|
BESLUIT
van 16 november 2005 tot vaststelling van een algemene maatregel van
bestuur ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen en
enige andere wetten (Besluit Wfsv)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
gedaan mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Financiën en
Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 8 juli 2005, nr. SV/F&W/05/51635;
Gelet op de artikelen
28, eerste en tweede lid, 37, tweede en vierde lid,
42, 71, eerste lid,
80 en 91, eerste lid, van
de Wet financiering sociale verzekeringen, de
artikelen 40, eerste lid,
en 77 van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en artikel 78, zesde
lid,¹ van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
De Raad van State gehoord (advies van 19
augustus 2005, nr. W12.05.0324/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 november 2005, nr. SV/F&W/05/70630,
uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Financiën en Onze Minister van
Volksgezondheid Welzijn en Sport;
1. Volgens de redactie
dient "artikel 78, zesde lid" te
worden vervangen door: artikel 78, vijfde
lid.
Hebben
goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK
1
Algemene
Bepalingen
Art. 1.1.
Begripsbepalingen
In dit besluit en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Wfsv: de Wet
financiering sociale verzekeringen;
b. WAO: de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. Wet WIA: de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
d. sector: een sector als
bedoeld in artikel 95 van de Wfsv.
HOOFDSTUK
2
Premies
werknemersverzekeringen
§ 1.
Vaststelling
premiepercentages sectorfondsen
Art. 2.1.
Begripsbepalingen
In deze paragraaf en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. het
sectorpremiepercentage: het percentage van het loon dat op grond van artikel
28,
eerste lid, van de Wfsv wordt vastgesteld ter bepaling van het deel van
de premie dat ten gunste komt van een sectorfonds;
b. de verzekerde loonsom:
het totaalbedrag van het loon, bedoeld in artikel 26 van de Wfsv,
waarover het UWV in een kalenderjaar ten gunste van een
sectorfonds de in dat artikel bedoelde premies ontvangt, met
uitzondering van de uitkeringen, de toeslag en het loon waarop artikel
28, tweede
lid, van de Wfsv van toepassing is;
c. de ziekengeldlasten:
de uitkeringen die op grond van artikel 104, eerste lid, onderdeel c,
van de Wfsv ten laste van een sectorfonds komen alsmede de
uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen en de op grond van enige wet over
die uitkeringen door het UWV verschuldigde premies die niet op die
uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht met uitzondering van
hetgeen meer bedraagt dan het op grond van artikel
105, derde lid, van de
Wfsv vastgestelde maximum;
d. de werkloosheidslasten: hetgeen op grond van artikel
104, eerste lid, van de Wfsv ten laste van
een sectorfonds komt, met uitzondering van:
1º. de ziekengeldlasten;
2º. de uitkeringen die worden betaald aan
zieke werklozen en die op grond van artikel
104, zevende lid, van de Wfsv niet ten
laste van een sectorfonds komen, waarbij die uitkeringen worden berekend
door het aantal ziektedagen van zieke werklozen in de sector te
vermenigvuldigen met het gemiddelde per dag uitbetaalde bedrag en de
uitkomst te vermenigvuldigen met het bedrag van de uitkeringslasten van
het sectorfonds gedeeld door het bedrag van de uitkeringslasten van het
Algemeen Werkloosheidsfonds ten behoeve van werklozen met
werkloosheidsuitkering uit de sector;
3º. hetgeen meer bedraagt dan het op grond
van artikel 105, eerste lid, van de Wfsv
vastgestelde maximum;
e. het lastenplafond: het
percentage van de verzekerde loonsom waarin de werkloosheidslasten
tot uitdrukking komen, dat op grond van artikel
105, eerste lid, van de Wfsv
wordt vastgesteld als maximum;
f. het dekkingssaldo: het
verschil tussen het feitelijke vermogen van een sectorfonds en de op
grond van artikel 120, achtste lid, van de Wfsv
aan te houden reserve.
Art. 2.2.
Wijze van
vaststelling van het sectorpremiepercentage
-1. Het UWV stelt een
sectorpremiepercentage vast ter dekking van de werkloosheidslasten. Het sectorpremiepercentage bedraagt ten hoogste
het lastenplafond.
-2. Het UWV stelt voor de
dekking van de ziekengeldlasten en de lasten die op grond van artikel
104, eerste lid, onderdeel d, van de Wfsv ten laste
van een sectorfonds komen
een opslagpercentage vast, waarmee het sectorpremiepercentage
met betrekking tot dat sectorfonds wordt verhoogd.
-3. Indien in een
sectorfonds op 31 december van het jaar waarin het sectorpremiepercentage
wordt vastgesteld naar verwachting van het UWV een positief of
negatief dekkingssaldo aanwezig zal zijn, stelt het UWV, in afwijking van het
eerste lid, in dat kalenderjaar en de daaropvolgende kalenderjaren een zodanig
sectorpremiepercentage vast dat het overschot dan wel tekort
binnen drie kalenderjaren na die datum is ingelopen
onderscheidenlijk aangezuiverd.
-4. De toepassing van het
derde lid leidt niet tot het heffen van een negatieve sectorpremie.
-5. Voor zover een positief
dekkingssaldo door de toepassing van het vierde lid niet binnen de
termijn van drie kalenderjaren kan worden ingelopen, geldt een
zodanig langere termijn tot 31 december van enig jaar dat het overschot
wel kan worden ingelopen.
-6. Indien de toepassing
van het derde lid leidt tot vaststelling van een sectorpremiepercentage
boven het lastenplafond, behoeft de aanzuivering van een negatief
dekkingssaldo niet binnen de termijn van drie kalenderjaren te geschieden. In
dat geval wordt het sectorpremiepercentage vastgesteld op ten minste
het lastenplafond.
-7. Indien een sectorfonds
bestaat uit onderdelen die niet afzonderlijk worden beheerd, terwijl
het deel van de premie dat ten gunste komt van het sectorfonds voor elk
van die onderdelen afzonderlijk wordt vastgesteld, zijn het eerste tot en
met het zesde lid met betrekking tot deze onderdelen gezamenlijk
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder het
sectorpremiepercentage wordt verstaan het gewogen gemiddelde van de
voor die onderdelen afzonderlijk vastgestelde sectorpremiepercentages.
-8. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor het eerste en tweede lid.
[RW]
-9. Bij
ministeriële regeling kan worden bepaald dat ten behoeve van de
vaststelling van het sectorpremiepercentage, bedoeld in het eerste lid,
de termijn van drie kalenderjaren, bedoeld in het derde, vijfde en zesde
lid, wordt verlengd tot maximaal vijf kalenderjaren.
Art. 2.2a.
Vervallen.
Art. 2.3.
Vaststelling
verschillende sectorpremiepercentages
-1. In afwijking van
artikel 2.2 stelt het UWV op bij ministeriële regeling te bepalen wijze
sectorpremiepercentages, die voor verschillende categorieën van
werknemers kunnen verschillen, vast voor de sectorfondsen van: [RW]
a. het agrarisch bedrijf;
b. het bouwbedrijf;
c. de culturele
instellingen;
d. de horeca algemeen;
e. het schildersbedrijf.
-2. De verschillende
sectorpremiepercentages gelden voor:
a. werknemers die
blijkens een schriftelijke overeenkomst ten minste voor één jaar of voor
onbepaalde tijd in dienstbetrekking zullen staan tot de werkgever, tenzij:
1º. zij binnen één jaar
na het aanvangen van de dienstbetrekking uit hoofde van die
dienstbetrekking recht hebben gekregen op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet; of
2º. de omvang van de
door de werknemer te verrichten arbeid in deze schriftelijke
overeenkomst niet is vastgesteld; en
b. de overige werknemers.
Het gewogen gemiddelde
van beide percentages bedraagt ten hoogste het lastenplafond.
-3. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor het tweede lid en kan
voor aan te wijzen categorieën van werknemers en van werkgevers of soort
arbeid worden afgeweken van het eerste en tweede lid. [RW]
-4. Voor de toepassing van
het tweede lid, onderdeel a, wordt niet als uitkering op grond van de Werkloosheidswet beschouwd:
a. een uitkering op grond
van artikel 18 van de Werkloosheidswet;
b. een uitkering op grond
van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet;
c. een uitkering die
uitsluitend het gevolg is van verkorting van de werktijd, waarvoor op
grond van artikel 8, derde lid, van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
ontheffing is verleend.
-5. Een afschrift van de
schriftelijke overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a,
wordt door de werkgever in zijn loonadministratie opgenomen.
-6. Indien voor het jaar
2006 verschillende sectorpremiepercentages zijn vastgesteld, geldt het sectorpremiepercentage dat van toepassing is voor
werknemers, bedoeld in
het tweede lid, onderdeel b, niet voor dienstbetrekkingen die zijn aangegaan
vóór 1
januari 2006.
-7. Uitsluitend
ten aanzien van de premie die het UWV betaalt aan de werkgever op grond
van artikel 11, tweede lid, van de
Werkloosheidswet,
artikel 11, derde lid, van de Ziektewet
of artikel 10, derde lid, van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is het
sectorpremiepercentage, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a,
van toepassing.
Art. 2.4.
Vaststelling
gemiddeld premiepercentage sectorfondsen
-1. Het gemiddelde
premiepercentage, bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wfsv,
wordt in het kalenderjaar van vaststelling bepaald op het gewogen
gemiddelde van de sectorpremiepercentages van alle sectoren in het
daaraan voorafgaande kalenderjaar.
-2. Het gewogen
gemiddelde, bedoeld in het eerste lid, wordt in het kalenderjaar van
vaststelling bepaald met behulp van de totaalbedragen van de verzekerde loonsom
in het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
-3. Ingeval voor een
sectorfonds gedurende een kalenderjaar meerdere malen een
premiepercentage wordt vastgesteld, worden bij de berekening van het gemiddelde
premiepercentage, bedoeld in het eerste lid, de desbetreffende
premiepercentages gewogen naar rato van het deel van het kalenderjaar waarin
deze premiepercentages golden.
§ 2.
Uniforme premie WAO
Vervallen
Art. 2.5.
Vervallen.
§
3. Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
Art.
2.6. Algemene begrippen
-1. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. premieplichtig loon: het loon,
bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 1 van
hoofdstuk 3 van de Wfsv, waarnaar op grond
van dat hoofdstuk premies worden geheven;
b. kleine werkgever: een werkgever
te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar
waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is
gekomen dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 25-maal het gemiddelde
premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar;
c. grote werkgever: een werkgever te
wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar
waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon is
gekomen dat meer bedraagt dan 25-maal
het gemiddelde premieplichtige
loon per werknemer in dat kalenderjaar;
d. minimumpremie: de
gedifferentieerde premie die een werkgever ten minste verschuldigd is;
e. maximumpremie: de
gedifferentieerde premie die een werkgever ten hoogste verschuldigd is.
-2. De inspecteur kan op aanvraag van een
werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat die
werkgever voor het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld in afwijking van het eerste
lid, onderdeel b, of het eerste lid, onderdeel c, wordt
ingedeeld indien uit door die werkgever bij de aanvraag verstrekte
gegevens blijkt dat als vaststaand mag worden aangenomen dat het in
het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld ten laste van die werkgever komende
premieplichtige loon ten minste 25% zal afwijken van 25-maal
het
gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in het tweede kalenderjaar
dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan en de omvang van het
verwachte premieplichtige loon leidt tot een andere indeling. Een
aanvraag als bedoeld in de eerste zin wordt ingediend uiterlijk zes weken
nadat de werkgever schriftelijk in kennis is gesteld van de door hem in
het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld verschuldigde gedifferentieerde premie,
bedoeld in artikel 38 van de Wfsv.
-3. Het gemiddelde premieplichtige loon,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, wordt
vastgesteld door het UWV.
-4. Bij de vaststelling van het ten laste
van een werkgever komende premieplichtige loon, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b en c, worden de via de werkgever
betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die op grond van artikel
117 van de Wfsv, zoals dat luidde op de
dag vóór de inwerkingtreding van artikel
IV, onderdeel G, van de Wet harmonisatie en
vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, ten laste van de
Arbeidsongeschiktheidskas komen en WGA-uitkeringen die op grond van artikel
117b van de Wfsv
ten laste van de Werkhervattingskas komen, buiten
aanmerking gelaten.
Art.
2.7. Rekenpercentage
-1. Het rekenpercentage, bedoeld in artikel
38, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv,
is gelijk aan het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel
38, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv,
vermeerderd of verminderd met:
a. een percentage ter compensatie
van het naar verwachting over het kalenderjaar waarvoor de premie wordt
vastgesteld optredende
verschil tussen enerzijds de premie-inkomsten die worden verkregen indien
de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel
38 van de Wfsv, wordt gebaseerd op het
gemiddelde percentage, bedoeld in artikel 38,
eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv,
verminderd met de premie-inkomsten die het gevolg zijn van de opslag,
bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, en anderzijds het
totaalbedrag dat naar verwachting in het kalenderjaar waarvoor de premie
wordt vastgesteld op grond
van artikel 117b van de Wfsv
ten laste van de Werkhervattingskas komt, verminderd met de gelden die
op grond van artikel 117a, onderdeel b en c, van de Wfsv
naar verwachting ten gunste van de Werkhervattingskas komen;
b. een percentage, voor zover dit
nodig of mogelijk is, rekening houdend met de verplichting, bedoeld in artikel
113a van de Wfsv, betreffende het
vormen en in stand houden van een voldoende reserve, met dien verstande
dat bij de bepaling van dit percentage de opbrengst van de opslag,
bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, in het
kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld en in de daaraan voorafgaande kalenderjaren
buiten beschouwing wordt gelaten.
-2. De percentages, bedoeld in het eerste
lid, worden naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Art.
2.8. Gemiddeld percentage
-1. Het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel
38, eerste lid, onderdeel b, van de Wfsv,
wordt vastgesteld door het totaalbedrag van hetgeen in het kalenderjaar
waarvoor de premie wordt vastgesteld naar verwachting op grond van artikel
117b van de Wfsv ten laste komt van
de Werkhervattingskas, verminderd met hetgeen op grond van artikel
117a, onderdeel b en c, van de Wfsv
in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld naar verwachting ten gunste komt van de
Werkhervattingkas, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van
deze berekening te delen door het totaalbedrag van de over het
kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld verwachte premieplichtige loonsom en de naar
verwachting in dat jaar te betalen uitkeringen, bedoeld in artikel
38a, eerste lid, van de Wfsv. Onder
uitkeringen als bedoeld in de eerste zin worden niet verstaan de
WGA-uitkeringen waarvan het risico van de betaling wordt gedragen door
een werkgever als bedoeld in artikel 40 van
de Wfsv.
-2. De gemiddelde premie, bedoeld in het
eerste lid, kan worden verhoogd met een bij ministeriële regeling vast
te stellen percentage. [Rvogpbw08]
[Rvogpbw09] [Rvogpbw10]
[Rvogpbw11] [Rvogpbw12]
-3. De uitkomst van de deling, bedoeld in
het eerste lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de
komma.
Art.
2.9. Berekening opslag of korting
-1. De opslag of korting, bedoeld in artikel
38, tweede lid, van de Wfsv, is voor alle
werkgevers gelijk aan het individuele werkgeversrisicopercentage
verminderd met het gemiddelde werkgeversrisicopercentage.
-2. Het individuele
werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen
door de som van:
a. het totaalbedrag van de op grond
van artikel 117 van de Wfsv,
zoals dat luidde op de dag vóór de inwerkingtreding van artikel
IV, onderdeel G, van de Wet harmonisatie en
vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving,
ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende aan de werkgever toe
te rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die in het tweede
kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt
vastgesteld, zijn betaald aan
werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond
waarvan de in het zevende lid bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
worden toegekend, in dienstbetrekking stonden tot een werkgever; en
b. het totaalbedrag van de op grond
van artikel 117b van de Wfsv
ten laste van de Werkhervattingskas komende aan de werkgever toe te
rekenen WGA-uitkeringen die in het tweede kalenderjaar vóór het
kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld, zijn betaald aan werknemers die bij het intreden
van de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de WGA-uitkeringen worden
toegekend, in dienstbetrekking stonden tot een werkgever, te
vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen
door het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige
loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren,
eindigend één jaar vóór aanvang van het kalenderjaar waarvoor de
premie wordt vastgesteld.
-3. Het gemiddelde
werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen
door de som van:
a. het totaalbedrag van de op grond
van artikel 117 van de Wfsv,
zoals dat luidde op de dag vóór de inwerkingtreding van artikel
IV, onderdeel G, van de Wet harmonisatie en
vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving,
ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende aan werkgevers toe te
rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die in het tweede
kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt
vastgesteld, zijn betaald; en
b. het totaalbedrag van de op grond
van artikel 117b van de Wfsv
ten laste van de Werkhervattingskas komende aan werkgevers toe te
rekenen WGA-uitkeringen die in het tweede kalenderjaar vóór het
kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld, zijn betaald, te vermenigvuldigen met honderd en
de uitkomst van deze berekening te delen door het totale gemiddelde
premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf
kalenderjaren, eindigend één jaar vóór aanvang van het kalenderjaar
waarvoor de premie wordt vastgesteld.
-4. In het tweede en derde lid wordt voor
WGA-uitkeringen die zijn betaald in het kalenderjaar 2006 voor "Werkhervattingskas"
gelezen "Arbeidsongeschiktheidsfonds".
-5. Indien een WGA-uitkering wordt
toegekend direct aansluitend op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet WIA, wordt de duur van die uitkering in mindering
gebracht op de periode dat de WGA-uitkering wordt toegerekend als
bedoeld in het tweede en derde lid.
-6. Bij de berekening van het gemiddelde
premieplichtig loon, bedoeld in het tweede en derde lid, worden de via
de werkgever betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel
117 van de Wfsv, zoals dat luidde op de
dag vóór de inwerkingtreding van artikel
IV, onderdeel G, van de Wet harmonisatie en
vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, en WGA-uitkeringen,
bedoeld in artikel 117b van de Wfsv,
buiten aanmerking gelaten.
-7. De arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a,
betreffen de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend:
a. aan de werknemers die op de
eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid als
bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet
tot de werkgever in dienstbetrekking stonden en ter zake van die
ongeschiktheid de wachttijd, bedoeld in artikel
19 van de WAO, hebben doorgemaakt;
b. met toepassing van artikel
43a, eerste lid, onderdeel a, van de WAO
nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend aan de werknemer,
bedoeld in onderdeel a, is ingetrokken op grond van artikel
43, eerste lid, van de WAO;
c. met toepassing van artikel
43a, eerste lid, onderdeel b, van de WAO
aan de werknemer, bedoeld in onderdeel a, die aan het einde van
de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was.
-8. De WGA-uitkeringen, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b,
betreffen de WGA-uitkeringen die zijn toegekend:
a. aan de werknemers die op de
eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid als
bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet
tot de werkgever in dienstbetrekking stonden en ter zake van die
ongeschiktheid de wachttijd, bedoeld in artikel
23 van Wet WIA, hebben doorgemaakt;
b. aan de werknemer, bedoeld in
onderdeel a, van wie het recht op een WGA-uitkering op grond van artikel
55 van de Wet WIA later dan op de eerste
dag na afloop van de wachttijd of indien op die dag de uitsluitingsgrond,
bedoeld in artikel 43, onderdeel b,
van die wet, van toepassing is, op de dag dat
zich die uitsluitingsgrond niet meer voordoet, is ontstaan;
c. aan de werknemer, bedoeld in
onderdeel a, van wie het recht op een WGA-uitkering op grond van artikel
57 van de Wet WIA is herleefd.
-9. Indien de werknemer bij het intreden
van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a,
of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid, bedoeld in artikel
5 van de Wet WIA, bij meer dan één werkgever in dienstbetrekking
stond, wordt voor de toepassing van het tweede lid de
arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering naar rato van de
loonsom toegerekend aan die werkgevers. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering wordt niet
toegerekend aan de werkgever bij wie de werknemer met behoud van
hetzelfde loon arbeid is blijven verrichten.
-10. Voor de toepassing van het tweede en
derde lid worden de door het UWV toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de vakantie-uitkeringen die in de
periode, bedoeld in artikel 117, eerste
lid, aanhef, van de Wfsv, zoals dat luidde op
de dag vóór de inwerkingtreding van artikel
IV, onderdeel G, van de Wet harmonisatie en
vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, geheel of ten dele
niet aan de werknemer zijn uitbetaald wegens het genieten van loon als
bedoeld in artikel 44, derde lid, van de WAO,
geacht aan de werknemer te zijn uitbetaald.
-11. De uitkomst van de deling, bedoeld in
het tweede en derde lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers
achter de komma.
-12. De op grond van dit artikel berekende
opslagen of kortingen worden vermenigvuldigd met een breuk waarvan de
teller wordt gevormd door het rekenpercentage, bedoeld in artikel
2.7, verminderd met de minimumpremie voor grote werkgevers, bedoeld
in artikel 2.14, eerste lid, onderdeel b, en
de noemer door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het
derde lid.
-13. De uitkomst van de berekening, bedoeld
in het twaalfde lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter
de komma.
Art.
2.10. Opslag en korting bij overgang van onderneming
-1. In geval van overgang van een
onderneming in de zin van artikel 662 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke
overgang bij faillissement:
a. worden bij de toepassing van artikel
2.9 de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, bedoeld in artikel
2.9, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, onderdeel a,
en de WGA-uitkeringen, bedoeld in artikel 2.9, tweede
lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, die zijn of
worden toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in dienstbetrekking
stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen,
toegerekend aan de werkgever die de onderneming verkrijgt; en
b. wordt bij de toepassing van artikel
2.9 het ten laste van de werkgever die de onderneming heeft
overgedragen, gekomen premieplichtig loon in enig kalenderjaar telkens opgeteld bij het premieplichtig loon van de werkgever die de
onderneming verkrijgt in dat kalenderjaar, voordat het
gemiddelde premieplichtig loon van laatstgenoemde werkgever wordt
berekend.
-2. Indien slechts een deel van de
onderneming overgaat, vindt het eerste lid toepassing naar rato van het
deel van het totaalbedrag van premieplichtig loon in het overgegane deel
van de onderneming van het totaalbedrag van premieplichtig loon in de
gehele onderneming in het jaar voorafgaande aan dat van overgang.
-3. Tenzij de overgang plaatsvindt op 1
januari van het kalenderjaar, vindt voor de werkgever die reeds de
hoedanigheid van werkgever had vóór het moment van overgang van de
onderneming de toerekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
en de optelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, eerst
plaats met ingang van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar
waarin de onderneming of een deel van de onderneming is overgedragen.
Art.
2.11. Opslag en korting bij regres en premievermindering
-1. Indien blijkt dat een
arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel
2.9, tweede lid, onderdeel a, of een WGA-uitkering als
bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, onderdeel b,
geheel of ten dele ten onrechte is toegekend, wordt bij de berekening
van het individuele werkgeversrisicopercentage in het kalenderjaar
waarin het besluit tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
of de WGA-uitkering wordt ingetrokken of herzien, het totaalbedrag,
bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, verminderd met
een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de te veel betaalde
arbeidsongeschiktheidsuitkering of WGA-uitkering.
-2. Indien een schadevergoeding als bedoeld
in artikel 107a, tweede lid, van Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek dan wel een schadevergoeding op grond
van een wettelijke regeling die daarmee naar aard en strekking
overeenkomt, is ontvangen, wordt, op verzoek van de werkgever, bij de
berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage met ingang van
het kalenderjaar waarin de schadevergoeding is ontvangen, gedurende een
tijdvak van vijf jaren voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering en
gedurende een tijdvak van tien jaren voor een WGA-uitkering, het
totaalbedrag, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid,
verminderd met een compensatiebedrag.
-3. Het compensatiebedrag, bedoeld in het
tweede lid, wordt vastgesteld door het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering aan de betrokken
werknemer jaarlijks gedurende vijf jaar onderscheidenlijk tien jaar te
vermenigvuldigen met het getal dat is verkregen door het bedrag van de
schadevergoeding, bedoeld in het tweede lid, te delen door het loon over
een tijdvak van 52 weken onderscheidenlijk 104 weken. Het getal, bedoeld
in de eerste zin, bedraagt niet meer dan 1.
-4. In afwijking van het derde lid wordt in
de gevallen waarin ziekengeld wordt uitgekeerd aan de verzekerde,
bedoeld in artikel 29 van de Ziektewet,
het compensatiebedrag, bedoeld in het tweede lid, vastgesteld door het
bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering aan de
betrokken werknemer te vermenigvuldigen met het getal dat is verkregen
door het bedrag van het ontvangen verhaal op grond van artikel
52a van de Ziektewet te delen door
het aan betrokken werknemer op grond van de Ziektewet
uitgekeerde ziekengeld.
-5. De uitkomst van de berekening, bedoeld
in het derde en vierde lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers
achter de komma.
-6. Het tweede, derde en vierde lid zijn
uitsluitend van toepassing in die gevallen waarin de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan op of na 1 januari 2002.
-7. Bij toepassing van het tweede en derde
lid wordt indien sprake is van WGA-uitkeringen waarvan het recht is
ontstaan vóór 1 januari 2007 voor "tien jaren" en "tien
jaar" onderscheidenlijk gelezen "vier jaren" en "vier
jaar".
Art.
2.12. Niet gedurende gehele berekeningstijdvak werkgever
-1. Indien een werkgever, zonder dat er
sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel
2.10, in één of meer van de kalenderjaren van het tijdvak, bedoeld in
artikel 2.9, tweede lid, niet de hoedanigheid van
werkgever had, wordt bij de berekening van het individuele
werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel 2.9,
tweede lid, het ten laste van die werkgever komende gemiddelde
premieplichtige loon per jaar berekend over het aantal kalenderjaren in
het tijdvak, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid,
waarin de werkgever de hoedanigheid van werkgever had, waarna het
verkregen percentage wordt vermenigvuldigd met een breuk waarvan de
teller wordt gevormd door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage,
bedoeld in artikel 2.9, derde lid, en de noemer door
het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, berekend over het aantal
kalenderjaren in het tijdvak, bedoeld in artikel 2.9,
derde lid, waarin de werkgever de hoedanigheid van werkgever had.
-2. De uitkomst van de berekening, bedoeld
in het eerste lid, wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de
komma.
Art.
2.13. Premiepercentage startende werkgever
Voor een werkgever die, zonder dat er sprake is van een overgang van een
onderneming als bedoeld in artikel 2.10, eerst in
het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld of in het eerste of tweede kalenderjaar
onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt
vastgesteld de hoedanigheid
van werkgever heeft verkregen, is het percentage van de
gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 38
van de Wfsv:
a. indien het een kleine werkgever
betreft, gelijk aan het overeenkomstig artikel 2.14,
tweede lid, vastgestelde percentage;
b. indien het een grote werkgever
betreft, gelijk aan het rekenpercentage, bedoeld in artikel
2.7.
Art.
2.14. Minimum- en maximumpremie
-1. De gedifferentieerde premie, bedoeld in
artikel 38 van de Wfsv,
bedraagt:
a. voor een kleine werkgever: ten
minste het overeenkomstig het tweede lid vastgestelde percentage en ten
hoogste driemaal het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel
2.8;
b. voor een grote werkgever: ten
minste een vierde van het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel
2.8, en ten hoogste viermaal het gemiddelde percentage, bedoeld in artikel
2.8.
-2. De voor kleine werkgevers geldende
minimale gedifferentieerde premie wordt door het UWV
voor elk kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld op een zodanig percentage vastgesteld
dat de uit de heffing van deze minimaal verschuldigde premie
voortvloeiende extra inkomsten naar verwachting gelijk zullen zijn aan
de extra premie-inkomsten die zouden worden verworven indien geen maximum
zou zijn gesteld aan de door deze werkgevers verschuldigde
gedifferentieerde premie, verminderd met de naar verwachting ten laste
van de kleine werkgevers komende premie-inkomsten ten gevolge van de voor
grote werkgevers krachtens het eerste lid, onderdeel b, geldende
maximale gedifferentieerde premie.
-3. Indien de toepassing van artikel
2.11 daartoe aanleiding geeft, wordt in afwijking van het eerste
lid:
a. voor een grote werkgever een
premiepercentage van lager dan de minimumpremie, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b, vastgesteld;
b. voor een kleine werkgever een
premiepercentage van lager dan de minimumpremie, bedoeld in het tweede
lid, vastgesteld.
-4. De percentages, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b, en het derde
lid, worden naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.
Art.
2.15. Overheveling gelden Arbeidsongeschiktheidsfonds naar
Werkhervattingskas
Een overheveling van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar de
Werkhervattingskas als bedoeld in artikel 118
van de Wfsv vindt plaats tot ten hoogste het
bedrag van de WGA-uitkeringen die in een kalenderjaar ten laste van de
Werkhervattingskas komen en die betrekking hebben op het jaar 2006.
§ 3a.
Eigen risico
dragen
Vervallen
Art.
2.15a. Vervallen.
§
4. Premiekorting
Art.
2.16. Premiekorting oudere nabestaanden
Artikel 47, eerste lid, van de Wfsv
is van overeenkomstige toepassing bij een dienstbetrekking met een
werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de
dienstbetrekking gedurende ten minste twee jaar recht heeft op een
nabestaandenuitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet en gedurende die twee jaar geen inkomen uit arbeid
als bedoeld in de artikelen 2:2,
eerste lid, onderdeel a tot en met d, en 2:6,
onderdeel b, van het Inkomensbesluit
volksverzekeringen en sociale voorzieningen.
Art. 2.16a.
Vervallen.
Art. 2.16b.
Vervallen.
Art. 2.16c.
Vervallen.
Art. 2.16d.
Vervallen.
Art. 2.16e.
Vervallen.
Art. 2.16f.
Vervallen.
Art. 2.16g.
Vervallen.
Art. 2.16h.
Vervallen.
HOOFDSTUK
3
De
financiering van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering en de
vrijwillige nabestaandenverzekering
Art. 3.1.
Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Anw: de Algemene nabestaandenwet;
b. Anw-premie: de premie
voor de vrijwillige nabestaandenverzekering;
c. AOW: de Algemene
Ouderdomswet;
d. AOW-premie: de premie
voor de vrijwillige ouderdomsverzekering.
Art. 3.2.
Vervallen.
Art. 3.3.
Vaststelling
premie
-1. De AOW-premie wordt
voor elk in de periode van vrijwillige verzekering voor de AOW
gelegen vol kalenderjaar vastgesteld volgens de formule:
P x I - H
waarbij:
a. P gelijk is aan het
premiepercentage, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de
Wfsv;
b. I gelijk is aan het
hoogste bedrag dat als premie-inkomen in de zin van artikel
8, eerste
lid, van de Wfsv
in aanmerking genomen wordt, te weten het als tweede
vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
c. H gelijk is aan de heffingskorting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel a, van de
Wfsv, met dien verstande dat voor de toepassing
van dat artikelonderdeel tot de standaardheffingskorting, bedoeld in
artikel 8.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, alleen geacht wordt te
behoren de algemene heffingskorting.
-2. De Anw-premie wordt
voor elk in de periode van vrijwillige verzekering voor de Anw gelegen vol kalenderjaar vastgesteld volgens de formule:
P x I - H
waarbij:
a. P gelijk is aan het
premiepercentage, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de
Wfsv;
b. I gelijk is aan het
hoogste bedrag dat als premie-inkomen in de zin van artikel
8, eerste
lid, van de Wfsv
in aanmerking genomen wordt, te weten het als tweede
vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10 van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
c. H gelijk is aan de
heffingskorting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel
b, van de Wfsv, met dien verstande dat
voor de toepassing van dat artikelonderdeel tot de
standaardheffingskorting, bedoeld in artikel 8.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, alleen geacht wordt te behoren de algemene
heffingskorting.
-3. In afwijking van de
onderdelen b van het tweede en derde lid is indien ten aanzien van de
SVB aannemelijk wordt gemaakt dat dit tot een lagere uitkomst leidt, I
gelijk aan het feitelijke premie-inkomen in de zin van artikel
8, eerste
lid, van de Wfsv. Hierbij wordt de waarde van inkomen in natura door de
SVB geschat, uitgaande van de waarde van dat inkomen in het land waar
het wordt of werd ontvangen.
-4. De AOW- of Anw-premie
die is vastgesteld met toepassing van het vierde lid bedraagt ten
minste 10% van de AOW- of Anw-premie vastgesteld op grond van
het tweede onderscheidenlijk derde lid.
-5. Voor zover de
vrijwillige verzekering slechts betrekking heeft op een gedeelte van een
kalenderjaar, wordt de premie naar tijdsruimte evenredig verminderd.
-6. De SVB stelt op
verzoek van de belanghebbende die een gedeelte van het kalenderjaar van
rechtswege verzekerd is voor de AOW of de Anw, de AOW-premie of de Anw-premie over dat kalenderjaar zodanig vast dat de over het
kalenderjaar verschuldigde premie voor de verplichte en de vrijwillige
verzekering niet meer bedraagt dan de premie die maximaal verschuldigd zou
zijn indien het gehele kalenderjaar sprake zou zijn van verplichte
verzekering.
-7. Niet in euro
uitgedrukt premie-inkomen wordt vastgesteld in de valuta van het
desbetreffende land en wordt met behulp van de door de Europese Centrale Bank
geadviseerde wisselkoersen omgerekend in euro.
-8. Voor de toepassing van
het derde lid wordt het inkomen geacht te zijn ontvangen in
Nederland.
Art. 3.4.
Voorlopige
premievaststelling
-1. De SVB kan de
verschuldigde premie over een kalenderjaar voorlopig vaststellen, indien:
a. zij bij de
vaststelling van die premie rekening dient te houden met de in dat kalenderjaar
verschuldigde premie op grond van de verplichte verzekering ingevolge de
AOW of de Anw; of
b. nog onduidelijk is of
artikel 3.3, derde lid, van toepassing is.
-2. Zodra dat naar het
oordeel van de SVB mogelijk is, wordt de over bedoeld kalenderjaar
verschuldigde premie definitief vastgesteld.
-3. Te veel betaalde
premie wordt terugbetaald. Nog verschuldigde premie wordt binnen een
door de SVB vast te stellen termijn betaald.
Art. 3.5.
Premiebetaling
-1. De gewezen verzekerde,
bedoeld in artikel 35 van de AOW en artikel 63a
van de Anw, die is
toegelaten tot de vrijwillige verzekering betaalt de premie, per kalenderjaar,
vooruit.
-2. Indien de gewezen
verzekerde, bedoeld in artikel 63a van de
Anw, een aanvraag tot
gebruikmaking van de vrijwillige verzekering heeft ingediend en
overlijdt
voordat hij de verschuldigde Anw-premie heeft kunnen betalen, is een
ander bevoegd alsnog de verschuldigde Anw-premie over de
periode van vrijwillige verzekering te betalen.
Art. 3.6.
Achterwege
blijven van premierestitutie
Indien de vrijwillige
verzekering is geëindigd op grond van artikel
37, onderdeel a, e of
f, van
de AOW of van artikel 63c,
onderdeel a, d of e, van de Anw, vindt
restitutie van reeds betaalde premie niet plaats.
Art. 3.7.
Premiebetaling bij vrijwillige AOW-verzekering over achterliggende periode
Indien een verzekerde als
bedoeld in artikel 38 van de AOW binnen drie maanden na de door de SVB gestelde termijn de verschuldigde
AOW-premie niet geheel
heeft betaald, wordt over een zodanig gedeelte van de periode waarop de
premiebetaling betrekking heeft, geacht AOW-premie te zijn
betaald als de betaalde AOW-premie zich verhoudt tot de totaal verschuldigde
AOW-premie. Daarbij wordt geacht AOW-premie te zijn betaald over de
periode welke het verst verwijderd ligt van het tijdstip van de aanvang
van de verplichte verzekering.
Art. 3.8.
Vaststelling
vrijwillige verzekeringsperiode na onvolledige betaling
-1. Indien de vrijwillige
verzekering is geëindigd, wordt voor zover dit nog niet heeft
plaatsgevonden, de over ieder kalenderjaar verschuldigde premie definitief
vastgesteld.
-2. Indien het eerste lid
toepassing heeft gevonden, wordt de betaalde premie geacht betrekking
te hebben op de achtereenvolgende gehele kalenderjaren of, voor zover de belanghebbende gedurende slechts een gedeelte van
één of meer
kalenderjaren niet verplicht verzekerd was, op de betreffende gedeelten
van die gehele kalenderjaren die het dichtst liggen bij het tijdstip
waarop de verplichte verzekering is geëindigd.
-3. Indien na toepassing
van het eerste lid de over een kalenderjaar verschuldigde premie niet
geheel blijkt te zijn voldaan, wordt over een zodanig gedeelte van dat
kalenderjaar geacht premie te zijn betaald als de nog toe te rekenen premie
zich verhoudt tot de totaal over dit kalenderjaar verschuldigde premie.
HOOFDSTUK
4
Uitvoeringskosten
AWBZ
Art. 4.1.
Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt
verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. AFBZ: het Algemeen
Fonds Bijzondere Ziektekosten, genoemd in artikel 89 van de Wfsv;
c. AWBZ: de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten;
d. kosten van
verstrekkingen en vergoedingen: kosten van verstrekkingen en vergoedingen ter zake
van verleende zorg als bedoeld in artikel 6 van de
AWBZ, niet zijnde forensische zorg als bedoeld
in artikel 2 van het Interimbesluit forensische zorg;
e. beheerskosten: de
beheerskosten van de in de AWBZ geregelde verzekering, waaronder
begrepen de kosten van controle in het kader van die verzekering en
waaronder niet begrepen de beheerskosten voor forensische zorg als
bedoeld in artikel 2 van het Interimbesluit forensische zorg;
f. centraal
administratiekantoor: het centraal administratiekantoor, bedoeld in het Administratiebesluit
Bijzondere Ziektekostenverzekering;
g. zorgverzekeraar: een
zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de
AWBZ;
h. verbindingskantoor:
een verbindingskantoor als bedoeld in het Administratiebesluit
Bijzondere Ziektekostenverzekering;
i. onverantwoorde
uitgaven: uitgaven waarvan de zorgautoriteit heeft vastgesteld dat ze
niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verzekering ingevolge de
AWBZ;
j. beheerskostenbudget:
de ten laste van het AFBZ voor het centraal administratiekantoor, de zorgverzekeraars en de verbindingskantoren
beschikbare middelen ter
dekking van de voor de uitvoering van de AWBZ te maken beheerskosten
die zij in hun hoedanigheid maken;
k. zorgautoriteit: de Nederlandse
Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet
marktordening gezondheidszorg;
l. College
zorgverzekeringen: het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel
58,
eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
Art. 4.2.
Vergoeding verstrekkingen op basis van werkelijke kosten
Het College
zorgverzekeringen vergoedt uit het AFBZ jaarlijks aan de
zorgverzekeraars de kosten van verstrekkingen en vergoedingen naar
werkelijke kosten. Daarbij blijven onverantwoorde uitgaven buiten
beschouwing, tenzij de zorgautoriteit anders
besluit.
Art. 4.3.
Macrobudget beheerskosten AWBZ
Onze
Minister geeft het College
zorgverzekeringen jaarlijks een aanwijzing ter zake van het voor
alle zorgverzekeraars, verbindingskantoren en het centraal
administratiekantoor tezamen voor dat kalenderjaar ten laste van het
AFBZ komende beheerskostenbudget.
Art. 4.4.
Uitkering
zorgverzekeraar
-1. Het College
zorgverzekeringen stelt jaarlijks, in het kader van de verdeling van de voor het
kalenderjaar krachtens artikel 4.3 beschikbaar gestelde middelen, voor
iedere zorgverzekeraar afzonderlijk ten laste van het AFBZ het
beheerskostenbudget vast ter dekking van de beheerskosten die zij maken anders dan
in de hoedanigheid van verbindingskantoor.
-2. De vaststelling van
het beheerskostenbudget, bedoeld in het eerste lid, geschiedt aan de
hand van de door het College zorgverzekeringen vast te stellen beleidsregels.
-3. De beleidsregels,
bedoeld in het tweede lid, behoeven de goedkeuring van Onze
Minister.
-4. In geval van
onthouding van goedkeuring aan een beleidsregel stelt het College
zorgverzekeringen, met inachtneming van door Onze Minister te geven instructies, een
nieuwe beleidsregel vast.
-5. Indien Onze Minister
aan de beleidsregel, bedoeld in het vierde lid, eveneens goedkeuring
onthoudt, stelt hij ter zake zelf de beleidsregel vast.
-6. Het College
zorgverzekeringen keert jaarlijks uit het AFBZ aan een zorgverzekeraar het voor
die zorgverzekeraar op grond van het eerste lid vastgestelde
beheerskostenbudget uit.
-7. Indien een
zorgverzekeraar op een naar het oordeel van de
zorgautoriteit onverantwoorde
wijze op zijn beheerskosten bespaart, wordt de uitkering, bedoeld in het
zesde lid, voor het desbetreffende kalenderjaar door het College
zorgverzekeringen verlaagd met het bedrag van die besparing.
Art. 4.5.
Uitkering
verbindingskantoren en centraal administratiekantoor
-1. Het College
zorgverzekeringen stelt jaarlijks, in het kader van de verdeling van de voor het
kalenderjaar krachtens artikel 4.3 beschikbaar gestelde middelen,
afzonderlijk voor ieder verbindingskantoor en voor het centraal
administratiekantoor het beheerskostenbudget vast.
-2. De vaststelling van
het beheerskostenbudget, bedoeld in het eerste lid, geschiedt aan de
hand van door het College zorgverzekeringen vast te stellen beleidsregels.
Ten aanzien van die beleidsregels is artikel 4.4, derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
-3. Het College
zorgverzekeringen keert jaarlijks uit het AFBZ aan de verbindingskantoren en
het centraal administratiekantoor het voor hen ingevolge het eerste lid
vastgestelde beheerskostenbudget uit.
-4. Indien een
verbindingskantoor of het centraal administratiekantoor op een naar het oordeel
van de
zorgautoriteit onverantwoorde wijze op zijn beheerskosten
bespaart, wordt de uitkering, bedoeld in het eerste lid, voor het desbetreffende
kalenderjaar door het College zorgverzekeringen verlaagd met het bedrag
van die besparing.
-5. Een verbindingskantoor
en het centraal administratiekantoor houden een reserve uitvoering AWBZ
aan.
-6. Het saldo van baten en
lasten over enig boekjaar van een verbindingskantoor voor
de beheerskosten die het in of in verband met die hoedanigheid maakt,
wordt toegevoegd aan, onderscheidenlijk ten laste gebracht van, de
reserve, bedoeld in het vijfde lid. Daarbij blijven onverantwoorde uitgaven
buiten beschouwing, tenzij de
zorgautoriteit anders besluit. De eerste
zin is van overeenkomstige toepassing voor het centraal
administratiekantoor.
-7. Bij het eindigen van
de aanwijzing, bedoeld in artikel 40 van de
AWBZ, zonder dat
aansluitend een nieuwe aanwijzing plaatsvindt, stort de rechtspersoon een bedrag
ter hoogte van de reserve, bedoeld in het vijfde lid, binnen vier weken in
het AFBZ.
Art. 4.6.
Reserve
uitvoering AWBZ
De reserve uitvoering AWBZ, bedoeld in artikel
4.5, vijfde lid, ultimo enig jaar, bedraagt voor
verbindingskantoren maximaal 20% en voor het centraal
administratiekantoor maximaal 5% van het beheerskostenbudget voor dat jaar. Indien het
College
zorgverzekeringen vaststelt dat de reserve het gestelde
maximum te boven gaat, stort het verbindingskantoor of het centraal
administratiekantoor het door het College zorgverzekeringen
vastgestelde bedrag van de overschrijding binnen vier weken in het AFBZ.
Art. 4.7.
Toezicht op
opgaven
De
zorgautoriteit is
bevoegd opgaven en gegevens van een zorgverzekeraar,
verbindingskantoor en het centraal administratiekantoor, die van invloed zijn op
de omvang van de ten laste van het AFBZ beschikbare middelen en
op de hoogte van de verstrekkingen en vergoedingen ingevolge
dit hoofdstuk, op hun juistheid te beoordelen en te verbeteren.
Art. 4.8.
Betaalbaarstelling
Het College
zorgverzekeringen bepaalt met inachtneming van het Administratiebesluit
Bijzondere Ziektekostenverzekering de wijze van betaalbaarstelling van de
uitkeringen op grond van dit hoofdstuk.
Art. 4.9.
Overgangsbepaling
Besluiten van Onze Minister en het College
zorgverzekeringen op grond van het Besluit
financiering uitvoeringsorganisatie bijzondere ziektekostenverzekering
AWBZ in het jaar 2005 ter zake van de onderwerpen geregeld in de artikelen
4.3 tot en met 4.6 van dit hoofdstuk worden aangemerkt als besluiten op grond van de desbetreffende artikelen van dit
hoofdstuk.
HOOFDSTUK
5
Slotbepalingen
Art. 5.1.
Wijziging
Besluit premiedifferentiatie WAO
Aan artikel 10 van het Besluit
premiedifferentiatie WAO wordt een lid toegevoegd, luidende:
-11. Voor het premiejaar
2006 worden de op grond van artikel 4 berekende opslagen en
kortingen vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt
gevormd door het rekenpercentage, bedoeld in artikel
2, en de noemer
door het gemiddelde werkgeversrisicopercentage, bedoeld in artikel
4,
derde lid.
Art. 5.2.
Intrekking
algemene maatregelen van bestuur
-1. Het Besluit
vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001 en het Besluit
vrijwillige verzekering AWBZ worden ingetrokken.
-2. Het Besluit
financiering uitvoeringsorganisatie bijzondere ziektekostenverzekering
AWBZ wordt
ingetrokken.
-3. Het Besluit
vaststelling premiepercentage wachtgeldfondsen wordt ingetrokken.
-4. Het Besluit
vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen wordt ingetrokken.
-5. Het Besluit
beperking eigen risico dragen WAO wordt ingetrokken.
Art. 5.3.
Inwerkingtreding
-1. De artikelen van dit
besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.¹
-2. Artikel 5.1 werkt
terug tot en met 1 september 2005.
1. Bij Besluit van 13
december 2005, Stb. 2005, 660, is het tijdstip van
inwerkingtreding van alle artikelen bepaald op 1 januari 2006, red.
Art. 5.4.
Citeertitel
Dit besluit wordt
aangehaald als: Besluit Wfsv.
Lasten
en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting
in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 16
november 2005
BEATRIX
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
De Staatssecretaris
van Financiën,
J.G. Wijn
Uitgegeven de negenentwintigste
november 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
NOTA
VAN TOELICHTING
[16 november 2005]
Algemeen
1. Inleiding
In de
onderhavige algemene maatregel van bestuur op basis van de Wet
financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) zijn bepalingen
opgenomen over de vaststelling van premiepercentages voor de
sectorfondsen, premiedifferentiatie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen,
financiering van de vrijwillige volksverzekeringen en de financiering
van de uitvoeringsorganisatie bijzondere ziektekosten ten laste van het Algemeen
Fonds Bijzondere
Ziektekosten (hierna: AFBZ).
De inhoud van dit besluit
is afkomstig van bestaande besluiten. De bepalingen zijn alleen
technisch aangepast. Nieuw zijn de premiegroepen in de sectorfondsen. Dit
is een uitwerking van het voornemen dat bij brief van 21 december 2004 aan
de Tweede Kamer is aangekondigd (Kamerstukken II 2004-2005, 26 448, nr. 179).
Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (hierna: UWV), de Sociale verzekeringsbank
(hierna: SVB) en het College voor zorgverzekeringen (hierna:
CVZ) hebben
uitvoeringstoetsen uitgebracht over dit besluit. Het
Adviescollege toetsing administratieve lasten heeft besloten geen advies uit te
brengen aangezien er geen effecten op de administratieve lasten voor werkgevers en
burgers optreden. De Inspectie Werk en Inkomen (hierna: IWI)
heeft een toezichtbaarheidstoets uitgebracht over dit besluit.
Naar het oordeel van het UWV
is het besluit uitvoerbaar mits duidelijkheid wordt gekregen over
enkele aspecten van de premiegroepen in de sectorfondsen. Hierop
wordt in paragraaf 2.1 nader ingegaan. De door het UWV voorgestelde
technische wijzigingen zijn in het besluit verwerkt.
De voorstellen van de
SVB en CVZ zijn overgenomen. De
IWI heeft geen opmerkingen.
2. Hoofdstuk 2
2.1. Premiegroepen in de
sectorfondsen
Algemeen
In bepaalde sectoren
maken veel werknemers en werkgevers jaarlijks in meer of mindere mate en
volgens een vast patroon gebruik van de Werkloosheidswet (hierna:
WW). Dit tijdelijke gebruik van de WW is ongewenst, omdat de
werkgever op deze manier risico’s die tot het normale bedrijfsrisico
kunnen worden gerekend, afwentelt op de WW. Dit verhoogt de
werkloosheidslasten van de sector als geheel. Hierdoor betalen alle werkgevers
een hoge premie ongeacht of ze zich wel of niet inspannen om de
individuele werkloosheidslasten te beperken.
Met artikel 2.3 van het
onderhavige besluit worden premiegroepen geïntroduceerd in de
sectorfondsen van de volgende sectoren:
a. agrarisch bedrijf;
b. bouwbedrijf;
c. culturele
instellingen;
d. horeca algemeen;
e. schildersbedrijf.
De huidige premiegroepen
in deze sectorfondsen worden hiermee geüniformeerd. Tevens
vormt het een alternatief voor de regeling inzake cyclische werkloosheid op
basis van artikel 16, zevende lid, van de WW die op dit moment de
terugkerende kortdurende werkloosheid ontmoedigt. De regeling
inzake cyclische werkloosheid (zoals is neergelegd in artikel 4b
van het Besluit inzake regels gelijkstelling niet-gewerkte uren met
gewerkte uren) sluit werknemers uit van een WW-uitkering op het
moment dat er een patroon in de periodes van arbeid en werkloosheid te
herkennen is. De uitvoering van deze regeling is echter complex. Ter
vervanging van deze regeling worden met dit besluit premiegroepen ingevoerd.
Van de invoering van premiegroepen mag ook een grotere effectiviteit
verwacht worden, omdat werkgevers, meer dan werknemers, de
mogelijkheden hebben om cyclische werkloosheid te voorkomen. De werkgever
kan immers de organisatie van zijn bedrijf zo inrichten dat meer
continuïteit geboden wordt. Het ligt daarom meer in de rede werkgevers te
stimuleren deze kortdurende werkloosheid te beperken.
In dit besluit is ervoor
gekozen om alleen in de sectoren met hoge kortdurende cyclische
werkloosheid premiegroepen in te voeren. De reden hiervoor is dat
premiedifferentiatie minder effectief is in sectoren waarin de te
differentiëren premie te laag is en er weinig cyclische werkloosheid voorkomt.
De uitzendbranche en de
grafische sector behouden de huidige vorm van premiedifferentiatie.
In deze sectoren komt weinig cyclische werkloosheid voor,
waardoor de introductie van de uniforme systematiek voor premiegroepen niet
het beoogde effect zal hebben. Specifiek voor de uitzendbranche is
bovendien van belang dat de premiedifferentiatie naar het Ziektewetdeel van de
wachtgeldpremie (in verband met de wijziging van de
Wfsv
door de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen waarbij het begrip sectorfondsen is geïntroduceerd
aangeduid als
sectorpremie) gehandhaafd blijft.
Systematiek premiegroepen
De premies in de
sectorfondsen worden gedifferentieerd naar de overeengekomen duur van
het dienstverband. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen twee
categorieën van werknemers. Tot de eerste categorie worden
werknemers gerekend die blijkens een schriftelijke arbeidsovereenkomst ten
minste voor één jaar of voor onbepaalde tijd in dienstbetrekking zullen
staan tot de werkgever. Voor deze werknemers betaalt de werkgever een
lage premie. Tot de tweede categorie, waarvoor de hoge premie van
toepassing is, behoren alle overige werknemers.
Allereerst wordt dus
gekeken naar de overeengekomen duur van het dienstverband. Indien dit
één jaar of langer is, is de lage premie van toepassing. De lage
premie is niet van toepassing indien deze werknemers binnen één
jaar na het aanvangen van de dienstbetrekking uit hoofde van die
dienstbetrekking recht hebben gekregen op een uitkering op grond van de WW. Als de betreffende werknemer binnen
één jaar recht krijgt op een
WW-uitkering, dan is alsnog de hoge premie (met terugwerkende kracht) van
toepassing. De werkgever ontvangt geen naheffing voor de
werknemers die recht hebben op een WW-uitkering als gevolg van
vorstwerkloosheid (artikel 18 van de WW), een WW-uitkering waarop het recht voor de
werknemer is ontstaan in verband met betalingsonmacht van de
werkgever (hoofdstuk IV van de WW) of een WW-uitkering die
uitsluitend een gevolg is van verkorting van de werktijd waarvoor ontheffing is
verleend (artikel 8, derde lid, van het
Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945). De lage premie is ook niet van toepassing indien de
omvang van de door de werknemer te verrichten arbeid in deze
schriftelijke arbeidsovereenkomst niet of niet eenduidig is vastgelegd.
Indien bijvoorbeeld sprake is van een nulurencontract met een
duur van langer dan één jaar, zal de hoge premie van toepassing zijn.
Ditzelfde geldt voor een oproepcontract waarbij de omvang niet is vastgelegd
en de contractduur eveneens langer dan één jaar is.
Het UWV
geeft in de
uitvoeringstoets aan dat niet duidelijk is wat is beoogd met de bepaling dat de
hoge premie ook van toepassing is als de omvang van het contract niet of
niet eenduidig is vastgelegd. Het UWV merkt in dit verband op dat niet
duidelijk is wanneer gesproken moet worden van een
"niet eenduidige
omvang"
bij een oproepcontract. Beoogd is te voorkomen dat werkgevers
nulurencontracten afsluiten met een duur van ten minste één jaar
met het oogmerk zo de lage premie van toepassing te laten zijn.
De tekst van het besluit is nu zo aangepast dat de lage premie niet van
toepassing is indien de omvang van het dienstverband niet is vastgelegd, zoals
bij een nulurencontract of een oproepcontract het geval
is. Hiermee in verband staat de opmerking van het UWV dat indien een
werknemer binnen één jaar een WW-uitkering ontvangt terwijl een deel
van het dienstverband in stand blijft, de werkgever alsnog de hoge
premie verschuldigd is. Dit effect is beoogd. Indien een minimaal
aantal uren is vastgelegd, maar een wisselend aantal uren wordt gewerkt en
deze wisselende omvang van de dienstbetrekking binnen één jaar leidt tot
instroom in de WW, is alsnog de hoge premie van toepassing.
In de uitvoeringstoets
wijst het UWV op het ontbreken van overgangsrecht. Hierin is alsnog
voorzien. Achterliggende gedachte bij het gekozen overgangsrecht is dat het
niet billijk zou zijn de hoge premie van toepassing te laten zijn
op een arbeidsovereenkomst indien de werkgever bij aanvang van die overeenkomst nog niet kon voorzien dat dit zou leiden
tot een hoge premie. De
hoge premie is daarom in 2006 niet van toepassing op kortdurende
contracten die afgesloten zijn vóór 1 januari 2006.
Lastenplafond en
vermogensopbouw
In de nieuwe systematiek
van premiegroepen wordt vastgehouden aan de maximering van de wachtgeldlasten door te bepalen dat het gewogen
gemiddelde van de
percentages niet meer mag bedragen dan het lastenplafond. Daarnaast
is de geldende regelgeving met betrekking tot de opbouw en afbouw van
reserve ook van toepassing op de premiegroepen die nu geïntroduceerd
worden.
Vaststelling van de
premie
Het UWV
stelt aan de hand
van de regels in dit besluit de premie vast. Bij ministeriële
regeling wordt de verhouding tussen de hoogte van de premies vastgelegd. In
deze ministeriële regeling kunnen ook groepen van werknemers worden
aangewezen waarvoor ook de lage premie zal gelden. Dit zal gebeuren
voor kortdurende arbeid, zoals vakantiewerk van scholieren en studenten,
omdat deze groepen werknemers weinig beroep op de WW-uitkeringen
doen. Verder zullen werknemers met leer/werktrajecten worden aangewezen om
werkgevers niet te ontmoedigen om leer/werktrajecten aan
te bieden. Daarnaast is geregeld dat indien op een dienstbetrekking van een
werknemer gedurende een kalenderjaar een verschillend
premiepercentage van toepassing is, de premie met ingang van dat jaar op een
gewogen gemiddeld premiepercentage wordt vastgesteld. Verder zal
de bestaande premiedifferentiatie in de uitzendbranche en de grafische sector in
deze ministeriële regeling worden gecodificeerd.
Administratieve lasten
Ten aanzien van de
informatieplicht wijzigt voor werkgevers niets ten opzichte van de met de
Wfsv
voorziene reguliere situatie. Wel is de werkgever,
voor zover
sprake is van een arbeidsovereenkomst voor ten minste één jaar of
onbepaalde tijd, gehouden een afschrift van de schriftelijke
overeenkomst in zijn administratie op te nemen om in aanmerking te komen voor
de lage premie. Aangezien de werkgever in de overeenkomst één van de
deelnemende partijen is, administreert hij de overeenkomst reeds in die hoedanigheid. Derhalve heeft dit nieuwe
onderdeel geen effect op
de administratieve lasten van werkgevers.
Uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid
In voorkomende gevallen
kan naheffing bij de werkgever plaatsvinden, bijvoorbeeld als de belastingdienst achteraf constateert dat een werkgever een lage premie
heeft betaald voor een werknemer met een kortdurende
arbeidsovereenkomst. Bevindingen uit looninspecties en signaleringen in de
polisadministratie spelen hierbij een belangrijke rol. Het fiscale boeteregime
is van toepassing. Ook het opleggen van een boete wegens het
verwijtbaar niet nakomen van loonopgaveverplichtingen behoort tot de
mogelijkheden. Dit is bijvoorbeeld het geval als de werkgever een werknemer
in een verkeerde premiegroep heeft ingedeeld of een wijziging niet aan
de belastingdienst heeft doorgegeven. In ernstige gevallen bestaat
de mogelijkheid tot aangifte bij het openbaar ministerie.
2.2. Premiedifferentiatie
WAO
De bepalingen die zijn
opgenomen in hoofdstuk 2 van het onderhavige besluit betreffende de premiedifferentiatie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
waren voorheen opgenomen
in het Besluit
premiedifferentiatie WAO. Met inwerkingtreding
van de
Wfsv
wordt in artikel
37, vierde lid, van die wet voorzien in
een grondslag om in het onderhavige besluit bepalingen op te nemen op
het gebied van premiedifferentiatie. Derhalve zijn de bepalingen uit
het Besluit premiedifferentiatie WAO overgeheveld naar het onderhavige
besluit. Een materiële wijziging is hiermee niet beoogd. De bepalingen
hebben betrekking op de berekening van de gedifferentieerde premie.
Het gaat daarbij na de invoering van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA) en aanpassingen in de Wfsv naar aanleiding van
die wet in het jaar 2006 nog alleen om een gedifferentieerde premie
die gerelateerd is aan de ontwikkeling van de uitkeringen op grond van
de WAO. Om die reden zijn de bepalingen in
paragraaf 2 van hoofdstuk
2 gelijk aan die in het Besluit
premiedifferentiatie WAO. De bepalingen
bevatten rekenregels voor de factoren voor de gedifferentieerde
premie (het gemiddelde percentage en het rekenpercentage) en voor
het vaststellen van de opslagen en kortingen voor grote werkgevers en
voor sectoren waar het betreft kleine werkgevers. Deze
kortingen en opslagen worden aangeduid met Pemba-premies. De
bestaande regeling is voor het jaar 2006 (en volgende) uitgebreid met
een bijzondere rekenregel. Dit heeft de volgende achtergrond. Als gevolg
van de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 is de
Pemba-periode verkort van vijf naar vier jaar en is de
WAO-instroom vanaf 2006 nihil. Voor de bepaling van de gedifferentieerde premie
WAO dient voor de vaststelling van de gemiddelde premie materieel te
worden gerekend met een vierjaarsperiode en voor de opslagen en
kortingen op het rekenpercentage (gemiddeld werkgeversrisico van
grote werkgevers) dient echter te worden gerekend met een
vijfjaarsrisico.
Zonder aanvullend beleid in 2006 zou daardoor sprake zijn van relatief
forse opslagen/kortingen op het rekenpercentage. Dit leidt onder meer tot
- qua berekening - negatieve premies, die op basis van de regels in
deze paragraaf worden gecorrigeerd tot nulpremies. Door het toepassen van
een technische correctiefactor is het mogelijk de premiestelling zodanig te
corrigeren dat de opslagen/kortingen enerzijds en de gemiddelde premie
en het rekenpercentage anderzijds weer met elkaar in verhouding
zijn. In artikel 2.15 van dit besluit is daarom een correctiefactor
opgenomen.
3. Hoofdstuk 3
In hoofdstuk 3 zijn
bepalingen opgenomen inzake de financiering van de vrijwillige
volksverzekeringen. Voorheen waren deze bepalingen opgenomen in het Besluit
vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001. De bepalingen inzake de
vrijwillige verzekering op grond van de
AWBZ
worden hier niet
opgenomen aangezien de vrijwillige verzekering AWBZ met inwerkingtreding van
de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet komt
te vervallen. Met inwerkingtreding van de
Wfsv
is in de artikelen 71 en
80 van die wet voorzien in de mogelijkheid om op basis van die wet bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen met
betrekking tot de vaststelling van de premie, de inning en de betaling van
de premie voor een vrijwillige verzekering. De bepalingen van hoofdstuk
3 van het Besluit Wfsv zijn een uitwerking hiervan voor de
volksverzekeringen. Een materiële wijziging is niet beoogd. Wel is het
voorstel van de SVB overgenomen om de verschuldigde premie voor de
vrijwillige volksverzekeringen op verzoek aan te passen als door samenloop
van verplichte en vrijwillige volksverzekering meer premie wordt betaald
dan de maximumpremie voor de verplichte volksverzekering in dat
kalenderjaar. Dit heeft geen noemenswaardige financiële gevolgen op
macroniveau, maar voorkomt wel onbedoelde financiële effecten op
individueel niveau.
4. Hoofdstuk 4
In hoofdstuk 4 worden
regels gesteld inzake het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ),
de vaststelling van het beheerskostenbudget ter dekking van de
beheerskosten die worden gemaakt door een zorgverzekeraar anders
dan in de hoedanigheid van een verbindingskantoor en de verbindingskantoren
en het centraal administratiekantoor (hierna: CAK), de reserve
die voor de uitvoering van de
AWBZ
moet worden aangehouden, het
toezicht op opgaven van de zorgverzekeraar, het verbindingskantoor en
het centraal administratiekantoor door het College toezicht.
Voorheen waren bepalingen hieromtrent opgenomen in het Besluit
financiering uitvoeringsorganisatie bijzondere ziektekostenverzekering
AWBZ. Met inwerking van
de
Wfsv
is echter in artikel
91, eerste lid, van die wet voorzien
in de mogelijkheid om op basis van die wet bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels te stellen inzake het AFBZ. De bepalingen
in hoofdstuk 4 zijn een uitwerking hiervan.
Artikelsgewijs
Premies sectorfondsen
Artikelen 2.2 en
2.3
Artikel 2.2 komt
inhoudelijk overeen met hetgeen was geregeld in artikel 2 van het
Besluit vaststelling premiepercentage
wachtgeldfondsen. De formuleringen zijn zoveel
mogelijk geharmoniseerd met de formuleringen die zijn gebruikt bij de
premiedifferentiatie in de WAO. Bij de premiedifferentiatie in de WAO wordt niet op
besluitniveau geregeld wanneer en voor welke periode het
premiepercentage wordt vastgesteld, aangezien dit afdoende blijkt uit
de wet.
In
artikel 2.3 wordt
vervolgens geregeld dat in de sectorfondsen premiegroepen ingevoerd
worden op basis van de schriftelijk overeengekomen duur van de
dienstbetrekking. In de in het eerste lid genoemde sectoren wordt dit
onderscheid gemaakt naar soort arbeidsverhouding en daarmee naar categorie
van werknemers. Met artikel 2.3 wordt beoogd werkgevers in de genoemde
sectoren met veel seizoensmatige en kortdurende werkloosheid
te stimuleren de bedrijfsprocessen en de organisatie van de arbeid
zodanig in te richten dat aan werknemers meer continuïteit geboden
wordt, waardoor instroom in de WW voorkomen wordt. In de ministeriële regeling op grond van het
artikel 2.3, derde lid,
kan nog nader inhoud
worden gegeven aan het onderscheid naar soort arbeidsovereenkomst,
bijvoorbeeld de uitzendovereenkomst. Daarbij kan een ander onderscheid aan
de orde zijn dan naar omvang van de arbeidsverhouding en
wordt voor een bepaalde categorie van werknemers afgeweken van
het onderscheid in het tweede lid.
Op grond van
artikel 2.3
worden afwijkende premiepercentages sectorfondsen voor
verschillende groepen werknemers vastgesteld. Voor de aangewezen
sectorfondsen geldt de systematiek van artikel 2.3, voor de overige sectorfondsen
geldt artikel 2.2. De systematiek is hiervoor nader toegelicht.
In het zesde lid van artikel 2.3
is een overgangsbepaling opgenomen voor dienstbetrekkingen
die zijn aangegaan vóór 1 januari 2006. Op deze dienstbetrekkingen is het
sectorpremiepercentage dat voor 2006 is vastgesteld voor
werknemers als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b (overige werknemers zoals
werknemers met een kortdurende arbeidsovereenkomst), niet van toepassing. Dit
betekent dat voor werknemers in deze dienstbetrekkingen in
2006 de lage premie geldt, in plaats van de hoge premie. Voor 2007 vervalt
dit onderscheid.
In de uitzendbranche en
de grafische sector blijven de huidige vormen van premiedifferentiatie gehandhaafd. Het UWV-beleid zal hiertoe worden
overgenomen in een
ministeriële regeling op grond van artikel 2.2, achtste lid, en
artikel 2.3,
derde lid.
Artikel 2.4
In
artikel 2.4 wordt de
wijze van vaststelling van de gemiddelde premie geregeld. Het gemiddelde
premiepercentage wordt bij ministeriële regeling vastgesteld op
het gewogen gemiddelde van de wachtgeldpremiepercentages en de verzekerde
loonsommen van alle sectoren in het kalenderjaar voorafgaand
aan het premiebetalingstijdvak. De methodiek van het Besluit
vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen is daarmee overgenomen. Het derde
lid van artikel 2.4 schrijft de berekeningswijze van het gemiddelde
premiepercentage wachtgeldfondsen voor ingeval gedurende het
kalenderjaar meerdere malen een sectorpremiepercentage wordt vastgesteld.
Artikel 4 van het Besluit vaststelling
rekenpremie wachtgeldfondsen is niet
overgenomen omdat er geen wettelijke mogelijkheid meer bestaat
voor een werknemersdeel van de "wachtgeldpremie". Daarmee is dit
artikel overbodig geworden. Verder is het uitgewerkte
overgangsrecht geschrapt.
Premiedifferentiatie WAO
De artikelen 2.5 tot en
met 2.15 betreffen een technische omzetting van het Besluit
premiedifferentiatie WAO. Daarbij is het uitgewerkte overgangsrecht geschrapt.
De gedifferentieerde
WAO-premie wordt voor grote werkgevers aan de hand van het individuele risicopercentage vastgesteld en voor kleine
werkgevers aan de hand
van het sectorale risicopercentage.
Bij de bepaling van de
werkgevers- en gemiddelde risicopercentages worden de lasten aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gerelateerd aan
de loonsom. Dit betekent
dat in de vaststelling van de premieplichtige loonsom de lasten aan
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen niet moeten worden meegenomen. Indien
een werkgever in plaats van het UWV
aan een gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werknemer de arbeidsongeschiktheidsuitkering betaalt en indien hij
daarop een aanvulling geeft, dan moet de via de werkgever
betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering (exclusief de aanvulling) geen deel
uitmaken van de premieplichtige loonsom (artikelen 2.5, vierde
lid, en 2.8, vierde lid).
Het UWV blijft met
toepassing van de bepalingen in deze paragraaf de verschillende parameters
vaststellen (gemiddeld premieplichtig loon, de grens grote/kleine
werkgever, het gemiddelde percentage, de maximumpremie voor de grote werkgevers,
het gemiddeld werkgeversrisicopercentage, het rekenpercentage en de
verschillende correctiefactoren bij onvolledige periode van
werkgeverschap). Het rekenpercentage en het gemiddelde percentage
behoeven de goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Op grond van deze
gegevens stelt de inspecteur de verschuldigde premie vast.
De
indeling in grote en
kleine werkgevers volgt in beginsel direct uit de regelgeving. De
inspecteur stelt de individuele opslag of korting op het WAO-rekenpercentage voor
een grote werkgever vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Dit
betekent dat een grote werkgever bijvoorbeeld in bezwaar kan gaan tegen de
hoogte van de opslag of korting, tegen een indeling als grote
werkgever als zodanig of tegen een onjuiste toepassing van de regresbepalingen.
De sectorale opslag of korting voor kleine werkgevers wordt door het UWV
vastgesteld op basis van
artikel 2.9. Kleine
werkgevers kunnen bezwaar
maken bij de eigen aangifte of tegen de naheffingsaanslag als zij
bijvoorbeeld van mening zijn dat zij ten onrechte als kleine werkgever worden aangemerkt.
Daarnaast kan de
inspecteur werkgevers op aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking
indelen als grote of als kleine werkgever bij een omvangrijke wijziging van
het premieplichtige loon als wordt voldaan aan de voorwaarden in artikel
2.5, tweede lid. De termijn die in dat artikellid wordt genoemd voor het
indienen van de aanvraag wordt zo gehanteerd als passend is in
processen van premie- en belastingheffing. Ook hiertegen is bezwaar
mogelijk.
Artikel
2.16. Beperking eigen
risico dragen WAO
risico dragen WAO
Artikel 2.16 betreft een
technische omzetting van het Besluit
beperking eigen risico dragen WAO.
Een materiële wijziging is niet beoogd. De regeling heeft alleen
betrekking op het eigen risico dragen voor de betaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering overeenkomstig hoofdstuk III van de
WAO. Voor bedrijven
met maximaal 25-maal de gemiddelde loonsom is de
geïndividualiseerde premiedifferentiatie WAO
niet van toepassing. Voor deze bedrijven geldt
een gedifferentieerde premie per sector. Handhaving van de mogelijkheid om eigenrisicodrager te worden, zou
ertoe kunnen leiden dat
steeds de "beste" risico’s onder deze bedrijven uittreden, omdat het
eigen risico dragen voor hen financieel voordeliger is dan het betalen van de
branchegewijze premie. Om deze reden is voor deze bedrijven de
mogelijkheid afgeschaft om eigenrisicodrager voor de WAO te worden. De
regelgeving voor het eigen risico dragen in het jaar 2006 wordt overigens
bepaald door het overgangsartikel 122c
dat met de Wet invoering en financiering Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen in de Wfsv
zal worden opgenomen.
Vrijwillige verzekering
volksverzekeringen
Artikel
3.2. Mededeling
SVB inzake premie
Dit artikel komt overeen
met de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste lid, en
4, eerste lid, van het Besluit
vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001. Geregeld wordt welke
informatie de SVB verplicht is te melden aan de gewezen verzekerde die
een aanvraag heeft ingediend om toegelaten te worden tot de vrijwillige verzekering op grond van de
AOW alsmede de Anw
of die een aanvraag
heeft gedaan om achteraf niet-verzekerde jaren voor de AOW in te kopen.
Deze verplichting beperkt zich tot de hoogte van de verschuldigde premie,
de termijn waarbinnen de premie moet worden betaald en de wijze
waarop de betaling van de premie aan de SVB moet plaatsvinden.
Artikel
3.3. Vaststelling
premie
In dit artikel is
vastgelegd op welke wijze de premie voor de vrijwillige verzekering voor de
AOW
en de Anw
wordt vastgesteld. Dit artikel komt materieel gezien overeen
met artikel 5 van het Besluit
vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001. In de
eerste twee leden wordt geregeld dat de vrijwillig verzekerde in beginsel de maximale premie is verschuldigd. De
formulering van de
verwijzing naar de heffingskorting die in aanmerking moet worden genomen bij
de berekening van de AOW-premie en de Anw-premie is technisch
aangepast aan de gewijzigde formulering in artikel 12 van de
Wfsv.
In dat artikel wordt rechtstreeks verwezen naar de berekende heffingskorting
voor de AOW, respectievelijk de Anw,
op grond van hoofdstuk 8 van de
Wet
inkomstenbelasting 2001
(artikelen 8.4 en 8.5 van die
wet).
Vervolgens is bepaald dat bij deze berekening artikel
12, tweede lid, van de Wfsv
moet worden toegepast, zodat de berekening niet plaatsvindt op basis
van de standaardheffingskorting, maar op basis van de
standaardloonheffingskorting.
In het derde lid is
geregeld dat indien betrokkene tegenover de SVB kan aantonen dat het inkomen
minder bedraagt dan het maximumbedrag waarover jaarlijks premie
dient te worden betaald, de premieheffing in afwijking van de eerste
twee leden plaatsvindt over het feitelijke inkomen.
Het vierde lid bepaalt
dat de vrijwillig verzekerde die geen eigen inkomen heeft toch
premie verschuldigd is. De hoogte van de premie bedraagt dan 10% van het
premiebedrag dat men in enig jaar maximaal verschuldigd kan zijn.
Nieuw is dat in het zesde
lid van het onderhavige artikel is bepaald dat de SVB op verzoek van de belanghebbende die een gedeelte van het
kalenderjaar van
rechtswege verzekerd is voor de AOW
of de Anw, de AOW-premie of de Anw-premie over dat kalenderjaar zodanig vaststelt dat de over het kalenderjaar verschuldigde premie voor de verplichte en
de vrijwillige
verzekering niet meer bedraagt dan de premie die maximaal verschuldigd zou zijn
indien het gehele kalenderjaar sprake zou zijn geweest van verplichte
verzekering.
Verder is in het achtste
lid bepaald dat voor de toepassing van het derde lid het inkomen geacht
wordt te zijn ontvangen in Nederland. Deze uit het Besluit vrijwillige
verzekering AOW en Anw
afkomstige bepaling was abusievelijk niet
opgenomen in het Besluit vrijwillige
verzekering AOW en Anw 2001.
Artikel
3.4. Voorlopige
premievaststelling
Dit artikel komt overeen
met artikel 7 van het Besluit
vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001. Hiermee wordt geregeld dat de
SVB de verschuldigde premie in
bepaalde gevallen voorlopig kan vaststellen.
Artikel
3.5.
Premiebetaling
Dit artikel komt overeen
met de artikelen 2, tweede lid, 3, tweede lid, en
4, eerste en tweede lid,
van het Besluit vrijwillige verzekering
AOW en Anw 2001. De premie voor
de vrijwillige verzekering wordt vooruitbetaald per kalenderjaar. De
premie voor de vrijwillige Anw-verzekering kan door een ander geschieden dan
de gewezen verzekerde in die gevallen dat betrokkenen zich tijdig
heeft aangemeld voor deze verzekering, doch is overleden voordat hij de
verschuldigde Anw-premie heeft kunnen betalen. Op deze manier
wordt voorkomen dat de SVB in dit geval de aanvraag voor de
vrijwillige verzekering moet afwijzen, met alle gevolgen van dien voor de
aanspraken op een recht op nabestaandenuitkering.
Artikel
3.6. Achterwege
blijven van premierestitutie
Dit artikel komt overeen
met de artikelen 2, derde lid, en 4, eerste lid, van het
Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw
2001. In die gevallen waarin de verzekering op
grond van artikel 37, eerste lid, onderdeel a, e, of f, van de
AOW of 63c,
eerste lid, onderdeel a, d of e, van de Anw
eindigt, krijgt de
gewezen verzekerde de eenmaal betaalde premie niet meer terug. Wordt
bijvoorbeeld de gewezen verzekerde in de loop van het kalenderjaar 65 jaar, dan
wordt de premie over dat deel van het kalenderjaar niet terugbetaald.
Artikel
3.7.
Premiebetaling bij vrijwillige AOW-verzekering over achterliggende periode
Dit artikel komt overeen
met artikel 3, tweede lid, van het Besluit
vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001. Hiermee wordt de inkoopmogelijkheid over
niet-verzekerde
jaren voor de AOW geregeld. Deze regeling geldt alleen
voor de AOW vanwege het opbouwkarakter van deze verzekering. Voor de Anw
zou een dergelijke regeling immers een verzekering om niet zijn.
Artikel
3.8. Vaststelling
vrijwillige verzekeringsperiode na onvolledige
betaling
Dit artikel komt overeen
met artikel 9 van het Besluit
vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001. Dit artikel regelt dat indien de vrijwillige verzekering is
geëindigd, de premie, voor zover dit nog niet is gebeurd, definitief wordt
vastgesteld. Dit artikel regelt voorts hoe in deze gevallen de reeds betaalde premie
aan de verschillende jaren wordt toegerekend. De betaalde premie wordt
toegerekend aan opeenvolgende hele kalenderjaren of - bij verzekering
gedurende een gedeelte van één of meer kalenderjaren - aan die gedeelten van hele kalenderjaren die het dichts
liggen bij het einde van
de verplichte verzekering.
Uitvoeringskosten AWBZ
Artikel
4.1.
Begripsbepalingen
In deze toelichting wordt
zowel het begrip zorgkantoor als het begrip verbindingskantoor
gebruikt. Met het verbindingskantoor wordt bedoeld de zorgverzekeraar in
zijn hoedanigheid van verbindingskantoor, maar dan beperkt tot de
verbindingskantoorfunctie.
Het begrip zorgkantoor
wordt gebruikt in relatie tot een bepaalde regio (of subregio) als genoemd
in de ministeriële aanwijzing zorgkantoren. In het besluit wordt niet
gesproken over het begrip zorgkantoor, omdat de wetgeving dit begrip niet
kent.
Artikel
4.2. Vergoeding
verstrekkingen op basis van werkelijke kosten
In
artikel 4.2 is
geregeld dat het College
zorgverzekeringen uitkeringen doet (voor verstrekkingen
en beheer) uit het AFBZ ter dekking van de voor de uitvoering van de AWBZ
noodzakelijke uitgaven. Het College toezicht is bevoegd vast te stellen
dat indien uitgaven niet noodzakelijk zijn, ze als niet verantwoord worden
aangemerkt. De niet-verantwoorde uitgaven mogen niet met
AWBZ-middelen die het College zorgverzekeringen verstrekt, worden
bekostigd.
Het tweede lid van
artikel 91 van de Wfsv
bepaalt dat de beheerskostenbudgetten die door het College
zorgverzekeringen worden
toegekend niet aan andere zaken mogen
worden besteed dan ter dekking van de voor de uitvoering van de AWBZ
noodzakelijke kosten. Het College toezicht is bevoegd om - achteraf - vast te stellen dat bepaalde uitgaven AWBZ niet verantwoord waren, omdat
ze niet als noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt. Deze
niet-verantwoorde kosten mogen niet ten laste van de wettelijke middelen (dus ook niet de reserve) worden gebracht en
de desbetreffende
rechtspersoon zal voor deze uitgaven elders dekking moeten vinden. De
niet-verantwoorde uitgaven dienen buiten beschouwing te worden gelaten bij de
bepaling van het saldo van baten en lasten beheerskosten AWBZ over
een boekjaar. Artikel 91 schept echter ook de mogelijkheid tot
afwijking van deze regel. Indien daarvoor aanleiding wordt gevonden, kan het
College toezicht namelijk oordelen dat bepaalde uitgaven weliswaar niet
noodzakelijk waren en deze niet-verantwoord verklaren, maar
desalniettemin bepalen dat deze niet-verantwoorde uitgaven in
uitzonderingsgevallen wel ten laste mogen worden gebracht van de wettelijke
middelen.
Artikel
4.3. Macrobudget beheerskosten
AWBZ
Artikel 4.3 bepaalt de
beschikbaar gestelde middelen voor het beheerskostenbudget voor alle uitvoeringsorganen, verbindingskantoren en het
CAK tezamen.
Artikel
4.4. Uitkering
zorgverzekeraar
Het
College
zorgverzekeringen
stelt jaarlijks het beheerskostenbudget vast voor de dekking van
de beheerskosten die de zorgverzekeraar maakt anders dan in de
hoedanigheid van verbindingskantoor. De vaststelling geschiedt aan de hand van
vooraf vastgestelde en door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport (VWS) goedgekeurde beleidsregels.
Artikel
4.5. Uitkering
verbindingskantoren en centraal administratiekantoor
Op grond van
artikel 4.5
stelt het College
zorgverzekeringen
jaarlijks de in artikel 4.3
beschikbaar gestelde middelen voor de beheerskosten, afzonderlijk voor ieder
verbindingskantoor en voor het CAK vast.
Het vijfde lid regelt dat
een verbindingskantoor en het CAK een reserve uitvoering AWBZ
moeten aanhouden. Dergelijke reserves zijn nodig om
incidentele tegenvallers
bij de uitvoering van de AWBZ te kunnen opvangen, het egaliseert
de onevenwichtigheden in de geldstromen van de instelling. Een
reserve zorgt ervoor dat schommelingen in de beheerskosten van jaar op jaar zoveel
mogelijk worden gemitigeerd en dat verantwoord met mee- en
tegenvallers wordt omgegaan. Omdat het CAK de mogelijkheid heeft om een reserve aan te houden, impliceert dit ook
een aanpassing van de beheerskostenbudgetsystematiek; een systematiek die niet automatisch
inhoudt dat het uitgekeerde beheerskostenbudget gelijk is aan de werkelijke beheerskosten. De budgettering van het CAK
houdt in dat het de
beschikking krijgt over een vooraf vastgesteld beheerskostenbudget,
zonder nacalculaties. Kleine afwijkingen tussen het beheerskostenbudget en de
werkelijke beheerskosten moet het CAK met behulp van de reserve
AWBZ opvangen. Voor grote afwijkingen tussen het beheerskostenbudget en de
werkelijke beheerskosten CAK zal het budget worden aangepast. Deze
wijze van financiering is nodig om de zelfstandigheid bij het CAK te vergroten,
hetgeen weer een wens is in het traject "modernisering
verantwoording en verslaglegging in de AWBZ", waarin ook het CAK meeloopt. Ook
voor verbindingskantoren stelt het College zorgverzekeringen vast
welke middelen beschikbaar zijn ter dekking van de beheerskosten in dat
jaar. Een wettelijke reserve uitvoering AWBZ zorgt ervoor dat zekere
schommelingen in de beheerskosten van jaar op jaar kunnen worden opgevangen.
Hierdoor zorgt een reserve AWBZ voor een grotere financiële
verantwoordelijkheid van de verbindingskantoren en vergroot deze de
zelfstandigheid van de bedrijfsvoering. De functie van verbindingskantoor wordt
meestal uitgevoerd door een zorgverzekeraar die een reserve kan
aanhouden. Een zorgverzekeraar die meerdere zorgkantoren onder zijn
hoede heeft, dient één wettelijke reserve uitvoering AWBZ aan te
houden. De zorgverzekeraar dient de reserve echter te kunnen
toerekenen aan een individueel zorgkantoor. Om deze toedeling te kunnen
bewerkstelligen, is het noodzakelijk dat voor rechtspersonen die
meerdere zorgkantoren onder zich hebben, de beheerskostenbudgetten
per zorgkantoor worden berekend. Het verbindingskantoor zal
binnen de wettelijke reserve uitvoering AWBZ een onderscheid moeten maken
tussen de beheersreserve en de subsidiereserve. Een dergelijk onderscheid
komt overeen met hetgeen de Regeling financieel verslag van
het College zorgverzekeringen voorschrijft. Het onderscheid geeft inzicht
in wie verantwoordelijk is voor tekorten of overschotten en bevordert
de transparantie.
In het zesde lid wordt
geregeld dat het saldo van baten en lasten van de beheerskosten over een
boekjaar en de ontvangen vergoedingen voor alle door hen verrichte
werkzaamheden door het verbindingskantoor of het CAK aan de reserve dient
te worden toegevoegd. Dit is nodig in verband met het inzicht in de
financiële huishouding van het verbindingskantoor en het CAK. Het CAK en de
verbindingskantoren voeren naast hun wettelijke taken immers
ook taken uit welke zij van de uitvoeringsorganen AWBZ gemandateerd hebben
gekregen.
Een zorgverzekeraar kan
door de Minister van VWS als verbindingskantoor worden aangewezen
krachtens artikel 40, eerste lid, AWBZ
juncto artikel 3, tweede lid,
van het Administratiebesluit
Bijzondere Ziektekostenverzekering. De aanwijzing geschiedt
telkens voor een periode van vier jaar. Sinds 1 januari 1998 vindt de aanwijzing van zorgkantoren plaats aan
de hand van de
regio-indeling in de Wet ziekenhuisvoorzieningen (Wzv). In beginsel wordt per
Wzv-regio één zorgkantoor aangewezen. Ook het CAK wordt door de
Minister van VWS krachtens artikel 16, eerste lid,
AWBZ
juncto artikel 3, eerste
lid, van het Administratiebesluit
Bijzondere Ziektekostenverzekering aangewezen. Deze zorgverzekeraar dient dan ook een wettelijke reserve
uitvoering AWBZ
aan te houden. Het zorgkantoor of het CAK waarvan de
aanwijzing wordt ingetrokken of niet wordt verlengd, dient de reserve te
verrekenen met het AFBZ. Artikel 4.5, zevende lid, bepaalt dat het
College
zorgverzekeringen
ten behoeve van het AFBZ een vordering heeft ten
belope van de reserve. Het is de bedoeling dat bij beëindiging van de
aanwijzing een verbindingskantoor en het CAK een positieve reserve in het
AFBZ stort. Een negatieve reserve AWBZ wordt ten laste van het AFBZ gebracht. Het zorgkantoor of het CAK dat een
nieuwe aanwijzing krijgt,
begint met een reserve van nul en gaat vanaf het moment dat het wordt
aangewezen zelf een reserve AWBZ opbouwen.
Artikel
4.6. Reserve AWBZ
Artikel 4.6 regelt de
maximering van de wettelijke reserve uitvoering AWBZ. De vorming van een
reserve AWBZ door de verbindingskantoren en het CAK geschiedt uit
publieke middelen. De wettelijke reserve uitvoering AWBZ heeft
alleen betrekking op uitvoeringskosten en niet op kosten voor
verstrekkingen. Hoewel de wettelijke reserve uitvoering AWBZ van een geheel
andere omvang zal zijn dan de reserve Zfw, is het noodzakelijk om
soortgelijke bepalingen ten aanzien van de wettelijke reserve uitvoering AWBZ
op te nemen. Het beheerskostenbudget AWBZ wordt immers uit de
publieke middelen betaald. Eerder is al aangegeven dat het wenselijk is dat
het CAK en de verbindingskantoren over een reserve beschikken, omdat hiermee onevenwichtigheden in de
geldstromen vereffend
kunnen worden. Hierdoor kan de continuïteit en de doelmatigheid worden
bevorderd. De maximale omvang van de reserve dient zodanig te zijn dat
dit doel wordt bereikt. Het is niet wenselijk om onnodig hoge reserves aan
te houden.
Het maximum van de
reserve uitvoering AWBZ ultimo enig jaar bedraagt voor het
desbetreffende verbindingskantoor maximaal 20% en voor het CAK maximaal 5%
van het beheerskostenbudget van dat jaar. Voor verbindingskantoren
wordt een hoger percentage aangehouden, omdat die grotere
schommelingen in kostenniveaus en extra activiteiten moeten kunnen opvangen,
aangezien eventuele aanvullende middelen op macroniveau beschikbaar
worden gesteld, die door het College
zorgverzekeringen
worden
verdeeld. Het percentage voor het CAK stemt overeen met dat wat voor
zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) wordt gehanteerd. Met de
reserve wordt beoogd om de noodzaak tot het indienen van een
suppletoire begroting te beperken.
Het College
zorgverzekeringen stelt aan de hand van het financieel verslag van het
verbindingskantoor en het CAK vast of er sprake is van overschrijding van het
maximum van de wettelijke reserve uitvoering AWBZ. Het meerdere dient
binnen vier weken na vaststelling teruggestort te worden in het AFBZ. Na
beoordeling van het financieel verslag door het College toezicht
corrigeert het College zorgverzekeringen indien nodig de afrekening van het
maximum met het betreffende verbindingskantoor of het CAK.
Nu het CAK en het
verbindingskantoor een reserve mogen aanhouden, wordt er over deze
reserve ook verantwoording afgelegd.
Artikel
4.7. Toezicht op
opgaven
Artikel 4.7 regelt dat
het College toezicht toezicht uitoefent op de verbindingskantoren op
dezelfde wijze als het dat deed in het kader van de beheerskosten
ziekenfondsen. Dit houdt in dat, als bepaalde normen worden overschreden, er
specifieker toezicht plaatsvindt. Bij de normen speelt de stand van de egalisatiereserve een rol. Een egalisatiereserve
heeft als doel grote
schommelingen in de opbrengsten en uitgaven op te vangen.
Als leidraad wordt
aangehouden dat de egalisatiereserve alleen onder bijzondere omstandigheden
een negatieve waarde mag aannemen en dat in alle gevallen waarin
de egalisatiereserve onder nul komt er specifieker toezicht plaatsvindt. Als
de egalisatiereserve een te hoge waarde aanneemt, is dat ook
reden voor specifieker toezicht.
Artikel
4.8.
Betaalbaarstelling
Dit artikel regelt dat
het
College
zorgverzekeringen
de wijze van betaalbaarstelling van de
uitkeringen bepaalt.
Artikel
4.9.
Overgangsbepaling
Het
Besluit
financiering uitvoeringsorganisatie bijzondere ziektekostenverzekering
AWBZ, dat is opgenomen
in
dit hoofdstuk, is in werking getreden met ingang van 1
januari 2005, maar wordt voor het eerst toegepast over het jaar
2006. Dit betekent dat in het regime van dat besluit in het jaar 2005
besluiten kunnen zijn genomen over budgetten, beleidsregels en reserves die doorwerken naar het jaar 2006. Dit artikel regelt dat dergelijke
besluiten in het jaar 2005 worden aangemerkt als besluiten op grond van de
desbetreffende artikelen van dit besluit.
Slotbepalingen
Artikel
5.1. Wijziging Besluit
premiedifferentiatie WAO
In dit artikel wordt in
de overgangsbepalingen in dit besluit nog de correctiefactor opgenomen
voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie WAO. Deze
wijziging geldt met terugwerkende kracht (zie artikel
5.3, tweede lid) vanaf 1
september 2005. Zo wordt deze factor nog meegenomen in de
berekening van de parameters door het UWV
voor het jaar 2006, die echter in
het najaar van 2005 plaatsvindt (zie bij paragraaf 2 van hoofdstuk 2 in het
algemene deel van deze toelichting).
Artikel
5.2. Intrekking
algemene maatregelen van bestuur
In artikel 5.1
[artikel 5.2, red.] zijn de
algemene maatregelen van bestuur opgenomen die kunnen worden ingetrokken
omdat de inhoud van deze besluiten thans is opgenomen in het Besluit
Wfsv en is afgezien van de in de Invoeringswet Wfsv voorziene
doorwerking (zie artikel 43, eerste lid, van
die wet). Het Besluit
premiedifferentiatie WAO hoeft niet te worden ingetrokken, omdat
deze doorwerking niet is
voorzien en de grondslag in de WAO
wel komt te vervallen. De grondslag
voor het Besluit beperking eigen risico
dragen WAO is gehandhaafd in de
WAO en om die reden wordt dit besluit hierbij wel ingetrokken.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|
|