|
REGELING van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van
Financiën van 2 december 2005, Directie Sociale Verzekeringen, nr.
SV/F&W/05/96420, ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen
(Regeling Wfsv)
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van
Financiën;
Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de
Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op de artikelen
13, 17, vijfde en zesde
lid, 34, tweede lid, 40, derde lid,
41, eerste lid, 55,
63, 67, 81,
95,
eerste lid, 96, derde lid, 102, derde lid,
110, derde lid, 119, zesde en
zevende lid, 120, tweede, zevende en achtste lid,
121 en 122 van de
Wet
financiering sociale verzekeringen en de artikelen
2.2, achtste lid, en 2.3, eerste en derde lid, van het Besluit Wfsv;
Besluiten:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art.
1.1.
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- AKW: de Algemene Kinderbijslagwet;
- Anw: de Algemene nabestaandenwet;
- AOW: de Algemene Ouderdomswet;
- AWBZ: de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten;
- IOW: de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen;
- WBIA: de
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria;
- TW: de Toeslagenwet;
- Wet Wajong: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten;
- WAO: de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- Wet SUWI: de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- Wfsv: de Wet financiering
sociale verzekeringen;
- WW: de Werkloosheidswet;
- Wet WIA: de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen;
- ZW: de Ziektewet.
HOOFDSTUK
2
De financiering
van de volksverzekeringen
Art.
2.1.
Begripsbepaling
Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden de landen van het Koninkrijk
der Nederlanden aangemerkt als afzonderlijke mogendheden.
Art.
2.2.
Partnerbegrip
voor vaststelling premie-inkomen
-1. Voor de toepassing van
artikel 8, eerste lid, van de Wfsv wordt
verstaan onder partner:
degene die partner is in de zin van artikel 1.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 en degene die gelet op het derde lid,
onderdeel
b, van laatstbedoeld artikel geen keuze voor behandeling als
binnenlandse belastingplichtige heeft gedaan of heeft kunnen doen.
-2. In afwijking van het eerste lid geldt,
ingeval de premieplichtige en zijn partner beiden belastingplichtig
zijn, de gemaakte keuze, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel b,
van de Wet
inkomstenbelasting 2001, zowel voor de heffing van de
inkomstenbelasting als voor de heffing van de premie voor de
volksverzekeringen.
Art.
2.3.
Uitzonderingen premie-inkomen voor premieheffing
Voor de heffing van premie voor de volksverzekeringen behoren niet tot
het premie-inkomen:
a. uitkeringen op grond van de
socialezekerheidswetgeving van een andere mogendheid die zijn
onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake
uitkeringen bij ouderdom en overlijden van die andere mogendheid;
b. ten aanzien van degene die
verzekerd is en die tevens werkzaamheden verricht of heeft verricht
buiten het Europese deel van Nederland: het gedeelte van het premie-inkomen waarop, op grond
van een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen
Nederland of tussen Nederland ten behoeve van of mede ten behoeve van
Bonaire, Sint Eustatius en Saba en één of meer andere mogendheden van kracht is, de
wetgeving van een andere mogendheid of ten behoeve van Bonaire, Sint
Eustatius en Saba van toepassing is of dat, bij
gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan
premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij
ouderdom en overlijden van een andere mogendheid of ten behoeve van
Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
c. ten aanzien van degene die niet
is uitgezonderd van de verplichte verzekering voor de volksverzekeringen
op grond van de artikelen 13,
eerste lid, onderdeel a, 13,
tweede lid, onderdeel c,
13, derde lid, onderdeel
a, 13, vierde lid,
onderdeel c, 14, eerste
lid, onderdeel a,
15, eerste lid, onderdeel
a, b of c, onder 1º, of 16,
eerste lid, onderdeel a, van het Besluit uitbreiding
en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1999 in verband met het verrichten van de in die
artikelen bedoelde andere werkzaamheden: het belastbare loon uit de
dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij zou zijn uitgezonderd van de
verplichte verzekering voor de volksverzekeringen indien hij die andere
werkzaamheden niet zou hebben verricht.
Art.
2.4.
Premie-inkomen
bij premieplichtigheid over gedeelte kalenderjaar
-1. Ten aanzien van degene die gedurende
een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig is, doch gedurende
die periode wel belastingplichtig is, wordt voor de premieheffing bij
wege van aanslag het premie-inkomen naar tijdsevenredigheid afgeleid van
het premie-inkomen dat in aanmerking zou zijn genomen als de
premieplicht volledig zou zijn samengevallen met de belastingplicht.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt
als premie-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het
premie-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan waarop, op grond van
een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen
Nederland en één of meer andere mogendheden van kracht is, de
wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is of dat, bij
gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan
premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij
ouderdom en overlijden van een andere mogendheid.
Art.
2.5.
Aanpassing maximumpremie-inkomen bij gedeeltelijke premieplicht
anders dan door overlijden
Ten aanzien van degene die gedurende een deel van het kalenderjaar
anders dan door overlijden niet premieplichtig is, wordt voor de
premieheffing bij wege van aanslag als premie-inkomen in aanmerking
genomen het bedrag dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid van het in artikel 8,
derde lid, van de
Wfsv vermelde premie-inkomen dat maximaal in aanmerking zou zijn
genomen indien gedurende het gehele kalenderjaar sprake zou zijn geweest
van premieplicht, tenzij toepassing van de bepalingen in die wet
of van de overige bepalingen in deze regeling tot een lager
premie-inkomen leidt.
Art.
2.6.
Heffingspercentage bij verschillende premiepercentages
Ingeval zich ten aanzien van een verzekerde die in de premieheffing bij
wege van aanslag wordt betrokken in het kalenderjaar tijdvakken voordoen
waarin anders dan ingevolge artikel
11, vierde lid, van de Wfsv
verschillende premiepercentages gelden, wordt van hem de premie geheven
naar een percentage (heffingspercentage) dat is samengesteld uit
tijdsevenredige delen van die verschillende premiepercentages. Het
heffingspercentage wordt afgerond op honderdsten naar beneden.
Art.
2.7.
Tijdsevenredige
vaststelling
Ingeval voor de premieheffing bij wege van aanslag het
heffingspercentage of het premie-inkomen moet worden bepaald door middel
van tijdsevenredige vaststelling, wordt daarbij:
a. een kalenderjaar op 360 dagen gesteld;
b. een kalendermaand op 30 dagen
gesteld;
c. de dag waarop het tijdvak
aanvangt als een gehele dag in aanmerking genomen;
d. de dag waarop het tijdvak
eindigt niet in aanmerking genomen.
HOOFDSTUK
3
De financiering
van de werknemersverzekeringen
AFDELING
1
Vaststelling
loon
§
1. Bepaling loontijdvak bij twee kalenderjaren
Art.
3.1.
Bepaling loontijdvak bij twee kalenderjaren
Voor de toepassing van
artikel 17, eerste en tweede lid, van de Wfsv
wordt een loontijdvak dat zich uitstrekt over twee kalenderjaren geacht te behoren tot het
kalenderjaar waarin het loon over dat loontijdvak wordt
genoten.
§
2. Berekening premieloon bij samenloop
Art.
3.2.
Begrippen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. arbeidsloon: loon uit een dienstbetrekking;
b. uitkering: een uitkering
krachtens de ZW, hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg, de WAO,
de Wet
WIA of de
WW;
c. aanvulling: arbeidsloon dat naar
aard en strekking overeenkomt met een uitkering en door de werkgever, op
grond van een aan zijn werknemer toegekende aanspraak, over dezelfde
periode als waarover de uitkering wordt verstrekt aan de werknemer wordt
betaald.
Art.
3.3.
Uitkering bij
dezelfde werkgever
-1. Indien een werknemer die van één of
meerdere werkgevers arbeidsloon ontvangt vervolgens in plaats van één
of elk van die lonen uitkering en aanvulling ontvangt, wordt het
totaalbedrag van die uitkering en aanvulling voor de toepassing van artikel 17
van de Wfsv geacht bij dezelfde werkgever te
zijn genoten.
-2. Indien het eerste lid toepassing
vindt, blijft bij de berekening van het loon waarnaar de premies op
grond van hoofdstuk 3 van de
Wfsv
worden geheven de aanvulling buiten aanmerking voor zover de aanvulling
en uitkering tezamen meer bedragen dan het bedrag, bedoeld in artikel 17,
eerste lid, van de Wfsv, en blijft bij de
berekening van het loon waarnaar de premie op grond van afdeling 2 van hoofdstuk 3
van de Wfsv wordt geheven de aanvulling
buiten aanmerking voor zover de uitkering minder bedraagt dan het
bedrag, bedoeld in artikel 17, tweede lid,
van de Wfsv.
Art.
3.4.
Samenloop
Indien een werknemer van twee of meer werkgevers arbeidsloon ontvangt en
vervolgens in plaats van één van die lonen een uitkering op grond van
de ZW of op grond van hoofdstuk 3,
afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet
arbeid en zorg ontvangt en in plaats van het overige loon of één
of meer van de overige lonen een uitkering ontvangt, worden deze
uitkeringen, in afwijking van artikel 17,
eerste en tweede lid, van de Wfsv, geacht
niet bij dezelfde werkgever te zijn genoten.
§
3. Berekening premies werknemersverzekeringen
Art.
3.4a. Berekening premies werknemersverzekeringen
-1. De premies die op grond van hoofdstuk
3 van de Wfsv
zijn verschuldigd, worden per loontijdvak met inachtneming van artikel
17, eerste en tweede lid, van die wet
berekend over het verschil tussen het loon dat de werknemer in het
kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld heeft genoten tot en
met dat loontijdvak en het loon dat de werknemer in dat kalenderjaar heeft genoten tot en
met het aan dat loontijdvak voorafgaande loontijdvak.
-2. Indien voor de werknemer gedurende een
loontijdvak verschillende premiepercentages gelden, wordt het op grond
van het eerste lid berekende verschil naar evenredigheid van de lonen
waarvoor die verschillende premiepercentages gelden, aan die lonen
toegerekend.
AFDELING
2
Vaststelling
sectorpremiepercentage
§
1. Premiedifferentiatie uitzendbranche
Art.
3.5.
Definities
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. uitzendbedrijven IA: groepen uitzendkrachten met
administratieve of (para) medische functies krachtens een
uitzendovereenkomst in de zin van artikel 690 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek en op wier uitzendovereenkomst een beding
als bedoeld in artikel 691, tweede lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, werkzaam bij
uitzendbedrijven;
b. uitzendbedrijven IIA: groepen
uitzendkrachten met technische of overige functies krachtens een
uitzendovereenkomst in de zin van artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en op wier uitzendovereenkomst een
beding als bedoeld in artikel 691, tweede lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, werkzaam bij
uitzendbedrijven;
c. intermediaire diensten:
intercedenten en consulenten; filiaalhouders en vestigingsmanagers;
administratief personeel; directie en stafleden; operationele
stafmedewerkers; boekhouding en uitzendadministratie; al het personeel
waarvan de werkzaamheden zijn terug te voeren op het ter beschikking
stellen van arbeidskrachten aan derden, werkzaam bij uitzendbedrijven;
d. uitzendbedrijven IB en IIB:
groepen uitzendkrachten met administratieve, (para)medische functies,
technische of overige functies krachtens een uitzendovereenkomst in de
zin van artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en op wier uitzendovereenkomst niet
een beding als bedoeld in artikel 691, tweede lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, werkzaam bij
uitzendbedrijven;
e. detachering: groepen
uitzendkrachten die niet vallen onder de hierboven genoemde
uitzendbedrijven, werkzaam bij uitzendbedrijven;
f. loonsom: het premieloon vermeerderd met de direct
verstrekte uitkeringen op grond van de ZW in
het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de
premie wordt vastgesteld;
g. ziekengeldlasten: de uitkeringen
in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de
premie wordt vastgesteld die op grond van artikel
104, eerste lid, onderdeel c, van de Wfsv
ten laste van een sectorfonds komen;
h. individuele ziekteverzuimcijfer: het quotiënt van de aan
een werkgever toe te rekenen ziekengeldlasten en de loonsom;
i. gemiddelde ziekteverzuimcijfer:
het quotiënt van de aan een sectoronderdeel toe te rekenen
ziekengeldlasten en de loonsom.
Art.
3.6.
Sectoronderdelen in de sector uitzendbedrijven
De sector uitzendbedrijven wordt ingedeeld in de volgende
sectoronderdelen, bedoeld in artikel 95,
eerste lid, van de Wfsv:
a. uitzendbedrijven IA, met als subpremiegroepen:
1º. uitzendbedrijven IA opslagklasse;
2º. uitzendbedrijven IA middenklasse;
3º. uitzendbedrijven IA kortingsklasse;
b. uitzendbedrijven IIA, met als
subpremiegroepen:
1º. uitzendbedrijven IIA opslagklasse;
2º. uitzendbedrijven IIA middenklasse;
3º. uitzendbedrijven IIA kortingsklasse;
c. intermediaire diensten;
d. uitzendbedrijven IB en IIB;
e. detachering.
Art.
3.7.
Indeling werkgevers binnen uitzendbedrijven IA en IIA
-1. De inspecteur stelt jaarlijks bij voor
bezwaar vatbare beschikking het individuele ziekteverzuimcijfer vast van
een werkgever die is ingedeeld in de sectoronderdelen uitzendbedrijven
IA of IIA.
-2. Het UWV
stelt jaarlijks het gemiddelde ziekteverzuimcijfer vast van de
sectoronderdelen uitzendbedrijven IA en IIA.
-3. Een werkgever die is ingedeeld in het
sectoronderdeel uitzendbedrijven IA wordt nader ingedeeld in:
a. de opslagklasse als het individuele ziekteverzuimcijfer
ten minste 10% hoger is dan het gemiddelde ziekteverzuimcijfer van dat
sectoronderdeel;
b. de middenklasse als het
individuele ziekteverzuimcijfer minder dan 10% hoger of lager is dan het
gemiddelde ziekteverzuimcijfer van dat sectoronderdeel of als geen
individueel ziekteverzuimcijfer is gerealiseerd;
c. de kortingsklasse als het
individuele ziekteverzuimcijfer ten minste 10% lager is dan het
gemiddelde ziekteverzuimcijfer van dat sectoronderdeel.
-4. Een werkgever die is ingedeeld in het
sectoronderdeel uitzendbedrijven IIA wordt nader ingedeeld in:
a. de opslagklasse als het individuele ziekteverzuimcijfer
ten minste 20% hoger is dan het gemiddelde ziekteverzuimcijfer van dat
sectoronderdeel;
b. de middenklasse als het
individuele ziekteverzuimcijfer minder dan 20% hoger of lager is dan het
gemiddelde ziekteverzuimcijfer van dat sectoronderdeel of als geen
individueel ziekteverzuimcijfer is gerealiseerd;
c. de kortingsklasse als het
individuele ziekteverzuimcijfer ten minste 20% lager is dan het
gemiddelde ziekteverzuimcijfer van dat sectoronderdeel.
Art.
3.8.
Vaststelling WW-deel van het sectorpremiepercentage
-1. Het op grond van artikel
2.2, eerste lid, van het Besluit Wfsv
vastgestelde deel van het sectorpremiepercentage ter dekking van de
werkloosheidslasten voor de sector uitzendbedrijven wordt verschillend
vastgesteld voor de sectoronderdelen, genoemd in artikel 3.6.
-2. Per sectoronderdeel wordt het gewogen
gemiddelde vastgesteld van het percentage, bedoeld in het eerste lid.
Art.
3.9.
Vaststelling ZW-deel van het sectorpremiepercentage
-1. Het op grond van artikel
2.2, tweede lid, van het Besluit Wfsv
vastgestelde opslagpercentage ter dekking van de ziekengeldlasten voor
de sector uitzendbedrijven wordt verschillend vastgesteld voor de
subpremiegroepen, genoemd in artikel
3.6, onderdeel a en b.
-2. Per sectoronderdeel wordt een gewogen
gemiddelde vastgesteld van het percentage, bedoeld in het eerste lid.
§
2. Premiedifferentiatie grafische industrie
Art.
3.10.
Sectoronderdelen in de sector grafische industrie
De sector grafische industrie wordt ingedeeld in de volgende
sectoronderdelen, bedoeld in artikel 95,
eerste lid, van de Wfsv:
a. de grafische industrie exclusief het fotografisch
bedrijf, bedoeld in onderdeel b;
b. het fotografisch bedrijf, al of
niet verbonden met een detailhandel in fotoartikelen, bedoeld in sector
9, onderdeel 5, zoals opgenomen in bijlage 1
bij deze regeling.
Art.
3.11.
Vaststelling WW-deel en ZW-deel van het sectorpremiepercentage
-1. Het op grond van artikel
2.2, eerste lid, van het Besluit Wfsv
vastgestelde deel van het sectorpremiepercentage ter dekking van de
werkloosheidslasten en het op grond van artikel
2.2, tweede lid, van het Besluit Wfsv
vastgestelde opslagpercentage ter dekking van de ziekengeldlasten voor
de sector grafische industrie worden verschillend vastgesteld voor de
sectoronderdelen, genoemd in artikel 3.10.
-2. Het deel van het
sectorpremiepercentage ter dekking van de werkloosheidslasten wordt per
sectoronderdeel berekend aan de hand van het gemiddelde risico per
sectoronderdeel over de laatste vier jaar.
-3. Het opslagpercentage ter dekking van
de ziekengeldlasten wordt per sectoronderdeel berekend aan de hand van
het gemiddelde risico per sectoronderdeel over de laatste vier jaar.
§
3. Premiedifferentiatie sectorfondsen
Art.
3.12.
Vaststelling
verschillende sectorpremiepercentages
-1. Het sectorpremiepercentage voor de
werknemer op wie artikel
2.3, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit Wfsv
van toepassing is, verhoudt zich:
a. voor de sectoren, bedoeld in artikel 2.3,
eerste lid, onderdeel b tot en met e, van het Besluit Wfsv,
als ten minste 1 staat tot 5 tot het sectorpremiepercentage voor de
werknemer op wie artikel 2.3, tweede
lid, onderdeel b, van dat
besluit van toepassing is;
b. voor de sector, bedoeld in artikel 2.3,
eerste lid, onderdeel a, van het Besluit Wfsv,
als ten minste 1 staat tot 7 tot het sectorpremiepercentage voor de
werknemer op wie artikel 2.3, tweede
lid, onderdeel b, van dat
besluit van toepassing is.
-2. Het sectorpremiepercentage, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a en b, kan ten hoogste 12,5 procent bedragen.
-3. In afwijking van het eerste en tweede
lid blijft het maximumsectorpremiepercentage, bedoeld in het tweede lid,
buiten toepassing indien dit ertoe zou leiden dat de verhouding, bedoeld
in het eerste lid, kleiner is dan 1 staat tot 5.
Art.
3.13.
Gelijkstelling
vaststelling sectorpremiepercentage
-1. Voor de vaststelling van het
sectorpremiepercentage worden met de werknemer op wie artikel
2.3, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit
Wfsv van toepassing is, gelijkgesteld:
a. scholieren en studenten die blijkens een schriftelijke
overeenkomst ten hoogste acht aaneengesloten weken per kalenderjaar in
dienstbetrekking zullen staan tot dezelfde werkgever;
b. de werknemer die de
beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een
beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a
tot en met e, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, op de grondslag van een overeenkomst
als bedoeld in artikel 7.2.8, gesloten door de partijen, genoemd in
artikel 7.2.9 van die
wet, en mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende
kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid,
onderdeel a, wordt onder scholieren en studenten verstaan:
a. de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal
recht heeft op een gift, een voorwaardelijke gift of een prestatiebeurs
op grond van de Wet
studiefinanciering 2000 of de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
b. de werknemer die bij het begin
van het kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming
op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
c.
de werknemer voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht
bestaat op kinderbijslag op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet;
d.
de werknemer die bij het begin van het kalenderkwartaal staat
ingeschreven bij een onderwijsinstelling waar hij een voltijdse
opleiding volgt en die inwoner is van een lidstaat van de Europese Unie,
van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte of van Zwitserland.
-3. Voor de toepassing van het eerste
lid, onderdeel a, bewaart de werkgever bij zijn loonadministratie
een schriftelijke door de werknemer gedagtekende en ondertekende
verklaring dat ten zijnen aanzien het kalenderkwartaal als loontijdvak
kan worden aangemerkt alsmede:
a. ingeval het tweede lid,
onderdeel
a, van toepassing is, het correspondentienummer;
b. ingeval het tweede lid,
onderdeel
b, van toepassing is, het onderwijsnummer;
c. ingeval het tweede lid,
onderdeel
c, van toepassing is, het registratienummer;
d. ingeval het tweede lid,
onderdeel
d, van toepassing is, een kopie van een internationale
studentenkaart als bedoeld in artikel 64, tweede lid, onderdeel d,
van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001.
-4. Voor de toepassing van het eerste lid,
onderdeel b, bewaart de werkgever een afschrift van de in dat
onderdeel genoemde overeenkomst bij de loonadministratie.
Art.
3.13a. Vervallen.
§
4. Inlooptermijn dekkingssaldi
Art.
3.14. Verlenging inlooptermijn
Ten behoeve van de vaststelling van
het sectorpremiepercentage, bedoeld in artikel
2.2, eerste lid, van het Besluit
Wfsv, voor het jaar 2012 wordt de termijn van drie kalenderjaren,
bedoeld in artikel 2.2, derde, vijfde
en zesde lid, van het Besluit
Wfsv, verlengd tot vijf kalenderjaren.
AFDELING
3
Eigen
risico dragen
Art.
3.15.
Ontheffing
garantieplicht overheidswerkgevers
Als overheidswerkgever als bedoeld in artikel 40,
derde lid, van de Wfsv worden aangewezen:
a. de Koning, ten aanzien van door hem in dienst genomen
overheidswerknemers die bij de Koninklijke Hofhouding werkzaam zijn en
uit dien hoofde onder de Pensioenregeling van de Stichting tot
verzorging van de pensioenen van het personeel van de Koninklijke
Hofhouding van het Huis van Oranje-Nassau vallen;
b. het Rijk, de provincies,
de gemeenten en de waterschappen;
c. rechtspersonen, anders dan
bedoeld in onderdeel b, die:
1º. bij of krachtens de wet zijn
ingesteld; en
2º. overheidswerknemers rechtstreeks ten laste van de
rechtspersoon bezoldigen of belonen.
AFDELING
4
Verhaal op
werknemer
Art.
3.16.
Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder eigenrisicodrager: de werkgever
aan wie op grond van artikel 40 van de
Wfsv toestemming is verleend het risico te
dragen van de betalingen, bedoeld in artikel 40,
eerste lid, van de Wfsv.
Art.
3.17.
Bepaling
kosten verhaal eigenrisicodrager
-1. Voor de eigenrisicodrager die ter
dekking van het risico, bedoeld in artikel
40, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv,
een verzekering heeft gesloten, bedragen de kosten die op grond van artikel 41,
eerste lid, van de Wfsv
voor verhaal op de werknemer in aanmerking komen de door hem
verschuldigde premie, voor zover die premie betrekking heeft op
verzekering van dat risico.
-2. Voor de werkgever die ter dekking van
het risico, bedoeld in artikel 40, eerste
lid, onderdeel b, van de Wfsv, geen
verzekering heeft gesloten, worden de kosten die op grond van artikel 41,
eerste lid, van de Wfsv
voor verhaal op een werknemer in aanmerking komen, vastgesteld op een
percentage van het loon van de werknemer.
-3. Het percentage, bedoeld in het tweede
lid, wordt bepaald door het totaal van de in het kalenderjaar waarvoor
de premie wordt vastgesteld te verwachten betalingen van WGA-uitkeringen
of in het voorgaande kalenderjaar betaalde WGA-uitkeringen ¹
overeenkomstig artikel 82
van de Wet
WIA
te delen door het totaal van het premieplichtig loon dat in dat
kalenderjaar ten laste komt of is gekomen van de
eigenrisicodrager. Dit percentage bedraagt ten hoogste 1,5 maal de
gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel
2.14, eerste lid, van het Besluit
Wfsv, die ten hoogste op de werkgever van toepassing zou zijn indien
hij geen eigenrisicodrager zou zijn.
-4. Indien na afloop van het kalenderjaar
blijkt dat de te verwachten bedragen in een kalenderjaar afwijken van de gerealiseerde bedragen, kan, indien dit zou leiden tot
een ander bedrag van de kosten voor het verhaal, het bedrag van het
verhaal in het kalenderjaar volgend op dat kalenderjaar worden herzien tot ten hoogste het bedrag,
bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de Wfsv.
1. WGA: werkhervatting
gedeeltelijk arbeidsgeschikten als bedoeld in hoofdstuk
7 van de Wet WIA, red.
Art.
3.18.
Vervallen.
AFDELING
5
Premiekortingen
en overgangsrecht premievrijstelling oudere werknemers
Art.
3.19.
Aangiftetijdvak
In deze afdeling wordt onder aangiftetijdvak verstaan: het tijdvak,
waarover premies werknemersverzekeringen worden betaald.
Art.
3.20.
Nieuwe dienstbetrekking bij dezelfde werkgever na volledig genoten
premiekortingsperioden
-1. De werkgever kan de premiekorting,
bedoeld in de artikelen 47, eerste lid, en 49, eerste lid, van de Wfsv,
niet toepassen indien de werknemer binnen drie jaar na ommekomst van de
in die artikelleden bedoelde periode van drie jaar, na beëindiging van de
dienstbetrekking, wederom bij die werkgever in dienst treedt.
-2. De werkgever kan de premiekorting,
bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de Wfsv,
niet toepassen indien de werknemer binnen één jaar na ommekomst van de
in artikel 49, tweede lid bedoelde periode
van één jaar, na beëindiging van de dienstbetrekking, wederom bij die
werkgever in dienst treedt.
Art.
3.21.
Nieuwe dienstbetrekking bij dezelfde werkgever na niet volledig
genoten premiekortingsperiode
-1. Indien een werkgever niet gedurende
een periode van in totaal drie respectievelijk één jaar premiekorting
als bedoeld in artikel 47, eerste lid, en 49, eerste
lid, respectievelijk artikel 49, tweede
lid, van de Wfsv
heeft toegepast:
a. worden dienstbetrekkingen bij dezelfde werkgever die
elkaar met tussenpozen van minder dan drie maanden opvolgen, geacht niet
te zijn onderbroken en worden de perioden waarin de premiekorting wordt
toegepast, opgeteld totdat in totaal drie respectievelijk één jaar
premiekorting is toegepast;
b. kan indien dienstbetrekkingen
bij dezelfde werkgever elkaar met tussenpozen van drie maanden of meer,
doch ten hoogste drie jaar opvolgen, de premiekorting niet opnieuw
worden toegepast en beslaat de premiekortingsperiode de periode vanaf
het moment dat de eerdere premiekortingsperiode een aanvang nam totdat
respectievelijk drie of één jaar zijn verstreken, zonder dat over de
tussenliggende periode premiekorting is toegepast.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing indien de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in de
onderdelen a of b van dat lid, niet is onderbroken,
maar in de genoemde periode geen premiekorting kon worden toegepast.
Art.
3.22.
Premiekortingsperioden bij overgang van ondernemingen
-1. In geval van overgang van een
onderneming als bedoeld in Boek
7, titel 10, afdeling 8, van het Burgerlijk Wetboek, waarbij door de
werkgever die de onderneming overdraagt de premiekorting als bedoeld in artikel
47, eerste lid, of artikel
49 van de Wfsv
is toegepast, wordt voor de toepassing van genoemde artikelen de
premiekorting aangemerkt als een premiekorting toegepast door de
werkgever die de onderneming overneemt.
-2. Indien slechts een deel van de
onderneming overgaat als bedoeld in het eerste lid, vindt het eerste lid
uitsluitend toepassing indien de werknemers voor wie premiekortingen
zijn toegepast als bedoeld in het eerste lid, hun werkzaamheden
uitoefenen bij het deel van de onderneming dat wordt overgenomen.
Art.
3.23. Ingangsdatum toepassing premiekorting werknemer van 62
jaar of ouder
Indien voor een werknemer die de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt
premiekorting wordt toegepast op grond van artikel
47, eerste lid, van de Wfsv, wordt de
premiekorting op grond van artikel 47,
derde lid, van de Wfsv toegepast met ingang
van de eerste dag van het aangiftetijdvak waarin de termijn van drie
jaar, bedoeld in artikel 47, eerste lid,
van de Wfsv, verstrijkt. De toepassing van de
premiekorting, bedoeld in artikel 47,
eerste lid, van de Wfsv, eindigt met ingang
van die dag.
Art.
3.24. Evenredige vermindering premiekorting
-1. Indien de dienstbetrekking met de
werknemer niet aanvangt respectievelijk eindigt op de eerste dag
respectievelijk laatste dag van het aangiftetijdvak, wordt het bedrag
van de premiekorting, bedoeld in artikel 47,
eerste en derde lid, en 122b,
eerste lid, van de Wfsv, over dat
aangiftetijdvak vermenigvuldigd met de factor A/B, waarbij:
A staat voor: het aantal kalenderdagen in dat aangiftetijdvak dat de
werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot de werkgever;
B staat voor: het totale aantal kalenderdagen in dat aangiftetijdvak.
-2. Indien een werknemer in het
aangiftetijdvak werkzaam is in een dienstbetrekking waarin de beloning
voor de arbeid niet is gebaseerd op overeengekomen arbeidsduur, wordt
voor de toepassing van artikel 48 van de Wfsv
bij een loon van ten minste het voor hem geldende wettelijk
minimumloon per 1 januari van het kalenderjaar waarvoor de premie
wordt vastgesteld, de
werknemer geacht ten minste 36 uur per week te hebben gewerkt. Indien
het loon in dat aangiftetijdvak minder is dan het voor hem geldende
wettelijk minimumloon per 1 januari van het kalenderjaar waarvoor de
premie wordt vastgesteld, dan
wordt het in de eerste zin bedoelde aantal uren per week naar
evenredigheid verminderd met een factor C/D, waarbij:
C staat voor: het loon dat uit de dienstbetrekking wordt genoten in het
aangiftetijdvak;
D staat voor: het voor de werknemer geldende wettelijk minimumloon per
1 januari van het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld.
Art.
3.24a. Verrekening premiekorting
De werkgever kan de premiekorting, bedoeld in de artikelen
47, eerste en derde lid, en 49, eerste
lid, van de Wfsv,
uitsluitend verrekenen met het totaal van de verschuldigde premies,
bedoeld in artikel 47, eerste lid,
onderscheidenlijk 49, eerste lid, van de Wfsv,
in het kalenderjaar waarin recht bestaat op de premiekorting.
Art.
3.25. Nadere regels overgangsrecht premievrijstelling oudere
werknemers
-1. In geval van overgang van een
onderneming als bedoeld in Boek
7, titel 10, afdeling 8, van het Burgerlijk Wetboek, waarbij de
werkgever die de onderneming overdraagt de premievrijstelling, bedoeld
in artikel 122c van de Wfsv,
toepast, wordt de toepassing van artikel 122c
van de Wfsv voortgezet door de werkgever die
de onderneming overneemt, voor zover de werknemer voor wie artikel
122c van de Wfsv werd toegepast de
werkzaamheden uitoefent in de onderneming die wordt overgenomen.
-2. De toepassing van de premievrijstelling
op grond van artikel 122c van de Wfsv
eindigt met ingang van de dag waarop de werkgever de premiekorting op
grond van artikel 47, derde lid, van de Wfsv
toepast.
Art.
3.26. Premiekorting oudere werknemer bij nieuwe
dienstbetrekking bij dezelfde werkgever na toepassing premievrijstelling
De werkgever kan de premiekorting, bedoeld in artikel
47, eerste lid, van de Wfsv, niet toepassen
bij een dienstbetrekking met een werknemer die aanvangt binnen zes
maanden na het eindigen van de dienstbetrekking met diezelfde werknemer,
waarbij de werkgever voor het in dienst nemen van die werknemer recht op
premievrijstelling had op grond van artikel 47,
eerste lid, aanhef en onder a, van de Wfsv,
zoals dat artikel luidde op 31 december 2008.
HOOFDSTUK
4
Gemoedsbezwaarden
Art.
4.1.
Gemoedsbezwaarden
-1. De persoon die gemoedsbezwaren heeft
tegen één van de verzekeringen geregeld in de AOW,
de Anw, de
AWBZ, de ZW, de WAO,
de
Wet WIA en de WW,
alsmede de rechtspersoon waarbij natuurlijke personen betrokken zijn die
zodanige gemoedsbezwaren hebben, kan op zijn verzoek door de SVB
worden ontheven van verplichtingen hem bij de Wfsv
of één van de andere in dit artikel genoemde wetten opgelegd.
-2. In afwijking van het eerste lid kan
geen ontheffing worden verleend van de verplichtingen, bedoeld in artikel 54
van de
AWBZ, de artikelen 13
en
49 van de ZW, de artikelen 12
en 80
van de WAO, de artikelen 27
en
33 van de Wet WIA
en de
artikelen 13 en 25
van de WW.
Art.
4.2.
Indiening verzoek gemoedsbezwaarden
-1. Het verzoek geschiedt door indiening
bij de SVB van een door de verzoeker
ondertekende verklaring, waarvan het model door de SVB wordt
vastgesteld.
-2. Deze verklaring houdt ten minste in
dat degene die de verklaring indient overwegende gemoedsbezwaren heeft
tegen elke vorm van verzekering, dat hij mitsdien noch zichzelf, noch
iemand anders, noch zijn eigendommen heeft verzekerd.
-3. Voor zover de volksverzekeringen in
het geding zijn, blijkt uit de verklaring tevens of degene die haar
indient de in deze wetten geregelde
voorzieningen al dan niet als verzekeringen beschouwt.
-4. Uit een door een werkgever bij de SVB
ingediende verklaring blijkt of deze ook gemoedsbezwaren heeft tegen de
nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen.
Art.
4.3.
Verzoek
rechtspersoon
-1. Wanneer het verzoek een rechtspersoon
betreft, wordt de verklaring ingediend bij de SVB
door het op grond van een wettelijk voorschrift of statuten van die
rechtspersoon daartoe bevoegde orgaan.
-2. Onverminderd artikel 4.2
houdt de verklaring, bedoeld in het eerste lid, tevens in dat de
natuurlijke personen die behoren tot het orgaan dat op grond van een
wettelijk voorschrift of de statuten bevoegd is te besluiten de
ontheffing aan te vragen in meerderheid overwegende gemoedsbezwaren
hebben.
-3. Bij het verzoek, bedoeld in het eerste
lid, worden gevoegd:
a. een afschrift van de aan elk van de tot de in het tweede
lid bedoelde meerderheid behorende natuurlijke personen verleende
ontheffing, bedoeld in artikel 4.1;
b. een gewaarmerkt afschrift van de
statuten van de rechtspersoon; en
c. een gewaarmerkt afschrift van de
notulen van de vergadering waarin het besluit tot het aanvragen van de
ontheffing is genomen.
Art.
4.4.
Ontheffing
De SVB verleent de ontheffing indien de
verklaring naar haar mening overeenkomstig de waarheid is. Aan een
werkgever die heeft verklaard geen gemoedsbezwaren te hebben tegen de
nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen kan op die
grond een ontheffing van de hem anders dan in zijn hoedanigheid van
werkgever opgelegde verplichtingen niet worden geweigerd.
Art.
4.5.
Volksverzekeringen
Voor zover volksverzekeringen in het geding zijn, wordt, indien de
verzoeker heeft verklaard dat hij de in één of meer van de genoemde
wetten geregelde voorzieningen niet als verzekering beschouwt, geen
ontheffing verleend van de in die wet of wetten opgelegde
verplichtingen.
Art.
4.6.
Bewijs
ontheffing
Van de verleende ontheffing wordt door de SVB
aan de verzoeker een bewijs uitgereikt, waarvan het model wordt
vastgesteld door de SVB.
Art.
4.7.
Openbaarmaking
ontheffing
Degene die is ontheven van zijn verplichtingen als werkgever is
verplicht te zorgen dat het hem uitgereikte bewijs van ontheffing of een
afschrift daarvan wordt en blijft opgehangen op een plaats die vrij
toegankelijk is voor alle in zijn dienst zijnde werknemers en waar deze
geregeld plegen te komen, op zodanige wijze dat van hetgeen op het
desbetreffende stuk staat vermeld gemakkelijk kan worden kennisgenomen.
Art.
4.8.
Mededeling
ontheffing
-1. Indien degene aan wie ontheffing is
verleend aan de loonbelasting is onderworpen, is hij verplicht van de
hem verleende ontheffing mededeling te doen aan degene die de inhouding
verricht, door het tonen aan laatstbedoelde van het uitgereikte bewijs
van ontheffing.
-2. Voor de werknemer die niet aan de
loonbelasting is onderworpen, geldt dezelfde verplichting ten opzichte
van diens werkgever.
Art.
4.9.
Intrekking
ontheffing
-1. Een ontheffing wordt door de SVB
ingetrokken:
a. op verzoek van degene aan wie de ontheffing is verleend;
b. indien naar het oordeel van de
SVB de gemoedsbezwaren op grond waarvan de ontheffing is verleend niet
langer geacht kunnen worden te bestaan.
-2. De ontheffing kan worden ingetrokken
indien verplichtingen die nog op de degene aan wie ontheffing is
verleend, rusten ingevolge de in
artikel 4.1 genoemde wetten, of die hem bij deze regeling zijn
opgelegd, niet door hem worden nageleefd.
-3. De SVB kan bij de intrekking tevens
bepalen dat een verzoek om ontheffing gedaan binnen twee jaren na de
dagtekening van de intrekking enkel op die grond niet-ontvankelijk kan
worden verklaard.
-4. Degene wiens ontheffing is
ingetrokken, is verplicht binnen drie dagen na de dagtekening van de
desbetreffende kennisgeving het bewijs van ontheffing terug te geven aan
de SVB.
-5. Indien degene wiens ontheffing is
ingetrokken aan de loonbelasting is onderworpen, doet de SVB van de
intrekking mededeling aan degene die de inhouding verricht.
-6. Ten aanzien van de werknemer die niet
aan de loonbelasting is onderworpen, wordt eenzelfde mededeling als
bedoeld in het vorige lid gedaan aan diens werkgever.
-7. Artikel 4.9 vindt
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de mededeling van de
intrekking van de ontheffing.
-8. Onverminderd het overigens in dit
artikel bepaalde vervalt de ontheffing die is verleend aan een
rechtspersoon, na verloop van vijf jaar na de datum van ingang van de
ontheffing. Met ingang van de datum waarop een ontheffing is vervallen,
kan een nieuwe ontheffing worden verleend.
Art.
4.10.
Weigering
uitkering
In geval van intrekking van een ontheffing van verplichtingen als
werknemer is het UWV bevoegd artikel
44 van de ZW toe te passen indien
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte, anders dan wegens zwangerschap
en bevalling, bestond op de dag van intrekking van de ontheffing, dan
wel is ingetreden binnen vier weken na die dag. Op deze termijnen is de Algemene
termijnenwet niet van toepassing.
HOOFDSTUK
5
De fondsen
AFDELING
1
Werknemersverzekeringen
§
1. Indeling in sectoren
Art.
5.1.
Indeling in
sectoren
Het bedrijfs- en beroepsleven wordt ingedeeld in de volgende genummerde
sectoren, bedoeld in artikel 95 van de
Wfsv:
1. Agrarisch bedrijf
2. Tabakverwerkende industrie
3. Bouwbedrijf
4. Baggerbedrijf
5. Hout- en emballage-industrie, houtwaren- en borstelindustrie
6. Timmerindustrie
7. Meubel- en orgelbouwindustrie
8. Groothandel in hout, zagerijen, schaverijen en
houtbereidingsindustrie
9. Grafische industrie
10. Metaalindustrie
11. Elektrotechnische industrie
12. Metaal- en technische bedrijfstakken
13. Bakkerijen
14. Suikerverwerkende industrie
15. Slagersbedrijven
16. Slagers overig
17. Detailhandel en ambachten
18. Reiniging
19. Grootwinkelbedrijf
20. Havenbedrijven
21. Havenclassificeerders
22. Binnenscheepvaart
23. Visserij
24. Koopvaardij
25. Vervoer KLM
26. Vervoer NS
27. Vervoer posterijen
28. Taxivervoer
29. Openbaar vervoer
30. Besloten busvervoer
31. Overig personenvervoer te land en in de lucht
32. Overig goederenvervoer te land en in de lucht
33. Horeca algemeen
34. Horeca catering
35. Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen
38. Banken
39. Verzekeringswezen
40. Uitgeverij
41. Groothandel I
42. Groothandel II
43. Zakelijke Dienstverlening I
44. Zakelijke Dienstverlening II
45. Zakelijke Dienstverlening III
46. Zuivelindustrie
47. Textielindustrie
48. Steen-, cement-, glas- en keramische industrie
49. Chemische industrie
50. Voedingsindustrie
51. Algemene industrie
52. Uitzendbedrijven
53. Bewakingsondernemingen
54. Culturele instellingen
55. Overige takken van bedrijf en beroep
56. Schildersbedrijf
57. Stukadoorsbedrijf
58. Dakdekkersbedrijf
59. Mortelbedrijf
60. Steenhouwersbedrijf
61. Overheid, onderwijs en wetenschappen
62. Overheid, Rijk, politie en rechterlijke macht
63. Overheid, Defensie
64. Overheid, provincies,
gemeenten en waterschappen
65. Overheid, openbare nutsbedrijven
66. Overheid, overige instellingen
67. Werk en (re)integratie
68. Railbouw
69. Telecommunicatie
Art.
5.2.
Werkzaamheden in bijlage
Tot elke sector van het bedrijfs- en beroepsleven worden gerekend de
werkzaamheden verricht in de takken van bedrijf of beroep of gedeelten
daarvan welke in de bij deze regeling behorende bijlage 1
zijn vermeld. Werkzaamheden die een overheidswerkgever als werkgever
doet verrichten, worden gerekend tot één van de sectoren 61 tot en met
66.
Art.
5.3.
Werkzaamheden niet in bijlage
Werkzaamheden verricht in takken van bedrijf en beroep welke niet in bijlage 1
bij deze regeling zijn vermeld, worden geacht te behoren tot een sector
van het bedrijfs- en beroepsleven waartoe takken van bedrijf en beroep
behoren waarin werkzaamheden worden verricht welke naar de aard het
meest met de eerstbedoelde werkzaamheden overeenkomen.
Art.
5.4.
Concernregelen en aansluiting van nevenbedrijven en
neveninstellingen
-1. De inspecteur kan op aanvraag van
twee of meer werkgevers wier bedrijven of instellingen in juridisch
opzicht zelfstandig zijn, doch tot een economische of organisatorische
eenheid behoren, bij voor bezwaar vatbare beschikking beslissen dat deze
werkgevers aangesloten zijn bij dezelfde sector. Deze werkgevers worden
aangesloten in de sector waaronder de werkzaamheden ressorteren voor
welke door de gezamenlijke werkgevers het grootste bedrag aan
premieplichtig loon wordt betaald of vermoedelijk zal worden betaald,
tenzij de inspecteur in verband met de maatschappelijke functie van het
geheel van deze bedrijven of instellingen anders beslist.
-2. In afwijking van het eerste lid kan de
inspecteur op verzoek van een werkgever bij voor bezwaar vatbare
beschikking beslissen dat de werkgever vanaf een bij de beslissing aan
te wijzen datum is aangesloten bij de sector waaronder de werkzaamheden
van die werkgever ressorteren.
-3. De inspecteur kan op aanvraag van
werkgevers wier bedrijven of instellingen dermate sterk verbonden zijn
met een bepaalde tak van bedrijf of beroep dat deze bedrijven of
instellingen geacht kunnen worden nevenbedrijven of neveninstellingen te
zijn van deze tak van bedrijf of beroep, bij voor bezwaar vatbare
beschikking beslissen dat deze bedrijven of instellingen aangesloten
worden bij de sector waaronder de bedoelde tak van bedrijf of beroep
ressorteert.
-4. De inspecteur kan, ambtshalve of op
verzoek van één of meer werkgevers, bij voor bezwaar vatbare
beschikking beslissen dat de aansluiting van één of meer werkgevers
bij een sector wordt gewijzigd of ingetrokken vanaf een bij de
beslissing aan te wijzen datum.
Art.
5.5.
Aansluiting van werkgevers bij de sectoren Metaalindustrie,
Elektrotechnische industrie of Metaal- en technische bedrijfstakken
-1. De werkgever die in verband met het
aantal arbeidsuren van de werknemers in dienst van zijn onderneming is
aangesloten bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken, is de
eerste dag in het eerstvolgende kalenderjaar na afloop van de hierna
bedoelde periode aangesloten bij de sector Metaalindustrie of de sector
Elektrotechnische industrie indien het bedoeld aantal arbeidsuren per
week in de onderneming, rekening houdende met het in de bedrijfstak
geldende normale aantal arbeidsuren per week in de onderneming,
gedurende een ononderbroken periode van onderscheidenlijk drie, twee of
één jaar, te rekenen vanaf 1 januari van enig jaar, ten minste heeft
bedragen onderscheidenlijk 1200, 2000 of 3000.
-2. De werkgever die in verband met het
aantal arbeidsuren van de werknemers in dienst van zijn onderneming is
aangesloten bij de sector Metaalindustrie of de sector Elektrotechnische
industrie, is de eerste dag in het eerstvolgende kalenderjaar na afloop
van de hierna bedoelde periode aangesloten bij de sector Metaal- en
technische bedrijfstakken indien het bedoeld aantal arbeidsuren per week
in de onderneming, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende
normale aantal arbeidsuren per week in de onderneming, gedurende een
ononderbroken periode van onderscheidenlijk drie, twee of één jaar, te
rekenen vanaf 1 januari van enig jaar, minder heeft bedragen dan
onderscheidenlijk 1200, 800 of 400.
-3. In geval van rechtsopvolging van een
werkgever als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt voor de
toepassing van deze leden aangenomen dat sprake is van eenzelfde
aansluiting.
Art.
5.6.
Overgangsbepaling
-1. Ondernemingen waarvan de
bedrijfsuitoefening uitsluitend of in overwegende mate behoort tot de in bijlage 1
bij deze regeling bij de sectoren Metaalindustrie, Elektrotechnische
industrie en Metaal- en technische bedrijfstakken genoemde takken van
bedrijf of beroep waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium van
het aantal werknemers van toepassing is en die als werkgever zijn
ingedeeld bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken, doch
waarbij op genoemde datum gedurende een ononderbroken periode van vier,
drie, twee of één jaar respectievelijk ten minste 30, 50, 100 of 150
werknemers ten behoeve van bedoelde bedrijfsuitoefening in dienst waren,
blijven aangesloten bij de sector Metaal- en technische bedrijfstakken.
-2. Ondernemingen waarvan de
bedrijfsuitoefening uitsluitend of in overwegende mate behoort tot de in bijlage 1
bij deze regeling bij de sector Metaalindustrie en de sector Metaal- en
technische bedrijfstakken genoemde takken van bedrijf of beroep waarop
het tot 1 januari 1985 geldende criterium van het aantal werknemers van
toepassing is en die als werkgever zijn ingedeeld bij de sector
Metaalindustrie, doch waarbij op genoemde datum gedurende een
ononderbroken periode van vier, drie, twee of één jaar respectievelijk
minder dan 30, 15, 10 of 5 werknemers ten behoeve van bedoelde
bedrijfsuitoefening in dienst waren, blijven aangesloten bij de sector
Metaalindustrie.
-3. Ondernemingen waarvan de
bedrijfsuitoefening uitsluitend of in overwegende mate behoort tot de in bijlage 1
bij deze regeling bij de sector Elektrotechnische industrie en de sector
Metaal- en technische bedrijfstakken genoemde takken van bedrijf of
beroep waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium van het aantal
werknemers van toepassing is en die als werkgever zijn ingedeeld bij de
sector Elektrotechnische industrie, doch waarbij op genoemde datum
gedurende een ononderbroken periode van vier, drie, twee of één jaar
respectievelijk minder dan 30, 15, 10 of 5 werknemers ten behoeve van
bedoelde bedrijfsuitoefening in dienst waren, blijven aangesloten bij de
sector Elektrotechnische industrie.
-4. In geval van rechtsopvolging van een
werkgever als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid wordt voor de
toepassing van deze leden aangenomen dat sprake is van eenzelfde
aansluiting.
Art.
5.7.
Generaalpardonregeling
-1. Een werkgever als bedoeld in artikel 5.6
of de ondernemingsraad die aan de onderneming van die werkgever is
verbonden, kan aan de inspecteur verzoeken te beslissen dat die
werkgever is aangesloten bij die sector waarbij hij op grond van artikel 5.5
en zonder het bepaalde in artikel 5.6
zou zijn aangesloten.
-2. Een verzoek als bedoeld in het eerste
lid wordt ingewilligd indien tussen de werkgever en de aan zijn
onderneming verbonden ondernemingsraad daarover overeenstemming bestaat.
-3. Indien geen ondernemingsraad is
verbonden aan de onderneming van de in het eerste lid bedoelde
werkgever, treden de gezamenlijke werknemers in alle rechten van een
ondernemingsraad wat betreft het in het eerste en tweede lid gestelde,
met dien verstande dat als oordeel van de gezamenlijke werknemers geldt
de met meerderheid van stemmen door hen ter zake uitgesproken mening.
Art.
5.8.
Aansluiting van werkgevers bij de sector Gezondheid, geestelijke en
maatschappelijke belangen
-1. Ondernemingen waarvan de
bedrijfsuitoefening uitsluitend of in overwegende mate behoort tot de in bijlage 1
bij deze regeling bij de sector Gezondheid, geestelijke en
maatschappelijke belangen onder de punten 1 tot en met 15, 20, 24 tot en
met 26 en 29 genoemde takken van bedrijf en beroep zijn ten aanzien van
alle werkzaamheden van rechtswege aangesloten bij deze sector.
-2. De inspecteur kan bij voor bezwaar
vatbare beschikking beslissen dat een werkgever ten aanzien van bepaalde
werkzaamheden vanaf een bij de beslissing aan te wijzen datum is
aangesloten bij een andere sector, indien:
a. die werkzaamheden behoren tot het onderdeel van het
bedrijfs- en beroepsleven dat onder die andere sector ressorteert;
b. die werkzaamheden niet geacht
kunnen worden voort te vloeien uit het in het eerste lid bedoelde
bedrijf of beroep van de werkgever; en
c. die werkzaamheden niet
uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van dat bedrijf of beroep worden
verricht.
-3. De inspecteur kan, ambtshalve of op
verzoek van een werkgever, bij voor bezwaar vatbare beschikking
beslissen dat de aansluiting van een werkgever ten aanzien van bepaalde
werkzaamheden bij een sector als bedoeld in het tweede lid, wordt
gewijzigd of ingetrokken vanaf een bij de beslissing aan te wijzen
datum.
§
2. Vergoeding remigratiebijdragen
Art.
5.9.
Vergoeding
remigratiebijdragen
-1. Het UWV
vergoedt, met inachtneming van de artikelen 102,
eerste en tweede lid, en 110, eerste en
tweede lid, van de Wfsv, per kalenderjaar aan
de Minister voor Wonen, Werken en
Integratie de door de SVB in dat jaar aan
werknemers toegekende remigratiebijdragen, doch ten hoogste tot een
bedrag gelijk aan het totaal van de uitkeringen die op grond van de
WW in dat kalenderjaar waarin remigratiebijdragen zijn verstrekt,
aan deze werknemers hadden moeten worden betaald indien zij werkloos
waren gebleven en niet naar een bestemmingsland als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel e, van de Remigratiewet
waren vertrokken.
-2. Onder remigratiebijdrage als bedoeld
in het eerste lid wordt verstaan: een periodieke uitkering als bedoeld
in artikel 4, eerste lid, van de Remigratiewet
of een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Remigratiewet.
Art.
5.10.
Informatieverplichting SVB
Binnen twee maanden na afloop van enig kalenderjaar verstrekt de SVB
aan het UWV een lijst met namen van de
werknemers, bedoeld in
artikel 5.9, eerste lid, alsmede een overzicht van de aan hen in dat
jaar verstrekte remigratiebijdragen.
Art.
5.11.
Betalingsverplichting UWV
Binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar, bedoeld in
artikel 5.10, betaalt het UWV de
vergoeding, bedoeld in artikel
5.9, onder overlegging van een lijst met namen van de personen op
wie de vergoeding betrekking heeft.
§
3. Reservevorming
Art.
5.12.
Begripsbepalingen
-1. In artikel 5.13
wordt verstaan onder:
a. de verzekerde loonsom: het totaalbedrag van het loon,
bedoeld in
artikel 26 van de Wfsv, waarover het UWV
in een kalenderjaar de premies ten gunste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds zou ontvangen indien artikel
17, tweede lid, van de Wfsv buiten
toepassing zou blijven;
b. de werkloosheidslasten: hetgeen
op grond van artikel
100, onderdeel a, van de Wfsv ten
laste van het Algemeen werkloosheidsfonds komt;
c. de drempelwaarde: 0,2
procentpunt.
-2. In artikel 5.14
wordt verstaan onder:
a. de verzekerde loonsom: het totaalbedrag van het loon,
bedoeld in
artikel 26 van de Wfsv, waarover het UWV
in een kalenderjaar de premies ten gunste van een sectorfonds ontvangt,
met uitzondering van het loon waarop
artikel 28, tweede lid, van de Wfsv
van toepassing is;
b. de ziekengeldlasten: hetgeen op
grond van artikel 104, eerste lid,
onderdeel c, van de Wfsv ten laste
van een sectorfonds komt alsmede het deel van de op dit onderdeel
betrekking hebbende uitvoeringskosten en premies als bedoeld in artikel
104, eerste lid, onderdeel d en e, van de Wfsv;
c. werkloosheidslasten: hetgeen op
grond van artikel 104, eerste lid, van de Wfsv
ten laste van een sectorfonds komt, met uitzondering van de
ziekengeldlasten en hetgeen op grond van artikel
104, vierde lid, van de Wfsv ten laste
van het Algemeen Werkloosheidsfonds komt;
d. de drempelwaarde: tot 1996 0,2
procentpunt, daarna 0,4 procentpunt.
-3. In de artikelen 5.13
en 5.14 wordt verstaan onder:
a. het lastenpercentage: het percentage van de verzekerde
loonsom in een kalenderjaar waarin de werkloosheidslasten van dat
kalenderjaar tot uitdrukking komen;
b. de wijziging van het
lastenpercentage in een kalenderjaar: het verschil tussen het
lastenpercentage in een kalenderjaar en het lastenpercentage in het
daaraan voorafgaande kalenderjaar.
Art.
5.13.
De reserve
voor het Algemeen Werkloosheidsfonds
-1. De reserve voor het Algemeen
Werkloosheidsfonds, bedoeld in artikel
23, eerste lid, van de Wfsv, wordt niet
gevormd of instandgehouden indien in het tweede kalenderjaar
voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de reserve zou worden gevormd
of instandgehouden, of in de 14 aan dat tweede kalenderjaar voorafgaande
kalenderjaren, het lastenpercentage van de werkloosheidslasten niet ten
minste eenmaal een wijziging van minimaal de drempelwaarde heeft gekend.
-2. De reserve heeft aan het einde van elk
kalenderjaar een omvang van ten hoogste 2,5 maal de verzekerde loonsom
in dat kalenderjaar maal het verschil tussen de grootste wijziging van
het lastenpercentage van de werkloosheidslasten en de drempelwaarde in
het jaar van de grootste wijziging.
Art.
5.14.
De reserves
voor de sectorfondsen
-1. De reserves voor de sectorfondsen,
bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wfsv,
worden alle onderscheiden in een reserve voor de werkloosheidslasten en
een reserve voor de ziekengeldlasten.
-2. De reserve voor de ziekengeldlasten
heeft aan het einde van elk kalenderjaar een omvang van 10% van het
gemiddelde van die lasten in dat kalenderjaar en de twee daaraan
voorafgaande kalenderjaren.
-3. Het UWV
wijst, met inachtneming van het vierde lid, de sectorfondsen aan
waarvoor een reserve voor de werkloosheidslasten wordt gevormd en
instandgehouden.
-4. Een reserve voor de
werkloosheidslasten wordt niet gevormd en in stand gehouden als niet
wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 5.13,
eerste lid, onder toepassing van artikel 5.12,
tweede en derde lid.
-5. Artikel 5.13,
tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de omvang van de
reserve voor de werkloosheidslasten, onder toepassing van
artikel 5.12, tweede en derde lid.
-6. Bij de toepassing van het vierde lid
wordt de wijziging van het lastenpercentage van de werkloosheidslasten
in 1996 op nihil gesteld en worden de lastenpercentages in 1998
herberekend met een correctiefactor die door het UWV per sector is
vastgesteld.
AFDELING
2
Rekening-courant
Art.
5.15.
Begripsbepalingen
In deze afdeling en
afdeling 3 wordt verstaan onder:
a. een rekening-courant: een rekening in de centrale
administratie van ’s Rijks schatkist bij het
ministerie van Financiën op naam van een rekening-couranthouder,
waarop dagelijks het geldelijk tegoed (positief of negatief) wordt
bijgehouden van de betrokken rekening-couranthouder bij het Rijk en de
mutaties in het tegoed;
b. de rekening-couranthouder: de SVB,
het UWV
of het College zorgverzekeringen, ieder
voor zover het hem aangaat;
c. Euribor: de dagelijks door de European Banking
Federation vastgestelde rente waartegen op de geldmarkt interbancair
deposito's in euro's van verschillende looptijden worden aangeboden in
de landen waar de euro betaalmiddel is;
d. het verdeelpercentage: het percentage waarmee de totale
opbrengst van de loonheffing (de gecombineerde heffing van loonbelasting
en premie voor de volksverzekeringen) en de premie voor de
werknemersverzekeringen wordt verdeeld in een opbrengst van de
loonheffing en in een opbrengst van de diverse premies voor de
werknemersverzekeringen;
e. het toedelingspercentage: het percentage waarmee de
opbrengst van de loonheffing respectievelijk de inkomensheffing (de
gecombineerde heffing van inkomstenbelasting en premie voor de
volksverzekeringen) wordt verdeeld in belastingopbrengst en opbrengst
van de premie voor de volksverzekeringen;
f. de valutadatum: de dag waarop het bedrag van een boeking
rentedragend wordt.
Art.
5.16.
Rekeningen-courant en rekening-couranthouders
In de centrale administratie van 's Rijks schatkist worden de volgende
rekeningen-courant geopend:
a. één of meer rekeningen-courant op naam van de SVB
ten behoeve van de financiële middelen van de fondsen die de SVB
beheert;
b. één of meer rekeningen-courant
op naam van het UWV ten behoeve van de
financiële middelen van de fondsen die het UWV beheert;
c. één of meer rekeningen-courant
op naam van het College
zorgverzekeringen ten behoeve van de financiële middelen van het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.
Art.
5.17.
Crediteringen en debiteringen
-1. Ten gunste van de rekeningen-courant
van de
SVB en het UWV
worden geboekt:
a. de bijdragen van het Rijk aan de rekening-couranthouders
ten behoeve van de desbetreffende fondsen;
b. de afdrachten van de door de rijksbelastingdienst
geïnde premies aan de rekening-couranthouders ten behoeve van de
desbetreffende fondsen;
c. de creditrente, bedoeld in artikel 5.18,
vijfde lid;
d. de bijschrijvingen op het tegoed
van ’s Rijks schatkist bij een bankinstelling door de
rekening-couranthouders.
-2. Ten laste van de rekeningen-courant
van de SVB en het UWV worden geboekt:
a. de afdrachten door de rekening-couranthouders ten gunste
van het tegoed van ’s Rijks schatkist of ten gunste van het tegoed dat
een derde bij ’s Rijks schatkist in rekening-courant aanhoudt;
b. de eventuele terugbetalingen aan de rijksbelastingdienst
samenhangende met de afdrachten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b;
c. de debetrente, bedoeld in artikel 5.18,
vijfde lid;
d. de afschrijvingen van het tegoed van ’s Rijks schatkist
bij een bankinstelling door de rekening-couranthouders.
-3. De Minister van
Financiën sluit met de SVB en het UWV overeenkomsten ter
uitwerking van het gebruik van de rekeningen-courant.
-4. In een overeenkomst als bedoeld in het
derde lid worden afspraken vastgelegd over de wederzijdse
informatievoorziening tussen enerzijds de Minister van Financiën en
anderzijds respectievelijk de SVB en het UWV.
-5. De boekingen, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b, worden door de Minister van Financiën van
valutadata voorzien, zodanig dat deze data overeenkomen met de
gemiddelde data waarop de premies door de rijksbelastingdienst worden
geïnd.
-6. De artikelen 4.3
en
4.4 van de Regeling zorgverzekering
zijn van overeenkomstige toepassing op de rekeningen-courant op naam van
het College
zorgverzekeringen ten behoeve van de financiële middelen van het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.
Art.
5.18.
Rentearrangement
-1. Over de dagelijkse creditsaldi van elk
van de rekeningen-courant wordt door de Minister van
Financiën een rente vergoed die gelijk is aan het 12-maands
Euribor van de desbetreffende dag.
-2. Over de dagelijkse debetsaldi van elk
van de rekeningen-courant wordt door de rekening-couranthouders een
rente betaald die gelijk is aan het 1-maands Euribor.
-3. In afwijking van het eerste lid wordt
door de Minister van Financiën aan het UWV
over het gedurende het gehele jaar aanwezige minimale creditsaldo van de
rekening-courant ten behoeve van de financiële middelen van de
gezamenlijke sectorfondsen een rente vergoed die gelijk is aan het
effectief rendement op staatsobligaties met een resterende looptijd van
vijf tot zes jaar verhoogd met 10 basispunten. Voor de dagsaldi die
boven dit minimale creditsaldo uitkomen, wordt over die meerdere saldi
een aanvullende rente berekend. Daarvoor is het eerste lid van
toepassing.
-4. De Minister van Financiën deelt de
geldende rentepercentages schriftelijk aan de rekening-couranthouders
mee.
-5. De rente wordt jaarlijks achteraf, met
valutadatum 31 december van het jaar waarop de renteberekening
betrekking heeft, ten gunste respectievelijk ten laste van de
rekeningen-courant geboekt. Daartoe stelt de Minister van Financiën een
rentenota op.
Art.
5.19.
Financiële
middelen buiten de rekening-courant
De rekening-couranthouder is bevoegd een bedrag van ten hoogste € 2,5
miljoen buiten de rekening-courant te houden.
Art.
5.20.
Verdeelpercentage
-1. De totale opbrengsten van de
gecombineerde heffing van de loonbelasting en de premies voor de sociale
verzekeringen alsmede op looninkomsten betrekking hebbende
naheffingsaanslagen, heffings- en invorderingsrente en boeteontvangsten
worden uitgesplitst in een voor de afdracht vastgesteld
verdeelpercentage per belasting-/premiejaar.
-2. Het verdeelpercentage wordt
maandelijks per belasting-/premiejaar door de Minister van
Financiën vastgesteld op basis van de in het belasting-/premiejaar
ontvangen loonaangiften en opgelegde naheffingen.
-3. Alle ontvangen gelden over het
belasting-/remiejaar worden verdeeld op basis van het verdeelpercentage,
bedoeld in het eerste lid. De mutatie ten opzichte van de vorige periode
vormt het af te dragen bedrag.
-4. Een jaar na afloop van het belasting-/premiejaar
wordt het verdeelpercentage voor het betreffende belasting-/premiejaar
definitief vastgesteld. Dit percentage wordt gehanteerd voor de
definitieve verdeling van de ontvangen gelden over het betreffende
belasting-/premiejaar. De mutatie ten opzichte van de reeds betaalde
bedragen vormt het af te dragen bedrag. Dit verdeelpercentage wordt
tevens gehanteerd voor alle betalingen die daarna worden geïnd.
Art.
5.21.
Toedelingspercentage
-1. De opbrengsten van de gecombineerde
heffing van de loonbelasting, inkomstenbelasting en de premie voor de
volksverzekeringen worden uitgesplitst volgens een voor de loonheffing
en voor de inkomensheffing afzonderlijk vastgesteld toedelingspercentage.
-2. Voorafgaand aan het belasting-/premiejaar
worden in overleg tussen de beheerders van de fondsen voor de
volksverzekeringen en de Minister van
Financiën voorlopige toedelingspercentages vastgesteld. De
toedelingspercentages worden gebaseerd op de transactieramingen voor het
desbetreffende belasting-/premiejaar.
-3. In het tweede jaar na afloop van het
belasting-/premiejaar wordt het toedelingspercentage voor de loonheffing
definitief vastgesteld. In het vierde kalenderjaar na afloop van het
belasting-/premiejaar wordt het toedelingspercentage voor de
inkomensheffing definitief vastgesteld. De definitieve vaststelling
vindt plaats op basis van de gerealiseerde belastingopbrengsten en leidt
tot een correctie van de reeds afgedragen premieopbrengsten aan de
fondsen.
-4. De opbrengsten van de loonheffing en
de inkomensheffing die door de rijksbelastingdienst
worden geïnd nadat het toedelingspercentage definitief is vastgesteld,
worden uitgesplitst op basis van het definitief vastgestelde
toedelingspercentage.
-5. De correctie, bedoeld in het derde
lid, wordt door de Minister van Financiën met de beheerder van dat
fonds afgerekend.
Art.
5.22.
Rapportageverplichting rijksbelastingdienst
-1. De
rijksbelastingdienst rapporteert uiterlijk de tiende werkdag na
afloop van de maand over de opbrengsten, bedoeld in de artikelen
5.20 en 5.21, aan de Minister van
Financiën en de SVB, het UWV
en het
College zorgverzekeringen.
-2. In afwijking van het eerste lid vindt
de rapportage over de laatste maand van het kalenderjaar uiterlijk de
vijftiende werkdag na afloop van het kalenderjaar plaats.
AFDELING
3
Regels
afdracht aan Algemeen Kinderbijslagfonds, Toeslagenfonds, Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten en
Arbeidsongeschiktheidsfonds
§
1. Algemeen
Art.
5.23.
Begripsbepalingen
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. Algemeen Kinderbijslagfonds: het Algemeen
Kinderbijslagfonds, genoemd in artikel 29a
van de AKW;
b. lasten met betrekking tot het
Algemeen Kinderbijslagfonds: de op grond van de AKW
uit te keren kinderbijslagen, alsmede de aan
de uitvoering van de AKW verbonden kosten;
c. overige baten en lasten met
betrekking tot het Algemeen Kinderbijslagfonds: de baten verkregen met
toepassing van artikel 17a van de AKW,
de baten verkregen met toepassing van
artikel 17 van de AKW en de baten en
lasten verkregen door interesten en diversen;
d. Wajong-fonds: het Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten, genoemd in
artikel 5:1 van de Wet
Wajong;
e. Toeslagenfonds: het
Toeslagenfonds, genoemd in artikel 31 van
de TW;
f. overige baten en lasten met betrekking tot het Wajong-fonds:
wettelijke rente, proceskosten, rentelasten, baten op grond van artikel 4:2 van de Wet
Wajong en de vereveningsbijdrage,
bedoeld in artikel 2:54 of 3:46
van de Wet Wajong;
g. valutadag: de op de
rekening-courantafschriften aangegeven dag van betaling;
h. overige baten en lasten met betrekking tot
het Toeslagenfonds: wettelijke rente, proceskosten, rentelasten en de
baten verkregen met toepassing van artikel 14a
van de TW.
§
2. Algemeen Kinderbijslagfonds
Art. 5.24.
Raming baten en lasten
-1. Vóór
1 oktober van elk jaar verstrekt de SVB
aan de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid in het jaarplan
met begroting een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende
jaar geraamde baten en lasten met betrekking tot het Algemeen
Kinderbijslagfonds, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en
uitvoeringskosten per jaar.
-2. De bedragen in de opgave, bedoeld in
het eerste lid, worden gespecificeerd naar het aantal
kinderbijslaggerechtigden en het aantal kinderen naar leeftijdsklassen
en naar rangorde, uitgesplitst naar toepassing van artikel
12 van de Algemene Kinderbijslagwet.
Art.
5.24a. Vervallen.
Art.
5.25.
Betaling voorschot
-1. De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid stort op de
rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a,
een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.24,
eerste lid, van:
a. geraamde uitkeringslasten met als
valutadatum de eerste dag van elke maand; en
b. een twaalfde deel van de geraamde
uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
-2. De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid kan, na overleg met de SVB,
van de in het eerste lid, onderdeel a en b, bedoelde
bedragen afwijken.
Art.
5.26.
Vervallen.
Art.
5.27.
Vervallen.
Art.
5.28.
Afrekening
-1. In
de jaarrekening, bedoeld in artikel
49 van de Wet SUWI,
worden de baten en lasten opgenomen, alsmede de ontvangen voorschotten,
bedoeld in artikel 5.25, eerste lid, uitgesplitst
naar uitkeringslasten en uitvoeringskosten.
-2. Na goedkeuring van het besluit tot
vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van
de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking
tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van
het hierop volgende kalenderjaar.
-3. Voor de afrekening van de kinderbijslagen
en de uitvoeringskosten en de vaststelling en afrekening van de
rijksbijdrage ten gunste of ten laste van het Algemeen
Kinderbijslagfonds voor het jaar 2011 zijn de artikelen
5.28 respectievelijk 5.29 zoals die luidden op
31 december 2011 van toepassing.
Art.
5.29.
Vervallen.
§
3. Toeslagenfonds en Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten
Art.
5.29a.
Middelen
Toeslagenfonds en Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten
-1.
Deze paragraaf heeft betrekking op de middelen voor het Toeslagenfonds
en het Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten, waarin voorzien
wordt door rijksbijdragen.
-2.
De middelen voor Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten dienen
ter dekking van lasten die op grond van enige wettelijk voorschrift
ten laste van het Arbeidsondersteuningsfonds
jonggehandicapten komen.
-3.
De middelen voor het Toeslagenfonds dienen ter dekking van lasten van het UWV
voor:
a.
toeslagen op grond van de TW;
b.
uitkeringen op grond van de WBIA;
c.
tegemoetkomingen op grond van artikel 10 van de Wet
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten;
d.
uitkeringen op grond van de IOW.
Art.
5.29b. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a.
toeslagen: toeslagen op grond van de TW,
inclusief de op grond van enige wet over de toeslagen door het UWV
verschuldigde
premies die niet op deze toeslagen in mindering kunnen worden gebracht
en de door het UWV verschuldigde vergoedingen, bedoeld in artikel
46 van de Zorgverzekeringswet. Onder
toeslagen wordt mede begrepen de uitkeringen op grond van de
WBIA;
b.
uitkeringen: uitkeringen op grond van
de IOW
en de Wet Wajong, inclusief de op grond van
enige wet over de uitkeringen door het UWV verschuldigde premies die
niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht, de door
het UWV verschuldigde vergoedingen, bedoeld in artikel
46 van de Zorgverzekeringswet en de
tegemoetkomingen op grond van artikel 2:52
en 3:10 van de Wet
Wajong;
c.
tegemoetkomingen: tegemoetkomingen op grond
van artikel 10 van de Wet
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten;
d.
overige baten en lasten: de overige baten en lasten met betrekking tot het Wajong-fonds en
de overige baten en lasten met betrekking tot het Toeslagenfonds.
Art.
5.30.
Raming baten en lasten
-1. Vóór
1 oktober van elk jaar verstrekt het UWV aan
de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een
opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten
en lasten met betrekking tot het Toeslagenfonds en het Wajong-fonds,
uitgesplitst naar uitkeringslasten, tegemoetkomingen en toeslagen per
maand en uitvoeringskosten per jaar.
-2. De bedragen in de opgave, bedoeld in
het eerste lid, worden gespecificeerd naar de in artikel
5.29a, derde lid, genoemde wetten, met uitzondering van
onderdeel b.
Art.
5.30a. Vervallen.
Art.
5.31.
Betaling voorschot
-1.
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16,
onderdeel a, een periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel
5.24, eerste lid, van:
a.
geraamde uitkeringslasten met als valutadatum de eerste dag van elke
maand; en
b.
een twaalfde deel van de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum
de vijftiende dag van elke maand.
-2.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met de SVB,
van de in het eerste lid, onderdeel a en b, bedoelde
bedragen afwijken.
Art.
5.32.
Vervallen.
Art.
5.33.
Vervallen.
Art.
5.34.
Afrekening
-1. In
de jaarrekening, bedoeld in
artikel 49 van de Wet SUWI,
worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in
artikel 5.31, eerste lid, met betrekking tot het
Toeslagenfonds en het Wajong-fonds opgenomen, waarbij de gegevens met
betrekking tot het Toeslagenfonds tevens worden gespecificeerd naar de
in artikel 5.29a, derde lid, genoemde
wetten, met uitzondering van onderdeel b.
-2. De overige baten en lasten met
betrekking tot het Toeslagenfonds en het Wajong-fonds kunnen in de
jaarrekening, bedoeld in het eerste lid, worden toegerekend aan
respectievelijk de TW
en de Wet Wajong.
-3. Na goedkeuring van het besluit tot
vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van
de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking
tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van
het hierop volgende kalenderjaar.
-4. Voor de afrekening van de toeslagen, de
uitkeringen, de tegemoetkomingen, de overige posten en de
uitvoeringskosten en de vaststelling en afrekening van de rijksbijdrage
ten gunste of ten laste van het Toeslagenfonds en Wajong-fonds voor het
jaar 2011 zijn de artikelen 5.34 respectievelijk 5.35
zoals die luidden op 31 december 2011 van toepassing.
Art.
5.35.
Vervallen.
§
4. Arbeidsongeschiktheidsfonds
Art.
5.36.
Raming baten en lasten
-1. Vóór 1 oktober van elk jaar verstrekt
het UWV aan de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting
een opgave van het totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde
baten en lasten met betrekking tot het Arbeidsongeschiktheidsfonds, op
grond van hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 2, en artikel 3:30 van de Wet
arbeid en zorg, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en
uitvoeringskosten per jaar.
-2. In deze paragraaf wordt onder
uitkeringen verstaan de uitkeringslasten inclusief de door het UWV over
die uitkeringen verschuldigde premies en vergoedingen, bedoeld in artikel 46 van
de Zorgverzekeringswet,
die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht.
Art.
5.36a. Vervallen.
Art.
5.37.
Betaling voorschot
-1. De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant,
bedoeld in artikel 5.16, onderdeel b, een
periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.36,
eerste lid, van:
a. geraamde uitkeringslasten met als
valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand; en
b. een twaalfde deel van de geraamde
uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
-2. De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid kan, na overleg met het UWV,
van de in het eerste lid, onderdeel a en b, bedoelde
bedragen afwijken.
Art.
5.37a.
Vervallen.
Art.
5.37b.
Vervallen.
Art.
5.38.
Afrekening
-1. In
de jaarrekening, bedoeld in artikel artikel 49 van
de Wet SUWI,
worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in
artikel 5.37, eerste lid, uitgesplitst naar
uitkeringslasten en uitvoeringskosten, met betrekking tot het
Arbeidsongeschiktheidsfonds opgenomen.
-2. Na goedkeuring van het besluit tot
vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van
de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking
tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van
het hierop volgende kalenderjaar.
-3. Voor de afrekening van de
uitkeringslasten en uitvoeringskosten en de vaststelling en afrekening
van de rijksbijdrage ten gunste of ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds voor het jaar 2011 zijn de artikelen
5.38 respectievelijk 5.39 zoals die luidden op
31 december 2011 van toepassing.
Art.
5.39.
Vaststelling
rijksbijdrage
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt jaarlijks vóór 31 oktober
het bedrag vast dat over het afgelopen kalenderjaar als rijksbijdrage
als bedoeld in artikel 114, onderdeel
f, van de Wfsv, ten gunste komt van
het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
AFDELING
4
Regels
voor overdracht rijksbijdragen
§
1. Rijksbijdrage uitvoeringskosten UWV
Art.
5.40. Rijksbijdrage voor UWV
-1. In verband met het middelenbeheer wordt
de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 45,
tweede lid, onderdeel e, van de Wet SUWI,
beschouwd als middelen die deel uitmaken van het Algemeen
Werkloosheidsfonds.
-2. De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
bepaalt dat bepaalde kosten die ten laste komen van de rijksbijdrage aan
het UWV,
bedoeld in artikel 45, tweede lid,
onderdeel e, van de Wet SUWI,
in afwijking van het eerste lid niet als uitgaven ten laste van de
fondsen, bedoeld in artikel 45, tweede lid,
onderdeel a tot en met d, van die
wet, komen.
Art.
5.41. Kosten BKWI
De kosten van het in artikel 5.21,
tweede lid, van het Besluit SUWI bedoelde
organisatieonderdeel dat in het bijzonder is belast met het beheer van
de elektronische voorzieningen, komen als bedoeld in artikel
5.40, tweede lid, direct ten laste van de rijksbijdrage aan het UWV,
bedoeld in artikel 45, tweede lid,
onderdeel e, van de Wet SUWI.
§ 2. Rijksbijdrage AIO
Art. 5.42.
Begripsbepaling
In deze paragraaf wordt verstaan
onder AIO: algemene bijstand in de vorm van een aanvullende
inkomensvoorziening ouderen, bedoeld in artikel
47a, eerste lid, van de
Wet werk en bijstand.
Art. 5.43.
Raming baten en lasten
Vóór 1 oktober van elk jaar verstrekt de SVB
aan de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het
totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met
betrekking tot de toekenning van AIO, uitgesplitst naar uitkeringslasten
per maand en uitvoeringskosten per jaar.
Art.
5.43a. Vervallen.
Art.
5.43b. Vervallen.
Art. 5.44.
Betaling voorschot
-1. De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant,
bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, een
periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.43,
eerste lid, van:
a. geraamde uitkeringslasten met als
valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand; en
b. een twaalfde deel van de geraamde
uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
-2. De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid kan, na overleg met het SVB,
van de in het eerste lid, onderdeel a en b, bedoelde
bedragen afwijken.
Art. 5.45.
Vervallen.
Art. 5.46.
Vervallen.
Art. 5.47.
Afrekening
-1. In
de jaarrekening, bedoeld in
artikel 49 van de Wet SUWI,
worden de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in
artikel 5.44, eerste lid, uitgesplitst naar
uitkeringslasten en uitvoeringskosten, met betrekking tot de toekenning
van AIO opgenomen.
-2. Na goedkeuring van het besluit tot
vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van
de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking
tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van
het hierop volgende kalenderjaar.
-3. Voor de afrekening van de uitkeringen
en de uitvoeringskosten AIO en de vaststelling en afrekening van de
rijksbijdrage ten gunste of ten laste van de SVB
voor het jaar 2011 zijn de artikelen 5.47
respectievelijk 5.48 zoals die luidden op 31
december 2011 van toepassing.
Art. 5.48.
Vervallen.
§
3. Rijksbijdrage WKB
Art. 5.49. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan
onder:
a. WKB: het totaalbedrag van de
kindgebonden budgetten die door tussenkomst van de SVB
worden uitbetaald en waarbij sprake is van toepassing van de Regeling
samenloop met buitenlandse tegemoetkomingen 2008 of van uitbetaling
van kindgebonden budget aan degenen die in Marokko zijn belast met de
zorg voor in Marokko woonachtige kinderen;
b. uitvoeringskosten: het
totaalbedrag van de kosten die de SVB maakt bij de uitvoering, bedoeld
in artikel 34, derde lid, onderdeel b,
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen voor zover het betreft de Wet
op het kindgebonden budget, de uitvoering van de Regeling samenloop
met buitenlandse tegemoetkomingen 2008 en de uitvoering van de
uitbetaling van kindgebonden budget aan degenen die in Marokko zijn
belast met de zorg voor in Marokko woonachtige kinderen, van een
aanspraak op het kindgebonden budget.
Art. 5.50. Raming
baten en lasten
Vóór 1 oktober van elk jaar verstrekt de SVB
aan de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid in het jaarplan met begroting een opgave van het
totaalbedrag aan de voor het komende jaar geraamde baten en lasten met
betrekking tot de WKB, uitgesplitst naar uitkeringslasten per maand en
uitvoeringskosten per jaar.
Art. 5.51.
Betaling voorschot
-1. De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid stort op de rekening-courant,
bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, een
periodiek voorschot op het bedrag, bedoeld in artikel 5.50,
van:
a. geraamde uitkeringslasten met als
valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand; en
b. een twaalfde deel van de geraamde
uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.
-2. De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid kan, na overleg met het SVB,
van de in het eerste lid, onderdeel a en b, bedoelde
bedragen afwijken.
Art. 5.52. Afrekening
-1. In
de jaarrekening, bedoeld in artikel
49 van de Wet SUWI, worden de baten en
lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel
5.51, eerste lid, met betrekking tot de WKB opgenomen.
-2. Na goedkeuring van het besluit tot
vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van
de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten, met betrekking
tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van
het hierop volgende kalenderjaar.
-3. Voor afrekening van de WKB en de
uitvoeringskosten en de vaststelling en afrekening van de rijksbijdrage
ten gunste of ten laste van de SVB
voor het jaar 2011 zijn de artikelen
5.52 respectievelijk 5.53 zoals die luidden op
31 december 2011 van toepassing.
Art. 5.53. Vervallen.
HOOFDSTUK
6
Slotbepalingen
Art.
6.1.
Intrekking
regelingen
-1. De Regeling
vergoeding bijdragen Remigratiewet wordt ingetrokken.
-2. De Regeling
rekening-courantverhouding sociale verzekeringen wordt ingetrokken.
-3. De Regeling
indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren wordt
ingetrokken.
-4. De Regeling
reservevorming Algemeen Werkloosheidsfonds 2002 wordt ingetrokken.
-5. De Regeling
reservevorming wachtgeldfondsen 2002 wordt ingetrokken.
-6. De Regeling van de
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 18 december 2003, houdende nadere regels met betrekking tot
de vrijstelling van de basispremie op
grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor oudere werknemers
(Stcrt. 2003, 250) wordt ingetrokken.
-7. De Uitvoeringsregeling
premieheffing volksverzekeringen 2002 wordt ingetrokken.
-8. De Regeling
verdeling premiekorting WAO wordt ingetrokken.
-9. De Financieringsregeling
Algemeen Kinderbijslagfonds 2005 wordt ingetrokken.
-10. De Financieringsregeling
Toeslagenfonds en Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten
wordt ingetrokken.
-11. De Financieringsregeling
rijksbijdrage Arbeidsongeschiktheidsfonds wordt ingetrokken.
Art.
6.2.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2006, waarbij
onderdeel 19 van bijlage
1 bij deze regeling terug werkt tot en met 1 januari 2005.
Art.
6.3.
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Wfsv.
Deze regeling zal met de
toelichting en de bijlagen ¹ in de
Staatscourant worden geplaatst.
1. Bijlagen 2 tot en met 7
zijn ingevolge artikel III, onderdeel T, van de Regeling van 13 december
2010, Stcrt. 2010, 20388, komen te vervallen. De bijlagen 8 en 9
zijn ingevolge artikel I, onderdeel FF, van de Regeling van 6 december
2011, Stcrt. 2011, 22458, komen te vervallen, red.
Den Haag, 2 december
2005.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
De Staatssecretaris van
Financiën,
J.G. Wijn.
BIJLAGE
1
behorend
bij artikel 5.2
1. Agrarisch bedrijf,
omvattende:
1. Akker- en weidebouw
(inbegrepen vlasteelt, al dan niet
samengaande met repelen van vlas en
vlasknopbreken alsmede inbegrepen de werkzaamheden van de Staatslandbouwbedrijven van
het Bureau Oogstvoorziening
en soortgelijke instellingen).
2. Veehouderij en
pluimveehouderij (waarbij onder veehouderij
tevens wordt begrepen het houden
van pelsdieren).
3. Tuinbouw:
a. Groenteteelt.
b. Fruitteelt.
c. Bloembollen.
d. Boomkwekerij.
e. Bloemisterij.
f. Tuinbouwzaadteelt.
g. Kruidenteelt.
4. Hoveniersbedrijf.
5. Bijenteelt.
6. Bosbouw (inbegrepen de
werkzaamheden van het Staatsbosbeheer).
7. Griend- en rietcultuur.
8. Veenbedrijf:
a. Veenderijen.
b. Turfstrooiselfabrieken.
9. Loonondernemingen (ondernemingen waarin de werkzaamheden
uitsluitend of in hoofdzaak bestaan in
het voor derden dorsen, ploegen,
maaien, fraisen, eggen, schijfeggen,
zaaien, kunstmeststrooien,
vlastrekken, vlasknopbreken, sproeien of spuiten, dan wel het verrichten van
andere oogst- en grondbewerkingswerkzaamheden).
10. Grasdrogerijen.
11. Aardappelsorteerinrichtingen.
12. Jacht.
13. Cultuurtechnische werken
(inbegrepen objecten uitgevoerd door de
overheid).
14. Visteelt.
2. Tabakverwerkende
industrie, omvattende:
1. Sigarenindustrie.
2. Sigarettenindustrie.
3. Kerftabakindustrie.
3. Bouwbedrijf, omvattende:
1. Burgerlijke en utiliteitsbouw.
2. Water- en wegenbouw, alsmede grondwerken.
3. De grondboring, buizenleggers- en kabelleggersbedrijven.
4. Het
steenzettersbedrijf (glooiingen, kademuren, enzovoort).
5. Het dakdekkersbedrijf, voor zover worden verwerkt pannen, leien,
riet, stro, betonplaten, asbestplaten en dergelijke grondstoffen, met
uitzondering van bitumen, asfalt en kunststofmaterialen.
6. Andere bouwambachten.
7. Het ovenbouwbedrijf.
8. Fabrieksschoorsteenbouw.
9. Het heiersbedrijf.
10. Het slopersbedrijf, voor zover zich bezighoudende met het slopen van
bouwwerken.
4. Baggerbedrijf,
omvattende:
De baggerbedrijven,
inclusief de rijswerkersbedrijven en de zand- en grindwinning.
5. Hout- en
emballage-industrie, houtwaren- en borstelindustrie,
omvattende:
1. Houten
emballage-industrie:
a. Houtwolindustrie.
b. Kistenindustrie.
c. Botervatenindustrie.
d. Vatenindustrie.
e. Kuipersbedrijven.
f. Sigarenkistenindustrie.
2. Vervaardiging van houten
huishoudelijke artikelen en speelgoederen.
3. Klompenindustrie.
4. Kurkenindustrie.
5. Kurkplatenindustrie.
6. Parket en hardhoutvloerenindustrie.
7. Triplex- en
fineerindustrie.
8. Borstelwarenindustrie.
9. Griendhout- en
rietverwerkende industrie, inclusief
hoepelmakerijen.
10. Kuiperij.
11. Biezenmattenmakerijen,
biezensorteerderijen en mandenmakerijen.
12. Luciferindustrie.
13. Fabrieken van houten
zonneschermen, houten rolluiken en
dergelijke.
6. Timmerindustrie,
omvattende:
1. Deurenindustrie.
2. Timmerfabrieken.
7. Meubel- en
orgelbouwindustrie, omvattende:
1. Meubelindustrie, meubelmakersambacht, meubelstoffeerderijen,
matrassenindustrie (uitgezonderd metalen),
alsmede vervaardiging van kussens en
het matrassenmakersambacht.
2. Orgelbouwersbedrijf.
3. Doodkistenmakerijen.
4. Lijstenfabrieken.
5. Biljartfabrieken.
8. Groothandel in hout,
zagerijen, schaverijen en houtbereidingsindustrie, omvattende:
1. Groothandel in hout.
2. Houtzagerijen en -schaverijen (inbegrepen loonzagerijen en
schaverijen).
3. Houtbereidingsindustrie.
9. Grafische industrie,
omvattende:
1. Het boekdrukkers- en rasterdiepdrukbedrijf.
2. Het boekbindersbedrijf en
het papierwarenbedrijf (schoolschriften,
notitieboekjes, cahiers in papieren omslag, met of zonder linnen rug of
linnen band, alle soorten blocnotes, zowel gekramd als aan de kop
gelijmd als gespiraleerd als op andere
wijze vervaardigd).
3. Het lithografisch
bedrijf.
4. Het chemigrafische
bedrijf.
5. Het fotografisch bedrijf,
al of niet verbonden met een
detailhandel in fotoartikelen.
6. Lettergieterijen.
7. Lichtdrukkerijen en fotokopieerinrichtingen.
8. Kopieerinrichtingen.
9. Kantoordrukinrichtingen.
10. Rubberstempelindustrie.
11. Enveloppenindustrie.
10. Metaalindustrie,
omvattende:
1. Metallurgische industrie.
2. Scheepsbouw.
3. Machinebouw.
4. Staalbouw.
5. Plaatverwerkende
industrie.
6. Draad-, draadwaren- en staaldraadkabelindustrie.
7. Scheepsslopersbedrijf.
Gedetailleerde omschrijving
van de metaalindustrie:
I. Tot de metaalindustrie
behoort voor zover niet genoemd onder II, mits in de betrokken
onderneming, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende
normale aantal arbeidsuren, in
de regel gedurende ten minste 1200 uren per week door bij die
onderneming in dienst zijnde werknemers werkzaamheden worden verricht:
1. het bedrijf van be- en/of
verwerken van metalen, waaronder onder
meer wordt verstaan:
a. het aanleggen,
assembleren, construeren, demonteren, draaien,
emailleren, forceren, gieten,
herstellen, lassen, monteren, onderhouden,
persen, pletten, samenstellen, slopen,
smeden, smelten, trekken,
vervaardigen en walsen van metaal (waaronder onder meer te verstaan: aluminium,
blik, brons, koper, lood, messing, staal,
tin, ijzer, zink en legeringen of
composities hiervan) of metalen apparaten,
drijfwerk, gereedschappen, machines,
toestellen, voorwerpen en werktuigen
(waaronder mede begrepen kracht- en arbeidswerktuigen, landbouwtractoren, machines
en werktuigen), alles in de
ruimste zin des woords, zoals
appendages, automaten, automobielen, beelden,
bliksemafleiders, blikwaren, bouten,
brandkasten, bromfietsen, bruggen,
buizen, capsules, draad, draadnagels, elektriciteitsmeters, elektroden, gaas, gasmeters,
haarden, instrumenten (waaronder optische apparaten),
jaloezieën, kachels, ketels, (o.a. voor
centrale verwarming), kinderwagens, klinknagels, kroonkurken, matrassen,
matrijzen, meubelen, moeren, motoren,
motorrijwielen, muziekinstrumenten, ovens, radiatoren, ramen, reservoirs, rolhekken,
rollend materiaal,
rolluiken, rijwielen, schaatsen, schepen, schroeven, schuifhekken, sluitingen,
stempels, tanks, taximeters, tuben,
uurwerken, watermeters, zonweringen,
sierhekken;
b. het staalblazen en/of
zandstralen;
c. het verzinken en/of
vertinnen, voor zover dit niet langs
galvanotechnische weg geschiedt;
d. het revideren van
verbrandingsmotoren en onderdelen daarvan in de
ruimste zin;
2. het elektrotechnische scheepsinstallatiebedrijf;
3. het elektrotechnische
wikkel- en reparateursbedrijf,
omvattende het wikkelen of herstellen van gebruiks-
en verbruikstoestellen voor sterk- en
zwakstroominstallaties.
II. Ongeacht het aantal
werknemers in de betrokken ondernemingen, behoort tevens tot de
metaalindustrie:
1. het hoogovenbedrijf met
inbegrip van zijn nevenbedrijven;
2. het walsen van staal;
3. het ijzer- en staalgietersbedrijf;
4. het vervaardigen en/of
herstellen van vliegtuigen;
5. het vervaardigen en/of
herstellen van liften.
Onder vervaardigen als
bedoeld onder I en II wordt eveneens
verstaan het assembleren, monteren en
samenstellen uit van derden betrokken
onderdelen.
11. Elektrotechnische
industrie:
Tot de elektrotechnische
industrie behoort, mits in de
betrokken ondernemingen, rekening houdende met het in de bedrijfstak
geldende normale aantal arbeidsuren, in de regel gedurende ten minste
1200 uren per week door bij die onderneming in dienst zijnde werknemers
werkzaamheden worden verricht met
uitzondering van het elektrotechnische installateursbedrijf (voor
zover niet betreffende het
elektrotechnische scheepsinstallatiebedrijf),
het radio- en televisie-installateurs- en reparateursbedrijf, het neoninstallateursbedrijf
en het elektrotechnische nettenbouwbedrijf:
het bedrijf van vervaardigen
en/of herstellen van apparaten, installaties, stoffen, toestellen,
voorwerpen e.d. die elektrische energie of haar
componenten afgeven, bewaren, gebruiken, meten, omzetten,
overbrengen, schakelen, transformeren, verbruiken,
verdelen, voortbrengen of waarneembaar maken, zoals:
1. producten, dienende tot
het meten, muteren, schakelen,
transformeren en voortbrengen van elektrisch
arbeidsvermogen;
2. elektromotoren,
elektrische huishoudelijke en industriële toestellen
met en zonder elektrische
beweegkracht, elektrische ovens, fornuizen, apparatuur voor het elektrisch
lassen
en accumulatoren;
3. producten, dienende tot
het ondergronds transport van elektrisch
arbeidsvermogen (grondkabel), en geïsoleerd draad;
4. installatiemateriaal,
waaronder smeltveiligheden;
5. apparaten en instrumenten
op het gebied van telefonie,
telegrafie en andere telecommunicatiedoeleinden;
6. gloeilampen,
gasontladingsbuizen voor hoge en lage spanningen
en elektronenbuizen;
7. droge batterijen;
8. radio-, radar-, televisie-, zend, ontvang- en distributieapparatuur en
van alle overige elektronische
apparatuur, daaronder begrepen
elektro-medische toestellen en instrumenten.
Onder vervaardigen wordt
eveneens verstaan het assembleren,
monteren en samenstellen uit van derden
betrokken onderdelen.
12. Metaal-
en technische bedrijfstakken,
omvattende:
1. Het bedrijf van het be-
en/of verwerken van metalen voor zover
niet vallende onder de punten 2 tot en met 19,
mits in de betrokken onderneming, rekening houdende met het in de
bedrijfstak geldende normale aantal arbeidsuren, in de regel minder dan
1200 uren per week door bij die onderneming in dienst zijnde werknemers
werkzaamheden worden verricht, waaronder onder meer
wordt verstaan:
a. het aanleggen,
assembleren, construeren, demonteren, draaien,
emailleren, forceren, gieten,
herstellen, lassen, monteren, onderhouden,
persen, pletten, samenstellen, slopen,
smeden, smelten, trekken,
vervaardigen, walsen van metaal (waaronder onder meer te verstaan: aluminium, blik,
brons, koper, lood, messing, staal, tin,
ijzer, zink en legeringen of composities
hiervan) of van metalen voorwerpen,
alles in de ruimste zin van het woord,
zoals apparaten, appendages, automaten,
automobielen, beelden, bliksemafleiders, blikwaren, bouten,
brandkasten, bruggen, buizen, capsules, draad, draadnagels, drijfwerk,
elektroden, gaas,
gemotoriseerde rijwielen, gereedschappen, haarden, instrumenten
(waaronder optische apparaten),
jaloezieën, kachels, ketels, kinderwagens, klinknagels, knopen, kroonkurken,
machines, matrassen, matrijzen, meters (o.a. gas-, elektriciteits-, water- en
taximeters), meubelen, moeren, motoren, motorrijwielen, muziekinstrumenten,
onderdelen, ovens, ramen, reservoirs,
rolhekken, rollend materieel,
rolluiken, rijwielen, schaatsen, schepen,
schroeven, schuifhekken, sierhekken, sluitingen,
stempels, stoomketels, tanks,
toestellen, tuben, uurwerken, werktuigen
(waaronder mede begrepen kracht- en arbeidswerktuigen, landbouwmachines,
tractoren en -werktuigen) en zonweringen;
b. het vervaardigen en/of
herstellen van apparaten, installaties,
stoffen, toestellen, voorwerpen e.d. die
elektrische energie of haar componenten
afgeven, bewaren, gebruiken, meten,
omzetten, overbrengen, schakelen,
transformeren, verbruiken, verdelen,
voortbrengen of waarneembaar maken;
c. het staalblazen en/of
zandstralen;
d. het verzinken en/of
vertinnen, voor zover dit niet langs
galvanotechnische weg geschiedt.
2. Het galvanotechnisch
bedrijf, waaronder wordt verstaan het door
middel van elekrotechnische werkwijze
of op andere wijze metaalneerslag uit
oplossingen op voorwerpen aanbrengen,
metalen oxyderen of polijsten.
3. Het graveerbedrijf,
waaronder wordt verstaan het hand- en
machinegraveren in metaal of andere stoffen.
4. Het bedrijf van het
lakken, moffelen slijpen en/of polijsten van
metalen.
5. Het bedrijf van het
herstellen van naaimachines.
6. Het bedrijf van het
vervaardigen, aanbrengen of herstellen van
kunstledematen, orthopedische apparaten (beugels en spalken),
orthopedische korsetten en andere medische
bandages.
7. Het modelmakersbedrijf,
waaronder wordt verstaan het
vervaardigen, repareren en wijzigen van
gietmodellen, vormplaten en coquilles voor
de metaalindustrie.
8. Het
motorvoertuigenbedrijf, waaronder te dezen wordt verstaan het
bedrijf waarin één of meer van de hieronder genoemde werkzaamheden
worden uitgeoefend:
a. het verrichten van
herstellingswerkzaamheden aan automobielen, auto-onderdelen of -toebehoren, dan wel aan motorrijwielen, motorrijwielonderdelen of -toebehoren;
b. het verrichten van
onderhoudswerkzaamheden aan automobielen, auto-onderdelen of -toebehoren, dan wel aan
motorrijwielen, motorrijwielonderdelen of -toebehoren;
c. het voorzien van
automobielen of motorrijwielen van
motorbrandstoffen of smeermiddelen;
d. het wassen van
automobielen;
e. het stallen van
automobielen of motorrijwielen;
f. het afleveringsklaar maken
en aan het publiek verkopen van
automobielen of motorrijwielen.
9.
a. Het vervaardigen,
samenstellen, veranderen, onderhouden
en/of herstellen van wagens, zoals
aanhangwagens, opleggers, caravans en
kampeerwagens, alsmede van carrosserieën,
wisselcarrosserieën, carrosseriesegmenten, carrosserieplaatwerk of delen daarvan.
b. Het aanbrengen en/of
herstellen - ongeacht de gebruikte
materialen - van stofferingen aan onder a bedoelde objecten, alsmede aan
c.q.
in motorvoertuigen; het - ongeacht de
gebruikte materialen - vervaardigen
van producten die dienen ter stoffering of bekleding, zoals onder meer
hoezen, cabrioletkappen en hemels.
c. Het aanbrengen van
beschermende lagen op onder a bedoelde
objecten door onder meer spuiten,
schilderen, lakken en dompelen.
d. Het aanbrengen van
teksten en reclame op onder a bedoelde
zelfvervaardigde, samengestelde, veranderde,
onderhouden en/of herstelde objecten.
e. Het richten, meten,
controleren en uitlijnen bij het herstellen
van chassis en/of carrosserieën met
behulp van richt- en meetapparatuur (richt- of meetbank, c.q. richtbank en
mallen).
f. Het verlengen, inkorten,
versmallen en/of verbreden van
carrosserieën. Ten deze worden verstaan onder:
- wagen: het gestel op wielen
of glijvlakken om - anders dan langs
spoorstaven - te worden voortbewogen,
met uitzondering van rijwielen, bromfietsen, motorrijwielen, motorvoertuigen, kinderwagens,
landbouwtrekkers en andere mechanische werktuigen, rijdende kranen, vorkheftrucks en
bulldozers, alsmede caravans,
woonwagens, directieketen en schaftwagens, voor zover deze niet kunnen, mogen of
bestemd zijn om te worden voortbewogen;
- carrosserie: de open of
gesloten opbouw van een wagen c.q.
motorvoertuig, onder meer ter verkrijging
van een wagen c.q. motorvoertuig met
een speciale bestemming, zoals
bijvoorbeeld autobussen, brandweerwagens,
geldtransportwagens, koelwagens, ladderwagens, legerwagens, politiewagens,
spaarbankwagens,
tandartswagens, winkelwagens en
ziekenwagens.
10.
a. Het centraleverwarmingsbedrijf, omvattende het monteren of
repareren van installaties of
onderdelen daarvan voor centrale verwarming,
warmwatervoorziening, luchtbehandeling, ventilatie en koeling.
b. Het koeltechnisch
bedrijf, omvattende het plaatsen en monteren of
repareren van koel- en
vriesinstallaties en installaties voor
luchtbehandeling en ventilatie (deze laatste in
koeltechnische zin).
11.
a. Het aanleggen,
wijzigen, demonteren, herstellen, onderhouden of bedrijfsvaardig opleveren
van elektrotechnische zwak- en
sterkstroominstallaties (elektrotechnisch installatiesbedrijf), met uitzondering van het
elektrotechnisch
scheepsinstallatiebedrijf, voor zover, rekening
houdende met het in de bedrijfstak
geldende normale aantal arbeidsuren, in de
regel in een dergelijke onderneming
ten minste 1200 uren per week door bij
die onderneming in dienst zijnde werknemers werkzaamheden worden
verricht.
b. Het aanleggen, wijzigen,
demonteren, herstellen, onderhouden of bedrijfsvaardig opleveren
van elektrotechnische en elektronische
installaties ten behoeve van signalisering van en/of beveiliging tegen onbevoegde
toegang, kwaadwillig gedrag en persoonlijke en/of materiële schade
(elektrotechnisch beveiligingsinstallatiebedrijf).
c. Het aanleggen, wijzigen,
demonteren, herstellen, onderhouden of bedrijfsvaardig opleveren
van installaties op het gebied van aarding en kathodische bescherming (aardingsbedrijf).
d. Het aanleggen, wijzigen,
demonteren, herstellen, onderhouden of bedrijfsvaardig opleveren
van radio- en televisieontvangtoestellen,
radio- en televisieontvanginstallaties,
elektronische geluidsversterkers,
elektronische geluidsversterkerinstallaties,
alsmede bijbehorende hulptoestellen
of onderdelen (radio- en
televisie-installatie- en reparatiebedrijf).
e. Het aanleggen, wijzigen,
demonteren, herstellen, onderhouden of bedrijfsvaardig opleveren
van installaties ten behoeve van ontvangst en
distributie van radio- en televisiesignalen, alsmede van overdracht van
informatie (installatiebedrijf voor collectieve antennes, kabeltelevisie en overige
(tele)ommunicatie). Hieronder
zijn niet begrepen het leggen van
kabels met de daaraan verbonden
laswerkzaamheden, alsmede de voorbereidende en
afsluitende grondwerkzaamheden, ten behoeve van de hiervoor omschreven
doeleinden indien en voor
zover die werkzaamheden geen
uitvloeisel zijn van de normale bedrijfsuitoefening van het hiervoor omschreven
installatiebedrijf.
f. Het aanleggen, wijzigen,
demonteren, herstellen, vervaardigen, onderhouden of bedrijfsvaardig opleveren van lichtinstallaties met
gasontladingsbuizen van hoge spanning, waaronder begrepen het monteren en
demonteren van deze buizen, alsmede algemene reclameverlichtingsinstallaties,
voor zover deze niet binnen een
pand functioneren (lichtreclamebedrijf).
g. Het aanleggen,
herstellen, uitbreiden, demonteren, onderhouden of bedrijfsvaardig opleveren
van elektriciteitsdistributienetten, straat- en
terreinverlichting, elektronische bewegwijzeringsinstallaties, elektrotechnische
verkeersregel-,
verkeersmeting- en verkeerscontrole-installaties en
elektrotechnische parkeerregelingsinstallaties (elektrotechnisch
nettenbouw- en buiteninstallatiebedrijf). Hieronder zijn niet begrepen het leggen van
kabels met daaraan verbonden
laswerkzaamheden, alsmede de voorbereidende en
afsluitende grondwerkzaamheden, ten behoeve van de hiervoor omschreven
doeleinden indien en voor zover die werkzaamheden geen
uitvloeisel zijn van de normale bedrijfsuitoefening van het hiervoor omschreven installatiebedrijf.
h. Het aanleggen, ontwerpen,
wijzigen, demonteren, herstellen,
onderhouden en bedrijfsvaardig opleveren
van elektrotechnische en elektronische installaties of onderdelen daarvan, ten
behoeve van ontvangst, distributie,
zichtbare en/of hoorbare overdracht
van informatie alsmede informatieverwerking
en regeling van industriële productieprocessen of andere mechanische
bedrijfsvoorzieningen (communicatie- en industrieel automatiseringsinstallatiebedrijf).
i. Het aanleggen, wijzigen,
demonteren, herstellen, onderhouden of
bedrijfsvaardig opleveren van
elektrotechnische installaties ten behoeve van
exposities, beurzen, evenementen of feestverlichting (het
tentoonstellingsinstallatiebedrijf).
j. Het met het oog op het
gebruik van huishoudelijke
elektrotechnische verbruikstoestellen bedrijfsmatig aanleggen, wijzigen, herstellen,
onderhouden of bedrijfsvaardig opleveren
van een aansluitpunt op een
bestaande eindgroep van een sterkstroominstallatie (elektroaansluitbedrijf).
k. Het aanleggen, wijzigen,
demonteren, herstellen, onderhouden of bedrijfsvaardig opleveren
van elektrotechnische en elektronische
installaties of onderdelen daarvan aan boord van zich op zee bevindende
objecten welke niet over een eigen
voortstuwing beschikken
(elektrotechnische off-shore installatiebedrijf).
l. Het wikkelen of
herstellen van elektrotechnische machines en gebruiks- en verbruikstoestellen voor
sterk- en zwakstroominstallaties (elektrotechnisch wikkelbedrijf).
m. Het monteren en bedraden
van elektrotechnische en elektronische apparatuur van bedienings-, schakel- en
signaleringspanelen (elektrotechnisch paneelbouwbedrijf).
n. Het demonteren,
repareren, monteren, vervangen, wijzigen,
onderhouden en gebruiksgereed opleveren
van apparaten, installaties, toestellen,
voorwerpen e.d. die elektrische energie
afgeven, bewaren, gebruiken, meten, omzetten, overbrengen, schakelen, transformeren, verbruiken,
verdelen, voortbrengen of waarneembaar
maken (elektrotechnisch reparatiebedrijf).
Alles voor zover in de onder l, m
en n bedoelde ondernemingen, rekening
houdende met het in de bedrijfstak
geldende normale aantal arbeidsuren, in de
regel gedurende minder dan 1200
uren per week door bij een dergelijke
onderneming in dienst zijnde werknemers
werkzaamheden worden verricht.
12. De goud- en
zilvernijverheid, waaronder wordt verstaan:
a. het vervaardigen van:
1. gebruiksvoorwerpen van
edele metalen, al of niet samengaande met
het vervaardigen van
gebruiksvoorwerpen van andere non-ferro-metalen;
2. sieraden en monturen van
edele metalen, al of niet
samengaande met het vervaardigen van
sieraden en monturen van andere non-ferro-metalen;
3. medailles, insignes, enz.
van edele metalen, al of niet
samengaande met het vervaardigen van
medailles, insignes, enz. van andere non-ferro-metalen;
b. het herstellen van, dan
wel het verrichten van een deelbewerking aan of voor de onder a genoemde
voorwerpen.
13. Het aanbrengen,
herstellen, bekleden, afwerken en/of onderhouden
van isolerende materialen:
- ter voorkoming of
beperking van warmte- of koudeverlies;
- tegen vuur, vocht,
geluid en/of vibratie, bij industrieën, aan
technische installaties en aan boord
van schepen, zoals leidingen, apparaten,
kanalen, tanks e.d., voorts in ruimten, zoals koel- en vriescellen, ketel- en
machineruimten, studio’s e.d.
14. Het bedrijf van:
a. het aanleggen,
veranderen, herstellen of onderhouden van
huisrioleringen;
b. het vervaardigen,
aanbrengen, herstellen of onderhouden van uit
aluminium, zink, lood of koper
bestaande dakbedekkingen of onderdelen daarvan, bekledingen aan of op bouwwerken,
afvoerpijpen voor regenwater
of onderdelen daarvan;
c. het aanleggen,
veranderen, herstellen of onderhouden van
installaties voor gas- of watervoorziening of
gedeelten daarvan;
d. het aanleggen,
veranderen, herstellen of onderhouden van
brandleidingen, sprinklerinstallaties of
sanitaire installaties of gedeelten
daarvan.
15. Het motorenrevisiebedrijf, omvattende het revideren van
verbrandingsmotoren en onderdelen daarvan in de ruimste zin, voor zover,
rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende normale aantal
arbeidsuren, in de regel in een dergelijke onderneming gedurende minder
dan 1200 uren per week door bij die onderneming in dienst zijnde
werknemers werkzaamheden worden verricht.
16. Het rijwielkleinbedrijf,
waaronder wordt verstaan:
a. het herstellen, verkopen
of verhuren van al dan niet
gemotoriseerde rijwielen;
b. het geven van gelegenheid
tot stalling van al dan niet
gemotoriseerde rijwielen.
17. Het bedrijf van het
repareren en/of onderhouden van
kantoormachines.
18. De diamantenindustrie,
omvattende:
a. het zagen, snijden,
slijpen, overslijpen of kloven van sierdiamant;
b. het bewerken van ruwe
slijpdiamant tot geslepen sierdiamant;
c. het vervaardigen van
industriediamant.
19. Het bedrijf van:
a. het vervaardigen en/of
herstellen van vaartuigen in de ruimste zin
van het woord, ongeacht het
verwerkte materiaal, voor zover niet vallende
onder de groep 1a;
b. het verschaffen van
ligplaats aan en/of gelegenheid geven tot
stalling of berging van vaartuigen in
jachthavens, boothuizen, loodsen of op de
vaste wal, al dan niet samengaande met
herstelwerkzaamheden aan vaartuigen;
c. het verhuren van
vaartuigen, al dan niet samengaande met
herstelwerkzaamheden hieraan.
Onder vervaardigen wordt
eveneens verstaan het assembleren,
monteren en samenstellen uit van derden
betrokken onderdelen.
13. Bakkerijen, omvattende:
1. Broodfabrieken.
2. Brood- en banketbakkerijen.
14. Suikerverwerkende
industrie, omvattende:
1. Beschuit-, koek-, biscuit-, banket- en wafelfabrieken.
2. Suikerverwerkende industrie.
3. Vervaardiging en verwerking van cacaopoeder, cacaoboter,
chocolademassa en couverture.
15. Slagersbedrijven
16. Slagers overig,
omvattende:
1. Vleesgrossierderij.
2. Loonslachterij.
3. Abattoirs.
4. Vetsmelterij.
5. Afvallenhandel (darmen).
6. Vleeswarenindustrie.
17. Detailhandel en
ambachten, omvattende:
A. Detailhandel:
1.
a. Winkelbedrijven (met
inbegrip van een daaraan verbonden
reparatieafdeling, voor zover deze
reparatieafdeling uitsluitend of praktisch
uitsluitend werkzaam is voor het eigen
winkelbedrijf, doch met uitzondering van
grootwinkelbedrijven en detailhandel in fotoartikelen, verbonden
aan een fotografisch atelier).
b. Detailhandel in meubelen,
in woningtextiel en in
behangselpapier, alsmede de detailhandelszaken, waaraan, behalve de
woningstoffeerderij en/of de behangerij, ook nog
een meubelreparatieafdeling en/of het
meubelstoffeerdersambacht is verbonden, voor zover deze reparatieafdeling
en/of dit ambacht uitsluitend of
praktisch uitsluitend werkzaam zijn (is) voor de eigen detailhandel.
2. Bazars, toko’s.
3. Brandstoffenbedrijven.
4. Handel in onroerend goed;
woningbureaus.
5. Handel in vaartuigen.
6. Markt- en
tentoonstellingswezen, veilingen en beurzen, waar in het
algemeen goederen en detail worden
verhandeld.
7. Venters- en opkopersbedrijven.
8. Verhuurinrichtingen.
9. Advies-, bemiddelings- en
plaatsingsbureaus.
B. Ambachten:
Hier worden bedoeld ambachten die geen grootindustrie naast
zich vinden, zoals bijvoorbeeld verzorgings- en dienstverlenende bedrijven,
waaronder:
1. Kappersbedrijven.
2. Schoonheidsinstituten.
3. Schoenreparatiebedrijven.
4. Maatschoenbedrijven.
5. Schoorsteenvegersbedrijven.
6. Begrafenisondernemingen.
7. Zeilmakerijen (waaronder
vlaggen).
8. Tandtechnische
werkplaatsen.
9. Paramentenateliers.
10. Woningstoffeerdersbedrijf.
11. Behangersbedrijf.
C. Huishoudelijk personeel.
18. Reiniging
Hier worden bedoeld
schoonmaakbedrijven, glazenwassersbedrijven, gevelreinigingsbedrijven e.d.
19. Grootwinkelbedrijf
Warenhuizen en filiaalbedrijven in de detailhandel die een
loonsom WW van ten minste €|5
632 043,00
hebben.
20. Havenbedrijven,
omvattende:
1. Stuwadoorsbedrijven.
2. Machinale los- en
laadbedrijven.
3. Cargadoorsbedrijven.
4. Expediteursbedrijven.
5. Vemen.
6. Koelhuizen.
7. Opslagbedrijven.
8. Tankbedrijven.
9. Graanbedrijven.
10. Controlebedrijven.
11. Schuitevoerdersbedrijven.
12. Ontvangers en
expediteurs van houtladingen.
13. Houtvlottersbedrijven.
14. Werkzaamheden verricht
door walpersoneel van rederijen.
15. Algemene havendiensten
(met inbegrip van bewaking).
21. Havenclassificeerders
Scheepsonderhoud- en classificeerdersbedrijven.
22. Binnenscheepvaart,
omvattende:
1. Personenvervoer
binnenland.
2. Binnenlandse beurtvaart
(waaronder beurtvaartagenten).
3. Binnenlandse wilde vaart.
4. Sleepvaart (inbegrepen
het bergingsbedrijf hetwelk zijn arbeidsterrein voornamelijk vindt op de
binnenwateren).
5. Buitenlandse
binnenscheepvaart (Rijnvaart e.d.).
6. Bijzonder vervoer.
7. Tankvaart.
8. Schelpenwinning.
9. Duikbedrijf.
23. Visserij, omvattende:
1. Zee- en kustvisserij.
2. Zoetwatervisserij.
3. Oester- en mosselteelt.
4. IJsselmeervisserij.
5. Vislos- en vissorteerbedrijven.
24. Koopvaardij, omvattende:
1. Zeescheepvaart.
2. Kustvaart.
3. Walvisvaart.
4. Bergingsbedrijf (met
uitzondering van de bedrijven die hun
arbeidsterrein voornamelijk vinden op de
binnenwateren).
25. Vervoer KLM
26. Vervoer NS
27. Vervoer posterijen,
omvattende:
Werkgevers die postzendingen verzorgen als bedoeld in artikel 1 van de Postwet.
28. Taxivervoer
29. Openbaar vervoer
30. Besloten busvervoer
31. Overig personenvervoer
te land en in de lucht
32. Overig goederenvervoer
te land en in de lucht
33. Horeca algemeen,
omvattende:
1. Hotel-, restaurant,
café- en aanverwante bedrijven.
2. Pension- en
kamerverhuurbedrijven.
34. Horeca catering
Contractcatering.
35. Gezondheid, geestelijke
en maatschappelijke belangen, omvattende:
1. Ziekenhuizen.
2. Sanatoria.
3. Verpleeghuizen.
4. Herstellingsoorden.
5. Kinder- en
kleuterkoloniehuizen.
6. Kleuterdagverblijven.
7. Bad- en zweminrichtingen.
8. Speeltuinen.
9. Speelterreinen.
10. Instellingen en
inrichtingen voor lichamelijke opvoeding en
sportbeoefening.
11. Instellingen en inrichtingen welke in hoofdzaak één of meer
der navolgende doeleinden nastreven:
a. Behartiging van
lichamelijke gezondheidsbelangen.
b. Ziekenverpleging.
c. Prenatale zorg.
d. Kraamverzorging.
e. Zuigelingenzorg.
f. Kleuterzorg.
g. Oudeliedenzorg.
h. Zorg voor doofstommen,
blinden, gebrekkigen en andere mindervaliden.
i. Hulpverlening bij rampen
en ongelukken.
j. Opleiding van
verloskundigen.
k. Opleiding van verplegenden.
12. Artsen.
13. Tandartsen.
14. Apothekers.
15. Dierenartsen.
16. Paramedische bedrijven.
17. Psychiatrische
inrichtingen.
18. Medisch-opvoedkundige
bureaus.
19. Bureaus voor levens- en
gezinsmoeilijkheden.
20. Instellingen en inrichtingen welke in hoofdzaak één of meer
der navolgende doeleinden nastreven:
a. Behartiging van
geestelijke gezondheidsbelangen.
b. Zorg voor geesteszieken
en zenuwlijders.
c. Drankbestrijding.
d. Herstel van
drankzuchtigen.
e. Prostitutiebestrijding.
f. Zorg voor asocialen.
g. Jeugdzorg.
h. Kinderbescherming.
i. Reclassering.
j. Bescherming van vrouwen
en meisjes.
21. Jeugdherbergen.
22. Onderwijsinstellingen.
A. Voorbereidend en lager
onderwijs.
B. Uitgebreid lager
onderwijs.
C. Voorbereidend hoger en
middelbaar onderwijs.
a. H.b.s.
b. Lycea.
c. Gymnasia.
D. Hoger onderwijs.
E. Vakonderwijs.
F. Kunst- en tekenacademie.
G. Muziekonderwijs.
H. Dansonderwijs.
I. Opleidingsinstellingen.
23. Bureaus voor
beroepskeuze en psychotechnische adviesbureaus.
24. Kerkgenootschappen.
25. Kloosterorden.
26. Congregaties.
27. Zending.
28. Missie.
29. Instellingen en inrichtingen welke in hoofdzaak één of meer
der navolgende doeleinden nastreven:
a. Zorg voor wezen.
b. Zorg voor onbehuisden.
c. Zorg voor behoeftigen.
d. Woekerbestrijding.
e. Voorschotverlening.
f. Opleiding voor
maatschappelijk werk.
g. Gezinszorg.
30. Kinderbewaarplaatsen.
31. Crèches.
32. Consultatiebureaus voor
maatschappelijke zorg.
33. Rusthuizen.
34. Het exploiteren van
begraafplaatsen en crematoria.
35. Ambulancevervoer.
36. Vervallen
37. Vervallen
38. Banken, omvattende:
1. Handelsbanken.
2. Spaarbanken.
3. Hypotheekbanken:
a. Hypotheekbanken.
b. Scheepshypotheekbanken.
4. Landbouwkredietbanken.
5. Andere financierings- en
kredietinstellingen.
39. Verzekeringswezen
40. Uitgeverij
41. Groothandel I (met
inbegrip van daartoe behorende nevenwerkzaamheden welke uitsluitend of
praktisch uitsluitend ten behoeve van de eigen groothandel worden verricht),
omvattende:
1. Groothandel in
bouwmaterialen.
2. Groothandel in technische producten en metalen.
3. Bandengroothandel, inclusief het bandenservicebedrijf (verkoop aan
het publiek).
42. Groothandel II (met
inbegrip van daartoe behorende nevenwerkzaamheden welke uitsluitend of
praktisch uitsluitend ten behoeve van de eigen groothandel worden verricht),
omvattende:
1. Overige groothandel
(exclusief groothandel en grossiers in
vlees-/slachtafvallen en groothandel in hout).
2. Tussenpersonen ten behoeve van de
handel.
3. Coöperatieve aan- en
verkoopverenigingen.
4. Fruitpachtersbedrijf.
5. Veilingen op het gebied
van het land- en tuinbouwbedrijf, alsmede
eiermijnen.
43. Zakelijke
Dienstverlening I, omvattende:
1. Kantoren van advocaten.
2. Notariskantoren.
3. Deurwaarderskantoren en
bureaus voor rechtskundige bijstand.
4. Kantoren van accountants
en belastingconsulenten.
5. Octrooibureaus.
44. Zakelijke
Dienstverlening II, omvattende:
1. Reclameadviesbureaus.
2. Marketing- en PR-bureaus.
3. Efficiencybureaus en
economische adviesbureaus.
4. Ingenieurs- en architectenbureaus.
5. Softwareontwikkeling.
6. Expertisebureaus.
45. Zakelijke
Dienstverlening III, omvattende:
1. Effectenhandelaren, voor
zover geen handelsbanken zijnde.
2. Administratieve en
trustkantoren.
3. Effectendepots.
4. Stamboekverenigingen.
5. Tussenpersonen ten behoeve van bank-/verzekeringswezen en onroerend goed.
6. Administratiekantoren.
7. Beheersmaatschappijen.
8. Beleggingsmaatschappijen.
9. Ziekenhuisverplegingsverenigingen.
10. Journalistiek.
11. Nieuws- en persbureaus.
12. Verenigingskantoren en
concernadministraties.
13. Tolken en translateurs.
14. Recherchebureaus.
15. Incassobureaus.
16. Exploitatie onroerend
goed.
17. Beheren en onderhouden
van woningen door ingevolge de Woningwet
toegelaten woningbouwcorporaties.
18. Publiekrechtelijke
bedrijfsorganisaties.
46. Zuivelindustrie,
omvattende:
1. Boterindustrie.
2. Kaasindustrie.
3. Melkproductenindustrie.
4. Melkinrichtingen (met
uitzondering van de kleine slijtersbedrijven).
5. Melk-, boter-, kaas- en melkproductenstations.
6. Zuivelverkooporganisaties.
47. Textielindustrie,
omvattende:
1. Katoenindustrie:
a. Katoenspinnerij.
b. Naaigarenfabricage.
c. Twijnerijen.
d. Breigarenindustrie.
e. Witweverij.
f. Bontweverij.
g. Vitrageweverij.
h. Poolweefselweverij.
i. Katoenendekenweverij.
j. Eigen finishing.
k. Loonfinishing
l. Effilocheerderijen.
2. Linnenindustrie:
a. Vlasspinnerij.
b. Linnenweverij.
c. Veredeling van linnen
garens of weefsels.
3. Rayonweverij,
rayonveredeling.
4. Wolindustrie:
a. Kunstwolindustrie.
b. Kamgarenspinnerij.
c. Fabricage van geperst
vilt.
d. Wollenstoffenweverij en
kaardgarenspinnerij.
e. Trijpweverij.
f. Wollendekenindustrie.
g. Veredeling van wol en
wollen producten.
5. Tapijt- en cocosindustrie.
6. Bastvezelindustrie en
aanverwante industrieën:
a. Hennep.
b. Jute.
c. Sisal en manilla.
d. Papierspinnerij.
e. Zwaardoekweverij.
f. Kapokverwerking.
g. Touwslagerijen.
7. Verwerking van dierlijk
haar.
8. Band- en vlechtindustrie.
9. Tricot- en
kousenindustrie.
10. Het vervaardigen en
herstellen van netten, de twijnerij
daaronder begrepen.
11. Breierijen.
12. Handweverijen.
48. Steen-, cement-, glas-
en keramische industrie, omvattende:
1. Baksteenindustrie.
2. Dakpannenindustrie.
3. Cement- en cementwarenindustrie, waaronder begrepen:
a. Bouwplatenindustrie.
b. Betonwarenindustrie.
4. Kalkindustrie,
gipsindustrie en mergelindustrie (met inbegrip van de
mergelwinning).
5. Kalkzandsteenindustrie.
6. Bouwaardewerkindustrie en vuurvastesteenindustrie.
7. Krijtfabrieken.
8. Aardewerk- en
porseleinindustrie; sanitair aardewerk en
tegelindustrie.
9. Beeldgieterijen,
uitgezonderd de vervaardiging van metalen beelden.
10. Glasindustrie,
glasbewerkingsinrichtingen en glas-in-loodzetterijen.
11. Asbestcement- en asbestcementwarenindustrie.
12. Aardewerkambachten.
49. Chemische industrie,
omvattende:
1. Vervaardiging van
stikstofmeststoffen, salpeterzuur en ammoniak.
2. Vervaardiging van
superfosfaat en zwavelzuur.
3. Vervaardiging van carbid
en niet elders ingedeelde gassen.
4. Vervaardiging van zeep,
was- en reinigingsmiddelen.
5. Vervaardiging van verf en
inkt:
a. Verf, lakken, vernissen,
inkt en chemische kantoorbehoeften.
b. Chemische verfstoffen.
6. Vervaardiging van koolteerproducten en aanverwante artikelen:
a. Koolteerdestillatieproducten en afgeleiden daarvan.
b. Bitumineuze, teerhoudende dakbedekkingsmaterialen.
c. Insecticiden en plantenziektenbestrijdingsmiddelen.
7. Vervaardiging van
kaarsen, glycerine en vetzuren.
8. Beenderverwerking,
destructiebedrijven en technisch vetsmelten.
9. Vervaardiging van
technische plakmiddelen en textielhulpmiddelen.
10. Vervaardiging van niet
elders ingedeelde kunststoffen.
11. Vervaardiging van
diverse organische producten, alsmede zwart
buskruit en springstoffen,
schuimblusmiddelen en vuurwerk.
12. Vervaardiging van
diverse anorganische producten en diverse chloorkoolwaterstoffen.
13. Vervaardiging van cosmetische artikelen, parfumerieën en
tandreinigingsmiddelen.
14. Vervaardiging van
poetsmiddelen.
15. Witwasserij-industrie.
16. Chemische wasserij en
ververij (voor zover niet verbonden aan een
textielbedrijf).
17. Chemische laboratoria.
18. Vervaardiging van
linoleum, vloerzeil en balatum.
19. Knopenindustrie.
20. Fotochemische industrie.
21. Cokesfabrieken.
50. Voedingsindustrie,
omvattende:
1. Groentenverwerkende
industrie:
a. Verduurzaamde groenten,
augurken en tafelzuren in hermetisch
gesloten verpakking.
b. Gezouten groenten en
zuurkool.
c. Gedroogde en ingevroren
groenten en fruit.
2. Fruitverwerkende
industrie:
a. Fruitpulp.
b. Jams, vruchtenmoes,
fruitconserven, appel- en perensiropen.
c. Uit fruit bereide sappen,
dranken, sausen en essences.
3. Oliefabrieken.
4. Olieraffinage en
olieharding, margarine- en spijsvettenindustrie:
a. Olieraffinaderijen en oliehardingsfabrieken.
b. Spijsoliefabrieken.
c. Margarine-industrie.
d. Industrie van eetbare
vetten.
5. Visverwerkende industrie.
a. Visconservenfabrieken.
b. Vismeelfabrieken.
6. Aardappelverwerkende
industrie:
a. Aardappelmeelindustrie.
b. Aardappelvlokken- en aardappelbakmeelindustrie.
7. Suikerindustrie.
8. Maalindustrie.
a. Broodbloemindustrie.
b. Zeeuwse bloem- en
roggebloemfabrieken.
c. Ongebuild tarwemeel- en
roggemeelfabrieken.
9. Graanverwerkende
industrie.
a. Rijstpellerijen.
b. Havermoutfabrieken.
c. Gortpellerijen.
d. Boekweitgrutten- en
boekweitmeelfabrieken.
e. Erwtensplitterijen.
f. Rijstmalerijen.
10. Graanverwerkende
industrie:
a. Maïs-, tarwe- en rijstzetmeelindustrie.
b. Gist-, spiritus- en
moutwijnindustrie.
c. Maalderij.
11. Brouwerijen en
mouterijen:
a. Brouwerijen.
b. Handelsmouterijen.
12. Koffiebranders en
theepakkers.
13. Veevoederindustie.
14. Meelverwerkende
industrie:
a. Fabrieken van vermicelli,
macaroni en aanverwante artikelen.
b. Zelfrijzendbakmeelfabrieken.
15. Zetmeel- en
zoetstofverwerkende industrie:
a. Glucosefabrieken.
b. Zwartestroopfabrieken.
c. Veredeldzetmeelfabrieken.
d. Fabrieken van
puddingpoeder en aanverwante artikelen.
e. Karamel- en
koffiestroopfabrieken.
16. Alcoholhoudende en
alcoholvrije dranken:
a. Distilleerderijen.
b. Fabrieken van
zwak-alcoholhoudende en alcoholvrije dranken.
c. Mineraalwaterindustrie.
17. Diverse derivaten van landbouwproducten verwerkende industrieën:
a. Azijn- en
mosterdfabrieken.
b. Fabrieken van
bakkerijgrondstoffen.
c. Fabrieken van cichorei en
peekoffie.
d. Fabrieken van soepen,
bouillon, jusproducten, spijzen- en soeparoma’s.
e. Ruwijsfabrieken.
f. Vervaardiging van
consumptie-ijs.
51. Algemene industrie,
omvattende:
A. Papier.
1. Papierindustrie:
a. Cellulose-industrie.
b. Halfstoffen voor de
papierindustrie.
c. Courantenpapier.
d. Druk- en schrijfpapier en
karton.
e. Verpakkingspapier en
karton.
f. Speciale soorten papier
en kartons.
2. Strokartonindustrie:
a. Strokarton (beplakt en
onbeplakt) en stropapier.
b. Speciale papier- en kartonproducten uit stro.
c. Golfkartonindustrie.
d. Vervaardiging van
strohulzen en het vlechten van stro.
B. Papierverwerkende
industrie (voor zover niet behorende tot de
sector Grafische industrie, onder 2):
1. Papierenzakkenindustrie.
2. Kartonnage-industrie.
3. Behangselpapier-,
plakband- en paraffinepapierindustrie en
overige papier- en kartonverwerkende
industrieën.
C. Rubberverwerkende
industrie:
1. Banden en aanverwante
artikelen.
2. Vulcaniseer- en
coverbedrijven.
3. Zacht- en
hardrubberartikelen.
4. Rubberschoenen en
aanverwante artikelen.
5. Kunstleder en gerubberde
weefsels.
6.
Rubbervervangingsgrondstoffen.
D. Medisch-pharmaceutische
industrie.
E. Diverse delfstoffen en
aanverwante bedrijven.
1. Aardolie-industrie,
waaronder ressorteert:
a. De winning van aardolie
en aardgas.
b. De verwerking van
aardolie tot halffabrikaten en/of eindproducten, zoals:
1. Gas.
2. Benzine.
3. Kerosine (petroleum).
4. Gasolie.
5. Smeeroliegrondstoffen.
6. Asfaltbitumen.
7. Stookoliën.
8. Petroleumcokes.
c. De verwerking, veredeling
en regeneratie van bovengenoemde
halffabrikaten tot:
1. Gas (vloeibaar en
gasvormig).
2. Speciale benzines (kookpuntbenzine, minerale terpentijn).
3. Minerale smeermiddelen,
te weten smeeroliën en
consistentvetten.
4. Transformator-, turbine-,
technische witte-, medicinale oliën.
5. Industriële minerale
oliën, zoals emulgeerbare, hydraulische, roestwerende, textiel- en spoeloliën en
roestwerende vetten.
d. Vervaardiging en
bewerking van vaste paraffines (minerale
wassen), vaseline (petrolatum).
e. Fabrieksmatige verwerking
van asfaltbitumina tot asfalt
en speciale asfaltbitumina, al dan niet
vermengd met mineraal en/of vezels.
2. Zoutwinningsbedrijf.
3. Zoutziederijen.
4. Bruinkoolgroeven.
5. Brikettenfabrieken.
F. Kledingindustrie:
1. Vervaardiging van dames-,
heren-, en kinderconfectie (inclusief
bedrijfs-, regen-, sport-, leder- en oliedoekkleding).
2. Vervaardiging van
overhemden en lingerie (inclusief
nachtkleding, babykleding en schorten).
3. Vervaardiging van
korsetten, bustehouders, bretels en sokophouders.
4. Vervaardiging van
huishoudtextielgoederen (voor zover zij niet
geschiedt in bedrijven waar de
aangewende textielstoffen zijn vervaardigd).
5. Pelterijen.
6. Vervaardiging van
hoofdbekleding:
a. Herenhoeden.
b. Dames- en kinderhoeden.
c. Petten.
d. Uniformpetten.
7. Vervaardiging van
specialiteiten:
a. Dassen.
b. Paraplu's en parasols.
c. Sierkleedjes, theemutsen
en bewerkte gordijnen.
d. Nouveautés.
e. Kopwatten.
f. Diversen (handwerken,
uniformuitrustingen, capuchons e.d.).
8. Vervaardiging van
gestikte dekens.
9. Textielverwerkende
ambachten:
a. Maatkleermakerij.
b. Modisterij.
c. Hoeden- en pettenmakerij.
d. Bontwerkerij.
G. Leder- en
lederverwerkende industrie:
1. Lederindustrie.
2. Schoenindustrie (met
inbegrip van de fabricage van lederen
onderdelen).
3. Drijfriemenindustrie.
4. Lederwarenindustrie (met
inbegrip van de vervaardiging van
lederen handschoenen).
5. Bontbereiderijen.
52. Uitzendbedrijven,
omvattende:
1. De werkgever die zich in het
kader van de uitoefening van zijn bedrijf of beroep bezighoudt met het
ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een derde om krachtens
een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten
onder leiding en toezicht van de derde, waarbij die arbeidskrachten
werkzaam zijn op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in
artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek waarin tevens een
beding als bedoeld in artikel 691, tweede lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen, wordt ingedeeld in sector 52, mits met
dit ter beschikking stellen van arbeidskrachten meer dan 50% van het
totale premieplichtige loon op jaarbasis is gemoeid.
2. Met de arbeidskrachten, bedoeld in onderdeel 1, worden voor de
toepassing daarvan gelijkgesteld arbeidskrachten ten aanzien van wie het
beding, bedoeld in artikel 691, tweede lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, ingevolge het bepaalde in het derde lid van dat
artikel, al dan niet met toepassing van het zevende lid van dat artikel,
(inmiddels) is beëindigd.
3. De werkgever die zich bezighoudt met het ter beschikking stellen van
arbeidskrachten, bedoeld in onderdeel 1, wordt wanneer met dat ter
beschikking stellen meer dan 15% doch niet meer dan 50% van het totale
premieplichtige loon op jaarbasis is gemoeid, voor zover het die
werkzaamheden betreft, ingedeeld in sector 52.
4. Met de werkgever, bedoeld in de vorige onderdelen, wordt
gelijkgesteld de werkgever die op basis van een uitzendovereenkomst als
bedoeld in artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek arbeidskrachten ter beschikking stelt, niet zijnde arbeidskrachten als
bedoeld in onderdeel 1, mits door die arbeidskrachten geen werkzaamheden
worden verricht die sec functioneel bezien voor meer dan 50% van het
totale premieplichtige loon op jaarbasis aan één sector kunnen worden
toegerekend.
5. In afwijking van de voorgaande onderdelen kan de inspecteur bij voor
bezwaar vatbare beschikking beslissen dat een werkgever wordt ingedeeld
in een andere sector dan sector 52.
53. Bewakingsondernemingen
54. Culturele instellingen,
omvattende:
1. Toonkunstenaars.
2. Opera- en
toneelgezelschappen.
3. Variété-,
circusinstellingen en kermisgezelschappen.
4. Film.
5. Beeldhouwkunst.
6. Schilderkunst.
7. Letterkundigen.
8. Musea, archieven,
monumenten en bibliotheken.
9. Andere culturele
instellingen.
10. Zendgemachtigden op het
gebied van radio en televisie, alsmede omroepproductiebedrijven.
55. Overige takken van
bedrijf en beroep, omvattende:
1. Rayonindustrie.
2. Vlasbewerkende industrie.
3. Poetsdoekenindustrie.
4. Kaaspakkersbedrijf.
5. Vervaardiging van
wasdoek.
6. Overige niet-genoemde groepen welke niet verwant zijn aan
de in de andere onderdelen vermelde
takken van bedrijf en beroep, zoals
het exploiteren van dierenasiels, het
manegebedrijf, het exploiteren van
rijwielbewaarplaatsen en van parkeerplaatsen voor auto’s en dergelijke.
56. Schildersbedrijf
57. Stukadoorsbedrijf, omvattende:
1. Het stukadoorsbedrijf, inclusief het steengaasstellersbedrijf en het
wittersbedrijf.
2. Het vloerenleggersbedrijf.
3. Het steen-, houtgraniet- en kunststeenbedrijf.
58. Dakdekkersbedrijf, omvattende:
het dakdekkersbedrijf voor zover
worden verwerkt bitumen, asfalt en kunststofmaterialen.
59. Mortelbedrijf, omvattende:
Het mortelbedrijf voor zover het betreft
natte mortel.
60. Steenhouwersbedrijf
61. Overheid, Onderwijs en wetenschappen, omvattende:
1. Onderwijsinstellingen.
2. Ziekenhuizen, voor zover geëxploiteerd door en vanwege de overheid.
3. Onderzoeksinstellingen.
4. Onderwijsondersteunende instellingen.
62. Overheid, Rijk, politie en rechterlijke
macht, omvattende:
1. Hoge colleges van Staat.
2. Departementen van algemeen bestuur.
3. Belastingwezen.
4. Gevangeniswezen.
5. Politie.
6. Rechtswezen.
63. Overheid, Defensie, omvattende:
1. Militair personeel.
2. Burgerdefensiepersoneel.
3. Dienstplichtig personeel.
64. Overheid, Provincies, gemeenten en waterschappen, omvattende:
1. Provincies.
2. Gemeenten.
3. Waterschappen.
65. Overheid, Openbare nutsbedrijven
66. Overheid, Overige
instellingen, omvattende:
Overheidsinstellingen welke qua activiteiten niet zijn te rangschikken
onder de hiervoor vermelde overheidssectoren.
67. Werk en (re)integratie, omvattende:
Instellingen of diensten die zich bezighouden met de feitelijke
uitvoering van:
- de Wet sociale werkvoorziening (Wsw);
- voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in
artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet
werk en bijstand.
68. Railbouw, omvattende:
Het (doen) uitvoeren van werkzaamheden aangaande het (aan)leggen van een
verdicht ballastbed, dwarsliggers en rails op bouwrijp gemaakte
spoordijken, spoorbruggen, viaducten en tunnels, alsmede het verrichten
van herstel en onderhoud (operationeel beheer) aan genoemde
railstructuren, alsmede de verhuur met bemanning van specifiek groot
materieel ten behoeve van deze werkzaamheden.
69. Telecommunicatie, omvattende:
1. Exploitanten van telefonie- en telegraafnetwerken.
2. Exploitanten van kabelnetwerken ten behoeve van het doorgeven van
signalen op het gebied van telecommunicatie.
3. Exploitanten van overige telecommunicatievoorzieningen.
TOELICHTING
[2 december 2005]
Algemeen
1.1. Inleiding
In de onderhavige
regeling op grond van de Wet financiering
sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) en het Besluit Wfsv zijn bepalingen opgenomen
over de financiering van de
volksverzekeringen, de financiering van de
werknemersverzekeringen, de gemoedsbezwaarden en de fondsen.
De inhoud van de
regelgeving is afkomstig van bestaande
regelingen. De bepalingen zijn alleen
technisch aangepast.
Nieuw is de uitwerking
van de regelgeving over premiegroepen in de
sectorfondsen. In deze regeling zijn de sectorfondsen aangegeven
waarvoor de premiegroepen gelden. Dit
is een uitwerking van mijn voornemen dat
bij brief van 21 december 2004 aan
de Tweede Kamer is aangekondigd
(Kamerstukken II 2004-2005, 26 448, nr.
179).
Daarnaast zijn in deze
regeling bepaalde groepen werknemers
aangewezen waarvoor een lage premie geldt, ondanks dat het
dienstverband korter dan één jaar duurt.
Voorts is het beleid van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten aanzien van de sectorindeling omgezet
in regelgeving. Het feit
dat de belastingdienst de feitelijke aansluiting
van werkgevers bij sectoren
gaat uitvoeren vanaf 1 januari 2006
heeft hierdoor geen invloed op de beleidsverantwoordelijkheid van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor
de sectorindeling.
1.2. Hoofdstuk 2
De bepalingen in
hoofdstuk 2 van de regeling waren voorheen
opgenomen in de Uitvoeringsregeling
premieheffing volksverzekeringen 2002.
Artikel 8 van de Uitvoeringsregeling
premieheffing volksverzekeringen 2002 is komen te vervallen doordat de
inhoud van dit artikel nu is geregeld in artikel
58, tweede lid, van de Wfsv. Met de
omzetting van deze regelgeving is geen
materiële wijziging beoogd.
1.3. Hoofdstuk 3
De bepalingen in
hoofdstuk 3 van de regeling waren voorheen
opgenomen in diverse regelingen op
grond van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, de
Werkloosheidswet, de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en de Ziektewet. In de
artikelsgewijze toelichting wordt aangegeven welke
bepalingen op welke regelingen zijn gebaseerd. Met de
omzetting van deze regelgeving is geen materiële wijziging beoogd.
In de bepalingen
betreffende premiedifferentiatie sectorfondsen (afdeling
2, paragraaf 1, van
hoofdstuk 3) zijn de sectorfondsen aangewezen
waarvoor het systeem van premiegroepen
gaat gelden. Daarnaast is de verhouding tussen de twee premies vastgelegd
en zijn de groepen werknemers aangegeven die
ook in aanmerking komen voor een
lage premie.
1.4. Regeling verhaal op
werknemer
In afdeling 4 van
hoofdstuk 3 zijn bepalingen opgenomen over het
verhaal van kosten van de eigenrisicodrager op de werknemer. Hieronder
wordt dit nader toegelicht.
Via de Wet invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen is in artikel 34, tweede lid, en
artikel 41, eerste lid,
van de Wfsv voor werkgevers de
mogelijkheid gecreëerd de WGA-lasten tot een maximum van 50% te verhalen op
werknemers.
Artikel 34 heeft
betrekking op de publiek verzekerde
werkgevers:
"De werkgever kan de
met betrekking tot een werknemer door
hem verschuldigde gedifferentieerde premie ten behoeve van de
Werkhervattingskas (...), onder bij
ministeriële regeling te bepalen voorwaarden, tot
ten hoogste de helft verhalen op de
werknemer";
Artikel 41, eerste lid,
regelt voor eigenrisicodragers: "De
eigenrisicodrager en de startende werkgever
(...), kunnen de bij
ministeriële regeling genoemde kosten met
betrekking tot een werknemer ten behoeve van het eigen risico dragen, onder bij ministeriële
regeling te bepalen voorwaarden,
tot ten hoogste de helft verhalen
op de werknemer".
Daarnaast bevat artikel
122b, tweede lid, van de Wfsv nog een
overgangsbepaling voor het jaar 2006.
In deze afdeling zijn de
te verhalen WGA-lasten geregeld in de
structurele situatie (vanaf 2007) in
geval van publieke verzekering, eigen risico dragen zonder dan wel met
private verzekering. Tevens zijn de in het overgangsjaar 2006 te verhalen lasten
geregeld.
In deze toelichting wordt
verder ingegaan op de voorwaarden voor de
verhaalsmogelijkheid.
Algemene vormgeving
verhaalsmogelijkheid
De verhaalsmogelijkheid
is zodanig vormgegeven dat de
werkgever van de publieke premie of eigenrisicodragerslasten (zie voor een nadere
uitwerking de paragraaf Nadere
uitwerking verhaalsmogelijkheid in de structurele
situatie, onderdeel a) maximaal 50%
op het nettoloon van zijn werknemers
mag verhalen. De werkgever kan het
verhaalde bedrag zelf houden en hoeft dit
niet aan de belastingdienst af te
dragen. Door deze uitwerking blijft de
WGA-premie een werkgeverspremie. De verhaalsmogelijkheid leidt niet tot het
splitsen van de WGA-premie in een
werkgevers- en een werknemersdeel.
Werkgevers dragen de publieke
gedifferentieerde premie of de eigenrisicodragerslasten. Voor wat betreft de premieafdracht
of eigenrisicodragerslasten is er alleen sprake van contacten tussen werkgevers en de
publieke uitvoering (UWV
en belastingdienst). De verhaalsmogelijkheid
is een transactie tussen
werkgevers en werknemers onderling. Hierdoor zijn
de extra kosten of lasten voor de
publieke uitvoering (UWV en belastingdienst)
als gevolg hiervan, nihil.
Nadere uitwerking
verhaalsmogelijkheid in de structurele situatie
De verhaalsmogelijkheid
in de structurele situatie (vanaf 2007)
voor de verschillende posities (publieke verzekering, eigen risico
dragen
met private verzekering en eigen risico dragen zonder private verzekering) is
als volgt vormgegeven:
a. Publieke verzekering
In artikel
34, tweede
lid, van de Wfsv is geregeld dat in geval
van publieke verzekering de werkgever maximaal 50% van de publieke
gedifferentieerde WGA-premie (de premie voor de Werkhervattingskas) mag verhalen op
werknemers.
Voor de te verhalen
lasten is geen nadere regelgeving nodig.
Het gaat om de WGA-premie die de werkgever inhoudt op het loon van
een werknemer. Het bedrag dat verhaald
kan worden op die werknemer is ten
hoogste de helft van de door de werkgever
voor die werknemer verschuldigde
premie. Het te verhalen bedrag verschilt
dus per werknemer.
Aparte aandacht vergt de
eventuele verhaalsmogelijkheid voor
het UWV in de werkgeversrol ten
aanzien van uitkeringsgerechtigden zonder werkgever. Door ook het UWV een
verhaalsmogelijkheid toe te kennen, wordt
mogelijk voorkomen dat
uitkeringsgerechtigden niet met een
verhaalsmogelijkheid worden geconfronteerd en degenen
zonder uitkering niet. Dat zou,
ondanks het streven van sociale partners naar
compensatiemaatregelen voor werknemers, afbreuk kunnen doen aan
het uitgangspunt van de Wet WIA dat werken
moet lonen en meer werken meer moet
lonen. Het UWV is over de uitkering
ook gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas
verschuldigd. Hiervoor wordt op grond van
artikel 38a van de Wfsv een apart
percentage vastgesteld ter hoogte van het
rekenpercentage, bedoeld in artikel 38,
eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv.
Artikel 34 is ook voor het UWV van
toepassing, zodat ook voor het te
verhalen bedrag geen aparte regeling
noodzakelijk is.
De praktische invulling
van de verhaalsmogelijkheid door het UWV wordt vormgegeven in overleg
met het UWV.
b. Eigen risico dragen
zonder private verzekering
De in de Stichting van de
Arbeid (STAR) vertegenwoordigde
centrale organisaties van
werkgevers en werknemers hebben voorgesteld een
fictieve premie te introduceren
voor de positie van eigen risico dragen
zonder private verzekering. De
mogelijkheid om dit voorstel te effectueren,
is geregeld in artikel 41, eerste lid,
van de Wfsv. In artikel 3.17 van deze
regeling is bepaald dat onder fictieve premie
wordt verstaan de
eigenrisicodragerslasten gedeeld door de loonsom. Dit vergt dat
aan het begin van enig premiejaar de
WGA-lasten (en de loonsom) worden
geschat. Geregeld wordt dat de
eigenrisicodrager WGA zijn schatting van de
WGA-lasten mag baseren op de in het
betreffende jaar te verwachten lasten, dan
wel op de in het voorafgaande jaar
gerealiseerde lasten.
Als grondslag voor de
verhaalsmogelijkheid gelden de vooraf
geschatte WGA-lasten en loonsom.
Deze kunnen afwijken van de
gerealiseerde lasten en/of loonsom. Daarom is een
correctiemogelijkheid gecreëerd. Hiermee wordt
het mogelijk het in enig jaar
te veel of te weinig op werknemers
verhaalde deel te corrigeren in het daaropvolgende jaar.
c. Eigen risico dragen met
private verzekering
De STAR heeft voorgesteld
de premie voor de private
verzekering als uitgangspunt te nemen voor de
verhaalsmogelijkheid. De regering heeft dit
voorstel overgenomen en in de
onderhavige regeling nader uitgewerkt, waarbij ervan uit is gegaan dat de private
verzekering de wettelijke WGA-lasten die
onderhevig zijn aan eigen risico dragen, dekt.
Omdat de private
verzekering mogelijk meer of minder dekt dan
de wettelijke WGA-lasten die onderhevig
zijn aan eigen risico dragen, geldt
dat als grondslag voor de
verhaalsmogelijkheid geldt de private premie, doch
niet meer dan de fictieve premie (zoals
bedoeld onder punt b). De fictieve
premie is immers gekoppeld aan de
wettelijke WGA-lasten. Dit is geregeld in
artikel 41, tweede lid, van de Wfsv.
Grondslag voor de
verhaalsmogelijkheid in 2006
In 2006 is sprake van een
overgangssituatie in de financiering van de WGA. Er geldt géén
premiedifferentiatie, maar er is wel de mogelijkheid
van eigen risico dragen.
Voor publiek verzekerde
werkgevers is in artikel 122b,
tweede lid, van de Wfsv als grondslag voor
de verhaalsmogelijkheid geregeld de WGA-component in de Aof-premie 2006
(basispremie) [Aof: Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.].
Voor eigenrisicodragers
WGA in 2006 is gekozen voor dezelfde
grondslag als voor publiek verzekerde
werkgevers. Dit wordt geregeld in
artikel 3.18. Als gevolg hiervan geldt voor
alle werkgevers in 2006 eenzelfde
grondslag voor de verhaalsmogelijkheid.
Daarnaast heeft dit om de volgende
reden de voorkeur. Er geldt een
beslistermijn van 26 weken van het UWV op
aanvragen voor eigen risico dragen WGA per
29 december 2005. Dit leidt ertoe
dat in het uiterste geval pas rond 1 juli
2006 definitief uitsluitsel ontstaat over
deze aanvragen. Door niet de private
premie of fictieve premie als grondslag voor
de verhaalsmogelijkheid te regelen, is het al dan niet honoreren van deze
aanvragen geen complicatie voor het
verhalen van lasten op werknemers. De
WGA-component in de Aof-premie zijn alle
bedrijven immers verschuldigd.
Nadere voorwaarden voor
de verhaalsmogelijkheid
In artikel
34, tweede
lid, en artikel 41, eerste lid, van de Wfsv
is opgenomen dat bij ministeriële
regeling voorwaarden worden gesteld aan het
verhalen van WGA-lasten op werknemers.
De regering heeft deze mogelijkheid
getroffen om desgewenst bij lagere
regelgeving te kunnen regelen dat over
het verhalen van lasten
overeenstemming moet bestaan tussen werkgever
en (een vertegenwoordiging van) werknemers.
De STAR heeft laten weten
het verhalen van WGA-lasten op te
vatten als een eenzijdige bevoegdheid van werkgevers, uiteraard onder de
voorwaarde dat het verhaal niet meer dan 50%
van de lasten bedraagt. Omdat de
regering naast de genoemde geen andere
voorwaarden op het oog heeft ten aanzien
van de verhaalsmogelijkheid, is aan de bevoegdheid om nadere voorwaarden te
stellen geen invulling gegeven.
1.5. Hoofdstuk 4
De bepalingen in
hoofdstuk 4 van de regeling waren voorheen
opgenomen in de Regeling
gemoedsbezwaarden socialeverzekeringswetten. Met de omzetting van deze
regelgeving is geen materiële wijziging
beoogd.
1.6. Hoofdstuk 5
De bepalingen in
hoofdstuk 5 zien op het fondsbeheer en de
afdracht aan de fondsen. De bepalingen
zijn afkomstig van diverse regelingen op
grond van de Werkloosheidswet, de Wet
financiering volksverzekeringen en de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen. In de artikelsgewijze
toelichting wordt aangegeven welke
bepalingen op welke regelingen zijn
gebaseerd. Met de omzetting van deze
regelgeving is geen materiële wijziging
beoogd.
Artikelsgewijs
Artikel
3.1. Bepaling
loontijdvak bij twee
premiebetalingstijdvakken
De hoogte van de
franchise en het maximum in het
premiebetalingstijdvak wordt bepaald door
vermenigvuldiging van de voor het
loontijdvak vastgestelde bedragen met het aantal
loontijdvakken van het
premiebetalingstijdvak (artikel 17 van de Wfsv).
Het komt voor dat het
loontijdvak over de jaargrens
heenloopt. Met name bij WW-uitkering kan dat
het geval zijn. Om de bovengenoemde
vermenigvuldiging te kunnen maken, moet voor
die situaties worden geregeld
tot welk premiebetalingstijdvak dat loontijdvak moet worden gerekend.
Om een juiste toepassing
van franchise en het maximum te
bewerkstelligen, is in dit artikel bepaald
dat een loontijdvak dat zich over twee
premiebetalingstijdvakken uitstrekt, wordt geacht
te behoren tot het
premiebetalingstijdvak waarin het loon over dat tijdvak
wordt genoten.
Artikelen 3.5 tot en met
3.9. Premiedifferentiatie sector Uitzendbedrijven
In de
artikelen 3.5 tot
en met 3.9 worden regels gesteld
betreffende premiedifferentiatie sectorfondsen voor de
sector Uitzendbedrijven. Deze
artikelen komen overeen met wat was
opgenomen in het Besluit
premiedifferentiatie wachtgeldverzekering sector Uitzendbedrijven, met dien verstande dat de
inspecteur met ingang van 1 januari
2006 de individuele beslissingen neemt in het
collecterende loket op basis van de
gegevens van het UWV.
De grondslag voor deze
regeling is echter komen te vervallen
en in artikel 2.2, achtste lid, van het
Besluit Wfsv is een grondslag opgenomen
om nadere regels te stellen in de
Regeling Wfsv.
In artikel 3.5, onderdeel f tot en met i, is de definitie van
het individuele ziekteverzuimcijfer en het gemiddelde ziekteverzuimcijfer
technisch aangepast ten opzichte van hetgeen
was geregeld in het Besluit
premiedifferentiatie wachtgeldverzekering
sector Uitzendbedrijven. Er wordt geen materiële
wijziging beoogd. De
ziekengeldlasten en de loonsom worden aan een
werkgever toegerekend als het
ziekengeld onderscheidenlijk het loon betrekking heeft op de werknemers van de
werkgever.
Artikelen 3.10 en
3.11.
Premiedifferentiatie sector Grafische
industrie
In de
artikelen 3.10 en
3.11 worden regels gesteld
betreffende premiedifferentiatie sectorfondsen voor de
sector Grafische industrie. Deze
regels komen overeen met de sinds 1953
geldende praktijk van
premiedifferentiatie in deze sector.
Artikelen 3.12 tot en met
3.14. Premiedifferentiatie sectorfondsen
In de
artikelen 3.12 en
3.13 zijn bepalingen opgenomen inzake de
sectorfondsen waarvoor het systeem van
premiegroepen gaat gelden. In artikel
3.12 is de verhouding tussen de twee
premies vastgelegd en in artikel 3.13 zijn
groepen werknemers aangewezen
waarvoor de lage premie ook geldt.
Artikel 3.14 bevat een bepaling over
de toepassing van het gewogen
sectorpremiepercentage.
Artikel
3.12.
Vaststelling verschillende wachtgeldpremiepercentages
In dit artikel is de
verhouding tussen de twee premies vastgelegd.
Voor de sectoren Bouwbedrijf, Horeca
algemeen en Schildersbedrijf is de
verhouding tussen de hoge en de lage premie
1 staat tot 5, voor de sectoren Agrarisch bedrijf en Culturele instellingen is
die verhouding 1 staat 7. De verschillen
tussen de premies moeten groot genoeg zijn
om werkgevers te prikkelen.
In het tweede lid is bepaald dat het
sectorpremiepercentage voor de werknemers met
kortlopende contracten e.d. (de hoge
premie) ten hoogste 12,5% kan
bedragen. Dit percentage vindt op grond
van het derde lid echter geen
toepassing indien de toepassing van dat percentage ertoe
zou leiden dat de verhouding
tussen de lage en de hoge premie kleiner
wordt dan 1 staat tot 5.
Artikel
3.13.
Gelijkstelling vaststelling sectorpremiepercentage
In artikel
3.13, eerste
lid, zijn twee categorieën aangewezen die ook in
aanmerking komen voor een lage
premie. Dit zijn op de eerste plaats
scholieren en studenten die blijkens
een schriftelijke overeenkomst ten hoogste
acht aaneensluitende weken per kalenderjaar in dienstbetrekking zullen
staan tot dezelfde werkgever. Op de tweede
plaats is om werkgevers niet te
ontmoedigen om leer/werktrajecten aan
te bieden, bepaald dat ook die
werknemers voor een lage sectorpremie in
aanmerking komen (eerste lid,
onderdeel b). Voor de kenmerken van deze
werknemers wordt aangesloten bij de
definities die in het kader van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
benoemd zijn. Op
werknemers die vallen onder artikel 14, eerste lid, van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
zal ook een lage premie van toepassing
zijn. Dit zijn voornamelijk jongeren die
een leerovereenkomst aangaan met de werkgever. De werkgever zal een
bewijs van deze leerwerkovereenkomst in
zijn administratie moeten opnemen. Ook voor
deze groepen werknemers geldt
dat indien zij binnen één jaar toch
beroep doen op een WW-uitkering, de hoge
premie alsnog verschuldigd is en met
terugwerkende kracht geheven wordt.
Artikel
3.14. Toepassing
gewogen sectorpremiepercentage
Bij de berekening van de
af te dragen premies
werknemersverzekeringen wordt de systematiek van
het voortschrijdend cumulatief rekenen
gebruikt. Wanneer binnen het
premiebetalingstijdvak verschillende
premiepercentages van toepassing zijn, is
cumulatief rekenen slechts mogelijk wanneer
de grondslagaanwasmethode wordt gehanteerd. Wanneer de cumulatieve
premiemethode wordt gehanteerd, dient
met een gewogen percentage te
worden gerekend.
De cumulatieve
premiemethode houdt in dat de premies
werknemersverzekeringen worden berekend over het
cumulatieve premieloon tot en met het
laatste loontijdvak van het premiebetalingstijdvak. Dit bedrag wordt
vervolgens verminderd met de verschuldigde
premies over het cumulatieve
premieloon tot het laatste loontijdvak (het
totaal van de reeds eerder aangegeven
premies) en aldus resulteert het
bedrag van de aan te geven premies.
De grondslagaanwasmethode
houdt in dat voor iedere aangifte
de premies werknemersverzekeringen
worden berekend over de aanwas van de
premiegrondslag. De aanwas is het verschil tussen de cumulatieve
premiegrondslag tot en met het laatste
loontijdvak en de cumulatieve
premiegrondslag tot het laatste loontijdvak.
Artikel
3.15. Ontheffing
garantieplicht overheidswerkgevers
Dit artikel vervangt de
Regeling ontheffing garantieplicht WAO
overheidswerkgevers en de Regeling
ontheffing garantieplicht ZW,
gebaseerd op artikel 75, eerste lid, (oud) WAO, respectievelijk
artikel 63, tweede lid, (oud) ZW en komt daarmee geheel
overeen.
Artikelen 3.16 tot en met
3.18. Verhaal op werknemer
Zie voor een toelichting
op deze artikelen paragraaf 1.4 in het
algemene deel van de toelichting.
Artikel
3.19.
Indienstneming voor vrijstelling oudere werknemer
Dit artikel vervangt de
Regeling van de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid van 18 december 2003, houdende nadere regels met
betrekking tot de vrijstelling van de basispremie op grond van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor oudere werknemers (Stcrt.
2003, 250) die met deze regeling wordt
ingetrokken.
Artikelen 3.20 en
3.21.
Onderbroken en opeenvolgende
dienstverbanden
Deze artikelen komen in
de plaats van de bestaande Regeling
onderbroken en opeenvolgende dienstverbanden, gebaseerd op artikel 79b,
zesde lid, (oud) WAO en de artikelen
82, zesde lid, (oud) 82a, zevende lid,
[oud, red.] en
97c, elfde lid, [oud, red.] WW.
Artikel
3.22.
Premiekorting bij overgang van ondernemingen
Dit artikel komt in de
plaats van artikel 3a van de Regeling
onderbroken en opeenvolgende dienstverbanden.
Artikel
3.23. Verdeling
premiekorting over premies op grond van
afdeling 4 van hoofdstuk 3 Wfsv
Dit artikel komt in de
plaats van de bepalingen van de Regeling
verdeling premiekorting WAO.
Artikelen 4.1 tot en met
4.10. Gemoedsbezwaarden
Deze artikelen komen in
de plaats van de bepalingen van de Regeling
gemoedsbezwaarden socialeverzekeringswetten.
Artikelen 5.1 tot en met
5.8. Indeling in sectoren
Deze artikelen komen in
de plaats van de bepalingen van de Regeling
indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren, het Besluit
indeling uitzendbedrijven, het Besluit
concernregelen, het Besluit aansluiting
werkgevers bij de Gezondheid en het Besluit
tijdstip aansluiting metaal. De Regeling
indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren wordt met de
inwerkingtreding van de onderhavige
regeling ingetrokken. De verschillende
besluiten komen van rechtswege te
vervallen aangezien de wettelijke grondslag
vervalt en er niet in de doorwerking
van deze besluiten is voorzien.
Eén en ander wordt nader
toegelicht in de toelichting op bijlage 1 bij deze regeling.
Specifiek voor artikel 5.4, eerste en tweede lid, geldt dat
deze indertijd zijn tot stand gekomen op
verzoek van het bedrijfsleven. Het doel
hiervan is om gelijke
arbeidsvoorwaarden te creëren voor het personeel dat
werkzaam is bij twee of meer werkgevers
wier bedrijven of instellingen in
juridisch opzicht zelfstandig zijn, doch
die tot een economische of organisatorische
eenheid behoren. Het doel is
tevens een vereenvoudiging van de administratie
binnen een concern. De
inspecteur houdt bij de toepassing van deze
artikelen rekening met de bij de beslissing
betrokken werknemers in verband met de
gevolgen van de sectoraansluiting voor
de arbeidsvoorwaarden. Hierbij kan het nodig
zijn dat de ondernemingsraad
zich over het verzoek van de betrokken
werkgevers uitspreekt.
Artikelen 5.9 tot en met
5.11. Vergoeding remigratiebijdragen
Deze artikelen komen in
de plaats van de bepalingen van de Regeling
vergoeding bijdragen Remigratiewet,
gebaseerd op de artikelen 95,
derde lid, (oud) 97h, derde lid,
[oud, red.] en 112 [oud, red.]
WW.
Artikelen 5.12 tot en met
5.14. Reservevorming
Deze artikelen komen in
de plaats van de bepalingen van de Regeling
reservevorming Algemeen Werkloosheidsfonds 2002 en de Regeling
reservevorming wachtgeldfondsen 2002,
die met inwerkingtreding van de onderhavige
regeling worden ingetrokken.
Artikelen 5.15 tot en met
5.22. Rekening-courant
Deze artikelen komen in
de plaats van de Regeling
rekening-courantverhouding sociale verzekeringen en
de Regeling afdracht aan fondsen ex
artikel 44 Wet financiering volksverzekeringen. De artikelen zijn
samengevoegd en overbodige bepalingen
zijn vervallen. Hiermee zijn geen
materiële wijzigingen beoogd, behalve ten
aanzien van de volgende punten.
De bepaling over de
tijdstippen waarop wederzijdse
informatievoorziening tussen de Minister van
Financiën enerzijds en de SVB, het UWV en het
CVZ [College voor zorgverzekeringen, red.]
anderzijds moet
plaatsvinden, is komen te vervallen. Dergelijke
specifieke afspraken kunnen bij
nader inzien beter in flexibele rekening-courantovereenkomsten worden vastgelegd.
De techniek van het geïntegreerd
middelenbeheer is sinds 1997
vereenvoudigd. De feitelijke betalingen
en ontvangsten blijven via
betaalrekeningen bij banken verlopen. Deze
betaalrekeningen worden echter in overleg
met de banken in zogenaamd
concernverband gebracht met een rekening
van ’s Rijks schatkist bij elke
betrokken bank. Dagelijks worden de
overschotten en tekorten op deze
betaalrekeningen aangevuld of afgeroomd ten gunste
of ten laste van de
schatkistrekening bij de bank. Aan het einde van
elke werkdag zijn aldus de saldi van
de betaalrekeningen op nul gezet. De bank
geeft deze mutaties dagelijks door.
De Minister van Financiën verstrekt
dagelijks een afschrift van de
overeenkomstige mutaties in de rekeningen-courant.
Deze nieuwe techniek
wordt niet toegepast door het UWV en de SVB,
maar wel door het CVZ. In de
Regeling zorgverzekering zijn bepalingen ten
aanzien van deze nieuwe techniek
opgenomen met betrekking tot het
Zorgverzekeringsfonds. In deze regeling is
ervoor gekozen die bepalingen van
overeenkomstige toepassing te verklaren
voor het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten.
Het is op dit moment niet
opportuun om de nieuwe techniek
eveneens op te leggen aan het UWV en de
SVB in verband met lopende afspraken met
de banken en vanwege
voorbereidingen die in
administratief-technische zin zouden moeten worden getroffen.
In de loop van 2006 zal worden
bezien of een dergelijke wijziging wel mogelijk en
wenselijk is vanaf 2007.
De bepalingen in artikel
5.16 zijn aangepast aan de overheveling van
de premieheffing
werknemersverzekeringen naar de belastingdienst
en de introductie van de gecombineerde
aangifte van loonbelasting, premie
volksverzekeringen en premies
werknemersverzekeringen (de loonaangifte).
Hoofdstuk 5, afdeling 5,
paragraaf 2. Algemeen
Kinderbijslagfonds
Deze paragraaf komt in de
plaats van de Financieringsregeling
Algemeen Kinderbijslagfonds 2005.
Artikelen
5.24, 5.26 en
5.27. De raming en opgave van de uitgaven
Met betrekking tot de
uitgaven van het Algemeen
Kinderbijslagfonds (AKF) wordt in artikel 5.24
allereerst voorgeschreven dat de SVB een raming
geeft voor het AKF van de
totale uitgaven, bestaande uit
kinderbijslagen en uitvoeringskosten, voor het komende kwartaal (t). Daarnaast dient de
SVB voor het vorige kwartaal (t-2) een
opgave te doen van het totale bedrag aan
gerealiseerde uitgaven. Voorgeschreven
is tevens dat de SVB deze bedragen
uitsplitst per maand.
In artikel 5.26, eerste
lid, wordt vervolgens met betrekking tot die
raming voorgeschreven dat het
totaalbedrag aan uitgaven wordt
gespecificeerd in kinderbijslagen en uitvoeringskosten. Ook
ten aanzien van de opgave van
de gerealiseerde uitgaven wordt met
betrekking tot het totaalbedrag
voorgeschreven in artikel 5.27, eerste lid,
dat dit wordt gespecificeerd in
uitbetaalde kinderbijslagen en betaalde
uitvoeringskosten.
Met betrekking tot de
raming van de kinderbijslagen wordt
bovendien apart voorgeschreven (artikel 5.26, tweede lid) dat deze wordt
gespecificeerd in kinderbijslagen voor het
komende kwartaal (t) en voor de daaraan
voorafgaande kwartalen t-1, t-2,
enzovoort. De bedoeling van dit voorschrift is
mede inzicht te krijgen in rechten op
kinderbijslag die zullen worden uitbetaald
in kwartaal t, maar waarvan het recht op
kinderbijslag betrekking heeft op de
kwartalen t-1, t-2, enzovoort. Eenzelfde
voorschrift is gegeven in artikel 5.27,
tweede lid, met betrekking tot de
gerealiseerde kinderbijslagen. De uitbetaalde
kinderbijslagen dienen te worden
gesplitst in kinderbijslagen over kwartaal t-2 en
kinderbijslagen over kwartalen t-3, t-4, enzovoort. Uiteraard geldt voor deze
voorschriften in de artikelen 5.26,
tweede lid, en 5.27, tweede lid, dat een
raming of een opgave over een voorafgaand
kwartaal alleen gegeven behoeft te worden
indien sprake is van een relevant recht
op kinderbijslag waarvan wordt geraamd dat
het zal worden uitbetaald in
kwartaal t of dat is uitbetaald in kwartaal
t-2.
Artikel
5.28, tweede lid,
juncto artikel 5.23, onderdeel c
Op grond van
artikel 29a,
eerste lid, van de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) is de SVB reeds verplicht
de met toepassing van artikel 17a AKW
verkregen boeten afzonderlijk te
administreren. Voor alle duidelijkheid
is ook in deze paragraaf nogmaals deze
verplichting opgenomen.
Hoofdstuk 5, afdeling 3,
paragraaf 3. Toeslagenfonds en
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten
Deze paragraaf komt in de
plaats van de Financieringsregeling
Toeslagenfonds en Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten.
Artikel 5.32 en
artikel 5.33. Specificatie raming en opgave
gerealiseerde uitgaven
De bijlagen
2 en 3
respectievelijk 4 en 5, genoemd in artikel 5.32, eerste lid, respectievelijk
artikel 5.33, eerste lid, zijn als bijlagen bij
deze regeling gevoegd.
Hoofdstuk 5, afdeling 3,
paragraaf 4. Arbeidsongeschiktheidsfonds
Deze paragraaf komt in de
plaats van de Financieringsregeling
rijksbijdrage Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Via de rijksbijdrage in het
Arbeidsongeschiktheidsfonds worden de kosten
gefinancierd van de uitkeringen
tijdens verlof wegens zwangerschap en
bevalling voor alfahulpen en overige
personen met een arbeidsovereenkomst op
grond van hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 2, alsmede de uitkeringen op
grond van artikel 3:30 van de Wet
arbeid en zorg. Deze uitkeringen worden
op grond van de Wet einde toegang verzekering WAZ
ten laste gebracht van
het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Bijlage 1
Bijlage
1 bij
deze
regeling komt in de plaats voor de bijlage
bij de Regeling indeling van het bedrijfs-
en beroepsleven in sectoren. Verder is in bijlage
1 en de toelichting op bijlage 1 het uitvoeringsbeleid ten aanzien van
sectorindeling opgenomen van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
en zijn rechtsvoorgangers.
In het kader van de
overheveling van de premieheffing naar de belastingdienst gaat ook de uitvoering
van de sectorindeling over van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
naar de belastingdienst. In
verband hiermee komt het indelingsbeleid
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen per 1 januari 2006 te
vervallen. Dit beleid is daarom, voor zover nodig, opgenomen in de toelichting op
bijlage 1. Het feit dat de belastingdienst de feitelijke aansluiting
van werkgevers bij sectoren gaat uitvoeren
vanaf 1 januari 2006 heeft hierdoor geen
invloed op de beleidsverantwoordelijkheid
van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de sectorindeling.
Het is niet de bedoeling
om materiële wijzigingen aan te
brengen in de sectorindeling. Om mogelijke
onduidelijkheden over de achtergronden en
de context van het beleid te
voorkomen, wordt hierbij een
overzicht gegeven van de relevante voormalige
beleidsregels van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en zijn
rechtsvoorgangers:
- Circulaire van Sociale
Verzekeringsraad van 25 mei 1955 (Uitleg
handelsondernemingen; gerelateerde
werkzaamheden).
- Circulaire van Sociale
Verzekeringsraad van 26 juni 1973
(Inspraak werknemers bij groepsaansluiting).
- Circulaire van Sociale
Verzekeringsraad van 28 juli 1982 (Groothandelaren/grossiers in vlees,
vleeswaren en importeurs van bevroren vlees).
- Circulaire van Sociale
Verzekeringsraad van 28 december 1987
(Grensafbakening Groothandel/Detailhandel).
- Circulaire van Sociale
Verzekeringsraad van 30 mei 1989 (Fictie
van één onderneming).
- Circulaire van Sociale
Verzekeringsraad van 3 december 1992
(Indeling van cultuurtechnische en
civieltechnische bedrijven).
- Brief van 10 juli 1997
(Accountantskantoren).
- Brief van 29 maart 2001
(Dispensatie voor uitzendbedrijven in
de koopvaardij).
- Mededeling van 29 april
1998 (Gelijkheidsbeginsel).
- Mededeling van 30 juni
1998 (Pleegcriterium verhuurbedrijven).
- Mededeling van 11
januari 2001 (Vislos- en sorteerbedrijven).
- Mededeling van 18
januari 2001 (Grensafbakening
groothandelssectoren).
Sectoren 1 en 3
In de voormalige
Circulaire van de Sociale Verzekeringsraad van 3
december 1992 (Indeling van
cultuurtechnische en civieltechnische
bedrijven) werd het onderscheid verduidelijkt
tussen cultuurtechnische en civieltechnische
werkzaamheden. Tot het Agrarisch bedrijf behoren ingevolge
onderdeel 13 van bijlage 1 tevens
cultuurtechnische werken. Tot het Bouwbedrijf
behoren de civieltechnische bedrijven.
Civieltechnische
werkzaamheden (behorende tot het
Bouwbedrijf) zijn de aanleg van verhardingen,
riolering en gebouwen en dergelijke
waarvoor een aanleg- of bouwvergunning
is vereist en ook het daarmee
samenhangende onderhoud, grondboringen,
bronbemalingen, kabels, buisleidingen,
grondwerk ten behoeve van een
civieltechnische bestemming, wegenbouw,
markeringen, sloopwerken,
waterbouwkundige werken en verhuur van bemand
materieel voor civieltechnische
activiteiten, behoudens:
- de aanleg van
buisleidingen in eigen beheer voor drainage ten
behoeve van landbouw, bewerking van
grond en zand voor een agrarische
bestemming en de incidentele aanleg van
duikers voor ontsluiting van een landbouwperceel,
welke als cultuurtechnische
werkzaamheden opgevat moeten worden;
- het
aanleggen, verbeteren of onderhouden van sportvelden en andere recreatieve objecten
alsmede alle andere grondwerken voor
cultuurtechnische, civieltechnische, sport-,
recreatie- en andere objecten,
beplantingen en groenstroken langs wegen. Hierbij is
het uitgangspunt dat, indien
er een bouw/aanlegvergunning vereist
is, het civieltechnische werkzaamheden zijn. Met uitzondering van de
aanleg en het onderhoud van het groen alsmede
drainage en de bovenste grondlaag ten
behoeve van het groen, welke
cultuurtechnische activiteiten zijn;
- de te onderscheiden
cultuurtechnische werkzaamheden bij
inpoldering en ruilverkaveling: de ontsluiting van
gronden en ruilverkaveling dienen
als cultuurtechnische werkzaamheden opgevat te worden indien er sprake
is van daarmee samenhangende
grondbewerking (waaronder ploegen, eggen, zaaien en
egaliseren van de toplaag van de
grond voor een plantaardige
bestemming). De ontsluiting van gronden en
ruilverkaveling dienen als
civieltechnische werkzaamheden opgevat te worden indien
er sprake is van grondverwerking in
de zin van landinrichting (de aanleg
van wegen, watergangen en gemalen).
Sectoren 16 en 42
In de voormalige
Circulaire van de Sociale Verzekeringsraad van 28
juli 1982 (Groothandelaren/grossiers in vlees, vleeswaren en importeurs
van bevroren vlees) werd het
onderscheid verduidelijkt tussen de sector Slagers
overig en de sectoren Groothandel I
en II.
- Groothandelaren of
importeurs van vlees, vee of vleeswaren
die zelf slachten of het vlees be- of
verwerken behoren tot sector 16.
- Groothandelaren in
vleeswaren en -conserven die zich niet
bezighouden met de productie of bewerking
daarvan en importeurs van
diepgevroren vlees die het vlees niet zelf
opslaan en be- of verwerken, behoren tot sector 42.
Sectoren 17, 41 en 42
In de voormalige
Circulaire van de Sociale Verzekeringsraad van 28
december 1987 (Grensafbakening Groothandel/Detailhandel) werd het
onderscheid verduidelijkt tussen de detailhandel en
de groothandel aan de hand
van het pleegcriterium.
Het pleegcriterium luidt
als volgt:
- De leverancier aan
bedrijfsmatige kopers dient tot de
Groothandel I of II te worden gerekend indien de
particulier de door die leverancier
verkochte goederen niet pleegt aan te
schaffen of pleegt aan te schaffen, doch niet
in dezelfde vorm, omvang en/of
hoeveelheid als waarin de goederen door
de betreffende leverancier aan
bedrijfsmatige kopers worden geleverd.
- Indien niet aan één
van bovenstaande voorwaarden wordt voldaan,
dient de leverancier tot de
Detailhandel te worden gerekend.
Sector 17 en 45
In de voormalige
Mededeling van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen van 30 juni 1998
(Pleegcriterium verhuurbedrijven) werd het onderscheid tussen de sectoren
Detailhandel en Zakelijke Dienstverlening III
verduidelijkt aan de hand van het
pleegcriterium.
Het pleegcriterium luidt
als volgt:
- De verhuurder aan
zakelijke gebruikers behoort tot de Zakelijke
Dienstverlening III indien het gaat om
zaken die in de regel niet voor de
particulier in de detailhandel verkrijgbaar
zijn of als de particulier de door die
werkgever verhuurde goederen wel pleegt te
huren, doch niet in dezelfde
vorm, omvang en/of hoeveelheid als waarin
de goederen door de betreffende
werkgever aan zakelijke gebruikers worden
verhuurd. Indien niet aan één van
bovenstaande voorwaarden wordt voldaan,
dient de verhuurder tot de
Detailhandel te worden gerekend.
Sector 19
De loongrens voor de
sector Grootwinkelbedrijf wordt jaarlijks
geïndexeerd aan de hand van de
gemiddelde contractloonontwikkeling in de Macro Economische Verkenning van het
Centraal Planbureau.
Sectoren 41 en 42
In de voormalige
Landelijk instituut
sociale verzekeringen van 18 januari 2001
(Grensafbakening groothandelssectoren)
werd het onderscheid tussen de sectoren
Groothandel I en Groothandel II
verduidelijkt door de werkzaamheden die behoren
tot Groothandel I beter af te bakenen.
1. Onder groothandel in
bouwmaterialen dient onder meer te
worden verstaan de groothandel in zogenaamde
grove bouwmaterialen,
afbouwmaterialen, bouwplaten,
isolatiematerialen, bouwproducten van kunststof,
bindmiddelen, mortels en
morteltoeslagen, bouwrelevante chemische preparaten en
overige bouwgerelateerde
materialen.
2. Onder groothandel in
technische producten en metalen dient te
worden verstaan de groothandel
in:
- staal (ongeacht van welk
procédé en ongeacht welke legering,
bewerkt en onbewerkt);
-metaalwaren (grote en
kleine ijzerwaren, gereedschappen, machines
en hulpmiddelen voor
onderhoudswerkplaatsen en garages, persoonlijke beschermingsartikelen
voor gehoor en dergelijke);
- sanitaire artikelen
(inclusief voorzieningen op het gebied van water,
gas, riolering en hemelwaterafvoer);
- auto’s (inclusief
aanverwante transportmiddelen, overige motorvoertuigen, auto-onderdelen en
auto-uitrustingen);
- rijwielen
en motorfietsen (inclusief onderdelen en uitrustingen);
- elektrotechnische en
elektronische artikelen;
- huishoudelijke
artikelen.
3. Onder
bandengroothandel dienen onder meer groothandels
in wielen, velgen en gebruikte banden te
worden verstaan.
Sector 67
De tekst in
bijlage 1 is
aangepast in verband met de intrekking
van de Wet inschakeling werkzoekenden. Instellingen of diensten die zich
bezighouden met de feitelijke
uitvoering van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en
bijstand vallen onder sector 67.
Bijlagen 2 tot en met 5
In de bijlagen 2 tot en
met 5 is opgenomen wat voorheen als bijlage
bij de Financieringsregeling Toeslagenfonds
en Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten was opgenomen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
De Staatssecretaris van
Financiën,
J.G. Wijn.
|
|