|
REGELING van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2005, Directie
Sociale Verzekeringen, nr. SV/R&S/05/102807, houdende regels met
betrekking tot de indicatiestelling door CWI ten
behoeve van de reïntegratie-instrumenten no-riskpolis Ziektewet
en premiekorting (Regeling indicatiestelling no-riskpolis en
premiekorting CWI) ¹
1. Redactie:
Ingevolge artikel VI, onderdeel D, van de Regeling van 23 december 2008,
Stcrt. 2008, 2732, is de Regeling indicatiestelling no-riskpolis en premiekorting
CWI met ingang van 1 januari 2009 voorzien van een nieuwe citeertitel,
luidende: Regeling indicatiestelling no-riskpolis en premiekorting UWV.
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 49, derde en zesde lid,
van de Wet financiering sociale verzekeringen en
29b, negende en tiende
lid, van de Ziektewet;
Besluit:
Art. 1.
Algemene
begrippen
Voor de toepassing van de regeling wordt verstaan onder:
aanvraag: het verzoek van
een college van burgemeester en
wethouders, bedoeld in artikel 29b,
negende lid, van de Ziektewet en artikel
49,
derde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
UWV: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen;
indicatiestelling: het
oordeel van het UWV omtrent de aanwezigheid
van een structurele functionele beperking, bedoeld in de artikelen 29b,
tweede lid, van de Ziektewet en 49,
eerste lid, onderdeel d, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
no-riskpolis: het recht op
ziekengeld van de werknemer, bedoeld in
artikel 29b, tweede lid, van de Ziektewet;
premiekorting: de korting,
bedoeld in artikel 49, eerste lid,
aanhef, van de Wet financiering sociale
verzekeringen, ten behoeve van de werknemer,
bedoeld in artikel 49, eerste lid,
onderdeel d, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
Wfsv: Wet financiering
sociale verzekeringen;
Wwb: Wet werk en bijstand;
ZW: Ziektewet.
§ 1.
De aanvraag
Art. 2.
Deskundige(n)verklaring
-1. De aanvraag gaat
vergezeld van een verklaring van één of meer
deskundigen dat de persoon op wie de aanvraag betrekking heeft een
structurele functionele beperking heeft als bedoeld
in artikel 29b, tweede lid, van de ZW
en artikel 49, eerste lid, onderdeel d,
van de Wfsv. De verklaring, bedoeld
in de eerste zin, vermeldt de gronden
waarop het deskundigenoordeel berust.
-2. Uit de verklaring,
bedoeld in het eerste lid, blijkt dat deze tot
stand is gekomen met inachtneming van het Protocol Indicatiestelling WIA
gemeentelijke doelgroep.
-3. Het onderzoek waarop de
verklaring, bedoeld in het eerste lid,
is gebaseerd, heeft niet langer dan zes maanden voorafgaand aan de datum waarop die
verklaring wordt afgegeven,
plaatsgevonden.
-4. De aanvraag geschiedt
slechts indien de persoon op wie de
aanvraag betrekking heeft daarvoor toestemming
heeft gegeven.
Art. 3.
Deskundigen
-1. Onder deskundigen als
bedoeld in artikel 2 worden verstaan:
a. artsen die staan
ingeschreven in het register van Sociaal
Geneeskundigen, bij de tak arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, dan wel bij de tak
verzekeringsgeneeskunde of in het register sociale geneeskunde, bij de
hoofdstroom arbeid en gezondheid, van de Sociaal-Geneeskundige
Registratiecommissie van de Koninklijke
Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de
Geneeskunst;
b. psychologen die staan
ingeschreven als Psycholoog NIP in het
register van het Nederlands Instituut van Psychologen, dan wel als
gezondheidszorgpsycholoog in het register, bedoeld in
artikel 3 van de Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg,
en indien zij beschikken over gerichte
kennis en ervaring op het gebied van
psychodiagnostiek;
c. arbeidskundigen die in
het bezit zijn van een getuigschrift van
een opleiding techniek van een op grond van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bekostigde
instelling alsmede van een applicatiecursus VOA-3 van VOA, Vereniging
voor bedrijfskunde te Woerden, en
ervaring in proces- en arbeidsanalyse
hebben;
d. arbeidsdeskundigen die in
het bezit zijn van een getuigschrift
arbeidsdeskundige van een op grond van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek erkende instelling
en beschikt over kennis en
ervaring in de proces- en arbeidsanalyse;
e. arbeidsdeskundigen die in
dienst zijn bij het UWV en de opleiding tot arbeidsdeskundige in de
sociale verzekeringen met goed gevolg hebben
afgesloten;
f. arbeids- en
organisatiedeskundigen als bedoeld in artikel 2.7,
eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
-2. Een persoon die een
opleiding volgt met het oogmerk aan de
criteria, genoemd in de onderdelen a
tot en met f van het eerste lid, te
voldoen en reeds werkzaam is in het
desbetreffende beroep wordt als deskundige
aangemerkt.
-3. Een deskundige legt de
verklaring, bedoeld in artikel 2, af voor zover zijn specifieke deskundigheid dit toelaat.
§ 2.
Voorwaarden
indicatiestelling no-riskpolis en premiekorting
Art. 4.
Voorwaarden
-1. Het UWV verstrekt de
indicatiestelling, indien:
a. de persoon op wie de
indicatiestelling betrekking heeft op het
moment van de indicatiestelling ten minste twee jaar als werkzoekende bij
het UWV is geregistreerd, waarbij deze
termijn wordt geacht niet te zijn
onderbroken, indien hij:
1º. gedurende perioden van
korter dan drie maanden in verband met
het verrichten van arbeid niet als werkzoekende bij het UWV was geregistreerd; of
2º. gedurende een periode
korter dan twee jaar in verband met
ziekte of gebrek op grond van artikel 9, tweede
lid, van de Wwb is ontheven
van de verplichting, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, van de Wwb;
b. een college van
burgemeester en wethouders ten minste twee jaar
verantwoordelijk is geweest voor de ondersteuning bij arbeidsinschakeling van
de persoon op wie de
indicatiestelling betrekking heeft, waarbij deze termijn wordt geacht niet te zijn
onderbroken, indien:
1º. de onderbreking van de
verantwoordelijkheid korter dan drie maanden in verband met het verrichten
van arbeid heeft geduurd; of
2º. de oorzaak van de
onderbreking van de verantwoordelijkheid is
gelegen in het feit dat betrokkene gedurende een periode korter dan twee jaar
in verband met ziekte of gebrek op
grond van artikel 9, tweede lid, van de Wwb
is ontheven van de
verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de Wwb; en
c. voldoende aannemelijk is
dat de persoon op wie de indicatiestelling
betrekking heeft als gevolg van ziekte
of gebrek geen functie met een
werktijd van meer dan 65% van een
reguliere voltijdfunctie met een werktijd van 40 uur per week kan vervullen.
-2. De
persoon op wie de indicatiestelling betrekking heeft, wordt geacht te
voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, indien hij
gedurende ten minste twee jaar in verband met ziekte of gebrek op grond
van artikel 9, tweede lid, van de Wwb
onafgebroken is ontheven van de
verplichting, bedoeld in artikel 9,
eerste lid, van de Wwb.
-3. Indien de onderbreking van de termijn,
bedoeld in het eerst lid, onderdeel a, aanhef:
a. verband houdt met het verrichten
van arbeid en langer dan drie maanden duurt en geen verband houdt met
ziekte of gebrek waarvoor op grond van artikel 9, tweede lid, van de Wwb
ontheffing is verleend van de
verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wwb;
of
b. geen verband houdt met het
verrichten van arbeid of met ziekte of gebrek waarvoor op grond van artikel
9, tweede lid, van de Wwb
ontheffing is verleend van de
verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wwb;
worden de termijnen van registratie bij het UWV voor en na de
onderbreking samengeteld ten behoeve van de vaststelling van de termijn,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, aanhef.
-4. Indien de onderbreking van de termijn,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, aanhef,
a. verband houdt met het verrichten
van arbeid en langer dan drie maanden duurt en geen verband houdt met
ziekte of gebrek waarvoor op grond van artikel 9, tweede lid, van de Wwb
ontheffing is verleend van de
verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de Wwb;
of
b. geen verband houdt met het
verrichten van arbeid of met ziekte of gebrek waarvoor op grond van artikel 9, tweede lid, van de Wwb
ontheffing is verleend van de
verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de Wwb;
worden de termijnen waarin een college van burgemeester en wethouders
verantwoordelijk was voor de ondersteuning bij arbeidsinschakeling van
de betrokken persoon vóór en na de onderbreking samengesteld ten
behoeve van de vaststelling van de termijn, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, aanhef.
§ 3.
De indicatiestelling
Art. 5.
Geldigheid
indicatiestelling
De indicatiestelling is
geldig vanaf de datum van het besluit tot
vijf jaar na die datum.
Art. 6.
Datum
indicatiestelling
In het besluit met
betrekking tot de indicatiestelling vermeldt het UWV
de datum waarop de geldigheid van
de
indicatiestelling op grond van artikel 5
eindigt.
Art.
6a. Vervallen.
Art. 7.
Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in
werking met ingang van 29 december 2005.
-2. Artikel 6a
vervalt met ingang van 31 januari 2007.
Art. 8.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling indicatiestelling no-riskpolis en premiekorting
UWV.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 16 december
2005.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
TOELICHTING
[16 december 2005]
Algemeen
Op
grond van artikel 29b van de Ziektewet
(ZW) en
artikel 49 van de Wet
financiering sociale verzekeringen (Wfsv) kunnen de instrumenten no-riskpolis en premiekorting
worden toegekend ten behoeve van gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers
als bedoeld in de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) die aan de in de genoemde
artikelen opgenomen voorwaarden voldoen. Naast personen die aanspraak maken
op een uitkering op grond van de Wet WIA kunnen ook personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) of Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) of met een indicatie voor de
Wet sociale werkvoorziening (Wsw) in
aanmerking komen voor deze
instrumenten. Tevens is voorzien in toepassing
van deze instrumenten ten behoeve van werknemers die de wachttijd voor de
Wet WIA hebben doorgemaakt en
ongeschikt zijn voor hun eigen werk en die
geen werk hebben.
Door indicatiestelling op
beslissing van de Centrale organisatie
werk en inkomen (CWI) kunnen ook personen die onder de
reïntegratieverantwoordelijkheid van de gemeente vallen
gebruik maken van deze instrumenten.
In deze regeling worden
nadere voorwaarden gesteld met betrekking tot
de indicatie voor aanspraak op
de no-riskpolis en premiekorting en
zien dus uitsluitend op de inzet van deze
instrumenten ten behoeve van personen die
direct voorafgaande aan de
dienstbetrekking (op grond van artikel 7,
eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb)
onder de
reïntegratieverantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders
van een gemeente (college van
B&W) vallen.
Om in aanmerking te komen
voor een WIA-uitkering dient een
wachttijd is doorlopen van twee jaar en
dat er sprake te zijn van
arbeidsongeschiktheid van ten minste 35%. Dat wil
zeggen dat er een verlies aan verdienvermogen is ten opzichte van de gezonde
vergelijkbare persoon van ten minste 35%.
De Wet WIA gaat er, in navolging
van het SER-advies [SER: Sociaal-Economische
Raad, red.] van uit dat er sprake is van
verminderde arbeidsgeschiktheid indien er, na twee jaar, substantiële
belemmeringen zijn, tot uitdrukking komend
in een arbeidsongeschiktheid van ten minste 35%. Bij een lager
arbeidsongeschiktheidspercentage ligt de verantwoordelijkheid voor reïntegratie van de
werknemer op het niveau van
de arbeidsorganisatie. Deze
inzichten zijn verwerkt in de Wet WIA.
Bij de vormgeving van het
reïntegratiebeleid is aansluiting gezocht bij
deze inzichten. Dit betekent dat overheidsmiddelen voor reïntegratie in de
vorm van een no-riskpolis en
premiekorting alleen beschikbaar zijn
indien na twee jaar de mate van de handicap
zodanig is dat er substantiële
belemmeringen optreden in het functioneren. Dit
betekent dat ook het criterium voor de
vaststelling voor welke personen buiten
de Wet WIA met een vergelijkbare
ernst van de handicap deze instrumenten
zullen worden ingezet daaraan is aangepast. Deze regeling bepaalt de criteria
voor deze indicatiestelling.
Instantie die
indicatiestelling uitvoert
Ook personen die niet voor
een
WIA-uitkering in aanmerking komen, kunnen geconfronteerd zijn met een
substantiële handicap. Het gaat dan met
name om mensen met een uitkering op
grond van de Wet werk en bijstand (Wwb). Om ook de werkgevers financieel
te stimuleren deze mensen in dienst nemen
(in de zin van een premiekorting en
een no-riskpolis) te kunnen bieden,
moet een indicatie van de arbeidsgeschiktheid worden gedaan.
Onder toepassing van de Wet
op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) werd die
uitgevoerd door gemeenten. De gemeente
bepaalde daarmee zelf of haar
cliënten in aanmerking kwamen voor instrumenten
waarvan zij niet de kosten droeg.
Gezien de aard van de
indicatiestelling en de gewenste uniformiteit en
onafhankelijkheid wordt de indicatiestelling
ondergebracht bij een centrale
organisatie, de CWI. De cliënt is doorgaans
al bekend bij de CWI als werkzoekende
en er is in het algemeen al vastgesteld wat de afstand van de betrokkene is
tot de arbeidsmarkt. Wat betreft de
werkwijze is aangesloten bij de situatie zoals die gold onder de Wet Rea. Dat
wil zeggen dat de gemeente een
verklaring vraagt aan een deskundige over de
relevante beperkingen. De gemeente
dient vervolgens deze verklaring met een aanvraag om een indicatiestelling in
bij de CWI.
De CWI heeft met de
Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)
een protocol opgesteld voor de
vaststelling over de nadere
operationalisering van de beoordeling door de
deskundige. De colleges van B&W zullen ervoor moeten zorgen dat de deskundigen
deze werkwijze volgen. De CWI
beoordeelt of de verklaringen van de
deskundigen in overeenstemming met het
protocol zijn opgesteld. Indien dit
niet het geval is, dient de CWI de aanvraag
af te wijzen. Op deze wijze draagt de CWI
er zorg voor dat de hieronder
beschreven inhoudelijke aspecten met
betrekking tot "ziekte en gebrek" en "structurele functionele beperkingen" in de procedure en de uitkomsten hiervan worden
geborgd en wordt derhalve een
uniforme werkwijze bevorderd.
De indicatiestelling in deze
regeling heeft betrekking op personen
die geen werknemer zijn. Er kan voor
de vaststelling of er een relevante mate van
substantiële beperkingen is niet
rechtstreeks worden aangesloten bij het
verlies aan verdienvermogen ten opzichte
van voorheen verrichte arbeid. Dat
betekent dat op andere wijze dan door
middel van een beoordeling van
arbeidsongeschiktheid, zoals die plaatsvindt op
grond van de Wet WIA, moet worden
vastgesteld of de betrokkene in
aanmerking kan worden gebracht voor de instrumenten.
Rol CWI met betrekking tot
verklaring van deskundige
Uit de systematiek van
aanvraag door het college van B&W en
de beslissing door de CWI vloeit voort dat
het aan het college van B&W is om in
de aanvraag aan te geven dat betrokkene
aan de voorwaarden voor indicatiestelling, genoemd in artikel
4,
voldoet. Om de beslisser, de CWI, te kunnen
laten toetsen of daadwerkelijk aan de
voorwaarden wordt voldaan, dient het
college van B&W ook aan te geven
waarom betrokkene naar zijn oordeel aan die
voorwaarden voldoet. Het is vervolgens
aan de CWI om op basis van de
aanvraag te oordelen of betrokkene
inderdaad een structurele functionele
beperking heeft. Als de CWI van mening is dat
dit onvoldoende uit de aanvraag blijkt, kan
het college van B&W, gelet
op de artikelen 3:18 en 4:5 van de
Algemene
wet bestuursrecht, om
aanvullende informatie worden verzocht.
De CWI beoordeelt of de
aanvraag compleet is. Van belang is
dat de verklaringen van de deskundigen die worden gevoegd bij de aanvragen
door de gemeenten
zoveel mogelijk op
dezelfde wijze tot stand komen en dat
de deskundigen met dezelfde beoordelingen werken. Daarom wordt gewerkt
met een landelijk vastgesteld
protocol. De CWI moet beoordelen of de
verklaring die is gevoegd bij het verzoek is
opgesteld in overeenstemming met het
protocol. De aanvragende gemeente zal
daarom ervoor moeten zorgen dat de verklaringen daarmee in overeenstemming
zijn.
Bij de vaststelling of er
voldaan wordt aan de voorwaarden moet in
de eerste plaats worden vastgesteld of er sprake is van ziekte of gebreken en
vervolgens of deze leiden tot structurele
functionele beperkingen waardoor de
betrokkene voor de indicatiestelling
voor de instrumenten no-riskpolis en
premiekorting in aanmerking komt.
Ziekte en gebreken
Er is in de eerste plaats,
net als in de
Wet WIA, een medisch oordeel
noodzakelijk. Uitgangspunt is dat het moet gaan om beperkingen tengevolge van ziekte of
gebreken die een
structureel karakter hebben. Dit wordt
zo uitgelegd dat de aandoening of de
gebreken minstens één jaar voorafgaande aan de beoordeling hebben bestaan.
Als dat niet het geval is, kan het ook
voldoende zijn dat ze naar alle
waarschijnlijkheid ten minste één jaar zullen
bestaan. Het is voorts noodzakelijk dat de
ziekte of gebreken op het moment van
de beoordeling ten behoeve van de
verklaring nog bestaan. Het feit dat iemand
in het verleden aan een aandoening heeft geleden die als genezen moet worden beschouwd, is niet voldoende
om voor de indicatie in aanmerking
te komen. Dit sluit aan bij hetgeen
voorheen in het kader van de Wet Rea was geregeld.
Structurele functionele
beperkingen
Structurele functionele
belemmeringen op zich leiden niet
automatisch tot de indicatie voor de no-riskpolis en premiekorting. Het gaat hier, anders dan in
artikel 4.2.3 en 4.2.4 Wet WIA [artikel 35 en 36
Wet WIA, red.], niet om beperkingen waarin kan worden voorzien door het treffen van
arbeidsplaatsvoorzieningen. Als een werknemer met dergelijke aanpassingen in
staat is om normaal arbeid te
verrichten, is er geen grond voor een indicatie
voor no-riskpolis en premiekorting.
Indien voor een werknemer wegens structurele
beperkingen aanpassingen op de werkplek
noodzakelijk zijn waardoor hij normaal arbeid kan verrichten,
kunnen deze door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen worden verstrekt, voor zover passend binnen het
beleidskader (zoals: er is geen sprake van een
algemeen gebruikelijke voorziening
die voor rekening van de werkgever blijft, de
goedkoopste adequate oplossing wordt geboden en de voorziening
is op het individu gericht).
Bij structurele functionele
beperkingen in verband met de indicatie
voor de premiekorting en no-riskpolis gaat het om belemmeringen die leiden
tot een beperking in het
functioneren in arbeid die in grote mate vergelijkbaar zijn met de beperkingen die in de
Wet WIA leiden tot een verlies aan
verdienvermogen met als resultaat ten minste 35% arbeidsongeschiktheid. Deze
belemmeringen kunnen zich uiten in een beperking in beperking in duur.
De betrokkene komt voor de
indicatie in aanmerking wanneer wordt
vastgesteld dat hij evident niet in
staat is om meer dan 65% van normaal
voltijds te functioneren. Het dient
daarbij te gaan om verminderd functioneren
in welke reguliere arbeid dan ook.
Deze beperkingen hebben betrekking op
arbeidsduur. De vraag naar het evident
verminderd functioneren is een parallel
met de mate van arbeidsongeschiktheid
die werknemers, indien ook overigens aan de voorwaarden wordt voldaan,
aanspraak geeft op een WIA-uitkering.
In de praktijk zal niet met volstrekte
zekerheid kunnen worden vastgesteld in
welke mate de betrokkene
verminderd kan functioneren. Daarom wordt
bepaald dat aannemelijk is dat de
arbeidsduur per week is beperkt tot ten
hoogste 65%.
Vrijstelling
sollicitatieplicht
De gemeente kan personen die
in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Wwb, en voor
wiens reïntegratie ze
verantwoordelijk is, in bijzondere gevallen
vrijstellen van de verplichting naar vermogen
te trachten algemeen geaccepteerde
arbeid te verkrijgen, waaronder de verplichting
zich te registreren als
werkzoekende bij de CWI. Die vrijstelling kan
onder meer plaatsvinden op medische gronden. Indien de gemeente een
betrokkene ten minste twee jaar heeft
vrijgesteld van deze verplichtingen op medische gronden en nadien de medische
beperkingen die reden waren voor de vrijstelling nog voortbestaan, kan de
betrokkene voor de indicatie in aanmerking
komen. Indien de vrijstelling (op medische gronden) korter dan twee jaar heeft
geduurd en de betrokkene nadien nog
valt onder verantwoordelijkheid van de
gemeente en is geregistreerd als
werkzoekende bij de CWI, dan wordt de termijn
van vrijstelling niet opgeteld bij de termijn gedurende welke een
werkzoekende geregistreerd moet zijn bij
de CWI om voor indicatiestelling in
aanmerking te komen.
Toezichtbaarheidstoets
Inspectie Werk en Inkomen
De Inspectie Werk en Inkomen
heeft een toezichtbaarheidstoets
met betrekking tot deze regeling uitgevoerd. Dit heeft geleid tot het opnemen
van een zogenaamde samentelregeling
in artikel 4, derde en vierde lid.
Artikelsgewijs
Artikel
2, eerste lid
Op grond van
artikel 2,
eerste lid, dient de aanvraag van het college
van B&W, bedoeld in artikel 29b,
negende lid, van de ZW
en artikel 49, derde
lid, van de Wfsv, vergezeld te gaan van
een verklaring van een deskundige waaruit
blijkt dat de betrokkene een
structurele functionele beperking heeft. Deze
verklaring dient op grond van de tweede
volzin aan te geven hoe de deskundige
tot het oordeel is gekomen dat betrokkene
een structurele functionele
beperking heeft.
Artikel
2, tweede lid
Het protocol bestaat uit een
aantal documenten. In de eerste
plaats procesafspraken tussen CWI en VNG met betrekking tot de aanvragen,
vervolgens een standaard waarin
geregeld op welke wijze de beoordeling van de
verminderde arbeidsduur door de
deskundige wordt gedaan en een
modelverklaring van de deskundige.
Artikel
2, derde lid
Op grond van het derde lid
is de "geldigheid" van het onderzoek waarop de deskundige zijn verklaring
baseert aan een termijn gebonden. Dat
onderzoek mag niet langer dan zes
maanden voorafgaand aan de datum waarop de
verklaring wordt afgegeven, hebben
plaatsgevonden. Onder "de datum waarop de verklaring wordt afgegeven"
wordt verstaan de datum van ondertekening
van de verklaring door de deskundige.
Artikel
2, vierde lid
Op grond van dit artikellid
dient het college van B&W eerst
toestemming van betrokkene te hebben
alvorens ze een aanvraag bij de CWI indienen. Wellicht ten overvloede wordt
opgemerkt dat de CWI bij de beoordeling van
de aanvraag dient na te gaan of de
bedoelde toestemming is gegeven. Om de CWI deze toets te laten uitvoeren,
dient het college van B&W derhalve in de
aanvraag van die toestemming blijk te geven.
Artikel 3
In dit artikel wordt
aangegeven wie deskundigen als bedoeld in artikel 2
zijn. De verklaring die de
aanvraag om indicatie moet vergezellen, dient van
een persoon als bedoeld in
artikel 3 afkomstig te zijn. De opsomming in
artikel 3 is limitatief.
Artikel
4, eerste lid
In het eerste lid worden de
voorwaarden opgesomd waaraan betrokkene
moet voldoen voordat de CWI kan oordelen dat hij een structurele
functionele beperking heeft en waardoor de no-riskpolis en de premiekorting
"in
beeld" komen. Uit het woord "en" aan
het slot van onderdeel b volgt dat de
voorwaarden cumulatief zijn.
Uit onderdeel a volgt dat
betrokkene ten minste twee jaar als
werkzoekende bij de CWI moet zijn geregistreerd. Uit hetzelfde onderdeel volgt
dat de registratie gedurende maximaal drie
maanden mag zijn onderbroken zonder
dat de termijn van twee jaar wordt
verlengd. Het is mogelijk dat de
registratie meerdere keren voor minder dan drie
maanden wordt onderbroken. Het
artikelonderdeel staat dit toe in die zin
dat de periode van twee jaar in dat geval
niet wordt geacht te zijn onderbroken.
Wanneer de registratie van betrokkene
langer dan drie maanden is onderbroken,
dienen de maanden van de onderbreking
bij de periode van twee jaar te
worden opgeteld.
De registratie wordt tevens
niet geacht te zijn onderbroken indien
de betrokkene gedurende een periode korter
dan twee jaar in verband met
ziekte of gebrek door het college van
B&W is vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Hierbij wordt opgemerkt dat
als die vrijstelling twee jaar of langer heeft geduurd, het tweede lid van
toepassing is.
Uit onderdeel b volgt dat
betrokkene alleen voor
indicatiestelling in aanmerking komt indien hij ten minste twee jaar tot de
reïntegratieverantwoordelijkheid van een college van B&W
heeft behoord. De reïntegratieverantwoordelijkheid van een college van B&W
kan zowel een
bijstandsgerechtigde als een niet-uitkeringsgerechtigde
betreffen. Voor de toepassing van dit
artikel maakt dit geen verschil. In de periode van twee jaar mag betrokkene dus
zowel bijstandsgerechtigde en/of niet-uitkeringsgerechtigde zijn geweest.
Uit hetzelfde onderdeel
blijkt dat die periode van twee jaar
gedurende maximaal drie maanden mag zijn onderbroken zonder dat de termijn van
twee jaar wordt verlengd. Het is
mogelijk dat de verantwoordelijkheid
meerdere keren voor minder dan drie maanden
wordt onderbroken. Het artikelonderdeel staat dit toe in die zin dat de
periode van twee jaar in dat geval niet
wordt geacht te zijn onderbroken. Wanneer
de verantwoordelijkheid van een college van B&W voor betrokkene
langer dan drie maanden is onderbroken,
dienen de maanden van de onderbreking
bij de periode van twee jaar te
worden opgeteld. Als redenen voor de
onderbreking kan bijvoorbeeld worden
gedacht aan een (korte) werkhervatting.
Hierbij wordt opgemerkt dat
uit de zinsnede "een college van
burgemeester en wethouders" volgt dat
dit niet twee jaar lang hetzelfde college
van B&W hoeft te zijn geweest. Voor
de periode van twee jaar, bedoeld in onderdeel b, worden ook de perioden
meegeteld gedurende welke de
betrokkene onder de verantwoordelijkheid tot
ondersteuning bij arbeidsinschakeling van
een ander college van B&W
viel dan het college van B&W dat de
aanvraag bij de CWI doet.
De periode van de
reïntegratieverantwoordelijkheid van het college van B&W wordt tevens niet
geacht te zijn onderbroken indien de
betrokkene gedurende een periode korter dan twee
jaar in verband met ziekte of
gebrek door het college van B&W is
vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Hierbij
wordt opgemerkt dat als die vrijstelling
twee jaar of langer heeft geduurd, het
tweede lid van toepassing is.
Artikel
4, eerste lid,
onderdeel c
Op grond van het eerste lid,
onderdeel c, dient voldoende aannemelijk
te zijn dat betrokkene, als gevolg van
ziekte en gebrek, geen andere functie
kan vervullen dan een functie met een
werktijd van meer dan 65% van een
reguliere voltijdfunctie. Bij het hanteren van het
begrip reguliere voltijdfunctie
wordt als uitgangspunt gehanteerd: 40 uur per week.
Artikel
4, tweede lid
Indien betrokkene gedurende
een periode van twee jaar of langer
onafgebroken door de gemeente is vrijgesteld van de plicht tot
arbeidsinschakeling (bedoeld in artikel 9, eerste lid,
van de Wwb), wordt hij geacht te voldoen
aan de voorwaarden, genoemd in het
eerste lid. Hierbij is wel voorwaarde
dat die vrijstelling is gegeven in verband met
ziekte of gebrek van de betrokkene.
Wanneer van een dergelijke ontheffing van de plicht tot
arbeidsinschakeling sprake is, hoeft dus niet getoetst
te worden of aan de voorwaarden, bedoeld
in artikel 4, eerste lid, wordt
voldaan.
Hierbij wordt opgemerkt dat
als de periode van de ontheffing
korter is dan twee jaar, dit artikellid
geen toepassing vindt, maar het eerste lid,
onderdeel a, onder 2º, en onderdeel b, onder 2º,
wel van toepassing kan zijn.
Tenslotte wordt opgemerkt
dat als de vrijstelling om andere
redenen dan in verband met ziekte of gebrek
is verleend, "gewoon" moet worden
voldaan aan de voorwaarden, bedoeld
in het eerste lid, en de periode van vrijstelling de termijn van twee jaar,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b,
verlengt met de periode dat de
vrijstellingsperiode heeft geduurd.
Artikel
4, derde en vierde
lid
In deze artikelleden is een
samentelregeling opgenomen met betrekking tot
de termijnen, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, onderdeel a, aanhef, en
onderdeel b, aanhef.
Wanneer de onderbreking van
de registratie bij de CWI dan wel van de
reïntegratieverantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders
voor de betrokken persoon langer dan
drie maanden heeft geduurd, wel verband houdt met het verrichten van
arbeid, maar niet met verband houdt
met ziekte of gebrek waarvoor op grond
van artikel 9, tweede lid, van de Wwb
ontheffing is verleend van de
verplichting, bedoeld in artikel 9, eerste
lid, van de Wwb, worden de termijnen
voor en na de onderbreking samengeteld.
Deze samentelregeling geldt
ook wanneer de onderbreking noch verband houdt met het verrichten van arbeid,
noch met ziekte of gebrek
waarvoor op grond van artikel 9, tweede
lid, van de Wwb ontheffing is verleend
van de verplichting, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, van de Wwb. Hierbij is
de periode van de onderbreking niet van
belang, omdat iedere onderbreking
van de termijn om andere reden dan de genoemde in beschouwing wordt genomen
bij het vaststellen van de termijn
van twee jaar.
Met deze samentelregeling
wordt voorkomen dat voor
betrokkene na zo’n onderbreking opnieuw een "wachtperiode" van twee jaar gaat gelden.
Artikel 5 en
6
De CWI
beslist op de
aanvraag van het college van B&W. In dat
besluit, dat overigens een besluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht
is, dient de CWI, op grond van artikel 5,
de datum te vermelden met ingang
waarvan dit besluit geldt. Het besluit
van de CWI dient ook de datum te
vermelden waarop de geldigheid van de
indicatiestelling eindigt. Dit is op grond van
artikel 5 de datum gelegen vijf jaar na
de datum met ingang waarvan dit besluit
geldt, als bedoeld in artikel 4. Dit
biedt de betrokkene de mogelijkheid om een
werkgever te interesseren een
dienstbetrekking met hem aan te gaan. Deze data
zijn van belang voor de termijnen die
betrekking hebben op de premiekorting
en de no-riskpolis. Immers, wanneer
betrokkene binnen vijf jaar na de datum
van de indicatiestelling een dienstbetrekking is aangevangen, kan zijn
werkgever de premiekorting toepassen, en
als de werknemer binnen vijf jaar na aanvang
van de dienstbetrekking
ongeschikt raakt tot werken wegens ziekte, heeft
hij recht op ziekengeld.
Artikel 7
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 29 december 2005.
Hiermee wordt aangesloten bij de inwerkingtreding van de wijziging van de
artikelen die de basis vormen van deze
regeling, welke wijziging ook in
werking treedt met ingang van 29 december
2005.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
|
|