|
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur en de Minister van
Financiën;
Gelet op
artikel 44, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen
(Stb. 1989, 129);
Besluiten:
Art. 1.
Voor de toepassing van
deze regeling wordt verstaan onder:
a. toedelingspercentage: het percentage
waarmee de opbrengst van de gecombineerde heffing van
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
respectievelijk inkomstenbelasting en premie voor de
volksverzekeringen wordt verdeeld in belasting- en
premieopbrengst;
b.
fondsen:
1º. het Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel
34 van de Wet financiering volksverzekeringen
(Stb.
1989, 129);
2º. het
Ouderdomsfonds, bedoeld in artikel
28 van de Wet financiering volksverzekeringen;
3º. het
Nabestaandenfonds, bedoeld in artikel
28 van de Wet financiering volksverzekeringen;
4º. het Algemeen
Fonds Bijzondere Ziektekosten, bedoeld in artikel
38 van de Wet financiering volksverzekeringen.
Art. 2.
-1. Ten behoeve van de
afdracht door het Rijk aan de Sociale verzekeringsbank van de
bedragen van de door de rijksbelastingdienst ten behoeve van
het Ouderdomsfonds en het Nabestaandenfonds geïnde premies
opent het ministerie van Financiën in de centrale
administratie van 's Rijks schatkist een rekening-courant ten
name van de Sociale verzekeringsbank.
-2. Ten behoeve van de
afdracht door het Rijk aan het College voor zorgverzekeringen
van de bedragen van de door de rijksbelastingdienst ten
behoeve van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten geïnde
premies opent het ministerie van Financiën in de centrale
administratie van 's Rijks schatkist een rekening-courant ten
name van het College voor zorgverzekeringen.
-3. Ten behoeve van de
afdracht door het Rijk aan het Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds van de bedragen van de door de
rijksbelastingdienst ten behoeve van dit fonds geïnde premies opent het
ministerie van Financiën in de centrale
administratie van 's Rijks schatkist een rekening-courant ten
name van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Art. 3.
De in artikel
2 genoemde rekeningen-courant worden:
a. gecrediteerd
voor de in de maandverantwoording van de rijksbelastingdienst
ter zake van de ten behoeve van de genoemde fondsen geïnde
premies opgenomen bedragen;
b. gedebiteerd voor
de aan de fondsen afgedragen bedragen als bedoeld in het tweede
lid van artikel 4;
c. gedebiteerd voor
de ingevolge artikel 5, tweede lid, overgemaakte bedragen;
d. gecrediteerd
voor terugstortingen als bedoeld in artikel 5, derde lid;
e. gedebiteerd c.q.
gecrediteerd voor het ingevolge artikel 9, vijfde lid, bedoelde verschil.
Art. 4.
-1. De Minister van
Financiën stelt de data vast waarop de in artikel
3, onderdeel a,
bedoelde crediteringen zullen geschieden. Hierbij zal ernaar
worden gestreefd het tempo van de crediteuren te doen
overeenstemmen met dat waarin de bedragen van de door de rijksbelastingdienst
geïnde premie voor de volksverzekeringen
reëel ter beschikking van 's Rijks schatkist komen.
-2. De Minister van
Financiën stelt de bedragen vast van de afdrachten, bedoeld
in artikel 3, onderdeel b. Deze afdrachten zullen geschieden
op de ingevolge het bepaalde in het eerste lid vastgestelde
data, met dien verstande dat indien één van deze data valt
op een dag waarop geen overschrijvingen kunnen worden
bewerkstelligd, deze plaatsvindt op de dichtstbijzijnde dag in
de lopende maand waarop de overschrijving wel mogelijk is.
Art. 5.
-1. Het ministerie van
Financiën zal omstreeks het midden van elke maand een
schatting verrichten van het in de tweede daaropvolgende
maand te ontvangen bedrag, bedoeld in artikel 3, onderdeel
a, en
deze aan de beheerders van de fondsen mededelen. Het bedrag
van deze schatting zal als grondslag dienen voor de over de
desbetreffende maand te verrichten afdrachten als bedoeld in
het tweede lid van artikel 4.
-2. Het ministerie van
Financiën zal het bedrag van het na afloop van een maand
gebleken voor een fonds voordelig verschil tussen de
crediteringen als bedoeld in artikel 3, onderdeel
a, en de
debiteringen als bedoeld in artikel 3, onderdeel
b, zo spoedig
mogelijk, op een in overleg met de beheerder van het
desbetreffende fonds te bepalen datum, aan deze overmaken.
-3. De beheerders van de
fondsen zijn verplicht het bedrag van een na afloop van een
maand gebleken nadelig verschil tussen de in het vorige lid
genoemde crediteringen en debiteringen zo spoedig mogelijk,
doch in elk geval uiterlijk twee weken na de dag waarop het
desbetreffende fonds van het verschil in kennis is gesteld,
terug te storten op de rekening van 's Rijks schatkist bij de
Nederlandsche Bank NV te Amsterdam.
-4. Het ministerie van
Financiën zal het bedrag van het voordelige verschil over
enig belasting/premiejaar tussen de feitelijke
premieopbrengsten, berekend op grond van in artikel
9, derde
lid, bedoelde onderzoek, en de reeds aan een desbetreffend
fonds afgedragen premieopbrengsten, berekend op grond van de
in het artikel 9, tweede lid, bedoelde
toedelingspercentages,
zo spoedig mogelijk, op een in overleg met de beheerder van
het desbetreffende fonds te bepalen datum, aan deze overmaken.
-5. De beheerders van de
fondsen zijn verplicht het bedrag van het nadelig verschil
als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, zo spoedig mogelijk,
doch in elk geval uiterlijk twee weken na de dag waarop het
desbetreffende fonds van het verschil in kennis is gesteld,
terug te storten op de rekening van 's Rijks schatkist bij de
Nederlandsche Bank NV te Amsterdam.
Art. 6.
De in artikel 3, onderdeel b en c, bedoelde afdrachten geschieden door
overmaking op een door de desbetreffende beheerder aan te geven
rekening.
Art. 7.
-1. Bij de toepassing
van artikel 4, tweede lid, en artikel
5, tweede lid, respectievelijk van artikel 5, derde lid, zullen het ministerie van
Financiën en de
beheerders van de fondsen, ieder voor zijn rekening-courant
afzonderlijk, ernaar streven de saldi van de
rekeningen-courant zo laag mogelijk te houden.
-2. Ten behoeve van de
in het eerste lid bedoelde regulering van het gemiddeld saldo
van de rekening-courant zullen over de daarin geboekte
bedragen renteprodukten worden berekend; het saldo hiervan per
het einde van elk jaar zal in aanmerking worden genomen bij de
overeenkomstige berekening over het volgende jaar.
Art. 8.
Het ministerie van
Financiën zal na een boeking in een rekening-courant een opgaaf
van die boekingen aan de desbetreffende beheerder verstrekken.
Art. 9.
-1. De opbrengsten van
de gecombineerde heffing van de belasting en de premie voor de
volksverzekeringen worden uitgesplitst in een voor de afdracht
en voor de aanslag vastgesteld toedelingspercentage per
belasting/premiejaar.
-2. Voorafgaand aan het
belasting/premiejaar worden in overleg tussen de beheerders
van de fondsen en de Minister van
Financiën voorlopige toedelingspercentages vastgesteld. De
toedelingspercentages
zullen worden gebaseerd op het kaspatroon dat op grond van de
transactieramingen voor het desbetreffende
belasting/premiejaar voor de onderscheiden kalenderjaren wordt
verwacht. Indien in de loop van het belasting/premiejaar het
percentage van de premie voor de volksverzekeringen dan wel
het belastingtarief wordt gewijzigd, kan dit aanleiding zijn
tot aanpassing van de voorlopige toedelingspercentages.
-3. In het tweede jaar
na afloop van het belasting/premiejaar wordt het
toedelingspercentage voor de afdracht definitief vastgesteld.
In het vierde jaar na afloop van het belasting/premiejaar
wordt het toedelingspercentage voor de aanslag definitief
vastgesteld.
De definitieve
vaststelling vindt plaats op basis van de gerealiseerde
belastingopbrengsten en kan leiden tot een correctie van de
afdrachten aan de fondsen.
-4. De opbrengsten van
de gecombineerde heffing van de belasting en de premie voor de
volksverzekeringen over enig belasting/premiejaar die door de
rijksbelastingdienst zijn geïnd na het jaar waarin de
toedelingspercentages voor dit belasting/premiejaar definitief
zijn vastgesteld, worden uitgesplitst op basis van dit per
fonds voor de afdracht- en aanslagsfeer definitief
vastgestelde toedelingspercentage.
-5. De Minister van
Financiën stelt met betrekking tot een bepaald
belasting/premiejaar per fonds het verschil vast tussen de
feitelijke premieopbrengsten, berekend op grond van
de in het derde lid bedoelde definitieve toedelingspercentages,
en de reeds aan dit fonds afgedragen premieopbrengsten,
berekend op grond van de in het tweede lid van dit artikel
bedoelde toedelingspercentages, en doet hiervan zo spoedig
mogelijk na de vaststelling ervan mededeling aan de beheerder
van dat fonds.
-6. Het verschil,
bedoeld in het vijfde lid, wordt door de Minister van Financiën
per fonds met inachtneming van het bepaalde in artikel
5, vierde lid, respectievelijk artikel 5, vijfde lid, met de beheerder van dat fonds afgerekend.
Art. 10.
De Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 31 maart 1978, nr. 50893, en
van de Minister van
Financiën van 18 april 1978, nr. 478-2124,
inzake de afdracht van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds
van de door de rijksbelastingdienst geïnde premies
(Stcrt. 1978,
242), de Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën van 3 juli
1985, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid nr. SZ/SV/VV/85/1561,
inzake de afdracht aan de Sociale Verzekeringsbank van de door de rijksbelastingdienst
geïnde premies (Stcrt. 1985, 131) en de Beschikking van de
Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid,
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid en de
Minister van Financiën van 24 december 1969, nr. 159661, inzake rekening-courant regeling Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten (Stcrt.
1970, 7) worden ingetrokken op het moment dat de
boekhouding over het belasting/premiejaar 1989 is afgesloten.
Art. 11.
Deze regeling, welke van
toepassing is voor de belasting/premiejaren vanaf 1990, treedt in
werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de
Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en
met 1 januari 1990.
's-Gravenhage, 9 februari 1990.
De Staatssecretaris
van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
E. ter
Veld.
's-Gravenhage,
10 februari 1990.
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.J. Simons.
's-Gravenhage,
20 februari 1990.
De Minister
van Financiën,
W. Kok.
|
|