe systematiek gebaseerd wordt op de in het
wetsvoorstel Walvis beschreven systematiek
van de premieafdracht op basis van nominatieve aangifte (PANA). De
huidige systematiek van afdracht op aangifte voor de loonheffing kent
geen nominatief karakter (zie hoofdstuk
2).
De nieuwe systematiek gaat voor alle
werkgevers/inhoudingsplichtigen gelden. In het
onderliggende wetsvoorstel wordt de aangiftesystematiek verder
uitgewerkt.
3.2.2. Aangifte
Voorgesteld wordt dat de werkgever/inhoudingsplichtige zelf de af te
dragen premies werknemersverzekeringen inclusief de procentuele premie Zfw
berekent (voor de loonheffing is dit in de huidige situatie al het
geval). Bij de berekening van de af te dragen premies
werknemersverzekeringen maakt de werkgever gebruik van de systematiek
van het voortschrijdend cumulatief rekenen, zoals voorgesteld in het
wetsvoorstel Walvis.
Vervolgens draagt de werkgever/inhoudingsplichtige
per zogenoemd aangiftetijdvak het door hemzelf berekende bedrag aan
premies werknemersverzekeringen en loonheffing af en zendt hij de
aangifte naar de belastingdienst. De duur van
het aangiftetijdvak is afhankelijk van het loontijdvak en bedraagt in
beginsel een kalendermaand of vier weken. In specifieke gevallen geldt
een afwijkend aangiftetijdvak dat beter aansluit bij de bedrijfsvoering
of de gebruikelijke arbeidspatronen (bijvoorbeeld een kalenderjaar voor
huispersoneel; zie hiervoor
paragraaf 3.2.5.3). De werkgevers/inhoudingsplichtigen
dienen alle noodzakelijke gegevens voor de loonheffing en de premies
werknemersverzekeringen aan te leveren aan de belastingdienst. Deze
aanlevering geschiedt door middel van de loonaangifte welke zowel
nominatieve als collectieve gegevens bevat.¹ De nominatieve gegevens
van de aangifte worden opgenomen in de polisadministratie (zie hoofdstuk
4). Op deze wijze wordt bereikt dat UWV
na afloop van het aangiftetijdvak weet welke werknemers er in die
periode verzekerd zijn geweest voor de werknemersverzekeringen en
hoeveel premieloon iedere werknemer heeft genoten. De collectieve
gegevens (dit zijn naast de totalen van het nominatief niveau ook
gegevens die worden rblz.|20|
uitgevraagd en die niet per werknemer worden gespecificeerd) blijven bij
de belastingdienst.
1. De Tweede Kamer is
hierover bij brief van 31 maart 2004 geïnformeerd (Kamerstukken II
2003-2004, 28 219, nr. 16).
Voor de aangifte zijn vier categorieën van loonbestanddelen relevant,
te weten:
- loon dat op nominatief niveau zowel in de premieheffing
werknemersverzekeringen als in de loonheffing moet worden betrokken;
- loon, dat niet in de premieheffing werknemersverzekeringen, maar wel
op nominatief niveau in de loonheffing moet worden betrokken;
- loon dat niet in de loon-/premieheffing op nominatief niveau moet
worden betrokken, maar wel op collectief niveau (zoals de zogenoemde
eindheffing en de afdrachtverminderingen) in de loonheffing moet worden
betrokken;
- overige onderwerpen zoals specifieke gegevens ten behoeve van het
distribuerende proces van UWV, voor de
inkomstenbelasting, voor het
CBS en de ziekenfondsen.
Daarnaast wordt op de aangifte het totaalbedrag
aan premies werknemersverzekeringen afzonderlijk vermeld in verband met
de toerekening aan de fondsen.
Het
nieuwe aangiftesysteem waarbij per aangiftetijdvak nominatieve gegevens
worden aangeleverd, heeft tot gevolg dat de jaarloonopgave voor de
premieheffing werknemersverzekeringen kan komen te vervallen. Hetzelfde
geldt voor de in het kader van de loonheffing gebruikte
loonbelastingkaart. Het vervallen van de loonbelastingkaart zal (bovenop
de effecten van wetsvoorstel
Walvis) een forse administratieve
lastenverlichting voor werkgevers betekenen.
3.2.3. Minder
uitnodigingen tot het doen van aangifte
Om
het werkproces van de
belastingdienst zo efficiënt mogelijk te
laten verlopen, is het de bedoeling dat nog maar eenmaal per
kalenderjaar een uitnodiging zal worden gedaan tot het doen van
aangifte. Tot nu toe ontving de inhoudingsplichtige eenmaal per
aangiftetijdvak (kalenderkwartaal) een uitnodiging tot het doen van
aangifte loonheffing. Bij handhaving van de huidige systematiek van een
uitnodiging per aangiftetijdvak zou als gevolg van een wijziging van het
aangiftetijdvak maandelijks of vierwekelijks een uitnodiging tot het
doen van aangifte moeten worden verzonden.
In
die jaarlijkse uitnodiging wordt de werkgever/inhoudingsplichtige
uitgenodigd binnen één maand na afloop van ieder aangiftetijdvak
aangifte te doen. Hierbij wordt melding gemaakt van de tijdstippen
waarop de aangiften ingediend moeten worden en van de
gegevens/informatie die noodzakelijk zijn voor het goed kunnen invullen
van de aangifte. Eén en ander conform de eisen die op grond van de Awr
worden gesteld. Binnen dit nieuwe systeem zal de werkgever/inhoudingsplichtige
zelf meer alert moeten zijn op het verstrijken van de termijnen.
Voorheen kreeg hij automatisch per aangiftetijdvak een uitnodiging
toegezonden.
Op grond van de Awr zal het bij een wijziging
in de loop van een kalenderjaar van de gegevens die noodzakelijk zijn
voor het goed kunnen invullen van de aangifte noodzakelijk zijn om
opnieuw een uitnodiging te versturen. Hierin worden de resterende
tijdstippen waarop de aangiften ingediend moeten worden en de nieuwe
gegevens vermeld. Wijzigingen in de loop van een kalenderjaar zullen
overigens voor zover mogelijk beperkt blijven. Dit laatste om de
gegevensstromen van de belastingdienst
naar de werkgever/inhoudingsplichtige binnen dit nieuwe systeem beperkt
te houden.
rblz.|21|
De vermindering van het aantal uitnodigingen tot het doen van aangifte
tot eenmaal per kalenderjaar levert voor de belastingdienst
een aanzienlijke verlichting van het werkproces op.
3.2.4. Elektronische
aangifte
In
het rapport "Samenwerking
UWV en belastingdienst,
vervolgonderzoek, oktober 2002" is vermeld dat het streven erop is
gericht 95% van de aangiften elektronisch te ontvangen. In dit rapport
is nog uitgegaan van het doen van aangifte via elektronische weg op
basis van vrijwilligheid. In de Wet van 18 december 2003, houdende
wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Belastingplan
2004) (Stb. 2003, 526) is onder meer de verplichting
opgenomen voor administratieplichtigen om gefaseerd langs elektronische
weg aangifte te gaan doen. Zo zullen met ingang van 1 januari 2006 de
aangiften loonheffing elektronisch geschieden. Er is daarbij in een
ontheffingsmogelijkheid voorzien voor de administratieplichtige voor wie
de verplichting tot elektronische aangifte "onredelijk
bezwarend" wordt geacht. De beslissing op het verzoek voor
ontheffing zal worden verleend bij voor bezwaar vatbare beschikking. De
ontwikkelingen in het Nederlandse bedrijfsleven op het punt van de
digitalisering rechtvaardigen deze vervolgstappen op het gebied van
elektronisch aangeven. Uitgangspunt daarbij is dat een ondernemer of
fiscaal intermediair voor alle belastingmiddelen elektronisch aangifte
gaat doen. Via de in het Belastingplan 2004 beschreven fasering wordt
dat gerealiseerd.
3.2.5. Tijdvakken en
termijnen
In
vervolg op
paragraaf
3.2.2 wordt in deze paragraaf nader ingegaan op het loontijdvak,
het aangiftetijdvak en de betalingstermijn.
3.2.5.1. Na de
aangifte, geen premienota
In
het kader van wetsvoorstel Walvis was
aanvankelijk opgenomen dat werkgevers binnen een termijn van twee weken
na het loontijdvak ¹ een loonopgave zouden moeten verstrekken.
Uiterlijk na afloop van deze twee weken moest UWV
de verschuldigde premies vaststellen, om daarna een premienota aan de
werkgever te verzenden. Al dan niet via een automatische incasso zouden
ten slotte de premies moeten worden geïnd.
Dit hele opvolgende proces zou binnen één
maand na het loontijdvak moeten zijn gerealiseerd.
De Raad van State
meende in zijn advies dat dit scenario te riskant is, waardoor de
rechtmatigheid in gevaar kan komen. Het kabinet deelde de zienswijze van
de Raad dat het totale proces van de gegevensaanlevering en de
verwerking risico’s met zich brengt. Het kabinet heeft in het nader
rapport wetsvoorstel Walvis (Kamerstukken II 2001-2002, 28 219, A)
aangegeven dat in overleg met UWV zou worden bezien hoe de genoemde
risico’s tot een acceptabel niveau zouden kunnen worden teruggebracht.
Met de in
het voorliggende wetsvoorstel opgenomen bepalingen worden de
(rechtmatigheids)risico’s van het oorspronkelijke voorstel voorkomen.
Er wordt niet meer uitgegaan van een opvolgend proces; eerst aangifte en
na vaststelling daarvan de betaling. Er wordt uitgegaan van een
gelijktijdig proces; de aangifte en de betaling van de premies
geschieden gelijktijdig (de vaststelling van de premies is geheel komen
te vervallen).
1. In de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Walvis werd
niet de term "aangiftetijdvak"
gebruikt.
3.2.5.2. Inhouding per
loontijdvak
De
inhouding van premies werknemersverzekeringen en loonheffing vindt
plaats per loontijdvak. De inhouding wordt berekend over het in het
loontijdvak genoten loon.
rblz.|22|
Het loontijdvak is het tijdvak waarover het loon wordt genoten. In de
regel is dit een maand of vier weken, maar in de praktijk komen ook
loontijdvakken van bijvoorbeeld een kwartaal, een week of een dag voor
of loontijdvakken van enkele dagen of weken.
In
de huidige situatie is voor de loonheffing ten aanzien van sommige
studenten en scholieren een afwijkend loontijdvak van toepassing. Op
grond van deze zogenaamde scholieren- en studentenregeling kan op
verzoek een loontijdvak worden toegepast van een kalenderkwartaal. De
regeling geldt alleen voor de studenten en scholieren voor wie bij het
begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag
ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) of die recht hebben op studiefinanciering
in de zin van de
Wet op de
studiefinanciering [Wet
studiefinanciering 2000, red.]. Door toepassing van de
zogenoemde studenten- en scholierenregeling wordt voorkomen dat te veel
loonheffing wordt ingehouden, hetgeen leidt tot minder teruggaven bij de
heffing van inkomstenbelasting. Nu het loontijdvak op een kwartaal wordt
gesteld, kan de kwartaaltabel worden toegepast, waarbij rekening wordt
gehouden met een hogere heffingskorting. Gelet op de praktische
betekenis van deze regeling blijft deze regeling gehandhaafd en gaat dit
afwijkende loontijdvak ook gelden voor de premieheffing
werknemersverzekeringen.
3.2.5.3. Afdracht op
aangifte per aangiftetijdvak
De
ingehouden premies werknemersverzekeringen en loonheffing dienen samen
met de door de werkgever/inhoudingsplichtige verschuldigde premies
werknemersverzekeringen en eindheffing per aangiftetijdvak op aangifte
te worden afgedragen. De afdracht op aangifte betreft de in het
aangiftetijdvak (per loontijdvak) gedane inhoudingen en door de
werkgever verschuldigd geworden premies werknemersverzekeringen en
eindheffing.
In dit wetsvoorstel
wordt als aangiftetijdvak een periode van een kalendermaand of vier
weken voorgesteld. Voor dit relatief korte aangiftetijdvak (het huidige
aangiftetijdvak voor de loonheffing is een kalenderkwartaal) is gekozen
om de polisadministratie zo actueel mogelijk te houden. De aangifte
bevat immers de nominatieve gegevens die in de polisadministratie worden
opgenomen.
Gelet op het feit dat het loontijdvak meestal
een maand of vier weken is, heeft de aangifte in de regel betrekking op
een loontijdvak. Als de werkgever/inhoudingsplichtige met andere
loontijdvakken werkt, kan hij een aangiftetijdvak kiezen dat het beste
bij het desbetreffende loontijdvak aansluit. Zo zal voor een werkgever/inhoudingsplichtige
die met loontijdvakken van een week werkt een aangiftetijdvak van vier
weken het meest voor de hand liggen.¹
Bij loontijdvakken die langer zijn dan een
maand of vier weken zal ook een aangiftetijdvak gelden dat het beste
aansluit bij het loontijdvak. Bij een loontijdvak van bijvoorbeeld een
kwartaal wordt eenmaal per kwartaal, op het moment waarop het loon wordt
genoten, loonheffing en premies werknemersverzekeringen ingehouden. Een
aangiftetijdvak van een kalendermaand ligt in die situatie het meest
voor de hand. Hierbij zal slechts één van de drie aangiften leiden tot
een afdracht. Bij het huidige aangiftetijdvak van een kalenderkwartaal
voor de loonheffing doet zich iets vergelijkbaars voor bij
loontijdvakken van bijvoorbeeld een jaar.
1. De mogelijkheid voor
uitzendbureaus van wekelijkse aanlevering van data, zoals dat thans
binnen de uitzendsector met het Reflexsysteem gebeurt, blijft overigens
gehandhaafd. Deze wekelijkse aanlevering zal naast de verplichting tot
het doen van periodieke aangifte bestaan en komt niet in de plaats van
de aangifte. Over de wekelijkse aanlevering zullen nog nadere afspraken
worden gemaakt met de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU).
In
de huidige situatie is voor de loonheffing in enkele gevallen een
afwijkend aangiftetijdvak van toepassing. Het kabinet wil deze
afwijkende aangiftetijdvakken ook in de nieuwe situatie waarbij in
beginsel een aangiftetijdvak van een kalendermaand of vier weken geldt,
handhaven. rblz.|23|
Het betreft hier de volgende uitzonderingen, die niet alleen voor de
loonheffing maar ook voor de premieheffing werknemersverzekeringen
zullen gelden:
- voor de inhoudingsplichtige/werkgever die een zelfstandige
binnenschipper is en die woonplaats heeft gekozen binnen Nederland (gaat
alleen om schippers zonder vaste woonplaats in Nederland die in
Nederland wonen of een binnenlandse onderneming drijven): een
kalenderhalfjaar, tenzij de inspecteur vordert dat geen afwijkend
aangiftetijdvak geldt;
- ten aanzien van huispersoneel: het kalenderjaar.
3.2.5.4. Betalings- en
aangiftetermijn
In
het huidige systeem van afdracht op aangifte voor de loonheffing vinden
de afdracht (betaling) en de aangifte van de belasting en premies
tegelijkertijd plaats. De aangifte en de afdracht moeten uiterlijk
binnen één maand na afloop van het aangiftetijdvak plaatsvinden.
Gezien het belang van een zo actueel mogelijke polisadministratie heeft
het kabinet overwogen de aangiftetermijn voor de gecombineerde aangifte
loonheffing en premieheffing werknemersverzekeringen te verkorten van
één maand tot twee weken. In de adviesaanvragen is de in dit kader
relevante uitvoerings- en adviesorganen expliciet verzocht hierover een
oordeel te geven.
UWV, SVB, het BKWI,
het CVZ en de SER
achten een aangiftetermijn van twee weken noodzakelijk gezien het belang
van een zo actueel mogelijke polisadministratie. Zij geven aan dat een
verkorting van de aangiftetermijn met betrekking tot de uitkeringen en
verstrekkingen ingevolge werknemersverzekeringen zou leiden tot minder
contacten met werkgevers en minder nabetalingen en terugvorderingen van
die uitkeringen en verstrekkingen. Bovendien zouden de mogelijkheden tot
fraudebestrijding gediend zijn bij een verkorting van de
aangiftetermijn.
Actal adviseert ten aanzien van de
aangiftetermijn een afweging van het belang van werkgevers in de diverse
branches en het belang van een actuele polisadministratie.
Het
kabinet acht een verkorting van de aangiftetermijn bezien vanuit het
belang van een actuele polisadministratie en in het verlengde daarvan
voor de distribuerende functie van UWV
gewenst. Daarnaast hebben ook de overige afnemers (en overigens ook de
werkgevers zelf) belang bij actualiteit van de polisadministratie. Met
Actal is het kabinet evenwel van mening dat er een afweging gemaakt moet
worden tussen enerzijds het evidente belang van een actuele
polisadministratie en anderzijds het bij wet te verplichten
aangiftegedrag van werkgevers. In deze afweging speelt een rol dat de
werkgevers door de invoering van dit wetsvoorstel
te maken krijgen met een toename van de aangiftefrequentie van eenmaal
per kwartaal naar eenmaal per maand of vier weken en met een toename van
de bij de aangifte aan te leveren gegevens. De maandelijkse of
vierwekelijkse aangiften zullen immers naast collectieve ook nominatieve
gegevens gaan bevatten. In dit licht meent het kabinet dat het
onwenselijk is werkgevers tegelijkertijd te confronteren met een kortere
aangiftetermijn.
Het
kabinet heeft besloten om de huidige aangiftetermijn van één maand
vooralsnog te handhaven en werkgevers en de belastingdienst
in 2006 gelegenheid te geven om ervaring op te doen met de nieuwe
aangiftesystematiek. Het beleid van belastingdienst en UWV
is erop gericht de feitelijke termijn van aangifte via marktbewerking
zoveel mogelijk te bekorten. Daarbij is tevens van belang de
verplichting tot het doen van elektronische aangifte zoals opgenomen in
het Belastingplan 2004. In 2007 rblz.|24|
zal vervolgens onderzoek plaatsvinden naar de administratieve en
handhavingsrisico’s van een verkorting van de aangiftetermijn. In de
eerste helft van 2008 zal dit onderzoek worden afgerond. De resultaten
vormen de basis voor de definitieve besluitvorming over de
aangiftetermijn per uiterlijk 1 juli 2008. Als besloten wordt tot
verkorting van de aangiftetermijn tot twee weken, zal de verkorte
aangiftetermijn met ingang van 1 januari 2009 worden ingevoerd.
Ongeacht de besluitvorming over de
aangiftetermijn blijft de huidige betalingstermijn van één maand
gehandhaafd.
3.2.6.
Loontijdvakkensystematiek
Wij
stellen voor de bestaande loondagensystematiek voor de premieheffing
werknemersverzekeringen te vervangen door een loontijdvakkensystematiek.
Daarmee wordt aangesloten bij de toepassing van de tijdvaktabellen in de
loonbelasting.
Bij
de huidige loondagensystematiek moet de werkgever per werknemer het
aantal loondagen bijhouden en moet hij een afzonderlijke berekening
maken voor de hoogte van de toe te passen franchise en maximum. Indien
een werknemer voltijd werkt en een normaal arbeidspatroon van vijf dagen
heeft, levert deze systematiek niet al te veel problemen op. Echter,
voor voltijdtwerknemers met een afwijkend arbeidspatroon moet het aantal
loondagen worden bepaald aan de hand van een aantal bijzondere regels
die tot doel hebben het verschil in premiedruk zoveel mogelijk te
beperken. Voor werkgevers en ook voor UWV
is de toepassing van deze bijzondere regels ingewikkeld.
Bovendien leidt de loondagensystematiek ook tot
verschil in premiedruk bij deeltijdwerkers. Vijf halve dagen werken of
twee en een halve dag geeft bij hetzelfde loon een verschillende
premiedruk.
Om
aan deze bezwaren tegemoet te komen, wordt voorgesteld niet meer het
aantal loondagen, maar het aantal loontijdvakken de hoogte van de toe te
passen franchise en maximum te laten bepalen. De systematiek levert ten
opzichte van de huidige systematiek de volgende voordelen op:
- het toepassen van tijdvakken (kwartaal, maand, week, dag) op dezelfde
manier als de tijdvaktabellen van de loonheffing is voor werkgevers een
vereenvoudiging;
- zeker bij bijzondere arbeidspatronen wordt de uitvoerbaarheid groter
en de controle eenvoudiger;
- de verschillen in premiedruk die worden veroorzaakt door bijzondere
arbeidspatronen of deeltijd verdwijnen;
- de nieuwe systematiek gaat ook voor de overheid gelden. De
deeltijdfactor voor personen die in deeltijd werken, komt te vervallen.
Op deze wijze wordt de premieheffingsystematiek voor marktsector en
overheid geüniformeerd.
Weliswaar heeft deze systematiek grote voordelen, er is ook een aantal
kanttekeningen te plaatsen. Zo heeft de invoering van een
loontijdvakkensystematiek inkomensgevolgen voor deeltijdwerkers die op
minder dan vijf dagen per week werken. In paragraaf 7.3
wordt hier verder op ingegaan.
Voorts is het zo dat anders dan de loonheffing,
de premieheffing werknemersverzekeringen in beginsel definitief is. Voor
de loonheffing geldt immers dat dit een voorheffing op de
inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen is. Eventuele
onjuistheden kunnen via de inkomstenbelasting worden rechtgetrokken. De
premieheffing werknemersverzekeringen is echter geen voorheffing. Zo kan
het voorkomen dat een werknemer in de loontijdvakkensystematiek in
totaal meer dan één jaar aan loontijdvakken in het
premiebetalingtijdvak heeft. Dit doet zich voor rblz.|25|
wanneer de werknemer tot meer dan één werkgever in dienstbetrekking
heeft gestaan of van meer dan één werkgever loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking heeft genoten (een nabetaling over voorgaand jaar). Dan
kan er premie zijn geheven over een hoger bedrag dan het
maximumpremieloon. Voor de loondagensystematiek is in het huidige artikel 9,
zevende lid,
CSV een regeling opgenomen die uitkomst biedt
in dergelijke gevallen. Deze regeling is aan de overgang naar een
loontijdvakkensystematiek aangepast. Zie voor de nieuwe systematiek ook
artikel 2.1.4, onderdeel C, van de
Invoeringswet Wfsv [vervallen, red.].
3.2.7.
Correctieberichten
De
betekenis van de nieuw op te zetten polisadministratie gaat verder dan
die van de huidige VZA. Gelet op het grote belang van de juistheid en de
volledigheid van de gegevens in de polisadministratie, met name in
verband met eventuele toekomstige uitkeringen, zullen de foutieve
gegevens - ongeacht of deze al dan niet tot te lage afdracht hebben
geleid - moeten worden verbeterd. Dit zal gebeuren door middel van
zogenoemde correctieberichten.
De
gecombineerde aangifte loonbelasting/premieheffing, waarmee de
polisadministratie gevoed wordt, geschiedt door de werkgever/inhoudingsplichtige.
Het is de taak van de werkgever/inhoudingsplichtige te zorgen voor de
juistheid van de aangeleverde informatie. In het verlengde hiervan ligt
het dan ook in de rede de verplichting voor het corrigeren van foutief
aangeleverde gegevens bij de werkgever/inhoudingsplichtige te leggen.
Daarnaast dienen de gegevens uit de polisadministratie zoveel mogelijk
identiek te zijn aan de gegevens in de salarisadministratie. Ook is het
efficiënter en vermindert de kans op foutieve verbeteringen als de
werkgever/inhoudingsplichtige door middel van één en dezelfde mutatie
zowel zijn eigen salarisadministratie als de polisadministratie van de
juiste gegevens kan voorzien. Tot slot zij opgemerkt dat de werkgever/inhoudingsplichtige
immers beschikt over de relevante informatie op nominatief niveau.
Op grond van het bovenstaande is ervoor gekozen
in de Wet
LB een bepaling op te nemen die de werkgever/inhoudingsplichtige
verplicht de door hemzelf geconstateerde onjuiste gegevens binnen één
maand na het constateren van die onjuistheid te verbeteren en op
dezelfde wijze aan te leveren als de oorspronkelijke gegevens. Daarnaast
wordt in de Wet LB een bepaling opgenomen waarmee de werkgever/inhoudingsplichtige
verplicht kan worden de door de belastingdienst
geconstateerde onjuiste gegevens binnen een door de inspecteur te
stellen termijn te verbeteren en op dezelfde wijze aan te leveren als de
oorspronkelijke gegevens. Voor zover werkgevers/inhoudingsplichtigen
verplicht zijn elektronisch aangifte te doen, betekent dit dat zij ook
elektronisch een correctiebericht moeten inzenden. De voor de aangifte
te ontwikkelen softwarepakketten die door de werkgevers/inhoudingsplichtigen
gebruikt gaan worden, zullen het mogelijk moeten maken om de
correctieberichten relatief eenvoudig door de werkgevers/inhoudingsplichtigen
te laten aanleveren in dezelfde vorm als de oorspronkelijke gegevens.
Werkgevers/inhoudingsplichtigen die een papieren aangifte mogen doen,
kunnen de correctie op papier aanleveren.
Er
is voor gekozen een bepaling op te nemen waarbij de inspecteur, als hij
onjuistheden constateert, keuzevrijheid heeft de correctieverplichting
al dan niet op te leggen. Als de belastingdienst
besluit geen correctieverplichting op te leggen, kan de belastingdienst
zelf de onjuistheden laten verbeteren in de polisadministratie. De
beslissing al dan niet een correctieverplichting op te leggen, kan
worden ingegeven door efficiencyoverwegingen of omdat het herstellen van
bepaalde onjuistheden niet rblz.|26|
meer noodzakelijk is. Te zijner tijd zal hiervoor nader beleid worden
geformuleerd.
In
de nieuwe aangiftesystematiek zal aangifte worden gedaan op basis van
voortschrijdend cumulatief rekenen. Voor wat betreft het herstellen van
onjuiste informatie in reeds ingediende aangiften zal geen
correctiebericht hoeven worden ingediend voor zover de onjuistheid
uitsluitend het gevolg is van de doorrekening van een in een eerdere
aangifte herstelde looncomponent.
Op
dit moment wordt nog onderzocht - in het licht van de juridische
kwalificatie van het correctiebericht - hoe dit correctiebericht voor
wat betreft de heffingsgevolgen zal worden verwerkt. Daarnaast wordt nog
onderzocht of de elektronische indiening van het correctiebericht
gecombineerd dient plaats te vinden met de eerstvolgende nog in te
dienen aangifte. Een dergelijke gecombineerde aanlevering van deze -
overigens zelfstandige berichten - kan een vereenvoudiging betekenen in
het geautomatiseerde berichtenverkeer tussen
belastingdienst en werkgever/inhoudingsplichtige.
De nominatieve gegevens in de
polisadministratie kunnen gedurende vele jaren van belang zijn.
Bijvoorbeeld voor de vaststelling van referteperiodes voor de
werknemersverzekeringen en herlevingen van uitkeringen.
Daarom is bepaald dat de werkgever/inhoudingsplichtige
tot vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin het tijdvak is
gelegen waar de aangifte betrekking op heeft, verplicht kan worden de
foutieve gegevens door middel van één of meer correctieberichten te
corrigeren.
Deze periode komt overeen met de periode waarin
een naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Voor de sanctie op het niet,
niet tijdig, onvolledig of onjuist indienen van een correctiebericht
wordt verwezen naar paragraaf
3.7.1.3.
Op
dit moment bestaat er geen vergelijkbare verplichting voor werkgevers/inhoudingsplichtigen
om onjuistheden te verbeteren. Het invoeren van een
correctieverplichting leidt op zichzelf beschouwd als onderdeel van de
nieuwe aangiftesystematiek weliswaar tot een administratieve
lastenverzwaring, maar de nieuwe aangiftesystematiek en het meervoudig
gebruiken van de gegevens in de polisadministratie bij
uitkeringsverstrekkingen leiden in het geheel bezien tot een
aanzienlijke lastenverlichting.
3.2.8. Anoniemenheffing
bij premieheffing werknemersverzekeringen
In
artikel 26b van de
Wet LB
is een bijzondere tariefregeling neergelegd voor werknemers die niet hun
juiste persoonsgegevens aan de inhoudingsplichtige hebben verstrekt of
deze gegevens helemaal niet hebben verstrekt.
Deze regeling maakt het mogelijk belasting te
heffen naar het maximale tarief zonder aftrek van heffingskortingen.
Dit zogenaamde anoniementarief (52%) is van
toepassing in de volgende situaties:
a. de werknemer heeft naam, adres of woonplaats niet aan de
inhoudingsplichtige verstrekt;
b. de identiteit is niet vastgesteld en geen identiteitsdocument is
opgenomen in de loonadministratie;
c. de werknemer heeft ter zake onjuiste gegevens verstrekt en de
inhoudingsplichtige weet dit of moet dit redelijkerwijs weten.
rblz.|27|
In de
CSV ontbreekt een soortgelijke bepaling.
Wanneer bij een looncontrole blijkt dat loon is uitbetaald aan onbekende
werknemers, dienen premies te worden nageheven en wel conform de
bepalingen van de CSV. Omdat in de administratie van de werkgever in dit
soort gevallen vaak geen of heel weinig gegevens zijn opgenomen omtrent
aantal werknemers en gewerkte perioden, is het niet mogelijk zonder meer
over het totale verzwegen bedrag aan loon premies na te heffen. Voor de
toepassing van de franchise- en maximeringsbepalingen van
artikel 9 van de CSV
op het loon is het noodzakelijk dat per werknemer de gewerkte periode
wordt vastgesteld. Wanneer die gegevens niet direct blijken uit de
administratie van de werkgever, moet worden geprobeerd op basis van de
wel aanwezige gegevens het aantal werknemers en de gewerkte perioden te
achterhalen. Alleen als dat niet lukt, is het toegestaan om premies na
te heffen zonder toepassing van de franchise- en maximeringbepalingen.
Dit betekent dat om tot een juiste wetstoepassing te komen bij het
naheffen van premies in dergelijke - doorgaans frauduleuze - situaties
veel werk moet worden verricht.
Bij de naheffing van de loonheffing is dit
nader onderzoek niet nodig. Naheffing vindt in dit soort gevallen op
eenvoudige wijze plaats door het anoniementarief toe te passen. De
werkgever kan ook zelf het anoniementarief toepassen.
Voor de
belastingdienst maakt een verschil in
behandeling van de naheffing van loonheffing en premies
werknemersverzekeringen de uitvoering daarvan nodeloos complex zonder
dat er een principiële grond voor is. Het kabinet acht het daarom in de
rede liggen om de premieheffing in deze gevallen op vergelijkbare
eenvoudige wijze te laten plaatsvinden. Dit kan worden bereikt door in
dezelfde situaties waarin voor de loonheffing het anoniementarief van
toepassing is de franchise- en maximeringbepalingen bij de premieheffing
buiten toepassing te laten. Wanneer dan bij looncontrole blijkt dat loon
is uitbetaald aan onbekende werknemers, is het niet meer nodig onderzoek
te doen naar aantallen personen en tijdvakken. Als gevolg van de
invoering van deze anoniemenheffing kan over het totale bedrag aan loon
zonder meer premies worden nageheven. Dit betekent dat veel sneller dan
voorheen een naheffingsaanslag van premies kan worden opgelegd.
Deze wijziging zal in de praktijk vooral gevolgen hebben voor de
naheffing van premies naar aanleiding van ingestelde looncontroles of
fraudeonderzoeken. Juist dan komen gevallen aan het licht waarin
werknemers geen, onvolledige of onjuiste gegevens hebben verstrekt.
In reguliere situaties waarin aangifte wordt
gedaan, zal de anoniemenheffing veel minder vaak worden toegepast. De
werkgever moet immers als gevolg van de anoniemenheffing ook meer
premies gaan betalen omdat de franchises en de maximeringsbepalingen
niet kunnen worden toegepast. Vanwege dit financiële belang zal de
werkgever er des te meer op aandringen dat de werknemer tijdig zijn
gegevens verstrekt, zijn identiteit laat vaststellen en hem een
afschrift van een identiteitsdocument overhandigt. Verwacht mag dan ook
worden dat het gezamenlijk financiële belang van werknemer en werkgever
bij het voldoen aan deze verplichtingen ertoe zal leiden dat de
desbetreffende regels beter zullen worden nageleefd.
3.3.
Naheffing
Als gevolg van de
nieuwe aangiftesystematiek zullen zowel de loonheffing als de premies
werknemersverzekeringen worden geheven door afdracht op aangifte.
Hierbij wordt de belasting- en premieschuld niet geconcretiseerd in een
door de inspecteur opgelegde aanslag. Indien een werkgever/inhoudingsplichtige
de belasting of premies die op aangifte behoort te rblz.|28|
worden afgedragen niet (geheel) heeft betaald, kan de inspecteur de te
weinig betaalde belasting of premies door middel van een aanslag
naheffen. Naheffing is mogelijk indien er weliswaar tot een juist bedrag
is ingehouden, maar te weinig belasting is afgedragen, maar ook indien
er te weinig is afgedragen omdat te weinig is ingehouden.
Indien de werkgever te weinig premies heeft
afgedragen, zal het te weinig afgedragen bedrag kunnen worden nageheven
overeenkomstig de regels die gelden voor het opleggen van een
naheffingsaanslag loonbelasting. Indien er zowel loonheffing als premies
werknemersverzekeringen worden nageheven, worden deze gespecificeerd
opgenomen in één naheffingsaanslag.
Inhoudelijk betekent deze naheffingsmogelijkheid voor premies
werknemersverzekeringen geen wijziging. Zowel de voorwaarden voor
naheffing van premies werknemersverzekeringen als de termijn waarover
kan worden nageheven, komen overeen met de regeling zoals die thans
bestaat voor het opleggen van de correctienota.
Voor het opleggen van een naheffingsaanslag is
niet vereist dat de inspecteur over een nieuw feit beschikt. Evenmin kan
de inspecteur een "ambtelijk verzuim" hebben begaan dat een
naheffing zou kunnen beletten. De inspecteur heeft voorts, indien
daartoe aanleiding bestaat, de mogelijkheid meerdere opvolgende
naheffingsaanslagen over hetzelfde tijdvak op te leggen. De
naheffingbevoegdheid wordt begrensd door de algemene beginselen van
behoorlijk bestuur.
Afhankelijk van het antwoord op de vraag of de
werkgever verweten kan worden dat er te weinig premies zijn afgedragen,
zal in de naheffingsaanslag een boete worden begrepen.
Omkering van de bewijslast
Overgang naar het fiscale regime heeft tot gevolg dat de verzwaring van
de bewijslast die geldt voor inhoudingsplichtigen die zich niet houden
aan bepaalde in de Awr
genoemde verplichtingen ook gaat gelden voor de premieheffing
werknemersverzekeringen.
Indien een werkgever/inhoudingsplichtige de
vereiste aangifte niet heeft gedaan dan wel niet heeft voldaan aan de
verplichtingen van artikelen 41, tweede lid, 47, 47a, 49, 52 en
53, eerste lid, onderdeel b, Awr,
kan de inspecteur de juistheid van de aangifte en daardoor de hoogte van
de afdracht niet goed beoordelen. In dergelijke gevallen kan de
inspecteur, indien hij het vermoeden heeft dat te weinig premies zijn
afgedragen, een naheffingsaanslag opleggen zonder dat de hoogte van die
aanslag door hem bewezen hoeft te worden. De naheffingsaanslag hoeft
slechts gebaseerd te zijn op een redelijke schatting. Het is vervolgens
aan de werkgever/inhoudingsplichtige te bewijzen dat en in hoeverre de
naheffingsaanslag onjuist is. Slaagt de werkgever/inhoudingsplichtige
hierin niet, dan wordt op grond van de artikelen 25, zesde lid, 27e
en 27j Awr
bij uitspraak op bezwaar respectievelijk beroep en hoger beroep de
naheffingsaanslag gehandhaafd.
De werkgever/inhoudingsplichtige heeft in deze
situaties een veel zwaardere bewijslast dan in het geval hij wel aan
zijn verplichtingen heeft voldaan. In die situaties zal de inspecteur de
hoogte van de naheffingsaanslag moeten bewijzen voor zover de aanslag
afwijkt van de ingediende aangifte.
Omkering van de bewijslast heeft dus tot gevolg dat bezwaren worden
afgewezen, tenzij de werkgever/inhoudingsplichtige aantoont dat en in
hoeverre de naheffingsaanslag onjuist is. De bewijslast gaat in
dergelijke situaties verder dan die van de redelijke bewijslastverdeling
zoals die overigens in Awb-procedures van
toepassing is.
rblz.|29|
Het feit dat het niet voldoen aan bedoelde verplichtingen de heffing van
premies in dezelfde mate frustreert als de heffing van de loonbelasting,
rechtvaardigt conforme toepassing van artikelen 25, zesde lid, 27e
en 27j van de Awr
op de premieheffing.
De
zogenoemde omkering van de bewijslast geldt niet indien de
belanghebbende geen schuld heeft aan het niet doen van de vereiste
aangifte of het niet nakomen van bedoelde verplichtingen.
De omkering van de bewijslast mag geen
betrekking hebben op de vergrijpboete. Dit houdt verband met het
strafkarakter van de boete en het voor boetes geldende beginsel dat men
voor onschuldig wordt gehouden totdat het tegendeel bewezen is.
3.4.
Beschikkingen collecterend loket
3.4.1. Werknemers en
werkgevers in de zin van de werknemersverzekeringen
Dit wetsvoorstel
brengt geen verandering in de inhoud en uitleg van de begrippen
inhoudingsplichtige en werknemer voor de loonbelasting, werkgever en
werknemer voor de werknemersverzekeringen en verzekerde voor
volksverzekeringen.
De
keuze voor één rechtsgang voor premiezaken en belastingzaken zal
leiden tot meer eenheid bij de uitleg van de hiervoor vermelde
begrippen. Dit leidt tot vereenvoudiging en voorkomt bovendien de
noodzaak tot een dubbele rechtsgang bij premie- en belastingzaken. Ter
bevordering van de eenheid in jurisprudentie bij uitkeringszaken en
premiezaken wordt beroep in cassatie opengesteld voor geschillen over
het verzekerd zijn in het distribuerende proces (zie ook paragraaf 3.5.6).
3.4.2. Vaststelling van
verzekeringsplicht
3.4.2.1. Belang van
het verzekerd zijn voor collecterende en distribuerende functie
De
vraag of een werknemer verzekerd is voor de werknemersverzekeringen is
zowel van belang voor de collecterende functie als voor de
distribuerende functie van de werknemersverzekeringen.
Bij het collecterende loket is uitsluitend de
werkgever belanghebbende bij de vaststelling van de verzekeringsplicht.
Een werkgever is alleen premies werknemersverzekeringen verschuldigd
over het loon van zijn werknemers als zij verzekerd zijn. Werknemers
zijn in het collecterende loket alleen belanghebbende bij de inhouding
van premies werknemersverzekeringen op hun loon. De werknemer kan tegen
deze inhouding in bezwaar gaan bij de inspecteur (zie paragraaf 3.5.3).
Bij het distribuerende loket is uitsluitend de
werknemer belanghebbende bij de vaststelling van de verzekeringsstatus
voor de werknemersverzekeringen. Alleen verzekerde werknemers kunnen in
aanmerking komen voor een WW-,
WAO- of ZW-uitkering,
of voor een verstrekking op grond van de
Zfw. Alleen bij de beoordeling van de
verzekeringsplicht in het kader van de verstrekking van een
WAO-uitkering is ook de werkgever belanghebbende. De werkgever heeft
belang bij deze beschikking vanwege het rechtstreekse effect hiervan op
de door hem te betalen gedifferentieerde WAO-premie.
rblz.|30|
3.4.2.2. Vaststellen
verzekeringsstatus in het collecterende en distribuerende loket
In
beginsel beoordeelt de werkgever of zijn werknemers verzekerd zijn. Bij
twijfel over de verzekeringsstatus kan een beschikking op aanvraag
worden afgegeven. Daarnaast vindt altijd een beoordeling van de
verzekeringsstatus plaats bij uitkeringsaanvragen en is ook bij
looncontroles regelmatig een beoordeling van de verzekeringsplicht aan
de orde.
In
de huidige situatie kunnen zowel werkgevers als werknemers zich bij
twijfel over de verzekeringsstatus wenden tot UWV.
In de praktijk vindt de beoordeling van de verzekeringsstatus plaats
binnen diverse organisatieonderdelen van UWV. De werkgever zal doorgaans
een uitspraak over de verzekeringsstatus vragen bij het collecterende
loket van UWV en de werknemer komt hiervoor doorgaans in aanraking met
het distribuerende loket van UWV. Daarnaast zal de werknemer zich voor
de beoordeling van zijn verzekeringsstatus voor de Zfw
wenden tot het ziekenfonds.
Het verschil tussen de huidige situatie en de
nieuwe situatie is dat de collecterende en distribuerende loketten, waar
de verzekeringsstatus wordt beoordeeld, straks in verschillende
organisaties worden gelokaliseerd. Voor de Zfw is dit in feite al het
geval.
De overheveling van het collecterende loket
naar de belastingdienst betekent voor een
werkgever dat hij zich voortaan uitsluitend kan wenden tot de
belastingdienst met een aanvraag voor de beoordeling van de
verzekeringsstatus. Naast de beoordeling van de verzekeringsstatus op
aanvraag kan de belastingdienst de verzekeringsstatus ook beoordelen bij
looncontroles.
Een werknemer kan net als in de huidige
situatie een beschikking over het verzekerd zijn aanvragen bij UWV of
voor de Zfw bij zijn ziekenfonds. UWV en de ziekenfondsen zullen
daarnaast de verzekeringsstatus van de werknemer beoordelen bij een
uitkeringsverstrekking respectievelijk bij een verstrekking op grond van
de Zfw.
De
belastingdienst,
UWV en de ziekenfondsen zijn verplicht om
een beschikking over de verzekeringsstatus af te geven binnen een
termijn van dertien weken. Deze beslistermijn is gelijk aan de huidige
beslistermijn.
Zouden werknemer of werkgever gebruik willen
maken van hun recht tot bezwaar en beroep, dan staat voor de werkgever
uitsluitend de fiscale rechtsgang open; de werknemer kan uitsluitend in
bezwaar bij UWV en/of de ziekenfondsen en vervolgens in beroep bij de rechtbank
en de CRvB. Ook hier geldt een uitzondering
voor de beoordeling van de verzekeringsstatus in het kader van de
verstrekking van een WAO-uitkering, aangezien
de werkgever dan als belanghebbende wordt aangemerkt. De werkgever kan
bij de verstrekking van een WAO-uitkering in bezwaar bij UWV en
vervolgens in beroep bij de rechtbank en de CRvB. Via cassatie kunnen
eventuele afwijkende beslissingen over eenzelfde zaak met elkaar in
overeenstemming worden gebracht (zie ook
paragraaf 3.5 over rechtsbescherming).
Nu
zowel de
belastingdienst, UWV
als de ziekenfondsen uitspraken kunnen doen over de verzekeringsstatus,
is afstemming vereist tussen de betrokken instanties. De
belastingdienst, UWV en de ziekenfondsen informeren elkaar over
uitspraken en standpuntbepalingen over de verzekeringsstatus op
nominatief niveau. UWV registreert deze informatie in de
polisadministratie (zie hoofdstuk
4) en geeft mutaties door aan de belastingdienst en de
ziekenfondsen.
Als UWV of de ziekenfondsen een beschikking
afgeven over het verzekerd zijn, brengt de belastingdienst de werkgever
daarvan op de hoogte als dit besluit gevolgen heeft voor de door de
werkgever verschuldigde premie.
rblz.|31|
Een dergelijk besluit kan evenals in de huidige situatie leiden tot
naheffing of teruggave van premies. De werknemer krijgt periodiek
inzicht in zijn verzekeringsstatus via de salarisstrook van zijn
werkgever en via het verzekeringsbericht van UWV. Daarnaast heeft de
werknemer op grond van de
Wbp
recht op inzage en correctie van zijn persoonsgegevens in de
polisadministratie.
Zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie kan het
voorkomen dat aan meerdere instanties/loketten tegelijkertijd om een
beoordeling van de verzekeringsstatus wordt gevraagd. Een goede
onderlinge afstemming kan dan waarborgen dat de beschikkingen inzake het
verzekerd zijn met elkaar in lijn blijven. Ook is het in de huidige en
de toekomstige situatie mogelijk dat een werkgever en een werknemer
opeenvolgend een aanvraag doen voor een beschikking over het verzekerd
zijn. Bij een opeenvolgende aanvraag is het eerst ingenomen standpunt
leidend, tenzij de feiten en omstandigheden van het geval gewijzigd zijn
en deze de laatst oordelende instantie aanleiding geven om een afwijkend
standpunt in te nemen.
Om te voorkomen dat de organisaties inhoudelijk
uiteenlopende opvattingen gaan ontwikkelen over de beoordeling van het
verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen, zal er geregeld overleg
plaatsvinden. Daarnaast zullen de belastingdienst, UWV
en de ziekenfondsen in gezamenlijke beleidsbesluiten vastleggen welke
procedures en criteria gebruikt worden bij de beoordeling van de
verzekeringsplicht. Hierbij zal bijzondere aandacht uitgaan naar de
procedures en criteria die een rol spelen bij de beoordeling van de
verzekeringsplicht van bijzondere groepen. Zie voor de internationale
aspecten van de beoordeling van de verzekeringsplicht paragraaf
3.9.1.
3.4.3.
Premiedifferentiatie WAO
Huidige situatie
In
de
WAO is een deel van de premie, de basispremie,
voor alle werkgevers gelijk. Het percentage van de basispremie wordt
vastgesteld door de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. Tegen deze vaststelling is geen bezwaar en
beroep mogelijk.
Daarnaast bestaat de gedifferentieerde premie,
die is geregeld in artikel 78 van de
WAO. De gedifferentieerde premie komt ten
gunste van de Arbeidsongeschiktheidskas van waaruit de uitkeringen
gedurende de eerste vijf jaar worden bekostigd.
UWV stelt hiervoor
een rekenpercentage en een gemiddeld percentage vast.
Tegen deze vaststellingen is evenmin bezwaar en
beroep mogelijk.
Vervolgens stelt
UWV voor iedere werkgever (met uitzondering
van de eigenrisicodrager) een percentage van de gedifferentieerde premie
vast. Eerst wordt aan de hand van het in het refertejaar ten laste van
de werkgever gekomen premieplichtig loon vastgesteld of een werkgever
een grote of kleine werkgever is.
Voor kleine werkgevers stelt UWV een
gedifferentieerde premie per branche vast (branchegewijze
premiedifferentiatie). Dit zijn besluiten van algemene strekking
waartegen geen bezwaar en beroep openstaat.
Voor iedere grote werkgever wordt door middel
van een opslag of korting op het rekenpercentage het percentage van de
gedifferentieerde premie door UWV afzonderlijk vastgesteld en per
beschikking aan de werkgever meegedeeld. De opslag of korting is gelijk
aan het individuele werkgeversrisicopercentage verminderd met het
gemiddelde werkgeversrisicopercentage. De wijze van berekening van de
individuele risicopercentages rblz.|32|
en het gemiddelde risicopercentage is geregeld in het Besluit premiedifferentiatie
WAO.
Een werkgever kan tegen de hier bedoelde
beschikkingen van UWV bezwaar en beroep instellen.
Toekomstige situatie
Ook
in de nieuwe situatie stelt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
het percentage van de basispremie vast. UWV
stelt het rekenpercentage, het gemiddelde percentage en de
gedifferentieerde premie per branche voor de kleine werkgevers vast. Er
verandert op dit punt dus niets.
Alle beslissingen in het kader van de
premiedifferentiatie waartegen bezwaar en beroep mogelijk is, worden
echter voortaan genomen door de belastingdienst.
Bezwaar- en beroepsprocedures worden ook
afgehandeld door de belastingdienst. Desgevraagd zal UWV in voorkomende
gevallen daarbij bijstand verlenen.
3.4.4. Eigen risico
dragen in de ZW en WAO
Huidige situatie
Op
grond van
artikel 63
van de ZW
en artikel 75 van de WAO
kan UWV aan een werkgever op aanvraag
toestemming verlenen om het risico van betaling van het ziekengeld
respectievelijk de arbeidsongeschiktheidsuitkering zelf te dragen.
De werkgever moet daarvoor een schriftelijke
garantie overleggen van een kredietinstelling of verzekeraar waaruit
blijkt dat deze de verplichtingen die uit het eigen risico dragen
voortvloeien, nakomt als de werkgever die niet meer nakomt, en voor de ZW
tevens een afschrift overleggen van de schriftelijke vastlegging van de
wijze waarop de begeleiding van zieke werknemers plaatsvindt.
Het eigen risico dragen door de werkgever
eindigt wanneer de schriftelijke garantie afloopt, de werkgever failliet
gaat, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op hem van
toepassing wordt, of wanneer hij ophoudt werkgever te zijn.
Het eigen risico dragen wordt beëindigd door
UWV op aanvraag van de werkgever en het kan onmiddellijk worden
beëindigd door UWV wanneer de kredietinstelling of verzekeraar in
financiële problemen raakt. Het eigen risico dragen voor de ZW kan ook
worden beëindigd wanneer de werkgever zich met betrekking tot de
begeleiding van zijn zieke werknemers niet meer laat bijstaan door een
arbodienst.
Een eigenrisicodrager ZW is over het loon van
zijn werknemers een lagere wachtgeldpremie verschuldigd. Een
eigenrisicodrager WAO is geen
gedifferentieerde WAO-premie verschuldigd. Dit vloeit rechtstreeks voort
uit de wet; een beschikking is daarvoor niet vereist.
Toekomstige situatie
Zoals eerder aangegeven, wordt het collecterende loket ondergebracht bij
de belastingdienst. Dit betekent dat de
werkgever die eigenrisicodrager wil worden zijn verzoek daartoe moet
indienen bij de belastingdienst.
De belastingdienst beoordeelt of aan de
voorwaarden voor eigen risico dragen wordt voldaan en geeft de
beschikking af aan de werkgever. Ook de vaststelling van de beëindiging
van het eigen risico dragen is een taak van de belastingdienst. De
belastingdienst zal ook de bezwaar- en beroepsprocedures afhandelen.
Gezien de aard van de voorwaarden voor
toelating en beëindiging kan de rblz.|33|
beoordeling door de belastingdienst plaatsvinden zonder dat het
noodzakelijk is UWV daarbij te betrekken.
Hierop geldt één uitzondering en dat is
wanneer het eigen risico dragen in de ZW wordt
beëindigd op grond van de omstandigheid dat de werkgever zich met
betrekking tot de begeleiding van zijn zieke werknemers niet meer laat
bijstaan door een arbodienst. UWV constateert dit feit in de praktijk en
wanneer UWV van mening is dat op grond daarvan het eigen risico dragen
moet worden beëindigd, zal UWV dat melden aan de belastingdienst die
dan de werkgever een beëindigingsbeschikking zal zenden. Opgemerkt
wordt dat als gevolg van het feit dat de werkgever op zijn verzoek een
distribuerende taak van UWV overneemt, hij ten aanzien van het eigen
risico dragen te maken krijgt met het distribuerende loket van UWV en
het collecterende loket van de belastingdienst.
3.4.5. Vrijstelling
basispremie WAO voor ouderen
Op
grond van
artikel 79a van de WAO
heft UWV geen basispremie WAO
over het loon van de werknemer die aan het begin van het kalenderjaar de
leeftijd van 54,5 jaar heeft bereikt of die bij indienstneming 50 jaar
of ouder is. De geboortedatum van de werknemer is een gegeven dat zich
bevindt in de VZA van UWV. Deze regeling wordt ambtshalve door UWV
uitgevoerd zonder dat een aanvraag en een beschikking daarop zijn
vereist.
In
dit wetsvoorstel is de vrijstelling van de
basispremie WAO opgenomen in
hoofdstuk 3, afdeling
6, van de Wfsv. De regeling is
ongewijzigd met dien verstande dat in de nieuwe systematiek de werkgever
de vrijstelling zelf toepast bij de afdracht op aangifte. Uiteraard zal
de belastingdienst
wel controleren of de vrijstelling terecht is toegepast.
3.4.6. Sectorindeling
Het
bedrijfs- en beroepsleven is ingedeeld in sectoren. Werkgevers zijn van
rechtswege bij een sector aangesloten op grond van de aard van de door
hen verrichte werkzaamheden. De sectorindeling is van belang voor de
premiedifferentiatie in de WW. Het eerste
halfjaar van een WW-uitkering wordt per sector gefinancierd door middel
van een sectorale premie. Deze zogenaamde wachtgeldpremie wordt volledig
door werkgevers opgebracht. Met deze financiële prikkel wordt beoogd de
vermijdbare werkloosheid terug te dringen en om sectorale initiatieven
hiertoe te stimuleren. Daarnaast is de sectorindeling van belang voor de
branchegewijze premiedifferentiatie van de WAO
en voor regelingen in de privaatrechtelijke sfeer (CAO, pensioenen),
aangezien deze regelingen vaak de werkingssfeer van de sectorindeling
volgen.
De
functie en de inhoud van de sectorindeling wijzigt niet. De uitvoering
van de sectorindeling zal worden overgeheveld van UWV
naar de belastingdienst. Dit betekent dat een
werkgever de aansluiting bij een sector voortaan schriftelijk moet
melden aan de belastingdienst. De belastingdienst stelt vast bij welke
sector de werkgever is aangesloten en deelt dit schriftelijk mee aan de
werkgever. Deze mededeling geldt als een beschikking waartegen bezwaar
en beroep openstaat.
De sectorindeling is goed te combineren met de
bedrijfsbezoeken die de belastingdienst reeds aflegt, zoals de
startersbezoeken bij nieuwe werkgevers.
rblz.|34|
3.4.7.
Arbeidsgehandicaptenkorting
Op
grond van
artikel 79b van de WAO
en de artikelen 82, 82a
en 97c van de WW
kan de werkgever op aanvraag een korting krijgen op de door hem
verschuldigde WAO- en AWf-premies wanneer hij
een arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 2
van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
(Wet Rea) in dienst neemt dan wel herplaatst.
De korting wordt verleend voor zolang de
dienstbetrekking duurt, doch ten hoogste voor drie jaar (bij
indienstneming) respectievelijk één jaar (bij herplaatsing). Voor
werknemers van wie het loon over het kalenderjaar minder bedraagt dan
50% van het minimumloon gelden lagere
kortingsbedragen. Voor jonggehandicapten en personen met een Rea-voorziening
van wie de handicap vóór de 17e verjaardag is ontstaan, geldt een
extra korting.
In de huidige situatie beoordeelt UWV
of een werknemer arbeidsgehandicapte is en of aan de andere voorwaarden
van de regeling wordt voldaan. De korting wordt in termijnen ofwel in
één keer na afloop van het kalenderjaar uitbetaald.
In
dit wetsvoorstel is de regeling van de
arbeidsgehandicaptenkorting opgenomen in hoofdstuk 3,
afdeling 6, van de Wfsv. De belastingdienst
zal de arbeidsgehandicaptenkortingsregeling gaan uitvoeren. Om te kunnen
beoordelen of aan de voorwaarden voor het verkrijgen van korting wordt
voldaan, zijn mede gegevens nodig die zich bevinden in de administratie
van UWV. Op verzoek van de belastingdienst
zal UWV de voor de uitvoering van de regeling benodigde gegevens aan de
belastingdienst verstrekken.
3.4.8. Premieregime bij
marginale arbeid
In
de
Wet premieregime
bij marginale arbeid is geregeld dat UWV
ter zake van een dienstbetrekking tussen de werkgever en een
uitkeringsgerechtigde op verzoek van de werkgever vrijstelling kan
verlenen van de verplichting om premies werknemersverzekeringen te
betalen. De werkgever moet wel aangifte doen.
Bij ministeriële regeling kunnen voor de
Tabaksverwerkende en Agrarische sector categorieën werknemers worden
aangewezen voor wie de vrijstelling ook mogelijk is.
De vrijstelling wordt verleend indien de
dienstbetrekking ten hoogste zes aaneengesloten weken duurt en de
werkgever in het kalenderjaar niet eerder een dienstbetrekking met de
uitkeringsgerechtigde is aangegaan en indien niet eerder in het
kalenderjaar voor een dienstbetrekking van die uitkeringsgerechtigde
vrijstelling is verleend.
Gezien het feit dat alle bepalingen inzake de premieheffing voor de
werknemersverzekeringen in de
Wfsv worden opgenomen, is genoemde
premievrijstellingsregeling nu ook daarin opgenomen. De Wet premieregime
bij marginale arbeid kan om die reden worden ingetrokken.
Voorts ligt een overdracht van de uitvoering
van UWV naar de
belastingdienst in de rede omdat de
belastingdienst het loket wordt voor het collecterende proces.
Een aanwijzing van categorieën werknemers van
de Tabaksverwerkende en Agrarische sector voor wie de premievrijstelling
ook mogelijk is, blijft geschieden door de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
rblz.|35|
3.5.
Nieuwe systematiek rechtsbescherming/rechtsgang premieheffing
Uitgangspunt van
dit
wetsvoorstel is de regels die gelden voor de heffing en inning van
de loonbelasting overeenkomstig toe te passen bij de heffing en inning
van de premies voor de werknemersverzekeringen, tenzij afwijkingen of
aanvullingen noodzakelijk zijn. Dit uitgangspunt brengt onder meer mee
dat ter zake van de heffing en de inning van de premies
werknemersverzekeringen, alsmede het in dat kader afgeven van
beschikkingen door de inspecteur op grond van de Wfsv
en de Zfw, ook de voor de
Wet LB
geldende regelgeving van toepassing is. Dit heeft onder andere gevolgen
voor de beslistermijnen, de rechtsbescherming en de kostenvergoedingen.
3.5.1. Primaire
beschikking op aanvraag
Voor de heffing en inning van de premies werknemersverzekeringen golden
tot dusverre verschillende beslistermijnen (redelijke beslistermijn,
acht weken en dertien weken). De termijn van acht weken kon verlengd
worden met een redelijke termijn of met zes maanden (indien informatie
uit het buitenland wordt gevraagd). Met de inwerkingtreding van de
Wfsv geldt in beginsel ook voor de heffing
en de inning van de premies werknemersverzekeringen de beslistermijn van
één jaar, genoemd in artikel 5a Awr.
Voor deze benadering is gekozen vanuit een oogpunt van consistentie in
de rechtsbescherming voor zowel de heffing en inning van de
loonbelasting als die voor de heffing en inning van de premies
werknemersverzekeringen. Alhoewel dit in eerste instantie de indruk zou
kunnen wekken dat hiermee een verslechtering van de rechtsbescherming
van belanghebbende in premieheffingzaken optreedt, moet worden bedacht
dat deze beslistermijn van één jaar weliswaar de formele beslistermijn
is, maar dat in de praktijk op grond van het Voorschrift Awb 1997 de
beschikking in het merendeel van de gevallen door de inspecteur wordt
genomen binnen de ingevolge de Awb
geldende redelijke termijn van acht weken.
Op
de in artikel 5a
Awr
opgenomen beslistermijn van één jaar wordt slechts voor een drietal
beschikkingen op aanvraag een uitzondering gemaakt. Dit betreft de
beslissing omtrent de vaststelling van het verzekerd zijn, de beslissing
omtrent de sectorindeling van de werkgever en de beslissing omtrent het
eigenrisicodragerschap. Voor deze beschikkingen geldt thans een
beslistermijn van dertien weken. Vanwege het belang voor de werkgever
van een tijdige beslissing hieromtrent is ervoor gekozen voor deze drie
beslissingen een kortere beslistermijn dan de formele fiscale
beslistermijn te hanteren. Toepassing van het fiscale regime zou
betekenen dat een werkgever pas na het verstrijken van de
eenjaarstermijn bezwaar kan instellen tegen een fictieve weigering.
Omdat uit de ervaringen van UWV
is gebleken dat voor het afgeven van deze beschikkingen in de regel meer
tijd nodig is dan de Awb-termijn van acht
weken, is er niet voor gekozen voor genoemde drie beschikkingen de
Awb-termijn in te voeren, maar de thans geldende - van de fiscaliteit
afwijkende - wettelijke beslistermijn van dertien weken te handhaven.
Indien binnen deze termijn geen beschikking is afgegeven, moet de
werkgever de mogelijkheid blijven houden tegen een fictieve weigering in
bezwaar te gaan.
Voor de overige beschikkingen zal de Awr-termijn
worden gevolgd.
rblz.|36|
3.5.2. Bezwaar
Het
van toepassing worden van de Awr
leidt tot de overgang van een open systeem als het gaat om bezwaar en
beroep, naar een gesloten systeem. Dit houdt in dat alleen tegen de in
artikel 26 Awr
(nieuw) ¹ genoemde besluiten bezwaar en beroep mogelijk is. In dit
kader wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat
ook ter zake van de beschikkingen die door de inspecteur op grond van de Wfsv
worden genomen de Awr van overeenkomstige toepassing is. Teneinde geen
inbreuk op het gesloten systeem van de Awr te maken, worden de
beschikkingen die door de inspecteur op grond van de Wfsv en de Zfw
(via de Invoeringswet
Wfsv) worden genomen in de desbetreffende wetsartikelen aangeduid
als "voor bezwaar vatbare" beschikkingen. Met het benoemen van
de beschikkingen als voor bezwaar vatbaar is beoogd het huidige niveau
van de rechtsbescherming te handhaven.
1. Waar in dit hoofdstuk
gesproken wordt over artikel 26 en 26a
Awr
(nieuw) wordt bedoeld de artikelen 26 en 26a
Awr
zoals deze luiden na inwerkingtreding van de Wet
belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties.
3.5.3. Belanghebbende
De
keuze voor een fiscale rechtsgang voor de heffing en inning van de
premies werknemersverzekeringen heeft onder meer tot gevolg dat, gelet
op de artikelen 26 en 26a Awr
(nieuw), de werknemer ook voor zaken inzake de heffing en inning van
premies werknemersverzekeringen als belanghebbende in de procedure voor
de fiscale rechter kan worden aangemerkt. Het betreft dan zaken waarbij
de werknemer bezwaar heeft tegen de van hem ingehouden premies
werknemersverzekeringen, zoals de premies WW
en Zfw. In situaties waarin geen sprake is van
inhouding van premies werknemersverzekeringen op het loon van de
werknemer is er geen rechtstreeks belang van de werknemer in het
collecterende proces. De keuze om de werknemer, waar het gaat om de
heffing en inning van de premies werknemersverzekeringen, een
overeenkomstige rechtsbescherming te bieden als voor de heffing en
inning van de loonbelasting, kan tot gevolg hebben dat zowel de
werkgever als de werknemer van wie is ingehouden bezwaar maakt of beroep
instelt. Volledigheidshalve merken wij op dat voor zover geschillen over
de inhouding hun oorzaak vinden in de arbeidsrechtelijke sfeer, de
werknemer aangewezen blijft op een civiele procedure.
Ingevolge het onderhavige
wetsvoorstel wordt wat betreft de beschikkingen die in het kader
van de heffing en inning (het collecterende proces) van de premies
werknemersverzekeringen door de belastingdienst
aan de werkgever worden afgegeven, de werknemer niet als belanghebbende
beschouwd. Dit betekent bijvoorbeeld dat de werknemer geen (derde-)belanghebbende
is bij een tot zijn werkgever gerichte beschikking inzake het verzekerd
zijn. Wel moet worden bedacht dat in situaties waarin een aan de
werkgever gerichte beschikking over het verzekerd zijn leidt tot
inhouding van premies werknemersverzekeringen op het loon van de
werknemer, de werknemer ingevolge dit wetsvoorstel tegen de inhouding
als zodanig in bezwaar en beroep kan komen. Indien een aan de werkgever
gerichte beschikking niet leidt tot verzekeringsplicht en dus niet tot
inhouding van premies werknemersverzekeringen, heeft de werknemer de
mogelijkheid om bij UWV
of het ziekenfonds een beschikking over het verzekerd zijn aan te
vragen. Deze beschikking over het verzekerd zijn ziet dan niet op de
heffing en inning van de premies werknemersverzekeringen, maar op de
aanspraken op uitkeringen en verstrekkingen (het distribuerende proces).
Op deze wijze wordt de werknemer een adequate rechtsbescherming geboden.
Voor de rechtspositie van de werkgever treden
er op dit onderdeel geen veranderingen op, zij het dat hij zich in het
kader van het collecterend proces niet meer wendt tot UWV of het
ziekenfonds, maar zich uitsluitend tot de belastingdienst kan wenden.
Voor zover de werkgever thans rblz.|37|
belanghebbende is bij besluiten die het UWV
ook in de toekomst blijft nemen, verandert de rechtspositie van de
werkgever niet (zie ook paragraaf
3.4.2.1 en 3.4.2.2).
3.5.4. Bezwaarprocedure
De
belangrijkste afwijkingen die de fiscale bezwaarprocedure kent ten
opzichte van de Awb, en die nu ook voor
premieheffing en -inningzaken werknemersverzekeringen gaan gelden,
betreffen de termijnen.
In afwijking van de huidige systematiek zal de
termijn voor het instellen van bezwaar aanvangen op de dag na die van
dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen
is vóór de dag van bekendmaking. In het laatste geval geldt de dag van
bekendmaking. Bij de inhouding en afdracht van premies vangt de termijn
aan op de dag na de inhouding of afdracht.
De Awr
geeft de inspecteur voor het doen van uitspraak op bezwaar een
beslistermijn van één jaar. Deze termijn kan met toestemming van de Minister van Financiën
verlengd worden met nog één jaar. Omdat de beslistermijn voor
bezwaarschriften formeel één jaar is (met onder omstandigheden een
verlenging van één jaar), kan een belastingplichtige pas na
overschrijding van die termijn(en) beroep instellen wegens fictieve
weigering en niet reeds na overschrijding van de zeswekentermijn. Zoals
hiervoor is aangegeven, is in het Voorschrift Awb 1997 echter bepaald
dat de inspecteur zich in beginsel houdt aan de Awb-termijn van in dit
geval zes weken. Van de mogelijkheid tot verlenging met toestemming van
de Minister van Financiën wordt slechts in uitzonderingsgevallen
gebruik gemaakt.
Ten
aanzien van de drie beschikkingen waarvoor in paragraaf 3.5.1
gemotiveerd is een beslistermijn van dertien weken te handhaven, is
gekozen ook een beslistermijn van dertien weken te hanteren voor de
afdoening van het bezwaar.
3.5.5. Beroep en hoger
beroep
Na
de inwerkingtreding van de Wet
belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties zal het beroep
in premieheffings- en -inningszaken - evenals in fiscale zaken - worden
ingesteld bij de rechtbank en hoger beroep bij
het
gerechtshof. Hierop bestaat één uitzondering.
Tegen beschikkingen inzake de sectorindeling is thans slechts beroep bij
één feitelijke instantie mogelijk, namelijk bij de
CRvB
(artikel 129d WW).
Deze uitzondering wordt ingevolge
dit
wetsvoorstel gehandhaafd, met dien verstande dat beroep dan kan
worden ingesteld bij het gerechtshof. Het betreft hier een ingewikkelde
materie, waarmee grote financiële belangen van werkgevers gemoeid
kunnen zijn; een snelle afdoening (in één feitelijke instantie) is
daarom onverminderd gewenst. In deze zaken zal overeenkomstig de fiscale
rechtsgang - anders dan thans het geval is - ook cassatieberoep
openstaan. Aangezien het aantal uitspraken van de CRvB in
sectorindelingszaken beperkt is (2000: 7; 2001: 6) en daarbij bovendien
vrijwel uitsluitend vragen van feitelijke aard aan de orde zijn, zal van
cassatieberoep in de praktijk niet of nauwelijks sprake zijn.
De uniformering van de rechtsgang zal ertoe
leiden dat de rechtsontwikkeling ten aanzien van gemeenschappelijke
elementen in begrippen als loon en dienstbetrekking meer eenheid zal
gaan vertonen. Omdat in de sfeer van de premieheffing en -inning nog
slechts de fiscale rechtsgang resteert, treden ook synergie-effecten op.
Zo zal bij geschillen die nu zowel aan de bestuursrechter als aan de
belastingrechter kunnen worden voorgelegd een besparing kunnen worden
gerealiseerd, omdat nog slechts sprake is van één rechtsgang. Gedacht
kan worden aan procedures rblz.|38|
inzake geschillen over aansprakelijkheid, het loonbegrip, het begrip
dienstbetrekking en rente.
Voor zover de werknemer in beroep gaat tegen een uitspraak op bezwaar
inzake de door UWV
afgegeven beschikking over het verzekerd zijn, dient dit - evenals thans
het geval is - te worden ingesteld bij de bestuursrechter. Er is niet
voor gekozen om geschillen over de beschikkingen verzekeringsplicht van
het collecterende loket (bij de belastingdienst)
en van het distribuerende loket (bij UWV en ziekenfondsen) bij één
rechter onder te brengen. Omdat in de gekozen systematiek zowel de
rechtseenheid door cassatie (zie hierna bij paragraaf 3.5.6)
als de rechtsbescherming van de werknemer voldoende gewaarborgd zijn, is
ervoor gekozen het uitgangspunt van de twee loketten ook voor de
rechtsbescherming door te voeren.
3.5.6. Cassatie
De
keuze voor een fiscale rechtsgang in procedures met betrekking tot de
heffing en inning van premies werknemersverzekeringen heeft tot gevolg
dat tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof
en tegen een schriftelijke uitspraak van de voorzieningenrechter beroep
in cassatie kan worden ingesteld bij de
Hoge Raad. Tot dusverre is in de sfeer van de premies
werknemersverzekeringen slechts beroep in cassatie mogelijk ter zake van
de begrippen (on)gehuwd, gezamenlijke huishouding en het loon,¹ met
dien verstande dat in de sfeer van de premies
Zfw beroep in cassatie thans alleen voor wat
betreft het loonbegrip mogelijk is. Het volgen van de fiscale rechtsgang
betekent derhalve een uitbreiding van de cassatiemogelijkheden tot alle
geschillen inzake de heffing en inning van premies
werknemersverzekeringen, inclusief de premies Zfw (het collecterende
proces). In het nieuwe stelsel worden beslissingen ter zake van de
verzekeringsplicht in het collecterende proces door de
belastingdienst genomen en in het
distribuerende proces door UWV en het
ziekenfonds. Vanuit een oogpunt van rechtsgelijkheid en ter bevordering
van de eenheid bij de uitleg van het begrip verzekeringsplicht wordt
overeenkomstig het advies van de Hoge Raad voorgesteld om - naast de
thans reeds bestaande mogelijkheid van cassatie ter zake van de
begrippen (on)gehuwd, gezamenlijke huishouding en het loon - ook voor
geschillen over het verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen in
het distribuerende proces de mogelijkheid van cassatie te creëren. De
mogelijkheid om in cassatie te gaan bij geschillen inzake het verzekerd
zijn is er overigens thans al in de volksverzekeringen. In die zin is
sprake van harmonisatie.
1. Als gevolg van de
tweede nota van wijziging op de Walvis betekent dit
dat zowel beroep in cassatie mogelijk is over
het uitkeringsloon als over het premieloon.
3.5.7.
Proceskostenvergoeding
Op
grond van het
Besluit
proceskosten bestuursrecht bedraagt de proceskostenvergoeding voor
de kosten van een procedure inzake de premies werknemersverzekeringen
thans €|322,- per punt. Voor procedures
tegen besluiten genomen op grond van een wettelijk voorschrift inzake
belastingen of de heffing van een premie dan wel een premievervangende
belasting ingevolge de Wfv
geldt thans een proceskostenvergoeding van €|161,-
per punt. Reden waarom voor fiscale bezwaarschriften een lagere
vergoeding in het leven is geroepen, is dat deze veelal betrekking
hebben op het herstel van administratieve fouten en door de inspecteur
aangebrachte correcties. Het forfait van €|161,-
komt daarmee ongeveer overeen met de gemiddelde werkelijke kosten van
een bezwaarschrift voor een belanghebbende. Het uitgangspunt dat de
fiscale regeling in beginsel ook geldt voor de werknemersverzekeringen
leidt ertoe voor bezwaarprocedures inzake de premies
werknemersverzekeringen ook de fiscale puntenvergoeding te hanteren. Dit
houdt voor premieheffingzaken een versobering in van de thans bestaande
vergoedingsregeling. Maar gelet rblz.|39|
op de met dit
wetsvoorstel beoogde verlaging van de uitvoeringskosten en
vermindering van de administratieve lasten, is het niet gewenst op het
punt van de proceskostenvergoeding onderscheid te maken tussen
werknemersverzekeringen en loonbelasting. Daar waar dezelfde grondslag
in geschil is, is een dergelijk onderscheid in de praktijk ook niet te
maken. In de overige gevallen betekent het maken van bedoeld onderscheid
een te grote wissel op de uitvoeringslasten.
3.5.8. Consequenties
voor de rechterlijke macht
Ingevolge de
Wfsv staat - na inwerkingtreding van de Wet
belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties - in alle
belastingzaken beroep open bij de rechtbank en
hoger beroep bij het gerechtshof (en blijven
de cassatiemogelijkheden gehandhaafd). Voor het aantal beroepszaken in
geschillen ter zake van de heffing en inning van de premies
werknemersverzekeringen, naar schatting 2000 tot 2500 zaken, blijven de
gevolgen derhalve beperkt omdat deze zaken bij de rechtbank blijven.
Daarbij is een geringe uitbreiding van het aantal beroepszaken bij de
rechtbank denkbaar in verband met de beperkte uitbreiding van de
rechtsbescherming van de werknemer. Ingevolge de artikelen 26 en 26a Awr
(nieuw) kan de werknemer die bezwaar heeft tegen de van hem ingehouden
premies voortaan ook naar de belastingrechter.
De
heffings- en inningszaken premies werknemersverzekeringen in hoger
beroep, naar schatting 400 à 500 zaken per jaar, worden overgeheveld
van de CRvB naar de
gerechtshoven. Dit betekent dat circa 10% van
het huidige totale aantal hogerberoepszaken dat door de CRvB wordt
behandeld, wordt overgenomen door de gerechtshoven. Uitgaande van een
personeelsbestand van circa 200 fte’s bij de CRvB komt dit neer op een
overheveling van 20 fte’s (inclusief overhead) van de CRvB naar de
gerechtshoven.
De
overgang van de rechtsgang heeft daarnaast ook gevolgen voor de Hoge
Raad. De mogelijkheden om beroep in cassatie in te stellen in de
sfeer van de werknemersverzekeringen zijn thans beperkt tot de uitleg en
toepassing van het loonbegrip en de begrippen (on)gehuwd en gezamenlijke
huishouding en waar het gaat om premies Zfw
is thans alleen voor wat betreft het loonbegrip beroep in cassatie
mogelijk. Het aantal cassatiezaken in de sfeer van de heffing en inning
van de werknemersverzekeringen is daardoor thans zeer gering, namelijk
acht tot tien cassatiezaken per jaar. Met het onderhavige wetsvoorstel
worden de cassatiemogelijkheden uitgebreid. Deze uitbreiding is
enerzijds het gevolg van het volgen van de fiscale rechtsgang in het
collecterende proces. Daarnaast wordt ook in het distribuerende proces
een uitbreiding voorgesteld ter zake van het verzekerd zijn. Dat heeft
tot gevolg dat het voor de werknemer mogelijk wordt ook beroep in
cassatie in te stellen tegen een uitspraak van de CRvB ter zake van
beslissingen genomen door UWV en (waar het
de Zfw betreft) het ziekenfonds betreffende het verzekerd zijn in het
distribuerende proces. De toename van het aantal beroepen in cassatie
als gevolg van deze verruiming zal naar verwachting 20 bedragen.
Uitgedrukt in een percentage van het totale aantal zaken op fiscaal
terrein zal het gaan om een stijging met 2%.
Naast de hiervoor geschetste gevolgen kunnen synergie-effecten optreden
omdat in de sfeer van de heffing en inning nog slechts één rechtsgang
resteert, namelijk de fiscale rechtsgang. Van de huidige procedures in
de sfeer van de werknemersverzekeringen heeft circa 20% betrekking op
procedures inzake de 5%-verhoging bij te lage voorschotvaststelling
(deze geschillen zullen overigens na invoering van de Walvis
en dit wetsvoorstel niet meer voorkomen;
voorshands wordt er evenwel van rblz.|40|
uitgegaan dat er alsdan een gelijk aantal procedures zal worden
gegenereerd in verband met verzuimboetes wegens het niet, niet tijdig,
onvolledig of onjuist doen van de aangifte), 5% op procedures inzake
ketenaansprakelijkheid, 40% op premieberekeningen en het loon ingevolge
de sociale verzekeringen, 20% op de verzekeringsplicht en 15% overig
(procedures inzake rente en invorderingskwesties). Gelet op de aard van
deze procedures kan met name synergie worden verwacht bij de procedures
waarbij geschillen omtrent ketenaansprakelijkheid, het loonbegrip en het
verzekerd zijn (met name waar het gaat om het begrip dienstbetrekking en
werknemer), rente en invordering aan de orde zijn. Naar schatting zal
hierdoor het totaal aantal beroepszaken afnemen met ongeveer 25% van het
huidige aantal beroepszaken in de sfeer van de werknemersverzekeringen
(500 à 600 zaken).
Naar verwachting kunnen extra lasten (voor het totaal van de organisatie
van de rechterlijke macht) die gepaard gaan met de beperkte toename van
het aantal beroepszaken bij de rechtbank de
overheveling van werkzaamheden van de
CRvB naar de gerechtshoven
en de toename van het aantal cassatiezaken worden weggestreept tegen de
besparingen die optreden als gevolg van synergie-effecten. Wel zal
sprake zijn van enige eenmalige reorganisatiekosten. Deze worden binnen
de bestaande budgetten opgevangen.
3.6.
Controle, administratieve en informatieverplichtingen
Onder deze
verplichtingen worden verstaan de verplichtingen ten dienste van de
heffing en inning. Het betreft vooral de informatieverplichtingen voor
de werkgever/inhoudingsplichtige en werknemer aan elkaar dan wel de belastingdienst
en de administratieve verplichtingen voor de werkgever/inhoudingsplichtige.
De verplichtingen met betrekking tot de
aangifte en de afdracht alsmede de verplichtingen in het kader van de
gegevensverstrekking aan (semi-)overheidsorganen worden behandeld in
paragraaf 3.2 en hoofdstuk
4.
De
administratieve en informatieverplichtingen zoals die nu gelden voor de
loonbelasting worden overeenkomstig van toepassing op de premies voor de
werknemersverzekeringen. Hiermee wordt een vereenvoudiging en
stroomlijning van deze verplichtingen bereikt. De overeenkomsten zijn zo
groot dat de voor de loonbelasting geldende verplichtingen zonder meer
van overeenkomstige toepassing kunnen worden verklaard.
Daarmee komen de bestaande overeenkomstige
bepalingen in de werknemersverzekeringregelgeving te vervallen.
Jaaroverzichten
Aangezien maandelijks of vierwekelijks de nominatieve gegevens
beschikbaar komen, kunnen de verplichtingen tot het verstrekken van de
loonbelastingkaart en de jaarloonopgave vervallen. Door middel van de
loonbelastingkaart verstrekt de inhoudingsplichtige nominatieve gegevens
die voor de belastingheffing en de premieheffing volksverzekeringen van
belang kunnen zijn (waaronder het in een kalenderjaar genoten loon en de
ingehouden belasting). De werkgever verstrekt via de jaarloonopgave de
nominatieve gegevens die voor de premieheffing werknemersverzekeringen
van belang kunnen zijn. In verband met mogelijke aanloopproblemen
waardoor de kwaliteit van de in de polisadministratie opgenomen
nominatieve gegevens in het begin nog niet voldoende is, komen deze
verplichtingen wellicht pas na een overgangsperiode (van maximaal twee
jaar) te vervallen (zie ook artikel 4.3
[50] van de Invoeringswet
Wfsv). Dit zal voor de werkgever/inhoudingsplichtige slechts een in
de tijd beperkte extra last betekenen, namelijk het separaat verstrekken
van de rblz.|41|
reeds op aangifte verstrekte nominatieve gegevens ten behoeve van de belastingdienst.
Eventuele aanloopproblemen zullen hierdoor geen nadelige invloed hebben
op de werkzaamheden van de belastingdienst, terwijl een zo spoedig
mogelijke overheveling van de uitvoering van de heffing en inning van de
premies voor de werknemersverzekeringen naar de belastingdienst niet
wordt opgehouden.
De verplichting voor de inhoudingsplichtige om
de werknemer een opgave te verstrekken van het in het kalenderjaar
genoten loon, de ingehouden belasting en van andere gegevens welke van
belang kunnen zijn voor de heffing van de inkomstenbelasting - door
middel van de zogenoemde jaaropgave - blijft bestaan, omdat de werknemer
deze informatie nodig kan hebben voor zijn aangifte inkomstenbelasting
en hij deze informatie niet langs andere weg verkrijgt.
Enkele noemenswaardige wijzigingen
De
keuze voor de fiscaliteit leidt tot de volgende noemenswaardige
wijzigingen voor de werknemersverzekeringen.
In
de
socialeverzekeringsregelgeving zijn (ex-)werknemers verplicht
informatie te verstrekken over de (ex-)werkgever, in de fiscaliteit
niet. Deze verplichting is niet overgenomen, omdat naar verwachting het
ontbreken van een dergelijke verplichting een goede uitvoering van de
premieheffing en -inning door de
belastingdienst niet in de weg zal staan.
In de Awr
en Iw 1990
is bepaald dat degene die op grond van de Awr verplicht is een
administratie te voeren ook verplicht is informatie te verschaffen die
voor de belastingheffing of -inning van derden van belang kan zijn.
Gelet op het belang van deze regeling voor een goede uitoefening van de
taken door de inspecteur en ontvanger, en gelet op de samenhang tussen
de heffing en inning van loonbelasting en premies
werknemersverzekeringen, is ervoor gekozen deze regeling ook te laten
gelden voor de heffing en inning van de premies werknemersverzekeringen.
De
verplichting voor degene die een gebouw of grond in gebruik heeft om
toegang te verlenen aan de inspecteur is in de Awr
ruimer geformuleerd dan de verplichting opgenomen in de Wet
SUWI.
Op grond van de Wet SUWI hebben alleen opsporingsambtenaren in het kader
van een opsporingsonderzoek recht tot toegang voor zover noodzakelijk
ter vervulling van hun taak. De Awr biedt ook aan controleambtenaren in
het kader van een boekenonderzoek recht tot toegang. Toepassing van de
bevoegdheid uit de Awr is slechts mogelijk binnen de kaders die de
Algemene wet
op het binnentreden daarvoor geeft. Hierdoor is het gebruik van
deze bevoegdheid met voldoende waarborgen omkleed en kan deze
bevoegdheid ook gebruikt worden in het kader van heffing en inning van
de premies voor de werknemersverzekeringen.
De
Awr
kent voor administratieve gegevens een bewaartermijn van zeven jaar. Dit
is langer dan de vijfjaarstermijn die in de Wet SUWI
was opgenomen en komt overeen met de bewaartermijn die in het civiele
recht wordt gehanteerd. Het overeenkomstig toepassen van de fiscale
bewaartermijn zal in de praktijk naar verwachting nauwelijks een
verzwaring betekenen, omdat in het oude Loonadministratiebesluit
reeds zoveel mogelijk aansluiting was gezocht bij de
loonbelastingverplichtingen en in de praktijk in de meeste gevallen
administraties reeds zeven jaar moeten worden bewaard.
Indien de in te houden loonbelasting mede afhankelijk is van het loon
dat verstrekt is of geacht wordt te zijn verstrekt door een derde, is
die derde - op grond van artikel 94 Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001 - verplicht de voor de loonbelasting van belang zijnde gegevens te
verstrekken aan de werkgever/inhoudingsplichtige. rblz.|42|
Deze bepaling is ook op de premieheffing werknemersverzekeringen van
toepassing, bijvoorbeeld in de gevallen waarop het huidige achtste lid
van artikel 9 CSV
ziet.
De bepalingen ter zake van vertegenwoordiging
zijn in de Awr
ruimer geformuleerd dan in de socialezekerheidsregelgeving.
Zo kan een belastingplichtige die zich doet vertegenwoordigen voor het
onderhoud met de inspecteur verplicht worden zijn vertegenwoordiger
daarbij te vergezellen. Daarnaast voorziet de Awr in de mogelijkheid een
vertegenwoordiger uit te sluiten indien een juiste belastingheffing met
een persoonlijk handelen van degene op wie een verplichting rust, wordt
gediend. Gelet op het belang van deze bepalingen voor een goede
uitoefening van de taken door de inspecteur ligt het in de rede deze
bepalingen ook van overeenkomstige toepassing te laten zijn voor de
premieheffing.
De
bepaling dat niemand zich, voor zover het de eigen belastingplicht of de
eigen verplichting tot inhouding betreft, met vrucht kan beroepen op een
al dan niet wettelijke geheimhoudingsplicht gaat ook gelden voor de
premieheffing en -inning werknemersverzekeringen. Gelet op de vergaande
geheimhoudingsplicht voor ambtenaren opgenomen in artikel 67 van de Awr
en artikel 67 van de Iw
1990 is dit ook niet bezwaarlijk.
3.7.
Sancties
Voor werkgevers en
werknemers gelden ingevolge de CSV voor de
premieheffing en -inning van de werknemersverzekeringen een aantal
verplichtingen, zoals het tijdig doen van een juiste en volledige
loonopgave, het verstrekken van informatie en het voeren van een
administratie. Voor het niet of niet geheel voldoen aan deze
verplichtingen kan een bestuurlijke boete (verzuimboete of
vergrijpboete) worden opgelegd of kan strafrechtelijke vervolging worden
ingesteld. Of tot strafvervolging wordt overgegaan, wordt beoordeeld aan
de hand van de Richtlijn premiefraude werkgevers inzake fraudegevallen
premies werknemersverzekeringen. Thans kan in de sfeer van de
werknemersverzekeringen een sanctie volgen op: a. het niet of niet
tijdig indienen van de (jaar)loonopgave, b. overtreding van de 5%
regeling, c. het niet of niet tijdig indienen van de tussentijdse opgave
en d. het doen van een inhoudelijk niet juiste en/of niet volledige
loonopgave.
De
keuze voor het van overeenkomstige toepassing verklaren van het fiscale
regime op de premieheffing en -inning werknemersverzekeringen en de
daaruit voortvloeiende fiscale sancties leidt ertoe dat alleen nog voor
het niet en het niet tijdig doen van de aangifte bestuurlijke boeten
kunnen worden opgelegd. De overtreding van de 5%-regeling en het niet of
niet tijdig indienen van de tussentijdse opgave kunnen zich in het
nieuwe systeem niet meer voordoen. Teneinde de sanctie op de onder d
bedoelde gedraging te handhaven, wordt in
paragraaf 3.7.1.1 een nieuwe verzuimboete
geïntroduceerd in de Awr.
Daarnaast leidt toepassing van het fiscale regime ertoe dat het niet,
het gedeeltelijk niet en het niet tijdig betalen van premies
werknemersverzekeringen beboet kan gaan worden.
De
keuze tussen het opleggen van een bestuurlijke boete of strafrechtelijke
vervolging ingevolge de
Awr
wordt aan de hand van in de ATV-richtlijnen opgenomen criteria gemaakt.
Deze richtlijnen komen tot stand in onderling overleg tussen de belastingdienst
en het OM. De ATV-richtlijnen dienen ertoe eenheid te brengen in de
wijze van afdoen van zaken. De richtlijnen bevatten beleidsregels die
moeten waarborgen dat alleen de ernstige gevallen waar het strafrecht
moet worden ingezet daadwerkelijk in een opsporingsonderzoek worden
betrokken. De ATV-richtlijnen hebben een vergelijkbare strekking als de
Richtlijn premiefraude rblz.|43|
werkgevers inzake fraudegevallen premies werknemersverzekeringen.
3.7.1. Bestuurlijke
sancties
De
Awr
maakt, evenals de
CSV, onderscheid tussen ernstige en minder
ernstige tekortkomingen. Voor de minder ernstige tekortkomingen kan een
verzuimboete worden opgelegd, zodra geconstateerd wordt dat bepaalde
wettelijke verplichtingen niet zijn nagekomen. Verzuimboeten kunnen
worden opgelegd als de betrokkene geen opzet of (grove) schuld kan
worden verweten. Alleen als afwezigheid van alle schuld aannemelijk kan
worden gemaakt, mag deze boete niet worden opgelegd. Als sprake is van
een meer ernstige tekortkoming, kan een zogenoemde vergrijpboete worden
opgelegd. De werkgever/inhoudingsplichtige moet in dat geval verweten
kunnen worden dat hij als gevolg van opzet of grove schuld zijn
betalingsverplichtingen niet juist is nagekomen. De vergrijpboete kan
oplopen tot maximaal 100% van de nageheven belasting. De grondslag van
de boete wordt gevormd door het bedrag aan belasting dat, als gevolg van
de opzet of de grove schuld, niet of niet tijdig is betaald.
3.7.1.1. Verzuimboete
Ingevolge de
Awr
(en het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB)) gelden
bij verzuimen wegens het niet of niet tijdig doen van de aangifte vaste
boetebedragen van €|0,- bij een eerste
verzuim, €|56,- bij een tweede verzuim en
€|113,- bij een derde of volgend verzuim.
De Awr kent geen sanctie voor het onjuist/onvolledig indienen van de
aangifte loonbelasting.
In
de sfeer van de premies werknemersverzekeringen bedraagt de maximale
boete voor het niet doen van de loonopgave €|1361,-
(eerste verzuim), €|2269,- (tweede
verzuim) en €|4538,- (derde en volgend
verzuim). Voor het niet tijdig doen van de loonopgave bedragen de boetes
€|454,- (eerste verzuim), €|1361,-
(tweede verzuim) en €|4538,- (derde en
volgend verzuim). De boetes worden berekend over de alsnog verschuldigde
premies werknemersverzekeringen. Het volgen van het fiscale regime leidt
op dit punt derhalve tot het opleggen van lagere boeten dan ingevolge de CSV
in de sfeer van de premies werknemersverzekeringen thans mogelijk is.
Daarnaast kunnen ingevolge de Awr
verzuimboetes worden opgelegd voor het niet, gedeeltelijk niet dan wel
niet tijdig betalen van de loonbelasting.
Indien er een juiste aangifte is ingediend,
kunnen zich twee mogelijkheden voordoen.
In het eerste geval gaat het om het niet dan
wel het gedeeltelijk niet betalen van de loonbelasting. In dat geval kan
er een boete worden opgelegd met een maximum van respectievelijk €|1134,-
(eerste verzuim), €|2268,- (tweede
verzuim) en van €|4538 (derde en volgend
verzuim).
In het tweede geval wordt weliswaar het juiste
bedrag betaald, maar niet op tijd. Alsdan wordt er bij een eerste
verzuim geen boete opgelegd, bij een tweede verzuim een boete van 1% met
een maximum van €|1134,- en bij een derde
en volgende verzuim een boete van 5% met een maximum van €|2268,-.
Indien het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet
tijdig betalen van de loonbelasting verband houdt met een onjuiste
aangifte, geldt een verzuimboete van 10% met een maximum van €|4538,-.
De
termijn waarbinnen een verzuimboete moet worden opgelegd, is afhankelijk
van de aard van de tekortkoming. Indien sprake is van het niet rblz.|44|
dan wel niet tijdig doen van een aangifte, vervalt de bevoegdheid tot
het opleggen van een verzuimboete na één jaar na het einde van de
termijn waarbinnen de aangifte had moet worden gedaan. In de overige
gevallen vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een verzuimboete na
vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is
ontstaan. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete voor het niet
dan wel niet tijdig doen van een aangifte is beperkt tot één jaar,
omdat de belastingdienst
snel kan constateren of al dan niet of niet tijdig aangifte is gedaan.
Het constateren van onjuistheden vergt veelal meer tijd, reden waarom de
termijn in die situatie is gesteld op vijf jaren.
De
inspecteur heeft ingevolge de Awr
een zekere beleidsvrijheid bij het al dan niet opleggen van een
verzuimboete. Deze beleidsvrijheid bestaat eruit dat indien de
individuele omstandigheden dit rechtvaardigen, kan worden afgezien van
het opleggen van een verzuimboete. Dit betreft feitelijk een verschil
met het huidige regime ingevolge de CSV.
3.7.1.2. Nieuwe
sanctie voor het doen van onjuiste aangifte en verhoging bestaande
verzuimboete
Zoals
hiervoor reeds is aangegeven, gelden thans voor het doen van een onjuiste
of onvolledige aangifte loonbelasting geen sancties, terwijl die er wel
zijn in de sfeer van de werknemersverzekeringen. Daarnaast geldt voor de
loonbelasting voor het niet of niet tijdig doen van de aangifte een veel
lagere boete dan thans in de sfeer van de werknemersverzekeringen geldt.
Voor de premies werknemersverzekeringen heeft de overgang naar het fiscale
boeteregime namelijk tot gevolg dat de onjuiste opgave van artikel
10, tweede lid, CSV niet langer
beboetbaar zou zijn en de maximumboete voor het niet of niet tijdig doen
van deze opgave verlaagd zou worden van €|454,-
(eerste verzuim) tot €|4500,- (derde
verzuim) naar een boete van maximaal €|113,-.
Gelet op het toenemende belang van een tijdige én juiste aangifte na
invoering van de nieuwe aangiftesystematiek en in het belang van een
kwalitatief goede en actuele polisadministratie worden deze gevolgen niet
wenselijk geacht. Reden waarom in artikel 67b Awr
als beboetbare gedraging tevens de onjuiste en de onvolledige aangifte
loonbelasting is opgenomen. Voorts wordt het maximumbedrag van de in
artikel 67b Awr
opgenomen boete voor de aangifte loonbelasting verhoogd naar het niveau
zoals dit ook geldt voor aanslagbelastingen (artikel 67a Awr),
dat wil zeggen een verhoging van €|113,-
naar €|1134,-. Hoewel het maximum van deze
verzuimboete hiermee op zichzelf beschouwd onder het niveau van de huidige
verzuimboete ingevolge de CSV
voor het niet, niet tijdig of onjuist/onvolledig indienen van de
jaarloonopgave (maximaal €|4500,-) blijft,
kan naast de boete van artikel 67b
Awr,
op grond van artikel 67c Awr
ook een verzuimboete worden opgelegd voor het niet, gedeeltelijk niet of
niet tijdig betalen van ten hoogste €|4537,-,
een boete die de CSV niet kent. Samenvattend leiden de voorgestelde
wijzigingen ertoe dat een cumulatie van de in artikel 67b en 67c
Awr
opgenomen boetes bij een derde en volgend verzuim en zonder
matigingsgronden tot een hogere boete (een verhoging met maximaal €|1134,-)
kan leiden dan thans voor de premies werknemersverzekeringen mogelijk is.
Bedacht moet worden dat op grond van de matigingsregels uit het BBBB de
boete, afhankelijk van onder andere de ernst van de gedraging, lager kan
uitvallen. Bovendien moet worden bedacht dat na invoering van de nieuwe
aangiftesystematiek sprake is van één aangifte in plaats van twee
afzonderlijke aangiften, waardoor een werkgever/inhoudingsplichtige per
tijdvak slechts met één verzuimboete kan worden geconfronteerd.
rblz.|45|
3.7.1.3. Sanctie niet
indienen correctiebericht
Om
werkgevers/inhoudingsplichtigen te bewegen tot de noodzakelijke
medewerking aan het verbeteren van geconstateerde onjuiste gegevens in
de polisadministratie (zie paragraaf 3.2.7) is het
gewenst een sanctie te verbinden aan het niet of niet correct naleven
van de verplichting tot het door middel van één of meer
correctieberichten indienen van de vereiste correcties.
Het niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig
voldoen aan deze verplichting is wat de ernst van de gedraging betreft
vergelijkbaar met het niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig doen van
de aangifte zelf. Er is daarom voor gekozen hiervoor in artikel 28b Wet
LB eenzelfde verzuimboete te introduceren als is opgenomen in
artikel 67b, tweede lid (nieuw), Awr,
van ten hoogste €|1134,-. Voor wat
betreft de termijn waarbinnen deze verzuimboete moet worden opgelegd,
wordt onderscheid gemaakt tussen het geval dat de inspecteur de
onjuistheid heeft geconstateerd en het geval dat de werkgever/inhoudingsplichtige
zelf de onjuistheid heeft geconstateerd. In het eerste geval kan zeer
snel worden geconstateerd of een werkgever/inhoudingsplichtige niet
tijdig is met zijn correctiebericht. Tegen deze achtergrond is het
redelijk de bevoegdheid om de hier bedoelde verzuimboete van artikel 28b
Wet LB
op te leggen te beperken tot één jaar na het einde van de door de
inspecteur gestelde termijn waarbinnen een correctiebericht had moeten
worden ingezonden. In het geval de werkgever/inhoudingsplichtige zelf de
onjuistheid constateert, en hierop geen actie onderneemt, kan het langer
duren voordat dit door de belastingdienst
wordt opgemerkt. Veelal zal de onjuistheid pas bij een controle aan het
licht komen. In verband hiermee is ervoor gekozen de bevoegdheid tot het
opleggen van de boete te stellen op dezelfde termijn waarover de
werkgever/inhoudingsplichtige verplicht is correctieberichten in te
dienen.
Het
niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig indienen van het
correctiebericht is een andere gedraging dan het niet, niet tijdig,
onjuist of onvolledig doen van de aangifte zelf. Derhalve kunnen beide
gedragingen naast elkaar worden beboet.
Een werkgever/inhoudingsplichtige die zelf
constateert dat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan,
kan onder bepaalde voorwaarden een correctiebericht indienen, zonder
daarbij het risico te lopen een verzuimboete te krijgen voor de onjuiste
of onvolledige aangifte. In verband hiermee is in artikel 28b,
vierde lid, van de Wet
LB de bepaling opgenomen dat een werkgever/inhoudingsplichtige die
de onjuist of onvolledig ingediende aangifte vrijwillig verbetert of
aanvult geen verzuimboete krijgt opgelegd voor de indertijd onjuist of
onvolledig ingediende aangifte. Er is sprake van een vrijwillige
verbetering (inkeer) indien een werkgever/inhoudingsplichtige een
correctiebericht indient vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet
vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid van de
aangifte bekend is of bekend zal worden.
Er is voor gekozen in geval van inkeer de
verzuimboete voor de onjuiste of onvolledige aangifte geheel te laten
vervallen, omdat het belang van een juiste vulling van de
polisadministratie meebrengt dat er zo min mogelijk belemmeringen zijn
om op eigen initiatief een correctiebericht in te sturen. Opgemerkt
wordt dat als een onjuiste of onvolledige aangifte gepaard gaat met een
niet (tijdige) betaling op grond van artikel 67c van de Awr,
zelfstandig een verzuimboete voor niet (tijdige) betaling kan worden
opgelegd.
Vergelijking van de situatie waarin een werkgever/inhoudingsplichtige
thans zijn aangifte loonheffing en de loonopgave voor de premies
werknemersverzekeringen te laat en onjuist indient (waardoor er zowel
een rblz.|46|
belasting- als een premienadeel optreedt) met de situatie waarin straks
de nieuwe gecombineerde aangifte te laat en onjuist wordt ingediend (met
bijbehorend betaalverzuim), gevolgd door een te laat en onjuist
ingediend correctiebericht, laat zien dat het maximum van de op te
leggen boetes in het nieuwe systeem op hetzelfde niveau ligt als thans.
Het nieuwe systeem betekent wel een duidelijke
verschuiving van het beboeten van betaalverzuimen naar het beboeten van
informatieverzuimen.
Aangezien thans in de praktijk in veel gevallen
de verzuimboete wegens betaalverzuim onder het maximum ligt (omdat het
belasting- en premienadeel relatief gering is), zal het nieuwe
boeteregime er wel toe kunnen leiden dat een belanghebbende per saldo
met een hogere boete wordt geconfronteerd. Dit komt echter alleen dan
voor indien een werkgever/inhoudingsplichtige zowel ten aanzien van de
in te dienen aangifte áls het te betalen bedrag áls een eventueel in
te dienen correctiebericht in verzuim is.
De
mogelijkheid van het opleggen van een boete voor onjuiste
correctieberichten, in combinatie met de overige sancties die de
inspecteur kan hanteren, de matigingsregels uit het BBBB en de
inkeerregeling zorgen ervoor dat in elke situatie een adequate sanctie
kan worden opgelegd.
3.7.1.4. Vergrijpboete
De
CSV kent momenteel de mogelijkheid van het
opleggen van een vergrijpboete indien het aan opzet of grove schuld te
wijten is dat onjuiste loonopgave is gedaan. De boete wordt berekend
over het alsnog verschuldigde premiebedrag. Deze bepaling leidt tot
hetzelfde resultaat als de regeling in artikel 67f
Awr,
met dien verstande dat in artikel 67f aangeknoopt wordt bij de
onjuiste betaling, en niet bij de onjuiste aangifte.
Voor wat betreft de hoogte van de vergrijpboete
wegens opzet of grove schuld hanteert het
Besluit toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale
Verzekering 2002 thans als uitgangspunt een boetepercentage van 25%
bij een eerste overtreding en 37,5% bij een tweede en volgende
overtreding. Indien er sprake is van fraude, wordt een boete opgelegd
van 50%. In geval van ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude
kan een boete worden opgelegd van 100%.
Op grond van de Awr
wordt in geval van grove schuld een boete van 25% opgelegd en bij opzet
50%. Indien sprake is van strafverzwarende omstandigheden zoals ernstige
en omvangrijke fraude, kan de boete verhoogd worden tot 100%.
Het
kabinet is van oordeel dat de gevolgen van de overgang naar het fiscale
boeteregime ook waar het de hoogte van de vergrijpboeten betreft beperkt
blijven.
Met
betrekking tot de termijn waarbinnen een boete moet worden opgelegd,
betekent de keuze voor het fiscale regime een kleine wijziging. Op grond
van de Awr
moet een vergrijpboete worden opgelegd binnen vijf jaar na het einde van
het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. Deze termijn kan
verlengd worden met zes maanden indien de feiten en omstandigheden op
grond waarvan wordt nageheven eerst bekend worden binnen zes maanden
vóór de afloop van bedoelde vijfjaarstermijn. De CSV
kent deze verlenging momenteel niet.
Daarnaast is in het BBBB opgenomen dat een
boete moet worden opgelegd binnen een redelijke termijn als bedoeld in
artikel 6 EVRM [Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden, red.]. Deze termijn zal in de
praktijk doorgaans korter zijn dan de eenjaarstermijn, bedoeld in artikel
12d, eerste lid, CSV.
rblz.|47|
Ter zake van het opleggen van bestuurlijke boeten gelden een aantal
waarborgen voor belanghebbenden, zoals het zwijgrecht en de plicht
belanghebbende tijdig en in een begrijpelijke taal in kennis te stellen
van het voornemen een boete op te leggen. In de CSV
zijn deze waarborgen op een vergelijkbare wijze geregeld als in het BBBB.
De keuze voor het fiscale systeem leidt dan ook niet tot een verandering
in de rechtsbescherming van belanghebbenden.
3.7.2. Strafrechtelijke
sancties
Ook
de strafbepalingen uit de artikelen 68 en 69 Awr
alsmede de artikelen 64 en 65 Iw
1990 gaan voor de heffing en inning van premies
werknemersverzekeringen gelden. Dit betekent onder andere dat het niet
voldoen aan de aangifte-, de informatie- en administratieve
verplichtingen strafbaar zijn. Hieronder valt mede de
identificatieverplichting van de werkgever en werknemer.
In de meeste gevallen leidt de overeenkomstige
toepassing van de Awr
tot een verhoging van de gestelde maximumstraffen voor tekortkomingen in
de verplichtingen ter zake van de heffing en inning van de premies
werknemersverzekeringen.
Tevens vindt, in geval van gebruik van valse
stukken, op deze manier harmonisering plaats met de maximumstraffen die
gelden voor het commune delict valsheid in geschrifte (artikel 225 Wetboek
van Strafrecht). Gelet op het toenemende belang van juiste
informatieverstrekking ligt aansluiting bij de bestaande fiscale
strafmaxima ook voor de hand.
Voor overtredingen wordt de maximumstraf verhoogd van één maand
hechtenis of een geldboete van de tweede categorie (€|2250,-)
naar zes maanden hechtenis of een geldboete van de derde categorie (€|4500,-).
Voor misdrijven wordt de maximumgevangenisstraf
verhoogd van twee jaar naar vier jaar en in geval van gebruik van vals
opgemaakte stukken tot zes jaar. De maximale boete voor misdrijven
blijft een geldboete van de vierde categorie (€|11
250,-), tenzij er sprake is van het gebruik van vals opgemaakte stukken.
In dat geval geldt de vijfde categorie als maximale boete (€|45
000,-). Indien het bedrag aan te weinig geheven belasting hoger ligt dan
het maximum van de vierde respectievelijk vijfde categorie, dan geldt de
te weinig geheven belasting als maximum.
Overigens zal in de praktijk de verhoging van
de maximumstraf voor overtredingen op dit moment zelden gevolgen hebben,
omdat op grond van de thans geldende ATV-richtlijnen overtredingen in
beginsel niet strafrechtelijk vervolgd worden.
Met
betrekking tot enkele overtredingen van de
werknemersverzekeringsbepalingen zal de overgang naar het fiscale
strafrechtelijke stelstel leiden tot lagere maximumstraffen, in die zin
dat op de overeenkomstige fiscale overtredingen geen hechtenis gesteld
is. Ook hiervoor geldt dat, gelet op het feit dat op grond van de
geldende ATV-richtlijnen overtredingen in beginsel niet strafrechtelijk
vervolgd worden, deze verschillen voor de praktijk op dit moment geen
gevolgen zullen hebben.
Indien de ATV-richtlijnen in de toekomst op deze onderdelen gewijzigd
zouden worden, kunnen de thans doorgevoerde wijzigingen van de
maximumstraffen voor overtredingen van de socialeverzekeringsregelgeving
eventueel wel een praktisch belang krijgen.
Het
onderscheid tussen overtreding en misdrijf is onder meer van belang voor
de verjaringstermijn, de strafbaarheid van poging en de strafbaarheid
van medeplichtigheid.
In de Awr
en de Iw 1990
is de indeling gebaseerd op de straf die op het delict is gesteld. In de socialeverzekeringsregelgeving
is per delict aangegeven rblz.|48|
of het een overtreding dan wel een misdrijf is. Hoewel de fiscale
systematiek een andere is, leidt toepassing ervan niet tot wijzigingen
in de categorisering van deze delicten.
De inkeerbepaling
In
de
wetgeving voor de
werknemersverzekeringen ontbreken inkeerbepalingen ten aanzien van
strafvervolging zoals in artikel 69, derde lid,
Awr
en artikel 65, derde lid, Iw
1990 zijn opgenomen. Op grond van deze inkeerbepalingen kan een
inhoudingsplichtige, voordat hij weet dat de inspecteur of ontvanger op
de hoogte is van een strafbaar feit, alsnog zijn verplichtingen volledig
en juist nakomen zonder het risico te lopen dat een strafrechtelijke
vervolging wordt ingesteld. Overgang naar het fiscale stelsel leidt
ertoe dat deze inkeerbepalingen ook voor strafbare gedragingen ter zake
van de werknemersverzekeringen gaan gelden. Deze keuze ligt voor de
hand, omdat betrokkene er niet van moet worden weerhouden alsnog aan
zijn verplichtingen te voldoen vanwege de consequentie dat hij toch
strafrechtelijk vervolgd zal worden. Ten aanzien van vergrijpboetes
geldt dat thans zowel de werknemersverzekeringen als de fiscale
wetgevingen een inkeerbepaling kennen.
Internationaal
Op
grond van artikel 73
Awr
en 66 Iw 1990
is de Nederlandse strafwet ook van toepassing op ieder die zich buiten
het Rijk schuldig maakt aan enig in de belastingwet omschreven misdrijf.
Overeenkomstige toepassing van het fiscale regime op de premieheffing
werknemersverzekeringen heeft tot gevolg dat in het buitenland gepleegde
misdrijven in de sfeer van de premieheffing werknemersverzekeringen in
beginsel vervolgd kunnen worden.
3.7.3. Una via
Zowel in de CSV als in de Awr
is bepaald dat geen boete wordt opgelegd indien ter zake van dat feit
tegen belanghebbende een strafvervolging is ingesteld. Artikel 69a
Awr
bepaalt daarnaast dat geen strafvervolging kan worden ingesteld tegen
een belanghebbende aan wie ter zake van hetzelfde feit reeds een
vergrijpboete is opgelegd. Dit is het zogenoemde una-viabeginsel. Beide
regelingen hebben dezelfde strekking, namelijk het voorkomen dat iemand
voor hetzelfde feit tweemaal - zowel strafrechtelijk als door middel van
een bestuurlijke boete - wordt bestraft.
3.7.4. Toekomstige
situatie opsporing
Consequentie van de samenvoeging van de collecterende processen is dat
de vervolgingsrichtlijnen in het domein van de loonheffing en de
premieheffing werknemersverzekeringen moeten worden geharmoniseerd.
Wat
betreft de organisatorische inbedding van de opsporing wordt vooralsnog
uitgegaan van de huidige taakverdeling tussen FIOD-ECD en SIOD. Het is
immers van groter belang eerst de toezichts- en opsporingsorganisatie
vorm te geven. Voor een meer definitieve taakverdeling op de wat langere
termijn wordt onderzocht welke maatregelen wenselijk zijn, rekening
houdend met het combineren van de heffing en inning van loonbelasting en
premies werknemersverzekeringen, om de efficiency en effectiviteit van
de opsporing te bevorderen.
rblz.|49|
Keuze voor het fiscale regime zal tot gevolg hebben dat de bevoegdheid
om te transigeren komt te liggen bij de belastingdienst
bij een daartoe gemandateerd persoon in casu de contactambtenaar.
3.8.
Invordering
De invordering van
de premies voor de werknemersverzekeringen gaat geschieden
overeenkomstig de voor de invordering van de loonbelasting geldende
regels. De ontvanger die belast is met de invordering van de
rijksbelastingen en de premie voor de volksverzekeringen wordt tevens
belast met het invorderen van de premies voor de
werknemersverzekeringen. Indien een werkgever/inhoudingsplichtige de
loonbelasting of premies niet binnen de daarvoor gestelde termijn
voldoet, volgt in de regel een naheffingsaanslag. De werkgever/inhoudingsplichtige
wordt een termijn gesteld waarbinnen hij deze aanslag dient te betalen.
Als de werkgever/inhoudingsplichtige in gebreke blijft, maant de
ontvanger hem schriftelijk aan om binnen een daarvoor gestelde termijn
alsnog aan zijn betalingsverplichting(en) te voldoen. Blijft de
werkgever/inhoudingsplichtige ook na de aanmaning in gebreke, dan kan de
invordering van de belastingaanslag geschieden bij een door de ontvanger
uit te vaardigen dwangbevel. Dit dwangbevel strekt zich uit tot het
gezamenlijke bedrag van de loonbelasting, de bij wege van inhouding
geheven premie voor de volksverzekeringen, de premies voor de
werknemersverzekeringen en daarmee verband houdende bedragen
(bijvoorbeeld invorderingsrente).
De
gevolgen van het toepassen van de voor de invordering van de
loonbelasting geldende regels voor het invorderen van de premies voor de
werknemersverzekeringen worden hierna kort beschreven.
Toerekening van betalingen
Wat
betreft de wijze van toerekening van betalingen bestaat er geen
aanleiding van de in artikel 7, eerste en tweede lid, Iw
1990 opgenomen regels af te wijken. Deze regels houden in de eerste
plaats in dat een betaling op een vordering die behalve belasting- en
premieschuld ook daarmee verband houdende bedragen bevat, door de
ontvanger achtereenvolgens wordt toegerekend aan de kosten, de
betalingskorting, de invorderingsrente en de belastingaanslag (artikel
7, eerste lid, Iw
1990).
Voorts schrijft de Iw
1990 voor hoe de toerekening van betalingen dient te geschieden
indien de belastingaanslag uit meerdere onderdelen bestaat. Hoofdregel
is dat in een dergelijke situatie de betaling naar evenredigheid aan de
verschillende onderdelen van die aanslag wordt toegerekend. Deze regel
lijdt echter uitzondering indien in de belastingaanslag naast belasting
tevens premie voor de volksverzekeringen is begrepen. In dat geval wordt
de betaling in de eerste plaats toegerekend aan de belasting en
vervolgens aan de premie voor de volksverzekeringen. De achtergrond
hiervan is gelegen in de regeling inzake schuldige nalatigheid indien de
premie voor de volksverzekeringen niet (volledig) is betaald (artikel 4.3.1
[61] Wfsv).
Voor de premies voor de werknemersverzekeringen
geldt de regeling inzake schuldige nalatigheid niet. De hoogte van een WW-, ZW-
of
WAO-uitkering is - anders dan bij de AOW-uitkering
(de uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet) - niet afhankelijk van
het betaald hebben of betaald zijn van premies voor de
werknemersverzekeringen. Er bestaat wat betreft de premies voor de
werknemersverzekeringen derhalve geen aanleiding om van de in artikel 7,
tweede lid, Iw
1990 opgenomen regel dat een betaling in evenredigheid aan de
verschillende in de belastingaanslag begrepen onderdelen wordt
toegerekend af te wijken.
rblz.|50|
De in
artikel 15, negende lid, CSV opgenomen
regels over de toerekening van betalingen komen te vervallen.
Dwanginvordering
De
wijzigingen die als gevolg van dit wetsvoorstel
op het terrein van de dwanginvordering optreden, hebben betrekking op de
werkzaamheden die aan de betekening van een dwangbevel voorafgaan (het
verzenden van de aanmaning, het in rekening brengen van aanmaningskosten
en de uitvaardiging van het dwangbevel) en op de uitbreiding van de
bevoegdheden van de ontvanger als gevolg waarvan hij de premies voor de
werknemersverzekeringen versneld kan invorderen (artikel 10 Iw
1990) en versneld kan executeren (artikel 15
Iw 1990). UWV
beschikt niet over de bevoegdheid tot versneld invorderen of versneld
executeren.
Voor het overige wijzigt het proces van
dwanginvordering van de premies voor de werknemersverzekeringen niet. De
reden hiervoor is dat de ontvanger in veel gevallen reeds is belast met
de betekening en de tenuitvoerlegging van de door UWV uitgevaardigde
dwangbevelen.
Uitbreiding van de bevoegdheden van de ontvanger zodat hij ook ter zake
van de premies voor de werknemersverzekeringen versneld kan invorderen
en versneld kan executeren, is met het oog op een doelmatige invordering
van belasting en premies gewenst. In de huidige invorderingspraktijk
blijkt namelijk dat het onbetaald laten van premies dikwijls gepaard
gaat met het onbetaald laten van de belasting. Als gevolg hiervan moet
de belastingdeurwaarder regelmatig dezelfde handelingen verrichten zowel
in verband met de betekening en tenuitvoerlegging van het door UWV
uitgevaardigde dwangbevel als in verband met de betekening en
tenuitvoerlegging van het dwangbevel van de belastingdienst.
In de nieuwe situatie worden belasting, premie voor de
volksverzekeringen - voor zover deze bij wege van inhouding worden
geheven - en premies voor de werknemersverzekeringen via één
naheffingsaanslag geheven. De onbetaald gebleven naheffingsaanslag vormt
als uitvloeisel hiervan de enige titel voor dwanginvordering. De
aanmaning en het dwangbevel in verband met deze naheffingsaanslag hebben
betrekking op de gehele in de naheffingsaanslag begrepen belasting- en
premieschuld. Daarnaast zullen de door de ontvanger op grond van de Kostenwet
invordering rijksbelastingen in rekening gebrachte kosten van
vervolging op dit gehele bedrag betrekking hebben. Deze kosten worden
derhalve niet langer voor de loonheffing en premies voor de
werknemersverzekeringen afzonderlijk in rekening gebracht.
Overigens leidt het in één hand brengen van
de fiscale vordering met de premievordering tot onbedoelde gevolgen voor
de invorderingspraktijk. In die praktijk benutten de belastingdienst en
UWV elkaars vorderingen over en weer als steunvordering bij een
faillissementsaanvraag. Dat laatste gebeurt met name wanneer de
individuele verhaalsmiddelen, zoals het executoriale beslag op roerende
zaken, niet voldoende soulaas kunnen bieden.
Doordat beide vorderingen in één hand worden
gebracht, zal in dezelfde omstandigheden niet meer worden voldaan aan de
in het faillissementsrecht geldende pluraliteitseis. Het effect zal
kunnen zijn dat in situaties waarbij de belastingdienst en UWV thans
gezamenlijk het faillissement kunnen aanvragen, de belastingdienst dat
in de toekomst niet meer kan. Indien in de toekomst mocht blijken dat de
inning van belastingen en premies wordt belemmerd door praktijken
waarbij belasting- en premieschuldigen inspelen op deze verandering en
belasting- en premieschulden systematisch onbetaald laten in de
wetenschap dat de belastingdienst daartegen niet kan optreden, zal
worden overwogen of, en zo ja, welke maatregelen kunnen worden
getroffen.
rblz.|51|
Verrekening
Nu
de invordering van de premies werknemersverzekeringen plaatsvindt
overeenkomstig de voor de invordering van de loonbelasting geldende
regels ligt het in de rede om het in de Iw
1990 opgenomen verrekeningsregime (artikel 24 Iw
1990) en de in de Iw 1990 opgenomen bevoegdheid van de ontvanger tot
het leggen van zogenoemd vereenvoudigd derdenbeslag (artikel 19 Iw
1990) van overeenkomstige toepassing te verklaren op de premies
werknemersverzekeringen. Het gevolg hiervan is onder meer dat de
ontvanger eerder tot verrekening van de premies voor de
werknemersverzekeringen kan overgaan. Immers de bevoegdheid tot
verrekening van de ontvanger ontstaat onder het huidige regime eerst
indien en nadat hij is belast met de invordering van de betreffende
premienota (artikel 15, vijfde lid,
CSV). In de nieuwe situatie kan de ontvanger
tot verrekening van de premies voor de werknemersverzekeringen overgaan
zodra de desbetreffende belastingaanslag (naheffingsaanslag) is
geformaliseerd: artikel 24, tweede lid, Iw
1990 spreekt immers van "te innen bedragen". Volgens vast
beleid van de belastingdienst
zal de ontvanger in de regel niet tot verrekening overgaan dan nadat de
betalingstermijn van de belastingaanslag is verstreken.
Invorderingsrente
Bij
overschrijding van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste
betalingstermijn wordt (ook) ter zake van de in die belastingaanslag
begrepen premies voor de werknemersverzekeringen invorderingsrente
(artikel 28 Iw
1990) in rekening gebracht. Hiermee wordt aangesloten bij de voor
belastingen geldende rentesystematiek: bij te late betaling wordt rente
in rekening gebracht; is er tijdig betaald en wordt de belastingaanslag
verminderd of vernietigd, dan wordt rente vergoed. In de nieuwe situatie
wordt derhalve niet alleen in enkele in het
Besluit incasso en
invordering opgesomde situaties invorderingsrente vergoed.
Daarnaast is het voor de premies voor de werknemersverzekeringen
geldende rentepercentage niet langer dat van de wettelijke rente
(artikel 6:120 BW), maar het (thans lagere) voor de heffings- en
invorderingsrente geldende percentage.
Voorrechten en verhaalsrechten
Ingevolge
artikel 16 CSV
zijn vorderingen van
UWV wegens premie en bepaalde daarmee
verband houdende vorderingen bevoorrecht. Dergelijke vorderingen hebben
voorrang op alle andere vorderingen met uitzondering van bepaalde in artikel
16 CSV limitatief opgesomde vorderingen.
Aangezien in artikel 21, eerste lid,
Iw 1990 een
vrijwel gelijkluidend algemeen voorrecht is opgenomen, kan artikel 16 CSV
komen te vervallen.
Het toepassingsbereik van het zogenoemde
bodemvoorrecht (artikel 21, tweede lid, Iw
1990) en van het fiscale bodemrecht (artikel 22, derde lid, Iw
1990) wordt uitgebreid tot de premies werknemersverzekeringen. Onder
het nieuwe regime geschiedt de heffing van de loonbelasting, van de
premie volksverzekeringen - voor zover deze bij wege van inhouding zijn
geheven - en van de premies werknemersverzekeringen in één
belastingaanslag. Indien de werkgever/inhoudingsplichtige ter zake van
deze aanslag ook na aanmaning in gebreke blijft, zal de invordering van
de aanslag geschieden bij één door de ontvanger uit te vaardigen
dwangbevel. Dit dwangbevel kan derhalve zowel betrekking hebben op de
loonbelasting als op genoemde premies. Mede vanuit het oogpunt van een
doelmatige invordering (één aangifte, één aanmaning, één
naheffingsaanslag en één dwangbevel) ligt het in de rede de reikwijdte
van het bodemvoorrecht alsmede van het fiscale bodemrecht uit te breiden
tot de premies voor de werknemersverzekeringen. Indien de reikwijdte van
deze fiscale verhaalsrechten beperkt wordt tot de loonbelasting en
premie volksverzekeringen, rblz.|52|
heeft dit tot gevolg dat voor zover in een naheffingsaanslag premies
werknemersverzekeringen zijn begrepen, niet langer ter zake van de
(gehele) naheffingaanslag het bodem(voor)recht kan worden uitgeoefend,
maar alleen voor het deel - van die naheffingsaanslag - dat ziet op
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. De ontvanger zou in
die situatie gedwongen zijn de naheffingsaanslag in twee delen te
splitsen: één gedeelte ter zake waarvan hij het bodem(voor)recht kan
uitoefenen en één gedeelte waarvoor dit niet mogelijk is.
Het integreren van de heffing en inning van de
premies werknemersverzekeringen met de heffing en inning van de
loonbelasting en de premies volksverzekeringen kan alleen tot de
gewenste schaalvoordelen en financiële besparingen leiden indien de
werkprocessen van de belastingdienst
en de daarmee samenhangende regelgeving op één leest worden geschoeid.
Dit gaat gepaard met een geringe beperking van de verhaalsmogelijkheden
van andere, met name private, schuldeisers. Het uitvoeringsbelang dient
zwaarder te wegen. Van belang daarbij is dat private partijen, anders
dan de belastingdienst, op basis van vrijwilligheid commerciële
transacties zijn aangegaan en van tevoren hebben kunnen overwegen welke
zekerheden zij willen bedingen. Overigens wordt erop gewezen dat in de
Leidraad Invordering 1990 is bepaald dat het eigendomsrecht van een
derde wordt ontzien in de gevallen waarin sprake is van reële eigendom
van de derde.
De voorgestelde uitbreiding van de reikwijdte
van deze fiscale verhaalsrechten tot de premies werknemersverzekeringen
is in lijn met het huidige voor de premie voor de volksverzekeringen
geldende regime: voor zover deze premie bij wege van inhouding wordt
geheven, kan de ontvanger ter zake van de in een naheffingsaanslag
begrepen premie deze verhaalsrechten toepassen.
Uitstel van betaling ingevolge de Iw 1990
De
ontvanger beslist op een verzoek om uitstel van betaling van een
naheffingsaanslag (waarin premies voor de werknemersverzekeringen kunnen
zijn begrepen). Een dergelijk verzoek zal steeds schriftelijk moeten
worden gedaan. Als er bezwaar tegen de naheffingsaanslag is gemaakt,
merkt de belastingdienst
het bezwaar(schrift) tevens aan als (schriftelijk) verzoek om uitstel
van betaling. Anders dan UWV verleent de
ontvanger in beginsel uitstel van betaling totdat de inspecteur op het
bezwaar heeft beslist. De ontvanger kan aan het verlenen van uitstel van
betaling de voorwaarde verbinden dat de belasting- of premieschuldige
zekerheid stelt (bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie).
Een andere wijziging ten opzichte van de
huidige situatie is dat de werkgever uitstel van betaling kan verzoeken
van de in een naheffingsaanslag begrepen premies voor de
werknemersverzekeringen als hij binnen afzienbare tijd een door de
ontvanger uit te betalen bedrag verwacht. Het belastingjaar of
belastingtijdvak waarop de teruggaaf betrekking heeft, moet dan wel zijn
afgelopen en het verzoek om teruggaaf moet zijn ingediend.
Met betrekking tot het verlenen van uitstel van
betaling aan een belastingschuldige die in betalingsmoeilijkheden
verkeert, wijzigt er niets. Conform het beleid van UWV honoreert de
ontvanger in een dergelijke situatie een verzoek om uitstel van betaling
uitsluitend indien de onderneming in kwestie voldoende levensvatbaar is
en er geen andere kredietfaciliteiten meer openstaan. In dat geval kan
een betalingsregeling worden getroffen over een zo kort mogelijke
periode die maximaal één jaar duurt.
Daarnaast is van belang dat de in de Awb
opgenomen bepalingen inzake bezwaar en (administratief) beroep (de hoofdstukken 6
en 7) niet gelden bij de invordering van
rijksbelastingen (artikel 1, tweede lid, Iw
1990). Hierdoor staan de in die wet opgenomen bezwaar- en
beroepsmogelijkheden niet open voor degene die een beslissing van de
ontvanger om (bijvoorbeeld) rblz.|53|
geen uitstel van betaling te verlenen, wil betwisten (deze mogelijkheden
staan thans wel open voor degene die een inhoudelijk vergelijkbare
beschikking van UWV heeft ontvangen). In plaats daarvan heeft de
belasting- of premieschuldige de mogelijkheid administratief beroep in
te stellen bij de ter zake bevoegde directeur van de belastingdienst.
Deze toetst of de ontvanger in redelijkheid tot zijn beslissing heeft
kunnen komen. De belasting- of premieschuldige kan zich in een
dergelijke aangelegenheid ook tot de civiele rechter wenden.
Uitstel van betaling ingevolge de Awr
De
inspecteur is bevoegd uitstel van betaling te verlenen voor de
voldoening of de afdracht van belasting indien tijdig een verzoek om
teruggaaf van belasting is ingediend (artikel 19, tweede lid, onderdeel b, Awr).
Deze bevoegdheid, die nader is uitgewerkt in de Uitvoeringsregeling
Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, heeft alleen betrekking op
loonbelasting of omzetbelasting over een bepaald tijdvak. Dit uitstel
wordt slechts verleend tot het bedrag van de teruggevraagde
omzetbelasting. Omdat onder het in artikel 30 van de Uitvoeringsregeling
Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 opgenomen begrip
"loonbelasting" tevens de premies voor de
werknemersverzekeringen worden verstaan, wordt de reikwijdte van de
bevoegdheid van de inspecteur tot verlenen van uitstel van betaling
uitgebreid tot de te betalen premies voor de werknemersverzekeringen.
Het uitstel dat is verleend op basis van artikel 19, tweede lid,
onderdeel b, Awr
heeft alleen betrekking op de afdracht. De aangifteverplichting loopt op
de reguliere wijze door.
Deze wijze van "verrekening" heeft
geen gevolgen voor de afdracht aan de fondsen. De teruggave
omzetbelasting zal (mede) worden gebruikt voor de afdracht van de
premies voor de werknemersverzekeringen.
Kwijtschelding
Indien aan de daarvoor gestelde voorwaarden wordt voldaan, verleent de
ontvanger geheel of gedeeltelijk kwijtschelding van een belastingaanslag
die een belastingschuldige niet in staat is anders dan met buitengewoon
bezwaar te voldoen (artikel 26 Iw
1990). Voor zover kwijtschelding wordt verleend, gaat de
belastingschuld, zonder dat deze is betaald, teniet. Het kwijtschelden
van een belastingschuld heeft tot gevolg dat het ter zake geldende
vorderingsrecht van de ontvanger tenietgaat. Nadat de ontvanger
kwijtschelding heeft verleend, kan hij de kwijtgescholden belasting niet
meer verrekenen.
Kwijtschelding van premies werknemersverzekeringen is niet in de wet
geregeld. In plaats van kwijtschelding past UWV
de figuur van het buiten invordering stellen toe. Het buiten invordering
stellen van premieschulden is geregeld in het
Besluit incasso en invordering. Indien UWV zijn vordering op de
premieschuldige (gedeeltelijk) buiten invordering stelt, gaat de
betreffende premieschuld niet teniet. UWV zegt de premieschuldige alleen
toe dat tegen hem - veelal gedurende een bepaalde periode - geen
(dwang)invorderingsmaatregelen zullen worden getroffen. Omdat het
vorderingsrecht van UWV op betaling van de premieschuld niet tenietgaat,
kan UWV ook na deze toezegging de premieschuld nog steeds verrekenen. De belastingdienst
kent een met het buiten invordering stellen vergelijkbaar figuur: het
niet verder bemoeilijken.
Voortaan zal de ontvanger ook kwijtschelding kunnen verlenen van de in
een naheffingsaanslag loonbelasting begrepen premies
werknemersverzekeringen.
De
belastingdienst is in de praktijk zeer
terughoudend bij het kwijtschelden van belastingschulden in de zakelijke
sfeer. Op grond van de rblz.|54|
bepalingen van de Iw
1990 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990 (Ur IW) wordt aan een inhoudingsplichtige uitsluitend
kwijtschelding van een naheffingsaanslag verleend in het kader van een
akkoord met alle schuldeisers en wanneer er geen redelijke mogelijkheid
aanwezig is om een derde voor deze belastingschuld aansprakelijk te
stellen. De ontvanger verleent alleen medewerking aan een dergelijk
akkoord indien aan de daarvoor gestelde voorwaarden wordt voldaan
(artikelen 21 en 22 Ur
IW). Indien op een inhoudingsplichtige/natuurlijk
persoon de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (artikel 283 e.v. Faillissementswet)
van toepassing is verklaard, gelden afwijkende (minder stringente)
voorwaarden voor het verlenen van instemming - door de ontvanger - met
een akkoord (artikelen 19a en 22a Ur
IW).
De
belastingschuldige die de beslissing van de ontvanger op een
kwijtscheldingsverzoek wil betwisten, kan voortaan via die ontvanger
beroep instellen bij de directeur van de belastingdienst
(artikel 24 Ur
IW). Daarnaast kan de belastingschuldige zich tot de
burgerlijke rechter wenden.
De
ontvanger is op grond van artikel 53, derde lid, Iw
1990 tevens bevoegd aan de voor een (deel van de) premieschuld
aansprakelijk gestelde derde die niet in staat is anders dan met
buitengewoon bezwaar het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld te
betalen van zijn betalingsverplichting te ontslaan. Indien deze derde
(geheel of gedeeltelijk) van zijn betalingsverplichting wordt ontslagen,
heeft dit niet tot gevolg dat de belasting- of premieschuldige eveneens
van zijn "primaire" betalingsverplichting wordt ontslagen.
Verjaring van het recht tot dwanginvordering
Voor de verjaring van het recht tot dwanginvordering en van het recht
tot verrekening van verschuldigde premies voor de
werknemersverzekeringen wordt voortaan aangesloten bij het bepaalde in
artikel 27 Iw
1990. Dit heeft tot gevolg dat de verjaringstermijn voor het recht
tot dwanginvordering en voor het recht tot verrekening van dergelijke
premieschulden wordt teruggebracht van tien jaar (artikel 13,
tweede lid, CSV) tot vijf jaar (artikel 27,
eerste lid, Iw 1990).
Voorts ontstaat ten aanzien van de premies werknemersverzekeringen de
mogelijkheid tot stuiting van de verjaring alsmede tot schorsing
(verlenging) van de verjaringstermijn (artikel 27, tweede lid,
Iw 1990). Het
derde lid van artikel 13 CSV
dat regelt dat een rechtsvordering tot terugbetaling van onverschuldigd
betaalde premie door verloop van vijf jaar vervalt, komt te vervallen.
Aansprakelijkheid van derden
De
ontvanger beschikt over de mogelijkheid anderen dan de
belastingschuldige aansprakelijk te stellen voor niet-betaalde
belasting. Voor de ontvanger geldt ter zake een "open
systeem": hij kan in beginsel ook via de civielrechtelijke weg
derden aansprakelijk stellen voor belastingschulden (artikel 32, eerste
lid,
Iw 1990). De
aansprakelijkheid van een derde strekt zich in beginsel niet uit tot in
te vorderen bedragen die verband houden met de belasting waarvoor de
aansprakelijkheid geldt. Hierbij kan gedacht worden aan de bestuurlijke
boete of de invorderingsrente. Alleen indien het beloop van dergelijke
bedragen aan de aansprakelijk gestelde kan worden verweten, is deze
hiervoor aansprakelijk (artikel 32, tweede lid, Iw
1990).
De
mogelijkheid om derden aansprakelijk te stellen voor niet-betaalde
premie wordt overgeheveld van UWV naar de
ontvanger. In verband hiermee komen de
artikelen 16a tot en met 16d, 16f,
16g en 16h
CSV te rblz.|55|
vervallen. De in hoofdstuk VI, eerste afdeling, Iw
1990 opgenomen materiële aansprakelijkheidsbepalingen - op grond
waarvan de ontvanger anderen dan de belastingschuldige aansprakelijk kan
stellen voor (bepaalde) belastingschulden - kunnen op een enkele
uitzondering na zonder bezwaar van overeenkomstige toepassing worden
verklaard op de gevallen waarin een derde voor premieschulden
aansprakelijk kan worden gesteld. Bedoelde uitzondering ziet op het
bepaalde in artikel 38, eerste lid, onderdeel a,
Iw 1990. Dit
wordt in de toelichting op artikel 4.2.1 [60]
van dit wetsvoorstel uitgelegd.
De
in de tweede en derde afdeling van hoofdstuk VI van de Iw
1990 opgenomen formele aansprakelijkheidsbepalingen
onderscheidenlijk bijzondere verhaalsregelingen voor de aansprakelijk
gestelde zijn eveneens van overeenkomstige toepassing in die gevallen
waarin de ontvanger een derde aansprakelijk houdt voor niet-betaalde
premie.
De in hoofdstuk V van de Awr
opgenomen regels betreffende bezwaar en beroep zijn voortaan eveneens
van overeenkomstige toepassing in gevallen waarin een derde voor
premieschulden aansprakelijk wordt gehouden. Overigens zal de ontvanger
op grond van de Leidraad Invordering 1990 in de regel binnen zes weken -
met mogelijkheid van verlenging - na ontvangst beslissen op het bezwaar
tegen de aansprakelijkheidsbeschikking. Indien de aansprakelijkheid
vaststaat, kan de invordering van de aansprakelijkheidsschuld geschieden
bij een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. Tegen de
tenuitvoerlegging van dit dwangbevel kan degene die voor belasting- en
premieschuld aansprakelijk wordt gehouden in verzet komen bij de civiele
rechter (artikel 53, derde lid, Iw
1990).
3.9.
Internationale aspecten heffing en invordering
3.9.1. Heffing
Premieplicht werknemersverzekeringen
Het
uitgangspunt dat zo min mogelijk wijzigingen worden aangebracht in de materiewetten van de
werknemersverzekeringen geldt ook voor de premieheffing in
internationale situaties. Zo gaat de huidige premieplicht voor de
werkgever op grond van de materiewetten voor de werknemersverzekeringen
in internationale situaties verder dan de inhoudingsplicht voor de
loonbelasting. Daarin wordt geen wijziging aangebracht bij de
overheveling van de heffingstaak naar de belastingdienst.
Huidige uitvoeringssituatie
UWV
en de ziekenfondsen beoordelen voor de werknemersverzekeringen of in
grensoverschrijdende situaties sprake is of blijft van verzekering in
het Nederlandse stelsel.
Bij de volksverzekeringen AOW,
Anw (Algemene nabestaandenwet) en AKW (Algemene
Kinderbijslagwet) beoordeelt de SVB en bij
de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten) het CVZ en de
zorgverzekeraars ten behoeve van hun distribuerende functie de
verzekeringsplicht, terwijl de belastingdienst
dit doet voor de heffing en inning van de premie volksverzekeringen.
Internationale socialezekerheidsregelingen (EG-verordening 1408/71 en
diverse bilaterale verdragen) hebben onder meer als doel in de diverse
grensoverschrijdende werksituaties te voorkomen dat de
socialezekerheidswetgevingen van verschillende landen tegelijkertijd op
een werknemer van toepassing zijn. Verdragsrechtelijke bepalingen wijzen
daartoe het stelsel van één land als toepasselijke wetgeving aan.
Indien op een werknemer aldus de Nederlandse socialezekerheidswetgeving
van rblz.|56|
toepassing wordt, heeft dit tot gevolg dat deze werknemer in beginsel
zowel voor de werknemers- als de volksverzekeringen verzekerd wordt.
Daarbij blijven de algemeen geldende afbakeningen van de verzekerings-
en/of premieplicht (leeftijds- en/of inkomensgrenzen) ten aanzien van
die werknemer wel gewoon van kracht.
UWV, SVB,
CVZ en belastingdienst
hebben al geruime tijd een gestructureerd overleg in de Commissie
Verzekeringsaangelegenheden (hierna: CVA) ter afstemming van het
juridische beleidskader bij de beoordeling van de verzekeringsplicht. De ministeries van SZW,
VWS en Financiën
zijn bij dit overleg betrokken. In principe ziet deze coördinatie op
alle beoordelingen, maar in de praktijk blijkt het toch vooral om
grensoverschrijdende situaties te gaan.
Indien in individuele gevallen een verschil in
beoordeling van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen
optreedt, wordt tussen SVB en belastingdienst via contactpersonen
overleg gevoerd om tot eenzelfde beoordeling voor de betrokken persoon
te komen. CVZ en belastingdienst wisselen informatie uit over Zfw-verzekerden,
waar nodig op persoonsniveau.
Tussen UWV en belastingdienst wordt
gestructureerd informatie uitgewisseld over het beleid ten aanzien van
de beoordeling van de verzekeringsplicht. UWV en belastingdienst
wisselen verder controlerapporten uit.
In
het kader van internationale socialezekerheidsregelingen worden per land
één of meer bevoegde instanties aangewezen. Deze worden belast met het
afgeven van zogenaamde detacheringsverklaringen. Ook kunnen deze
instanties in het belang van bepaalde personen of groepen personen
bilateraal overeenkomsten sluiten over de toepasselijkheid van een
stelsel waarbij wordt afgeweken van de normale aanwijsregels in de
internationale regelingen. Nederland kent in deze slechts één bevoegde
instantie en dat is de SVB. Door de SVB
afgegeven detacheringsverklaringen of aangegane bijzondere
overeenkomsten zijn bindend voor zowel de werknemers- als de
volksverzekeringen.
Bij specifieke verzekeringen vindt
rechtstreekse informatie-uitwisseling tussen de betrokken
uitvoeringsinstanties plaats, in casu aan Nederlandse kant door het CVZ
voor de
Zfw, door de SVB voor de volksverzekeringen en
door
UWV voor de WW,
ZW en de WAO. Deze
informatie heeft betrekking op de directe uitvoeringstaken van deze
organisaties. Bij het CVZ gaat het daarbij om afrekening van in het
buitenland geleverde zorg of het in rekening brengen van in Nederland
geleverde zorg aan een elders verzekerde. Voor de SVB en UWV betreft het
uitwisseling van gegevens van verzekerde perioden, bijvoorbeeld bij
werkloosheid en vaststelling van verzekerde perioden ten behoeve van WAO
pro-ratasituaties.
Indien de belastingdienst
informatie uit het buitenland nodig heeft ten behoeve van de heffing van
premie volksverzekeringen, dan wordt deze informatie gevraagd door
tussenkomst van de SVB.
Toekomstige uitvoeringssituatie
Ook
in grensoverschrijdende situaties moet geborgd zijn dat de beoordeling
voor de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen en de
volksverzekeringen bij een werknemer door de verschillende
uitvoeringsorganen ook tot dezelfde uitkomst leidt. UWV, CVZ,
SVB en belastingdienst
geven aan de afstemming van het juridische beleidskader hiervan reeds
geruime tijd vorm in het gestructureerd overleg van de CVA. De
coördinatie van de afstemming in de uitvoeringssfeer hoeft daarom geen
wijziging in wet- of regelgeving. Het kan zich beperken tot een kleine
aanpassing van het huidige convenant tussen de betrokken
uitvoeringsorganen enerzijds en de verantwoordelijke ministeries
anderzijds.
rblz.|57|
Wanneer de collecterende functie voor de werknemersverzekeringen aan de belastingdienst
is overgedragen, zal het voor grensoverschrijdende situaties nodig
blijven dat voor de premieheffing informatie in het buitenland kan
worden ingewonnen.
De SVB wint deze
informatie in de huidige situatie al in voor de belastingdienst voor de
premieheffing volksverzekeringen.
Voorgesteld wordt deze taak voor de
premieheffing werknemersverzekeringen ook bij de SVB onder te brengen.
Daarmee kunnen de bestaande internationale afspraken ongewijzigd
blijven.
Verder kan ongewijzigd blijven dat UWV,
het CVZ
en de zorgverzekeraars ten behoeve van hun distribuerende taak
zelfstandig informatie inwinnen bij hun zusterorganisaties in het
buitenland.
3.9.2. Invordering
Algemeen
Als
een in Nederland ontstane belasting- of premieschuld in het binnenland
niet invorderbaar is omdat de schuldenaar of diens opeisbare
vermogensbestanddelen zich in een andere staat bevinden, kan die schuld
alleen (met dwang) worden ingevorderd als in een wet of verdrag is
geregeld dat de bevoegde autoriteit van die andere staat bijstand bij de
invordering zal verlenen. Het zonder tussenkomst van die autoriteiten
aan de bevoegde rechter van de (andere) staat waarin de schuldenaar
verblijft - of diens vermogensbestanddelen zich bevinden - voorleggen
van een belasting- of premievordering is in beginsel niet mogelijk,
omdat internationale civielrechtelijke executieverdragen en de
Verordening (EG) nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de
rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van
beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-verordening) niet van
toepassing zijn bij het invorderen van belasting- en premieschulden.
Voor het verlenen van wederzijdse bijstand bij het invorderen van
belastingen heeft Nederland enerzijds enkele specifieke
invorderingsverdragen gesloten - onder meer met Duitsland - en
anderzijds in verschillende (bilaterale) verdragen ter voorkoming van
dubbele belasting bepalingen opgenomen inzake het verlenen van
wederzijdse bijstand bij het invorderen van (bepaalde) belastingen.
Voorts bevat de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) enkele
bepalingen met het oog op het verlenen van wederzijdse bijstand tussen
de Nederlandse Antillen, Aruba en Nederland. In dit verband is verder
van belang het (multilaterale) Verdrag van 25 juli 1998 inzake
wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (WABB-verdrag)
van de Raad van Europa en de Organisatie voor Economische Samenwerking
en Ontwikkeling. Ter uitvoering van de EG-richtlijn van 15 maart 1976
(76/308/EEG, PbEG 1976 L 73) heeft Nederland de Wet
wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele
andere schuldvorderingen aangenomen. Deze wet ziet onder meer op
het verlenen van wederzijdse bijstand door lidstaten bij het invorderen
van schuldvorderingen die verband houden met directe belastingen.
Met
uitzondering van de BRK en het WABB-verdrag hebben de door Nederland
gesloten overeenkomsten en verdragen op het terrein van het verlenen van
wederzijdse bijstand bij het invorderen van belastingschulden geen
betrekking op de op grond van socialezekerheidswetgeving
verschuldigde premies. Teneinde de invordering van premies ten laste van
een premieschuldige die in een andere staat verblijft - of wiens
vermogensbestanddelen in een andere staat verblijven - in die andere
staat te kunnen voortzetten, heeft Nederland met enkele andere staten
overeenkomsten en verdragen gesloten die zien op het verlenen van
wederzijdse bijstand bij de invordering van de op grond van
socialezekerheidswetgeving rblz.|58|
verschuldigde premies. In verband met de Wet beperking
export uitkeringen (Wet BEU) zijn in een aantal recente bilaterale
verdragen inzake de sociale zekerheid bepalingen opgenomen op grond
waarvan de verdragspartner de Nederlandse executoriale titel - het
dwangbevel - zonder tussenkomst van een buitenlandse rechter ten uitvoer
kan leggen. Voorts kunnen op grond van socialezekerheidswetgeving
verschuldigde premies op grond van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 en
de Toepassingsverordening (EEG) nr. 574/72 worden ingevorderd op het
grondgebied van elke lidstaat van de EU en van de EER [Europese
Economische Ruimte, red.] door tussenkomst van het bevoegde
orgaan van die lidstaat. De lidstaten zijn verplicht de premies van een
andere lidstaat te innen met toepassing van dezelfde procedures,
waarborgen en voorrechten die gelden voor de "eigen" nationale
premievorderingen.
Huidige situatie
Indien in een naheffingsaanslag zowel loonbelasting als premie
volksverzekeringen zijn begrepen en deze naheffingsaanslag in de
binnenlandse situatie niet (geheel) invorderbaar is gebleken omdat de
schuldenaar of diens opeisbare vermogensbestanddelen zich buiten het
Nederlandse grondgebied bevinden, kan de dwanginvordering op het
grondgebied van een andere staat - met bijstand van de bevoegde
autoriteiten van die staat - worden voortgezet. In deze situatie splitst
de ontvanger het betreffende dwangbevel in een gedeelte dat betrekking
heeft op de loonbelasting en een ander gedeelte dat ziet op de premie
volksverzekeringen. Het verzoek tot het verlenen van bijstand bij het
invorderen van de loonbelastingschuld wordt door de ontvanger via de
FIOD-ECD naar de bevoegde (belasting)autoriteit van de staat op wiens
grondgebied de dwanginvordering wordt voortgezet, gezonden. Het verzoek
tot verlenen van bijstand bij het invorderen van de premie
volksverzekeringen wordt door de ontvanger, als de invordering in
België, Luxemburg of Duitsland wordt voortgezet, via de Bureaus voor
Belgische en Duitse zaken van de SVB
verzonden. Indien de invordering wordt voortgezet in een andere staat
dan België, Luxemburg of Duitsland, doet de ontvanger een verzoek tot
het verlenen van bijstand bij invordering via het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
uitgaan.
Indien de BRK of het WABB-verdrag toepasselijk is, hoeft de ontvanger
het dwangbevel ter zake van een belastingaanslag waarin naast
loonbelasting tevens premie volksverzekeringen is begrepen niet te
splitsen in een belastingdeel en een premiedeel. Het verzoek tot het
verlenen van bijstand bij de invordering kan dan voor het gehele bedrag
van de vordering via de FIOD-ECD naar de bevoegde autoriteit van de
staat waar de invordering wordt voorgezet, worden gezonden.
Indien een verzoek tot het verlenen van bijstand betrekking heeft op
premies werknemersverzekeringen, zendt UWV
dit verzoek rechtstreeks - zonder tussenkomst van een intermediair -
naar bevoegde autoriteit van de andere staat op wiens grondgebied het
invorderingsproces wordt voortgezet.
Een
tot Nederland gericht verzoek tot het verlenen van bijstand bij de
invordering van een buitenlandse belastingschuld of een buitenlandse
premievordering die vergelijkbaar is met een vordering ter zake van
premie volksverzekeringen wordt (na toetsing) door de FIOD-ECD naar de
ontvanger gezonden. Indien een dergelijk verzoek betrekking heeft op een
buitenlandse premievordering die vergelijkbaar is met een vordering ter
zake van premies werknemersverzekeringen, doet de bevoegde buitenlandse
autoriteit [dat verzoek, red.] rechtstreeks toekomen aan UWV.
rblz.|59|
Toekomstige situatie
Aangezien in de
Wfsv is bepaald dat ten aanzien van de
invordering van de premies werknemersverzekeringen de regels geldende
voor de invordering van de loonbelasting van toepassing zijn, vindt de
invordering in Nederland van buitenlandse premievorderingen plaats op
grond van de Verordeningen (EEG) nrs. 1408/71 en 574/72, de BRK, het
WABB-verdrag en verschillende door Nederland met andere staten gesloten
overeenkomsten en verdragen inzake de sociale zekerheid met toepassing
van de Invorderingswet
1990. Een verzoek om bijstand aan Nederland bij het invorderen van
buitenlandse belasting- of premievordering alsmede van een vergelijkbaar
verzoek van Nederland aan een buitenlandse autoriteit zal voortaan in
alle gevallen door de belastingdienst worden
afgedaan. De in deze situaties te volgen procedure wordt nader bezien
door de daarbij betrokken (Nederlandse) uitvoeringsorganisaties.
Vanwege de overdracht van bevoegdheden ter zake
van de inning van socialeverzekeringspremies van UWV
naar de belastingdienst zal de belastingdienst voor de toepassing van
artikel 109 van de Toepassingsverordening (EEG) nr. 574/72 worden
aangewezen als bevoegd orgaan.
3.10.
Overige aspecten
3.10.1. Uitvoering
bedrijfstakeigen regelingen
UWV
voert naast zijn wettelijke taken (WW, ZW,
WAO e.a.) ook andere taken uit, in het
bijzonder voor bedrijfstakken, sectoren of branches en hun instellingen.
UWV heeft de uitvoering van deze andere taken overgenomen van de
voormalige
uitvoeringsinstellingen en sommige stammen nog uit de tijd van de
bedrijfsverenigingen. In het algemeen worden onder andere taken
verstaan: activiteiten als aanvullende premieheffing en -inning en
verstrekking van aanvullende bovenwettelijke uitkeringen, ten behoeve of
laste van bijvoorbeeld pensioenfondsen of bedrijfstakfondsen. Meestal
worden deze andere taken aangeduid als bedrijfstakeigen regelingen (BTER).
Voor het uitvoeren van andere taken dan de wettelijke taken door UWV is
de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
krachtens de Wet SUWI nodig.
De
Raad van bestuur van
UWV heeft te kennen gegeven de uitvoering
van de andere taken niet tot de kerntaken van UWV te rekenen. Om die
reden heeft de Raad besloten om de activiteiten van UWV te concentreren
op de wettelijke taken, om geen nieuwe andere taken meer aan te nemen en
om de lopende contracten inzake andere taken af te bouwen. De afbouw van
deze taken zal met de nodige zorgvuldigheid geschieden. Daartoe is
overleg met de opdrachtgevers geopend.¹
1. Zie ook Kamerstukken II
2003-2004, 26 448, nr. 82.
Binnen het interdepartementale programma Stroomlijning Basisgegevens
heeft de polisadministratie bij UWV, als
beoogd authentiek register van lonen, uitkerings- en
arbeidsverhoudingen, een duidelijke taak als gegevensverstrekker aan
overheidsinstanties en derden. Het meervoudig gebruik en de doorlevering
van gegevens uit de polisadministratie dragen in belangrijke mate bij
aan de administratieve lastenverlichting voor het bedrijfsleven.
Om
eventuele administratieve lastenverzwaring te voorkomen bij de afbouw
van de andere taken zal UWV specifieke
compensatiemogelijkheden aandacht geven, met name door wettelijk
toegestane gegevensleveringen aan de desbetreffende opdrachtgevers te
faciliteren. De gegevensset van de polisadministratie (zie
paragraaf 4.3) wordt niet afgestemd op de andere
taken zoals BTER, maar op de wettelijke taken waarvoor zij wordt
ingericht. Wel kan - net als nu op basis van artikel 73 Wet
SUWI - rblz.|60|
ten behoeve van andere taken gebruik worden gemaakt van de gegevens uit
de polisadministratie waarvoor UWV de
verantwoordelijke is in de zin van de
Wet
bescherming persoonsgegevens. Partijen die BTER overeenkomen en
verantwoordelijk zijn voor de uitvoering daarvan, kunnen aansluiten bij
de (loon)begrippen die met de Walvis worden
geharmoniseerd en daarmee aansluiten bij de wettelijk voorgeschreven
gegevensset van de polisadministratie. Hierdoor kunnen de
administratieve lasten in het kader van BTER verder afnemen.
3.10.2. Vrijwillige
werknemersverzekeringen
Voor personen die niet van rechtswege verzekerd zijn in de
werknemersverzekeringen is het onder bepaalde omstandigheden mogelijk om
een vrijwillige verzekering af te sluiten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld
om huishoudelijke hulpen, personen in dienst van een volkenrechtelijke
organisatie of werknemers die in het buitenland gaan wonen en werken
voor een in Nederland gevestigd bedrijf. De werkgever is alleen voor
verplicht verzekerde personen premies werknemersverzekeringen
verschuldigd. Vrijwillig verzekerde personen dragen zelf de premies voor
hun vrijwillige verzekering af.
Met
dit wetsvoorstel
wordt de uitvoering van de vrijwillige verzekeringen niet gewijzigd. Dit
betekent dat UWV verantwoordelijk blijft
voor de premieheffing en -inning en de uitkeringsverstrekking ten
aanzien van de vrijwillig verzekerden in de werknemersverzekeringen.
Vanwege de beperkte omvang ¹ en specifieke kenmerken van deze groep
(geen reguliere arbeidsverhouding) is het niet opportuun om aan te
sluiten bij het massale proces van heffing en inning van de verplichte
werknemersverzekeringen. Wel zal UWV van vrijwillige verzekerden in de
werknemersverzekeringen gegevens (bijvoorbeeld lonen en premies) opnemen
in de polisadministratie. Voorheen gebeurde dit in de
verzekerdenadministratie (VZA) bij UWV, die met de
Invoeringswet Wfsv wordt vervangen door de
polisadministratie. Dit is dus één van de andere gegevensstromen,
naast de aangiften via de belastingdienst,
waarmee de polisadministratie wordt gevoed.
1. Het aantal vrijwillig
verzekerden verschilt per wet. Volgens de
trendrapportage WW 2001 van het Lisv zijn er
4000 WW, 29 000 ZW en 27 000 WAO
vrijwillige
verzekerden.
3.10.3.
Gemoedsbezwaarden
In
het voorstel zijn de regelingen voor
gemoedsbezwaarden tegen de werknemersverzekeringen en tegen de
volksverzekeringen gezamenlijk opgenomen in hoofdstuk 5
van de Wfsv.
Omdat UWV waar het
de werknemersverzekeringen betreft altijd het oordeel van de SVB
ter zake volgt, heeft de huidige administratieve procedure waarbij UWV
formeel moet instemmen geen toegevoegde waarde. Het verlenen van
vrijstelling wegens gemoedsbezwaren kan worden vereenvoudigd door in
alle gevallen de SVB de vrijstelling te laten verlenen. De afhandeling
van een verzoek kan dan sneller verlopen zonder dat dit voor de
verzoeker tot een andere uitkomst leidt.
De
SVB geeft van de verleende ontheffing (of
intrekking daarvan) mededeling aan de inspecteur. Via de aangifte komt
één en ander in de polisadministratie.
De regeling zoals opgenomen in hoofdstuk 5
van de Wfsv leidt ertoe dat ook de heffing
en inning van de premievervangende belasting met overeenkomstige
toepassing van de voor de loonbelasting geldende regels zal geschieden.
Dit betekent onder andere dat de voor de loonbelasting geldende
rechtsbescherming van toepassing is.
rblz.|61|
3.10.4.
Fondsafdracht/toerekening aan fondsen
Op
dit moment draagt
UWV de premies WW
en WAO af aan de eigen fondsen (AWf, Aof
[Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.], Aok
[Arbeidsongeschiktheidskas, red.], wachtgeldfondsen en
Uitvoeringsfonds voor de overheid) en de Zfw-premie
aan het CVZ
(de Algemene Kas van de Ziekenfondswet) door storting op de
rekeningen-courant van de fondsen bij het ministerie van
Financiën. Na de overdracht van de heffing en inning van de premies
van UWV aan de belastingdienst zal de
belastingdienst de geïnde premies afdragen aan de fondsen van UWV en
CVZ.
In de sfeer van de werknemersverzekeringen gaan
deze geldstromen dus via de belastingdienst lopen. UWV en CVZ blijven
fondsbeheerder.
De
bepalingen die betrekking hebben op de financiering van de
volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen, waaronder die over de
fondsen, worden van de Wfv en de materiewetten voor de werknemersverzekeringen
overgebracht naar de
Wfsv. De bepalingen inzake het geïntegreerd middelenbeheer
van de Wet SUWI zijn eveneens overgeplaatst naar de Wfsv. Deze bepalingen zijn
gezamenlijk ondergebracht in hoofdstuk 7
van de Wfsv. De financieringsbepalingen van
de Zfw worden niet overgebracht naar de Wfsv,
maar blijven opgenomen in de Zfw.
De
bepalingen over de afdracht en toerekening van de premie
volksverzekeringen, de invorderings- en heffingsrente alsmede de
bestuurlijke boete zijn overgenomen uit de
Wfv en uitgebreid met de premies
werknemersverzekeringen.
De
regeling van de afdracht van de premies door de belastingdienst
zal zodanig worden vormgegeven dat de UWV-fondsen
en de Algemene Kas tijdig de beschikking krijgen over de premiebaten en
de benodigde gegevens op een termijn die voor hun taakvervulling
noodzakelijk is.
In technisch overleg tussen de belastingdienst
en de fondsen zullen de verschillende mogelijkheden en kosten daarvan
worden bezien. De uiteindelijk tot stand te brengen afdracht- en
toerekeningsregeling zal in lagere regelgeving worden vastgelegd.
Onderzocht wordt of de kosten van de heffing en inning van de premies
werknemersverzekeringen door de belastingdienst,
de zogenaamde perceptiekosten, op dezelfde wijze kunnen worden
gealloceerd als bij heffing en inning van de premie volksverzekeringen
het geval is.
3.10.5.
Eerstedagsmelding
In
het Hoofdlijnenakkoord heeft het kabinet zich voorgenomen om illegale
tewerkstelling en daarmee samenhangende fraude krachtiger aan te pakken,
onder meer door een verplichte aanmelding door werkgevers van
dienstverbanden op de eerste werkdag. Deze maatregel wordt gehandhaafd
met boetes.¹
Deze eerstedagsmelding (EDM) stelt de
inspectie- en opsporingsdiensten in staat tot gerichte aanpak van zwart
werk, van illegale arbeid en van daarmee samenhangende fraude. Thans
worden deze instanties bij een controle geconfronteerd met de situatie
dat de werknemer en/of werkgever ontkennen dat er al langer zwart wordt
gewerkt. Partijen stellen dan dat de arbeid pas de dag ervoor zou zijn
begonnen. Met een EDM kan dit gelijk worden geverifieerd. In geval van
overtreding kan dan meteen worden opgetreden (lik op stuk) met een
bestuurlijke boete.
Het voorstel is om een EDM voor alle
dienstverbanden bij alle werkgevers in te voeren. Er wordt dus geen
onderscheid gemaakt naar branches of sectoren. Elke werkgever dient
vóór aanvang van de eerste werkdag bepaalde gegevens over een nieuw
dienstverband van de werknemer aan de belastingdienst
te melden.
1. Hoofdlijnenakkoord,
bijlage Financieel kader, blz. 3, maatregel 9.
rblz.|62|
Op een EDM zullen naast gegevens van werkgever en werknemer bijvoorbeeld
ook gegevens worden gevraagd met betrekking tot de aanvang c.q. het
einde van de dienstbetrekking en de aard van de arbeidsverhouding.¹ Het
is de bedoeling dat de werkgever met een druk op de knop het
elektronische bericht kan aanleveren. Gedacht wordt om voor EDM dezelfde
infrastructuur te gaan gebruiken die ook voor de loonaangifte gebruikt
gaat worden in het kader van deze wet.
De EDM zal worden ingevoerd wanneer de
infrastructuur voor elektronische loonaangifte bij de belastingdienst
gereed is en EDM daar ingepast kan worden.
Eén en ander is thans in voorbereiding en zal
leiden tot een nota van wijziging op dit
wetsvoorstel. Deze nota van wijziging zal vóór 15 juni 2004 worden
ingediend.
1. De Tweede kamer is bij
brief van 31 maart 2004 geïnformeerd over
de concept-gegevensset voor de eerstedagsmelding (Kamerstukken II 2003-2004,
28 219, nr. 16).
4. Polisadministratie en gegevensverkeer
4.1.
Inleiding
De
polisadministratie is onder meer het gegevensbestand van verzekerde en
onverzekerde arbeidsverhoudingen en van daarmee verband houdende
uitkeringsverhoudingen in het kader van de werknemersverzekeringen.
Daarmee vervangt de polisadministratie mede de verzekerdenadministratie
(VZA) die UWV
krachtens de
Wet SUWI voerde. UWV draagt zorg voor de
inrichting en adequate werking van de polisadministratie (zie ook artikel
33, Wet SUWI). In de toelichting bij het wetsvoorstel Walvis
is de invoering van de polisadministratie aangekondigd. Walvis bevatte
nog geen wettelijke bepalingen ter zake van de polisadministratie.
Daarin wordt met
dit
wetsvoorstel voorzien.
De
polisadministratie bevat meer gegevens dan de huidige VZA. Namelijk
naast de arbeids- en uitkeringsverhoudingen in het kader van de
werknemersverzekeringen bevat de polisadministratie ook de nominatieve
gegevens over de loonheffing. De polisadministratie is geen
uitkeringsadministratie,¹ maar zij bevat wel de gegevens waarop
eventuele toekomstige uitkeringen voor de werknemersverzekeringen mede
gebaseerd worden. Uitkeringsverhoudingen met een inhoudingsplichtige
voor de loonheffing worden, als waren zij arbeidsverhoudingen, in de
polisadministratie opgenomen (zoals
AOW-, Anw-, Wwb-
en pensioenuitkeringen). Daarnaast worden arbeidsverhoudingen die geen
inhoudingsplichtige voor de loonheffing kennen en die niet verplicht
verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen, in de polisadministratie
opgenomen indien er een vrijwillige verzekering voor
werknemersverzekeringen is aangegaan. Deze verhoudingen worden in de
polisadministratie geregistreerd c.q. zijn te identificeren als een
relatie tussen de desbetreffende persoon op sofinummer en de werkgever
of uitkeringsinstantie. Omdat deze relaties op naam in combinatie met
een sofinummer zijn te herleiden, spreekt men van nominatieve gegevens.
1. Naast de bevoegdheid
voor de inrichting van de polisadministratie (artikel 33
Wet SUWI) is UWV krachtens artikel 33a
Wet SUWI verantwoordelijk voor het verwerken van
gegevens voor de uitkeringverstrekking
en de overige UWV-taken. Dit gebeurt
dus los van de polisadministratie, maar hierbij maakt UWV
wel gebruik van onder andere
gegevens uit de polisadministratie.
De
polisadministratie bevat nominatieve gegevens over de arbeids- en
uitkeringsverhoudingen, die van belang zijn voor meerdere instanties bij
de uitvoering van hun publieke taken. De eenmalige uitvraag van deze
gegevens bij werkgevers/inhoudingsplichtigen en het meervoudig gebruik
ervan door instanties met publieke taken vermindert de administratieve
lasten. De concentratie van de nominatieve gegevens binnen één
administratie bespaart ook uitvoeringskosten. Hierdoor hoeft de belastingdienst
niet meer dezelfde gegevens bij te houden in de zogenoemde Fi-base.
Tevens wordt hiermee voorkomen dat bestandsverschillen en
tijdsverschillen in gegevensverwerking leiden tot mismatch tussen
dezelfde gegevens in de verschillende werkprocessen. Zo kan met de
polisadministratie rblz.|63|
de samenloop van arbeidsverhoudingen, lonen en uitkeringen sneller
worden ontdekt en nauwkeuriger worden bepaald. Tevens kan
beleidsinformatie (bijvoorbeeld de statistieken van arbeid en lonen)
efficiënter worden vergaard. Het kabinet streeft ernaar om de
polisadministratie op termijn aan te merken als authentieke registratie.
Polisadministratie als authentieke
registratie
Zoals in
paragraaf 2.3 is aangegeven, is in het Programma
Stroomlijning Basisgegevens de ambitie van het kabinet vastgelegd de
polisadministratie op termijn te ontwikkelen tot authentieke
registratie. Een authentieke registratie is een registratie waarvan de
gegevens door de afnemende instantie zonder nader onderzoek mogen worden
gebruikt. De gegevens mogen door afnemende instanties juist worden
geacht. Als een afnemer toch twijfelt aan de juistheid ervan, meldt hij
dit met redenen terug aan de houder van de authentieke registratie, die
daarop onderzoek moet doen en zijn bevindingen moet vastleggen. Dit
nader onderzoek kan leiden tot correcties in de registratie. Met het
vestigen van authentieke registraties wordt de vermindering van
administratieve lasten, de fraudebestrijding en de dienstverlening
bevorderd. Tevens kunnen uitvoeringskosten worden bespaard.
UWV
zal de persoonsidentificerende gegevens van
werknemers/uitkeringsgerechtigden in de polisadministratie verifiëren
met de gemeentelijke basisregistraties persoonsgegevens (GBA's). Tevens
kunnen bijbehorende adresgegevens uit GBA's ter verificatie in de
polisadministratie gebruikt worden. Hierbij zij opgemerkt dat de
polisadministratie ook niet-ingezetenen omvat en GBA's thans alleen
ingezetenen. Niet voor alle werknemers/uitkeringsgerechtigden die in de
polisadministratie voorkomen, kan daarom verificatie met GBA's toegepast
worden.
Wanneer in de toekomst het
Basisbedrijvenregister (BBR) tot stand komt, als authentieke registratie
van onder meer de identificerende gegevens van bedrijven (waaronder
werkgevers/inhoudingsplichtigen), zal de polisadministratie (via de belastingdienst)
ook gebruik maken van de gegevens van BBR.
rblz.|64|
4.2.
Gegevensstromen
Figuur 1. Gegevensstromen van werkgevers via de polisadministratie naar
afnemers en terug:
|