|
3.9. Financiële gevolgen
financiering Wet WIA
3.9.1. Structurele
arbeidsongeschiktheidslasten huidige stelsel
In deze paragraaf wordt
een overzicht gegeven van de structurele lasten van de WAO
bij
ongewijzigd beleid exclusief aanscherping
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, die vervolgens worden
vergeleken met de structurele lasten van de Wet
WIA
inclusief
aanscherping
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Hierbij worden de kosten van
loondoorbetaling gedurende de eerste twee ziektejaren en de kosten van
bovenwettelijke aanvullingen op de WAO-uitkering boven de 70% van het
laatstverdiende loon buiten beschouwing gelaten. De cijfers volgen uit de
memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel WIA.
De structurele
uitkeringslasten van de WAO bedragen ongeveer €|8,3 miljard. De feitelijke
uitkeringslasten van WAO-ers zijn hoger, omdat voor de meeste werknemers
private verzekeringen in verband met het WAO-hiaat zijn
afgesloten. De kosten van deze WAO-hiaatverzekeringen hebben een waarde van
ongeveer €|0,9 miljard. Daarvan nemen werkgevers circa 70% voor hun
rekening en werknemers circa 30%.¹
Daarnaast kunnen
gedeeltelijk arbeidsongeschikten thans ook een beroep doen op een uitkering op
grond van de Werkloosheidswet
(WW), Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw),
Toeslagenwet (TW) en Wet werk en bijstand
(Wwb). In geval van werkloosheid kan recht bestaan op WW, die weer
gevolgd kan worden door Ioaw. Bovendien geldt voor alle arbeidsongeschikten dat toeslagen op grond
van de TW en eventueel de Wwb verstrekt kunnen worden bovenop de WAO-uitkering als deze niet volstaat
om het sociaal minimum te
bereiken. De WW-premie wordt voor ongeveer de helft door werknemers
gefinancierd. Ioaw, TW en Wwb worden uit de algemene middelen
gefinancierd. De WW-uitkeringslasten van gedeeltelijk
arbeidsgeschikten bedragen structureel ruim €|0,2 miljard. De
TW/Ioaw/Wwb-uitkeringslasten
van WAO-ers bedragen structureel ruim €|0,3 miljard.
De totale lasten zijn bij
alle regelingen hoger dan de uitkeringslasten, omdat ook rekening
gehouden moet worden met opslagen voor sociale werkgeverslasten,
uitvoeringskosten en reïntegratiekosten.
1. ZARA-werkgeverspanel
rapportage 1997, paragraaf 6.2.
Tabel. Structurele
lasten en financieringswijze WAO
bij ongewijzigd beleid (in miljard euro):
| Onderdeelxxxxxxxxxxxx |
Uitkerings-
lasten |
Totale lasten |
Aandeel
werkgevers |
Aandeel
werknemers |
Algemene
middelen |
| WAO |
8,3 |
10,3 |
10,3 |
x |
x |
| WAO-hiaatverzekeringen |
0,9 |
v1,2 |
vv0,85 |
0,35 |
x |
| WW |
0,2 |
v0,3 |
vv0,15 |
0,15 |
x |
| Ioaw/TW/Wwb |
0,3 |
v0,4 |
x |
x |
0,4 |
| Totaal |
9,7 |
12,2 |
11,3 |
v0,5 |
0,4 |
De totale structurele
lasten van WAO-ers (het totaal van uitkeringslasten, sociale werkgeverslasten,
uitvoeringskosten en reïntegratiekosten) komen daarmee op €|12,2
miljard. Werkgevers betalen het grootste deel (€|11,3 miljard). Werknemers
dragen voor ongeveer 30% bij aan de kosten van WAO-hiaatverzekeringen en
voor ongeveer 50% aan de WW
en komen zo rblz.|33|
op totale lasten van €|0,5 miljard. Uit de algemene middelen wordt nog circa €|0,4 miljard
betaald.
3.9.2. Structurele
arbeidsongeschiktheidslasten nieuwe stelsel
In het nieuwe stelsel
zullen de uitkeringslasten van arbeidsongeschikten met €|1,9 miljard
dalen, uitgaande van een uitkeringsniveau van 70% van het laatstverdiende loon
in de IVA. De wettelijke uitkeringslasten dalen met €|1,0 miljard en de
bovenwettelijke uitkeringslasten (WAO-hiaat) dalen met €|0,9
miljard. Het hiaat in de IVA vervalt aangezien deze een permanente
loongerelateerde uitkering van 70% van het oude loon biedt en de WGA biedt voor
voldoende werkenden een permanente loonaanvulling van 70% van het oude loon
naar rato van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Voor de IVA wordt
gerekend met een opslag in verband met sociale werkgeverslasten en
uitvoeringskosten van 22% (vanwege het ontbreken van reïntegratiekosten)
en voor de WGA, waar de reïntegratiekosten geconcentreerd zullen
worden, wordt gerekend met een opslag van 30%. Voor de nieuwe regelingen
worden de volgende structurele uitkeringslasten (in constante prijzen)
geraamd. Bij de verdeling van deze lasten over werkgevers en werknemers
wordt eerst bekeken wat er gebeurt als de lijn van de huidige WAO wordt doorgetrokken en IVA en WGA beide volledig
door werkgevers worden
gefinancierd.
Tabel. Structurele
lasten en financieringswijze Wet
WIA
als de WGA volledig door werkgevers
wordt gefinancierd (in miljard euro):
| Onderdeelxxxxxxxxxxxx |
Uitkeringslasten |
Totale lasten |
Aandeel
werkgevers |
Aandeel
werknemers |
Algemene
middelen |
| IVA |
5,3v |
v6,4 |
6,4 |
x |
x |
| WGA |
1,9v |
v2,5 |
2,5 |
x |
x |
| WW
(<35%) |
0,15 |
v0,2 |
0,1 |
0,1 |
x |
| Wwb (<35%)/TW |
0,45 |
v0,5 |
x |
x |
v0,5 |
| Totaal |
7,8v |
12,2 |
9,0 |
0,1 |
v0,5 |
| Besparing
t.o.v.
WAO |
1,9v |
v2,6 |
2,3 |
0,4 |
–0,1 |
De totale structurele
lasten in het nieuwe stelsel komen daarmee uit op €|9,6 miljard, een
daling van €|2,6 miljard. Met name de werkgeverslasten zullen in de structurele
situatie lager zijn dan nu het geval is. De totale lasten van IVA en WGA
zijn €|1,4 miljard lager dan die van de WAO. De kosten van private
verzekering van het WAO-hiaat ter waarde van €|1,2 miljard vallen volledig
weg (dit scheelt werkgevers €|0,85 miljard en werknemers €|0,35 miljard). Over
de verdeling van de WGA-lasten over werkgevers en werknemers is in het sociaal akkoord van november 2004 overeengekomen
dat het kabinet een
akkoord in de STAR ten aanzien van de verdeling van de
WGA-lasten tussen werkgevers en werknemers zal overnemen.
Op individueel niveau van
werkgever en werknemer kunnen met name de WGA-lasten verschillend uitpakken. De totale lasten van de WGA (uitkeringslasten,
uitvoeringskosten en
reïntegratiekosten) lopen op tot circa €|2,5 miljard. Om deze lasten
te dekken, is een premieniveau van bijna 1,5% van de premieplichtige loonsom noodzakelijk.
Circa twee derde van de
WGA-lasten betreft het deel waarvoor werkgevers eigenrisicodrager kunnen
worden. Om deze lasten te dekken, is een premieniveau van bijna 1%
noodzakelijk. In het kader van het gelijk speelveld is door middel van
premieopslagen bewerkstelligd dat de publieke en de private premie beiden
gemiddeld ongeveer op dit niveau zullen liggen. In dit wetsvoorstel wordt
voorgesteld dat, analoog aan de Pemba, de rblz.|34|
maximumpremie voor grote
werkgevers in de WGA gelijk zal zijn aan vier keer de gemiddelde
premie, dus bijna 4% voor het eigenrisicodeel.
Circa een derde van de
WGA-lasten betreft voorts het collectief gefinancierde deel. Om deze lasten te
dekken, is op termijn een premieniveau van circa 0,5% noodzakelijk.
De totale WGA-premie voor een hoogrisicobedrijf bedraagt dus circa 4,5%.
Voor een bedrijf met een nulrisico zal de WGA-premie op termijn circa 0,5% bedragen.
3.9.3. Samenvatting
financiële gevolgen Wet WIA en IWIA
De besparingen van de
aanscherping van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de Wet
WIA
ten opzichte van de WAO
zoals die was vóór de aanscherping van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten kunnen
op verschillende manieren gepresenteerd worden. In de Wet
WIA
ligt de focus op besparingen op de uitkeringen, in de IWIA
ligt de focus
op het totaal inclusief sociale werkgeverslasten, uitvoeringskosten en
reïntegratie, omdat dat bepalend is voor de premies. De besparingen op het
totaal zijn groter dan de besparingen op de uitkeringen, omdat de sociale
werkgeverslasten evenredig aan de uitkeringslasten dalen en omdat ook
besparingen op uitvoeringskosten plaatsvinden. Ook kan de Wet
WIA
sec
beschouwd worden, zonder rekening te houden met gevolgen voor WW,
TW en Wwb, of in brede zin door wel rekening te houden met deze
zogenaamde weglekeffecten. Ten slotte kunnen ook de besparingen op de
momenteel bovenwettelijke hiaatuitkeringen mee in beschouwing worden
genomen om een totaalbeeld van de uitkerings- en van [van de uitkeringen
van, red.] arbeidsongeschikten
te verkrijgen.
Onderstaande tabel geeft
een overzicht.
Tabel. Samenvatting
besparing aanscherping
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en Wet
WIA
ten opzichte van WAO
(in
miljard euro):
Uit de tabel blijkt dat
de uitkeringslasten van de Wet
WIA
met aangescherpt
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten structureel €|1,1 miljard lager zijn dan de uitkeringslasten van de
oude WAO. Als rekening wordt gehouden met weglek naar
WW,
Toeslagenwet en bijstand, wordt de besparing iets lager, circa €|1,0 miljard.
Aangezien het wetsvoorstel WIA in tegenstelling tot de WAO geen vervolguitkering
kent, zal het WAO-hiaat vervallen. Daarmee is in de raming van de
wettelijke lasten rekening gehouden. De bovenwettelijke uitkeringslasten van het
WAO-hiaat, ter waarde van €|0,9 miljard, vallen daarom
volledig weg. Op de totale wettelijke en bovenwettelijke uitkeringslasten wordt
circa €|1,9 miljard bespaard. Dit laatste bedrag vertaalt zich in
een daling van werkgevers- en werknemerspremies van circa €|2,6 miljard
als ook rekening wordt gehouden met de daling van sociale
werkgeverslasten en uitvoeringskosten. Hierbij speelt het wegvallen van de hoge
uitvoeringskosten van private hiaatverzekeringen een belangrijke rol.
Circa twee derde van die €|1,9 miljard komt overigens voor rekening van de aangescherpte
keuringspraktijk en circa een derde voor rekening van de overige elementen van
de Wet WIA
(met name afschaffing laagste twee klassen en
incentivestructuur WGA).
Er is in de bovenstaande
tabel gerekend met een uitkeringsniveau van 70% in de IVA. Als in
2007 besloten wordt tot verhoging van de IVA-uitkering tot 75% en tot
afschaffing van de Pemba in de IVA, dan dalen de besparingen op de uitkeringen met €|0,5 miljard tot €|1,4 miljard.
rblz.|35|
4. Reïntegratie-instrumenten
4.1. Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten
4.1.1. Algemeen
In het wetsvoorstel
Wet WIA
staat reïntegratie van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer centraal. Om
dit karakter te onderstrepen, worden in dat wetsvoorstel
instrumenten opgenomen ter bevordering van het behoud van werk en de
terugkeer naar werk van de werknemer. Thans zijn diverse instrumenten ter
bevordering van reïntegratie van mensen met beperkingen als gevolg
van ziekte of handicap opgenomen in de Wet
Rea. De Wet Rea
is ingevoerd
met ingang van 1 juli 1998. Sindsdien zijn er diverse veranderingen opgetreden waardoor een afzonderlijke wet voor
de arbeidsgehandicapten
niet meer correspondeert met de gewijzigde situatie. Hieronder
worden vier belangrijke veranderingen genoemd.
a. Nieuwe rolverdeling
tussen sociale partners enerzijds en overheid anderzijds
Er zijn diverse wetten
ingevoerd die hebben geleid tot wijziging van de verantwoordelijkheid van
de werkgevers en werknemers ten opzichte van de overheid. Zo zijn met
de invoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet
SUWI), de Wet verbetering poortwachter (Wvp) en de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij
ziekte 2003 (Wvlz 2003) de
verantwoordelijkheden voor werkgever en werknemer met betrekking tot
reïntegratie nader vormgegeven. Ook is de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) alsmede het reïntegratie-instrumentarium
voor zelfstandigen in de Wet
Rea afgeschaft. Door deze ontwikkelingen
zijn de verantwoordelijkheden en de bijpassende financiering opnieuw
geregeld. De Wet Rea
correspondeert niet meer met deze nieuwe structuur.
b. Deregulering en
vereenvoudiging van het instrumentarium
De laatste jaren is een
groot aantal voorstellen gedaan ter vereenvoudiging en deregulering van de
Wet
Rea. Er is een aantal specifieke instrumenten vervallen en
gestroomlijnd. Het gaat hier bijvoorbeeld om de vervanging van de
plaatsingsbudgetten door een premiekorting en meerkostenregeling (Belastingplan
2002 V - Socialezekerheidswetgeving, Stb. 2001, 644), de
afschaffing van de subsidie voor reïntegratie door werkgevers in het tweede
spoor (Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte
2003, Stb.
2003, 555) en de afschaffing van de reïntegratie-uitkering
bij scholing en proefplaatsing (Wet van 23 december 2004 tot wijziging van
enkele socialeverzekeringswetten en enige andere wetten in verband met het
aanbrengen van enige vereenvoudigingen, Stb. 2004, 728).
c. De toetreding van
verzekeraars in het stelsel van arbeidsongeschiktheidsregelingen
Om een
"level playing field" voor het UWV en verzekeraars te creëren, is het noodzakelijk dat de
reïntegratietrajecten voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten geheel uit de WGA-premie
gefinancierd worden. Op dit moment worden de trajecten voor WAO-gerechtigden uit het Reïntegratiefonds, geregeld in de
Wet
Rea, gefinancierd. De trajecten voor gedeeltelijk
arbeidsgeschikten vormen
de grootste post in het Rea-budget. Als gevolg van het creëren van het
level playing field wordt het voornaamste bestanddeel uit de Wet Rea
en het Reïntegratiefonds gehaald.
d. Gegevens over het
gebruik en de effectiviteit van het Rea-instrumentarium
Tot slot zijn gegevens
bekend geworden over het gebruik van de diverse rblz.|36|
instrumenten en de
effectiviteit ervan die aanleiding zijn tot andere vormgeving of afschaffing van
bepaalde instrumenten. Zo is bijvoorbeeld gebleken dat het
instrument van loondispensatie naar verhouding weinig wordt ingezet voor
gedeeltelijk arbeidsgeschikten (maar met name voor
uitkeringsgerechtigden op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(hierna: Wajong). Tevens is het Rea-instrument quotumplicht nooit
geëffectueerd.
In het licht van deze
ontwikkelingen is de functie van de Wet
Rea achterhaald. Er is aanleiding voor een
nieuwe invulling en positionering van het instrumentarium voor
mensen met een handicap. Met de invoering van de Wet
WIA
en de IWIA wordt daarin voor de gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers een samenhangend instrumentarium tot stand
gebracht. Voor personen
die niet tot deze doelgroep behoren, wordt in andere wetten ruimte
geboden. Daarmee wordt voortgebouwd op de ontwikkelingen waarbij instrumenten zijn gestroomlijnd en vereenvoudigd
en verbeterd. De
verantwoordelijkheden, de doelgroepen en het beschikbare instrumentarium met de
bijbehorende financiering zijn daarmee opnieuw geregeld. De Wet Rea
correspondeert niet meer met deze nieuwe structuur, zodat
de daarin nog geregelde instrumenten, voor zover noodzakelijk voor
reïntegratie, op een passende plaats in de desbetreffende wetten worden
ondergebracht.
Hierna zal in
paragraaf 4.1.2 worden ingegaan op de ontwikkelingen in andere
wetten en de
consequenties daarvan voor de Wet
Rea. In
paragraaf 4.1.3 worden de
bepalingen behandeld die kunnen verdwijnen op basis van recentere
gegevens over het gebruik van het instrumentarium en de effectiviteit. Tot
slot wordt ingegaan op het reïntegratie-instrumentarium voor personen met een
medische handicap die na de inwerkingtreding van de Wet
WIA
geen
aanspraak kunnen maken op een uitkering op grond van die
wet, maar
wel gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn. Aan het slot van dit hoofdstuk worden
in een tabel de veranderingen gepresenteerd.
4.1.2. Ontwikkelingen in
andere wetten
Inleiding
In deze paragraaf wordt
aangegeven welke ontwikkelingen zich hebben voorgedaan in de verschillende
wetten met betrekking tot de reïntegratie van personen met een
arbeidshandicap. Tevens wordt voor de verschillende instrumenten in de Wet
Rea besproken wat de gevolgen van die ontwikkelingen zijn voor
die instrumenten.
De Wet Rea
was bedoeld om
de regelingen met betrekking tot de reïntegratie van personen met een arbeidshandicap te bundelen. Sindsdien zijn
echter in toenemende mate
ook buiten de Wet Rea
regelingen ter bevordering van de reïntegratie van
deze personen opgenomen. Deze regelingen hebben soms een regeling
in de Wet Rea
vervangen en zijn soms een aanvulling op de
regelingen in de Wet Rea. In andere gevallen maken ze regelingen in de Wet
Rea
overbodig of is daarnaast behoud van een regeling in de Wet Rea
niet voor de hand liggend. Gelet op de ontwikkelingen in andere wetten en de
samenhang met hetgeen in de Wet Rea
is geregeld, is bezien wat
de verhouding is tussen de regelingen en is nagegaan waar een bepaald
onderwerp logischerwijs het beste kan worden geregeld.
De Wet SUWI en de Wwb
In de
Wet SUWI en de
Wwb zijn de verantwoordelijkheden van het UWV, de
Centrale organisatie
werk en inkomen (CWI) en gemeenten geregeld. Ingevolge de Wet
SUWI heeft het UWV tot taak te bevorderen dat personen die een
uitkering ontvangen op grond van één van de wetten
rblz.|37|
die door het UWV worden
uitgevoerd, worden ingeschakeld in het arbeidsproces. De
invulling van deze taak wordt verricht door een reïntegratiebedrijf
krachtens overeenkomst met het UWV, nadat een transparante en toetsbare aanbestedingsprocedure is gevolgd.
Met betrekking tot de
werkzoekenden die zijn geregistreerd bij de CWI kent de Wet SUWI
taken
toe aan de CWI op het gebied van beoordeling van kansen op de
arbeidsmarkt en advisering over de verbetering van de mogelijkheden tot
inschakeling op de arbeidsmarkt.
De Wwb legt de gemeenten
de taak op om personen die algemene bijstand ontvangen te
ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en de daarvoor noodzakelijke
voorzieningen te bepalen en aan te bieden. De Wet SUWI
verplicht het
UWV, de CWI en gemeenten met elkaar samen te werken bij de bevordering
van de inschakeling van werkzoekenden en uitkeringsgerechtigden in
het arbeidsproces.
Gevolgen van de Wet SUWI
voor de Wet Rea
(artikel 10 en 14
Wet
Rea, artikel 44 Wet
Rea)
In de
Wet SUWI is in
algemene zin de verantwoordelijkheid van het UWV
opgenomen voor
inschakeling in het arbeidsproces van personen die aanspraak hebben op
uitkering ingevolge de socialeverzekeringswetten. Het is niet nodig om
daarnaast een afzonderlijke regeling in de Wet
Rea van de
verantwoordelijkheid van het UWV voor de reïntegratie van arbeidsgehandicapten en
de inschakeling van een reïntegratiebedrijf te behouden. Deze kan worden
opgenomen in de Wet SUWI. Met de opname van deze specifieke
uitwerking in de Wet SUWI wordt een aparte regeling in de Wet Rea
overbodig.
Daarnaast is de
verplichting tot samenwerking tussen het UWV, de
CWI en de gemeenten al in de Wet
SUWI is opgenomen. Daarom is de noodzaak voor een regeling
daaromtrent in de Wet
Rea (artikel
14) komen te vervallen.
Op grond van
artikel 44,
tweede lid, van de Wet
Rea kan het UWV subsidie verstrekken aan
instellingen en organisaties die ten doel hebben het nemen of bevorderen
van maatregelen die strekken tot behoud, herstel of bevordering
van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. In de Wet
SUWI is onder
meer als taak van het UWV opgenomen het in opdracht van de minister
of uit eigen beweging verrichten van onderzoek met betrekking tot de
wettelijke taken van het instituut (artikel 30, eerste lid, onderdeel j,
Wet SUWI). Voor onderzoeken en andere activiteiten ter verbetering van de eigen
werkzaamheden kan het UWV middelen inzetten die worden gefinancierd
uit de uitvoeringskosten van het UWV. Hiervoor is geen subsidiebevoegdheid op grond van een specifieke wettelijke bepaling
in de Wet
Rea noodzakelijk. Over het voor de uitvoering beschikbare budget worden door het
ministerie van SZW en het UWV jaarlijks afspraken gemaakt in het
kader van de jaarplancyclus.
Het subsidie-instrument
in artikel 44, tweede lid, van de Wet
Rea is geschikt om in te haken
op en een stimulans te geven aan actuele politieke en maatschappelijke
ontwikkelingen op het gebied van sociale zekerheid. Het gaat hier niet om
werkzaamheden van het UWV ter bevordering van de mogelijkheid tot
het verrichten van arbeid die, in de lijn van de Wet SUWI, worden opgedragen
aan private partijen die (mede) op basis van resultaat worden
gefinancierd. De ontwikkeling van methodieken en instrumenten en het doen
van onderzoek daarnaar zijn dan ook activiteiten die door de private
partijen opgepakt zullen worden en in beginsel wordt daarvoor geen
overheidssubsidie beschikbaar gesteld. Het betreft projecten die niet door
het UWV of de minister zijn geïnitieerd en die zich bewegen op zowel het
beleidsterrein van UWV als de aanpalende beleidsterreinen (bijvoorbeeld het
snijvlak van de curatieve sector en de sociale zekerheid). Deze
subsidiemogelijkheid sluit aan bij de taak van het UWV rblz.|38|
die in de Wet SUWI is
opgenomen en een subsidiemogelijkheid wordt daarom behouden en in de Wet
SUWI opgenomen.
Gevolgen van de Wwb voor
de Wet Rea
(artikel 12 Wet
Rea)
In de
Wwb is de
verantwoordelijkheid van de gemeenten voor de arbeidsinschakeling geregeld van
personen die
aanspraak hebben op een uitkering vanwege de gemeente, dan
wel geen uitkering ontvangen. De gemeente moet de
voorzieningen verstrekken ter bevordering van de mogelijkheid arbeid te
verrichten. Op grond van de Wet
Rea is de gemeente verantwoordelijk
voor de reïntegratie van mensen met een uitkering van de gemeente
en van werkzoekenden zonder uitkering. Deze verantwoordelijkheid
strekt zich alleen uit tot arbeidsgehandicapten. De inhoud van de bepaling in
de Wet Rea
over de reïntegratie van personen met aanspraak op
uitkering ingevolge de Wwb dan wel de andere in dat artikel van genoemde
wetten is al onderdeel van de desbetreffende wetten. Daarmee kan de
regeling in de Wet Rea
vervallen.
Wvp, Wvlz 2003 en Wet
WIA
Sinds invoering van de
Wvp en de Wvlz 2003 zijn in de
WAO
en het Burgerlijk
Wetboek (BW) de
verplichtingen van de werkgever met betrekking tot reïntegratie uitgebreid
beschreven. In het wetsvoorstel WIA
worden deze regelingen doorgetrokken.
Zo is met de Wvp en de Wvlz 2003 geregeld dat de werkgever verplicht is om het loon van de zieke werknemer gedurende een periode van twee
jaar door te betalen.
Gedurende deze periode van loondoorbetaling en voor zolang daarna de
dienstbetrekking voortduurt, heeft de werkgever een reïntegratietaak.
Daarnaast zijn in de WAO de verplichtingen van de werkgever en de werknemer
met betrekking tot reïntegratie uitgebreid beschreven. Dit wordt in
het wetsvoorstel WIA voortgezet. De werkgever moet in overeenstemming
met de werknemer een plan van aanpak opstellen, de voortgang
periodiek en aan het eind van het eerste ziektejaar evalueren en een
reïntegratieverslag opstellen. Dit verslag wordt bij de aanvraag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan het UWV
verstrekt. Ook in het BW zijn
bepalingen voor de werkgever opgenomen, namelijk: de werkgever moet
maatregelen treffen en voorschriften geven opdat de werknemer die in verband
met ongeschiktheid tengevolge van ziekte verhinderd is de bedongen
arbeid te verrichten in staat wordt gesteld de eigen of andere passende
arbeid te verrichten. Zo nodig bevordert de werkgever de inschakeling
van de werknemer in arbeid bij een andere werkgever.
Evenals in hiervoor
genoemde wetten zijn in de Wet
Rea tevens bepalingen opgenomen betreffende de
verplichtingen van werkgevers. Zo is geregeld dat de werkgever
ten aanzien van de werknemer die de bedongen arbeid niet meer
kan verrichten door ziekte de inschakeling in arbeid in het eigen
bedrijf en, zo nodig, in arbeid in het bedrijf van een andere werkgever
bevordert. Daarnaast is in de Wet Rea
geregeld dat de werkgever de nodige
maatregelen treft tot behoud of herstel of ter bevordering van de mogelijkheden tot
het verrichten van arbeid door de werknemer. Aanvullend worden
regelingen gegeven in de Wet Rea
met betrekking tot de inschakeling van
een arbodienst en de mogelijke verlenging van de reïntegratietaak
na afloop van de dienstbetrekking en de aanvulling van het
reïntegratieverslag. Met dit wetsvoorstel worden de regelingen ter zake opgenomen in het
BW, de WAO
en de Wet
WIA.
Gevolgen van de Wvp/Wvlz 2003 voor de Wet
Rea
(artikel 8 van de Wet
Rea)
Hetgeen in de
Wet Rea
is
geregeld ten aanzien van de verplichtingen van de werkgever kent een
overlap met hetgeen in het BW
wordt geregeld. De regeling in de Wet Rea
kan daarom vervallen. Voor zover in de Wet Rea rblz.|39|
aanvullend regelingen
worden gegeven met betrekking tot de inschakeling van een arbodienst en de
mogelijke verlenging van de reïntegratietaak na afloop van de
dienstbetrekking en de aanvulling van het reïntegratieverslag,
zijn hierover regelingen getroffen in de WAO. Wat betreft de
verantwoordelijkheid van de werkgever na de invoering van de Wet
WIA
geldt hetgeen
hierover is opgenomen in de Wet
WIA.
Gevolgen van het
wetsvoorstel WIA voor de Wet Rea: loonaanvulling in plaats van loon- en inkomenssuppletie
(artikel 29 en 32
Wet Rea)
Het wetsvoorstel
WIA
brengt een geheel nieuw stelsel van uitkeringsverstrekking aan personen die geheel
of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn. Het wetsvoorstel
WIA biedt in de eerste plaats een loonaanvulling aan de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemer die in voldoende mate in arbeid hervat. Deze
loonaanvulling is het belangrijkste reïntegratie-instrument voor de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemer. Daarmee wordt een sterke
stimulans geboden tot werkhervatting.
In de Wet
Rea was een
tijdelijke loon- respectievelijk inkomenssuppletie geregeld voor de arbeidsgehandicapte die arbeid als werknemer
aanvaardde of arbeid als
zelfstandige verrichtte waarin hij minder verdiende dan zijn bij
een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling vastgestelde theoretische resterende
verdiencapaciteit. Het wetsvoorstel WIA voorziet voor degenen die
onder de doelgroep van die wet vallen in een nieuwe
loonaanvullingsregeling. Op grond van deze regeling heeft de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemer die in voldoende mate hervat in arbeid aanspraak op een
aanvulling op het loon.
Vanaf 29 december 2005
kunnen alleen degenen die onder de Wet
WIA
vallen aanspraak maken
op een loonaanvulling uit die wet. Voor degenen die recht hebben op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ,
Wajong en WAO
zal de
loon- en inkomenssuppletie uit de Wet
Rea worden opgenomen in de betreffende wetten. Deze regeling geeft een
tijdelijke en aflopende
suppletie op de inkomsten uit arbeid voor degenen die in werk hervatten
waarin ze hun verdiencapaciteit (nog) niet ten volle kunnen realiseren. De
bepalingen in de Wet Rea
over de loon- en inkomenssuppletie kunnen
daarom komen te vervallen. Recht op tijdelijke inkomens-/loonsuppletie
blijft behouden voor iedereen met recht op een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering die gaat werken en in die
arbeid minder verdient
dan hij volgens de theoretisch vastgestelde verdiencapaciteit kan
verdienen. Eveneens wordt de suppletie verstrekt aan personen waarvan bij
gelegenheid van de eenmalige herbeoordelingsoperatie de arbeidsongeschiktheidsuitkering volledig wordt ingetrokken
en die binnen vijf jaar
na intrekking in werk hervatten waarin ze minder verdienen dan
waartoe ze in staat zijn geacht bij de herbeoordeling.
WAZ
Met ingang van 1 augustus
2004 is de toegang tot de verzekering van de WAZ
beëindigd. Dit heeft
gevolgen voor de bepalingen voor reïntegratieondersteuning aan zelfstandigen in de
Wet Rea.
Gevolgen van de Wet einde
toegang verzekering WAZ voor de Wet Rea: verstrekking van
instrumenten voor gevestigde zelfstandigen (artikel
22, 28 Wet
Rea)
In de
Wet Rea
is de
bevoegdheid voor het UWV opgenomen om voorzieningen te verstrekken op de
arbeidsplaats voor het verrichten van arbeid als zelfstandige door
personen die gehandicapt zijn en verzekerd zijn op grond van de WAZ.
Door de invoering van de
Wet einde toegang verzekering WAZ wordt de verzekering voor de WAZ
beperkt tot degenen die vóór inwerkingtreding van die wet
arbeidsongeschikt waren. Als gevolg hiervan is in de Wet Rea rblz.|40|
de bevoegdheid tot
verstrekking van de genoemde voorzieningen alleen nog van toepassing op personen die een uitkering ontvangen op grond
van de WAZ. Gezien de
beperking tot deze doelgroep is ervoor gekozen om de regeling tot
verstrekking van voorzieningen voor deze personen geen onderdeel meer te
laten zijn van de Wet Rea, maar onder te brengen in de WAZ. Onderdeel van
de verstrekking van voorzieningen kon zijn een tijdelijke toelage bij
inkomstenderving als gevolg van de verstrekking. Omdat van die
mogelijkheid slechts incidenteel gebruik is gemaakt en de betrokkene al inkomsten
heeft uit de WAZ-uitkering, wordt de verstrekking van die toelage niet
gehandhaafd.
Gevolgen
Arbeidsomstandighedenwet 1998 voor de Wet Rea: de verplichting tot
aanpassing van een arbeidsplaats aan een arbeidsgehandicapte (artikel 9 Wet
Rea)
Op grond van
artikel 9
van de Wet
Rea is de werkgever verplicht de arbeidsplaats van de arbeidsgehandicapte werknemer en de inrichting
van zijn onderneming aan
te passen voor zover dit nodig is in verband met de handicap van de
werknemer. De Arbeidsinspectie kan zo nodig een eis stellen aan de werkgever
over de wijze van naleving van deze verplichting.
Naar haar aard hoort deze
verplichting van de werkgever bij de verplichtingen die zijn opgenomen in de
Arbeidsomstandighedenwet
1998. In die
wet wordt, zoals gemeld,
de verantwoordelijkheid van de werkgever voor gezondheid, welzijn en
veiligheid van de werknemer geregeld en daarmee de plicht om te zorgen
voor daarvoor geschikte arbeidsomstandigheden en de verplichting tot
verzuimbegeleiding van zieke werknemers. Daarbij hoort ook de verplichting
van de werkgever tot specifieke aanpassing van de arbeidsplaats en
arbeidsomstandigheden indien er sprake is van een handicap van een
werknemer. Voorts zijn in die wet de instrumenten opgenomen die de
Arbeidsinspectie kan gebruiken bij haar toezichthoudende taak. In dit wettelijke
kader past ook de plicht van de werkgever tot aanpassing van de
arbeidsplaats aan de handicap van zijn werknemer en de bevoegdheid van de
Arbeidsinspectie om hieraan eisen te stellen. Om die reden wordt de
aanpassingsverplichting opgenomen in een nieuw artikel 3a van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 en kan de bepaling in
de Wet Rea
vervallen.
Wet kinderopvang
Op 1 januari 2005 is de
Wet kinderopvang (Stb. 2004, 455) in werking getreden.
Die wet heeft
gevolgen gehad voor het bepaalde in de Wet
Rea betreffende de
kinderopvang.
Gevolgen Wet kinderopvang
voor de Wet Rea
(artikel 22a Wet
Rea)
In de
Wet Rea
was een
bepaling opgenomen dat het UWV kinderopvang kan vergoeden ten behoeve
van arbeidsgehandicapten aan wie een reïntegratievoorziening
als bedoeld in die wet is toegekend. Het gaat dan om personen voor wie het
UWV werkzaamheden laat verrichten gericht op bevordering van
inschakeling in het arbeidsproces of aan wie een voorziening is toegekend
of die werkzaamheden verrichten op een proefplaats. Daarnaast kan ook aan de
werkgever die vervolgens de arbeidsgehandicapte werknemer in dienst
neemt tijdelijk een tegemoetkoming in de kosten van
kinderopvang worden gegeven. De Wet
kinderopvang geeft een regeling voor
werknemers in verband met opvang van kinderen. Tevens is in die
wet voorzien in een tegemoetkoming van het Rijk voor personen die deelnemen
aan reïntegratie. Met inwerkingtreding van de Wet kinderopvang is met
ingang van 1 januari 2005 de specifieke regeling in de Wet Rea
voor
financiering van kinderopvang in verband met reïntegratie komen te vervallen.
rblz.|41|
Wet maatschappelijke
ondersteuning
In verband met de
modernisering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) wordt onder meer
de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ontwikkeld, waarin,
naast andere regelingen, onderdelen van de diensten uit de AWBZ
worden ondergebracht. Het pakket onderwijsvoorzieningen op grond van de Wet
Rea (hulpmiddelen, vervoer en doventolken) sluit daarop
aan.
Gevolgen Wmo voor de Wet Rea: onderwijsverantwoordelijkheid en
Rea-onderwijsvoorzieningen
(artikel 11 Wet
Rea)
Op grond van de
Wet Rea
wordt thans nog een deel van de individuele voorzieningen verstrekt
in verband met een handicap voor leerlingen in het regulier onderwijs
(in de vorm van hulpmiddelen, vervoer en doventolk). Daarnaast worden
voorzieningen voor het maken van huiswerk voor leerlingen in het
speciaal onderwijs op grond van de Wet Rea
verstrekt. Met de brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(OCW)
van 19 december
2003 (Kamerstukken II 2003-2004, 24 578, nr. 60) is aan de Tweede
Kamer het voornemen gemeld om de hulpmiddelenverstrekking over te dragen van
SZW
naar OCW. Niet langer zal de verantwoordelijkheid voor de verstrekking op
de Wet Rea
worden gebaseerd, maar zal deze verantwoordelijkheid worden overgeheveld naar het
beleidsterrein van het ministerie van OCW. Bij de overheveling worden de ontwikkelingen rond de
Wmo betrokken. Rekening houdende met de mogelijkheid dat de
uitwerking van dit voornemen niet zal zijn gerealiseerd vóór inwerkingtreding
van de Wet
WIA, wordt de verantwoordelijkheid tijdelijk ondergebracht
in dit wetsvoorstel. Over het tijdstip van overheveling en de wijze waarop dit
zal geschieden, vindt nog overleg plaats tussen de ministeries van SZW, OCW en
VWS.
Daarbij wordt ook de besluitvorming van de
Tweede Kamer naar aanleiding van de "invoeringsnotitie overheveling
Rea-onderwijsvoorzieningen" betrokken. Tijdens het
algemeen overleg
"Werkend perspectief" van 2 februari 2005 met de Vaste
Commissies van
SZW,
OCW en VWS is afgesproken dat deze gezamenlijk door OCW en SZW op te
stellen notitie in het najaar van 2005 aan de Tweede Kamer verstuurd zal
worden. De Tweede Kamer kan zich dan een oordeel vormen of er
voldoende waarborgen zijn voor een zorgvuldige overdracht en wat een
reële invoeringsdatum is.
4.1.3. Aanpassingen
reïntegratie-instrumentarium op basis van het gebruik
Gelijk loon en
loondispensatie (artikel 7 Wet
Rea)
Werknemers hebben recht
op een geldelijke beloning conform de bij hun functie horende
CAO-schaal of het met de werkgever overeengekomen loon en ten minste het
wettelijk minimumloon. Dit loon moet gelijk zijn aan het loon dat een
werknemer zonder handicap in een gelijkwaardige functie pleegt te
verdienen. Het UWV kan op grond van de Wet
Rea aan een werkgever ontheffing
verlenen van deze verplichting indien de werknemer als gevolg van ziekte of
gebrek een duidelijk geringere prestatie levert dan de
arbeidsprestatie die in de functie als normaal wordt beschouwd.
Loondispensatie is voor
werkende jonggehandicapten een zeer geregeld gebruikt instrument (4%),
terwijl het onder andere werkenden nauwelijks voorkomt (0,27%). Het
aantal jonggehandicapten dat werkt met loondispensatie is 541 en daarmee 0,4%
van de personen met een WAO-uitkering (541 op
138 176 personen)
en 4% ten opzichte van het aantal werkende jonggehandicapten
(541 op 13 000 personen).
Het aantal overige
personen dat werkt met loondispensatie is 591. Dit is slechts 0,08% van de
personen met een WAO-uitkering (591 op 786 000 rblz.|42|
personen) en slechts
0,27% van het aantal werkenden met een WAO-uitkering (591 op 220
000 personen).
Vooral voor Wajong-ers is
de loondispensatie, die de werkgever ontheft van de verplichting om
ten minste het wettelijk minimumloon te betalen, daarom een nuttig
instrument. Door toepassing van de loondispensatie komen functies voor deze
personen beschikbaar die zonder dit instrument niet toegankelijk zouden
zijn geweest. Immers zonder dit instrument zou slechts arbeid in het
kader van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) in beeld komen. In dit
wetsvoorstel wordt geregeld dat de regeling inzake de loondispensatie alleen
nog voor Wajong-gerechtigden wordt ingezet via opname van een regeling
in de Wajong. Gedurende de loondoorbetalingsperiode heeft de werkgever een
reïntegratieplicht en moet de werkgever ten minste 70% van het loon doorbetalen en in het eerste jaar
ten minste het wettelijk
minimumloon. Indien de zieke werknemer in het tweede jaar onder het
voor hem geldende minimumloon komt, kan een toeslag worden betaald op
grond van de TW. Indien de werknemer na afloop van de
loondoorbetalingsperiode gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, moet de werkgever hem in
een passende functie herplaatsen met een passende beloning voor
zover dat in redelijkheid van de werkgever is te vergen. Partijen bij de
CAO’s kunnen hierover zo nodig bepalingen in de CAO opnemen, waardoor de
arbeidsmarkt toegankelijk blijft voor de werknemer. Indien in het kader van
reïntegratie van een zieke werknemer een specifieke functie is
gecreëerd voor de werknemer, dienen de werkgever en de werknemer samen
binnen het kader van de CAO te komen tot een maatwerkoplossing met
betrekking tot de loonvaststelling. Overheidsinterventie door middel van
loondispensatie voor reguliere in de CAO beschreven functies
wordt hierbij niet meer als passend gezien. Hiermee wordt aangesloten bij het
advies van de SER
"Werken aan arbeidsgeschiktheid" (publicatienummer 02/05, blz. 157). De regeling over loondispensatie in de
Wet
Rea komt
hiermee te vervallen.
Publieke financiering Rea-scholingsinstituten met name gericht op
Wajong-gerechtigden (artikel 44 Wet
Rea)
Bij de invoering van de
Wet Rea
werd in die wet een nieuwe, als overgangsregeling beoogde
wijze van financiering van door de minister aangewezen
scholingsinstituten getroffen. Op basis van de wet werden vijf
Rea-scholingsinstituten aangewezen en werd jaarlijks aan die instituten
een basissubsidie
verstrekt. Daarnaast werd per cursist een subsidie gegeven.
In 2003 zijn de
scholingsinstituten geëvalueerd en is het evaluatierapport bij brief
van 6 oktober
2003 aan de Tweede Kamer aangeboden. In de brief aan de Tweede Kamer van
25 juni 2004 (Kamerstukken II 2003-2004, 29 461, nr. 6) is medegedeeld dat
een nieuwe financieringsstructuur wordt ingericht. In 2005 wordt in
afwachting van de definitieve besluitvorming over de toekomstige
financieringssystematiek vooralsnog de oude financieringsstructuur gecontinueerd. Uit het
onderzoek blijkt dat er ook andere instellingen dan de aangewezen scholingsinstituten zijn die scholing en
reïntegratie voor
personen met een handicap kunnen verzorgen. Voor personen die vanuit
arbeid zijn uitgevallen en niet volledig duurzaam arbeidsongeschikt zijn,
kan op de reïntegratiemarkt ondersteuning bij reïntegratie worden
ingezet, waarbij scholing onderdeel kan zijn van het ingekochte
reïntegratietraject. Daarom is het niet nodig nog een specifieke financiering te
handhaven
voor scholingsinstituten voor deze doelgroep. Voor personen met een Wajong-uitkering kan dit anders liggen. Deze personen hebben nog niet
of nauwelijks de kans gehad om op de arbeidsmarkt werkzaam te zijn. Vooral
voor degenen onder hen met ernstige, al dan niet meervoudige handicaps zal het niet zeker zijn dat op de reïntegratiemarkt
voldoende mogelijkheden tot scholing ten behoeve van rblz.|43|
reïntegratie zullen
worden aangeboden. Om die reden zal een bijzondere financiering van scholing
voor deze groep worden gehandhaafd.
In de nieuwe
financieringsstructuur - waarvan de ingangsdatum nog zal worden vastgesteld
- zal de scholing van
Wajong-gerechtigden publiek worden gefinancierd. Voor
de overige personen - met een grote afstand tot de arbeidsmarkt - voor wie deze vorm van scholing noodzakelijk is, kan deze worden verstrekt
in het kader van een reïntegratietraject. De aanbestedingsprocedure
zal door het UWV
zodanig worden ingericht dat daarbinnen de
mogelijkheid wordt geboden voor degenen die dit behoeven van
scholingsvoorzieningen als nu door de Rea-scholingsinstituten
worden aangeboden
gebruik te maken. Deze scholing kan zowel worden gegeven door de
thans bekende Rea-scholingsinstituten als door andere
scholingsinstellingen. Er zal een overgangsperiode worden gehanteerd om te voorkomen dat de
expertise van de scholingsinstituten verloren zou gaan door
wijziging in de financieringssystematiek. Deze periode kan doorlopen tot
na inwerkingtreding van het wetsvoorstel WIA. De desbetreffende
regeling wordt daarom vooralsnog opgenomen in de IWIA.
Persoonlijke
ondersteuning (jong)gehandicapten Wet Rea
(artikel 31 Wet
Rea)
De Wet Rea
biedt
mogelijkheden tot subsidiëring van langdurige en intensieve begeleiding van een
arbeidsgehandicapte werknemer, aangeduid als "persoonlijke
ondersteuning"
of ook wel jobcoaching of begeleid werken. Hiervan wordt door circa 3700 personen gebruik
gemaakt.¹
Uit informatie van het UWV
is gebleken dat deze vorm van intensieve begeleiding vrijwel
uitsluitend wordt gebruikt door (verstandelijk) gehandicapten met een
Wajong-uitkering.
In een aantal gevallen betreft het dan personen die tevens
met loondispensatie werkzaam zijn bij een reguliere werkgever. In de nieuwe
arbeidsongeschiktheidswetgeving zal het begeleid
werken, zoals
dat voorheen mogelijk was op grond van de Wet Rea,
openstaan voor de
doelgroep die voornamelijk gebruik maakt van deze regeling, dus mensen met een
Wajong-uitkering.
Voor personen die niet
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, is er bij de schatting van
uitgegaan dat zij in staat zijn om zonder specifieke ondersteuning bij een
werkgever werkzaam te zijn. Voor zover in de aanvang van de
werkzaamheden enige ondersteuning nodig is, kan die geboden worden in de
laatste fase van en als onderdeel van het reïntegratietraject en
is geen aparte wettelijke regeling nodig in de wet. In de Wsw is voor degenen
die daarvoor zijn geïndiceerd door de CWI (voorheen de
indicatiecommissie van de gemeente) een soortgelijke faciliteit opgenomen, te weten het
begeleid werken Wsw. Bij de in gang gezette modernisering van de Wsw
vormt bevordering van de inzet van het instrument begeleid werken Wsw een centraal uitgangspunt. Dit is onderdeel van de tweede fase
modernisering.
De Commissie Het Werkend
Perspectief heeft ervoor gepleit om na te gaan welke knelpunten er
in de praktijk voorkomen bij het naast elkaar bestaan van de twee
regelingen en welke er zullen ontstaan als beide regelingen worden
gestroomlijnd vanuit één van de regelingen. Vooralsnog zullen daarom beide
regelingen worden voortgezet. De wettelijke regeling over
persoonlijke ondersteuning in de Wet Rea
wordt daartoe opgenomen in de Wajong
en
de bepaling in de Wet Rea
komt daarmee te vervallen.
1. UWV: Kroniek sociale verzekeringen
2004, tabel 6.5: cijfer over
2003.
Quotumplicht (artikel 5
Wet
Rea)
De Wet Rea
bevat de
mogelijkheid om werkgevers te verplichten ten minste een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen aantal arbeidsgehandicapten in dienst te hebben. Deze
bepaling is in de Wet Rea
overgenomen uit de in 1986 ingevoerde
Wet arbeid gehandicapte
werknemers rblz.|44|
(Wagw). Tot op heden is
er geen algemene maatregel van bestuur getroffen waarmee deze
verplichting is geëffectueerd.
De regering is van mening
dat een dergelijke algemene quotumverplichting geen geschikt en
noodzakelijk instrument is om toegang tot de arbeidsmarkt voor
gedeeltelijk arbeidsgeschikten te bevorderen. Met het wetsvoorstel WIA
en
andere wetten, zoals de Arbeidsomstandighedenwet
1998 en de Wet gelijke
behandeling chronisch zieken en gehandicapten, is gekozen voor een
samenstel van verplichtingen en van faciliteiten voor werkgevers waarmee
het in dienst houden en nemen van werknemers met een
handicap wordt bevorderd. In het BW, het wetsvoorstel WIA en de Wfsv
is ook
voorzien in invoering van prikkels in financiële zin voor de werkgever,
zoals loondoorbetalingsplicht bij ziekte en de doorbelasting van kosten
van arbeidsongeschiktheid. Het opnemen van een verplichting voor
werkgevers om ten minste een bepaald aantal werknemers met een handicap
[in dienst te hebben, red.] in de
vorm van een quotumregeling naast deze regelingen acht de regering niet langer opportuun. Feitelijke invoering van
een quotumplicht zou
daarnaast leiden tot hoge administratieve lasten voor werkgevers en
uitvoeringskosten voor de organisatie die belast is met toezicht op naleving
en handhaving.
Uit een onderzoek uit
2003 van de Organisation for economic co-operation and development (OECD),
Transforming disability into ability, blijkt dat slechts een beperkt
aantal landen een quotumplicht hanteren. In die landen wordt een andere
systematiek van reïntegratie-instrumenten gebruikt dan in
Nederland. Nederland heeft afgezien van het opleggen van een quotumplicht en
heeft gekozen voor een ander instrumentarium. In plaats van een
quotumplicht worden instrumenten ingezet zoals een gedifferentieerde premieheffing en specifieke reïntegratieverplichtingen
zoals hiervoor
omschreven.
De regering ziet, mede
gezien dit onderzoek, geen voordeel in het opleggen van een
quotumplicht boven het systeem van het verbod van discriminatie, het
opleggen van specifieke plichten en het bieden van diverse faciliteiten aan
werkgevers.
4.1.4. Andere doelgroepen
voor reïntegratie
In de
Wet Rea
staat het
begrip "arbeidsgehandicapte"
centraal. Personen kunnen op twee manieren
als zodanig worden aangemerkt:
1. van rechtswege:
personen die aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO,
Wajong, WAZ) of in
de Wsw werkzaam zijn (geweest) of een
voorziening hebben (gehad), verkrijgen automatisch de status van
arbeidsgehandicapte;
2. door
indicatiestelling: ook overige personen met een handicap (die bijvoorbeeld in de
loondoorbetalingsperiode zitten of die afkomstig zijn uit bijvoorbeeld de
bijstand) kunnen deze status verkrijgen met behulp van de "checklist"
van het Arbeidsgehandicaptebesluit.
Degenen die deze status
hebben verkregen, behouden deze na intrekking van de Wet Rea
krachtens
de bepalingen van het overgangsrecht.
Met betrekking tot het
verkrijgen van de status voor aanspraak op instrumenten in het nieuwe stelsel
zijn twee vragen relevant. Ten eerste: op basis van welke criteria
wordt de indicatiestelling uitgevoerd. Ten tweede: door welke instantie
wordt de indicatiestelling uitgevoerd. Dit wordt hieronder toegelicht.
Criteria voor
indicatiestelling
De huidige
indicatiestelling houdt in dat een persoon de status van arbeidsgehandicapte
verkrijgt indien hij een handicap heeft die belemmeringen geeft bij de toegang tot
arbeid of het verrichten van arbeid. Hierbij rblz.|45|
is hij wat betreft de
ernst van de gevolgen voor zijn toegang tot de arbeidsmarkt en tot het
verrichten van arbeid gelijkgesteld met personen met een
arbeidsongeschiktheidspercentage van 15%.
Deze persoon wordt, wat
betreft beschikbaarstelling van de reïntegratie-instrumenten no-riskpolis en
premiekorting, op één lijn gesteld met een persoon met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, dus met een arbeidsongeschiktheidspercentage
van minimaal 15%. Indien
de persoon de status van
arbeidsgehandicapte krijgt toegewezen, kan hij aanspraak maken op een aantal
voorzieningen, zowel in als ná de loondoorbetalingsperiode.
In het kader van het
wetsvoorstel WIA
is het percentage dat kwalificeert om in aanmerking te komen
voor een uitkering of loonaanvulling ten minste 35%. De wet gaat
er, in navolging van het SER-advies,¹ van
uit dat er slechts sprake is van
verminderde arbeidsgeschiktheid indien er substantiële
belemmeringen zijn, tot uitdrukking komend in een arbeidsongeschiktheid van ten minste 35%. Bij
een lager arbeidsongeschiktheidspercentage ligt de
verantwoordelijkheid voor reïntegratie van de werknemer op het niveau van de
arbeidsorganisatie. Bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van ten
minste 35% maakt
de gedeeltelijk arbeidsgeschikte aanspraak op een
uitkering. Deze inzichten zijn verwerkt in het wetsvoorstel WIA.
1. Werken aan
arbeidsgeschiktheid, publicatienummer 02/05.
Bij de vormgeving van het
reïntegratiebeleid is aansluiting gezocht bij deze inzichten. Dit
betekent dat overheidsmiddelen voor reïntegratie in de vorm van een no-riskpolis
en premiekorting alleen beschikbaar zijn indien de mate van de
handicap zodanig is dat er substantiële belemmeringen optreden in het functioneren. Dit betekent dat ook het criterium
voor de vaststelling voor
welke personen buiten de Wet
WIA
met een vergelijkbare ernst van de handicap
deze instrumenten zullen worden ingezet, zal worden aangepast. Voor de
indicatiestelling zullen heldere, objectief bepaalbare criteria
worden ontwikkeld.
Dit heeft als
consequentie dat bepaalde groepen die nu nog in aanmerking komen voor de
voorzieningen (personen met een arbeidsongeschiktheidspercentage beneden de 35%),
behoudens toepassing van het overgangsrecht, dat straks niet meer
doen.
Instantie die
indicatiestelling uitvoert
Zoals gezegd, kunnen ook
personen die niet voor een WGA-uitkering in aanmerking komen,
geconfronteerd zijn met een substantiële handicap. Het gaat dan met name om
mensen met een uitkering op grond van de Wwb. Om ook de werkgevers
die deze mensen in dienst nemen een financiële stimulans (in
de zin van een premiekorting en een no-riskpolis) te kunnen bieden, moet
een indicatie van de arbeidsgeschiktheid worden gedaan. In de huidige
situatie wordt die uitgevoerd door gemeenten. De gemeente bepaalt daarmee
zelf of haar cliënten in aanmerking komen voor instrumenten,
waarvan zij niet de kosten draagt. Gezien de aard van de indicatiestelling en
de gewenste uniformiteit, onafhankelijkheid en deskundigheid wordt de indicatiestelling ondergebracht bij een centrale
organisatie, de CWI. De
cliënt is doorgaans al bekend bij de CWI als werkzoekende en de indicatiestelling
sluit daarmee aan bij de beoordeling van de afstand tot de arbeidsmarkt door de CWI. De regeling hierover wordt
opgenomen in de Ziektewet
(ZW) en de Wfsv.
rblz.|46|
4.2. Wijzigingen in de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
4.2.1. Instrumenten voor
de Wajong voor (re)integratie, algemeen
Een belangrijke doelgroep
voor reïntegratie-inspanningen zijn de Wajong-uitkeringsgerechtigden.
Een deel van deze personen vindt met behulp van passende
reïntegratieondersteuning en de inzet van verschillende voorzieningen toegang tot
de arbeidsmarkt. Gezien de specifieke kenmerken van de Wajong-doelgroep zal deze categorie personen veelal meer problemen ontmoeten
bij het vinden van werk dan gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
Daardoor zal een reïntegratietraject op weg naar werk uit andere of meer
intensieve activiteiten kunnen bestaan. Beoogd wordt om jaarlijks 2000 extra
reïntegratietrajecten aan te bieden en daarmee 600 tot 800 meer Wajong-ers
aan het werk te krijgen.
Voor een deel van de
doelgroep zal arbeid onder beschermende omstandigheden gevonden moeten worden
zoals in het kader van de Wsw. Tot slot zal er een groep
zijn waarbij niet toegang tot productieve arbeid, maar toegang tot
maatschappelijke participatie centraal zal staan. Dit is voor degenen die duurzaam geen
verdiencapaciteit zullen kunnen ontwikkelen. Activiteiten voor deze
personen zullen gericht zijn op een passende activerende omgeving en worden
mogelijk gemaakt krachtens de Welzijnswet
1994 (en vanaf 2007 [1 juli
2006, red.] de Wet
maatschappelijke ondersteuning).
Hierna wordt ingegaan op
degenen voor wie arbeid tot de mogelijkheden behoort of kan gaan
behoren. Aandacht wordt besteed aan een drietal situaties waarin de Wajong-gerechtigde verkeert of kan verkeren. Ten eerste de situatie
tijdens de schoolperiode, vervolgens de situatie dat er een overstap van school
naar werk wordt gemaakt en tot slot de situatie dat de stap van
werkloosheid naar werk aan de orde is.
4.2.2. Op school /
Wet
maatschappelijke ondersteuning
Voor degenen met een
handicap worden vanuit het beleidsveld van het ministerie van OCW onderwijsfaciliteiten
geboden die het mogelijk
maken om onderwijs te
volgen als voorbereiding op participatie in de maatschappij. De scholen
worden aangepast aan de handicap en voor extra ondersteuning bij
het onderwijs kan in het primaire onderwijs voor gehandicapte leerlingen
een beroep worden gedaan op leerlinggebonden financiering. Voor de
leerlingen met een ernstige handicap is er speciaal onderwijs en kan ook
gebruik worden gemaakt van het praktijkonderwijs.
Een deel van de
individuele voorzieningen in verband met een handicap voor leerlingen in het
regulier onderwijs, in de vorm van hulpmiddelen, vervoer en doventolk,
worden thans nog verstrekt op grond van de Wet
Rea. Daarnaast worden
voorzieningen voor het maken van huiswerk voor leerlingen in het
speciaal onderwijs op grond van de Wet Rea
verstrekt. In paragraaf 4.1.2 is
ingegaan op het voornemen om de verantwoordelijkheid voor de verstrekking van
deze voorzieningen over te hevelen naar het beleidsterrein van het ministerie van
OCW, waarmee de betreffende regeling in de Wet Rea
komt te
vervallen. Bij de overheveling zullen ontwikkelingen in de Wet
maatschappelijke ondersteuning (Wmo) worden betrokken.
4.2.3. Van school naar
werk / interdepartementale agenda
Leerlingen die van school
komen, moeten op een passende wijze kunnen participeren in de
maatschappij. Hiertoe moet er een vloeiende overgang zijn van school naar
werk. Dit wordt zowel onderkend door het ministerie van SZW als het
ministerie van OCW. De Wet
Rea voorziet in mogelijkheden rblz.|47|
tot ondersteuning
van jonggehandicapten bij de toegang tot werk. Voor de overgang zijn
extra middelen beschikbaar gekomen via het amendement-Verburg (Kamerstukken
II 2002-2003, 28 600 XV, nr. 39) op de begroting voor de Wajong. Met
behulp van deze middelen zal vanuit de Wajong extra geld worden
ingezet voor leerlingen die recht hebben op Wajong-uitkering en die
in verband met hun handicap extra begeleiding nodig hebben bij toegang
tot arbeid. Het beleid inzake de verantwoordelijkheden voor de participatie op
school en in de maatschappij, in het bijzonder in werk, wordt
door de betrokken ministers met elkaar afgestemd.
Voor leerlingen met een Wajong-uitkering, voor wie op instellingen voor speciaal onderwijs
respectievelijk op instellingen voor regulier onderwijs onvoldoende mogelijkheden
zijn tot het volgen van beroepsonderwijs dat rekening kan houden met
de beperkingen van de leerling, wordt voorzien in een
financieringsstructuur voor het volgen van scholing. Verwezen wordt naar hetgeen
hierover is opgemerkt in paragraaf 4.1.3 over Rea-scholingsinstituten.
Hierdoor is de toegang
tot arbeid geborgd voor personen met een Wajong-uitkering voor wie
uitzicht bestaat op ontwikkeling van capaciteiten waarmee ze toegang
krijgen tot de reguliere arbeidsmarkt.
4.2.4. Van werkloosheid
naar werk
Trajecten
Voor een deel van de
personen met een Wajong-uitkering zijn er mogelijkheden om arbeid te verrichten.
Dit kan arbeid zijn onder beschermende omstandigheden zoals
binnen een dienstbetrekking op grond van de Wsw
of een arbeidsplaats bij
een reguliere werkgever onder beschermende en bijzondere omstandigheden en met begeleiding.
Voor een aantal Wajong-gerechtigden zal toegang tot reguliere arbeid mogelijk zijn zonder de
hiervoor bedoelde beschermende omstandigheden en begeleiding bij het
werk. Voor deze personen kan een reïntegratietraject worden ingezet door het
UWV. Duidelijk is wel dat bij reïntegratie van personen met een
Wajong-uitkering ten opzichte van andere
gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemers extra maatregelen noodzakelijk kunnen zijn om toegang
tot werk te realiseren.
Bij de inzet van
reïntegratietrajecten voor Wajong-gerechtigden zal door het UWV
bijzondere
aandacht worden besteed aan de kwaliteit en deskundigheid van de
reïntegratiebedrijven die zullen worden gecontracteerd. De inzet van de
dienstverlening ten behoeve van reïntegratie wordt met dit wetsvoorstel
opgenomen in
de Wajong en de Wet SUWI en wordt afgestemd op de grote belemmeringen
die er kunnen zijn bij de toegang tot en het verrichten van arbeid
Behoud van uitkering
tijdens werken
Voor degene die vanuit
een Wajong-uitkering aan het werk gaat, bestaat thans de mogelijkheid dat
het recht op uitkering nog gedurende ten hoogste drie jaar wordt
voortgezet, waarbij de inkomsten uit de arbeid dan in mindering worden
gebracht op de uitbetaling. Na afloop van deze periode van ten hoogste
drie jaar wordt de betrokkene geschat op de inkomsten uit arbeid.
De regering heeft ervoor
gekozen om deze periode van herleving te verlengen tot standaard
vijf jaar. Het UWV hoeft dus binnen vijf jaar niet te beoordelen of de arbeid
passend is. Gedurende deze periode wordt het loon in mindering
gebracht op de uitkering. De Wajong wordt hiertoe via dit wetsvoorstel
aangepast.
Het spreekt voor zich dat
het recht op uitkering ook na vijf jaar voortduurt in gevallen waarin de
werknemer niet in staat is met arbeid in een reguliere rblz.|48|
dienstbetrekking
ten minste het wettelijk minimumloon te verdienen. Dit is het
geval als de werknemer werkt in het kader van een dienstbetrekking op grond
van de Wsw, dan wel indien hij werkt onder toepassing van
loondispensatie. Ook duurt het recht voort indien hij is aangewezen op begeleid
werken in het kader van de Wsw of van de
Wajong.
Persoonlijke
ondersteuning (begeleid werken) Wajong
De Wet Rea
biedt in
artikel 31 mogelijkheden tot subsidiëring van langdurige en intensieve begeleiding
van een arbeidsgehandicapte werknemer, in die wet aangeduid als "persoonlijke
ondersteuning"
en ook wel bekend onder de benamingen
jobcoaching of begeleid werken. Deze vorm van intensieve begeleiding
wordt voornamelijk gebruikt door verstandelijk gehandicapten met een Wajong-uitkering. De subsidie wordt verleend voor een aantal werkuren
tegen een door het UWV vastgesteld tarief per uur. In beginsel is de omvang in het eerste jaar niet meer dan 15%, het
tweede jaar 7,5% en het
derde en volgende jaren niet meer dan 6% van het aantal werkuren. Van
dit instrument wordt op jaarbasis gemiddeld door circa 3800 personen gebruik gemaakt. Daarbij gaat het in vrijwel alle
gevallen om personen met
een uitkering op grond van de Wajong. In veel gevallen betreft het
dan personen die tevens met toepassing van loondispensatie werkzaam
zijn bij een reguliere werkgever.
In de Wsw is voor degenen
die daarvoor zijn geïndiceerd door de CWI (voorheen de
indicatiecommissie van de gemeente) een soortgelijke faciliteit opgenomen, te
weten het begeleid werken Wsw. Bij de in gang gezette modernisering van
de Wsw vormt bevordering van de inzet van het instrument begeleid werken Wsw een centraal uitgangspunt. Dit is onderdeel van de tweede
fase modernisering.
Het begeleid werken,
zoals dat voorheen mogelijk was op grond van de Wet
Rea, wordt beter
toegesneden op de groepen mensen die gebruik maken van deze
begeleiding. Het begeleid werken blijft open staan voor mensen met een
Wajong-uitkering. Vooralsnog wordt het begeleid werken, zoals dat was
geregeld in de Wet Rea, met
dit wetsvoorstel opgenomen in de Wajong. Met de
beide vormen van begeleid werken zal nadere ervaring worden
opgedaan.
Loondispensatie onder het wettelijk minimumloon
Werknemers met een
handicap hebben recht op dezelfde beloning als werknemers zonder
handicap of ziekte die werkzaam zijn in dezelfde functie. Dit geldt
uiteraard ook voor werknemers die vanuit een Wajong-uitkering aan het werk gaan bij een
reguliere werkgever. Indien de Wajong-gerechtigde
toegang wil krijgen tot de reguliere arbeidsmarkt, zal hij ten minste het
wettelijk minimumloon
moeten kunnen verdienen. Is hij daartoe niet in
staat, dan zal hij aangewezen zijn op arbeid in het kader van de Wsw.
Wil men de Wajong-gerechtigde die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen toch een
plaats geven op de reguliere arbeidsmarkt, dan zal ontheffing moeten
worden verleend aan de werkgever van de verplichting om ten
minste het wettelijk minimumloon te betalen. Het UWV
kan op grond van de Wet
Rea aan een werkgever ontheffing verlenen van deze
verplichting indien de werknemer als gevolg van ziekte of gebrek een duidelijk
geringere prestatie levert dan de arbeidsprestatie die in de functie als
normaal wordt beschouwd. Bij personen met een Wajong-uitkering wordt
daarbij het loon op een lager bedrag gesteld dan het wettelijk
minimumloon. Het instrument van de loondispensatie is een belangrijk
instrument voor Wajong-gerechtigden om toegang te krijgen tot de reguliere
arbeidsmarkt en om de beperkte arbeidscapaciteiten te benutten. Daarmee kan
de werkgever de loonkosten in overeenstemming brengen met de
productiviteit van de werknemer. Door toepassing van de loondispensatie
komen functies voor deze personen rblz.|49|
beschikbaar die zonder
dit instrument niet toegankelijk zouden zijn geweest. Immers indien
dit instrument niet toepasbaar zou zijn, zou slechts arbeid in het
kader van de Wsw in beeld komen.
Het instrument van de
loondispensatie wordt daarom met dit voorstel door opneming in de
Wajong gehandhaafd voor Wajong-gerechtigden die als gevolg van hun
handicap niet in staat zijn in hun functie ten minste het wettelijk
minimumloon te verdienen. Indien de werknemer in een bepaalde functie een
prestatie levert die duidelijk minder is dan gebruikelijk en zelfs zodanig geringer
dat de waarde minder is dan het voor hem geldende wettelijk
minimumloon, kan aan de werkgever ontheffing worden verleend van de verplichting ten minste het voor de werknemer
geldende wettelijk
minimumloon te betalen.
Voor de Wajong-gerechtigde is het ook aantrekkelijk om werk te aanvaarden tegen minder
dan het voor hem geldende wettelijk minimumloon. De Wajong-uitkering wordt
zodanig vastgesteld dat de som van het loon en de
uitkering gelijk is aan het loon dat geldt voor de functie zonder toepassing van de
loondispensatie. De som van het loon en de uitkering kan niet hoger
zijn dan 120% van het wettelijk minimumloon. Het bedrag dat na
werkaanvaarding wordt uitbetaald aan uitkering is echter niet hoger dan het
bedrag dat aan uitkering werd uitbetaald vóór de werkhervatting.
Permanente no-riskpolis voor de werkgever
Het
beeldvormingsonderzoek van de Commissie Het Werkend Perspectief, "Onbekend maakt
onbemind", verschenen op 12 januari 2004, laat zien dat werkgevers de
mogelijke kosten van loondoorbetaling bij ziekte en van de Pemba-opslag als
een risico beschouwen bij het aannemen van een persoon met een
handicap. Ter tegemoetkoming daarin is een no-riskpolis ingevoerd waarmee
aanspraak bestaat op ziekengeld en geen opslag wordt vastgesteld op de
Pemba-premie. De duur van deze dekking bedraagt nu vijf jaar,
waarna in individuele gevallen de mogelijkheid tot verlenging van die duur
bestaat.
Voor personen met een Wajong-uitkering wordt deze periode als kort ervaren. De personen met
een Wajong-uitkering vormen een groep met zeer beperkte kansen op
de arbeidsmarkt. Het is ongewenst dat de beperkte duur van de no-riskpolis
een belemmering vormt voor het continueren van de
arbeidsparticipatie van deze groep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Een
verruiming van de no-riskpolis kan een belangrijke bijdrage leveren aan de
mogelijkheden tot het verkrijgen en behouden van werk voor deze groep.
De regering is daarom van mening dat de duur van de no-riskpolis voor Wajong-gerechtigden niet beperkt moet worden tot
vijf jaar, maar
permanent moet gelden gedurende hun arbeidzame leven. Daarmee zal een
belangrijke drempel voor werkgevers om een persoon die een Wajong-uitkering heeft of heeft gehad in dienst te nemen, worden geslecht. De
regeling hiervoor wordt met dit wetsvoorstel opgenomen in de
Ziektewet.
Financiering van
reïntegratie
De financiering van
activiteiten en instrumenten specifiek voor Wajong-gerechtigden geschiedt rechtstreeks
vanuit het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten (Afj).
Reïntegratiegeld voor werklozen en gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemers en reïntegratiegeld voor de moeilijke doelgroep
Wajong-gerechtigden zijn dan gescheiden. Hiermee zullen de instrumenten
die specifiek voor Wajong-gerechtigden worden ingezet zichtbaar worden
gemaakt. Dit betreft de middelen die ingezet worden voor de overgang
van school naar werk en voor trajecten gericht op integratie in werk en
de in verband daarmee eventueel te maken extra kosten van aanpassingen.
Daarnaast worden de kosten van begeleid werken ten laste van dit
fonds gebracht. De algemene instrumenten die voor alle werknemers met een
handicap kunnen worden ingezet, zoals rblz.|50|
aanpassingen op de
arbeidsplaats, komen ten laste van de fondsen waaruit de uitkeringen op
grond van de Wet
WIA
zullen worden betaald. De financiering wordt in
dit wetsvoorstel geregeld.
Voor wat betreft de
financiering van reïntegratietrajecten in het jaar 2006 wordt verwezen naar
paragraaf 4.3.4.
Voor personen met een
Wajong-uitkering is, zoals uit het voorgaande blijkt, aldus een reeks
instrumenten beschikbaar. Hierna worden deze instrumenten nog kort
samengevat.
Voor degenen die geen
werk hebben, kunnen reïntegratietrajecten worden ingezet gericht op het
verkrijgen van toegang tot de reguliere arbeidsmarkt.
Al tijdens dat traject
kunnen ook materiële voorzieningen worden verstrekt, zoals vervoer
of hulpmiddelen in verband met het volgen van scholing. Indien voor de
scholing bijzondere faciliteiten noodzakelijk zijn, kan scholing aan daartoe
ingerichte scholingsinstelling worden aangeboden.
Ter bevordering van de
overgang naar werk kan een Wajong-gerechtigde eerst in onbetaalde
arbeid met behoud van uitkering aan de slag door middel van
proefplaatsing.
Indien deze persoon in
dienst treedt bij een werkgever, kan deze in aanmerking komen voor een premiekorting en wordt subsidie verleend
voor de kosten van
aanpassingen op de arbeidsplaats of in het bedrijf. Om het risico van
loondoorbetaling bij ziekte weg te nemen, kan gedurende het arbeidsleven van de
Wajong-gerechtigde een beroep worden gedaan op een no-riskpolis die een compensatie biedt voor de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever.
In het algemeen zal de
betrokkene aan de slag gaan in arbeid waarin hij het normale loon, ten
minste het wettelijk minimumloon, kan verdienen. Indien de
Wajong-gerechtigde werknemer echter in een functie op de reguliere arbeidsmarkt
niet in staat is tot een arbeidsprestatie van ten minste het voor hem
geldende wettelijk minimumloon, kan loondispensatie worden verleend. Daarmee
worden de loonkosten aangepast aan de
arbeidsproductiviteit en komen functies op de reguliere arbeidsmarkt beschikbaar. De inkomsten
uit arbeid kunnen worden aangevuld met een suppletie.
Zo nodig kan voor deze
werknemer ook extra ondersteuning op het werk worden verzorgd door
inschakeling van begeleid werken. De Wajong-uitkering wordt bij aanvang van het
werk niet direct ingetrokken of herzien. Het recht op
uitkering blijft gedurende vijf jaar bestaan en in die tijd worden de inkomsten
uit arbeid in mindering gebracht op de uitkering (anticumulatie). Mocht de
werknemer uitvallen, dan komt de uitkering weer tot uitbetaling
indien hij nog arbeidsongeschikt is. Bij voortzetting van de werkzaamheden na
de anticumulatieperiode wordt het recht op de uitkering vastgesteld op
basis van de verdiencapaciteit. Bij uitval nadien voorziet de Wajong al in
ruime mogelijkheden tot terugkeer in het Wajong-recht vóór de werkaanvaarding. Deze mogelijkheden zullen nog
worden verruimd in
verband met toename van de arbeidsongeschiktheid nadat de werkzaamheden
zijn gestaakt.
4.3. Overgangsrecht Wet
Rea
4.3.1. Status
arbeidsgehandicapte op grond van Wet Rea
Personen die op grond van
de wetgeving zoals die gold vóór de intrekking van de Wet
Rea de status
van arbeidsgehandicapte hebben verkregen, behouden deze status
conform de voorwaarden in de Wet Rea, zolang ze aan de voorwaarden voor
de status conform de Wet Rea
voldoen. Dat wil rblz.|51|
zeggen dat ze aanspraak kunnen blijven maken op het
reïntegratie-instrumentarium.
Uitgangspunt bij de WAO
is behoud van de bestaande uitkeringsrechten. Voor de intrekking van de
Wet Rea
geldt dat de status van arbeidsgehandicapte ontleend aan die wet
behouden blijft. Bij behoud van deze status kan bij indiensttreding
aanspraak bestaan op no-riskpolis en premiekorting. De volgende situaties
kunnen aan de orde zijn.
Status op basis van WAO-uitkering, eindiging WAO vóór of na intrekking Wet
Rea
Degenen van wie de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd vóór intrekking van de Wet Rea blijven onder toepassing van de Wet
Rea
vanaf dat moment nog vijf
jaar arbeidsgehandicapte.
Het is ook mogelijk dat
na intrekking van de Wet Rea
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO,
WAZ of Wajong wordt ingetrokken door
vermindering van de arbeidsongeschiktheid.
Voor beide situaties, dus
intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vóór of na intrekking
van de Wet Rea, geldt gedurende vijf jaar na het einde van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering nog de aanspraak op het instrumentarium. De
aanspraken in verband met status van arbeidsgehandicapte en de instrumenten zijn
immers gekoppeld aan de aanspraak op WAO- of
andere arbeidsongeschiktheidsuitkering. De wettelijke regeling met betrekking
tot de WAO blijft ook na inwerkingtreding van het wetsvoorstel WIA
van toepassing op de personen die aanspraak hebben op uitkering
ingevolge deze wet [die wet,
red.]. Daarbij past dat ook de daaraan gekoppelde instrumenten
van toepassing blijven. Dit betekent dat de instrumenten no-riskpolis en premiekorting gedurende de periode van vijf jaar na intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van toepassing blijven. Met betrekking
tot de loonsuppletie en inkomenssuppletie wordt geregeld dat deze instrumenten na intrekking van toepassing
blijven
indien de intrekking plaatsvond in het kader van de eenmalige herbeoordelingsoperatie op grond van de
Wet wijziging systematiek herbeoordelingen
arbeidsongeschiktheidswetten.
Status op basis van
indicatie voor de Wsw
Personen die
arbeidsgehandicapte zijn op grond van de indicatie dat ze behoren tot de doelgroep
van de Wsw behouden deze status tot vijf jaar nadat bij indicatie is
vastgesteld dat ze niet meer tot de doelgroep behoren.
Status op basis van een
voorziening
Personen die de status
ontlenen aan een voorziening behouden deze status gedurende de
verstrekking van de voorziening. Indien de voorziening wordt beëindigd, eindigt
de status van arbeidsgehandicapte vijf jaar na beëindiging van de
voorziening.
Status op basis van een
individuele beoordeling
Personen die bij
individuele beoordeling als arbeidsgehandicapte zijn aangemerkt, behouden deze
status gedurende de periode waarvoor de indicatiestelling geldt,
dus vijf jaar na aanvang van die status. Deze periode kan worden
verlengd bij een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige
gezondheidsklachten.
Tabel. Status
arbeidsgehandicapte op grond van de Wet
Rea, doelgroep premiekorting en
no-riskpolis tot inwerkingtreding IWIA:
| Van rechtswege |
| Artikel
2, eerste lid,
onderdeel a, en tweede lid |
Betrokkene is
ten minste 15% arbeidsongeschikt en
heeft WAO-uitkering of ten minste 25% en heeft Wajong- of
WAZ-uitkering
of heeft deze uitkering niet langer dan vijf jaar geleden ontvangen |
| Artikel
2, eerste lid,
onderdeel b |
Betrokkene heeft voorziening voor verrichten van arbeid of
niet langer dan vijf jaar geleden deze gehad |
| Artikel
2, eerste lid,
onderdeel c, d en e |
Betrokkene is geïndiceerd voor de
Wsw:
Wsw-dienstbetrekking of begeleid werken Wsw of heeft niet langer dan vijf jaar
geleden deze indicatie gehad en is niet werkzaam in
Wsw-dienstbetrekking |
| Individuele
indicatiestelling |
| Artikel
2, derde en vierde lid, Arbeidsgehandicaptebesluit |
Persoon niet behorende
tot één van de voorgaande groepen, met individuele indicatiestelling
door UWV of gemeente, gedurende vijf
jaar vanaf indicatiestelling |
rblz.|52|
Tabel. Nieuwe doelgroep
premiekorting en no-riskpolis na inwerkingtreding Wet
WIA:
| Van rechtswege |
| |
Betrokkene is ten minste
35% arbeidsongeschikt en heeft aanspraak op uitkering ingevolge de Wet
WIA,
is ten minste 25%
arbeidsongeschikt en heeft uitkering op grond van de Wajong |
| |
Betrokkene is
geïndiceerd voor de Wsw: Wsw-dienstbetrekking of begeleid werken Wsw,
of heeft niet langer dan vijf jaar
geleden deze indicatie gehad, en is niet werkzaam in
Wsw-dienstbetrekking |
| Individuele
indicatiestelling |
| |
Betrokkene behoort tot
gemeentelijke doelgroep en heeft indicatiestelling door de CWI |
Personen die behoren tot
de doelgroep van de no-riskpolis en premiekorting op grond van de Wet
Rea
blijven in aanmerking komen voor toegang tot die
instrumenten in de periode gedurende welke ze tot de doelgroep worden gerekend
op grond van de voorheen geldende bepalingen van de Wet Rea.
4.3.2. Toekenning
instrumenten vóór inwerkingtreding wetsvoorstel WIA
De betrokkene en diens
werkgever blijven aanspraak houden op instrumenten die waren toegekend vóór
inwerkingtreding van de Wet
WIA. Op aanvragen die zijn
ingediend na inwerkingtreding van de Wet
WIA, waarbij wordt verzocht om
toekenning van een instrument met ingang van een datum vóór
inwerkingtreding van de Wet WIA, zal het nieuwe recht van toepassing
zijn.
Dit betreft de
instrumenten premiekorting, no-riskpolis en arbeidsplaatsvoorzieningen.
Daarnaast betreft het de
instrumenten loondispensatie en begeleid werken. Deze
laatste instrumenten zullen voor personen die niet behoren tot de Wajong-populatie alleen nog ingezet worden voor zover het betreft toekenning
vóór of te honoreren aanvragen vóór inwerkingtreding van de IWIA. Daarna
zijn deze instrumenten, om redenen zoals genoemd in paragraaf
1.3 [paragraaf 4.2, red.],
niet meer van toepassing op degenen die niet behoren tot de Wajong-populatie en die verzekerd zijn voor of
aanspraak hebben op
uitkering ingevolge de Wet WIA.
4.3.3. Toekenning
instrumenten ná inwerkingtreding van het wetsvoorstel WIA
Na inwerkingtreding van
de Wet WIA
is er een passend reïntegratie-instrumentarium. Voor het vergemakkelijken
van de overgang naar werk kan gebruik worden
gemaakt van proefplaatsing, gedurende welke de werkgever nog geen loon
verschuldigd is. Waar nodig kunnen aanpassingen op de arbeidsplaats worden gerealiseerd. Ten behoeve van de
werkgever wordt ter
dekking van het risico van loondoorbetaling tijdens ziekteverzuim aanspraak
gemaakt op no-riskpolis. De no-riskpolis zal ook van toepassing zijn
indien de werkgever een werknemer met een uitkering op grond van de Wet
WIA
in dienst houdt. De werkgever zal voorts aanspraak kunnen maken op
premiekorting indien hij een gedeeltelijk arbeidsgeschikte
werknemer in dienst neemt of in dienst houdt. In de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel WIA is uitgebreid ingegaan op het beschikbare
instrumentarium.
Het nieuwe
instrumentarium in de (Invoeringswet) Wet
WIA
bestaat uit de no-riskpolis, de
premiekorting, arbeidsplaatsvoorzieningen en proefplaatsing. rblz.|53|
Recht op deze
instrumenten kan bestaan voor personen die verzekerd zijn voor de Wet
WIA,
Wajong-gerechtigden en personen die de status van
arbeidsgehandicapte ontlenen aan het oude recht en degenen die een indicatie hebben
na inwerkingtreding van de Wet
WIA. Op de vraag of en in welke
gevallen aanspraak bestaat, zijn de dan voor die instrumenten geldende
bepalingen van toepassing.
Het pakket
arbeidsplaatsvoorzieningen geldt voor reïntegratie in loondienst. In de Wet WIA,
WAZ en WAO
is de mogelijkheid opgenomen regels te stellen op
grond waarvan arbeidsplaatsvoorzieningen kunnen worden verstrekt aan
degenen die als zelfstandige aan het werk gaan.
4.3.3.1. Aanpassing
premiekorting
De huidige premiekorting
vergt een technische aanpassing, omdat deze niet goed past in de premieheffingssystematiek zoals deze wordt voorgesteld
in de Wfsv. De hoogte van
de korting wijzigt niet. In de nieuwe premieheffingssystematiek
berekenen werkgevers zelf welk bedrag aan premies zij verschuldigd zijn en zij doen hiervan aangifte bij de
belastingdienst.
De belastingdienst
controleert vervolgens of werkgevers dit juist hebben gedaan.
De huidige premiekorting
gaat uit van de toekenning van een premiekorting op aanvraag als aan de in
de wet gestelde voorwaarden is voldaan. De wijziging in
dit wetsvoorstel resulteert in een wijziging van de technische vormgeving van
de premiekorting, zodat werkgevers deze premiekorting zelf kunnen
toepassen en kunnen opnemen in de aangifte als aan de in de wet
gestelde voorwaarden is voldaan. Ook in dit geval controleert de belastingdienst of werkgevers dit juist hebben gedaan. Op deze manier wordt
volledig aangesloten op de nieuwe premieheffingssystematiek en worden onnodige
administratieve lasten voorkomen.
4.3.4. Overgang
Reïntegratiefonds
Voorzieningen worden
thans betaald uit het Reïntegratiefonds, gevoed door de arbeidsongeschiktheidsfondsen en het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Het Reïntegratiefonds
zal verdwijnen en voorzieningen zullen worden gefinancierd uit
de arbeidsongeschiktheidsfondsen van de wetten waarin de instrumenten
geregeld zijn.
Het Reïntegratiefonds
wordt niet meteen bij de inwerkingtreding van de Wet
WIA
opgeheven, omdat
toedeling van lopende gevallen (subsidies en trajecten) naar
verschillende fondsen problemen kan opleveren. Wel worden de nieuwe gevallen
in de andere fondsen geregistreerd en nemen de lasten van het Reïntegratiefonds geleidelijk af. Het Reïntegratiefonds
blijft de eerste vier
jaar bestaan. Het voordeel is dat het grootste gedeelte van de lasten in de
overgangsperiode betaald wordt door het Reïntegratiefonds met de daarbij
behorende
financiering van het Reïntegratiefonds (50%
arbeidsongeschiktheidsfondsen, 50% werkloosheidsfondsen). Na die vier jaar zullen de
meeste en grootste verplichtingen (bijvoorbeeld trajecten) betaald zijn
en kan het Reïntegratiefonds worden opgeheven. Alle verplichtingen die
na die vier jaar nog bestaan (bijvoorbeeld vervoersovereenkomsten), zullen ten laste komen
van het Aof. Dit betreft dan vooral lasten van
langlopende voorzieningen.
Het voordeel van
opheffing na enige jaren is dat er niet jarenlang nog aparte verantwoording
moet worden afgelegd over relatief kleine bedragen. Bovendien wordt
zo voorkomen dat er nog lange tijd een fonds blijft bestaan, terwijl de
bijbehorende wet (de Wet
Rea) is opgeheven.
De totale lasten van het
Reïntegratiefonds in 2005 zullen volgens laatste schatting circa €|400
miljoen bedragen. Na een aantal jaren zijn deze lasten dan aanzienlijk
afgenomen en kan het fonds eenvoudiger worden opgeheven.
rblz.|54|
2006: overgangsjaar naar
2007
In het eerste jaar na
invoering van de Wet
WIA
worden de uitkeringen op grond van deze wet [die wet,
red.] gefinancierd uit een landelijke uniforme premie via het Aof. Het UWV
zal in
dat eerste jaar verantwoordelijk zijn voor reïntegratie van personen met een
WGA-uitkering die niet onder verantwoordelijkheid van de eigenrisicodrager
vallen. De kosten van de reïntegratietrajecten onder
verantwoordelijkheid van het UWV worden in dat jaar ook ten laste gebracht van de
uniforme premie en dus van het Aof.
Indien de werkgever
ervoor heeft gekozen eigenrisicodrager te worden,¹ is hij verantwoordelijk
voor de reïntegratie en komen de kosten daarvan voor zijn rekening.
Aangezien het hier een vrije keuze van de werkgever betreft, wordt geen
tegemoetkoming verstrekt vanuit het UWV aan de werkgever.
1. Bedrijven die vóór 29
december 2005 een aanvraag voor eigen risico dragen WGA hebben ingediend, zijn tijdens de periode waarin de aanvraag in
behandeling is verantwoordelijk voor de reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikte
werknemers.
Na het eerste jaar geldt
het volgende.
Het UWV is
verantwoordelijk voor de reïntegratie van de uitkeringsgerechtigden die hun WGA-uitkering
ontvangen van het UWV. De WGA-uitkeringen komen ten laste van de
Werkhervattingskas. De kosten van de reïntegratietrajecten
worden vanaf dat moment ook ten laste van dat fonds gebracht.
De werkgever kan
eigenrisicodrager WGA worden. Indien hij daarvoor kiest, is hij vanaf dat
moment verantwoordelijk voor de reïntegratie van degene aan wie hij de
WGA-uitkering moet betalen. De verantwoordelijkheid van het UWV voor deze
uitkeringsgerechtigden houdt vanaf dat moment op.
Indien de werkgever al in
2006 eigenrisicodrager was, verandert er voor hem in 2007 niets in de verantwoordelijkheid voor reïntegratie. Deze blijft
voortbestaan.
Tabel. Financiering van
instrumenten:
| Bestaande instrumenten |
Wijzigingen |
Fonds/kas |
| Trajecten voor personen
zonder dienstbetrekking en met gemeentelijke
uitkering of zonder uitkering |
Geen |
Fonds werk en
inkomen |
| Trajecten voor personen
verzekerd bij UWV in 2006 |
Wel |
Voorheen Reïntegratiefonds, wordt
Aof |
| Trajecten voor personen
verzekerd bij eigenrisicodrager WGA |
Wel |
Voorheen
Reïntegratiefonds, wordt financiering door
eigenrisicodrager |
| Trajecten voor personen
verzekerd bij UWV (vanaf 2007), waarvoor
niet meer een werkgever verantwoordelijk is |
Geen |
Voorheen
Reïntegratiefonds, wordt financiering uit Whk |
| Kosten van inkoop
reïntegratietraject door aanbesteding door UWV |
Geen |
Voorheen
uitvoeringskosten, wordt Aof |
| Loondispensatie |
Beperking
doelgroep tot Wajong-ers |
Aof jonggehandicapten,
voor zover gevolgen voor uitkeringsrecht |
| Verstrekking materiële
onderwijsvoorzieningen voor initieel onderwijs |
Overheveling
verantwoordelijkheid naar OCW op termijn, macro
geen budgettaire gevolgen |
Voorheen
Reïntegratiefonds, blijft ten laste van Reïntegratiefonds
met basis in IWIA, tot moment van
overheveling aan OCW |
| Toelage bij derving
inkomen door verstrekking voorziening |
Verstrekking toelage
vervalt |
Voorheen Reïntegratiefonds |
| Loon- en
inkomenssuppletie bij inkomen onder resterende
verdiencapaciteit |
Geen, suppletie bij recht
op uitkering en inkomsten onder
verdienvermogen |
Voorheen
Reïntegratiefonds, wordt Aof |
| Arbeidsplaatsvoorzieningen
werknemer |
Voorzieningen worden primair aan de
werknemer verstrekt,
tenzij, gelet op de aard van de verstrekking,
aan de werkgever wordt verstrekt |
Voorheen
Reïntegratiefonds, wordt Aof |
| Persoonsgebonden
reïntegratiebudget voor de arbeidsgehandicapte
(experiment) |
Experiment loopt
vooralsnog door via opname in de IWIA en
wordt na evaluatie eventueel vóór inwerkingtreding van de Wet
WIA
samengevoegd met de bestaande regeling
met betrekking tot inkoop van reïntegratietraject in en krachtens de Wet
SUWI |
Voorheen
Reïntegratiefonds, blijft Reïntegratiefonds tot
afloop experiment |
| Begeleid werken |
Beperking
doelgroep tot Wajong-gerechtigden, intensivering toepassing |
Voorheen
Reïntegratiefonds, wordt Aof jonggehandicapten |
| Starterskrediet |
Geen
wijziging |
Voorheen Reïntegratiefonds, wordt
Aof jonggehandicapten |
| Subsidie door UWV voor
onderzoek |
Geen inhoudelijke wijziging |
Voorheen Reïntegratiefonds, wordt
Aof |
| Subsidie voor
Rea-scholingsinstituten |
Publieke setting voor Wajong, marktwerking voor overige
groepen, overgangsregeling in IWIA |
Aof
jonggehandicapten ten behoeve van Wajong-ers |
| No-riskpolis
Ziektewet |
Beperking doelgroep van ruime groep arbeidsgehandicapten tot
groep gedeeltelijk arbeidsgeschikten,
verruiming tot behoud gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemer in
dienstbetrekking bij eigen werkgever |
Voorheen
Reïntegratiefonds, wordt Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) |
| Premiekorting |
Beperking
doelgroep van ruime groep arbeidsgehandicapten tot
groep gedeeltelijk arbeidsgeschikten |
Voorheen Aof en
AWf,
ongewijzigd |
rblz.|55|
Tabel. Veranderingen met
betrekking tot de Wet
Rea; inhoudelijke wijzigingen:
| Wet
Rea |
Nieuwe wettelijke
regime |
| Behoud met inhoudelijke
wijzigingen of afschaffing |
| Artikel 2 en
3: doelgroep
en indicatiestelling arbeidsgehandicapten;
arbeidsgehandicapten van rechtswege en bij
individuele indicatie door UWV of gemeenten. |
Vervallen van begrip
arbeidsgehandicapte.
De uitvoering van de
indicatiestelling van de doelgroep gemeenten voor no-riskpolis en premiekorting wordt
geregeld in de Wet SUWI.
Artikel
29b Ziektewet,
artikel 49 Wfsv: voor personen die ten
minste 35% arbeidsongeschikt zijn (aanspraak op
uitkering op grond van de Wet WIA of individuele indicatie door
CWI) bestaat aanspraak op no-riskpolis en premiekorting.
Artikel 4.2.3 [39] Wet
WIA: aanspraak op
arbeidsplaatsvoorziening
bij structurele functionele belemmering. |
| Artikel 5 en
6:
quotumplicht voor werkgevers: mogelijke verplichting om
ten minste een bepaald percentage
arbeidsgehandicapten in dienst te hebben (niet
geëffectueerd). |
Geen quotumplicht voor
werkgevers. |
| Artikel
7:
loondispensatie (vermindering aanspraak op loon) bij
duidelijk geringere dan normale productiviteit in
de functie als gevolg van handicap. |
Artikel
50b Wajong:
loondispensatie (vermindering aanspraak op loon tot onder het wettelijk
minimumloon)
voor Wajong-ers bij duidelijk geringere dan normale productiviteit
tot onder het wettelijk
minimumloon in de functie als gevolg van handicap. |
| Artikel
8:
verantwoordelijkheid van werkgever voor reïntegratie in eigen bedrijf of bij andere
werkgever. |
Artikel
658a BW:
verantwoordelijkheid van werkgever voor reïntegratie in eigen
bedrijf of bij andere werkgever
tijdens loondoorbetalingsperiode; in eigen bedrijf na afloop van
loondoorbetalingsperiode. |
| Artikel
11: verstrekking
door UWV van materiële onderwijsvoorzieningen in
het initiële onderwijs. |
Vooralsnog verstrekking
op grond van de IWIA, na overheveling onder verantwoordelijkheid
van het ministerie van OCW, op grond van nader vast te stellen wetgeving. |
| Artikel
22a: kinderopvang
tijdens reïntegratie en na werkaanvaarding. |
Artikel 6
Wet kinderopvang: kinderopvang tijdens reïntegratie, na werkaanvaarding
(reeds gerealiseerd per 1
januari 2005). |
| Artikel 23-27:
reïntegratie-uitkering tijdens scholing ten hoogste twee
jaar, tijdens proefplaatsing ten hoogste zes maanden. |
Artikel 76 en
76a WW:
werkloosheidsuitkering tijdens scholing voor duur van toegekend recht, tijdens proefplaatsing
voor drie maanden (reeds gerealiseerd per 1 januari 2005. |
| Artikel
28: toelage bij
inkomstenderving tijdens treffen van voorziening
voor zelfstandige. |
Geen toelage bij treffen
van voorziening voor zelfstandige. |
| Artikel 29 en
32:
tijdelijke aflopende inkomens- en loonsuppletie bij
verrichten van arbeid met loon onder vastgestelde
resterende verdiencapaciteit. |
Artikel
65c en 65d WAO,
artikel 59a en 59b WAZ,
artikel 50g en 50h
Wajong: tijdelijke aflopende inkomens- en
loonsuppletie bij verrichten van arbeid onder vastgestelde resterende
verdiencapaciteit, mits aanspraak op
uitkering.
Wet WIA:
loonaanvullingsregeling bij arbeid op ten minste 50% van de resterende
verdiencapaciteit. |
| Artikel
31, tweede lid, onderdeel b: persoonlijke
ondersteuning instrument voor alle arbeidsgehandicapte
werknemers. |
Artikel
50f Wajong: persoonlijke
ondersteuning instrument voor Wajong-ers. |
| Artikel
33a: persoonsgebonden reïntegratiebudget voor
werknemer. |
Voortzetting
van persoonsgebonden reïntegratiebudget afhankelijk van
evaluatie individuele reïntegratieovereenkomst en
persoonsgebonden reïntegratiebudget. |
| Artikel 42-43:
financiering reïntegratie uit reïntegratiefonds,
gevoed uit diverse fondsen. |
De financiering van
reïntegratie uit fondsen waaruit uitkeringen worden verstrekt, wordt geregeld in de
Wfsv. |
| Artikel
44, eerste lid, juncto 22:
subsidie voor scholingsinstituten. |
In de
Wajong wordt de
structurele financiering voor scholing voor jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmering geregeld. |
| Artikel
29b Ziektewet: no-riskpolis voor nieuwe
werkgever van
arbeidsgehandicapte werknemer bij uitval binnen vijf jaar,
voor Wajong-er of
Wsw-geïndiceerde bij
uitval. |
Artikel
29b Ziektewet: no-riskpolis ten behoeve van (werkgever van) werknemer met
WIA-uitkering,
Wsw-indicatie of indicatie door CWI op grond van structurele functionele
belemmering voor personen
voor wie B&W van gemeente verantwoordelijk is: bij uitval binnen
vijf jaar na aanvang WIA-uitkering, respectievelijk binnen vijf jaar na aanvang
dienstbetrekking; ten behoeve van Wajong-er
of Wsw-geïndiceerde met begeleid werken bij reguliere werkgever: bij
uitval. |
| Artikel
79b WAO, artikel
82, 82a en 97c
WW: premiekorting voor
werkgever die arbeidsgehandicapte werknemer in dienst neemt
of in dienst houdt van drie
jaar respectievelijk één jaar. |
In de Wfsv wordt de
premiekorting geregeld voor werkgever van werknemer met WIA-uitkering of door CWI geïndiceerde
uit gemeentelijke populatie, bij nieuwe dienstbetrekking drie jaar en bestaande
dienstbetrekking één jaar. |
rblz.|56|
Bovenstaande
veranderingen met betrekking tot de Wet
Rea leiden in veel gevallen tot een
besparing op de lasten. Dit hangt samen met het beperken van de doelgroep. Een
aantal wijzigingen is budgettair neutraal.
De no-riskpolis
is de
enige regeling waarbij zich zowel een opwaarts als een neerwaarts effect
voordoet. Het opwaarts effect bestaat uit het vergroten van de
doelgroep van uitsluitend nieuwe dienstverbanden naar nieuwe én bestaande
dienstverbanden. Daarnaast vervalt de vijfjaarbeperking voor (ex-)Wajong-ers.
Anderzijds doet zich een neerwaarts effect voor, omdat voor de no-riskpolis
de doelgroep beperkt wordt van arbeidsgehandicapten naar personen met een
WGA/Wajong
uitkering, Wsw-geïndiceerden en
personen waarvoor gemeente verantwoordelijk is en die indicatie van
de CWI
hebben.
Tabel. Veranderingen met
betrekking tot de Wet
Rea; geen inhoudelijke wijzigingen:
| Wet
Rea |
Nieuwe situatie |
| Regeling elders zonder
inhoudelijke wijziging |
| Artikel
8:
verantwoordelijkheid van werkgever voor reïntegratie in eigen bedrijf of bij
andere werkgever. |
Artikel
7:658a BW:
verantwoordelijkheid van werkgever voor reïntegratie in eigen bedrijf of bij
andere werkgever. |
| Artikel
8: voortduren van verantwoordelijkheid van voormalige
werkgever voor reïntegratie in eigen bedrijf of bij andere
werkgever na einde dienstbetrekking, indien melding aan UWV. |
Artikel
7:658a BW:
verantwoordelijkheid van werkgever voor reïntegratie in eigen bedrijf of bij
andere werkgever na einde dienstbetrekking; verlenging op grond van
WAO in 2006. |
| Artikel
9: verplichting
tot aanpassing arbeidsplaats aan handicap en eis te stellen door Arbeidsinspectie. |
Artikel
3a Arbeidsomstandighedenwet
1998: verplichting tot aanpassing
arbeidsplaats aan
handicap en eis te stellen door Arbeidsinspectie, geregeld in Arbeidsomstandighedenwet
1998. |
| Artikel
10, 13 en 14:
verantwoordelijkheid van het UWV voor reïntegratie van
personen met UWV-uitkering of werknemers voor zover werkgever niet
verantwoordelijk en samenwerking met CWI en gemeenten. |
Artikel 30
Wet SUWI:
verantwoordelijkheid van het UWV voor reïntegratie van personen met UWV-uitkering of werknemers voor zover werkgever niet
verantwoordelijk en
samenwerking met CWI en gemeenten, geregeld in Wet
SUWI. |
| Artikel
12:
verantwoordelijkheid gemeente voor reïntegratie van arbeidsgehandicapte met
gemeentelijke uitkering of zonder uitkering. |
Artikel 7
Wwb (zie ook Ioaw,
Ioaz): verantwoordelijkheid gemeente voor
ondersteuning bij
reïntegratie van arbeidsgehandicapte met gemeentelijke uitkering of zonder
uitkering. |
| Artikel
16: subsidie aan
werkgevers voor arbeidsplaatsvoorziening. |
Artikel 4.2.4
[36] Wet WIA:
subsidie voor werkgevers voor arbeidsplaatsvoorzieningen. |
| Artikel
22: voorzieningen
voor werkzoekenden met uitkering en WAZ-verzekerde
zelfstandigen. |
O.g.v.
artikel 4.2.3 [35] Wet
WIA
kunnen voorzieningen aan niet-werknemers worden verstrekt. |
| Artikel
30: starterskrediet. |
Artikel
4.2.3 [35] Wet WIA, artikel
65e WAO, artikel
50c Wajong, artikel
67c WAZ: mogelijkheden tot
voorzieningen voor start. |
| Artikel 31:
persoonsgebonden (arbeidsplaats)voorzieningen voor
arbeidsgehandicapte werknemers. |
Artikel
4.2.3 [35] Wet WIA:
persoonsgebonden (arbeidsplaats)voorzieningen voor werknemers met
functionele belemmering in de arbeid. |
| Artikel
44, tweede lid:
subsidie voor onderzoek. |
Artikel
30b Wet SUWI: subsidie voor onderzoek
als onderdeel van SUWI-taak. |
Inhoudelijk wijzigen
bovenstaande artikelen niet. Dit betekent dat zich geen financiële effecten
zullen voordoen als gevolg van deze wijzigingen.
rblz.|57|
5. Overige wijzigingen
5.1. Wet
werk en inkomen
naar arbeidsvermogen
In zijn uitvoeringstoets
over het concept-wetsvoorstel WIA
heeft het UWV
aangegeven dat het
wetsvoorstel WIA, zoals dat toen luidde, niet zonder meer in werking kon
treden. Naar aanleiding daarvan heeft overleg plaatsgevonden tussen het ministerie van
SZW en het UWV. Dit overleg heeft geresulteerd in een aanvullende brief van het UWV, waarin het UWV
aangeeft dat het
wetsvoorstel WIA kan worden ingevoerd indien aan een aantal voorwaarden is
voldaan. Eén van deze voorwaarden heeft betrekking op de vaststelling van de
duur van de loongerelateerde uitkering in de WGA. In het
wetsvoorstel WIA is deze duur afhankelijk gesteld van het arbeidsverleden. Tot
2008 kan het UWV dit nog niet uitvoeren. Om die reden wordt de duur van
de loongerelateerde uitkering in de WGA in 2006 en 2007 gerelateerd aan
de leeftijd en niet aan het arbeidsverleden van de betrokkene. Dit leidt tot
vrijwel dezelfde uitkomsten. Zo is de duur hetzelfde als de
betrokkene vanaf (dat wil zeggen met inbegrip van) 1998 ten minste over 52 of
meer dagen per kalenderjaar loon heeft ontvangen.
5.2. Werkloosheidswet
Indien hij aan de
voorwaarden voldoet, heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte na twee jaar ziekte vanaf
29 december 2005 recht op een loongerelateerde uitkering op grond van de
WGA. Bij werkloosheid is de hoogte van deze uitkering
70% van het (gemaximeerde) dagloon. De duur van deze uitkering is,
conform de WW, afhankelijk van het arbeidsverleden van de werknemer.
De vormgeving van de WGA
heeft voor de gedeeltelijk arbeidsgeschikte als voordeel dat hij bij
werkloosheid in deze periode geen beroep hoeft te doen op twee
loondervingsuitkeringen. Omdat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte, zonder nadere regeling,
wel recht zou hebben op zowel WGA als WW, wordt in de WW een uitsluitingsgrond opgenomen voor het
ontvangen van
loongerelateerde WGA-uitkering.
Het voorgaande betekent
niet dat er in het geheel geen samenloop van WGA-uitkering en WW-uitkering kan plaatsvinden.
Allereerst kan hiervan
sprake zijn bij WW-uitkeringen die worden verstrekt tijdens vorstwerkloosheid
of in de situatie dat de werkgever een vergunning heeft verkregen tot
verkorting van de werktijd. Deze uitkeringen worden in de praktijk
beschouwd als loonkostensubsidie voor de werkgever en worden ook veelal via
de werkgever betaald. Indien de werkende gedeeltelijk
arbeidsgeschikte in de loongerelateerde uitkering hierop geen aanspraak zou hebben, zou
hij ofwel minder loon ontvangen, ofwel, indien de werkgever het loon wel
doorbetaalt, duurder voor de werkgever zijn dan een volledig
arbeidsgeschikte. Omdat dit niet wenselijk is, wordt voor deze situaties een
uitzondering gemaakt op de uitsluitingsgrond.
Daarnaast bouwt de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte die in dienstbetrekking werkt in de periode dat
hij recht heeft op loongerelateerde WGA-uitkering (die dan als hoogte heeft
70% van het verschil tussen het dagloon en het met werken verdiende
loon) natuurlijk wel weer recht op WW-uitkering op. Indien de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte uit deze dienstbetrekking werkloos wordt, voor de
loongerelateerde WGA-uitkering de maximale uitkeringsduur heeft bereikt en hij in voldoende weken heeft gewerkt om opnieuw aan de wekeneis
te voldoen, dan heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte ook recht op
WW-uitkering. Het ontvangen van een loongerelateerde WGA-uitkering staat in
een dergelijk geval niet aan het ontvangen van een WW-uitkering in de weg. Om te voorkomen dat de
gedeeltelijk
arbeidsgeschikte aan loongerelateerde WGA-uitkering en WW-uitkering tezamen meer
ontvangt dan 70% van zijn dagloon wordt rblz.|58|
voor deze en de bovenvermelde situatie in lagere regelgeving bepaald dat
het aan de WW-uitkering
ten grondslag liggende loon voor de WGA wordt aangemerkt als opbrengst
van arbeid. Dit betekent dat de WGA-uitkering ongewijzigd blijft
tijdens de periode dat de werknemer WW-uitkering ontvangt. Ook de
(waarschijnlijk zelden voorkomende) samenloop tussen IVA-uitkering en
WW-uitkering zal op vergelijkbare wijze worden geregeld. Ten slotte kan er sprake
zijn van samenloop tussen een WW-uitkering en een WGA-vervolguitkering
of een loonaanvullingsuitkering (indien de werknemer recht op
loonaanvulling krijgt vanwege een gedeeltelijke werkhervatting). In beide gevallen wordt
geen regeling getroffen voor deze samenloop, omdat het
ofwel gaat om inkomsten die al vóór de werkloosheid naast de inkomsten uit
dienstbetrekking werden ontvangen (als vervolguitkering of
loonaanvulling), ofwel om inkomsten die ontvangen worden vanwege een
werkhervatting waardoor de WW-uitkering al gedeeltelijk is
beëindigd.
Een werknemer die minder
dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft geen recht op WGA-uitkering,
maar kan bij werkloosheid, mits aan de voorwaarden is voldaan, een beroep
doen op de WW. Deze werknemer kan een medische
urenbeperking hebben, dat wil zeggen dat hij door ziekte of gebrek niet meer in
dezelfde omvang als voorheen arbeid kan verrichten. Een persoon die
bijvoorbeeld altijd 40 uur werkte en door ziekte nog slechts 30 uur kan
werken, kan minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn en heeft dus geen recht op
een WGA-uitkering.
Zonder nadere regeling
zou deze medische urenbeperking wel negatieve gevolgen hebben voor de
hoogte van zijn WW-uitkering. Deze werknemer kan namelijk slechts
beschikbaar zijn voor arbeid voor minder uren dan hij vroeger werkzaam was. Dit
zou betekenen dat hij ook maar een gedeeltelijk recht op WW-uitkering zou
krijgen (het recht wordt immers gedeeltelijk beëindigd bij
verminderde beschikbaarheid). In het bovenbeschreven voorbeeld zou deze
uitkering 30/40 van 70% van het dagloon bedragen. Dit is ongunstig ten
opzichte van degene die ook minder dan 35% arbeidsongeschikt is, maar wel 40 uur kan
werken (bijvoorbeeld tegen een lager uurloon). Die persoon
krijgt wel 40/40 van 70% van het dagloon. Om te voorkomen dat de
werknemer met een medische urenbeperking slechts recht krijgt op een
gedeeltelijke WW-uitkering wordt de WW aangepast in die zin dat de omvang van
het recht op WW-uitkering van deze werknemer wordt gebaseerd op het
aantal uren dat hij in staat is tot arbeid.
5.3. Bekendmaking status
gedeeltelijk arbeidsgeschikte
Sinds 1998
behoeven aspirant-werknemers met een arbeidshandicap hun status bij een
sollicitatie niet aan de werkgever bekend te maken. Dit uitgangspunt is
vastgelegd in de Wet
op de medische keuringen en de Wet
Rea. Tot dusver is er
echter in de wetgeving niet expliciet aangegeven of aan deze keuzevrijheid
op enig moment een einde komt. In toenemende mate blijkt
behoefte te bestaan om op dit punt met een duidelijke regeling te komen.
De volgende
ontwikkelingen in de afgelopen jaren geven daartoe ook aanleiding.
Allereerst is er door het
College bescherming persoonsgegevens (hierna: CBP) voor gepleit,
laatstelijk in zijn advies over het wetsvoorstel WIA, om op dit punt duidelijkheid
te bieden. De regering heeft daarop aangegeven in het kader van het
onderhavige wetsvoorstel met voorstellen te komen, waardoor aan alle betrokkenen zoveel mogelijk duidelijkheid kan worden
geboden. Hieraan wordt
thans invulling gegeven.
Van belang is voorts dat
de financiële prikkel bij ziekte en arbeidsongeschiktheid voor de werkgever de
afgelopen periode sterk is vergroot. Gewezen kan worden op de
verlenging van de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte tot 104 weken
en het eigen risico dragen c.q. geconfronteerd rblz.|59|
worden met een
premieverhoging bij arbeidsongeschiktheid. In lijn hiermee kan een
werkgever bepaalde financiële voordelen ontlenen aan het feit dat
gedeeltelijk arbeidsgeschikten in het bedrijf werken (no-riskpolis, premiekortingsregeling). Een werkgever kan deze financiële
voordelen niet verkrijgen
wanneer de werknemer zijn status ook na indiensttreding niet
bekend zou maken.
Tot slot is er in de
jurisprudentie de tendens om het belanghebbendebegrip steeds meer uit te
breiden, waardoor niet alleen WAO-besluiten worden bekendgemaakt aan
de werkgever wiens belang rechtstreeks bij het betreffende besluit
is betrokken, zoals de eigenrisicodrager of de werkgever die de Pemba-prikkel
draagt, maar ook aan actuele werkgevers bij wie de werknemer nadien
in dienst is getreden (Centrale Raad van Beroep, 13 februari 2002,
00/6437 WAO,
en Centrale Raad van Beroep, 14 oktober 2003, 02/3408W AO). Hierdoor kan de status van betrokkene via
bekendmaking van
WAO-besluiten thans al vrij snel na indiensttreding bij de werkgever bekend
worden, terwijl de werknemer er bij de sollicitatie voor heeft gekozen dit
niet bekend te maken.
De regering is er zich
terdege van bewust dat het hierbij gaat om een gevoelige materie,
waarbij de belangen zorgvuldig dienen te worden gewogen. Enerzijds is het
belang van de werknemer bij arbeidsdeelname en het belang van diens
privacy in het geding. Anderzijds dient het belang van de werkgever te
worden gewogen, waarbij het vooral gaat om diens financieel belang.
De regering hecht er - na weging van de verschillende belangen
- allereerst aan vast te houden aan
het uitgangspunt dat aspirant-werknemers met een handicap of WAO-verleden niet verplicht zijn de
aspirant-werkgever hierover bij een
sollicitatie te informeren, tenzij bijzondere functie-eisen daartoe nopen. In
deze
fase staat het belang van de werknemer aan arbeidsdeelname en het
privacybelang voorop. De werknemer kan dus op dat moment zelf bepalen
of hij zijn status bekendmaakt of niet.
Na een bepaalde periode
komt er echter een moment waarop ook het belang van de werkgever
bij bekendmaking tot gelding dient te komen. De regering is van mening
dat deze periode twee maanden dient te bedragen. Deze periode
correspondeert met de reguliere proeftijdperiode. De werknemer heeft dan
een dienstverband en in deze periode van twee maanden zijn waarde
kunnen bewijzen. Na deze periode kan de werkgever gebruik maken van
voordelen die verbonden zijn aan het in dienst hebben of houden van een werknemer met een arbeidshandicap: de
no-riskpolis bij ziekte of de
premiekortingsregeling. Bovendien is deze periode, gelet op de huidige praktijk
van bekendmaking van besluiten, een redelijke periode.
De regering kiest ervoor
om deze lijn als volgt uit te werken.
In de Ziektewet
(ZW)
wordt allereerst vastgelegd dat de werknemer die gedeeltelijk
arbeidsgeschikt is, na twee maanden van de nieuwe dienstbetrekking verplicht is de werkgever
desgevraagd te informeren over zijn mogelijke aanspraak op
ziekengeld op grond van artikel 29b ZW
(no-riskpolis). Aan deze wettelijke
verplichting dient gevolg te worden gegeven op een daartoe strekkend
verzoek van de werkgever (in de praktijk zal de arbodienst doorgaans
faciliterend optreden en de uitvraag bij de werknemer namens de werkgever
verrichten). De werkgever zal dus eerst initiatief moeten tonen.
Doet hij dat, dan dient de werknemer zijn werkgever te informeren. De
werknemer behoeft aan de werkgever alleen aan te geven dat hij recht
heeft op de no-riskpolis; over de aard en oorzaak van de (gedeeltelijke)
ongeschiktheid behoeft hij de werkgever niet te informeren.
Voorts wordt
- als
pendant van het voorgaande - in de ZW een voorziening getroffen die
tegemoetkomt aan de positie van de werkgever. Deze rblz.|60|
voorziening maakt het
mogelijk dat de werkgever die later bekend wordt met de mogelijkheid
aanspraak te doen op ziekengeld op grond van artikel 29b
ZW, hierop alsnog
aanspraak kan maken. Het UWV
kan dan met terugwerkende kracht
ziekengeld toekennen, zodat de werkgever niet in zijn financiële belang
wordt geschaad. Deze mogelijkheid is begrensd tot de periode van één jaar
na aanvang van de ziekte van de werknemer.
De werkgever komt alleen
voor deze voorziening in aanmerking wanneer hij de ziekte van de
werknemer zo snel mogelijk bij het UWV meldt, nadat het hem redelijkerwijs
duidelijk kan zijn dat voor de werknemer aanspraak op ziekengeld op grond
van artikel 29b ZW
bestaat. Indien de werknemer al twee maanden in dienst
is en vervolgens ziek wordt, mag van de werkgever gevergd worden dat hij
bij de werknemer informeert naar diens status en is de werknemer
gehouden deze informatie te verstrekken. Ingeval de werknemer
reeds binnen die periode van twee maanden ziek is geworden, kan de
werkgever deze informatie dus eerst na twee maanden dienstverband inwinnen.
Voor de goede orde zij
opgemerkt dat de mogelijkheid om met terugwerkende kracht ziekengeld toe te
kennen sinds enige tijd naar aanleiding van de jurisprudentie bestaat (Centrale Raad van Beroep van 24 september 2002, RSV 2002/288). Het
is vanuit een oogpunt van duidelijkheid gewenst om deze mogelijkheid wettelijk te codificeren als onderdeel van de regeling.
De regering acht het niet
noodzakelijk om inzake de bekendmaking van besluiten ingevolge de arbeidsongeschiktheidsuitkering iets te regelen. De
bovenstaande problematiek
doet zich met name voor bij de ZW en daarvoor is met de geschetste
regeling een oplossing geboden die het de werkgever mogelijk maakt
aanspraak te doen op de no-riskpolis. Bij de arbeidsongeschiktheidswetten
kan de problematiek zich indirect manifesteren, met name wanneer de
betrokken werknemer bij de nieuwe werkgever opnieuw uitvalt. In die
situatie moet sprake zijn van een nieuwe situatie (opnieuw uitval)
en vergt het verwerken van gegevens en het treffen van besluiten
door het UWV doorgaans enige tijd, zodat bekendmaking in de regel eerst
plaatsvindt na twee maanden. Zowel uit beleidsmatig als wetstechnisch oogpunt
acht de regering het derhalve niet wenselijk of noodzakelijk
hiervoor een aanvullende regeling te treffen.
Met deze aanpak wil de
regering, rekening houdend met de gegroeide verhoudingen, de praktijk
en de jurisprudentie duidelijkheid scheppen over de rechten en
plichten van betrokkenen. Kern is dat de werknemer die gedeeltelijk
arbeidsgeschikt is bij de sollicitatie en de eerste twee maanden na indiensttreding zijn status niet bekend hoeft te maken; na
twee maanden
dienstverband is de werknemer op een daartoe strekkend verzoek van de werkgever
wel verplicht zijn status bekend te maken. Het belang van de werknemer
aan arbeidsdeelname is dan reeds veilig gesteld, terwijl de werkgever
hiermee handvatten krijgt om te profiteren van voordelen die
verbonden zijn aan het in dienst hebben van gedeeltelijk arbeidsgeschikten. De
werknemer hoeft na twee maanden dienstverband de werkgever alleen te
melden dat hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is en niet de aard en
oorzaak daarvan. Hiermee is het privacybelang van de werknemer gediend.
Het is van belang dat
deze aanpak bij de invoering van het WIA-complex ook daadwerkelijk door
alle betrokkenen wordt uitgevoerd. Dit vereist dat via voorlichting aan
betrokkenen duidelijkheid wordt verschaft over de nieuwe aanpak. De
regering zal zich, samen met andere partijen, inzetten voor actieve voorlichting
aan (aspirant-)werkgevers en (aspirant-)werknemers.
rblz.|61|
5.4. Beleid ten aanzien
van rechten, plichten en sancties
5.4.1. Rechten en
plichten
Effectieve reïntegratie
is gebaseerd op een balans van wederzijdse rechten en plichten van
de betrokken partijen: UWV, eigenrisicodrager, het ingeschakelde
reïntegratiebedrijf, de arbodienst en de uitkeringsgerechtigde. Het is in dit kader van
belang dat voor alle betrokkenen heldere (gedrags)normen en procedures worden uitgewerkt. In het wetsvoorstel
WIA
is met het oog hierop
een aantal bepalingen ingevoerd.
Recht op ondersteuning
Gedurende de WGA-periode
wordt de gedeeltelijk arbeidsgeschikte op diverse manieren bij zijn
reïntegratie geholpen. In de Wet
WIA
is een recht op ondersteuning bij
reïntegratie opgenomen. Deze specifieke bepaling geldt voor die personen
waarvoor de reïntegratieverantwoordelijkheid bij het UWV
ligt.
In het onderhavige
wetsvoorstel wordt ook in de WW, WAO,
WAZ en Wajong
een recht op
ondersteuning bij reïntegratie ingevoerd voor zover de
verantwoordelijkheid voor reïntegratie bij het UWV berust. In de ZW
is daar geen
aanleiding toe. Voor de ZW bestaat namelijk reeds een vergaand wettelijk
geregeld ondersteuningsregime ten behoeve van de arbeidsinschakeling, met
daaraan gekoppelde rechten (en ook plichten) voor de
uitkeringsgerechtigde.
In het wetsvoorstel
WIA
wordt geregeld dat het UWV voor gedeeltelijk
arbeidsgeschikten,
waarvan de verantwoordelijkheid voor reïntegratie bij het UWV berust, een
reïntegratievisie moet opstellen. In onderhavig wetsvoorstel wordt dit voorstel
overgenomen voor alle betrokkenen wier reïntegratie door het UWV wordt
verzorgd. De reïntegratievisie schetst welke reïntegratiemogelijkheden
er voor de betrokkene nog zijn. Uit deze reïntegratievisie blijkt
welke stappen zullen worden gezet om betrokkene aan het werk te helpen.
Daarnaast krijgt de uitkeringsgerechtigde uitleg over zijn rechten en
plichten over reïntegratie in algemene zin. Tevens wordt in de verschillende
materiewetten geregeld dat alle verzekerden verplicht zijn te voldoen
aan de verplichtingen die zijn opgenomen in de reïntegratievisie.
Plicht tot meewerken aan
in reïntegratieplan opgenomen specifieke reïntegratieafspraken
In de reïntegratievisie
kan worden vermeld dat een reïntegratiebedrijf moet worden ingeschakeld.
Het UWV legt dan contact met een reïntegratiebedrijf. Dit zal in samenspraak
met de gedeeltelijke arbeidsgeschikte een reïntegratieplan
opstellen. Het reïntegratiebedrijf vertaalt, in samenspraak met de
uitkeringsgerechtigde, algemene (wettelijke) normen in heldere, uitvoerbare
reïntegratieafspraken en legt deze vast in het reïntegratieplan. In het
reïntegratieplan zijn behalve specifieke reïntegratieafspraken ook de eventuele
consequenties op het niet nakomen daarvan opgenomen. De
uitkeringsgerechtigde is verplicht mee te werken aan het opstellen van het
reïntegratieplan en de opgenomen specifieke reïntegratieafspraken na
te leven. In dit wetsvoorstel wordt een dergelijke verplichting ook
opgenomen in de ZW, WW, WAO,
WAZ en Wajong.
Zoals hierboven reeds
vermeld, wordt het reïntegratieplan door het reïntegratiebedrijf in
samenspraak met de betrokkene opgesteld. Deze wederzijdsheid komt ook
tot uitdrukking in het feit dat zowel de uitkeringsgerechtigde als het ingeschakelde
reïntegratiebedrijf het reïntegratieplan ondertekenen. De uitkeringsgerechtigde tekent de reïntegratieafspraken
voor gezien. Deze
procedure bewerkstelligt dat de uitkeringsgerechtigde weet wat hem te doen
staat en verder welk risico hij loopt bij niet-nakoming rblz.|62|
van plichten.
Bovendien weet hij ook waarop hij het reïntegratiebedrijf kan aanspreken. De
ondertekening voor gezien neemt niet weg dat als de
uitkeringsgerechtigde het niet eens is met de opgelegde verplichtingen, hij
de mogelijkheid heeft
om tegen het reïntegratieplan bezwaar te maken (en eventueel
daarna beroep in te stellen). Als de betrokkene weigert te tekenen voor
gezien, zegt dat in veel gevallen wel iets over de mate waarin betrokkene
bereid is om mee te werken aan zijn reïntegratie. Dit aspect kan het UWV
dan meewegen bij een eventuele sanctieoplegging bij onvoldoende
medewerking aan reïntegratie.
5.4.2. Sancties
In het wetsvoorstel
WIA
geldt net als in de andere socialeverzekeringswetten het sanctiesysteem van de
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid, dat op 1 augustus 1996 in werking is getreden. In dit systeem
zijn de maatregelen gericht op het overtreden van diverse
verplichtingen van de uitkeringsgerechtigde opgenomen. De boeten zijn gericht op
het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting.
Het wetsvoorstel WIA introduceert een aantal nieuwe maatregelen, die
bij het onderhavige wetsvoorstel gelijktijdig in de hierna vermelde
socialeverzekeringswetten worden ingevoerd.
Het UWV koppelt terug of
er wel of niet een sanctie is opgelegd
Op grond van
artikel 4.1,
eerste lid, onderdeel h, van het Besluit
SUWI dient in de aanbestedingsovereenkomst te worden geregeld dat het
reïntegratiebedrijf of
de arbodienst verplicht is het UWV te informeren betreffende onvoldoende
medewerking aan reïntegratie van een uitkeringsgerechtigde. In het wetsvoorstel
WIA
wordt geregeld dat het UWV als ontvangende partij op
korte termijn naar het reïntegratiebedrijf of de arbodienst terugkoppelt
of dit signaal tot een sanctie heeft geleid. Op deze wijze wordt aan de ene
kant het draagvlak om te signaleren versterkt en wordt aan de andere kant
het leereffect bevorderd. Deze bepalingen worden ter bevordering
van heldere procedures ook ingevoerd in de WW, WAO,
WAZ en Wajong.
Het betreft hier een
specifieke verplichting voor het UWV om het reïntegratiebedrijf te
informeren over het resultaat van zijn melding (en aan te geven of de
melding tot een besluit tot opschorting of schorsing van de uitkering heeft
geleid).
Daarnaast is het UWV
verplicht om het reïntegratiebedrijf in kennis te stellen van het feit dat
aan de uitkeringsgerechtigde een sanctie (maatregel of boete) is opgelegd
voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden door
het reïntegratiebedrijf. Aan deze verplichting kan een melding van een
reïntegratiebedrijf voorafgaan, maar kan ook spontaan door het UWV
geschieden. Er worden dus twee situaties onderscheiden waarin het UWV een
reïntegratiebedrijf informeert over het opleggen van een sanctie
aan de uitkeringsgerechtigde.
Melding reden van verzuim
Uitkeringsgerechtigden
zijn in het kader van het wetsvoorstel WIA
verplicht de reden van
eventuele niet-naleving van reïntegratieplichten onmiddellijk te melden
aan het UWV of het door het UWV ingeschakelde reïntegratiebedrijf. Dit
betekent in beginsel dat de reden van verzuim direct moet worden gemeld
aan het reïntegratiebedrijf. Reïntegratiebedrijven moeten potentieel
sanctiewaardig gedrag melden aan het UWV. In de melding beschrijft
het reïntegratiebedrijf de feiten en omstandigheden die tot het sanctiewaardig gedrag hebben geleid. De uitkeringsgerechtigde
heeft er overigens zelf
ook belang bij om het reïntegratiebedrijf uitleg te geven over de
reden van het verzuim dan wel de omstandigheden die met de tekortkoming
verband houden.
rblz.|63|
De
betreffende bepaling
wordt ook ingevoerd in de WW, WAO,
WAZ en Wajong.
Gedeeltelijke schorsing
In het wetsvoorstel
WIA
is de mogelijkheid geïntroduceerd van een gedeeltelijke schorsing
of gedeeltelijke opschorting van de uitkering. Na een melding van
sanctiewaardig gedrag moet onderzoek plaatsvinden door het UWV
om te bezien
of daadwerkelijk tot sanctieoplegging moet worden overgegaan. Deze
sanctieoplegging kan bestaan uit het korten
van de uitkering. Het
onderzoek kan enige tijd kosten. Voor een effectief sanctie-instrument is het
van belang de tijd zo kort mogelijk te houden tussen de signalering van sanctiewaardig gedrag (bijvoorbeeld een
signaal dat de
uitkeringsgerechtigde zich onvoldoende inzet om te reïntegreren) en het opleggen van de
sanctie. De mogelijkheid de uitkering voor een periode van maximaal acht
weken op te schorten of te schorsen, is een
belangrijk hulpmiddel bij
een snellere effectuering van het sanctie-instrument. Nieuw is de expliciete
bepaling dat een uitkering gedeeltelijk kan worden opgeschort of geschorst. Het is de bedoeling dat het UWV
binnen de periode van
maximaal acht weken onderzoekt of de melding van het reïntegratiebedrijf
moet leiden tot sanctieoplegging. Het UWV richt daartoe de werkprocessen
zo efficiënt mogelijk in. De mogelijkheid tot gedeeltelijke schorsing
of opschorting wordt ook in de ZW, WW,
WAO,
WAZ en Wajong ingevoerd.
Daarnaast worden de voorschotbepalingen in de WW - behoudens de
in de WW voor specifiek beschreven situaties bestaande
voorschotregeling - zoveel mogelijk op uniforme wijze geformuleerd als de
voorschotbepalingen in de WAO, WAZ en
Wajong.
5.5. Toeslagenwet en Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
5.5.1. Inleiding
In de
memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel WIA is opgenomen dat een WIA-gerechtigde geen
beroep (meer) hoeft te doen op de Ioaw. Dit kan worden bereikt door
het schrappen van een van de maximeringsbepalingen in de TW. Beide wetten
hebben namelijk het doel voor de gedeeltelijk arbeidsgeschikte werkloze werknemer een inkomensgarantie
op minimumniveau te
garanderen. Evenals de huidige Ioaw kent de TW geen vermogenstoets en
dezelfde (partner)inkomenstoets.
In dit verband zij
gewezen op het recente advies van de SER over de toekomstbestendigheid van
de WW.¹ De Raad geeft in zijn advies "in overweging om uitgaande
van de (conform zijn voorstellen aangepaste) Ioaw
op termijn te komen
tot afzonderlijke regelingen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten en voor
werklozen". Met de wijzigingen in
het onderhavige wetsvoorstel ten aanzien
van de TW en de Ioaw wordt, in lijn met het advies van de
Raad,
voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten een afzonderlijke regeling getroffen.
1. SER-advies "Toekomstbestendigheid
Werkloosheidswet" en
kabinetsreactie "Met de WW en het ontslagrecht
aan het werk voor een flexibele arbeidsmarkt" (zie brief aan de Tweede Kamer van 29 april 2005).
Het schrappen van
één van
de maximeringsbepalingen in de TW betekent een vereenvoudiging van regelgeving (zowel voor de
Ioaw en de
TW). Daarnaast zorgt het voor
een vermindering van samenloop tussen uitkeringen en uitkeringsinstanties,
hetgeen een efficiëntere uitvoering en meer eenvoud voor de burger
inhoudt.
In de huidige situatie
kan er voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten sprake zijn van samenloop van
drie of vier uitkeringen (WAO +
TW + Ioaw en/of Wwb) om een uitkering op
het sociaal minimum te bereiken. Eén van de maximeringsbepalingen in
de TW leidt er namelijk toe dat gedeeltelijk arbeidsgeschikten, die
een lager uitkeringspercentage hebben dan 70% rblz.|64|
(van hun dagloon), met de
eventuele toeslag, toch lager kunnen uitkomen dan hun sociaal minimum.
Het betreft de maximering die regelt dat de toeslag niet meer
bedraagt dan ten hoogste 30% (voor gehuwden), 27% (voor een alleenstaande
met kind) en 21% (voor alleenstaanden) van het minimumloon. Als gevolg
van deze maximering is in een aantal gevallen een aanvullend beroep op
de Ioaw nodig. Door deze maximering in de TW te schrappen, kan de
toeslag hoger zijn dan de eerder genoemde percentages. Daarmee
wordt de Ioaw-uitkering van gedeeltelijke arbeidsongeschikten als het ware
geïncorporeerd in de TW en wordt de Ioaw-uitkering voor hen overbodig (zie
onderstaand schema).
Schema. Aanvulling tot
het
sociaal minimum in de oude en nieuwe situatie:

Een aantal
WIA-gerechtigden komt niet in aanmerking voor een toeslag op grond van de
TW. Dit
heeft te maken met de zogenoemde "1990-maatregel". Die houdt in
dat de gehuwde uitkeringsgerechtigde met een partner geboren na 31
december 1971 geen recht op TW heeft, tenzij er een eigen, aangehuwd of
pleegkind tot de huishouding behoort dat jonger is dan 12 jaar. De
achtergrond bij deze maatregel is de economische zelfstandigheid van
personen. Het is een beoogd effect dat deze personen in dit geval een
beroep moeten doen op bijstand. In de huidige situatie werkt de "1990-maatregel" ook al door in de
Ioaw voor wat betreft WAO-ers. De
Ioaw regelt immers dat de maximale aanvulling niet meer kan bedragen dan de
hoogte van de voormalige WW inclusief TW. Indien een gedeeltelijke
WAO-er onder de "1990-maatregel" valt en dus naast de WW geen recht op
toeslag heeft, bedraagt de hoogte van de Ioaw niet meer dan de
voormalige WW en moet bij onvoldoende bestaansmiddelen een
beroep op bijstand worden gedaan.
5.5.2. Gevolgen voor de
TW
De
TW kent naast de WIA-gerechtigde ook andere uitkeringsgerechtigden die in aanmerking kunnen
komen voor een toeslag. Het gaat dan om: personen met een
uitkering op grond van de WAO,
Wamil, Wajong, WAZ,
WW, ZW, hoofdstuk 3,
afdeling 2, paragraaf 1, van de Wazo of recht op loon, bedoeld in
artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek. Om een eenduidige uitvoering
en een gelijke behandeling van toeslaggerechtigden te bewerkstelligen, ligt
het voor de hand om het schrappen van de bovenstaande maximeringsbepaling in de TW uit te breiden naar
alle toeslaggerechtigden.
Wie op of na 1 januari
2004 ziek is geworden, moet bij voortdurende arbeidsongeschiktheid na
de wachttijd - die met ingang van 1 januari rblz.|65|
2004 op 104 weken is
gesteld - vanaf 29 december 2005 een beroep doen op de Wet
WIA. Wie vóór
1 januari 2004 ziek is geworden, kan na ommekomst van de wachttijd van 52
weken nog een beroep doen op de WAO. Dit betekent dat er vanaf
30 december 2004 in beginsel geen nieuwe instroom in de WAO meer
zal zijn.¹ Voor degenen die op het moment van inwerkingtreding van het
wetsvoorstel WIA recht hebben op een WAO-uitkering blijft het recht op WAO
bestaan. Ongeveer 4000 WAO-ers zijn gedeeltelijk
arbeidsgeschikt en kennen samenloop met de Ioaw. Het laten vervallen van de genoemde
maximeringsbepaling in de TW betekent dat gedeeltelijk
arbeidsgeschikte WAO-ers vanaf de datum van inwerkingtreding van dit voorstel
aangevuld kunnen worden in de TW tot het relevante sociaal
minimum. Het schrappen van deze maximering zal met een nader
te bepalen
overgangstermijn gebeuren. UWV
en gemeenten krijgen zo voldoende tijd om de
uitkering van het zittend bestand van gedeeltelijk arbeidsgeschikten, die
naast een WAO ook een Ioaw-uitkering ontvangen, om te zetten
naar een WAO met TW-uitkering. Voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte WAO-ers
met een bestaande Ioaw-uitkering, die door de zogenoemde "1990-maatregel"
geen recht op TW hebben, blijft het Ioaw-recht
gehandhaafd.
1. Instroom na 30
december 2004 is nog slechts in een beperkt
aantal situaties mogelijk, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een samengestelde
wachttijd, toepassing van een loonsanctie of in
geval van nawerking van de verzekering.
De doelgroep van de
Wamil wordt met dit wetsvoorstel onder de werking gebracht van de
ZW en de Wet
WIA
(zie hoofdstuk 6). Voor het zittend bestand blijft de
Wamil,
net als de WAO, bestaan. Slechts een zeer klein gedeelte van de
Wamil-ers
kent samenloop met de Ioaw. Voor deze groep geldt hetzelfde als
voor WAO-gerechtigden.
Met betrekking tot de
Wajong is er sprake van zittend bestand en nieuwe instroom vanaf de
datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Slechts een zeer klein
gedeelte van de Wajong-ers is gedeeltelijk arbeidsgeschikt en kent
samenloop met de Ioaw. Voor het zittend bestand geldt hetzelfde
als hierboven is beschreven voor WAO- en
Wamil-gerechtigden. De
nieuwe instroom gedeeltelijk arbeidsongeschikte Wajong-ers zal vanaf de
datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel aangevuld
kunnen worden in de TW tot het relevante sociaal
minimum. Hiervoor geldt
hetzelfde als voor WIA-gerechtigden.
Met de
Wet einde toegang
verzekering WAZ is per 1 augustus 2004 de toegang tot de WAZ
afgeschaft. Dat betekent dat vanaf 1 augustus 2005 nieuwe WAZ-instroom niet
meer mogelijk is. Voor WAZ-gerechtigden die véér 1 augustus 2005
reeds een WAZ-uitkering hebben, blijft het recht op WAZ bestaan. Slechts een
klein gedeelte van de WAZ-ers kent samenloop met de Ioaz. Het laten
vervallen van bovenstaande maximeringsbepaling in de TW
betekent dat
gedeeltelijk arbeidsgeschikte WAZ-ers vanaf de datum van inwerkingtreding van
dit wetsvoorstel aangevuld kunnen
worden in de TW tot het
relevante sociaal
minimum. Het schrappen van deze maximering zal
echter met een nader te bepalen overgangstermijn gebeuren. UWV
en gemeenten krijgen zo voldoende tijd om de uitkering van het zittend bestand
van gedeeltelijk arbeidsgeschikten, die naast een WAZ ook een Ioaz-uitkering ontvangen, om te zetten naar een WAZ met
TW-uitkering. Voor
gedeeltelijk arbeidsongeschikte WAZ-ers met een bestaande Ioaz-uitkering,
die door de zogenoemde "1990-maatregel"
geen recht op TW hebben,
blijft het Ioaz-recht gehandhaafd.
ZW- en
WW-gerechtigden en
degenen met recht op loon, bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, hebben een uitkeringspercentage van 70% (en de maximale
aanvulling tot het sociaal minimum dan wel hun dagloon
indien dat lager is, is dus zelden hoger dan 30%) óf een zodanig inkomen uit
arbeid naast hun uitkering dat meestal geen beroep op toeslag gedaan
hoeft te worden. Hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de Wazo kent een
uitkeringspercentage van 100% en ook rblz.|66|
voor degenen met een
uitkering op grond van die paragraaf is de maximale aanvulling tot het
sociaal minimum dan wel hun dagloon indien dat lager is, zelden hoger
dan 30%. Het laten vervallen van bovenstaande maximeringsbepaling in de TW
voor deze uitkeringsgerechtigden heeft daarom materieel zo goed
als geen gevolgen voor de hoogte van de toeslag.
5.5.3. Gevolgen voor de
Ioaw
De
Ioaw kent thans vier
groepen uitkeringsgerechtigden, te weten:
a. werkloze werknemers
die na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar werkloos zijn geworden en
nadien de volledige uitkeringsduur van de loongerelateerde WW-uitkering hebben bereikt. Het betreft dus de werkloze werknemers die
zowel voldoen aan de wekeneis als aan de arbeidsverledeneis van de
WW;
b. werkloze werknemers
die na het bereiken van de leeftijd van 57,5 jaar werkloos zijn geworden en
nadien de volledige uitkeringsduur van de kortdurende WW-uitkering
hebben bereikt. Het betreft dus de werkloze werknemers die wel
voldoen aan de wekeneis, maar niet aan de arbeidsverledeneis van de
WW;
c. gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werknemers die een WAO-uitkering of een uitkering op grond
van de Liquidatiewet
ongevallenwetten of een uitkering op grond van de Wamil
ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
minder dan 80%. Voor het overige zijn zij werkloos. Op het moment
dat zij werkloos worden, moeten zij jonger zijn dan 50 jaar en
nadien de loongerelateerde uitkering van de WW hebben doorlopen;
d. jonggehandicapten die
een uitkering op grond van de Wajong ontvangen, gebaseerd op een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%.
Zoals hierboven reeds is
aangegeven, heeft het kabinet besloten tot het schrappen van één van de maximeringsbepalingen in de
TW voor alle
toeslaggerechtigden. Dit
betekent dat aanvulling tot het relevante sociaal
minimum via de TW ook
mogelijk is voor uitkeringsgerechtigden met een gedeeltelijke WAO,
Wajong of Wamil. Het laten vervallen van de maximering in de TW voor
deze uitkeringsgerechtigden betekent dat zij vanaf de datum van
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel geen beroep meer hoeven doen op een
Ioaw-uitkering.
Zoals in paragraaf 5.5.2
is aangegeven, zal de overgang van deze Ioaw-uitkeringsgroepen met een nader te
bepalen
overgangstermijn gebeuren. Voor degenen die op de
datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel naast hun WAO-, Wajong-
of Wamil-uitkering een Ioaw-uitkering ontvangen, maar geen
recht op TW hebben door de zogenoemde "1990- maatregel", blijft de
Ioaw-uitkering gehandhaafd. Op deze wijze wordt recht gedaan aan
eerbiedigende werking voor het zittend bestand Ioaw-gerechtigden.
Met betrekking tot de
oudere werkloze werknemer (onderdelen a en b) brengt dit wetsvoorstel
geen wijziging. Uiteraard blijft de oudere gedeeltelijk arbeidsgeschikte werkloze
werknemer die werkloos is geworden na het bereiken van de
leeftijd van 50 jaar, na afloop van de WW in aanmerking komen voor een
Ioaw-uitkering, voor zover het (gezamenlijk) inkomen inclusief de
toeslag op grond van de TW minder bedraagt dan de van toepassing zijnde
grondslag. Het recht op Ioaw ontstaat dan immers op grond van het feit dat
zij kunnen worden aangemerkt als oudere werkloze werknemers (onderdelen a
en b). De vraag of ze daarnaast arbeidsongeschikt zijn, speelt in deze geen
rol. Door het schrappen van bovenstaande maximeringsbepaling in de
TW zal in deze situatie echter minder vaak een beroep op Ioaw gedaan hoeven worden.
rblz.|67|
5.5.4. Gevolgen voor de
Ioaz
De
Ioaz kent thans twee
groepen uitkeringsgerechtigden, te weten:
a. gewezen zelfstandigen
die voor de voorziening in het bestaan waren aangewezen op arbeid in
het eigen bedrijf of beroep en die na het bereiken van de leeftijd
van 55 jaar het bedrijf of beroep hebben beëindigd;
b. gewezen zelfstandigen
die voor de voorziening in het bestaan waren aangewezen op arbeid in
het eigen bedrijf of beroep en die recht hebben op uitkering op
grond van de WAZ, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%.
Zoals hierboven reeds is
aangegeven, heeft het kabinet besloten tot het schrappen van één van de maximeringsbepalingen in de
TW voor alle
toeslaggerechtigden. Dit
betekent dat aanvulling tot het relevante sociaal
minimum via de TW ook
mogelijk is voor uitkeringsgerechtigden met een gedeeltelijke WAZ. Het laten vervallen van deze maximering in de TW
voor deze
uitkeringsgerechtigden betekent dat zij vanaf de datum van inwerkingtreding van
dit
voorstel geen beroep meer hoeven doen op een Ioaz-uitkering.
Voor degenen die op de
datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel naast hun WAZ-uitkering
een Ioaz-uitkering ontvangen, maar geen recht op TW hebben door de
zogenoemde "1990-maatregel", blijft de
Ioaz-uitkering gehandhaafd. Op deze
wijze wordt recht gedaan aan eerbiedigende werking voor het zittend bestand
Ioaz-gerechtigden.
Met betrekking tot de
oudere gewezen zelfstandige (onderdeel a) brengt dit wetsvoorstel geen
wijziging. Uiteraard blijft de oudere gedeeltelijk arbeidsgeschikte gewezen
zelfstandige die zijn bedrijf of beroep na het bereiken van de leeftijd
van 55 jaar heeft beëindigd in aanmerking komen voor een Ioaz-uitkering,
voor zover het (gezamenlijk) inkomen inclusief de toeslag op grond van de
TW minder bedraagt dan de van toepassing zijnde grondslag. Het
recht op Ioaz ontstaat dan immers op grond van het feit dat zij kunnen worden aangemerkt als oudere gewezen zelfstandige
(onderdeel a). De vraag
of ze daarnaast arbeidsongeschikt zijn, speelt in deze geen rol. Door
het schrappen van bovenstaande maximeringsbepaling in de TW zal in deze
situatie echter minder vaak een beroep op Ioaz gedaan hoeven
worden.
5.5.5. Consequenties voor
uitkeringsgerechtigden
Evenals de
Ioaw/z kent de
TW geen vermogenstoets voor gedeeltelijke arbeidsgeschikten en
heeft dezelfde inkomenstoets als de Ioaw/z. Concreet betekent het
laten vervallen van één van de maximeringsbepalingen in de TW voor de
gedeeltelijk arbeidsongeschikten geen tot weinig verschil in
uitkeringssystematiek. Hoewel de WAO,
Wamil, Wajong en WAZ, in
tegenstelling tot de Ioaw/z, geen sollicitatieplicht kennen, kennen deze
wetten wel andere activerende voorwaarden voor uitkeringsgerechtigden.
Zo bestaat er wel de verplichting om zich zo nodig in te schrijven als
werkzoekende en mee te werken aan behoud, herstel of bevordering van de
mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Ook mag niet geweigerd worden om
zonder redelijke gronden mee te werken aan een scholing of opleiding
die wenselijk wordt geacht voor arbeidsinschakeling. Paragraaf
4.2 gaat in op de uitbreiding van reïntegratie-instrumenten
voor Wajong-ers.
Zoals hierboven reeds is
aangegeven, betekent het schrappen van één van de maximeringsbepalingen
in de TW eveneens een vermindering van samenloop tussen
uitkeringen en uitkeringsinstanties, hetgeen een efficiëntere uitvoering
en meer eenvoud voor de burger inhoudt.
rblz.|68|
5.5.6. Financiële
effecten
De financiële effecten
van het schrappen van bovenstaande maximeringsbepaling in de TW
voor alle
toeslaggerechtigden met een overgangsrecht voor het zittend bestand
zoals hierboven beschreven, heeft met name wezenlijke financiële
effecten voor de volgende groepen:
1. zittend bestand WAO
met een Ioaw-uitkering;
2. gedeeltelijk
arbeidsgeschikte WIA-gerechtigden (financiële effecten voor deze groep zijn al
meegenomen in het wetsvoorstel WIA).
De financiële effecten
van het schrappen van de maximering in de TW voor de overige
doelgroepen zijn marginaal.
Ad. 1. Zittend bestand WAO
met een Ioaw-uitkering
De bestaande groep
WAO-ers
krijgen te maken met een verschuiving van uitkering. WAO-ers die
in het huidige stelsel naast hun WAO een toeslag en Ioaw
ontvangen, zullen
onder het nieuwe regime naast hun WAO een hogere toeslag ontvangen
en de Ioaw-uitkering verliezen.
In 2006 zullen ruim 4000 Ioaw-uitkeringen gerelateerd zijn aan een WAO-uitkering. Het
grootste deel van deze groep (naar verwachting 90%) krijgt een hogere
uitkering uit de TW. Een kleine groep zal vanwege de 1990-maatregel geen recht
hebben op TW. Het Ioaw-recht blijft voor deze laatste groep bestaan en
dit betekent dat er voor deze groep geen sprake is van een verschuiving
van uitkeringslasten.
De raming in tabel 1 gaat ervan uit dat WAO-ers die geen toeslag uit de TW hebben hun huidige
recht op Ioaw behouden. Doordat er vanaf 2006 geen instroom meer is in
de WAO, laat de verschuiving van de uitkeringslasten een neergaande lijn zien.
Tabel 1. Mutaties in de
uitkeringslasten voor de TW en de Ioaw
als gevolg van de incorporatie Ioaw in de TW voor de lopende WAO-uitkeringen (in miljoen euro):
| Jaar |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Ioaw |
–12 |
–11 |
–10 |
–9 |
–8 |
–3 |
–1 |
0 |
| TW |
x12 |
x11 |
x10 |
x9 |
x8 |
x3 |
x1 |
0 |
| Totaal |
xr0 |
xr0 |
xr0 |
x0 |
x0 |
x0 |
x0 |
0 |
Ad 2. Gedeeltelijk
arbeidsgeschikte WIA-gerechtigden
De financiële effecten
van de incorporatie van Ioaw-uitkering voor gedeeltelijk
arbeidsgeschikte WIA-gerechtigden door het schrappen van de maximering in de
TW zijn al meegenomen in het wetsvoorstel WIA. Een gevolg van de Wet WIA
is dat het aantal uitkeringen van de TW zal dalen. Dit wordt
veroorzaakt doordat het aantal WGA/IVA-uitkeringen lager zal zijn ten
opzichte van het aantal WAO-uitkeringen bij een ongewijzigd
WAO-beleid. Personen in
de WGA die niet werken, krijgen na afloop van de loongerelateerde fase een minimumuitkering naar rato van hun
arbeidsongeschiktheid.
Daarmee ligt voor deze groep het uitkeringsniveau lager dan in de huidige
WAO. De gemiddelde toeslag op de uitkeringen zal hierdoor toenemen.
Stijging van de gemiddelde toeslag wordt daarnaast veroorzaakt doordat met
invoering van het wetsvoorstel WIA de TW de rol van Ioaw overneemt voor
gedeeltelijk arbeidsgeschikten. In het wetsvoorstel WIA is een totaalbeeld
van de drie bovengenoemde effecten weergegeven. In tabel 2
staat het afzonderlijke financiële effect op de uitkeringslasten TW. De
stijging in de uitkeringslasten van de TW zal nagenoeg gelijk zijn aan de daling
van de uitkeringslasten Ioaw.
Het stijgende verloop van
de extra uitkeringslasten in de TW wordt veroorzaakt door de
instroom van WIA-gerechtigden vanaf 2006 naar een structureel niveau in
2040.
rblz.|69|
Tabel 2. Mutaties in de
uitkeringslasten ¹ voor de TW en de Ioaw
als gevolg van de incorporatie Ioaw in de TW voor de gedeeltelijke arbeidsgeschikten in de
Wet WIA
(in
miljoen euro):
| Jaar |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| TW |
x3 |
x3 |
x6 |
v9 |
x11 |
x62 |
x78 |
x84 |
| Ioaw |
–3 |
–3 |
–6 |
–9 |
–11 |
–62 |
–78 |
–84 |
| Totaal |
x0 |
x0 |
x0 |
v0 |
xr0 |
xr0 |
xr0 |
xr0 |
1. Vanaf ongeveer 2020
laat deze raming een overschatting van de TW-lasten zien. Vanwege de
1990-maatregel in de TW zal vanaf het tweede decennium van deze
eeuw het aantal personen dat recht heeft op een toeslag afnemen. Een
gedeelte van deze personen zal overgaan naar de Wwb, een ander
gedeelte zal echter niet aan de voorwaarden van de Wwb voldoen. Deze
effecten zijn in de huidige raming nog niet gekwantificeerd.
5.6. Gegevensuitwisseling
en het gebruik van het sofinummer door private verzekeraars
De regering heeft gekozen
voor een systeem waarin een keuzevrijheid voor werkgevers bestaat
om het risico zelf te dragen of te verzekeren bij een private verzekeraar
dan wel verzekerd te blijven bij het UWV. Eén van de elementen die
bijdragen aan een zo optimaal mogelijke keuzevrijheid is de noodzaak tot
uitwisseling van gegevens tussen betrokken uitvoerders. De regering denkt daarbij
aan de uitwisseling van gegevens die nodig zijn voor het offertetraject
en voor het bepalen van de schadelast, meer in het bijzonder voor een adequate premiecalculatie.
Gegevens ten behoeve van
offertetraject, premieheffing en uitkeringsverstrekking in
de structurele situatie
Algemeen uitgangspunt
voor de gegevensuitwisseling is dat de gegevensset beperkt
blijft tot de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de
overeenkomsten die strekken tot verzekering van de risico’s die voortvloeien uit het
eigen risico dragen Wet WIA. Dit betekent dat de
verzekeraar in het kader
van het offertetraject in de structurele situatie onder meer dient te kunnen
beschikken over instroomcijfers over drie jaar, loonsommen over de
afgelopen vijf jaren, aantallen werknemers en het arbeidsverleden per
werknemer. Ten behoeve van de premieheffing dienen in beginsel
jaarlijks op werknemersniveau de volgende gegevens beschikbaar te zijn:
loonsom, geboortejaar en sofinummer.
Met uitzondering van het
arbeidsverleden per werknemer, dat pas op termijn beschikbaar zal
komen, zijn de overige noodzakelijke gegevens beschikbaar en zullen aan
de verzekeraar kunnen worden geleverd door de werkgever dan wel het UWV.
De gegevens voor het
offertetraject en voor de premieheffing zijn voor een belangrijk deel
opgenomen in de periodieke loonaangifte die de werkgever met ingang van 1 januari
2006 elektronisch bij de belastingdienst moet indienen.
Tegelijkertijd met zijn loonaangifte kan de werkgever de noodzakelijke gegevens
uit deze loonaangifte aan de verzekeraar verstrekken. Dit vergt
een eenmalige aanpassing van de administratie van de werkgever. Aldus
beschikt de verzekeraar altijd over de meest actuele gegevens op de kortst
mogelijke termijn. Als de gegevens door het UWV
zouden moeten worden
geleverd, is er altijd sprake van een vertragingsmoment. Het UWV kan de gegevens
immers pas leveren nadat de gegevens door de werkgever via de belastingdienst zijn ontvangen en vervolgens zijn opgenomen in de
polisadministratie.
De gegevens die niet op
de periodieke loonaangifte zijn vermeld (waaronder de instroomcijfers en
loonsommen), kan het UWV met machtiging van de werkgever aan de
verzekeraar verstrekken. Vorenstaande betekent dat de gegevens die
noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag van een verzekering
("offertetraject") rechtstreeks door de werkgever aan de verzekeraar worden
verstrekt. Voor deze gegevensverstrekking door de rblz.|70|
werkgever is geen
expliciete wettelijke bepaling noodzakelijk. Wel wordt de gegevensverstrekking
door het UWV aan de werkgever van een nadere wettelijke basis
voorzien.
In het kader van de
uitkeringsverstrekking zijn in beginsel de hoogte van het dagloon, het arbeidsongeschiktheidspercentage en de duur van de
uitkering noodzakelijke
gegevens. Met machtiging van de werkgever kan het UWV
deze gegevens
rechtstreeks aan de private verzekeraar verstrekken. Voor de overige gegevens dient de verzekeraar zich tot de
betreffende werknemer dan
wel werkgever te wenden. Onder de hier bedoelde
gegevensuitwisseling zijn overigens niet de medische gegevens van een werknemer
begrepen. Ten aanzien van deze gegevens verandert niets ten opzichte van de
huidige situatie. Dit houdt in dat op grond van de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt beoordeeld of bij de verwerking van deze
gegevens door het UWV gegevensverstrekking aan derden is toegestaan.
Slechts met uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene mag het UWV
medische gegevens aan de verzekeraar verstrekken.
Zoals uit het
bovenstaande blijkt, gaat het bij de gegevensuitwisseling om een
beperkte gegevensset
die na overleg met alle betrokken partijen, het Verbond van Verzekeraars,
het ministerie van Financiën, het UWV
en het ministerie van SZW bij
algemene maatregel van bestuur, dan wel nader bij ministeriële
regeling, wordt vastgesteld. Dit is in overeenstemming met de lijn dat voor de
gegevens en de derden aan wie gegevens worden verstrekt bij algemene
maatregel van bestuur regels moeten worden gesteld (zie artikel
73,
vierde lid, Wet SUWI zoals gewijzigd bij de Invoeringswet
Wfsv).
Ingevolge de Wbp
mogen de gegevens niet voor een ander doel worden
gebruikt dan voor het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen. Dit is
een algemene verplichting en geldt voor een ieder die persoonsgegevens
verwerkt. Dit houdt in dat zowel het UWV, reïntegratiebedrijven,
arbodiensten als verzekeraars zich hieraan moeten houden.
Door het Verbond van
Verzekeraars is met de Nederlandse Vereniging van Banken de "Gedragscode
verwerking persoonsgegevens" opgesteld. In deze gedragscode is
weergegeven op welke wijze binnen de verzekeringsbedrijfstak ("financiële
instellingen") met de verwerking van persoonsgegevens moet worden omgegaan.
Door het College bescherming persoonsgegevens is een
verklaring afgegeven dat de gedragscode in overeenstemming met de Wbp
is.
Overigens wijst de
CWI er
in haar uitvoeringstoets op dat de gegevensverstrekking aan private instanties op
grond van artikel 73 van de Wet
SUWI niet alleen
betrekking heeft op het UWV, maar ook op de CWI en de
Sociale verzekeringsbank.
Om dit onderscheid beter aan te geven, wordt in dit wetsvoorstel de gegevensverstrekking door het UWV aan de verzekeraars
in een apart artikellid
van artikel 73 van de Wet
SUWI geregeld. De nadere regelgeving voor
de gegevensverstrekking door de CWI aan reïntegratiebedrijven
zal in samenwerking met de CWI tot stand komen, zodat aangesloten kan
worden bij de bestaande praktijk, zoals de CWI ook veronderstelt. Bij dit
alles is onderkend dat het belang van de CWI bij de gegevensverstrekking
wegens haar taak bij de indicatie op grond van de Wsw
is toegenomen.
Statistische gegevens
Om het Verbond van
Verzekeraars in staat te stellen adequate risicomodellen te ontwikkelen voor de
premiestelling voor de WGA-verzekering zal het de beschikking
krijgen over de daartoe benodigde statistische gegevens. Hierover zullen
in het kader van artikel 73, derde lid, van de
Wet SUWI rblz.|71|
(zoals gewijzigd bij
de Invoeringswet Wfsv) nog nadere afspraken worden gemaakt.
Het gebruik van het sofinummer
In het licht van de
ingrijpende herziening van arbeidsongeschiktheidsregelingen heeft de regering ook de
wens van de verzekeraars om het sofinummer te mogen gebruiken
opnieuw bezien. In de uitvoeringstoets op dit wetsvoorstel is door
de CWI bepleit te regelen dat de CWI bij de uitoefening van wettelijke taken het
sofinummer mag gebruiken. Daarin wordt in dit wetsvoorstel
voorzien.
In het wetsvoorstel
WIA
wordt geregeld dat de eigenrisicodrager bij de uitvoering van de WGA het
sofinummer mag gebruiken. Dit sluit aan bij de lijn die in de huidige
wetgeving is ingezet. Immers op basis van de huidige wetgeving mogen
bij gegevensuitwisseling in het kader van reïntegratie de werkgever, het
UWV, de
arbodienst en het reïntegratiebedrijf reeds gebruik maken van
het sofinummer. Tot op heden is het gebruik van het sofinummer door
private verzekeraars voor verzekeringen van de risico’s van
werkgevers, zoals de loondoorbetalingsverplichting en het Pemba-risico, echter nog
niet toegestaan.
Het gebruik van het
sofinummer door alle bij reïntegratie betrokken partijen kan, in een
nieuw arbeidsongeschiktheidsstelsel waar reïntegratie centraal staat, bijdragen
tot een efficiënte gegevensuitwisseling tussen partijen en daarmee een
snelle reïntegratie bevorderen. Om alle partijen in staat te stellen op
een efficiënte wijze gegevens uit te wisselen, wordt in het onderhavige
wetsvoorstel geregeld dat de private verzekeraar die producten voert ter
dekking van het risico op loondoorbetaling, dan wel het
arbeidsongeschiktheidsrisico van bedrijven, het sofinummer mag gebruiken voor de
uitvoering van verzekeringen in het kader van de loondoorbetaling, de WAO
en de Wet WIA.
Bijkomend voordeel
hiervan is dat het gebruik van het sofinummer ook de administratieve lasten
van de verzekeraars en van degenen met wie zij gegevens uitwisselen,
zullen verminderen. Zo kunnen verzekeraars aan de hand van het
sofinummer de betrokken werknemer betrekkelijk eenvoudig identificeren
en vaststellen of deze verzekerd is op de polis van de werkgever. Dit
voorkomt extra gegevensuitvraag bij de werkgever en werknemer. Bovendien
kunnen de gegevens sneller worden uitgewisseld en dat kan een snellere
(start van) reïntegratie bevorderen.
Het is uitdrukkelijk de
bedoeling van de regering dat de gegevens die aan de private verzekeraar
worden verstrekt, dan wel tussen partijen worden uitgewisseld, beperkt
blijven tot de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
verzekeringen in het kader van loondoorbetaling, het eigen
risico dragen in de
zin van het wetsvoorstel WIA, voor de WAO
en voor de ZW en de betaling
van de gedifferentieerde arbeidsongeschiktheidspremie. Dit betekent dat het
gebruik van het sofinummer daartoe beperkt dient te blijven.
Het belang van het gebruik van het sofinummer voor deze gegevensrelatie
is gelijk aan dat van het gebruik van het sofinummer door werkgevers in
relatie tot UWV. Er is dus geen sprake van uitbreiding buiten het
sofinummerdomein.
Wellicht ten overvloede
wordt nog opgemerkt dat op de gegevensuitwisseling tussen UWV
en verzekeraar en tussen verzekeraar en
werkgever de regels die
de Wbp
stelt van toepassing zijn. Dit betekent dat de verzekeraars op
grond van de Wbp aangesproken kunnen worden indien zij de gegevens voor de hier bedoelde verzekeringen (inclusief het
sofinummer) verwerken
buiten het kader van die verzekeringen.
rblz.|72|
5.7. Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
Met de Wamil
is voor een
aantal categorieën militairen geregeld dat zij bij ziekte en
arbeidsongeschiktheid een uitkering ontvangen als waren zij verzekerd voor de
ZW en
de WAO. In de
Wamil worden naast het van toepassing verklaren van
de ZW en de WAO ook nadere regels gegeven voor het vaststellen van
het dagloon en een reparatie van het zogenaamde WAO-hiaat.
De
Wamil richt zich op
dienstplichtigen in de zin van de oude Dienstplichtwet en de Kaderwet
dienstplicht (hierna: KWDpl). Daarnaast behoren de personen die
verplicht tot het reservepersoneel der krijgsmacht behoren, de reservisten
van het Korps Nationale Reserve (hierna: Natres) en degene die op
grond van artikel 51 van de (oude) Oorlogswet
voor Nederland wordt
aangemerkt als militair tot de doelgroep. Naast deze categorieën
militairen zijn ook de op grond van de Wet
gewetensbezwaren militaire dienst erkende
gewetensbezwaarden die vervangende dienst verrichten en
geestelijk verzorgers die niet doorlopend werkelijke dienst verrichten
belanghebbende voor de Wamil.
De
Wamil is nodig omdat
de bijzondere status van de dienstplichtige geen (publiekrechtelijke) dienstbetrekking is. Voor het kunnen aannemen
van verzekeringsplicht
voor de werknemersverzekeringen is het dan ook noodzakelijk dat deze
categorie personen gelijkgesteld wordt als werknemer voor de toepassing van de
werknemersverzekeringen.
Met de invoering van de
KWDpl is weliswaar de opkomstplicht voor dienstplichtigen
opgeschort, maar de dienstplicht in eigenlijke zin bestaat nog steeds. Ook kent de
nieuwe Oorlogswet
voor Nederland in artikel 37 weer de mogelijkheid voor
het militair gezag om niet-militairen op te roepen om deel uit te
maken van de krijgsmacht, die aangemerkt worden als militair.
Met de
Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen zijn alle ambtenaren onder het
werkingsbereik van de werknemersverzekeringen gebracht. Destijds is er,
gelet op het bijzondere karakter van de regeling, van afgezien
om de doelgroepen van de Wamil onder de werknemersverzekeringen
te brengen. De werknemersverzekeringen zelf werden destijds niet
gewijzigd. Het betrof slechts een technische exercitie waarmee ambtenaren onder
het werkingsbereik werden gebracht van de werknemersverzekeringen.
De huidige ingrijpende wijziging van de uitkeringssystematiek is
het moment om in het kader van deregulering te komen tot een
normalisering van de uitkeringssystematiek voor de belanghebbenden van de
Wamil.
De reservisten van de
Natres dienden als vrijwilligers op de voet van gewoon dienstplichtige,
vandaar dat ook zij destijds onder het werkingsbereik van de Wamil
zijn
gebracht. Thans worden zij echter aangesteld als militair ambtenaar om
te dienen bij het reservepersoneel. Zij vallen daarmee, als zij in
werkelijke dienst zijn, onder de werknemerdefinitie van de
werknemersverzekeringen. Een afwijkende regeling, zoals de Wamil, is voor deze groep dan
ook niet meer nodig. Dit geldt ook voor de geestelijke verzorgers die in
burgerlijke openbare dienst zijn aangesteld om niet doorlopend in werkelijke
dienst werkzaam te zijn bij de krijgsmacht. De bovenwettelijke
aanspraken bij ziekte zijn geregeld in de militaire rechtspositie en in de
Kaderwet
militaire pensioenen (KMP).
De bijzondere aard van de
rechtsbetrekking van de dienstplichtige - de status van
dienstplichtige komt rechtstreeks uit de wet - staat echter in de weg aan het aannemen van
een publiekrechtelijke dienstbetrekking voor rblz.|73|
de dienstplichtigen en de gelijkgestelden. De rechtsrelaties van de Staat met de dienstplichtige en
degene die op grond van de Oorlogswet
voor Nederland wordt
aangemerkt als militair moeten dan ook worden gelijkgesteld met een dienstbetrekking.
Dit is in de WW
voor de dienstplichtigen reeds geregeld. Dit geldt
ook voor de gewetensbezwaarde die vervangende dienst
verricht. Een andere reden voor het onder de ZW en de
Wet WIA
brengen van
deze categorieën personeel is dat op lange termijn de Wamil, door
het verdwijnen van de WAO, geheel op zich zelf zal komen te staan. Dit
geeft niet alleen uitvoeringstechnische bezwaren, maar ook bezwaren met het
oog op het in de toekomst onderhouden van de regelgeving.
Het is niet de bedoeling
het niveau van de aanspraken te verminderen. In de rechtspositie van de dienstplichtige en in de
KMP wordt het huidige
voorzieningenniveau
gewaarborgd.
De noodzakelijke
financiële middelen (voor uitkeringen, reïntegratie activiteiten en uitvoeringskosten)
komen via de defensiebegroting volledig ten laste van het Rijk. Net
als met de KMP
en de Wamil komt daarmee de bijzondere
verantwoordelijkheid van de Staat voor de dienstplichtige militairen tot
uitdrukking. Omdat de volledige lasten van de uitkeringen via de
defensiebegroting
voor rekening van het Rijk worden gebracht, zal er geen premie worden
geheven over de aan dienstplichtigen betaalde wedde. Dit is conform de
systematiek zoals toegepast bij de Wamil.
Voor wat betreft het
overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de systematiek van het wetsvoorstel
WIA.
Beoogd is dat het wetsvoorstel WIA naadloos aansluit bij de Wvlz
2003.
Dit betekent dat de dienstplichtige of de tewerkgestelde
dienstweigeraar die arbeidsongeschikt wordt op of na datum van
inwerkingtreding van deze wet,
geen aanspraak meer kan maken op een uitkering op
grond van de Wamil. Voor de bestaande gevallen blijft de
Wamil,
net als de WAO, bestaan. De
Wamil wordt derhalve niet ingetrokken,
maar voor nieuwe gevallen gesloten.
5.8. Gevolgen voor de
Wwb
Het aantal mensen dat na
invoering van de Wet
WIA
een beroep doet op een bijstandsuitkering
zal op de lange termijn licht afnemen. De kosten van de
bijstandsuitkeringen zullen na invoering van de Wet
WIA
wel op lange termijn met circa €|110 miljoen stijgen, omdat de gemiddelde hoogte van de
bijstandsuitkering stijgt. Momenteel is de bijstandsuitkering voor WAO-ers een
(meestal kleine) aanvulling tot aan het sociaal
minimum bovenop één of
meerdere andere uitkeringen. Na invoering van de Wet WIA zal de bijstand bijvoorbeeld voor niet-werkenden met een mate
van arbeidsongeschiktheid
van minder dan 35% na afloop van de WW ook als zelfstandige en
enige uitkering voorkomen.
Deze extra kosten zullen
worden verdisconteerd in het inkomensdeel van het Fonds voor werk en
inkomen.
De omvang van het
macrobudget voor het werkdeel is bepaald door de historisch voor gemeenten
beschikbare middelen voor reïntegratie. In tegenstelling tot het
inkomensdeel is het werkdeel dus niet direct gekoppeld aan de omvang van het
bijstandsvolume. Daarom én gezien de beperkte gevolgen voor de bijstand is er geen aanleiding de omvang van
dit werkdeel aan te
passen. Voor personen waarvoor de gemeente verantwoordelijk is, kan een
indicatiestelling worden gedaan op grond waarvan bij indiensttreding bij
een werkgever een no-riskpolis en premiekorting wordt toegepast. Indien
door structurele functionele belemmeringen een aanpassing op de
arbeidsplaats of in het bedrijf nodig is, kan het UWV
bij indiensttreding van een
werkzoekende vanuit de populatie waarvoor de rblz.|74|
gemeente
verantwoordelijk is een voorziening treffen of subsidie daarvoor verlenen.
6. Administratieve lasten
en gevolgen voor de rechterlijke macht
6.1. Inleiding
In de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel WIA is vermeld dat de administratieve
lastendruk voor het bedrijfsleven structureel met €|0,7 miljoen zal dalen. Dit
betreft alleen de gevolgen voor de administratieve lasten van het lagere
aantal uitkeringen op grond van de Wet
WIA
ten opzichte van de WAO.
De paragrafen 6.2 tot en
met 6.4 beschrijven de overige veranderingen in de administratieve lasten
voor werkgevers als gevolg van alle maatregelen in het onderhavige
wetsvoorstel. In paragraaf 6.5 wordt het totaalbeeld geschetst.
6.2. Eigen risico dragen
WGA/IVA
Thans wordt bijna €|0,4
miljoen van de huidige structurele administratieve lasten veroorzaakt door
aanvragen van het eigen risico
dragen WAO.¹ Het is onzeker in
welke mate de invoering van de WGA/IVA zal leiden tot een verdere
toename van het aantal eigenrisicodragers.
De basisveronderstelling
is dat de bedrijven die eigenrisicodrager WAO zijn, zullen opteren voor
het eigenrisicodragerschap in de WGA. De administratieve lasten van de overgang
van deze populatie naar de WGA zijn beperkt, omdat deze
werkgevers voor de WGA geen nieuwe aanvraag en geen nieuwe zekerheidstelling hoeven te overleggen indien zij al vóór
1 januari 2005
eigenrisicodrager WAO zijn geworden. Welhaast alle eigenrisicodragers WAO hebben vóór 1
januari 2005 de publieke verzekering verlaten. Dat betekent
dat voor nagenoeg alle van de 70 000 bedrijven die eigenrisicodrager WAO
zijn en vanaf 29 december 2005 ook eigenrisicodrager WGA willen worden, de
eenmalige administratieve lasten nihil zijn en de
structurele lasten gelijk blijven.
Indien de
eigenrisicodrager WAO vanaf 2008 eigenrisicodrager WAO wil blijven en daarom ook
eigenrisicodrager IVA moet worden, bedragen de eenmalige administratieve
lasten voor de daartoe te overleggen aangepaste of aparte
zekerheidstelling €|1,5 miljoen; de structurele lasten blijven wederom
gelijk.
1. Jaarlijks 40 000
nieuwe bedrijven, waarvan 48% personeel in
dienst heeft. 20% wordt eigenrisicodrager (UWV, aanvragen en toekenningen
eigen risico dragen WAO). Kosten: met €|113,- per aanvraag
eigen
risico dragen zijn dit €|0,4 miljoen
aan administratieve lasten.
Ter illustratie zijn ook
de administratieve lasten geraamd van een scenario waarin naast de huidige
populatie een even groot aantal van 70 000 bedrijven die thans
publiek WAO
verzekerd zijn, in 2005 en in 2006 het eigenrisicodragerschap
voor de WGA en in 2008 voor de IVA aanvragen. Voor deze nieuwe aanvragers voor het eigenrisicodragerschap komen de
eenmalige administratieve
lasten uit op €|7,9 miljoen ¹ en leidt de invoering van WGA/IVA derhalve tot €|9,4 miljoen aan eenmalige administratieve lasten. In dit scenario
verdubbelt de populatie eigenrisicodragers ten opzichte van 1 juli 2004
naar 40% van alle werkgevers.
1. Gebaseerd op nulmeting
2002: €|113,- per aanvraag eigen
risico dragen * 70 000.
6.3. Intrekken van de Wet
Rea, verandering in materiewetten
De Wet
Rea als
afzonderlijke wet veroorzaakt op dit moment €|6,5 miljoen aan administratieve
lasten.¹ De Wet Rea
wordt als afzonderlijke wet ingetrokken en de
voorzieningen die blijven bestaan, worden geregeld in de materiewetten. De
gevolgen staan hieronder vermeld bij de no-riskpolis, premiekorting en
de arbeidsplaatsvoorziening. Samen met de €|0,2 miljoen aan extra
administratieve lasten als gevolg van de uitbreiding van rblz.|75|
de no-riskpolis wordt de
structurele administratieve lastenverzwaring geraamd op €|0,5
miljoen.
1. Hierin is de op 1 mei
2005 in te voeren uitbreiding van no-riskpolis nog niet meegenomen. De verlenging van de duur
van deze polis van vijf jaar naar
permanent voor personen in de Wajong
en met een Wsw-indicatie bij een reguliere
werkgever leidt tot een structurele toename van de
administratieve lasten met €|0,15 miljoen tot €|0,2 miljoen (Besluit van 12 april 2005 tot
wijziging van het Arbeidsgehandicaptebesluit,
Stb. 2005, 221).
Uitbreiding doelgroep no-riskpolis
In het wetsvoorstel
WIA
is opgenomen dat de no-riskpolis niet alleen geldt bij het in dienst
nemen, maar ook bij het in dienst houden van werknemers uit de doelgroep waarvoor
de no-riskpolis en de premiekorting geldt. Deze uitbreiding
van de doelgroep no-riskpolis veroorzaakt extra administratieve lasten.
Echter, de doelgroep wordt op een andere manier ook weer beperkt. Thans
is de no-riskpolis van toepassing op personen met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, personen zonder uitkering die wel een uitkeringsverleden hebben en nu gebruik maken van specifieke
voorzieningen en personen
met een indicatie dat ze moeilijker toegang hebben tot de
arbeidsmarkt als gevolg van een handicap.
Door deze beperking
behoren de volgende werknemers niet meer tot de doelgroep:
- werknemers van wie de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd;
- werknemers die geen Wsw-indicatie meer hebben;
- werknemers die een
werkvoorziening hebben;
- werknemers die een
ruime individuele indicatiestelling hebben.
De beperking van deze
doelgroep zal leiden tot een vermindering van het aantal werknemers dat
aanspraak op ziekengeld kan maken. Per saldo wordt geraamd dat de
doelgroep zal toenemen. Verder is het aantal ziekmeldingen van belang. De
veronderstelling is dat het aantal ziekmeldingen bij het UWV
zal
verdubbelen ten opzichte van de 19 000 personen in 2004.¹ Dit
leidt tot structurele extra administratieve lasten van €|0,3 miljoen per
jaar uitgaande van €|12,- gemiddelde kosten per ziekmelding en gemiddeld
1,3 ziekmeldingen per persoon per jaar. Dit structurele niveau wordt
in vijf jaar bereikt. Bij een groter aantal ziekmeldingen dan hier aangenomen,
zullen de administratieve lasten evenredig toenemen.
1. Volgens de cijfers van
het UWV.
Premiekorting
De inhoudelijke regeling
van de premiekorting verandert niet. Wel wordt de doelgroep waarop ze
van toepassing is, beperkt. De beperking is gelijk aan de beperking van de
doelgroep voor de no-riskpolis. Dit betekent dat de werkgever voor minder
werknemers een beroep kan doen op de premiekorting en zijn administratieve lasten daardoor verminderen. De
huidige administratieve
lasten die horen bij de premiekorting zijn minder dan €|90
000,-. Daarom is
het effect van de Wet
WIA
op de administratieve lasten marginaal.
Overigens is de werkgever niet verplicht om premiekorting aan te vragen.
Aanvragen van een
arbeidsplaatsvoorziening bij het UWV
Er zijn twee belangrijke
veranderingen:
• het pakket
voorzieningen wordt beperkt;
• voorzieningen worden
zoveel mogelijk aan de werknemer in plaats van aan de werkgever
verstrekt.
De eerste beperking komt
vooral voort uit de uitbreiding van de taak of verantwoordelijkheid van
de werkgever met betrekking tot arbeidsomstandigheden, waardoor meer
aanpassingen als algemeen gebruikelijk of behorende tot de arbotaak van de werkgever worden gerekend. Daarvoor wordt geen vergoeding
meer gegeven. In het begin zullen wellicht relatief meer bezwaar- en
beroepszaken gevoerd worden tegen afwijzingen op de aanvragen voor
vergoedingen. Na enige gewenning aan de nieuwe lijn zullen de werkgevers
minder aanvragen indienen. Met betrekking tot de administratieve lasten
zal uiteindelijk het aantal aanvragen geleidelijk afnemen.
rblz.|76|
In
die gevallen waarin
een voorziening door de werknemer wordt aangevraagd, zal de werkgever er nog
wel enige bemoeienis mee hebben, in verband met begeleiding
bij de aanvraag en de realisatie van de voorziening ter plaatse na toekenning
door het UWV. Net zoals bij de premiekorting wordt dit effect op de administratieve lasten geraamd op nihil.
6.4. Overige onderwerpen
Intensivering van gebruik
van schriftelijke stukken in het claimbeoordelingsproces
Voor de werkgever
veroorzaakt dit onderdeel geen verandering in de administratieve lasten.
Het betreft hier stukken
over de medische situatie van degene die een uitkering aanvraagt
(diagnose, gevolgde behandeling). Veelal zal de bedrijfsarts hierover al
beschikken. Uitgangspunt hierbij is dat voor de schriftelijke stukken zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van de informatie waarover de bedrijfsarts
toch al beschikt of die de werknemer zelf verzorgt. De werknemer
zelf moet aantonen dat hij in behandeling is bij een specialist. Hij kan
dit bijvoorbeeld doen door zijn afsprakenkaart te tonen.
Opnemen van een
verklaring van de bedrijfsarts als een vervroegde IVA-uitkering wordt
aangevraagd
Voor de werkgever
veroorzaakt dit onderdeel geen verandering in de administratieve lasten.
Als een werknemer een
aanvraag indient om een IVA-uitkering te ontvangen vóór de twee
jaar ziekte voorbij zijn - een flexibele keuring - moet zijn bedrijfsarts
verklaren dat betrokkene naar zijn mening volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is. De bedrijfsarts moet deze verklaring ook afgeven als de
IVA-uitkering op het gebruikelijke moment wordt aangevraagd. De
administratieve lasten blijven dus gelijk ten opzichte van de situatie dat er geen
vervroegde uitkering wordt aangevraagd.
De Wet SUWI
Met betrekking tot het
sofinummer (artikel 73 Wet
SUWI) wordt in dit wetsvoorstel geen informatieverplichting opgenomen voor de werkgever
of de verzekeraar. Alleen
de bevoegdheid tot het gebruik van het sofinummer wordt uitgebreid. Voor de
uitvoering betreft het technische wijzigingen die geen gevolgen hebben
voor de administratieve lasten. Voor de werkgever veroorzaakt dit
onderdeel geen verandering in de administratieve lasten.
Financiering van de Wet
WIA/Wet financiering sociale verzekeringen
De financiering van het
nieuwe stelsel levert geen extra administratieve lasten op. Voor de
bepaling van de hoogte van de uitkering (werk/niet werk, mate van benutting
van resterende verdiencapaciteit) worden door de verzekeraar gegevens
uitgevraagd bij de eigenrisicodrager. Ook kan de werkgever de verzekeraar
machtigen om deze gegevens op te vragen bij het UWV.
Declaratieregeling voor
de eigenrisicodrager
Het UWV
verstrekt in principe
de uitkeringen aan de WGA-uitkeringsgerechtigden. Het UWV declareert de loongerelateerde en de
WGA-vervolguitkering, dan wel de loonaanvulling
ter hoogte van de WGA-vervolguitkering, bij de eigenrisicodrager. De
eigenrisicodrager ontvangt dan uitsluitend een rekening die voldaan moet
worden. Dit brengt geen extra administratieve lasten met zich mee.
In het geval de
eigenrisicodrager er vrijwillig voor heeft gekozen de uitkering zelf te verstrekken, kan
de eigenrisicodrager de loonaanvulling boven de WGA-vervolguitkering
bij het UWV declareren. Dit brengt in principe wel rblz.|77|
extra administratieve
lasten met zich mee, maar het zelf verstrekken van de uitkeringen is geen
wettelijke verplichting, doch een vrije keuze van de eigenrisicodrager.
Bijgevolg blijven de extra administratieve lasten buiten de aan het wetsvoorstel
IWIA verbonden administratieve lasten.
Wijziging van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
In de wijziging van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten wordt het bestaande
besluit aangepast aan de Wet
WIA. Ook wordt de mogelijkheid gecreëerd om nadere
regels te stellen omtrent het maatmaninkomen; dit in verband met de
inwerkingtreding van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in
socialeverzekeringswetten
(Walvis). Dat levert een
besparing op van de administratieve lasten van circa €|3 miljoen vanaf 2009,
wat al is meegenomen in de genoemde wijziging. Deze lastenverlichting
zal voor dit wetsvoorstel niet meer meetellen.
Voor een
offerteaanvraag
bij een verzekeraar zal het UWV eenmalig gegevens leveren op verzoek van de
werkgever. De administratieve lasten die hierbij horen, zijn al
meegeteld bij het aanvragen eigenrisicodragerschap in paragraaf
6.2. De
eigenrisicodrager levert alle andere gegevens rechtstreeks aan de verzekeraar.
Aangezien dit een afspraak is tussen de eigenrisicodrager en de verzekeraar, valt
dit buiten de definitie van de administratieve lasten.
6.5. Totaalbeeld
De hierboven beschreven
maatregelen leveren in totaal een structurele stijging van de
administratieve lasten op van €|0,7 miljoen vanwege de uitbreiding van de
no-riskpolis. Dit is een volume-effect, wat ertoe leidt dat ondanks de
vereenvoudigde regelgeving er aanvankelijk toch een lichte stijging is van de
administratieve lasten. Samen met het al in het wetsvoorstel WIA
opgenomen volume-effect ¹ van €|–0,7
miljoen is het totaaleffect voor de
administratieve lasten van het wetsvoorstel WIA en het onderhavige
wetsvoorstel dus €|–0,2 miljoen.
Wel is er in 2007 een
incidentele stijging van €|1,5 miljoen, omdat alle eigenrisicodragers
WAO
ook eigenrisicodrager IVA worden. Dit bedrag kan oplopen afhankelijk
van het aantal nieuwe aanvragen voor het eigen
risico dragen door bedrijven die nu nog
publiek verzekerd zijn voor de WAO. Ten aanzien van de Wet
SUWI en de financiering van de Wet
WIA
(de aspecten van de Wfsv niet meegeteld) zijn er geen veranderingen in de administratieve
lasten. In onderstaande tabel staat het totale overzicht van de gevolgen
van de
invoering van de Wet WIA
en het onderhavige wetsvoorstel voor de
administratieve lasten.
1. In de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel WIA
is
gemeld dat het volume-effect op de administratieve
lastendruk voor het bedrijfsleven een
structurele daling zal zijn van €|1,0 miljoen,
waarvan €|0,3 miljoen al is ingeboekt bij de
Wet
verlenging loondoorbetaling bij ziekte 2003.
Tabel. Totaaloverzicht
van de administratievelastenontwikkeling. Positieve bedragen betekent een
verzwaring
van de administratieve lasten (in miljoen euro):
| Structureleradministratieverlasten |
WAO |
Wet
WIA |
Verschil |
| Volume-effect
Wet WIA |
v5,0 |
v4,3 |
–0,7 |
| Eigen
risico WGA/IVA ¹ |
v0,4 |
v0,4 |
v0,0 |
| Wet
Rea/no-riskpolis |
v6,7 |
v7,2 |
v0,5 |
| Totaal |
12,1 |
11,9 |
–0,2 |
1. De hoogte van de
administratieve lasten is sterk afhankelijk van het aantal bedrijven dat
het eigenrisicodragerschap
zal gaan aanvragen. De cijfers in deze tabel zijn gebaseerd op de
voorbeelden zoals die gegeven zijn in
paragraaf 6.2. Voor de structurele situatie is uitgegaan van het huidige aantal nieuwe
aanvragen voor het eigenrisicodragerschap door startende bedrijven. Elke
1000 meer nieuwe
aanvragen dan nu leidt tot een verhoging van circa €|0,1 miljoen aan
administratieve lasten.
Tabel. Tijdreeks voor de
veranderingen in de administratieve lasten (in
miljoen euro):
| Jaarxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
Structureel |
| Volume-effect
Wet WIA |
–0,1 |
–0,1 |
–0,2 |
–0,2 |
–0,3 |
–0,7 |
| Eigen
risico WGA/IVA* ¹ |
v0,0 |
v1,5 |
v0,0 |
v0,0 |
v0,0 |
v0,0 |
| Wet
Rea/no-riskpolis |
v0,1 |
v0,2 |
v0,3 |
v0,4 |
v0,5 |
v0,5 |
| Totaal |
v0,0 |
v1,6 |
v0,1 |
v0,2 |
v0,2 |
–0,2 |
rblz.|78|
1. De hoogte van de
administratieve lasten is sterk afhankelijk van het aantal bedrijven dat
het eigenrisicodragerschap
zal gaan aanvragen. De cijfers in deze tabel zijn gebaseerd op de
voorbeelden zoals die gegeven zijn in
paragraaf 6.2. Voor de structurele situatie is uitgegaan van het huidige aantal nieuwe
aanvragen voor het eigenrisicodragerschap door startende bedrijven. Elke
1000 meer nieuwe
aanvragen dan nu leidt tot een verhoging van circa €| 0,1 miljoen aan
administratieve lasten.
6.6. Gevolgen voor de
rechterlijke macht
Het onderhavige
wetsvoorstel leidt niet tot een toename van de belasting van de rechterlijke
macht. Het overgangsrecht eerbiedigt bestaande WAO-uitkeringsrechten,
zodat geen extra beslissingen en daaruit voortvloeiende gerechtelijke procedures
zijn te verwachten. Voor wat de financieringsstructuur
van het nieuwe stelsel betreft geldt dat er ook in de huidige situatie reeds
sprake is van premiedifferentiatie en de mogelijkheid voor werkgevers om zelf
het risico van de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering te dragen. Weliswaar
verschilt de nieuwe regeling van de financiering en
het eigen risico dragen op detailniveau in belangrijke mate van de
huidige regeling, maar deze verschillen leiden niet tot extra beslissingen en als gevolg daarvan tot extra bezwaar- en
beroepsprocedures. De
voorgestelde aanpassingen op het vlak van de reïntegratie betreffen
voornamelijk wetstechnische wijzigingen, waarbij voorzieningen die in de
Wet Rea
waren geregeld - voor zover nodig - in andere wetgeving worden
ondergebracht. Deze en ook de overige in dit wetsvoorstel geregelde
onderwerpen leiden niet tot een toename van de belasting van de
rechterlijke macht.
7. Uitvoeringskosten
In de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel WIA is in paragraaf 13.5 in kwalitatieve zin
beschreven wat het effect van het wetsvoorstel WIA
is op de
uitvoeringskosten. Daarbij is tevens aangegeven dat in de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel IWIA een kwantitatief beeld van het effect van het
WIA-complex op de uitvoeringskosten wordt geschetst.
De invoering van het
wetsvoorstel WIA
heeft langs meerdere wegen effect op het structurele niveau
van de uitvoeringskosten:
1. Als gevolg van de
stelselherziening is naar verwachting sprake van een forse instroomreductie.
Als gevolg van de strengere criteria zal, naast een blijvende groep
volledig en duurzaam arbeidsongeschikten in de IVA, een deel van de
groep die volgens het huidige WAO-criterium arbeidsongeschikt
is in
de WGA-regeling terecht komen of niet arbeidsongeschikt worden
verklaard. Derhalve zullen er op de langere termijn minder personen
door het UWV van een uitkering worden voorzien. Tevens zullen minder
personen worden herbeoordeeld en zo mogelijk gereïntegreerd,
waardoor ook minder trajecten zullen worden ingezet. Voor een deel
zal hierbij overigens sprake zijn van weglek naar de WW. Er zal zodoende
door de instroomreductie sprake zijn van een daling van de
WAO-uitvoeringskosten en een geringe stijging van de
WW-uitvoeringskosten.
2. De
herbeoordelingsystematiek is reeds drastisch gewijzigd door het wegvallen van de
wettelijke eerste- en vijfdejaarsherbeoordeling en de introductie van de cohortsgewijze
herbeoordelingen. Deze wijziging is gedurende de
herbeoordelingsoperatie kostenneutraal in die zin dat de vrijgevallen capaciteit
vanwege het wegvallen van de wettelijke rblz.|79|
herbeoordelingen door het UWV
wordt ingezet voor de uitvoering van de cohortsgewijze
herbeoordelingen. Vanaf 2006 zullen professionele herbeoordelingen in het
kader van IVA, WGA en WAO worden uitgevoerd en vindt indien sprake is
van "geringe kans op herstel", gedurende de eerste vijf jaar
jaarlijks een herbeoordeling plaats. Vanaf medio 2006 levert de wijziging
in de herbeoordelingsystematiek een besparing op de uitvoeringskosten
op. Deze besparing wordt meegenomen in het kader van dit
wetsvoorstel.
3. De claimbeoordeling
wordt kwalitatief verbeterd. Het UWV zal vaker dan voorheen een intensievere
claimbeoordeling toepassen en beslissingen voor de IVA worden
genomen door een beslissingsautoriteit. Daarnaast moet in het
keuringsproces gewerkt worden met lijsten en protocollen. Ook bestaat
er voor evidente gevallen de mogelijkheid om na minimaal een halfjaar
wachttijd een verzoek tot een vervroegde keuring in te dienen. Dit
zal leiden tot een stijging van de uitvoeringskosten per claimbeoordeling.
4. Het eerbiedigende
overgangsrecht leidt tot het langdurig naast elkaar bestaan van een
WAO-stelsel en een WIA-stelsel. Het WAO-stelsel kent alleen nog uitstroom en
geen nieuwe instroom en zal zodoende langzaam in omvang afnemen. Bij
het afnemende volume zal het noodzakelijke systeemonderhoud en de
doorvoering van eventuele wijzigingen de gemiddelde kosten van
het bestandsbeheer WAO doen toenemen.
5. De huidige samenloop
WW/WAO komt te vervallen in de WGA-regeling. Dit zal tot een efficiencyverbetering en dus besparing op de
uitvoeringskosten kunnen
leiden. Tevens zullen de uitvoeringskosten bezwaar en beroep met
name in het eerste jaar na invoering van de Wet WIA stijgen.
6. De Wet
Rea komt te
vervallen. De reïntegratie-instrumenten die worden gehandhaafd, worden ondergebracht in de
materiewetten. De
herstructurering van het
reïntegratie-instrumentarium heeft een budgettair neutraal
effect op de uitvoeringskosten. De indicatiestelling arbeidsgehandicapten voor
onder meer de Wwb-populatie gaat over naar het CWI. Naast
eenmalige kosten leidt dit tot een structurele kostenstijging bij de CWI.
7. In het wetsvoorstel
IWIA wordt tevens een aantal bijkomende zaken geregeld. Het betreft
onder meer wijzigingen in de TW voor WGA/IVA-gerechtigden om samenloop met
Ioaw te
vermijden en de afsluiting van de Wamil voor nieuwe
gevallen. Deze maatregelen zullen slechts in beperkte mate effect
hebben op de uitvoeringskosten.
8. Het wetsvoorstel IWIA
regelt tevens de mogelijkheden tot eigen
risico dragen en de publieke premiedifferentiatie. Dit kan leiden tot een
aanvullende besparing op
de uitvoeringskosten van het UWV oplopend tot €|10
miljoen in 2010,
aangezien de betreffende werkgevers de mogelijkheid hebben zelf zorg te dragen voor de betaling van de uitkeringen
(inbegrepen in
onderstaande tabel). De omvang van deze besparing is uiteraard afhankelijk van
de mate waarin van deze mogelijkheid gebruik zal worden
gemaakt.
9. Voorts is sprake van
een kostenverhogend effect vanwege de noodzakelijke gegevensuitwisseling.
Incidenteel zal dit tot een kostenverhogend effect leiden vanwege de
beoordeling door het UWV van (nieuwe) aanvragen voor eigen risico dragen WGA.
Tabel. Besparing op
structurele uitvoeringskosten van het UWV (in miljoen euro):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2006 |
2007 |
2008 |
2010 |
2020 |
| Herbeoordelingen |
–50 |
–33 |
–27 |
–30 |
–43 |
| Wet
WIA |
v29 |
v24 |
v19 |
vv8 |
–33 |
| WW |
v–3 |
v–7 |
v–7 |
v–7 |
v–7 |
| Bezwaar
en beroep |
v10 |
vv0 |
vv0 |
vv0 |
vv0 |
| Totaal |
–14 |
–16 |
–15 |
–29 |
–83 |
rblz.|80|
Uitgaande van de in de
memorie van toelichting gehanteerde volumeveronderstellingen en rekening
houdend met
het effect van de wijziging van de systematiek van de
herbeoordelingen loopt de besparing op de structurele
uitvoeringskosten UWV op de langere termijn (2020) op tot circa €|85 miljoen op
jaarbasis.
Naast bovenstaande
structurele effecten zal sprake zijn van omvangrijke eenmalige
implementatiekosten. Deze kosten zijn verspreid over de jaren 2005-2008
en bedragen in
totaal €|127 miljoen. De implementatiekosten hangen voornamelijk samen
met de ombouw van de huidige ICT-systemen tot een nieuw systeem.
Aangezien het UWV
in de uitvoeringstoets heeft aangegeven dat een geheel
nieuw systeem om de Wet
WIA
uit te voeren op zijn vroegst per 2008 gereed zal zijn, is voorts sprake van extra kosten wegens het bouwen van een
noodvoorziening en de tijdelijk deels handmatige uitvoering. Daarnaast
zijn invoeringskosten voorzien als gevolg van productieverlies tengevolge van
inleren, beoordeling van aanvragen voor eigen risico dragen
WGA en aanpassing van de polisadministratie.
Tabel.
Implementatiekosten (in
miljoen euro):
| 2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
2008 |
TotaalrUWV |
| 1 |
39 |
58 |
24 |
5 |
127 |
Het WIA-complex zal
eveneens tot implementatiekosten leiden aan de zijde van de belastingdienst
als gevolg van de taken van de belastingdienst ingevolge de Wfsv/Walvis/SUB
[SUB: samenwerking UWV
en belastingdienst, red.]
en aan de zijde van de CWI
als gevolg van de overgang van de
indicatiestelling arbeidsgehandicapten.
De
belastingdienst raamt
de uitvoeringskosten op €|5 miljoen in 2006, aflopend tot structureel €|3
miljoen
op jaarbasis vanaf 2009.
De kosten van de
indicatiestelling zullen voor rekening komen van de gemeenten; aangezien
gemeenten thans al de kosten voor de indicatiestelling dragen, treedt in dit
opzicht geen wijziging op.
8. Ontvangen commentaren
8.1. Inleiding
Een concept van het
wetsvoorstel is aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) gezonden
met het
verzoek dit wetsvoorstel van uitvoeringstechnisch
commentaar te voorzien. Ook is het concept-wetsvoorstel gezonden aan de Inspectie
Werk en Inkomen (IWI) met het verzoek de toezichtbaarheidsaspecten van dit wetsvoorstel te beoordelen.
Daarnaast is een concept-wetsvoorstel gezonden aan de Raad voor werk en inkomen (RWI), de
Centrale organisatie werk en inkomen, het College bescherming
persoonsgegevens (CBP) en het Adviescollege toetsing administratieve lasten
(Actal).
In dit hoofdstuk worden
de ontvangen commentaren samengevat en voorzien van een reactie
van de regering. Indien het commentaar aanleiding heeft gegeven tot een
aanpassing van dit wetsvoorstel, wordt dat toegelicht.¹
1. Ter inzage gelegd bij
het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
rblz.|81|
8.2. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
Het UWV
gaat in zijn
uitvoeringstoets in op punten die zien op de implementatie en
uitvoerbaarheid van onderhavig wetsvoorstel. Daarbij gaat het UWV tevens
na of gelijktijdige invoering van de Wet
WIA,
IWIA en Walvis/SUB/Wfsv per 1 januari 2006 mogelijk is. Voorts is het UWV in
zijn toets op punten van meer inhoudelijke aard ingegaan.
Implementatie,
uitvoerbaarheid en financiering
Het
UWV geeft aan dat
invoering van de Walvis/SUB/Wfsv zonder nadere interventies per 1 januari
2006 mogelijk is. De IWIA heeft echter grote gevolgen voor de
systemen die reeds in het kader van de Walvis/SUB/Wfsv zijn ontwikkeld. Het
UWV komt daarom tot de conclusie dat integrale invoering van de Wet
WIA, IWIA
en Walvis/SUB/Wfsv per 1 januari 2006 niet mogelijk is.
Voorts stelt het
UWV dat
de raming van de instroom in de Wet
WIA
voor 2006, op basis waarvan de
rentehobbel is vastgesteld, te hoog is.
Reactie regering
Naar
aanleiding van het
commentaar van het UWV heeft nader overleg plaatsgevonden met het UWV.
Dit overleg heeft geleid tot een aantal wijzigingen van het wetsvoorstel
op het punt van de financiering van de WGA- en IVA-uitkeringen in 2006
en 2007. Voor deze jaren wordt op een aantal punten afgeweken van de
voor de WGA- en IVA-uitkeringen voorziene structurele
financieringswijze.
In 2006 is voor de
financiering van de WGA in die zin sprake van een overgangssituatie dat
wel sprake zal zijn van eigen
risico dragen WGA, maar nog niet van
premiedifferentiatie WGA. Dat laatste zal in 2007 worden ingevoerd,
waarbij in 2007 alleen de huidige twee bedrijvencategorieën worden
onderscheiden, dit in afwijking van de structurele situatie (vanaf 2008)
waarin sprake is van drie categorieën.
De overgangsregeling in
2007 voor de IVA betreft het ook in dat jaar niet toepassen van
premiedifferentiatie. Dit is ingegeven door het streven naar beheersing
van administratieve en uitvoeringslasten, mede met het oog op de
voorwaardelijke afschaffing van de Pemba en mede naar aanleiding van
opmerkingen van het UWV hierover.
In
hoofdstuk 3 van deze
memorie van toelichting zijn de verschillende situaties beschreven zoals
die gelden vanaf 2006. De regering is van oordeel dat met het uitstel
van de beoogde financieringsmethodiek aan de bezwaren van het UWV
tegemoet is gekomen.
In juni 2005 zal
definitieve vaststelling van de hoogte van de rentehobbel plaatsvinden
op basis van de meest actuele instroomramingen.
Overgangsrecht
Het
UWV merkt op dat de
eerbiediging van bestaande rechten op grond van de WAO
betekent dat voor
een steeds kleiner wordend aantal gevallen nog maximaal 47 jaar kennis
over de WAO en de ondersteunende systemen in stand moet blijven. Op
termijn zal daardoor de verhouding tussen uitkeringslasten en
uitvoeringskosten voor deze categorie disproportioneel worden.
Reactie regering
De regering onderkent dat
de keuze voor de eerbiediging van bestaande rechten op grond van de WAO
impliceert dat het UWV gedurende nog maximaal 47 jaar twee
afzonderlijke en van elkaar verschillende stelsels moet uitvoeren en dat
hieraan extra uitvoeringskosten zijn verbonden. De argumenten op grond waarvan de regering is gekomen tot de keuze voor
rblz.|82|
eerbiediging van
bestaande rechten en die zijn opgenomen in hoofdstuk 2 wegen echter zwaarder.
Wijzigingen Wet Rea
Het
UWV merkt op dat met
intrekking van de Wet
Rea teruggekeerd wordt naar de situatie vóór
invoering van de Wet Rea. De onoverzichtelijkheid van doelgroepen en
instrumenten was aanleiding tot invoering van die
wet. Het UWV heeft de
eenduidigheid van de Wet Rea
altijd als positief ervaren en betreurt de
versnippering. Dit geldt ook voor de versnippering van het
Reïntegratiefonds over meerdere fondsen, waarbij het risico ontstaat van problemen
inzake rechtmatigheid en verantwoording bij samenloopsituaties.
Tevens heeft het UWV nadere opmerkingen en vragen bij de wettekst en
toelichting.
Reactie regering
Het intrekken van de
Wet Rea
en het opnemen van de doelgroepen en instrumenten in andere
wetten is uitgebreid gemotiveerd in paragraaf 4.1 van deze memorie van
toelichting. Na inwerkingtreding van de Wet Rea
zijn in de loop der tijd
wijzigingen doorgevoerd in de Wet Rea
en in andere wetten waardoor de
Wet Rea
niet meer geheel correspondeert met de oorspronkelijke
opzet. Daarbij is gewezen op de rolverdeling tussen sociale partners
en de overheid en de deregulering en vereenvoudiging van het instrumentarium.
Daarnaast is van belang dat door toetreding van verzekeraars tot het
stelsel van de arbeidsongeschiktheidsverzekering de financiering van
reïntegratietrajecten voor een belangrijk deel niet meer uit het
publieke reïntegratiebudget geschiedt. Ook hebben inzichten over gebruik en
effectiviteit van het instrumentarium geleid tot wijzigingen in de
regelingen. Tot slot is nog van belang op te merken dat de neerwaartse
aanpassingen die voor het Rea-budget zijn
vastgesteld geen aanleiding vormen
tot het ongewijzigd voortzetten van de Wet Rea. Met de invoering van de Wet WIA
en intrekking van de Wet Rea
worden de verschillende
reïntegratie-instrumenten gericht ingezet voor diegenen die daadwerkelijk een
beroep moeten doen op de verschillende instrumenten. Door de instrumenten op
te nemen in de verschillende materiewetten ontstaat voor de
gedeeltelijk arbeidsgeschikten, die op deze wetten een beroep moeten doen na
invoering van de Wet WIA, zowel een kader voor de inkomensderving
als voor de ondersteuning bij reïntegratie. Hiermee zal naar
verwachting de effectiviteit en efficiency van de instrumenten worden vergroot.
Het is mogelijk dat
instrumenten worden ingezet voor personen die rechten ontlenen aan
meerdere wetten. Wat betreft de mogelijke samenlooprelaties worden
daarbij geen problemen verwacht met betrekking tot de rechtmatigheid en
verantwoording. Het aantal gevallen waarbij een persoon rechten op
uitkering ontleent aan verschillende wettelijke regelingen zal niet
toenemen ten opzichte van de voorheen bestaande wetgeving. Wel is het
mogelijk dat in meer gevallen dan voorheen een keuze zal moeten worden
gemaakt uit welk fonds de middelen voor een reïntegratie-instrument
worden gehaald. Zo nodig zullen hiervoor regelingen worden getroffen.
De regering heeft van de
door het UWV gemaakte opmerkingen gebruik gemaakt om de wettekst en
de daarop gegeven toelichting te verduidelijken.
Gegevensverstrekking
Het
UWV is van mening dat
de gegevensverstrekking door het UWV in het kader van verzekeringen
inzake loondoorbetaling, premiebetaling of het eigenrisicodragerschap
aan de werkgever en niet aan de verzekeraar moet plaatsvinden
rblz.|83|
Reactie regering
Zoals nader uiteen is
gezet in paragraaf 5.6 dient het UWV
een beperkt aantal gegevens aan de
werkgever te verstrekken. Slechts met een machtiging van de werkgever kan het
UWV deze gegevens rechtstreeks aan de verzekeraar verstrekken.
Het commentaar van het UWV is voor de regering (mede) aanleiding geweest
de wettekst en de toelichting op dit punt aan te passen en te
verduidelijken.
Medische
gezondheidsgegevens
Voorts bepleit het
UWV na
te gaan onder welke voorwaarden bij het regelen van de
gegevensverstrekking voor verzekeringsartsen een verplichting bestaat
gezondheidsgegevens te verstrekken. Ook wijst het UWV op de uitzonderingen
op de bepalingen in de Wet op de geneeskundige
behandelingsovereenkomst (Wgbo). Het gaat om de bepalingen waarin de arts
slechts met toestemming van de patiënt gegevens mag doorsturen naar een
ander en het blokkeringsrecht van de patiënt over een
keuringsrapport. Deze bepalingen gelden tijdelijk niet voor onder
anderen verzekeringsartsen. Het UWV stelt vast dat deze uitzonderingen (geregeld bij algemene
maatregel van bestuur van 13 maart 2000, Stb. 2000, 121) met ingang van 1 mei
2005 niet meer zouden gelden.
Reactie regering
De regering stelt vast
dat bij het verstrekken van medische gegevens door het UWV
aan derden niets
verandert ten opzichte van de huidige situatie. Dit betekent dat op grond
van de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt beoordeeld of
bij de verwerking van deze gegevens door het UWV gegevensverstrekking
aan derden is toegestaan. Dit betekent dat slechts met
uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene het UWV medische gegevens aan de
verzekeraar mag verstrekken.
Bij
Besluit van 22 maart
2005, Stb. 2005, 174, is de in de AMvB geregelde uitzonderingstermijn
verlengd tot 2010. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat deze uitzonderingen
in de relevante wetten
op het SZW-terrein een structurele regeling
kennen. Dit wetsvoorstel bevat deze structurele regeling in
artikel 74 Wet SUWI
(voor de verwerking van gegevens door het UWV, SVB
[Sociale verzekeringsbank, red.] en CWI) en door
aanpassing van artikel 14 van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 voor de taak van de
bedrijfsarts. De regering komt tot de conclusie dat
de door het UWV bepleite continuering van deze uitzonderingen daarmee
wordt geëffectueerd.
Arbeidsgehandicaptenstatus
Het
UWV merkt op dat de
beoogde bescherming van de arbeidsgehandicaptenstatus gedurende de eerste
twee
maanden van een nieuw dienstverband niet sluitend is voor in
het kader van de WAO
te nemen beslissingen. Indien binnen de eerste
twee maanden ongeschiktheid tot werken intreedt en deze ongeschiktheid
leidt tot een snelle beslissing inzake herleving/verhoging van de
uitkering, móét deze beslissing aan de actuele werkgever worden uitgereikt als
belanghebbende in de zin van de Awb. Indien deze situatie niet als
wenselijk wordt geacht, is naar de mening van het UWV een aanvullende
wettelijke bepaling vereist.
Het
UWV is voorts van
oordeel dat de voorgestelde regeling voor het UWV een onduidelijke
positie oplevert. Het UWV heeft daarbij de situatie op het oog waarin de
werkgever vanuit het belang van een eventueel recht op premiereductie
direct bij indienstneming van een arbeidsgehandicapte het UWV verzoekt om
informatie over de status van de werknemer.
rblz.|84|
Reactie regering
Met de voorgestelde
regeling beoogt de regering, mede naar aanleiding van het verzoek van het
CBP, duidelijkheid te bieden waar het betreft de periode van bescherming
van de status gedeeltelijk arbeidsgeschikte, met name in het verkeer
tussen werknemer en werkgever. Uitgangspunt is dat de periode van
bescherming de sollicitatieperiode omvat, alsmede twee maanden na
indiensttreding. In deze periode mag de werkgever niet vragen naar de status van
de werknemer en is de werknemer niet verplicht ter zake zijn
status bekend te maken aan de werkgever. Is deze periode verstreken, dan
mag de werkgever de werknemer wel naar diens status vragen en is de
werknemer ook verplicht deze bekend te maken. De regering is van
oordeel dat de voorgestelde regeling de beoogde duidelijkheid biedt. De
regeling voorkomt echter niet dat het in bijzondere gevallen kan vóórkomen
dat de status van de werknemer al eerder bij de werkgever bekend wordt.
Gedacht kan worden aan de situatie waarin de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte die aan het werk gaat bij een nieuwe werkgever heel snel weer uitvalt en
het UWV vervolgens snel een besluit kan nemen over de
uitkeringssituatie, waarbij de nieuwe werkgever direct belanghebbende is. De
regering acht het niet waarschijnlijk dat zulke gevallen, waarin
verschillende mutaties zich snel opvolgen, zich vaak zullen voordoen.
De regering ziet niet in
dat de voorgestelde regeling een onduidelijke situatie voor het UWV
oplevert. Zoals het UWV zelf in zijn commentaar ook aangeeft, kan het UWV
het doen van mededelingen daarover aanhouden voor de duur
van de eerste twee maanden van het dienstverband van betrokken werknemer
en zich daarbij beroepen op het systeem van de wet waarin
bescherming van de werknemer op het punt van zijn arbeidsgehandicaptenstatus
tegenover zijn werkgever geboden wordt binnen een periode van
twee maanden. Na deze periode kan het UWV zich hierop niet langer
beroepen en dient het de werkgever te informeren.
Ontwikkeling
uitkeringslasten
Het
UWV wijst erop dat de WAO-instroom in 2004
circa 58 000 bedraagt en daarmee afwijkt van de
gehanteerde basisinstroom van 73 000 in de WAO. Als de trend met
betrekking tot 2004 zich doorzet, zal het structurele niveau van uitkeringslasten WAO
en Wet WIA
ook circa 20% lager zijn dan in de gehanteerde berekeningen is aangegeven. Volgens het UWV is onduidelijk
in welke mate de Wet WIA
zelf aan de besparingen bijdraagt. Voorts merkt het UWV op dat als het
uitkeringsniveau in de IVA te zijner tijd wordt verhoogd, de structurele
uitkeringslasten van de Wet WIA naar verwachting hoger zullen zijn dan van
de huidige WAO.
Reactie regering
De regering zal in de
loop van 2005 bezien of de instroomuitgangspunten op basis van de stand van
zaken op dat moment bijstelling behoeven. De regering acht het van
belang op te merken dat ook bij een lagere instroom dan thans begroot, de
Wet WIA
nog steeds een besparing oplevert.
Uitvoerings- en
invoeringskosten
Het
UWV raamt de
structurele uitvoeringskosten over 2006 en 2007 op €|40 miljoen
respectievelijk €|22 miljoen. De invoeringskosten van de
Wet WIA
en de IWIA raamt het UWV
op €|151 miljoen.
Reactie regering
Naast de becijfering van
de structurele uitvoeringskosten zoals door het UWV
opgenomen in de
uitvoeringstoets, dienen ook de effecten van de wijziging van de systematiek van
herbeoordelingen betrokken te worden. In de memorie van
toelichting
bij het voorstel van Wet wijziging systematiek herbeoordelingen
arbeidsongeschiktheidswetten (Kamerstukken II 2003-2004, 29 498,
nr. 3) is immers opgenomen dat de ontwikkeling rblz.|85|
van de
uitvoeringskosten arbeidsongeschiktheid op lange termijn bezien zal worden in het
kader van de nog bij de Staten-Generaal aanhangig te maken wetsvoorstellen
met betrekking tot het nieuwe arbeidsongeschiktheidsstelsel.
In 2004, 2005 en deels in
2006 wordt de vrijgevallen capaciteit bij het UWV als gevolg van het wegvallen
van de wettelijke herbeoordelingen, de verlenging van de loondoorbetaling
en het vervallen van de toegang tot de WAZ ingezet voor de
cohortsgewijze herbeoordelingen. Vanaf medio 2006 komt deze capaciteit
structureel beschikbaar. Hiermee rekening houdend laten de structurele
uitvoeringskosten een besparing zien.
De raming van de
invoeringskosten van het UWV bedraagt €|151 miljoen over de jaren 2005-2008. Het
verschil tussen het door het UWV gevraagde bedrag en de beschikbare €|127
miljoen wordt verklaard door het niet meenemen van een door het UWV opgevoerde
risico-opslag van 30% op een deel van de ICT-kosten (gezien het
feit dat dit niet gebruikelijk is in de relatie UWV-SZW en dat UWV bij
evidente meerkosten onderbouwd om aanvullend budget kan vragen),
halvering van de kosten verbonden aan het beoordelen van eigen risico
dragen WGA (gezien het feit dat werkgevers die eigenrisicodrager WAO
waren vóór 1 januari 2005 van rechtswege eigenrisicodrager WGA worden)
en halvering van de ICT-kosten in 2008 voor de bouw van definitieve
voorzieningen voor de Wet
WIA
(gezien het feit dat het UWV heeft aangekondigd dat
deze voorzieningen vanaf 1 januari 2008 operationeel zullen zijn).
8.3. De Inspectie Werk en
Inkomen (IWI)
De IWI geeft aan dat de
keuze van de regering om na invoering van de Wet
WIA
bestaande rechten
op grond van de WAO
te eerbiedigen geen problemen oplevert om
haar toezichthoudende taken te kunnen uitvoeren, mits in beide stelsels
duidelijk is wat van het UWV wordt verwacht. Voorts wijst de IWI nog op de
kwetsbare situatie die ontstaat als gevolg van de korte termijn die nog
resteert tot de beoogde inwerkingtredingsdatum van de Wet
WIA, in relatie
tot de cumulatie met overige ingrijpende wetgeving waarvan de ingangsdatum
eveneens op 1 januari a.s. is voorzien (zoals de Walvis en
Wfsv).
De
IWI merkt op dat de
vermelding in de memorie van toelichting dat loondispensatie
nauwelijks wordt ingezet voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten, maar met name voor
jonggehandicapten, niet spoort met informatie waarover zij beschikt.
Volgens de IWI is loondispensatie in 2003 1132-maal ingezet,
waarvan 591 keer voor niet-jonggehandicapten.
Voorts is de
IWI van
oordeel dat het concept-wetsvoorstel op onderdelen niet duidelijk is. Ook is
er soms sprake van een verschil in vormgeving tussen overeenkomstige
bepalingen in verschillende wetten. De IWI maakt tevens een aantal
technische en redactionele opmerkingen.
Reactie regering
De regering heeft kennis
genomen van het feit dat de IWI aangeeft geen problemen te ondervinden
om haar toezichthoudende taken ten aanzien van de Wet
WIA
en de WAO
te
kunnen uitvoeren. Ter zake van de cumulatie met andere wetgeving zij
verwezen naar hetgeen hierover naar aanleiding van het UWV-commentaar
door de regering is opgemerkt.
De regering merkt op dat
de door de IWI genoemde aantallen van gebruik van
loondispensatie gezien
worden als een bevestiging van hetgeen in deze memorie van
toelichting is gemeld. Naar verhouding tot het aantal werkende personen met een
Wajong-uitkering, respectievelijk een andere uitkering, wordt
van het instrument overwegend gebruik gemaakt rblz.|86|
door personen met een Wajong-uitkering en is er nauwelijks een gebruik door andere
personen.
De regering heeft van de
door de IWI gemaakte opmerkingen dankbaar gebruik gemaakt om de
wettekst en de daarop gegeven toelichting te verduidelijken.
8.4. De Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI)
De CWI
gaat uitvoerig in
op de nieuwe taak die haar in de IWIA wordt toebedeeld: de
indicatiestelling van de gemeentelijke doelgroep om in aanmerking te komen voor
de no-riskpolis en premiekorting. Ook maakt de CWI opmerkingen over
het gebruik van het sofinummer en gegevensverstrekkingen.
Indicatiestelling
De
CWI onderschrijft het
belang dat de indicatiestelling van arbeidsgeschiktheid van personen die een
uitkering op grond van de Wwb ontvangen in plaats van
bij de gemeente bij de CWI wordt belegd. De CWI merkt daarbij op dat het
van groot belang is dat er voor de indicatie heldere, objectief
bepaalbare en werkbare besliscriteria worden ontwikkeld. Gelet op de samenhang die
bestaat tussen de Wsw-indicatie en de indicatiestelling in
verband met artikel 29b ZW/premiekorting gaat de CWI ervan uit dat bij laatstgenoemde indicatiestelling dezelfde systematiek kan
worden gevolgd als bij de
(her)indicatie Wsw.
Toename van beroep op de
Wsw
De
CWI merkt naar
aanleiding van het voornemen om de loondispensatie en de persoonlijke
ondersteuning alleen nog maar ter beschikking te stellen van de personen
die behoren tot de populatie van de Wajong op dat dit naar verwachting
zal leiden tot een toename van het beroep op de Wsw en het aantal
verzoeken om indicatiestelling Wsw.
Implementatie en kosten
De
CWI geeft aan dat de
termijn die nodig is voor de implementatie van de indicatiestelling in
de werkprocessen onder meer afhangt van de hanteerbaarheid van de
besliscriteria. De CWI pleit voor een directe financiering van de kosten en niet
voor een doorbelasting van de kosten per indicatie aan de betrokken gemeente.
Gebruik sofinummer en
gegevensverstrekkingen
De
CWI neemt aan dat voor
de uitvoering van de indicatiestelling het sofinummer zal worden
gebruikt, maar mist nog de wettelijke bevoegdheid daartoe. Tevens pleit de
CWI voor een algemene bevoegdheid om het sofinummer te
gebruiken voor de wettelijke taken die CWI uitvoert. Voorts gaat de CWI ervan
uit dat bij de indicatiestelling gebruik kan worden gemaakt van reeds
in de keten aanwezige gegevens omtrent betrokkene.
Reactie regering
Indicatiestelling
Met betrekking tot de
positionering van de indicatiestelling heeft de regering acht geslagen op de sinds
2005 bij de CWI belegde taak tot indicatiestelling voor de
Wsw. Juist in
verband met de belegging van die indicatiestelling bij de CWI en diverse
aspecten die in beide indicatiestellingen een rol kunnen spelen, heeft de regering
ervoor gekozen om de indicatiestelling
voor de genoemde
instrumenten bij de CWI te beleggen. Aan de CWI wordt gevraagd om in
samenwerking met het UWV nadere uitwerking te geven aan de indicatiestelling.
rblz.|87|
Toename van beroep op de
Wsw
De regering deelt de
verwachting van de CWI - dat het beroep op de
Wsw zal toenemen - niet.
Blijkens informatie van het UWV
wordt de persoonlijke ondersteuning thans
vrijwel uitsluitend ingezet voor (verstandelijk) gehandicapten met een Wajong-uitkering. Ook de loondispensatie wordt naar verhouding tot het
aantaal werkenden nauwelijks gebruikt ten behoeve van andere
personen dan personen met een Wajong-uitkering. Een groter beroep op
(indicatiestelling voor) de Wsw is daarom naar het oordeel van de regering
niet aannemelijk.
Implementatie en kosten
De regering gaat ervan
uit dat de invulling van de indicatiestelling op een zodanig tijdstip bekend
is dat de CWI in staat is dit uit te voeren op het moment van
inwerkingtreding van de Wet
WIA. Het te verwachten aantal personen waarvoor een
indicatie gevraagd wordt, wordt hierbij betrokken. De regering houdt bij de
implementatie van het wetsvoorstel rekening met de voorkeur van de
CWI voor een directe financiering van de kosten.
Gebruik sofinummer en
gegevensverstrekkingen
De regering komt aan het
verzoek van de CWI om een wettelijke bevoegdheid voor het gebruik van het
sofinummer tegemoet. De wettekst is op dit punt aangepast. De
veronderstelling van de CWI dat bij de indicatiestelling gebruik kan worden
gemaakt van reeds in de keten aanwezige gegevens omtrent betrokkene is
correct. De toelichting is op dit punt verduidelijkt.
8.5. De Raad voor
werk en inkomen (RWI)
Algemeen
Gelet op het ingrijpende
karakter van de invoering van de Wet
WIA vraagt de
RWI in zijn commentaar
aandacht voor een realistische voorbereidingstijd voor de instanties die
belast zijn met de uitvoering van de Wet
WIA
en met de taken die
voortvloeien uit de opheffing van de Wet
Rea. Voorts is de RWI van oordeel dat
de
minister van SZW verantwoordelijk dient te blijven voor een
samenhangend pakket van reïntegratie-instrumenten.
Financiële aspecten
De
RWI vraagt zich af of
voldoende rekening is gehouden met de financiële consequenties die de
afschaffing van de Wet
Rea meebrengt voor onder meer gemeenten.
Rea-instrumenten
De
RWI acht de
onderbouwing van de opheffing van de Wet
Rea te minimaal. Zo vraagt
de RWI zich af
in hoeverre informatie over de effectiviteit van de instrumenten een
rol heeft gespeeld bij de overwegingen.
Voorts merkt de RWI op
dat met de intrekking van de Wet Rea
en met het verleggen van de arbeidsongeschiktheidsgrens van 15% naar 35% de
doelgroep van de
reïntegratie-instrumenten verkleind wordt en dat een aantal instrumenten wordt
geschrapt. De RWI gaat tevens in op een aantal afzonderlijke instrumenten. Zo pleit de RWI er onder meer voor dat de
instrumenten van het
persoonsgebonden reïntegratiebudget gehandhaafd blijven voor de zieke
werknemer. Het kernpunt van de kanttekeningen van de RWI is dat deze
instrumenten voor alle gedeeltelijk arbeidsgeschikten beschikbaar moeten
blijven. De RWI pleit daarom voor een tijdige en goede overdracht van
instrumenten.
Tot slot adviseert de RWI
om de Wet
WIA vijf jaar na de invoering te evalueren.
rblz.|88|
Reactie regering
Algemeen
De regering onderschrijft
het belang van een zorgvuldige invoering. Onderdeel daarvan is dat
werkgevers tijdig een keuze kunnen maken met betrekking tot het eigen
risico dragen. Daartoe vindt veelvuldig overleg plaats met betrokken (uitvoerings)organisaties.
De regering deelt
bovendien de visie van de RWI dat de verschillende reïntegratie-instrumenten
goed op elkaar moeten blijven afgestemd en dat de minister van SZW
verantwoordelijk blijft voor het wettelijk kader van deze instrumenten.
Financiële aspecten
Ten behoeve van de
arbeidstoeleiding krijgen de gemeenten een gemeentelijk reïntegratiebudget
toegewezen (het werkdeel van de Wwb). De hoogte van het
beschikbare macrobudget is bepaald door de historisch voor gemeenten
beschikbare middelen voor reïntegratie. Voor de besteding van het beschikbare
budget dienen door de gemeenten beleidsmatige keuzes te worden gemaakt
ten behoeve van een doelmatige besteding van het beschikbare
budget aan de gehele dan wel een gedeelte van de doelgroep. Door de
meeneemregeling van 75% van het toegekende budget zijn gemeenten
zelf in staat om het beschikbare budget over verschillende jaren te
verdelen en zelf prioriteiten te stellen over de benutting van reïntegratiemiddelen
over de verschillende doelgroepen.
Rea-instrumenten
Het intrekken van de
Wet Rea
en het opnemen van de doelgroepen en instrumenten in andere wetten
is uitgebreid gemotiveerd in paragraaf 4.1 van deze memorie van
toelichting. Daarin is onder meer toegelicht dat onderzoeksgegevens over
het gebruik van de diverse instrumenten en de effectiviteit ervan,
aanleiding hebben gegeven tot andere vormgeving of afschaffing van die
instrumenten. Informatie over de effectiviteit van instrumenten hebben dan
ook een rol gespeeld in de overwegingen van de regering.
Het overgangsrecht zoals
vastgelegd in de IWIA ziet op een goede overgangsregeling voor
degenen die op het moment van invoering van de Wet
WIA
gelden als
arbeidsgehandicapte en in aanmerking komen voor instrumenten. De
regering is van mening dat met invoering van de Wet
WIA
en intrekking van
de Wet Rea
de verschillende reïntegratie-instrumenten gericht worden ingezet
voor diegenen die daadwerkelijk een beroep moeten doen op de
verschillende instrumenten. Door de instrumenten op te nemen in de
verschillende materiewetten ontstaat voor de gedeeltelijk
arbeidsgeschikten, die op deze wetten een beroep moeten doen na invoering van de Wet WIA, zowel een kader voor de inkomensderving als voor de ondersteuning
bij reïntegratie. Hiermee tracht de regering effectiviteit en
efficiency van de instrumenten te vergroten. De doelgroep van
verschillende instrumenten wordt specifieker geregeld dan voorheen. Daarbij wordt
gestreefd naar stroomlijning, zodat in individuele gevallen het juiste
pakket van ondersteuning wordt ingezet door het UWV
enerzijds en door
eigenrisicodragers anderzijds.
De regering wijst erop
dat thans het persoonsgebonden reïntegratiebudget voor de werknemer
doorloopt. Het instrument persoonsgebonden reïntegratiebudget zal
worden geëvalueerd samen met de individuele reïntegratieovereenkomst.
Tot het moment waarop naar aanleiding van de evaluatie
beleidsconclusies zijn getrokken, blijft het persoonsgebonden reïntegratiebudget voor
de werknemer gehandhaafd.
rblz.|89|
In de Wet WIA
is een
evaluatiebepaling opgenomen op grond waarvan die wet vijf jaar na de inwerkingtreding ervan geëvalueerd zal
worden. Daarmee is derhalve tegemoet gekomen aan de evaluatiewens van de RWI.
8.6. Het College
bescherming persoonsgegevens (CBP)
Het CBP
beziet het
wetsvoorstel vanuit de bescherming van de persoonsgegevens. In zijn commentaar
betrekt het CBP tevens zijn eerder gegeven commentaar (van 3
augustus 2004) op de Wet
WIA
alsmede mijn schriftelijke reactie daarop (van 28 september 2004).
Positionering
verzekeraars
Het
CBP is van oordeel
dat er meer duidelijkheid dient te komen over de positie van verzekeraars.
Met name vraagt het CBP om helderheid over de bevoegdheden en de
beperkingen van verzekeraars daar waar het gaat om de verwerking van
persoonsgegevens. Volgens het CBP bestaat hierover ook in het huidige
stelsel al onduidelijkheid. Omdat verzekeraars in de toekomst over nog veel
meer (medische) persoonsgegevens zullen beschikken - door hun
nieuwe taken op grond van de Wet
WIA -
is helderheid over hun positie geboden
volgens het CBP.
Grondslag en doelbinding
Het
CBP is van oordeel
dat artikel 8, onderdeel b, Wbp
¹ geen grondslag kan zijn voor werkgevers om
persoonsgegevens van hun werknemers te verstrekken aan een
private verzekeraar, aangezien (kortgezegd) de werknemer bij deze
verzekeringsovereenkomst geen partij is. Voorts is het CBP van mening dat artikel 8,
onderdeel f, Wbp
² evenmin een goede basis biedt waarop werkgevers
structureel gegevens kunnen verstrekken aan verzekeraars.
Omdat de
verzekeringsovereenkomst volgens het CBP niet als basis kan dienen voor het
verstrekken van gegevens, dient de wet te voorzien in een specifieke
doelbindingsbepaling met betrekking tot de gegevensverstrekking door de werkgever aan de
verzekeraar.
1. Ingevolge artikel 8,
onderdeel b, Wbp
mogen persoonsgegevens worden
verwerkt indien de gegevensverwerking
noodzakelijk is voor de uitvoering van een
overeenkomst waarbij de betrokkene partij is of
voor het nemen van precontractuele
maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de
betrokkene en die noodzakelijk zijn voor
het sluiten van een overeenkomst. De
betrokkene in de zin van de Wbp
is degene op wie de
persoonsgegevens betrekking hebben.
2. In artikel 8, onderdeel f,
Wbp is aangegeven dat persoonsgegevens mogen
worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van
het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens
worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de
betrokkene, in het bijzonder het recht op
bescherming van de persoonlijke levenssfeer,
prevaleert.
Overige opmerkingen
Het
CBP vraagt in zijn
commentaar ook nog de aandacht voor de volgende onderwerpen.
Allereerst gaat het CBP
in op de verstrekking van gegevens door het UWV
aan verzekeraars. Het CBP
informeert naar de wettelijke grondslag hiervoor in de Wbp. Bovendien is
het CBP van oordeel dat expliciet in een wettelijke bepaling moet
worden neergelegd dat verzekeraars de verkregen gegevens
slechts mogen verwerken voor de in die bepaling genoemde doelen.
Voorts is het CBP van
oordeel dat de wijze waarop in dit wetsvoorstel het bekendmaken van de status
van arbeidsgehandicapte is geregeld voldoende rekening houdt
met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de
betrokkene. Ook stemt het CBP in met de wijze waarop in dit wetsvoorstel het
gebruik van het sofinummer door verzekeraars is geregeld.
Tot slot merkt het CBP op
dat is toegezegd dat in het onderhavige wetsvoorstel nog aandacht besteed zou
worden aan de verhouding van de Wet
WIA
tot de Wgbo. Het CBP
concludeert echter dat hier geen aandacht aan besteed is en vraagt om
deze duidelijkheid alsnog te verschaffen.
Reactie regering
Positionering
verzekeraars
Ter zake van de positie
van verzekeraars verdient allereerst opmerking dat de regering - anders
dan het CBP
- niet heeft vernomen dat er op dit
rblz.|90|
moment problemen bestaan
in de praktijk. Ook thans verstrekken werkgevers immers al gegevens - waaronder persoonsgegevens van hun werknemers
- aan private
verzekeraars op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst die tussen
beiden is gesloten. De vraag of en welke gegevens door de werkgever aan de
private verzekeraar mogen worden verstrekt, is dan ook
primair een vraag die in het kader van het overeenkomstenrecht, meer in het bijzonder het
verzekeringsovereenkomstenrecht, moet worden beantwoord.
Ten tweede is de positie
van de verzekeraar tot de eigenrisicodrager voor de WGA en tot diens
werknemers dezelfde als die van de werkgever in de eerste twee ziektejaren.
Hierover zijn de regering evenmin problemen bekend. Indien de
werkgever het risico van de loondoorbetaling tijdens de eerste twee ziektejaren
onderbrengt bij een private verzekeraar, dan mag hij de (persoons)gegevens
verstrekken die de private verzekeraar nodig heeft voor de uitvoering
van de overeenkomst. Na de eerste twee ziektejaren bevindt de werkgever die
eigenrisicodrager voor de WGA is zich in dezelfde situatie: hij
kan dit risico al dan niet onderbrengen bij een private verzekeraar. Zo ja, dan
mag hij de (persoons)gegevens verstrekken die de private verzekeraar nodig
heeft voor de uitvoering van de overeenkomst. Anders gezegd: inhoud en
doel van de overeenkomst die de werkgever/eigenrisicodrager en de
private verzekeraar hebben gesloten, bepalen de bevoegdheden en de
beperkingen van de private verzekeraar om persoonsgegevens te
ontvangen en te verwerken. Dit vloeit reeds voort uit de Wbp
zelve (zie
hierna), zodat een aanvullende wettelijke regeling niet noodzakelijk is. Dit
neemt niet weg dat indien, zoals het CBP
stelt, onduidelijkheden bestaan
over de bevoegdheden en beperkingen van verzekeraars om
persoonsgegevens te ontvangen en te verwerken, over de gegevensverstrekking
door werkgevers aan verzekeraars dit wetsvoorstel hierover duidelijkheid
kan bieden. In combinatie met de bepalingen over de
gegevensvertrekking door het UWV
aan de werkgevers en verzekeraars is daarom in de Wet
SUWI bepaald dat de persoonsgegevens van de werknemer die de werkgever verwerkt alleen met het oog op de overeenkomsten
tot verzekering van de
betaling van het loon bij ziekte en de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
door de werkgever aan de verzekeraars mogen worden verstrekt.
Overigens dient te worden
opgemerkt dat de private verzekeraar geen wettelijke taken in het
kader van de werknemersverzekeringen uitvoert. Ook in het wetsvoorstel WIA
worden, anders dan het CBP stelt, geen (nieuwe) taken aan de
private verzekeraars toebedeeld. De WGA wordt óf door het UWV óf (deels)
door de werkgever uitgevoerd. Het is dan ook onjuist om in het
wetsvoorstel WIA, of in enig andere socialeverzekeringswet, te regelen welke
bevoegdheden en beperkingen private verzekeraars hebben om persoonsgegevens te ontvangen en verwerken. Private verzekeraars
ontvangen en verwerken
immers geen persoonsgegevens in het kader van de uitvoering
van het wetsvoorstel WIA.
Om deze redenen is de
regering dan ook van oordeel dat het niet noodzakelijk is om in de wet een
aanvullende regeling te treffen voor de positie van de verzekeraars.
Grondslag en doelbinding
Alvorens een reactie te
geven op de opvatting van het CBP ter zake van de grondslag in de
Wbp van
de gegevensverstrekking, merkt de regering het volgende op.
Naar het oordeel van de
regering zijn er grote maatschappelijke en individuele belangen mee gediend dat
de werkgever zijn risico van loondoorbetaling en - als hij
eigenrisicodrager is - zijn risico voor de WGA onderbrengt bij een private
verzekeraar. De verzekeringsovereenkomst draagt er immers toe bij dat een
werknemer bij ziekte of arbeidsongeschiktheid verzekerd is van een
inkomensvervangende of inkomensaanvullende uitkering. Ook de
werkgever heeft er groot belang bij dat hij zijn risico kan rblz.|91|
onderbrengen bij een
private verzekeraar. Daardoor kan hij zich immers tegen een betaalbare
premie verzekeren tegen zijn mogelijke lasten in verband met ziekte of
arbeidsongeschiktheid.
In artikel 8, onderdeel
f, Wbp
is aangegeven dat persoonsgegevens mogen worden verwerkt indien de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de
behartiging van het
gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de
gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten
en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming
van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert. Anders
dan het CBP stelt, is de regering van oordeel dat deze bepaling wel degelijk een grond
biedt voor de werkgever om persoonsgegevens van diens werknemers aan
een private verzekeraar te verstrekken. De private verzekeraar heeft
er immers een gerechtvaardigd belang bij dat de werkgever gegevens,
waaronder persoonsgegevens van zijn werknemers, verstrekt. De hiervoor
genoemde belangen van de werkgever én de werknemer zelf bij (de uitvoering
van) de overeenkomst, alsmede de financiële belangen van de private verzekeraar, geven laatstgenoemde een gerechtvaardigd
belang om die gegevens te
ontvangen en te verwerken. Dit gerechtvaardigde belang
van de private verzekeraar weegt naar het oordeel van de regering in dit verband zwaarder dan het belang van de
bescherming van de
persoonlijke levenssfeer van de werknemer. Deze opvatting wordt
ondersteund door de wetsgeschiedenis van de Wbp.¹ Naar het oordeel van de
regering wordt dan ook voldaan aan artikel 8, onderdeel f, Wbp. Om te
voorkomen dat de werkgever bij iedere gegevensverstrekking een belangenafweging moet
maken, is deze gegevensverstrekking in aanvulling hierop wel
nader benoemd in de Wet SUWI. Uiteraard moeten bij deze
gegevensverstrekking wel de beginselen van proportionaliteit en
subsidiariteit in acht worden genomen. Zo dient de verstrekking van persoonsgegevens niet verder te gaan dan noodzakelijk
is voor de uitvoering van
de overeenkomst en zo min mogelijk inbreuk te maken op de persoonlijke
levenssfeer van de werknemer. In ieder geval brengt de uitvoering van
de verzekeringsovereenkomst met zich mee dat de verzekeraar er een
gerechtvaardigd belang bij heeft dat de werkgever de gegevens verstrekt die
de verzekeraar nodig heeft voor zowel de vaststelling van de omvang en de
controle van de ingediende claim als voor de bepaling van de
premie.
1. Zie de artikelsgewijze
toelichting bij artikel 8, onderdeel f, Wbp
alsmede de daar genoemde voorbeelden (Kamerstukken
II 1997-1998, 25 892, nr. 3, blz. 86).
Uit het vorenstaande
blijkt dat de regering van oordeel is dat het niet noodzakelijk is om een
specifieke doelbindingsbepaling voor de private verzekeraars in de wet op
te nemen, omdat duidelijk is met het oog op welk doel zij de
persoonsgegevens hebben verkregen, te weten de uitvoering van voornoemde
overeenkomst.
Overige opmerkingen
Mede naar aanleiding van
de opmerkingen van het CBP over de gegevensverstrekking door het
UWV aan
verzekeraars is het wetsvoorstel en de toelichting aangepast.
Ook met de andere opmerkingen van het CBP is rekening gehouden. Ter
zake van de Wgbo zij verwezen naar hetgeen hierover hiervoor is
vermeld naar aanleiding van het commentaar van het UWV.
8.7. Adviescollege
toetsing administratieve lasten (Actal)
Actal constateert dat
dit
wetsvoorstel op de lange termijn leidt tot een structurele daling van de
administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven met €|0,5 miljoen.
Voorts onderschrijft
Actal het belang van efficiënte gegevensuitwisseling. Bovendien is Actal
verheugd over het feit dat private verzekeraars het rblz.|92|
sofinummer kunnen
gebruiken voor de uitvoering van de verzekeringen in het kader van de loondoorbetaling, de
WAO
en de Wet WIA.
Tot slot heeft Actal
geconstateerd dat het ministerie van SZW nog niet in staat is om te becijferen
welke gevolgen een wetsvoorstel heeft voor de administratieve lasten
van burgers. De standaardkostenmodellen om dit te kunnen berekenen, zijn
naar verluidt, zo merkt Actal op, wel binnen afzienbare tijd gereed.
Actal adviseert om de gevolgen van alle aspecten van het wetsvoorstel WIA
voor de administratieve lasten van burgers zo spoedig mogelijk in beeld
te brengen en voor te leggen aan Actal.
Reactie regering
Het instemmende
commentaar van Actal geeft de regering geen aanleiding tot een nadere reactie.
Ter zake van de administratieve lasten voor de burgers zal de regering
gevolg geven aan het advies van Actal. Nadat de standaardkostenmodellen
gereed zijn, zullen de administratieve lasten van dit wetsvoorstel en
het wetsvoorstel WIA
dan ook aan Actal worden voorgelegd.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1.
Wijziging van andere wetten
§ 1. Sociale Zaken en
Werkgelegenheid
Artikel
1.1. Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
Onderdeel A
Omdat het begrip
"reïntegratiebedrijf" in de WAO
wordt geïntroduceerd, wordt dit in artikel 1
gedefinieerd.
Ten behoeve van de
reïntegratie-instrumenten loon- en inkomenssuppletie wordt het begrip
"resterende verdiencapaciteit" gedefinieerd. Dit begrip is hetzelfde als
in het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea
omschreven als "theoretische verdiencapaciteit". Inhoudelijke wijziging is niet beoogd.
Opgemerkt wordt dat voor
het vaststellen van de "resterende verdiencapaciteit" het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten van belang is. De artikelen
9,
10 en 11 zijn van belang voor de bepaling van hetgeen betrokkene nog met
arbeid kan verdienen.
Onderdeel B
Door de aanpassing van
artikel 16 wordt het begrip "verzekerde" als uitgangspunt genomen. Dit
betekent dat de rechten en plichten die verbonden zijn aan de WAO
zich richten tot de verzekerde. Alleen indien een artikel zich (mede)
richt tot een persoon die niet (meer) verzekerd is op grond van de WAO, wordt
de term persoon gebruikt. Hiervoor is gekozen omdat een werknemer
in de zin van de WAO ook een werknemer in de zin van de Wet
WIA
kan zijn en beide wetten betrekking hebben op dezelfde materie. Op deze
wijze is duidelijk welke artikelen zich tot welke werknemer richten. In de
artikelen 13, 14, 75a,
75b, 80a,
87 en 88 is het begrip werknemer blijven
staan in verband met het karakter van die bepalingen.
Onderdeel C
Dit onderdeel voorziet in
een nieuw artikel 16. Dat artikel geeft aan wie
rblz.|93| verzekerd blijft op grond
van de WAO. Personen die
vóór 1 januari 2004 ziek zijn geworden, blijven
onder de WAO vallen, mits ze op het moment dat ze ziek werden ook
verzekerd waren. Deze personen blijven verzekerd gedurende de wachttijd, gedurende vier weken na afloop van de
wachttijd
indien zij na afloop van
die wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt waren, doch binnen vier
weken na afloop van die wachttijd 15% of meer arbeidsongeschikt waren, en gedurende de periode waarover recht
bestaat op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO. Een persoon valt óf onder
de WAO óf onder de Wet
WIA. Het is niet mogelijk dat er
een uitkering wordt
genoten op grond van beide wetten. Dit is geregeld in artikel 13.1
[120] van de Wet
WIA.
Behalve deze gevallen zijn
er nog een beperkt aantal andere gevallen waarin iemand nog recht kan
krijgen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO.
Op grond van
artikel
19a heeft de verzekerde geen recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering wanneer hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Wanneer hij
weer in vrijheid wordt gesteld, wordt hij echter weer als verzekerde
aangemerkt. Dit is alleen het geval indien de betrokkene vóór 1 januari 2004 ziek is
geworden; immers artikel 19a, eerste lid, kan alleen van toepassing
zijn indien de persoon op dat moment verzekerd was.
Op grond van
artikel 20
heeft de verzekerde geen recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij niet in Nederland woont.
Op grond van het derde lid
heeft die persoon wel weer recht op een toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wanneer hij weer naar Nederland komt. Voor
dat laatste is niet de eis gesteld dat het moet gaan om een verzekerde,
maar geldt de eis dat eerder het eerste lid op hem van toepassing is
geweest. Personen die vóór 1 januari 2004 ziek zijn geworden, maar geen recht
hadden op toekenning van een uitkering in verband met verblijf in het
buitenland, vallen na terugkomst weer onder artikel
20, derde lid, en,
indien zij voldoen aan de daar gestelde voorwaarden, dus ook onder de WAO.
Personen wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid op grond van
artikel 43 of
personen die aan het einde
van de wachttijd ongeschikt waren tot het verrichten van hun arbeid,
maar geen recht hadden op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
omdat zij niet arbeidsongeschikt waren, kunnen onder omstandigheden
nog in aanmerking komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de WAO. Dat is namelijk het geval wanneer zij
binnen vijf jaar na de datum van intrekking dan wel vijf jaar na het bereiken
van het einde van de wachttijd arbeidsongeschikt worden en deze
arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de
oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid was voortgekomen. In artikel 43a
is dan ook
niet het vereiste van het zijn van verzekerde opgenomen op het moment van de
hernieuwde arbeidsongeschiktheid.
Op grond van
artikel 47,
eerste lid, heeft de persoon die ten minste 45% arbeidsongeschikt was en
van wie de uitkering is ingetrokken op grond van artikel
43, eerste lid,
die binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de uitkering is
ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 47, derde
lid, ziet op de uitzonderlijke situatie dat iemand is ingedeeld in een klasse tot 45% en de
uitkering wordt ingetrokken, terwijl het nog geen vier weken geleden
is dat die uitkering is toegekend of herzien. De uitkering wordt dan
heropend als de arbeidsongeschiktheid intreedt of toeneemt binnen vier weken
na de toekenning of herziening. Artikel 47, rblz.|94| vierde lid, geeft het recht
op heropening voor mensen van wie de uitkering berekend naar maximaal 45%
wordt ingetrokken en die binnen vier weken opnieuw arbeidsongeschikt
worden, als de heringetreden arbeidsongeschiktheid
kennelijk niet een gevolg
is van een andere oorzaak dan de oorzaak van de
voorgaande arbeidsongeschiktheid. In deze gevallen vallen betreffende personen nog onder de
WAO.
Op grond van
artikel
47a heeft de persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
artikel
43b is
ingetrokken recht op heropening van die uitkering indien hij
weer in Nederland woont of wanneer er een verdrag in werking is
getreden op grond waarvan recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan.
In
artikel
47b is bepaald
dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering die is ingetrokken omdat iemand
rechtens zijn vrijheid is ontnomen, kan worden heropend. Dit betekent dat
personen die vóór 1 januari 2004 ziek zijn geworden, van wie de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken onder artikel 47b
blijven
vallen.
In al deze artikelen
worden
de begrippen "persoon" of "degene" gebruikt. Omdat beoogt is dat deze
personen alsnog onder de verzekering van de WAO
vallen, zullen de
artikelen niet worden aangepast.
Onderdeel D
Artikel 17
van de WAO
wordt
herzien omdat alle nieuwe ziektegevallen die zich na de inwerkingtreding
van de Wet
WIA
voordoen onder die wet zullen vallen, ook indien
er sprake is geweest van verzekering op grond van de WAO. Dit is in lijn
met de hoofdregel. Alle ziektegevallen na 1 januari 2004 vallen onder
de nieuwe wet. In de Wet WIA
is een overgangsbepaling opgenomen die ervoor zorgt
dat ook personen die gedurende de daar genoemde termijn
niet of niet geheel verzekerd zijn geweest op grond van die
wet, maar in plaats daarvan op grond van de WAO onder de nawerking van
de Wet WIA
vallen. Er zijn twee uitzonderingen:
De eerste uitzondering
betreft personen die al een WAO-uitkering hebben, maar geen werknemer zijn.
Deze personen komen bij wijze van nawerking wel in aanmerking voor een
herziening van hun arbeidsongeschiktheidsuitkering bij toename van de
arbeidsongeschiktheid uit een andere oorzaak na 1 januari 2004
indien zij voldoen aan de voorwaarden in het eerste lid. Zie de
wijziging van artikel 37, tweede lid, van de WAO.
De tweede uitzondering
wordt gemaakt voor personen die niet verzekerd zijn waarbij
arbeidsongeschiktheid ontstaat als gevolg van een beroepsziekte of al een
arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben, maar uitsluitend op grond van artikel
7b als
werknemer worden beschouwd waarbij de arbeidsongeschiktheid toeneemt als gevolg van een beroepsziekte. De
eerste groep personen blijven onder de WAO vallen indien zij nooit verzekerd zijn geweest voor de Wet WIA. Dat zal in de algemene maatregel van bestuur worden geregeld. De
tweede groep personen blijft ook indien de toename na 1 januari 2004
plaatsvindt onder de WAO vallen, omdat de betreffende persoon anders
op grond van twee verschillende wetten een uitkering zou ontvangen, te
weten op grond van de WAO en de Wet
WIA, hetgeen uit praktische
overwegingen niet gewenst is.
rblz.|95|
Onderdeel E
Door de aanpassing van
artikel 16 wordt het begrip "verzekerde" als uitgangspunt
genomen;
artikel 18, vijfde en zesde lid, wordt daaraan aangepast.
Onderdeel F
Dit lid wordt aangepast in
verband met het overhevelen van de inhoud van artikel XV van de
Wet terugdringing ziekteverzuim naar de Ziektewet.
Daarnaast wordt in de tekst
verduidelijkt dat meerdere verlengingen mogelijk zijn. De zinsnede "tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen
verzetten" heeft
betrekking op de beoordeling door het UWV van het verzoek om verdere
verlenging. Deze toetsing door het UWV is een marginale. Het
uitgangspunt is namelijk dat het UWV dit verzoek inwilligt, tenzij er zwaarwegende omstandigheden zijn die zich tegen de
gevraagde verlenging
verzetten. Deze laatste zinsnede biedt het UWV de mogelijkheid om in zeer
bijzondere gevallen dit verzoek af te kunnen wijzen.
Onderdeel G
In overeenstemming met de
hoofdregel voor het overgangsrecht voor de WAO dat iemand slechts
verzekerd is wanneer deze vóór 1 januari 2004 ziek is geworden, worden
ook de artikelen 19a, tweede lid, en 20, derde lid, aangepast. Met
betrekking tot personen die op grond van artikel 19a
of artikel 19b van de Ziektewet
geen recht hadden op ziekengeld is expliciet de voorwaarde opgenomen dat
er sprake moet zijn van een arbeidsongeschiktheid die vóór 1 januari 2004 is
ontstaan. Met betrekking tot personen die geen recht hadden op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 19a, eerste
lid, of artikel 20, eerste lid, is deze toevoeging niet nodig, omdat die
artikelleden alleen toepassing kunnen vinden indien er sprake is van
arbeidsongeschiktheid die vóór 1 januari 2004 is ontstaan.
Onderdeel H
Op grond van het nieuwe
artikel 23, eerste lid, kan het UWV de WAO-gerechtigde ook
oproepen of doen oproepen voor onderzoek of ondervraging. Bij de
redactie van de wijziging is aangesloten bij de huidige redactie van
artikel 23.
Onderdeel I
Op grond van het nieuwe
artikel 30a van de Wet SUWI stelt het UWV voor een ieder ten aanzien van
wie het een reïntegratietaak heeft een reïntegratievisie en
indien nodig een reïntegratieplan op. De betrokkene dient hieraan mee te
werken.
Verder dient de
belanghebbende die bij deelname aan een reïntegratietraject zijn
reïntegratieverplichtingen niet naleeft de reden daarvan onmiddellijk aan het
reïntegratiebedrijf mede te delen. Dit betekent in beginsel dat vooraf de
reden van verzuim moet worden gemeld. Dit past binnen het uitgangspunt dat
de uitkeringsgerechtigde actief moet meewerken aan zijn
reïntegratie en daarover verantwoording moet afleggen en derhalve
gehouden is tot tijdige informatieverstrekking aan het reïntegratiebedrijf.
Indien de reden van het
verzuim niet wordt gemeld of het reïntegratiebedrijf anderszins het gegronde
vermoeden heeft dat de uitkeringsgerechtigde onvoldoende medewerking
verleent aan de werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf, dient
dat op grond van het contract tussen het reïntegratiebedrijf en het UWV
(zie ook artikel 4.1 van het Besluit
SUWI) door het
reïntegratiebedrijf aan het UWV te worden gemeld. Het UWV neemt vervolgens een
beschikking omtrent opschorting of schorsing van de betaling van de
uitkering. Gedurende de eventuele opschorting of schorsing kan het UWV
onderzoeken of er aanleiding is voor het opleggen van een sanctie aan de
betrokkene.
rblz.|96|
Deze
genoemde plichten worden met dit onderdeel geregeld. Zo wordt tevens bereikt dat bij
niet-naleving van die plichten een sanctie kan worden opgelegd.
Bij de formulering van de
onderdelen is aangesloten bij de formulering van de reeds bestaande
onderdelen. Om die reden is in onderdeel o ook de zinsnede "zonder redelijke
gronden" opgenomen. Strikt genomen is deze zinsnede gelet op artikel
3:4 van de Awb overbodig.
Onderdeel J
Op grond van het hier
voorgestelde artikel 29h dient het UWV, indien het een uitkeringsgerechtigde
een maatregel of boete heeft opgelegd, het reïntegratiebedrijf dat
werkzaamheden ten behoeve van die uitkeringsgerechtigde verricht daarvan op de
hoogte te stellen, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van
de reïntegratiewerkzaamheden door het reïntegratiebedrijf. Zeker
wanneer het reïntegratiebedrijf heeft gemeld dat betrokkene niet aan zijn
verplichtingen heeft voldaan, is deze terugkoppeling van belang. Maar wanneer zo’n
melding niet is gedaan, kan de informatie dat een sanctie is opgelegd
van belang zijn voor de reïntegratiewerkzaamheden. Ook in die gevallen dient
derhalve de terugkoppeling plaats te vinden.
Terugkoppeling over het
resultaat naar de consulent van het reïntegratiebedrijf versterkt enerzijds het
draagvlak voor de regelgeving en bevordert anderzijds het leereffect.
Op deze wijze wordt tevens een snelle aanpak bevorderd. Omdat de
terugkoppeling alleen hoeft plaats te vinden indien dit noodzakelijk is voor
het verrichten van de werkzaamheden door het reïntegratiebedrijf, zal
niet in alle gevallen het opleggen van een sanctie worden gemeld. In sommige
gevallen kan door een geheel van gedragingen zowel een maatregel als een
boete zijn opgelegd en zijn beide gegevens van belang voor
het reïntegratiebedrijf.
Onderdeel K
Onder
1
Door de aanpassing van
artikel 16 wordt het begrip "verzekerde" als uitgangspunt genomen.
Artikel 34a wordt in verband hiermee aangepast.
Onder
2
Het vierde lid van
artikel
34a wordt aangepast in verband met de verlettering die plaatsvindt in artikel
629, elfde lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek en het overhevelen
van de inhoud van artikel XV van de Wet terugdringing ziekteverzuim
naar de Ziektewet.
Onderdeel L
In verband met het
intrekken van de Wet
Rea wordt een aantal reïntegratie-instrumenten
in de WAO
geïntroduceerd. In dit onderdeel wordt de herziening van
besluiten tot verstrekking van die instrumenten geregeld.
Onderdeel N
Artikel
37, tweede lid,
wordt aangepast in verband met de wijziging van artikel
16. Het zijn van
werknemer is door die wijziging niet meer bepalend voor het al dan niet
verzekerd zijn; in verband daarmee wordt de formulering van artikel
37, tweede lid,
aangepast.
rblz.|97|
Onderdelen O en
P
De
artikelen 40, eerste
lid, 41, tweede lid, en 43d
worden aangepast in verband met het
overhevelen van de inhoud van artikel XV van de
Wet terugdringing ziekteverzuim
naar de Ziektewet.
Onderdeel Q
In het verleden ging het
UWV bij werkhervatting van personen met een WAO-uitkering over het
algemeen direct na wat de gevolgen waren van het gaan genieten van
inkomsten uit arbeid voor de uitkering. Het UWV deed dit op basis van een
beoordeling van de geschiktheid van de betrokkene voor de arbeid (zie artikel
44). Omdat deze werkwijze tot gevolg had dat uitkeringsgerechtigden
terughoudend waren bij het aanvaarden van voor hen passende arbeid,
gegeven de onzekerheid over de beoordeling bij hernieuwde arbeidsongeschiktheid, heeft het UWV het beleid in die zin
aangepast dat bedoelde
beoordeling niet eerder plaatsvindt dan zes maanden na aanvang van de
werkzaamheden. De Tweede Kamer is bij brief van 15 oktober 2003 ("Beleidsbrief vereenvoudiging en deregulering Sociale
Verzekeringen",
Kamerstukken II 2003-2004, 29 200 XV, nr. 6) door de minister van SZW
geïnformeerd.
Hoewel deze
beleidswijziging niet interfereert met artikel 44, is het wenselijk deze ook uitdrukkelijk in
dat artikel op te nemen. Daartoe strekt deze wijziging.
Onderdeel R
Onder
1
Deze wijziging beoogt
consistentie in de terminologie aan te brengen.
Onder
2
Op grond van het
Besluit SUWI is het UWV verplicht in het contract met een reïntegratiebedrijf of
arbodienst op te nemen dat dat bedrijf, indien het het gegronde vermoeden
heeft dat een persoon van wie de inschakeling in de arbeid wordt
bevorderd (waaronder vergroting van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid moet worden begrepen) onvoldoende
medewerking verleent aan de
reïntegratiewerkzaamheden, dit op verzoek of uit eigen beweging aan
het UWV meldt.
Indien het
UWV zo’n
melding krijgt, is het, op grond van het hier voorgestelde negende lid, verplicht een
besluit te nemen omtrent de gehele of gedeeltelijke opschorting
of schorsing van de betaling van de uitkering aan de betrokkene. Zo’n
besluit kan voor een duur van ten hoogste acht weken worden genomen. In
deze periode blijft het recht op uitkering bestaan. In deze periode
dient het UWV te onderzoeken of de melding van het reïntegratiebedrijf
moet leiden tot het opleggen van een sanctie aan betrokkene (maatregel of
boete).
Aanleiding voor gehele
opschorting of schorsing van de betaling van de uitkering kan zijn dat een
persoon blijkt heimelijk (zwart, clandestien) te werken en daardoor in het
geheel niet tracht passende arbeid te verkrijgen. Aanleiding voor
gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de uitkering
kan zijn dat een persoon die deelneemt aan een opleiding of scholing
blijkt zijn huiswerkopdrachten niet te vervullen of dat blijkt dat een persoon
de hem opgedragen specifieke sollicitatieactiviteiten niet of niet behoorlijk
verricht.
Tot gehele opschorting of
schorsing van de betaling van de uitkering, indien bepaalde
verplichtingen niet werden nageleefd, was het UWV
reeds verplicht op grond
van artikel 50, derde lid. In de praktijk is gebleken
rblz.|98| dat behoefte bestaat aan de
mogelijkheid van gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling.
In het voorgestelde negende lid wordt deze mogelijkheid geregeld.
Van opschorting van de
betaling van de uitkering is sprake indien de uitkering is aangevraagd en is
toegekend, maar nog geen betaling van de uitkering heeft plaatsgevonden. Van
schorsing is sprake indien de betaling van een lopende uitkering wordt
stopgezet.
Het besluit om al dan niet
op te schorten of te schorsen, is een besluit in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht. Dit houdt in dat het UWV voorafgaand aan de
beschikking een belangenafweging dient te maken. Dat wil zeggen dat het UWV
het belang van het niet naleven van de verplichtingen door de betrokkene dient af te wegen tegen het belang van
het tijdelijk opschorten of
schorsing in verband met het te starten onderzoek naar de noodzaak van het
opleggen van een sanctie aan betrokkene. Benadrukt wordt dat bij dit
besluit dus nog geen belangenafweging omtrent die eventuele
sanctieoplegging hoeft te worden gemaakt.
Tegen de beslissing tot
opschorten of schorsing staat bezwaar en beroep open.
Voor de redactie van dit
artikel is aangesloten bij artikel 4.3.2
[39], vijfde lid, van de Wet
WIA.
Op grond van het hier
voorgestelde tiende lid dient het UWV het
reïntegratiebedrijf naar
aanleiding van wiens melding een beschikking tot opschorting of schorsing
als bedoeld in het negende lid is genomen, in kennis te stellen van die
beschikking. Indien het UWV meent dat het opleggen van een sanctie
aan betrokkene noodzakelijk is, dient het UWV het reïntegratiebedrijf
dat ten behoeve van die uitkeringsgerechtigde werkzaamheden gericht op
vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op
inschakeling in arbeid verricht, op grond van artikel 29h
van de
sanctieoplegging in kennis te stellen.
Onderdelen S,
T en U
In verband met het
intrekken van de Wet
Rea wordt een aantal reïntegratie-instrumenten
in de WAO
geïntroduceerd. In onderdeel S wordt de terugvordering van
die instrumenten geregeld ingeval ze onverschuldigd zijn betaald.
In onderdeel T wordt de
onmogelijkheid om die instrumenten te vervreemden of te verpanden,
geregeld. En in onderdeel U wordt bepaald dat die instrumenten niet
vatbaar zijn voor beslag.
Onderdeel V
Artikelen 65c
en
65d
De persoon die aanspraak
heeft op een uitkering op grond van de WAO
en die:
a. arbeid in
dienstbetrekking aanvaardt of verricht; of
b. als zelfstandige arbeid
verricht of gaat verrichten en wiens inkomen lager is
dan zijn, door het UWV vastgestelde, resterende verdiencapaciteit,
kan in
aanmerking worden gebracht voor een loon- of inkomenssuppletie.
Deze suppletie is beperkt tot een periode van vier jaar na aanvang van
het werk. De regels met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de
suppletie worden nader uitgewerkt in een algemene maatregel van
bestuur.
De inhoud van deze
artikelen is thans geregeld in de artikelen 29 en
32 rblz.|99| van de
Wet
Rea en de artikelen 15 en
17 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea.
Door de zinsnede "of verricht" in artikel
65c, eerste lid, bestaat de mogelijkheid loonsuppletie toe te kennen
aan de werknemer die binnen de bestaande dienstbetrekking
bij zijn eigen werkgever de arbeid hervat, zonder dat hem een
uitkering wegens arbeidsongeschiktheid is toegekend dan wel zo’n uitkering is
herzien. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het voor de toekenning van
loonsuppletie geen noodzakelijke verstrekkingsvoorwaarde is dat het aanvaarden van
de aangepaste arbeid gelegen moet zijn na de schatting.
Artikelen 65c, vierde lid, en
65d, derde lid
In
artikelen 15, derde lid,
en 17, vierde lid, van het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea werd nog
gesproken
van "wettelijke bepalingen inzake premieheffing en inhouding". In
artikel
65c, vierde lid, en 65d, derde lid,
WAO
is de zinsnede
"en inhouding" weggelaten. Deze zinsnede is overbodig omdat uit de systematiek
van de loonbelastingheffing, die ook van toepassing is op de heffing
van premies werknemersverzekeringen, voortvloeit dat het UWV
inhoudingsplichtige is. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de
oorspronkelijke redactie.
Artikel 65e
Op grond van
artikel 4.2.2 [34] Wet
WIA
kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat
de persoon die verzekerd is voor de Wet
WIA
en arbeid als zelfstandige
gaat verrichten arbeidsplaatsvoorzieningen kan aanvragen.
Om ook de WAO-gerechtigden
bij de inschakeling in de arbeid als zelfstandige te kunnen ondersteunen, wordt ook in de
WAO
met
artikel 65e zo’n artikel opgenomen.
Artikel 65f
De verzekerde die recht
heeft op een WAO-uitkering heeft op grond van dit artikel recht op
ondersteuning bij de reïntegratie. Bij een beschikking op aanvraag om
ondersteuning zal het UWV per geval een afweging moeten maken omtrent de
aard en omvang van de ondersteuning. Deze afweging is onder meer
afhankelijk van de individuele capaciteiten (competenties) van de
betrokkene, de aanwezigheid van de benodigde voorzieningen of
alternatieven daarvoor, de beschikbaarheid van zorg- en hulpverlening en de
beschikbare financiële middelen.
Indien het UWV een verzoek
om ondersteuning bij arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling afwijst, zal dit besluit met
redenen omkleed moeten
worden. Tegen zo’n besluit staat bezwaar en beroep open.
Voor de invulling van de
ondersteuning maakt het UWV gebruik van de wettelijk geregelde reïntegratie-instrumenten. Het UWV kan dus een
reïntegratietraject op
grond van de Wet SUWI starten of één van de in de diverse
materiewetten
geregelde reïntegratie-instrumenten (zoals bijvoorbeeld loonsuppletie, persoonlijke
ondersteuning of arbeidsplaatsvoorzieningen) verstrekken. De zinsnede
"met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen" maakt dit duidelijk. Dit artikel vormt geen basis voor verstrekking van
andere dan wettelijk geregelde reïntegratie-instrumenten.
Voorop staat dat de kortste
weg naar werk moet worden gekozen. Dit is het kader waarbinnen het UWV
- in samenspraak met de betrokkene - zoekt naar de mogelijkheden
en het UWV de afweging omtrent ondersteuning rblz.|100| maakt. Dit betekent
dat de betrokkene niet automatisch recht heeft op een specifiek
reïntegratietraject of op een bepaalde, specifieke voorziening of werkplekaanpassing.
Toekenning van een specifiek door het UWV wenselijk geacht
reïntegratietraject, van een bepaalde voorziening of specifieke
werkplekaanpassing betekent uiteraard dat betrokkene verplicht is hieraan mee te werken.
Het
UWV beoordeelt dus of
ondersteuning überhaupt noodzakelijk is en welke vorm deze dan moet
krijgen, gelet op het te bereiken doel van arbeidsinschakeling, al dan
niet op de lange termijn. Dit houdt in dat het UWV zelf voorzieningen kan
verstrekken of dat werkzaamheden worden uitbesteed aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon (bijvoorbeeld aan de CWI
of een reïntegratiebedrijf) die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de
inschakeling van personen in de arbeid bevordert. Bij het opstellen van de
reïntegratievisie biedt het UWV keus uit een aantal door het UWV op
basis van prijs/kwaliteit geselecteerde reïntegratiebedrijven. Daarbij wordt zoveel
mogelijk rekening gehouden met de wensen van de betrokkene.
Dit geldt ook voor het door het reïntegratiebedrijf opstellen van een
reïntegratieplan. Het UWV heeft wel uiteindelijk het laatste woord.
Artikel 65g
Eerste lid
In het eerste lid van dit
artikel wordt aan het UWV de bevoegdheid
verleend, in het kader van
de taak om de inschakeling in de arbeid te bevorderen, aan de
verzekerde die recht heeft op een WAO-uitkering toestemming te verlenen
onbeloonde werkzaamheden te verrichten op een proefplaats bij een
werkgever. Die werkzaamheden mogen maximaal drie maanden duren. De
verzekerde, die met toestemming dergelijke werkzaamheden verricht, kan
dit doen met behoud van uitkering gedurende de periode waarover hij toestemming heeft verkregen om die werkzaamheden
te verrichten. De werknemer
behoudt zijn recht op uitkering niet indien de voor hem
geldende uitkeringsduur is verstreken.
Tweede lid
Wanneer een verzekerde die
een WAO-uitkering ontvangt werkzaamheden op een proefplaats
verricht, zou kunnen worden geoordeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid
is afgenomen, hetgeen reden kan zijn voor herziening of intrekking
van de WAO-uitkering. Het tweede lid voorkomt dit.
Vierde lid
Het is denkbaar dat de
verzekerde niet direct na het verkrijgen van de toestemming, bedoeld in het
eerste lid, met de werkzaamheden op de proefplaats aanvangt. Voor
het UWV is deze informatie relevant; reden waarom de betrokkene hen,
op grond van het derde lid, hiervan op de hoogte moet brengen.
Artikel 65h
In verband met het
intrekken van de Wet
Rea wordt een aantal reïntegratie-instrumenten
in de WAO
geïntroduceerd. In de Wet Rea
was het mogelijk met betrekking
de aanvraag van die instrumenten nadere regels te stellen. Deze
mogelijkheid wordt ook hier opgenomen.
Onderdelen Y en AA
De
artikelen
71a, eerste en
negende lid, en 75a, zevende lid, worden
rblz.|101| aangepast in verband met
het overhevelen van de inhoud van artikel XV van de
Wet terugdringing ziekteverzuim
naar de Ziektewet.
Onderdeel Z
Om het reparatoire karakter
van de loonsanctie te benadrukken, wordt in de laatste volzin van
artikel 71a, negende lid, de zinsnede "op de aard en de ernst van het verzuim,
alsmede" geschrapt. Omdat die zinsnede ook ziet op de periode die
nodig is voor het herstel van de verzuimen, heeft de zinsnede geen toegevoegde
waarde. Daarnaast schept het naast elkaar hanteren van die twee
criteria onbedoeld de indruk dat er geen sprake is van een uitsluitend
reparatoir karakter. Deze indruk wordt met het schrappen van de eerder
genoemde zinsnede weggenomen.
Onderdeel BB
Als de
Wet Rea
wordt
ingetrokken, vervalt ook artikel 8, vierde lid,
Wet Rea. De in dit lid opgenomen
mogelijkheid voor de werkgever om vrijwillig de reïntegratieverantwoordelijkheid
te behouden na het einde van de dienstbetrekking was bedoeld voor de
eigenrisicodrager voor de WAO. Die eigenrisicodrager kan het belang
inzien van langer reïntegreren van
zijn (vroegere) werknemers
om zo de instroom van zijn werknemers in de WAO te beperken.
Het is wenselijk deze
mogelijkheid te behouden. Dit wordt geregeld in artikel 75h
WAO.
Uit dit artikel vloeit
voort dat de melding niet voor individuele werknemers mag worden gedaan, maar
geldt met betrekking tot alle werknemers van die werkgever die na
het einde van de dienstbetrekking een WAO-uitkering ontvangen.
Met betrekking tot de
bedoelde verlenging kunnen op grond van het derde lid regels worden
gesteld. Dit kunnen bijvoorbeeld regels omtrent de beëindiging van de
verlenging van de reïntegratietaak betreffen.
Onderdeel CC
Op grond van dit artikel
geldt de informatieplicht ook ten aanzien van degene aan wie een reïntegratie-instrument wordt verstrekt.
Onderdeel DD
Het hier voorgestelde
artikel 81 beperkt de toegang tot de vrijwillige verzekering op dezelfde manier als de
toegang tot de verplichte verzekering. Personen die vóór 1 januari
2004 arbeidsongeschikt zijn geworden, blijven verzekerd op grond van de
vrijwillige verzekering. Ook personen die al een uitkering op grond van
de WAO
hebben, blijven verzekerd. Dit om te voorkomen dat iemand recht
kan krijgen op twee verschillende uitkeringen. Alle andere personen gaan
over naar de vrijwillige verzekering op grond van de Wet
WIA.
Onderdelen EE en
FF
Artikel 82 kan vervallen in
verband met het vervangen van artikel 81. Artikel 83 wordt aangepast
aan het nieuwe artikel 81.
Onderdeel GG
Artikel
83b is aangepast
aan de wijzigingen in artikel 81. Daarnaast is onderdeel b in de plaats
gekomen van het oude onderdeel d. Daarin is geregeld dat de vrijwillige
verzekering eindigt wanneer er sprake is van een verplichte verzekering
omdat iemand die gedeeltelijk arbeidsongeschikt rblz.|102| is en voor het
overige deel een vrijwillige verzekering heeft lopen, weer gaat werken en weer
werknemer wordt in de zin van de WAO.
Onderdeel HH
In
artikel 7:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geregeld dat een bestuursorgaan, voordat
het op bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid moet stellen
te worden gehoord.
In
artikel 7:3, onderdeel
c,
van de Awb is geregeld dat van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien in een aantal limitatief opgesomde
gevallen. Van het horen kan
onder meer worden afgezien indien de belanghebbenden hebben
verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.
Indien belanghebbenden dit niet hebben verklaard, worden zij
opgeroepen om te worden gehoord. Het kan daarbij voorkomen dat de
belanghebbenden niet op de hoorzitting verschijnen, hetgeen betekent dat er
onnodig kosten zijn gemaakt. Efficiencywinst kan worden gemaakt door in de
socialezekerheidswetten te regelen dat in afwijking van artikel 7:3
van de Awb van het horen van de belanghebbenden kan worden
afgezien indien
de belanghebbenden niet binnen een door het UWV
gestelde
redelijke termijn verklaren dat zij gebruik willen maken van het recht te
worden gehoord. Door middel van dit onderdeel wordt voorgesteld een
artikel met een dergelijke strekking in de WAO
op te nemen.
Op grond van
artikel 7:2
van de Awb dient het bestuursorgaan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte te stellen van de
gelegenheid te worden
gehoord. Indien belanghebbenden hebben verklaard dat zij geen
gebruik willen maken van dat recht, wordt voorkomen dat onnodig kosten worden
gemaakt. Echter, indien belanghebbenden geen gebruik willen maken
van het recht te worden gehoord, zijn zij niet verplicht dit te
verklaren. Een dergelijke verplichting zou ook onnodige administratieve last voor
belanghebbenden opleveren, omdat de efficiencywinst van de
verklaring ook kan worden bereikt door in de socialezekerheidswetten
te
regelen dat in afwijking van artikel 7:3 van de
Awb van het horen van een
belanghebbende kan worden afgezien indien de belanghebbende niet
binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart
dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. In dit
wetsvoorstel worden de socialezekerheidswetten gewijzigd om dit te
regelen.
Onderdeel II
In dit artikel is bepaald
dat titel 4.2 van de Awb
niet van toepassing is op de verstrekking van
voorzieningen op grond van artikel 65e. De ratio van deze bepaling is van
praktische aard. In veel gevallen zullen deze voorzieningen in natura worden toegekend.
In dat geval is titel 4.2 van de Awb
niet van toepassing. In enkele gevallen zal echter een financiële tegemoetkoming
voor gemaakte kosten kunnen
worden toegekend. In dat geval is titel 4.2
van de Awb weer
wel van toepassing. Teneinde te komen tot een eenduidige uitvoering met
betrekking tot de verstrekking van voorzieningen als hiervoor bedoeld is
ervoor gekozen titel 4.2 van de Awb
niet van toepassing te
verklaren.
Onderdeel JJ
Eerste en tweede lid
Op grond van het hier
voorgestelde overgangsartikel wordt een op grond van de Wet
Rea aan een WAO-gerechtigde toegekende loon- en
inkomenssuppletie
aangemerkt als loon- of inkomenssuppletie als rblz.|103| bedoeld in de WAO. Dit is
noodzakelijk in verband met het intrekken van de Wet Rea. Hierdoor
blijven de aanspraken van betrokkenen op suppletie bestaan voor de duur van de
toegekende suppletie.
Door deze bepaling wordt de
afgegeven beschikking niet inhoudelijk gewijzigd. De duur van het
tijdvak van de toegekende suppletie of voorziening blijft dus gelijk, hetgeen
ook in het artikel tot uitdrukking komt.
Derde lid
Op grond van het derde lid
van het voorgestelde overgangsartikel zijn de reïntegratie-instrumenten
loon- en inkomenssuppletie beschikbaar voor de persoon wiens
arbeidsongeschiktheid in verband met de eenmalige herbeoordeling van
arbeidsongeschiktheid zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken. Deze
persoon kan tot vijf jaar na de datum van intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering suppletie aanvragen. Voor de persoon wiens
uitkering in dat verband "slechts" is verlaagd, is niet nodig deze
instrumenten van toepassing te verklaren. Deze persoon ontvangt immers nog een
uitkering en kan uit dien hoofde op grond van de WAO,
Wajong of WAZ suppletie aanvragen.
Artikel
1.2.
Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen
Onderdeel A
De definitie van de term
"reïntegratiebedrijf" wordt aangepast aan de definitie die middels deze wet
wordt opgenomen in onder andere de WAO.
Onderdelen B,
C en D
De
artikelen 3.3 [25], eerste en
negende lid, 5.1 [43], onderdeel b, en artikel
7.1.5 [58], eerste lid, worden
aangepast in verband met het overhevelen van de inhoud van artikel XV van de
Wet terugdringing ziekteverzuim
naar de Ziektewet.
Onderdeel F
Het hier ingevoegde
artikel
12.3.3 [113] komt overeen met het middels deze wet
opgenomen artikel 87a van
de WAO. Voor de toelichting wordt verwezen naar de
toelichting op dat artikel.
Onderdeel G
Middels dit onderdeel wordt
een hoofdstuk overgangsrecht in de Wet
WIA
gevoegd. Er is omwille van
de overzichtelijkheid voor gekozen om al het overgangsrecht op te nemen
in het onderhavige wetsvoorstel. Voor zover mogelijk is dit gebeurt
door middel van het opnemen van overgangsbepalingen in de materiewetten. Daarom
wordt ook het overgangsrecht voor de Wet
WIA
in die wet
opgenomen.
Artikel 13.1 [120].
Samenloop met
WAO en Wamil
Naast de
Wet WIA
blijft de WAO
bestaan. Om samenloop van uitkeringen op grond van beide wetten
te voorkomen, is hier bepaald dat er geen recht op uitkering op grond van
de Wet WIA
is wanneer een persoon verzekerd is op grond van de WAO. Het
gaat daarbij om personen die vóór 1 januari 2004 arbeidsongeschikt zijn
geworden en op het tijdstip waarop zij arbeidsongeschikt werden
verzekerd waren op grond van de WAO gedurende de wachttijd, vier weken na
afloop van die wachttijd indien zij na afloop van die wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt zijn, doch
binnen vier weken na afloop
van die wachttijd wel meer dan 15% arbeidsongeschikt rblz.|104| zijn, en
gedurende de periode waarover zij recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de WAO. Daarnaast zijn er nog personen die op grond
van de artikelen 19a, 20,
43a, 47, 47a
en 47b in aanmerking komen voor
toekenning of heropening van de uitkering. Deze personen zijn vóór het
moment dat de uitkering is toegekend niet verzekerd op grond van de WAO, maar
ook ten aanzien van deze personen geldt dat de Wet
WIA
niet
van toepassing is wanneer zij in aanmerking komen voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO. Ook de Wamil
blijft bestaan
naast de Wet WIA. Om samenloop van een uitkering op grond van de
Wamil met een WIA-uitkering te voorkomen, is hier bepaald dat de persoon
die belanghebbende is als bedoeld in artikel 1 van de
Wamil geen recht
heeft op een uitkering op grond van de Wet
WIA. Dit laat onverlet dat
ook voor deze personen geldt dat, conform de systematiek zoals toegepast
bij de WAO, de uitkering kan worden toegekend of heropend.
Artikel 13.2
[121].
Nawerking
verzekering
Er zijn gevallen denkbaar
waarin een persoon eerst verzekerd was op grond van de WAO
en
aansluitend verzekerd is op grond van de Wet
WIA. Ook in deze gevallen is het
wenselijk dat de nawerking van de verzekering van kracht is. Ook personen
die op grond van de WAO verzekerd waren waarvan de verzekering is
geëindigd, kunnen mits zij voldoen aan de eisen van artikel 1.3.4
[10] in
aanmerking komen voor de nawerking van de Wet
WIA.
Artikel 13.3
[122].
Overgangsrecht
in verband aansluitende verzekeringen
Door middel van dit
overgangsartikel geldt ook een verzekering op grond van de WAO
met aansluitend
een verzekering op grond van de Wet
WIA
als één verzekering. Dit
om de overgang van een verzekering op grond van de WAO naar een
verzekering op grond van de Wet
WIA
zo soepel mogelijk te laten verlopen.
Artikel 13.4
[123].
Overgangsrecht
met betrekking tot de vrijwillige verzekering
Eerste lid
Op grond van het in deze wet
voorgestelde artikel 81 van de WAO
komen alleen personen die al een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
de WAO
hebben, hetzij uit de
verplichte, hetzij de vrijwillige verzekering dan wel in de wachttijd
zitten, nog in aanmerking voor de vrijwillige verzekering op grond van de WAO. Op
grond van het voorgestelde artikel 83b
van de WAO
eindigt de
verzekering indien niet langer wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in
artikel 81 van die wet. Dit betekent dat voor alle andere personen de
vrijwillige verzekering op grond van de WAO na de inwerkingtreding van deze
wet zou moeten worden beëindigd. Op grond van dit overgangsartikel
worden dergelijke vrijwillige verzekeringen aangemerkt als vrijwillige
verzekeringen op grond van de Wet
WIA. Dit betekent in die gevallen
dat er niet opnieuw een aanvraag voor een vrijwillige verzekering hoeft te worden
gedaan.
Tweede en derde lid
Het tweede lid biedt de
mogelijkheid voor de vrijwillig verzekerde om de hoogte van het dagloon te
wijzigen. Dit kan wenselijk zijn in verband met het feit dat voor de Wet
WIA
andere polisvoorwaarden gelden dan voor de WAO. De wijzigingen in het
dagloon gaan dan in (eventueel met terugwerkende kracht) met ingang van de
datum waarop de vrijwillige verzekering overgaat naar de Wet
WIA.
Ook is hier de mogelijkheid geboden om in rblz.|105| verband met de andere
polisvoorwaarden de vrijwillige verzekering met terugwerkende kracht te
beëindigen.
De duur van de termijn die
de vrijwillig verzekerden na de overgangsdatum krijgen om alsnog de verzekering te beëindigen of het dagloon te
wijzigen, dient voor de
vrijwillig verzekerde lang genoeg te zijn om zich op de nieuwe situatie aan te
passen. Anderzijds moet de termijn worden beperkt, omdat beëindiging met terugwerkende kracht tot premierestitutie moet
leiden en omdat een
verzekering met terugwerkende kracht opzeggen een vreemde figuur is, daar
tussen de overgangsdatum en de datum van opzegging wel het risico van de gevolgen van het intreden van arbeidsongeschiktheid
is gelopen. Eén en ander
overwegend en mede gelet op het feit dat ook veel van de
communicatie vóór de overgangsdatum kan plaatsvinden, is een overgangstermijn van
drie maanden voldoende.
Artikel 2.2.4
[21] is van
overeenkomstige toepassing verklaard, omdat ook bij het wijzigen van het
dagloon geldt dat dit dagloon niet hoger mag zijn dan in dat artikel is
aangegeven.
Vierde lid
Het is niet wenselijk dat
personen die een WAO-uitkering hebben zich daarnaast vrijwillig kunnen
verzekeren op grond van de Wet
WIA, aangezien er zich dan een situatie
zou kunnen voordoen dat er uit twee wetten een uitkering volgt. Hoewel
op voorhand geen concrete situaties bekend zijn waarbij iemand zowel
op grond van de Wet WIA
als op grond van de WAO zou moeten worden
toegelaten tot de vrijwillige verzekering, valt niet uit te sluiten dat zo’n
situatie zich kan voordoen. Derhalve is hier bepaald dat in zo’n geval
alleen vrijwillige verzekering op grond van de WAO mogelijk is. Door
middel van deze bepaling en artikel 13.1
[120] kunnen zich geen situaties
voordoen waarbij uitkering op grond van de verplichte dan wel vrijwillige verzekering van beide wetten samenlopen.
Vijfde, zesde en
zevende
lid
Op grond van
artikel 2.2.1 [18] moet ook tot de vrijwillige verzekering op grond van de
Wet
WIA
worden toegelaten de persoon wiens verplichte verzekering
is geëindigd en van wie op
grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te
nemen dat onderbreking van die verzekering van korte duur zal zijn.
Ook in gevallen waarin de verplichte verzekering op grond van de WAO
is
geëindigd, moet in een overeenkomstig geval de betrokkene worden
toegelaten tot de vrijwillige verzekering op grond van de Wet
WIA. Het hier
voorgestelde lid beoogt dit te regelen.
Verder zijn er nog gevallen
denkbaar waarin in de overgangsperiode het recht op verplichte
verzekering op grond van de WAO
net is beëindigd, terwijl men niet verzekerd
is geweest op grond van de Wet
WIA. Toegang tot de vrijwillige
verzekering op grond van de WAO staat dan niet meer open en toegang op grond
van de Wet WIA
zou ook niet open staan, omdat men niet verplicht
verzekerd is geweest op grond van die wet. In deze gevallen is het
wenselijk dat de betrokkenen toch worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering op grond van de Wet WIA. Dit geldt voor de
persoon wiens verplichte
verzekering is geëindigd en die als zelfstandige werkzaamheden verricht of
gaat verrichten, de persoon, bedoeld in artikel
2.2.1 [18], eerste lid,
onderdeel d, en de persoon, bedoeld in artikel
2.2.1 [18], tweede lid, onderdeel
a.
Het ijkpunt voor het
indienen van een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering is in deze
gevallen gerelateerd aan het einde van de verplichte verzekering op
grond van de WAO.
rblz.|106|
Artikel 13.5
[124].
Arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid bij
aanvang van de verzekering
In
artikel 5.5 [46] van de Wet
WIA
is bepaald dat arbeidsongeschiktheid die al bestond op het tijdstip van
aanvang van de verzekering of ontstond tijdens een periode waarin
de verzekerde op grond van artikel 64 van de
Wet financiering sociale verzekeringen een ontheffing van de verplichtingen op grond van de
Wet
WIA
had
wegens gemoedsbezwaren buiten beschouwing wordt gelaten.
In dit overgangsartikel is rekening gehouden met de situatie waarin er
sprake is van een verzekering op grond van de Wet
WIA
direct volgend op
een verzekering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
In dat geval wordt alleen arbeidsongeschiktheid die al bestond op het
tijdstip van aanvang van de verzekering op grond van de WAO
buiten
beschouwing gelaten en wordt arbeidsongeschiktheid die is ontstaan tijdens de
verzekering op grond van die laatste wet niet uitgesloten. Naast
arbeidsongeschiktheid die is ontstaan in een periode waarin de verzekerde een ontheffing van de verplichtingen op
grond van de Wet WIA
had
wegens gemoedsbezwaren wordt ook arbeidsongeschiktheid uitgesloten die is ontstaan
in een periode waarin de verzekerde een ontheffing van de
verplichtingen op grond van de WAO had.
Artikel 13.6 [125].
Overgangsrecht
met betrekking tot de maatregelen
De wachttijd van de
verzekerde kan zijn aangevangen vóór de inwerkingtreding van de Wet
WIA. In dat
geval golden de verplichtingen tijdens de wachttijd op grond van de
artikelen 25 en 28 van de WAO. Ook indien een verplichting op grond van
de WAO
niet is nagekomen, kan dit betekenen dat het UWV
de uitkering op
grond van de Wet WIA
geheel of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk
weigert te betalen.
Artikel 13.7 [127].
Overgangsregeling duur van de loongerelateerde uitkering van de
WGA-werkhervattingsuitkering
De duur van het recht op
loongerelateerde WGA-uitkering van de verzekerde wiens recht op uitkering
ontstaat gedurende de overgangsperiode wordt niet berekend op
basis van feitelijk arbeidsverleden, maar - evenals in de WAO
-
op basis van
leeftijd.
Artikel
13.8 [128].
Overgangsrecht
artikel 10.3 [90]
Bij de
Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna:
Invoeringswet SUWI) is in de diverse materiewetten de opdracht opgenomen bij
algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen met betrekking
tot het opleggen van een maatregel (met name met betrekking tot de
afstemming van de maatregel op de ernst van de gedraging en de mate waarin de
verzekerde de gedraging kan worden verweten) (zie bijvoorbeeld
artikel 61, onderdeel L, van de Invoeringswet
SUWI). De artikelonderdelen
van de Invoeringswet SUWI die die plicht in de diverse materiewetten
invoegen, zijn echter nog niet in werking getreden. Tot het moment
van inwerkingtreding geldt dat UWV en SVB regels mogen stellen (zie bijvoorbeeld
artikel 62, onderdeel B, van de Invoeringswet
SUWI). Deze
constructie dient ook in de Wet
WIA
te worden opgenomen. Artikel 13.8 [128] regelt dit.
Artikel
13.9 [129].
Overgangsbepaling arbeidsplaatsvoorzieningen ex Wet Rea
Op grond van dit artikel
wordt een op grond van artikel 22 of 31 van de
Wet
Rea verstrekte
voorziening aangemerkt als een voorziening als rblz.|107| bedoeld in artikel 4.2.3
[35] van de Wet
WIA. Dit is noodzakelijk in verband met het intrekken van de Wet
Rea.
Opgemerkt wordt dat het
hier niet betreft de voorzieningen die op grond van de Wet Rea
zijn
verstrekt in het kader van inschakeling in de arbeid als zelfstandige.
Overgangsrecht met betrekking tot die voorzieningen die in dat kader op grond van
de Wet Rea
zijn verstrekt, volgt uit artikel 2.3 van dit
wetsvoorstel.
Artikel 13.10
[130].
Overgangsbepaling publicatie instroomcijfers WGA
De publicatie van
instroomcijfers van de WGA geschiedt voor het eerst in 2008. Vóór 1 juli 2008
worden de instroompercentages WGA gepubliceerd over 2007, het eerste jaar
waarin sprake is van zowel eigen
risico dragen als premiedifferentiatie WGA.
Artikel
13.11 [131].
Overgangsbepaling delegatiebevoegdheid nadere regels maatregeloplegging
Op grond van
artikel 10.3 [90],
derde lid, van de Wet
WIA
dienen nadere regels met betrekking tot het
eerste lid van dat artikel te worden gesteld. Omdat niet zeker is dat zo’n
AMvB tijdig tot stand zal komen, zal de inwerkingtreding van het nieuwe artikellid
worden opgeschort en wordt tegelijk door middel van een overgangsbepaling erin voorzien dat de regelgevende
bevoegdheid nog tijdelijk
bij het UWV
blijft berusten. Een soortgelijke bepaling was ook reeds met
betrekking tot andere materiewetten opgenomen in de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (zie bijvoorbeeld
artikel 44, onderdeel B, van die wet).
Opgemerkt wordt dat deze
uitgestelde werking van de delegatiebepaling op AMvB-niveau slechts ziet
op de oplegging van maatregelen door het UWV. Voor wat betreft de te
stellen regels met betrekking tot maatregeloplegging door de eigenrisicodrager
(als bedoeld in artikel 10.2 [89]) blijft het niveau van AMvB aangewezen.
Hier wordt tijdelijk wel een facultatieve delegatiebepaling geregeld,
omdat de delegatieplicht, bedoeld in artikel
10.3 [90], derde lid, met name
zag op regels te stellen met betrekking tot maatregeloplegging door het
UWV.
Artikel
13.12 [132]. Overgangsbepaling
werkgeverssubsidie ex Wet
Rea
Op grond van dit artikel
wordt een op grond van artikel 16 van de Wet
Rea toegekende subsidie
aangemerkt als een subsidie als bedoeld in artikel 4.2.4
[36] van de Wet WIA. Dit is noodzakelijk in verband met het
intrekken van de Wet
Rea.
Artikel
1.3.
Werkloosheidswet
Onderdeel A
Omdat het begrip
"reïntegratiebedrijf" in de WW wordt geïntroduceerd, wordt dit in
artikel 1
gedefinieerd.
Onderdeel B
In
artikel 11 is geregeld
in welke gevallen het UWV als werkgever wordt beschouwd. De hier
voorgestelde wijziging strekt ertoe het UWV ook als werkgever te beschouwen in
het geval uitkering wordt betaald op grond van de verplichte
verzekering op grond van de Wet
WIA.
rblz.|108|
Onderdeel C
In
artikel 47, tweede lid,
is opgenomen hoeveel de uitkering bedraagt voor de werknemer die bij het
ontstaan van zijn recht op uitkering zijn arbeidsuren niet volledig heeft
verloren of wiens verlies van arbeidsuren tijdens de duur van de uitkering
wijziging ondergaat. De uitkering bedraagt 70% van het dagloon, vermenigvuldigd met het aantal uren werkloosheid per
kalenderweek, gedeeld door
het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het intreden van het verlies
van arbeidsuren waarnaar zijn recht is berekend. Dit kan een probleem
opleveren bij personen met een medische urenbeperking die minder dan 35%
arbeidsongeschikt zijn. Een persoon die bijvoorbeeld altijd 40 uur
werkte en door ziekte nog slechts 30 uur kan werken, kan minder dan 35%
arbeidsongeschikt zijn en heeft dus geen recht op een
werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van hoofdstuk 7 van
de Wet WIA. Conform
artikel 47, tweede lid, zou deze persoon 30/40 van
70% van het dagloon krijgen. Dit is ongunstig ten opzichte van degene die
ook minder dan 35% arbeidsongeschikt is, maar wel 40 uur kan werken.
Die persoon krijgt wel 40/40 x 70 van het dagloon. Dit is niet
gewenst.
Dit wordt opgelost door in
artikel 16, derde lid, een bepaling op te nemen die ertoe strekt dat ten
aanzien van iemand die op grond van een medische urenbeperking minder uren
kan werken onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per
week wordt verstaan: het aantal uren dat die werknemer belastbaar is,
tenzij dit leidt tot een hoger aantal uren.
Onderdeel D
In
artikel
17a, tweede lid,
is geregeld dat voor de vaststelling van de referte-eis alleen de in
een week verrichte arbeid in aanmerking genomen wordt voor zover deze niet
reeds eerder heeft geleid tot het ontstaan van een recht op uitkering op
grond van hoofdstuk IIa of hoofdstuk
IIb. Voorgesteld wordt om ook in een week
verrichte arbeid die heeft geleid tot het ontstaan van recht op
uitkering op grond van hoofdstuk 7 van de Wet
WIA
niet in aanmerking te
nemen. Dit om te voorkomen dat weken die al hebben meegeteld voor een
uitkering op grond van dat hoofdstuk niet nog een keer worden geteld
wanneer het gaat om een WW-uitkering.
Onderdeel E
In
artikel
17b, eerste lid,
worden perioden waarin de verzekerde recht had op een met name genoemde uitkering
gelijkgesteld met dagen waarover
loon is ontvangen. Daarbij
is de gelijkstelling met "een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
WAO,
berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage
van ten minste 80%" komen te vervallen. Deze
gelijkstelling is immers overbodig, omdat een genoten WAO-uitkering (hetzelfde
zal gelden voor een genoten WIA-uitkering) op grond van
artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen reeds gezien wordt als
loon. Door de gelijkstellingen worden deze loonperioden meegeteld als
arbeidsverleden.
Met de wijziging van
artikel 17b, zesde lid, wordt geregeld dat het ontvangen van een uitkering
op grond van hoofdstuk 7 van de Wet
WIA
geen arbeidsverleden wordt opgebouwd, tenzij er sprake is van
tijdelijk volledige arbeidsongeschiktheid.
Onderdeel F
In
artikel 19 zijn de
uitsluitingsgronden voor het recht op een WW-uitkering opgenomen. Voorgesteld
wordt om ook als uitsluitingsgrond op te rblz.|109| nemen het ontvangen van
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 6 van de
Wet WIA
of een loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering
gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van hoofdstuk 7 van
die wet.
Het ontvangen van de loonaanvullingsuitkering van de
werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten of de vervolguitkering van de
werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten is niet opgenomen als
uitsluitingsgrond. Zie hierover verder paragraaf
5.2 van het algemeen deel van de toelichting.
Bij vorstwerkloosheid
heeft de werknemer, onder gunstige voorwaarden, recht op WW-uitkering.
Onder toepassing van de normale WW-regels heeft de werknemer recht
op WW-uitkering indien de werkgever een vergunning heeft gekregen
tot verkorting van de werktijd. Feitelijk zijn deze uitkeringen
loonkostensubsidies voor de werkgever. Omdat voor het ontvangen van de WGA
loongerelateerde uitkering een uitsluitingsgrond wordt opgenomen, zouden,
zonder nadere regeling, werknemers met WGA hiervoor niet in
aanmerking komen. Dit zou betekenen dat ofwel de werknemer in die periode
minder loon ontvangt (dat in de loongerelateerde uitkering deels wordt
opgevangen door een hogere uitkering), ofwel dat de werkgever
toch het loon doorbetaald (wat de werknemer duurder maakt voor de
werkgever dan niet-arbeidsongeschikte werknemers). Beide
gevolgen zijn niet wenselijk. Om WGA-werknemers wel recht te geven op
WW-uitkering in beide situaties wordt voorgesteld in artikel 19 een
uitzondering op de uitsluitingsgrond op te nemen voor artikel 18 en de situatie
dat een vergunning tot werktijdverkorting is afgegeven.
Uitgangspunt is dat er
bij samenloop van een WGA-loongerelateerde uitkering en een WW-uitkering geen recht op een WW-uitkering kan bestaan. Bij een later
urenverlies moet er echter wel recht op een WW-uitkering kunnen
bestaan.
Onderdeel G
In
artikel 7.2.1 [59], derde
lid, van de Wet
WIA
is geregeld dat de duur van de loongerelateerde
uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten wordt
verminderd met de duur van de reeds genoten loongerelateerde
uitkering op grond van de WW wanneer uit hoofde van eenzelfde
dienstbetrekking als waaruit als gevolg van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid recht
is ontstaan op een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten tijdens of in aansluiting op een periode waarin recht op
loongerelateerde uitkering op grond van de WW bestond. Als de WGA van deze
werknemer de maximumduur bereikt, zou, zonder nadere regeling, de WW
uitkering kunnen herleven. Geregeld wordt dat een WW-uitkering die is beëindigd wegens ziekte die vervolgens heeft
geleid tot toekenning van
een WGA niet kan herleven.
In de
Wet tot wijziging van enkele
socialeverzekeringswetten en enige andere wetten in verband met het
aanbrengen van enige vereenvoudigingen is artikel
19, eerste
lid, onderdeel m, vervallen. Artikel 21 was daaraan nog niet
aangepast; van de gelegenheid is gebruik gemaakt om dat alsnog te doen.
Onderdeel H
Op grond van het nieuwe
artikel 30a van de Wet SUWI stelt het UWV voor een ieder ten aanzien van
wie het een reïntegratietaak heeft een reïntegratievisie en
indien nodig een reïntegratieplan op. De betrokkene dient hieraan mee te werken.
rblz.|110|
Verder dient de
belanghebbende die bij deelname aan een reïntegratietraject zijn
reïntegratieverplichtingen niet naleeft de reden daarvan onmiddellijk aan het
reïntegratiebedrijf mede te delen. (Zie voor verder de toelichting op artikel
1.1, onderdeel I, van dit wetsvoorstel).
Deze genoemde plichten
worden met dit onderdeel geregeld. Zo wordt tevens bereikt dat bij
niet-naleving van die plichten een sanctie kan worden opgelegd.
Onderdeel I
In dit onderdeel wordt
artikel 27g, tweede lid, gewijzigd. Voorgesteld wordt om hierin op te
nemen dat indien een boete is opgelegd aan een persoon die een uitkering
ontvangt op grond van de Wet
WIA, het besluit waarbij de boete is
opgelegd ten uitvoer gelegd wordt door verrekening met de uitkering.
Ditzelfde geldt al voor personen die een uitkering ontvangen op grond van de
WAO.
Onderdeel J
In dit onderdeel wordt
het equivalent van artikel 1.1, onderdeel J, van deze wet
(artikel 29h WAO) middels
artikel 27h van de WW
ingevoegd.
Onderdeel K
In dit onderdeel wordt
artikel 29 gewijzigd. Het tweede lid bevat een bepaling over voorlegging en
ondertekening van een reïntegratieplan aan de WW-gerechtigde en het UWV. Deze procedure is niet meer noodzakelijk, omdat
artikel
30a van de Wet SUWI een algemene bepaling kent over de uitvoering van de reïntegratietaak van het UWV en het vaststellen van een
reïntegratievisie en
reïntegratieplan. In dat artikel is ook geregeld op welke wijze de
uitkeringsgerechtigde wordt betrokken. De nadere regels van het derde lid
zijn na
deze wijziging niet meer nodig. Daarom kan dit lid ook vervallen.
Onderdeel L
In
dit onderdeel wordt
het equivalent van artikel 1.1, onderdeel
R, onder
2, van deze wet
(artikel 50,
negende en tiende lid, WAO) in
artikel 30 van de WW
ingevoegd.
Onderdeel M
Met deze wijziging van
artikel 31 wordt de voorschotbepaling in de WW aangepast aan de voorschotbepalingen in de
WAO,
WAZ, etc.
Onderdeel N
Bij samenloop van
uitkering op grond van de Wet
WIA
en WW wordt de uitkering op grond van de Wet
WIA
niet geanticumuleerd. De uitkering op grond van de Wet
WIA
wordt ook niet meegenomen in het WW-dagloon. Indien nodig wordt
ongewenste samenloop tussen WW en Wet
WIA
geregeld door het loon dat ten
grondslag ligt aan de WW-uitkering voor de Wet
WIA
aan te merken als
opbrengst van arbeid.
Onderdeel O
[vervallen. red.]
Het hier voorgestelde
artikel 45h komt overeen met het voorgestelde artikel 29h
van de WAO.
Voor de toelichting wordt verwezen naar de toelichting
op dat artikel.
rblz.|111|
Onderdeel P
In dit onderdeel wordt
het equivalent van artikel 1.1, onderdeel V, van
deze wet (artikel 65f
WAO) in
artikel 73 van de WW ingevoegd.
Onderdelen Q tot en met U
In de
onderdelen Q tot en met U worden de artikelen van hoofdstuk VII
voor zover nodig aangepast
in verband met de invoering van de Wet
WIA.
Hoofdstuk VII komt met
ingang van 1 januari 2006 anders te luiden wanneer artikel 2,
onderdeel H, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen in
werking is getreden. De beoogde inwerkingtredingsdatum van het onderhavige
wetsvoorstel is 29 december 2005, waardoor de hier gewijzigde
artikelen nog twee dagen relevant zijn. Wijziging van de artikelen
85, derde en zesde lid, en
97d, derde lid, is niet nodig
aangezien de feitelijke
premieheffing en uitkeringen eerst met ingang van 1 januari 2006 aanvangen.
Onderdeel W
Het hier ingevoegde
artikel 128 komt overeen met het middels deze wet
opgenomen artikel 87a van
de WAO. Voor de toelichting wordt verwezen naar de
toelichting op dat artikel.
Artikel
1.4.
Ziektewet
Onderdeel A
Aangezien de
Wamil niet
alleen een WAO-conforme arbeidsongeschiktheidsuitkering geeft, maar ook een Ziektewetuitkering vanaf het einde van de dienstplicht, dient ook
de Ziektewet te worden aangepast zodat de doelgroep van de Wamil onder het
werkingsbereik van de Ziektewet wordt gebracht. Zolang de dienstplichtige in dienst is, zal zijn wedde worden
doorbetaald. Hij kan dan,
gelet op artikel 29, eerste lid, geen aanspraak maken op ziekengeld.
Eerst na diensteindiging komt de dienstplichtige in aanmerking voor ziekengeld. Het ziekengeld wordt uitgekeerd over een
tijdvak van ten hoogste
104 weken te rekenen vanaf de eerste ziektedag. In de rechtspositie van de
dienstplichtige zullen eventuele aanvullende bepalingen worden opgenomen met
betrekking tot de loondoorbetaling bij ziekte. Uitgangspunt is
daarbij het borgen van het huidige voorzieningenniveau.
Onderdeel B
In
artikel 6, eerste lid,
onderdeel b, worden nadrukkelijk van de verzekering voor de Ziektewet
uitgesloten de dienstplichtigen e.d., vrijwillige politiebeambten en
vrijwillige brandweerlieden. Nu de dienstplichtigen onder het bereik van de
Ziektewet worden gebracht, moet deze bepaling gewijzigd worden. De
tekst is gelijk aan artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de
Werkloosheidswet, welke destijds ook is aangepast om dienstplichtigen onder de werkingssfeer
van die wet te brengen.
De wijziging van
artikel 6, tweede lid, onderdeel f, heeft tot gevolg dat ook een dienstbetrekking
aanwezig wordt geacht te zijn op dagen waarop geen arbeid wordt
verricht en geen uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het
normale loon van de werkgever wordt genoten wanneer het niet
verrichten van de arbeid zijn oorzaak vindt in arbeidsongeschiktheid ter
zake waarvan een
uitkering op grond van de Wet
WIA
is toegekend. Dit is conform
hetgeen geldt voor de WAO.
rblz.|112|
Onderdeel C
Voorgesteld wordt om in
artikel 8a op te nemen dat voor de toepassing van de ZW mede als
werknemer wordt beschouwd degene die op grond van de verplichte
verzekering op grond van de Wet
WIA
een uitkering ontvangt. Dit betekent
dat die persoon op grond van artikel 20 dan ook verzekerd is voor de ZW.
Eén en ander in overeenstemming met hetgeen nu ten aanzien van WAO-gerechtigden is opgenomen.
Onderdeel E
In
artikel
11a, eerste
lid, is geregeld hoe het ziekengeld wordt uitbetaald van de werknemer die in
dienstbetrekking stond tot een werkgever die eigenrisicodrager is.
Dit ziekengeld wordt uitbetaald door tussenkomst van die werkgever.
Voorgesteld wordt om dit artikellid ook van toepassing te laten zijn op de
werknemer die in een dienstbetrekking stond tot de eigenrisicodrager in de
zin van de Wet
WIA.
Onderdelen F en
I
De
artikelen 29, eerste
lid, onderdeel b, 38, eerste lid, 47a, tweede lid,
70, eerste lid, en
87a, derde
lid, worden aangepast in verband met het overhevelen van de inhoud van artikel XV van de
Wet terugdringing ziekteverzuim
naar de Ziektewet.
Onderdeel G
In
artikel
29b is
geregeld dat bij uitval door ziekte door een arbeidsgehandicapte als bedoeld in de
Wet Rea
binnen vijf jaar na indiensttreding, aanspraak bestaat op
ziekengeld. Deze bepaling wordt aangepast aan de nieuwe
arbeidsongeschiktheidswetgeving.
Eerste lid
Dit artikellid heeft
dezelfde strekking als het huidige artikel 29b, eerste lid. Dit artikel regelt de
hoofdregel dat de werkgever van een werknemer die onmiddellijk voorafgaand
aan zijn dienstbetrekking een uitkering op grond van de Wet
WIA
(dit
kan dus zowel een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten als een arbeidsongeschiktheidsuitkering betreffen) ontving, bij
ziekte van die werknemer ter compensatie van de loondoorbetaling de
betrokkene een ziekengelduitkering krijgt van het UWV. De periode gedurende
welke de werkgever is ontslagen van de loondoorbetalingsverplichting
bij ziekte wordt niet gewijzigd en bedraagt vijf jaar.
De term
arbeidsgehandicapte wordt niet meer gehanteerd in dit artikellid. De doelgroep van dit
reïntegratie-instrument wordt daarom in het eerste lid met name genoemd.
Deze "no-riskpolis"
geldt ook gedurende vijf jaar voor de persoon die voorafgaand aan een
dienstbetrekking met zijn werkgever een indicatiebeschikking als bedoeld in
artikel 11
van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) had. Het moet dan
wel gaan om een dienstbetrekking die de werknemer is aangegaan met een
"reguliere" werkgever, niet zijnde een werkgever
in de zin van artikel 7 Wsw. Indien de dienstbetrekking door de voor de
Wsw-geïndiceerde is
aangegaan met de laatstgenoemde werkgever, is het derde lid van toepassing en geldt een
no-riskpolis voor onbeperkte
duur (na aanvang van de
dienstbetrekking).
Opgemerkt wordt dat het
feit dat men voorafgaand aan de dienstbetrekking een indicatiebeschikking
als bedoeld in artikel 11 Wsw
had zowel kan inhouden dat men werkzaam
was in een dienstbetrekking als bedoeld in rblz.|113|
artikel 2
Wsw als dat men
in een dienstbetrekking met een werkgever als bedoeld in artikel 7
Wsw werkzaam kon zijn.
Verder wordt opgemerkt
dat dit instrument niet van toepassing is indien de aangegane dienstbetrekking een dienstbetrekking is in de zin
van artikel 2 Wsw,
hetgeen volgt uit het achtste lid.
Tweede en negende lid
Op grond van het tweede
lid kan de no-riskpolis Ziektewet ook worden toegepast op de
gemeentelijke doelgroep. Deze personen behoeven niet meer dan 35%
arbeidsongeschikt te zijn, maar dienen, volgens het tweede lid, onmiddellijk
voorafgaand aan de dienstbetrekking, naar het oordeel van de
CWI, structurele functionele beperking te hebben, alvorens dit instrument
met betrekking tot hen kan worden toegepast. Op grond van het negende lid
kunnen bijvoorbeeld regels worden gesteld omtrent de mate van beperking als bedoeld in het tweede lid.
Derde lid
Op grond van het derde
lid kan de no-riskpolis tevens worden toegepast indien een werkgever een
Wajong-gerechtigde in dienst neemt. Hierbij wordt opgemerkt dat de
periode gedurende welke de werkgever is ontslagen van de
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte wordt uitgebreid; deze is op
grond van het thans
geldende artikel 29b vijf jaar en wordt op grond van het voorgestelde
derde lid van onbeperkte duur. Bovendien hebben ook ex-Wajong-gerechtigden
(bij aanvang van een dienstverband) aanspraak op de permanente
no-riskpolis. Het betreft werknemers die
eerder Wajong-gerechtigd
zijn geweest (de Wajong bestaat sinds 1998), maar op het moment van
indiensttreding geen Wajong-uitkering meer hebben. Opgemerkt wordt
dat de uitbreiding van de no-riskpolis voor Wajong-gerechtigden,
zowel voor wat betreft doelgroep als duur, thans ook reeds geldt op grond
van artikel 8 van het Arbeidsgehandicaptebesluit. Het is echter gewenst dit
ook wettelijk te regelen.
Ten overvloede wordt
vermeld dat Wajong-gerechtigden ook als ze na verloop van tijd volledig arbeidsgeschikt bevonden worden aanspraak
houden op de no-riskpolis; dit volgt uit de tekst van het derde lid.
Deze
no-riskpolis voor
onbeperkte duur geldt tevens voor de werknemer die een
arbeidsovereenkomst heeft gesloten met een werkgever als bedoeld in artikel 7
Wsw.
Artikel 7
Wsw stelt als
voorwaarde voor het sluiten van zo’n arbeidsovereenkomst dat de werknemer een
indicatiebeschikking als bedoeld in artikel 11
Wsw heeft. Het
is mogelijk dat de werknemer met die indicatiebeschikking reeds eerder dan het
aangaan van bedoelde arbeidsovereenkomst bij een (andere) werkgever als bedoeld in
artikel 7
Wsw werkzaam
was of dat hij werkzaam
was in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2
Wsw. Het feit dat de
werknemer reeds eerder een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2 of
7
van de
Wsw had, doet niet af aan de toepassing van
artikel 29b, derde
lid, onderdeel b.
Vierde lid
Op grond van het vierde
lid is de no-riskpolis ook van toepassing indien een werkgever de
dienstbetrekking met een werknemer, nadat diens recht op een uitkering op grond
van de Wet
WIA (WGA- of VDA-uitkering [IVA-uitkering, red.]) is vastgesteld, voortzet.
Dit betekent een uitbreiding van het instrument, dat thans immers slechts kan
worden toegepast bij aanvang een (nieuwe) dienstbetrekking.
Vijfde, zesde,
zevende en achtste lid
Deze artikelleden zijn
gelijkluidend aan het huidige tweede, derde, vierde rblz.|114| en vijfde lid van artikel
29b. Niet bedoeld is hier wijzigingen in aan te brengen.
Wel is in het achtste lid verwezen naar artikel 2 van de Wsw om aan te geven dat het hier om een in
dat artikel bedoelde dienstbetrekking gaat. Dit om het verschil met de
"werkgever als bedoeld in artikel 7 van de
Wsw", die elders in artikel
29b ZW wordt genoemd, aan te geven.
Onderdeel H
Met dit artikel wordt het
equivalent van artikel 24, eerste lid, WAO
in de ZW ingevoegd. Op grond
van dit artikel kan het UWV degene die recht heeft op ziekengeld
bijvoorbeeld verplichten mee te werken aan het opstellen van de
reïntegratievisie. Zonder deze bepaling zou aan de in artikel 45
ZW op te nemen
gronden voor het opleggen van een maatregel geen verplichting voor de
uitkeringsgerechtigde ten grondslag liggen.
Onderdeel I
Indien voorzieningen die
op grond van een op grond van artikel 52d
vast te stellen algemene
maatregel van bestuur onverschuldigd zijn verstrekt, moeten deze kunnen worden
teruggevorderd. Door wijziging van artikel 33 wordt dit mogelijk.
Onderdeel K
Op grond van het nieuwe
artikel 38b, eerste lid, is de werknemer verplicht zijn werkgever, op diens
verzoek, te informeren omtrent zijn mogelijke aanspraak op ziekengeld
op grond van artikel 29b. Deze verplichting bestaat niet eerder dan
twee maanden na aanvang van de dienstbetrekking. Opgemerkt wordt dat deze
informatieverplichting zowel geldt voor werknemers die vallen
onder de doelgroep van artikel 29b zoals die door dit wetsvoorstel komt te
luiden, maar ook voor werknemers die op de dag voor de intrekking van de
Wet Rea
arbeidsgehandicapte waren. Zie hiertoe het
overgangsrecht inzake artikel 29b in
artikel 90.
Indien de werkgever later
dan de in artikel 38a, tweede lid, genoemde meldingstermijn op de
hoogte raakt van de aanspraak van zijn werknemer op ziekengeld op grond
van artikel 29a of 29b en de werknemer reeds eerder ziek is geworden,
is het de werkgever in die situatie bij aanvang van ziekte niet bekend
dat hij niet een ziektemelding op grond van artikel 38a kan doen om in
aanmerking te komen voor verstrekking van ziekengeld. Zoals uiteengezet in het
algemeen deel van de toelichting is dit ongewenst.
Op grond van het nieuwe
artikel 38b, tweede lid, mag een werkgever die bij aanvang van de dienstbetrekking niet op de hoogte was van het feit dat
zijn werknemer
gedeeltelijk arbeidsgeschikt was de ziektemelding met het oog op die situatie later
doen, en wel zo snel mogelijk nadat de werkgever dit redelijkerwijs bekend
is.
Na de inwerkingtreding
van deze bepaling kan de werkgever de werknemer vanaf het moment dat hij
twee maanden in dienst is, vragen naar zijn - mogelijke - aanspraak op ziekengeld. Het is niet te verwachten dat iedere werkgever deze
vraag ook onmiddellijk aan alle werknemers die twee maanden of langer
bij hem in dienst zijn, zal voorleggen. Het is redelijk indien de werkgever
hiermee wacht tot het eerste moment waarop deze werknemer zich ziek
meldt. Dit zal in het algemeen het moment zijn waarop de werkgever redelijkerwijs bekend kan zijn met de status van zijn
werknemer. Voor
werknemers die in dienst treden en die al tijdens de eerste twee maanden ziek
zijn geworden, mag wel van de werkgever worden verwacht dat hij na ommekomst van de twee maanden zal nagaan
rblz.|115|
of de werknemer aanspraak
kon maken op ziekengeld. Daarnaast kunnen zich echter situaties
voordoen waarbij de werkgever eerst op een later moment redelijkerwijs op
de hoogte is. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren in het geval de werknemer
eerder volstrekt te goeder trouw aan de werkgever heeft gemeld geen
aanspraak te hebben op ziekengeld, maar dit later toch het geval
blijkt te zijn. Ook kan het gebeuren dat pas later blijkt dat een ongeschiktheid
veroorzaakt werd door een zwangerschap en aanspraak bestond op
ziekengeld. In die gevallen moet de werkgever binnen vier dagen nadat
het hem alsnog bekend is geworden dat de werknemer aanspraak kan maken op
ziekengeld een melding doen bij het UWV
Het
UWV kent het
ziekengeld dan met terugwerkende kracht toe, uiteraard voor zover is voldaan aan
de voorwaarden. De periode waarover met terugwerkende kracht
ziekengeld kan worden verstrekt, bedraagt op grond van het tweede lid ten
hoogste één jaar.
Deze wijziging houdt
verband met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 september
2002, 00/3418 ZW (RSV 2002/288).
In het derde lid wordt de
regeling van artikel 38a, derde lid, van overeenkomstige toepassing verklaard in
het geval de werkgever te laat een ziekmelding doet. In dat geval wordt
slechts met terugwerkende kracht tot aan datum waarop de te late
melding heeft plaatsgevonden ziekengeld verstrekt.
Onderdeel M
Onder
1
In
artikel 45, eerste
lid, onderdeel f, is geregeld dat indien toepassing is gegeven aan de daarin
genoemde artikelen, het ziekengeld geheel, gedeeltelijk, tijdelijk
of blijvend te weigeren. Hier wordt voorgesteld om daaraan ook aan toe te
voegen dat dit mogelijk is indien toepassing is gegeven aan artikel 10.1
[88] van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in verband met het niet
naleven van de artikelen 4.1.1 [27], tweede lid, onderdeel a tot en met
c, 4.1.2 [28], eerste lid, of 4.1.3
[29] van
laatstgenoemde wet. De mogelijkheid voor
het UWV om ziekengeld te weigeren, is beperkt tot maatregelen die door
het UWV zelf zijn opgelegd. Om die reden is gekozen voor artikel 10.1
[88] en niet artikel 10.2 [89]). De artikelen
4.1.1 [27], tweede lid, onderdeel a tot en met
c, 4.12 [4.1.2 [28], red.], eerste lid, en 4.1.3
[29] corresponderen met de artikelen 25 en
28,
onderdeel a en b, van de WAO.
Onder
2
Op grond van het nieuwe
artikel 30a van de Wet SUWI stelt het UWV voor een ieder ten aanzien van
wie het een reïntegratietaak heeft een reïntegratievisie en indien nodig een
reïntegratieplan op. De betrokkene dient hieraan mee te werken. Deze
plicht wordt met dit onderdeel geregeld. Zo wordt tevens bereikt dat bij
niet meewerken een sanctie kan worden opgelegd. Bij de formulering van de
onderdelen is aangesloten bij de formulering van de reeds bestaande
onderdelen. Om die reden is in onderdeel o ook de zinsnede
"zonder redelijke gronden" opgenomen. Strikt genomen is
deze zinsnede gelet op
artikel 3:4 van de Awb overbodig.
Onderdeel N
Deze wijziging komt
overeen met de wijziging van artikel 27g, tweede lid,
WW.
rblz.|116|
Onderdeel O
In dit onderdeel wordt
het equivalent van artikel 1.1, onderdeel
R, onder
2, van deze wet
(artikel 50,
negende en tiende lid, WAO) in
artikel 47a ingevoegd.
Onderdeel P
Op grond van deze
bepaling geldt de informatieplicht ook ten aanzien van degene aan wie op grond
van de Ziektewet een voorziening is toegekend.
Onderdeel Q
Op grond van
artikel
4.2.2 [34] Wet
WIA
kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald
dat de persoon die verzekerd is voor de Wet
WIA
en arbeid als
zelfstandige gaat verrichten arbeidsplaatsvoorzieningen kan aanvragen.
Om ook degene aan wie
ziekengeld is toegekend bij de inschakeling in de arbeid als zelfstandige
te kunnen ondersteunen, wordt ook in de ZW met artikel 52d
die
mogelijkheid opgenomen.
Omdat dit artikel niet in
de bestaande hoofdstukken past, wordt er een nieuw hoofdstuk
ingevoegd.
Onderdeel R
De dienstplichtige
militair is geen gewone overheidswerknemer als bedoeld in artikel
61,
eerste lid. Vandaar dat voorgesteld wordt aan artikel 61 een tweede lid toe te
voegen waarin geregeld wordt dat alle kosten van deze uitkeringen door het
Rijk worden betaald. Voorts wordt door de lasten van de uitkeringen
aan dienstplichtigen via de defensiebegroting volledig voor rekening
van het Rijk te brengen de bijzondere verantwoordelijkheid van de Staat voor de
dienstplichtige militairen tot uitdrukking gebracht. Omdat de volledige lasten van de uitkeringen via de defensiebegroting
voor rekening van het
Rijk worden gebracht, zal er geen premie worden geheven over de
aan dienstplichtigen betaalde wedde. Dit is conform de systematiek zoals toegepast bij de
Wamil.
Onderdeel S
In
artikel
63a, eerste
lid, wordt toepassing gegeven aan artikel 71b, derde lid, van de
WAO. In
verband met de inwerkingtreding van de Wet
WIA moet hier ook verwezen
worden naar artikel 3.4 [26], derde lid, van die
wet.
Onderdelen T,
U en V
In
artikel 64 is geregeld
wie moet worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering op grond van
die wet. Voorgesteld wordt om deze verzekering ook open te stellen voor
de persoon wiens recht op een uitkering krachtens de Wet
WIA
is beëindigd.
Ook de artikelen 65 en 66 worden hieraan aangepast. In
artikel 65,
eerste lid, onderdeel b, wordt voor wat betreft de WAO
de eis gesteld dat
het moet gaan om een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%. Deze
laatste eis geldt niet ten aanzien van de uitkering krachtens de Wet
WIA,
omdat de genoemde grens van 45% daar geen rol speelt. Bij de
voorgestelde wijziging van artikel 65 is aangesloten bij de huidige redactie van het
artikel.
Onderdeel W
Het hier ingevoegde
artikel 72c komt overeen met het middels deze wet
rblz.|117|
opgenomen artikel 87a van
de WAO. Voor de toelichting wordt verwezen naar de
toelichting op dat artikel.
Onderdeel X
In
artikel XV van de Wet
terugdringing ziekteverzuim is het recht op bezoldiging van overheidswerknemers
bij ziekte opgenomen alsmede de reïntegratieverplichtingen
die daarbij horen. De Wet terugdringing ziekteverzuim bevat naast dat artikel
alleen wijzigingen van andere wetten en overgangsrecht. De
bepaling inzake de bezoldiging en reïntegratieverplichtingen van overheidswerknemers
is derhalve een vreemde eend in de bijt. De plaats van
de bepaling is gezien de kenbaarheid geen gelukkige. In het kader van het
nieuwe arbeidsongeschiktheidsstelsel is daarom besloten de bepaling over
te hevelen naar de Ziektewet. Hieronder worden de wijzigingen ten
opzichte van artikel XV van de Wet terugdringing ziekteverzuim
besproken.
Artikel 76
Deze bepaling komt
grotendeels overeen met artikel XV, eerste lid, van de
Wet terugdringing ziekteverzuim. De dienstplichtige en tewerkgestelde gewetensbezwaarde worden
tijdens ziekte, zolang zij in werkelijke dienst zijn, doorbetaald. Eerst
na dienstbeëindiging komen zij in aanmerking voor ziekengeld. Deze
wijziging van de bepaling zoals deze in artikel XV
van de Wet terugdringing ziekteverzuim luidde, is noodzakelijk omdat hiermee geborgd wordt dat
op grond van artikel 29, eerste lid, het ziekengeld niet eerder dan na dienstbeëindiging tot uitbetaling komt. De dienstplichtige
of de tewerkgestelde komt
na diensteindiging in aanmerking voor ziekengeld voor de
resterende duur van de wachttijd voor de Wet
WIA, ten hoogste 104 weken. De wachttijd voor de Wet
WIA
gaat in op de
eerste ziektedag. De
persoon als bedoeld in artikel 37 van de Oorlogswet
voor Nederland komt vanaf
de derde ziektedag in aanmerking voor ziekengeld. Reden hiervoor is dat
voor hen geen rechtspositionele regeling in beeld is.
Artikel 76a
Het eerste lid komt
overeen met het tweede lid van artikel XV van de
Wet terugdringing ziekteverzuim. Daarbij is nu expliciet opgenomen dat de aanspraak bestaat ten
aanzien van de werkgever, opdat duidelijk is dat er op grond van dit artikel
geen aanspraak bestaat ten aanzien van het UWV. In het eerste lid wordt verwezen naar het bedrag, bedoeld in
artikel 17,
eerste lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen; het betreft het bedrag dat geldt als
maximumpremieloon.
Artikel 76b
In het hier voorgestelde
artikel 76b, tweede lid, onderdeel b, is de verwijzing naar artikel P8, eerste
lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540)
vervallen in verband met het reeds zijn vervallen van die wet. In plaats daarvan is
de inhoud van de betreffende bepaling hier uitgeschreven.
Artikel 76e
De reïntegratieplicht
voor de overheidswerkgever ten aanzien van zijn zieke werknemer vloeit
thans voort uit de Wet
Rea. Nu die wet wordt ingetrokken en gelet op
het feit dat de overheidswerkgever eigenrisicodrager voor de Ziektewet
is,
wordt de reïntegratieplicht in de Ziektewet opgenomen. Artikel 76e
is
in wezen de tegenhanger van artikel 7:658a van rblz.|118| het
Burgerlijk Wetboek,
op grond waarvan de werkgever, niet zijnde overheidswerkgever, tot
reïntegratie van zijn zieke werknemer wordt verplicht.
Onderdeel Y
Artikel 90
In
artikel 90 wordt het
overgangsrecht met betrekking tot de no-riskpolis en de toepassing daarvan
op personen die vóór de intrekking van de Wet
Rea arbeidsgehandicapten
waren, geregeld. Dit is nodig omdat het begrip arbeidsgehandicapte met
de intrekking van de Wet Rea
komt te vervallen. In artikel 90 wordt de betrokkene steeds aangemerkt als de werknemer in
de zin van het (nieuwe)
artikel 29b. Uit het feit dat slechts het eerste en niet het derde of vierde
lid van dat artikel wordt genoemd, blijkt dat de uitbreiding van de
no-riskpolis, zoals die voor
"nieuwe" gevallen geldt,
niet voor deze "overgangsgroep" geldt.
Met betrekking tot het
eerste lid wordt voor de goede orde opgemerkt dat betrokkene ook na het
einde van de vijf jaar na het einde van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering weer in aanmerking kan
komen voor de no-riskpolis, bedoeld in artikel 29b
zoals dat na inwerkingtreding van deze wet
komt te luiden, maar dat betrokkene dan wel aan de voorwaarden,
bedoeld in dat artikel,
dient te voldoen. Meest in het oog springende verschil is dat de
arbeidsongeschiktheid dan geen 15%, maar 35% dient te bedragen, hetgeen voortvloeit uit de uitkeringseis op grond van de
Wet WIA.
Eerste lid, onderdeel a
Personen die
vóór
intrekking van de Wet
Rea arbeidsgehandicapte waren op grond van
artikel 2,
onderdeel a, van de Wet
Rea blijven ook na de intrekking van de Wet Rea
in aanmerking komen voor de no-riskpolis zoals die is geregeld in
artikel 29b , eerste lid. De toepassing van de no-riskpolis op deze groep
is beperkt tot de duur van de genoten arbeidsongeschiktheidsuitkering en vijf jaar na die
periode.
Arbeidsgehandicapte op
grond van artikel 2, onderdeel a, van de
Wet Rea
is de persoon die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO, de
WAZ of de Wajong. Gelet op
artikel 90, tweede lid, ziet dit eerste lid,
onderdeel a, slechts op de persoon die voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van
artikel 1.4, onderdeel G, van dit wetsvoorstel recht had op
een WAZ- of een WAO-uitkering.
Eerste lid, onderdeel b
De persoon aan wie een
voorziening is toegekend die strekt tot behoud, herstel of bevordering
van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid of een subsidie voor met
die voorziening verband houdende kosten is verstrekt, is, op grond
van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet Rea, arbeidsgehandicapte.
Hij komt derhalve in aanmerking voor de no-riskpolis die in het
huidige artikel 29b is uitgewerkt. Het is gewenst deze persoon ook na de
intrekking van de Wet
Rea in aanmerking te laten komen voor dat instrument. Deze persoon kan nog in aanmerking komen
voor de no-riskpolis voor de periode waarvoor de voorziening is toegekend of waarvoor de subsidie
is verstrekt en vijf jaar na het einde van de duur waarvoor de
voorziening werd toegekend of de subsidie werd verstrekt.
Eerste lid, onderdeel c
De persoon die bij
indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking op grond van de Wsw
behoort
tot de doelgroep voor de Wsw, doch niet werkzaam is als werknemer
in de zin van de Wsw of op een arbeidsovereenkomst rblz.|119| als bedoeld in
artikel 7 van de Wsw, is, op grond van artikel
2, eerste lid, onderdeel c,
van de Wet
Rea, arbeidsgehandicapte. Hij komt derhalve in aanmerking
voor de no-riskpolis die in het huidige artikel 29b
is uitgewerkt. Het is
gewenst deze persoon ook na de intrekking van de Wet
Rea in aanmerking te
laten komen voor dat instrument. Deze persoon kan nog in aanmerking
komen voor de no-riskpolis voor de duur van de indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking op grond van de Wsw.
Eerste lid, onderdeel d
De persoon die arbeid
heeft verricht op grond van de Wsw en wiens dienstbetrekking op grond
van de Wsw is beëindigd, is, op grond van artikel
2, eerste lid,
onderdeel d, van de Wet
Rea, arbeidsgehandicapte gedurende vijf jaar na
die beëindiging. Hij komt derhalve in aanmerking voor de no-riskpolis die
in het huidige artikel 29b is uitgewerkt. Het is gewenst deze persoon ook
na de intrekking van de Wet
Rea in aanmerking te laten komen voor dat
instrument. Deze persoon kan nog in aanmerking komen voor de no-riskpolis
voor de duur van vijf jaar na de datum van beëindiging
van zijn dienstbetrekking op grond van de Wsw.
Eerste lid, onderdeel e
De persoon die na
herindicatie niet meer behoort tot de doelgroep van de Wsw
is, op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de
Wet Rea, arbeidsgehandicapte
gedurende vijf jaar na de datum van de herindicatiebeschikking. Hij komt derhalve in
aanmerking voor de no-riskpolis die in het huidige artikel 29b
is uitgewerkt. Het is gewenst deze persoon ook na
de intrekking van de Wet
Rea in aanmerking te laten komen voor dat instrument. Deze persoon
kan nog in aanmerking komen voor de no-riskpolis voor de duur van
vijf jaar na de datum van de herindicatiebeschikking op grond van de Wsw.
Eerste lid, onderdeel f
De persoon wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO,
WAZ of Wajong is
geëindigd, blijft, op grond van artikel 2, tweede lid, van de
Wet Rea,
arbeidsgehandicapte. Hij komt derhalve in aanmerking voor de no-riskpolis
die
in het huidige artikel 29b is uitgewerkt. Het is gewenst deze persoon ook
na de intrekking van de Wet
Rea in aanmerking te laten komen voor dat
instrument. Deze persoon kan nog in aanmerking komen voor de no-riskpolis
gedurende vijf jaar na de datum waarop zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering of zijn voorziening eindigde.
Overigens kan het einde
van de uitkering zijn gelegen vóór of na de inwerkingtreding van deze wet.
Personen wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel is beëindigd na inwerkingtreding van deze
wet waren op de dag voorafgaand aan het vervallen van artikel
2 Wet
Rea arbeidsgehandicapte en vallen onder de doelgroep van het eerste
lid, onderdeel a, van dit artikel.
Het eerste lid, onderdeel f, ziet op de personen wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel is beëindigd
vóór inwerkingtreding van deze wet.
Zo wordt bereikt dat de
persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering vóór dan wel na
inwerkingtreding van deze wet is beëindigd door (bijvoorbeeld)
herbeoordeling, nog gedurende vijf jaar daarna voor de no-riskpolis in aanmerking
komt.
Eerste lid, onderdeel g
De persoon ten aanzien
van wie op grond van een medisch-arbeidskundige beoordeling is
vastgesteld dat hij in verband met ziekte of gebrek een belemmering heeft bij
het verkrijgen of verrichten van arbeid, is, op grond van artikel
2,
derde lid, van de Wet
Rea, arbeidsgehandicapte en blijft dat op grond van
artikel 2, vierde lid, van de Wet
Rea gedurende een periode van vijf jaar na
de datum van het intreden van de arbeidshandicap. rblz.|120| Hij komt derhalve in
aanmerking voor de no-riskpolis die in het huidige artikel 29b
is uitgewerkt. Het is gewenst deze persoon ook na de
intrekking van de Wet
Rea in aanmerking te laten komen voor dat instrument. Deze persoon kan nog in
aanmerking komen voor de no-riskpolis voor de duur van vijf jaar na de datum na de datum
waarop in verband
met ziekte of gebrek een
belemmering bij het verkrijgen of verrichten arbeid is ontstaan.
Tweede lid
Op grond van het eerste
lid, onderdeel a, zou de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van
artikel 1.4, onderdeel
G, van deze wet
arbeidsgehandicapte was in verband met zijn recht op een Wajong-uitkering, nog
slechts gedurende vijf jaar recht jaar hebben op de no-riskpolis. Dit is
ongewenst omdat op grond van het voorgestelde artikel
29b, derde lid,
voor zowel de Wajong-gerechtigde als de ex-Wajong-gerechtigde een
permanente no-riskpolis geldt. Hiermee strookt niet dat de overgangsrechtelijke groep zijn
no-riskpolis voor
slechts vijf jaar
behoudt. Derhalve is in het tweede lid een van het eerste lid, onderdeel
a,
afwijkende bepaling opgenomen.
Artikel 91
Artikel 91 regelt ook
overgangsrecht ten aanzien van de no-riskpolis, maar ten aanzien van arbeidsgehandicapten die reeds
vóór intrekking van
de Wet Rea
op grond van artikel
29b recht hebben op ziekengeld. Artikel 91 bepaalt dat deze
aanspraak op ziekengeld blijft bestaan. Dit ziekengeld kan echter niet langer
worden betaald dan de periode waarover thans recht op ziekengeld
bestaat. Dit wordt bepaald in de laatste volzin van artikel
91.
Opgemerkt wordt dat
artikel
29b "oud", op grond van artikel
91, slechts van toepassing blijft op
"lopende ziektegevallen". Op een ziektegeval dat na de in artikel 91
genoemde datum ontstaat (ongeacht of iemand om dezelfde reden eerder
ziektegeld ontving op grond van artikel 29b
"oud"), is het nieuwe artikel
29b, al dan niet met toepassing van artikel 90
ZW, van toepassing (uiteraard
indien aan de voorwaarden wordt voldaan).
Artikel 92
Middels een wijziging van
artikel 4 is de doelgroep van de Wamil onder het bereik van de Ziektewet
gebracht. Daarnaast blijft ook de Wamil bestaan voor bestaande
gevallen. Om samenloop van een uitkering op grond van de Wamil met
ziekengeld te voorkomen, is hier bepaald dat de persoon die
belanghebbende is als bedoeld in artikel 1 van de
Wamil geen recht heeft op
ziekengeld.
Artikel
1.5.
Wijziging van
de Wet financiering sociale verzekeringen
In het wetsvoorstel
WIA
zijn geen regels opgenomen betreffende de financiering van de uitkerings- en
uitvoeringskosten op grond van die wet. De reden hiervoor is dat met
de inwerkingtreding van de Wet financiering sociale verzekeringen
(Wfsv) dergelijke regels voor alle sociale verzekeringen zullen zijn opgenomen in
de Wfsv. In verband hiermee wordt in dit artikel de Wfsv aangepast
aan de Wet WIA.
Onderdelen A,
D, E en
F
Zoals in het
algemeen
deel van de memorie van toelichting is gemeld, vindt de financiering van
de WGA-uitkeringen van de eerste tien jaar aan rblz.|121| werknemers die
voorafgaand ziekengeld ontvingen op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel
a, b of c, ZW plaats uit
- wat thans nog genoemd worden - de wachtgeldfondsen. Dit met uitzondering van de
uitkeringen aan
overheidswerknemers en aan dienstplichtigen en gewetensbezwaarden die vervangende dienst
verrichten. Die komen ten laste van het Uitvoeringsfonds
voor de overheid respectievelijk het Rijk (zie ook de toelichting
op de onderdelen H, onder 1, X [er is geen toelichting op onderdeel
X, red.] en EE). Omdat die fondsen dan zowel de
wachtgeldperiode van de WW-uitkering financieren als genoemde ziekengelden en
WGA-uitkeringen, is de benaming "wachtgeldfonds" naar het oordeel van
de regering niet langer op zijn plaats. Deze wordt dan ook vervangen
door de benaming "sectorfonds". Voorts dient in verband hiermee het
opschrift van hoofdstuk 3, afdeling 2,
te worden aangepast.
Onderdelen B,
C en D
Deze onderdelen bevatten
technische aanpassingen.
Onderdeel G
Met dit onderdeel wordt
verduidelijkt dat de premie voor het Algemeen Werkloosheidsfonds en de sectorfondsen alleen verschuldigd is voor
werknemers voor zover zij
werknemer zijn in de zin van de WW. Een dergelijke premie is dus niet
verschuldigd voor een stagiair. Die is immers weliswaar wel werknemer
in de zin van de ZW, maar geen werknemer in de zin van de WW.
Onderdeel H
Onder
1
Zoals aangegeven in
paragraaf 5.7 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting
worden dienstplichtigen en gewetensbezwaarden die vervangende dienst
verrichten, verzekerd op grond van de ZW en de Wet
WIA. De
noodzakelijke financiële middelen komen volledig ten laste van het Rijk (zie
ook onderdeel X). Dienstplichtigen en gewetensbezwaarden die vervangende dienst
verrichten, zijn geen overheidswerknemers als bedoeld in artikel
1,
onderdeel j, van de WW. Eventuele WW-uitkeringen worden derhalve wel
premiegefinancierd. In verband daarmee wordt geregeld
dat bij de vaststelling van het premiepercentage voor de sectorfondsen ten
aanzien van de werkgevers van de dienstplichtigen en gewetensbezwaarden die
vervangende dienst verrichten de ZW- en WIA-uitkeringen alsmede
de daaraan gerelateerde overige uitgaven, zoals
reïntegratie-instrumenten en uitvoeringskosten, buiten beschouwing blijven.
Onder
3
De wachtgeldpremie dient
ter financiering van zowel de werkloosheidsuitkeringen gedurende de eerste zes
maanden van werkloosheid, de werkloosheidslasten op
grond van artikel 18 van de WW
(onwerkbaar weer), ziekengeld op
grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b of c,
ZW als de daarop aansluitende WGA-uitkeringen. Teneinde werkgevers duidelijkheid te
verschaffen welk deel van die premie dient ter financiering van WW-lasten, welk deel
ter financiering van ZW-lasten en welk deel ter financiering van
WGA-lasten, dient het
UWV - dan wel de Minister van
Sociale Zaken en
Werkgelegenheid indien deze de premie heeft vastgesteld op grond van
artikel 28,
vijfde lid - bekend te maken welk deel van het wachtgeldpremiepercentage ziet op welke van deze lasten.
rblz.|122|
Onderdeel I
De financiering van de
WGA-uitkeringen van de eerste tien jaar aan overheidswerknemers die
voorafgaand ziekengeld ontvingen op grond van artikel
29, tweede
lid, onderdeel a, b of c, ZW vindt plaats uit het Uitvoeringsfonds voor de
overheid (zie ook onderdeel EE). In verband daarmee wordt het
opschrift van hoofdstuk 3, afdeling 3, aangepast.
Onderdelen J tot en met O
Voor de financiering van
de WGA-uitkering gedurende de eerste tien jaar wordt de
Werkhervattingskas geïntroduceerd (zie ook onderdeel KK). In verband hiermee wordt het
opschrift van hoofdstuk 3, afdeling 4, aangepast. De uitgaven ten laste van
de Werkhervattingskas worden verkregen door het heffen van een gedifferentieerde premie (zie ook
paragraaf 3.4
van het algemeen deel van
deze memorie van toelichting). Over uitkeringen op grond van de
werknemersverzekeringen is als gedifferentieerde premie ten behoeve van de
Werkhervattingskas - overeenkomstig hetgeen het geval is met
betrekking tot de gedifferentieerde premie voor de
arbeidsongeschiktheidskas - een premie verschuldigd ter hoogte van het rekenpercentage.
Onderdeel L
Met de zinsnede
"werkgevers in de zin van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen" wordt
verduidelijkt dat de premie in verband met de financiering van de WAO
en de Wet WIA
alleen verschuldigd is voor werknemers voor zover zij werknemer
zijn in de zin van de Wet WIA. Een dergelijke premie is dus niet verschuldigd voor een stagiair. Die is immers
weliswaar wel werknemer
in de zin van de ZW, maar geen werknemer in de zin van de Wet WIA.
Onderdeel P
Het opschrift van
hoofdstuk 3, afdeling 5, wordt aangepast in verband met de uitbreiding van het
eigen risico dragen
met het eigen risico dragen
voor de eerstevierjaarslasten
van de IVA-uitkering en het eigen
risico dragen voor de eerstetienjaarslasten van WGA-uitkeringen (zie ook de
toelichting op de onderdelen Q tot en
met S).
Onderdelen Q tot en met S
Zoals in
paragraaf 3.2
van het algemeen deel van deze toelichting wordt uiteengezet, kunnen
werkgevers ervoor kiezen om eigenrisicodrager te worden voor de eerstetienjaarslasten van
WGA-uitkeringen. Voorts kunnen grote werkgevers
ervoor kiezen eigenrisicodrager te worden voor de eerstevierjaarslasten
van de IVA-uitkering. Dat laatste overigens slechts alleen in
combinatie met een eigenrisicodragerschap voor de WAO. In verband hiermee
worden artikel 3.5.1.1 [artikel 40, red.], het opschrift van hoofdstuk 3, afdeling 5, paragraaf
3, en artikel 45 technisch aangepast.
Onderdeel Q
Onder
2 en 3
Het zevende en achtste
lid van artikel 40 worden aangepast aan het opnemen van de
mogelijkheid tot het zelf dragen van risico voor de betaling van de IVA-uitkeringen
gecombineerd met de WAO-uitkeringen. In die onderdelen worden de
termen "respectievelijk" en "onderscheidenlijk" gebruikt om steeds het
onderscheid aan de brengen tussen het zelf dragen van het risico van
betaling van ziekengeld enerzijds en het zelf rblz.|123| dragen van het risico van
betaling van arbeidsongeschiktheidsuitkering anderzijds.
Onderdeel V
Een werkgever kan slechts
eigenrisicodrager voor de WAO
blijven als hij dat ook wordt voor de IVA-uitkeringen (zie
paragraaf 3.3.1 van het algemeen
deel van deze memorie van
toelichting). Andersom zal de werkgever die geen
eigenrisicodrager is voor de WAO alleen eigenrisicodrager voor de IVA-uitkeringen
kunnen worden als hij dat ook wordt voor de WAO. Zowel de eerstevierjaarslasten van de WAO-uitkering als de
eerstevierjaarslasten van de
IVA-uitkering komen ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas. Een eigenrisicodrager
voor de IVA-uitkering is derhalve geen gedifferentieerde
premie voor de Arbeidsongeschiktheidskas verschuldigd over het
loon van de tot hem in dienstbetrekking staande werknemers en over de
door hem te betalen WAO- en IVA-uitkeringen.
Onderdeel U
Een eigenrisicodrager
voor de WGA-uitkering is geen gedifferentieerde premie voor de
Werkhervattingskas verschuldigd over het loon van de tot hem in dienstbetrekking
staande werknemers en over de door hem te betalen WGA-uitkeringen.
Onderdelen V en
W
In deze onderdelen wordt
de doelgroep van het reïntegratie-instrument premiekorting aangepast
aan de nieuwe arbeidsongeschiktheidsregelgeving. Deze doelgroep is
dezelfde als de doelgroep van de no-riskpolis (artikel
29b ZW). Ook
wordt, conform artikel
29b ZW, aan dit artikel een delegatiebevoegdheid
toegevoegd met betrekking tot de indicatiestelling door de CWI.
Opgemerkt wordt dat in
onderdeel OO tevens overgangsrecht wordt opgenomen op grond
waarvan bijvoorbeeld de WAO-er of de
WAZ-er in aanmerking kan komen voor
een premiekorting.
Onderdeel Y
Zoals aangegeven in
paragraaf 5.7 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting
worden dienstplichtigen en gewetensbezwaarden die vervangende dienst
verrichten, verzekerd op grond van de ZW en de Wet
WIA. De
noodzakelijke financiële middelen komen volledig ten laste van het Rijk.
In verband daarmee wordt geregeld dat de werkgevers van de dienstplichtigen
en gewetensbezwaarden die vervangende dienst verrichten over
het loon van deze personen geen premie verschuldigd zijn voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds, de Arbeidsongeschiktheidskas
en de Werkhervattingskas.
Onderdeel Z
De hoogte van de premie
voor de vrijwillige WIA-verzekering bedraagt niet meer dan de
basispremie vermeerderd met het rekenpercentage voor de
Arbeidsongeschiktheidskas en het rekenpercentage voor de
Werkhervattingskas.
Onderdeel AA
Het hier voorgestelde
artikel 78 komt overeen met het middels deze wet
opgenomen artikel 87a van
de WAO. Voor de toelichting wordt verwezen naar de
toelichting op dat artikel.
rblz.|124|
Onderdeel BB
Het opschrift van
hoofdstuk 7, afdeling 3, paragaaf 1, van de Wfsv wordt aangepast omdat de
sectorfondsen en het Uitvoeringsfonds voor de overheid ook uitkeringen op grond
van de Wet
WIA
zullen dragen.
Onderdeel CC
De gelden die het
UWV ontvangt door terugvordering van onverschuldigd betaalde WGA-uitkering
alsmede regres komen ten gunste van het sectorfonds voor zover die gelden
betrekking hebben op WGA-uitkering die ten laste van dat fonds is
gekomen.
Onderdeel DD
Zoals in het
algemeen
deel van de memorie van toelichting is gemeld, vindt de financiering van
de WGA-uitkeringen van de eerste tien jaar aan werknemers die
voorafgaand ziekengeld ontvingen op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel
a, b of c, ZW plaats uit de sectorfondsen. Dit met uitzondering van overheidswerknemers en dienstplichtigen en gewetensbezwaarden
die vervangende dienst
verrichten (zie ook de toelichting op de onderdelen
H, eerste lid, X [er is geen toelichting op onderdeel
X, red.] en EE). Dit geldt ook voor de uitvoeringskosten met betrekking tot die
uitkeringen en de werkgeversdelen van de premies over die
uitkeringen. Ook reïntegratietrajecten die worden gestart op het moment dat een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte een WGA-uitkering ontvangt die ten laste
komt van het sectorfonds komen ten laste van het sectorfonds. De periode
van tien jaar vangt aan op de dag waarop het recht op WGA-uitkering
ontstaat. Bij een eindiging van het recht op WGA-uitkering binnen die
tien jaar en een latere herleving van dat recht komt de op grond van het
herleefde recht te betalen uitkering slechts ten laste van het sectorfonds
voor zover die tien jaar vanaf de oorspronkelijke dag van ontstaan van het
recht op uitkering nog niet voorbij zijn.
Onderdeel EE
Artikel 105 van de
Wfsv wordt aangepast aan de financiering van WGA-uitkeringen uit de
sectorfondsen.
Onderdeel FF
De gelden die het
UWV ontvangt door terugvordering van onverschuldigd betaalde WGA-uitkering
alsmede regres komen ten gunste van het Uitvoeringsfonds voor de
overheid voor zover die gelden betrekking hebben op WGA-uitkering
die ten laste van dat fonds is gekomen.
Onderdeel GG
De financiering van de
WGA-uitkeringen van de eerste tien jaar aan overheidswerknemers die
voorafgaand ziekengeld op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel
a, b of c, ZW ontvingen, vindt plaats uit het Uitvoeringsfonds voor de
overheid. Dit geldt ook voor de uitvoeringskosten met betrekking tot die
uitkeringen en de werkgeversdelen van de premies over die
uitkeringen. Ook reïntegratietrajecten die worden gestart op het moment dat een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte een WGA-uitkering ontvangt die ten laste
komt van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen ten laste van dat
fonds. De periode van tien jaar vangt aan op de dag waarop het recht op
WGA-uitkering ontstaat. Bij een eindiging van het recht op
WGA-uitkering binnen die tien jaar en een latere herleving van dat recht komt de op
grond van het herleefde recht te betalen uitkering slechts ten laste van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid voor zover rblz.|125| die tien jaar vanaf
de oorspronkelijke dag van ontstaan van het recht op uitkering nog niet
voorbij zijn.
Onderdeel HH
Aangezien over
uitkeringen op grond van de Wet
WIA
aan (gewezen) overheidswerknemers
evenzeer premie op grond van hoofdstuk 3, afdeling
2, van de Wfsv wordt
geheven als over WAO-uitkering, wordt
artikel 111 van de Wfsv
aangepast.
Onderdelen II en
JJ
Voor de financiering van
de WGA-uitkering gedurende de eerste tien jaar wordt de
Werkhervattingskas geïntroduceerd (zie ook onderdeel
MM). In verband hiermee wordt het
opschrift van hoofdstuk 7, afdeling 3, paragraaf
2, van de Wfsv aangepast.
Onderdeel KK
De premie voor de
vrijwillige WIA-verzekering komt,
voor zover deze niet ten gunste van de Werkhervattingskas komt, ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Voorts komen alle gelden
die het UWV ontvangt uit op te leggen boetes in
verband met het niet nakomen van de inlichtingenverplichting op grond van de Wet WIA
en uit het in rekening brengen van kosten als bedoeld in
artikel 9.4 [86] van de Wet
WIA, ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Daarnaast komen de gelden
die het UWV ontvangt door terugvordering van onverschuldigd
betaalde WGA- of IVA-uitkering alsmede regres ten gunste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds voor zover die gelden betrekking hebben op
WGA- of
IVA-uitkering die ten laste van dat fonds is gekomen.
Onderdeel LL
De WGA-uitkeringen en de
IVA-uitkeringen, alsmede de uitvoeringskosten ten behoeve van die
uitkeringen en de werkgeversdelen van de over die uitkeringen verschuldigde
premies, komen na een tijdsverloop van tien respectievelijk vier jaar
na het ontstaan van het recht op uitkering ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Ook komen de reïntegratie-instrumenten
op grond van de WAO, de
WAZ en de Wet
WIA
ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
alsmede de kosten van de onderzoekssubsidies, bedoeld in artikel 1.9,
onderdeel D. Reïntegratietrajecten komen ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds
voor zover niet geregeld is
dat ze ten laste komen
van een ander fonds. Dat betekent onder andere dat de kosten van een
verplichte Europese aanbesteding van reïntegratietrajecten - nu deze niet
gekwalificeerd kunnen worden als kosten die rechtstreeks verband
houden met het reïntegratietraject van een betrokkene en derhalve niet ten
laste komen van de Arbeidsongeschiktheidskas, de Werkhervattingskas of
het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten - ten laste komen van
het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Ten slotte wordt geregeld
dat het deel van de loonaanvullingsuitkeringen op grond van de Wet
WIA,
dat de eigenrisicodragers op grond van artikel
9.2 [83] van die wet verhalen
op het UWV, ten laste komt van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Onderdeel MM
Artikel 116 van de
Wfsv wordt met de subonderdelen 1 en 2 technisch aangepast aan andere
aanpassingen in dit artikel. Voorts wordt geregeld dat de WGA- en
IVA-uitkeringen en werkgeversdelen van daarover rblz.|126| verschuldigde premies die
het UWV verhaalt op eigenrisicodragers respectievelijk de
kredietinstelling of verzekeraar, bedoeld in artikel
40, tweede lid, van de Wfsv, ten gunste komen van de Arbeidsongeschiktheidskas
voor zover het UWV deze
ook uit de Arbeidsongeschiktheidskas heeft gefinancierd.
Daarnaast komen de gelden
die het UWV ontvangt door terugvordering van onverschuldigd
betaalde WGA- of IVA-uitkering alsmede regres ten gunste van de
Arbeidsongeschiktheidskas voor zover die gelden betrekking hebben op WGA- of
IVA-uitkering die ten laste van die kas is gekomen.
Onderdeel NN
Met dit onderdeel wordt
artikel 117 van de Wfsv technisch aangepast aan de betaling van de
eerstevierjaarslasten van de IVA-uitkering uit de Arbeidsongeschiktheidskas.
Omdat de Wet
WIA
een systematiek kent van eindiging van het recht
op uitkering en herleving behoeven het tweede en derde lid van artikel 117
van de Wfsv geen aanpassing. Bij een eindiging van het recht op of
IVA-uitkering binnen vier jaar na de aanvang van het recht en een latere
herleving van dat recht komt de op grond van het herleefde recht te betalen uitkering slechts ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas
voor zover die vier jaar
vanaf de oorspronkelijke dag van ontstaan van het recht op
uitkering nog niet voorbij zijn. Indien een WGA-uitkeringsgerechtigde
volledig duurzaam arbeidsongeschikt wordt en in verband daarmee
recht krijgt op IVA-uitkering, komt de IVA-uitkering slechts ten laste van de
Arbeidsongeschiktheidskas voor zover na het ontstaan van het recht op
WGA-uitkering nog geen vier jaar zijn verlopen. Het vierde lid wordt
technisch aangepast aan de systematiek van de Wet
WIA. Het vijfde lid houdt
verband met de overheveling van artikel XV van de
Wet terugdringing ziekteverzuim
naar de Ziektewet (zie artikel 1.4, onderdeel
X). De
onderdelen a, b en c van het zesde lid van artikel 117 van de
Wfsv worden technisch
aangepast. In onderdeel c is daarmee geregeld dat niet ten laste komt
van de Arbeidsongeschiktheidskas de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
WAO
toegekend aan de werknemer die uit de
dienstbetrekking waaruit de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan recht had op
ziekengeld op grond van artikel
29b ZW. Met het nieuwe onderdeel
f van het zesde lid wordt geregeld dat indien de werknemer op de laatste
dag van de wachttijd recht had op ziekengeld, de eerste vier jaar van de
daaropvolgende IVA-uitkering niet ten laste komt van de
Arbeidsongeschiktheidskas (het gaat hierbij dus - anders dan bij de uitkering op grond van
de WAO - niet alleen om ziekengeld dat op grond van artikel
29b ZW
is ontstaan). Die uitkering komt ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Het achtste lid van artikel 117 van de Wfsv
wordt technisch aangepast aan wijzigingen in andere onderdelen van dit
artikel.
Onderdelen OO en
PP
De WGA-uitkering wordt
gedurende de eerste tien jaar bekostigd uit de Werkhervattingskas. Dat
geldt overigens niet als de WGA-uitkering aansluit op ziekengeld.
Dan komt de WGA-uitkering ten laste van de sectorfondsen, het
Uitvoeringsfonds voor de overheid of het Rijk als het ziekengeld betreft op
grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b of c,
ZW dan wel het
Arbeidsongeschiktheidsfonds. Als het tijdvak waarover de werknemer recht heeft
op loon gedurende ziekte vrijwillig verlengd is, wordt de duur van die verlenging in mindering gebracht op de periode dat
de WGA-uitkering ten
laste komt van de Werkhervattingskas. Indien een IVA-uitkeringsgerechtigde
gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt en in verband daarmee recht
krijgt op WGA-uitkering, komt de WGA-uitkering slechts ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas
voor zover na het rblz.|127|
ontstaan van het recht op
IVA-uitkering nog geen tien jaar zijn verlopen. Ook bij een eindiging van
het recht op WGA-uitkering binnen tien jaar na de aanvang van het recht en een latere herleving van dat recht komt de op
grond van het herleefde
recht te betalen uitkering slechts ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas
voor zover die tien jaar vanaf de oorspronkelijke dag van ontstaan van het
recht op uitkering nog niet voorbij zijn.
De Werkhervattingskas
wordt gevoed met een gedifferentieerde premie. Voorts wordt geregeld dat
de WGA-uitkeringen en werkgeversdelen van daarover verschuldigde
premies die het UWV verhaalt op eigenrisicodragers respectievelijk de
kredietinstelling of verzekeraar, bedoeld in artikel
40, tweede lid,
van de Wfsv, ten gunste komen van de Werkhervattingskas
voor zover het UWV deze
ook uit die kas heeft gefinancierd. Daarnaast komen de gelden
die het UWV ontvangt door terugvordering van onverschuldigd
betaalde WGA-uitkering alsmede regres ten gunste van de Werkhervattingskas
voor zover die gelden betrekking hebben op WGA-uitkering die ten
laste van die kas is gekomen. Voorts kunnen gelden door toepassing van artikel
118 worden overgeheveld uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds
naar de Werkhervattingskas.
Onderdeel QQ
Artikel 122a.
Overgangsrecht premiekorting
Eerste lid
Het is gewenst dat
werkgevers van personen die op de dag voorafgaand aan de datum van
intrekking van de Wet
Rea arbeidsgehandicapte op grond van die wet
waren
in aanmerking blijven komen voor de premiekorting, bedoeld in artikel
49,
eerste lid. Dit wordt geregeld in artikel 122a, eerste lid. Dit artikel
ziet zowel op dienstbetrekkingen die vóór intrekking van de Wet
Rea (en
daarmee het vervallen van het arbeidsgehandicaptebegrip) zijn aangevangen als op
dienstbetrekkingen die daarna aanvangen. De duur van de
premiekorting is steeds de duur van de dienstbetrekking, maar ten hoogste drie
jaar te rekenen vanaf de aanvang van de dienstbetrekking,
ongeacht of die dienstbetrekking vóór of na de intrekking van de Wet Rea
is
aangevangen. Voorwaarde voor het in aanmerking blijven komen van de
premiekorting is dat de betreffende persoon op de dag van aanvang van de
dienstbetrekking aangemerkt kan (of zou kunnen) worden als
arbeidsgehandicapte.
Tweede lid
In het tweede lid wordt
conform artikel 49, tweede lid, ten aanzien van de arbeidsgehandicapte die
vóór de inwerkingtredingsdatum van dit wetsvoorstel als arbeidsgehandicapt
wordt aangemerkt, bepaald dat de werkgever de premiekorting een
maximale duur van één jaar nadat die persoon zijn eigen arbeid
of een andere functie bij diezelfde werkgever geheel of gedeeltelijk
heeft hervat dan wel gedurende één jaar nadat diens arbeidsplaats is
aangepast tot behoud, herstel of ter bevordering van de mogelijkheden tot
het verrichten van arbeid van die werknemer, kan toepassen. Daarbij is
van belang dat die werknemer op het moment van hervatting of
aanpassing van de arbeidsplaats als arbeidsgehandicapte aangemerkt kan (of zou
kunnen) worden.
Derde lid
Met
artikel 2.10 van dit
wetsvoorstel wordt de Wet
Rea ingetrokken. Personen die na die datum
recht krijgen op een uitkering op grond van de Wet
WIA
zijn geen
arbeidsgehandicapte.
Artikel 1.5, onderdeel
V,
van dit wetsvoorstel (wijziging van artikel 49
Wfsv) kan pas in werking
kan treden nadat artikel 49 van de Wfsv
in werking is getreden.
Beoogd wordt dat de Wet Rea
op 29 december 2005 wordt ingetrokken en rblz.|128| dat artikel 49
Wfsv (en
dus artikel 1.5, onderdeel V, van dit
wetsvoorstel) op 1 januari 2006 in
werking treedt. Personen die tussen die twee data recht krijgen op een
uitkering op grond van de Wet
WIA
zijn geen arbeidsgehandicapte. Daarom voldoet hun
werkgever, indien de werknemer in dezelfde periode bij een
andere werkgever in dienstbetrekking treedt of zijn eigen arbeid of een
andere functie bij dezelfde werkgever geheel of gedeeltelijk heeft
hervat, niet aan de voorwaarden voor het verkrijgen premiekorting op grond
van de artikelen 79b WAO
en 82 en 82a
WW. Om dit gemis aan
premiekorting te compenseren, wordt die werkgever toegestaan de premiekorting op grond
van artikel 49 Wfsv
niet ten hoogste drie jaar vanaf de datum van
aanvang van de dienstbetrekking respectievelijk één jaar na de hervatting
toe te passen, maar gedurende drie jaar respectievelijk één jaar te rekenen vanaf
de datum van inwerkingtreding van artikel 49
Wfsv (lees: 1
januari 2006).
Artikel 122b.
Overgangsrecht basispremie en gedifferentieerde premies
Eerste lid
Bij de gekozen
introductie van het financieringsdeel van de Wet
WIA
is er over het jaar 2006 geen
sprake van premiedifferentiatie ten aanzien van de WGA-uitkering.
Artikel 33, derde lid,
waarin is geregeld dat de financiële middelen tot dekking van de uitgaven
ten laste van de Werkhervattingskas worden verkregen door het heffen
van de gedifferentieerde premies, is over het jaar 2006 dan ook niet
van toepassing.
In artikel 38 zijn regels
opgenomen omtrent de vaststelling van de gedifferentieerde premie ten behoeve van
de Werkhervattingskas. Omdat er over het jaar 2006 geen
gedifferentieerde premie wordt geheven ten aanzien van de WGA-uitkering, is
dit artikel over 2006 niet van toepassing.
Ten aanzien van
uitkeringen voor personen die op de laatste dag van de wachttijd een uitkering
ontvingen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b of
c, van
de Ziektewet geldt in de structurele situatie een afwijkende financiering.
Deze uitkeringen komen namelijk gedurende een periode van tien jaar ten
laste van de sectorfondsen; dit is geregeld in artikel
104, eerste lid,
onderdeel d. Voor het jaar 2006 geldt echter dat ook deze uitkeringen worden
gefinancierd uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Artikel
104, eerste lid,
onderdeel d, is derhalve over dat jaar dan ook niet van toepassing.
De artikelen 117a
en 117b hebben betrekking op de middelen en de uitgaven van de
Werhervattingskas.
Aangezien er over het jaar 2006 geen sprake is van een
gedifferentieerde premie ten aanzien van de WGA-uitkering zijn deze artikelen over
dat jaar niet van toepassing.
Tweede lid
In
artikel 34 is bepaald
dat de premie bestaat uit een basispremie en twee gedifferentieerde
premies. Over 2006 zal er echter geen sprake zijn van een gedifferentieerde
premie ten behoeve van de Werkhervattingskas. De premie zal over 2006 dan
ook bestaan uit een basispremie en één gedifferentieerde premie. De basispremie
bestaat in 2006 uit een basispremie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
en een basispremie WGA.
Zesde lid
Ten aanzien van
uitkeringen voor personen die op de laatste dag van de wachttijd een uitkering
ontvingen op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b of
c, van
de Ziektewet geldt in de structurele situatie een afwijkende financiering.
Deze uitkeringen komen namelijk gedurende een periode van tien jaar ten
laste van de sectorfondsen; dit is geregeld in rblz.|129|
artikel
104, eerste lid,
onderdeel d. Voor het jaar 2006 geldt echter dat ook deze uitkeringen worden
gefinancierd uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Zevende lid
In de structurele
situatie komen de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de Wet
WIA
de
eerste vier jaar ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas. Over de jaren 2006 en
2007 zal er geen premiedifferentiatie plaatsvinden ten aanzien
van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Derhalve komen de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen over die jaren ten
laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Achtste lid
WGA-uitkeringen die in
2006 zijn betaald, komen in tegenstelling tot WGA-uitkeringen die vanaf
2007 worden betaald ook gedurende de periode van tien jaar te
rekenen vanaf de dag waarop een uitkering op grond van de Wet
WIA
is ingegaan niet ten laste van de Werkhervattingskas. De WGA-uitkeringen die in
2006 zijn betaald, worden gefinancierd uit de landelijke
uniforme basispremie en komen derhalve ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Artikel 122c.
Overgangsrecht eigen risico
dragen Wet
WIA
Eerste en derde lid
Met ingang van 29
december 2005 is het mogelijk om eigenrisicodrager ten aanzien van de
WGA-uitkeringen te worden. In het eerste lid is bepaald dat door
bestaande eigenrisicodragers daartoe geen aparte aanvraag hoeft te worden
ingediend, maar dat deze automatisch ook eigenrisicodrager ten
aanzien van de WGA-uitkeringen zijn wanneer hij vóór 1 januari 2005 zelf
het risico is gaan dragen. De schriftelijke garantie met betrekking tot het
zelf dragen van het risico van de betaling van WAO-uitkering strekt zich
dan mede uit over het dragen van het risico van betaling van
WGA-uitkering. Dit laatste is geregeld in het derde lid. Alleen zekerheidstellingen WAO
die zijn afgegeven ten behoeve van het zelf dragen van het risico vóór 1 januari 2005 zijn voldoende om vervolgens qua reikwijdte ook de
uitbetaling van WGA-uitkeringen te kunnen garanderen. Door de inwerkingtreding
van de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte
2003, met
ingang van 1 januari 2004, is de WAO-instroom in 2005
beperkt en in 2006 nagenoeg nihil. De inwerkingtreding van de Wet
WIA
en dit
wetsvoorstel met ingang van 1 januari 2006 [29 december 2005, red.]
leidt ertoe dat vanaf 2006 geen WAO-instroom meer plaatsvindt, maar dat
in voorkomende gevallen
instroom in de Wet WIA
plaatsvindt. Niet uitgesloten kan worden dat voor
bedrijven die met ingang van 1 januari 2005 of later eigenrisicodrager
WAO zijn of willen worden door de garant een feitelijk beperkte
zekerheidstelling is afgegeven. Dat is het geval indien het bedrijf geen
Pemba-lasten
heeft op het moment dat gekozen wordt voor eigen
risico dragen WAO.
Nieuwe Pemba-lasten WAO kunnen immers niet ontstaan. Die beperkte zekerheidstelling is dan financieel onvoldoende om
ook als zekerheidstelling
voor eigen risico dragen
WGA te kunnen gelden. Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat artikel 4.4.1 [42] van de
Wet WIA
van toepassing is op
degene die op grond van dit artikel automatisch eigenrisicodrager WGA
wordt.
Tweede lid
Indien de werkgever niet
automatisch eigenrisicodrager ten aanzien van de WGA-uitkeringen wil
worden, dient hij dit vóór 29 december 2005 aan het UWV
te melden.
Vierde, vijfde,
zesde, zevende en achtste lid
De werkgever die geen
eigenrisicodrager voor de WAO
is of dit na rblz.|130| 1 januari 2005 is
geworden, kan dat met ingang van 29 december 2005 wel worden voor de WGA. Hij
dient dan vóór 29 december 2005 een aanvraag en een garantie over te
leggen bij het UWV. De aanvraag zal ook door het UWV worden behandeld.
Reden hiervoor is dat op het moment dat de aanvraag moet worden
gedaan de Wfsv nog niet in werking is getreden. Op de aanvraag moet door
het UWV binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag worden beslist. Vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend
tot de datum waarop het
UWV op de aanvraag heeft beslist, is artikel 4.4.1
[42] van
overeenkomstige toepassing op de werkgever. Dit betekent dat die werkgever in
die
periode verantwoordelijk is voor de inschakeling in de arbeid van degenen
die een WGA-uitkering ontvangen.
Ook wordt in het zevende
lid bepaald dat met betrekking tot de artikelen
4.1.1 [27], 4.1.3 [29], 4.1.4
[30] en
4.2.5 [37] voor "eigenrisicodrager" wordt gelezen: de werkgever die een
aanvraag als bedoeld in artikel 122c, vierde lid, van de
Wet financiering sociale
verzekering heeft ingediend. Dit is nodig omdat die werkgever wel verantwoordelijk is voor de reïntegratie, maar de
bedoelde artikelen niet
van toepassing zijn, omdat hij (nog) geen eigenrisicodrager in de zin van
artikel 9.1 [82] van de Wet
WIA
is. Zonder overeenkomstige toepassing van de
bedoelde artikelen zou de werknemer van wie de werkgever
verantwoordelijk is voor zijn reïntegratie geen plichten hebben jegens die
werkgever. Ook zou die werknemer geen toestemming kunnen krijgen voor het
verrichten van werkzaamheden op een proefplaats. Zonder de overeenkomstige
toepassing van de bedoelde artikelen zou het
reïntegratieproces kunnen worden belemmerd.
Indien het UWV de
werkgever op grond van het vierde lid toestemming geeft om zelf het risico
te dragen van betaling van WGA-uitkering, dan wordt de werkgever geacht
dit risico te hebben gedragen met ingang van 29 december 2005.
Negende lid
Werkgevers die in 2005 of
2006 zelf het risico dragen van betaling van WGA-uitkering krijgen in
2007 een korting op hun basispremie naar rato van het aantal maanden
dat zij in die jaren zelf het risico van betaling droegen, mits zij in 2007
nog steeds het risico dragen van betaling van WGA-uitkering.
Artikel 122d.
Overgangsrecht eigen risico
dragen arbeidsongeschiktheidsuitkering Wet WIA
Eerste en tweede lid
In de structurele
situatie is er de mogelijkheid van eigen
risico dragen ten aanzien van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de
Wet WIA
gecombineerd met de
uitkeringen op grond van de WAO. Over 2006 en 2007 bestaat deze
mogelijkheid niet. Dit is geregeld in het eerste lid. In 2006 en 2007 bestaat nog
wel de mogelijkheid om eigenrisicodrager te worden ten aanzien van de
WAO, hetgeen geregeld is in het tweede lid.
Derde lid
Met ingang van 1 januari
2008 wordt het mogelijk om eigenrisicodrager ten aanzien van de
combinatie arbeidsongeschiktheidsuitkering Wet
WIA
en WAO
te worden. De
mogelijkheid om enkel het eigen risico te dragen ten aanzien van de WAO
bestaat dan niet meer. De werkgever die op 31 december 2007 het
eigen risico ten aanzien van de WAO draagt, is met ingang van 1 januari
2008 automatisch eigenrisicodrager ten aanzien van de hiervoor beschreven
combinatie.
Vierde, vijfde en
zesde
lid
Op grond van het derde
lid wordt de persoon die op 31 december 2007 zelf het risico ten
aanzien van de WAO
draagt automatisch eigenrisicodrager ten aanzien van de
combinatie arbeidsongeschiktheidsuitkering rblz.|131|
Wet WIA
en WAO. De
schriftelijke garantie met betrekking tot het zelf dragen van het risico van
de betaling van WAO-uitkering die is afgegeven ten behoeve van het zelf
dragen van dat risico vóór 1 januari 2005 strekt zich mede uit over het
dragen van het risico ten aanzien van de combinatie, tenzij die schriftelijke
garantie al is gebruikt in het kader van het worden van
eigenrisicodrager ten aanzien van de WGA-uitkering. Indien dat laatste het geval is,
zal de werkgever die het eigen risico over de combinatie wil dragen
uiterlijk op 5 november 2007 een aanvullende schriftelijke garantie
moeten overleggen (vijfde lid). Indien die aanvullende garantie niet of niet
tijdig wordt overgelegd, eindigt het eigen risico dragen ten aanzien van de
WAO en kan de werkgever geen eigenrisicodrager ten aanzien van de
combinatie worden (zesde lid).
Zevende lid
[zie achtste lid, red.]
De werkgever die op 31
december 2007 zelf het risico draagt ten aanzien van de WAO-uitkering
wordt met ingang van 1 januari 2008 geen eigenrisicodrager ten aanzien van de
combinatie arbeidsongeschiktheidsuitkering Wet
WIA
en WAO wanneer
het eigen risico dragen
op verzoek van die werkgever met ingang
van 1 januari 2008 eindigt.
Artikel
1.6.
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Onderdeel A
Omdat het begrip
"reïntegratiebedrijf" in de WAZ wordt geïntroduceerd, wordt dit in
artikel 1
gedefinieerd.
Ten behoeve van de
reïntegratie-instrumenten loon- en inkomenssuppletie wordt het begrip
"resterende verdiencapaciteit" gedefinieerd. Dit begrip is hetzelfde
als in het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet
Rea omschreven als "theoretische verdiencapaciteit". Inhoudelijke wijziging is niet beoogd.
Opgemerkt wordt dat voor
het vaststellen van de "resterende verdiencapaciteit" het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van belang is. De artikelen
9, 10 en 11
zijn van belang voor de bepaling van hetgeen betrokkene nog
met arbeid kan verdienen.
Onderdeel B
In verband met het
intrekken van de Wet
Rea wordt een aantal reïntegratie-instrumenten
in de WAZ geïntroduceerd. In dit onderdeel wordt de herziening van
besluiten tot verstrekking van die instrumenten geregeld.
Onderdeel C
Artikel
26, tweede lid,
wordt aangepast aan de vernummering van artikel 59
tot artikel 59a en de
invoeging van het nieuwe artikel 59.
Onderdeel D
In verband met het
intrekken van de Wet
Rea wordt een aantal reïntegratie-instrumenten
in de WAZ geïntroduceerd. Dit onderdeel wordt hieraan aangepast,
waarbij tevens aansluiting is gezocht bij de redactie van artikel 23
WAO.
Onderdeel E
Op grond van het nieuwe
artikel 30a van de Wet SUWI stelt het UWV voor een ieder ten aanzien van
wie het een reïntegratietaak heeft een reïntegratievisie rblz.|132| en indien nodig een
reïntegratieplan op. De betrokkene dient hieraan mee te werken.
Verder dient de
belanghebbende die bij deelname aan een reïntegratietraject zijn
reïntegratieverplichtingen niet naleeft de reden daarvan onmiddellijk aan het
reïntegratiebedrijf mede te delen. (Zie voor verder de toelichting op artikel
1.1, onderdeel I, van dit wetsvoorstel).
Deze genoemde plichten
worden met dit onderdeel geregeld. Zo wordt tevens bereikt dat bij
niet-naleving van die plichten een sanctie kan worden opgelegd.
Onderdeel F
Deze wijziging komt
overeen met de wijziging van artikel 27g, tweede lid,
WW.
Onderdeel G
In dit onderdeel wordt
het equivalent van artikel 1.1, onderdeel J, van deze wet
(artikel 29h WAO) in
artikel 54a van de WAZ
ingevoegd. Zie de toelichting op genoemd
onderdeel van deze wet.
Onderdeel H
In dit onderdeel wordt
het equivalent van artikel 1.1, onderdeel
R, onder 2, van deze wet
(artikel 50,
negende en tiende lid, WAO) in
artikel 55 van de WAZ
ingevoegd. Zie de
toelichting op genoemd onderdeel van deze wet.
Onderdeel I
In dit onderdeel wordt
het equivalent van artikel 1.1, onderdeel Q, van deze wet
(artikel 44 WAO) in
artikel 58 van de WAZ ingevoegd. Zie de toelichting op genoemd onderdeel van
deze wet.
Onderdeel J
In
artikel 59 worden
regels gesteld met betrekking tot een eventuele samenloop tussen een WAZ-uitkering en een
WIA-uitkering. Omdat de toegang tot de
verzekering van de WAZ beëindigd is, kan het alleen nog gaan om situaties waarin
al sprake is van recht op een WAZ-uitkering waarna WIA-verzekerde
arbeid wordt verricht.
Onderdeel K
In verband met het
intrekken van de Wet
Rea wordt een aantal reïntegratie-instrumenten
in de WAZ geïntroduceerd. In dit onderdeel wordt de terugvordering
van die instrumenten geregeld ingeval ze onverschuldigd zijn betaald.
Onderdeel L
In verband met het
intrekken van de Wet
Rea wordt een aantal reïntegratie-instrumenten
in de WAZ geïntroduceerd. In de Wet Rea
was het mogelijk met
betrekking tot de aanvraag van die instrumenten nadere regels te stellen. Deze
mogelijkheid wordt ook hier opgenomen.
Onderdeel M
In verband met het
intrekken van de Wet
Rea wordt een aantal rblz.|133| reïntegratie-instrumenten
in de WAZ geïntroduceerd. In dit onderdeel wordt
onmogelijkheid om
die instrumenten te vervreemden of te verpanden geregeld.
Onderdeel N
In verband met het
intrekken van de Wet
Rea wordt een aantal reïntegratie-instrumenten
in de WAZ geïntroduceerd. In dit onderdeel wordt bepaald dat die
instrumenten niet vatbaar zijn voor beslag.
Onderdeel O
Artikelen 67a
en
67b.
Loon- en inkomenssuppletie
De persoon die aanspraak
heeft op een uitkering op grond van de WAZ en die:
a. arbeid in
dienstbetrekking aanvaardt of verricht; of
b. als zelfstandige
arbeid verricht of gaat verrichten en wiens inkomen lager is
dan zijn, door het UWV vastgestelde, resterende verdiencapaciteit, kan in
aanmerking worden gebracht voor een loon- of inkomenssuppletie. Deze suppletie is beperkt tot een periode van
vier jaar na aanvang van
het werk. De regels met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de
suppletie worden nader uitgewerkt in een algemene maatregel van
bestuur.
De inhoud van de
artikelen 67a en 67b is thans geregeld in de artikelen 29 en
32 van de Wet Rea
en de artikelen 15 en 17
van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet
Rea.
Omdat de persoon die na
inwerkingtreding van de Wet einde toegang
verzekering WAZ recht
heeft op een uitkering op grond van de WAZ reeds arbeidsongeschikt was
vóór inwerkingtreding van de Wet einde toegang verzekering WAZ en
overigens dient te voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan die
uitkering, kan slechts die persoon in aanmerking komen voor loon- of
inkomenssuppletie op grond van artikel 67a
of 67b.
Artikelen 67a, vierde lid,
en 67b, derde lid
Zie de
toelichting op
artikel 1.1, onderdeel V.
Artikel 67c.
Voorzieningen
ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid als zelfstandige
Op grond van
artikel
4.2.2 [34] Wet
WIA
kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald
dat de persoon die verzekerd is voor de Wet
WIA
en arbeid als
zelfstandige gaat verrichten arbeidsplaatsvoorzieningen kan aanvragen.
Om ook de WAZ-verzekerden
bij de inschakeling in de arbeid als zelfstandige te kunnen ondersteunen,
wordt ook in de WAZ met artikel 67c
zo’n artikel opgenomen.
Opgemerkt wordt dat de
zelfstandige die arbeid in dienstbetrekking verricht of gaat
verrichten, op grond van artikel 4.2.3
[35] Wet
WIA
een voorziening kan aanvragen. De
zelfstandige - in de zin van de WAZ - heeft immers een structurele
functionele beperking.
Artikel 67d.
Recht op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling van Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
In dit onderdeel wordt
het equivalent van artikel 1.1, onderdeel V, van deze wet
(artikel 65f WAO) in
artikel 67d van de WAZ
ingevoegd. Zie de toelichting op genoemd
onderdeel van deze wet.
rblz.|134|
Artikel 67e.
Proefplaatsing
In dit onderdeel wordt
het equivalent van artikel 1.1, onderdeel V, van deze wet
(artikel 65g WAO) in
artikel 67e van de WAZ
ingevoegd. Zie de toelichting op genoemd
onderdeel van deze wet.
Onderdeel P
Op grond van deze
bepaling geldt de informatieplicht ook ten aanzien van degene aan wie een
reïntegratie-instrument is verstrekt.
Onderdeel Q
Het hier ingevoegde
artikel 95b komt overeen met het middels deze wet
opgenomen artikel 87a van
de WAO. Voor de toelichting wordt verwezen naar de
toelichting op dat artikel.
Onderdeel R
In dit artikel is bepaald
dat titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) niet van toepassing
is op de verstrekking van voorzieningen op grond van artikel 67c. De
ratio van deze bepaling is van praktische aard. In veel gevallen zullen deze
voorzieningen in natura worden toegekend. In dat geval is titel 4.2
van de
Awb
niet van toepassing. In enkele gevallen zal echter een
financiële tegemoetkoming voor gemaakte kosten kunnen worden toegekend. In dat
geval is titel 4.2
van de
Awb
weer wel van toepassing. Teneinde te komen tot een eenduidige uitvoering met betrekking
tot de verstrekking van
voorzieningen als hiervoor bedoeld is ervoor gekozen titel 4.2
van de
Awb
niet van toepassing te verklaren.
Onderdeel S
Op grond van het
voorgestelde artikel 98b wordt op grond van de
Wet
Rea aan een WAZ-gerechtigde toegekende loon- en inkomenssuppletie aangemerkt als loon- of
inkomenssuppletie als bedoeld in de WAZ. Dit is noodzakelijk in verband
met het intrekken van de Wet Rea. Hierdoor blijven de aanspraken van betrokkenen op suppletie bestaan voor de duur
van de toegekende
suppletie.
Door deze bepaling wordt
de afgegeven beschikking niet inhoudelijk gewijzigd. De duur van de
toegekende suppletie of voorziening blijft dus gelijk, hetgeen ook in
het artikel tot uitdrukking komt.
Artikel
1.7.
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jongehandicapten
Onderdeel A
Omdat het begrip
"reïntegratiebedrijf" in de WAZ wordt geïntroduceerd, wordt dit in
artikel 1
gedefinieerd.
Ten behoeve van de
reïntegratie-instrumenten loon- en inkomenssuppletie wordt het begrip
"resterende verdiencapaciteit" gedefinieerd. Dit begrip is hetzelfde
als in het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet
Rea omschreven als "theoretische verdiencapaciteit". Inhoudelijke wijziging is niet beoogd.
Opgemerkt wordt dat voor
het vaststellen van de "resterende verdiencapaciteit" het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van belang is. De artikelen
9, 10 en 11 zijn van belang voor de bepaling van hetgeen betrokkene nog
met arbeid kan verdienen.
rblz.|135|
Door de toevoeging van de
artikelen 59a en 59h worden de begrippen werkgever en werknemer in
de Wajong opgenomen. Hier wordt voorgesteld om in de
begripsbepalingen
de omschrijving van die begrippen op te nemen; daarbij wordt
verwezen naar de begrippen zoals deze in de Wet
WIA
worden gebruikt. Dit
is in lijn met het werkgevers- en werknemersbegrip uit de Wet
Rea, waarbij
verwezen werd naar de WAO.
Onderdeel C
Artikel
22, tweede lid,
wordt aangepast aan de vernummering van artikel 51 tot
artikel 51a en het
invoegen van een nieuw artikel 51.
Onderdeel E
Op grond van het nieuwe
artikel 30a van de Wet SUWI stelt het UWV voor een ieder ten aanzien van
wie het een reïntegratietaak heeft een reïntegratievisie en
indien nodig een reïntegratieplan op. De betrokkene dient hieraan mee te
werken.
Verder dient de
belanghebbende die bij deelname aan een reïntegratietraject zijn
reïntegratieverplichtingen niet naleeft de reden daarvan onmiddellijk aan het
reïntegratiebedrijf mede te delen. (Zie voor verder de toelichting op artikel
1.1, onderdeel I, van dit wetsvoorstel).
Deze genoemde plichten
worden met dit onderdeel geregeld. Zo wordt tevens bereikt dat bij
niet-naleving van die plichten een sanctie kan worden opgelegd.
Onderdeel F
De informatieplicht,
bedoeld in artikel 62, geldt ook voor de werkgever ten behoeve van wie het
UWV loondispensatie heeft toegekend. In verband met de handhaving van
deze plicht is het nodig dat het UWV bij schending daarvan ook aan bedoelde
werkgever een boete kan opleggen.
Onderdeel G
Deze wijziging komt
overeen met de wijziging van artikel 27g, tweede lid,
WW.
Onderdeel H
In dit onderdeel wordt
het equivalent van artikel 1.1, onderdeel J, van deze wet
(artikel 29h WAO) in
artikel 46a van de Wajong
ingevoegd. Zie de toelichting op genoemd
onderdeel van deze wet.
Onderdeel I
In dit onderdeel wordt
het equivalent van artikel 1.1, onderdeel
R, onder
2, van deze wet
(artikel 50,
negende en tiende lid, WAO) in
artikel 47 van de Wajong
ingevoegd. Zie de
toelichting op genoemd onderdeel van deze wet.
Onderdeel J
Zoals ook uiteengezet in
het algemeen deel van de memorie van toelichting bestaat thans de
mogelijkheid voor degene die vanuit een Wajong-uitkering aan het werk
gaat dat
het recht op uitkering nog gedurende ten hoogste drie jaar wordt
voortgezet, waarbij de inkomsten uit de arbeid in mindering worden gebracht
op de uitbetaling van de uitkering. Na afloop rblz.|136| van deze periode van ten
hoogste drie jaar wordt de betrokkene geschat op de inkomsten uit
arbeid. Deze periode van drie jaar wordt met dit wetsvoorstel gewijzigd in een
standaardperiode van vijf jaar.
Door deze wijziging wordt
de jonggehandicapte die recht heeft op een Wajong-uitkering en die
inkomsten uit arbeid geniet, dus de eerste vijf jaar na aanvang van zijn
werkzaamheden niet afgeschat en wordt zijn uitkering niet
ingetrokken of herzien. Wel wordt de hoogte van zijn uitkering aangepast aan zijn
inkomsten. Dit volgt uit het eerste lid, onderdeel a en b.
In het tweede lid wordt
bepaald hoe met onderbrekingen van het in het eerste lid bedoelde
tijdvak van vijf jaar moet worden omgegaan.
Op grond van het derde
lid geldt voor de jonggehandicapte die inkomsten uit arbeid geniet
ingevolge een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de hoofdstukken 2 en
3 van
de Wsw, het eerste lid voor ongeperkte duur. In dit artikellid wordt dan
ook geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de huidige bepaling.
Onderdeel K
In het tot
artikel
51a vernummerde artikel is de samenloop tussen een uitkering op grond van de
Wajong en een uitkering op grond van de WAO
en de WAZ geregeld.
Omdat beide wetten geen nieuwe verzekerden meer kennen, is ervoor
gekozen om het artikel te vernummeren en in het nieuwe artikel 51 de
samenloop met de Wet
WIA
op te nemen. Ook de algemene
delegatiebepalingen zijn nu in het nieuwe artikel 51 geplaatst, zodat
artikel
51a te
zijner tijd kan vervallen.
De zinsnede
"met ingang
van dezelfde dag" in het tot artikel 51a
vernummerde artikel is overbodig en
kan derhalve vervallen.
Onderdeel L
Jonggehandicapten krijgen
recht op een Wajong-uitkering met ingang van het 18e jaar. Zij
kunnen tevoren WIA-verzekerde arbeid hebben verricht en daarin
arbeidsongeschikt zijn geworden vóór het 17e jaar. Ter zake van deze
arbeidsongeschiktheid kunnen zij zowel recht krijgen op WIA- als op
Wajong-uitkering. Een andere mogelijkheid is dat een
Wajong-gerechtigde arbeid
in Wsw-verband gaat verrichten en op grond daarvan recht op
WIA-uitkering krijgt.
Het is niet gewenst dat
de Wajong-uitkering naast de WIA-uitkering wordt ontvangen. De
WIA-uitkering gaat voor de Wajong-uitkering. De Wajong-uitkering wordt
niet betaald tot het bedrag van de WIA-uitkering, maar slechts het meerdere
komt tot uitbetaling.
Als een Wajong-er
WIA-verzekerde arbeid gaat verrichten die past bij zijn resterende
verdiencapaciteit, dan is hij voor die restcapaciteit verzekerd voor de Wet
WIA. Als
tijdens de werkzaamheden de arbeidsongeschiktheid toeneemt, dan stijgt de
Wajong-uitkering en krijgt de Wajong-er voor het toegenomen deel ook een
WIA-uitkering. De Wajong-uitkering wordt
uitbetaald voor zover deze de WIA-uitkering overtreft. Als de
WIA-uitkering hoger is dan de Wajong-uitkering, dan wordt de Wajong-uitkering
betaald zoals die was vóór de toename van de arbeidsongeschiktheid.
Dit om te voorkomen dat de Wajong-uitkering die er was vóór het recht
op WIA-uitkering ontstond, wordt opgegeten door de
WIA-uitkering door de als gevolg van het hogere dagloon hogere
WIA-uitkering.
Voor de toepassing van
dit artikel wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
WIA
tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van de Wet
WIA
recht bestaat, voor zover die vakantie-uitkeringen over dezelfde periode
zijn berekend.
rblz.|137|
Dit artikel is niet van
toepassing op de persoon die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op grond
van de
vrijwillige verzekering als bedoeld in de Wet
WIA.
Onderdeel P
Artikel 59a.
Loondispensatie
In
artikel 7 van de Wet
Rea is thans het reïntegratie-instrument loondispensatie geregeld. Met het
intrekken van de Wet
Rea vervalt dit instrument. Het is gewenst dit
instrument te handhaven voor de jonggehandicapte voor zover zijn
arbeidsprestatie duidelijk minder is dan de arbeidsprestatie die
beloning met het voor hem geldende wettelijk minimumloon
rechtvaardigt. Dit wordt
geregeld in het nieuwe artikel 59a.
De doelgroep van dit
instrument omvat de:
- jonggehandicapten die
de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt; en
- jonggehandicapten die
een uitkering op grond van de Wajong ontvangen.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat wanneer na het afnemen van de arbeidscapaciteit
het functioneren een loon rechtvaardigt dat boven het voor betrokkene
rechtens geldende wettelijk minimumloon ligt, het instrument
loondispensatie niet kan worden toegepast.
Artikel 59b.
Voorzieningen
ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid als zelfstandige
Op grond van
artikel 4.2.2 [34], tweede lid, Wet
WIA
kan bij algemene maatregel van bestuur worden
bepaald dat de persoon die verzekerd is voor de Wet
WIA
en arbeid als
zelfstandige gaat verrichten arbeidsplaatsvoorzieningen kan aanvragen.
Om ook de
jonggehandicapten bij de inschakeling in de arbeid als zelfstandige te kunnen ondersteunen,
wordt ook in de Wajong met artikel 59b
zo’n artikel
opgenomen.
De doelgroep van dit
instrument omvat de:
- jonggehandicapten die
de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt; en
- jonggehandicapten die
een uitkering op grond van de
Wajong ontvangen.
Opgemerkt wordt dat de
jonggehandicapte die arbeid in dienstbetrekking verricht of gaat
verrichten, op grond van artikel 4.2.3
[35] Wet
WIA
een voorziening kan aanvragen. De
jonggehandicapte - in de zin van de
Wajong - heeft immers een
structurele functionele beperking.
Artikel 59c.
Experimenteerartikel
Dit artikel heeft
dezelfde strekking als artikel 130 WW
dat bij de Wet van 23 december 2004 tot
wijziging van enkele socialeverzekeringswetten en enige andere wetten in
verband met het aanbrengen van enige vereenvoudigingen in de WW
is ingebracht.
Artikel 59d.
Recht op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling van UWV
In dit onderdeel wordt
het equivalent van artikel 1.1, onderdeel V, van deze wet
(artikel 65f WAO) in
artikel 59d van de Wajong
ingevoegd. Zie de toelichting op genoemd
onderdeel van deze wet.
rblz.|138|
Artikel 59e.
Persoonlijke
ondersteuning
Op grond van
artikel 31,
tweede lid, onderdeel b, van de Wet
Rea kan het UWV een
arbeidsgehandicapte persoonlijke ondersteuning bieden. Na intrekking van de
Wet Rea
zal dit instrument open staan voor de doelgroep die hier thans
voornamelijk gebruik van maakt:
- jonggehandicapten die
de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt; en
- jonggehandicapten die
een uitkering op grond van de Wajong ontvangen.
Op grond van het tweede
lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels
omtrent de persoonlijke ondersteuning worden gesteld. Hierbij wordt
gedacht aan nadere voorwaarden aan de verstrekking, zoals de voorwaarde dat
de persoonlijke ondersteuning wordt gegeven door een persoon
die verbonden is aan een door het UWV erkende rechtspersoon die
tot doel heeft diensten te verlenen die kunnen worden aangemerkt als
persoonlijke ondersteuning. Ook kunnen regels worden gesteld omtrent de duur van de persoonlijke ondersteuning
ingeval eerst werkzaamheden
op een proefplaats worden verricht en direct aansluitend een
dienstbetrekking wordt aangegaan.
Artikelen 59f
en
59g.
Loon- of inkomenssuppletie
De jonggehandicapte die
de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en de jonggehandicapte die
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wajong
en
die:
a. arbeid in
dienstbetrekking aanvaardt of verricht; of
b. als zelfstandige
arbeid verricht of gaat verrichten en wiens inkomen lager is
dan zijn, door het UWV vastgestelde, resterende verdiencapaciteit, kan in
aanmerking worden gebracht voor een loon- of inkomenssuppletie. Deze suppletie is beperkt tot een periode van
vier jaar na aanvang van
het werk. De regels met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de
suppletie worden nader uitgewerkt in een algemene maatregel van
bestuur.
De inhoud van de
artikelen 59f en 59g is thans geregeld in de artikelen 29 en
32 van de Wet
Rea en de artikelen 15 en
17 van het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea.
Door de zinsnede "of verricht" in artikel
59f, eerste lid, bestaat de mogelijkheid loonsuppletie toe te
kennen aan de jonggehandicapte werknemer die binnen de bestaande
dienstbetrekking bij zijn eigen werkgever de arbeid hervat, zonder dat
hem een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid is toegekend dan wel zo’n
uitkering is herzien. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het voor de
toekenning van loonsuppletie geen noodzakelijke verstrekkingsvoorwaarde
is dat het aanvaarden van de aangepaste arbeid gelegen moet zijn na de schatting.
Artikel 59f, vierde lid,
en 59g, derde lid
Zie de
toelichting op
artikel 1.1, onderdeel V, van deze wet.
Artikel 59h.
Proefplaatsing
In dit onderdeel wordt
het equivalent van artikel 1.1, onderdeel V, van deze wet
(artikel 65f WAO) in
artikel 59h van de Wajong
ingevoegd. Zie de toelichting op genoemd
onderdeel van deze wet.
Onderdeel Q
Op grond van deze
bepaling geldt de informatieplicht ook ten aanzien van degene aan wie een
reïntegratie-instrument is verstrekt. Dit kan naast de rblz.|139| jonggehandicapte of zijn
wettelijke vertegenwoordiger ook de werkgever betreffen ten behoeve van
wie het UWV loondispensatie op grond van artikel
59a heeft toegekend.
Onderdeel R
De
reïntegratie-instrumenten op grond van de Wajong
komen ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten alsmede de kosten van de
reïntegratietrajecten indien betrokkene bij aanvang van dat traject recht heeft op
een Wajong-uitkering.
Onderdeel S
Het hier ingevoegde
artikel 69b komt overeen met het middels deze wet
opgenomen artikel 87a van
de WAO. Voor de toelichting wordt verwezen naar de
toelichting op
dat artikel.
Onderdeel T
In dit artikel is bepaald
dat titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) niet van toepassing
is op de verstrekking van voorzieningen op grond van artikel 59b. De
ratio van deze bepaling is van praktische aard. In veel gevallen zullen deze
voorzieningen in natura worden toegekend. In dat geval is titel 4.2
van de Awb niet van toepassing. In enkele gevallen zal echter een
financiële tegemoetkoming voor gemaakte kosten kunnen worden toegekend. In dat
geval is titel 4.2 van de Awb
weer wel van toepassing. Teneinde te komen tot een eenduidige uitvoering met betrekking
tot de verstrekking van
voorzieningen als hiervoor bedoeld is ervoor gekozen titel 4.2
van de Awb niet van toepassing te verklaren.
Onderdeel U
Artikel 76b
Op
grond van
artikel
76b,
eerste lid, wordt op grond van de Wet
Rea ten behoeve van een Wajong-gerechtigde toegekende loondispensatie
aangemerkt als
loondispensatie als bedoeld in de Wajong. Dit is noodzakelijk in verband met het
intrekken van de Wet Rea. Hierdoor blijft de vermindering van de
aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid bestaan
voor de duur van de toegekende loondispensatie. Door deze bepaling wordt
de afgegeven beschikking niet inhoudelijk gewijzigd. De duur van
het tijdvak van de loondispensatie blijft dus gelijk, hetgeen ook in het
artikel tot uitdrukking komt.
In artikel 76b, tweede
lid, wordt hetzelfde geregeld met betrekking tot noodzakelijke
persoonlijke ondersteuning die op grond van artikel
31, tweede lid, onderdeel
b,
van de Wet
Rea aan een Wajong-gerechtigde is verstrekt.
En in het derde en vierde
lid wordt dit geregeld met betrekking tot loon- en inkomenssuppletie die op
grond van de artikelen 29 en 32 van de
Wet Rea
aan een Wajong-gerechtigde is verstrekt.
Artikel 76c
Met de intrekking van de
Wet Rea
komt ook artikel 44, eerste lid, van die wet te vervallen. Op
grond van dat artikel wordt thans subsidie verstrekt aan zogenaamde Rea-scholingsinstituten. Deze instituten verzorgen de scholing van met name
Wajong-gerechtigden. Met ingang van 1 januari 2006 zal de scholing van
ernstig jonggehandicapten op een andere wijze worden gefinancierd.
Hiertoe is een subsidieregeling opgesteld die zijn basis vindt in de Wajong.
Bij wijze van overgangsrecht zal aan de rblz.|140|
Rea-scholingsinstituten
gedurende drie jaar nog een zogenaamde basissubsidie worden verstrekt. Na
inwerkingtreding van deze wet
(en het intrekken van de Wet Rea)
wordt die subsidie verstrekt op grond van het nieuwe artikel 76c
van de Wajong. Het artikel zelf geeft aan dat deze subsidie wordt verstrekt
tot en met het jaar 2008.
Artikel
1.8.
Arbeidsomstandighedenwet 1998
Onderdelen A, D en E [Onderdelen A,
C
en D,
red.]
Met de intrekking van de
Wet Rea
komt ook artikel 9 van die wet
te vervallen. Het is gewenst
de daarin opgenomen bepaling in de Arbeidsomstandighedenwet
1998 op te nemen. Daartoe
wordt in die
wet een nieuwe bepaling opgenomen
na artikel 3. In deze nieuwe bepaling, artikel 3a, wordt de werkgever
verplicht de inrichting van de arbeidsplaats, de werkmethoden en de bij de
arbeid gebruikte arbeidsmiddelen alsmede de arbeidsinhoud aan te
passen aan de handicap van de werknemer. Indien de werkgever niet aan die
plicht voldoet, kan de arbeidsinspectie een eis stellen aan de werkgever.
Om het mogelijk te maken
de werkgever een eis tot naleving of een boete op te leggen indien hij
de plicht, bedoeld in artikel 3a, niet naleeft, wordt artikel 3a aan artikel 27
en 33 van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 toegevoegd.
In het tweede lid is de
inhoud van artikel 9, vierde lid, Wet
Rea opgenomen. Hiermee wordt de in het
eerste lid bedoelde plicht ook van toepassing op de
eigenrisicodrager Ziektewet.
Onderdeel B
Onder
1
In artikel 14, eerste
lid, is onder meer bepaald dat het verlenen van bijstand bij de
uitvoering van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 ook inhoudt het verlenen van
bijstand bij de uitvoering van bij of krachtens artikel 71a, eerste,
tweede, derde, vierde en zevende lid, van de WAO
gestelde regels. Hier
wordt voorgesteld om conform hiermee tot het verlenen van bijstand bij
de uitvoering van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 ook te rekenen het
verlenen van bijstand bij de uitvoering van bij of krachtens
artikel 3.3 [25], eerste, tweede, derde, vierde en zevende lid, van de
Wet
WIA
gestelde regels.
Onder
2
In het
Besluit van de
Minister van Justitie van 13 maart 2000, houdende aanwijzing van situaties,
bedoeld in artikel 464 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarvoor
dit artikel later dan met ingang van 1 mei 2000 in werking zal
treden (Stb. 2000, 121), is geregeld dat artikel 464 nog niet in werking treedt voor zover
het betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 457 en 464,
tweede lid, onderdeel b, van Boek
7 BW. Deze algemene maatregel van bestuur is
destijds getroffen omdat de overeenkomstige toepassing van de hele
afdeling betreffende de geneeskundige behandelingsovereenkomst
zonder nadere maatregelen zou leiden tot problemen op het terrein
van sociale zekerheid, de sociale voorzieningen en in de sfeer van de bijstand in het kader van de arbeidsomstandigheden.
Niet van toepassing is
het voorschrift dat alleen met toestemming van de patiënt gegevens
aan derden mogen worden verstrekt (artikel 457 BW) en het recht van de
persoon die medisch onderzocht wordt om eerst de uitslag van het
onderzoek te vernemen en te beslissen over aan wie die uitslag zal worden
verstrekt (artikel 464, tweede lid, onderdeel b, BW).
Het was destijds de
bedoeling te komen tot nieuwe artikelen in de SZW-wetgeving die dan als
specifieke regelingen ten opzichte van de rblz.|141| betreffende artikelen
zouden gelden. Deze bepaling strekt daartoe. Nu wordt expliciet in het
onderhavige artikel geregeld dat voornoemde BW-bepalingen niet
gelden. De gegevens die de bedrijfsarts verwerkt, kunnen aan derden worden
verstrekt indien dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken,
bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van de Arbeidsomstandighedenwet
1998, zonder dat de werknemer het recht heeft die gegevens eerst
in te zien of te bepalen aan wie de gegevens worden verstrekt. Indien
sprake zou zijn van een ongeoorloofde gegevensverstrekking, staat het de werknemer
vrij dit aspect aan de orde te stellen bij de burgerlijke
rechter, bijvoorbeeld in het kader van geschillen omtrent de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever tijdens ziekte.
Overigens doet deze
bepaling niets af aan het feit dat voor verzekerings- en bedrijfsartsen het
medisch beroepsgeheim geldt en dat voor de verwerking van gegevens
betreffende de gezondheid artikel 21 van de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp) van toepassing is.
Dit betekent dat hetgeen
de werknemer in vertrouwen aan de bedrijfsarts vertelt niet aan derden,
i.c. de werkgever, mag worden doorgegeven.
Artikel 21 Wbp
beperkt de
informatie over de gezondheid van de werknemer tot hetgeen noodzakelijk
is voor verzuimbegeleiding en reïntegratie. De werkgever heeft de
precieze medische achtergrond van de beperkingen van de
werknemer niet nodig voor zijn verantwoordelijkheden, te weten loondoorbetaling
en reïntegratie. De werkgever heeft daarvoor voldoende aan de
informatie over het bestaan van arbeidsongeschiktheid, de beperkingen van de
werknemer en de mogelijkheden om werkhervatting te bevorderen. Alleen met uitdrukkelijke toestemming van
de werknemer mag de
werkgever beschikken over meer medische gegevens (artikel 23 Wbp).
In verband met het
verzekeren van risico’s van de werkgever van loondoorbetaling en het
eigenrisicodrager
zijn op grond van de Wet
WIA
kan er met machtiging van de
werkgever een relatie bestaan tussen verzekeraar en bedrijfsarts. In
beginsel zal de bedrijfsarts aan de verzekeraar (dat wil zeggen de verzekeringsarts in
dienst bij de verzekeraar) geen andere gegevens verstrekken dan de
gegevens die aan de werkgever worden verstrekt.
Artikel
1.9.
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Onderdeel A
Artikel
1, onderdeel
l,
wordt met de Invoeringswet Wfsv opgenomen in de Wet
SUWI
en definieert de
werknemersverzekeringen.
Artikel
1, onderdeel
n,
wordt met de Invoeringswet Wfsv vernummerd tot onderdeel o en definieert
de uitkeringsgerechtigde.
Aan
artikel 1 wordt een
onderdeel toegevoegd. In dit onderdeel wordt op gelijke wijze als in de Wet
WIA
en het Besluit SUWI een definitie opgenomen van reïntegratiebedrijf.
De Wet SUWI bevat namelijk bepalingen voor de inschakeling van
reïntegratiebedrijven en daaraan te stellen kwaliteitseisen en voor
het verstrekken van gegevens aan reïntegratiebedrijven.
Onderdeel B
In verschillende
wetten
is geregeld dat het UWV en colleges van burgemeester en wethouders (colleges
van B&W) de werkzaamheden die gericht zijn op de
integratie laat verrichten door reïntegratiebedrijven. Artikel 14 maakt het
mogelijk aan die reïntegratiebedrijven kwaliteitseisen op te leggen via een
stelsel van certificatie. Die vereisten gelden alleen voor zover het betreft de
uitvoering van reïntegratietaken door UWV en colleges van B&W voor
werknemers en uitkeringsgerechtigden die met rblz.|142| publieke middelen worden gefinancierd. Om die reden geldt dit artikel niet
voor de
reïntegratiebedrijven die door de eigenrisicodrager (bedoeld in de Wet
WIA) worden ingeschakeld.
Overigens wordt ervan uitgegaan dat financiële prikkels voldoende zijn
om een goed reïntegratiebedrijf te kiezen. De kwaliteitseisen in de
vorm van certificering zijn daarom niet nader vormgegeven. Het artikel is
ook aangepast vanwege het intrekken van de Wet
Rea.
Onderdeel C
In dit onderdeel wordt
een artikel ingevoegd waaruit blijkt dat de CWI
voor de uitvoering van
alle taken waarbij CWI persoonsgegevens verwerkt het sofinummer mag gebruiken. Dit was al geregeld voor de registratie van
werkzoekenden in artikel 25 en bij het gegevensverkeer met UWV
en colleges van
B&W in verband met de intake van uitkeringsaanvragen. Met deze bepaling is
duidelijk dat bij het gehele proces van verwerking het sofinummer mag worden gebruikt en niet alleen bij het verstrekken van gegevens
of het opvragen van gegevens bij bijvoorbeeld het UWV. De uitbreiding
betekent dat deze duidelijkheid met name wordt gegeven in verband met de
indicatietaak voor de sociale werkvoorziening, het geven van een
reïntegratieadvies en voor de uitvoering van ontslagtaken.
Het gaat hier om de relatie
met instanties en werkgevers die de gegevens van werknemers of
uitkeringsgerechtigden al met het sofinummer verwerken.
Het is wenselijk dat de
CWI zich ervan vergewist dat de juiste persoonsidentificerende gegevens gekoppeld
zijn
aan het sofinummer. Voor zover duidelijk is dat het sofinummer niet door andere instanties is geverifieerd zoals het UWV en de
SVB
op grond van de Wet SUWI, dient de CWI dit te doen. Dit wordt geregeld in het tweede lid.
Onderdelen D en
G
In
artikel 30, eerste
lid, onderdeel a, wordt geregeld welke wetten het UWV
uitvoert. Onder het
uitvoering geven aan de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen kan mede worden begrepen
het geven van uitvoering aan de Wet
WIA. Deze wet
[die wet, red.] hoeft dan ook niet expliciet te worden toegevoegd. De
Wet Rea
kan in verband met het intrekken daarvan in dit lid
vervallen.
In het eerste lid,
onderdeel b, was de reïntegratietaak van het UWV
al geregeld. Het onderdeel
is aangevuld met de taak ten aanzien van de gerechtigde op een
toekomstige Wajong-uitkering die de leeftijd van 17 jaar nog niet heeft
bereikt. Deze taak voor deze doelgroep is overgenomen uit de Wet
Rea.
Artikel
30, eerste lid,
onderdeel c, wordt aangepast in de Invoeringswet
Wfsv. De verwijzing naar
het Reïntegratiefonds in dit onderdeel kan vervallen vanwege de
intrekking van de Wet
Rea. Dit geldt ook voor de verwijzing in
artikel 45,
tweede lid, van de Wet SUWI, zoals dit artikellid wordt aangepast in de Verzamelwet
SZW 2005 (onderdeel G).
Artikel
30, eerste lid,
onderdeel e, wordt aangepast in verband met het overhevelen van de inhoud
van artikel XV van de Wet terugdringing ziekteverzuim
naar de Ziektewet.
Door de toevoeging van
het vijfde en zesde lid aan artikel 30 wordt op gelijke wijze als in
artikel 72 WW geregeld dat het UWV bij de uitvoering van de reïntegratietaken
reïntegratiebedrijven inschakelt en dat, indien de uitkeringsgerechtigde ook
een bijstandsuitkering ontvangt, met de rblz.|143|
gemeente
kan worden overeengekomen dat de gemeente de reïntegratietaak
heeft. Met het vervallen
van de Wet
Rea zijn beide zaken nu in algemene zin geregeld in de Wet
SUWI. Voorts is in het vijfde lid
bepaald dat de reïntegratietaak en
de daarmee samenhangend taak van inkoop van trajecten niet geldt voor
personen die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen in verband met
volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Deze personen worden
geacht in zodanige mate arbeidsongeschikt te zijn dat inspanningen
gericht op arbeidsinschakeling niet aan de orde zijn. Deze
uitkeringsgerechtigden kunnen het UWV dan ook niet aanspreken om trajecten
daartoe in te zetten. Ten slotte wordt bepaald dat het UWV de
reïntegratietaak niet heeft voor de verzekerde, bedoeld in artikel 9.1
[82] van de Wet WIA. Dit betreft de periode van
eigen risico dragen
op grond van de Wet
WIA.
In die periode heeft de eigenrisicodrager op grond van artikel 4.4.1
[42] van de Wet
WIA
de reïntegratietaak. Hierop is weer een uitzondering gemaakt
in de situatie dat de eigenrisicodrager niet de uitkering op grond van de Wet WIA
behoeft te betalen op grond van artikel
8.2.6 [72], derde lid.
Het gaat hier om de uitkeringsgerechtigde die bij zijn werkgever arbeid is
blijven verrichten. Het is niet redelijk in die situatie de
eigenrisicodrager wel voor de reïntegratie en de kosten daarvan verantwoordelijk
te maken (voor zover daar al in dat geval sprake van is).
Voorts heeft het UWV geen
reïntegratieverantwoordelijkheid als de overheidswerkgever op
grond van artikel 72a van de WW
deze verantwoordelijkheid zelf heeft.
De algemene maatregel van
bestuur van het zevende lid biedt de grondslag voor hetgeen reeds nu
geregeld is in artikel 4.1 van het Besluit
SUWI over onder andere de inhoud van
de contracten met reïntegratiebedrijven en de aanbestedingsprocedure.
Het artikel in het Besluit SUWI bevat ook bepalingen over hetgeen in de overeenkomst wordt afgesproken over het
verwerken van gegevens
door het reïntegratiebedrijf en de terugkoppeling door het
reïntegratiebedrijf over de medewerking van de verzekerde of werknemer aan de
reïntegratietrajecten. Voorts kan op basis van dit artikellid nader inhoud
worden gegeven aan de reïntegratieovereenkomst. Het vormt daarmee ook de
grondslag voor een individuele reïntegratieovereenkomst (IRO) (geregeld in
artikel 4.2 van het Besluit SUWI). Daarnaast wordt in dit zevende lid
mogelijk gemaakt regels te stellen in situaties waarin een persoon
verschillende uitkeringen ontvangt en er behoefte is aan nadere regels voor de
verantwoordelijkheidsverdeling. Bij of krachtens deze algemene maatregel
van bestuur kan dan eventueel ook bepaald worden of sprake
is van een kostenverrekening indien verschillende verantwoordelijken worden
aangewezen. Indien het UWV als verantwoordelijk wordt aangewezen, zal op grond van
artikel
30a een
reïntegratievisie dienen
te worden opgesteld.
Onderdeel E
In dit onderdeel worden
drie artikelen toegevoegd die de taak van het UWV
op onderdelen nader
inhoud geven.
Artikel 30a
In
artikel
30a wordt
geregeld hoe het UWV in samenspraak met de uitkeringsgerechtigde de
reïntegratieactiviteiten invult. Het UWV zorgt alleen
voor het opstellen van de documenten die in dit artikel worden genoemd indien ook daadwerkelijk
reïntegratieactiviteiten noodzakelijk zijn. Dit blijkt uit de zinsnede
"indien gelet op de aard van de uitkering de taak, bedoeld in artikel
30,
eerste lid, onderdeel b, wordt uitgevoerd" in het eerste lid van
artikel
30a. De bedoelde documenten hoeven bijvoorbeeld rblz.|144| niet te worden opgesteld
in relatie tot de uitkering op grond van de Toeslagenwet of andere
beperkte aanvullende uitkeringen.
In de reïntegratievisie
zullen de verplichtingen die zijn gericht op reïntegratie worden geconcretiseerd.
Indien in de reïntegratievisie de verplichting is opgenomen dat de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte zoveel mogelijk meewerkt aan
reïntegratiewerkzaamheden die worden aangeboden door een reïntegratiebedrijf,
dan betekent dit dat de betrokkene moet meewerken aan het
reïntegratieplan dat het reïntegratiebedrijf in zijn geval opstelt. Ook deze
verplichting zal in de reïntegratievisie worden opgenomen.
Uit het feit dat de
reïntegratievisie in samenspraak met de uitkeringsgerechtigde wordt opgesteld (en
geëvalueerd op grond van het tweede lid) en dat hierin ook de
plichten in verband met de werkzaamheden door een reïntegratiebedrijf
worden opgenomen, vloeit voort dat het UWV en de uitkeringsgerechtigde samen een keuze voor een reïntegratiebedrijf
maken.
Doel van deze
reïntegratievisie is dat voor de uitkeringsgerechtigde duidelijk is welke verplichtingen
en rechten aan zijn uitkering zijn verbonden.
Indien de verplichtingen
die in de reïntegratievisie zijn opgenomen niet worden nageleefd door de
uitkeringsgerechtigde, kan dit reden zijn voor het UWV
om hem een
sanctie (boete of maatregel) op te leggen. De reïntegratievisie is dus
op rechtsgevolg gericht, reden waarom daartegen bezwaar en beroep openstaat.
Op grond van het derde
lid kan een reïntegratieplan worden opgesteld. Dit gebeurt als de
reïntegratievisie daartoe aanleiding geeft. Dan wordt het opgesteld door het door
het UWV ingeschakelde reïntegratiebedrijf.
In dit plan worden de
activiteiten beschreven die de uitkeringsgerechtigde en het
reïntegratiebedrijf, in het kader van de reïntegratie van de
betrokkene, gaan verrichten. Het
opstellen van het plan dient te gebeuren in samenspraak met de
verzekerde.
Het reïntegratieplan
bevat een concretisering van de uitgangspunten in de reïntegratievisie.
Indien naar aanleiding van de evaluatie de reïntegratievisie wordt aangepast, kan dit
ook gevolgen hebben voor het reïntegratieplan. Andersom zou een bezwaar
van de uitkeringsgerechtigde tegen de inhoud van het plan (het plan bevat ook verplichtingen, waartegen de
uitkeringsgerechtigde
bezwaar kan maken) ertoe kunnen leiden dat de reïntegratieactiviteiten
worden aangepast. In dat geval kan het noodzakelijk zijn ook de reïntegratievisie aan te passen. Het lijkt
waarschijnlijk dat
dit blijkt bij de
periodieke evaluatie van de reïntegratievisie, die in het tweede lid wordt
voorgeschreven.
In de derde zin van dit
artikellid is bepaald dat het UWV de verzekerde in de gelegenheid stelt zelf
zo’n reïntegratieplan op te stellen, voor zover dat noodzakelijk is in
verband met de aard van de voorziening. Hiermee wordt gedoeld op de situatie
waarin de verzekerde een IRO aanvraagt. Indien
de verzekerde geen IRO aanvraagt, maar wel zelf een
reïntegratieplan opstelt dat echter niet voldoet aan de eisen die het UWV daaraan
stelt, vervolmaakt het UWV dat plan. Uiteraard geschiedt dit eveneens in
samenspraak met de verzekerde.
Nadat de
reïntegratievisie heeft geleid tot uitwerking in een reïntegratieplan,
is het waarschijnlijk dat
er voor de verzekerde, ten opzichte van de reïntegratievisie,
nieuwe verplichtingen en rechten gelden. Deze nieuwe, vaak ook meer
gespecificeerde, verplichtingen en rechten dienen, met het oog op kenbaarheid van
rechten en plichten, in het reïntegratieplan te worden vermeld (het
vierde lid). De kennisgeving van het aldus vastgestelde rblz.|145| reïntegratieplan
zou ertoe kunnen leiden dat de uitkeringsgerechtigde daartegen bezwaar en
beroep indient. Zonder dit uit te sluiten, zal er toch een zodanige
samenhang tussen reïntegratievisie en -plan zijn dat dit niet tot dubbele
procedures leidt.
Artikel 30b
Op grond van
artikel 44,
tweede lid, Wet
Rea kan het UWV subsidies
verstrekken die tot doel
hebben het bevorderen van onderzoek naar de mogelijkheden van
preventie en reïntegratie van arbeidsgehandicapten door het inzetten van
financiële middelen voor activiteiten die kunnen leiden tot terugdringing
van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Artikel 30b
beoogt deze
subsidiemogelijkheid voort te zetten ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen en het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten. Omdat het begrip "arbeidsgehandicapte" niet langer wordt gehanteerd, wordt in dit artikel
gesproken van "personen met een structurele functionele beperking".
Net als thans gebruikelijk is, zal het UWV daarvoor een beleid moeten
ontwikkelen.
Artikel 30c
In dit artikel wordt
geregeld dat binnen het UWV één of meer personen als beslissingsautoriteit
worden benoemd die de beschikkingen gaan nemen in verband met volledige
en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van hoofdstuk 6 van de
Wet WIA. De bevoegdheid tot het geven van beschikkingen door de beslissingsautoriteit betreft uitsluitend primaire beschikkingen.
In overeenstemming met
artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt
door de beslissingsautoriteit niet beslist op bezwaarschriften en in
overeenstemming met
artikel 10:3, tweede lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht
wordt door de beslissingsautoriteit niet beslist op
beroepschriften. Laatstbedoelde beslissingen zijn geen primaire beschikkingen.
Met de benoeming van
één of meer personen als beslissingsautoriteit wordt beoogd beslissingen
van het UWV met betrekking tot volledige en duurzame
arbeidsongeschiktheid met voldoende waarborgen te omkleden. In ontvangst nemen van
een uitkeringsaanvraag, inwinnen van nadere gegevens en
overige voorbereiding van een beslissing van de beslissingsautoriteit
vindt plaats door anderen dan de beslissingsautoriteit. De definitieve beslissing
over de toekenning van het recht op uitkering en de hoogte
van de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid kan echter bij
uitsluiting plaatsvinden door de beslissingsautoriteit. De besluitvorming met
betrekking tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid wordt op deze wijze meer geüniformeerd.
Onderdeel H
In
artikel 54 wordt een
nadere wettelijke basis gegeven voor verstrekken van gegevens door de reïntegratiebedrijven aan het
UWV, voor zover het
UWV die gegevens nodig
heeft voor de uitvoering van zijn taken. In de Wet werk en bijstand is
voor dit gegevensverkeer ook een wettelijke basis opgenomen. De overeenkomst met het reïntegratiebedrijf geeft al een
grondslag voor het
onderlinge gegevensverkeer, maar met deze bepaling wordt ook duidelijk dat
gegevens door reïntegratiebedrijven moeten worden teruggekoppeld. De
bepalingen over de reïntegratieovereenkomsten in het Besluit
SUWI geven
een nadere inhoud aan welke gegevens door
reïntegratiebedrijven worden teruggekoppeld. Voor de gegevens die worden uitgewisseld,
kunnen regels worden gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
rblz.|146|
Onderdeel I
Artikel 65 bepaalt dat
meer technische voorschriften worden gegeven voor de
gegevensuitwisseling met reïntegratiebedrijven. Voorgesteld wordt in artikel
54,
negende lid, en 73, tiende lid, te bepalen dat bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur regels worden gesteld voor welke gegevens worden
uitgewisseld tussen UWV (en CWI) en reïntegratiebedrijven en op welke wijze. De
Wet
werk en bijstand bevat bepalingen over het verstrekken van
gegevens aan reïntegratiebedrijven en biedt ook de mogelijkheid daarvoor
nadere regels te stellen (artikel 67 Wwb).
Doordat het
gegevensverkeer tussen reïntegratiebedrijven en gemeenten en het UWV elders is
geregeld en daarbij ook op hoger niveau dan bij ministeriële regeling
nadere regels kunnen worden gesteld, kan dit artikel
65 vervallen.
Onderdeel J
Artikel
73, eerste lid,
onderdeel d, kan vervallen, omdat voor het gegevensverkeer met de
verzekeraars en in verband met verzekeringsovereenkomsten in het tweede lid een
aparte regeling is opgenomen.
Aan
artikel 73, eerste
lid, wordt een zin toegevoegd. Op grond van het Besluit gebruik
sofinummer mogen de pensioenfondsen en verzekeraars aan wie gegevens kunnen
worden verstrekt als bedoeld in onderdeel a ter uitvoering van
pensioenregelingen het sofinummer gebruiken. Om die reden wordt door toevoeging van de zin in het eerste lid
toegestaan
dat bij de gegevens die UWV en SVB
verstrekken ook het sofinummer kan behoren. De
pensioenfondsen behoren door de bepaling in het Besluit gebruik
sofinummer reeds tot het sofidomein.
Het tweede lid betreft de
bevoegdheid tot het verstrekken van gegevens in verband met de
verzekering van de werkgever van de risico’s die voortvloeien uit het eigenrisicodrager
zijn als omschreven in de Wet
WIA
en voor de ZW en ook nog de
risico’s die voortvloeien uit de WAO, die in stand blijft. Het blijft
mogelijk dat werkgevers de gedifferentieerde premie voor de
arbeidsongeschiktheidswetten verzekeren. Voor al die verzekeringen kunnen gegevens
noodzakelijk zijn die door het UWV worden verwerkt in onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administraties. Het
gaat overigens om een
beperkte set van gegevens. Welke (soort) gegevens dat kunnen zijn, wordt
nader uitgewerkt in de algemene maatregel van bestuur op grond van het zesde (tot zevende vernummerde) lid (zoals
aangepast in de Invoeringswet Wfsv). Daarbij is van
belang dat het gegevens kan betreffen die het
UWV via de belastingdienst heeft verkregen. In
paragraaf 5.6 van het algemeen deel van deze
toelichting is aangegeven om welke soort gegevens het gaat. Het gaat niet
alleen om gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van
declaraties van de werkgevers, maar ook om gegevens die van belang zijn voor
de offertes die verzekeraars doen aan de werkgevers. In het tweede lid wordt
in onderdeel a geregeld dat deze laatste gegevens door het UWV aan de
werkgevers worden verstrekt. De werkgevers kunnen dan deze gegevens
toezenden aan de verzekeraars aan wie zij offertes vragen voor de
verzekeringen van de risico’s die zij hebben voor bepaalde betalingen.
In het tweede lid,
onderdeel b, wordt geregeld dat UWV gegevens kan verstrekken aan de
verzekeraars. Het gaat dan om gegevens die de verzekeraars nodig hebben voor reeds
tot stand gekomen verzekeringen, bijvoorbeeld voor
aanvulling en verificatie van de declaraties van de werkgevers.
De gegevens die verstrekt
worden zijn de gegevens die het UWV verwerkt in onder zijn
verantwoordelijkheid gevoerde administraties. Het betreft grotendeels
gegevens die
de werkgever aan de belastingdienst heeft rblz.|147| aangeleverd via de
loonaangifte en die verwerkt worden in de polisadministratie. Daarnaast worden ook
gegevens uit de uitkeringsadministratie verstrekt. Omdat het
gegevens betreft waarvoor de werkgever verantwoordelijk is en die de relatie
tussen de werkgever en verzekeraar voortvloeiend uit de verzekeringsovereenkomst betreffen, is het van
belang dat duidelijk is dat de werkgever weet van de gegevensuitvraag bij het UWV. Dit blijkt
uit het vereiste van de machtiging, zoals opgenomen in het tweede lid,
onderdeel b. Het uitgangspunt van de wet
is dat de werkgevers ervoor
kunnen kiezen het risico te dragen en zij dus ook zelf in eerste instantie
dienen zorg te dragen voor de juiste gegevens. Dit tweede lid betekent niet
dat het UWV daarop kan worden aangesproken, maar wel dat het UWV zorg kan
dragen op verzoek die gegevens beschikbaar te stellen die ook voor
de publieke uitvoering van de wetten relevant zijn. In verband met deze
gegevensverstrekking is geregeld dat in het tweede lid voor deze verzekeringsovereenkomsten wordt
aangegeven dat de
werkgever alleen die
gegevens van zijn werknemers mag verstrekken aan de verzekeraars die
noodzakelijk zijn voor deze verzekeringsovereenkomsten (zie paragraaf 8.6 van
het algemeen deel van deze memorie van toelichting).
De verzekeraars kunnen
ook belang hebben bij statistische gegevens. Op de verstrekking van
dergelijke informatie heeft dit artikellid geen betrekking. Het tot vierde
vernummerde lid van artikel 73 heeft hierop betrekking. In de algemene maatregel
van bestuur op grond van dat artikellid kunnen verzekeraars als derden worden aangewezen. De gegevensverstrekking
van deze gegevens aan
verzekeraars wordt daarmee wel nader geregeld in het
Besluit SUWI.
In het nieuwe elfde lid
wordt het gebruik van het sofinummer geregeld door verzekeraars en reïntegratiebedrijven, Verzekeraars mogen met het
oog op de verzekeringen
van het risico van loondoorbetaling (al dan niet voortvloeiend uit het
eigenrisicodrager zijn voor de ZW) en het eigenrisicodrager zijn in de zin van de
Wet WIA
en voor de WAO
en de betaling van de gedifferentieerde arbeidsongeschiktheidspremie het
sofinummer gebruiken. Vandaar
dat in de aanhef van het tweede lid wordt toegestaan dat bij de
gegevensverstrekking ook het sofinummer mag worden verstrekt.
Het (oude) zevende lid is
in de Invoeringswet Wfsv toegevoegd. De inhoud daarvan is nu
opgenomen in het nieuwe negende lid. Het betreft de gegevensverstrekking
door de CWI aan reïntegratiebedrijven die in opdracht van het
UWV,
colleges van B&W of eigenrisicodragers reïntegratiewerkzaamheden
verrichten.
Het achtste lid regelt de
gegevensverstrekking door het UWV aan reïntegratiebedrijven.
Het gaat om gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de
werkzaamheden door het reïntegratiebedrijf. Dit dient in aanvulling op artikel 30
geregeld te worden. De gegevensverstrekking van de eigenrisicodrager aan
een door hem ingeschakeld reïntegratiebedrijf is geregeld in artikel 4.4.1
[42] van de Wet
WIA. In het kader van
die wet wordt ook duidelijk in welke
mate reïntegratiebedrijven gegevens terugkoppelen aan de eigenrisicodrager
voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de reïntegratietaken
die aan de eigenrisicodrager op grond van de Wet
WIA
zijn opgedragen.
In de lijn van de eerdere
wijzigingen van dit artikel 73 is bepaald dat bij algemene maatregel van
bestuur zal worden geregeld welke gegevens mogen worden verstrekt
(het nieuwe tiende lid). Dit wordt geregeld om kenbaar te maken wat de
soort en aard van de gegevens zijn die worden uitgewisseld tussen UWV
en reïntegratiebedrijven. In de algemene maatregel van bestuur wordt ook
ingegaan op meer technische voorschriften als structuur en
schrijfwijze ten behoeve van de gegevensuitwisseling. In de praktijk zal dit
vorm
krijgen door nadere invulling van hoofdstuk 4 van
rblz.|148| het
Besluit SUWI, dat
over de uitbesteding en uitvoering van de reïntegratietaken gaat.
In het elfde lid wordt
het gebruik van het sofinummer door reïntegratiebedrijven geregeld. Dit is beperkt
tot de uitvoering van opdrachten door het UWV
(voor
reïntegratie van werklozen overigens al geregeld in artikel 72
WW). Artikel 68,
tweede lid, van de Wwb bevat al een regeling van het gebruik van het
sofinummer bij opdrachten van gemeenten. Indien een reïntegratiebedrijf in
opdracht van een eigenrisicodrager reïntegratieactiviteiten verricht, is dit gebruik
weliswaar al geregeld in artikel 4.4.1
[42] van de Wet WIA, maar wordt
hier ook nog eens bepaald om de relatie met het gegevensverkeer tussen
UWV en de reïntegratiewerkzaamheden aan te geven.
In onderdeel b wordt het
verzekeraars toegestaan het sofinummer te gebruiken ten behoeve van
de verzekeringsovereenkomsten met werkgevers voor het risico van
loondoorbetaling bij ziekte en het eigenrisicodrager zijn. Voor de
overwegingen daarvoor (gelijk speelveld bijvoorbeeld) wordt verwezen naar het
algemeen deel van de toelichting.
Onderdeel K
In het
Besluit van de
Minister van Justitie van 13 maart 2000, houdende aanwijzing van situaties,
bedoeld in artikel 464 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, waarvoor dit
artikel later dan met ingang van 1 mei 2000 in werking zal treden (Stb.
2000, 121), is geregeld dat artikel 464 nog niet in werking treedt voor zover
het betreft de overeenkomstige toepassing van de artikelen 457 en 464,
tweede lid, onderdeel b, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek. Deze algemene
maatregel van bestuur is destijds getroffen omdat de overeenkomstige
toepassing van de hele afdeling betreffende de geneeskundige
behandelingsovereenkomst zonder nadere maatregelen zou leiden tot problemen
op het terrein van sociale zekerheid en de sociale voorzieningen.
Niet van toepassing is het voorschrift dat alleen met toestemming van de
patiënt gegevens aan derden mogen worden verstrekt (artikel 457)
en het recht van de persoon die medisch onderzocht wordt om eerst de uitslag
van het onderzoek te vernemen en te beslissen over aan wie die uitslag
zal worden verstrekt (blokkeringsrecht). Deze uitzonderingssituatie is
eerst tot 1 mei 2005 en vervolgens tot 1 mei 2010 (Besluit van 22 maart
2005, Stb. 2005, 174) verlengd.
Het was destijds de
bedoeling te komen tot nieuwe artikelen in de SZW-wetgeving die dan als
specifieke regelingen ten opzichte van de betreffende artikelen
zouden gelden. Deze bepaling strekt daartoe. Nu wordt expliciet in het
artikel over de geheimhoudingsplicht geregeld dat deze artikelen (artikelen
457 en 464, tweede lid, onderdeel b) niet gelden. De gegevens die de
verzekeringsarts verwerkt, kunnen op grond van de Wet
SUWI
aan derden worden
verstrekt (intern en extern) indien dat noodzakelijk is voor de beslissing
over het recht op uitkering of op voorzieningen, zonder dat de verzekerde
het recht heeft die gegevens eerst in te zien of te bepalen aan wie de
gegevens worden verstrekt. Overigens geldt dit onverminderd hetgeen in dit
artikel
74
wordt geregeld. Dit betekent dat de verzekerde wel
schriftelijk bezwaar kan maken tegen de gegevensverstrekking (op grond van
artikel 74,
tweede lid, onderdeel b).
Deze bepaling doet
overigens niets af aan het feit dat voor verzekerings- en bedrijfsartsen het
medisch beroepsgeheim geldt en dat voor de verwerking van gegevens betreffende
de gezondheid artikel 21 van de Wet
bescherming persoonsgegevens van toepassing is.
Daarnaast geldt het
blokkeringsrecht van de betrokkene niet, dat wil zeggen dat de betrokkene
na kennis te hebben genomen van de uitslag van de keuring de
doorgifte niet kan tegenhouden van de resultaten daarvan, omdat die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wetten die aan het UWV, de
SVB
en de CWI zijn opgedragen.
rblz.|149|
Onderdeel L
Artikel
83i (zoals het
artikel 83c is vernummerd na de wijziging van de Wet
SUWI
die bij de
wijzigingswet onder kamerstuknummer 30 016 in de Wet SUWI
is aangebracht
(Kamerstukken II 2004-2005, 30 016, nr. 5) [Wet tot wijziging
van de Werkloosheidswet in verband met het
preventief inzetten van reïntegratie-instrumenten, het opdragen van de
reïntegratietaak aan overheidswerkgevers, het ondersteunen van WAO-herbeoordeelden
bij scholing, het subsidiëren van scholing in het kader van de Wajong
en enkele andere wijzigingen in wetten die de
reïntegratie-instrumenten betreffen, red.] wordt aangepast omdat de
arbeidsverledenbeschikking ook relevant wordt voor de vaststelling van het
arbeidsverleden in het kader van de Wet
WIA.
Onderdeel M
Het voorgestelde
artikel
83k bevat het overgangsrecht met betrekking tot de reïntegratietaak van
het UWV ten aanzien van arbeidsgehandicapten,
voor zover zij een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen van het UWV. Het gaat om de
lopende trajecten die door reïntegratiebedrijven zijn ingezet vóór de datum
waarop de Wet
Rea wordt ingetrokken. Dit kunnen ook IRO’s betreffen. De delegatiebepaling in het derde lid is
vooral opgenomen om voor de zogenaamde IRO’s nader overgangsrecht te regelen in het
Besluit SUWI.
Voorts wordt in het
tweede lid bepaald dat het UWV nog een reïntegratietaak heeft voor
personen die
geen uitkering ontvangen, maar op grond van het overgangsrecht in
de Wet einde toegang verzekering WAZ in de Wet
Rea
nog wel
voorzieningen krijgen die aan zelfstandigen worden verstrekt. Op grond van
dit overgangsrecht (artikel 77 Wet
Rea) werden deze zelfstandigen geacht
verzekerd te zijn voor de WAZ.
Het derde lid regelt dat
de lopende trajecten nog wel bekostigd blijven uit het Reïntegratiefonds, dat met dat
doel nog enkele jaren na inwerkingtreding van de Wet
WIA
blijft
bestaan.
Het voorgestelde
artikel
83l omvat overgangsrecht met betrekking tot de
reïntegratieaanpak door
het UWV. Het bepaalt dat het UWV met betrekking tot
"lopende"
uitkeringen niet verplicht is een reïntegratievisie op te stellen. Dit laat
onverlet dat als het UWV het wenselijk vindt zo’n reïntegratievisie wel op
te stellen, hij de bevoegdheid daartoe heeft.
Onderdeel N
In
artikel 84, eerste
lid, wordt het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting van degene die een boete
op grond van de Wet
WIA
krijgt opgelegd of van wie een
uitkering of voorziening wordt teruggevorderd, strafbaar gesteld op
dezelfde wijze als het niet voldoen aan de vergelijkbare verplichtingen in de
andere socialeverzekeringswetten.
Artikel
1.10.
Toeslagenwet
Onderdeel A, onder 1
Voorgesteld wordt om de
arbeidsongeschikte of gedeeltelijk arbeidsgeschikte die - ondanks dat hij
een uitkering op grond van de Wet
WIA
ontvangt - een (gezins)inkomen
heeft dat lager is dan het voor hem geldende sociaal
minimum,
daarnaast ingevolge de TW
aanspraak te laten maken op een
aanvullende uitkering tot dat minimum. Hiertoe wordt artikel
1, eerste lid,
onderdeel d, gewijzigd.
Onderdelen A, onder
2, en B
De
artikelen 1, eerste
lid, onderdeel e, en 5, eerste lid, worden aangepast aan het overbrengen van
de inhoud van artikel XV van de Wet terugdringing ziekteverzuim
naar de Ziektewet.
rblz.|150|
Onderdeel C
Onder 1
Zoals in
paragraaf 5.5 van het algemeen deel van de toelichting al is
beschreven, vervalt
de maximeringsbepaling in artikel 8 van de TW.
Onder 2
Als een werkloze
WW-er
zich voor minder uren dan het gemiddeld aantal arbeidsuren voor de
werkloosheid beschikbaar stelt voor arbeid, wordt het verlies aan WW-uitkering
deels gecompenseerd door een verhoging van de TW. Door het laten
vervallen van de maximeringsbepaling in artikel 8
van de TW zou dit effect
groter worden. Dit is een onbedoeld, onevenredig gunstig effect voor
werkloze WW-ers. Met deze bepaling wordt dit effect weggenomen.
Voorbeeld. Een ongehuwde
WW-gerechtigde met kind heeft een dagloon van €|70,-. Zijn gemiddeld
aantal arbeidsuren (GAA) is 40 uur. Het relevante
sociaal
minimum is €|52,34 (90% minimumloon) en 27% van het minimumloon is €|15,71.
Hij gaat zich beschikbaar stellen voor 24 uur:
|