|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2004-2005, 30 034
Bevordering van het naar
arbeidsvermogen verrichten van werk of van
werkhervatting van verzekerden die gedeeltelijk
arbeidsgeschikt zijn en tot het treffen van een
regeling van inkomen voor deze personen alsmede
voor verzekerden die volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt zijn (Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1xxxxx| |
Inleiding |
| 2 |
De
aanbevelingen van de commissie-Donner en de SER |
| 2.1 |
Het
advies van de commissie-Donner |
| 2.2 |
De
adviezen van de SER |
| 3 |
De
regeringsvoornemens in het kort |
| 3.1 |
Activering
van arbeidsgeschiktheid |
| 3.2 |
Inkomensbescherming |
| 3.3 |
Toekomstbestendigheid
wetsvoorstel |
| 3.4 |
Opbouw
van de memorie van toelichting |
| 4 |
Het
arbeidsongeschiktheidscriterium |
| 4.1 |
De
begrippen ziekte en objectiviteit |
| 4.2 |
Het
arbeidsongeschiktheidscriterium voor volledige en duurzame
arbeidsongeschiktheid |
| 4.3 |
Het
arbeidsongeschiktheidscriterium voor gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid |
| 5 |
Het
claimbeoordelingsproces |
| 5.1 |
De
poortwachtertoets |
| 5.2 |
De
verzekeringsgeneeskundige beoordeling |
| 5.3 |
De
arbeidskundige beoordeling |
| 5.4 |
De
uiteindelijke beslissing |
| 5.5 |
Kwaliteitsborging |
| 6 |
Activeren
van arbeidsgeschiktheid |
| 6.1 |
Reïntegratie
van gedeeltelijk arbeidsgeschikten |
| 6.2 |
Reïntegratie
gedurende de WGA-uitkering |
| 6.3 |
Ondersteuning
gedeeltelijk arbeidsgeschikte tijdens de reïntegratie |
| 6.4 |
Stimuleren
van de werkgever |
| 6.5 |
Arbeidsplaatsvoorzieningen |
| 6.6 |
Sanctiebeleid |
| 6.7 |
Reïntegratie
van volledig en duurzaam arbeidsongeschikten |
| 7 |
De
inkomensbescherming van volledig en duurzaam arbeidsongeschikten |
| 7.1 |
Hoogte
van de uitkering |
| 7.2 |
Anticumulatie |
| 7.3 |
Flexibele
keuring |
| 8 |
De
inkomensbescherming van gedeeltelijk arbeidsgeschikten |
| 8.1 |
De
loongerelateerde periode |
| 8.2 |
De
fase na de loongerelateerde periode |
| 9 |
Het
recht op uitkering |
| 9.1 |
Ontstaan
van het recht op uitkering |
| 9.2 |
Eindiging
van het recht op uitkering |
| 9.3 |
Herleving
van het recht op uitkering |
| 9.4 |
Toe-
en afname van de mate van arbeidsongeschiktheid |
| 9.5 |
Twee
dienstbetrekkingen |
| 10 |
Uitvoering
en financiering |
| 10.1 |
Uitvoering
van de IVA en de WGA |
| 10.2 |
Financiering
van de IVA en de WGA |
| 10.3 |
Pemba
en het oude en nieuwe arbeidsongeschiktheidsstelsel |
| 10.4 |
Financiering
en uitvoering van de Wet WIA voor werknemers die eerder onder het
vangnet ZW vielen |
| 11 |
Overgangsrecht
en internationaalrechtelijke aspecten |
| 11.1 |
Overgangsrecht |
| 11.2 |
Internationaalrechtelijke
aspecten |
| 12 |
Ontvangen
commentaren |
| 12.1 |
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) |
| 12.2 |
De
Inspectie Werk en Inkomen (IWI) |
| 12.3 |
Actal |
| 12.4 |
De
Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) |
| 12.5 |
Het
College bescherming persoonsgegevens (CBP) |
| 12.6 |
Raad
voor de rechtspraak |
| 13 |
Financiële
en economische gevolgen |
| 13.1 |
Ontwikkelingen
bij ongewijzigd beleid |
| 13.2 |
Gevolgen
van de stelselherziening voor het aantal nieuwe uitkeringen |
| 13.3 |
Aantallen
uitkeringen en uitkeringslasten in de Wet WIA |
| 13.4 |
Gevolgen
voor WW, Toeslagenwet en bijstandsregelingen (Wwb/Ioaw) |
| 13.5 |
De
uitvoeringskosten |
| 13.6 |
Overzicht
financiële gevolgen |
| 13.7 |
Financiering |
| 13.8 |
Reïntegratie |
| 13.9 |
Arbeidsparticipatie
en macro-economische gevolgen |
| 13.10 |
Gevolgen
van de Wet WIA voor vrouwen |
| 13.11 |
Administratieve
lasten van werkgevers |
| 13.12 |
Gevolgen
voor de rechterlijke macht |
| [13a] |
Overzicht
van grafieken en tabellen |
| 14xxxx |
Bijlage |
|
xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
1. Definities
en algemene bepalingen (artt.
1.1.1 - 1.6.1) |
| ||§
1.1 |
Diverse algemene
begrippen (artt.
1.1.1 - 1.1.3) |
| ||§
1.2 |
Begrip volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt en gedeeltelijk arbeidsgeschikt (artt.
1.2.1 - 1.2.3) |
| ||§
1.3 |
Begrip verplicht
verzekerde (artt.
1.3.1 - 1.3.4) |
| ||§
1.4 |
Begrip werkgever
(art.
1.4.1) |
| ||§
1.5 |
Het begrip loon en
het begrip dagloon (artt.
1.5.1 - 1.5.3) |
| ||§
1.6 |
Het begrip
arbeidsverleden (art.
1.6.1) |
| Hoofdstuk
2. De
verzekering (artt.
2.1.1 - 2.2.5) |
| ||§
2.1 |
De verzekering
(artt.
2.1.1 - 2.1.2)
|
| ||§
2.2 |
De vrijwillige
verzekering
(artt.
2.2.1 - 2.2.5)
|
| Hoofdstuk
3. De
wachttijd en de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting
(artt.
3.1 - 3.4) |
| Hoofdstuk
4. Rechten
en plichten in verband met het recht op een uitkering op grond van
deze wet
(artt.
4.1.1 - 4.4.1) |
| ||§
4.1 |
Verplichtingen van
de verzekerde
(artt.
4.1.1 - 4.1.6)
|
| ||§
4.2 |
Rechten van de
verzekerde en reïntegratie-instrumenten
(artt.
4.2.1 - 4.2.5)
|
| ||§
4.3 |
Bevoegdheden en
verplichtingen van het UWV
(artt.
4.3.1 - 4.3.4)
|
| ||§
4.4 |
Verplichtingen van
de eigenrisicodrager
(art.
4.4.1)
|
| Hoofdstuk
5. Uitsluitingsgronden
voor het recht op een uitkering
(artt.
5.1 - 5.5) |
| Hoofdstuk
6. Inkomensverzekering
voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
(artt.
6.1.1 - 6.2.3) |
| ||§
6.1 |
Bepalingen in
verband met het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
(artt.
6.1.1 - 6.1.4)
|
| ||§
6.2 |
De duur en hoogte
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
(artt.
6.2.1 - 6.2.3)
|
| Hoofdstuk
7. Uitkering
in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten
(artt.
7.1.1 - 7.2.5) |
| ||§
7.1 |
Bepalingen in
verband met het recht op een WGA-uitkering
(artt.
7.1.1 - 7.1.5)
|
| ||§
7.2 |
De duur en hoogte
van de WGA-uitkering
(artt.
7.2.1 - 7.2.5)
|
| Hoofdstuk
8. De
aanvraag van de uitkering en de betaling van de uitkering door het
UWV
(artt.
8.1.1 - 8.2.15) |
| ||§
8.1 |
De aanvraag van de
uitkering
(artt.
8.1.1 - 8.1.3)
|
| ||§
8.2 |
De betaling van de
uitkering door het UWV
(artt.
8.2.1 - 8.2.15)
|
| Hoofdstuk
9. Eigen
risico dragen door de werkgever
(artt.
9.1 - 9.5) |
| Hoofdstuk
10. Handhaving
(artt.
10.1 - 10.10) |
| Hoofdstuk
11. Invloed
van de verzekering op het burgerlijk recht
(artt.
11.1 - 11.3) |
| Hoofdstuk
12. Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsgang
(artt.
12.1.1 - 12.4.5) |
| ||§
12.1 |
Beslistermijnen
(artt.
12.1.1 - 12.1.2)
|
| ||§
12.2 |
Bijzondere
bepalingen in verband met medische beschikkingen
(artt.
12.2.1 - 12.2.8)
|
| ||§
12.3 |
Beslistermijnen
in bezwaar
(artt.
12.3.1 - 12.3.2)
|
| ||§
12.4 |
Overige
bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsgang
(artt.
12.4.1 - 12.4.5)
|
| Hoofdstuk
13. Overgangsrecht
(gereserveerd) |
| Hoofdstuk
14. Strafbepalingen
(artt.
14.1 - 14.3) |
| Hoofdstuk
15. Slotbepalingen
(artt.
15.1 - 15.3) |
rblz.|3|
Afkortingen
Abw: Algemene
bijstandswet
Actal: Adviescollege toetsing administratieve lasten
Aof: Arbeidsongeschiktheidsfonds
Aok: Arbeidsongeschiktheidskas
Awb: Algemene wet bestuursrecht
AWf: Algemeen Werkloosheidsfonds
BW: Burgerlijk
Wetboek
CAO: collectieve arbeidsovereenkomst
CBBS: Claimbeoordelings- en borgingssysteem
CBP: College bescherming persoonsgegevens
CPB: Centraal Planbureau
CWI: de Centrale organisatie werk en inkomen /
het Centrum voor werk en
inkomen
Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
IRO: individuele reïntegratieovereenkomst
IVA: (regeling) inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten
IWI: Inspectie Werk en Inkomen
Pemba: Wet premiedifferentiatie en marktwerking
bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
RWI: Raad voor werk en inkomen
SER: Sociaal-Economische Raad
SUB: samenwerking UWV
en belastingdienst
SZW: Sociale Zaken en Werkgelegenheid
TW: Toeslagenwet
UWV: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet Rea: Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten
Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen
Wet WIA: (ontwerp van) Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen
Wfsv: Wet financiering sociale verzekeringen
WGA: (regeling) werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten
Wvlz 2003: Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003
Wvp: Wet verbetering poortwachter
Wsw: Wet sociale werkvoorziening
WW: Werkloosheidswet
Wwb: Wet werk en bijstand
ZW: Ziektewet
[Algemeen,
red.]
1.
Inleiding
Het wetsvoorstel van
Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) beoogt activering van
arbeidsgeschiktheid. Daarnaast biedt het wetsvoorstel
inkomensbescherming bij arbeidsongeschiktheid.
Het wetsvoorstel vormt
een breuk met de bestaande
arbeidsongeschiktheidswetgeving. Deze
wetgeving was primair gericht op inkomensondersteuning en is in de loop
van de tijd aangevuld en uitgebreid met instrumenten en stimulansen voor
activering en reïntegratie. Het wetsvoorstel WIA stelt daarentegen
werkhervatting voorop en biedt in aanvulling daarop
inkomensondersteuning.
Aanleiding voor
het
wetsvoorstel vormt het weinig activerende karakter van het huidige
arbeidsongeschiktheidsstelsel in Nederland. Zo onderscheidt Nederland
zich van het buitenland niet zozeer in het totale aantal
uitkeringsgerechtigden, maar vooral door het aandeel arbeidsongeschikten
daarin. De regering beschouwt dit laatste als een groot probleem. In de
maatschappelijke beeldvorming bestaat er namelijk een groot verschil
tussen werklozen en arbeidsongeschikten. Werklozen staan in die
beeldvorming tijdelijk buiten het arbeidsproces. Ze zijn "between jobs".
rblz.|4|
Arbeidsongeschikten
staan in die beeldvorming definitief buiten het arbeidsproces. Ze zijn
afgeschreven voor de arbeidsmarkt. Die beeldvorming is in veel gevallen
niet juist en in al die gevallen onnodig stigmatiserend en demotiverend.
Het relatief grote beroep
op de arbeidsongeschiktheidsregelingen is het gevolg van een
decennia lang gegroeide praktijk waarin ziekte en arbeidsongeschiktheid
een geaccepteerde weg uit het arbeidsproces zijn geworden voor mensen
met uiteenlopende problemen. De regering onderschrijft de opvatting van
de commissie-Donner en de SER dat het verstrekken van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vanzelfsprekend de oplossing kan
zijn voor die veelheid aan problemen. Zoals de commissie opmerkte, werkt
de combinatie van ziekteverzuim en WAO als "fuik", in de zin dat
tijdelijke ziekte en moeilijkheden bij de arbeid vaak onnodig tot
langdurig verzuim en instroom in de WAO leiden. Anders gezegd, de
activerende werking van het arbeidsongeschiktheidsstelsel schiet tekort.
Sinds de publicatie van
het rapport van de commissie-Donner in 2001 zijn enkele maatregelen
genomen waardoor de activerende werking van het
arbeidsongeschiktheidsstelsel is vergroot. De eerste stap was de
invoering van de Wet verbetering poortwachter
op 1 april 2002. In 2004
volgden de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003
en een wijziging van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten. Het onderhavige
wetsvoorstel sluit naadloos aan op deze maatregelen om de activerende
werking van het stelsel te vergroten. Ook na de loondoorbetalingsperiode
moet een omslag worden gemaakt naar het leggen van de nadruk op
arbeidsgeschiktheid in plaats van arbeidsongeschiktheid.
Het geven van prioriteit
aan de activering van arbeidsgeschiktheid is van belang voor mensen met
arbeidsbeperkingen. Zij zijn erbij gebaat als het accent wordt gelegd
op wat zij nog wel kunnen in plaats van wat zij niet meer kunnen. Het is
bovendien van belang voor de samenleving als geheel en voor de economie.
De samenleving is gebaat bij een optimale inschakeling van
arbeidsgeschiktheid in het arbeidsproces.
Naar verwachting zal de
uitval door arbeidsongeschiktheid bij ongewijzigd beleid, na een
aanvankelijk scherpe daling als gevolg van de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003, weer gaan toenemen. Behalve
door de groei van de beroepsbevolking komt dit door de relatieve
veroudering van de beroepsbevolking en het toenemende aantal vrouwen in
de beroepsbevolking. In de praktijk blijkt namelijk dat ouderen een
hoger WAO-risico hebben dan jongeren en vrouwen een hoger WAO-risico dan
mannen.
Een optimale inschakeling
van de potentiële beroepsbevolking in het arbeidsproces wint nog aan
belang in het licht van de vergrijzing. Om de gevolgen van die
vergrijzing op te vangen, is een grotere inzet nodig van de potentiële
beroepsbevolking. De regering wil dit bereiken door van iedereen
participatie te vragen naar arbeidsvermogen.
Het wetsvoorstel
WIA draagt daaraan bij. Het beoogt de beeldvorming van arbeidsongeschiktheid
te doorbreken door een radicale verandering van invalshoek. Het
wetsvoorstel stelt niet langer de arbeidsongeschiktheid centraal, maar
de arbeidsgeschiktheid. Het gaat er immers niet om wat mensen níet meer
kunnen bijdragen aan de maatschappelijke productie, het gaat erom wat ze
daaraan wél kunnen bijdragen. Die verandering van perspectief moet
plaatsvinden bij arbeidsongeschikten zelf, bij werkgevers, bij het UWV
en uiteindelijk ook in de maatschappelijke beeldvorming.
rblz.|5|
Het
wetsvoorstel WIA sluit aan bij de Wet verbetering poortwachter
en
de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003. Deze
wetten leggen een zware verantwoordelijkheid bij werkgever en werknemer
om langdurig ziekteverzuim en uiteindelijk arbeidsongeschiktheid te
voorkomen. De wetten voorzien behalve in financiële prikkels voor
werkgever en werknemer ook in een instrumentarium waarmee zij
reïntegratie in het arbeidsproces kunnen realiseren.
Het wetsvoorstel
WIA ligt
in het verlengde van deze wetten. Voor al degenen die direct of op
termijn nog wel mogelijkheden hebben om te werken, is een
arbeidsongeschiktheidsuitkering oude stijl niet de aangewezen weg.
Werkgever en werknemer moeten in eerste instantie de onderling gegroeide
problemen, medisch of anderszins, oplossen. Als dat niet lukt, mag de
werknemer niet worden afgeschreven, maar moet hem een uitkering worden
verstrekt die is gericht op herstel en reïntegratie.
Het wetsvoorstel maakt
dan ook onderscheid tussen enerzijds gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid
en anderzijds duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid.
Bij gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid geeft de regering prioriteit aan de activering van
de arbeidsgeschiktheid. Het wetsvoorstel voorziet in instrumenten die de
reïntegratie van deze mensen in het arbeidsproces mogelijk moeten maken
en in financiële prikkels voor zowel werkgevers als werknemers om die
reïntegratie aantrekkelijk te maken. De uitkering voor deze mensen is
zo vormgegeven dat werken altijd lonender is dan het ontvangen van een
uitkering.
Voor de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemer biedt het wetsvoorstel inkomensbescherming
voor zijn inkomensverlies en vervolgens voor zijn verlies van
verdiencapaciteit. Deze inkomensbescherming is maximaal wanneer de
werknemer zijn resterende verdiencapaciteit volledig inzet in het
arbeidsproces.
Het wetsvoorstel voorziet
ook in inkomensondersteuning in het geval een werknemer zijn
arbeidsgeschiktheid niet volledig inzet in het arbeidsproces. Deze
ondersteuning is zo vormgegeven dat hiervan een financiële stimulans
uitgaat om te reïntegreren.
Bij volledige én
duurzame arbeidsongeschiktheid biedt activering geen perspectief.
Daarvan is sprake als een werknemer als gevolg van ziekte blijvend en
volledig niet meer in staat is om te werken. De regering acht de
inkomensondersteuning voor deze groep mensen bij uitstek de
verantwoordelijkheid van de overheid.
Het wetsvoorstel
WIA is
in belangrijke mate gebaseerd op de adviezen die de regering heeft
ontvangen van de commissie-Donner en de Sociaal-Economische Raad. In
het tweede hoofdstuk van de memorie van toelichting wordt bij deze
adviezen dan ook uitgebreid stilgestaan. De hoofdlijnen van het
wetsvoorstel worden uiteengezet in hoofdstuk 3.
2. De aanbevelingen van
de commissie-Donner en de SER
2.1. Het advies van de
commissie-Donner
Op 30 mei 2001 heeft de
commissie-Donner haar rapport Werk maken van arbeidsgeschiktheid
uitgebracht.
Hieronder volgt een korte samenvatting van
hetgeen in het rapport is overwogen met betrekking tot activering van
arbeidsgeschiktheid en de inkomensbescherming van respectievelijk zieke
werknemers, volledig én duurzaam arbeidsongeschikten en gedeeltelijk
arbeidsgeschikten.
rblz.|6|
2.1.1. Activering van
arbeidsgeschiktheid
De commissie is van
oordeel dat activering van beschikbare arbeidscapaciteit, en niet
fixatie op het verlies daaraan, het uitgangspunt moet zijn van de
wetgeving. Het toekennen van prioriteit aan werkhervatting berust zowel
op het belang van de direct betrokkenen als op het algemeen
maatschappelijk belang.
Preventie
Arbeidsongeschiktheid is
doorgaans geen objectieve overmacht, zodat het begin van verzuim in die
gevallen voorkomen kan worden. Als de oorzaak is gelegen in geleidelijk
toenemende klachten, is verzuim niet onvermijdelijk, maar mede
afhankelijk van de inspanning van de werkgever en de werknemer om het
ontstaan te voorkomen. Verzuim voorkomen is goedkoper en doorgaans
doeltreffender dan herstel. Preventie is dan ook een variant op inzet
van werkhervatting. Het ontstaan van verzuim is als het ware het bewijs
van falen van preventie. Het begin van verzuim is een onmiskenbaar
signaal dat er klachten zijn. Daar kunnen werkgever en werknemer op
aangesproken worden. De inzet op preventie zal gewicht in de schaal
moeten leggen bij de toetsing van de reïntegratie-inspanningen.
Mechanisme en motoriek
Kern van de voorgestelde
aanpak is dat werkgever en werknemer samen verantwoordelijk zijn voor de
kwaliteit van de inzet. Ieder is tot eigen inzet gehouden, maar kan een
beroep doen op de zorg van de ander. Er moet dus een wisselwerking
ontstaan tussen eigen initiatief, steun van de wederpartij en onderlinge
afstemming en versterking door het mechanisme van aanspraak op elkaar.
De motoriek van dit mechanisme is niet de wettelijke plicht, maar de
prikkel dat bij niet leveren van de inzet de verplichting tot
loondoorbetaling eindeloos doorgaat of de werknemer met vermindering van
inkomen of eventueel ontslag wordt geconfronteerd.
Het initiatief tot
vaststelling van de mogelijkheden tot (volledige) werkhervatting ligt
doorgaans bij de werkgever. Bij het begin van het verzuim ligt de
bewijslast dat de werknemer kan hervatten bij de werkgever, door verloop
van tijd verschuift de bewijslast echter naar de werknemer. Bij de
meeste aandoeningen is er op basis van ervaringen zicht op de gemiddelde
duur van het verzuim. Als de werkgever op grond daarvan concludeert dat
het verzuim langer duurt of dat volledige werkhervatting uitgesloten is,
kan hij aangepast of ander werk dan wel reïntegratie aanbieden. Staat
een redelijk aanbod van aangepast of ander werk de werknemer niet aan,
dan kan hij kiezen voor hervatting in zijn oude functie of voor ontslag.
Achteruitgang in inkomen bij aanvaarding van aangepaste arbeid of een
andere werkkring is geen argument om dit af te wijzen.
Het initiatief ligt niet
alleen bij de werkgever, het mechanisme van aanspraken geeft ook de
werknemer de kans om mogelijkheden te onderzoeken of met suggesties te
komen en zich daarbij zo nodig te laten begeleiden. Dit geldt ook bij
het zoeken van een andere werkkring.
De verantwoordelijkheden
en de aanspraken over en weer vormen het mechanisme bij de aanpak van
verzuim. De mogelijkheid om op elkaar een beroep te doen, zal doorgaans
al voldoende zijn om de dynamiek in de wisselwerking op gang te brengen.
Dit mechanisme behoeft wel aanvullende prikkels om te kunnen
functioneren. Daarom moet voorwaarde voor toelating tot de WAO
zijn dat
het verzuim adequaat is aangepakt en alles is gedaan om
arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Dit geldt rblz.|7|
ook voor toelating tot de Werkloosheidswet. Als de inzet van beiden of van de werkgever faalt,
loopt de arbeidsovereenkomst door en de verplichting tot
loondoorbetaling. Blijft de werknemer in gebreke, dan zal dit moeten
leiden tot ontslag en daaraan voorafgaande tot stopzetting van de
bovenwettelijke aanvulling op het ziekengeld.
In het verlengde van de
toets van de inzet van de werkgever dient de Pemba-premie te vervallen.
De Pemba-premie bestaat onder andere uit een variabele premie die per
onderneming wordt gedifferentieerd. Deze variabele premie dient ter
financiering van de lasten van nieuwe uitkeringsgerechtigden, voor zover
de uitkeringsduur nog niet vijf jaar is verstreken, en is bedoeld als
stimulans voor de werkgever om instroom in de WAO
te voorkomen. Dit is
echter niet meer nodig als de arbeidsovereenkomst doorloopt indien de
werkgever onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht.
Voor de werknemer zijn de
belangrijkste prikkels de uitsluiting van toegang tot de WAO
en de
mogelijkheid van ontslag bij onvoldoende inspanning. Als enige
mogelijkheid zal dit in veel gevallen disproportioneel zijn. Bij wijze
van eerste stap moet de mogelijkheid bestaan om de bovenwettelijke
aanvulling boven 70% te beëindigen of te verminderen. Het gericht
toepassen van de korting is zinvol om de medewerking van de werknemer te
stimuleren en is juist in het belang van de werknemer. Pas als dit niet
helpt, dient ontslag mogelijk te zijn. Op deze wijze ontstaat evenwicht
in de prikkels van de werkgever en de werknemer.
Geschillen beslechten
Voor het functioneren van
het systeem van wederzijdse inspanning moet er ook een mechanisme
bestaan voor de beoordeling van geschillen hierover. Hierbij kan worden
gedacht aan een onafhankelijke vertrouwenspersoon die zo snel mogelijk
en met zo min mogelijk procedure onderzoek kan verrichten en een oordeel
kan geven. Die beoordeling heeft niet het karakter van bemiddeling en
ook niet van bindende arbitrage. Het oordeel betreft de beoordeling van
de omstandigheden van het geval en de redelijkheid van de inspanningen
daarin. Uiteindelijk moet de rechter oordelen in het licht van de
rechtsverhouding, maar de beoordeling zal daar deel van uitmaken. Uit
een oogpunt van snelheid zou één persoon moeten worden ingeschakeld,
maar ook een college van drie personen verdient overweging. Gelet op de
taak moet gedacht worden aan iemand anders dan een personeelslid, een
arbodienst of de verzekeraar. In grotere bedrijven kan er een permanent
functionerende persoon of college zijn, bij kleinere bedrijven kan men
overwegen met meerdere bedrijven een persoon of college aan te wijzen.
Betrokkenheid van de ondernemingsraad bij de benoeming zal voor de hand
liggen. Het gaat om een institutionele voorziening en niet om een
aanwijzing per geval, want dan wordt dat onderdeel van het conflict.
2.1.2. Inkomensbescherming
zieke werknemers
De commissie stelt voor
de wettelijke plicht tot loondoorbetaling bij ziekte te verlengen tot
twee jaar. Indien de werkgever echter in die twee jaar onvoldoende
reïntegratie-inspanningen heeft verricht, blijft de plicht tot
loondoorbetaling doorlopen totdat komt vast te staan dat hij zich
adequaat heeft ingezet om de werknemer aan werk te helpen. Zolang de
loondoorbetalingsplicht geldt, kan geen recht op een WAO-uitkering
ontstaan in het voorstel van de commissie.
rblz.|8|
2.1.3. Inkomensbescherming
volledig én duurzaam arbeidsongeschikten
Het uitgangspunt van de
comissie-Donner is dat niet arbeidsongeschiktheid moet worden verzekerd,
maar dat arbeidsgeschiktheid moet worden geactiveerd. Er dient wel een
goede inkomensbescherming te zijn voor mensen die echt niet meer kunnen
werken.
Arbeidsongeschiktheidscriterium
De
comissie-Donner stelt
dat van arbeidsongeschiktheid slechts sprake is als de beperkingen tengevolge van ziekte: 1. onvermijdelijk
zijn, 2. duurzaam zijn en 3.
arbeidsmogelijkheden volledig uitsluiten.
Arbeidsongeschiktheid
wordt vastgesteld aan de hand van het verlies van arbeidscapaciteit in
plaats van het inkomensverlies. Voordat de vraag naar eventuele
arbeidsongeschiktheid aan de orde komt, moet eerst bezien worden wat er
gedaan is of nog gedaan kan worden om de arbeidsgeschiktheid te
herstellen. Deze toetsing betreft de ontvankelijkheid van de aanvraag.
Is de aanvraag
ontvankelijk, dan kan slechts in het geval van duurzame beperkingen - de arbeidscapaciteit kan niet herstellen
- sprake zijn van
arbeidsongeschiktheid. Het oordeel over de duurzaamheid van beperkingen
betreft een voorspelling van een ontwikkeling op basis van bepaalde
symptomen en de gevolgen daarvan voor de arbeidscapaciteit. In de
praktijk zal daarbij uitgegaan worden van standaardprognoses: wat naar
ervaring bij de gegeven klachten de normale duur van de arbeidsuitval
is.
Van arbeidsongeschiktheid
is tenslotte pas sprake in geval van een volledig verlies van
arbeidscapaciteit. Zolang er een mogelijkheid bestaat voor
werkhervatting dient deze ontwikkeld te worden en is er geen sprake van
arbeidsongeschiktheid.
De
comissie-Donner stelt
dat het onmogelijk zal zijn om in de beknopte formulering van een
criterium alle elementen die inhoudelijk bepalend zijn voor de
vaststelling van arbeidsongeschiktheid ondubbelzinnig vast te leggen.
Zij geeft daarom geen definitie van het begrip arbeidsongeschiktheid,
maar volstaat met een illustratie van haar gedachtegang in de volgende
woorden: "Als arbeidsongeschikt wordt beschouwd diegene die feitelijk
aantoont dat hij/zij, gemeten naar algemeen geldende medische
maatstaven, lijdt aan ernstige ziekten of gebreken die zich manifesteren
in een duurzame en aanzienlijke vermindering van zijn/haar mogelijkheden
om maatschappelijk te functioneren".
Het
claimbeoordelingsproces
Volgens de commissie moet
de keuring voor de toegang tot de nieuwe regeling noodzakelijkerwijs
stringenter zijn dan de huidige praktijk. De beoordelingen van de
aanvragen voor de nieuwe arbeidsongeschiktheidsregeling kunnen worden
verricht door de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen bij de
uitvoeringsinstanties. De beoordeling heeft een professioneel karakter
en behoeft als zodanig onderlinge toetsing en interactie met anderen.
Uniformiteit en consistentie zijn dan ook essentieel. Daartoe stelt de commissie voor om een autonoom college van onafhankelijke deskundigen
uit verschillende disciplines in te stellen dat tot taak heeft:
• de validiteit,
betrouwbaarheid en selectiviteit van het nieuwe criterium te bevorderen
en te bewaken;
• beoordelingsprotocollen op
te stellen;
rblz.|9|
• de (inhoudelijke)
kwaliteit en uniformiteit van de beoordelingspraktijk te verzekeren.
Arbeidsongeschiktheidsuitkering
De
comissie-Donner stelt
dat, indien alleen in geval van een duurzaam en volledig verlies van
arbeidscapaciteit recht op een uitkering bestaat, er aanleiding is om
het niveau van de uitkering opnieuw te overwegen. Mits bij een adequate
toepassing van het nieuwe criterium de kosten van het totale systeem
daarmee niet toenemen, beveelt zij aan om de uitkering van volledig
arbeidsongeschikten te verhogen, met name door het afschaffen van de
vervolguitkering. Daardoor krijgt iedereen een loongerelateerde
uitkering van 70% van het laatstverdiende loon voor de volledige duur
van de uitkering.
2.1.4. Inkomensbescherming
gedeeltelijk arbeidsgeschikten
In het door de
comissie-Donner voorgestelde stelsel zal alleen nog sprake zijn van volledige en
duurzame arbeidsongeschiktheid. De verzekering van het risico van
loonderving als gevolg van partiële arbeidsongeschiktheid dient te
vervallen, omdat het concept van partiële arbeidsongeschiktheid de
nadruk legt op mogelijkheden die er niet meer zijn, terwijl als gevolg
van technische ontwikkelingen en arbeidsdifferentiatie ieders
mogelijkheden steeds breder zijn.
Centraal staat dat een
werknemer die als gevolg van ziekte of ongeval zijn oude functie niet
meer (volledig) kan verrichten zich moet richten op werkhervatting. Hij
dient ieder redelijk aanbod van werk te aanvaarden. Als die arbeid tegen
een lager loon dan het huidige loon wordt aangeboden, kan de werknemer
deze arbeid niet zonder meer weigeren. De commissie stelt wel een
ondergrens aan de inkomensachteruitgang die de werknemer dient te
accepteren. Die ondergrens is gelijk aan de hoogte van de WW-uitkering
waar hij bij werkloosheid recht op zou hebben, dat wil zeggen 70% van
het (gemaximeerde) laatstverdiende loon. Indien een redelijk werkaanbod
derhalve gepaard gaat met een loon dat lager is dan het niveau van de
WW-uitkering, dient de betrokken werknemer daarom, volgens de commissie,
aanspraak te kunnen maken op een WW-uitkering (WW-optie).
Overbruggingsuitkering
De werknemer heeft
volgens de commissie vanzelfsprekend ook de mogelijkheid om arbeid te
aanvaarden tegen een loon dat lager is dan het hiervoor aangegeven
niveau. Omdat dit een inkomensachteruitgang zou betekenen die groter is
dan gebruikelijk, is er in de ogen van de commissie reden om dat
verschil te overbruggen. Daarbij moet niet gedacht worden aan een
permanente, maar aan een wettelijk geregelde, tijdelijke, degressieve
overbrugging van het verschil ten laste van de werkgever.
De precieze vormgeving
van deze overbruggingsregeling ziet er als volgt uit. Indien de
werknemer arbeid aanvaardt tegen een loon lager dan 70% van het oude
loon, heeft hij recht op een aanvulling van zijn werkgever, waardoor (een
deel van) het verschil onder de 70% tijdelijk wordt overbrugd. In dat
verband kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een overgangsregeling van
drie jaar, waarbij het eerste jaar 50% van het verschil, het tweede jaar
35% en het derde jaar 15% van het verschil wordt overbrugd.
rblz.|10|
Werkloosheid
Een ander concept van
arbeidsongeschiktheid vergt volgens de commissie ook een wijziging van
de regeling van ontslag bij ziekte. Uitgangspunt
daarbij is de plicht van zowel werkgever als werknemer om binnen de
grenzen van wat redelijk en mogelijk is mee te werken aan
werkhervatting, al dan niet in de vorm van ander werk of een andere
werkkring. Dit brengt onder meer mee dat de werkgever verplicht is om de
werknemer passende arbeid aan te bieden. Wordt een redelijk aanbod van
arbeid door de werknemer geweigerd, dan vormt dit aanleiding om de
bovenwettelijke aanvulling op het loon te beëindigen. Als dat niet
leidt tot de noodzakelijke medewerking van de werknemer, kan tot ontslag
worden overgegaan. De werknemer dient in dat geval volgens de commissie
geen aanspraak te kunnen maken op een WW-uitkering. Het betreft immers
een ontslag dat een direct gevolg is van het eigen handelen van de
werknemer.
Indien ondanks de
adequate inspanningen van de werkgever en de werknemer er ook na twee
jaar ziekte geen geschikte arbeid voorhanden is, kan de werkgever de
arbeidsovereenkomst opzeggen. Dat is ook mogelijk als de werkgever een
redelijk werkaanbod doet, maar de werknemer het aanbod weigert, omdat de
aangeboden arbeid gepaard gaat met een loon dat lager is dan het niveau
van de WW-uitkering. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst uitsluitend
opzeggen als hij het redelijke en mogelijke heeft gedaan om
werkhervatting te bevorderen. De werknemer heeft na de opzegging van de
arbeidsovereenkomst recht op een WW-uitkering van 70% van het
laatstverdiende loon. Daarbij dient - vergelijkbaar met de
ontvankelijkheidstoets bij de toegang tot de WAO
- wel een toetsing
plaats te vinden van de geleverde inspanningen van werkgever en
werknemer met betrekking tot werkhervatting.
Werknemers die na het
einde van de WW-uitkering nog (steeds) geen baan hebben gevonden, kunnen
in aanmerking komen voor een Ioaw-uitkering. De
commissie stelt voor de Ioaw zodanig aan te passen dat uitkeringen krachtens aanvullende private
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen niet op de uitkering in mindering
worden gebracht.
De toekenning (en hoogte)
van de Ioaw-uitkering is mede afhankelijk van het inkomen van de
partner. Volgens de commissie ontneemt deze partnertoets aan de
uitkering het geïndividualiseerde karakter, hetgeen afsteekt tegen het
aspect dat de betrokkenen wel beschikbaar moeten zijn voor de
arbeidsmarkt. Tegen die achtergrond meent de commissie dat er weliswaar
aanleiding is om de partnertoets in de Ioaw
te heroverwegen, maar dat
het daarbij gaat om een algemeen vraagstuk dat niet specifiek in het
kader van de problematiek van de arbeidsongeschiktheid kan worden
opgelost.
2.1.5. Samenvatting
Kort samengevat komen de
voorstellen van de commissie met betrekking tot gedeeltelijk
arbeidsgeschikten op het volgende neer. De werknemer heeft bij ziekte
twee jaar recht op doorbetaling van 70% van zijn loon. Bij een redelijk
werkaanbod tegen een loon hoger dan 70% van het laatstverdiende loon is
de werknemer verplicht dit aanbod te accepteren. Indien de werknemer
hervat tegen een loon lager dan 70% van het oude loon, heeft hij recht op
een tijdelijke, degressieve aanvulling van zijn werkgever. De hoogte
daarvan is 50% van het verschil tussen het loon en 70% in het eerste
jaar; 35% in het tweede jaar en 15% in het derde jaar.
Ingeval geen passende
arbeid wordt gevonden of indien de werknemer een aanbod van lager dan
70% van het laatstverdiende loon weigert, heeft rblz.|11|
de werknemer recht op
een WW-uitkering van 70% van het laatstverdiende loon. Na afloop van de
loongerelateerde WW-uitkering bestaat twee jaar recht op een
WW-vervolguitkering ter hoogte van maximaal 70% van het minimumloon. Na
het bereiken van de maximale uitkeringsduur voor de WW heeft de
werknemer eventueel recht op een Ioaw-uitkering; ten aanzien hiervan doet
de commissie de suggestie om de partnerinkomenstoets af te schaffen.
2.2. De adviezen van de
SER
De SER
heeft twee
adviezen uitgebracht over de toekomstige inrichting van de wettelijke
regelingen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Op 22 maart 2002
verscheen zijn advies Werken aan arbeidsgeschiktheid en op 20 februari 2004
zijn vervolgadvies Verdere uitwerking WAO-beleid. Hieronder volgt een korte
samenvatting van hetgeen in beide adviezen is overwogen met betrekking
tot activering van arbeidsgeschiktheid en de inkomensbescherming van
respectievelijk zieke werknemers, volledig én duurzaam
arbeidsongeschikten en gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
2.2.1. Activering van
arbeidsgeschiktheid
Uitgangspunt in de visie
van de SER
is een heldere verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid,
sociale
partners en individuele werkgevers en werknemers.
Preventie en begeleiding
van ziekteverzuim
Preventie vormt naar het
oordeel van de Raad een noodzakelijke voorwaarde voor een adequate aanpak
van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Dit begint met goede
arbeidsomstandigheden in brede zin. Deze dragen bij tot het
voorkomen van ongevallen en ziekten en leveren een bijdrage aan
versnelde werkhervatting en reïntegratie van zieke en arbeidsongeschikte
werknemers. Uit onderzoek blijkt dat in arbeidsorganisaties met een actief
arbeidsomstandighedenbeleid er een substantieel effect is op het verzuimvolume.
Op mesoniveau ziet de
Raad met name mogelijkheden voor een beleidsaanpak via arboconvenanten
tussen overheid en bedrijfssectoren en via CAO-afspraken op het
gebied van arbeidsomstandigheden.
Op macroniveau zijn
volgens de Raad instrumenten als voorlichting, informatie en monitoring van belang.
De overheid heeft, als eindverantwoordelijke voor het
arbeidsomstandighedenbeleid op nationaal niveau, een primaire
verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen en in stand houden van een
tweedelijnsinfrastructuur. Preventie is ook zeer gebaat bij meer toezicht
op de toepassing en handhaving van de bestaande regels ten aanzien van arbeidsomstandigheden en sociaal
beleid op
ondernemingsniveau. De Raad vraagt ook aandacht voor enkele suggesties zoals het
zichtbaar en openbaar maken van de prestaties van arbodiensten, het
classificeren van de arbodienstverlening naar kwaliteitsniveau en aan een premiekorting
door verzekeraars aan een onderneming die een overeenkomst
afsluit met een arbodienst met een hoge kwaliteitsclassificatie.
Reïntegratiebeleid
De verantwoordelijkheid
van werkgever en werknemer staat centraal in een beleid gericht op een
effectieve aanpak van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Beide dienen zoveel als
mogelijk te worden voorkomen dan wel aangepakt binnen
het kader van de arbeidsverhouding. Gedurende rblz.|12|
de eerste twee jaar
moeten werkgever en werknemer al het mogelijke doen om tot
werkhervatting te komen. De wederzijdse reïntegratie-inspanningen moeten worden
gestimuleerd door aangescherpte reïntegratieverplichtingen
voor de werkgever en de werknemer conform de Wet verbetering poortwachter, de verlenging van de periode van loondoorbetaling met forse
inkomensconsequenties in het tweede ziektejaar en het ontbreken van een WAO-perspectief voor werknemers met
substantiële en lichte
arbeidsbeperkingen. Daarnaast zijn van belang de wettelijke
ontslagbescherming gedurende twee jaar en handhaving van de preventieve
ontslagtoets voor de zieke werknemer.
Voorgesteld wordt de
rechten en plichten van de werkgever in de loondoorbetalingsfase waar mogelijk aan
te
sluiten bij die in de Wet verbetering poortwachter. De
werkgever is civielrechtelijk verplicht zo tijdig mogelijk zodanige
maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig zijn
opdat de werknemer in staat is de eigen of andere passende arbeid te
verrichten. Als de werknemer niet kan worden geplaatst in het bedrijf
van de werkgever, bevordert de werkgever inschakeling in passende arbeid bij
een andere werkgever. De werkgever stelt een plan van aanpak op
dat in overeenstemming met de werknemer regelmatig wordt
geëvalueerd en zo nodig wordt bijgesteld. Als deze werknemer bereid is
passende arbeid te verrichten, is de werkgever verplicht de werknemer te
werk te stellen. Deze verplichting geldt alleen niet als op grond van
door de werkgever te stellen en bewijzen omstandigheden dit redelijkerwijs niet
van hem kan worden gevergd. De werkgever is onder omstandigheden
verplicht de arbeidsorganisatie zo aan te passen dat de werknemer
daar passende arbeid kan verrichten.
De zieke werknemer moet
zich houden aan schriftelijk gegeven redelijke voorschriften over het
verstrekken van inlichtingen in verband met het recht op
loondoorbetaling. De werkgever kan de loondoorbetaling opschorten als de
werknemer zich daar niet aan houdt. De werknemer mag verder zijn genezing
niet belemmeren of vertragen. Komt hij die verplichting niet na, dan
verliest hij voor de duur van de vertraging zijn recht op
loondoorbetaling. Op grond van de Wet verbetering poortwachter
gelden voor de werknemer
ook specifieke verplichtingen als spiegelbeeld van de
werkgeversverplichtingen. Hij moet dus gevolg geven aan getroffen
maatregelen, zijn medewerking verlenen aan het plan van aanpak en hij moet
passende arbeid verrichten waartoe hij in de gelegenheid wordt gesteld door zijn
werkgever. Zolang de werknemer niet aan zijn
reïntegratieverplichtingen voldoet, kan de werkgever de
loondoorbetaling opschorten. De werkgever
heeft ook de mogelijkheid in die gevallen de
arbeidsovereenkomst op te zeggen.
Van belang is dat het
UWV
pas in beeld komt bij een aanvraag voor een nWAO-uitkering en bij
toekenning van reïntegratie-instrumenten. Het UWV moet bij een nWAO-aanvraag de reïntegratie-inspanningen toetsen. Denkbaar is dat het UWV
ook in de voorafgaande periode een rol vervult. Zo zou het UWV op verzoek
van de werkgever of de werknemer een second opinion kunnen
geven over de vraag of er in het bedrijf passende arbeid aanwezig is en of
er voldoende reïntegratie-inspanningen worden gepleegd. Gezien de
gezamenlijke verantwoordelijkheid van de werkgever en de werknemer is
denkbaar dat voor de beantwoording van deze vragen en de beslechting van
geschillen een laagdrempelige voorziening op het niveau van de onderneming
of de bedrijfstak wordt gerealiseerd. Voordeel daarvan is dat het UWV
zijn beschikbare capaciteit kan benutten voor de uitvoering van zijn
kerntaken.
rblz.|13|
Verbetering onderlinge
afstemming en ketenbenadering
De gezamenlijke
verantwoordelijkheid van werkgever en van werknemer staat centraal in de
voorgestane aanpak. Het optreden van de andere actoren in de "zorgketen" van zieke werknemers moet daaraan ondergeschikt zijn. Door de regie in
handen te leggen van werkgever en werknemer gezamenlijk kan ook worden voorkomen dat de verzekeringsgeneeskundige
en de curatieve sector
langs elkaar heen werken. Voorts kan worden bereikt dat deze
sectoren onderling goed communiceren en relevante informatie uitwisselen,
vanzelfsprekend met inachtneming van de ter zake geldende
privacybescherming.
2.2.2. Inkomensbescherming
zieke werknemers
De
Raad stelt voor dat de
periode van de wettelijk verplichte loondoorbetaling bij ziekte wordt verlengd
tot in beginsel twee jaar en dat de wettelijke
loondoorbetaling van 70% tijdens het tweede ziektejaar niet wordt aangevuld. Een
mogelijke teruggang in het inkomen na één jaar ziekte is een
belangrijke prikkel voor de werknemer om langdurige uitval uit het
arbeidsproces zoveel mogelijk te voorkomen.
Een verlenging van de
periode van loondoorbetaling kan aan de orde zijn als de werkgever
tekortschiet bij de invulling van zijn reïntegratie-inspanningen of wanneer werkgever en
werknemer daartoe gezamenlijk besluiten. Een verkorting
van de periode van twee jaar kan aan de orde zijn als de werknemer
zich onvoldoende inspant voor zijn reïntegratie en indien al na drie maanden
duidelijk is dat sprake is van volledige én duurzame arbeidsongeschiktheid.
2.2.3. Inkomensbescherming
volledig én duurzaam arbeidsongeschikten
De SER
is
- in
navolging van de comissie-Donner
- van oordeel dat niet arbeidsongeschiktheid
moet worden verzekerd, maar dat arbeidsgeschiktheid moet worden geactiveerd.
Er dient wel een goede inkomensbescherming te zijn voor mensen die
echt niet meer kunnen werken of die substantiële arbeidsbeperkingen hebben als gevolg van gezondheidsbelemmeringen.
Arbeidsongeschiktheidscriterium
De SER
stelt voor om
alleen duurzaam volledig arbeidsongeschikte werknemers recht op WAO
te verlenen.
Van duurzame arbeidsongeschiktheid is sprake wanneer op
grond van medisch objectieve indicatoren binnen een periode van vijf jaar
geen reële mogelijkheden tot herstel kunnen worden verwacht. In dat
kader zal volgens de SER in ieder geval voor de meest voorkomende
aandoeningen gebruik moeten worden gemaakt van standaardprognoses en
protocollen met vermelding van de op gezondheidsprofielen
gebaseerde herstelkansen. Deze dwingende positieve lijsten, op basis waarvan
de betrokkene in beginsel in aanmerking komt voor een uitkering,
worden bij een individuele beoordeling als uitgangspunt gehanteerd.
Afwijking van de lijsten is alleen mogelijk op basis van een afdoende
argumentatie. De SER stelt voor dat de desbetreffende medische disciplines
onder verantwoordelijkheid van het UWV
worden belast met het opstellen van limitatieve lijsten van ziekten die op
basis van statistische
ervaringsgegevens in beginsel tot duurzame arbeidsongeschiktheid
leiden of, met andere woorden, naar verwachting langer dan vijf jaar zullen duren.
In zijn vervolgadvies van
20 februari 2004 heeft de SER
het duurzaamheidsbegrip nader gespecificeerd en
geoperationaliseerd. De SER maakt rblz.|14|
onderscheid tussen
volledig arbeidsongeschikten die in een stabiele situatie verkeren waarbij
herstel uitgesloten is en volledig arbeidsongeschikten waarbij er op lange
termijn een geringe kans op herstel is. De SER heeft hiertoe een
procesmatig stappenplan opgesteld. Hierbij wordt informatie over de
prognosestelling in relatie tot de diagnose en herstelkansen in relatie tot bepaalde
termijnen (aan de hand van zogenaamde neutrale lijsten)
gebruikt om te bezien of de ziekte en de beperkingen duurzaam zijn en
(ingeval herstel mogelijk is) op welke termijn dat zou optreden. Als herstel op
relatief korte termijn niet is uitgesloten, dan is geen sprake van duurzame
arbeidsongeschiktheid. Als de kans op herstel op langere termijn gering
is, is er sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid.
In de zienswijze van de
SER
is van volledige arbeidsongeschiktheid sprake bij een verlies van 80
tot 100% van de verdiencapaciteit. Dit impliceert dat alleen toelating tot
de regeling voor volledig arbeidsongeschikten mogelijk is als de
betrokkene nog maximaal 20% van zijn oude loon kan verdienen of bij de verwachting dat er binnen vijf jaar
- gegeven
het duurzaamheidselement - geen sprake zal zijn van de mogelijkheid om meer dan
20% van
het oude loon te verdienen. Een strikte handhaving van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling leidt ertoe dat toegang
tot de nieuwe wet alleen
mogelijk is als sprake is van:
• ofwel medische
volledige arbeidsongeschiktheid, namelijk bij afwezigheid van duurzaam benutbare
mogelijkheden om zelfstandig te functioneren;
• ofwel loonkundige
volledige arbeidsongeschiktheid in die zin dat de resterende
verdiencapaciteit lager is dan 20% van het loon in het oude beroep.
De invulling van het
nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium laat de SER
over aan de regering. Hij
merkt hierover op: "De overheid draagt de verantwoordelijkheid voor
een adequate inkomensbescherming van werknemers die duurzaam volledig
arbeidsongeschikt zijn en naar verwachting niet meer inzetbaar
kunnen zijn op de arbeidsmarkt. (...) Hier geldt uitdrukkelijk en uitsluitend een
publieke verantwoordelijkheid voor het zeker stellen van een goed
uitkeringsniveau en voor een passende en adequate selectie van de personen
die toegang krijgen tot deze sociale verzekering".
Het
claimbeoordelingsproces
De SER
deelt de kritiek
van de comissie-Donner
op de huidige keuringspraktijk. Omdat de SER van mening
is dat de toekenning van een WAO-uitkering voor
volledig arbeidsongeschikten op zichzelf genomen een zeer zware beslissing
is, stelt hij voor om binnen het UWV
een organisatorisch onderscheid aan te
brengen tussen enerzijds de (medische en arbeidsdeskundige)
arbeidsongeschiktheidskeuring en anderzijds de besluitvorming door een
onafhankelijke commissie binnen het UWV. Deze commissie neemt
uiteindelijk de beslissing ten aanzien van de vraag of iemand wel of niet als
duurzaam volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Met dit model
kan effectief worden bijgedragen tot een zorgvuldige en zo objectief mogelijke
beoordeling en langs die weg tot een beperking van de
instroom. Tevens wordt daarmee de mentale druk zoveel mogelijk uit de
spreekkamer van de individuele keuringsarts weggehaald. Volgens de
SER draagt de overheid de uitsluitende verantwoordelijkheid voor de uitwerking,
toepassing en handhaving van het voorgestelde
arbeidsongeschiktheidscriterium in de keuringspraktijk. In het vervolgadvies van 20
februari 2004 heeft de SER zijn eerder genoemde punten met betrekking tot
de inrichting van het claimbeoordelingsproces herhaald en nog eens het
belang van een flexibele keuring (eerder dan na rblz.|15|
twee jaar) benadrukt.
Conclusie van de SER in het vervolgadvies is dat de raadsvoorstellen sporen
met de kabinetsvoornemens, zoals verwoord in de adviesaanvraag van 18
november 2003.
Arbeidsongeschiktheidsuitkering
De SER
stelt voor dat de
hoogte van de nieuwe uitkering wordt gesteld op 75% van het
gemiddelde, geïndexeerde loon van de werknemer in de drie jaar voorafgaande
jaren voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid. Dat komt gemiddeld
genomen neer op 73% van het laatstverdiende loon. De SER acht deze
uitkeringshoogte verantwoord aangezien in de nieuwe wet alleen nog aan
duurzaam volledig arbeidsongeschikte werknemers een uitkering zal worden
toegekend.
2.2.4. Inkomensbescherming
gedeeltelijk arbeidsgeschikten
Werknemers die
gedeeltelijk arbeidsgeschikt, maar niet volledig of niet duurzaam
arbeidsongeschikt zijn (hierna kortweg gedeeltelijk arbeidsgeschikten genoemd), komen niet in
aanmerking voor de door de SER
voorgestelde nWAO-uitkering. De
primaire verantwoordelijkheid voor de inkomens- en
arbeidspositie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten ligt in de zienswijze van de SER
gezamenlijk bij werkgevers en werknemers op sectoraal en
ondernemingsniveau. De SER acht het zinvol en verantwoord om - met het oog op een
blijvende deelname aan het arbeidsproces dan wel reïntegratie - binnen deze groep een onderscheid aan te brengen tussen werknemers met
substantiële arbeidsbeperkingen en werknemers met lichte arbeidsbeperkingen. In grote lijnen komt dit erop neer dat
degenen die met relatief
zware beperkingen worden geconfronteerd via afzonderlijke regelingen
extra worden gesteund dan wel gestimuleerd om betaalde arbeid te
blijven of te gaan verrichten. Van substantiële arbeidsbeperkingen is sprake bij een
verlies
van verdiencapaciteit van ten minste 35%. Binnen de
categorie werknemers met substantiële arbeidsbeperkingen maakt de SER voorts een
onderscheid tussen werkenden en niet-werkenden.
Werknemers met lichte
arbeidsbeperkingen
De SER
stelt voor deze
groep werknemers geen specifieke regeling voor. De verantwoordelijkheid
voor werknemers met lichte arbeidsbeperkingen (minder dan 35% arbeidsongeschikt) ligt op het niveau van de arbeidsorganisatie.
Ten aanzien van de
inkomenspositie van deze categorie werknemers stelt de SER
dat na afloop van
de periode van de wettelijk verplichte loondoorbetaling zich verschillende
situaties kunnen voordoen. Zo kan de werkgever ervan afzien
loonconsequenties te verbinden aan de beperktere arbeidscapaciteit van de
werknemer, al dan niet tijdelijk. Ook bestaat de mogelijkheid dat het loon
wordt aangepast aan de verminderde arbeidscapaciteit.
Voor gedeeltelijk
arbeidsgeschikten geldt gedurende de eerste twee jaar een ontslagverbod. Daarna
kan de werknemer, na toestemming van het CWI, in het uiterste
geval worden ontslagen. De betrokken werknemer kan in dat geval een beroep
doen op de WW, tenzij sprake is van verwijtbare werkloosheid
(bijvoorbeeld vanwege het frustreren van werkhervatting of reïntegratie), en bij
voortdurende werkloosheid op de Abw [zie Wet
werk en bijstand, red.].
rblz.|16|
Werknemers met
substantiële arbeidsbeperkingen die feitelijk arbeid verrichten
De SER
stelt voor om een
wettelijke loonaanvullings- of activeringsregeling in te voeren voor
werknemers met substantiële arbeidsbeperkingen die feitelijk arbeid
verrichten. Deze loonaanvullingsregeling dient te worden
vormgegeven als een wettelijk verplichte, particuliere
werkgeversverzekering,
die de werkgever - in overleg met de vertegenwoordigers van werknemers -
voor
zijn werknemers afsluit. Het betreft hier een bipartiete
opdrachtgeverschap op decentraal niveau. Daarbij geldt voor de uitvoerder
van de regeling een acceptatieplicht ten aanzien van alle bij de werkgever
in dienst zijnde werknemers. Het ligt volgens de SER in de rede dat deze
uitvoering in handen is van particuliere verzekeraars of plaatsvindt door een
pensioenfonds binnen de kaders van de Regeling taakafbakening
pensioenfondsen en de Wet
verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.
Om in aanmerking te komen
voor een uitkering of prestatie ingevolge de loonaanvullingsregeling
dient de gerechtigde een inkomen uit feitelijke arbeid te verwerven, bij
de eigen of een andere werkgever. Daarmee moet genoemde uitkering of
prestatie worden beschouwd als een wettelijke loonaanvulling. Voorts
dient de betrokkene, als gezegd, ten minste 35% arbeidsongeschikt te
zijn, dat wil zeggen een verlies aan verdiencapaciteit te hebben van ten minste
35%.
De beoordeling van een
aanvraag voor een uitkering of prestatie ingevolge de
loonaanvullingsregeling vindt plaats op basis van een keuring. Op zichzelf genomen kan
deze keuring volgens de SER
zowel in het publieke als private
domein plaatsvinden. De voorkeur van de SER gaat daarbij uit naar een
keuring door private actoren. Dit moet leiden tot een substantiële verlaging
van de belasting van degenen die verantwoordelijk zijn voor de nWAO-arbeidsongeschiktheidsbeoordeling (het
UWV). In het verlengde daarvan
gaat de
SER ervan uit dat de nWAO-keuring en de keuring voor de
loonaanvullingsregeling volkomen gescheiden trajecten of activiteiten zijn, zij
het met een intercollegiale toetsing van de uitkomsten van beide keuringen. Met
dit laatste moet worden voorkomen dat de uitkomsten van beide
keuringen op gespannen voet met elkaar komen te staan. Voorts acht de SER
het wenselijk om de keuringspraktijk wettelijk in te kaderen. Tot slot is
de SER van oordeel dat met een periodieke herkeuring (bijvoorbeeld
tweejaarlijks) rekening kan worden gehouden met het dynamische karakter van
arbeidsbeperkingen als gevolg van gezondheidsbelemmeringen.
Voorts stelt de
SER
voor
dat het recht op loonaanvulling herleeft indien de betrokken werknemer na
een werkloosheidsperiode opnieuw betaalde arbeid verricht. Deze
mogelijkheid tot herleving van het recht geldt ook voor werknemers die
tijdens de eerste twee jaren van ziekte werkloos zijn geworden en is ook van
belang voor tijdelijk (niet-duurzaam) volledig arbeidsongeschikten na
een periode van werkloosheid.
De SER
stelt voor om de
hoogte van deze loonaanvulling te baseren op de mate van
arbeidsongeschiktheid en op 70% van het gemiddelde, geïndexeerde loon van de
laatste drie jaren, berekend naar het arbeidsongeschiktheidsdeel.
De SER denkt daarbij aan een beperkt aantal arbeidsongeschiktheidsklassen.
Zo is denkbaar dat uitgegaan wordt van de volgende drie
arbeidsongeschiktheidsklassen: 35-50%, 50-65% en 65-80% arbeidsongeschiktheid. De SER stelt voorts voor dat de loonaanvullingen
worden geïndexeerd conform de indexering van de sociale uitkeringen
(thans op grond van de WKA [Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid (Stb.
1991, 624), red.]). Ten slotte stelt de rblz.|17|
SER voor dat de
wettelijke loonaanvulling in beginsel (tot de leeftijd van 65 jaar) een onbeperkte
duur kent.
De financiering van de
loonaanvullingsregeling dient op grond van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 gebaseerd te zijn op rentedekking. Het gaat hier immers om
mogelijk langlopende verplichtingen. De financiering op basis van rentedekking
impliceert een affinanciering van de schadelast. Voorts stelt de SER
voor
om de loonaanvullingsregeling te financieren uit een gedeelde premie van
werkgever en werknemer (elk 50%). De SER beveelt aan om de
voorgestelde premieverdeling wettelijk te verankeren, met de mogelijkheid dat
partijen op decentraal niveau tot andersluidende afspraken kunnen komen
(semi-dwingend recht).
Werknemers met
substantiële arbeidsbeperkingen die onvrijwillig werkloos zijn
De SER
stelt voor dat
werknemers met substantiële arbeidsbeperkingen bij (onvrijwillig)
volledige werkloosheid een beroep kunnen doen op de WW, indien aan de
WW-toetredingsvoorwaarden is voldaan. De SER gaat daarbij uit van een
onverkorte handhaving van de WW-toegangsvoorwaarden en
WW-uitkeringsvoorwaarden. Tot deze verplichtingen behoort ook de eis van
beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. De SER neemt aan dat bij de toepassing van
dit beschikbaarheidsvereiste wordt uitgegaan van de arbeidscapaciteit
van de betrokkene, dat wil zeggen van zijn mogelijkheden om passende arbeid te
verrichten.
Na afloop van de
loongerelateerde uitkering dan wel ingeval er (bijvoorbeeld als gevolg van de
referte-eis) geen recht op een loongerelateerde WW-uitkering bestaat, is
er beroep mogelijk op de WW-vervolguitkering. De hoogte van deze
uitkering bedraagt 70% van het wettelijk minimumloon of
70% van het
WW-dagloon als dit lager is dan het minimumloon.
Daarna kunnen de
betrokkenen een beroep doen op een nieuwe minimumregeling die
voorziet in een uitkering van 70% van het wettelijk minimumloon,
zonder vermogens- en partnerinkomenstoets. Deeltijdwerkers krijgen
deze minimumuitkering naar rato van het aantal uren dat zij hebben
gewerkt. Alleen in het bijzondere geval dat de partner eveneens aanspraak heeft
op de minimumuitkering vindt er een maximering plaats, waardoor de
partners gezamenlijk een uitkering van maximaal 100% van het minimumloon ontvangen. Aldus is volgens de
SER
ten opzichte van de
huidige Ioaw
sprake van een verregaande mate van individualisering,
hetgeen de Raad van groot belang acht met het oog op het realiseren van
economische zelfstandigheid. De SER stelt voor dat het UWV
de minimumregeling
uitvoert en dat de financiering ervan geschiedt uit de algemene middelen.
Enkele beschouwingen
Het vergroten en benutten
van de arbeidskansen vereist volgens de SER
een
participatiebevorderende incentivestructuur. De SER geeft daarbij de volgende randvoorwaarden:
"Gegeven de verschillende voorgestelde regelingen (met de
daaraan verbonden knippen en systeemovergangen en derhalve mogelijkheden
tot afwenteling) moet er in zijn zienswijze sprake zijn van een
optimale incentivestructuur. Daarbij is de grondgedachte dat de prikkels voor de
betrokken actoren zoveel mogelijk parallel aan het maatschappelijk
belang moeten lopen. Daarvan uitgaande moet de
loonaanvullingsregeling afdoende incentives bevatten die gericht zijn op de werknemer met
substantiële arbeidsbeperkingen, de (potentiële) werkgever en de private
uitvoerder (de verzekeraar)."
rblz.|18|
Dit
brengt volgens de SER
onder meer mee dat de inrichting van de loonaanvullingsregeling maatschappelijk
ongewenste vormen van schadelastbeheersing moet voorkomen. Dit zou
in het bijzonder aan de orde kunnen zijn als werknemers met
substantiële arbeidsbeperkingen geen beroep doen op de
loonaanvullingsregeling in geval van werkloosheid, maar aanspraak (moeten) maken
op een WW-uitkering dan wel een minimumuitkering. Belangrijk aandachtspunt
daarbij is op welke wijze bij de verzekeraar een
financieel belang tot bevordering van de arbeidsdeelname van de genoemde
werknemers ontstaat en blijft bestaan. In geval van arbeidsdeelname
moet immers een loonaanvulling worden betaald. Naar het oordeel
van de SER kunnen de volgende elementen effectief bijdragen tot
het voorkomen van maatschappelijk ongewenste vormen van
schadelastbeheersing. Ten eerste is er de cruciale rol van degenen, waaronder het
UWV, die betrokken zijn bij de vaststelling van het recht op uitkering op
grond van de WW dan wel de voorgestelde minimumregeling. Ten
tweede bevat de voorgestelde financiering van de loonaanvullingsregeling
prikkels die gericht zijn op het voorkomen van arbeidsongeschiktheid en
het vergroten van de arbeidsgeschiktheid. Ten derde moeten volgens de
SER de aangescherpte reïntegratieverplichtingen van de werkgever op grond
van de Wet verbetering poortwachter (Wvp) mede voorkomen dat
werknemers met substantiële arbeidsbeperkingen een
beroep doen op de WW of de minimumregeling in plaats van op de loonaanvullingsregeling. Tekortschietende
reïntegratie-inspanningen
van de werkgever kunnen er immers toe leiden dat de periode van de
wettelijk verplichte loondoorbetaling doorloopt, ook na het tweede ziektejaar.
Ten vierde geeft de SER in overweging om de vormgeving van de
loonaanvullingsregeling als volgt te clausuleren. "Ingeval de verzekerde
werknemer een arbeidsinkomen heeft, betaalt de verzekeraar de
loonaanvulling. In geval van werkloosheid van de werknemer stort de verzekeraar een
in duur beperkte en in bepaalde mate actuarieel te berekenen
reïntegratiebijdrage in een fonds ter financiering van de voor de verdere
reïntegratie van de betrokkene noodzakelijke inspanningen."
2.2.5. Bijzondere
groepen: flexibele arbeidsrelaties en militairen
Met betrekking tot
flexibele arbeidsrelaties heeft de SER
op 20 februari 2004 een vervolgadvies
uitgebracht. De SER bepleit daarin zowel ten aanzien van de
ziekteperiode als ten aanzien van de periode van arbeidsongeschiktheid afwijkende regelingen.
Wat betreft de ziekteperiode adviseert de SER dat de reeds ingevoerde verlenging van de
vangnet-ZW-periode
tot twee jaar alsnog niet
van toepassing wordt verklaard op die uitzendkrachten voor wie
ziekte leidt tot beëindiging van het uitzendcontract. Voor de tussenperiode
tot
aan de invoering van het nieuwe stelsel adviseert de SER
bovendien om voor de individuele uitzendbedrijven de bestaande
gedifferentieerde WAO-premie te maximeren tot het landelijk gemiddelde
percentage, en wel met terugwerkende kracht tot
1 januari 2004.
Wat betreft de regeling
voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten adviseert de SER om voor werknemers
die bij ziekte aanspraak hebben op een vangnet-ZW-uitkering een
vangnetregeling te treffen met een publieke uitvoering en met
lastenverevening op landelijk of sectoraal niveau.
In zijn vervolgadvies
gaat de SER
ook in op de positie van militairen. De SER is van oordeel dat
bij de positie van militairen sprake is van een specifieke voor deze
groep geldende problematiek waarvoor bijzondere regelingen tot stand zijn
gebracht. De Raad ziet geen aanleiding in het kader van de herziening
van de WAO
met specifieke voorstellen ten aanzien van militairen te
komen of om geldende specifieke regelingen rblz.|19|
voor militairen te
wijzigen. Overleg over deze regelingen hoort volgens de SER thuis in het
Sectoroverleg Defensie.
2.2.6. Samenvatting
Kort samengevat komen de
voorstellen van de SER
met betrekking tot gedeeltelijk
arbeidsgeschikten op het volgende neer. De werknemer heeft bij ziekte maximaal twee
jaar recht op doorbetaling van 70% van zijn loon. Daarna ligt de
verantwoordelijkheid voor de werknemer met lichte arbeidsbeperkingen, dat
wil zeggen de werknemer die minder dan 35% arbeidsongeschikt
is, op het niveau van de arbeidsorganisatie. In het uiterste geval kan de
werknemer worden ontslagen. Deze kan dan een beroep doen op de WW,
mits
hij aan de toetredingsvoorwaarden voldoet, en bij voortdurende
werkloosheid op de Abw. De werknemer met substantiële
arbeidsbeperkingen, dat wil zeggen de werknemer die ten minste 35% arbeidsongeschikt is, kan na twee jaar van ziekte een beroep doen op de
loonaanvullingsregeling, mits hij feitelijke arbeid verricht. De hoogte van
deze loonaanvulling is afhankelijk van de mate van
arbeidsongeschiktheid. De duur van het recht op loonaanvulling is in beginsel onbeperkt, dat
wil zeggen dat het recht uiterlijk bestaat tot de leeftijd van 65 jaar is
bereikt. De werknemer met substantiële arbeidsbeperkingen die onvrijwillig werkloos
is, kan na twee jaar ziekte een beroep doen op de WW,
mits hij aan de toetredingsvoorwaarden voldoet. Bij voortdurende
werkloosheid kan de betrokkene na afloop van de WW-periode een beroep
doen op een nieuwe minimumregeling die voorziet in een uitkering van 70%
van het wettelijk minimumloon, zonder vermogens- en
partnerinkomstentoets.
3. De regeringsvoornemens
in het kort
Het onderhavige
wetsvoorstel voorziet in activering van en inkomensbescherming voor werknemers met
arbeidsbeperkingen.
Gedurende de eerste twee
ziektejaren is de activering en reïntegratie van zieke werknemers primair
de verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer zelf. De
wettelijke plicht tot loondoorbetaling legt de verantwoordelijkheid voor inkomensbescherming
bij de werkgever.
Na afloop van de periode
van loondoorbetaling beoordeelt het UWV
eerst of de werkgever en de
werknemer voldoende hebben gedaan om de werknemer terug te doen keren in
het arbeidsproces. Vervolgens stelt het UWV op basis van een keuring
vast of de werknemer ofwel volledig én duurzaam arbeidsongeschikt is,
ofwel gedeeltelijk arbeidsgeschikt, waaronder ook tijdelijk volledige
arbeidsongeschiktheid wordt verstaan.
In het geval van
volledige én duurzame arbeidsongeschiktheid is activering niet aan de orde. De
inkomensvoorziening van de arbeidsongeschikte is dan primair de
verantwoordelijkheid van de overheid.
In het geval van
gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid is activering wél aan de orde. De
verantwoordelijkheid voor activering ligt bij het UWV
of - als de werkgever
eigenrisicodrager is - bij de werkgever en werknemer. De overheid draagt, voor zover nodig,
zorg voor inkomensbescherming.
Het verschil tussen deze
beide groepen - volledig én duurzaam arbeidsongeschikt versus gedeeltelijk
arbeidsgeschikt - is een essentieel onderdeel van dit
wetsvoorstel. De
eerste groep bestaat uit personen die geen mogelijkheden tot het
verrichten van arbeid hebben, terwijl de tweede groep die wel heeft en
dus gestimuleerd wordt hun mogelijkheden te rblz.|20|
benutten en zoveel
mogelijk te reïntegreren. Bij deze groep staat de oriëntatie op werk, het centrale
punt in dit wetsvoorstel, centraal.
Dit hoofdstuk gaat eerst
in op de taken en verantwoordelijkheden in het kader van de activering
en vervolgens op de taken en verantwoordelijkheden in het kader van de
inkomensbescherming. Daarna volgt een beschouwing over de
toekomstbestendigheid van het wetsvoorstel. Het hoofdstuk sluit af met
een overzicht van de inhoud van de memorie van toelichting.
3.1. Activering van
arbeidsgeschiktheid
Van zieke en gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemers wordt verwacht dat zij zelf alles doen
om terug te keren naar de arbeidsmarkt. Deze werknemers mogen op hun beurt dan
ook verwachten dat ze de kans krijgen om mee te doen in het
arbeidsproces en de kans krijgen om zich daarin te ontplooien. De regering
verwacht dan ook van werkgevers dat zij deze mogelijkheden bieden.
Alle betrokken partijen - werknemers, werkgevers, verzekeraars en het UWV
- moeten zich inspannen om de duurzame deelname van zieke en gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemers aan het arbeidsproces te
bevorderen. Zij moeten reïntegratie een maximale kans van slagen geven.
3.1.1. Uitgangspunten
Bij de reïntegratie van
zieke en gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers is een groot aantal
partijen betrokken. Behalve de werknemer zelf zijn dat de werkgever, de
arbodienst, de private verzekeraar en het UWV. Voor al deze partijen gelden bij
de vormgeving van het reïntegratiebeleid dezelfde centrale uitgangspunten:
• Optimale aansluiting
van de reïntegratieactiviteiten tijdens en ná de
loondoorbetalingsperiode.
• Optimale inzet van
menskracht en middelen: snelle interventie, een actieve betrokkenheid van
de gedeeltelijk arbeidsgeschikte en een evenwichtig systeem van
rechten en plichten.
• Maatwerk voorop: het
reïntegratietraject moet aansluiten bij de individuele situatie van de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte.
• Eenvoud in
regelgeving: voldoende ruimte en flexibiliteit voor de uitvoering.
• Duidelijkheid en
zakelijkheid: voornemens en verwachtingen vastleggen in concrete schriftelijke
afspraken. Sancties als deze afspraken niet worden nagekomen.
3.1.2. De eerste twee
ziektejaren
In de eerste twee
ziektejaren zijn werknemer en werkgever samen verantwoordelijk voor werkhervatting. Zij
moeten beiden al het mogelijke doen om de reïntegratie tot
een succes te maken.
In de
Wet verbetering
poortwachter en de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003
is
voorzien in een stelsel van rechten en plichten, instrumenten
en mechanismen om reïntegratie te bevorderen en arbeidsongeschiktheid
te voorkomen. Een nadere uitwerking hiervan is opgenomen in de memorie
van toelichting bij het voorstel van Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 (Kamerstukken II 2003-2004, 29 231, nr. 3).
Kern van deze wet is dat
werkgever en werknemer al het redelijkerwijs mogelijke moeten doen om
de kansen op werkhervatting te vergroten en alle mogelijkheden moeten
benutten om de werknemer weer aan de slag te krijgen.
rblz.|21|
Stimulansen voor
reïntegratie liggen bij beide partijen. Als de werkgever nalatig is bij het
reïntegreren van een werknemer, wordt de loondoorbetalingsperiode verlengd. Dit spoort
werkgevers aan om werk te maken van de reïntegratie van
zieke werknemers. Als de werknemer onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn
reïntegratie, wordt zijn uitkering ingevolge de Wet
WIA
geheel of
gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk geweigerd.
De overheid heeft in de
periode van loondoorbetaling slechts een beperkt faciliterende rol. Zij
verstrekt vergoedingen voor arbeidsplaatsvoorzieningen die mensen met
arbeidsbeperkingen een gelijke toegang tot het arbeidsproces
bieden.
3.1.3. Volledige én
duurzame arbeidsongeschiktheid
Aan het eind van de
loondoorbetalingsperiode stellen werkgever en werknemer samen een reïntegratieverslag op. Daarin zetten ze uiteen welke
activiteiten ze ten
behoeve van de reïntegratie hebben ondernomen. Het verslag moet de
uitkeringsinstantie ervan overtuigen dat werkgever en werknemer er alles
aan
hebben gedaan om het werk te hervatten.
Als uit het
reïntegratieverslag blijkt dat de werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is,
heeft hij aanspraak op een uitkering op grond van de in het
wetsvoorstel opgenomen regeling inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten (IVA; zie hoofdstuk 6 van
het wetsvoorstel).
Een werknemer is volledig
arbeidsongeschikt als hij vanwege ziekte of gebrek niet meer kan
verdienen dan 20% van zijn maatmaninkomen. Hij is duurzaam
arbeidsongeschikt als het uitgesloten is dan wel de kans klein is dat zijn resterende
verdiencapaciteit zal toenemen tot boven die grens.
Het
UWV
stelt vast of er
sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van een
medische
beoordeling en - in de meeste gevallen - een
arbeidskundig onderzoek.
Voor mensen die volledig
en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, biedt activering geen perspectief. Voor
deze mensen voorziet het wetsvoorstel dan ook in
inkomensbescherming (zie paragraaf 3.2.2).
3.1.4. Gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid
Als uit het
reïntegratieverslag blijkt dat werkgever en werknemer zich voldoende hebben
ingespannen om reïntegratie te realiseren, maar daarin niet zijn geslaagd, heeft
een gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer aanspraak op een
uitkering op grond van de in het wetsvoorstel opgenomen regeling
werkhervatting
gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA; zie hoofdstuk 7 van
het wetsvoorstel). De systematiek van deze regeling bevat zowel voor de
werknemer als voor de werkgever een prikkel voor reïntegratie.
De prikkel voor de
werknemer is erin gelegen dat verdiensten uit arbeid slechts gedeeltelijk op
de uitkering in mindering worden gebracht. Daardoor is zijn totale inkomen
hoger naarmate hij meer verdient met werken. Met andere woorden,
(meer) werken is financieel lonend.
De prikkels voor
werkgevers zijn gelegen in de uitbreiding van de no-riskpolis, de premiekorting
voor gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers en de gedifferentieerde
premie en de mogelijkheid tot eigen risico dragen in de WGA.
rblz.|22|
De
no-riskpolis voor
werkgevers houdt in dat de werkgever niet het loon behoeft door te betalen
van een werknemer met een WGA-uitkering die ziek wordt binnen vijf
jaar nadat deze uitkering is ingegaan. Deze no-riskpolis geldt dus niet
alleen voor de werkgever die een gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst neemt,
maar ook
voor de werkgever die een werknemer in dienst heeft en die
gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt.
De premiekorting houdt in
dat de werkgever die een gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst houdt één
jaar korting krijgt op de af te dragen socialeverzekeringspremies en een werkgever die een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst neemt drie jaar
korting krijgt.
De WGA kent een per
onderneming gedifferentieerde premie voor de loongerelateerde
WGA-uitkering, voor een deel van de loonaanvulling en de
WGA-vervolguitkering.
Een werkgever betaalt daardoor minder premie naarmate een gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemer meer werkt. De werkgever kan er ook voor
kiezen om eigenrisicodrager te worden gedurende de eerste tien jaar
waarover de uitkering wordt verstrekt.
3.2. Inkomensbescherming
3.2.1. De eerste twee
ziektejaren (loondoorbetalingsperiode)
De inkomensbescherming
gedurende de eerste twee ziektejaren is geregeld in de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij
ziekte 2003. Op
grond van deze wet ligt
de verantwoordelijkheid voor de inkomensbescherming van zieke werknemers
gedurende de eerste twee jaar bij de werkgever.
3.2.2. Volledige én
duurzame arbeidsongeschiktheid (IVA)
De verantwoordelijkheid
voor de inkomensbescherming voor volledig én duurzaam
arbeidsongeschikten ligt bij de overheid. Het is de taak van de overheid om deze mensen
een toekomstbestendige en stabiele sociale verzekering te bieden die
de inkomensgevolgen van volledig duurzame arbeidsongeschiktheid
opvangt.
De overheid is
verantwoordelijk voor een redelijk uitkeringsniveau en voor een passende en adequate
selectie van de personen die toegang krijgen tot deze sociale
uitkering. Deze selectie vindt plaats twee jaar na de ziekmelding of zoveel eerder als
volstrekt duidelijk is dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
Volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten komen in aanmerking voor een uitkering ingevolge
de IVA. De uitkering bedraagt 70% van het dagloon. Deze uitkering
loopt in beginsel door tot de werknemer 65 jaar is.
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering zal met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2006
worden verhoogd met 5 procentpunt indien voldaan is aan twee voorwaarden:
de instroom in de IVA is in 2006 beperkt gebleven tot 25 000
personen op twaalfmaandsbasis (vast te stellen in augustus 2007 op basis
van de in juli 2007 beschikbare cijfers) en de intentie van de in de
Stichting van de Arbeid vertegenwoordigde centrale organisaties van
werkgevers en werknemers (zoals verwoord in punt 2 van de
Stichtingsverklaring van 5 november 2004) is gerealiseerd door CAO-partijen.
rblz.|23|
3.2.3. Gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid (WGA)
Een werknemer is
gedeeltelijk arbeidsgeschikt als hij ten minste 35% arbeidsongeschikt is.
Voor werknemers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, ligt de
verantwoordelijkheid voor de inkomensbescherming bij de werkgever en de
sociale partners. Deze werknemers moeten behouden worden voor het
arbeidsproces, hetzij in het eigen bedrijf, hetzij bij een andere werkgever. In het
uiterste geval kan de werknemer, na toestemming van de Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), worden ontslagen. Doorgaans kan
hij dan een beroep doen op de Werkloosheidswet.
Gedeeltelijk
arbeidsgeschikten komen in aanmerking voor een uitkering ingevolge de
WGA. Deze
regeling voorziet in een gedeeltelijke compensatie voor het verlies aan
inkomen of van verdiencapaciteit.
Uitgangspunten WGA
Bij de vormgeving van de
WGA heeft de regering twee uitgangspunten gehanteerd.
In de eerste plaats moet
de uitkering de gedeeltelijk arbeidsgeschikte stimuleren om (meer)
arbeid te gaan verrichten. Het verrichten van betaalde arbeid moet
financieel lonender zijn dan inactiviteit. Die beloning moet hoger zijn naarmate
de gedeeltelijk arbeidsgeschikte een groter deel van zijn
verdiencapaciteit benut.
In de tweede plaats moet
de uitkering de werkgever stimuleren om gedeeltelijk
arbeidsgeschikten in dienst te houden of te nemen.
Vormgeving WGA
Deze uitgangspunten
hebben tot de volgende vormgeving van de WGA geleid. Na afloop van de loondoorbetalingsperiode heeft een gedeeltelijk
arbeidsgeschikte eerst
aanspraak op een loongerelateerde WGA-uitkering. De duur van deze
loongerelateerde WGA-uitkering is - net als de WW-uitkering
- afhankelijk van het arbeidsverleden en varieert van een half- tot vijf jaar. Voor
een niet-werkende gedeeltelijk arbeidsgeschikte bedraagt de uitkering 70%
van het dagloon. Voor een wel-werkende gedeeltelijk arbeidsgeschikte bedraagt de uitkering 70% van het verschil
tussen het dagloon en het
met werken verdiende inkomen. De loongerelateerde uitkering kan ook in
formulevorm worden weergegeven, te weten als 0,7 * (daglooninkomen).
Deze vormgeving van de
loongerelateerde WGA-uitkering betekent een vereenvoudiging ten
opzichte van de huidige situatie. Een gedeeltelijk arbeidsgeschikte hoeft
niet meer zowel een WAO- als een WW-uitkering aan te vragen, maar kan
volstaan met het aanvragen van één WGA-uitkering.
Na afloop van de
loongerelateerde periode heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte aanspraak op hetzij een
WGA-vervolguitkering, hetzij een loonaanvulling.
Als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte ten minste 50% van zijn resterende verdiencapaciteit benut,
kan hij aanspraak maken op een loonaanvulling. De hoogte van deze
loonaanvulling bedraagt, als de betrokkene een inkomen verdient tussen
50% en 100% van zijn resterende verdiencapaciteit, 70% van het verschil
tussen het dagloon en die resterende verdiencapaciteit (zie de
bijlage voor voorbeelden). Als de betrokkene een rblz.|24|
inkomen verdient dat ten
minste gelijk is aan zijn resterende verdiencapaciteit, bedraagt de hoogte van de
loonaanvulling - net als de loongerelateerde uitkering - 70% van het
verschil tussen het dagloon en het met werken verdiende
inkomen.
Als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte niet werkt of minder dan 50% van zijn resterende
verdiencapaciteit benut, maakt hij aanspraak op een WGA-vervolguitkering.
Deze uitkering bedraagt een percentage van (70% van) het wettelijk minimumloon. Dit percentage is hoger naarmate de betrokkene minder
arbeidsgeschikt is. Het recht op de loonaanvulling of de WGA-vervolguitkering
loopt door tot de uitkeringsgerechtigde de leeftijd van 65 jaar bereikt.
Aanvulling tot sociaal
minimum
Het is mogelijk dat het
gezinsinkomen van een volledig én duurzaam arbeidsongeschikte of een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte - ondanks de IVA-uitkering, de
loongerelateerde WGA-uitkering, de WGA-vervolguitkering of
de loonaanvulling - onder het voor hem geldende sociaal minimum
komt. Deze werknemer heeft op grond van de Toeslagenwet (TW) recht
op een aanvullende uitkering tot dat minimum. De TW wordt zo aangepast dat een beroep op de
Ioaw
niet meer nodig is.
Hierdoor hoeft geen
overdracht meer plaats te vinden van het UWV
naar de gemeenten.
3.3. Toekomstbestendigheid
wetsvoorstel
Het kabinet heeft onlangs
in de notitie "Nieuwe accenten op het terrein van werk en
inkomen" (Kamerstukken II
2004-2005, 29 804, nr. 1) de overwegingen
en doelstellingen
geschetst die ten grondslag liggen aan zijn beleid op het terrein van
werk en inkomen. Tegen de achtergrond van economische en maatschappelijke veranderingen is in de notitie een
aantal bouwstenen
aangedragen voor een toekomstbestendige Nederlandse verzorgingsstaat.
Centraal daarbij staat een verhoging van de arbeidsparticipatie. Dit
vergt een stelsel van sociale zekerheid dat solide en solidair is. Via een
nieuwe balans tussen inkomensbescherming en eigen
verantwoordelijkheid kan het activerende karakter van het stelsel worden versterkt.
Op basis van deze
beleidsfilosofie zijn in voornoemde notitie enkele mogelijke
beleidsrichtingen geschetst. Uitgangspunt daarbij is dat een toekomstbestendig stelsel
niet alleen de gewenste inkomensbescherming biedt, maar daarnaast de
burgers (en werkgevers) aanmoedigt om hun eigen risico’s ten
gunste te beïnvloeden en dus vermijdbaar of onbedoeld gebruik van de sociale
zekerheid terug te dringen.
Het voorgestelde
arbeidsongeschiktheidsstelsel is in lijn met voornoemde beleidsfilosofie. Voor
werkgever en werknemer is een grotere plaats voor hun eigen
verantwoordelijkheid ingeruimd. Zo zijn beiden vanaf 1 januari 2004 gedurende de eerste
104 weken van ziekte volledig verantwoordelijk voor de reïntegratie en
de inkomensbescherming van de werknemer. Ook kunnen werkgever en
werknemers in onderling overleg beslissen welke andere partijen, zoals
arbodiensten, reïntegratiebedrijven en private verzekeraars, ze daarbij inschakelen.
En als ze willen, kunnen ze ook na 104 weken ziekte
verantwoordelijk blijven voor de reïntegratie en de inkomensbescherming van
de werknemer. De incentivestructuur is daarop toegesneden: het stelsel
bevat zowel voor de werkgever als voor de werknemer financiële prikkels om
zijn verantwoordelijkheid waar te maken. Het stelsel is dus zodanig
vormgegeven dat, met behoud van de waarborgfunctie (inkomensbescherming) van
het stelsel, de werkgever en werknemer rblz.|25|
grote keuzevrijheid hebben en met behulp van financiële prikkels
worden aangemoedigd het
beroep op het stelsel zoveel mogelijk te beperken.
3.4. Opbouw van de memorie
van toelichting
De regeringsvoornemens
die in dit hoofdstuk in het kort aan de orde zijn gekomen, worden in het
vervolg van deze memorie van toelichting nader uitgewerkt.
Het
arbeidsongeschiktheidscriterium en het claimbeoordelingsproces worden besproken in de
hoofdstukken 4 en 5. Het activeren van
arbeidsgeschiktheid is aan de orde in hoofdstuk 6. De inkomensbescherming
wordt behandeld in de hoofdstukken 7 en 8.
Het recht op uitkering
wordt besproken in hoofdstuk 9. De uitvoering en
financiering van de IVA en de WGA komen aan de orde in hoofdstuk
10. Hoofdstuk 11 behandelt
het overgangsrecht en de internationaalrechtelijke aspecten. Hoofdstuk 12
geeft een overzicht van de ontvangen commentaren. Hoofdstuk 13
bevat een overzicht van de financiële en economische gevolgen van
het wetsvoorstel.
4. Het
arbeidsongeschiktheidscriterium
In dit wetsvoorstel wordt
het uitkeringsregime geregeld voor volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten en voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten. De definitie van deze beide
begrippen (volledig duurzaam arbeidsongeschikt en gedeeltelijk
arbeidsgeschikt) verschilt. Dit hangt samen met de doelstelling van beide
uitkeringsregimes. Bij beide begrippen speelt hetzelfde ziektebegrip een rol,
omdat het bij alle vormen van arbeidsongeschiktheid gaat om verminderde
mogelijkheden om arbeid te kunnen verrichten tengevolge van ziekte. Er
moet sprake zijn van objectief medisch vast te stellen gevolgen van
ziekte. Voor de volledigheid worden deze begrippen hieronder uiteengezet. De
twee arbeidsongeschiktheidscriteria worden daarna toegelicht. De
wijze waarop wordt beoordeeld of iemand volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt of verminderd arbeidsgeschikt is, verloopt in beide
situaties volgens hetzelfde stramien. Het nieuwe claimbeoordelingsproces
is geënt op het proces
onder de WAO, maar het zal op veel punten aangepast worden om de doelstelling van het nieuwe stelsel
te kunnen bereiken. Dit
proces wordt in het volgende hoofdstuk beschreven.
4.1. De begrippen ziekte
en objectiviteit
Bij het bepalen van de
arbeidsongeschiktheid is het al dan niet aanwezig zijn van een ziekte
alleen en op zichzelf beschouwd een noodzakelijke, maar geen voldoende
voorwaarde. Er spelen bij dit vraagstuk verschillende aspecten:
• het ziektebegrip als zodanig;
• de relatie tussen het
hebben van een ziekte en het kunnen werken; en
• het vaststellen van
een ziekte en de daaruit voortvloeiende beperkingen.
Om te beginnen moet
gesteld worden dat het ziektebegrip als zodanig de laatste decennia nogal is
verruimd. Het begrip ziekte heeft een veel rblz.|26|
bredere betekenis
gekregen. Allerlei maatschappelijke ontwikkelingen zoals de toegenomen
mondigheid van de burger, de grotere toegankelijkheid tot medische informatie,
het gezondheidsideaal en de toegenomen therapeutische
mogelijkheden hebben ertoe geleid dat het ziektebegrip niet meer uitsluitend tot
het terrein van de arts behoort, maar ook tot dat van de patiënt. Men noemt een gevoel van onbehagen of onwelbevinden
al snel een ziekte en
richt zich ermee tot een arts. Dit algemene beeld is scherp te zien bij het
ziekteverzuim van werkenden: afwezigheid op grond van allerlei uiteenlopende oorzaken worden met instemming van alle
betrokkenen als ziekte
gelabeld en op deze wijze gemedicaliseerd. Men kan zich gemakkelijk ziek
melden: er zijn vaak geen directe inkomensgevolgen en de begeleiding richt
zich vervolgens niet alleen op de (vermeende) ziekte,
terwijl veel vormen van fysiek onbehagen zowel het gevolg kunnen zijn van
ziekte als van andere oorzaken. Ook als de begeleiding zich richt op andere
zaken dan ziekte, zoals een conflict, is het thans veelal geaccepteerd dat
iemand thuis is wegens ziekte.
Voor de inhoud van
dit
wetsvoorstel is het belangrijk te stellen dat het hebben van een ziekte
niet per se betekent dat iemand niet zou kunnen werken. Veel mensen met
een chronische ziekte of handicap of een tijdelijk medisch probleem werken.
Volgens recente medische inzichten is het zo dat in veel gevallen niet
werken het genezingsproces juist kan belemmeren,
omdat het
activiteitenniveau afneemt. Het hebben van een ziekte is dus wel noodzakelijk,
maar niet voldoende om als arbeidsongeschikt aangemerkt te worden. Het
gaat om de beperkingen in arbeid die men daardoor ondervindt.
De
verzekeringsgeneeskundige beoordeling begint daarom met het objectief vaststellen van de
ziekte, aan de hand van de door de cliënt naar voren gebrachte klachten.
Een ziekte is volgens de World Health Organisation "een afwijkende toestand
van het menselijk organisme met vermindering van autonomie die zich
uit in stoornissen, beperkingen en handicaps". Verlies aan autonomie
betekent dat iemand niet in staat is een deel van de sociale rollen te
vervullen: er is sprake van een vermindering of verlies van een lichamelijke of psychische functie als gevolg waarvan een
vermindering of verlies
van normale gedragingen, activiteiten en sociale rolvervulling optreedt.
De normale sociale rollen worden geheel of gedeeltelijk verdrongen
door de ziekterol.
Is de ziekte vastgesteld,
dan moet de verzekeringsarts de beperkingen in beeld brengen. Een ziekte
die niet leidt tot beperkingen voor het verrichten van arbeid is
voor het uitkeringsrecht niet relevant. Het is hierbij ook niet relevant
of een ziekte ernstig genoemd wordt, maar of de beperkingen die door de
ziekte worden veroorzaakt zodanig zijn dat ze de mogelijkheid om te werken
beïnvloeden. Het moet gaan om aantoonbare beperkingen die
rechtstreeks voortvloeien uit de ziekte.
De toevoeging dat de
beperkingen moeten voortvloeien uit ziekte is van belang, omdat deze
beperkingen onderscheiden moeten worden van beperkingen tengevolge
van bijvoorbeeld veroudering of overbelasting. Bij het vaststellen van
de beperkingen moet expliciet beoordeeld worden dat de mogelijkheden naar
medisch oordeel aanzienlijk moeten zijn beperkt, niet alleen ten
opzichte van het verleden, maar ook ten opzichte van hetgeen bij qua
leeftijd en constitutie vergelijkbare personen gebruikelijk is.
Bij de claimbeoordeling
denkt de cliënt vaak dat hij zijn claim primair moet legitimeren vanuit
zijn ziekte, wat ertoe kan leiden dat de discussie over het al dan niet
bestaan van arbeidsongeschiktheid zich concentreert op de vraag of er sprake
is van ziekte in plaats van op de beperkingen en rblz.|27|
de mogelijkheden van betrokkene. Niet genoeg kan worden benadrukt dat
het aanwezig zijn van
ziekte wel noodzakelijk is, maar niet voldoende. Het gaat immers om de
gevolgen ervan voor het functioneren. De verzekeringsarts staat hierbij voor de uitdaging om bij sommigen uit te
moeten leggen dat ondanks
het aanwezig zijn van een ziekte er nog wel degelijk mogelijkheden
zijn om te werken en bij anderen uit te moeten leggen dat er weliswaar
beperkingen zijn, maar dat die niet voortvloeien uit ziekte.
Het
vaststellen van de
ziekte en de beperkingen moet objectief geschieden. In het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten is dit als volgt uitgewerkt. De
ziekte en de beperkingen moeten naar algemeen medische maatstaven
gemeten worden. Algemeen medische maatstaven wil zeggen volgens de criteria van de reguliere geneeskunde en ook daarbinnen
algemeen geaccepteerd,
dus niet op basis van de bijzondere opvatting van een enkele arts of speciale groep. Gemeten wil zeggen feitelijk vastgesteld. De
arts mag niet volstaan met af te gaan op de perceptie van de
aanvrager van de uitkering.
Voor sommige ziektes en
voor sommige personen zal het vaststellen van de ziekte of de
beperkingen gemakkelijker zijn dan voor andere. Er zij op gewezen dat het niet
altijd mogelijk is een lichamelijke of psychische oorzaak voor de ziekte te
meten of aan te tonen. Dit betekent dat in die gevallen het medisch onderzoek uitvoeriger en grondiger zal moeten zijn.
De bedrijfsarts is ervoor verantwoordelijk dat de benodigde gegevens verzameld worden en dat
ze bij het UWV
aanwezig zijn bij de uitkeringsaanvraag. De werknemer zelf zal
moeten aantonen dat hij in behandeling is bij een specialist.
Slechts in uitzonderingsgevallen zal hiervan afgeweken kunnen worden.
Het gaat er vervolgens om
dat de verzekeringsarts beziet of er sprake is van verminderd
functioneren, beperkingen in mogelijke activiteiten en handicaps voor het
verrichten van arbeid. De arts moet op alle drie niveaus (stoornissen,
beperkingen en handicaps) logisch samenhangende consistente uitingen van
ziekte constateren. Hoe moeilijker het is om vast te stellen of de
belemmeringen het gevolg zijn van ziekte, des te meer eisen in de zin van
controleerbaarheid, reproduceerbaarheid en consistentie er gesteld
worden aan het verzekeringsgeneeskundige oordeel. De gang van
zaken bij en de resultaten van de beoordeling moeten schriftelijk
worden vastgelegd, zodat zij toetsbaar en controleerbaar zijn. Onder
reproduceerbaar wordt verstaan dat andere gekwalificeerde beroepsgenoten dan de
betreffende verzekeringsarts, in eenzelfde geval tot dezelfde
bevindingen en conclusies zullen kunnen komen. Met consistent wordt bedoeld
dat de feiten en conclusies vrij van innerlijke tegenspraak en logisch
samenhangend moeten zijn. Bevindingen die elkaar tegen lijken te
spreken, moeten op basis van professionaliteit tegen elkaar afgewogen worden.
De hier vermelde
onderliggende noties met betrekking tot begrippen als ziekte en objectiviteit
zijn in essentie niet anders dan die ten grondslag liggen aan de huidige
regelgeving onder de WAO. De regering is echter van mening dat deze
begrippen zorgvuldiger gehanteerd moeten worden. In de uitvoering van de
nieuwe wet zal daarom aan de operationalisering ervan meer aandacht
worden gegeven, onder andere door een strikter claimbeoordelingsproces.
Op het uitvoeringsproces van de claimbeoordeling en de kwaliteitsborging
daarvan wordt uitvoerig ingegaan in hoofdstuk 5. Wat betreft
het criterium om het bestaan van arbeidsongeschiktheid vast te kunnen stellen,
heeft de regering aangesloten bij het bestaande criterium in de
WAO en bij de breed gedragen wens binnen de SER
om dit criterium te
behouden. Werkgevers en werknemers binnen de rblz.|28|
SER hechten namelijk als
direct betrokkenen groot belang aan het criterium van verdiencapaciteit en
aan de daarbij gehanteerde grens van 80% verlies van
verdiencapaciteit. Hiermee heeft de regering principieel gekozen voor het
criterium van verdiencapaciteit en is dit criterium als verzekerd risico voor de
Wet WIA
gehandhaafd.
4.2. Het
arbeidsongeschiktheidscriterium voor volledige en duurzame
arbeidsongeschiktheid
4.2.1. Volledige
arbeidsongeschiktheid
Het begrip volledige en
duurzame arbeidsongeschiktheid kent twee essentiële elementen die hier achtereenvolgens besproken worden. In deze
paragraaf komt het begrip
volledig aan de orde, in de volgende paragraaf het begrip duurzaam.
Voor de IVA-regeling
geldt iemand als volledig arbeidsongeschikt als hij 20% of minder van zijn
oude loon kan verdienen. Om deze vraag te beantwoorden, zal in ieder geval altijd
een medisch onderzoek en in veel gevallen ook een
arbeidskundig onderzoek nodig zijn. Nadere bepalingen hierover staan in het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Dit besluit zal ook op de
claimbeoordeling in het kader van het nieuwe stelsel zien.
Met de uitwerking van het
begrip volledige arbeidsongeschiktheid in dit wetsvoorstel wordt
aangesloten bij de uitgebrachte adviezen. Zowel de commissie-Donner
als de SER
willen de arbeidsongeschiktheidsuitkering exclusief toekennen aan
diegenen die duurzaam niet meer kunnen werken. Er moet volgens
de SER bij de claimbeoordeling meer dan thans het geval is, gestreefd
worden naar methoden die leiden tot een zo hoog mogelijke resterende
verdiencapaciteit. Het huidige Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS)
zou volgens de SER in aanzienlijke mate strenger gemaakt moeten
worden, zodat het vóórkomen van volledige arbeidsongeschiktheid op
loonkundige gronden zoveel mogelijk tegengegaan wordt. De regering kan
hier geheel bij aansluiten en hanteert net als de SER het begrip
verdiencapaciteit.
De vaststelling of iemand
volledig arbeidsongeschikt is, kan afhankelijk van de situatie twee
grondslagen hebben: alleen op verzekeringsgeneeskundige gronden of op
verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige gronden.
Er is een groep personen
waarvan op verzekeringsgeneeskundige gronden gezegd kan worden
dat hun toestand zodanig is dat zij niet kunnen werken. Het
betreft dan personen die geen benutbare mogelijkheden hebben. Hieronder worden
verstaan personen die zijn opgenomen in een inrichting,
personen die bedlegerig zijn, personen die lichamelijk niet zelfredzaam zijn
(dat wil zeggen dat zij de zeer basale dagelijkse activiteiten zoals eten, wassen en
toiletgang, die van belang zijn voor de primaire fysieke
zelfstandigheid, niet kunnen verrichten) en personen met een ernstige psychische
stoornis waarbij sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal
functioneren. Van deze groep personen is het op voorhand duidelijk dat
zij dusdanige ernstige medische beperkingen hebben dat zij niet
kunnen werken; een arbeidskundig onderzoek is dan niet nodig. Dit is
uiteraard een zeer kleine groep.
Daarnaast is er een groep
personen waarbij weliswaar wordt vastgesteld dat zij ernstige
beperkingen tengevolge van ziekte hebben, maar die nog wel mogelijkheden hebben.
Door de arbeidskundige zal dan onderzocht worden of deze
mogelijkheden dusdanig zijn dat betrokkene er arbeid rblz.|29|
mee kan verrichten en
welk loon hij daarmee kan verdienen. De procedure van dit onderzoek is dat
de verzekeringsarts de mogelijkheden van betrokkene vastlegt (in het kader
van het huidige CBBS-systeem in de zogenaamde Functionele Mogelijkheden
Lijst) en dat de arbeidsdeskundige daar functies bij zoekt.
Het loon van de geschikte functies wordt vervolgens vergeleken met het
maatmanloon (dit komt globaal overeen met het oude loon), waarbij de
uitkomst van de vergelijking [(maatmanloon minus het loon van de geschikte
functie) gedeeld door maatmanloon] het arbeidsongeschiktheidspercentage
bepaalt. Bij de arbeidskundige schatting zal primair gezocht
worden naar functies waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid zo
laag mogelijk is. Is het loonverlies 80% of meer, dan is betrokkene
volledig arbeidsongeschikt. Hoe het arbeidskundig onderzoek precies in zijn
werk gaat, is bepaald in het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten.
4.2.2. Duurzame
arbeidsongeschiktheid
Van duurzame
arbeidsongeschiktheid is sprake in twee situaties: herstel is uitgesloten (er is een
duurzaam verlies van mogelijkheden tot functioneren) en er is een geringe kans
op herstel op lange termijn.
Bij de invulling van het
begrip duurzaamheid heeft de regering aangesloten bij de SER-adviezen uit
2002 en 2004. De SER verstaat onder duurzame arbeidsongeschiktheid "een voorzienbare langdurige arbeidsbeperking in die zin dat binnen een
periode van vijf jaar geen reële mogelijkheden tot herstel
kunnen worden verwacht". In het SER-advies van 2004 heeft de SER dit
nader ingevuld, omdat het de SER gebleken was dat de
oorspronkelijke invulling in de praktijk moeilijk uitvoerbaar leek. In dit wetsvoorstel
sluit de regering hierbij aan.
Dit betekent dat het
duurzaamheidscriterium van toepassing is bij twee categorieën volledig arbeidsongeschikten: als herstel uitgesloten is en als
er na twee jaar ziekte
een geringe kans op herstel is op lange termijn.
De categorie
"herstel
uitgesloten" betekent dat de mogelijkheden om te functioneren definitief
verloren zijn gegaan: er is stabiliteit van de afwezigheid van mogelijkheden.
De categorie "geringe
kans op herstel op lange termijn" betekent dat de verzekeringsarts de
situatie na de claimbeoordeling inschat. Hij maakt hierbij onderscheid
tussen de prognose in het eerste jaar en de kansen daarna.
Bij de procedure die
gevolgd zal worden bij het vaststellen van de duurzaamheid kunnen de volgende
stappen onderscheiden worden.
• Eerst beziet de
verzekeringsarts of de prognose "herstel
uitgesloten" geldt. Zo ja, dan is er
sprake van duurzaamheid.
• Zo neen, dan vervolgt
hij het onderzoek door het eerstvolgende jaar te bezien.
• Is er in het eerste
jaar een meer dan geringe kans op herstel, dan is er geen sprake van
duurzaamheid.
• Is er in dat eerste
jaar geen of een geringe kans op herstel, dan wordt ook de kans op herstel op
enig moment in de toekomst bij de beoordeling betrokken.
• Is er in de toekomst
een meer dan geringe kans op herstel, dan is er geen sprake van
duurzaamheid.
• Is er ook in de
toekomst een geringe kans op herstel, dan is er sprake van duurzaamheid.
Samengevat zijn de
volgende volledig arbeidsongeschikte personen dus duurzaam
arbeidsongeschikt: personen zonder kans op herstel (zij die in rblz.|30|
een stabiele situatie
verkeren) en personen met een geringe kans op herstel zowel in het
eerste jaar als daarna.
Van duurzame
arbeidsongeschiktheid wordt ook gesproken als iemand nog zal verslechteren (of
zelfs zal komen te overlijden).
Het
UWV
zal gedurende
vijf jaar jaarlijks bij de groep volledig arbeidsongeschikten met een geringe kans op
herstel onderzoeken of dit herstel inderdaad al is opgetreden en of zij nu gedeeltelijk (of misschien zelfs helemaal) arbeidsgeschikt
zijn. Het is de verwachting dat binnen een periode van vijf jaar in
alle gevallen duidelijk is geworden dat men óf in een stabiele situatie
verkeert van niet kunnen functioneren, óf dat men niet meer volledig
arbeidsongeschikt is. Het recht op IVA-uitkering eindigt als men geheel of
gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Overigens kan, indien dit door de verzekeringsarts
nodig wordt geacht, ook na de periode van vijf jaar een oproep voor een
professionele herbeoordeling gedaan worden. Indien betrokkene na de herbeoordeling gedeeltelijk arbeidsgeschikt is,
wordt de duur van zijn
loongerelateerde WGA-uitkering verminderd met de duur dat hij een
IVA-uitkering heeft gehad. Het is echter zo dat hij altijd gedurende minimaal
één
jaar recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. In die
periode kan hij zijn resterende verdiencapaciteit zo goed mogelijk benutten,
zodat hij na afloop van die periode in aanmerking kan komen voor de
loonaanvulling.
Personen die volledig
arbeidsongeschikt zijn, maar niet als duurzaam zijn aangemerkt, krijgen een
uitkering op grond van de WGA-regeling. Mochten zij na verloop
van tijd toch duurzaam arbeidsongeschikt blijken te zijn, dan kunnen zij
op dat moment zonder nadere voorwaarden instromen in de
IVA-regeling en een IVA-uitkering krijgen. Tot dat moment ontvangen zij overigens
ook altijd een volwaardige WGA-uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon. Dit wordt bereikt doordat voor deze
groep geen inkomenseis
voor de loonaanvulling geldt. Door personen die volledig maar niet
duurzaam arbeidsongeschikt zijn een dergelijke uitkering te geven, wordt
bereikt
dat zij alle kansen krijgen op herstel en reïntegratie, terwijl zij
tegelijkertijd zekerheid hebben over hun uitkering.
Bij de claimbeoordeling
zal de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid worden vastgesteld. In
de
eerste periode na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal
deze beoordeling niet eenvoudig zijn, omdat er nog geen ervaring mee
is opgedaan. In de voorbereidingsfase zal het UWV
daarom bijzondere
aandacht besteden aan dit nieuwe aspect van de claimbeoordeling en bij
de uitvoering zullen de resultaten nauwlettend gevolgd worden. Met name
de invulling van het begrip geringe kans op herstel vereist een nauwkeurige uitwerking.
Het UWV zal hiertoe een protocol
met een stappenplan
opstellen. Het feit dat de IVA-uitkeringen worden toegekend door de beslissingsautoriteit (zie hiervoor ook paragraaf 5.4) zal een positieve
uitwerking hebben op een consistente invulling van dit begrip.
In grote lijnen verloopt
de beoordeling als volgt.
Bij de claimbeoordeling
wordt iemand na twee jaar ziekte beoordeeld. In deze twee jaar moet er op
medisch gebied en qua reïntegratie al het mogelijke zijn
geprobeerd. Voordat de claimbeoordeling van start gaat, worden de
reïntegratie-inspanningen getoetst. Als de werkgever onvoldoende reïntegratie-inspanningen
heeft verricht, volgt een loonsanctie voor de werkgever en
wordt de claimbeoordeling uitgesteld tot na afloop van de sanctieperiode.
Ook de werknemer kan een sanctie krijgen bij onvoldoende reïntegratie-inspanningen.
Nadat de verzekeringsarts
en de arbeidsdeskundige volledige arbeidsongeschiktheid hebben vastgesteld, zal
het aspect duurzaamheid bepaald rblz.|31|
worden. Ook hier spelen
zowel verzekeringsgeneeskundige als arbeidskundige aspecten. Bij de
beoordeling van het ontbreken van voldoende verdiencapaciteit en de
kans dat dit in de toekomst zal verbeteren, gaat het om een samenspel van
het ziektebeeld als zodanig en de functionele mogelijkheden. Het
ziektebeeld kan nog fluctueren, terwijl de mogelijkheden en beperkingen ongeveer
op hetzelfde niveau zullen blijven. Het kan echter ook zo zijn
dat het ziektebeeld weliswaar stabiel is, maar dat de mogelijkheden tot
functioneren nog wel een substantiële verandering of verbetering kunnen
ondergaan. Dit hangt onder meer samen met de omstandigheid of er nog
adequate behandelopties zijn, het vermogen van mensen met de gevolgen
van hun ziekte om te gaan en het vermogen om compensatiemogelijkheden
te ontwikkelen. Of iemand hiertoe daadwerkelijk in staat is, hangt van verschillende factoren af. Het is van belang te
onderkennen dat het
oordeel van de verzekeringsarts kan verschillen van dat van de cliënt.
Iemand kan de eigen situatie als zonder kans op herstel beoordelen, omdat
hij
zijn niveau van functioneren heeft geaccepteerd en geen veranderingen meer
verwacht, terwijl de arts van mening is dat nog niet al het redelijke is
gedaan om het herstel van de arbeidsgeschiktheid te bevorderen.
De verzekeringsarts zal
bij de beoordeling van de duurzaamheid meerdere relevante factoren
onderscheiden en daartussen een afweging maken. Het gaat dan primair om
medische factoren, maar daarnaast om persoonsgebonden factoren die de invloed
van de ziekte op de beperkingen mede bepalen. Medische factoren zijn zowel randvoorwaardelijk als kaderstellend.
Randvoorwaardelijk in de
zin dat er een relatie moet zijn tussen de mogelijkheden tot
functioneren en het aanwezig zijn van ziekte. Kaderstellend in die zin dat de ziekte
zelf in zekere zin een autonome factor is of kan zijn en daarmee een
factor is die niet te beïnvloeden is en als het ware losstaat van de persoon
van de individuele cliënt. Sommige ziektebeelden zijn erg bepalend voor de
mogelijkheden tot herstel van functioneren, andere laten meer ruimte.
Medische factoren worden bepaald door het ziektebeeld als zodanig
(sommige ziektes zijn wel, andere niet, of niet definitief, te genezen)
en de behandelbaarheid en resterende behandelmogelijkheden op het moment van
de
beoordeling. Soms kan de ziekte zelf niet behandeld
worden, maar kunnen de gevolgen van de ziekte wel goed worden bestreden. De
verzekeringsarts gaat na in hoeverre behandeling die van invloed kan zijn
op het functioneren nog mogelijk is op het moment van de
beoordeling.
Ook persoonsgebonden
factoren spelen een rol als de verzekeringsarts moet beoordelen in
hoeverre de cliënt in staat is om, gegeven zijn ziekte, zijn mogelijkheden tot
functioneren te vergroten. Het gaat hierbij om eigenschappen van de
cliënt om zich aan te kunnen passen aan veranderende omstandigheden en compensatiemogelijkheden te
ontwikkelen en
activiteiten van de
cliënt die erop gericht zijn zijn mogelijkheden optimaal te ontwikkelen en te
benutten (herstelgedrag). Altijd zal de verzekeringsarts in relatie tot de relevante factoren beoordelen of van de
cliënt verdere
inspanning tot verbetering van zijn mogelijkheden mag worden geëist. Het
gegeven dat ten tijde van de claimbeoordeling er al geruime tijd sprake is
van een gelijkblijvende toestand is zeker niet voldoende om te
concluderen dat er sprake is van stabiele onmogelijkheden tot functioneren. Juist
wanneer de invloed van omgevingsfactoren een belangrijke rol heeft
gespeeld bij uitblijven van verder herstel, moet worden beoordeeld of wel
sprake is geweest van voldoende herstelgedrag. De verzekeringsarts zal
kritisch moeten onderzoeken of de cliënt nog aangesproken kan
worden op ander gedrag.
rblz.|32|
4.3. Het
arbeidsongeschiktheidscriterium voor gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid
Indien een werknemer na
de ziekteperiode niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, is
hij wellicht gedeeltelijk arbeidsgeschikt. Het criterium om dit te beoordelen is
net als bij de beoordeling van de volledige arbeidsongeschiktheid of
iemand tengevolge van zijn ziekte minder kan verdienen dan vóór zijn
ziekte. Hiertoe wordt het loon dat iemand kan verdienen, vergeleken met
het maatmanloon, zodat het verlies van verdienvermogen bepaald
kan worden. Indien uit de claimbeoordeling blijkt dat betrokkene
minder dan 35% loonverlies heeft, is er geen sprake van arbeidsongeschiktheid
en blijft de verantwoordelijkheid liggen op het niveau van de
arbeidsorganisatie. Werkgever en werknemer dienen alles in het werk te stellen om
de werknemer te behouden voor het arbeidsproces, al dan niet bij de eigen
werkgever. Werknemers die ten minste 35% maar niet volledig
én duurzaam arbeidsongeschikt zijn, zijn gedeeltelijk arbeidsgeschikt en
hebben
recht op een inkomensvoorziening krachtens de WGA-regeling.
In gevallen waarin iemand
volledig arbeidsongeschikt is, maar waarin herstel te verwachten of
niet uit te sluiten is, heeft hij geen recht op uitkering op grond van volledig en
duurzaam arbeidsongeschiktheid. Hij zal dan recht hebben op een
uitkering op grond van de WGA-regeling. Omdat betrokkene op het moment
van de claimbeoordeling wel volledig arbeidsongeschikt is, kan van hem uiteraard
op dat moment geen arbeidsdeelname of pogingen daartoe
verwacht worden. In de WGA-regeling geldt daarom voor hem
voor de loonaanvulling geen inkomenseis. Op die manier wordt bereikt dat
hij een uitkering ontvangt van 70% van zijn oude loon. In alle gevallen
kan hij, indien zijn oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid toch duurzaam blijkt te
zijn, alsnog recht krijgen op een uitkering op grond van volledig en
duurzame arbeidsongeschiktheid.
5. Het
claimbeoordelingsproces
Om de doelstelling van
het nieuwe arbeidsongeschiktheidsstelsel te bereiken, is het zaak het claimbeoordelingsproces zo in te richten dat een
goede beoordeling van de
reïntegratie-inspanningen in de twee ziektejaren mogelijk is, dat de
professionals bij de claimbeoordeling aangesproken worden op hun eigen
verantwoordelijkheid en dat een optimale sturing door het UWV-management mogelijk is. De
SER
heeft hier in zijn adviezen terecht op
gewezen en de regering sluit hier bij aan.
Een aanvraag na twee jaar
ziekte ¹ voor een uitkering in het nieuwe stelsel moet vergezeld gaan van
het reïntegratieverslag, waarin alle activiteiten rond herstel en
reïntegratie in de ziekteperiode beschreven staan. Hierin moet ook een medisch
dossier van de bedrijfsarts zitten. Dit zal in samenspraak met het UWV
geregeld
worden in de ministeriële Regeling procesgang eerste ziektejaar [Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar, red.]. Gelet
op het feit dat betrokkene twee jaar onafgebroken ziek is geweest, zal uit
het dossier als regel ook blijken dat de betreffende ziekte al twee jaar duurt en behandeld is door een specialist.
Ziektes die in beginsel
niet binnen twee jaar over zijn, zullen immers behandeld worden door een
specialist. Mocht blijken dat het voor de claimbeoordeling van belang is dat de verzekeringsarts over meer medische
gegevens beschikt, dan
kan, met instemming van de cliënt, de behandelend specialist
hierom worden gevraagd.
1. In
uitzonderingsgevallen is een eerdere claimbeoordeling
mogelijk; zie hoofdstuk 7.
Het kabinet onderzoekt
thans samen met het UWV
hoe het claimbeoordelingsproces zodanig vorm kan
worden
gegeven dat een totaalbeoordeling bereikt wordt waarbij
alle aspecten worden afgewogen en waarbij iedere fase van
het proces toetsbaar is. Uitgangspunt hierbij is rblz.|33|
primair dat
demedicalisering moet plaatsvinden. Oorzaken van arbeidsuitval die met ziekte niets van
doen hebben, zijn tot nu toe vaak aanleiding geweest voor het
toekennen van een uitkering. Een actief beleid gericht op demedicalisering moet
hier een einde aan maken. Met het algemene begrip medicalisering
wordt bedoeld dat er een overmatige bemoeienis van de geneeskunde met
het menselijk leven is. Bij demedicalisering in de verzekeringsgeneeskunde
gaat het erom dat niet-medische problemen worden opgelost met
niet-medische oplossingen. Iemand die niet ziek is, zal de oplossing voor
problemen waardoor hij niet kan werken, in de niet-medische sfeer
moeten zoeken.
Demedicalisering zal al
moeten beginnen in de eerste twee ziektejaren. Bekende oorzaken die tot arbeidsuitval kunnen leiden zonder dat van
ziekte sprake is, zijn
bijvoorbeeld moeilijkheden in de privésfeer zoals echtscheiding; het
ontbreken van een behoorlijk niveau van sociale vaardigheden of van een normaal
aanpassingsvermogen of tekorten aan scholing of werkervaring die het
realiseren van een bepaald ambitieniveau verhinderen, vormen
andere voorbeelden hiervan. Ook verstoorde arbeidsverhoudingen kunnen leiden tot niet door ziekte veroorzaakte
inactiviteit. Een cliënt
kan dus belemmerd zijn om goed te functioneren, maar overigens niet ziek
zijn. In dergelijke gevallen kan de cliënt kiezen de omstandigheden te veranderen
- of hij had dat kunnen doen - waardoor hij wel in zijn werk zou
kunnen functioneren. Indien er geen sprake is van ziekte, is het dus niet
relevant of het verlies aan mogelijkheden door niet-medische oorzaken wordt
veroorzaakt. Het probleem en de oorzaak zijn dan helder en de
verzekeringsarts zal de cliënt uitleggen dat er geen sprake is van
arbeidsongeschiktheid. Dit neemt niet weg dat iemand ziek kan zijn en beperkingen
kan hebben, terwijl daaraan ook een niet-medische oorzaak ten grondslag
ligt.
Bij de claimbeoordeling
zal primair worden gekeken naar wat mensen medisch gezien nog wél
kunnen. Daarbij is alleen verlies aan mogelijkheden dat veroorzaakt is door
medische oorzaken relevant en wordt verlies aan mogelijkheden
door niet-medische oorzaken genegeerd. Hierdoor ontstaat de paradox dat
om demedicalisering in de arbeidsongeschiktheid te bereiken er dus scherp
gekeken moet worden naar de medische kant. Er zullen
meer eisen worden gesteld aan het onderbouwen van de medische kant. Een belangrijk aspect van het proces is
ook dat de definitieve
beslissing over het al dan niet aanwezig zijn van volledig en duurzame
arbeidsongeschiktheid wordt genomen door een onafhankelijk
claimbeoordelaar (de beslissingsautoriteit), vergelijkbaar aan hetgeen is
voorgesteld door de comissie-Donner
en door de SER.
In overleg met het
UWV
zal het nieuwe claimbeoordelingsproces worden uitgewerkt. Het nieuwe claimbeoordelingsproces heeft de volgende
kenmerken. Het is zo
gestructureerd dat er voldoende waarborgen zijn voor een wetsconforme
uitvoering en er voldoende ruimte is voor de professionals om maatwerk
te leveren. Moeilijkere beoordelingen vergen meer aandacht, tijd en
deskundigheid en wellicht een andere vormgeving. Hiermee wordt bedoeld dat
bij de start van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling eerst wordt bepaald of
sprake is van een bepaalde risicocategorie; dit laatste kan
samenhangen met de diagnose, de sector, het soort bedrijf of van
individuele kenmerken. Een bepaalde risicocategorie kan betekenen dat er meer
tijd nodig is voor de beoordeling, dat andere onderzoekstechnieken of
-hulpmiddelen nodig zijn of dat andere deskundigheid wordt ingeschakeld,
bijvoorbeeld in de vorm van een tweede verzekeringsarts of
arbeidsdeskundige, een psycholoog, een specialist of een fysiotherapeut. Er
zullen protocollen worden vastgesteld voor het bepalen van
risicoprofielen en het bepalen van welke soort extra beoordeling daarvoor nodig is. Deze
zullen zodanig vorm krijgen dat gemakkelijk rblz.|34|
ingespeeld kan worden op nieuwe inzichten en nieuwe ontwikkelingen in
de populatie
arbeidsongeschikten.
Onderdeel van het
claimbeoordelingsproces is het gebruik van een lijst met ziektes. Deze lijst,
die een indicatief karakter heeft, bestaat uit een neutrale opsomming van
ziektes met de daarbij behorende gebruikelijke hersteltermijnen, gegeven
een geëigende behandeling, en de spreiding die daarbij optreedt. Deze lijst is een hulpmiddel bij de poortwachtertoets,
bij de bepaling van de
duurzaamheid, bij het vaststellen van een tijdstip voor een herbeoordeling
en bij de verzuimbegeleiding. Bij het bepalen van de duurzaamheid zal
de lijst met name van belang zijn voor het operationaliseren van het begrip
"geringe
kans op herstel op lange termijn", omdat op grond van de
lijst kan worden vastgesteld op welke termijn er kans op herstel mogelijk
is en of die kans groot of klein is. Voor het gebruik van de lijst is
van belang dat duidelijk is welke behandeling en begeleiding
voorgeschreven zijn bij een bepaalde ziekte. Deze aspecten en de protocollen die
daarbij gehanteerd kunnen worden, zullen daarom bij het opstellen van de
lijst betrokken worden.
De lijst heeft een
indicatief karakter, dus uitzonderingen zijn mogelijk. Wel is er bij afwijken van de
lijst een versterkte bewijslast nodig: een verzekeringsarts kan er
in een individueel geval wel van afwijken, maar hij zal dan moeten aangeven
waarom er in dat individuele geval kan worden afgeweken van de
standaard. Indien bijvoorbeeld uit de lijst blijkt dat een ziekte gegeven een zekere
spreiding normaliter niet langer dan twee jaar duurt, betekent dit in
beginsel dat met een dergelijke ziekte de uitkeringsaanvraag wordt afgewezen en de
loondoorbetalingsperiode verlengd. In uitzonderlijke gevallen
zal iemand ook met een ziekte die normaliter niet langer dan twee jaar
hoeft te duren toch zodanige beperkingen hebben dat hij arbeidsongeschikt
wordt bevonden. Het UWV
zal in overleg met de minister een protocol
opstellen waarin wordt aangegeven welke procedure dan afhankelijk van de
situatie gevolgd moet worden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht
worden aan toetsing door een tweede verzekeringsarts of het opvragen van
specialistische medische gegevens. De lijst fungeert dan als een
hulpmiddel dat leidt tot een grotere uniformiteit van de claimbeoordeling en
het meer benutten van medische kennis.
De lijst zal ook gebruikt
kunnen worden als hulpmiddel door bedrijfsartsen en arbodiensten bij de begeleiding van zieke werknemers. De lijst biedt
werkgever en werknemer op
voorhand meer inzicht in welke gevallen reïntegratie mogelijk
is. Een ander voordeel van de lijst is dat deze een ondersteuning en hulpmiddel kan vormen voor de verzekeringsarts om
objectiever te kunnen
oordelen bij cliënten met eisend of compassie oproepend gedrag. Deze
cliënten zullen daardoor eerder de uitkomst van de claimbeoordeling accepteren.
Over de inhoud van de
lijst is advies gevraagd aan de Gezondheidsraad. De lijst zal vervolgens
door de minister worden vastgesteld in een ministeriële regeling. Het is
waarschijnlijk dat bij de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel de lijst
nog in opbouw is, omdat de lijst volgens een groeimodel zal worden opgesteld en
ook na voltooiing periodiek bijgesteld en aangevuld wordt aan de
hand van de nieuwste inzichten.
Bij iedere
claimbeoordeling zal bezien worden wat de datum van een volgende
claimbeoordeling, een professionele herbeoordeling, is. Dit hangt af van de prognose
van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige met betrekking tot
herstel van de gezondheid of van functionele mogelijkheden. Een professionele
herbeoordeling is een beoordeling op aangeven van de verzekeringsarts
of arbeidsdeskundige of omdat betrokkene er zelf om verzoekt. In het
nieuwe stelsel zijn geen wettelijke periodieke rblz.|35|
herbeoordelingen meer. Indien een professionele herbeoordeling binnen
enkele jaren niet zinvol
lijkt, zal in ieder geval een datum voor een administratief heronderzoek worden
vastgesteld om te monitoren of een arbeidsongeschikte in aanmerking komt voor
een herbeoordeling. Een professionele herbeoordeling verloopt
volgens het stramien zoals in dit hoofdstuk beschreven. Tot slot zij
opgemerkt dat personen die tijdelijk volledig arbeidsongeschikt zijn
niet afhankelijk zijn van bepaalde vastgelegde momenten van een
herbeoordeling. Zodra blijkt dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn,
kunnen zij over naar de IVA.
Alle personen die
volledig arbeidsongeschikt zijn, maar een geringe kans op herstel hebben, zullen
gedurende maximaal vijf jaar jaarlijks worden herbeoordeeld. Personen
echter die volledig arbeidsongeschikt zijn en in een stabiele situatie
verkeren, worden in beginsel niet herbeoordeeld.
5.1. De poortwachtertoets
De claimbeoordeling start
met een beoordeling van de reïntegratieactiviteiten, de zogenaamde poortwachtertoets. Deze heeft betrekking op
de vraag of de werkgever
en de werknemer in de ziekteperiode het juiste hebben gedaan om de
werknemer weer zo snel mogelijk aan de slag te krijgen en richt zich op zowel de medische kant als de arbeidskundige
kant. Onvoldoende
reïntegratie-inspanningen van de werkgever leiden ertoe dat de aanvraag wordt
afgewezen en dat de werkgever het loon van de zieke werknemer langer
moet doorbetalen. Ook werknemers kunnen gesanctioneerd worden bij
onvoldoende reïntegratie-inspanningen. Bij mensen die volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt zijn, zal het vaak voorkomen dat er geen
mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid zijn geweest en derhalve ook
geen reïntegratie-inspanningen zijn verricht of dat deze al gestopt zijn.
Indien tijdens de eerste twee ziektejaren bij werkgever of werknemer twijfel
bestaat over de vraag of er voldoende of geschikte reïntegratie-inspanningen zijn verricht, kunnen zij een
deskundigenoordeel vragen
aan het UWV. Bij de poortwachtertoets worden alle activiteiten
van de werkgever, de arbodienst en overige door hen ingeschakelde
deskundigen derden, zoals een reïntegratiebedrijf, onderzocht die zijn
gericht op het reïntegreren van de zieke werknemer en bovendien de activiteiten
van de werknemer zelf. De activiteiten zijn in eerste instantie gericht
op het weer aan het werk krijgen, in de oude baan of een andere baan bij de
werkgever, al dan niet met aanpassingen, of bij een andere werkgever.
Medisch herstelgedrag maakt hiervan een essentieel onderdeel uit, omdat het
bijdraagt aan het herstel of vergroting van de arbeidsmogelijkheden.
Voor het beoordelen van de reïntegratie-inspanningen wordt ook in het nieuwe
stelsel gebruik gemaakt van de ministeriële Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar en de Beleidsregels
beoordelingskader poortwachter.
Wat
betreft het
herstelgedrag vindt in deze fase van het beoordelingsproces een plausibiliteitstoets
plaats op het vóórkomen van ziekte en op de vraag of er voldoende
activiteiten gericht op medisch herstel zijn geweest. In gevallen dat
er bijvoorbeeld ook sprake was van een arbeidsconflict zal de beoordeling
kritischer zijn ten aanzien van de vraag of wel de op dit probleem
toegespitste activiteiten zijn verricht en of er überhaupt wel echt sprake is van
ziekte. Hiertoe maakt de arbodienst een zogenaamde multifactorele probleemanalyse, waarbij ook aandacht is voor
sociale omstandigheden.
Van belang is dat de behandelende sector heeft gehandeld volgens de
gangbare algemeen geaccepteerde richtlijnen. De bedrijfsarts is hier als
"regisseur" voor verantwoordelijk. Afwijking van de richtlijnen kan alleen
met een deugdelijke beargumentering; indien die ontbreekt, kan geoordeeld
worden dat er onvoldoende reïntegratie-inspanningen zijn verricht.
rblz.|36|
In
beginsel zal op grond
daarvan de zieke werknemer die een arbeidsongeschiktheidsuitkering
aanvraagt
altijd
behandeld zijn door een specialist. Immers, ziektes waarbij
dat niet is aangewezen, zullen in het algemeen vóór de twee jaar om
zijn al genezen zijn. Zonder een specialistenbehandeling
zal in het algemeen geen sprake zijn van een adequaat herstelgedrag en
voldoende reïntegratie-inspanningen. In het uitzonderingsgeval dat
iemand niet onder behandeling is of is geweest bij een specialist zal de
afwijking van dit uitgangspunt beargumenteerd moeten worden door de
bedrijfsarts.
De beoordeling van de
activiteiten in deze eerste fase zal, gelet op de veelheid van aspecten,
door de arbeidsdeskundige worden gedaan. Deze functionaris heeft
voldoende overzicht van alle relevante aspecten en heeft voldoende gezag. De
beoordeling wordt in eerste instantie zoveel mogelijk op de stukken
gedaan. Deze werkwijze die ook nu al wordt gehanteerd bij de
poortwachtertoets en daar een goed bruikbare werkwijze is gebleken, heeft
behalve efficiencywinst grote inhoudelijke voordelen, omdat in het algemeen
een
oordeel op grond van de stukken objectiever is dan op grond van een
persoonlijk contact. Uiteraard is het wel essentieel dat de stukken
volledig en waarheidsgetrouw zijn; indien hier twijfel aan bestaat,
vindt altijd een daarop toegespitst onderzoek plaats. Indien de stukken een
onvoldoende helder beeld geven, worden aanvullende vragen gesteld. Op deze
werkwijze geldt een uitzondering voor de categorie waar geen of
nauwelijks reïntegratie-inspanningen gedaan zijn, omdat naar het oordeel
van de bedrijfsarts betrokkene "geen benutbare
mogelijkheden" heeft. In
dat geval vindt beoordeling door verzekeringsarts plaats.
In het nieuwe stelsel
bestaat de mogelijkheid van een eerdere keuring voor personen die menen
in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering en in een stabiele
situatie verkeren (zie hiervoor hoofdstuk 7). In dat geval geldt een extra
voorwaarde. Indien een zieke werknemer eerder dan na twee jaar ziekte een
aanvraag indient voor een IVA-uitkering, moet deze aanvraag vergezeld gaan
van een verklaring van de bedrijfsarts dat er naar zijn mening evident
sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en er geen kans op
herstel is. De verklaring van de bedrijfsarts moet mede gebaseerd zijn
op een verklaring van de behandelende medisch specialist.
Hiertoe zullen nadere regels worden gesteld.
Als de
reïntegratieactiviteiten voldoende zijn geweest, wordt de
claimbeoordeling vervolgd met een gesprek van de arbeidsdeskundige met de
cliënt. Dit gesprek
heeft als doel de cliënt voor te lichten over de procedure en over de bedoeling van
de Wet WIA: zo snel mogelijk en
zoveel mogelijk reïntegreren. Dit
gesprek heeft een algemeen en verkennend karakter.
5.2. De
verzekeringsgeneeskundige beoordeling
De volgende stap in het
claimbeoordelingsproces is de beoordeling door de verzekeringsarts. De
beoordeling moet volgens objectieve verzekeringsgeneeskundige maatstaven geschieden.
Dat betekent dat de claimbeoordeling toetsbaar,
reproduceerbaar en consistent is. Hierbij past een zorgvuldige controle en
borging van de kwaliteit, waarbij ook het werken met schriftelijke stukken
geïntensiveerd zal worden. De oordelen van artsen zullen op
verschillende niveaus gemonitord worden, zodat afwijkingen gesignaleerd kunnen
worden en besproken.
De verzekeringsarts
beziet met behulp van het medisch dossier van de bedrijfsarts en een
spreekuurcontact met betrokkene of er sprake is van objectief vast te stellen
beperkingen. Ook beoordeelt hij of er sprake is van een stabiele situatie.
rblz.|37|
De
medische beoordeling
zal uitgebreider en met meer waarborgen omkleed zijn dan thans
het geval is. Vaker zullen, zoals in de inleiding beschreven, experts of
andere artsen geraadpleegd worden.
Personen die in
aanmerking komen voor een uitkering op grond van volledig en duurzame
arbeidsongeschiktheid worden door de
verzekeringsarts
onderscheiden in twee groepen: de groep die volgens medische standaarden
helemaal geen mogelijkheden om te functioneren heeft en daarom door de verzekeringsarts volledig arbeidsongeschikt
wordt verklaard, en de
groep met nog wel enige mogelijkheden.
De omschrijving van de
groep personen die door de verzekeringsarts volledig
arbeidsongeschikt kunnen worden verklaard, is aangescherpt in het met ingang van 1
oktober 2004 gewijzigde Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten.
In het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
is geregeld dat personen van wie het
zonder meer duidelijk is dat zij geen mogelijkheden om te functioneren in
arbeid hebben, niet arbeidskundig onderzocht hoeven te worden. Onder
deze categorie wordt (naast onder andere bedlegerigen en mensen
die zijn opgenomen) onder meer verstaan personen die psychisch
niet zelfredzaam zijn. Met betrekking tot deze laatste groep is bepaald
dat het moet gaan om personen met een ernstige psychische stoornis
waarbij sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Bij
deze laatste groep gaat het om mensen die zowel in hun zelfverzorging
(hygiëne, dagritme) als in hun directe samenlevingsverband als in sociale
contacten
daarbuiten (inclusief het onderhouden van werkrelaties) tengevolge van ernstige psychische aandoeningen niet zelfredzaam zijn.
De beoordeling of er
sprake is van geen benutbare mogelijkheden is aangescherpt om te
voorkomen dat deze bepaling te ruim wordt uitgelegd. In geval van psychische
niet-zelfredzaamheid kan een psychiater worden ingeschakeld. Als
er volgens de verzekeringsarts sprake is van geen benutbare
mogelijkheden, zal een landelijke commissie hier over het eindoordeel vellen. Door
middel van pilots zal eerst ervaring worden opgedaan met de beste
werkwijze voor een dergelijke landelijke commissie; daarna zal de
commissie gefaseerd worden ingevoerd.
Van de groep die nog wel
mogelijkheden heeft om te functioneren, worden de mogelijkheden
vastgelegd in een gestandaardiseerde lijst die vervolgens door de
arbeidsdeskundige wordt gematched met mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Door
middel van het CBBS wordt bezien of er nog functies gevonden
kunnen worden die betrokkene ondanks zijn beperkingen nog kan verrichten.
Indien dit niet het geval is of indien het loonverlies 80% of meer is, krijgt
betrokkene indien de arbeidsongeschiktheid duurzaam is, recht op een
uitkering op grond van volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid, de
IVA.
Personen die wel volledig
arbeidsongeschikt zijn, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn,
die gedeeltelijk werken en alle anderen die een arbeidsongeschiktheidsuitkering
claimen, kunnen vervolgens in aanmerking komen voor een uitkering
voor gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid. Ook van deze categorieën worden de mogelijkheden die zij ondanks hun
ziekte nog hebben,
vergeleken met de functies in het CBBS. Het loon van de geschikte functies
wordt vergeleken met hun loon voordat zij ziek werden en als het theoretisch loonverlies
ten minste 35% is, is er sprake
van gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid en bestaat in beginsel recht op een uitkering op grond van de
WGA-regeling. Ook volledig tijdelijk arbeidsongeschikten hebben recht op een
WGA-uitkering.
rblz.|38|
5.3. De arbeidskundige
beoordeling
Ook de arbeidskundige
beoordeling of iemand ondanks zijn beperkingen nog in een baan kan
functioneren, moet zo efficiënt en strikt mogelijk verlopen. Het systeem
waarmee dat thans gebeurt, het CBBS, zal ook in het nieuwe stelsel worden
gebruikt. Voor een goed begrip van het arbeidskundig onderzoek
worden de inhoud en de procedure kort geschetst.
In het CBBS zijn circa 320
beroepen opgenomen. Dit zijn clusters van gelijksoortige functiebeschrijvingen. De
beroepen verschillen onderling duidelijk van elkaar, omdat bij de
schatting drie verschillende beroepen geduid moeten worden. Ieder
beroep komt in alle vijf regio’s van Nederland voor. In het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
wordt voor het woord beroep het begrip "functie" gebruikt.
Binnen de beroepen zijn
7500 functiebeschrijvingen opgenomen. Bijvoorbeeld het beroep portier kent
allerlei soorten functiebeschrijvingen (bijvoorbeeld portier bij
een disco of een vijfsterrenhotel, binnen/buiten werken, staand/zittend
werken, vreemde talen beheersen, telefoon bedienen, bagage tillen).
Iedere soort portier is in het CBBS opgenomen met een aantal
arbeidsplaatsen zoals die voorkomen bij de betreffende onderzochte werkgever.
Bij de schatting wordt
gekeken hoeveel portiersfuncties iemand kan vervullen en worden de
arbeidsplaatsen van de verschillende beschrijvingen opgeteld. Deze optelling
is van belang voor het beantwoorden van de vraag of een beroep
geduid kan worden met voldoende arbeidsplaatsen (namelijk drie).
In het CBBS zijn zowel
grote bedrijven als kleine bedrijven opgenomen, in totaal 3500 bedrijven.
Per functiebeschrijving zitten er tussen de 1 en 30 à 40 arbeidsplaatsen. Alle
functiebeschrijvingen samen kennen 64 000 arbeidsplaatsen.
Door de procedure die het
UWV
volgt bij het vullen van het CBBS is gegarandeerd dat het CBBS een representatieve afspiegeling is van de Nederlandse
arbeidsmarkt met zijn 7
miljoen banen. Iedere arbeidsplaats die in het CBBS voorkomt,
vertegenwoordigt gemiddeld genomen bijna 100 feitelijke arbeidsplaatsen in Nederland. Het CBBS geeft zo een operationalisering
van het begrip gangbare
arbeid.
De arbeidsdeskundige
beziet dus of hij drie functies met minimaal drie arbeidsplaatsen per
functie kan vinden die betrokkene ondanks zijn beperkingen kan verrichten. Het loon
van de functie dat qua hoogte het middelste is van de drie functielonen wordt de resterende verdiencapaciteit genoemd. Door een
vergelijking te maken van het maatmanuurloon en het uurloon van de
resterende verdiencapaciteit wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage
bepaald.
Bij het bepalen van de
verdiencapaciteit worden de mogelijkheden van iemand vergeleken met
reëel bestaande banen op de arbeidsmarkt waarmee ten minste het wettelijk minimumloon
verdiend kan worden. Het aansluiten bij feitelijk
bestaande banen leidt tot een toetsbare beoordeling, die zich in de praktijk
heeft bewezen. Hoewel het CBBS goed voldoet, is wel een punt van
kritiek dat het systeem te gedifferentieerd en complex zou zijn geworden. Daarom
is momenteel in onderzoek hoe het systeem kan worden vereenvoudigd.
De precieze invulling hiervan is nog in ontwikkeling bij het UWV.
Het is de bedoeling dat in de toekomst de uitkomst van de schatting
wordt gepresenteerd in de vorm van representatieve functies of functieprofielen die iemand kan vervullen. Hiermee
wordt bedoeld dat
concrete functies worden gegroepeerd en daarmee rblz.|39|
veralgemeniseerd. Er zal
bijvoorbeeld gesproken worden van "licht administratief werk op laag
opleidingsniveau" of "zittend licht
productiewerk". De ontwikkeling in deze
richting is nog gaande, maar zal niet al bereikt zijn bij het in werking
treden
van het nieuwe stelsel.
5.4. De uiteindelijke
beslissing
Uiteraard moet voor het
recht op uitkering ook aan andere eisen voldaan worden naast de medische
en de arbeidskundige beoordeling, zoals het verzekerd zijn; daarnaast
moet de hoogte van het dagloon worden vastgesteld.
Op basis van het
poortwachterdossier, het verslag van de verzekeringsarts, het verslag van de
arbeidsdeskundige en een beoordeling van de juridische aspecten
wordt vervolgens de definitieve beslissing genomen over het recht op en de
hoogte van de uitkering.
In het onderhavige
wetsvoorstel is de beslissing ten aanzien van de volledig duurzame
arbeidsongeschiktheid een nieuw element. Het is daarom belangrijk dat
deze beslissing met voldoende waarborgen omringd wordt. Op die
manier kan bereikt worden dat het begrip duurzaam in de gehele uitvoering
consistent wordt uitgevoerd.
Om dit te bereiken, zal
worden geregeld dat de primaire besluiten ten aanzien van de volledig
duurzame arbeidsongeschiktheid uitsluitend genomen worden door de
zogenaamde beslissingsautoriteit. UWV
benoemt als
beslissingsautoriteit één of meer personen, die als taak hebben de beschikkingen
over het toekennen van de IVA-uitkering af te geven. Deze personen, die
in dienst zijn van UWV, hebben een dusdanige wettelijke status dat zij
een onafhankelijke positie kunnen innemen bij het toekennen van de
IVA-uitkeringen. Zij zijn niet zelf betrokken bij de voorbereiding van de uiteindelijke
beslissing (waaronder het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig
onderzoek). Voordeel van deze constructie is dat er een
grotere objectiviteit wordt bewerkstelligd, omdat er meer afstand komt van
de persoon van de cliënt. Daardoor kunnen medische en sociale
beperkingen beter worden onderscheiden. De interactie met de cliënt is weliswaar van belang voor het goed kunnen vaststellen
van diens mogelijkheden,
maar nadat het verslag door de verzekeringsarts en de
arbeidsdeskundige is vastgesteld moet dit en de daarin gehanteerde argumenten door anderen met distantie gewogen
worden. Tegelijkertijd
wordt gewaarborgd dat de verschillende onderdelen van de beoordeling (het
poortwachterdossier waaruit onder andere de behandeling door de
specialist blijkt, het medisch dossier van de verzekeringsarts en het
arbeidskundig dossier) gelijktijdig kunnen worden gewogen en op hun
consistentie en kwaliteit beoordeeld. De beslissingsautoriteit wordt geadviseerd door
een adviesteam van deskundigen waarin andere
verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen zitting hebben dan die betrokken waren
bij de feitelijke beoordeling. De procesgang zal in overeenstemming met de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden geregeld. De
figuur van de beslissingsautoriteit wordt geregeld door een aanpassing van
de Wet SUWI; deze wijziging maakt deel uit van de
Invoeringswet WIA.
Voor alle overige
beslissingen ten aanzien van het recht op uitkering zal zoals hiervoor al vermeld
het UWV
een procedure ontwikkelen waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen
beoordelingen die wel respectievelijk geen extra aandacht behoeven,
afhankelijk van de vraag of sprake is van een bepaalde risicocategorie.
rblz.|40|
5.5. Kwaliteitsborging
Alom wordt onderkend dat
een kwalitatief goede uitvoering van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidsstelsel van het grootste belang is om de activeringsdoelstelling
te bereiken. De wetgever en de uitvoerder zijn samen verantwoordelijk
voor een stelsel dat de beoogde doelstelling realiseert. Het UWV
is
verantwoordelijk voor een rechtmatige uitvoering die ook voor de burger
begrijpelijk is.
Het
UWV
werkt al enige
tijd aan verbetering van de claimbeoordeling door een stelsel van
borging en conditionering te ontwikkelen. Dit stelsel zal bij de uitvoering van
dit wetsvoorstel meer nadruk krijgen en worden toegespitst.
Centraal bij de
claimbeoordeling staan professionaliteit en kwaliteit. Vooropgesteld zij dat de
claimbeoordeling geen kwestie is van mathematische precisie. Er is altijd
sprake van een professionele beoordelingsruimte en van een individuele
beoordeling. Om die reden is er naast toegespitste uitvoeringsregels ook
behoefte aan een kwaliteitsborgingssysteem om een eenduidige,
stringente en objectieve uitvoering te kunnen garanderen.
De claimbeoordeling is
een multidisciplinaire activiteit. In het algemeen zal het UWV
de procedure
en zwaarte van het claimbeoordelingsproces per individuele
claimbeoordeling nader invullen, afhankelijk van verschillende aspecten. Uitgangspunt is
dat naarmate de claimbeoordeling moeilijker is, deze meer aandacht en
meer deskundigheid vergt. Onder meer aandacht kan bijvoorbeeld
verstaan worden dat er meer tijd voor wordt uitgetrokken of dat een
tolk wordt ingeschakeld. Onder meer deskundigheid wordt verstaan dat er een
tweede verzekeringsarts of arbeidsdeskundige wordt ingeschakeld, dat
een stafarts of stafarbeidsdeskundige wordt ingeschakeld of
dat er specialisten zoals een psycholoog, een fysiotherapeut of een medisch specialist
worden geraadpleegd. Dergelijke specialisten kunnen al
dan niet in dienst zijn van het UWV. De vorm waarin iemand wordt
ingeschakeld, kan variëren: bijvoorbeeld een consultatie, een gezamenlijk
spreekuuronderzoek of een onafhankelijk meervoudig onderzoek.
6. Activeren van
arbeidsgeschiktheid
6.1. Reïntegratie van
gedeeltelijk arbeidsgeschikten
In dit wetsvoorstel staat
bevordering van de arbeidsparticipatie voorop. De regering vindt het van
groot belang dat iedereen die kan werken, deelneemt aan het arbeidsproces.
Daarmee sluit de regering aan bij de comissie-Donner
en de SER, die beide de activering van gedeeltelijk arbeidsgeschikten
centraal stellen. Ook de werknemers die enige belemmeringen met betrekking tot hun
gezondheid ervaren, moeten maximaal kunnen meedoen in het
arbeidsproces en zich daarin verder ontplooien. Het doel van de WGA is zoveel mogelijk gedeeltelijk arbeidsgeschikten
aan het werk te helpen
dan wel te houden. De inspanningen van alle betrokken partijen -
werknemers, werkgevers, verzekeraars en UWV
- moeten erop gericht zijn om de
duurzame deelname van gedeeltelijk arbeidsgeschikten in het
werkproces te bevorderen. Reïntegratie moet maximaal kans van slagen
worden gegeven.
Natuurlijk is voorkomen
beter dan genezen. Preventie en een vroegtijdig en adequaat ingrijpen bij
ziekte is daarom van essentieel belang. De laatste jaren zijn
belangrijke ontwikkelingen doorgemaakt op deze terreinen. Zo zijn in
diverse sectoren convenanten afgesloten waarbij het rblz.|41|
ministerie van SZW met de
sociale partners ambitieuze afspraken heeft gemaakt op het gebied van
ziekteverzuimreductie, WAO-instroom en reïntegratie van
arbeidsongeschikten. De recentelijk in werking getreden Wet
gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte verbiedt ongelijke
behandeling vanwege handicap of chronische ziekte. Deze wet legt de
werkgever bovendien de verplichting op, indien noodzakelijk, doeltreffende
aanpassingen te bewerkstelligen, tenzij deze voor hem een onevenredige
belasting vormen. Ook de Arbeidsomstandighedenwet
1998 vraagt om het zo
nodig aanpassen van arbeid en arbeidsomgeving aan de veranderende
eigenschappen van de werknemer.
Daarnaast hebben de
Wet verbetering poortwachter en de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 een belangrijk positief effect op het vroegtijdig
ingrijpen bij ziekte en daardoor de snelle werkhervatting. Werkgevers en werknemers
zijn immers samen gedurende twee jaar
verantwoordelijk voor de reïntegratie. Beide partijen hebben er belang bij dit tot een
succes te maken, ook vanwege de financiële prikkels. De werkgever betaalt
immers het loon door, in elk geval de eerste twee jaar van ziekte en langer
bij niet voldoende reïntegratie-inspanningen. De werknemer krijgt in
sommige gevallen te maken met een vermindering van het loon in het
tweede ziektejaar. Bij onvoldoende medewerking aan de reïntegratie wordt
de
werknemer geconfronteerd met een vermindering van het loon.
De
reïntegratieactiviteiten zullen vooral gericht zijn op herstel van de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemer en terugkeer naar zijn oude functie, dan wel een
andere functie bij zijn werkgever. Mocht dit niet leiden tot werkhervatting,
dan neemt de werkgever de mogelijkheden voor reïntegratie van de
werknemer bij een andere werkgever in ogenschouw.
Indien de inspanningen
niet tot volledige werkhervatting hebben geleid, volgt een keuring voor de
WGA. In deze regeling is de systematiek zó vorm gegeven dat de
prikkels voor reïntegratie optimaal zijn: de gedeeltelijk arbeidsgeschikte gaat er
financieel altijd op vooruit indien hij, rekening houdend met vermogen en
arbeidsbeperkingen, blijft werken dan wel na een periode van verzuim
het werk hervat.
Ook gedurende de
WGA-periode wordt de werknemer, indien de resterende verdiencapaciteit nog
niet voldoende wordt benut, op diverse manieren bij zijn
reïntegratie geholpen. Vanwege het grote belang dat wordt gehecht aan
reïntegratie hebben alle WGA-gerechtigden een recht op ondersteuning bij
reïntegratie. De wijze waarop dit is uitgewerkt, verschilt echter. In de
wet is een recht op ondersteuning bij reïntegratie opgenomen voor
WGA-gerechtigden voor wie de reïntegratieverantwoordelijkheid bij het UWV
ligt. Het UWV
stelt hiertoe voor alle WGA-gerechtigden een reïntegratievisie
op. Ook ten aanzien van een eigenrisicodrager heeft een gedeeltelijk
arbeidsgeschikte recht op ondersteuning. Dit vloeit voort uit de wettelijk
vastgelegde reïntegratieverplichting van de eigenrisicodrager. Hoe zij deze
verantwoordelijkheid invullen, bepalen zij in grote mate zelf. UWV en
eigenrisicodrager zullen bij reïntegratie maatwerk leveren. Afhankelijk van
de individuele situatie kan bijvoorbeeld een bemiddelingstraject,
scholing of sollicitatietraining worden ingezet. De inzet van op maat
gesneden reïntegratieactiviteiten sluit vanzelfsprekend aan op de inspanningen
tijdens de loondoorbetalingsperiode.
Bij volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten is door het UWV
bij de claimbeoordeling
vastgesteld dat zij geen mogelijkheden hebben tot het verrichten van arbeid bij
een reguliere werkgever. Er is voor deze groep daarom geen verplichting
zich beschikbaar te stellen voor de arbeid of om te trachten arbeid te
verwerven. Indien een volledig en duurzaam arbeidsongeschikte van mening is dat toch
sprake is van resterende arbeidscapaciteit, rblz.|42|
dan kan hij
het UWV vragen om een herbeoordeling. In het geval uit deze
herbeoordeling blijkt dat toch nog resterende verdiencapaciteit aanwezig is, dan wordt
deze persoon beschouwd als gedeeltelijk arbeidsgeschikte en kan
hij aanspraak maken op ondersteuning bij reïntegratie door het
UWV in de vorm van een reïntegratietraject.
Werkgevers spelen een
zeer belangrijke rol bij het succes van de reïntegratieactiviteiten.
Zij zijn immers degenen die de keuze moeten maken de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte in dienst te houden of in dienst te nemen. Daarom zet de
regering een tweetal instrumenten in die deze keuze in het voordeel van
de arbeidsgehandicapte kunnen doen uitvallen: de no-riskpolis en de
premiekorting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
Daarnaast stimuleert de
regering werkgevers om gedeeltelijk arbeidsgeschikten in dienst te nemen. Waar
mogelijk neemt de regering door werkgevers ervaren belemmeringen bij
reïntegratie weg.
Naast de ondersteuning
van de werknemer bij de reïntegratie-inspanningen en het stimuleren van
werkgevers is het van belang dat geen praktische fysieke belemmeringen
worden ondervonden bij arbeidsdeelname. De werknemer en werkgever
kunnen daarom aanspraak maken op arbeidsplaatsvoorzieningen.
Dit zijn niet algemeen gangbare hulpmiddelen of aanpassingen voor een werknemer zonder welke hij als gevolg
van beperkingen door
ziekte of handicap niet in staat zou zijn de werkzaamheden te verrichten of zijn
arbeidsplaats te bereiken.
Bij de vormgeving van het
gehele reïntegratiebeleid zoals hiervoor geschetst, gelden de
volgende uitgangspunten: eenvoud in regelgeving, de aanwezigheid van
voldoende ruimte en flexibiliteit voor de uitvoering, een optimale aansluiting
van reïntegratieactiviteiten tijdens en ná de loondoorbetalingsperiode,
het helder maken van voornemens en verwachtingen in concrete
schriftelijke afspraken en het voeren van een effectief beleid indien
deze afspraken niet worden nagekomen. Uiteraard gelden deze
uitgangspunten niet alleen voor het UWV,
maar ook voor de eigenrisicodragers. Om de
mogelijkheid van het eigen risico dragen ten volle te benutten, worden
er ten aanzien van de invulling van de reïntegratieverantwoordelijkheid
slechts
minimumvoorwaarden gesteld.
Om de vormgeving van het
reïntegratiebeleid aan de hand van deze uitgangspunten te
bewerkstelligen, zal de huidige Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet
Rea) geheel worden vervangen. Sinds de invoering van de Wet Rea
zijn er diverse veranderingen opgetreden waardoor een afzonderlijke wet
voor de arbeidsgehandicapten niet meer correspondeert met de
vernieuwde situatie.
Om een "level playing
field" voor UWV
en verzekeraars te creëren, is het noodzakelijk de
financiering van reïntegratietrajecten van het UWV geheel uit de WGA-premie te
financieren. Op dit moment worden trajecten voor WAO-ers geheel uit de
Wet Rea gefinancierd. Als gevolg van deze wijziging wordt het voornaamste
bestanddeel uit het Rea-budget gehaald. Daarnaast zijn de
verantwoordelijkheden en instrumenten met betrekking tot reïntegratie verder
ontwikkeld en gemoderniseerd. In de Wet structuur uitvoering werk en inkomen
(Wet SUWI) zijn de verantwoordelijkheden
van de
uitkeringsinstantie (voorheen uitvoeringsinstellingen
(uvi’s), na 2002 het
UWV)
bijvoorbeeld opnieuw geregeld. Met de Wet verbetering poortwachter en de
Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003
zijn de verantwoordelijkheden van de werkgever en de werknemer
nader vormgegeven. Door
afschaffing van de verplichte verzekering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen dienen zelfstandigen
zich, indien gewenst, te verzekeren bij een private verzekeraar.
Vervolgens is ook een deregulering van het reïntegratie-instrumentarium
ingezet. Met het Belastingplan 2002 [Belastingplan
2002 V - Socialezekerheidswetgeving, red.] en de rblz.|43|
Wet tot wijziging van
enkele socialeverzekeringswetten en enige andere wetten in verband met het
aanbrengen van enige vereenvoudigingen (Stb. 2004, 728) is het
instrumentarium in de Wet Rea vereenvoudigd. De verschillende budgetten
zijn vervangen door een premiekorting en voor werkgevers die extra
kosten maken, is een subsidie ingevoerd. Daarnaast is ook de
reïntegratie-uitkering ingetrokken.
Tot slot kan een aantal
instrumenten worden afgeschaft dan wel nader vormgegeven op grond van
gegevens over het feitelijke gebruik en inzichten over de
effectiviteit en efficiëntie ervan. Hierbij gaat het onder meer om de
quotumregeling, loondispensatie en het begeleid werken. De instrumenten
loondispensatie en begeleid werken worden in de Wajong opgenomen.
In het licht van deze
ontwikkelingen lijkt de functie van de Wet Rea
achterhaald. Er is aanleiding voor een
nieuwe invulling en positionering van het instrumentarium voor
mensen met een handicap. Daarin past dat de Wet Rea niet meer als
afzonderlijke wet in stand blijft. De vervolgens nog relevante bepalingen uit
de Wet Rea worden opgenomen in (onder andere) de materiewetten, de Wet
SUWI en de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Dit wordt
geregeld en nader uitgewerkt in de invoeringswet op dit
wetsvoorstel.
In het hiernavolgende
worden onderdelen van het reïntegratiebeleid tijdens de WGA-periode
nader beschreven: rechten en plichten met betrekking tot
reïntegratie (paragraaf 6.2), ondersteuning voor de werknemer tijdens de reïntegratie
(paragraaf 6.3), stimulering van de werkgever (paragraaf
6.4),
verstrekking van arbeidsplaatsvoorzieningen (paragraaf
6.5), een effectief
sanctiebeleid (paragraaf 6.6) en reïntegratie van volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten (paragraaf 6.7).
6.2. Reïntegratie
gedurende de WGA-uitkering
6.2.1. Balans tussen
rechten en plichten
Met
de rechten en
plichten die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen, wordt beoogd een zo snel
mogelijke en duurzame reïntegratie te bewerkstelligen. Het gaat dan niet alleen
om rechten en plichten van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte, maar
ook om plichten van de werkgever als eigenrisicodrager en/of van het UWV. Een
effectieve en efficiënte reïntegratie komt namelijk alleen tot stand
als alle betrokkenen bereid en gemotiveerd zijn om samen hetzelfde doel
na te streven: het minimaliseren van de uitkeringsafhankelijkheid.
De regering meent dat in
dit wetsvoorstel een evenwichtig pakket rechten en plichten is opgenomen.
Dit pakket wordt behandeld in de volgende subparagrafen. Sluitstuk
van het geheel is het klachtrecht en bezwaar- en beroepsmogelijkheden
enerzijds en het sanctiebeleid anderzijds (het sanctiebeleid wordt in paragraaf 6.6 behandeld).
In paragraaf 6.2.2 wordt
eerst ingegaan op de rechten die de gedeeltelijk arbeidsgeschikte in het
kader van reïntegratie heeft. Centraal in deze paragraaf staat de introductie van
de aanspraak op ondersteuning bij reïntegratie. Daarnaast zullen reeds
bestaande rechten kort worden behandeld. In paragraaf 6.2.3 komen
de plichten van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte aan de orde.
6.2.2. Rechten
Ook na de wachttijd (na
de eerste twee ziektejaren) blijft de verantwoordelijkheid van de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte om zich actief in te zetten voor een spoedige en
duurzame terugkeer naar de arbeidsmarkt onveranderd. rblz.|44|
Hij staat hier niet
alleen voor, maar kan aanspraak maken op (een vorm van) ondersteuning door de eigenrisicodrager of het
UWV. Zoals hierboven reeds opgemerkt,
verschilt de wijze waarop dit recht op ondersteuning is uitgewerkt.
Uiteraard is het niet de
bedoeling dat de eigenrisicodrager en het UWV
wachten totdat de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte een verzoek tot ondersteuning heeft gedaan. De
werkgever is verplicht gedurende de loondoorbetalingsperiode van zijn (zieke)
werknemer die reïntegratie-inspanningen te verrichten die redelijkerwijs van hem verlangd mogen worden. Op het
moment dat de
loondoorbetalingsperiode eindigt, houdt deze verantwoordelijkheid van de werkgever niet
abrupt op. Zolang er nog sprake is van een dienstbetrekking
blijft de werkgever verantwoordelijk voor de reïntegratie van zijn werknemers.
Het is de bedoeling dat
de overgang van de verplichte loondoorbetalingsperiode naar de WGA-periode
soepel verloopt en dat beiden zo naadloos mogelijk op elkaar
aansluiten. Er wordt dus gekeken naar de reïntegratieactiviteiten en -inspanningen die in
de eerste periode zijn verricht. Dit betekent dat de basis
voor de reïntegratie wordt gevormd door het plan van aanpak en het
reïntegratieverslag dat de werkgever heeft opgesteld in de
loondoorbetalingsperiode. In aansluiting hierop zullen de
eigenrisicodrager dan wel het UWV moeten
bezien welke mogelijkheden er (na de wachttijd) in het kader
van de reïntegratie van de desbetreffende persoon nog zijn.
Voor de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte van wie de uitkering door het UWV
wordt betaald, is een
recht op ondersteuning bij reïntegratie opgenomen. Het UWV zal dit recht
invullen door het opstellen van een reïntegratievisie voor de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte, waarin wordt aangegeven wat de reïntegratiemogelijkheden
nog zijn. Indien aan de orde, wordt de visie nader uitgewerkt in een reïntegratieplan.
Het recht op
ondersteuning wordt in geval van eigen risico dragen afgeleid van de wettelijk
vastgelegde reïntegratieverantwoordelijkheid van de eigenrisicodrager. Gezien
de financiële prikkels die de eigenrisicodrager heeft, is volstaan met
het stellen van (wettelijke) minimumvoorwaarden aan de reïntegratietaak.
Hij krijgt dus een grote vrijheid om zijn
reïntegratieverantwoordelijkheid in te vullen. Eén van de
minimumvoorwaarden is dat de eigenrisicodrager
het plan van aanpak dat alle werkgevers tijdens de periode van verplichte
loondoorbetaling moeten opstellen periodiek moet evalueren, ook na de
loondoorbetalingsperiode. Een reeds bestaande verplichting
loopt voor deze werkgevers dus door. In het plan van aanpak zullen de
afspraken die de eigenrisicodrager (of de verzekeraar) met de gedeeltelijk arbeidsgeschikte maakt schriftelijk worden vastgelegd.
Indien de betrokkene
meent dat de eigenrisicodrager onvoldoende invulling geeft aan zijn
reïntegratietaak, dan kan hij de eigenrisicodrager verzoeken om (bepaalde)
ondersteuning. Het plan van aanpak biedt voor de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte daarvoor in voldoende mate aanknopingspunten. Doet de eigenrisicodrager
in de ogen van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte na zijn
uitdrukkelijke verzoek dan nog onvoldoende of iets anders dan wat hij
heeft verzocht, dan kan hij bezwaar maken tegen de weigering en
vervolgens beroep aantekenen bij de bestuursrechter tegen de weigering van de
eigenrisicodrager om (bepaalde) ondersteuning te bieden (zie verder
paragraaf 6.3).
De reïntegratievisie
Het
UWV
wordt verplicht
een reïntegratievisie op te stellen. In de reïntegratievisie wordt
op hoofdlijnen aangegeven wat de reïntegratiemogelijkheden voor de betrokkene (nog)
zijn. Daarbij wordt zoveel mogelijk rblz.|45|
uitgegaan van de
wensen van betrokkenen, doch zonder de haalbaarheid uit het oog te verliezen.
De reïntegratievisie is
een product waaruit ondubbelzinnig blijkt welke stappen zullen worden
gezet om aan het werk te geraken. Uitgangspunt is dat in de
reïntegratievisie zoveel mogelijk de (algemene) rechten en plichten en de gevolgen
van niet- of onvoldoende naleving van de verplichtingen worden
opgenomen. De reïntegratievisie dient gedurende het reïntegratieproces
onderhouden te worden.
Het UWV borduurt bij het
opstellen van de reïntegratievisie voort op eerdere
reïntegratieactiviteiten in de loondoorbetalingsperiode (gebaseerd op het plan van aanpak en
het reïntegratieverslag). Indien deze reïntegratie-inspanningen,
gericht op werkhervatting bij een andere werkgever, nog niet zijn afgerond,
kan het UWV in overleg met de werknemer en werkgever een voor
alle partijen aanvaardbare oplossing uitwerken. In andere gevallen zal het
noodzakelijk zijn nieuwe reïntegratie-inspanningen op te starten, bijvoorbeeld in de vorm van bemiddeling door
het UWV, dienstverlening van de CWI of het starten
van een reïntegratietraject bij een reïntegratiebedrijf.
De eigenrisicodrager mag
zelf bepalen of hij een reïntegratievisie opstelt. Om toch ook in geval van
eigen risico dragen de reïntegratiemogelijkheden van een betrokkene (na de
verplichte loondoorbetalingsperiode) vast te leggen, dient de
eigenrisicodrager wel verder te bouwen op het plan van aanpak dat hij in de
eerste twee jaar heeft opgesteld. Hij zal naar aanleiding van de claimbeoordeling
moeten bepalen of het plan nog moet worden bijgesteld. De
werkgever als eigenrisicodrager zal zich - evenals tijdens de
loondoorbetalingsperiode het geval is - in ieder geval moeten laten bijstaan door
één
of meerdere arbodiensten en ook door een reïntegratiebedrijf
indien de arbodienst geen reïntegratieactiviteiten verricht.
Het reïntegratieplan
In vervolg op de
reïntegratievisie, die door het UWV
in samenspraak met de cliënt wordt
opgesteld, kan een reïntegratieplan worden opgesteld. In het reïntegratieplan
worden de afspraken vastgelegd tussen reïntegratiebedrijf en cliënt die in het
kader van de reïntegratie zijn gemaakt. Deze afspraken zullen zo concreet mogelijk worden gemaakt en worden gekoppeld
aan het beoogde
eindresultaat. Het is belangrijk dat partijen weten waar ze elkaar over en
weer op kunnen aanspreken. De gedeeltelijk arbeidsgeschikte heeft
dus niet alleen verplichtingen, maar ook rechten jegens degene die
verantwoordelijk is voor zijn reïntegratie. De instemming van de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte met deze rechten en plichten uit zich in het feit dat deze
de overeenkomst voor gezien moet tekenen.
Het
UWV
kan een
reïntegratiebedrijf de opdracht geven een reïntegratieplan op te stellen. Dit is een
bevoegdheid en geen verplichting. Er zijn namelijk situaties
denkbaar waarin het UWV hiertoe geen opdracht geeft. Ten eerste blijft het
opstellen van een reïntegratieplan achterwege als het UWV van mening is dat
geen reïntegratiebedrijf behoeft te worden ingeschakeld. Volstaan wordt dan met
het opstellen van de reïntegratievisie. Ten tweede kan de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte ook zelf (zonder tussenkomst van het UWV) een concreet
voorstel voor zijn reïntegratie (een reïntegratieplan)
indienen. Hij verzoekt het UWV dan om een zogeheten individuele
reïntegratieovereenkomst (IRO). Het UWV toetst de IRO-aanvraag. De gedeeltelijk arbeidsgeschikte die gebruik maakt van een
IRO heeft - uiteraard -
dezelfde rechten en plichten als de gedeeltelijk arbeidsgeschikte die
deelneemt aan een regulier reïntegratietraject.
Als echter in de
reïntegratievisie wordt vermeld dat een reïntegratiebedrijf ingeschakeld moet worden,
zal altijd wél een reïntegratieplan worden rblz.|46|
opgesteld. Het UWV
legt
dan contact met een reïntegratiebedrijf. Laatstgenoemde zal in samenspraak met de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte een reïntegratieplan
opstellen. Daarbij zal uiteraard gekeken worden naar het in de
loondoorbetalingsperiode opgestelde plan van aanpak.
In een reïntegratieplan
kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte als hij
ziek wordt tijdens het reïntegratietraject, hij dit vóór een bepaalde
tijd moet melden bij het reïntegratiebedrijf, maar ook kunnen afspraken
worden vastgelegd ter zake van specifieke sollicitatieactiviteiten
en afspraken over het maken van huiswerkopdrachten.
Overige rechten
Zoals gebruikelijk kunnen
zowel de gedeeltelijk arbeidsgeschikte als de volledig arbeidsgeschikte
aanspraak maken op de volgende algemene, niet specifiek uit het
onderhavige wetsvoorstel voortvloeiende, rechten. De gedeeltelijk
arbeidsgeschikte heeft recht op een adequate, behoorlijke behandeling door het
UWV.
Als hij niet tevreden is over de manier waarop hij wordt behandeld of
over de wijze van afhandeling van zijn vragen of betalingen, heeft hij het
recht daarover een klacht in te dienen. Ook heeft hij recht op informatie
over zijn uitkering, zijn rechten en plichten met betrekking tot
reïntegratie en de gevolgen van niet- of onvoldoende naleving van deze plichten. De
afspraken tussen UWV en/of reïntegratiebedrijf en gedeeltelijk arbeidsgeschikte op het terrein van reïntegratie (en zijn
uitkering) worden
schriftelijk vastgelegd. Als in de reïntegratievisie dan wel het reïntegratieplan
opgenomen afspraken niet worden nageleefd, kan dit reden zijn voor
het UWV om de verzekerde een sanctie (boete of maatregel) op te leggen.
Zowel reïntegratievisie als reïntegratieplan zijn op rechtsgevolg gericht.
Tegen besluiten met rechtsgevolg van het UWV én van de eigenrisicodrager staat voor de gedeeltelijk arbeidsgeschikte
bezwaar of beroep open.
Verder heeft de
uitkeringsgerechtigde recht op informatie over de over hem opgeslagen gegevens
en het recht op inzage van zijn dossier.
6.2.3. Plichten
In
dit wetsvoorstel staat
bevordering van arbeidsparticipatie centraal. De gedeeltelijk
arbeidsgeschikte heeft bij reïntegratie duidelijk een eigen verantwoordelijkheid. Om
deze verantwoordelijkheid te benadrukken, zijn de verplichtingen die de
uitkeringsgerechtigde heeft zo actief mogelijk geformuleerd. In dat
kader is het ook noodzakelijk dat de verplichtingen zo duidelijk mogelijk zijn.
Zowel de gedeeltelijk arbeidsgeschikte enerzijds als de eigenrisicodrager en
het UWV
anderzijds moeten precies weten wat over en weer van elkaar mag worden verwacht en waar ze elkaar op
mogen aanspreken.
Hierdoor wordt eveneens
duidelijk dat reïntegratie niet vrijblijvend is. Het is niet vanzelfsprekend
- voor zover dat idee bestond - dat een gedeeltelijk arbeidsgeschikte die
niet of onvoldoende deelneemt aan noodzakelijk of wenselijk geachte
reïntegratieactiviteiten zijn rechten gewoon behoudt. Aan het recht op een
uitkering zijn voor de gedeeltelijk arbeidsgeschikte ook verplichtingen
verbonden.
In de WGA zijn
verplichtingen tot (pro)actief gedrag opgenomen. Proactief of actief gedrag houdt in
elk geval in dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte de WGA-uitvoerder
informeert, meewerkt aan verzoeken of opdrachten, er alles aan doet om te
voorkomen dat hij een beroep moet doen op een uitkering, dan wel dit beroep
zoveel mogelijk beperkt. Daarnaast is de
gedeeltelijk rblz.|47|
arbeidsgeschikte steeds verplicht tot een actieve opstelling tijdens het ontvangen van
de uitkering.
Binnen de verplichtingen
tot (pro)actief gedrag wordt in het systeem van de wet aldus een
onderscheid gemaakt naar:
1. informatieplicht en
medewerking aan controle;
2. plichten ter
voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op uitkering op grond van deze
wet;
3. plichten gericht op
vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid;
4. plichten gericht op
inschakeling in de arbeid.
Ad
1. Onder de
informatieplicht en medewerking aan controle vallen alle plichten die erop gericht
zijn om al hetgeen relevant is voor de uitkering uit zichzelf of op
verzoek mondeling mede te delen of schriftelijk te verstrekken. Daarnaast
valt onder deze verplichting het meewerken aan verzoeken of opdrachten
van het UWV, de eigenrisicodrager, de
Centrale organisatie werk en
inkomen of het reïntegratiebedrijf om deze in staat te stellen de wet uit te
voeren.
Ad
2. Plichten ter
voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op uitkering op grond van deze
wet houden in dat de verzekerde uitkeringsafhankelijkheid tracht te vermijden en
gehouden is schadebeperkende maatregelen te nemen.
Ad
3. Plichten gericht
op het vergroten van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid
kunnen zowel de medische mogelijkheden omvatten als de mogelijkheden die
zijn gericht op competenties die vereist zijn voor het verrichten van
arbeid. Het gaat erom dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte zijn kansen op de
arbeidsmarkt vergroot, nadat die kansen door zijn verminderde
arbeidsgeschiktheid zijn afgenomen.
Ad
4. Onder plichten
gericht op inschakeling in arbeid worden de inspanningen verstaan die de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte moet verrichten om zich daadwerkelijk aan te
bieden op de arbeidsmarkt. Het gaat dan in ieder geval om de verplichting
zich als werkzoekende te laten registreren bij het CWI (registratieplicht),
te zoeken naar werk (sollicitatieplicht) en aangeboden passende arbeid te
aanvaarden (acceptatieplicht).
Omdat de regering het
belangrijk vindt dat iedereen die mogelijkheden heeft om arbeid te
verrichten hiervan ook gebruik maakt, geldt de sollicitatieplicht voor iedereen met een
WGA-uitkering. Een WGA-uitkering impliceert immers dat een betrokkene
(op termijn) nog arbeidsmogelijkheden heeft. Iedereen met een WGA-uitkering is derhalve in beginsel verplicht in
voldoende mate te
solliciteren. De regering realiseert zich echter ook dat er situaties denkbaar
zijn waarin het voor bepaalde groepen uitkeringsgerechtigden gedurende een bepaalde
periode niet wenselijk of mogelijk is om te solliciteren.
Daarbij wordt vooral gedacht aan gedeeltelijk arbeidsgeschikten die volledig maar niet
duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Daarom is in de Wet
WIA,
evenals in de WW
het geval is, de mogelijkheid opgenomen voor bepaalde
groepen uitkeringsgerechtigden bij ministeriële regeling een ontheffing
voor de sollicitatieplicht te verlenen. In deze regeling kan dan ook de duur van
de ontheffing worden bepaald.
Uit het bovenstaande
blijkt dat de verplichtingen actief zijn opgesteld. De genoemde vier
categorieën plichten benadrukken dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte moet
meewerken aan zijn reïntegratie.
Reïntegratievisie en
reïntegratieplan: nadere invulling verplichtingen
De wettelijke
verplichtingen zijn algemeen geformuleerd. De eerste concretisering van de
verplichtingen geschiedt in de reïntegratievisie, die rblz.|48|
wordt opgesteld tussen
cliënt en het UWV. Een nadere invulling vindt plaats door een vertaling
van die visie naar concrete resultaatgerichte reïntegratieafspraken,
die in samenspraak tot stand komen tussen cliënt en reïntegratiebedrijf
en zijn vastgelegd in het reïntegratieplan.
Uitgangspunt is dat in de
reïntegratievisie zoveel mogelijk de rechten en plichten en de gevolgen
van niet- of onvoldoende naleving van de verplichtingen worden
opgenomen. In het reïntegratieplan kan worden volstaan met nadere
aanvullingen, dan wel bijstellingen op de reeds in de visie opgenomen rechten
en plichten (en de gevolgen daarvan bij niet- of onvoldoende naleving).
Reïntegratievisie en
reïntegratieplan sluiten steeds op elkaar aan. Als het reïntegratieplan wordt
bijgesteld, betekent dit dat moet worden bezien of ook de reïntegratievisie
moet worden bijgesteld. Omgekeerd geldt dat als de reïntegratievisie
wordt bijgesteld, gelijk het reïntegratieplan moet worden bijgesteld. Het is
dan ook van belang dat partijen (UWV, verzekerde en het ingeschakelde
reïntegratiebedrijf) over bijstellingen met elkaar communiceren en
duidelijke procedures hierover maken.
6.3. Ondersteuning
gedeeltelijk arbeidsgeschikte tijdens de reïntegratie
Gedurende de WGA-periode
wordt de gedeeltelijk arbeidsgeschikte op diverse manieren bij zijn
reïntegratie geholpen. Zoals vermeld, zal in de wet een recht op
ondersteuning bij reïntegratie worden opgenomen. Deze specifieke bepaling geldt
voor die personen waarvoor de reïntegratieverantwoordelijkheid bij het UWV
ligt.
Als de
reïntegratieverantwoordelijkheid bij de eigenrisicodrager ligt, vloeit het recht op
ondersteuning voort uit de wettelijk omschreven reïntegratietaak. In beide gevallen is er
dus sprake van een recht op ondersteuning.
Bij het recht op
ondersteuning bij reïntegratie gaat het niet om een recht op een specifieke
voorziening of aanbod door de werkgever dan wel het UWV. Immers,
reïntegreren is maatwerk. De in te zetten reïntegratieactiviteiten moeten aansluiten bij de
inspanningen tijdens de periode van verplichte loondoorbetaling. Daarnaast moeten de activiteiten aansluiten
bij de situatie en
problematiek, bij de competenties en beperkingen van de cliënt. Per individueel
geval zal dit verschillen. Zo zal de ene persoon voldoende hebben aan een
(bemiddelings)gesprek of sollicitatietraining, maar zal een andere
persoon meer of intensievere ondersteuning nodig hebben.
Reïntegratieactiviteiten die niet uitgaan van de capaciteiten van de
cliënt lopen het
risico niet te leiden tot succes: te weten een duurzame werkhervatting waarbij de
resterende verdiencapaciteit zoveel mogelijk wordt benut. Deze noties
en uitgangspunten gelden ongeacht de uitvoerder van de WGA-regeling: werkgever, verzekeraar of
UWV. Hieronder wordt nader ingegaan op
de nadere invulling door de diverse partijen.
Naast het recht op
ondersteuning bij de reïntegratie kan de werknemer gebruik maken van de
mogelijkheid tot proefplaatsing (als onderdeel van de inspanningen van
werkgever, verzekeraar of UWV). De proefplaatsing biedt een werknemer de
mogelijkheid om maximaal drie maanden werk te verrichten bij een nieuwe
werkgever met behoud van uitkering. Op deze wijze kan de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte wennen aan een nieuwe baan, terwijl de werkgever
ervaring kan opdoen met een gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer. Een
proefplaatsing is niet geheel vrijblijvend, zowel werknemer als werkgever
dienen de intentie te hebben met elkaar verder te willen. Gezien deze
intentie is de gedeeltelijk arbeidsgeschikte gedurende de proefplaatsing
vrijgesteld van het verwerven van passende arbeid elders. Doel van
de proefplaatsing voor zowel de gedeeltelijk rblz.|49|
arbeidsgeschikte als de
werkgever is immers te komen tot een duurzame plaatsing. De
proefplaatsing beïnvloedt de duur van het recht op een WGA-uitkering noch in
positieve, noch in negatieve zin. De gedeeltelijk arbeidsgeschikte
werknemer is gedurende de proefplaatsing wel ontheven van de
sollicitatieverplichting.
Uitvoering WGA door
werkgevers/verzekeraars
Werkgevers die
ervoor
kiezen eigenrisicodrager te worden, kunnen de ondersteuning bij de
reïntegratie zelf verzorgen (en zich laten bijstaan door één of meerdere
arbodiensten en/of reïntegratiebedrijf) of inkopen bij een private
verzekeraar. Beiden hebben een evident financieel belang bij schadebeperking, dus
een geslaagde reïntegratie. Het recht op ondersteuning zal daarom naar
verwachting adequaat worden ingevuld. Om werkgevers en
verzekeraars in de gelegenheid te stellen optimaal in te spelen op individuele
wensen en behoeften ("maatwerk") worden er aan de vormgeving van het
reïntegratiebeleid van de werkgever als eigenrisicodrager geen specifieke
voorwaarden gesteld en wordt volstaan met het stellen van minimumvoorwaarden.
Als de verzekerde meent
dat de eigenrisicodrager onvoldoende invulling geeft aan zijn
reïntegratietaak, kan hij bezwaar maken bij de eigenrisicodrager. Vervolgens kan de
verzekerde beroep instellen tegen het besluit van de eigenrisicodrager
bij de bestuursrechter. Ongeacht een publieke of private uitvoering is in
principe de rechtsbescherming voor alle verzekerden op gelijke wijze geregeld
en is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Uitvoering WGA door het UWV
Werkgevers kunnen er ook
voor kiezen verzekerd te blijven bij het UWV. De gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemer wordt dan bij zijn reïntegratie ondersteund door het
UWV.
Een belangrijke rol is hierbij weggelegd voor de reïntegratiecoach van
het UWV: deze bepaalt in samenspraak met de gedeeltelijk arbeidsgeschikte de in te zetten activiteiten. Hierbij speelt de
inbreng van de cliënt
een cruciale rol.
De activiteiten kunnen
variëren van begeleiding door de reïntegratiecoach bij het zoeken naar een
baan tot het inkopen van reïntegratietrajecten bij private
reïntegratiebedrijven. Om maatwerk te waarborgen, wordt een breed pakket aan
reïntegratieactiviteiten aangeboden bij verschillende reïntegratiebedrijven.
Daarnaast hebben de cliënten van het UWV de mogelijkheid zelf
initiatieven te ontplooien door de reïntegratietelefoon te bellen of een aanvraag
voor een IRO in te dienen. De IRO biedt een gedeeltelijk
arbeidsgeschikte de mogelijkheid zelf een reïntegratieplan op te stellen en zelf een
reïntegratiebedrijf te kiezen. De IRO biedt de cliënt zo de mogelijkheid zelf de
regie over zijn reïntegratie te voeren. Voorwaarde voor een goed functionerende IRO-regeling is transparantie van de
reïntegratiemarkt voor
de cliënt. Reïntegratiebedrijven zullen zich als gevolg van invoering van
de IRO meer richten op de cliënt als opdrachtgever van reïntegratie. Dit
komt de transparantie van en marktwerking op de reïntegratiemarkt ten
goede.
Voor het opstellen en
uitvoeren van het reïntegratieplan koopt het UWV
reïntegratiedienstverlening
in bij reïntegratiebedrijven in de vorm van reïntegratietrajecten.
Bij de inkoop van trajecten hanteert het UWV een aanbestedingsprocedure,
die transparante besteding van publieke middelen en marktconforme
prijsvorming waarborgt. De contouren van marktwerking heeft het
kabinet geschetst in de nota "Naar een werkende
reïntegratiemarkt" (Kamerstukken
II 2002-2003, 28 719, nr. 1). In dat verband zijn ook stappen gezet ten aanzien
van aspecten als het frequenter aanbesteden, rblz.|50|
het contracteren van
meerdere reïntegratiebedrijven voor dezelfde doelgroepen en het aanbesteden van
meer homogene doelgroepen, zodat voor meer cliënten van
het UWV maatwerk gerealiseerd kan worden. Met homogene groepen is het
bovendien mogelijk juist ook de moeilijk plaatsbare groepen afzonderlijk en
tegen marktconforme prijzen aan te besteden. Hiermee wordt
het risico dat reïntegratiebedrijven zich richten op de meer
perspectiefrijke gevallen ondervangen. Met het aanbesteden van meer homogene
doelgroepen kan ook de juiste inhoud van trajecten voor de juiste doelgroep
gerealiseerd worden, hetgeen resulteert in maatwerk.
6.4. Stimuleren van de
werkgever
Werkgevers spelen een
zeer belangrijke rol bij het succes van de reïntegratieactiviteiten.
Zij zijn immers degenen die de keuze moeten maken de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte in dienst te houden of in dienst te nemen. Daarom zet de
regering een tweetal instrumenten in, die deze keuze in het voordeel van
de gedeeltelijk arbeidsgeschikte kunnen doen uitvallen: de no-riskpolis en de premiekorting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
De no-riskpolis
vrijwaart werkgevers van de kosten van verplichte loondoorbetaling bij het in dienst nemen
van gedeeltelijk arbeidsgeschikten. De premiekorting beloont
werkgevers die een gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer in dienst nemen
of houden.
De regering is van mening
dat het verbeteren van de beeldvorming bij werkgevers over
gedeeltelijk arbeidsgeschikten een cruciaal onderdeel is van het
reïntegratiebeleid. De regering ontplooit activiteiten die erop gericht zijn de
beeldvorming van werkgevers over gedeeltelijk arbeidsgeschikten te verbeteren. Daarbij
is
het van belang dat waar dat nodig is instrumenten ingezet
worden die eventuele belemmeringen voor reïntegratie wegnemen. De beeldvorming
van werkgevers hangt samen met bijvoorbeeld de kennis
over gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers, maar ook met de kennis
van wet- en regelgeving. Voor een goede werking van
reïntegratie-instrumenten is het dan ook belangrijk dat werkgevers op de hoogte zijn van wet-
en regelgeving.
Betrokkenheid van
werkgevers is essentieel om reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten
maximaal kans van slagen te bieden. De regering vraagt sociale partners
en uitvoeringsorganisaties daarom ook mee te denken hoe zij hieraan
een praktische invulling kunnen geven. Zo tracht de regering door
werkgevers ervaren belemmeringen bij het in dienst nemen van gedeeltelijk
arbeidsgeschikten weg te nemen. Daarmee stimuleert de regering werkgevers om
gedeeltelijk arbeidsgeschikten in dienst te nemen. Op deze wijze
moet het regeringsbeleid zijn praktische weerslag krijgen op de werkvloer.
6.4.1. No-riskpolis
Werkgevers verwachten
risico’s bij het in dienst nemen of houden van een gedeeltelijk
arbeidsgeschikte. Het belangrijkste risico dat werkgevers zien, is veelvuldige uitval
wegens ziekte of hernieuwde arbeidsongeschiktheid. De verwachtingen van
werkgevers over de mogelijke risico’s en de daaraan verbonden kosten
van onder meer loondoorbetaling kunnen belemmeringen vormen voor
de werkhervatting van gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
Om te voorkomen dat
werkgevers door de mogelijke kosten van uitval van de werknemer als gevolg
van ziekte of arbeidsongeschiktheid geen dienstbetrekking aangaan of een bestaande
dienstbetrekking beëindigen, voorziet rblz.|51|
de no-riskpolis in
een bescherming tegen deze kosten. De no-riskpolis vergoedt in het geval van ziekte de kosten van loondoorbetaling. In
het geval van arbeidsongeschiktheid voorkomt de no-riskpolis een hogere Pemba- en
WGA-premie.
Een werkgever die een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst neemt, krijgt gedurende vijf jaar
aanspraak op de no-riskpolis Ziektewet. Dat wil zeggen dat het
UWV
de werkgever
tegemoet komt voor de kosten van de verplichte
loondoorbetaling (no-riskpolis ZW) als de gedeeltelijk arbeidsgeschikte
werknemer binnen vijf
jaar ná indiensttreding uitvalt wegens ziekte. Deze
tegemoetkoming is zo vormgegeven dat de werknemer aanspraak krijgt op een
ZW-uitkering in het geval van ziekte. Deze uitkering bedraagt 70% van het
dagloon van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer. Op verzoek van
de werkgever kan het ziekengeld op het dagloon van de werknemer
worden gesteld. Indien die ziekte vervolgens leidt tot
arbeidsongeschiktheid, hoeft de werkgever geen hogere Pemba-
en WGA-premie te betalen (no-riskpolis WGA). De termijn van vijf jaar kan nog eens met hetzelfde
aantal jaren verlengd worden als sprake is van een verhoogd risico op
ernstige gezondheidsklachten of een sterk wisselend ziektebeeld. De duur van
de no-riskpolis is ongeacht de mate van arbeidsongeschiktheid.
Dit betekent dat indien na werkhervatting de mate van arbeidsongeschiktheid
afneemt tot onder de 35%, de aanspraak op de no-riskpolis blijft
bestaan. Na beëindiging van de WGA-uitkering kan deze aanspraak dus nog enige
tijd blijven bestaan.
Nieuw in de WGA is dat de
werkgever niet alleen de no-riskpolis ontvangt bij in dienst nemen, maar
ook bij in dienst houden van een werknemer die gedeeltelijk
arbeidsgeschikt is verklaard. Voor het doel van reïntegratie, duurzame werkhervatting,
is het immers niet relevant of dat gebeurt door het in
dienst houden of nemen van een gedeeltelijk arbeidsgeschikte. Voor de werkgever die de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer in dienst houdt, wordt de
risicodekking geboden gedurende de eerste vijf jaar na
afloop van de loondoorbetalingsperiode.
Voorwaarde voor de
no-riskpolis is dus dat de werknemer gedeeltelijk arbeidsgeschikt bevonden
moet worden. Indien een werknemer in de periode van verplichte
loondoorbetaling aan het werk gaat bij een andere werkgever (reïntegratie
tweede spoor), dan wordt deze nieuwe werkgever niet gecompenseerd met een
no-riskpolis. De nieuwe werkgever kan met
de oude werkgever, bij
wie de werknemer is uitgevallen, zo nodig afspraken maken over de
dekking van het risico van uitval. Indien deze werknemer na twee jaar
ziekte alsnog gedeeltelijk arbeidsgeschikt bevonden wordt, dan maakt
de nieuwe werkgever vanaf dat moment aanspraak op de no-riskpolis.
6.4.2. Premiekorting
gedeeltelijk arbeidsgeschikten
De regering prikkelt
werkgevers met een premiekorting op positieve wijze om meer gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemers in dienst te nemen of te houden. De
premiekorting biedt de werkgever een financiële compensatie voor eventuele kosten van
bijvoorbeeld aanpassingen van de werkplek of extra kosten van
begeleiding in de eerste periode van het dienstverband. Deze premiekorting wordt
gecontinueerd.
De werkgever die een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst neemt, krijgt op dit moment gedurende
drie jaar een premiekorting van €|2042,- op zijn
socialeverzekeringspremie. Voor een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer die minder dan 50% van het wettelijk minimumloon
verdient op jaarbasis bedraagt de premiekorting €|454,-.
De werkgever die een gedeeltelijk arbeidsgeschikt geworden werknemer in
dienst houdt, krijgt deze premiekorting eenmalig. In de invoeringswet op
dit wetsvoorstel wordt in verband met de samenhang rblz.|52|
met de
financieringssystematiek van het onderhavige wetsvoorstel aangegeven op welke
premie(s) de korting in het nieuwe stelsel betrekking zal hebben. Daarbij wordt
tevens ingegaan op aspecten die samenhangen met de overheveling van
de premieheffing naar de belastingdienst.
6.4.3. Doelgroep van de
no-riskpolis en de premiekorting gedeeltelijk arbeidsgeschikten
Zoals hiervoor aangegeven,
is het van groot belang dat werkgevers worden gestimuleerd en
gefaciliteerd om personen met beperkte mogelijkheden op de arbeidsmarkt in
dienst te nemen. Daarom zullen werkgevers van werknemers die
gedeeltelijk, dus ten minste 35%, arbeidsongeschikt zijn in aanmerking komen
voor de instrumenten no-riskpolis en premiekorting
gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Dit zijn dus in elk geval werkgevers van personen
met een WGA-uitkering. Daarnaast zullen de no-riskpolis en de
premiekorting ook ter beschikking worden gesteld aan werkgevers die personen
in dienst nemen die qua medische problematiek vergelijkbaar zijn met
gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer waarop deze
wet van toepassing
is.
Omdat deze personen geen
uitkering ontvangen, zal de doelgroep op andere wijze moeten
worden bepaald. Er zal dus een indicatie gesteld moeten worden. Het gaat
dan om personen die:
1. een indicatie hebben
voor de Wsw, zoals vastgesteld door het CWI;
2. behoren tot de
populatie waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor de
reïntegratie en van
wie de verdiencapaciteit met meer dan 35% is afgenomen.
Bij deze groepen gaat het
om personen van wie door middel van een indicatiestelling is
vastgesteld dat ze een beperking in verdiencapaciteit op de reguliere
arbeidsmarkt hebben. Deze personen ontvangen reïntegratieondersteuning
op grond van de Wsw of de Wwb. Hun (potentiële) werkgever ontvangt de
no-riskpolis en de premiekorting op grond van deze
wet.
De doelgroep zal nader
worden uitgewerkt bij algemene maatregel van bestuur.
6.5.
Arbeidsplaatsvoorzieningen
De overheid is
verantwoordelijk voor het waarborgen van een gelijke toegang tot de
arbeidsmarkt. Met de nadruk op activering is een doel van dit wetsvoorstel
zoveel
mogelijk gedeeltelijk arbeidsgeschikten aan het werk te helpen en te
houden. Gezien ook het streven tot meer arbeidsparticipatie van chronisch zieke,
gehandicapte en oudere werknemers, is extra inspanning nodig om
arbeid en arbeidsplaatsen geschikt te maken en te houden voor mensen
met een beperking. Goed arbobeleid is daartoe noodzakelijk, de
regering ondersteunt dit beleid, door in overleg met
patiëntenverenigingen en arbodienstverleners te werken aan een gericht pakket
arbodienstverlening en met het verzamelen en verspreiden van best
practices.
Het is ook belangrijk dat
arbeid en arbeidsplaats toegankelijk en in principe flexibel en aanpasbaar
zijn en daarmee zoveel mogelijk al bij voorbaat geschikt zijn voor mensen
met een beperking. Toepassing van dit door de regering
ondersteunde principe van "design for all" zal
ertoe leiden dat veel
arbeidsplaatsen niet meer aangepast hoeven te worden als een werknemer
geconfronteerd wordt met een beperking tijdens zijn levensloop. De eerste
ervaringen laten zien dat er in verschillende bedrijfstakken reeds
goede voorbeelden zijn van de toepassing van dit principe met overwegend
een goede tot zeer goede kosten-batenbalans (SZW-werkdocument nr.
202/juli 2001, Politstudy Design for All in werksituaties, rblz.|53|
Inventarisatie
van werkaanpassingen; dr. ir. F.M. Molenbroek c.s., Vakgroep I.O. TU Delft,
en SZW-werkdocument 289/juni 2003, Pilotstudy naar kosten en baten van
oplossingen in werksituaties met Desifgn4All [Design4all, red.] en Disability Management; TNO Arbeid, ir.
E.A.P. Koningsveld c.s.).
Waar aanpassing van de
arbeidsplaats aan de orde is die verder gaat dan de normale
arboverantwoordelijkheid van de werkgever biedt het UWV
arbeidsplaatsvoorzieningen
aan. Het gaat bij de arbeidsplaatsvoorzieningen om aanpassingen op de
werkplek van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer bijvoorbeeld in de vorm van een brailleregel,
om vervoersvoorzieningen
voor de gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer en om persoonlijke hulp
op de werkplek in de vorm van een jobcoach enerzijds of een
doventolk of voorleeshulp anderzijds. Onder aanpassingen op de
werkplek valt niet alleen een aangepaste inrichting van de arbeidsplaats,
maar vallen ook aanpassingen aan de bedrijfsinrichting (bijvoorbeeld opgangen
voor rolstoelen of een invalidentoilet).
Deze voorzieningen kunnen
tevens worden ingezet ten behoeve van werknemers die geen uitkering ontvangen op grond van
deze wet, maar die in
verband met structurele
functionele beperkingen als gevolg van ziekte of handicap zonder de
voorziening hun werkzaamheden niet kunnen verrichten. Het risico is aanzienlijk dat de structurele functionele beperkingen
zonder voorziening zullen
leiden tot instroom in een WIA-uitkering. Zonder de voorziening
zijn hun beperkingen qua ernst vergelijkbaar met een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 35%. Dit betekent dat de beperkingen als gevolg van ziekte en
handicap moeten leiden tot beperkingen in het functioneren. Bij
deze beperkingen moet sprake zijn van een structureel karakter: de aandoening
en beperkingen in functioneren moeten minstens één jaar
voorafgaande aan de aanvraag hebben bestaan. Als dat niet het geval is, kan het
ook voldoende zijn dat de klachten en beperkingen naar alle
waarschijnlijkheid ten minste één jaar zullen bestaan. Het is noodzakelijk dat de
beperkingen zich op het moment van de aanvraag voordoen. Indien in het
verleden sprake is geweest van een aandoening, maar deze is genezen,
ontstaat, net als in de huidige situatie, geen aanspraak op arbeidsplaatsvoorzieningen. Het
UWV
kan de arbodienst
laten beoordelen of de
werknemer structurele functionele beperkingen ondervindt als gevolg van
ziekte of handicap. De arbodienst adviseert het UWV over het treffen van
een voorziening. Op deze adviezen vindt marginale toetsing door het UWV op
plausibiliteit plaats. Bij gerede twijfel doet het UWV eigen onderzoek.
De voorzieningen die het
UWV
op grond van deze wet verstrekt, zijn een aanvulling op de
inspanningen die de werkgever reeds verricht op grond van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 en het Burgerlijk
Wetboek. Deze inspanningen zijn immers
algemeen gebruikelijk. Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 is een werkgever verplicht om een zo goed mogelijk
arbeidsomstandighedenbeleid te voeren. Ingevolge het Burgerlijk Wetboek wordt
verder van de werkgever verwacht dat hij zich als een goed werkgever
gedraagt. Dit betekent dat de inrichting van het bedrijf, het
productieproces en de daarbij te gebruiken hulpmiddelen zoveel als redelijkerwijs
kan worden gevergd onder de algemene verantwoordelijkheid van de werkgever
vallen.
Aanpassingen die gericht zijn op het voorkomen van uitval
(preventie) vallen dus niet onder deze regeling. Ook kunnen er geen
voorzieningen worden verstrekt die geacht worden te liggen op het terrein van
de gezondheidszorg.
Een werkgever is er ook
bij gebaat om zich als een goed werkgever te gedragen. Immers, in het Burgerlijk
Wetboek, de Wet verbetering poortwachter, de
Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 en de Wet
SUWI is de
verantwoordelijkheid voor reïntegratie gedurende rblz.|54|
de
loondoorbetalingsperiode bij ziekte belegd bij de werkgever en de werknemer. Met een
adequaat preventief beleid kan de werkgever verzuim voorkomen en de
kosten als gevolg van ziekteverzuim in de vorm van loondoorbetaling
beperken. Het UWV
weegt met het oog op een verantwoorde besteding
van gelden tenslotte altijd af in hoeverre de gevraagde voorziening is
te beschouwen als een adequate oplossing voor de opheffing van de
beperkingen.
Het verstrekken van
voorzieningen was in de Wet Rea onderverdeeld in verschillende voorzieningenregelingen voor arbeidsgehandicapte werknemers
en niet-werknemers
enerzijds en een subsidieregeling voor werkgevers anderzijds. In het
onderhavige wetsvoorstel wordt een vernieuwd pakket arbeidsplaatsvoorzieningen gecreëerd. Dit pakket omvat een algemeen
geldende
voorzieningenregeling voor werknemers en een subsidieregeling voor werkgevers.
Daarnaast kan het UWV
voorzieningen inzetten voor gedeeltelijk
arbeidsgeschikten voor wie het UWV een reïntegratietraject inzet.
Het bevorderen van de
eenvoud en de snelheid van de verstrekking van voorzieningen en subsidie
staan voorop. Onzekerheid over het al dan niet verstrekken van deze
voorzieningen mag immers geen belemmering voor reïntegratie zijn. De
cliënt dient in feite al voordat hij solliciteert te weten welke voorzieningen hij
kan verwachten van UWV
en bij zijn toekomstige werkgever, zodat hij daar
bij sollicitaties naar kan verwijzen. Een heldere en uitvoerbare
voorzieningenregeling moet werkgevers en werknemers duidelijkheid bieden over
wat wel en niet behoort tot het pakket voorzieningen. Van belang is daarnaast
dat het UWV binnen redelijke termijnen komt tot een beslissing
over de aanvraag en tot verstrekking van de voorzieningen. Werkgevers en werknemers
weten zo snel waar ze aan toe zijn. Goede voorlichting door het UWV is dus een vereiste.
Voor de
arbeidsplaatsvoorzieningen voor werknemers geldt dat het UWV
de voorzieningen waar
mogelijk verstrekt aan de werknemer. Dit bevordert diens onafhankelijke
positie en daarmee diens mobiliteit op de arbeidsmarkt. Sommige
voorzieningen maken uit de aard der zaak echter deel uit van het bedrijf
van de werkgever en/of zijn niet meeneembaar. In die situatie zal de
voorziening aan de werkgever worden verstrekt.
6.6. Sanctiebeleid
Het succes van
reïntegratie wordt voor een groot deel bepaald door de inspanningen van de
uitkeringsgerechtigde. Als een gedeeltelijk arbeidsgeschikte onverhoopt niet of
onvoldoende meewerkt aan reïntegratieactiviteiten, moet er een middel zijn
om het gedrag van deze persoon te beïnvloeden. In sommige
gevallen zal het voldoende zijn dat een gedeeltelijk arbeidsgeschikte
rechtstreeks wordt aangesproken op zijn gedrag. In andere gevallen zal een
zwaarder middel in de vorm van een sanctie (blijvende of tijdelijke, gehele of
gedeeltelijke weigering van de uitkering dan wel een administratieve
boete) noodzakelijk zijn om de reïntegratie-inspanningen van de
uitkeringsgerechtigde te stimuleren. Kortom de mogelijkheid om
sancties op te leggen, vormt de sluitpost van reïntegratie en is dus
geen doel op zich.
In
dit wetsvoorstel wordt
de mogelijkheid van eigen risico dragen voor de WGA-uitkering ingevoerd.
De eigenrisicodrager wordt verantwoordelijk voor de reïntegratie.
Dit maakt dat de eigenrisicodrager de gedeeltelijk arbeidsgeschikte ook tot
medewerking aan reïntegratieactiviteiten moet kunnen aansporen. Immers,
eigenrisicodragers hebben een financieel belang om een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte te reïntegreren. Daarom is rblz.|55|
ervoor gekozen de
eigenrisicodrager, binnen bepaalde voorwaarden, verantwoordelijk te maken voor het
sanctiebeleid.
In
paragraaf 6.6.1 wordt
eerst het sanctiebeleid en het daarbij behorende sanctie-instrumentarium
van het UWV
besproken. In paragraaf 6.6.2 komt het opleggen van sancties
door eigenrisicodragers aan de orde.
6.6.1. Sanctiebeleid UWV
De Wet WIA
heeft voor het UWV
geen ingrijpende wijzigingen in de uitvoering van het sanctiebeleid tot
gevolg. Het sanctie-instrumentarium is voor het UWV ongewijzigd gebleven
en bestaat, evenals in de huidige WAO, uit administratieve boeten en
maatregelen. Een snelle sanctieoplegging draagt bij aan succesvol sanctiebeleid. Hieronder wordt nader ingegaan
op het gewenste lik-op-stukbeleid.
Sanctie-instrumentarium
Indien de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte niet of in onvoldoende mate meewerkt aan zijn
reïntegratie, kan net als in de huidige situatie een sanctie worden opgelegd.
Hierbij is het sanctie-instrumentarium zoals dat na de inwerkingtreding
van de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid in de
verschillende materiewetten, onder andere in de
WAO
en ZW, is ingevoerd,
overgenomen. Dat betekent dat de sanctie kan bestaan uit een maatregel
(verlaging van uitkering) of een bestuurlijke boete. Bij niet- of
onvoldoende medewerking aan de reïntegratie kan een maatregel in de vorm van
een blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke weigering van de
uitkering worden opgelegd. Indien de gedeeltelijk arbeidsgeschikte niet of
niet behoorlijk voldoet aan zijn informatieplicht wordt een administratieve
boete opgelegd. Ook indien een eigenrisicodrager verantwoordelijk is voor
de reïntegratie van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte, zal het UWV
bij overtreding van de informatieplicht de administratieve boete
opleggen. In paragraaf 6.6.2 wordt toegelicht waarom deze bevoegdheid
niet aan de eigenrisicodrager zelf wordt toegekend.
De hoogte van de sanctie
moet - zoals ook op grond van de huidige wetgeving het geval is - worden afgestemd op de ernst van de gedraging en de
mate waarin de
belanghebbende de gedraging verweten kan worden. Indien de sanctie bestaat
uit het opleggen van een boete, worden bij de belangenafweging ook de omstandigheden waarin de uitkeringsgerechtigde
verkeert, betrokken. Bij
het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid wordt in elk geval
afgezien van het opleggen van een sanctie.
Bevoegdheid tot het
opleggen van sancties door het UWV
Het
UWV
is bevoegd om
sancties (maatregelen en bestuurlijke boeten) op te leggen. Dit kunnen
sancties zijn in verband met het niet of in onvoldoende mate (bijvoorbeeld het
niet tijdig) naleven van verplichtingen in het kader van het recht
en de hoogte van de uitkering. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn
indien de uitkeringsgerechtigde bepaalde informatie niet of niet tijdig heeft
verstrekt. Daarnaast kan het gaan om sancties die worden opgelegd op
het moment dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte niet of in onvoldoende mate meewerkt aan zijn reïntegratie.
Tegen de beslissing tot
sanctieoplegging kan de gedeeltelijk arbeidsgeschikte uiteraard bezwaar maken
en daarna eventueel beroep instellen. Langs deze weg heeft de
uitkeringsgerechtigde dezelfde rechtsbescherming als hij thans op grond
van de huidige wet- en regelgeving heeft.
rblz.|56|
Lik-op-stukbeleid
Noodzakelijk voor een
succesvol sanctiebeleid is de snelheid waarmee een sanctie wordt
opgelegd. Immers, hoe minder tijd er zit tussen de geconstateerde niet- of
onvoldoende naleving van de verplichtingen, des te meer wordt de sanctie
gevoeld als een reactie op de gedraging. Daarom wordt bij niet- of
onvoldoende naleving van de reïntegratieverplichtingen gestreefd naar een
lik-op-stukbeleid. Het UWV
zal hiertoe zijn werkprocessen zo
efficiënt mogelijk moeten inrichten.
Na een melding van
sanctiewaardig gedrag moet onderzoek plaatsvinden door het UWV
om te bezien
of daadwerkelijk tot sanctieoplegging moet worden overgegaan. Dit
kost enige tijd, wat in de praktijk ten koste gaat van het voeren van een
lik-op-stukbeleid. Dit kan voorkomen worden als het UWV vaker dan thans
het geval is gebruikt maakt van de mogelijkheid om de uitkering geheel of
gedeeltelijk op te schorten dan wel te schorsen voor een periode van
maximaal acht weken. Tijdens deze periode dient het UWV te onderzoeken of de
melding van het reïntegratiebedrijf moet leiden tot
sanctieoplegging. Het is de bedoeling dat het UWV zo snel mogelijk na ontvangst van
de melding van het reïntegratiebedrijf met het onderzoek begint.
De bevoegdheid om een
uitkering op te schorten dan wel te schorsen, is niet nieuw voor het UWV.
Nieuw is wel de bepaling
dat het UWV
op het moment dat hij van een reïntegratiebedrijf een
melding krijgt dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte niet of in onvoldoende
mate meewerkt aan zijn reïntegratie verplicht is een besluit te nemen over
opschorting dan wel schorsing van de uitkering. Het belang van
niet-naleving van de reïntegratieverplichtingen wordt afgewogen tegen het
belang van het tijdelijk opschorten of schorsen van de uitkering in verband
met het te starten onderzoek naar de noodzaak van het opleggen van een
sanctie aan de betrokkene. In dit geval hoeft het UWV nog geen
belangenafweging omtrent de eventuele sanctieoplegging te maken. Ook nieuw is de
expliciete bepaling dat een uitkering gedeeltelijk kan worden opgeschort of
geschorst.
Tegen de beslissing van
het UWV
om de betaling van de uitkering geheel of gedeeltelijk op te
schorten of te schorsen, kan de gedeeltelijk arbeidsgeschikte bezwaar en beroep
instellen.
In de praktijk kan een
besluit tot schorsing gevolgd worden door een besluit om geen maatregel
op te leggen. Voorts kan een besluit om niet te schorsen gevolgd worden
tot een besluit om een maatregel op te leggen. Het UWV
kan met heldere toelichting in de besluiten voorkomen dat dit
leidt tot verwarring of
onduidelijkheid bij de verzekerde of het ingeschakelde reïntegratiebedrijf (aan
wie wordt teruggekoppeld wat er met de melding is gebeurd).
6.6.2. Sanctiebeleid
eigenrisicodrager
Met
betrekking tot het
sanctiebeleid voor eigenrisicodragers zijn de volgende uitgangspunten
voor de regering leidend geweest. Ten eerste: degene die zelf
verantwoordelijk is voor reïntegratie én de uitkering moet betalen, moet ook zelf
directe invloed kunnen uitoefenen op een eventueel op te leggen sanctie. Ten
tweede: niet alleen voor UWV, maar ook voor eigenrisicodragers is het
van belang dat de periode tussen constatering en sanctieoplegging zo
kort mogelijk is, dus dat er een effectief lik-op-stukbeleid kan worden
gevoerd.
rblz.|57|
Naar het oordeel van de
regering komen beide uitgangspunten het best tot hun recht door
eigenrisicodragers de bevoegdheid te geven zelf sancties op te leggen. Een
variant, waarbij het UWV
op verzoek van de eigenrisicodrager sancties oplegt, zou de
integrale verantwoordelijkheid van de eigenrisicodrager doorbreken en bovendien een vertraging opleveren bij
de sanctieoplegging
doordat altijd eerst voorlegging aan het UWV moet plaatsvinden.
Door eigenrisicodragers
de bevoegdheid tot sanctieoplegging te geven, worden zij (voor wat
betreft deze bevoegdheid) aangemerkt als bestuursorgaan. Dat betekent dat de
eigenrisicodrager bij sanctieoplegging, evenals het UWV, gehouden
is aan eisen die uit de Algemene wet bestuursrecht
voortvloeien. Dit betekent bijvoorbeeld dat de eigenrisicodrager de beslissing tot een
sanctieoplegging gedegen moet motiveren, gebonden is aan
beslistermijnen en dat de betrokkene de mogelijkheid heeft om tegen de
beslissing bezwaar te maken. De eigenrisicodrager zal derhalve een
bezwaarprocedure moeten inrichten. Tegen de beslissing op bezwaar kan de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte beroep instellen bij de rechtbank. Voordeel
hiervan is dat
voor alle gedeeltelijk arbeidsgeschikten, ongeacht of de WGA door
het UWV of een eigenrisicodrager wordt uitgevoerd, dezelfde rechtsgang geldt
met dezelfde laagdrempelige toegang en dezelfde waarborgen.
Naast de eisen die de Awb
stelt, zal de eigenrisicodrager de hoogte van de sanctie moeten afstemmen
op de ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende
de gedraging verweten kan worden. Ook zal hij moeten afzien van het
opleggen van een maatregel indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt.
De bevoegdheid van de
eigenrisicodrager om sancties op te leggen, betreft uitsluitend het
opleggen van maatregelen. De eigenrisicodrager krijgt niet de
mogelijkheid om een bestuursrechtelijke boete op te leggen. De bestuurlijke boete is
een sanctie die valt onder het begrip "criminal
charge", daarom is
besloten om deze sanctie voor te behouden aan het UWV. Daarbij heeft ook
meegewogen dat het strafkarakter van de bestuursrechtelijke boete de relatie tussen de eigenrisicodrager en de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte ernstig kan verstoren. Bovendien is bestraffing voorbehouden aan de
overheid.
De bevoegdheid van de
eigenrisicodrager strekt zich niet uit tot de sanctie om de uitkering blijvend,
geheel te weigeren (thans vijfde categorie, verzekerde mag zijn
arbeidsongeschiktheid niet opzettelijk veroorzaken). Deze sanctie kan uitsluitend
door het UWV
worden opgelegd. Dit houdt in dat het UWV bij de
vaststelling van het recht op uitkering ook moet toetsen of de arbeidsongeschiktheid
opzettelijk is veroorzaakt.
Hoewel het
lik-op-stukbeleid voor de eigenrisicodrager niet (wettelijk) wordt voorgeschreven,
heeft dit wel een belangrijke rol gespeeld bij de afweging van de regering
om de eigenrisicodrager een eigen bevoegdheid tot sanctieoplegging toe
te kennen. Zoals gesteld, is het ook voor de eigenrisicodrager van belang dat de periode tussen constatering en
sanctieoplegging zo kort
mogelijk is. Dit maakt dat de eigenrisicodrager met de betrokken partijen
(reïntegratiebedrijf, verzekeraar, UWV) goede afspraken moet maken over
procedures over (onder andere) meldingen inzake medewerking aan
reïntegratie en gegevensuitwisseling, waardoor ook hij een effectief
lik-op-stukbeleid kan voeren.
rblz.|58|
6.7. Reïntegratie van
volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
Voor volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten geldt dat het UWV
bij de claimbeoordeling heeft
vastgesteld dat zij geen mogelijkheden hebben tot het verrichten van arbeid
bij een reguliere werkgever. Er is voor deze groep daarom geen
verplichting zich beschikbaar te stellen voor de arbeid of om te trachten arbeid
te verwerven. Het UWV zet voor deze groep geen reïntegratietrajecten
in.
Ofschoon een volledig en
duurzaam arbeidsongeschikte beschikt over een beperking, waardoor er
geen mogelijkheden zijn tot het verrichten van arbeid bij een reguliere
werkgever, is het toch mogelijk dat hij of zij erin slaagt op eigen kracht
inkomsten te verwerven. Dit is mogelijk indien de volledig en duurzaam arbeidsongeschikte een bij de claimbeoordeling
door niemand te voorziene
inkomensbron weet te verwerven. In dat geval kan de volledig en
duurzaam arbeidsongeschikte aanspraak maken op arbeidsplaatsvoorzieningen.
Mocht sprake zijn van een dienstbetrekking, dan kan de werkgever van
de volledig en duurzaam arbeidsongeschikte aanspraak maken op de
no-riskpolis en de premiekorting.
Indien een volledig en
duurzaam arbeidsongeschikte van mening is dat toch sprake is van
resterende arbeidscapaciteit, dan kan hij het UWV
vragen om een
herbeoordeling. In het geval dat uit deze herbeoordeling blijkt dat toch nog
resterende verdiencapaciteit aanwezig is, dan wordt deze persoon beschouwd
als gedeeltelijk arbeidsgeschikte en kan hij aanspraak maken op
ondersteuning bij reïntegratie door het UWV in de vorm van een
reïntegratietraject.
7. De inkomensbescherming
van volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
7.1. Hoogte van de
uitkering
De hoogte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering (de IVA-uitkering) bedraagt 70% van het
dagloon. Het dagloon is gemaximeerd op het maximumdagloon. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering zal met terugwerkende kracht met ingang van 1
januari 2006 worden verhoogd met 5 procentpunt indien voldaan
is aan twee voorwaarden: de instroom in de IVA is in 2006 daadwerkelijk
beperkt gebleven tot 25 000 op twaalfmaandsbasis (vast te stellen in
augustus 2007 op basis van de in juli 2007 beschikbare cijfers) en de intentie
van de in de Stichting van de Arbeid vertegenwoordigde centrale organisaties van
werkgevers en werknemers (zoals verwoord in punt 2 van de
Stichtingsverklaring van 5 november 2004) is ook daadwerkelijk uitgevoerd door CAO-partijen.
7.2. Anticumulatie
Een arbeidsongeschikte
die op enig moment meer dan 20% van zijn oorspronkelijk loon
verdient, voldoet de facto niet meer aan de definitie van volledige
arbeidsongeschiktheid, maar is gedeeltelijk (of zelfs geheel) arbeidsgeschikt. Het zou
echter niet redelijk zijn het recht op uitkering meteen te beëindigen.
Het is immers niet duidelijk of deze inkomsten blijvend zullen zijn of
eenmalig. Het inkomen van een volledig duurzaam arbeidsongeschikte wordt
gekort met 70% van het inkomen in een betreffende maand. Na een periode van
één jaar wordt betrokkene, als hij nog steeds inkomsten uit
arbeid ontvangt die de 20% loonverschil te boven gaan, opnieuw beoordeeld.
In beginsel zal dan het recht op IVA-uitkering eindigen en zal
betrokkene veelal als gedeeltelijk arbeidsgeschikt aangemerkt worden. Voor de
volledigheid zij vermeld dat dit niet geldt voor rblz.|59|
volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten die Wsw-arbeid verrichten; bij hen kan de anticumulatie
voortduren.
7.3. Flexibele keuring
Er zijn zieke werknemers
waarvan het al in een eerder stadium dan na twee jaar ziekte
duidelijk is dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschiktheid zijn. In dat geval
vervalt de ratio van de reïntegratie-inspanningen en de financiële prikkel
voor de werkgever. De SER
heeft hier terecht op gewezen en ook de Tweede Kamer heeft hiervoor gepleit
(motie-Dittrich,
Kamerstukken 2003-2004, 29 231, nr. 15). Om die reden is in dit wetsvoorstel geregeld
dat deze categorie al eerder dan na de reguliere wachttijd van twee jaar
in aanmerking kan komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Daartoe kunnen zij een
aanvraag voor een kortere wachttijd
indienen, die dan tevens geldt als aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Als zij inderdaad volledig en duurzaam arbeidsongeschiktheid
zijn, krijgen zij vanaf dat moment een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het recht op
loondoorbetaling loopt door tot de termijn van twee jaar
ziekte verstreken is: de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt hierop in mindering
gebracht. De reden hiervoor is dat werknemers anders
benadeeld zouden worden in het geval zij van hun werkgever in het eerste
ziektejaar een volledige loondoorbetaling zouden ontvangen. Om
harmonisatie met de ontslagbescherming te bewerkstelligen, loopt die door tot er
twee jaar verstreken zijn.
Er kan alleen een eerdere
aanvraag voor uitkering worden ingediend als aan een aantal
voorwaarden voldaan is: een vervroegde aanvraag kan slechts één keer worden
ingediend (als hij wordt afgewezen, kan na twee jaar ziekte een nieuwe
aanvraag worden ingediend) en de aanvraag moet vergezeld gaan van een verklaring van de bedrijfsarts dat er naar zijn
stellige overtuiging
sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De verklaring van de
bedrijfsarts moet mede gebaseerd zijn op een verklaring van de behandelende medisch specialist. Dit wordt geregeld
in de ministeriële
regeling procesgang [Regeling procesgang
eerste en tweede ziektejaar, red.]. Daarnaast geldt dat de verkorte wachttijd
minimaal 26 weken en maximaal 78 weken bedraagt. De reden voor de minimale
termijn is dat in het algemeen pas daarna een stabiele situatie bereikt
wordt en voor de maximale termijn dat zo voorkomen wordt dat iemand bij een
afwijzing twee keer binnen een halfjaar beoordeeld zou worden.
Tot slot is een voorwaarde is dat alleen een eerdere aanvraag voor
uitkering kan worden gedaan als er sprake is van een stabiele situatie,
dat wil zeggen dat er geen mogelijkheden zijn om in arbeid te functioneren en
dat er ook geen kans op herstel is.
Personen die een geringe
kans op herstel hebben, kunnen wel na twee jaar in aanmerking komen
voor een IVA-uitkering, maar zij kunnen niet in aanmerking komen voor een
flexibele keuring.
Zieke werknemers met een
Ziektewetuitkering (die onder het vangnet ZW vallen) kunnen niet in
aanmerking komen voor een flexibele keuring. De redenen hiervoor hangen
samen met de bijzondere positie van vangnetters bij ziekte. Zij hebben in
het algemeen geen werkgever, waardoor er geen aanleiding is voor
een flexibele keuring voor deze categorie. In hun situatie zijn
reïntegratie-inspanningen en financiële prikkels in de vorm van een
loondoorbetalingsplicht voor de werkgever immers niet aan de orde. Het UWV
is hiervoor
verantwoordelijk.
rblz.|60|
8. De inkomensbescherming
van gedeeltelijk arbeidsgeschikten
Het uitkeringsregime voor
gedeeltelijk arbeidsgeschikten staat in het teken van het benutten van hun
arbeidsmogelijkheden. Gedeeltelijk arbeidsgeschikten zijn personen die -
nadat zij gedurende ten minste twee jaar wegens ziekte hun
bedongen arbeid niet (volledig) konden verrichten - ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn, maar niet volledig én duurzaam.
Het uitkeringsregime
beoogt hen zoveel mogelijk te stimuleren tot voortzetting van de arbeid dan wel tot
activiteiten waarmee zij (meer) passende arbeid kunnen verkrijgen.
Dit brengt mee dat het verrichten van (meer) betaalde arbeid altijd
financieel lonend moet zijn. Voorts dient de gedeeltelijk arbeidsgeschikte te
worden gestimuleerd om zijn resterende verdiencapaciteit te benutten. Deze uitgangspunten hebben ten grondslag
gelegen aan het
uitkeringsregime, dat er - kort samengevat - als volgt uitziet:
1. Na twee jaar ziekte
heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte eerst aanspraak op een
loongerelateerde uitkering ingevolge de regeling werkhervatting
gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De hoogte van deze loongerelateerde
WGA-uitkering is 70% van het dagloon als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte niet werkt en 70% van het verschil tussen het dagloon en het met
werken verdiende inkomen als de gedeeltelijk arbeidsgeschikte wel
werkt. De loongerelateerde uitkering kan ook in formulevorm worden
weergegeven, te weten als 0,7 * (dagloon - inkomen). Volledigheidshalve:
het dagloon kent een maximum. De duur van de loongerelateerde
WGA-uitkering is - conform de WW
- afhankelijk van het arbeidsverleden.
2. Na afloop van de
loongerelateerde WGA-uitkering heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte bij niet
of onvoldoende werken aanspraak op een WGA-vervolguitkering en
bij voldoende werken aanspraak op een loonaanvulling. Van
voldoende werken is sprake als de gedeeltelijk arbeidsgeschikte 50% van
zijn resterende verdiencapaciteit benut.
- Als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte niet aan deze inkomenseis voldoet, heeft hij recht
op een WGA-vervolguitkering, waarvan de hoogte een percentage van
(70% van) het wettelijk minimumloon bedraagt. Dit percentage
is hoger naarmate de betrokkene minder arbeidsgeschikt is en
varieert van 28% tot en met 50,75%.
- Als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte wel aan deze inkomenseis voldoet, heeft hij recht
op een loonaanvulling, waarvan de hoogte 70% van het verschil
tussen het dagloon en de resterende verdiencapaciteit bedraagt. Ofwel: de
loonaanvulling bedraagt 0,7 * (dagloon - resterende
verdiencapaciteit). Indien de gedeeltelijk arbeidsgeschikte meer
verdient dan zijn resterende verdiencapaciteit, bedraagt de hoogte van de
loonaanvulling 70% van het verschil tussen het
dagloon en dat inkomen, ofwel 0,7 * (dagloon - inkomen).
De gedeeltelijk
arbeidsgeschikte heeft in beginsel tot zijn 65ste jaar aanspraak op één van
beide uitkeringen. Hierbij geldt een maandsystematiek: de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte heeft in een bepaalde kalendermaand hetzij
recht op de WGA-vervolguitkering, hetzij recht op de loonaanvulling.
Dit uitkeringsregime
wordt hieronder nader toegelicht, terwijl in de bijlage een aantal voorbeelden is
beschreven waarmee duidelijk wordt gemaakt hoe de uitkerings- en
inkomensontwikkeling is in verschillende situaties. Voorts wordt in het
volgende hoofdstuk ingegaan op de voorwaarden voor het ontstaan van het
recht op een uitkering ingevolge de WGA, de eindigingsgronden van het
recht en de mogelijkheid tot herleving van het recht.
rblz.|61|
8.1. De loongerelateerde
periode
De gedeeltelijk
arbeidsgeschikte heeft na twee jaar ziekte recht op een uitkering ingevolge de
WGA, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan (zie volgend
hoofdstuk).
Hij heeft eerst aanspraak op een loongerelateerde WGA-uitkering. De hoogte
van deze loongerelateerde uitkering is afhankelijk van de vraag of de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte een inkomen verdient door het verrichten van
arbeid (als werknemer of als zelfstandige). Als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte geen arbeid verricht, is de hoogte van de loongerelateerde
WGA-uitkering 70% van het dagloon. Als de gedeeltelijk arbeidsgeschikte wel
arbeid verricht, is de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering 70% van het
verschil tussen het dagloon en het met werken verdiende
inkomen. In formulevorm weergegeven bedraagt de hoogte van de
loongerelateerde uitkering 0,7 * (dagloon - inkomen). Voorts geldt er
een bodem: de loongerelateerde WGA-uitkering kan niet lager zijn dan
de hoogte van de WGA-vervolguitkering, dat wil zeggen de
loongerelateerde WGA-uitkering bedraagt ten minste een percentage van het
wettelijk minimumloon (of het dagloon als dat lager is). Deze bodem is van
belang voor degenen die (veel) meer verdienden dan het maximumdagloon.
Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het laatste
voorbeeld in de bijlage.
Deze vormgeving van de
loongerelateerde WGA-uitkering heeft een aantal voordelen. Ten eerste
komt het loondervingskarakter van de WGA in de uitkeringsstructuur goed
tot uitdrukking. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering bedraagt
immers 70% van het feitelijke loonverlies dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte lijdt. Ten tweede heeft de
uitkeringsstructuur tot
gevolg dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte er in inkomen op vooruit gaat
als hij (meer) gaat werken. Bij iedere euro aan extra inkomsten uit
arbeid neemt zijn totale inkomen met €|0,30 toe, doordat
€|0,70 wordt
verrekend met de uitkering. Op deze manier wordt de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte gestimuleerd om (meer) te gaan werken. Tot slot heeft de
uitkeringsstructuur tot gevolg dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte geen beroep behoeft te
doen op twee loondervingsuitkeringen. Dit betekent een
vergaande vereenvoudiging ten opzichte van de huidige situatie; een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte met een WAO-uitkering moet nu
- indien hij
(gedeeltelijk) werkloos is - tevens een WW-uitkering aanvragen.
Evenals in de huidige
situatie kan de gedeeltelijk arbeidsgeschikte een beroep doen op de TW als
zijn (gezins)inkomen onder het voor hem geldende sociaal minimum
ligt. Dit zal zich vooral voordoen bij gedeeltelijk arbeidsgeschikten die
- vóór de aanvang van de loongerelateerde WGA-uitkering - een
inkomen op of rond het wettelijk minimumloom verdienden en een partner
zonder inkomsten hebben. Als het (gezins)inkomen van de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte die een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangt lager is dan het voor hem geldende
sociaal
minimum, kan hij
ingevolge de TW aanspraak maken op een aanvulling tot dat minimum. Op een
aanvulling tot het sociaal minimum bestaan - evenals in de huidige situatie
- twee uitzonderingen. De eerste uitzondering
betreft de situatie dat
het dagloon van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte lager is dan het minimumloon. In dat geval geeft de TW een aanvulling tot het
dagloon. De tweede uitzondering betreft de situatie dat de echtgenoot van de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte geboren is na 31 december 1971, terwijl
tot hun huishouden niet een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind behoort
dat jonger is dan 12 jaar. In dat geval bestaat geen recht op een
aanvulling ingevolge de TW.
De duur van de
loongerelateerde WGA-uitkering is, overeenkomstig de WW, afhankelijk van het
arbeidsverleden en varieert van een half- tot vijf rblz.|62|
jaar. De koppeling van de
duur van de loongerelateerde uitkering aan het arbeidsverleden zal
overigens pas op 1 januari 2008 effectief worden, omdat het UWV
in zijn
commentaar heeft aangegeven dat invoering ervan per 1 januari 2006 niet
mogelijk is (zie hierna in paragraaf 12.1). In de periode vanaf de
invoeringsdatum van het wetsvoorstel tot 1 januari 2008 zal de duur van de
loongerelateerde uitkering daarom worden gerelateerd aan de leeftijd van
betrokkene op de dag waarop zijn WGA-uitkering ingaat. Daarbij geldt bij
elke leeftijdscategorie een zodanige duur dat deze vrijwel gelijk is aan de
duur ingevolge het onderhavige wetsvoorstel. Deze overgangsregeling zal
worden geregeld in het wetsvoorstel Invoeringswet
WIA.
8.2. De fase na de
loongerelateerde periode
Ook na de
loongerelateerde periode kunnen gedeeltelijk arbeidsgeschikten aanspraken ontlenen aan
het onderhavige wetsvoorstel. Eén groep gedeeltelijk
arbeidsgeschikten is direct aangewezen op deze aanspraken, omdat zij
geen recht hebben op een loongerelateerde WGA-uitkering. Dit
betreft de gedeeltelijk arbeidsgeschikten die niet voldoen aan de
referte-eis (zie volgend hoofdstuk): zij komen direct in aanmerking voor de
aanspraken die hieronder worden besproken.
Na afloop van de
loongerelateerde periode is van belang of de gedeeltelijk arbeidsgeschikte al dan
niet 50% van zijn resterende verdiencapaciteit benut. Als de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte in een bepaalde maand geen inkomsten uit arbeid
heeft of een inkomen verdient dat lager is dan 50% van zijn resterende verdiencapaciteit, heeft hij aanspraak op een
WGA-vervolguitkering. De
hoogte van deze uitkering bedraagt een percentage van het wettelijk minimumloon of,
als het dagloon lager is dan het wettelijk
minimumloon, een percentage van het dagloon.
Dit percentage is lager
naarmate de betrokkene minder arbeidsgeschikt is:
• Bij een mate van
arbeidsongeschiktheid vanaf 35% tot 45%, is het percentage 28%.
• Bij een mate van
arbeidsongeschiktheid vanaf 45% tot 55%, is het percentage 35%.
• Bij een mate van
arbeidsongeschiktheid vanaf 55% tot 65%, is het percentage 42%.
• Bij een mate van
arbeidsongeschiktheid vanaf 65% tot 80%, is het percentage 50,75%.
Volledigheidshalve wordt
opgemerkt dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte die ten minste 80% arbeidsongeschikt is niet in aanmerking komt voor de
WGA-vervolguitkering,
omdat hij aanspraak heeft op de loonaanvulling. Op deze situatie wordt in
het vervolg van deze paragraaf nog ingegaan.
Als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte in een bepaalde maand een inkomen verdient dat ten minste
gelijk is aan 50% van zijn resterende verdiencapaciteit, heeft hij aanspraak op
een loonaanvulling. De hoogte van deze loonaanvulling bedraagt
70% van het verschil tussen het dagloon en de resterende
verdiencapaciteit indien de gedeeltelijk arbeidsgeschikte een inkomen verdient dat ligt
tussen 50% en 100% van zijn resterende verdiencapaciteit. In dit inkomenstraject is
de loonaanvulling dus een vast bedrag. Het voorgaande
betekent dat als de betrokkene een inkomen verdient dat gelijk is
aan zijn resterende verdiencapaciteit, de hoogte van zijn loonaanvulling
gelijk is aan 70% van het verschil tussen het dagloon en het met werken
verdiende inkomen. Dit komt overeen met de wijze waarop de hoogte van de
loongerelateerde WGA-uitkering wordt berekend. Ook als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte meer verdient dan zijn resterende
verdiencapaciteit, bedraagt de hoogte van de loonaanvulling - evenals de
loongerelateerde WGA-uitkering - 70% van het verschil tussen het dagloon en het met
werken verdiende inkomen. Bij het voorgaande rblz.|63|
geldt als bodem de hoogte
van de WGA-vervolguitkering: de hoogte van de loonaanvulling kan
nooit lager zijn dan de WGA-vervolguitkering waar de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte aanspraak op zou hebben gehad als hij niet zou hebben voldaan
aan de inkomenseis. Deze bodem is, als gezegd, van belang voor degenen
die (veel) meer verdienden dan het maximumdagloon (zie het laatste
voorbeeld in de bijlage).
De gedeeltelijk
arbeidsgeschikte heeft in beginsel tot zijn 65ste jaar aanspraak op de
WGA-vervolguitkering of de loonaanvulling. Hierbij geldt een maandsystematiek: de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte heeft in een kalendermaand hetzij
recht op de WGA-vervolguitkering, hetzij recht op de loonaanvulling.
Ook de vormgeving van
deze uitkeringsstructuur zorgt ervoor dat de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte wordt gestimuleerd om zijn arbeidsmogelijkheden zoveel mogelijk te
benutten. Indien en zolang hij minder verdient dan zijn resterende
verdiencapaciteit, ontvangt hij een WGA-vervolguitkering die
een percentage van het wettelijk minimumloon bedraagt. Dit percentage
is ongeveer gelijk aan 0,7 maal het arbeidsongeschiktheidspercentage. Anders gezegd, de hoogte
van de WGA-vervolguitkering is
ongeveer gelijk aan 0,7 * het arbeidsongeschiktheidspercentage * het wettelijke
minimumloon. Met iedere euro aan extra inkomsten neemt het
totale inkomen van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte ook met één euro toe,
want de inkomsten uit arbeid worden niet (gedeeltelijk) verrekend met de
WGA-vervolguitkering. In het inkomenstraject tot 50% van de resterende
verdiencapaciteit is werken dus financieel lonend. Op het moment dat de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte een inkomen gaat verdienen van 50% van
zijn resterende verdiencapaciteit heeft hij aanspraak op een
loonaanvulling. De hoogte daarvan bedraagt 70% van het verschil tussen het
dagloon en de resterende verdiencapaciteit, wat - als het dagloon gelijk is
aan het maatmaninkomen - overeen komt met 0,7 * het
arbeidsongeschiktheidspercentage * het dagloon. De loonaanvulling is bij een inkomen gelijk
aan 50% van de resterende verdiencapaciteit dus hoger dan de
WGA-vervolguitkering, behalve ingeval het dagloon gelijk is aan het wettelijke
minimumloon. In dat laatste geval is de loonaanvulling gelijk aan de
WGA-vervolguitkering. In alle andere gevallen is, als gezegd, de loonaanvulling bij een
inkomensniveau van 50% van de resterende verdiencapaciteit hoger
dan de WGA-vervolguitkering. Het verschil tussen beide bedragen is groter
naarmate het dagloon hoger is dan het minimumloon en naarmate de mate van
arbeidsongeschiktheid groter is. Met andere woorden, het is afhankelijk van deze omstandigheden hoe groot
de prikkelwerking is die
van de inkomenseis uitgaat. Voorts heeft de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte in het inkomenstraject tussen 50% van de resterende
verdiencapaciteit en 100% van de resterende verdiencapaciteit ook een financiële
prikkel om meer te gaan werken: in dit traject neemt met iedere euro aan extra
inkomsten het totale inkomen van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte ook met
één euro toe, want de loonaanvulling bedraagt in dat traject
een vast bedrag. Anders gezegd, de inkomsten uit arbeid worden in dat
traject niet (gedeeltelijk) verrekend met de WGA-vervolguitkering. Tot
slot heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte ook een financiële prikkel
om meer te gaan verdienen dan zijn resterende verdiencapaciteit. In dat
inkomenstraject geldt hetzelfde als in de loongerelateerde periode (zie hiervoor):
bij iedere euro aan extra inkomsten neemt het totale inkomen
van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte met €|0,30 toe, doordat
€|0,70
wordt verrekend met de loonaanvulling.
De WGA is dus zo
vormgegeven dat er financiële prikkels bestaan om het werk te hervatten en om
de werkzaamheden zoveel mogelijk uit te breiden. Deze prikkelstructuur is van groot belang voor het welslagen van de doeleinden van de
WGA.
De regering zal dan ook volgen of deze rblz.|64|
prikkelstructuur niet
wordt doorkruist en zal eventuele bovenwettelijke aanvullingen die sociale
partners afspreken in CAO’s in dat licht beoordelen. Overigens is het van
belang op te merken dat het onderhavige
wetsvoorstel, dat in de
plaats komt van de huidige WAO, is te beschouwen als compleet
nieuw en dus niet als een wijziging van de WAO. Het zal daarom van
de inhoud van de betreffende CAO of rechtspositieregeling afhangen of de bestaande
afspraken over aanvullingen op de WAO-uitkeringen van
kracht blijven naast of in aanvulling op uitkeringen ingevolge dit
wetsvoorstel.
De hierboven geschetste
uitkeringsstructuur heeft tot gevolg dat de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte er belang bij heeft dat hij in een zo vroeg mogelijk stadium weet wat
hij moet verdienen om voor de loonaanvulling in aanmerking te komen.
Daarom zal hij bij de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering worden
geïnformeerd over deze inkomenseis en zal hem worden
meegedeeld wat 50% van zijn resterende verdiencapaciteit op dat moment inhoudt.
Daarbij zal wel de kanttekening worden geplaatst dat de resterende verdiencapaciteit in de loop der tijd nog kan
wijzigen, omdat zijn
arbeidsmogelijkheden kunnen toe- of afnemen. Vervolgens zal hem
uiterlijk twee maanden vóór afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering worden
meegedeeld welk bedrag hij ten minste moet verdienen om
voor de loonaanvulling in aanmerking te komen. Op deze manier
wordt niet langer de mate van arbeidsongeschiktheid bepaalt, maar juist
benadrukt welke mogelijkheden de werknemer wél heeft.
Volledigheidshalve wordt
hier opgemerkt dat de (tijdelijk) volledig arbeidsongeschikten niet
aan de inkomenseis voor de loonaanvulling behoeven te voldoen. Dit
betekent dat de tijdelijk volledig arbeidsongeschikte geen inkomen behoeft te
verwerven om voor de loonaanvulling in aanmerking te komen. Bovendien kan de tijdelijk volledig arbeidsongeschikte
alsnog in aanmerking
komen voor een IVA-uitkering indien bij een herbeoordeling blijkt dat
zijn volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is. In de bijlage
wordt met voorbeelden toegelicht hoe de uitkeringsstructuur
uitwerkt voor volledig
arbeidsongeschikten.
Evenals tijdens de
loongerelateerde periode kan de gedeeltelijk arbeidsgeschikte in deze fase een beroep
doen op de TW indien zijn (gezins)inkomen lager is dan het voor hem
geldende sociaal minimum. In dat geval ontvangt hij, als gezegd,
veelal een aanvulling tot dat minimum. Deze wet wordt zo aangepast dat
een beroep op de Ioaw
niet meer nodig is.
Het uitkeringsregime voor
de gedeeltelijk arbeidsgeschikten vertoont materieel veel
overeenkomsten met het voorstel in het SER-advies van 22 maart 2002. Wel is er
qua vormgeving op vier punten sprake van een verschil.
• In de eerste plaats
is er een verschil met betrekking tot de uitkeringsregeling waarop niet-werkende
gedeeltelijk arbeidsgeschikten een beroep moeten doen. De
SER heeft voorgesteld dat gedeeltelijk arbeidsgeschikten bij
(onvrijwillige) volledige werkloosheid aanspraak hebben op een WW-uitkering indien aan de WW-toetredingsvoorwaarden
is voldaan. In het onderhavige wetsvoorstel wordt, anders dan in het
SER-voorstel, één uitkeringsregime voor gedeeltelijk
arbeidsgeschikten geregeld. Bij volledige werkloosheid hebben gedeeltelijk
arbeidsgeschikten aanspraak op een loongerelateerde uitkering ingevolge de
WGA, die qua hoogte en duur overeenkomt met de
loongerelateerde WW-uitkering. Materieel betekent dit dus geen verschil.
Wel maakt dit het stelsel voor werknemers en werkgevers
inzichtelijker en bijgevolg meer klantvriendelijk en eenvoudiger uitvoerbaar.
Bij afwisselend werken en niet werken rblz.|65|
behoeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte immers niet afwisselend een
beroep te doen op de WGA
respectievelijk de WW.
• In de tweede plaats
is er een verschil in de wijze waarop de uitkering bij werken wordt
berekend. In het SER-voorstel is deze uitkering, loonaanvulling genoemd, een
vast bedrag
dat afhankelijk is van de mate van arbeidsongeschiktheid
en het dagloon. Gevolg daarvan kan zijn dat het totale inkomen
bij werken (loon plus loonaanvulling) lager kan zijn dan het inkomen bij
niet werken (WW-uitkering). Een inkomensachteruitgang kan zich in het
SER-voorstel ook voordoen als de arbeidsongeschiktheid van
betrokkene afneemt doordat hij meer gaat verdienen. Dit komt door
het hanteren van arbeidsongeschiktheidsklassen. Vanwege deze nadelen is
in dit wetsvoorstel gekozen voor een loongerelateerde WGA-uitkering, waarvan de hoogte gelijk is aan 70%
van het verschil tussen
het dagloon en het met werken verdiende inkomen. Anders dan in
het SER-voorstel gaat de betrokkene er daardoor altijd in inkomen op
vooruit bij het aanvaarden van (meer) arbeid. Bij iedere euro aan extra
inkomsten uit arbeid gaat hij er in totaal €|0,30 op vooruit,
omdat €|0,70 wordt verrekend met de uitkering. Ook de uitkeringsstructuur na
de loongerelateerde periode is zodanig vormgegeven dat (meer) werken altijd financieel lonend is.
• In de derde plaats is
er na de loongerelateerde periode sprake van een verschil tussen de
voorwaarden om in aanmerking te komen voor de loonaanvulling. In het
SER-voorstel heeft men aanspraak op een loonaanvulling, mits men inkomen uit
feitelijke arbeid verwerft. Daarbij wordt geen eis gesteld
aan de omvang van de inkomsten. Dit zou betekenen dat het
verdienen van €|1,- voldoende
is om voor de loonaanvulling in aanmerking te komen.
Aan deze eis is derhalve snel voldaan. Daarentegen
dient men in het wetsvoorstel ten minste 50% van zijn resterende
verdiencapaciteit te benutten om in aanmerking te komen voor de
loonaanvulling. Daarvan gaat een prikkel richting werknemer uit om te werken naar
arbeidsvermogen.
• In de vierde plaats
is er een verschil met betrekking tot de uitkering bij niet werken na de
loongerelateerde periode. De SER heeft voorgesteld dat de betrokkene alsdan
recht heeft op een individuele minimumuitkering, die geen vermogenstoets
kent (overeenkomstig de huidige Ioaw) en evenmin een partnerinkomenstoets (in afwijking van de
huidige Ioaw), met dien
verstande dat indien de partner eveneens recht heeft op die
minimumuitkering, een maximering plaatsvindt in die zin dat de partners
gezamenlijk een uitkering ontvangen van maximaal 100% van het minimumloon. Aldus is ten aanzien van de huidige
Ioaw
sprake van een
verdergaande mate van individualisering van uitkeringsrechten,
hetgeen de SER van groot belang acht met het oog op het realiseren van
economische zelfstandigheid. In het onderhavige wetsvoorstel heeft de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte die niet of onvoldoende werkt, na de
loongerelateerde periode aanspraak op een WGA-vervolguitkering en
daarnaast eventueel op een TW-uitkering. De TW kent
- evenals de Ioaw
- geen vermogenstoets, maar wel een gezinsinkomenstoets. De
belangrijkste reden om de gezinsinkomenstoets te handhaven, is dat een
individuele minimumuitkering, zoals de SER die voorstelt, voor veel gedeeltelijk arbeidsgeschikten een hoger
inkomen zou betekenen in
vergelijking met de huidige situatie. Dit zou de financiële prikkel om
werk te aanvaarden, verkleinen. In de huidige situatie hebben veel gedeeltelijk arbeidsgeschikten met een gecombineerde
WAO- en
WW-uitkering na
eindiging van hun WW-uitkering geen recht op een Ioaw-uitkering vanwege de inkomsten van hun partner. Dit betekent dat
zij "slechts" recht hebben op een gedeeltelijke WAO-uitkering. Deze
uitkering is veelal lager dan 70% van het minimumloon, zodat een individuele
uitkering op minimumniveau tot een hoger inkomen voor
gedeeltelijk arbeidsgeschikten zou leiden dan waar ze nu recht op
hebben. Dat vermindert de financiële prikkel voor rblz.|66|
deze groep om werk te
aanvaarden, terwijl deze prikkel juist zou moeten worden vergroot,
omdat een groot deel van deze groep momenteel niet werkt.
Daarom is er in dit wetsvoorstel voor gekozen om de hoogte van de
WGA-vervolguitkering (mede) te relateren aan het wettelijk
minimumloon, dat in veel gevallen lager zal zijn dan het huidige
WAO-vervolgdagloon. Dit stimuleert de niet-werkende gedeeltelijk arbeidsgeschikten om
hun
resterende verdiencapaciteit te benutten.
9. Het recht op uitkering
In de vorige twee
hoofdstukken is ingegaan op de hoogte en duur van de verschillende uitkeringen
die op basis van dit wetsvoorstel kunnen worden verkregen. In dit
hoofdstuk komt aan de orde wanneer een recht op uitkering ontstaat,
wanneer dit recht eindigt en wanneer het herleeft. Het UWV
stelt vast of in
het individuele geval aan de voorwaarden voor het ontstaan of herleven
van het recht is voldaan dan wel of zich een eindigingsgrond voordoet.
Daarbij heeft het UWV geen beleidsvrijheid: als aan de in de wet genoemde
voorwaarden voor het ontstaan of herleven van het recht is voldaan,
heeft de betrokkene recht op een uitkering; zo niet, dan heeft hij geen
recht op een uitkering. En als zich een in de wet genoemde eindigingsgrond
voordoet, stelt het UWV vast dat het recht op uitkering is geëindigd.
Bij lezing van het
navolgende is het volgende van belang. Het wetsvoorstel onderscheidt twee
rechten: een recht op uitkering ingevolge de IVA (ook wel IVA-uitkering
genoemd) en een recht op uitkering ingevolge de WGA (ook wel
WGA-uitkering genoemd). Het object van het recht, de IVA-uitkering of de
WGA-uitkering, is niet een vast bedrag, maar kan qua hoogte variëren in de
loop der tijd. Behalve van inkomsten uit arbeid is dit vooral het gevolg van een
andere berekeningswijze. Om dat laatste onderscheid duidelijk te maken, is in
hoofdstuk 8 gesproken van de loongerelateerde WGA-uitkering
respectievelijk WGA-vervolguitkering of loonaanvulling. Het is echter niet zo dat
het recht op WGA-uitkering eindigt aan het eind van de loongerelateerde fase; dit recht loopt in beginsel door,
zij het dat de hoogte van
de uitkering op een andere wijze wordt berekend. Deze wijziging wordt
verwoord door te spreken over de loongerelateerde WGA-uitkering
respectievelijk de WGA-vervolguitkering of loonaanvulling, maar het
betreft formeel gesproken één recht op WGA-uitkering. Het recht
op WGA-uitkering loopt ook door als de gedeeltelijk arbeidsgeschikte die
minder verdient dan 50% van zijn resterende verdiencapaciteit zijn
werkzaamheden zodanig uitbreidt dat hij alsnog dat bedrag gaat verdienen.
Deze uitbreiding heeft wel tot gevolg dat hij een hogere uitkering,
loonaanvulling genoemd, ontvangt.
9.1. Ontstaan van het
recht op uitkering
Uitgangspunt is dat
direct na afloop van de wachttijd van 104 weken, waarin recht op
loondoorbetaling of ziekengeld bestond, moet worden voldaan aan alle
ontstaansvoorwaarden voor het recht op een IVA- of een WGA-uitkering. In een
viertal situaties kan het recht echter op een latere datum ontstaan, als op
dat moment alsnog aan alle ontstaansvoorwaarden is voldaan.
In de eerste plaats kan
het zijn dat de werkgever na afloop van de wachttijd het loon door moet
betalen. Dit kan zich in de volgende drie gevallen voordoen.
• Ten eerste als het UWV
de loondoorbetalingsplicht heeft verlengd, omdat de werkgever
onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht. In dat geval
ontstaat het recht op een IVA- of een rblz.|67|
WGA-uitkering als de
periode is verstreken waarmee de loondoorbetalingsplicht is verlengd.
• Ten tweede loopt de
loondoorbetalingsplicht van de werkgever na de wachttijd door als hij
zijn werknemer te laat heeft ziek gemeld bij het UWV. De duur van de
verlenging van de loondoorbetalingsperiode is in dit geval gelijk aan
het aantal dagen dat de ziekmelding te laat is gedaan.
• Ten derde loopt de
loondoorbetalingsplicht door als de werkgever en de betrokken werknemer
daartoe gezamenlijk een verzoek hebben ingediend bij het UWV.
Deze vrijwillige verlenging van de loondoorbetalingsperiode bestaat ook nu reeds in
de WAO. Deze keuzemogelijkheid kan onnodig verblijf in de uitkering, omdat het herstelproces nog
gaande is, voorkomen.
In de tweede plaats kan
de betrokkene na afloop van de wachttijd van 104 weken én de loondoorbetalingsplicht recht hebben op een
IVA-uitkering, omdat hij aan de
ontstaansvoorwaarden voor dat recht voldoet. Hij heeft dan uiteraard geen recht
op een WGA-uitkering. Als de betrokkene op een later moment echter wordt
afgeschat, dat wil zeggen als wordt vastgesteld dat hij niet meer
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt maar wel gedeeltelijk
arbeidsgeschikt is, dan ontstaat alsnog recht op een WGA-uitkering, mits wordt
voldaan aan de referte-eis (zie hierna) en zich op dat moment geen
uitsluitingsgrond voordoet. Ook de omgekeerde situatie kan zich
voordoen: de betrokkene is na afloop van de wachttijd van 104 weken én de
loondoorbetalingsplicht gedeeltelijk arbeidsgeschikt, maar niet volledig
duurzaam arbeidsongeschikt. Als op een later moment wordt vastgesteld dat de
betrokkene volledig duurzaam arbeidsongeschikt is, heeft hij alsnog
recht op een IVA-uitkering.
In de derde plaats kan de
betrokkene na afloop van de wachttijd van 104 weken én de loondoorbetalingsplicht minder dan 35% arbeidsongeschikt
zijn, maar wel aan alle
overige ontstaansvoorwaarden voor het recht op een IVA- of WGA-uitkering
voldoen. Als de betrokkene binnen vier weken na het einde van de
loondoorbetalingsplicht ten minste 35% of duurzaam volledig
arbeidsongeschikt wordt, ontstaat alsnog recht op een WGA
respectievelijk
IVA-uitkering. Deze
regeling komt overeen met het huidige artikel
19, derde lid, WAO
en heeft te maken met het feit dat perioden van arbeidsongeschiktheid die
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
worden samengeteld. In dit geval doet niet ter zake wat de oorzaak is van de
arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vier weken na de
loondoorbetalingsperiode. Deze oorzaak is wel van belang
bij de volgende regeling.
Als binnen vijf jaar na het einde van de loondoorbetalingsplicht de arbeidsongeschiktheid
van betrokkene zodanig toeneemt dat hij ten
minste 35% of volledig duurzaam arbeidsongeschikt is, dan ontstaat alsnog
recht op een WGA- respectievelijk IVA-uitkering, mits de toegenomen
arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak op basis waarvan
de betrokkene recht had op loondoorbetaling of ziekengeld. Bovendien
dient zich op dat moment geen uitsluitingsgrond voor te doen. De
mogelijkheid dat het recht alsnog op een later moment kan ontstaan bij
toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak is een voorzetting van
het huidige beleid (artikel 43a WAO).
In de vierde plaats kan
na afloop van de wachttijd van 104 weken én de loondoorbetalingsplicht
zich een uitsluitingsgrond voordoen, terwijl de betrokkene wel aan alle
overige ontstaansvoorwaarden voor het recht op een IVA- of WGA-uitkering
voldoet. Een uitsluitingsgrond houdt in dat een recht op uitkering niet
ontstaat of een bestaand recht eindigt als de bedoelde omstandigheid
zich in het individuele geval voordoet. Bij het ontstaan van het recht op
uitkering moet in tweeërlei opzicht onderscheid worden gemaakt tussen de
verschillende uitsluitingsgronden. Ten eerste rblz.|68|
zijn er enkele
uitsluitingsgronden (65 jaar worden, overlijden en vrijstelling van verzekering wegens
gemoedsbezwaren) die, als ze zich hebben voorgedaan in de loondoorbetalingsperiode of zich voordoen op de eerste
dag na afloop van de loondoorbetalingsperiode, ertoe leiden dat een recht
op uitkering ook later
niet alsnog kan ontstaan. Men zou ze kunnen aanmerken als "definitieve"
uitsluitingsgronden. Bij de overige
uitsluitingsgronden kan
het recht op een uitkering in beginsel wel alsnog later ontstaan, en wel op
het moment dat ze zich niet meer voordoen. Aan de mogelijkheid voor het
alsnog ontstaan van het recht op uitkering wordt in een aantal gevallen
echter een begrenzing in de tijd gesteld. Daarbij wordt onderscheid gemaakt
tussen de IVA en de WGA. Bij de hier bedoelde uitsluitingsgronden, te weten detentie
("rechtens zijn vrijheid
zijn ontnomen") en
wonen buiten Nederland, kan het recht op een IVA-uitkering alsnog
ontstaan, ongeacht hoe lang de uitsluitingsgrond zich heeft voorgedaan. Het
argument hiervoor is dat de volledig én duurzaam arbeidsongeschikte na
zijn detentie geen arbeid kan verrichten, maar de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte is daartoe wel in staat. Daarom geldt voor het alsnog ontstaan van
een recht op een uitkering ingevolge de WGA wel een beperking in de tijd:
binnen vijf jaar na afloop van de wachttijd of de loondoorbetalingsplicht
dienen de uitsluitingsgronden detentie en wonen buiten Nederland zich
niet meer voor te doen, wil het recht op een WGA-uitkering alsnog
kunnen ontstaan. Deze termijn is gelijk aan de termijn dat het recht op
WGA-uitkering alsnog kan ontstaan als de betrokkene minder dan 35%
arbeidsongeschikt is na afloop van de wachttijd of de
loondoorbetalingsplicht. Eén en ander betekent dat een recht op een WGA-uitkering dat niet
ontstaat na afloop van de wachttijd of de loondoorbetalingsplicht, niet meer kan ontstaan
als sindsdien vijf jaar zijn verstreken.
Ontstaansvoorwaarden
Het recht op de IVA- en
het recht op de WGA-uitkering hebben een aantal gemeenschappelijke ontstaansvoorwaarden. Daarnaast heeft ieder recht
zijn eigen specifieke
ontstaansvoorwaarden. Deze voorwaarden worden hieronder op een rij
gezet en sommige worden van kort commentaar voorzien. Voor een
uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar het artikelsgewijze deel van
de memorie van toelichting.
Het recht op de
IVA- en
het recht op de WGA-uitkering hebben de volgende
ontstaansvoorwaarden gemeenschappelijk:
• De betrokkene dient
tot de kring van verzekerden te behoren. Hij dient verzekerd te zijn op het
moment van het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van de
bedongen of zijn arbeid vanwege ziekte of gebrek, dat wil zeggen
op de eerste ziektedag. De kring van verzekerden in dit wetsvoorstel is
gelijk aan de kring van verzekerden in de huidige WAO. Er is geen
aanleiding tot uitbreiding of beperking van de huidige kring van
verzekerden, die bestaat uit werknemers en daarmee gelijkgestelden, alsmede
enkele categorieën uitkeringsgerechtigden.
• De wachttijd moet
zijn vervuld. Dit houdt in dat de betrokkene onafgebroken gedurende 104 weken
ongeschikt is geweest tot het verrichten van de bedongen of zijn
arbeid wegens ziekte of gebrek. In die periode had hij recht op
loondoorbetaling of recht op ziekengeld. De periode van 104 weken begint te
lopen vanaf de eerste ziektedag. Voor het bepalen van het tijdvak
van 104 weken worden periodes van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
• Er mag zich geen
uitsluitingsgrond voordoen. Deze zijn hiervoor reeds genoemd.
• De betrokkene mag
niet volledig arbeidsongeschikt zijn geweest bij de aanvang van de
verzekering. Evenmin ontstaat er recht op een uitkering rblz.|69|
als de betrokkene
binnen een halfjaar na aanvang van de verzekering volledig
arbeidsongeschikt wordt, terwijl zijn gezondheidstoestand bij aanvang van de
verzekering het intreden van die arbeidsongeschiktheid
kennelijk moest doen verwachten. Ook dit is een voortzetting van het
huidige beleid (artikel 30 WAO) en berust op de gedachte dat het
verzekerde risico niet reeds mag zijn ingetreden voordat men verzekerd is
("brandende huizen kan men niet verzekeren").
Voor het ontstaan van het
recht op de IVA-uitkering geldt daarnaast dat de betrokkene volledig én
duurzaam arbeidsongeschikt dient te zijn. Op de inhoud en betekenis van
deze voorwaarde is in hoofdstuk 5 reeds uitvoerig ingegaan.
Voor het ontstaan van het
recht op de WGA-uitkering geldt daarnaast dat de betrokkene
gedeeltelijk arbeidsgeschikt dient te zijn. Ook op deze voorwaarde is in
hoofdstuk 5 reeds
uitvoerig ingegaan. Voorts geldt nog de volgende bijzonderheid in
de WGA. Alleen degene die voldoet aan de referte-eis heeft eerst aanspraak op de loongerelateerde
WGA-uitkering. Dit heeft de volgende
achtergrond. Zoals gezegd, is de WW
voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten in de
WGA geïncorporeerd. De betrokkene heeft daarom aanspraak op een
loongerelateerde WGA-uitkering, ongeacht of hij wel of niet werkt.
Daarom is de referte-eis uit de WW in dit wetsvoorstel overgenomen. De
referte-eis houdt in dat de betrokkene in de 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag na afloop van de
wachttijd of de loondoorbetalingsperiode, in ten minste 26 weken als werknemer arbeid moet
hebben verricht. Op deze wijze geldt dezelfde dag als ijkpunt die geldt voor degenen die na twee jaar ziekte een beroep doen
op de WW, omdat ze minder
dan 35% arbeidsongeschikt en werkloos zijn. Het is bij de bepaling
van de 26 weken niet van belang hoeveel dagen per week is gewerkt: één
werkdag is reeds voldoende om als week meegeteld te worden. Het aantal
uren dat men op een dag werkt, doet evenmin ter zake. Voorts kunnen weken
waarin geen arbeid is verricht met gewerkte weken worden
gelijkgesteld, zoals de weken waarover de werknemer zonder te werken loon
heeft ontvangen (bijvoorbeeld in geval van vakantie of feestdagen). Bij de
vaststelling van de 39 weken (de zogenaamde referteperiode) blijven
bepaalde weken buiten beschouwing. Een voorbeeld betreft de weken van
ziekte of arbeidsongeschiktheid waardoor de verzekerde in het geheel
niet tot werken in staat was. In dat geval wordt de referteperiode
verlengd met de duur van de ziekte of arbeidsongeschiktheid. De verlenging vindt
plaats met de gehele periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid,
ook indien die periode zelf voor een deel buiten de (niet-verlengde)
referteperiode valt.
Na de loongerelateerde
fase heeft de betrokkene aanspraak op een loonaanvulling of een
WGA-vervolguitkering. Ook de gedeeltelijk arbeidsgeschikte die niet aan de
referte-eis voldoet, kan hierop aanspraak maken. Anders gezegd, deze heeft
geen aanspraak op een loongerelateerde uitkering, maar is direct aangewezen
op de loonaanvulling of de WGA-vervolguitkering. In
het vorige hoofdstuk is reeds uitgebreid ingegaan op de vraag wanneer
iemand in aanmerking komt voor de loonaanvulling dan wel de
WGA-vervolguitkering.
9.2. Eindiging van het
recht op uitkering
Een recht op uitkering
dat is ontstaan, bestaat totdat het UWV
vaststelt dat zich een in de wet
genoemde eindigingsgrond voordoet. Eindiging van een recht houdt in dat de
betrokkene geen aanspraak meer heeft jegens het UWV of zijn (ex-)werkgever
tot het betalen van een uitkering. Het betekent echter niet
altijd het definitieve einde van het recht: een geëindigd rblz.|70|
recht kan onder
bepaalde - in de wet genoemde - voorwaarden herleven (zie
paragraaf 9.3).
Het recht op de
IVA- en
het recht op de WGA-uitkering hebben de volgende
gemeenschappelijke eindigingsgronden:
• Het verstrijken van
de uitkeringsduur. In het vorige hoofdstuk is ingegaan op de duur van de
verschillende uitkeringen.
• Het zich voordoen van
een uitsluitingsgrond. Deze zijn hiervoor reeds genoemd.
Het recht op de
IVA-uitkering eindigt daarnaast als de betrokkene niet meer volledig én
duurzaam arbeidsongeschikt is.
Het recht op de
WGA-uitkering eindigt in beginsel ook als de betrokkene niet meer gedeeltelijk
arbeidsgeschikt is. Daarop geldt een uitzondering als de betrokkene een
WGA-uitkering in de loongerelateerde fase ontvangt. In die fase
eindigt het recht op de WGA-uitkering niet als hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt. De reden daarvan is dat de
loongerelateerde
WGA-uitkering in de plaats komt van de WW-uitkering. De WW kent een dergelijke
eindigingsgrond niet. Als het recht op de WGA-uitkering in de loongerelateerde fase op basis van deze grond wel
zou eindigen, zou dat
meebrengen dat de betrokkene:
• Ofwel nog eens een
WW-uitkering kan claimen die even lang duurt als de loongerelateerde
WGA-uitkering, en wel vanwege dezelfde periode van werken voor ingang
van het recht op de WGA-uitkering. Dat zou betekenen dat de
betrokkene tweemaal een (volledige) uitkering ontvangt: eenmaal omdat
hij na de loondoorbetalingsperiode gedeeltelijk arbeidsgeschikt is en
eenmaal omdat hij na de loondoorbetalingsperiode (gedeeltelijk) werkloos
is.
• Ofwel geen recht op
een WW-uitkering heeft, omdat hij niet aan de referte-eis voldoet,
terwijl zijn loongerelateerde uitkering ingevolge de WGA (veel) korter heeft
geduurd dan waar hij ingevolge de WW recht op zou hebben gehad als
hij direct na twee jaar ziekte minder dan 35% arbeidsongeschikt zou
zijn geweest.
Na de loongerelateerde
fase eindigt het recht op de WGA-uitkering dus in beginsel wel als de
betrokkene niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Daarbij geldt in het
algemeen een uitlooptermijn van twee maanden. Voorts is het volgende
van belang. Als de betrokkene vanwege zijn inkomsten uit arbeid minder dan 35%
arbeidsongeschikt wordt verklaard, eindigt het recht pas
één jaar later. Dit is bedoeld om hem te stimuleren zijn werkzaamheden zoveel
mogelijk uit te breiden. De betrokkene zou hiervan kunnen worden
weerhouden als hij meer kan verdienen dan 65% van zijn (gemaximeerde)
dagloon.
Na eindiging van het
recht op de WGA-uitkering kan de betrokkene eventueel een WW-uitkering
ontvangen op basis van de periode van werken tijdens het ontvangen van
de WGA-uitkering. In dit geval is er dus geen sprake van dat de
betrokkene tweemaal een uitkering claimt vanwege dezelfde periode van
werken.
9.3. Herleving van het
recht op uitkering
Een geëindigd recht kan,
als gezegd, onder bepaalde voorwaarden weer herleven. Herleving heeft
tot gevolg dat het oude recht weer bestaat en dat - althans ingeval
recht bestond op de loongerelateerde uitkering - deze uitkering zoveel
later eindigt als de periode van onderbreking heeft geduurd. De belangrijkste
voorwaarde voor herleving is dat de grond op basis waarvan het recht
is geëindigd zich niet langer voordoet. Voorts wordt in een aantal
gevallen een begrenzing in de tijd gesteld (een zogenaamde rblz.|71|
herlevingstermijn), dat wil zeggen dat de eindigingsgrond zich binnen een bepaalde tijd
niet meer moet voordoen.
Bij de volgende
eindigingsgronden kan een recht op uitkering herleven:
• Het recht op de IVA-
of de WGA-uitkering is geëindigd omdat de verzekerde minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Als de betrokkene
opnieuw volledig én
duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt,
kan het recht op uitkering herleven als de toegenomen
arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak op basis waarvan het
geëindigde recht bestond. In dit geval geldt een herlevingstermijn van
vijf jaar.
• Het recht op de IVA-
of de WGA-uitkering is geëindigd omdat de betrokkene buiten
Nederland woont, omdat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen of - bij de
loongerelateerde WGA-uitkering - omdat de betrokkene een uitkering
ingevolge de Wet arbeid en zorg ontvangt. In dit geval geldt voor het
recht op de IVA-uitkering een onbeperkte herlevingstermijn en voor
het recht op de WGA-uitkering een herlevingstermijn van
vijf jaar. In paragraaf 9.1 is reeds ingegaan op de reden van dit onderscheid.
Bij de situatie dat de
hiervoor genoemde eindigingsgronden zich tegelijkertijd of aansluitend voordoen,
is voorts het volgende van belang. Het recht op de WGA-uitkering
kan niet meer herleven als het recht reeds vijf jaar geëindigd is
geweest. Dit betekent bijvoorbeeld dat het recht niet meer kan herleven als de
betrokkene eerst vier jaar minder dan 35% arbeidsongeschikt is
geweest en vervolgens aansluitend meer dan één jaar buiten Nederland
woont.
9.4. Toe- en afname van de
mate van arbeidsongeschiktheid
Hiervoor is in de
paragraaf over het ontstaan van het recht op uitkering reeds aangegeven dat
een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte die op een later moment volledig duurzaam
arbeidsongeschikt wordt alsnog recht heeft op een IVA-uitkering. Dit
is onder meer van belang voor iemand met een chronisch progressieve ziekte. Aan het ontstaan van het recht op een
IVA-uitkering worden geen
andere voorwaarden gesteld dan dat de betrokkene tijdens het
ontvangen van een WGA-uitkering bij een herbeoordeling volledig
en duurzaam arbeidsongeschikt wordt verklaard. Het recht op de
IVA-uitkering gaat direct in, dat wil zeggen er geldt geen wachttijd.
Ingeval bij de
herbeoordeling blijkt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van degene met een
WGA-uitkering is toegenomen, maar dat hij niet volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is, dan heeft dat de volgende gevolgen:
• Als de gedeeltelijkrb aeidsgeschikte een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangt,
heeft een toename van de mate van arbeidsongeschiktheid geen gevolgen voor zijn
uitkering. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering is immers onafhankelijk van de mate
van
arbeidsongeschiktheid. Wel impliceert de toename van de mate van arbeidsongeschiktheid
dat de voorwaarde om daarna in aanmerking te komen voor de loonaanvulling, te weten het benutten van 50%
van de resterende
verdiencapaciteit, voor de betrokkene lager uitvalt dan bij het ontstaan van
het recht op de loongerelateerde WGA-uitkering. Een
uitzondering op het voorgaande geldt als de betrokkene de
bodemuitkering, te weten ter hoogte van de WGA-vervolguitkering,
ontvangt. In dat geval heeft een toename van de mate van
arbeidsongeschiktheid wel gevolgen voor de hoogte van de uitkering. Daarbij
geldt een wachttijd van twee maanden.
• Als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte een WGA-vervolguitkering rblz.|72|
ontvangt, betekent een
toename van de mate van arbeidsongeschiktheid dat zijn resterende
verdiencapaciteit lager is. Afhankelijk van zijn eventuele inkomsten heeft
dit tot gevolg dat de betrokkene recht heeft op een loonaanvulling of
op een hogere WGA-vervolguitkering. In beide gevallen geldt een
wachttijd van twee maanden.
• Als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte een loonaanvulling ontvangt, impliceert een toename
van de mate van arbeidsongeschiktheid dat zijn resterende
verdiencapaciteit lager is dan vóór de herbeoordeling. De toename heeft echter
geen gevolgen voor zijn uitkering, omdat de hoogte van de
loonaanvulling onafhankelijk is van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Ook in dit geval geldt een uitzondering als de betrokkene de
bodemuitkering ontvangt. In dat geval wordt de loonaanvulling na een wachttijd van twee
maanden verhoogd.
Het voorgaande is het
meest eenvoudige systeem. Een toename van de mate van
arbeidsongeschiktheid betekent altijd dat de betrokkene in aanmerking komt voor de
IVA als hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is geworden, dat de
inkomenseis voor de loonaanvulling lager wordt gesteld of dat de WGA-vervolguitkering wordt verhoogd. Daarbij is
niet - zoals in de
huidige WAO
- van belang of de mate van arbeidsongeschiktheid vóór de toename meer of
minder dan 45% is (zie artikel 38, eerste lid,
WAO), de toename voortvloeit uit dezelfde of een andere
oorzaak (zie artikel 39a,
eerste lid, WAO) en of de betrokkene werkt naast zijn uitkering (zie
artikel 37, tweede lid, WAO). Het is derhalve een bijzonder gunstige
regeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten: ook iemand die bijvoorbeeld
20 jaar lang niet heeft gewerkt naast zijn WGA-vervolguitkering
krijgt aanspraak op de loonaanvulling of de IVA-uitkering als hij
volledig arbeidsongeschikt raakt, ongeacht de oorzaak van de toename van
arbeidsongeschiktheid. Dit is echter aanvaardbaar, want anders moet een
complexe regeling worden ontworpen om te discrimineren tussen de situaties
waarin een toename van de mate van arbeidsongeschiktheid wel tot de hiervoor
genoemde gevolgen kan leiden en de situaties waarin dat niet
kan gebeuren. De regeling is in feite een voortzetting van het huidige beleid
ten aanzien van WAO-gerechtigden die ten minste 45%
arbeidsongeschikt zijn: hun WAO-uitkering wordt - zonder nadere voorwaarden
- na
een wachttijd van vier weken verhoogd (artikel
38, eerste lid, WAO).
Bij de herbeoordeling kan
ook blijken dat de mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen. Als dit
wordt vastgesteld bij degene die een IVA-uitkering ontvangt,
heeft dit tot gevolg dat deze wordt beëindigd als de mate van
arbeidsongeschiktheid is afgenomen tot minder dan 80%. In plaats daarvan heeft de
betrokkene recht op de loongerelateerde uitkering ingevolge de WGA, mits
hij voldoet aan de referte-eis en gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Als
niet aan de eerstgenoemde voorwaarde wordt voldaan, komt de
betrokkene in aanmerking voor de WGA-vervolguitkering of
de loonaanvulling. Als (ook) niet aan de laatstgenoemde voorwaarde wordt voldaan,
komt de betrokkene eventueel in aanmerking voor een WW-uitkering of een
Wwb-uitkering. In dat geval geldt een uitlooptermijn
van twee maanden alvorens de IVA-uitkering daadwerkelijk wordt
beëindigd, teneinde de betrokkene in staat te stellen zich op zijn nieuwe
inkomenssituatie voor te bereiden.
Ingeval de mate van
arbeidsongeschiktheid afneemt van degene die een uitkering ingevolge de
WGA ontvangt, dan heeft dat de volgende gevolgen:
• Als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangt,
heeft een afname van de mate van arbeidsongeschiktheid geen gevolgen voor zijn
uitkering, behalve als hij de bodemuitkering ontvangt.
In dat laatste geval wordt de uitkering na rblz.|73|
twee maanden verlaagd.
Als de mate van arbeidsongeschiktheid afneemt naar een
percentage lager dan 35, heeft dat ook geen gevolgen voor de uitkering. De reden hiervan is reeds uiteengezet in
de paragraaf over de
eindiging van het recht op uitkering (zie paragraaf 9.2).
• Als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte een WGA-vervolguitkering ontvangt, heeft een
afname van de mate van arbeidsongeschiktheid tot gevolg dat hetzij deze
uitkering wordt verlaagd (hierbij geldt een overgangstermijn van twee maanden), hetzij
dat het recht op deze uitkering - ingeval de betrokkene
minder dan 35% arbeidsongeschikt is - wordt beëindigd. In dat
laatste geval geldt in beginsel een uitlooptermijn van twee maanden alvorens de
WGA-vervolguitkering daadwerkelijk wordt verlaagd of beëindigd.
Hierop geldt dezelfde uitzondering als bij de volgende categorie.
• Als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte een loonaanvulling ontvangt, heeft een afname van de mate
van arbeidsongeschiktheid hetzij geen gevolgen (tenzij de
bodemuitkering wordt ontvangen), hetzij tot gevolg dat aanspraak bestaat op
een WGA-vervolguitkering (hierbij geldt in beginsel een
overgangstermijn van twee maanden; voor volledig arbeidsongeschikten geldt
een overgangstermijn van 24 maanden), hetzij tot
gevolg dat het recht op loonaanvulling wordt beëindigd. In dat
laatste geval geldt in beginsel een uitlooptermijn van twee maanden alvorens het
recht op loonaanvulling daadwerkelijk wordt beëindigd. Hierop
geldt de volgende uitzondering. Ingeval de mate van
arbeidsongeschiktheid is afgenomen tot minder dan 35%, omdat de betrokkene meer
is gaan verdienen dan 65% van zijn (gemaximeerde) dagloon.
De reden voor deze uitzondering is toegelicht in de paragraaf over de
eindiging van het recht op uitkering (zie paragraaf 9.2).
9.5. Twee
dienstbetrekkingen
Er kunnen zich complexe
situaties voordoen als de gedeeltelijk arbeidsgeschikte - al dan niet
gelijktijdig - twee dienstbetrekkingen heeft. In deze paragraaf worden de
volgende vijf situaties onderscheiden en toegelicht:
1. De werknemer heeft
twee dienstbetrekkingen (A en B) en kan wegens ziekte zijn arbeid in
beide dienstbetrekkingen niet meer verrichten.
2. De werknemer heeft
twee dienstbetrekkingen en kan wegens ziekte zijn arbeid in één van beide
dienstbetrekkingen (dienstbetrekking A) niet meer verrichten.
3. In afwijking van de
vorige situatie kan de werknemer, nadat hij zijn werkzaamheden in één
van beide dienstbetrekkingen (dienstbetrekking A) wegens ziekte heeft
neergelegd, binnen 104 weken daarna wegens ziekte ook zijn arbeid in
de andere dienstbetrekking (dienstbetrekking B) niet meer verrichten.
4. In afwijking van de
vorige drie situaties is één van beide dienstbetrekkingen (dienstbetrekking B) een
dienstbetrekking in de zin van artikel 4 of 5
ZW/WAO.
5. De werknemer heeft
één dienstbetrekking (dienstbetrekking A) en kan wegens ziekte zijn arbeid
niet meer verrichten. Na 104 weken heeft hij aanspraak op een
WGA-uitkering. Daarna aanvaardt hij arbeid in dienstbetrekking B.
Vervolgens kan hij wegens ziekte zijn arbeid in dienstbetrekking B niet
meer verrichten.
Deze situaties worden
hierna achtereenvolgens besproken.
De
eerste situatie is dat
een werknemer twee dienstbetrekkingen (A en B) heeft en wegens ziekte
zijn werkzaamheden in beide dienstbetrekkingen niet meer kan verrichten,
dat wil zeggen dat hij zich op dezelfde dag bij beide werkgevers ziek
meldt. Na 104 weken zou hij, omdat hij twee dienstbetrekkingen heeft, aanspraak kunnen
maken op twee loongerelateerde rblz.|74|
WGA-uitkeringen, althans
als aan alle voorwaarden voor het recht op uitkering is voldaan. In
het wetsvoorstel is echter geregeld dat in deze situatie er één recht
op een WGA-uitkering ontstaat. Het dagloon van deze uitkering wordt berekend
aan de hand van het loon uit alle dienstbetrekkingen die de werknemer in het
refertejaar heeft vervuld. De omstandigheid dat de betrokkene twee
dienstbetrekkingen heeft vervuld, heeft geen invloed op de wijze
waarop de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering wordt
berekend.
Het voorgaande geldt ook
ingeval in één dienstbetrekking niet aan alle voorwaarden voor het
recht op de loongerelateerde WGA-uitkering is voldaan, bijvoorbeeld als
de werknemer slechts kort in dienstbetrekking B heeft gewerkt waardoor
niet aan de referte-eis wordt voldaan.
De
tweede situatie is dat
een werknemer twee dienstbetrekkingen (A en B) heeft en wegens ziekte
zijn werkzaamheden in dienstbetrekking A niet meer kan verrichten. Wel
kan hij zijn werkzaamheden in dienstbetrekking B blijven verrichten. Na
104 weken ziekte kan hij vanwege gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid
aanspraak maken op een loongerelateerde WGA-uitkering. Ook in dit
geval wordt het dagloon van deze uitkering berekend aan de hand van
het loon uit alle dienstbetrekkingen die de werknemer in het
refertejaar heeft vervuld. Dit heeft de volgende reden. Stel dat het loon in
dienstbetrekking A €|70,- is en in dienstbetrekking B
€|30,-. Als het dagloon
zou worden bepaald door het loon uit de dienstbetrekking waarin hij ziek is
geworden, zou zijn dagloon dus €|70,- zijn. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering is echter geen 70% van
die €|70,-, maar 70% van €|40,- (hij verdient immers met werken een inkomen van
€|30,-). Als
daarentegen het dagloon wordt gesteld op €|100,- (de optelsom van de lonen
per dag in beide dienstbetrekkingen), bedraagt zijn loongerelateerde
WGA-uitkering 70% * (€|100,- - €|30,-). Dit is het gewenste resultaat.
De
derde situatie is een
wijziging van de vorige casus: nadat de betreffende werknemer zijn
werkzaamheden in dienstbetrekking A wegens ziekte niet meer kan
verrichten, moet hij vervolgens binnen 104 weken daarna tevens zijn
werkzaamheden in dienstbetrekking B wegens ziekte neerleggen. Ook in dit
geval wordt het dagloon uiteraard berekend aan de hand van het loon uit
alle dienstbetrekkingen die de werknemer in het refertejaar heeft
vervuld.
De bepaling van de duur
van de loongerelateerde WGA-uitkering is in dit geval echter
ingewikkelder. De duur van de loongerelateerde WGA-uitkering wordt in
eerste instantie bepaald door berekening van het arbeidsverleden op het
moment waarop de betrokkene zijn werkzaamheden heeft neergelegd in dienstbetrekking A. De duur kan echter worden
verlengd nadat de
betrokkene in dienstbetrekking B 104 weken niet heeft gewerkt wegens ziekte.
Aan de hand van het arbeidsverleden op dat moment wordt de einddatum
berekend van de loongerelateerde WGA-uitkering die de
betrokkene op basis van dienstbetrekking B zou hebben ontvangen. Als
deze einddatum ligt na de einddatum van de loongerelateerde WGA-uitkering die hij
reeds (op basis van dienstbetrekking A) ontvangt, wordt laatstgenoemde einddatum verschoven naar eerstgenoemde
einddatum. Ingeval de
betrokkene reeds een WGA-vervolguitkering of
loonaanvulling ontvangt, wordt deze omgezet in een loongerelateerde WGA-uitkering met diezelfde einddatum.
De
vierde situatie is dat
een werknemer een dienstbetrekking A in de zin van artikel 3
ZW/WAO
heeft en daarnaast een dienstbetrekking B in de zin van artikel 4 of
5 ZW/WAO
(bijvoorbeeld thuiswerker).
rblz.|75|
In
deze situatie kunnen
de drie hiervoor genoemde situaties zich voordoen. Ook in dit geval wordt
het dagloon van de WGA-uitkering berekend aan de hand van het loon
uit alle dienstbetrekkingen die de werknemer in het refertejaar heeft
vervuld. Dat levert in alle situaties dezelfde uitkomsten op. Wel wordt bij
de
hiervoor als derde genoemde situatie aangetekend dat zich een samenloop
van ZW- en WGA-uitkering voordoet vanaf het moment dat de
betrokkene zijn werkzaamheden in dienstbetrekking B neerlegt. Deze ZW-uitkering komt
"gewoon" tot uitbetaling, maar zal
worden gelijkgesteld met
het ontvangen van loon, zodat 70% ervan wordt verrekend met de
loongerelateerde uitkering ingevolge de WGA.
De
vijfde situatie oogt
relatief eenvoudig, maar is het meest complex. Deze situatie wordt
daarom met een cijfervoorbeeld toegelicht. De betrokkene werkt in dienstbetrekking
A tegen een loon per dag van €|100,-. Na twee jaar ziekte heeft
hij recht op een loongerelateerde uitkering ingevolge de WGA van €|70,-. Daarna
gaat hij in dienstbetrekking B werken (dan wel passende arbeid
bij werkgever A verrichten) tegen een loon per dag van €|50,-, waardoor
zijn loongerelateerde WGA-uitkering wordt verlaagd naar €|35,-.
Vervolgens kan hij wegens ziekte zijn werkzaamheden in dienstbetrekking B
niet meer verrichten. Vanwege de no-riskpolis heeft de werknemer in dit geval
aanspraak op een ZW-uitkering en mag de werkgever het loon
verminderen met deze ZW-uitkering. Doordat de ZW-uitkering, als gezegd,
gelijk wordt gesteld met loon, heeft de ziekte van de werknemer geen
invloed op de hoogte van zijn loongerelateerde WGA-uitkering; deze
blijft €|35,- bedragen.
Na 104 weken wegens
ziekte niet gewerkt te hebben in dienstbetrekking B heeft de betrokkene in
beginsel aanspraak op een nieuwe, tweede loongerelateerde uitkering ingevolge de
WGA, althans als aan alle voorwaarden voor het recht op
uitkering is voldaan. Deze tweede uitkering komt echter "slechts"
tot uitbetaling indien en voor zover deze hoger is dan de eerste
WGA-uitkering. Met andere woorden, de eerste WGA-uitkering wordt
gekort op de tweede WGA-uitkering. Op deze manier wordt voorkomen
dat zich een opeenstapeling van aanspraken ingevolge de WGA kan
voordoen, opdat de betrokkene niet meer aan uitkering ingevolge de
WGA kan ontvangen dan hij ooit heeft verdient. Zo zou de betrokkene in dit
voorbeeld - na 104 weken ziekte in dienstbetrekking B - aanspraak hebben op
een tweede loongerelateerde WGA-uitkering van €|35,-.
Op dat moment stijgt zijn eerste loongerelateerde WGA-uitkering echter ook
van €|35,- naar €|70,-. Zonder anticumulatie zou zijn totale uitkering
(€|105,-) dus hoger zijn dan zijn oude loon (€|100,-).
10. Uitvoering
en financiering
In dit hoofdstuk wordt op
hoofdlijnen aangegeven hoe de uitvoering en financiering van de Wet
WIA en de daaronder vallende regelingen (IVA en WGA) wordt vormgegeven.
Steeds wordt eerst ingegaan op de uitvoering en financiering in de
structurele situatie en vervolgens op de overgangssituatie, die om uitvoeringstechnische redenen noodzakelijk is. De structurele
situatie vangt voor de
WGA aan in 2007 en voor de IVA in 2008. Voor de IVA geldt bijgevolg
een overgangssituatie van één jaar langer. Dit vloeit direct voort uit het in
de Pemba willen betrekken van de eerste vierjaarslasten van
IVA-uitkeringen,
alsmede de kabinetsreactie op het sociaal akkoord van november
2004, waarin is opgenomen dat medio 2007 een besluit wordt genomen
inzake het al dan niet afschaffen van de Pemba met terugwerkende kracht.
Een bijzondere regeling
geldt voor de uitvoering en financiering van uitkeringen op grond van de
Wet WIA ten aanzien van werknemers die voorheen
rblz.|76|
een uitkering op
grond van de Ziektewet (ZW) hebben gehad. Hierop wordt in een aparte
paragraaf (10.4) ingegaan.
Voor de goede orde zij
erop gewezen dat de uitvoering en financiering nader zal worden
uitgewerkt in de Invoeringswet WIA, omdat hierbij een wijziging van de Wet
financiering sociale verzekeringen aan de orde is.
10.1. Uitvoering van de
IVA en de WGA
10.1.1. Uitvoering van de
IVA
Structurele situatie
In de structurele
situatie na de stelselwijziging zal de Pemba niet alleen worden toegepast op WAO-,
maar ook op IVA-uitkeringen. Conform de huidige wet- en
regelgeving betekent dat grote bedrijven (met een loonsom van meer dan 25-maal de gemiddelde loonsom) kunnen kiezen om de eerste
vierjaarslasten van WAO- en IVA-uitkeringen zelf te dragen, privaat te verzekeren of
publiek te verzekeren. In het laatste geval zal sprake zijn van
premiedifferentiatie op het niveau van het individuele bedrijf. Kleine bedrijven
kennen niet de mogelijkheid van eigen risico dragen. Voor hen zullen genoemde
lasten op sectorniveau worden verevend (sectorale
premiedifferentiatie).
De regering heeft in
reactie op het akkoord tussen sociale partners van 5 november 2004 de
afschaffing van de Pemba in het vooruitzicht gesteld indien aan de daarvoor
gestelde voorwaarden wordt voldaan. Indien medio 2007 wordt besloten
tot afschaffing van de Pemba, zal de hierboven omschreven
structurele situatie niet worden gerealiseerd en zal financiering van de
IVA-uitkeringen blijven plaatsvinden op de wijze als hieronder wordt
beschreven voor de overgangssituatie.
Overgangssituatie
De IVA-uitkeringen worden
in 2006 en 2007 publiek uitgevoerd. Financiering vindt plaats uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds
(Aof). Het alternatief is dat alleen in 2006 de
IVA-uitkeringen uit het Aof zouden worden gefinancierd en dat in 2007
eigen risico dragen en premiedifferentiatie IVA zou worden toegepast. Dit alternatief zou echter betekenen dat
- met het oog
op de voorwaardelijke
afschaffing van de Pemba - de uitvoering en de financiering van IVA-uitkeringen
mogelijk in drie achtereenvolgende jaren aangepast moet worden.
Immers, de IVA-uitkeringen zouden in 2006 worden gefinancierd uit
het Aof, in 2007 door eigenrisicodragers en voor publiek verzekerde
werkgevers uit de Arbeidsongeschiktheidskas (Aok) en vanaf 2008 - bij
afschaffing van de Pemba - mogelijk weer uit het Aof. De regering acht dit om
uitvoeringstechnische redenen bezwaarlijk en niet efficiënt, reden waarom
dit alternatief niet is gekozen.
10.1.2. Uitvoering van de
WGA
Bij
gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid is reïntegratie het belangrijkste doel. De regering heeft daarom
uitgebreid onderzocht of private uitvoering van de WGA tot de beste
resultaten in termen van volume en kosten zal leiden. Zo hebben in
oktober 2003 - onder leiding van de heren mr. A.W. Kist en prof. dr. H.A.
Keuzenkamp - gesprekken plaatsgevonden met private verzekeraars en
met het UWV. Naar aanleiding van deze gesprekken hebben de
heren Kist en Keuzenkamp een notitie opgesteld waarin de overwegingen worden genoemd die relevant zijn bij de keuze
over de wijze van
uitvoering van de WGA. Deze notitie is op 24 oktober 2003 aan de Tweede Kamer
toegezonden.
rblz.|77|
De
regering erkent dat
verzekeraars een evident financieel belang hebben bij reïntegratie. Deze
voordelen zijn met name gelegen in het continueren van verzekeringen na de
eerste twee jaren van loondoorbetaling. Daar staat tegenover dat de
kosten van een private uitvoering in de eerstkomende jaren fors hoger zijn dan
in geval van een publieke uitvoering. Dat de overgang van publiek
naar privaat tijdelijk extra lasten meebrengt, onder meer vanwege een
andere financieringsvorm (van omslagstelsel naar rentedekkingsstelsel),
is evident. De meerkosten van private uitvoering ten opzichte van publieke
uitvoering bedragen naar schatting €|6 miljard in de periode 2006-2015, afhankelijk van de hoogte van de WGA-instroom. Ook daarna
is het kostenniveau mogelijk hoger.
De regering acht de
risico’s bij een volledig private uitvoering voor werkgevers, werknemers en overheid te
hoog, zeker gezien de financieel-economische situatie waarin Nederland
thans verkeert. Zij kiest daarom voor een systeem waarin
keuzevrijheid voor werkgevers bestaat. De werkgever kan ervoor kiezen hetzij
het risico zelf te dragen, hetzij het risico onder te brengen bij een
private verzekeraar, hetzij het risico te laten bij het UWV. Zodoende
ontstaat ruimte voor verzekeraars om zich te bewijzen qua product en prijs.
De betaling van de
WGA-uitkering geschiedt door het UWV, waarbij het UWV de aan
eigenrisicodragers toe te rekenen lasten bij hen declareert. Eigenrisicodragers kunnen
ervoor kiezen de uitkering zelf te verstrekken, in welk geval zij de niet
aan eigenrisicodragers toe te rekenen lasten declareren bij het UWV.
Als de werkgever ervoor
kiest het risico zelf te dragen of het risico onder te brengen bij een
private verzekeraar, blijft hij verantwoordelijk voor de reïntegratie van zijn
werknemers die een uitkering ingevolge de WGA ontvangen.
Voorts zal het UWV de
overige activiteiten in het kader van de WGA blijven verrichten. Dit
betreft onder meer de poortwachtertoets, de (her)keuringen, de
claimbeoordeling, de vaststelling van het dagloon en het opleggen van een
sanctie.
10.2. Financiering van de
IVA en de WGA
In deze paragraaf worden
allereerst de hoofdlijnen gepresenteerd ten aanzien van de vormgeving
van eigen risico dragen en premiedifferentiatie in de WGA. De nadere
invulling hiervan zal worden opgenomen in de Invoeringswet
WIA. Daarin
zal ook worden ingegaan op de verdeling van de premielasten tussen werkgevers en werknemers. Vervolgens wordt in
paragraaf 10.3 beschreven
hoe in de periode vanaf de invoering van het nieuwe stelsel van
arbeidsongeschiktheidsregelingen de premiedifferentiatie
Pemba daarin wordt
geïmplementeerd. Ten slotte worden in paragraaf 10.4 beschreven
de uitvoering en financiering van de regeling voor werknemers die
voorheen onder het vangnet ZW vielen.
De voor de WGA en IVA
beoogde structurele financieringsmethodieken worden op verschillende
momenten geïntroduceerd. Dit vergt aparte financiering van de WGA-
en IVA-uitkeringen die in de overgangssituatie ingaan. Later in dit
hoofdstuk wordt dit nader uiteengezet en gemotiveerd.
10.2.1. Eigen risico
dragen
en premiedifferentiatie WGA in de structurele situatie
Eerder in deze
memorie
van toelichting (hoofdstuk 3) is reeds gemeld dat één van de
uitgangspunten van de WGA is dat werken voor werkgever en werknemer financieel
aantrekkelijker moet zijn dan niet werken en meer werken aantrekkelijker
dan minder werken. Financiële prikkels moeten rblz.|78|
werkgever en werknemer aanzetten tot volumebeheersing, in hun eigen
financiële belang. Voor
werknemers is aan genoemd uitgangspunt invulling gegeven in de vormgeving
van de uitkeringsregeling voor werknemers die nog tot werkhervatting in staat zijn, de
WGA. Doordat werknemers
deels de premielasten WGA
dragen, hebben zij ook daarom financieel belang bij
beheersing van het WGA-volume.
Voor werkgevers zien deze
prikkels op het in hoge mate zelf geconfronteerd worden met de financiële
lasten van verzuim en arbeidsongeschiktheid. Deze lasten moeten daar
worden gelegd waar deze beïnvloed kunnen worden. Aan deze
gedachte is invulling gegeven in de Wet uitbreiding loondoorbetalingsverplichting
bij ziekte, de Pemba, de Wet verbetering poortwachter
en de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte
2003. De
regering wil deze lijn doortrekken door ook in de financiering van de
WGA voor werkgevers prikkels in te bouwen, om hen te stimuleren de
WGA-instroom te beheersen en de uitstroom te bevorderen. Dit is
uitgewerkt in de vorm van eigen risico dragen en premiedifferentiatie in
de WGA.
Eigen risico dragen en
premiedifferentiatie in het algemeen
Wat betreft de uitvoering
van de WGA is gekozen voor de mogelijkheid werkgevers te laten
kiezen voor eigenrisicodragerschap, al dan niet verzekerd bij een private
verzekeraar, dan wel voor publieke verzekering. Aan het bieden van de
mogelijkheid tot eigen risico dragen dient verbonden te zijn dat in de publieke
verzekering sprake is van premiedifferentiatie. Het eigenrisicodragerschap en
de gedifferentieerde publieke premie zijn in feite de twee vormen van
premiedifferentiatie. Immers, het hanteren van premiedifferentiatie in
de publieke verzekering is een voorwaarde voor een zo gelijk mogelijke concurrentiepositie van het
UWV
en publiek verzekerde
werkgevers ten opzichte
van de positie van eigenrisicodragers. Zonder
premiedifferentiatie kan het UWV mutaties in arbeidsongeschiktheidslasten
niet doorberekenen in de premies van individuele bedrijven, terwijl er
voor eigenrisicodragers wel een relatie is tussen lasten en premie,
ook in geval van private verzekering. Premiedifferentiatie in de publieke
verzekering prikkelt publiek verzekerde werkgevers tot beheersing van het
WGA-volume, daar waar eigen risico dragende werkgevers daar ook toe
gestimuleerd worden. Tevens is van belang dat zonder publieke premiedifferentiatie een vliegwieleffect kan
optreden, waardoor de
telkens beste risico’s uit de publieke verzekering treden. Uiteindelijk
ontvalt hierdoor het financiële draagvlak aan deze verzekering. Premiedifferentiatie voorkomt dit effect, omdat daarmee
(ook) de publieke
gedifferentieerde premie is gekoppeld aan de feitelijke lasten van bedrijven.
Het bovenstaande
overziend, is premiedifferentiatie beleidsmatig wenselijk gezien de keuze voor de
mogelijkheid tot eigen risico dragen WGA.¹ Het draagt bij aan het
creëren van voorwaarden voor de beoogde marktwerking in de uitvoering van de
WGA en voorkomt dat het draagvlak voor de publieke WGA-financiering wegvalt.
1. In de
overgangssituatie, die noodzakelijk is vanwege
uitvoeringstechnische redenen, wordt tijdelijk hiervan afgeweken. In 2005 en
2006 is wel eigen risico dragen WGA mogelijk, zonder
premiedifferentiatie WGA. Dit wordt nader uitgewerkt en
gemotiveerd in paragraaf 10.2.5.
Afbakening van WGA-lasten
die vallen onder eigen risico dragen en premiedifferentiatie
Zowel
eigen risico dragen
als premiedifferentiatie zijn gericht op het stimuleren van preventie- en
reïntegratie-inspanningen van werkgevers. Werkgevers hebben financieel belang
bij de benutting van de resterende verdiencapaciteit van de
WGA-verzekerden. Doordat werkgevers in hoge mate de lasten van WGA-uitkeringen van hun werknemers in rekening
gebracht krijgen, worden
zij financieel geprikkeld om verzuim te voorkomen rblz.|79|
(primaire
preventie), langdurend verzuim en instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen
te voorkomen (secundaire preventie: reïntegratie in de
periode van loondoorbetaling) en langdurende arbeidsongeschiktheid te voorkomen (tertiaire
preventie: reïntegratie vanuit de WGA). Zo bezien kunnen werkgevers bijdragen aan beheersing van
verzuim en
arbeidsongeschiktheid, in hun eigen (financiële) belang. Verzuim en
arbeidsongeschiktheid ontstaan doorgaans door een veelheid van binnen en buiten de
arbeidssfeer gelegen oorzaken. Premiedifferentiatie in het huidige stelsel
houdt in het algemeen een financiële prikkel in tot zowel
primaire, secundaire als tertiaire preventie.
De regering heeft zich de
vraag gesteld hoe eigen risico dragen en premiedifferentiatie in de WGA werkgevers
financieel kan stimuleren tot beperking van het WGA-volume.
De regeling voor
gedeeltelijk arbeidsgeschikten valt feitelijk in tweeën uiteen: een regeling voor
de gedeeltelijk arbeidsgeschikten die wel werken en één voor degenen die
niet werken.
Tijdens de
loongerelateerde fase bedraagt de uitkering bij niet werken 70% van het
(gemaximeerde) dagloon, bij werken 70% van het verschil tussen het (gemaximeerde)
dagloon en het met werken verdiende inkomen. Bij niet werken
is de uitkeringslast groter dan bij werken. Door de uitkeringslasten onder
het eigen risico dragen en de premiedifferentiatie te brengen, worden
werkgevers financieel geprikkeld tot optimale werkhervatting door de werknemer. De
loongerelateerde uitkeringen aan zowel niet-werkenden als werkenden zullen daarom in het
eigen risico dragen en
de premiedifferentiatie
worden meegenomen.
Voor de fase na de
loongerelateerde fase geldt het volgende.
Het hanteren van eigen risico dragen en premiedifferentiatie in de loonaanvulling van werkende gedeeltelijk
arbeidsgeschikten zou leiden tot de averechtse prikkel dat
werkgevers duurder uit zijn (hogere eigen lasten, premieopslag) indien een
werknemer in deze regeling terecht komt. Onder werken wordt verstaan
hetgeen eerder in deze memorie van toelichting (hoofdstuk 8) is vermeld.
Zo zouden werkgevers belang hebben bij het niet werken van betrokkene, wat de regering onwenselijk acht. Dat is voor
de regering reden om de
loonaanvullingen aan werkende gedeeltelijk arbeidsgeschikten niet in
het eigen risico dragen en de premiedifferentiatie te betrekken, behalve het
deel daarvan dat gevormd wordt door de WGA-vervolguitkering. Dat
deel valt dus wel onder het eigen risico dragen en de
premiedifferentiatie.
De loonaanvulling aan
werkende WGA-gerechtigden blijft voor zover het gaat om het deel boven de
WGA-vervolguitkering buiten het eigenrisicodragerschap en de
premiedifferentiatie. Alle loonaanvullingen boven de WGA-vervolguitkering
worden gefinancierd uit een landelijk uniforme premie, die door eigenrisicodragers en omslagleden verschuldigd is. Het
UWV
verstrekt in principe
de uitkering aan de WGA-uitkeringsgerechtigden.
In dat geval wordt de loongerelateerde en de WGA-vervolguitkering
bij de eigenrisicodrager gedeclareerd. In het geval de
eigenrisicodrager ervoor heeft gekozen de uitkering zelf te verstrekken, kan de
eigenrisicodrager de loonaanvulling boven de WGA-vervolguitkering bij
het UWV declareren.
De loongerelateerde
WGA-uitkering en de WGA-vervolguitkering worden onder het
eigenrisicodragerschap en de premiedifferentiatie gebracht, ongeacht of de
gedeeltelijk arbeidsgeschikten werkt. Dat zo ook de vervolguitkeringen aan
werkende gedeeltelijk arbeidsgeschikten onder het eigen risico dragen en de
premiedifferentiatie vallen, betekent dat werkgevers, ook als gedeeltelijk
arbeidsgeschikten hun resterende verdiencapaciteit in voldoende mate
benutten, een prikkel houden tot reïntegratie rblz.|80|
zolang de uitkeringssituatie van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte voortduurt.
Pas als de
uitkeringssituatie is beëindigd, worden de uitkeringslasten niet langer in het
eigenrisicodragerschap en de premiedifferentiatie betrokken.
Bovenstaande houdt in dat
er in ieder geval een tweetal belangrijke verschillen bestaat
tussen enerzijds de
Pemba-methodiek van eigen risico dragen en premiedifferentiatie WAO
en anderzijds eigen risico dragen en premiedifferentiatie WGA.
Ten eerste betekent eigen risico dragen en premiedifferentiatie in de WGA in feite een meer
gerichte prikkel in vergelijking met de Pemba. Werkgevers worden alleen geprikkeld
tot werkhervatting van degene van wie de reïntegratiemogelijkheden
nog niet volledig zijn benut.
Ten tweede is - zoals
elders in deze memorie van toelichting vermeld (hoofdstuk 6) - de
eigenrisicodrager WGA verantwoordelijk voor reïntegratie van werknemers die bij
hem in dienst gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn geraakt. Dat
betekent een uitbreiding van de verantwoordelijkheden van de eigenrisicodrager
in vergelijking met de reguliere Pemba-methodiek, waarin vanaf het moment
waarop een WAO-uitkering wordt verstrekt het UWV
verantwoordelijk is voor de reïntegratie. Werkgevers kunnen thans alleen op
verzoek langer verantwoordelijkheid voor de reïntegratie dragen.
Door het eigen financiële belang bij werkhervatting van werknemers zullen
eigenrisicodragers WGA de regulier langer aan hen toe te kennen verantwoordelijkheid waarmaken.
Deze twee verschillen
vormen argumenten waarom de voorwaardelijke afschaffing van de Pemba en
de introductie van eigen risico dragen en premiedifferentiatie in
de WGA zich met elkaar verstaan.
Samenvattend kiest de
regering ervoor in het eigen risico dragen en de premiedifferentiatie te
betrekken alle WGA-uitkeringen met uitzondering van de loonaanvullingen
boven de WGA-vervolguitkering.
Duur van de periode van eigen risico
dragen en premiedifferentiatie
De duur van de periode
waarover uitkeringslasten in het eigen risico dragen en de
premiedifferentiatie worden betrokken, is sinds de inwerkingtreding van de
Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte
2003 vier jaar.
Door de beperking in de uitkeringen die onder het eigen risico dragen en de
premiedifferentiatie vallen, neemt de financiële prikkel van beide af. Dat
is aanleiding om voor de WGA een langere periode te nemen.
Anderzijds pleit tegen een te lange duur de in de tijd afnemende reïntegratiemogelijkheden van gedeeltelijk
arbeidsgeschikten, de beperkte effectiviteit
(doordat alleen nog minimale vervolguitkeringen worden toegevoegd) en de
lange aanloopperiode voordat de structurele duur van de periode is
bereikt. Daarnaast betekent een langere duur een groter risico dat
bedrijven lasten toegerekend krijgen van gefailleerde bedrijven. In tien jaar
gaan immers meer bedrijven failliet dan in vier jaar. Tevens compliceert een te
lange duur de uitvoerbaarheid.
De regering kiest als
duur van de periode van eigen risico dragen en premiedifferentiatie tien
jaar. Hoewel deze duur vergt dat WGA-uitkeringen en
werkgevers langer worden gevolgd om uitkeringslasten te kunnen toerekenen, is
deze duur uitvoeringstechnisch mogelijk. Daarnaast is het zo dat
bij deze duur de totale lasten die worden meegenomen in het eigen risico
dragen
en de premiedifferentiatie ongeveer gelijk zijn aan de totale
lasten die in het model van volledige privatisering zouden hebben gegolden.
Uitgaande van de duur van
tien jaar is het noodzakelijk om als de loongerelateerde uitkering korter duurt
dan vier jaar, de WGA-vervolguitkering rblz.|81|
erbij te betrekken. Het
alleen in het eigen risico dragen en de premiedifferentiatie meenemen van de lasten
van de loongerelateerde uitkering acht de regering niet wenselijk, omdat de hieruit voortvloeiende prikkel
beperkt of zelfs nihil
is. De duur van deze uitkering kan immers beperkt zijn tot een halfjaar en
is zelfs nihil indien men niet voldoet aan de referte-eis.
Niveau eigen risico dragen
en premiedifferentiatie WGA
Voor grote bedrijven
wordt eigen risico dragen en premiedifferentiatie toegepast op het
individuele bedrijfsniveau. De regering ziet geen aanleiding om het thans voor hen
geldend niveau te wijzigen.
Voor kleine bedrijven
heeft de regering bij de inwerkingtreding van de Pemba eveneens gekozen
voor het individuele bedrijfsniveau. Onder invloed van de forse
premie-effecten is daar echter van afgestapt. Momenteel geldt voor
kleine bedrijven premiedifferentiatie op het niveau van de sectoren en kunnen
kleine bedrijven - behoudens eenmalig per 1 juli 2004 - geen
eigenrisicodrager worden.
De regering heeft bezien
welk niveau voor kleine bedrijven nu het best gehanteerd zou kunnen
worden. De mogelijkheid van eigen risico dragen WGA, die de regering ten
principale aan alle bedrijven wil bieden, is daarbij uitermate
relevant. Op zich verhoudt de mogelijkheid van eigen risico dragen zich het best met
premiedifferentiatie op het individuele bedrijfsniveau. Indien de
premiedifferentiatie op een hoger niveau wordt vormgegeven, zou dat
immers leiden tot inbreuk op het streven naar zo gelijk mogelijke
voorwaarden voor eigen risico dragen en publieke verzekering. Bovendien zou dat leiden
tot het eerder genoemde vliegwieleffect. In het nieuwe stelsel zijn
de onder de premiedifferentiatie vallende uitkeringen beperkt tot de WGA-uitkeringen exclusief de loonaanvulling boven
de WGA-vervolguitkering.
Die beperking verkleint op zich de premie-effecten (in absolute bedragen)
die zouden leiden tot het vliegwieleffect, maar neemt die niet volledig weg. Dat maakt het hanteren van de
branchegewijze
premiedifferentiatie onder gelijktijdige introductie van eigen risico
dragen op het
niveau van individuele kleine bedrijven niet logisch. Een eventuele keuze voor premiedifferentiatie op het individuele
bedrijfsniveau doet
mogelijk het risico op forse premie-effecten terugkeren. Voor dat risico is ook
relevant dat de duur van de periode waarover uitkeringen in de
premiedifferentiatie worden meegenomen, wordt verlengd van vier naar
tien jaar. Mogelijk zijn additionele maatregelen gewenst om onverantwoorde
financiële risico’s te voorkomen. De verwachte ontwikkeling
van de gedifferentieerde premie voor kleine bedrijven kan op dit
moment nog niet kwantitatief in beeld worden gebracht, mede omdat
daarvoor nog een aantal keuzes moet worden bepaald. Het is pas mogelijk in te gaan op eventuele maatregelen ter
beperking van de premie(-mutaties) indien genoemd beeld geschetst kan worden.
Voor zover
mogelijk wordt hierop nader ingegaan in de Invoeringswet
WIA.
De regering erkent dat
met een keuze voor premiedifferentiatie op individueel bedrijfsniveau voor
kleine bedrijven, zou worden teruggekeerd naar het oorspronkelijke in de
Pemba gekozen niveau. Er zijn echter goede argumenten om in de WGA
premiedifferentiatie op het individuele bedrijfsniveau te hanteren. Ten eerste
is de voorgenomen wijziging van het stelsel van
arbeidsongeschiktheidsregelingen gericht op het activeren van gedeeltelijk
arbeidsgeschikten. Hoe lager het niveau waarop premiedifferentiatie wordt toegepast, des te
sterker is de financiële prikkel ervan. Ten tweede geldt de
wenselijkheid om zoveel mogelijk ruimte te bieden aan de keuzemogelijkheid
van bedrijven voor eigen risico dragen. In de ogen van de regering
geldt als rode draad in de opeenvolgende systemen rblz.|82|
voor kleine bedrijven het
zo laag mogelijk toekennen van lasten, maar met oog voor de financiële
effecten daarvan.
Alternatief voor
premiedifferentiatie op het individueel bedrijfsniveau voor kleine
bedrijven
zou zijn het voor hen handhaven van de premiedifferentiatie op sectorniveau. Voor dit
alternatief pleit dat dit aansluit bij de huidige methodiek voor
kleine bedrijven en de keuze daarvoor bestendigt. Bovendien is van een
terugkeer van forse premie-effecten zoals zojuist aangestipt dan
geen sprake. Evident bezwaar is echter dat eigen risico dragen op individueel
bedrijfsniveau zich in principe niet hiermee verhoudt. Voor eigen risico
dragen en publieke verzekering zouden dan
verschillende systemen
gelden, wat hun onderlinge concurrentie beïnvloedt. Daarnaast zou binnen
sectoren een vliegwieleffect optreden.
Alles afwegend kiest de
regering voor eigen risico dragen en premiedifferentiatie op het individuele
bedrijfsniveau voor grote en kleine bedrijven. In de
Invoeringswet WIA worden voorzieningen getroffen om te voorkomen dat door deze
keuze voor kleine bedrijven onverantwoorde financiële effecten
optreden.
10.2.2. Voorwaarden voor
optimale keuzevrijheid werkgevers
De regering kiest voor
een systeem waarin keuzevrijheid voor werkgevers bestaat om het risico
zelf te dragen of te verzekeren bij een private verzekeraar dan wel verzekerd te
blijven bij het UWV. Hiermee wordt private verzekeraars de
gelegenheid geboden zich aan te bieden en te onderscheiden als marktpartij en
daarmee werkgevers ertoe over te halen het risico bij hen te
verzekeren. De zelf te financieren dan wel met gedifferentieerde premies te financieren
uitkeringslasten zijn in beide gevallen gelijk. Zo beschouwd
maakt het financieel niet uit voor welke optie de werkgever kiest. De
keuzevrijheid zal werkgevers ertoe aanzetten om het risico daar onder te
brengen waar zij, gelet op de te verwachten inzet op preventie en
reïntegratie, menen financieel het voordeligst uit te zijn. Werkgevers zullen zo, in
hun eigen financiële belang, een bijdrage leveren aan volumebeheersing.
De
regering hecht aan
reële mogelijkheden voor eigenrisicodragerschap WGA. In dat licht wil de
regering voorwaarden creëren voor een zo optimaal mogelijke marktwerking
ten aanzien van de uitvoering van de WGA. De marktwerking wordt
gestimuleerd als in de verschillende posities de omstandigheden zoveel mogelijk hetzelfde zijn. De regering heeft bezien
welke elementen kunnen
bijdragen aan een zo optimaal mogelijke keuzevrijheid. Daartoe behoren in ieder
geval de volgende drie elementen. Als eerste voorwaarde geldt
dat de publieke uitvoering premiedifferentiatie op ondernemingsniveau
hanteert. De zoveel mogelijk gelijke positie van het UWV
ten opzichte van
eigenrisicodragers, alsmede voorkoming van het vliegwieleffect, zijn
eerder in dit hoofdstuk als argumenten hiervoor genoemd. Een tweede
voorwaarde is mitigering van de hobbel die de voor verzekeraars
vereiste verplichte financiering op basis van rentedekking met zich mee brengt. In
reactie op het SER-advies "Verdere uitwerking WAO-beleid"
(SER, advies 04/02, 20 februari 2004) heeft het kabinet aangegeven bereid
te zijn tot mitigering van de verschillen die als gevolg hiervan ontstaan
(Kamerstukken II 2003-2004, 28 333, nr. 19). Ten derde acht de regering
het noodzakelijk dat tussen de verschillende uitvoerders sprake is van
uitwisseling van gegevens die nodig zijn voor het offertetraject en
voor het bepalen van de schadelast, meer in het bijzonder voor een
adequate premiecalculaties van alle uitvoerders.
In de
Invoeringswet WIA wordt nader ingegaan op het gelijke speelveld, waaronder de mitigering
van de rentedekkingshobbel en de gegevensuitwisseling. Hieronder wordt ingegaan
op de vormgeving van de rblz.|83|
publieke
premiedifferentiatie. Vervolgens worden kort de belangrijkste elementen van de
procedure ten aanzien van eigen risico dragen gepresenteerd.
10.2.3. Vormgeving
premiedifferentiatie
Eerder is beschreven op
welke WGA-lasten eigen risico dragen en premiedifferentiatie van toepassing is.
Beoogd
is de premiedifferentiatie zodanig vorm te geven dat de
keuze van de werkgever wordt bepaald door verwachtingen die de
werkgever heeft ten aanzien van preventie en reïntegratie. De mate van doorberekening van de schade dient daarbij geen
rol te spelen. Deze
doorberekening dient zoveel mogelijk op dezelfde wijze te gebeuren in
geval van publieke of private verzekering.
Grosso modo zal de
premiedifferentiatie op dezelfde wijze worden vormgegeven als thans bij
de Pemba voor
grote werkgevers het geval is, uiteraard met inachtneming van in
ieder geval de eerder vermelde verlenging van de duur van de periode
van premiedifferentiatie en eigenrisicodragerschap van vier naar tien jaar.
Elementen die de doorberekening van lasten verstoren, dienen echter zoveel mogelijk weggenomen te worden. Het belangrijkste element is
een eventuele maximumpremie. De lasten boven deze maximumpremie moeten
worden omgeslagen over alle werkgevers, wat de doorberekening van
lasten aan individuele bedrijven verstoort. Voor grote werkgevers
lijkt een maximumpremie niet noodzakelijk. Voor kleine werkgevers is
deze, gezien de eerder in dit hoofdstuk genoemde risico’s die anders
zouden ontstaan, wel noodzakelijk; een eventuele maximumpremie geldt
echter voor een zeer gering deel van alle kleine werkgevers.
In de Invoeringswet
WIA wordt hier nader op ingegaan. Daarin wordt ook de overgangssituatie
beschreven, die noodzakelijk is om uitvoeringstechnische redenen. De
overgangssituatie behelst met name dat het introduceren van premiedifferentiatie
WGA niet eerder dan per 1 januari 2007 mogelijk is.
10.2.4. (Procedure)
eigen risico dragen
Ook wat betreft de
procedure om eigenrisicodrager te worden, wordt zoveel mogelijk aangesloten
bij de huidige
Pemba-systematiek. Dit betreft bijvoorbeeld de volgende
onderdelen:
• de mogelijkheid tot eigen risico dragen bestaat tweemaal per jaar, per 1 januari en per 1 juli;
• aanvragen dienen
uiterlijk dertien weken vóór de beoogde ingangsdatum schriftelijk te worden
ingediend bij de belastingdienst, onder overlegging van een
garantiestelling. Deze laatste is niet noodzakelijk indien de eigenrisicodrager een particuliere verzekering
overlegt die
alle WGA-uitkeringslasten
dekt.
Om de administratieve en
uitvoeringslasten bij de overgang op het nieuwe stelsel te
beheersen, zal worden voorzien in een aparte procedure eigen risico
dragen WGA
voor eigenrisicodragerschap ingaande op 29 december 2005.
Daarnaast geldt voor
eigenrisicodragers WGA het volgende (conform de Pemba voor
eigenrisicodragers WAO):
• de eigenrisicodrager
draagt zelf de WGA-lasten van arbeidsongeschiktheidssituaties
die zijn ontstaan vóór de dag waarop het eigen risico dragen
ingaat (zogenaamde inlooprisico);
• de eigenrisicodrager
is geen gedifferentieerde WGA-premie verschuldigd;
• de eigenrisicodrager
is verplicht tot het houden van aantekening van het verloop van de arbeidsongeschiktheid en de reïntegratie van de
werknemer (het zogenaamde
reïntegratiedossier).
rblz.|84|
10.2.5. Overgangssituatie
financiering WGA
Het uitvoeren van
premiedifferentiatie WGA is niet mogelijk gebleken in 2006, omdat in de
premiesystemen in dat jaar geen nieuwe premie geïntroduceerd kan worden. Wel is
eigen risico dragen WGA mogelijk in dat jaar.
Het in 2006 niet kunnen
introduceren van een nieuwe premie maakt dat voor de financiering van
de WGA-uitkeringen die ingaan tussen 28 december 2005 en 1 januari 2007
twee opties bestaan: financiering uit de Arbeidsongeschiktheidskas (Aok), dan wel het Arbeidsongeschiktheidsfonds
(Aof). De regering heeft
ervoor gekozen de WGA-uitkeringen die in genoemde periode ingaan
te financieren uit de Aof-premie. Om te voorkomen dat eigenrisicodragers
WGA hierdoor dubbel zouden betalen voor de WGA-lasten die
ontstaan in genoemde periode omdat zij die lasten ook al zelf betalen, krijgen
zij in 2007 een korting op de Aof-premie.
10.3.
Pemba en het oude en
nieuwe arbeidsongeschiktheidsstelsel
In deze paragraaf wordt
beschreven hoe in de periode vanaf de invoering van het nieuwe stelsel
van arbeidsongeschiktheidsregelingen de premiedifferentiatie
Pemba daarin wordt
geïmplementeerd. Bepaald moet worden welke
uitkeringslasten in het nieuwe stelsel onder de werking van de Pemba
(eigen risico dragen
en premiedifferentiatie) zullen vallen.
Pemba en WAO
Op grond van de huidige
Pemba-systematiek worden WAO-uitkeringen de eerste vier jaar
toegerekend aan bedrijven, voor kleine bedrijven op brancheniveau (feitelijk
het sectorniveau), voor grote bedrijven op individueel bedrijfsniveau. De aan
bedrijven toe te rekenen lasten leiden tot een opslag of korting op het voor alle bedrijven gelijke rekenpercentage WAO.
Werkgevers kunnen ervoor
kiezen deze lasten zelf te dragen. Deze systematiek blijft gehandhaafd.
De WAO-instroom is in
2005 beperkt en vanaf 2006 nihil. Ingegane WAO-uitkeringen lopen
(met een vertraging van twee jaar) maximaal vier jaar nadat zij zijn
ingegaan mee in de Pemba. Dat betekent dat voor wat betreft de WAO-lasten
de Pemba geleidelijk leegloopt, omdat er alleen maar WAO-uitkeringen de Pemba-periode voltooien (en daarna niet meer onder
de Pemba vallen) en er geen
nieuwe WAO-uitkeringen meer worden toegekend.
Pemba en Wet WIA
De regering wil de
Pemba-systematiek zodanig toepassen in de Wet WIA dat de eerste vierjaarslasten
van de IVA-uitkeringen worden meegenomen in het eigen risico dragen en
de premiedifferentiatie. In de inleidende paragraaf van dit hoofdstuk is
beargumenteerd dat dit op zijn vroegst vanaf 2008 zal
geschieden, uiteraard onder de veronderstelling dat de Pemba dan nog niet is
afgeschaft. In 2007 zullen de IVA-uitkeringslasten van alle werkgevers worden
gefinancierd uit het Aof. Indien en voor zover de Pemba vanaf 2008 nog van
toepassing is, wordt onderscheid gemaakt in IVA-uitkeringen die ten
laste van het Aof respectievelijk de Aok worden gebracht.
rblz.|85|
10.4. Financiering en
uitvoering van de Wet WIA voor werknemers die eerder onder het vangnet ZW vielen
Een bijzondere positie
wordt ingenomen door werknemers die bij ziekte aangewezen zijn op
ziekengeld op grond van het vangnet ZW. Wat betreft de financiering
en uitvoering van de Wet WIA zal rekening worden gehouden met deze
bijzondere positie.
Hieronder wordt eerst
ingegaan op de bijzondere positie van vangnetwerknemers. Vervolgens wordt
afzonderlijk ingegaan op de beoogde regeling voor de
WGA-vangnetlasten en de beoogde regeling voor de IVA-vangnetlasten.
De voor de WGA beoogde
financieringssystematiek wordt vanaf 2007 toegepast, voor de IVA
vanaf 2008. Alle WGA-uitkeringen die ingaan in tussen 28 december 2005
en 1 januari 2007 en alle IVA-uitkeringen die ingaan tussen 28 december
2005 en 1 januari 2008, ook aan werknemers die eerder onder het vangnet ZW vielen, worden in bedoelde overgangsperiode gefinancierd uit het
Aof.
De bijzondere positie van
vangnetwerknemers
Voor werknemers die bij
ziekte aangewezen zijn op ziekengeld op grond van het vangnet ZW
geldt in het algemeen dat reeds bij het ontstaan van de ziekte of
in de ziekteperiode de arbeidsrelatie met de werkgever wordt
beëindigd. Het UWV
is dan verantwoordelijk voor verzuimbegeleiding en
reïntegratie. De lasten van het vangnet ZW worden betaald door de sector.
In zijn advies van 20
februari 2004 heeft de SER
geadviseerd om voor deze werknemers na de
ziekteperiode een vangnetregeling te treffen met een publieke uitvoering. Voor
hen zou private uitvoering ongewenste effecten hebben. De SER noemde als
nadelen dat daarbij sprake zou zijn van ondernemingsgewijze
premies en hoge lasten en van een knip in de uitvoering (overgang van
publiek naar privaat). De SER bepleitte daarom om voor deze werknemers
lastenverevening op landelijk of sectoraal niveau vorm te geven of
een combinatie van beide. Voorts vroeg de SER aandacht voor de
vormgeving van de regeling, in relatie tot de rol van individuele
ondernemingen. Wat betreft uitzendarbeid bijvoorbeeld moet enerzijds worden
voorkomen dat uitzendarbeid door mogelijk verhoogde arbeidsongeschiktheidslasten
financieel onaantrekkelijk wordt of daarbij risicoselectie optreedt;
anderzijds mag de wijze van financiering niet leiden tot een vlucht in
flexwerk. Dit speelt met name bij landelijke verevening, aldus de SER.
In zijn brief aan de
Tweede Kamer van 12 maart 2004 heeft het kabinet aangegeven bij de
uitwerking van de WGA bijzondere aandacht aan dit vraagstuk te zullen geven
en daarbij het advies van de SER
als uitgangspunt te betrekken.
Thans kan daarover het
volgende worden opgemerkt. Regeling van de financiering van de WIA-lasten voor vangnetwerknemers behoeft, evenmin als die voor
gewone werknemers, plaats te vinden in dit
wetsvoorstel. Dit kan gebeuren in het
wetsvoorstel Invoeringswet WIA (wijziging Wet financiering sociale
verzekeringen). In dit wetsvoorstel wordt wel geregeld dat de werkgever
geen eigen risico kan dragen ten aanzien van WIA-lasten van vangnetters. Beide elementen komen hierna aan bod.
De regeling voor
WGA-vangnetlasten
Vanwege de argumenten die
de SER
heeft genoemd, staat voor ogen om wat betreft de
financiering van de WGA-lasten van vangnetwerknemers rblz.|86|
aan te sluiten bij de
financiering van het vangnet ZW en dit nader uit te werken in de
Invoeringswet
WIA. Dit betekent dat financiering van de WGA-lasten voor
vangnetwerknemers met ingang van 2007 voor alle sectoren zal plaatsvinden
op sectoraal niveau. Voor de uitzendsector zal een maximum worden
gesteld.¹ Komen de WGA-lasten voor de uitzendsector boven dat maximum uit,
dan wordt het meerdere gefinancierd door alle werkgevers.
Hierdoor wordt enerzijds
aangesloten bij de financiering van het vangnet ZW, waarbij de
financiering eveneens via sectorale verevening plaatsvindt. terwijl
anderzijds de lasten niet volledig op anderen worden afgewenteld: de sector
betaalt in beginsel zijn eigen last. Zo blijft, afgezet tegen het alternatief van
een landelijke verevening, ook voldoende prikkel bestaan aan de sector om
op sectorniveau te werken aan beperking van het verzuim en wordt
voorkomen dat andere werkgevers de lasten van het vangnet WGA volledig
zouden moeten betalen, dit naast de lasten van hun "eigen" werknemers.
Bij een keuze voor
sectorale verevening mag worden verwacht dat de vangnetlasten van de WGA
voor individuele vangnetwerkgevers relatief zullen worden beperkt.
Enerzijds komt dit door de sectorale verevening. Daarnaast mag ook worden
verwacht dat de activerende werking van de regeling neerwaartse effecten zal hebben op het volume van het
vangnet WGA.
1. Voor de ZW
is recent
een maximering van de ZW-lasten voor de
uitzendsector ingevoerd (Wet houdende wijziging van de Werkloosheidswet in
verband met maximering van de
ziekengeldlasten in het wachtgeldfonds voor de
uitzendsector en wijziging van enige
andere wetten in verband met de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte
2003 (Stb. 2004, 731)).
Net als bij het
vangnet ZW geldt voor bepaalde situaties een bijzondere regeling. Het betreft
situaties waarin de financiering van het vangnet ZW niet plaatsvindt op
sectorniveau uit het wachtgeldfonds, maar op landelijk niveau via het
AWf. Het
betreft met name werkneemsters die tengevolge van zwangerschap
en bevalling ziek worden, orgaandonoren en heringetreden
arbeidsgehandicapten die opnieuw ziek worden. In deze situaties is er een
vaste, doorgaande arbeidsrelatie met een werkgever, maar wordt toch
ziekengeld door UWV
verstrekt om risicoselectie door de werkgever te voorkomen.
Het ligt voor de hand voor de financiering van de WGA-lasten eveneens
aan te sluiten bij de financieringswijze van het vangnet ZW, dat wil zeggen bij landelijke financiering. Dit betekent
concreet dat de
WGA-lasten van deze groepen worden gefinancierd door alle werkgevers.
Zoals opgemerkt, zal de
financiering van vangnetlasten nader worden uitgewerkt in de Invoeringswet
WIA. In het onderhavige wetsvoorstel wordt wel geregeld dat de
werkgever geen eigen risico kan dragen voor de WIA-lasten van
vangnetwerknemers, dus ook niet voor de WGA-vangnetlasten.
Daarvoor gelden de volgende overwegingen. Zoals in dit hoofdstuk al is
uiteengezet, is er een nauwe samenhang tussen de mogelijkheid van eigen
risico dragen en ondernemingsgewijze premiedifferentiatie. Aangezien wat betreft de
financiering van WGA-lasten van vangnetwerknemers, gezien
de afwijkende positie van vangnetwerknemers en mede gelet op het SER-advies, wordt aangesloten bij de financiering van de ZW
(in beginsel financiering op sectorniveau) ligt het voor de hand om de
WGA-lasten van vangnetwerknemers uit te zonderen van het eigen risico
dragen.
De looptijd van het eigen risico dragen vormt daarvoor een extra
overweging.
Zoals aangegeven, worden
de WGA-vangnetlasten die ingaan tussen 28 december 2005 en 1
januari 2007, conform de algemene lijn, volledig gefinancierd uit het
Aof.
Het voorgaande impliceert
dat voor vangnetwerknemers de WGA-regeling een publiek karakter
krijgt, waarbij het UWV
verantwoordelijk is voor reïntegratie en
financiering van de lasten op sectoraal niveau plaatsvindt, op een vergelijkbare
wijze als voor het vangnet ZW.
rblz.|87|
De regeling voor
IVA-vangnetlasten
Wat betreft de
financiering van de IVA-lasten voor vangnetters wordt aangesloten bij de
algemene lijn. Dit betekent dat de IVA-vangnetlasten die ingaan tussen 28
december 2005 en 1 januari 2008 worden gefinancierd uit de landelijk uniforme
basispremie (het Aof). Deze financieringswijze zal eveneens worden uitgewerkt in de
Invoeringswet WIA. In dit wetsvoorstel is, zoals
opgemerkt, reeds geregeld dat de werkgever geen eigen risico kan dragen
voor de WIA-lasten van vangnetwerknemers, dus ook niet voor de
IVA-vangnetlasten.
In de loop van 2007 zal
vervolgens besluitvorming plaatsvinden inzake het al dan niet afschaffen
van de Pemba en de gevolgen daarvan voor de financiering van de IVA-lasten vanaf
2008 (zie hiervoor verder paragraaf 10.3). Daarbij zal ook de
financieringswijze van de IVA-vangnetlasten worden betrokken.
11. Overgangsrecht en
internationaalrechtelijke aspecten
11.1. Overgangsrecht
In zijn advies van 22
maart 2002 heeft de SER
opgemerkt dat de voorstellen tot fundamentele
herziening van de regelingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid
alleen moeten gelden voor personen die een beroep doen op deze
regelingen ná invoering daarvan (zogeheten nieuwe gevallen). De bestaande
regels op grond van de WAO blijven gelden voor de huidige
WAO-gerechtigden. De SER gaat derhalve uit van eerbiedigende werking van het
overgangsrecht ten aanzien van de uitkeringen (hoogte en duur) van de
huidige WAO-gerechtigden. Op hen blijft het thans geldende WAO-regime
volledig van toepassing. De SER handhaaft dit standpunt in zijn
advies van 20 februari 2004. Aangezien sprake is van een samenhangend en
fundamenteel nieuw geheel van rechten en plichten, dat zich niet
leent voor toepassing op huidige WAO-gerechtigden, dient
de nieuwe arbeidsongeschiktheidsregelgeving naar het oordeel van de
SER alleen te gelden voor nieuwe gevallen.
Bij brief van 12 maart
2004 heeft het kabinet zijn reactie op het SER-advies van 20 februari 2004 aan
de Tweede Kamer kenbaar gemaakt. Het kabinet geeft in die brief aan
het standpunt van de SER met betrekking tot de positie van bestaande WAO-uitkeringsgerechtigden bij de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel
van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen over te nemen. Gelet op
het karakter van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsregelgeving dient in de afweging
tussen het gelijkheidsbeginsel - dat is gediend met een
overgang van bestaande WAO-uitkeringsgevallen naar het nieuwe stelsel - en
het rechtszekerheidsbeginsel - dat het behoud van bestaande (uitkerings)rechten
impliceert - het laatste beginsel te prevaleren. Het standpunt van de SER
dat het juist is het nieuwe stelsel alleen van toepassing te laten
zijn op personen die arbeidsongeschikt worden na de inwerkingtreding van
dat stelsel wordt derhalve door het kabinet onderschreven. Op het
moment van inwerkingtreding van de nieuwe arbeidsongeschiktheidsregelingen
reeds arbeidsongeschikte personen behouden hun recht op
WAO-uitkering en zullen niet op grond van overgangsrecht overgaan naar het nieuwe
stelsel. Bestaande WAO-uitkeringsgevallen
worden vanaf 1 juli 2004 wel herbeoordeeld op grond van het per die
datum aangepaste Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten. Op deze herbeoordeling volgt
evenwel geen overgang naar de Wet WIA.
De uitwerking van het
overgangsrecht maakt geen deel uit van het onderhavige
wetsvoorstel, maar zal
worden opgenomen in de Invoeringswet WIA.
rblz.|88|
11.2.
Internationaalrechtelijke aspecten
De internationale
aspecten van het wetsvoorstel verdienen hier aparte aandacht. Belangrijk in
dezen is dat in dit wetsvoorstel, evenals in de WAO, geen onderscheid
wordt gemaakt tussen het risque social en het risque professionnel (het
beroepsrisico). Dit betekent dat het wetsvoorstel zowel moet voldoen aan de
vereisten van ILO-verdrag nr. 121 (1964) [ILO: International Labour
Organization, red.] inzake arbeidsongevallen
en beroepsziekten als aan ILO-verdrag nr. 128 (1967) inzake uitkeringen
bij algemene invaliditeit, ouderdom en overlijden. Daarnaast is Nederland
ter zake gebonden aan de in het kader van de Raad van Europa tot
stand gebrachte Europese Code inzake sociale zekerheid. In deze
paragraaf wordt uiteengezet welke vraagstukken zich in dit verband voordoen en
wordt een antwoord gegeven op de vraag of het wetsvoorstel aan dit
internationale recht voldoet.
Algemeen
Voor de beoordeling van
dit wetsvoorstel vanuit internationaalrechtelijke optiek wordt onderscheid
gemaakt tussen het wetsvoorstel in relatie tot de wettelijke
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen in andere EU-landen en verdragsrechtelijke
aspecten. Allereerst is daar de vraag hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot de
arbeidsongeschiktheidssystemen van de ons omringende landen,
hetgeen in verband met de toenemende integratie van de Europese
arbeidsmarkt van steeds groter belang is. In dezen blijft Nederland in een
uitzonderingssituatie verkeren, in die zin dat het wetsvoorstel, anders dan in de meeste
andere EU-landen, een regeling is die alle risico’s van
arbeidsongeschiktheid (boven een bepaald arbeidsongeschiktheidspercentage)
dekt. Op zich kan dit
afstemmingsvragen oproepen. Grote problemen daarbij voorziet de regering echter niet.
Immers, het wetsvoorstel
verschilt met zijn ruime dekking van risico’s in wezen niet van de WAO. Om
die reden verwacht de regering dan ook niet dat het wetsvoorstel,
bezien vanuit een samenloop met andere Europese stelsels, méér of
wezenlijk andere afstemmingsvragen zal oproepen dan de WAO. Op zich is het
een feit dat door de toenemende integratie van de Europese arbeidsmarkt het
aantal gevallen waarin de toepasbaarheid van verschillende nationale
stelsels aan de orde is, zal toenemen. De vraag naar de internationale
bestendigheid van het wetsvoorstel moet dan ook niet zozeer gezien worden
in relatie tot de arbeidsongeschiktheidstelsels van de ons omringende
landen of de EU-regelgeving, als wel in relatie tot de normverdragen.
Bij de voorbereiding van
dit wetsvoorstel is aan de verdragsrechtelijke aspecten dan ook
specifiek aandacht besteed, hetgeen bijvoorbeeld moge blijken uit de
deskundigenraadpleging die ter zake heeft plaatsgevonden en waarvan het parlement
ook afzonderlijk in kennis is gesteld.¹ Voor de toetsing is niet alleen
de inhoud van de desbetreffende verdragen van belang, maar ook de wijze
waarop deze verdragen zich tot elkaar verhouden. Zoals hiervoor
reeds opgemerkt, zijn hierbij van belang de ILO-verdragen nrs. 121 en
128.² Een belangrijke karakteristiek van de normverdragen is dat zij de
verdragssluitende staten de nodige ruimte laten bij de inrichting van hun
socialezekerheidsstelsel. De wijze waarop de verschillende risico’s
worden gedekt (verzekeringen of voorzieningen), de criteria die voor de
verschillende begrippen worden aangelegd (werkloosheid, arbeidsongeschiktheid),
alsook de wijze van uitvoering (publiek of privaat), zijn in
principe een zaak van de verdragssluitende staten, mits daarbij aan bepaalde
normen wordt voldaan. In dit verband is van belang dat een staat kan kiezen
voor een uitkeringsnorm waarbij de uitkering ten minste een percentage
bedraagt van het laatstverdiende loon of voor een norm waarbij de uitkering
ten minste een percentage bedraagt van het loon van een ongeschoolde
werknemer of het wettelijk minimumloon. In rblz.|89|
onderstaande tabel staan
de desbetreffende percentages vermeld.³
1. Zie de brief van 18
december 2003, niet als kamerstuk opgenomen.
2. De Europese Code
verschilt met betrekking tot onderhavige
onderwerpen niet wezenlijk van deze verdragen en kan derhalve hier verder onbesproken
blijven.
3. Dit zijn de percentages
voor een standaardgezinssituatie
(kostwinner met twee kinderen ten laste). Voor alleenstaande gerechtigden kunnen
lagere percentages gelden.
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Invaliditeit |
| ILO-verdrag nr. 128 (=
alleen risque social) |
50%
¹ |
| Europese Code (= risque
social en beroepsrisico) |
50%
¹ |
| ILO-verdrag nr. 121 (=
alleen beroepsrisico) |
60%
¹ |
| Herziene Code (= risque
social en beroepsrisico) |
65%
¹ |
1. 80% indien het
arbeidsongeschiktheid betreft waarvoor "constant attendance" is
vereist.
Het feit dat Nederland de
eerste drie verdragen heeft geratificeerd, betekent voorts dat het zich
verplicht heeft zowel voor beroepsrisico als voor het risque social een
situatie in het leven te roepen, via wetgeving of anderszins, waarin de tot
de beroepsbevolking behorende personen in geval van
arbeidsongeschiktheid uitkeringsaanspraken hebben die ten minste voldoen aan de in
deze verdragen neergelegde minimumnormen. Verdragsrechtelijk is het
dus niet toegestaan om de arbeidsongeschiktheidsregelingen te beperken tot
uitsluitend het beroepsrisico.
Algemene invaliditeit
Op zich geeft
ILO-verdrag
nr. 128 de wetgever zeer veel ruimte een arbeidsongeschiktheidsverzekering
voor algemene invaliditeit naar eigen inzichten in te richten.
Om te beginnen behoeft alleen volledige arbeidsongeschiktheid tot een uitkering te
leiden. In ieder geval moet een uitkering worden verstrekt wanneer
er sprake is van "incapacity to engage in any gainful activity".
Indien echter betrokkene nog mogelijkheden heeft om met arbeid inkomsten
te verwerven, behoeft geen uitkering te worden verstrekt. Wat onder
arbeidsongeschiktheid moet worden verstaan, wordt overgelaten aan de
nationale wetgever. Men kan daarbij kiezen voor een medisch of een
arbeidskundig criterium. Ook is het mogelijk om referte-eisen te stellen of de
uitkering (partner)inkomensafhankelijk te maken.
Als men
het hier
voorliggende wetsvoorstel afzet tegen dit verdrag, dan kan - zelfs geïsoleerd
bezien - het wetsvoorstel deze toets ruimschoots doorstaan. In een aantal
opzichten biedt het wetsvoorstel aanzienlijk betere
uitkeringsvoorwaarden dan ILO-verdrag nr. 128 eist. Zo geldt voor het recht op uitkering
bij volledige arbeidsongeschiktheid geen referte-eis, terwijl dit op zich wel
mogelijk zou zijn. Het uitkeringsniveau bij volledige arbeidsongeschiktheid
(70%) ligt ruim boven het vereiste percentage van 50%, waarbij geen partnerinkomenstoets geldt. Ook de hoogte van de
WGA-vervolguitkering
blijft boven het door ILO-verdrag nr. 128 vereiste niveau. Naar het oordeel
van de regering is het wetsvoorstel dan ook in overeenstemming met dit
verdrag.
Beroepsrisico
De
eisen die
ILO-verdrag
nr. 121 stelt zijn hoger dan die van ILO-verdrag nr. 128. De belangrijkste
verschillen zijn dat de minimumnorm voor de uitkeringshoogte bij
volledige arbeidsongeschiktheid hoger ligt (bij arbeidsongeschiktheid 60%
van de gekozen uitkeringsgrondslag), terwijl voorts uit de systematiek
van de verdragen volgt dat de uitkering bij het beroepsrisico geen
(partner)inkomens- en vermogenstoets mag kennen. Daarnaast kent het verdrag een aantal inhoudelijke
normen waaraan de nationale wetgeving dient
te voldoen.
Het Verdrag nr. 121 bevat
ten aanzien van de minimale uitkeringshoogte een tweetal normen, de
ene (artikel 19) gerelateerd aan het laatstverdiende loon, de tweede
(artikel 20) gerelateerd aan het loon van een ongeschoolde werknemer in een nader te
bepalen bedrijfstak (hierna aangeduid als "referentieloon").
Aan het verdrag wordt voldaan indien de rblz.|90|
uitkeringshoogte ten
minste voldoet aan één van deze uitkeringsniveaus. Het verdrag biedt de
nationale overheden de mogelijkheid te kiezen uit één van deze twee normen.
Wordt uitgegaan van de
loongerelateerde norm, zoals vastgelegd in artikel 19 van het
verdrag, dan dient bij volledige arbeidsongeschiktheid de hoogte van de
uitkering voor een standaardgerechtigde ten minste 60% van het
laatstverdiende loon te bedragen, met inachtneming van de bijbehorende kinderbijslagbedragen. Een standaardgerechtigde is een gehuwde man met twee
kinderen. Voor niet-standaardgerechtigden (bijvoorbeeld
alleenstaanden) dient de uitkeringshoogte in redelijke verhouding te staan tot
die van de standaardgerechtigde. Bovendien mag zowel aan het loon dat de
grondslag vormt voor de berekening van de uitkering als aan de
uitkering zelf een maximum worden gesteld, op voorwaarde dat een
geschoolde mannelijke werknemer niet minder ontvangt dan 60% van zijn
laatste loon.
Wordt uitgegaan van de
aan het referentieloon gerelateerde norm, zoals vastgelegd in artikel 20
van het verdrag, dan dient bij volledige arbeidsongeschiktheid de hoogte van de
uitkering ten minste 60% van het loon van een ongeschoolde
werknemer te bedragen. Ook hier dient te worden uitgegaan van de standaarduitkeringsgerechtigde. Als referentieloon van
een ongeschoolde
werknemer kan in Nederland het wettelijk minimumloon
worden gehanteerd.
In
het wetsvoorstel
voldoet de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid aan
de loongerelateerde norm van artikel 19. Ook de loongerelateerde
WGA-uitkering (70% * loonverlies) voldoet aan die norm, evenals de
loonaanvulling (kortweg: 70% * oude loon *
arbeidsongeschiktheidspercentage). Met betrekking tot de
WGA-vervolguitkering geldt dat voor werknemers
die geen nieuwe of andere arbeid weten te vinden het
uitkeringsniveau relatief laag is, kortweg: 70% * minimumloon * arbeidsongeschiktheidspercentage. Door de relatie met het minimumloon
kan de
WGA-vervolguitkering uitkomen beneden de loongerelateerde norm. De uitkering
voldoet echter ten volle aan de aan het referentieloon
gerelateerde norm van artikel 20.
Nu is het op zich niet
nieuw dat de uitkering in bepaalde gevallen beneden het minimum van de loongerelateerde norm kan uitkomen. Ook bij de
vervolguitkering WAO kan
dit in een aantal omstandigheden het geval zijn. Bij de invoering
van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen (Stb. 1993, 412) is de
mogelijkheid onder ogen gezien dat Nederland niet langer in alle gevallen zou blijven voldoen aan
deze norm. Gekozen is
toen om in het vervolg aan de Internationale Arbeidsorganisatie te
rapporteren aan de hand van de aan het referentieloon gerelateerde norm. Aan
het Internationale Arbeidsbureau is in 1992 een informeel advies
gevraagd of enige bepaling van het verdrag zich daartegen verzette. Het
IAB [Interne Accountantsdienst
Belastingen, red.] heeft in zijn advies bevestigd dat het verdrag een dergelijke flexibiliteit toestaat en stelde dat de overgang van de rekenmethode
voorzien in artikel 19
(loongerelateerde uitkeringen) naar die voorzien in artikel 20 (minimumloongerelateerde uitkeringen) van het
verdrag "niet onverenigbaar zou zijn noch met de geest, noch met de
letter hiervan, voor zover
de verstrekte uitkeringen niet lager zijn dan een bepaald bedrag dat ten
minste het percentage moet bedragen voorgeschreven door het verdrag,
overeenkomende met het loon van een volwassen ongeschoolde
mannelijke arbeider". Nu de WGA-vervolguitkering,
evenals als de WAO-vervolguitkering, hoger is dan het voornoemde bedrag,
volgt daaruit dat de uitkeringhoogte van de WGA-vervolguitkering,
bezien vanuit ILO-verdrag nr. 121, voldoende is.
rblz.|91|
De
uiteindelijke
conclusie kan dan ook geen andere zijn dan dat het wetsvoorstel in overeenstemming is met
de eisen van zowel ILO-verdrag nr. 121 als van ILO-verdrag
nr. 128 en daarmee ook met de Europese Code. Voor alle
arbeidsongeschikten wordt een uitkering gegarandeerd die van een alleszins acceptabel
niveau is en voor arbeidsongeschikten die dat echt nodig hebben, is de
uitkering aanzienlijk hoger dan de normverdragen eisen. Zo zij erop
gewezen dat volledig arbeidsongeschikten er ten opzichte van de WAO
er in inkomen op vooruit gaan. Wat dat betreft wordt voor een belangrijk
deel van de verzekerden niet alleen voldaan aan de aan het referentieloon
gerelateerde norm, maar ook aan de loongerelateerde norm.
Gezien bovenstaande
conclusie ziet de regering thans geen aanleiding tot herinvoering van
afzonderlijke regelingen voor het risque professionnel en het risque
social. Met
de invoering van de WAO heeft Nederland dit onderscheid naar de
oorzaak van de arbeidsongeschiktheid verlaten. Nederland is daarmee het
enige land in West Europa dat dit onderscheid niet maakt. Zoals
hierboven echter al is aangegeven, acht de regering het voorgestelde stelsel van
arbeidsongeschiktheidsregelingen in lijn met hetgeen internationale verdragen voorschrijven. Ook de toenemende
internationalisering
geeft geen directe aanleiding om de invoering van afzonderlijke regelingen
te overwegen.
12. Ontvangen
commentaren ¹
12.1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
Het UWV
heeft een
uitvoeringstoets uitgebracht over het concept-wetsvoorstel WIA. Naar aanleiding van
deze uitvoeringstoets heeft nader overleg plaatsgevonden
tussen het UWV en het ministerie van SZW. Dit overleg heeft - met
instandhouding van de inhoud en strekking ervan - tot een aantal wijzigingen
van het wetsvoorstel geleid. Vervolgens heeft het UWV een nadere brief
gestuurd. Hierna wordt eerst ingegaan op deze nadere brief van het UWV
en vervolgens op de uitvoeringstoets. Bij het navolgende is het van
belang te weten dat in het aan het UWV voorgelegde concept-wetsvoorstel er
nog van uit werd gegaan dat de inkomenseis voor het
recht op loonaanvulling gelijk was aan de resterende verdiencapaciteit in
plaats van 50% van de resterende verdiencapaciteit.
1. Ter inzage gelegd bij
het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.
Nadere brief UWV
In zijn nadere brief gaat
het UWV
in op de wijzigingen die naar aanleiding van zijn uitvoeringstoets
en het ambtelijk overleg in het wetsvoorstel zijn aangebracht.
46 uitkeringspercentages
In zijn uitvoeringstoets
had het UWV
aangegeven dat er 46 arbeidsongeschiktheids-
en uitkeringspercentages ontstaan bij de berekening van de
WGA-vervolguitkering. In het concept-wetsvoorstel WIA
was namelijk voorgesteld om
de hoogte van deze uitkering vast te stellen op 70% van het wettelijk minimumloon, vermenigvuldigd met het arbeidsongeschiktheidspercentage. Laatstgenoemd element zou
tot grote complicaties in de uitvoering leiden.
Zo zou in dit systeem er eerder aanleiding voor herziening van het arbeidsongeschiktheidspercentage zijn dan in een
systeem van zeven
arbeidsongeschiktheidsklassen met daarbij behorende uitkeringspercentages.
rblz.|92|
Het UWV
heeft daarom
voorgesteld om de indeling in arbeidsongeschiktheidsklassen te handhaven, althans
voor de berekening van de WGA-vervolguitkering. In
zijn nadere brief merkt het UWV op dat dit voorstel door de regering is
overgenomen.
Inkomenseis
Het
UWV
had in zijn
uitvoeringstoets aangegeven dat aan de maandelijkse beoordeling van het recht
op loonaanvulling of WGA-vervolguitkering een groot aantal
technische bezwaren kleven. Het nader overleg met SZW heeft ertoe geleid dat
het UWV op de volgende wijze zal beoordelen of de gedeeltelijk arbeidsgeschikte al dan niet voldoet aan de inkomenseis voor
het recht op
loonaanvulling. Na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering zal worden
bezien of de gedeeltelijk arbeidsgeschikte ten minste of minder verdient
dan zijn resterende verdiencapaciteit. In het eerste geval bestaat
aanspraak op een loonaanvulling, in het tweede geval op een
WGA-vervolguitkering. Vervolgens gaat het UWV ervan uit dat de inkomenssituatie van de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte stabiel is, tenzij hij - verplicht - aangeeft
dat daarin een wijziging is opgetreden. In dat geval beoordeelt het UWV
opnieuw of de gedeeltelijk arbeidsgeschikte ten minste of minder verdient
dan zijn resterende verdiencapaciteit. Voorts voert het UWV periodieke controles uit.
Duurzaamheid
Het
UWV
is van mening dat
het begrip duurzaamheid, dat onderdeel uitmaakt van de
claimbeoordeling van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, de uitvoering van de
IVA-uitkering compliceert, omdat dit een nieuw begrip is.
Aanvankelijk had het UWV dan ook voorgesteld om de beoordeling van de duurzaamheid
- uitzonderingen daargelaten - niet
meteen na twee jaar
ziekte te verrichten, maar uit te stellen. Dit achtte de regering in strijd met de
bedoeling van de wet. Om die reden heeft het UWV aangegeven de
beoordeling van het begrip duurzaamheid wel meteen bij de eerste
claimbeoordeling te verrichten. Indien er twijfel bestaat aan de
duurzaamheid van de volledig arbeidsongeschikte, is deze tijdelijk volledig
arbeidsongeschikt en zal hij een uitkering op grond van de WGA kunnen krijgen.
Lijsten
Het
UWV
vreesde
aanvankelijk dat het gebruik van lijsten van ziektes en hersteltermijnen zou
leiden tot overbodige bureaucratie, waarbij iedere actie van de
verzekeringsarts in relatie tot de inhoud van de lijsten verantwoord zou moeten worden. Het
UWV ziet thans de lijst van ziektes als een adequaat hulpmiddel.
Beslissingsautoriteit
Het
UWV
heeft aangegeven
bezwaren te zien in de figuur van de beslissingsautoriteit
indien die bij alle claimbeoordelingen betrokken zou worden. Dit zou leiden
tot een groot beslag op de capaciteit van verzekeringsartsen en
arbeidsdeskundigen en tot hoge kosten. Het UWV meende dat het gewenste
resultaat, verhoging van de kwaliteit, ook op een andere manier bereikt
kan worden. Na nader overleg heeft het UWV nu aangegeven ermee in te
stemmen dat de beslissingsautoriteit wordt ingeschakeld bij de
beoordeling van de gevallen van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
rblz.|93|
Premiedifferentiatie
Het
UWV
had in zijn
uitvoeringstoets aangegeven dat het voorgestelde systeem van
premiedifferentiatie complex is. Het UWV pleitte daarom voor een eenvoudiger
systeem.
Nadere toelichting van de
kant van SZW heeft ertoe geleid dat het UWV
van oordeel is dat het
systeem van premiedifferentiatie voor de uitvoering hanteerbaar is.
Invoeringsdatum
In zijn uitvoeringstoets
had het UWV
aangegeven dat het concept-wetsvoorstel niet per 1 januari 2006
kan worden uitgevoerd. De reden daarvoor was dat het UWV
een nieuw ondersteunend ICT-systeem moet bouwen, omdat de
uitkeringssystematiek in het wetsvoorstel WIA substantieel afwijkt van
de uitkeringssystematiek in de WAO. De bouw van een dergelijk systeem
duurt, met inbegrip van de Europese aanbestedingsprocedure, ten minste
twee en een half
jaar. Dit betekent al met al dat het wetsvoorstel WIA op zijn vroegst op 1 oktober 2007 kan worden ingevoerd.
Gelet hierop heeft het
UWV
in zijn uitvoeringstoets een alternatief uitkeringsregime
voorgesteld voor de periode vanaf 1 januari 2006 tot de oplevering van het
ICT-systeem. Dit alternatieve uitkeringsregime leidde tot vrijwel dezelfde
uitkeringen, qua hoogte en duur, als het wetsvoorstel WIA.
In zijn nadere brief
heeft het UWV
evenwel aangegeven dat - vanwege de hierboven genoemde
wijzigingen - invoering van het wetsvoorstel WIA
wel per 1 januari 2006
mogelijk is, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. Eén van die
voorwaarden is dat tot 1 januari 2008 de duur van de loongerelateerde
uitkering in de IVA en de WGA wordt gerelateerd aan de leeftijd van betrokkene
in plaats van aan het arbeidsverleden. Daarbij geldt bij elke
leeftijdscategorie een zodanige duur dat de duur vrijwel gelijk is aan de duur
ingevolge de Wet WIA. Zo is de duur in ieder geval hetzelfde als de
betrokkene vanaf (dat wil zeggen met inbegrip van) 1998 ten minste over 52 of
meer dagen per kalenderjaar loon heeft ontvangen.
Reactie regering
De regering heeft met
instemming ervan kennis genomen dat de bovengenoemde onderwerpen goed uitvoerbaar zijn door het
UWV.
De activerende werking
van de Wet WIA
Het
UWV
heeft in zijn
uitvoeringstoets opgemerkt dat het WGA-deel van het wetsvoorstel WIA
is
bedoeld om de activerende werking van het stelsel verder te
versterken. Als belangrijkste instrumenten daartoe worden prikkels voor
werkgevers en werknemers ingevoerd.
De financiële prikkels
voor werknemers liggen in de eerste plaats besloten in de
uitkeringssystematiek. Bij deze uitkeringssystematiek plaatst het UWV
evenwel verschillende
kanttekeningen.
• Ten eerste kan het
onderscheid tussen de uitkeringsvoorwaarden in de IVA en de WGA tot
gedragseffecten leiden gericht op het verkrijgen van een IVA-uitkering.
• Ten tweede is het
volgens het UWV de vraag of de loongerelateerde fase in de WGA een
grotere prikkel tot werkhervatting genereert dan een WW/WAO-uitkering.
rblz.|94|
• Ten derde merkt het
UWV op dat in de huidige praktijk 95% van de gedeeltelijk
arbeidsgeschikten die werken hun resterende verdiencapaciteit volledig benutten. Het
aandeel werkende gedeeltelijk arbeidsgeschikten op het
totale aantal arbeidsongeschikten bedraagt ongeveer 60%. Voor deze
groep heeft de systematiek in de WGA geen toegevoegde waarde in de
zin dat zij meer gaan werken, omdat het totaalinkomen onder de
WGA hoger is dan onder de huidige WAO.
• Ten vierde merkt het
UWV op dat van de eis van het benutten van de resterende
verdiencapaciteit voor het recht op loonaanvulling, een prikkel uitgaat voor
verzekerden die een dagloon hebben dat substantieel hoger is dan het minimumloon. Voor verzekerden waarvan de uitkeringsgrondslag
(nagenoeg) gelijk is aan het minimumloon bevat de WGA-systematiek geen
extra prikkel.
• Ten vijfde merkt het
UWV op dat werken ook in de huidige WAO loont, tenzij de werkhervatting
aanleiding is om de arbeidsongeschiktheidsklasse te verlagen.
• Tot slot merkt het
UWV op dat de inkomenseis voor volledig maar niet duurzaam
arbeidsongeschikten op nul wordt gesteld. Het lijkt volgens het UWV wat paradoxaal
dat tegelijkertijd wel van hen wordt verwacht dat ze het werk
hervatten.
In de tweede plaats
liggen de prikkels voor werknemers besloten in het aanscherpen van de
verplichtingen om passende arbeid te zoeken en in het vergroten van de
mogelijkheid voor het UWV
om een lik-op-stuksanctiebeleid te voeren.
Naar het oordeel van het UWV zullen van deze maatregelen zeker
prikkels in de richting van de werkhervatting uitgaan. Wel vraagt het UWV
aandacht voor de relatie tussen eigenrisicodrager en het UWV in het geval er
verschil van inzicht is tussen beide partijen bij de toepassing van het
lik-op-stuksanctiebeleid. Het UWV geeft aan hier in de uitvoeringstoets over de
Invoeringswet
WIA nog op terug te komen. In de bijlage van de
uitvoeringstoets gaat het UWV nog nader in op dit onderwerp. Het UWV stelt dat hij
verplicht is om een maatregel op te leggen als de verzekerde een op hem
rustende verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, behoudens die
gevallen waarin de eigenrisicodrager bevoegd is tot het
opleggen van een maatregel. Het UWV geeft aan dat soms niet direct
duidelijk is of die bevoegdheid aan de orde is.
Daarnaast merkt het UWV
op dat de eigenrisicodrager zijns inziens niet als bestuursorgaan in de zin
van artikel 1:1, eerste lid Awb kan worden aangemerkt. Er gelden volgens het UWV
twee wezenlijk van elkaar verschillende sanctieregimes
afhankelijk van publieke verzekering bij het UWV en private verzekering bij
de eigenrisicodrager, hetgeen zou kunnen leiden tot afstemmingsproblemen
en de schijn van rechtsongelijkheid.
Op basis van het
bovenstaande adviseert het UWV
om de ingewikkelde uitkeringssystematiek van
de Wet WIA niet in te voeren. In plaats daarvan verdient het volgens het
UWV de voorkeur om de beschikbare middelen in te zetten op
intensievere reïntegratiecoaching.
Reactie regering
In reactie op de
kanttekeningen van het UWV
bij de prikkelwerking voor werknemers van de uitkeringssystematiek merkt de regering het
volgende op. Het is juist
dat, zoals het UWV veronderstelt, van de IVA een aanzuigende werking kan
uitgaan. Dat is een oud en bekend fenomeen: mensen zullen de hoogst mogelijke uitkering trachten te verkrijgen. Hier
ligt een belangrijke taak
voor het UWV om zijn rol als poortwachter van de Wet
WIA
adequaat te
vervullen: alleen verzekerden die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn,
mogen door het UWV worden toegelaten tot de IVA. In geval van twijfel
is de IVA niet aan de orde. Overigens zou het met de aanzuigende werking
wel eens kunnen meevallen, omdat men in de rblz.|95|
WGA door te werken een
(veel) hoger inkomen kan verwerven dan een uitkering van 70% van het
dagloon.
Ten tweede merkt de
regering op dat de loongerelateerde uitkering in de WGA zodanig is
vormgegeven dat van iedere euro die de gedeeltelijk arbeidsgeschikte extra
gaat verdienen er €|0,70 wordt verrekend met die uitkering. Anders gezegd,
bij iedere extra euro aan inkomsten uit arbeid neemt het totale inkomen
van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte met €|0,30 toe. In de huidige
situatie bij een WW/WAO-uitkering is de omvang van de inkomenstoename
afhankelijk van het loon per uur dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte gaat
verdienen. Is dit gemiddelde uurloon lager (hoger) dan het gemiddelde
uurloon waarnaar het WW-dagloon is berekend, dan neemt het totale inkomen
met minder (meer) dan €|0,30 toe als de betrokkene één euro meer gaat
verdienen. Anders gezegd, het is afhankelijk van het verdiende uurloon of
de WW/WAO-uitkering een grotere of kleinere prikkel tot
werkhervatting geeft dan de WGA.
Ten derde merkt de
regering op dat de inkomenseis voor het recht op loonaanvulling niet
primair gericht is op gedeeltelijk arbeidsgeschikten die werken, maar bedoeld is
als financiële prikkel voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten die niet werken. Dit
betreft nu ruim 40% van het totaal aantal arbeidsongeschikten. Deze groep wordt onder de WGA meer dan onder
de huidige WAO geprikkeld
om te gaan werken, omdat de vervolguitkering onder de WGA lager en de
loonaanvulling onder de WGA hoger is dan de
vervolguitkering onder de WAO. Hiervan gaat een prikkel uit om de resterende
verdiencapaciteit te benutten, omdat het totale inkomen kan toenemen. Deze
inkomenstoename is groter naarmate de gedeeltelijk arbeidsgeschikte meer
arbeidsongeschikt is en naarmate zijn dagloon hoger is.
De groep gedeeltelijk
arbeidsgeschikten is analytisch onder te verdelen in vier groepen:
1. gedeeltelijk
arbeidsgeschikten die niet werken;
2. gedeeltelijk
arbeidsgeschikten die werken, maar minder verdienen dan hun resterende
verdiencapaciteit benutten;
3. gedeeltelijk
arbeidsgeschikten die hun resterende verdiencapaciteit benutten;
4. gedeeltelijk
arbeidsgeschikten die meer verdienen dan hun resterende verdiencapaciteit.
De activerende werking
van de laatste twee groepen is beperkt, maar ook het minst nodig. De
activerende werking van dit wetsvoorstel heeft vooral betrekking op de eerste
twee groepen; het onderhavige wetsvoorstel is onbetwistbaar
activerender voor deze groepen dan de huidige WAO.
Voorts merkt de regering
op dat van de inkomenseis een preventieve werking uitgaat op
gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Zo blijkt dat de terugkeer naar het werk van zieke
werklozen na negen maanden substantieel toeneemt, omdat de WAO-uitkering in zicht komt. Ook de sociale partners hebben in hun verklaring
van de Stichting van de Arbeid aangegeven dat een dreigende daling of
beëindiging van de uitkering de arbeidsparticipatie van zieke en
arbeidsongeschikte werknemers bevordert. Ook de inkomenseis voor het
recht op loonaanvulling zal daarom preventief werken. De gedeeltelijk
arbeidsgeschikte met een loongerelateerde uitkering weet dat hij terugval in
zijn inkomsten tegemoet kan zien als hij niet in voldoende mate blijft
of gaat werken. Dit zal, gelet op de ervaringen in de WW
en het eerste
ziektejaar, de arbeidsparticipatie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten
bevorderen.
De financiële prikkel
die uitgaat van de inkomenseis is, als gezegd, groter naarmate de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte meer arbeidsongeschikt is en rblz.|96|
naarmate zijn dagloon
hoger is. Dat wil echter niet zeggen dat in de WGA-systematiek geen
financiële prikkel is ingebouwd om meer te gaan verdienen dan de resterende verdiencapaciteit. De gedeeltelijk arbeidsgeschikte
gaat er ook dan altijd in
inkomen op vooruit, omdat - evenals in de loongerelateerde fase - van iedere extra euro aan verdiend inkomen
€|0,70 wordt gekort op
de loonaanvulling. De prikkelwerking zit hem dus in de marginale toename
van het inkomen en niet in de hoogte van de uitkering. Bovendien is
het systeem zo vormgegeven dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte ook een
prikkel heeft om meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te gaan verdienen: hij
behoudt dan namelijk nog één jaar lang aanspraak op zijn
WGA-uitkering.
In de WGA-systematiek
zijn ook financiële prikkels ingebouwd voor werknemers die een dagloon hebben
dat (nagenoeg) gelijk is aan het minimumloon. Doordat de
WGA-vervolguitkering niet mede afhankelijk is van het met werken verdiende
inkomen, betekent iedere extra euro aan inkomen uit arbeid dat
het totale inkomen van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte ook met één euro
toeneemt. Het is wel juist dat van de inkomenseis in de WGA
geen extra financiële prikkel uitgaat voor deze groep.
Voorts merkt de regering
op dat het UWV
terecht stelt dat werken ook in de huidige WAO
kan lonen.
Echter, zoals het UWV zelf ook constateert, werken is niet altijd
financieel lonend. Van belang is dat werken onder de WGA altijd
financieel
lonend is; een voorwaarde waaraan de huidige WAO niet voldoet.
Met betrekking tot de
opmerking van het UWV
over de volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikten merkt de regering op dat niet hun inkomenseis op
nul wordt
gesteld, maar dat voor hen geen inkomenseis geldt. Van hen kan dan
ook wel degelijk worden verwacht dat ze, voor zover ze nog enige
resterende verdiencapaciteit hebben, deze trachten te benutten. In hun geval
betekent het niet benutten echter niet dat ze geen aanspraak kunnen
maken op de loonaanvulling.
Concluderend merkt de
regering op dat zij de opvatting van het UWV
niet deelt dat van de
inkomenseis een weinig activerende werking uitgaat. De inkomenseis betekent naar
het oordeel van de regering een financiële prikkel voor gedeeltelijk
arbeidsgeschikten om te blijven of te gaan werken. Deze financiële prikkel kan soms fors zijn, zoals het UWV met een
voorbeeld heeft
aangetoond. De regering heeft de inkomenseis dan ook gehandhaafd.
Met betrekking tot de
opmerkingen van het UWV
over de aanscherping van verplichtingen en het sanctiebeleid merkt de regering het volgende
op. De regering
constateert met genoegen dat het UWV de maatregelen voor een juiste balans
tussen rechten en plichten en een effectief sanctiebeleid in de Wet
WIA
onderschrijft.
Het UWV vraagt aandacht voor de toepassing van het sanctiebeleid in
het geval er verschil van mening is tussen eigen risicodrager en het
UWV. De regering merkt daarover het volgende op. De eigenrisicodrager
is in het kader van de sanctieoplegging aan te merken als een
bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht. De eigenrisicodrager is namelijk zelfstandig bevoegd tot het opleggen
van bepaalde maatregelen om een gedeeltelijk arbeidsgeschikte tot
reïntegratie te bewegen en om zijn financiële schadelast te beperken. De
eigenrisicodrager is bevoegd de uitkering tijdelijk én gedeeltelijk, tijdelijk
én geheel of blijvend én gedeeltelijk te weigeren. Daarbij zal de
eigenrisicodrager de hoogte van de sanctie moeten afstemmen op de ernst van
de gedraging en de mate waarin die gedraging aan de belanghebbende
verweten kan worden. Daarnaast is de rblz.|97|
eigenrisicodrager bij
deze sanctieoplegging gehouden aan de eisen die uit de Algemene wet
bestuursrecht volgen. In die zin geldt er geen ander sanctieregime dan bij het
UWV en is er geen sprake van rechtsongelijkheid.
De enige maatregel die de
eigenrisicodrager niet aan de gedeeltelijk arbeidsgeschikte kan
opleggen, betreft het blijvend én volledig weigeren van de uitkering. Deze
maatregel kan alleen door het UWV
worden opgelegd en is aan de orde indien
de verzekerde de arbeidsongeschiktheid met opzet heeft veroorzaakt, passende arbeid door eigen toedoen heeft
verloren of passende
arbeid heeft geweigerd indien hij daartoe in de gelegenheid is gesteld.
Het UWV geeft aan dat er
een situatie kan bestaan waarin er onduidelijkheid is of de gedraging leidt
tot het blijvend en volledig weigeren van de uitkering
(sanctieoplegging door het UWV) of tot een lichtere maatregel (sanctieoplegging door de
eigenrisicodrager). De regering geeft aan dat een eventuele
onduidelijkheid alleen speelt als het UWV door de eigenrisicodrager gevraagd wordt een
blijvend gehele weigering van de uitkering op te leggen. In dat
geval zal het niet voorkomen dat de eigenrisicodrager op zijn beurt dezelfde
gedraging ook nog met een lichtere maatregel bestraft. Als
UWV besluit af te zien van het opleggen van een dergelijke maatregel, dan
kan de eigenrisicodrager als belanghebbende bezwaar instellen bij het
UWV en daarna eventueel de gang naar de bestuursrechter maken.
12.2. De Inspectie Werk en
Inkomen (IWI)
De IWI vraagt de
nadrukkelijke aandacht voor de inrichting van de procesgang bij de claimbeoordeling.
Omdat daar een groot aantal functionarissen bij betrokken is, benadrukt de IWI het belang van een heldere
afbakening van de bevoegdheden van
de verschillende functionaliteiten bij de inrichting van het claimbeoordelingsproces.
Toezichtbereik
De
IWI merkt op dat de
IVA zal worden uitgevoerd door het UWV
en dat de werkgever keuzevrijheid
heeft ten aanzien van de uitvoering van de WGA. Als de werkgever ervoor
kiest het risico zelf te dragen of onder te brengen bij een private
verzekeraar, is hij verantwoordelijk voor de reïntegratie, dient hij in beginsel de
uitkering uit te betalen en is hij verantwoordelijk voor de financiering van
de aanspraken van de werknemer. Voorts heeft de werkgever een beperkte
mogelijkheid om sancties op te leggen in verband met de reïntegratietaken. De overige taken in het kader van de
WGA worden door het UWV
verricht.
De uitwerking van het
bovenstaande komt volgens de IWI in grote lijnen overeen met de wijze
waarop het eigen risico dragen in de ZW en de WAO
is geregeld. Gezien de
huidige wettelijke taakopdracht van de IWI betekent dit dat de IWI toezicht
zal houden op de rechtmatigheid en doelmatigheid, waaronder begrepen doeltreffendheid, van de wetsuitvoering door het
UWV. Het toezicht heeft
derhalve geen betrekking op de uitvoering van taken op grond van dit
wetsvoorstel door eigenrisicodragers. De IWI gaat ervan uit dat daartoe ook
geen voornemens bestaan.
Toezicht op het UWV
De
IWI merkt op dat zij
in beginsel over voldoende bevoegdheden en instrumenten beschikt om
haar toezichthoudende taken ten aanzien van het onderhavige
wetsvoorstel te kunnen uitvoeren. Daarbij is wel van belang dat op alle
onderdelen van de wet duidelijk is wat door de
rblz.|98|
wetgever wordt beoogd. De
IWI is van oordeel dat het concept-wetsvoorstel op onderdelen niet of
niet geheel duidelijk is. Ook is er soms sprake van een verschil
tussen de voorgestelde wettekst en de uit de memorie van toelichting
blijkende bedoeling van de wetgever. De IWI heeft deze punten nader
genoemd en toegelicht in een bijlage.
De
IWI stelt dat de
introductie van de indicatieve lijst met ziektes ingrijpend is en niet
onomstreden
en dat een eenduidige normatiek in interpretatie en toepassing daarom niet
op korte termijn te verwachten is. Dit brengt ook beperkingen
met zich voor de mogelijkheden en reikwijdte van het toezicht op dit punt.
Reactie regering
De regering onderschrijft
het belang van een heldere afbakening van de bevoegdheden van de
verschillende functionaliteiten in het claimbeoordelingsproces. Bij de verschillende
regelingen met betrekking tot dit onderwerp zal hiervan
goede nota worden genomen.
Toezichtbereik
De
IWI constateert
terecht dat het eigen risico dragen op vrijwel dezelfde wijze is geregeld als in
de ZW en de huidige WAO. Daaraan verbindt de IWI de juiste conclusie
dat de IWI geen toezicht zal houden op de taken die door de eigenrisicodrager
worden verricht in het kader van het onderhavige
wetsvoorstel. Daartoe bestaat evenmin een voornemen.
Toezicht op het UWV
De regering heeft kennis
genomen van het feit dat de IWI aangeeft over voldoende bevoegdheden en instrumenten beschikt om haar toezichthoudende
taken ten aanzien van het
onderhavige wetsvoorstel te kunnen uitvoeren. De regering
heeft van de door de IWI in de bijlage genoemde punten dankbaar gebruik gemaakt om de wettekst en de daarop gegeven
toelichting te
verduidelijken.
De regering is zich ervan
bewust dat de introductie van de indicatieve lijst met ziektes ingrijpend is
en dat een eenduidige normatiek in interpretatie en toepassing daarom niet
op korte termijn te verwachten is. De regering zal met het UWV
trachten
deze aanloopperiode zo beperkt mogelijk te houden.
12.3. Actal
Actal constateert dat
het
onderhavige wetsvoorstel zal leiden tot een structurele daling van de administratieve lastendruk met circa
€|1 miljoen,
waarvan €|0,3 miljoen
al is ingeboekt bij de Wet verlenging
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003. Voorts
constateert Actal dat het ministerie van SZW deze administratieve lastenvermindering hoofdzakelijk toeschrijft aan de
daling van het WAO-volume.
Daar voegt Actal aan toe dat het ministerie van SZW zijns inziens
geen poging heeft gedaan om de informatieverplichtingen die samenhangen met de
uitkeringsverzorging te verlichten. Tot slot is het
ministerie van SZW volgens Actal niet ingegaan op een alternatief met minder
administratieve lasten voor het bedrijfsleven.
Actal adviseert om zo
spoedig mogelijk een totaalbeeld te geven van alle maatregelen die
samenhangen met het wetsvoorstel WIA. Daarmee doelt Actal op de maatregelen
die in de Invoeringswet WIA zullen worden opgenomen, alsmede de eventuele
incidentele administratieve lasten die daarmee gepaard gaan. Zonder dit totaalbeeld kan Actal niet beoordelen
rblz.|99|
of een bijdrage wordt
geleverd aan de realisatie van de kabinetsdoelstelling om de administratieve
lastendruk van het bedrijfsleven met 25% te verminderen.
Voorts adviseert Actal om
in de memorie van toelichting (desnoods in een scenario) te
verduidelijken of, en zo ja, welke gevolgen voor de administratieve lasten
het bedrijfsleven
heeft door het eigen risico dragen en het privaat verzekeren van de WGA.
Tot slot adviseert Actal
om bij de evaluatie van de wet de gevolgen voor de administratieve lasten
voor het bedrijfsleven te betrekken.
Reactie regering
De administratieve lasten
die samenhangen met de huidige WAO bedragen in totaal
€|92
miljoen. Het overgrote deel daarvan, te weten €|87 miljoen, hangt
samen met de premieafdracht. Dit deel van de administratieve lasten zal door
de Walvis en de SUB aanmerkelijk verminderen. Omdat deze
lastenvermindering niet samenhangt met onderhavig
wetsvoorstel, zal daar alleen in de
volgende alinea op worden ingegaan.
Ongeveer
€|6 miljoen
van de administratieve lasten die samenhangen met de premieafdracht
heeft te maken met het aantal arbeidsgehandicapten wat een bedrijf in dienst
heeft. Deze lasten zouden kunnen worden verminderd door de
premiekorting voor het in dienst hebben van arbeidsgehandicapten af
te schaffen. Dit is echter niet gewenst, omdat het strijdig zou zijn met de
doelstelling van dit wetsvoorstel om werkgevers te stimuleren gedeeltelijk
arbeidsgeschikten in dienst te houden of te nemen.
De administratieve lasten
die samenhangen met de uitkeringsverzorging bedragen slechts €|5
miljoen. Het spreekt voor zich dat het onderhavige
wetsvoorstel, dat een
ander uitkeringsregime voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten meebrengt, vooral invloed
kan hebben op dit deel van de administratieve lasten. Door de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting
dalen deze
administratieve lasten initieel met €|0,3 miljoen. Vervolgens zal deze
lastenvermindering door het onderhavige wetsvoorstel oplopen tot €|1 miljoen. In
paragraaf 13.11 wordt een nadere onderbouwing gegeven van deze daling.
Het nieuwe
arbeidsongeschiktheidsstelsel leidt dus tot een daling van 20% van de administratieve
lasten die samenhangen met de uitkeringsverzorging. De regering acht dit een
substantiële daling. Een verdergaande lastendaling binnen de
doelstelling van het wetsvoorstel is naar het oordeel van de
regering niet mogelijk. De daling van de instroom in de WAO
heeft aangetoond dat
de administratieve lasten die samenhangen met het poortwachtersmodel alleszins gerechtvaardigd zijn. Dit beleid
wordt door de regering
dan ook voortgezet. De aanzienlijke daling van het aantal
arbeidsongeschikten door het poorwachtersmodel weegt naar het oordeel van de regering
zwaarder dan de administratieve verplichtingen voor de werkgever gedurende de eerste twee ziektejaren.
Voorts zou een grotere
daling van de administratieve lasten mogelijk zijn door werkgevers minder
keuzevrijheid te geven. Ruim 50% van de administratieve lasten die samenhangen
met de uitkeringsverzorging wordt namelijk veroorzaakt
doordat werkgevers, al dan niet als eigenrisicodrager, de uitkeringen zelf
verzorgen in plaats van het UWV. Deze lasten zouden sterk kunnen
worden verlaagd door werkgevers te verplichten de uitkeringen door het UWV
te laten verzorgen. Dit is echter in strijd met het principe van eigen
risico dragen en dus onwenselijk.
rblz.|100|
De
regering zal zo
spoedig mogelijk een totaalbeeld geven van de administratieve lasten als gevolg van het
nieuwe arbeidsongeschiktheidsstelsel. De memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Invoeringswet WIA is naar het oordeel van de
regering daarvoor de geëigende plaats.
Met betrekking tot de
gevolgen voor de administratieve lasten als de werkgever besluit het
risico voor de WGA zelf te dragen of onder te brengen bij een private
verzekeraar, merkt de regering het volgende op. De werkgever is volledig
vrij in zijn keuze met betrekking tot het dragen van dit risico. Hij zal
zich daarbij laten leiden door een afweging van de kosten en de baten van de
verschillende alternatieven. Een keuze voor private uitvoering
(hetzij door eigenrisicodrager te worden, hetzij door zich privaat te
verzekeren) brengt voor de werkgever extra administratieve lasten met zich mee ten
opzichte van publieke uitvoering. Deze extra administratieve lasten
zijn in dit geval echter gerechtvaardigd, omdat het de keuze van de werkgever
zelf is en de baten opwegen tegen de kosten.
Bij de evaluatie van
de
wet zal de regering uiteraard ook de administratieve lasten voor het
bedrijfsleven betrekken.
12.4. De Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI)
De CWI geeft aan dat
het
onderhavige wetsvoorstel op twee terreinen effecten heeft voor de CWI: informatie,
advies en bemiddeling respectievelijk de ontslagtoets.
De
CWI verwacht een
toename van het aantal werkzoekenden met een lichamelijke of
psychische beperking die zich tot de CWI zullen wenden voor informatie, advies
of bemiddeling. Dit heeft een aantal oorzaken. De eerste oorzaak betreft de
verhoging van de ondergrens van 15% naar 35% arbeidsongeschiktheid om
in aanmerking te komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De tweede oorzaak betreft
de plicht voor gedeeltelijk
arbeidsgeschikten om zich bij de CWI te laten registreren als werkzoekende. De derde
oorzaak betreft de herbeoordeling van de huidige WAO-gerechtigden op basis
van het nieuwe
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Deze herbeoordelingen zullen
op 1 oktober 2004 aanvangen en worden gespreid over een aantal
jaren.
Deze toename van het
aantal werkzoekenden met een lichamelijke of psychische beperking
vergt dat de CWI voorzieningen treft voor deze
klantgroep die hen kan
ondersteunen op de weg naar de arbeidsmarkt. De CWI zal dat ter hand
nemen en afstemmen in AKO-verband [AKO: algemeen ketenoverleg, dat wil
zeggen overleg tussen de SUWI-ketenpartijen UWV,
CWI, Vereniging van Nederlandse Gemeenten en
SZW, red.]. Belangrijk aandachtspunt daarbij is
dat de CWI met deze nieuwe klantstroom nog geen rekening heeft
kunnen houden, kwantitatief noch kwalitatief. Zo zullen de klantramingen
moeten worden bijgesteld. Voorts zal de CWI ook in kwalitatieve zin een
slag moeten maken: de informatiemodule voor werkzoekende
arbeidsgehandicapten en voor werkgevers zal moeten worden aangepast, de
deskundigheid van - ten minste een deel van - de adviseurs moet een forse
impuls krijgen en de bemiddelingsinspanningen zullen een kwaliteitsslag
moeten ondergaan.
Behalve het bovenstaande
zal ook meer aandacht moeten worden besteed aan de fysieke
toegankelijkheid van de CWI. Dit punt is reeds eerder door CWI in kaart gebracht,
maar er zal - gelet op het onderhavige wetsvoorstel
- tot een versnelde
actualisatie en uitvoering moeten worden overgegaan.
Met betrekking tot de
ontslagtoets na twee jaar ziekte verwacht de CWI
geen substantiële
veranderingen in vergelijking met de huidige rol en positie van de CWI.
rblz.|101|
Reactie regering
De regering onderschrijft
dat het aantal werkzoekenden met een lichamelijke of psychische beperking
dat zich tot het CWI wendt voor informatie, advies of
bemiddeling
zal stijgen. De regering plaatst echter wel de volgende kanttekeningen
bij de door de CWI
gehanteerde veronderstellingen en cijfers. De verhoging
van de ondergrens van 15% naar 35% arbeidsongeschiktheid om voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking te komen, betekent niet
per definitie dat het aantal inschrijvingen bij de CWI toeneemt. In de huidige situatie doen gedeeltelijk arbeidsgeschikten
in veel gevallen - naast hun WAO-uitkering - een beroep op de
WW. Daarvoor dienen zij zich als
werkzoekende bij de CWI te laten registreren. De voornoemde verhoging van
de ondergrens leidt, onder overigens gelijkblijvende omstandigheden, derhalve
wel tot minder gedeeltelijk arbeidsongeschikten, maar niet per definitie
tot meer werkzoekenden die zich bij de CWI moeten
inschrijven.
Met het voorgaande is
tevens aangegeven dat de plicht voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten om zich
als werkzoekende te laten registreren bij de CWI geen nieuwe
verplichting is. Ook nu dienen gedeeltelijk arbeidsgeschikten dit, met het oog op hun
aanspraak op een WW-uitkering, immers te doen.
Bovendien behoeven niet
alle personen met een WGA-uitkering zich bij de CWI
in te schrijven. De
CWI verwijst in zijn commentaar naar hoofdstuk 13 van (het concept van) de
memorie van toelichting, waarin is aangegeven dat van de jaarlijkse
instroom van 31 000 personen in de WGA er 18 500 personen niet werken. Het
grootste deel van deze groep, te weten 11 000 personen, behoeft zich
echter niet in te schrijven bij de CWI, omdat men volledig
arbeidsongeschikt is.
De verwachte toename van
het aantal werkzoekenden met een lichamelijke of psychische beperking
die zich bij de CWI inschrijven, is dan ook vooral het gevolg van het
feit dat het arbeidsongeschiktheidscriterium wordt aangescherpt. Het
aantal niet-volledig arbeidsongeschikten na twee jaar ziekte zal - in
vergelijking met de huidige situatie - derhalve stijgen, wat tot een toename van
het aantal inschrijvingen bij de CWI zal leiden. Voorts zal het aantal
inschrijvingen bij de CWI toenemen als gevolg van de herbeoordeling van de
huidige WAO-gerechtigden. Volledig arbeidsongeschikten die na de herbeoordeling
in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse
worden ingedeeld en die een beroep willen doen op de WW, zullen
zich immers als werkzoekende bij de CWI moeten laten registreren. Daar
staat echter tegenover dat in 2005 geen (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten in de
WAO zullen instromen vanwege de verlenging van de loondoorbetalingsplicht naar twee jaar, hetgeen tot een
daling van het aantal
inschrijvingen bij de CWI leidt.
De regering ondersteunt
dan ook het betoog van de CWI dat de klantramingen moeten worden bijgesteld
en dat de CWI een kwaliteitsslag moet maken met betrekking
tot de dienstverlening aan en fysieke bereikbaarheid voor werkzoekende
gedeeltelijk arbeidsgeschikten. De Minister van SZW zal de CWI verzoeken om de effecten van de herbeoordelingsoperatie
en de verlenging van de
loondoorbetalingsplicht te betrekken bij het opstellen van het
Jaarplan 2005. De effecten van het onderhavige wetsvoorstel kunnen
te zijner tijd worden opgenomen in een volgend jaarplan.
rblz.|102|
12.5. Het College
bescherming persoonsgegevens (CBP)
Toetsingskader
Het
CBP beziet
het
wetsvoorstel vanuit de bescherming van persoonsgegevens. In dit verband dient het
wetsvoorstel te voldoen aan artikel 8 Europees verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
en aan de Wet
bescherming persoonsgegevens (Wbp). In zijn advies zal
het CBP ingaan op de opzet van het stelsel en de werking
daarvan in de praktijk, meer in het bijzonder op de positionering van
verzekeraars.
Inrichting van het
stelsel
Het
CBP merkt op dat in
het wetsvoorstel een principieel onderscheid wordt gemaakt tussen
enerzijds volledig en duurzaam arbeidsongeschikten en anderzijds
gedeeltelijk arbeidsgeschikten. In het laatste geval heeft de werkgever de
keuze om het risico zelf te dragen, het risico onder te brengen bij een
private verzekeraar of het risico bij het UWV
te laten. In de twee eerstgenoemde
situaties is de werkgever verantwoordelijk voor de reïntegratie, kan hij
de betaling van de uitkering namens het UWV doen en is hij verantwoordelijk voor de financiering van de aanspraken,
terwijl het UWV de
overige taken in het kader van de WGA verricht.
Deze opzet van het
stelsel doet het CBP sterk denken aan het loodsmodel waar het toenmalige
kabinet eind jaren '90 voor stond. Dat model vond uiteindelijk geen
doorgang omdat er te veel bezwaren kleefden aan de uitvoering ervan. De
toenmalige Registratiekamer, de voorgangster van het CBP, heeft daarover
geadviseerd. In het verlengde van dat advies is het CBP van oordeel dat
ook in het huidige wetsvoorstel duidelijker aangegeven moet worden
hoe de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende partijen
is geregeld. Dit is van belang om te kunnen beoordelen op grond
waarvan de verschillende partijen persoonsgegevens mogen verwerken en met
elkaar mogen uitwisselen. Vooral de rol van de private verzekeraars is volgens het CBP niet helder.
Positionering van de
verzekeraars
Het
CBP constateert dat
in het wetsvoorstel niets wordt geregeld over de positie die verzekeraars
in het stelsel gaan innemen. Het CBP neemt aan dat dit een bewuste keuze
is gelet op de huidige dereguleringstrend. Dit zou echter volgens het
CBP in de praktijk wellicht kunnen leiden tot onduidelijkheid over de eisen die de
Wbp stelt aan de verwerking van gegevens door verzekeraars bij de
uitvoering van de WGA. Zo bieden het onderhavige wetsvoorstel en de Wet
SUWI daarvoor geen wettelijke grondslag. Ook kan de verwerking
door verzekeraars waarschijnlijk niet worden gegrond op artikel 8,
onderdeel b, Wbp
(noodzakelijk voor de uitvoering van de overeenkomst). Wel kunnen
artikel 8, onderdeel a (toestemming), of artikel 8, onderdeel f (gerechtvaardigd
belang van de verantwoordelijke of een derde aan wie de gegevens
worden verstrekt), Wbp
daarvoor in aanmerking komen. Naar het oordeel
van het CBP dient in het wetsvoorstel te worden ingegaan op de vraag of
er sprake is van een medewerkingsplicht van de verzekerde of
uitkeringsgerechtigde jegens de verzekeraar. Voorts is onduidelijk of een
verzekerde/uitkeringsgerechtigde (medische) gegevens moet verstrekken aan de
verzekeraar en welke gegevens de eigenrisicodrager aan de verzekeraar mag
verstrekken.
Het
CBP merkt op dat
gegevens niet verder mogen worden verwerkt dan op een wijze die
verenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verzameld. Op basis daarvan is het
CBP van oordeel dat de wetgever concrete rblz.|103|
normen stelt over het
verwerken van persoonsgegevens door verzekeraars in het kader van de Wet
WIA.
In dit verband verwijst het CBP naar de ontwikkeling dat
verzekeraars - in concernverband - steeds meer taken krijgen en een regierol
vervullen op het terrein van preventie, verzuim en reïntegratie. Hieraan
zijn volgens het CBP risico’s verbonden in die zin dat ze in strijd met de
doelbinding worden verwerkt. Het CBP adviseert daarom om in het
onderhavige wetsvoorstel een specifieke doelbindingsbepaling op te nemen ten
aanzien
van het gebruik van gegevens die zijn verkregen bij de
uitvoering van de WGA.
Voorts merkt het
CBP op
dat transparantie betekent dat het voor de verzekerde en uitkeringsgerechtigde
helder moet zijn wat er met zijn gegevens gebeurt. Daartoe is de
verplichting voor de verantwoordelijke om op eigen initiatief de
betrokkene op de hoogte te stellen van de gegevensverwerking een belangrijk
instrument. In dit verband mist het CBP in het wetsvoorstel een nadere
uitwerking van de rol die verzekeraars in het nieuwe stelsel zullen
spelen.
Gegevensregime
Het
CBP merkt op dat de
Wet WIA pas goed door de betrokken partijen kan worden uitgevoerd als ze
kunnen beschikken over de daarvoor noodzakelijke persoonsgegevens. Het CBP
stelt vast dat in het wetsvoorstel weinig tot geen aandacht is voor
de verwerking van (medische) persoonsgegevens, de waarborgen die ten aanzien van de verwerking hiervan
getroffen moeten worden
en de mogelijke problemen die zich hierbij in praktijk kunnen voldoen.
Het
CBP mist een nadere
uitwerking waarin wordt toegelicht hoe het wetsvoorstel zich
verhoudt tot de Wbp, de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst
(Wgbo) en de Wet SUWI. In het wetsvoorstel wordt niet toegelicht hoe
het regime van de Wet SUWI zich verhoudt tot de gegevensverstrekking
op grond van de Wet WIA. Het CBP zou belicht willen zien welke posities de
nieuwe polisadministratie en Suwinet in het nieuwe stelsel innemen.
Voorts is het
CBP van
oordeel dat in het wetsvoorstel meer aandacht moet worden geschonken aan de
verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende partijen
(met name de rol van de arbodienst en van de eigenrisicodrager blijft
onderbelicht).
Tot slot vraag het
CBP in
dit verband aandacht voor een goede aansluiting tussen de juridische
normen voor de verwerking van persoonsgegevens en de wijze waarop die
verwerking organisatorisch en technisch vorm krijgt.
Sofinummer
Het
CBP merkt op dat op
basis van de huidige wetgeving en op basis van dit wetsvoorstel het
UWV,
de eigenrisicodrager, de arbodienst en het reïntegratiebedrijf
gerechtigd zijn het sofinummer te voeren bij de uitvoering van de WGA. Het CBP geeft
aan dat in dit wetsvoorstel niet geregeld is dat de verzekeraar van
de eigenrisicodrager hiertoe gerechtigd is.
Voorts geeft het
CBP aan
een toelichting te missen ten aanzien van de ontwikkelingen rond het
burgerservicenummer en het zorgidentificatienummer in relatie tot de
uitvoering van de Wet WIA.
rblz.|104|
Rechten en plichten
Het
CBP mist een
toelichting waarin wordt aangegeven hoe artikel
3.3 [25] en de verplichtingen die
daarin zijn neergelegd zich verhouden tot de huidige Wet verbetering poortwachter
en de Regeling procesgang eerste ziektejaar [Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar, red.]. Naar het
oordeel van het CBP zal de wetgever met betrekking tot het plan van aanpak,
het reïntegratieverslag en de medewerkingsplicht regels moeten
stellen die
de verplichtingen nader invullen die de wet aan de werkgever en de
verzekerde/uitkeringsgerechtigde oplegt.
Het
CBP is van oordeel
dat de verplichtingen die zijn neergelegd in artikel
4.1.1 [27], derde lid, te ruim
zijn geformuleerd.
Bij
artikel 4.1.2 [28] stelt
het CBP voor de artikelsgewijze toelichting bij dit artikel te verduidelijken
en specifieker aan te geven wat partijen in de praktijk moeten doen of
nalaten om het ontstaan van en het recht op uitkering te voorkomen.
Het
CBP adviseert de
regering de formulering in de artikelen 3.3
[25],
4.1.2 [28], 4.1.3
[29] en
4.1.4 [30] te
wijzigen van een mogelijkheid in een verplichting, zodat nadere regels
"moeten" worden gesteld in plaats van "kunnen" worden gesteld.
Tot slot bepleit het
CBP duidelijkheid te scheppen over de vraag of een arbeidsongeschikte
verplicht is een nieuwe werkgever in kennis te stellen van zijn status.
Medezeggenschap
Het
CBP vraagt zich af in
hoeverre en in welke mate verzekerden betrokken worden in de
keuze die werkgevers maken ten aanzien van publieke of private
verzekering.
Handhaving
Het
CBP meent dat de
rechtsbescherming van de publiek verzekerde uitkeringsgerechtigde met
meer rechtswaarborgen
omkleed lijkt te zijn dan de rechtsbescherming voor de
privaat verzekerde en dat het wetsvoorstel op dit vlak
rechtsongelijkheid zou opleveren.
Toezicht
In
het wetsvoorstel wordt
niet geregeld hoe het toezicht op de uitvoering van de Wet
WIA
door de eigenrisicodrager is geregeld. Het toezicht op de
uitvoering van de IVA en
WGA door het UWV
zal naar verwachting worden gelegd bij de IWI.
Het
CBP pleit ervoor dat:
• Op rijksniveau ook
structureel wordt toegezien op de uitvoering van de WGA door
eigenrisicodragers en verzekeraars.
• De instantie die
belast wordt met toezicht op de uitvoering van de WGA ook toe te laten
zien op de verwerking van persoonsgegevens.
Reactie regering
Toetsingskader
De regering deelt de
opvatting van het CBP dat het wetsvoorstel moet voldoen aan artikel 8
EVRM en de Wbp. Voorts deelt de regering de opvatting van het CBP dat de
persoonsgegevens moeten worden gewaarborgd, rblz.|105|
ook indien de werkgever
ervoor heeft gekozen om het risico onder te brengen bij een private verzekeraar. In dat geval ligt de regierol overigens
bij de werkgever, want
deze is ervoor verantwoordelijk dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte wordt
gereïntegreerd.
Inrichting van het
stelsel
De regering onderschrijft
de opmerking van het CBP dat in het wetsvoorstel een principieel
onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten en anderzijds gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Dit principiële
onderscheid brengt onder meer mee dat de IVA door het UWV
wordt uitgevoerd en dat de werkgever ten aanzien van de
uitvoering van de WGA
keuzevrijheid heeft. Deze keuzevrijheid is juridisch op dezelfde manier
vormgegeven als het eigen risico dragen in de huidige WAO, dat wil zeggen dat
de werkgever ervoor kan kiezen om de aanspraken van zijn
gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers gedurende de eerste tien jaar voor
eigen rekening te nemen. Gedurende die periode betaalt de werkgever geen
gedifferentieerde premie aan het UWV, waarmee de
uitkeringslasten voor die werknemers worden gefinancierd.
Naar het oordeel van de
regering is de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de diverse
partijen helder en duidelijk geregeld in het onderhavige
wetsvoorstel, ook ingeval
de werkgever ervoor kiest om eigenrisicodrager te worden. Behalve dat de
werkgever gedurende de eerste tien jaar de uitkeringslasten moet
financieren, kan hij er dan voor kiezen om de uitkering namens het UWV
te
betalen. Hij kan er echter ook voor kiezen om het UWV de uitbetaling te
laten verrichten. Voorts brengt eigen risico dragen mee dat de werkgever
verantwoordelijk blijft voor de reïntegratie van zijn gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemer gedurende de laatstgenoemde periode. Deze
verantwoordelijkheid draagt hij ook de eerste twee jaar van ziekte. Het is met andere
woorden geen nieuwe verantwoordelijkheid voor de werkgever, maar een verlenging van een reeds bestaande verantwoordelijkheid.
Tot slot brengt eigen risico dragen mee dat de werkgever een sanctie, behalve het
blijvend geheel weigeren van de uitkering, [kan opleggen, red.] aan de gedeeltelijk arbeidsgeschikte
werknemer die niet voldoende meewerkt
aan zijn eigen
reïntegratie. Ook dit is geen nieuwe bevoegdheid voor de werkgever, want hij mag
een werknemer die tijdens de eerste twee ziektejaren niet meewerkt aan zijn
reïntegratie ook sanctioneren. Alle overige taken in het kader van
het wetsvoorstel worden door het UWV verricht.
Het is dus limitatief
omschreven welke verantwoordelijkheden een eigenrisicodrager van het UWV
overneemt
als
hij eigenrisicodrager wordt. Met andere woorden, de
verantwoordelijkheden van de eigenrisicodrager zijn in het onderhavige
wetsvoorstel scherp afgebakend, waardoor de verantwoordelijkheidsverdeling
tussen de eigenrisicodrager en het UWV helder en duidelijk is
geregeld.
Positionering van de
verzekeraars
Het
CBP constateert
terecht dat de positie van verzekeraars in het onderhavige wetsvoorstel niet wordt
geregeld. Dat is overigens een voorzetting van het huidige beleid.
Ook in de huidige WAO kunnen werkgevers eigenrisicodrager worden en ervoor kiezen
dit risico - tegen een premie - over te dragen aan een private
verzekeraar. Deze risico-overdracht vindt plaats op basis van een
overeenkomst die de eigenrisicodrager met de betreffende verzekeraar sluit. Deze
overeenkomst kan daarom naar het oordeel van de regering ook een
grondslag voor de eigenrisicodrager zijn om gegevens te verstrekken:
de verzekeraar heeft er een gerechtvaardigd belang bij dat de
werkgever de gegevens verstrekt die hij nodig heeft voor de uitvoering van de
overeenkomst. Dit brengt onder meer mee dat de rblz.|106|
verzekeraar mag vragen
dat de werkgever gegevens verstrekt die hij nodig heeft voor de
vaststelling van de omvang en de controle van de ingediende claim en voor
de bepaling van de premie.
De eigenrisicodrager
bevindt zich wat dat betreft in dezelfde positie als de werkgever die zich
privaat heeft verzekerd tegen de wettelijke loondoorbetalingsplicht gedurende de eerste twee
ziektejaren. De werkgever is daartoe niet verplicht,
maar als hij het doet, is het overeenkomstenrecht van toepassing. Als
gezegd, op basis van deze overeenkomst is het gerechtvaardigd dat de
werkgever gegevens aan de private verzekeraar verstrekt die deze nodig
heeft voor de uitvoering van de overeenkomst. Met andere woorden, een eigenrisicodrager die zijn risico ingevolge de
WGA heeft overgedragen
aan een private verzekeraar mag dezelfde gegevens aan deze verzekeraar
verstrekken als de werkgever die zijn wettelijke loondoorbetalingsplicht
privaat heeft verzekerd.
Daarmee is tevens gezegd
wat de positie is van de gedeeltelijk arbeidsgeschikte tegenover respectievelijk
de eigenrisicodrager en de private verzekeraar: deze is
dezelfde als tijdens de eerste twee ziektejaren. De gedeeltelijk
arbeidsgeschikte heeft er recht op dat de eigenrisicodrager de uitkering ingevolge de
WGA betaalt (tenzij de werkgever de betaling door het UWV
laat verrichten)
en reïntegratie-inspanningen verricht. Zijnerzijds dient de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte mee te werken aan zijn reïntegratie. De gedeeltelijk arbeidsgeschikte staat echter buiten de overeenkomst die
zijn werkgever met de
private verzekeraar heeft gesloten. In die overeenkomst verzekert de werkgever
zich tegen het risico dat hij een uitkering ingevolge de WGA moet
betalen aan een gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer. De werknemer
is geen partij bij deze overeenkomst en kan door deze overeenkomst
dan ook niet worden gebonden.
De private verzekeraar
mag, zoals het CBP terecht opmerkt, de in het kader van de voornoemde overeenkomst verkregen gegevens niet verder
verwerken op een wijze
die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verzameld. Dit
betekent in het onderhavige geval dat de private verzekeraar de verkregen
gegevens niet mag verwerken op een wijze die onverenigbaar is met het
doel van de overeenkomst, dat wil zeggen de verzekering van het
risico dat de eigenrisicodrager een uitkering ingevolge de WGA moet betalen aan
een gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer. Naar het oordeel van de
regering is het niet juist om dit in het onderhavige wetsvoorstel
vast te leggen, omdat het primair aan de eigenrisicodrager en de private verzekeraar
is om het precieze doel van hun overeenkomst te
omschrijven. Een specifieke doelbindingsbepaling in het onderhavige wetsvoorstel
bindt overigens de private verzekeraars niet, omdat zij de gegevens
niet verkrijgen bij de uitvoering van de WGA, maar verkrijgen bij de
uitvoering van de hiervoor bedoelde overeenkomst met eigenrisicodragers.
Bovendien is - voor zover het gaat om het verstrekken van gegevens door het
UWV
aan verzekeraars - in de Wet SUWI al een duidelijke doelbinding opgenomen.
De regering gaat ervan
uit dat met het bovenstaande voldoende is toegelicht welke rol private
verzekeraars in het nieuwe stelsel spelen.
Gegevensregime
Het
CBP stelt terecht
vast dat in het onderhavige wetsvoorstel weinig tot geen aandacht is voor de
verwerking van (medische) persoonsgegevens. Dat ligt ook voor de hand,
omdat het onderhavige wetsvoorstel regelt welke aanspraken
werknemers hebben bij arbeidsongeschiktheid, onder welke voorwaarden ze deze
aanspraken hebben, welke verplichtingen ze hebben, enz. De
verwerking van (medische) persoonsgegevens ingevolge rblz.|107|
dit wetsvoorstel is
geregeld in een apart hoofdstuk van de Wet SUWI, te weten
hoofdstuk 8. De
bepalingen in de Wet SUWI moeten als speciale regelingen worden
beschouwd ten opzichte van die in de Wbp. Omdat de verwerking van medische
gegevens (onder bepaalde voorwaarden) is toegestaan in de Wbp met
het oog op de reïntegratie en begeleiding van werknemers of
uitkeringsgerechtigden in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid, is niet
gebleken dat
voor de verwerking van medische gegevens nog nadere regeling
noodzakelijk is.
Het wetsvoorstel verhoudt
zich tot de Wet SUWI zoals alle materiewetten zich daartoe verhouden.
In de materiewetten zijn - kortweg gezegd - de rechten en verplichtingen
van verzekerden ten opzichte van het UWV
geregeld. Daartoe dient
de verzekerde de gegevens aan het UWV te verstrekken die deze
nodig heeft voor de uitvoering van die wetten. In de Wet SUWI
is onder meer
aangegeven hoe deze gegevens mogen worden verwerkt door het UWV. De
positie van de polisadministratie en het Suwinet worden door dit wetsvoorstel niet gewijzigd.
De
Wgbo is van toepassing
in de relatie tot de verzekerings- en bedrijfsarts. Er gelden voor die
relatie (tijdelijk) een aantal uitzonderingen. In het kader van het
wetsvoorstel Invoeringswet WIA zal aandacht worden besteed aan het
structureel regelen van die uitzonderingen.
Hiervoor is door de
regering reeds uitgebreid ingegaan op de verantwoordelijkheidsverdeling
tussen de diverse partijen. Deze is, als gezegd, helder en
duidelijk geregeld. Van de laatste opmerking van het CBP
in dit verband is
goede nota genomen door de regering.
Sofinummer
Het
CBP merkt terecht op
dat het UWV, de eigenrisicodrager, de arbodienst en het
reïntegratiebedrijf het sofinummer mogen voeren voor de uitvoering van de
WGA,
maar dat een wettelijke grondslag daartoe voor de verzekeraars
ontbreekt. In het kader van het wetsvoorstel Invoeringswet WIA zal
worden bezien of het nodig is dat een wettelijke grondslag wordt
gecreëerd voor private verzekeraars.
In een
brief aan de
Tweede Kamer van 14 mei jl. zijn de Ministers van BVK en
VWS ingegaan op het burgerservicenummer (BSN) en het zorgidentificatienummer (ZIN) (Kamerstukken
II 2003-2004, 29
362 nr. 15). Momenteel wordt gewerkt aan zowel een
programmaplan voor implementatie als aan wetgeving voor het BSN.
Het BSN is een persoonsidentificatienummer, dat aan iedere burger
wordt verstrekt met het oog op verbetering van de dienstverlening en
effectieve fraudebestrijding. Basis voor het BSN is het sofinummer, omdat alle
Nederlandse burgers dat al hebben. Een BSN wordt verstrekt aan een
persoon als die persoon goed te identificeren is en een relatie heeft met
de Nederlandse overheid. Het BSN is op zich betekenisloos; het krijgt pas betekenis als het in een sector wordt gebruikt
volgens de regels die de
betreffende sector voor het gebruik ervan stelt (normaal gesproken door
wetgeving). Zo is het BSN in de sociale en fiscale sector te gebruiken als
sofinummer, in de zorgsector als zorgidentificatienummer (ZIN) en in de onderwijssector als
onderwijsnummer (ON). Het gebruik van het sofinummer c.q. het gebruik van het BSN wordt dus primair bepaald door de
socialeverzekeringswetgeving, waartoe de Wet WIA
behoort.
De verhouding van BSN tot sectorale nummers en regels wordt nader
uitgewerkt in wetgeving. Ook rond de vormgeving van het ZIN is momenteel
wetgeving in voorbereiding. De vraag of het BSN als ZIN zal gaan
fungeren, is nog onderwerp van studie, waarbij de waarborgen vanuit het
oogpunt van regelgeving, techniek en infrastructuur rblz.|108|
belangrijke aandachtspunten zijn. Hierover zal onder meer het CBP
om advies worden
gevraagd.
Rechten en plichten
Artikel
3.3 [25] van het
wetsvoorstel komt overeen met artikel 71a
WAO. Op grond van artikel
71a,
zevende lid, WAO zijn regels gesteld met betrekking tot de procesgang eerste
ziektejaar (regeling procesgang eerste ziektejaar) [Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar, red.]. Deze regels die als het
ware uitwerking geven aan de Wet verbetering poortwachter
worden thans, met inschakeling van de stuurgroep
verbetering poortwachter,
herzien met het oog op de verlenging van de loondoorbetalingsperiode
naar het tweede ziektejaar. Het is de bedoeling om voor de Wet
WIA
bij deze regels aan te sluiten. Op deze wijze wordt
derhalve gevolg gegeven
aan de opmerkingen van het CBP. Naar aanleiding van de opmerkingen van
het CBP is de artikelsgewijze toelichting verduidelijkt.
De opmerking van het
CBP over artikel 4.1.1
[27], derde lid, heeft tot aanpassing van die bepaling geleid.
De regering heeft de
toelichting op artikel 4.1.2 [28] inmiddels herzien. In de artikelsgewijze
toelichting worden een aantal criteria gegeven op grond waarvan in het
individuele geval kan worden getoetst of er sprake is van overtreding van deze
verplichting.
De regering geeft aan een
facultatieve formulering van delegatiebepalingen de voorkeur, omdat er in
dat geval ook gekozen kan worden voor andere instrumenten (bijvoorbeeld
arboconvenanten) in plaats van nadere regelgeving.
De regering is voornemens
om in het kader van het wetsvoorstel Invoeringswet WIA op het
punt van het meedelen van de status van arbeidsongeschikte met
voorstellen te komen, waardoor aan alle betrokkenen zoveel mogelijkheid
duidelijkheid kan worden geboden.
Medezeggenschap
De
regering onderschrijft
dat medezeggenschap één van de waarborgen is die in het stelsel
ingebouwd moet worden om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
en in het bijzonder een zorgvuldige gegevensverwerking te kunnen garanderen. Ook
in dit wetsvoorstel is de medezeggenschap vanzelfsprekend
gewaarborgd. De ondernemingsraad (OR) heeft op basis van de Wet
op de ondernemingsraden (WOR) een rol bij het vaststellen van het
beleid ten aanzien van de zieke werknemer. De OR heeft instemmingsrecht
over het te voeren verzuim- en reïntegratiebeleid. De OR heeft
instemmingsrecht als het gaat om de inhoud van het reïntegratiebeleid, de keuze van het reïntegratiebedrijf en de duur gedurende welke de
werkgever verantwoordelijk wil blijven voor de reïntegratie van zijn arbeidsgehandicapte werknemers, nadat het dienstverband
is verbroken. De
werkgever wordt in het kader van zijn verzuimbeleid verantwoordelijk voor de
reïntegratie van zijn werknemers naar passende arbeid binnen
zijn eigen onderneming en de onderneming van een andere werkgever. Dit
geldt niet alleen voor de duur van de dienstbetrekking, maar kan naar keuze van
de werkgever ook gelden na einde van de dienstbetrekking, in
het totaal voor twaalf jaar na aanvang van de arbeidsongeschiktheid. De
OR heeft op grond van de Wet op de ondernemingsraden adviesrecht ten aanzien
van het vaststellen van een regeling met betrekking tot het eigen risico
dragen. Voorts heeft de OR een zorgtaak voor het bevorderen dat
de voor de onderneming geldende voorschriften op het gebied van de
arbeidsomstandigheden worden nageleefd.
rblz.|109|
Handhaving
De regering wijst
erop
dat de rechtsbescherming voor de publiek en de privaat verzekerde in
principe gelijk is geregeld. Ongeacht een publieke of private uitvoering is de
Algemene wet bestuursrecht toepasselijk. De verzekerde kan bezwaar
maken tegen besluiten van de eigenrisicodrager over
reïntegratie-instrumenten en maatregelen bij het niet of onvoldoende meewerken aan die
voorzieningen en vervolgens staat de beroepsgang bij de bestuursrechter open.
De Nationale ombudsman kan ook een oordeel geven over klachten over
de uitvoering van de Wet WIA door eigenrisicodragers
voor zover die handelwijze
uit de Wet WIA voortvloeit. Voor het overige bestaan ook
private klachtenprocedures. Extra waarborgen hoeven naar het oordeel van
de regering niet in de wet getroffen te worden.
Toezicht
Het toezicht op de
uitvoering van de WGA is op dezelfde manier vormgegeven als het toezicht op de
uitvoering van de huidige WAO. De regering ziet geen aanleiding om
daar verandering in aan te brengen.
12.6. Raad voor de
rechtspraak
De Raad voor de
rechtspraak plaatst een kanttekening bij twee - in hoofdstuk 13 genoemde
- factoren
waardoor het aantal juridische geschillen naar verwachting zal
afnemen. Met betrekking tot een afname van deze geschillen als gevolg van
een daling van de instroom in de Wet WIA merkt de Raad op dat dit wel zal leiden tot minder uitkeringen, maar dat dit niet
hoeft te leiden tot
minder aanvragen voor een uitkering. Het aantal (conflictopwekkende)
weigeringen van een uitkering kan zelfs toenemen.
Voorts merkt de Raad op
dat in de fase na inwerkingtreding van het
wetsvoorstel over bepaalde begrippen
en bepalingen geschillen kunnen rijzen die complexe vragen
kunnen geven, hetgeen kan leiden tot een (tijdelijke) stijging van het aantal
zaken. Als voorbeeld wijst de Raad naar het begrip "duurzaam" in het arbeidsongeschiktheidscriterium, waarmee nog geen
ervaring is opgedaan.
De Raad concludeert dat
- met inachtneming van het voorgaande - het wetsvoorstel naar zijn
inschatting geen grote gevolgen met zich meebrengt voor de
rechtspraak.
Reactie regering
De Raad voor de
rechtspraak merkt terecht op dat het aantal aanvragen in plaats van het aantal
toegekende uitkeringen bepalend is voor het aantal juridische geschillen.
Voorts merkt de Raad terecht op dat nieuwe begrippen, zoals het
begrip "duurzaamheid", in de beginfase tot een tijdelijke toename van
het aantal geschillen kan leiden. De regering heeft met instemming ervan
kennisgenomen dat het wetsvoorstel naar inschatting van de Raad geen grote
werklastgevolgen met zich meebrengt voor de rechtspraak.
13. Financiële en
economische gevolgen
De Wet
WIA is het
sluitstuk van de stelselherziening WAO. De regering streeft met deze
stelselherziening een tweeledig doel na. In de eerste plaats stimulering van de
arbeidsparticipatie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten en in de tweede plaats,
en in hoge mate met de eerste doelstelling samenhangend, beperking
van het beroep op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen tot diegenen die als
gevolg van hun ziekte of handicap rblz.|110|
niet of niet voldoende
meer in staat zijn om hun oude inkomen te verdienen. Beide doelstellingen leiden tot financiële besparingen op
uitkeringslasten. In deze
financiële paragraaf zullen deze twee doelstellingen geconcretiseerd worden.
Vanwege de grote
onderlinge afhankelijkheid tussen de componenten van het nieuwe stelsel van
arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt in deze financiële paragraaf een
samenhangend beeld geschetst van hoe deze nieuwe regelingen zich
naar verwachting gaan ontwikkelen ten opzichte van de huidige WAO. Eerst
wordt in paragraaf 13.1 ingegaan op de huidige situatie en wordt
een beeld geschetst van hoe de WAO zich zou ontwikkelen bij
ongewijzigd beleid. In paragraaf 13.2 wordt ingegaan op de gevolgen van de
stelselherziening voor het aantal nieuwe uitkeringen in de inkomensvoorziening
voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) en de
werkhervattingsregeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). In paragraaf 13.3
wordt gekeken naar de doorwerking op lange termijn naar het
totale aantal uitkeringen in de IVA en de WGA en de uitkeringslasten die
daarmee gemoeid zijn. In paragraaf 13.4 wordt ingegaan op de gevolgen van de
stelselherziening voor aanpalende regelingen als de WW, de
Toeslagenwet en de Wwb. In paragraaf 13.5 wordt daarna ingegaan op de gevolgen
van de wetsvoorstellen voor de uitvoeringskosten en in paragraaf 13.6
wordt een samenvatting gegeven van de financiële besparingen
die de stelselherziening op korte en lange termijn oplevert. De financiering
van het nieuwe stelsel komt vervolgens ter sprake in paragraaf
13.7.
In paragraaf 13.8 wordt ingegaan op de reïntegratie-inspanningen
die in het nieuwe stelsel worden ingezet. Paragraaf 13.9 belicht vervolgens
de reïntegratieresultaten in de vorm van effecten op de arbeidsparticipatie en daaruit volgende
macro-economische
effecten. Paragraaf 13.10
gaat specifiek in op de effecten van de Wet WIA voor vrouwen. In
paragraaf 13.11 wordt een beeld gegeven van de gevolgen voor de administratieve lasten van werkgevers en in
paragraaf
13.12 wordt ten slotte nog
ingegaan op de gevolgen voor de rechterlijke macht.
Voor de berekeningen is
gebruik gemaakt van een microsimulatiemodel,¹ waarmee een projectie van
de effecten van de Wet WIA is gemaakt tot en met 2040. Een dergelijk model
doet recht aan de complexiteit van de stelselherziening en geeft, gegeven een
aantal basisveronderstellingen, een nauwkeurig beeld van de volume- en financiële ontwikkeling van de
verschillende wetten in
onderlinge samenhang in de tijd. Bij de basisveronderstellingen betreffende ontwikkeling
van de beroepsbevolking en van de instroom is aangesloten bij de berekeningen die het
UWV
ten
behoeve van het SER-advies heeft gemaakt.
1. Voor technische
onderbouwing zie: J.M. van Sonsbeek en R.H.J.M. Gradus, A
microsimulation analysis of a disability benefits regime change (nog te
publiceren).
Overal waar in deze
financiële paragraaf geldbedragen genoemd worden, zijn deze in constante
prijzen op het prijsniveau van 2004. In de praktijk zullen deze bedragen
jaarlijks worden aangepast aan de loon- en prijsontwikkeling. De gesimuleerde aantallen
uitkeringen zijn exclusief de zogenaamde nuluitkeringen,
uitkeringen waarbij wel een uitkeringsrecht bestaat, maar geen betaling plaatsvindt
vanwege bijvoorbeeld schorsing of samenloop met een andere uitkering.
Ten slotte zijn alle aantallen uitkeringen en geldbedragen geraamd op transactiebasis. Dit betekent dat uitkeringen worden meegeteld
in het jaar waarin het
recht op uitkering ontstaat en niet in het jaar waarin opname in de
uitkeringsadministratie plaatsvindt.¹
1. Dit speelt bijvoorbeeld een
rol bij uitkeringen die eerst worden afgewezen en
na bezwaar alsnog worden toegekend
of bij uitkeringen die, bijvoorbeeld vanwege
medisch stukkenverkeer, na einde wachttijd worden toegekend.
13.1. Ontwikkelingen bij
ongewijzigd beleid
Eind 2003 telde Nederland
786 000 WAO-ers.¹ Samen met 138 000 jonggehandicapten met een
Wajong-uitkering
en 56 000 arbeidsongeschikte zelfstandigen in de WAZ
maakt dat een totaal van 980 000 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. rblz.|111|
Zo heeft 12% van de Nederlandse beroepsbevolking een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het aantal
WAO-ers vertoont
sinds de invoering van de
wet een vrijwel onafgebroken stijgende lijn. Met name rond 1980 en rond
2000 was sprake van een snelle groei van het bestand.
1. Dit betreft aantallen
inclusief nuluitkeringen. Van de 786 000 WAO-uitkeringen waren er ultimo 2003
circa 24 000
nuluitkeringen, zodat 762 000 feitelijke
betalingen hebben plaatsgevonden.
Figuur
1. Ontwikkeling
aantal WAO-ers 1976-2003:

In 2003 en 2004 is het
aantal WAO-uitkeringen overigens gedaald. In 2000 en 2001 kwamen er
jaarlijks nog meer dan 100 000 nieuwe WAO-uitkeringen bij.
Sinds begin 2002 is het aantal nieuwe WAO-ers gaan dalen. In 2002 bedroeg
het aantal nieuwe WAO-uitkeringen (de instroom) nog 92 000 en in 2003 is
dit teruggelopen tot 66 000. UWV
raamt op basis van gegevens over de
eerste negen maanden een instroomniveau van 59 000 voor 2004,
waardoor het totaal aantal WAO-uitkeringen naar verwachting terugloopt
tot 765 000. Aan die daling liggen voor een belangrijk deel
structurele factoren (de Wet verbetering poortwachter
en de Pemba) ¹ ten
grondslag, maar mogelijk deels ook incidentele factoren (zoals een
aankondigingseffect van de stelselwijziging).
De ontwikkeling van de
instroom wordt geïllustreerd in figuur 2. Duidelijk blijkt hier hoe sterk
deze fluctueert in de tijd.
1. Het CPB stelt dat de Pemba de WAO-instroom met 15% heeft gereduceerd
(Discussion Paper No. 37, Estimating
the
impact of experience rating on the inflow to
disability insurance in the Netherlands, Pierre
Koning).
Figuur 2. Ontwikkeling
aantal nieuwe WAO-uitkeringen 1976-2003:

rblz.|112|
De
langetermijnperspectieven zijn ondanks de momentele instroomdaling in de
WAO echter niet
onverdeeld gunstig. Hierbij spelen drie factoren een rol: in algemene zin de
groei van de beroepsbevolking en in het bijzonder het stijgende aandeel
werkende ouderen en het stijgende aandeel werkende vrouwen. Deze
drie ontwikkelingen zijn noodzakelijk om de kosten van de vergrijzing
het hoofd te kunnen bieden, maar voeren de druk op de arbeidsongeschiktheidsregelingen tegelijkertijd op.
Voor het maken van een
langetermijnraming van het aantal arbeidsongeschikten moet een aanname gedaan
worden over de ontwikkeling van de beroepsbevolking. Het UWV
heeft ten behoeve van het SER-advies uit
2004 ¹ op basis van onder
meer gegevens van het CPB zo’n langetermijnscenario uitgewerkt. In deze
financiële paragraaf wordt bij dit SER-scenario aangesloten.
Ook het CPB ² heeft recent vier langetermijnscenario’s gepubliceerd over de
ontwikkeling van de bevolking en het arbeidsaanbod. Deze CPB-scenario’s zijn op zichzelf minder bruikbaar voor
de ramingen ten behoeve
van de WAO en de Wet WIA,
omdat de scenario’s onderliggende aannames
bevatten over ingrepen in de sociale zekerheid (waaronder de WAO) die
verschillen van de hervormingen die de regering nu voorstelt. Overigens
beïnvloedt de keuze van een scenario wel de absolute niveaus van de ramingen
van het oude en nieuwe arbeidsongeschiktheidsstelsel, maar de raming van de verschillen tussen
beide stelsels in veel
mindere mate.
Het CPB verwacht in het
Global Economy-scenario de sterkste groei van de beroepsbevolking. In
dit scenario worden vergaande hervormingen in de publieke sector
verondersteld in combinatie met een open economie met een vrij verkeer van
arbeid tussen verschillende landen. Het CPB heeft naast Global Economy nog
twee andere scenario’s uitgewerkt (Transatlantic Market en Strong
Europe),
die uitgaan van minder vergaande hervormingen in de publieke sector en
leiden tot een lagere groei van de beroepsbevolking.
Daarnaast heeft het CPB
nog één scenario doorgerekend (Regional Communities), waarin de beroepsbevolking krimpt, met onder meer als
onderliggende
veronderstellingen dat er in de collectieve sector nauwelijks hervormingen plaatsvinden
en dat het aantal arbeidsongeschikten licht stijgt. De ontwikkeling van de beroepsbevolking uit het SER-scenario
komt het dichtst in de
buurt van het Global Economy-scenario van het CPB.
1. Advies Verdere
uitwerking WAO-beleid - reactie op enkele
kabinetsvoornemens, bijlage 8.
2. Vier vergezichten op
Nederland, Productie, arbeid en sectorstructuur
in vier scenario’s tot 2040 (CPB, november
2004).
Volgens het
SER-scenario
zal de beroepsbevolking groeien van circa 7,4 miljoen mensen in 2003
naar circa 8,0 miljoen mensen in 2020, een stijging van 8%. Dat betekent dat
bij gelijkblijvend WAO-risico alleen al door de groei van de
beroepsbevolking een stijging van het aantal nieuwe WAO-uitkeringen van 8% te
verwachten is. Maar niet alleen de omvang van de beroepsbevolking
verandert, ook de samenstelling zal de komende decennia belangrijke
wijzigingen ondergaan.
De belangrijkste
verandering betreft de veroudering van de beroepsbevolking. Hierbij speelt een
belangrijke rol dat juist de arbeidsparticipatie van ouderen verhoogd moet
worden om de kosten van het stijgende aantal 65-plussers te dragen.
Momenteel participeert slechts 22% van de 60-65 jarigen en 59% van de 55-60
jarigen. In 2020 zal dat volgens het scenario gestegen zijn tot 40% van
de 60-65 jarigen en 78% van de 55-60 jarigen. Ouderen hebben een hoger
WAO-risico dan jongeren, zodat hierdoor extra druk op de arbeidsongeschiktheidsregelingen kan
ontstaan.
Ten slotte stijgt het
aandeel werkende vrouwen in de beroepsbevolking. Ook deze stijging van de
arbeidsparticipatie is noodzakelijk om het draagvlak voor de kosten van de
vergrijzing te vergroten. Momenteel participeert 64% van de vrouwen tussen
de 20 en 65 jaar, in 2020 zal dat aandeel volgens het scenario
gestegen zijn tot 75%. Vrouwen hadden in 2003 ongeveer 50% meer kans
dan mannen om in de WAO te komen. Dit verhoogde risico doet
zich in alle leeftijdsgroepen voor.
rblz.|113|
Waar het aantal nieuwe
WAO-uitkeringen sterk fluctueert in de tijd, is het aantal beëindigde
uitkeringen (de uitstroom) meer constant. Jaarlijks wordt momenteel circa 10%
van het aantal WAO-uitkeringen beëindigd, ongeveer 80 000 per jaar.
In de helft van de gevallen komen die beëindigingen door demografische
oorzaken (pensionering of overlijden). In de andere helft is herstel
(al dan niet door herbeoordeling) aan de orde. Die herstelgevallen betreffen
meestal mensen die nog maar kort in de WAO zitten. Het aantal
herstelgevallen hangt daarom wel voor een belangrijk deel af van het aantal
nieuwe uitkeringen. Als het aantal nieuwe uitkeringen een aantal jaren
achtereen op een lager niveau komt te liggen, past het aantal beëindigde
uitkeringen zich daarop aan.
Gegeven een
arbeidsmarktscenario en een bepaald basisniveau van de WAO-instroom kan een
inschatting gemaakt worden van het aantal WAO-ers bij ongewijzigd
beleid. Vanwege de scherpe instroomdaling in 2003 en de onzekerheid
over de mate waarin die daling beklijft, betreft dit een gecompliceerde
afweging. De SER
heeft in zijn advies daarom twee scenario’s uitgewerkt.
Het ene scenario was gebaseerd op het aantal nieuwe uitkeringen zoals
dat werd gerealiseerd in 2003 (66 000) en het andere scenario was
gebaseerd op het gemiddelde aantal nieuwe uitkeringen in 2002 en 2003 (80 000).
Vanwege de onzekerheid over de instroom is in de
begrotingsramingen van SZW gerekend met het gemiddelde van beide scenario’s,
73 000 personen.¹ In de loop van 2004 zijn de aanwijzingen dat de
instroomdaling in belangrijke mate structureel is echter steeds sterker
geworden. De regering kiest er daarom nu voor om aan te sluiten bij het
lage SER-scenario met een instroomniveau van 66 000. Nog steeds is dat
hoger dan de instroom die in 2004 gerealiseerd gaat worden. Een nog
lager instroomniveau acht de regering echter ramingstechnisch niet verantwoord, omdat daarmee elke invloed van
incidentele factoren
uitgesloten zou worden, waardoor het risico op financiële tegenvallers aanzienlijk
zou kunnen worden.
1. Dit is ook
gelijk aan het gemiddelde instroomniveau van de
jaren 2002 tot en met 2004, dat door private verzekeraars als uitgangspunt wordt genomen voor de
premieberekeningen voor de WGA.
In de berekeningen van
ongewijzigd beleid is het effect van de Wet
verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 (Wvlz 2003) ingecalculeerd.
Het effect van deze wet
zal overigens pas merkbaar zijn in 2005, wanneer de verlenging van
de loondoorbetalingperiode leidt tot een incidenteel erg lage instroom in de
WAO. De effecten van de aanscherping van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
per 1 oktober 2004 zijn echter niet meegenomen. Strikt genomen zou hier
een andere keuze kunnen worden gemaakt: inmiddels is het
aangescherpte
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
immers te beschouwen als lopend beleid. Deze
aanscherping is echter een integraal onderdeel van de Wet
WIA. Als zodanig
zijn de effecten ook ingeboekt tijdens het Strategisch Akkoord 2002. In het
Hoofdlijnenakkoord 2003 is daarnaast vastgelegd dat een deel van het
zittende WAO-bestand tegen het nieuwe criterium zou worden herbeoordeeld.
Pas in een later stadium, in het kader van de begroting 2004, is
deze afspraak gewijzigd in een herbeoordeling volgens het nieuwe
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
dat ook van toepassing werd op de
WAO-instroom van na 1
oktober 2004. De langetermijneffecten van de aanscherping zijn tot nu
toe dan ook slechts beschreven voor zover het de herbeoordelingen van het
zittende WAO-bestand betreft. In paragraaf 13.6 wordt ingegaan op het
aandeel van de aanscherping van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
in de totale besparing.
Gegeven het
bovenbeschreven uitgangspunt, een basisinstroomniveau van 66 000 personen, zal
het aantal WAO-ers, ondanks de verlenging van de loondoorbetaling bij
ziekte, stabiliseren op een niveau van circa 750 000 rond 2030.
rblz.|114|
Figuur 3. Ontwikkeling
aantal WAO-ers 2004-2040 bij ongewijzigd beleid:

In bovenstaande grafiek
is te zien hoe in 2005 door de Wvlz 2003 een eenmalige scherpe daling van het
aantal WAO-ers plaatsvindt tot beneden de 700 000. Rond 2015 begint
dit aantal weer te stijgen. Het aantal nieuwe uitkeringen neemt als
gevolg van de eerder genoemde groei van het aantal verzekerden,
vergrijzing en toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen toe en het aantal
beëindigde uitkeringen heeft zich al eerder aangepast aan de lagere
instroom sinds 2003 (in de vorm van minder herstelgevallen).
Na 2010 heeft de
vergrijzing overigens ook een gunstig effect op het aantal WAO-uitkeringen:
de uitstroom gaat dan stijgen, omdat na 2010 de eerste mensen uit de
geboortegolf van na de tweede wereldoorlog met pensioen gaan. Het aantal
beëindigingen door pensionering stijgt dan scherp, zoals in de
grafiek te zien aan de knik in 2011. Omdat de arbeidsparticipatie van ouderen en vrouwen
stijgt, zal het aantal nieuwe uitkeringen echter ook na 2010
blijven doorstijgen, waardoor de groei van het aantal uitkeringen zich
toch al spoedig weer voortzet.
In 2003 bedroegen de
uitkeringslasten van de WAO €|9,9 miljard. In 2006 zijn deze mede als gevolg
van het privatiseren van het tweede ziektejaar gedaald tot €|8,6
miljard. Bij ongewijzigd beleid zouden deze lasten uiteindelijk stabiliseren op
circa €|8,3 miljard, omdat de volumestijging wordt gecompenseerd door een
daling van de gemiddelde uitkering. Momenteel wordt nog een aanzienlijk
deel van het WAO-bestand gevormd door mensen die vóór 1993 in de WAO
zijn gekomen en daarom een permanente loongerelateerde uitkering hebben.
Over enkele decennia zijn deze "oude gevallen" uitgestroomd en
zou bij ongewijzigd beleid voor de hele WAO het regime gelden van een
loongerelateerde uitkering gevolgd door een lagere vervolguitkering.
Tabel
1: Aantal uitkeringen en uitkeringslasten WAO
bij ongewijzigd beleid:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Aantal
uitkeringen ultimo (x 1000) |
685 |
677 |
672 |
671 |
672 |
700 |
756 |
746 |
| Aantal
herleide uitkeringsjaren (x 1000) |
551 |
546 |
540 |
536 |
534 |
552 |
602 |
597 |
| Uitkeringslasten
(x €|1 miljard) |
8,6 |
8,5 |
8,3 |
8,1 |
8,0 |
7,8 |
8,4 |
8,3 |
rblz.|115|
13.2.
Gevolgen van de stelselherziening voor het aantal nieuwe uitkeringen
In de vorige paragraaf
is uiteengezet dat in de ramingen wordt uitgegaan van een
basisinstroomniveau van 66 000 personen per jaar en het SER-scenario
voor wat betreft de ontwikkeling van de arbeidsmarkt. Met dit
uitgangspunt zijn in de vorige paragraaf de
gevolgen van ongewijzigd beleid inzichtelijk gemaakt, waarbij reeds
rekening was gehouden met de Wvlz 2003. Voor
het eerste
WAO-jaar geldt momenteel een herstelkans van
ongeveer 10%,¹ zodat de instroom met circa 10% zal dalen als gevolg van
de Wvlz 2003. In deze paragraaf wordt beredeneerd wat het nieuwe stelsel
betekent voor het basisinstroomniveau van 66 000 personen. In de paragrafen 13.2.1
en
13.2.2 worden de gevolgen uiteengezet van twee
belangrijke veranderingen van het nieuwe stelsel, de aanpassing van de
keuringspraktijk (met name de aanscherping van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten) en de introductie van een
duurzaamheideis in de IVA. In paragraaf 13.2.3
wordt een totaalbeeld gegeven van hoe de huidige WAO-instroom verdeeld
zou zijn over de twee nieuwe regelingen. In paragraaf 13.2.4
wordt dan nog dieper ingegaan op de veronderstellingen met betrekking
tot de arbeidsparticipatie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten in de WGA.
1. De herstelkans in het
eerste jaar van de huidige WAO is gedaald
als gevolg van de Wet verbetering poortwachter,
omdat tegenwoordig mensen van wie spoedig
herstel verwacht wordt niet meer
instromen in de WAO aangezien voor hen
vaak een vrijwillige verlenging van de
wachttijd aangevraagd wordt.
13.2.1. Gevolgen
aanpassingen keuringspraktijk
Bij
de verdeling van het aantal nieuwe uitkeringen moet niet alleen rekening
gehouden worden met de nieuwe regelingen die gaan gelden met ingang van
1 januari 2006, maar ook met de wijzigingen in de keuringspraktijk,
waarvan de belangrijkste is de aanscherping van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
die per 1 oktober 2004 is ingegaan. Door deze wijzigingen worden minder
mensen volledig arbeidsongeschikt en meer mensen gedeeltelijk
arbeidsgeschikt. De gemiddelde mate van arbeidsongeschiktheid daalt met
circa 10 procentpunten. De verwachte gevolgen van de strengere keuringen
voor de verdeling van de huidige WAO-instroom
zijn weergegeven in onderstaande tabel. Deze verdeling staat nog
volledig los van de bepaling of een volledig arbeidsongeschikte al dan
niet duurzaam is. Hierop wordt in paragraaf 13.2.2
ingegaan.
Tabel 2: Gevolgen aanpassingen keuringspraktijk
voor de verdeling van de instroom:
| Subgroep |
Vóór
herziening Sa ¹ |
Na
herziening Sa |
| Volledig
(80-100%) ao |
157% |
142% |
| Gedeeltelijk
(35-80%) ao |
123% |
130% |
| Gedeeltelijk
(<35%) ao |
120% |
128% |
| Totaal |
100% |
100% |
| Gemiddelde
mate van ao |
174% |
164% |
1. Maandoverzicht
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen januari tot en met december 2003 (UWV,
2004) [Sa: Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten;
ao: arbeidsongeschikt, red.].
Een onderbouwing van de te verwachten
resultaten van de wijziging van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
is gepresenteerd in het SER-advies¹ waar
wordt verwezen naar een door UWV
uitgevoerde simulatie met het CBBS.² In deze simulatie is het effect
onderzocht van twee van de belangrijkste voorgestelde wijzigingen in het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten: het loslaten van het
arbeidsplaatsenvereiste bij de functieduiding en het schatten van
deeltijders op voltijdbanen. Van de volledig arbeidsongeschikten die
arbeidskundig zijn beoordeeld, zou 44% door het loslaten van het
arbeidsplaatsenvereiste gedeeltelijk arbeidsgeschikt worden. Dit effect
betreft alleen volledig arbeidsongeschikten die een arbeidskundige
beoordeling krijgen. De helft van de volledig arbeidsongeschikten wordt
op uitsluitend verzekeringsgeneeskundige gronden afgekeurd, omdat de
medische beperkingen dusdanig ernstig zijn dat een arbeidskundige rblz.|116|
beoordeling geen zin heeft. Van de totale groep volledig
arbeidsongeschikten zou derhalve door het loslaten van het
arbeidsplaatsenvereiste 22% gedeeltelijk arbeidsgeschikt worden. Het
arbeidsplaatsenvereiste is natuurlijk niet de enige wijziging in de
keuringspraktijk. Ook andere wijzigingen in het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten (zoals het schatten van deeltijdwerkers op
voltijdbanen en het rekening houden met binnen korte tijd te verwerven
vaardigheden) en de keuringspraktijk (zoals het gebruik van indicatieve
lijsten) dragen bij aan de uiteindelijke effecten. Daar staat tegenover
dat het arbeidsplaatsenvereiste niet zodanig aangescherpt wordt als
hetgeen waarmee tijdens de simulaties rekening werd gehouden. Tot 1
oktober 2004 geldt dat minstens drie functies met samen 30
arbeidsplaatsen geduid moeten worden. De simulatie ging uit van drie
functies met samen drie arbeidsplaatsen. Het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten is per 1 oktober 2004 zodanig gewijzigd dat
ten minste drie functies met samen negen arbeidsplaatsen moeten worden
geduid.
Per saldo wordt een reductie van het aantal
volledig arbeidsongeschikten met een kwart verwacht. Het aandeel
volledig arbeidsongeschikten in de instroom daalt daardoor van 57% naar
circa 42%. De mensen die niet in aanmerking komen voor de IVA zullen
gekeurd worden voor de WGA. Een groot deel van de mensen die niet in
aanmerking komen voor de IVA zal wel recht hebben op een uitkering
krachtens de WGA, maar er zullen ook mensen die nu nog volledig
arbeidsongeschikt zijn, in het nieuwe stelsel als minder dan 35%
arbeidsongeschikt beoordeeld worden.
1. Advies Verdere uitwerking
WAO-beleid - reactie op enkele kabinetsvoornemens, bijlage 8, blz. 9-14.
2. Claimbeoordelings- en borgingssysteem.
13.2.2. Gevolgen
duurzaamheideis in de IVA
In
het aanvullende SER-advies ¹ wordt gesteld
dat momenteel 54% van diegenen die twee jaar ziek zijn dat na zeven jaar
nog zijn. Die 54% kan gezien worden als de ex-postrealisatie van
duurzaamheid bij het voorliggende IVA-criterium waarin geringe kans op
herstel beschouwd wordt als duurzaam arbeidsongeschikt.
Verzekeringsartsen moeten straks een ex-ante-inschatting van
duurzaamheid gaan maken. Op basis van de huidige ex-postrealisatie zou
de kans op toelating van volledig arbeidsongeschikten tot de IVA op 54%
gesteld kunnen worden als de arts altijd een juiste inschatting maakt.
Als artsen patiënten bij twijfel niet tot de IVA toelaten, zullen in
eerste aanleg minder volledig arbeidsongeschikten instromen en vice
versa. De regering baseert zich in de ramingen op de ex-postrealisatie
van 54%. Van de jaarlijkse instroom bestaat 57% uit volledig
arbeidsongeschikten, dus is 31% (54% * 57%) te beschouwen als volledig
en duurzaam. Verondersteld mag worden dat de mensen bij wie door
aanpassing van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
de mate van arbeidsongeschiktheid daalt juist de mensen met relatief
hoge herstelkansen en relatief gunstige arbeidsperspectieven zijn, dus
vrijwel allemaal niet tot de duurzaam volledig arbeidsongeschikten
behoord zouden hebben. Door de wijziging in het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten daalt dus wel het aantal volledig
arbeidsongeschikten, maar niet het aantal volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten. Aangezien het aandeel volledig arbeidsongeschikten
daalt tot 42%, is circa 11% (42% - 31%) van de instroom te beschouwen
als niet-duurzaam volledig arbeidsongeschikt.
1. Advies Verdere uitwerking WAO-beleid
- reactie op enkele kabinetsvoornemens, bijlage 8, blz. 15-20.
13.2.3. Schatting van
de instroom in de IVA en de WGA
Door toepassing van de verdeling van de instroom na herziening van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
en inschatting van het aandeel van de overblijvende volledig
arbeidsongeschikten dat duurzaam arbeidsongeschikt is, kan een vertaling
gemaakt worden van de instroom in de huidige WAO
naar de verdeling van die instroom als het nieuwe stelsel van kracht is.
Deze verdeling wordt gemaakt voor het basisinstroomniveau van 66 000 rblz.|117|
personen. Dit instroomniveau moet gezien worden als een structureel
niveau, gegeven het in 2003 lopende beleid waarbij geabstraheerd wordt
van ontwikkelingen in omvang en samenstelling van de verzekerde
populatie na 2003.¹ Door incidentele factoren kunnen dus wel tijdelijk
afwijkingen naar beneden en boven ontstaan. Door de Wvlz
2003 daalt het basisinstroomniveau met 10% tot 59 000 personen.
Door de Wet WIA (inclusief aanscherping
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten) daalt dat niveau verder
met 28% tot 42 000 personen. De kans om arbeidsongeschikt te worden,
bedraagt dan nog 0,65% per jaar, minder dan de helft van wat tot voor
kort gebruikelijk was.
1. Veranderingen in omvang
en samenstelling van de verzekerde
populatie leiden tot een aanmerkelijk hoger feitelijk instroomniveau, oplopend tot rond de 80
000 tussen 2020 en 2030. Het langjarig
gemiddelde ligt ongeveer halverwege, op circa 73 000
personen per jaar.
Naar verwachting zouden, gegeven de instroomveronderstelling, door
aanscherping van het begrip volledigheid en toevoeging van een
duurzaamheidseis niet meer dan circa 18 000 mensen een beroep doen op de
IVA. Die raming kan onderbouwd worden door uit te gaan van de cijfers
uit paragraaf
13.2.2, waar bleek dat 31% van de instroom te beschouwen is als
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Ongeveer 11% van de instroom
(circa 6000 mensen) is niet-duurzaam volledig arbeidsongeschikt en komt
in de WGA. Bij de raming van de IVA-instroom van 18 000 personen moet
wel aangetekend worden dat op twee punten een risico zit. Als het
basisinstroomniveau tegenvalt én meer mensen dan verwacht via het
"geringe-kanscriterium" tot de IVA toegelaten worden, kan de
instroom oplopen tot boven de 25 000.¹ Het financiële risico van dit
laatste wordt overigens beperkt door de in het sociaal akkoord
afgesproken jaarlijkse herbeoordeling van mensen die vanwege geringe
kans op herstel tot de IVA toegelaten zijn.
1. Advies Verdere uitwerking WAO-beleid
- reactie op enkele kabinetsvoornemens, bijlage 8, blz. 20, tabel 1.
Gedeeltelijk arbeidsgeschikten met een mate van arbeidsongeschiktheid
van 35% of hoger komen ook in de WGA. Het gaat hier om ongeveer 18 000
mensen, of 29% van de instroom, zoals gepresenteerd in paragraaf 13.2.1.
Naar verwachting zullen dus circa 24 000 mensen een beroep doen op de
WGA. Een exacte verdeling van de simulatieresultaten staat in figuur 4.
rblz.|118|
Figuur 4. Vertaling basisinstroomniveau WAO
naar de Wet
WIA:

VLZ is Wvlz
2003 en Schattingsbesluit is Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, red.
13.2.4. Veronderstelling met betrekking tot
arbeidsparticipatie in de WGA
Bij aanvang van de
arbeidsongeschiktheid is thans circa 45% van de gedeeltelijk
arbeidsgeschikten die recht op WGA zouden hebben aan het werk.¹ In het
tweede ziektejaar vinden echter twee belangrijke veranderingen plaats.
Ten eerste wordt het succesvolle poortwachterregime als gevolg van de
verlenging van de loondoorbetaling doorgetrokken naar het tweede
ziektejaar. Ten tweede voelen werkgevers nu direct de kosten van
langdurige ziekte aangezien zij nu zelf verantwoordelijk zijn voor de
loondoorbetaling in het tweede ziektejaar. Door deze prikkels verwacht
de regering een toename van het aandeel werkenden onder de gedeeltelijk
arbeidsgeschikten met circa 10 procentpunten. Dit strookt ook met de
verwachting van zowel Verbond van Verzekeraars als UWV,
die blijkens hun premieberekeningen beide uitgaan van een aanzienlijke
winst die in dit tweede ziektejaar te behalen is.²
Naast de prikkels in het tweede ziektejaar
worden trajecten ingezet om niet-werkende gedeeltelijk arbeidsgeschikten
te begeleiden naar werk. Deze trajecten, die gemiddeld in 40% van de
gevallen tot een positief resultaat leiden, leveren netto (gesaldeerd
met initieel werkenden die weer stoppen) een verdere winst van circa 10
procentpunten op, zodat circa 65% van de gedeeltelijk arbeidsgeschikten
in de WGA werkt.
1. Zie onder andere Aan de poort van de WAO
in 2001, achtergronden en trends (UWV,
2002), tabel B17c. Van de gedeeltelijk arbeidsongeschikten werkt 61% bij
aanvang WAO, van de volledig arbeidsongeschikten werkt 18%. Ruim 60% van
de gedeeltelijk arbeidsongeschikte WGA-ers komt voort uit de populatie
gedeeltelijk arbeidsongeschikten van nu en de resterende bijna 40% uit
de populatie volledig arbeidsongeschikten van nu.
2. Zo rekende het Verbond van Verzekeraars met een stijging van het
aandeel werkenden in de instroom van gedeeltelijk arbeidsgeschikten met
10 procentpunten.
rblz.|119|
Bij de WGA-berekeningen is aangenomen dat iedereen die werkt aan de
voorwaarde van minimaal 50% benutting van verdiencapaciteit voldoet. In
de huidige WAO
blijken, volgens inzichten van het UWV,
werkende gedeeltelijk arbeidsongeschikten in 95% van de gevallen hun
resterende verdiencapaciteit volledig te benutten. De verwachting dat
vrijwel iedereen in de WGA zijn verdiencapaciteit voldoende zal
benutten, is daarom plausibel, mede omdat na instroom in de WGA
belangrijke nieuwe reïntegratieprikkels aanwezig zijn voor werkgevers
en werknemers:
• Voor werkgevers is van belang dat werkhervatting de kans op volledig
herstel aanzienlijk vergroot (zie ook paragraaf 13.3.3);
zolang hun gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer niet volledig is
hersteld, betalen zij zelf via premiedifferentiatie in de WGA deels zijn
uitkeringslasten, terwijl als de werknemer wel volledig is hersteld, zij
een lagere gedifferentieerde premie krijgen.
• Voor werknemers wordt een belangrijke extra financiële prikkel
geïntroduceerd door het toenemende verschil tussen de uitkering voor
(voldoende) werkenden en niet- of niet voldoende werkenden. De WGA-ers
die werken en hun verdiencapaciteit voldoende benutten, gaan er in
vergelijking met de huidige WAO op vooruit. Voor hen vervalt immers het
WAO-hiaat. De niet-werkende WGA-ers gaan er in vergelijking met de
huidige WAO op achteruit, omdat hun uitkering na verloop van tijd aan
het minimumloon wordt gerelateerd. Dit heeft
met name gevolgen voor de niet-werkenden met een verdienende partner.¹
1. De niet-werkenden
zonder verdienende partner (alleenstaanden
en kostwinners) gaan er gemiddeld overigens
veel minder op achteruit. Voor deze
laatste groep verandert er niets indien hun
uitkering beneden het sociaal minimum komt, omdat zij
altijd recht hebben op een aanvulling tot aan
het sociaal minimum.
13.3.
Aantallen uitkeringen en uitkeringslasten in de Wet WIA
In paragraaf 13.1
is uiteengezet hoe, gegeven bepaalde veronderstellingen met betrekking
tot basisinstroomniveau en ontwikkeling van de arbeidsmarkt, het aantal WAO-ers
zich bij ongewijzigd beleid zou ontwikkelen. In paragraaf 13.2
is vervolgens uiteengezet welke veranderingen de Wet WIA
verondersteld wordt tot stand te brengen in het basisinstroomniveau. In
deze paragraaf wordt een raming gepresenteerd van de ontwikkeling van
het aantal arbeidsongeschikten in de Wet WIA, gegeven de
veronderstellingen uit paragraaf 13.1 en
13.2. Paragraaf 13.3.1
schetst eerst de afbouw van de WAO en
paragraaf 13.3.2
en 13.3.3 schetsen vervolgens de opbouw van de
IVA en de WGA. In
paragraaf 13.3.4 wordt ten slotte een vergelijking gemaakt tussen
het oude en het nieuwe stelsel.
13.3.1. Raming
ontwikkeling WAO
De
stelselherziening grijpt geleidelijk in op het aantal uitkeringen en de
uitkeringslasten. In onderstaande tabel wordt de afbouw van de WAO
geschetst. De WAO zal geleidelijk in omvang afnemen, omdat er vanaf 2006
geen nieuwe gevallen meer worden toegelaten. In 2020 is al meer dan 80%
van de oude gevallen uitgestroomd en in 2030 al bijna 95%. Toch kan het
tot na 2050 duren eer de laatste WAO-er met pensioen gaat.
Tabel
3: Aantal uitkeringen en uitkeringslasten WAO:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx| |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Aantal
uitkeringen ultimo (x 1000) |
621 |
562 |
512 |
467 |
425 |
146 |
40 |
3 |
| Aantal
herleide uitkeringsjaren (x 1000) |
528 |
478 |
435 |
396 |
361 |
128 |
38 |
4 |
| Uitkeringslasten
(x €|1 miljard) |
8,3 |
7,4 |
6,7 |
6,0 |
5,4 |
1,7 |
0,4 |
0,0 |
rblz.|120|
13.3.2. Raming
ontwikkeling IVA
Nieuwe arbeidsongeschikten komen in 2006 in de IVA of de WGA. Zoals
uitgewerkt in de
vorige
paragraaf zullen jaarlijks minder mensen in de IVA instromen dan in
de WGA. Toch zal uiteindelijk het aantal mensen met een IVA-uitkering
veel groter zijn dan het aantal mensen met een WGA-uitkering. De
beperking van de toegang van de IVA tot volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten heeft immers grote gevolgen voor de gemiddelde
verblijfsduur. Die bedraagt voor alle WAO-ers
van nu gemiddeld elf jaar. Dat gemiddelde wordt gedrukt door het grote
aantal mensen dat binnen enkele jaren na de WAO-intrede herstelt. Als
alle mensen met een meer dan geringe kans op herstel worden uitgesloten
van de IVA, stijgt de gemiddelde verblijfsduur in de IVA naar ongeveer
achttien jaar. Herstel zal voor de volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten uitzondering zijn en beëindiging van de uitkering
zal dus doorgaans plaatsvinden door pensionering of overlijden. Door die
langere verblijfsduur zal het aantal volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten uiteindelijk oplopen tot circa 350 000. Dat
structurele niveau zal pas na geruime tijd bereikt worden, maar de
regeling zal in het begin wel relatief snel in omvang toenemen, omdat de
uitstroom dan nog zeer gering zal zijn.
Ook
de kosten van de IVA zullen ondanks het veronderstelde lage
instroomniveau relatief hoog zijn. Naast de lange gemiddelde
verblijfsduur hebben de volledig arbeidsongeschikten allemaal volledige,
dus relatief hoge uitkeringen. De structurele uitkeringslasten van de
IVA, behorende bij een aantal van 350 000 personen, bedragen circa €|5,3
miljard. Hierbij is gerekend met een uitkeringsniveau van 70% van het
oude loon voor de volledige duur van de uitkering.
Tabel
4: Aantal uitkeringen en uitkeringslasten IVA:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx| |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Aantal
uitkeringen ultimo (x 1000) |
19 |
38 |
57 |
76 |
95 |
241 |
329 |
349 |
| Aantal
herleide uitkeringsjaren (x 1000) |
10 |
29 |
48 |
66 |
85 |
235 |
327 |
349 |
| Uitkeringslasten
(x €|1 miljard) |
0,1 |
0,4 |
0,7 |
1,0 |
1,3 |
3,6 |
5,0 |
5,3 |
In 2007 wordt bezien of het uitkeringsniveau
van de IVA verhoogd kan worden tot 75% van het oude loon en of de Pemba
afgeschaft kan worden. Dit gebeurt als aan twee condities is voldaan: in
2006 mogen niet meer dan 25 000 mensen in de IVA instromen en sociale
partners moeten hun intentieverklaring nakomen met betrekking tot
beperking van bovenwettelijke aanvullingen in het eerste en tweede
ziektejaar samen tot maximaal 170% van het loon. Een dergelijke
uitkeringsverhoging in combinatie met de beperking van bovenwettelijke
aanvullingen in de eerste twee ziektejaren en de afschaffing van de
Pemba in de IVA kost per saldo structureel circa €|500
miljoen. Ongeveer €|350 miljoen betreft
directe kosten en ongeveer €|100 miljoen
betreft gedragseffecten.¹ De afschaffing van de Pemba in de IVA kost
naar verwachting niet meer dan circa €|50
miljoen structureel ten opzichte van ongewijzigd beleid. Weliswaar nemen
de gedifferentieerde lasten voor werkgevers in absolute zin fors af, de
IVA-lasten zijn echter qua preventie slechts beperkt en qua
reïntegratie vrijwel niet te beïnvloeden door de individuele
werkgever. De premiedifferentiatie in de IVA is als werkgeversprikkel
veel minder gericht en effectief dan in de WGA, waar de periode van
differentiatie juist wordt uitgebreid van vier naar tien jaar.
1. Als gevolg van de
combinatie van beperking bovenwettelijke uitkeringen in de eerste twee
ziektejaren en uitkeringsverhoging tot 75% in de IVA stijgt de
replacementrate van IVA-gerechtigden met bijna 3%. Het CPB rekent voor
alle arbeidsongeschikten met een elasticiteit van 1,5 (zie onder meer
CPB-notitie 02/35, Analyse van het SER-advies
"Werk maken om arbeidsongeschiktheid te voorkomen). Dit betekent
dat voor elke 1% stijging van de replacementrate het aantal uitkeringen
met 1,5% stijgt, omdat de uitkering voor werknemers aantrekkelijker
wordt. Voor de IVA lijkt de gemiddelde elasticiteit van 1,5 te hoog,
omdat een aanzienlijk deel van de populatie onvermijdelijke
arbeidsongeschiktheid betreft. Daarom is hier gerekend met een
elasticiteit van 0,75. Een stijging van de replacementrate van bijna 3%
leidt dan tot een stijging van het aantal uitkeringen en van de
uitkeringslasten met circa 2%.
rblz.|121|
Tabel 5: Uitkeringslasten IVA bij IVA-uitkering van 75% en afschaffing
Pemba in de IVA:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx| |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Uitkeringslasten
(x €|1 miljard) bij 70% |
0,1 |
0,4 |
0,7 |
1,0 |
1,3 |
3,6 |
5,0 |
5,3 |
| Extra
lasten (x €|1 miljard) verhoging |
0,0 |
0,0 |
0,1 |
0,1 |
0,1 |
0,4 |
0,5 |
0,5 |
| Uitkeringslasten
(x €|1 miljard) bij 75% |
0,2 |
0,5 |
0,8 |
1,1 |
1,5 |
4,0 |
5,5 |
5,8 |
13.3.3. Raming
ontwikkeling WGA
Het
structurele aantal mensen in de WGA kan bepaald worden door de
gemiddelde verblijfduur van de verschillende groepen te beschouwen. De
verblijfsduren van werkenden en niet-werkenden verschillen aanzienlijk
van elkaar. Niet-werkende gedeeltelijk arbeidsgeschikten hebben een veel
langere gemiddelde verblijfsduur dan werkende gedeeltelijk
arbeidsgeschikten.¹ Het aantal werkende gedeeltelijk arbeidsgeschikten
bij de nieuwe WGA-uitkeringen is echter groter dan het aantal
niet-werkenden en ook zal een deel van de WGA-gerechtigden, die bij
aanvang van de uitkering nog niet werken, voor het werkloosheidsdeel
gereïntegreerd worden, waardoor de populaties werkende en niet-werkende
gedeeltelijk arbeidsgeschikten in het WGA-bestand elkaar uiteindelijk
toch niet veel zullen ontlopen.
1. De huidige gemiddelde
verblijfsduur van gedeeltelijk arbeidsgeschikten bedraagt ongeveer tien
jaar. Volgens gegevens van het UWV
bedraagt de gemiddelde uitkeringsduur van mensen die doorlopend werken
circa zes jaar en van mensen die doorlopend werkloos zijn circa veertien
jaar. Op basis hiervan hebben het Verbond van Verzekeraars en het UWV
ook hun offertes met betrekking tot de WGA opgesteld.
De
hoogte van loonaanvullingen zal in grote lijnen neerkomen op de hoogte
van de huidige gedeeltelijke WAO-uitkeringen.
Gemiddeld, rekening houdend met het afschaffen van de laagste twee
klassen van arbeidsongeschiktheid, zal de mate van arbeidsongeschiktheid
ongeveer 50% bedragen en de hoogte van de loonaanvulling gemiddeld circa
€|10 000,-. De gemiddelde uitkering van
tijdelijk volledig arbeidsongeschikten bedraagt 70% van hun oude loon,
circa €|15 000,-. De gemiddelde
WGA-uitkering van niet-werkende gedeeltelijk arbeidsongeschikten
bedraagt circa €|8500,- en is een gewogen
gemiddelde van 70% van het oude loon gedurende de loongerelateerde
periode en 70% van het wettelijk minimumloon
naar rato van de mate van arbeidsongeschiktheid voor de jaren daarna.
Voor alleenstaanden en kostwinners komen daar eventueel nog toeslagen en
aanvullingen uit de bijstand bij. In onderstaande tabel wordt duidelijk
geïllustreerd dat werken loont: een voldoende werkende WGA-er
realiseert een veel hogere replacementrate ¹ dan een niet-werkende
WGA-er. Hierbij is de daling van de replacementrate voor niet-werkende
kostwinners en alleenstaanden gemiddeld relatief gering, omdat voor hen
het
sociaal minimum een bodem vormt waar beneden verlies van inkomen
gecompenseerd wordt.
1. De replacementrate geeft
aan hoe het inkomen na de arbeidsongeschiktheid zich verhoudt tot het
inkomen vóór de arbeidsongeschiktheid. Hierbij is gekeken naar het
totale individuele inkomen (uit werk, WAO/Wet WIA,
bijstand, etc.) waarbij conform CPB-aannames een discontovoet van 10% is
toegepast.
rblz.|122|
Tabel 6: Replacementrates WGA-populatie:
| Subgroepxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Replacementrate
ongewijzigd beleid |
Replacementrate
Wet WIA |
| Gedeeltelijk
werkend |
82% |
84% |
| Gedeeltelijk
werkloos alleenverdiener |
66% |
62% |
| Gedeeltelijk
werkloos tweeverdiener |
60% |
47% |
| Tijdelijk
volledig |
73% |
74% |
In 2040 zal het WGA-bestand circa 190 000
personen tellen, waarvan circa 90 000 werkenden, circa 80 000
niet-werkende gedeeltelijk arbeidsongeschikten en circa 20 000 tijdelijk
volledig arbeidsongeschikten. De uitkeringslasten van de WGA bedragen in
2040 circa €|1,9 miljard. De
loonaanvullingen voor de werkenden kosten €|0,9
miljard en de uitkeringslasten van de niet-werkenden bedragen ongeveer
€|1,0 miljard (waarvan €|0,7
miljard voor de gedeeltelijk arbeidsgeschikten en €|0,3
miljard voor de tijdelijk volledig arbeidsongeschikten).
De Wet WIA
stimuleert werken. In veel gevallen resulteert dat in volledige
reïntegratie. Daardoor lijkt het aantal werkenden WGA-ers op het eerste
gezicht aan de lage kant. In paragraaf 13.5 wordt
nader ingegaan op de gevolgen van de Wet WIA voor de
arbeidsparticipatie. Hier blijkt dat als de totale groep mensen
beschouwd wordt die nu WAO-recht zou hebben, er
wel degelijk een sterke verhoging van de arbeidsparticipatie
plaatsvindt.
Tabel
7: Aantal uitkeringen en uitkeringslasten WGA:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Aantal
uitkeringen ultimo (x 1000) |
27 |
46 |
61 |
73 |
86 |
165 |
196 |
189 |
| -
daarvan werkend gedeeltelijk |
12 |
22 |
29 |
36 |
43 |
84 |
97 |
89 |
| -
daarvan niet-werkend gedeeltelijk |
6 |
12 |
17 |
21 |
26 |
62 |
79 |
82 |
| -
daarvan tijdelijk volledig |
8 |
13 |
15 |
16 |
17 |
19 |
19 |
18 |
| Aantal
herleide uitk.jaren ¹ (x 1000) |
9 |
25 |
36 |
45 |
52 |
100 |
118 |
115 |
| Uitkeringslasten
(x €|1 miljard) |
0,2 |
0,5 |
0,7 |
0,8 |
1,0 |
1,7 |
2,0 |
1,9 |
1. Hier is alleen het
ao-deel van gedeeltelijk arbeidsgeschikten geteld.
13.3.4. Samenvatting
raming Wet WIA
In
plaats van opnieuw te gaan groeien naar 750 000 in 2040 daalt het aantal
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen tot rond de 550 000. Door de
stelselherziening wordt dus voorkomen dat het aantal WAO-ers
in de nabije toekomst weer gaat groeien als gevolg van groei van het
aantal verzekerden, vergrijzing en toegenomen arbeidsparticipatie van
vrouwen. Het verloop van het totaal aantal arbeidsongeschikten na de
stelselherziening is in figuur 5 afgezet tegen het verloop zonder
stelselherziening, zoals eerder gepresenteerd in figuur 3.
rblz.|123|
Figuur 5. Ontwikkeling aantal WAO/WIA-ers
2004-2040 ten opzichte van ongewijzigd beleid:

De uitkeringslasten voor de WAO
bij ongewijzigd beleid bedragen in 2040 circa €|8,3
miljard. De onderhavige voorstellen leveren een besparing op van €|1,1
miljard op de wettelijke uitkeringslasten van nieuwe arbeidsongeschikte
werknemers. De lasten van de langlopende en relatief hoge
IVA-uitkeringen lopen op tot circa €|5,3
miljard in 2040. De uitkeringslasten van de WGA zijn veel lager,
ongeveer €|1,9 miljard in 2040. Niet
alleen is het uitkeringsniveau lager, bijvoorbeeld omdat deze mensen
gedeeltelijk werken, ook kent de WGA veel meer kortdurende uitkeringen
van mensen die relatief snel volledig herstellen.
Tabel
8: Uitkeringslasten huidige stelsel ten opzichte van nieuwe stelsel
exclusief weglek (x €|1 miljard):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Uitkeringslasten
huidige stelsel |
8,6 |
8,5 |
8,3 |
8,1 |
8,0 |
7,8 |
8,4 |
8,3 |
| Uitkeringslasten
huidige stelsel |
8,6 |
8,3 |
8,1 |
7,9 |
7,7 |
7,0 |
7,4 |
7,2 |
| Besparing |
0,05 |
0,13 |
0,18 |
0,23 |
0,29 |
0,8 |
1,0 |
1,1 |
De besparing op de uitkeringslasten loopt dus
op tot €|1,1 miljard in 2040.¹ Dit is
een brutobesparing op de uitkeringslasten van de arbeidsongeschiktheidsregelingen
uitgaande van het uitkeringsniveau van 70% in de IVA waarmee de Wet WIA
in 2006 start. In paragraaf 13.6 wordt ook
ingegaan op de nettobesparing, waarbij de gevolgen voor onder meer WW
en bijstand zijn meegerekend alsmede de bedragen gemoeid met
bovenwettelijke hiaataanvullingen.
1. Deze besparing op
uitkeringslasten is relatief kleiner dan de
vermindering van het aantal arbeidsongeschikten, omdat
met name de goedkopere uitkeringen
van <35% arbeidsongeschikten wegvallen.
13.4.
Gevolgen voor WW, Toeslagenwet en bijstandsregelingen (Wwb/Ioaw)
WAO-ers
kunnen nu ook een beroep kunnen doen op de WW,
de Wet
inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw), de Toeslagenwet
(TW) en de Wet werk en bijstand (Wwb). In
geval van werkloosheid van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte kan voor
het werkloosheidsdeel recht bestaan op WW en later op Ioaw
(bijstandsniveau met vrijlating van vermogen). Bovendien geldt voor alle
arbeidsongeschikten dat als de totale uitkering niet volstaat om het sociaal minimum
te bereiken, er recht kan bestaan op een toeslag uit de TW. Hieraan is
echter de beperking verbonden dat de totale uitkering inclusief toeslag
nooit hoger kan zijn dan het oude loon. Als dat oude loon, en daarmee
dus ook de totale uitkering, beneden het sociaal minimum ligt rblz.|124|
(bijvoorbeeld bij deeltijdwerkers), kan in laatste instantie nog een
beroep worden gedaan op de Wwb.
13.4.1. Gevolgen voor
de WW
De
WW-lasten van gedeeltelijk arbeidsgeschikten
bedragen momenteel ongeveer €|300
miljoen. In 2003 waren er ongeveer 30 000 samenloopgevallen van een WAO-
en WW-uitkering. Dit aantal zal de komende jaren teruglopen als gevolg
van het afschaffen van de vervolguitkering WW in 2003. De gemiddelde
WW-uitkering van arbeidsongeschikten stijgt natuurlijk wel door het
wegvallen van de lagere vervolguitkeringen. Bij ongewijzigd beleid zou
het aantal WW-uitkeringen van arbeidsongeschikten stabiliseren rond de
20 000.
Er zijn twee redenen waarom het beroep op de WW
door arbeidsongeschikten verder zal afnemen door de Wet WIA:
ten eerste door de integratie van de werkloosheidsuitkering voor
gedeeltelijk arbeidsgeschikten in de WGA en ten tweede door de verwachte
toename van de arbeidsparticipatie door de Wet WIA. Daar staat tegenover
dat een deel van de mensen die minder dan 35% arbeidsongeschikt worden
niet in staat zal zijn het oude werk te behouden en volledig in de WW
zal belanden. Dit weegt echter niet op tegen beide neerwaartse factoren.
Na invoering van de Wet WIA verwacht de regering dat het aantal
WW-uitkeringen van minder dan 35% arbeidsongeschikten rond de 10 000 zal
schommelen. De WW-lasten dalen met €|70
miljoen ten opzichte van ongewijzigd beleid. De verwachte ontwikkeling
van het aantal WW-uitkeringen van arbeidsongeschikten staat
gepresenteerd in onderstaande tabel.
Tabel
9: Gevolgen Wet
WIA
voor aantal WW-uitkeringen en
WW-uitkeringslasten:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Aantal
uitkeringen ultimo (x 1000): |
| ongewijzigd
beleid |
19 |
18 |
18 |
18 |
19 |
21 |
21 |
19 |
| na Wet
WIA
|
16 |
12 |
10 |
19 |
19 |
11 |
10 |
10 |
| Uitkeringslasten
(x €|1 miljoen): |
| ongewijzigd
beleid |
190 |
190 |
200 |
200 |
210 |
240 |
240 |
220 |
| na
Wet WIA |
180 |
150 |
130 |
130 |
130 |
150 |
150 |
150 |
13.4.2. Gevolgen voor
de Toeslagenwet (TW)
Aan
toeslagen op
WAO-uitkeringen werd in 2003 circa €|150
miljoen betaald, waarvan het merendeel toeslagen voor volledig
arbeidsongeschikten betreft. Ongeveer 60 000 WAO-ers ontvangen een
toeslag. Het beroep op de Toeslagenwet
zou bij ongewijzigd beleid met ongeveer 40% toenemen, omdat de mensen
die nu in de WAO komen relatief lagere lonen hebben dan vroeger (met
name door de toename van het aantal deeltijdwerkers).
Door de Wet WIA
zal die toename beperkter zijn. De volumedaling van de IVA/WGA ten
opzichte van de WAO betekent dat minder mensen een toeslag nodig hebben.
Daar staat tegenover dat de minimumuitkeringen in de WGA juist lager
zijn, waardoor in de WGA de kans op toeslagen toeneemt. Bovendien stijgt
de gemiddelde hoogte van de toeslag, omdat de TW de rol van de
Ioaw
voor niet-werkende gedeeltelijk arbeidsgeschikten overneemt.¹ De limiet
aan de hoogte van de toeslagen (30% van het sociaal
minimum) komt te vervallen. De totale uitgaven aan toeslagen zullen
daarom zowel bij de Wet WIA ondanks het lagere aantal rechthebbenden
toch circa €|10 miljoen hoger uitvallen
dan bij ongewijzigd beleid. Mochten de uitkeringen in de IVA verhoogd
worden tot 75% van het oude loon, zal het beroep op de TW uiteraard
afnemen.
1. Waarbij overigens is
geabstraheerd van de zogenaamde 1990-maatregel in de Toeslagenwet,
die mensen met een partner geboren na 31 december 1971 uitsluit van een
toeslag, tenzij tot de huishouding een kind behoort dat jonger is dan 12
jaar. Deze maatregel heeft momenteel nog weinig effect op de toeslagen
voor arbeidsongeschikten, maar in de verdere toekomst zal dat effect
aanzienlijk toenemen.
rblz.|125|
Tabel 10: Gevolgen Wet WIA
voor aantal TW-uitkeringen en
TW-uitkeringslasten:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Aantal
uitkeringen ultimo (x 1000): |
| ongewijzigd
beleid |
60 |
60 |
61 |
61 |
62 |
70 |
78 |
79 |
| na Wet
WIA
|
59 |
59 |
59 |
58 |
58 |
59 |
62 |
61 |
| Uitkeringslasten
(x €|1 miljoen): |
| ongewijzigd
beleid |
160 |
160 |
160 |
160 |
170 |
190 |
200 |
210 |
| na
Wet WIA |
160 |
160 |
160 |
170 |
170 |
200 |
220 |
220 |
13.4.3. Gevolgen voor
de Wwb en Ioaw
Er
zijn momenteel ongeveer 17 000 samenloopgevallen van een WAO-uitkering
met een
Wwb- of Ioaw-uitkering.
De totale uitkeringslasten van deze bijstandsuitkeringen bedragen circa
€|80 miljoen. Bij ongewijzigd beleid zou
dit oplopen tot circa €|110 miljoen.
Omdat de nieuwe arbeidsongeschikten (vanwege de sterke toename van
deeltijdwerken) gemiddeld lagere lonen hebben dan vroeger, neemt het
beroep op bijstandsaanvullingen toe. Bovendien stijgt het aantal
gedeeltelijk arbeidsongeschikten, wat een groter beroep op de Ioaw
tot gevolg heeft.
De Ioaw zal in de Wet WIA
zijn rol voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten in het nieuwe stelsel
verliezen, omdat in de WGA aanvullingen tot aan het sociaal minimum
via de TW
zullen lopen. Op lange termijn dalen de Ioaw-lasten van gedeeltelijk
arbeidsgeschikten dus tot nul.
Het beroep op de bijstandsregelingen zal aan de
andere kant toenemen ten opzichte van ongewijzigd beleid, omdat mensen
die minder dan 35% arbeidsongeschikt worden beoordeeld en niet werken,
in de Wwb of de Ioaw terecht kunnen komen. Voor sommigen zal dat direct
na afloop van het tweede ziektejaar het geval zijn indien geen recht op
loongerelateerde uitkering bestaat vanwege bijvoorbeeld het niet voldoen
aan de referte-eis. De meeste niet-werkenden hebben wel recht op een
loongerelateerde uitkering, maar kunnen na afloop van deze uitkering een
beroep doen op Ioaw (ingeval ze ouder dan 50 zijn) of Wwb. Per saldo zal
het aantal mensen dat een beroep op de bijstandsregelingen doet, afnemen
ten opzichte van ongewijzigd beleid. Toch zullen de kosten van die
bijstandsuitkeringen stijgen, omdat de gemiddelde uitkeringshoogte fors
stijgt. Mensen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, zullen als ze
in de bijstand komen immers een veel grotere kans op een volledige
bijstandsuitkering hebben dan nu. De kosten van bijstandsuitkeringen na
de Wet WIA zullen circa €|220 miljoen
bedragen.
Tabel
11: Gevolgen Wet
WIA
voor aantal Wwb/Ioaw-uitkeringen
en Wwb/Ioaw-kosten:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Aantal
uitkeringen ultimo (x 1000): |
| ongewijzigd
beleid |
18 |
18 |
18 |
19 |
19 |
22 |
24 |
25 |
| na Wet
WIA
|
18 |
18 |
19 |
19 |
19 |
21 |
23 |
24 |
| Uitkeringslasten
(x €|1 miljoen): |
| ongewijzigd
beleid |
80 |
80 |
80 |
80 |
180 |
100 |
100 |
110 |
| na
Wet WIA |
80 |
80 |
90 |
90 |
100 |
170 |
210 |
220 |
Per saldo leiden de neerwaartse effecten bij de WW
en de opwaartse effecten bij de bijstand en de TW
tot een stijging van de weglek ten opzichte van ongewijzigd beleid met
circa €|50 miljoen. Aanvankelijk dragen
de ontwikkelingen in de WW, TW en bijstand overigens juist bij aan de
besparingen.
rblz.|126|
13.5.
De uitvoeringskosten
Krachtens de Wet
SUWI voert het UWV sinds 1 januari 2002
de WAO uit. In 2004 is met de uitvoering van
de WAO ongeveer €|800 miljoen gemoeid
(zijnde 7% van de totale uitgaven uit hoofde van de WAO in dat jaar).
Krachtens de SUWI-uitvoeringsstructuur wordt jaarlijks aan UWV een
geplafonneerd budget uitvoeringskosten toegekend. Dit budget bestaat
zowel uit reguliere als uit incidentele middelen.
De
invoering van het wetsvoorstel WIA heeft langs
meerdere wegen effect op het structurele niveau van de
uitvoeringskosten:
1. Als gevolg van de stelselherziening is naar verwachting sprake van
een forse instroomreductie. Als gevolg van de strengere criteria zal,
naast een blijvende groep volledig en duurzaam arbeidsongeschikten in de
IVA, een deel van de volgens het huidige WAO-criterium
arbeidsongeschikten in de WGA-regeling terecht komen of niet
arbeidsongeschikt worden verklaard. Derhalve zullen er op de langere
termijn minder personen door het UWV van een
uitkering worden voorzien, herbeoordeeld en zo mogelijk worden
gereïntegreerd, waardoor ook minder trajecten zullen worden ingezet.
Voor een deel zal hierbij overigens sprake zijn van weglek naar de WW.
Er zal zodoende door de instroomreductie sprake zijn van een daling van
de WAO-uitvoeringskosten en een geringere stijging van de
WW-uitvoeringskosten.
2. De herbeoordelingsystematiek is reeds drastisch gewijzigd door het
wegvallen van de wettelijke eerste- en vijfdejaarsherbeoordeling en de
introductie van de cohortsgewijze herbeoordelingen. Deze wijziging is
voor de jaren 2005 en 2006 kostenneutraal in die zin dat de vrijgevallen
capaciteit vanwege het wegvallen van de wettelijke herbeoordelingen
wordt ingezet voor de uitvoering van de cohortsgewijze herbeoordelingen.
Medio 2006 zullen de cohortsgewijze herbeoordelingen zijn afgerond.
Vanaf 2006 zullen professionele herbeoordelingen in het kader van IVA,
WGA en WAO worden uitgevoerd en vindt indien sprake is van "geringe
kans op herstel" gedurende de eerste vijf jaar, jaarlijks een
herbeoordeling plaats. Vanaf medio 2006 levert de wijziging in de
herbeoordelingsystematiek een besparing op de uitvoeringskosten op. Deze
besparing wordt meegenomen in het kader van dit wetsvoorstel.
3. De claimbeoordeling wordt kwalitatief verbeterd. Het UWV zal vaker
dan voorheen een intensievere claimbeoordeling toepassen en beslissingen
voor de IVA worden genomen door een beslissingsautoriteit. Daarnaast
moet in het keuringsproces gewerkt worden met lijsten en protocollen.
Ook bestaat er voor evidente gevallen de mogelijkheid om na minimaal een
halfjaar wachttijd een verzoek tot een vervroegde keuring in te dienen.
Dit zal leiden tot een stijging van de uitvoeringskosten per
claimbeoordeling.
4. Het eerbiedigende overgangsrecht leidt tot het langdurig naast elkaar
bestaan van een WAO-stelsel en een WIA-stelsel. Het WAO-stelsel kent
alleen nog uitstroom en geen nieuwe instroom en zal zodoende langzaam in
omvang afnemen. Bij het afnemende volume zal het noodzakelijke
systeemonderhoud en de doorvoering van eventuele wijzigingen de
gemiddelde kosten van het bestandsbeheer WAO doen toenemen.
5. De huidige samenloop WW/WAO komt te vervallen in de WGA-regeling. Dit
zal tot een efficiencyverbetering en dus besparing op de
uitvoeringskosten kunnen leiden.
Naast bovenstaande structurele effecten zal sprake zijn van omvangrijke
eenmalige implementatiekosten. Deze kosten zijn verspreid over meerdere
jaren. In de uitvoeringstoets heeft het UWV
aangegeven dat een geheel rblz.|127|
nieuw systeem om de
Wet WIA uit te voeren op zijn vroegst per
medio 2007 gereed zal zijn. In de loop van 2005 maakt het UWV
implementatiekosten in relatie tot ombouw van de huidige systemen. In de
loop van 2006 en 2007 worden implementatiekosten gemaakt voor de bouw
van een nieuw systeem en de tijdelijk deels handmatige uitvoering,
gevolgd door eenmalige kosten in 2007 vanwege de overstap van het
tijdelijke systeem naar het nieuwe systeem. Het WIA-complex zal eveneens
tot implementatiekosten aan de zijde van de belastingdienst
leiden als gevolg van de taken van de belastingdienst ingevolge Wfsv/Walvis/SUB.
In
de
Invoeringswet WIA
worden de mogelijkheden tot eigen risico dragen beschreven. De mate
waarin hiervan gebruik zal worden gemaakt, heeft invloed op de mate van
verschuiving van lasten en ook uitvoeringskosten van de publieke naar de
private sector. Naast bovenstaande kwalitatieve raming kan zodoende pas
in de Invoeringswet WIA, uitgaande van een inschatting van de mate
waarin gebruik gemaakt zal worden van de mogelijkheid om eigen
risicodrager te worden, een kwantitatief beeld op het effect van het WIA-complex
op de uitvoeringskosten worden geschetst.
13.6.
Overzicht financiële gevolgen
In deze paragraaf
wordt een totaaloverzicht gegeven van de financiële effecten van de Wet
WIA
op korte en lange termijn. Paragraaf 13.6.1
belicht de financiële effecten op korte termijn. Hierbij beperken we
ons tot het niveau van de SZW-begroting, dus
zonder rekening te houden met ontwikkelingen op het gebied van
bovenwettelijke uitkeringen. Voor de lange termijn zou dit echter de
gevolgen van de Wet WIA in een te ongunstig daglicht plaatsen. Eén van
de onderdelen van de Wet WIA betreft immers het vervallen van het
zogenaamde WAO-hiaat, dat nu in veel gevallen
op de particuliere markt is bijverzekerd. Het vervallen van het
WAO-hiaat verhoogt de kosten van de Wet WIA, maar verlaagt de kosten die
werkgevers en werknemers nu op de private markt maken. Daarom wordt in paragraaf 13.6.2
eerst op de omvang van het WAO-hiaat ingegaan en wordt vervolgens in paragraaf 13.6.3
een integraal beeld van de langetermijnbesparingen van de Wet WIA
geschetst inclusief de besparingen voor werkgevers en werknemers die
niet zichtbaar worden op het niveau van de SZW-begroting.
13.6.1. Overzicht korte
termijn financiële gevolgen op begrotingsniveau
De
in deze paragraaf gepresenteerde besparingen op uitkeringslasten en
uitvoeringskosten vormen niet de enige componenten van de totale
besparing als gevolg van de stelselherziening, zoals die is ingeboekt
tijdens het Hoofdlijnenakkoord. In 2005 zullen al besparingen
plaatsvinden in dat tweede ziektejaar. De besparingen op de
uitkeringslasten als gevolg van de verlenging van de loondoorbetaling
bij ziekte (Wvlz 2003) bedragen in 2005
circa €|100 miljoen en in 2006 en verder
circa €|150 miljoen. Onderbouwing van
deze bedragen is te vinden in de financiële
paragraaf van de Wvlz 2003.¹
1. Kamerstukken
28 629, [nr. 3, red.], hoofdstuk 6 (Financiële gevolgen,
gevolgen voor de rechterlijke macht en administratieve lasten voor
werkgever).
De
regering schrijft verder de instroomdaling die thans in 2004 ten
opzichte van 2003 wordt waargenomen toe aan een aankondigingseffect van
het nieuwe stelsel, vanuit de veronderstelling dat een grote
stelselherziening al voorafgaand aan de ingangsdatum leidt tot een
terugloop van het aantal uitkeringen. Iets soortgelijks viel bij de
laatste grote stelselwijziging in 1993 (Wet TBA)
ook waar te nemen. De bepaling van de omvang van het aankondigingseffect
kan bij gebrek aan meer historische referenties niet anders dan
indicatief zijn. Een manier waarop de omvang van het aankondigingseffect
is af te leiden, is uit de keuze van het basisinstroomniveau van 66 000
personen in 2003. Deze keuze impliceert dat de rblz.|128|
daling van de instroom in 2003 tot 66 000 is toe te schrijven aan
structurele factoren (met name de Pemba en
de Wet
verbetering poortwachter) en dat het meerdere in 2004 is toe te
schrijven aan incidentele factoren (met name het aankondigingeffect).
Doorrekening van een scenario waarin de instroom in 2004 gelijk wordt
genomen aan het basisinstroomniveau van 66 000 personen ¹ levert extra
kosten op. Het verschil tussen die doorrekening en de actuele raming met
het lagere instroomniveau voor 2004 is te beschouwen als het
aankondigingseffect.
1. Plus de door UWV
voor de SER
berekende toename vanwege demografische factoren en cohorteffecten.
Tabel 12: Aankondigingseffect Wet
WIA:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
| Besparing
in personen (x 1000) |
10,4 |
8,9 |
7,5 |
6,8 |
| Besparing
in herleefde uitkeringsjaren (x 1000) |
3,9 |
7,1 |
6,1 |
5,3 |
| Besparing
(x €|1 miljoen) |
60 |
110 |
90 |
80 |
Een samenvattend beeld op begrotingsniveau (dus
exclusief de besparing op wegvallende private hiaatverzekeringen) staat
in onderstaande tabel. De structurele besparing van de Wet WIA
inclusief aanscherping
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
en Wvlz 2003 samen bedraagt op
begrotingsniveau circa €|450 miljoen in
2007.
Tabel
13: Totaaloverzicht besparingen op de SZW-begroting:
| Besparingen
samenhangend met Wet WIA (x €|1
miljoen) |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
| Wvlz
2003: uitkeringslasten |
x |
100 |
150 |
150 |
| Wvlz
2003: uitvoeringskosten |
x |
x |
v25 |
v25 |
| WetrWIA:ruitkeringslastenxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
60 |
110 |
150 |
240 |
| Wet
WIA: uitvoeringskosten ¹ |
x |
x |
v40 |
v40 |
| Totaal
actuele begrotingsramingen |
60 |
210 |
365 |
455 |
1. Een precieze raming van
de uitvoeringskosten komt in de Invoeringswet WIA.
Zonder meerekening van aanloopkosten is voor 2006 en 2007 eerder een
voorlopige besparing van €|40 miljoen op
de uitvoeringskosten geraamd.
Het bovenstaande beeld is exclusief besparingen
als gevolg van de beperking van bovenwettelijke aanvullingen in het
tweede ziektejaar, zoals afgesproken in het najaarsakkoord 2004 tussen
kabinet en sociale partners. Deze beperking kan een additionele
besparing opleveren van circa €|75
miljoen in 2007 plus een besparing van €|50
miljoen op loonkosten in de overheidssector. Daar staat tegenover dat
als de bovenwettelijke aanvullingen daadwerkelijk beperkt worden én de
instroom in de IVA beneden de 25 000 blijft in 2006, de uitkeringen in
de IVA met terugwerkende kracht vanaf 2006 verhoogd worden van 70% naar
75%. Dit kost €|50 miljoen voor 2006 en
2007 samen. Het beeld is ook exclusief besparingen op het
arbeidsongeschiktheidsstelsel in bredere zin (de herbeoordelingoperatie,
de Wet Rea en de WAZ).
13.6.2. Gevolgen voor
de WAO-hiaatuitkeringen
Voor ongeveer 80% van de werknemers is het na de Wet
TBA ontstane WAO-hiaat (het verschil
tussen de loongerelateerde en de vervolguitkering in de WAO) veelal
collectief verzekerd. Dit is één van de zogenaamde bovenwettelijke
uitkeringen. Werkgevers betalen gemiddeld ongeveer 70% van de premie en
werknemers ongeveer 30%. De WAO-hiaatuitkeringen zijn op de private
markt verzekerd volgens het rentedekkingprincipe, wat inhoudt dat de
uitkeringen al volledig voor de toekomst zijn afgefinancierd. Thans
wordt aan hiaatuitkeringen slechts circa €|0,5
miljard uitgekeerd, omdat voor veel van de huidige arbeidsongeschikten
het WAO-hiaat niet aan de orde is. Uiteindelijk zou echter een groot
deel van het WAO-bestand met het rblz.|129|
WAO-hiaat te maken krijgen en zouden de feitelijk uitgekeerde bedragen
oplopen tot €|0,9 miljard. In de IVA zal
geen hiaat meer bestaan. In deze financiële paragraaf wordt verder de
aanname gemaakt dat in de WGA geen bovenwettelijke aanvullingen zullen
plaatsvinden. De feitelijk uitgekeerde hiaatuitkeringen dalen dan tot
nul, zodat op termijn €|0,9 miljard
minder wordt uitgekeerd. Vanwege het rentedekkingprincipe zal die €|0,9
miljard echter onmiddellijk als besparing voor werkgevers en werknemers
gerealiseerd kunnen worden, omdat de verzekeringspremies direct kunnen
vervallen. Daarnaast betreft de €|0,9
miljard slechts de uitkeringslasten. Private verzekeraars hanteren bij
hun premiestelling een opslag van circa 25% voor uitvoeringskosten en
winst. Met de private hiaatverzekeringen is dus circa €|1,2
miljard gemoeid.
Tabel
14: Gevolgen Wet
WIA
voor uitgekeerde bedragen WAO-hiaatuitkeringen:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Uitkeringslasten
(x €|1 miljoen): |
| ongewijzigd
beleid |
540 |
540 |
560 |
580 |
600 |
800 |
940 |
940 |
| na Wet
WIA
|
530 |
500 |
470 |
440 |
420 |
190 |
v60 |
vv0 |
Bij de
WAO vinden verder nog zogenaamde
WAO-excedentverzekeringen plaats waarbij voor hoge inkomens het deel van
het inkomen boven het maximumdagloon is verzekerd tegen
arbeidsongeschiktheid. Van deze excedentuitkeringen wordt verder
geabstraheerd. Naar verwachting zullen deze verzekeringen intact blijven
bij de Wet WIA.
13.6.3. Overzicht lange
termijn financiële gevolgen inclusief bovenwettelijke component
In
tabel 8 in paragraaf
13.3 is getoond hoe de besparingen op de bruto-uitkeringslasten als
gevolg van de Wet WIA oplopen tot circa €|1,1
miljard in 2040. In
paragraaf 13.4
is ingegaan op de gevolgen voor de aanpalende regelingen als WW
en bijstand. Deze regelingen worden circa €|0,1
miljard duurder, zodat een nettobesparing van €|1,0
miljard resulteert. Daarnaast vervallen de bovenwettelijke
hiaatuitkeringen ter waarde van €|0,9
miljard, zoals uiteengezet in
paragraaf 13.6.2. Het totaalbeeld van de
financiële gevolgen voor de uitkeringslasten van het nieuwe stelsel
staat in onderstaande tabel.
Tabel
15: Besparing uitkeringen Wet WIA ten opzichte
van ongewijzigd beleid inclusief weglek (x €|1
miljard):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Besparing
IVA/WGA (zie tabel 8) |
0,3 |
0,8 |
1,0 |
–1,1 |
| Besparing WW/TW/bijstand
(zie
tabel 9/10/11) |
0,1 |
0,0 |
0,0 |
–0,1 |
| Besparing
hiaatuitkeringen (zie tabel 14) |
0,2 |
0,6 |
0,9 |
–0,9 |
| Totale
besparing uitkeringen |
0,5 |
1,4 |
1,8 |
–1,9 |
| Aandeel
Schattingsbesluit ao-wetten/keuringspraktijk |
0,4 |
0,9 |
1,2 |
–1,3 |
| Aandeel Wet
WIA
overig |
0,2 |
0,5 |
0,6 |
–0,6 |
| Extra
kosten uitkeringsverhoging / afschaffing
Pemba IVA |
0,1 |
0,4 |
0,5 |
–0,5 |
| Totale
besparing uitkeringen inclusief extra kosten IVA |
0,4 |
1,0 |
1,3 |
–1,4 |
De totale structurele besparing op de
uitkeringen bedraagt €|1,9 miljard. Circa
twee derde komt voor rekening van de aangescherpte keuringspraktijk en
circa een derde voor rekening van de overige elementen van de Wet WIA
(met name afschaffen laagste twee klassen en incentivestructuur WGA). De
vraag naar de structurele besparing van de Wet WIA is dus niet eenduidig
te beantwoorden. Er wordt €|1,0 miljard
bespaard op de begrotingsuitgaven voor uitkeringslasten van
SZW, maar omdat hiaatverzekeringen niet meer
nodig zijn, zijn werkgevers en werknemers uiteindelijk €|1,9
rblz.|130|
miljard goedkoper uit. Beide cijfers zijn exclusief de meerkosten van
uitkeringsverhoging en afschaffing van de Pemba
in de IVA (zie paragraaf
13.3.2). Indien deze plaatsvinden, dalen de structurele besparingen
met €|0,5 miljard tot €|0,5
miljard respectievelijk €|1,4 miljard.
13.7. Financiering
In deze paragraaf wordt
- vooruitlopend op de Invoeringswet WIA - globaal ingegaan op een
aantal financieringsaspecten van de Wet WIA. Eerst wordt een beeld gegeven
van de gevolgen voor de premiestelling. Vervolgens wordt ingegaan op
premiedifferentiatie en eigen risico dragen. Deze en andere financieringsaspecten, zoals de financieringsverschuivingen die
optreden ten opzichte van
de huidige WAO als gevolg van wijzigingen in de verdeling van de
premielast tussen werkgevers en werknemers, komen nader aan de orde in de
Invoeringswet WIA.
13.7.1. Premiestelling
Om een beeld te krijgen
van de financieringsgevolgen van de stelselherziening wordt eerst geschetst hoe
de WAO-premie zich bij ongewijzigd beleid zou ontwikkelen.
Het gemiddelde premieniveau voor de WAO bedraagt in 2004 7,65%
(bestaande uit 5,3% ¹ basispremie en 2,35% gedifferentieerde premie) en in 2005 7,27%
(bestaande uit 5,6% basispremie en 1,67%
gedifferentieerde premie). Hieruit worden niet alleen de uitkeringslasten van WAO-ers
betaald, maar ook opslagen voor sociale werkgeverslasten (ziekenfonds-
en WW-premie), uitvoeringskosten en reïntegratiekosten.
Uitkeringslasten vormen ongeveer 80% van de totale premie. Als gevolg van de
verlenging van de loondoorbetaling bij ziekte (Wvlz
2003) daalt de WAO-premie
in 2005 en 2006 om vervolgens te stabiliseren op een niveau van tussen
de 5,5% en 6% van de premieplichtige loonsom.
1. Inclusief een verhoging
van 0,3 procentpunt omdat voor werknemers van
55 jaar of ouder sinds 2004 geen WAO-basispremie meer betaald hoeft te worden.
Om hiervoor te compenseren, moet voor
werknemers jonger dan 55 een hogere
WAO-basispremie betaald worden. Gemiddeld genomen
over alle werknemers is de basispremie dus 0,3% lager dan de genoemde 5,3% in
2004 en 5,6% in 2005.
Tabel 16: Totale WAO-lasten
en gemiddelde WAO-premie bij ongewijzigd beleid:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Uitkeringslasten
(x €|1 miljard) |
18,6 |
18,5 |
18,3 |
18,1 |
18,0 |
7,8 |
18,4 |
18,3 |
| Totale
lasten (x €|1 miljard) |
10,8 |
10,6 |
10,4 |
10,2 |
10,0 |
9,8 |
10,5 |
10,3 |
| Gemiddelde
premie |
6,0% |
5,9% |
5,7% |
5,6% |
5,5% |
5,2% |
5,6% |
5,7% |
De nieuwe premie, zoals gepresenteerd in tabel 17, is een optelsom van de premies voor de oude WAO, die vanaf 2006 langzaam leegloopt, de IVA en de
WGA. Voor de IVA en
de WGA is gerekend met een zelfde verhouding tussen uitkeringslasten
en opslagen (80% versus 20%) als bij de huidige WAO. De premie
stabiliseert op een niveau van rond de 5%, waarvan uiteindelijk circa 3,5%
voor rekening van de IVA komt en circa 1,5% voor rekening van de WGA.
Tabel 17: Totale lasten (WAO, IVA en WGA) en gemiddelde premie nieuwe stelsel:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Uitkeringslasten (x €|1
miljard) |
18,6 |
18,3 |
18,1 |
7,9 |
7,7 |
7,0 |
7,4 |
7,2 |
| Totale lasten (x €|1
miljard) |
10,7 |
10,4 |
10,2 |
9,9 |
9,7 |
8,8 |
9,2 |
8,9 |
| Gemiddelde premie |
6,0% |
5,8% |
5,6% |
5,5% |
5,3% |
4,6% |
4,9% |
4,9% |
De
Wet WIA leidt derhalve op
termijn tot een aanmerkelijke premiedaling van 0,8% van de loonsom of circa
€|1,4 miljard. Hierbij zij aangetekend dat in de bovenstaande tabellen
zogenaamde lastendekkende premies worden gepresenteerd. rblz.|131|
De feitelijke
premieontwikkeling kan hiervan afwijken. Zo is in het Hoofdlijnenakkoord
afgesproken dat gedurende de lopende kabinetsperiode (tot en met 2007) de lastendruk
constant blijft. Besparingen op WAO-lasten leiden
gedurende deze kabinetsperiode daarom niet tot premieverlaging, maar
komen ten goede aan het EMU-saldo.
In de praktijk worden er
geen separate premies voor WAO, IVA en WGA geïnd. De WAO wordt
momenteel bekostigd uit twee fondsen, het Aof (de lasten van mensen die
langer dan vier jaar in de WAO zitten en niet onder de Pemba vallen) en de Aok
(de lasten van mensen die korter dan vier jaar in de WAO zitten en onder
de Pemba
vallen). Deze beide fondsen blijven voortbestaan zolang de Pemba bestaat. Als
de Pemba wordt afgeschaft, blijft het Aof over om de lasten van de
IVA en de oude WAO te dekken, alsmede het deel van de WGA-lasten waarvoor een bedrijf geen eigenrisicodrager kan
worden. Voor het deel van
de WGA-lasten waarvoor een bedrijf wel eigenrisicodrager kan worden, zal een apart
fonds (de Werkhervattingskas) worden opgericht, omdat de
WGA hiervoor premiedifferentiatie zal kennen. Tijdelijk zullen
er dus drie fondsen naast elkaar bestaan, waarvan er twee door middel van
een gedifferentieerde premie gefinancierd worden.
13.7.2.
Premiedifferentiatie en eigen risico dragen
Binnen de WGA kunnen
werkgevers, net als nu bij de Pemba, kiezen om eigenrisicodrager te
worden of een private verzekering af te sluiten. Over het aandeel bedrijven dat
ervoor zal kiezen om eigenrisicodrager voor de WGA te worden, valt nog
weinig te zeggen. Binnen de Pemba werd aanvankelijk slechts beperkt gebruik
gemaakt van de mogelijkheid tot eigen risico dragen. In 2002 waren circa
5000
bedrijven eigenrisicodrager voor de Pemba-periode. Deze
bedrijven vertegenwoordigden circa 5% van de werknemers. In 2003 en 2004 is het
aantal eigenrisicodragers echter sterk gegroeid tot 71 500
bedrijven (1300 grote en 70 200 kleine), omdat met name kleine werkgevers
gebruik hebben gemaakt van de voor hen laatste mogelijkheid om eigenrisicodrager te
worden.¹ Inmiddels is dus 20% van
de werkgevers
eigenrisicodrager. Eerder bestond bij de Ziektewet,
vóór de invoering van de
Wet TZ en de Wulbz, de mogelijkheid om eigenrisicodrager te worden voor het
volledige eerste ziektejaar in plaats van publiek te verzekeren. In 1992
was 17% van de ziekmeldingen afkomstig van eigenrisicodragers.² Een
percentage van 20% eigen risico dragen zou daarom een logisch
basisscenario kunnen zijn.
Veel zal echter afhangen
van hoe de premiestelling van private verzekeraars zich zal verhouden tot
die van het UWV. De ongelijkheid die in de aanloopfase van de WGA
zou ontstaan als gevolg van de verschillen in financieringsmethodiek
(rentedekking versus omslagfinanciering) zal worden weggenomen in het kader
van het gelijk speelveld. Van eigen risico dragen voor de WGA zal bovendien
naar verwachting meer gebruik gemaakt worden dan bij de Pemba en de
Wulbz, omdat deze verzekering waarschijnlijk
vaak in de vorm van een aanvulling op de verzekering voor loondoorbetaling
aangeboden zal worden. Ten slotte heeft het eigen risico in het nieuwe stelsel betrekking
op de WGA, waar de mogelijkheden tot schadelastbeperking in beginsel bij de gehele
populatie aanwezig mogen worden geacht. In de ramingen
wordt daarom in eerste instantie gerekend met een iets hoger percentage
eigenrisicodragers van 25%.
1. Aanvragen en
toekenningen eigen risico dragen WAO, UWV, september 2004.
2. Bron: Stand
ziekengeldverzekering 1992 (SVr [Sociale Verzekeringsraad, red.]). In 1992 1 262 000 ziekmeldingen eigen risicodragers tegenover
5 933 000 bij de omslagleden en 146 000 bij de afdelingskassen.
13.8. Reïntegratie
In het nieuwe stelsel
zijn middelen beschikbaar gesteld voor de reïntegratie van personen die meer dan
35% arbeidsongeschikt zijn, voor persoonsgebonden
voorzieningen en instrumenten die drempels voor de werkgever wegnemen bij
het in dienst nemen of houden van gedeeltelijk rblz.|132|
arbeidsgeschikten. De
uitgaven worden opgedeeld in een gedeelte voor aanbodversterking
(trajecten) en een gedeelte voor trekkingsrechten (werkplekaanpassingen,
vervoersvoorzieningen, de no-riskpolis ZW, etc.). Op deze beide
hoofdonderdelen van de reïntegratie-inspanningen wordt in deze paragraaf
ingegaan.
Voor reïntegratie in de
WGA geldt overigens dat een deel van de werkgevers zich mogelijk privaat zal
verzekeren. Verzekeraars claimden in hun offertes dat zij beter
reïntegreren dan een publieke uitvoerder. Omdat onduidelijk is welk
gedeelte van de WGA-markt privaat zal gaan, is in de berekeningen in deze
financiële paragraaf een scenario gehanteerd waarin publieke en private
uitvoerders en eigenrisicodragers even goed presteren. Afhankelijk van het deel
van de markt dat privaat gaat en de mate waarin private uitvoerders hun claims waarmaken, kunnen de
reïntegratieresultaten
dus afwijken van hetgeen in deze financiële paragraaf gepresenteerd wordt.
13.8.1. Trajecten
In de eerste twee jaar
van ziekte van een werknemer hebben de werkgever en werknemer een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het hervatten
van de werkzaamheden. Na
deze twee jaar zal de werknemer worden gekeurd om de mate van
arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Als de werknemer meer dan 35%
maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt blijkt te zijn, valt hij
onder de WGA. Als de werknemer het werk nog niet heeft hervat,
terwijl de werkgever en werknemer wel aan hun reïntegratieverplichtingen
hebben voldaan conform de Wet verbetering poortwachter, wordt het
UWV
medeverantwoordelijk voor de reïntegratie.
In aansluiting op de
berekeningen van de WGA in het nieuwe WAO-stelsel worden trajecten ingezet
bij de werknemers voor wie de ingezette reïntegratie-inspanningen
door de werkgever in de eerste twee ziektejaren niet tot werkhervatting
hebben geleid. Per jaar zullen circa 15 000 niet-werkenden in de WGA komen. Deze
mensen vormen de belangrijkste doelgroep voor trajecten.
Aangezien de werkgever
eigenrisicodrager kan worden voor de WGA zal een deel van de trajecten
door de private verzekeraars worden uitgevoerd. Om een indicatie te geven
van de publieke middelen die beschikbaar zouden moeten zijn voor
trajectinzet is als indicatief uitgangspunt gerekend met een scenario met een
aandeel eigen risico dragen van 25%, 5% hoger dan het aandeel eigen
risico dragen in de WAO. Bij die veronderstelling zouden in de publieke
sector per jaar circa 15 000 trajecten moeten worden ingezet voor uitkeringsgerechtigden in de
WGA.
Niet voor alle
niet-werkende WGA-ers is een traject nodig. Bovendien blijft het aantal trajecten in
de beginjaren iets achter, omdat niet alle trajecten onmiddellijk opgestart
kunnen worden (bijvoorbeeld bij tijdelijk volledig arbeidsongeschikten die
nog niet tot een traject in staat zijn). Daar staat tegenover dat ook een
deel van de werkenden een traject nodig zal hebben. Bij de raming
zijn de volgende aannames gehanteerd:
• De regering schat dat
circa 10% van de gedeeltelijk arbeidsgeschikten genoeg heeft aan een bemiddelingstraject bij het
CWI en geen
reïntegratietraject
nodig heeft.
• Aan werknemers die
tijdelijk volledig arbeidsongeschikt zijn, wordt pas een traject aangeboden
als uit een herbeoordeling blijkt dat de situatie van de cliënt verbeterd
is. Voor de tijdelijk volledig arbeidsongeschikten wordt aangenomen dat zij
op pas op traject kunnen als herstel zichtbaar wordt.
Verondersteld wordt om die reden dat in de eerste vier jaar van een cohort
tijdelijk volledig arbeidsongeschikten respectievelijk 25%, 25%, 15% en nog eens
10% op traject gaat. Uiteindelijk volgt dan rblz.|133|
75% van de tijdelijk
volledig arbeidsongeschikten een traject. De overige 25% valt af door
demografische redenen (overlijden of pensionering), het zelf vinden van werk
of doorstroom naar de IVA.
• Aangenomen wordt
voorts dat 10% van de werkende WGA-ers een traject nodig zal hebben.
Dit betreft met name de groep die nog niet als stabiele
werkhervatter te beschouwen is.
• Er zijn structureel circa 4000 trajecten per jaar gereserveerd voor mensen die niet tot de
WGA behoren. Het gaat hier om verschillende groepen, onder meer Wajong-ers
en mensen uit het zittende WAO- en WAZ-bestand.
• Tot slot zal er in de
loop der jaren een groep WGA-ers ontstaan die al langere tijd niet of niet
in voldoende mate werkt. Een reïntegratietraject zal voor dit "zittende
bestand" beperkt mogelijk moeten zijn. Er wordt rekening mee
gehouden dat in de beginjaren de aanspraak op een traject door deze
groep gering zal zijn, maar dat in de jaren daarna - met de groei van het
zittend bestand - zal toenemen. Vandaar dat het aantal trajecten voor het
zittend bestand een opbouw kent van 500 in 2007, 1500 in 2008 naar 2500 vanaf 2009.
In het volgende overzicht
is samengevat hoeveel trajecten het
UWV
zal inzetten in de periode
vanaf 2006 (exclusief de herbeoordelingoperatie die op 1 oktober 2004 is
gestart), gegeven het scenario van 25% eigenrisicodragers. Bij een gemiddelde
trajectprijs van circa €|3000,- zal het structureel benodigd budget circa
€|60 miljoen bedragen.
Tabel 18: Samenvatting
inzet trajecten nieuwe stelsel:
Inkoop trajecten
(exclusief
herbeoordelingoperatie) |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
| WGA instroom (x 1000) |
6,6 |
v8,5 |
v9,5 |
10,0 |
11,0 |
12,2 |
| WGA zittend bestand (x
1000) |
x |
v0,5 |
v1,5 |
v2,5 |
v2,5 |
v2,5 |
| Overig (Wajong,
WAO (oud), WAZ, etc.) |
3,0 |
v3,0 |
v3,5 |
v4,0 |
v4,0 |
v4,0 |
| Totaalxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx| |
9,6 |
12,0 |
14,5 |
16,5 |
17,5 |
18,7 |
13.8.2. No-riskpolis
Ziektewet
De no-riskpolis
ZW stimuleert werkgevers om gedeeltelijk arbeidsgeschikten in dienst te houden of in
dienst te nemen. Ingeval dat de werknemer opnieuw ziek wordt, kan
de werkgever het ziekengeld declareren bij het UWV. Werkgevers
die een gedeeltelijk arbeidsgeschikte met een WGA-uitkering in dienst
houden of in dienst nemen, hebben na twee jaar loondoorbetalingplicht
recht op vijf jaar no-riskpolis ZW.
Van de personen die
jaarlijks in de WGA komen, zal naar verwachting bijna de helft aan het
werk zijn. Voor de niet-werkenden in de WGA volgt meestal een traject.
Degenen die al dan niet na het volgen van een traject aan het werk gaan, zullen
tevens aanspraak hebben op de no-riskpolis ZW. Bij de raming wordt aangenomen dat werknemers die volledig herstellen
en daarom geen recht meer
hebben op een WGA-uitkering niet meer in aanmerking komen voor de
no-riskpolis en de positie van een reguliere werknemer innemen.
De kosten van de
no-riskpolis zijn in de structurele situatie van het nieuwe stelsel op ruim
€|70
miljoen geraamd. Dit is in dezelfde orde als de kosten van de no-riskpolis
volgens de huidige regeling. De kosten worden betaald uit het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWf) door een opslag uit de WW-premie. Deze raming ligt qua orde van grootte in lijn met
ramingen uit de
premieberekeningen voor de WGA van het UWV
en Verbond van Verzekeraars.¹ Bij de
raming is verondersteld dat het gemiddeld inkomen €|13 000,-
bedraagt, waarvan bij ziekte 70% gedeclareerd kan rblz.|134|
worden. Het ziekteverzuim
bedraagt naar verwachting gemiddeld 7%.² Het ziekengeld wordt vijf
jaar lang gedeclareerd voor werkenden in de WGA die bij een nieuwe
werkgever aan de slag zijn gegaan en voor werkenden in WGA die een baan bij
dezelfde werkgever hebben behouden. In de structurele situatie gaat het om
circa 70 000 werkende gedeeltelijk
arbeidsgeschikten. Daarnaast zijn er nog zo’n
40 000 mensen die al dan niet na het volgen van een
traject (gedeeltelijk) aan het werk gaan.
1. Het
UWV
raamt de kosten van
de no-riskpolis ZW voor de gehele WGA op €|
85 miljoen (€| 58 miljoen voor het eerste
ziektejaar en €| 27 miljoen voor het tweede
ziektejaar). Het Verbond van Verzekeraars
raamt de kosten voor de gehele WGA op €| 40
miljoen.
2. Het gemiddelde
ziekteverzuimcijfer bij bedrijfsleven en overheid
in Nederland is 5%. Aangezien het verzuim bij
gedeeltelijk arbeidsgeschikten hoger kan liggen, hogen
we dit gemiddelde op naar 7%.
13.9. Arbeidsparticipatie
en macro-economische gevolgen
Als gevolg van de
stelselherziening zal de arbeidsparticipatie van arbeidsongeschikten stijgen. Eind 2003
werkte
28% van de 786 000 WAO-ers, ongeveer 220 000 mensen.
Dat aantal zal eerst dalen, omdat als gevolg van Wvlz
2003 het aantal WAO-ers
afneemt. Het percentage werkende arbeidsongeschikten is overigens geen goede
maat om het succes van reïntegratie-inspanningen
te meten. Immers, als reïntegratie écht goed werkt, dan reïntegreren
mensen volledig en verdwijnen uit de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Bovendien zal
het aantal
werkende arbeidsongeschikten per definitie eerst
afnemen, omdat de drempel voor toelating tot de
arbeidsongeschiktheidsregelingen verhoogd wordt van 15% naar 35%. Daarom wordt in deze
paragraaf de arbeidsparticipatie van de volledige groep mensen die recht
zou hebben gekregen op de huidige WAO
in beschouwing genomen.
In het nieuwe stelsel zal
onder de mensen die in de IVA instromen werkhervatting nauwelijks voorkomen.
Van
de mensen die in de WGA komen, verwacht de regering dat,
mede door inzet van trajecten, 65% van de gedeeltelijk
arbeidsgeschikten het werk hervat. Niet alleen zullen deze WGA-ers gaan werken,
van degenen die werken, verwacht de regering dat een grote meerderheid
erin zal slagen zijn verdiencapaciteit volledig te benutten. Onder de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte WGA-ers zit een aanzienlijke groep mensen die nu nog
volledig arbeidsongeschikt zou worden bevonden. Bij de
berekeningen is ervan uitgegaan dat deze groep, die nu in een relatief klein
percentage van de gevallen (20%) werkt, in dezelfde mate (65%) gaat
participeren op de arbeidsmarkt als de huidige gedeeltelijk arbeidsongeschikten doen.
Deze aanname is mede gebaseerd op onderzoeksgegevens van De
Jong & Thio ¹ en Besseling.² In beide onderzoeken wordt geconcludeerd dat
enkel het hebben van een gedeeltelijke in plaats van een volledige WAO-uitkering de kans op werken aanmerkelijk vergroot. Om deze reden,
in combinatie met de verbeterde incentivestructuur van de WGA, acht de
regering een participatieniveau van 65% aannemelijk.
1. Ph. de Jong en V.
Thio (2002), Donner versus Veldkamp, over nut
en nadeel van gedeeltelijke WAO-uitkeringen.
2. Besseling (2002), WAO:
niet alle oude schoenen zijn slecht.
(In: Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde (TBV) jaargang 10, nr. 4, april
2002).
Naast de hogere
participatie van WGA-ers mag als gevolg van het verhogen van de
toetredingsdrempel van de arbeidsongeschiktheidsregelingen van 15% naar 35% worden
verwacht dat de arbeidsparticipatie ook zal stijgen bij de groep
die de drempel van 35% niet meer haalt. Het gaat daarbij om mensen die op
basis van de huidige WAO
in de laagste twee klassen zouden zitten,
maar ook om mensen die nu nog meer dan 35% arbeidsongeschikt zouden
zijn en als gevolg van het aangescherpte Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten de
drempel van 35% niet meer halen. Van deze groep, van wie momenteel
ongeveer 65% werkt, wordt een kleine toename van de arbeidsparticipatie
tot 70% verwacht. De verwachte ontwikkeling van het aantal werkenden bij
ongewijzigd beleid en in de Wet WIA
staat weergegeven in onderstaande tabel.
rblz.|135|
Tabel 19: Aantal
werkenden huidige stelsel ten opzichte van nieuwe stelsel (x 1000 personen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2020 |
2030 |
2040 |
| Aantal werkenden huidige
stelsel |
186 |
184 |
184 |
187 |
189 |
203 |
221 |
216 |
| Aantal werkenden nieuwe
stelsel |
192 |
196 |
201 |
209 |
216 |
264 |
300 |
298 |
| Extra activering |
vt7 |
r12 |
r17 |
r22 |
r27 |
r61 |
r79 |
r82 |
| Extra verdiend loon (x
€|1 miljard) |
0,1 |
0,2 |
0,3 |
0,4 |
0,5 |
1,2 |
1,6 |
1,7 |
De toename van de
participatie kan uiteindelijk circa 80 000 personen bedragen. Naast die 80
000 mensen die in het oude stelsel in het geheel niet zouden werken,
verwacht de regering ook dat een groep mensen die in de huidige situatie
ook al zou werken dat als gevolg van de stelselherziening meer gaat doen. Het
totale brutoloon dat de werkende arbeidsongeschikten
verdienen, stijgt op grond van deze verwachtingen met circa €|1,7 miljard.
In arbeidsjaren betekent dit een stijging van bijna 70 000. De aanpak van de
WAO
vormt zo een deel van de aanpak van de vergrijzing.
De omvang van de
participatietoename wordt natuurlijk mede bepaald door de verdeling van de
reïntegratiemarkt tussen publieke en private partijen en de
reïntegratiesuccessen die zij behalen.
13.10. Gevolgen van de
Wet WIA
voor vrouwen
Het huidige WAO-bestand
omvat circa 786 000 WAO-ers. Daarvan is circa 54% man en 46% vrouw. De verwachting is dat het WAO-bestand bij ongewijzigd
beleid zal groeien tot
750 000 WAO-ers op lange termijn (2040). Het aandeel vrouwen is
dan gelijk aan het aandeel mannen. De stijging van het aandeel vrouwen
bij ongewijzigd beleid heeft drie oorzaken:
1. de groeiende
arbeidsparticipatie van vrouwen: omdat de arbeidsparticipatie van vrouwen de afgelopen
decennia sterk gegroeid is en naar verwachting nog
verder zal groeien, zal het aandeel vrouwen in de instroom licht
toenemen. Onderzoek laat bovendien zien dat dit effect versterkt zal
worden doordat de huidige werkende vrouwen relatief gezonder zijn
dan de huidige niet-werkende vrouwen.
2. de vergrijzing van de
vrouwelijke beroepsbevolking: samenhangend met de stijgende
arbeidsparticipatie van vrouwen stijgt de gemiddelde leeftijd van werkende
vrouwen meer dan die van mannen. Omdat oudere werknemers een
hogere kans hebben op arbeidsongeschiktheid, zal het
arbeidsongeschiktheidsrisico van vrouwen om die reden ook nog iets stijgen.
3. het relatief hoge
instroomrisico van vrouwen ten opzichte van mannen: het verschil in
instroomkans tussen mannen en vrouwen is het afgelopen jaar
overigens afgenomen, waardoor de toename van het aandeel vrouwen als
gevolg van bovengenoemde factoren minder sterk zal zijn.
Het aantal volledig
arbeidsongeschikten en gedeeltelijk arbeidsgeschikten in het nieuwe stelsel
tezamen zal structureel fors lager liggen dan de verwachte structurele
omvang van het huidige stelsel. Het nieuwe stelsel zal naar verwachting
ongeveer 550 000 personen gaan bevatten, tegenover de 750 000 voor het
huidige stelsel. Hoewel het beleid niet seksespecifiek is, zullen onderdelen van
het totale beleidsplan anders uitwerken voor vrouwen dan voor
mannen. Per onderdeel van het nieuwe stelsel volgt hier een nadere toelichting op de gevolgen voor vrouwen.
De drie hierboven
genoemde oorzaken voor de toename van het aantal arbeidsongeschikte
vrouwen in de structurele situatie zijn ook in het rblz.|136|
nieuwe stelsel relevant.
Dit betekent dat het huidige beleid om het risico van vrouwen te
verlagen
onverminderd van belang is en dan ook voortgezet zal worden. Dit beleid
gaat ervan uit dat er geen specifieke oorzaak is aan te wijzen voor het
hogere risico van vrouwen. Alle betrokken partijen (vrouwen zelf,
werkgevers, arbodiensten en het UWV) zijn zowel deel van het probleem als
deel van de oplossing. Deze betrokkenen moeten een actieve
houding ontwikkelen. Door zo vroeg mogelijk na het intreden van ziekte
daarmee te beginnen, wordt bereikt dat de verzuimduur van vrouwen
gunstig beïnvloed wordt. Immers het ontbreken van een
dergelijke houding werkt slechter uit voor vrouwen dan voor mannen. Ook
binnen het UWV is bij de begeleiding van zieke "vangnetters" en bij de
claimbeoordeling meer aandacht voor vrouwen gecreëerd.
Alle maatregelen en
activiteiten tezamen hebben al geleid tot een verlaging van het arbeidsongeschiktheidsrisico van vrouwen. In 2003 hadden
vrouwen een 50% hoger WAO-risico dan mannen, tegen een 80% hoger risico in 2001.
Het aantal uitkeringen in
het nieuwe stelsel en de verhouding tussen mannen en vrouwen daarin
hangen af van de activiteiten in de loondoorbetalingperiode, de wijzigingen in het
claimbeoordelingsproces, de criteria voor de IVA en
die voor de WGA.
De verlenging van de
loondoorbetalingverplichting naar twee jaar is voor vrouwen van belang omdat
hierdoor meer mogelijkheden ontstaan om door een actievere aanpak
de verzuimduur en -frequentie aan te pakken. De huidige verschillen in
verzuimcijfers en WAO-instroomcijfers tussen bedrijven geven hier ook
een aanwijzing voor.
Het
claimbeoordelingsproces in het nieuwe stelsel wordt meer uitgewerkt, beter georganiseerd en
kwalitatief van een hoger niveau. Zo wordt de procedure voor volledige
arbeidsongeschiktheid op medische gronden strakker, doordat
beslissingen hierover door een landelijke commissie genomen zullen worden.
Ook zal als hulpmiddel gebruik worden gemaakt van een indicatieve lijst
met ziektes, met daarop de gebruikelijke hersteltermijn en
behandeling. Ziektes met een hersteltermijn van korter dan twee jaar zullen bij
de poortwachtertoets in beginsel leiden tot een afwijzing van de claim,
omdat betrokkene al hersteld had kunnen zijn. Deze procedurele
verbeteringen zullen primair van belang zijn voor psychische klachten.
Omdat vrouwen vaker de diagnose psychische klachten hebben dan
mannen, kan verwacht worden dat dit zal leiden tot een relatief lager
aandeel van vrouwen in de instroom. In 2003 werd 37% van de vrouwen die de
WAO in kwamen om psychische redenen afgekeurd tegen 31% van de mannen.
Ten opzichte van 2002 is dit reeds een daling: toen werd nog 39%
van de vrouwen en 32% van de mannen om psychische redenen
afgekeurd.
Een tweede punt op dit
gebied wordt gevormd door de wijzigingen in het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Deze werken naar verwachting gelijk uit voor mannen
en voor vrouwen, met als
mogelijke uitzondering de bepaling dat voor deeltijders ook functies
met een grotere urenomvang gezocht kunnen worden. Aangezien vrouwen
vaker dan mannen in deeltijd werken, zal deze aanscherping, die kan
leiden tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid en een lagere instroom,
meer effect hebben voor vrouwen.
De claimbeoordeling na de
twee jaar ziekte zal meer dan bij de WAO leiden tot personen die
in het geheel geen uitkering krijgen, omdat zij niet arbeidsongeschikt zijn.
Dit komt doordat de ondergrens hoger ligt dan bij de WAO (35%
arbeidsongeschikt in plaats van 15%). Potentieel kunnen door deze nieuwe grens
meer mannen getroffen worden, omdat het aandeel gedeeltelijk
(tussen de 15% en 35%) arbeidsongeschikten bij rblz.|137|
mannen hoger is dan bij
vrouwen (voor de instroom 2003 is dit 21% bij mannen en 18% bij
vrouwen).
De IVA-uitkering is
slechts toegankelijk voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. De
IVA omvat in de structurele situatie bij benadering 350 000 personen. Bij
einde wachttijd wordt de zieke werknemer medisch en in een aantal
gevallen ook arbeidskundig beoordeeld voor toegang tot de IVA.
Verwacht wordt dat het aangescherpte toegangscriterium "duurzaam" niet
seksespecifiek is. Daar staat tegenover dat vrouwen vaker volledig
arbeidsongeschikt worden bevonden dan mannen: in 2003 kreeg in
de WAO 61% van de vrouwen die een nieuwe WAO-uitkering
krijgen
een volledige uitkering, tegenover 53% van de mannen. Naar verwachting
zal het structurele IVA-bestand daarom uit meer vrouwen dan mannen bestaan, het aandeel vrouwen wordt geschat
op 54%.
Gedeeltelijk
arbeidsgeschikten komen in het nieuwe stelsel in de WGA. De seksespecifieke gevolgen
van de WGA hangen samen met het gewijzigde
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
en met
de mate waarin gedeeltelijk arbeidsgeschikte vrouwen er in slagen hun
resterende verdiencapaciteit geheel te benutten. Waarschijnlijk zullen net
als nu iets meer mannen dan vrouwen gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn. Van
de WGA gaat een activerende werking uit. Werken levert in de WGA
immers een hoger inkomen dan niet werken. In de huidige WAO
ligt de
arbeidsdeelname van gedeeltelijk arbeidsgeschikte mannen en vrouwen
redelijk dicht bij elkaar. Verwacht wordt dat de toename van de
arbeidsparticipatie in de activeringsregeling voor mannen en vrouwen dan ook
in gelijke mate zal optreden. In de WGA zullen bij benadering
structureel 190 000 personen zitten. Samengevat ziet het beeld er als
volgt uit:
Tabel 20: Structureel
aantal uitkeringen Wet WIA naar geslacht:
| Soort uitkering |
Vrouwen |
Mannen |
Totaal |
| IVAxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
54% |
46% |
ca. 350 000 |
| WGA |
48% |
52% |
ca. 190 000 |
| •
waarvan tijdelijk
volledig ao |
55% |
45% |
v ca. 20 000 |
| •
waarvan gedeeltelijk
ao |
47% |
53% |
ca. 170 000 |
| waarvan werkend |
44% |
56% |
v
ca. 90 000 |
| waarvan niet-werkend |
49% |
51% |
v ca. 80
000 |
13.11. Administratieve
lasten van werkgevers
De administratieve lasten
van de IVA, de WGA en het zittende bestand WAO zullen hierna worden vergeleken met de administratieve lasten van
de huidige WAO. Daarbij
wordt onderscheid gemaakt tussen de administratieve lasten die samenhangen
met de premieafdracht respectievelijk de uitkeringsverzorging.
Het totaal aan
administratieve lasten voor bedrijven uit hoofde van de WAO
bedraagt €|92
miljoen. Het overgrote deel daarvan hangt samen met de premieafdracht, te
weten €|87 miljoen. Deze lasten zullen door de invoering van
de Walvis en de SUB sterk verminderen. Daarop zal hieronder niet nader worden ingegaan.
Slechts een klein deel
van de administratieve lasten van de huidige WAO
hangt samen met de uitkeringsverzorging, namelijk €|5 miljoen. Deze
lasten zullen als gevolg
van het nieuwe stelsel (IVA, WGA en het zittende WAO-bestand) verminderen,
omdat het aantal arbeidsongeschikten zal afnemen. Daardoor zal een
werkgever minder handelingen behoeven te rblz.|138|
verrichten, wat leidt tot
lagere administratieve lasten. Voor dit zogenaamde volume-effect zijn twee
ontwikkelingen van belang:
• Een daling van het
aantal WAO-uitkeringen in 2005 als gevolg van de verlenging van de loondoorbetaling bij ziekte van één naar twee
jaar.
• Een geleidelijke
daling van het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen vanaf 2006 totdat een
stabilisatie op een niveau van ongeveer 550 000
arbeidsongeschikten is bereikt.
Het hoofddoel van de
Wet WIA,
te weten bevordering van de arbeidsparticipatie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten en terugdringing van het
aantal
arbeidsongeschikten, brengt dus mee dat de administratieve lasten voor werkgevers zullen
dalen. In 2005 dalen deze lasten met €|0,3 miljoen, welke al ingeboekt zijn
ten tijde van de Wvlz 2003 en hier dus niet meetellen. Daarna zal
deze daling geleidelijk oplopen tot een structureel niveau van circa €|1
miljoen. De administratieve lastendruk zal als gevolg van het nieuwe
uitkeringsregime dus vergaand worden beperkt. De Wet WIA levert zodoende ook een
belangrijke bijdrage aan dit speerpunt van het regeringsbeleid.
Volledigheidshalve wordt
daarbij wel de kanttekening gemaakt dat de gevolgen van de
maatregelen die in het wetsvoorstel Invoeringswet
WIA worden geregeld, zoals de
financiering van de Wet WIA, de uitbreiding van de
no-riskpolis, de
premiekorting en het aanvragen van een arbeidsplaatsvoorziening bij het UWV, nog niet
zijn meegenomen. Voorts vallen de gevolgen voor de
administratieve lasten van een aantal wijzigingen vooralsnog niet te kwantificeren,
zoals de intensivering van het gebruik van schriftelijke stukken in
het claimbeoordelingsproces en het opnemen van een verklaring van de
bedrijfsarts als een vervroegde IVA-uitkering wordt aangevraagd. De
verwachting is dat deze nog niet meegenomen maatregelen een lichte opwaartse druk
geven op de administratieve lasten, maar dat per saldo nog steeds
een daling van de administratieve lasten ingevolge het wetsvoorstel WIA
resteert. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
Invoeringswet WIA zal daar nader op worden ingegaan.
Bovenstaande
veranderingen in de administratieve lasten zijn exclusief de besparing van
€|20
miljoen bij de Wet einde toegang verzekering WAZ,¹ de daling van de
administratieve lasten met ongeveer €|4 miljoen door de verlenging van de
loondoorbetaling naar twee jaar ² en een administratieve lastenverlichting van
ongeveer €|11 miljoen door de maatregel om de subsidie voor
scholing, training en begeleiding en de subsidieregeling tweede spoor af te
schaffen.²
1. Kamerstukken
II, 29 497, nr. 3, memorie van toelichting, blz. 9.
2. Kamerstukken II, 29 231, nr. 6, nota naar aanleiding van het verslag,
blz. 52.
Al met al zullen de
administratieve lasten als gevolg van het totale wetgevingscomplex omtrent
het nieuwe arbeidsongeschiktheidsstelsel substantieel dalen. Het
nieuwe stelsel bevordert dus het belang van het bedrijfsleven: niet
alleen vanwege de vermindering van het aantal arbeidsongeschikten en de toename van de arbeidsparticipatie van
gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemers, maar ook vanwege de afname van de administratieve
lasten die verbonden zijn met de uitvoering van de Wet
WIA.
13.12. Gevolgen voor de
rechterlijke macht
Het wetsvoorstel zal naar
verwachting geen grote werklastgevolgen met zich meebrengen voor de rechtspraak. In de fase na inwerkingtreding
zullen weliswaar
rechtsvragen rijzen over nieuwe begrippen, maar de volgende factoren dragen
bij aan een verlichting voor de rechterlijke macht. Ten eerste zal de
instroom in de Wet WIA veel lager zijn dan de instroom in de
WAO bij
ongewijzigd beleid. Dit brengt mee dat het aantal uitkeringen, met inbegrip
van weglekeffecten, in aanmerkelijke mate zal rblz.|139|
afnemen, zodat de
verwachting gerechtvaardigd is dat er minder zaken voor de rechter zullen
worden gebracht. Ten tweede is het arbeidsongeschiktheidscriterium in de
Wet WIA scherper en
duidelijker geformuleerd dan in de huidige WAO.
Dit zal leiden tot minder geschillen over de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid. Ten derde is de hoogte van de
loongerelateerde
WGA-uitkering en de loonaanvulling in de WGA niet, zoals in de huidige WAO,
afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. Anders gezegd, de
arbeidsongeschiktheidsklassen met de daarbij behorende
uitkeringspercentages zullen verdwijnen. Ook dit zal leiden tot
minder geschillen over de
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Ten vierde is de
werkloosheidsuitkering in de loongerelateerde WGA-uitkering
geïncorporeerd. Dit brengt mee dat een gedeeltelijk arbeidsgeschikte die
volledig of gedeeltelijk werkloos is geen beroep behoeft te doen op twee
loondervinguitkeringen. Dit betekent een vergaande vereenvoudiging
ten opzichte van de huidige situatie, omdat een gedeeltelijk arbeidsgeschikte nu een WAO-uitkering en
- voor zover
hij werkloos is - een WW-uitkering ontvangt. Ook dit zal vanzelfsprekend leiden tot minder
juridische geschillen. Ten vijfde wordt de TW
in die zin gewijzigd dat
gedeeltelijk arbeidsgeschikten daarnaast geen beroep meer behoeven te doen op de
Ioaw. Ook dit zal het aantal juridische geschillen doen afnemen. Tot slot
zal het aantal geschillen afnemen, doordat de gevolgen van een toe- of
afname van de mate van arbeidsongeschiktheid zijn gestroomlijnd in de Wet
WIA (zie paragraaf 9.4). In de huidige WAO is er namelijk sprake van zeer
complexe regelgeving als de mate van arbeidsongeschiktheid toeneemt: in sommige
gevallen wordt de uitkering niet verhoogd, in andere
gevallen geldt soms geen wachttijd, soms een wachttijd van vier weken en soms
een
wachttijd van 52 weken.
rblz.|140|
Overzicht van grafieken
en tabellen
Index grafieken
Figuur
1: Ontwikkeling
aantal WAO-ers 1976-2003, blz. 111
Figuur 2: Ontwikkeling
aantal nieuwe WAO-uitkeringen 1976-2003, blz. 111
Figuur 3: Ontwikkeling
aantal WAO-ers 2004-2040 bij ongewijzigd beleid, blz. 114
Figuur 4: Vertaling
basisinstroomniveau WAO naar de Wet WIA, blz. 118
Figuur 5: Ontwikkeling
aantal WAO/WIA-ers 2004-2040 ten opzichte van ongewijzigd beleid, blz.
123
Index tabellen
Tabel 1: Aantal
uitkeringen en uitkeringslasten WAO bij ongewijzigd beleid,
blz. 114
Tabel 2: Gevolgen
aanpassingen keuringspraktijk voor de verdeling van de instroom,
blz. 115
Tabel 3: Aantal
uitkeringen en uitkeringslasten WAO,
blz. 119
Tabel 4: Aantal
uitkeringen en uitkeringslasten IVA,
blz. 120
Tabel 5: Uitkeringslasten
IVA bij IVA-uitkering van 75% en afschaffing
Pemba in de
IVA, blz.
121
Tabel 6: Replacementrates WGA-populatie,
blz. 122
Tabel 7: Aantal
uitkeringen en uitkeringslasten WGA,
blz. 122
Tabel 8: Uitkeringslasten
huidige stelsel ten opzichte van nieuwe stelsel exclusief weglek,
blz. 123
Tabel 9: Gevolgen Wet WIA voor aantal WW-uitkeringen en WW-uitkeringslasten,
blz. 124
Tabel 10: Gevolgen Wet WIA voor aantal TW-uitkeringen en TW-uitkeringslasten,
blz. 125
Tabel 11: Gevolgen Wet WIA voor aantal Wwb/Ioaw-uitkeringen en
Wwb/Ioaw-kosten, blz. 125
Tabel 12: Aankondigingseffect Wet WIA, blz. 128
Tabel 13: Totaaloverzicht
besparingen op de SZW-begroting,
blz. 128
Tabel 14: Gevolgen Wet WIA
voor uitgekeerde bedragen WAO-hiaatuitkeringen,
blz. 129
Tabel 15: Besparing
uitkeringen Wet WIA ten opzichte van ongewijzigd beleid inclusief weglek,
blz. 129
Tabel 16: Totale
WAO-lasten en gemiddelde WAO-premie bij ongewijzigd beleid,
blz. 130
Tabel 17: Totale lasten
(WAO, IVA en WGA) en gemiddelde premie nieuwe stelsel,
blz. 130
Tabel 18: Samenvatting
inzet trajecten nieuwe stelsel,
blz. 133
Tabel 19: Aantal
werkenden huidige stelsel ten opzichte van nieuwe stelsel,
blz. 135
Tabel 20: Structureel
aantal uitkeringen Wet WIA naar geslacht,
blz. 137
rblz.|141|
14.
Bijlage
Hierna zullen enkele
voorbeelden worden gegeven waarmee duidelijk wordt gemaakt hoe de
uitkerings- en inkomensontwikkeling in verschillende situaties is.
Volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt
Gegevens:
• Het dagloon van
betrokkene is €|100,-. Zijn maandloon ingevolge de Wet
WIA
is dus €|2175,-.
• Hij is - na twee
jaar ziekte - volledig en duurzaam arbeidsongeschikt.
• Zijn leeftijd is dan
40 jaar en zijn arbeidsverleden is 22 jaar.
In dit geval heeft de
betrokkene na twee jaar ziekte aanspraak op een uitkering ingevolge de
IVA. De hoogte van deze uitkering bedraagt 70% van €|2175,-, dat wil
zeggen €|1522,50 per maand. Dit komt overeen met
€|70,- (70% van €|100,-)
per dag. De betrokkene behoudt - bij gelijkblijvende omstandigheden - tot zijn
65ste jaar aanspraak op deze IVA-uitkering.
Tijdelijk volledig
arbeidsongeschikt
Gegevens:
• Het dagloon van
betrokkene is €|100,-. Zijn maandloon ingevolge de Wet
WIA
is dus €|2175,-.
• Hij is - na twee
jaar ziekte - volledig, maar niet duurzaam, arbeidsongeschikt.
• Zijn leeftijd is dan
40 jaar en zijn arbeidsverleden is 22 jaar.
• Hij voldoet aan de
referte-eis.
• Hij is ongehuwd in de
zin van de TW.
In dit geval heeft de
betrokkene na twee jaar ziekte aanspraak op een uitkering ingevolge de
WGA. Hij heeft eerst aanspraak op de loongerelateerde WGA-uitkering. De hoogte
daarvan bedraagt 70% van €|2175,-, dat wil zeggen
€|1522,50 per maand. Dit komt overeen met
€|70,- (70% van €|100,-) per
dag. De duur van deze loongerelateerde uitkering is, omdat de betrokkene een
arbeidsverleden heeft van tussen de twintig en de vijfentwintig jaar,
twee jaar.
Na afloop van de
loongerelateerde WGA-uitkering kunnen zich vier verschillende situaties
voordoen.
• Ten eerste kan de
arbeidsongeschiktheid toch volledig én duurzaam blijken te zijn. In dat
geval komt de betrokkene alsnog in aanmerking voor een uitkering
ingevolge de IVA (zie vorige voorbeeld).
• Ten tweede kan de
arbeidsongeschiktheid nog steeds tijdelijk volledig zijn. De betrokkene heeft
dan aanspraak op de loonaanvulling, ook al verwerft hij geen
inkomsten. De hoogte daarvan bedraagt hetzelfde als de loongerelateerde
uitkering, te weten €|1522,50 per maand. Voorts wordt de betrokkene
meegedeeld wanneer hij zal worden opgeroepen voor een nieuwe
herkeuring. Zo zal bij een verwacht herstel binnen één jaar, de herkeuring
na afloop van die termijn plaatsvinden.
• Ten derde kan de mate
van arbeidsongeschiktheid zijn afgenomen, maar nog wel ten minste
35% zijn. Dat betekent dat zijn resterende verdiencapaciteit is
gestegen tot boven de 20% van zijn maatmaninkomen. In dit voorbeeld is zijn
resterende verdiencapaciteit dus hoger dan €|20,- per dag.
Neem bijvoorbeeld aan dat de resterende verdiencapaciteit van
betrokkene €|40,- per dag bedraagt (dat is
€|870,- per maand), dat wil
zeggen dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen tot 60%. De
betrokkene dient dan, om in aanmerking te komen voor de
loonaanvulling, een maandinkomen te verdienen dat ten minste gelijk is aan
50% van die resterende verdiencapaciteit, te weten €|435,-. Om hem in
staat te stellen een baan te vinden waarin hij rblz.|142|
dat inkomen kan
verdienen, wordt hem een (uitloop)termijn van twee jaar gegeven, dat wil
zeggen dat hij in ieder geval twee jaar lang aanspraak heeft op de
loonaanvulling van €|1522,50 per maand. Na twee jaar wordt
vervolgens beoordeeld of hij ten minste €|435,- per maand verdient. Zo ja,
dan komt hij in aanmerking voor de loonaanvulling. De hoogte van deze
loonaanvulling bedraagt 70% van het verschil tussen het maandloon en het met werken verdiende inkomen,
als hij ten minste zijn
resterende verdiencapaciteit benut. Als hij bijvoorbeeld een
maandinkomen van €|870,- heeft, bedraagt zijn loonaanvulling dus 0,7 * (€|2175,- -
€|870,-) = €|913,50 per maand. Dit komt overeen met 0,7 * (€|100,- -
€|40,-) = €|42,- per dag. Zijn totale inkomen bedraagt in dat geval
€|1783,50 per maand (ofwel €|82,- per dag). Als de betrokkene na de
laatstgenoemde periode van twee jaar niet werkt, komt hij in aanmerking
voor de WGA-vervolguitkering. De hoogte daarvan bedraagt een uitkeringspercentage van het
wettelijk minimumloon.
Aangezien de betrokkene
60% arbeidsongeschikt is, is het uitkeringspercentage 42%.
De hoogte van de WGA-vervolguitkering is derhalve 0,42 * €|1264,80 =
€|531,22 per maand. Daarnaast kan hij een beroep doen op de TW;
deze geeft een aanvulling tot 70% van het wettelijk minimumloon
• Ten vierde kan de
mate van arbeidsongeschiktheid zijn afgenomen tot minder dan 35%. Hiertoe
wordt ook gerekend dat de betrokkene volledig is hersteld. Ook
in dit geval wordt de betrokkene een uitlooptermijn van twee
jaar gegeven, waarin hij een loonaanvulling van €|1522,50 ontvangt.
Als de betrokkene na die periode van twee jaar niet werkt, kan hij
eventueel in aanmerking komen voor een uitkering ingevolge de Wwb.
Gedeeltelijk
arbeidsgeschikt (niet werkend)
Gegevens:
• Het dagloon van
betrokkene is €|100,-. Zijn maandloon ingevolge de Wet
WIA
is dus €|2175,-.
• Hij heeft - na twee
jaar ziekte - een resterende verdiencapaciteit van €|40,- per dag (dat is
€|870,- per maand). Zijn mate van arbeidsongeschiktheid is dus 60%.
• Hij werkt dan niet.
• Zijn leeftijd is dan
40 jaar en zijn arbeidsverleden is 22 jaar.
• Hij voldoet aan de
referte-eis.
• Hij is ongehuwd in de
zin van de TW.
Net als in het vorige
voorbeeld heeft de betrokkene na twee jaar ziekte aanspraak op een
loongerelateerde WGA-uitkering van €|1522,50 per maand (€|70,- per dag)
gedurende twee jaar.
Daarna komt de betrokkene
niet in aanmerking voor de loonaanvulling, omdat hij niet ten minste
50% van zijn resterende verdiencapaciteit benut. Hij heeft wel aanspraak
op de WGA-vervolguitkering. De hoogte daarvan bedraagt een
uitkeringspercentage van het wettelijk minimumloon, in casu 0,42 *
€|1264,80 = €|531,22 per maand. Hij behoudt - bij gelijkblijvende omstandigheden -
tot
zijn 65ste jaar aanspraak op deze WGA-vervolguitkering. Als
hij gaat werken en daarmee een inkomen verdient dat ten minste
gelijk is aan 50% van zijn resterende verdiencapaciteit, heeft hij alsnog
aanspraak op de loonaanvulling. Daarnaast kan hij een beroep doen op de TW; deze geeft een aanvulling tot 70% van het minimumloon, omdat de
betrokkene ongehuwd is. Ook deze aanspraak op de TW-uitkering behoudt
hij - bij gelijkblijvende omstandigheden - tot zijn 65ste jaar.
rblz.|143|
Gedeeltelijk
arbeidsgeschikt (werkend)
Gegevens:
• Het dagloon van
betrokkene is €|100,-. Zijn maandloon ingevolge de Wet
WIA
is dus €|2175,-.
• Hij heeft - na twee
jaar ziekte - een resterende verdiencapaciteit van €|40,- per dag (dat is
€|870,- per maand). Zijn mate van arbeidsongeschiktheid is dus 60%.
• Hij werkt dan wel.
Zijn loon bedraagt €|40,- per dag (dat is
€|870,- per maand).
• Zijn leeftijd is dan
40 jaar en zijn arbeidsverleden is 22 jaar.
• Hij voldoet aan de referte-eis.
De betrokkene heeft na
twee jaar ziekte aanspraak op een loongerelateerde WGA-uitkering. De hoogte
daarvan bedraagt 70% van het verschil tussen het
maandloon en het met werken verdiende inkomen, dat wil zeggen 0,7 * (€|2175,- -
€|870,-) = €|913,50 per maand. Dit komt overeen met 0,7 * (€|100,-
- €|40,-) = €|42,- per dag. Zijn totale inkomen bedraagt dus
€|1783,50 per maand
(ofwel €|82,- per dag). De duur van de loongerelateerde WGA-uitkering is twee
jaar.
Na de loongerelateerde
WGA-uitkering, heeft de betrokkene aanspraak op de loonaanvulling, omdat
hij ten minste 50% van zijn resterende verdiencapaciteit benut. De hoogte daarvan
is in dit geval gelijk aan de hoogte van de loongerelateerde
WGA-uitkering, dat wil zeggen €|913,50 per maand (ofwel
€|42,- per
dag). Zijn totale inkomen bedraagt dus nog steeds €|1783,50 per maand
(ofwel €|82,- per dag). Hij behoudt - bij gelijkblijvende omstandigheden
- tot
zijn 65ste jaar aanspraak op deze loonaanvulling.
Gedeeltelijk
arbeidsgeschikt (werkend; hoog dagloon)
Gegevens:
• Het loon per dag van
betrokkene bedroeg €|300,-. Zijn dagloon is in dit geval gelijk aan het maximumdagloon, dat wil zeggen
€|167,70. Zijn
maandloon ingevolge de Wet WIA
is dus €|3647,48.
• Hij heeft - na twee
jaar ziekte - een resterende verdiencapaciteit van €|180,- per dag (dat is
€|3915,- per maand). Zijn mate van arbeidsongeschiktheid is dus 40%.
• Hij werkt dan wel.
Zijn loon bedraagt €|90,- per dag, ofwel €|1957,50 per maand.
• Zijn leeftijd is dan
40 jaar en zijn arbeidsverleden is 22 jaar.
• Hij voldoet aan de
referte-eis.
Met dit voorbeeld wordt
duidelijk gemaakt waarom de loongerelateerde WGA-uitkering en de
loonaanvulling een bodem kennen. De betrokkene heeft na
twee jaar ziekte aanspraak op een loongerelateerde WGA-uitkering. De hoogte
daarvan is 70% van het verschil tussen het maandloon en
het met werken verdiende inkomen, dat wil zeggen 0,7 * (€|3647,48 -
€|1957,50) = €|1182,99.
Na de loongerelateerde
WGA-uitkering heeft de betrokkene aanspraak op de loonaanvulling, omdat
hij ten minste 50% van zijn resterende verdiencapaciteit benut. De hoogte daarvan
is in beginsel 70% van het verschil tussen het maandloon en
de resterende verdiencapaciteit. Dat levert in dit geval een negatieve uitkomst op, omdat de resterende verdiencapaciteit
(€|3915,-) hoger is dan
het maandloon (€|3747,48). Hij heeft daarom aanspraak op een
loonaanvulling die op dezelfde manier wordt berekend als de
WGA-vervolguitkering, dat wil zeggen 0,28 * €|1264,80 =
€|354,14 per maand. Hij behoudt
- bij gelijkblijvende omstandigheden - tot zijn 65ste jaar aanspraak op deze
loonaanvulling.
rblz.|144|
Als de loonaanvulling
geen bodem zou hebben, zou de betrokkene geen loonaanvulling ontvangen
en een (totaal)inkomen hebben van €|1957,50 per maand. Hij zou dan
echter beter een lager inkomen kunnen gaan verdienen, bijvoorbeeld €|1950,- per maand, omdat zijn totale inkomen dan hoger is. Immers, omdat
hij dan niet voldoet aan de inkomenseis voor de loonaanvulling, heeft hij
aanspraak op de WGA-vervolguitkering van €|354,14, die tezamen
met zijn loon hoger is dan €|1957,50. Deze verkeerde prikkel wordt
weggenomen door de bodem in de loonaanvulling.
Omdat de loonaanvulling
een bodem kent, kent ook de loongerelateerde uitkering een bodem.
Anders zou de loonaanvulling hoger kunnen zijn dan de loongerelateerde
uitkering, onder overigens gelijke omstandigheden. Als de betrokkene in het
voorbeeld namelijk €|3915,- per maand zou verdienen, zou zijn loonaanvulling gelijk zijn aan de bodemuitkering,
terwijl zijn
loongerelateerde uitkering nul zou zijn, want hij verdient dan meer dan zijn
WIA-maandloon van €|3747,48. Als de loongerelateerde uitkering niet dezelfde
bodem zou hebben, zou dit betekenen dat de betrokkene twee jaar lang
geen (loongerelateerde) WGA-uitkering ontvangt, maar daarna - zonder dat er iets is veranderd
- wel. Om deze vreemde situatie te voorkomen, kent de loongerelateerde uitkering
dezelfde bodem als de
loonaanvulling.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1. Definities en
algemene bepalingen
§ 1.1. Diverse
algemene begrippen
Artikel
1.1.1 [1] Algemene
begrippen en artikel 1.1.2
[2] Gelijkstelling niet-gehuwden met
gehuwden
In deze
artikelen worden begrippen die in deze wet nog vaker terugkomen, omschreven of
wordt een verwijzing gemaakt naar een meer uitgebreide
begripsbepaling verderop in deze wet. Deze artikelen komen grotendeels
overeen met artikel 1 van de WAO met dien verstande dat er, ter vergroting
van de leesbaarheid van deze wet, voor is gekozen de definities in artikel
1.1.1 [1] in alfabetische volgorde te zetten.
Artikel
1.1.3 [3]. Woon- en
vestigingsplaats
Dit artikel
komt grotendeels overeen met artikel 2 van de WAO
en de WW. De inhoud is
ontleend aan de Algemene
wet inzake rijksbelastingen. Op grond van het
eerste lid wordt vastgesteld waar de woonplaats van iemand is. Het
tweede lid geeft daarop met betrekking tot schepen een aanvulling. Het
begrip "wonen" is van belang in verband met de vraag of iemand al dan
niet tot de kring van verzekerden op grond van deze
wet behoort alsmede
in verband met de artikelen met betrekking tot export van de
uitkering, het recht op uitkering voor vreemdelingen en de verplichte
toelating tot de vrijwillige verzekering. Anders dan in de genoemde WAO-
en WW-artikelen is de aanvulling wat betreft het wonen op
luchtvaartuigen in deze wet niet overgenomen. Deze situatie blijkt zich in de praktijk
niet voor te doen.
rblz.|145|
§ 1.2. Begrip
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en gedeeltelijk arbeidsgeschikt
Artikel
1.2.1 [4]. Definitie
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
Voor een meer
uitgebreide toelichting omtrent het begrip volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van het algemeen deel
van deze toelichting.
Eerste lid
De definitie
van volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in dit artikel is afgeleid van de
definitie van arbeidsongeschikt zoals die ook is opgenomen in artikel
18,
eerste lid, van de WAO. Een verschil is dat hier het begrip
maatmanloon wordt gebruikt. Dat begrip is in artikel 1.1.1
[1] gedefinieerd.
Om aansluiting
te houden met het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten (zie de toelichting
op artikel
1.2.3 [6], vierde lid) wordt hier
uitgegaan van het maatmanloon per uur. Alleen wanneer zodanig
ernstige beperkingen bestaan dat als gevolg van rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling,
duurzaam geen of een zeer beperkte verdiencapaciteit bestaat, kan men
als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt worden aangemerkt. Bij
het vaststellen van de arbeidsongeschiktheid wordt, evenals in de WAO, een vergelijking gemaakt tussen het maatmanloon
per uur en de
resterende verdiencapaciteit per uur. De verdiencapaciteit mag maximaal
20% van het maatmanloon per uur bedragen.
Tweede lid
In het tweede
lid wordt het element "duurzaam" nader uitgewerkt. Van duurzaamheid is
sprake wanneer de onmogelijkheid tot het verdienen van meer dan 20%
van het maatmanloon per uur het gevolg is van een stabiele of
verslechterende medische en arbeidskundige situatie.
Derde lid
Het derde lid
voorziet in een uitbreiding van de term duurzaam. Ook verzekerden die
op lange termijn een geringe kans op herstel hebben, kunnen als
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt worden beschouwd. Deze verzekerden
zullen echter jaarlijks gekeurd worden tijdens de eerste vijf jaar dat zij
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (artikel
4.3.4 [41]). Voor een meer
uitgebreide toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.2.2 van het
algemeen gedeelte van deze toelichting.
Artikel
1.2.2 [5].
Definitie
gedeeltelijk arbeidsgeschikt
Voor een meer
uitgebreide toelichting omtrent het begrip gedeeltelijk arbeidsgeschikt
wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van het algemeen deel van deze
toelichting.
Ook de
definitie van gedeeltelijk arbeidsgeschikt in dit artikel is afgeleid van de
definitie van arbeidsongeschikt in artikel 18, eerste lid, van de WAO. Het
grootste verschil met deze definitie van arbeidsongeschikt is dat in de definitie
van gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt uitgegaan van hetgeen een persoon nog wel kan in plaats van hetgeen hij niet meer kan.
Om deze reden
is bepalend dat iemand als rechtstreeks en objectief medisch vast te
stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in
staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van hetgeen gezonde
personen, met soortgelijke opleiding en ervaring gewoonlijk
verdienen. Een ander verschil is dat het begrip maatmanloon rblz.|146|
wordt gebruikt.
In dit artikel wordt het maatmanloon per uur als uitgangspunt genomen.
Artikel
1.2.3 [6].
Nadere
bepalingen definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en
definitie gedeeltelijk arbeidsgeschikt
Eerste lid
Dit lid legt
expliciet vast dat de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
dan wel gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, geschiedt aan de hand van
een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Alhoewel de
vraag of iemand op grond van de WAO arbeidsongeschikt was tot nu toe
ook altijd werd beantwoord aan de hand van de genoemde
onderzoeken, was dit slechts in lagere regelgeving op grond van de WAO, en
niet expliciet in de WAO zelf, vastgelegd. Ter verhoging van de
kenbaarheid wordt er in deze wet voor gekozen dit expliciet in
de wet vast te
leggen.
Tweede lid
Op grond van
dit lid (dat overeenkomt met artikel 18, zesde lid, van de WAO) wordt de
vraag of de arbeid, op basis waarvan wordt vastgesteld of iemand in staat
is inkomen te verdienen, door betrokkene feitelijk verkregen kan
worden expliciet buiten beschouwing gelaten. Op deze wijze wordt
voorkomen dat arbeidsmarktfactoren die geheel los staan van de ziekte
of het gebrek van invloed zijn op de mate van arbeidsgeschiktheid. De criteria
voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid zijn
vastgesteld in het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten. Het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zal op grond van een
daartoe strekkende bepaling in de Invoeringswet WIA mede het
onderhavige artikel als wettelijke basis krijgen.
Derde lid
Dit lid komt
overeen met artikel 18, vijfde lid, van de WAO.
Vierde lid
Dit lid komt
overeen met artikel 18, achtste lid, van de WAO
dat de wettelijke basis is van
het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, dat op grond van
een daartoe strekkende bepaling in de Invoeringswet
WIA mede dit
artikel als wettelijke basis zal krijgen. Hierdoor zal mede de op het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten gebaseerde
Regeling nadere invulling algemeen
gebruikelijke bekwaamheden op verzekerden op grond van
deze wet van toepassing worden. Met dit lid wordt de mogelijkheid
geboden nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen met betrekking
tot de begrippen volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid en
gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid. Hiermee wordt ruimte geboden voor de
uitwerking van methodieken die op een uitvoerbare wijze zo goed mogelijk tot
het resultaat leiden dat met de definities van voorgaande begrippen wordt
beoogd. Dit kan ertoe leiden dat voor het bepalen of iemand volledig
en duurzaam arbeidsongeschikt is (zowel in de zin van artikel
1.2.1 [4],
tweede lid, als in de zin van het derde lid van dat artikel) andere
procedures zullen gaan gelden dan bij het bepalen of iemand gedeeltelijk
arbeidsgeschikt is (zie ook paragraaf 5.4 van het algemeen deel van de
toelichting).
rblz.|147|
Vijfde lid
Dit lid strekt
er, evenals artikel 18, negende lid, WAO, toe dat de in het vierde lid
bedoelde besluit (en eventuele wijzigingen daarvan) eerst wordt gepubliceerd en
aan de Staten-Generaal wordt overgelegd voordat zij van kracht wordt.
Hierdoor bestaat voor iedereen, belanghebbend of niet, de mogelijkheid om
daarop te reageren.
Zesde lid
Op grond van
het zesde lid zal een nieuwe ministeriële regeling tot stand komen waarin
een lijst met ziekten, gebreken of beperkingen met de daarbij
behorende hersteltermijn wordt opgenomen. De verzekeringsarts hanteert deze
lijst als uitgangspunt bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Indien de
prognose van de ziekteduur (herstelperiode) korter is dan 104 weken,
zal in beginsel geen aanspraak gemaakt kunnen worden op een
uitkering. Het voortduren van de ziekte in dat geval veronderstelt dan onvoldoende
herstelgedrag. Indien de prognose is dat de ziekte ten minste 104
weken duurt, maar geen duurzaam karakter heeft, zal, indien ook aan de
overige voorwaarden is voldaan, recht op een WGA-uitkering bestaan. Voorts
kan de lijst gebruikt worden bij het bepalen van het moment van
herbeoordeling en als hulpmiddel bij het beantwoorden van de vraag of er
al dan niet sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. De lijst heeft
een indicatief karakter. Als de verzekeringsarts op goede
gronden van oordeel is dat voor betrokkene een uitzondering geldt ten
aanzien van de in de lijst weergegeven hersteltermijn of als betrokkene zelf
aantoont dat zijn situatie afwijkt van het "normale" geval, dan kan worden
afgeweken van de op de lijst voorkomende hersteltermijn. Voor een meer
uitgebreide toelichting wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van het
algemeen deel van deze toelichting.
§ 1.3. Begrip
verplicht verzekerde
Artikel
1.3.1 [7]. De
verplicht verzekerde
Het begrip
verplicht verzekerde is in deze paragraaf als volgt opgebouwd. Verplicht
verzekerde is de werknemer en degenen die op grond van artikel
1.3.4 [10] als
verzekerde worden aangemerkt op grond van de nawerkingsbepaling. Naast deze
verplicht verzekerden wordt op grond van hoofdstuk 2 van
dit
voorstel van wet de vrijwillig verzekerde onderscheiden. Tezamen vormen
zij de groep van voor deze wet verzekerde personen.
Het tweede lid
komt overeen met het eerste deel van het eerste lid van artikel 87 WAO
zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van de Invoeringswet
financiering sociale verzekeringen. Als gevolg van deze wetswijziging
kan de werknemer uitsluitend bij het UWV
een aanvraag indienen indien
hij wenst te weten of hij verzekerde is voor deze wet. Dergelijke
beschikkingen in verband met de verzekeringsplicht worden op aanvraag
verstrekt om duidelijkheid te bieden over de vraag of iemand als zelfstandige
werkt, dan wel als werknemer. Een beslistermijn van maximaal acht weken is
voor dergelijke beschikkingen in de praktijk moeilijk haalbaar voor het UWV, omdat er verschillende, vaak bewerkelijke onderzoeken
bij de
werkgever en werknemer noodzakelijk zijn. Op grond van artikel 12.1.2
[102] is in verband met dergelijke aanvragen een bijzondere beslistermijn
van toepassing.
Artikel
1.3.2 [8].
De
werknemer
Werknemer is de
persoon die werknemer is in de zin van de Ziektewet behoudens
voor zover hij zijn werknemerschap in de zin van die wet ontleent aan
het ontvangen van inkomsten voor werkzaamheden verricht rblz.|148|
in het kader
van een opleiding (zoals bij een praktijkstage). Daarmee komt de kring van
werknemers in de zin van dit wetsvoorstel nagenoeg overeen met de kring
van werknemers in de zin van de WAO. Teneinde die kringen geheel overeen
te laten komen, moet de kring van werknemers, zoals die voortvloeit uit het eerste lid, nog iets worden uitgebreid. Daartoe dienen
het tweede lid
en artikel 1.3.3 [9].
Met betrekking
tot het tweede lid merk ik het volgende op. Thans is mede op basis van
artikel 3, vierde, vijfde en zesde lid, van de WAO
het Besluit uitbreiding en beperking kring
verzekerden werknemersverzekeringen 1990 getroffen.
Daarin wordt in de artikelen 4a, tweede lid, en
4b, tweede lid, de kring
van werknemers voor de WAO iets uitgebreid ten opzichte van de kring
van werknemers voor de ZW en WW. Het betreft hier, onder nadere
voorwaarden, de particuliere bediende van de Nederlander die werkzaam is bij
een vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden in het
buitenland en de Nederlander die in dienst is van een publiekrechtelijke
rechtspersoon op de Nederlandse Antillen of Aruba en door de
Nederlandse overheid is uitgezonden. Het Besluit uitbreiding en beperking kring
verzekerden werknemersverzekeringen 1990 zal op grond van een daartoe
strekkende bepaling in de Invoeringswet WIA mede dit tweede lid
als wettelijke basis krijgen. De toepassing van de artikelen 4a, tweede lid, en
4b, tweede lid, van dat besluit zal worden gewijzigd in werknemerschap
op grond van de onderhavige wet.
In het derde
lid van dit artikel wordt artikel 6, tweede lid, van de
Ziektewet buiten
toepassing verklaard voor personen die geen arbeid verrichten wegens het
genieten van onbetaald verlof. Deze personen blijven tijdens deze periode
verzekerd voor deze wet. De persoon die ziek wordt tijdens de periode van
onbetaald verlof kan (mits hij aan de voorwaarden voldoet) recht
krijgen op een uitkering op grond van deze wet. Voor de volledigheid
wordt hier nog wel opgemerkt dat de wachttijd eerst begint met ingang van
de eerste dag na afloop van het onbetaalde verlof.
Artikel
1.3.3 [9].
Uitbreiding
werknemerschap
Dit artikel
komt overeen met de artikelen 7, onderdeel b en c, en
7a, onderdeel
b, van
de WAO. Op grond van die onderdelen is de Regeling van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 1997, nr.
SV/WV/97/5281,
houdende het aan wijzen van regelingen als bedoeld in
artikel 7, onderdeel d, alsmede van gevallen als bedoeld in artikel
7a,
onderdeel b, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(Stcrt. 1997, 249),
getroffen. Die regeling bevat bepalingen waarmee wachtgelders en
(gewezen) overheidswerknemers die bij ziekte geen ziekengeld
ontvangen, doch een uitkering ontvangen op grond van een rechtspositieregeling,
alsmede degenen die wegens bepaalde omstandigheden geen wachtgeld
of niet een dergelijk uitkering wegens ziekte ontvangen,
onder het werknemerschap voor de WAO gebracht. Op grond van dit artikel
zal een overeenkomstige regeling met betrekking tot het werknemerschap
op grond van deze wet worden getroffen.
Artikel
1.3.4 [10].
Nawerking
verzekering
Dit artikel
komt grotendeels overeen met artikel 17 van de WAO. De term
"arbeidsongeschikt"
uit dat artikel is vervangen door de term "ziekte". Dit heeft te maken
met het feit dat in de artikelen 6.1.1
[47] en
7.1.1 [54], anders dan in artikel 19 van
de WAO, is bepaald dat recht op uitkering bestaat indien de verzekerde onafgebroken gedurende de wachttijd ziek is geweest. Het
verzekeringssysteem
van deze wet heeft tot gevolg dat geen recht op uitkering
ontstaat indien de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid ontstaat of de arbeidsongeschiktheid intreedt of toeneemt op een moment dat geen
verzekering
meer bestaat. Op grond van dit artikel wordt dit uitgangspunt verzacht door
aan de geëindigde verzekering nog enige tijd nawerking te rblz.|149|
geven. Wat dit
betreft bestaat afstemming met artikel 46 van de
ZW, dat de nawerking
voor die wet regelt.
Eerste en
tweede lid
De persoon die
voorafgaande aan het einde van zijn verzekering gedurende ten minste twee
maanden verzekerd is geweest, kan nog rechten aan deze
wet ontlenen indien hij binnen één maand na de beëindiging van de verzekering
ziek wordt. Deze periode van twee maanden wordt op grond van het
tweede lid geacht niet te zijn onderbroken indien de betrokkene in die periode
niet meer dan zeven dagen niet verzekerd is geweest. De persoon die
in de twee maanden voorafgaande aan het einde van de verzekering op
ten minste zestien dagen verzekerd is geweest, kan nog rechten aan de
wet ontlenen indien hij binnen acht dagen na de beëindiging van de
verzekering ziek wordt.
Derde lid
De in
artikel 6, eerste lid, onderdeel a en b, van de
Ziektewet genoemde personen zijn
niet verzekerd, omdat hun arbeidsverhouding op grond van dat artikel
niet als dienstbetrekking wordt gezien. Voor hen is ook geen nawerkingsbepaling
nodig, omdat zij een beroep kunnen doen op een speciaal voor
hen getroffen andere arbeidsongeschiktheidsregeling waarin eveneens
een adequate nawerkingsbepaling is opgenomen.
Vierde lid
Dit artikellid
voorziet (op dezelfde wijze als in artikel 17, vierde lid, van de WAO) in een
regeling voor personen die voorheen verzekerd waren en die geruime tijd na
het eindigen van die verzekering duurzaam en volledig arbeidsongeschikt
of gedeeltelijk arbeidsgeschikt worden. Deze voormalig verzekerden
kunnen alsnog recht krijgen op een uitkering op grond van deze
wet. Het
op artikel 17, vierde lid, van de WAO gebaseerde
Besluit aanspraken bij beroepsziekten van
niet ingevolge de WAO verzekerden zal op grond van een daartoe strekkende bepaling in de
Invoeringswet WIA tevens dit artikellid als wettelijke basis krijgen. De toevoeging
"krachtens algemene maatregel van bestuur" is noodzakelijk omdat in het
besluit zal worden geregeld dat de bijlage bij ministeriële regeling kan
worden gewijzigd.
§ 1.4. Begrip
werkgever
Artikel
1.4.1 [11]. De
werkgever
Op grond van
dit artikel is met betrekking tot de werknemer in de zin van de Ziektewet
degene die op grond van die wet als werkgever is aangewezen ook de
werkgever in de zin van de onderhavige wet. Het tweede lid bepaalt wie de
werkgever is met betrekking tot degenen die in de artikelen 4a, tweede lid, en
4b, tweede lid, van het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990
als
werknemer zijn aangewezen.
Daarin is ook opgenomen dat "het orgaan van een lichaam" als werkgever
gezien kan worden. Deze toevoeging heeft te maken met het feit dat
ten aanzien van een overheidswerkgever het lichaam, bijvoorbeeld het Rijk, een
te ruim begrip is. Wat betreft de verplichtingen die uit dit voorstel
van wet voortvloeien voor de overheidswerkgever is het noodzakelijk de
afzonderlijke onderdelen van het lichaam (bijvoorbeeld de ministeries, de
rechterlijke macht, politiekorpsen e.d.) als zelfstandig werkgever te kunnen
benoemen. Dit wordt bereikt door ook "het orgaan van een lichaam"
als werkgever aan te duiden.
rblz.|150|
§ 1.5. Het
begrip loon en het begrip dagloon
Artikel
1.5.1 [12]. Het loon
Dit artikel
komt overeen met artikel 13 van de WAO en 14 van de
WW. Voor de
definitie van het loon verwijst dit artikel naar de Wet financiering sociale
verzekeringen. Het loonbegrip geldt zowel voor de berekening van de
verschuldigde premie als voor de uitkering. De definitie van het begrip minimumloon
bevat geen tijdseenheid, maar verwijst in het algemeen naar artikel 8,
eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag. Daar waar het
begrip minimumloon in deze wet wordt gehanteerd, wordt de benodigde tijdseenheid aangeduid.
Artikel
1.5.2 [13].
Dagloon en
maandloon
Dit artikel
komt overeen met artikel 14 WAO zoals dat komt te luiden na de inwerkingtreding
van de Wet administratieve lastenverlichting en
vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten. Het dagloon is de grondslag voor de berekening
van de uitkeringen op grond van deze wet. Dit dagloon wordt berekend
door het loon dat de werknemer in het jaar voorafgaand aan het
intreden van de ziekte verdiende te vertalen naar het loon dat gemiddeld per
dag werd verdiend. De uitkering dient gebaseerd te worden op
verdiensten in het verleden. Voor de vaststelling van het dagloon,
inclusief de vaststelling van begrippen als "een jaar" en
"het loon" zullen
nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld bij algemene
maatregel van bestuur. De bevoegdheid tot het stellen van nadere regels
wordt gegeven omdat de technische uitwerking van de wettelijke
regels voor de vaststelling van het dagloon naar het oordeel van de regering
niet in de wet zelf, maar in de lagere regelgeving
thuishoort. De
mogelijkheid om afwijkende regels vast te stellen, is gegeven omdat de
toepassing van de hoofdregel voor de berekening van het dagloon tot
onredelijke en ongewenste uitkomsten kan leiden. De in de WAO
opgenomen
dagloon(garantie)bepalingen zullen niet in deze wet, maar in de op
dit artikel te baseren algemene maatregel van bestuur terugkeren.
Omdat in dit
wetsvoorstel wordt uitgegaan van een maandsystematiek wat betreft de
hoogte van de uitkering, is in het vierde lid vastgelegd op welke wijze dit
maandloon wordt vastgesteld.
Artikel
1.5.3 [14].
Indexering
Dit artikel
past (net als artikel 15 van de WAO en 46 van de
WW) de uitkeringen waar op grond
van deze wet aanspraak op kan bestaan aan door te bepalen dat de
hoogte van de daglonen wordt aangepast aan de ontwikkeling van het minimumloon. Het tijdstip en percentage van aanpassing volgen de
herziening van het minimumloon. De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid maakt de ingangsdatum en het percentage van de
herziening in de Staatscourant bekend, zodat hieromtrent voor iedereen
duidelijkheid bestaat. In het derde lid wordt afgeweken van de artikelen 3:41
en 3:45 van de Awb. In
artikel 3:41 van de Awb
is bepaald dat de
bekendmaking van besluiten die tot één of meer belanghebbenden zijn gericht,
geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de
aanvrager. Artikel 3:45 van de Awb
bepaalt dat bij de bekendmaking en bij de
mededeling van het besluit melding moet worden gemaakt van het
feit dat tegen het besluit bezwaar of beroep kan worden ingesteld.
Tevens dient daarbij vermeld te worden door wie, binnen welke termijn en bij
welk orgaan dat dient te gebeuren. Hoewel bekendmaking niet achterwege
kan blijven, hoeft de beschikking tot aanpassing van de uitkering tengevolge van de indexering van het dagloon dus niet afzonderlijk bekend te
worden gemaakt. De bekendmaking van een dergelijke rblz.|151|
beschikking mag
plaatsvinden op een andere manier, in praktijk zal dat zijn door
bijschrijving van de gewijzigde uitkering op de bank- of girorekening van betrokkene.
Het maken van bezwaar of beroep is in deze situatie mogelijk. De
bezwaar- of beroepstermijn gaat dan in op de eerste dag nadat de beschikking
bekend is gemaakt: in de praktijk dus op de dag na de datum waarop de
gewijzigde uitkering op de rekening is bijgeschreven.
§ 1.6. Het
begrip arbeidsverleden
Artikel
1.6.1 [15].
Arbeidsverleden
De duur van de
loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is, net als de duur van
het recht op een WW-uitkering, afhankelijk van het arbeidsverleden
van de verzekerde. In dit artikel is daarom op dezelfde wijze als dat
in de WW gebeurt, vastgelegd hoe dit arbeidsverleden moet worden bepaald.
Bij het bepalen
van het arbeidsverleden wordt onderscheid gemaakt tussen de
periode tot en vanaf 1998 (eerste tot en met derde lid). Dit overeenkomstig artikel
42,
derde tot en met vijfde lid, van de WW, zoals deze leden zijn
komen te luiden na inwerkingtreding van de Wet van 4 november 2004 tot
wijziging van de Werkloosheidswet en de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in verband met de vervanging van fictief
arbeidsverleden door feitelijk arbeidsverleden en de beperking van het verzorgingsforfait
(Stb. 2004, 594) (hierna: Wet feitelijk
arbeidsverleden WW). Omdat het
doen van een aanvraag voor verkorting van de wachttijd,
bedoeld in artikel 3.1 [23], zesde lid, niet van negatieve invloed mag zijn op de
vaststelling van het arbeidsverleden (en daarmee de duur van de uitkering),
is hiervoor bepaald dat niet de dag waarop recht op een uitkering is
ontstaan bepalend is, maar de dag waarop dit recht ontstaan zou zijn indien
artikel 3.1 [23], zesde lid, niet zou zijn toegepast. Een vergelijkbare bepaling is
opgenomen voor de situatie dat de aanvraag voor het recht op een
uitkering te laat is ingediend (artikel 8.1.1
[64], zevende lid).
Het vierde tot
en met elfde lid van dit artikel komen inhoudelijk overeen met het eerste
tot en met zevende lid van artikel 17b
van de WW (en de daarbij
behorende bepaling van overgangsrecht) zoals deze komen te luiden na
inwerkingtreding van de Wet feitelijk arbeidsverleden WW en de Invoeringswet
financiering sociale verzekeringen. Hierin worden perioden waarin de
verzekerde recht had op een met name (in het vierde, vijfde en tiende
lid) genoemde
uitkering gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen. Daarbij is in
het vierde lid de gelijkstelling met "een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage
van ten minste 80%" komen te vervallen. Deze
gelijkstelling is immers overbodig, omdat een genoten WAO-uitkering
(hetzelfde zal gelden voor een genoten WIA-uitkering) op grond van
artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen reeds gezien wordt
als loon. Door de gelijkstellingen worden deze loonperioden meegeteld als
arbeidsverleden en bepalen ze daarmee de duur van een loongerelateerde
uitkering van de WGA-uitkering. In het tiende lid wordt nog een nadere
aanduiding gegeven van het loonbegrip. Op grond van dit lid wordt
met een WGA-uitkering, voor zover die ziet op gedeeltelijk
arbeidsgeschikten,
geen arbeidsverleden opgebouwd. Het elfde lid bevat een
delegatiebepaling op grond waarvan bij algemene maatregel van bestuur dagen
waarover geen loon is ontvangen, worden gelijkgesteld met dagen waarover
wel loon is ontvangen. Het op de WW gebaseerde Besluit
gelijkstelling loondagen Werkloosheidswet zal door middel van een
daartoe
strekkende bepaling in de Invoeringswet WIA ook dit artikel als wettelijke
basis krijgen.
rblz.|152|
Hoofdstuk 2. De
verzekering
§ 2.1. De
verzekering
Artikel
2.1.1 [16]. De
verzekerden
Dit
artikel zet
nog eens duidelijk uiteen dat de personen die op grond van deze
wet verplicht verzekerd zijn, de personen die op grond van artikel 1.3.4
[10] als
verzekerd worden beschouwd en degenen die zich vrijwillig verzekerd
hebben, verzekerden zijn voor deze wet. Strikt genomen valt dit reeds af te
leiden uit de paragrafen 1.3 en 2.2. Voor de inzichtelijkheid is in dit artikel nog
een overzicht van de verzekerden gegeven.
Artikel
2.1.2 [17].
Aaneensluitende verzekeringen
Op elkaar
volgende verzekeringen, zowel verplichte als vrijwillige verzekeringen op grond van
deze wet, gelden (net als tot op heden het geval is op grond van
artikel 67 van de WAO) als één verzekering. Deze bepaling is bijvoorbeeld
van belang met het oog op het niet ontstaan van een recht op uitkering in
verband met arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering (artikel
5.5 [46])
§ 2.2. De
vrijwillige verzekering
De in deze
paragraaf opgenomen artikelen komen overeen met de artikelen 81 tot en met
86 van de WAO met dien verstande dat de bepalingen in die
artikelen die zien op de vrijwillige verzekering voor de personen met een recht op
een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO
zijn
komen te vervallen. Alle gedeeltelijk arbeidsgeschikten, ongeacht hun
mate van geschiktheid, zijn immers verplicht verzekerd voor deze
wet.
Artikel
2.2.1 [18].
Verplichte
toelating tot vrijwillige verzekering
Eerste lid
In dit lid
worden, net als in artikel 81 van de WAO, de groepen van personen
opgesomd die door het UWV
verplicht moeten worden toegelaten tot de
vrijwillige verzekering. Voor alle groepen geldt de voorwaarde dat de
betrokkene in Nederland dient te wonen. Het betreft de volgende
categorieën:
a. De persoon
wiens verplichte verzekering is geëindigd en waar uit de omstandigheden
blijkt dat redelijkerwijs aannemelijk is dat de onderbreking van korte duur
is.
b. De persoon
die in het buitenland verplicht verzekerd was terwijl hij in Nederland
woonde en waarvan de verzekering in het buitenland is geëindigd omdat
hij daar niet meer werkzaam is, terwijl uit de omstandigheden blijkt dat
redelijkerwijs aannemelijk is dat hij bij geboden gelegenheid een dienstbetrekking zal aangaan.
c. De persoon
die als zelfstandige een bedrijf of beroep uitoefent of gaat uitoefenen
alsmede diens meewerkende echtgenoot. Vestiging als zelfstandige
vindt vaak plaats op latere leeftijd. Aangezien het risico van volledig en
duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid
groter wordt naarmate de leeftijd vordert en die leeftijd niet
van invloed is op de hoogte van de voor de verzekering verschuldigde premie, zullen deze personen tijdens de periode waarin
zij verplicht
verzekerd waren gemiddeld meer premie hebben betaald dan nodig was
tot dekking van hun persoonlijke risico in die periode. Om die reden wordt het redelijk geacht hen in de gelegenheid te
stellen hun
verplichte verzekering vrijwillig voort te zetten. Teneinde rblz.|153|
misbruik te
voorkomen, wordt de voorwaarde gesteld dat die persoon gedurende één
jaar onmiddellijk voorafgaand aan het einde van zijn verplichte
verzekering, al dan niet in Nederland, op grond van een wettelijke
regeling onafgebroken verzekerd is geweest tegen de geldelijke gevolgen van
langdurige arbeidsongeschiktheid. Misbruik zou zich kunnen voordoen
wanneer een zelfstandige die op basis van zijn gezondheidstoestand
het intreden van volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of
gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid vermoedt, gedurende een korte
periode verzekerde arbeid gaat verrichten en daarmee de mogelijkheid
schept de verzekering vrijwillig voort te zetten. Die verzekering
gedurende ten minste één jaar dient te berusten op een wettelijke
regeling, maar hoeft niet een verzekering krachtens deze
wet te zijn.
d. De persoon
die slechts een gedeelte van de normale werkweek arbeid in
dienstbetrekking verricht. Waar op grond van onderdeel c de mogelijkheid
tot vrijwillige
verzekering wordt geboden aan personen die na eindiging van
hun verplichte verzekering uitsluitend als zelfstandige werkzaam zijn,
ligt het voor de hand om ook personen die naast arbeid in
dienstbetrekking arbeid als zelfstandige verrichten de mogelijkheid tot vrijwillige
verzekering te bieden ter zake van tengevolge van volledig en
duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid te derven
inkomsten uit zelfstandige arbeid. Dit als aanvulling op
de verplichte verzekering voortvloeiend uit het vervullen van een
gedeeltelijke dienstbetrekking. Om dezelfde reden als in onderdeel c is
geschetst, is ook voor de onderhavige categorie de voorwaarde gesteld dat
onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de vrijwillige
verzekering een periode van wettelijke verzekering voorafgegaan moet zijn. In
dit geval gedurende drie jaren.
e. De persoon
die doorgaans op minder dan drie dagen per week werkzaamheden verricht in de
huishouding van een particulier.
f. De werkloze
werknemer die als zelfstandige gaat werken en diens eventueel
meewerkende echtgenoot onder de voorwaarde dat hij gedurende de
drie jaren voorafgaand aan de dag van aanvang van de vrijwillige
verzekering, al dan niet in Nederland, onafgebroken verzekerd was tegen de
geldelijke gevolgen van volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid
of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid. Die verzekering dient te
berusten op een wettelijke regeling, maar hoeft niet een verzekering op
grond van deze wet te zijn.
Tweede lid en
vierde lid
Op grond van
het tweede lid dient het UWV
ook bepaalde groepen van personen
jonger dan 65 jaar die buiten Nederland wonen en op die grond niet
verzekerd zijn, toe te laten tot de vrijwillige verzekering. Het betreft de
volgende categorieën:
a. De persoon
wiens verplichte verzekering is geëindigd, die direct daaraan
aansluitend een dienstbetrekking in het buitenland vervult voor de duur
van maximaal vijf jaar en wiens werkgever binnen Nederland woont of is
gevestigd. Het gaat hier om tijdelijk verblijf in het buitenland. Bij
duurzame vestiging in het buitenland komt men niet in aanmerking voor
de vrijwillige verzekering.
b. De persoon
die Nederlander is en werkzaamheden in het kader van ontwikkelingssamenwerking
gaat verrichten. Niet bepalend is waar deze
werkzaamheden worden verricht, maar wel dat het gaat om werkzaamheden in het kader
van ontwikkelingssamenwerking.
c. De persoon
die Nederlander is en die wordt uitgezonden om te werken voor een
volkenrechtelijke organisatie waarvan Nederland lid is of die door
Nederland wordt ondersteund.
d. De persoon
die in Nederland woont en buiten Nederland een dienstbetrekking rblz.|154|
vervult. Doordat deze persoon in Nederland woont, wordt hij geacht georiënteerd te zijn op de Nederlandse arbeidsmarkt.
e. De persoon
die Nederlander is, die buiten Nederland werkzaamheden verricht die
worden bekostigd door het Rijk. Het werk moet in opdracht van het Rijk
worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter
uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk
te stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
Aan de in de
onderdelen b, c en e genoemde Nederlander worden op grond van het
vierde lid ook bepaalde niet-Nederlanders gelijkgesteld voor zover zij,
voor zij werden uitgezonden, in Nederland woonden.
Derde lid
Door het
stellen van de voorwaarde dat aan de dienstbetrekking, bedoeld in het tweede
lid, onderdeel a, een aaneengesloten periode van verplichte verzekering van
ten minste één jaar moet zijn voorafgegaan, wordt gewaarborgd dat
de vrijwillige verzekering alleen in situaties van tijdelijk verblijf in het
buitenland en ter overbrugging wordt gebruikt. Op deze wijze is het
niet mogelijk voor korte tijd naar Nederland terug te keren, werkzaamheden
te verrichten en weer naar het buitenland te vertrekken met de
mogelijkheid zich vrijwillig te verzekeren.
Vijfde en
zesde
lid
Deze leden
voorzien erin dat bepaalde dagen waarop geen verplichte verzekering
aanwezig was toch als zodanig worden aangemerkt. Het is van toepassing
op aanvragers van een vrijwillige verzekering die hetzij na eindiging van
hun verplichte verzekering als zelfstandige een beroep of bedrijf gaan
uitoefenen, hetzij werkzaam zijn in een dienstbetrekking die ertoe strekt
dat slechts een gedeelte van de normale werkweek arbeid wordt verricht.
Voorts vervalt de voorwaarde van één, respectievelijk drie, jaar als de
betrokkene een uitkering op grond van deze wet
ontvangt.
Artikel
2.2.2 [19].
Indiening
verzoek en aanvang vrijwillige verzekering
Het eerste lid
van dit artikel geeft de termijnen aan waarbinnen de aanmelding voor
de vrijwillige verzekering dient te geschieden. Uitgangspunt daarbij is, net
als in artikel 83 van de WAO, dat die aanmelding plaats moet vinden
binnen vier weken na het tijdstip waarop wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden. Het tweede lid bevat een hardheidsclausule op
grond waarvan
het UWV
kan verklaren dat een te laat ingediend verzoek om toelating
tot de vrijwillige verzekering tijdig is ontvangen. Daarnaast is het nodig,
omdat niet kan worden aangesloten bij de regeling voor de verplichte
verzekering waarbij verzekering van rechtswege ontstaat op het moment dat
verzekerde arbeid verricht, te bepalen op welk moment de vrijwillige
verzekering aanvangt. Hiertoe dient het derde lid.
Artikel
2.2.3 [20].
Beëindiging vrijwillige verzekering
Dit artikel
bepaalt, evenals artikel 83b van de WAO, op welk moment en onder welke
voorwaarden de vrijwillige verzekering eindigt.
Artikel
2.2.4 [21].
Hoogte
dagloon en WGA-uitkering vrijwillige verzekering
De persoon die
een vrijwillige verzekering sluit, bepaalt bij de aanvang van de verzekering
zelf de hoogte van het dagloon waarover, op grond van de Wet
financiering sociale verzekeringen, de premie wordt geheven (vergelijk artikel 84 van
de WAO). Als beperking geldt daarbij dat het dagloon
rblz.|155|
niet meer mag bedragen dan het maximumdagloon op grond van
artikel 17, eerste lid,
van genoemde wet. Voorts mag het dagloon niet hoger zijn dan het inkomen
dat betrokkene derft in geval van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid
(eerste lid).
Voor het
vaststellen van het recht op een WGA-uitkering en de hoogte daarvan gelden
een aantal van hoofdstuk 7 afwijkende regels (tweede tot en met vierde
lid).
Omdat de meeste
vrijwillig verzekerden niet aan het vereiste van artikel 7.1.5
[58] (referte-eis) kunnen voldoen (zij ontvangen immers geen loon,
bezoldiging of ziekengeld
omdat ze zelfstandige zijn), is dit artikel niet op hen van toepassing
(en daarmee ook artikel 7.1.1 [54], derde lid en vierde lid, niet). Als gevolg
daarvan kan ook de duur van de loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering niet worden vastgesteld. In verband daarmee wordt de hoogte van
de WGA-uitkering voor deze verzekerden vastgesteld aan de hand van de
mate van arbeidsongeschiktheid en het maandloon.
Artikel
2.2.5 [22].
Schakelbepaling
De
artikelen
2.2.1 tot en met 2.2.4 [18-21] regelen (net als artikel 86 van de WAO) een aantal
specifieke facetten van de vrijwillige verzekering. Voor het overige zijn op
grond van dit artikel de bepalingen ten aanzien van verplicht
verzekerden van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 3. De wachttijd
en de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting
Artikel
3.1 [23].
De wachttijd
Dit artikel
komt overeen met artikel 19, eerste en tweede lid, van de WAO.
Eerste,
tweede, derde en vierde lid
De
verzekerde
die voldoet aan de uitkeringsvoorwaarden heeft recht op een uitkering
op grond van deze wet indien hij de wachttijd heeft doorlopen. De eerste dag
van de wachttijd is de eerste werkdag waarop de werknemer (in
de wettekst wordt ter bevordering van een meer eenduidig gebruik van
terminologie steeds gesproken van de verzekerde) wegens ziekte, in een
dienstbetrekking, niet heeft gewerkt of zijn werkzaamheden heeft gestaakt.
Indien de werknemer gedurende de wachttijd van 104 weken ziek is
geweest (zie artikel 6.1.1 [47], eerste lid, onderdeel a, en
7.1.1, eerste lid,
onderdeel a), kan recht op een uitkering ontstaan. Voor de definiëring van het begrip
ziekte wordt aangesloten bij het begrip ziekte in de Ziektewet. De
wachttijd van 104 weken is dus gelijk aan de periode waarover op grond van de
Ziektewet aanspraak op ziekengeld bestaat, waarbij het overigens
niet van belang is of het ziekengeld feitelijk wordt uitgekeerd. Ziekengeld
hoeft bijvoorbeeld niet tot uitkering te komen in verband met
wachtdagen, verdiensten, weigering in verband met gedrag van betrokkene
of omdat de werkgever het loon moet doorbetalen.
Perioden van ziekte die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
worden voor het bepalen van de wachttijd van 104 weken
samengeteld. Het is daarbij niet van belang of de ziekte in deze perioden
voortkomt uit dezelfde oorzaak of verschillende oorzaken. Bij de samentelling
blijven de tussenliggende perioden van ziekte, alsmede de perioden waarin
de in dit lid genoemde uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg
worden genoten, buiten beschouwing.
Vijfde lid
De periode
gedurende welke een uitkering wordt genoten op grond van artikel
3:7,
eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de
Wet arbeid en zorg telt rblz.|156|
niet mee voor
het bepalen van de wachttijd. Indien bijvoorbeeld gedurende zestien weken
zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, waarna
vervolgens gedurende 90 weken sprake is van ziekte, is er op grond van dit
lid (nog) geen sprake van een volledig doorlopen wachttijd.
Zesde lid
Dit lid is
opgenomen in verband met de wens om in die situaties waarin al voordat de
wachttijd van 104 weken is afgelopen duidelijk is dat de verzekerde volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt is (en er geen kans op herstel is), in
aanmerking te kunnen komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
hoofdstuk 6. De werkgever kan er dan zeker van
zijn dat hij geen reïntegratie-inspanningen meer hoeft te verrichten. Dit
wordt bereikt door in dit artikellid vast te leggen dat het UWV, op verzoek
van een verzekerde, de wachttijd verkort indien komt vast te staan
dat de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en geen kans op
herstel heeft. Deze mogelijkheid bestaat derhalve niet voor
verzekerden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn en waarbij op
lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
De mogelijkheid
de wachttijd te verkorten, geldt ook niet voor de zogeheten vangnetters.
Ten aanzien van deze categorie gelden de reïntegratieverplichtingen van artikel
3.3 [25], tweede tot en met tiende lid, immers niet. Artikel
8.1.3 [66] regelt hoe gehandeld dient te worden indien men van de mogelijkheid
tot het verkorten van de wachttijd gebruik wil maken. Een dergelijk
verzoek kan met een vervroegde aanvraag voor een uitkering worden
ingediend. Indien het UWV op grond van de stukken die bij een aanvraag voor
een verkorte wachttijd ingediend dienen te worden van mening is dat
de verzekerde terecht een verzoek om verkorting van de wachttijd heeft
gedaan, zal betrokkene op korte termijn voor een keuring (zogenaamde
flexibele keuring) in aanmerking komen en mitsdien ook eerder dan na
104 weken ziekte recht krijgen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
hoofdstuk 6. De wachttijd kan echter niet
korter worden dan 26 weken, maar ook niet langer dan 78 weken.
Bovendien kan de verkorting van de wachttijd pas ingaan nadat de beslistermijn
voor de afhandeling van het verzoek daartoe is verstreken. Het UWV
begeleidt een verzekerde die een vervroegde keuring wenst bij het op de
juiste wijze doen van deze aanvragen. Voor een verdere toelichting wordt verwezen
naar paragraaf 7.3 van het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel
3.2 [24].
Vrijwillige
loondoorbetaling werkgever
Dit artikel
komt inhoudelijk grotendeels overeen met het in de Wet verbetering poortwachter
opgenomen artikel 19, zevende lid, WAO. Anders dan in de
WAO is
het verlengde tijdvak gedurende welk de verzekerde (de werknemer)
jegens zijn werkgever recht op loon heeft, dan wel aanspraak op bezoldiging
heeft, niet langer onderdeel van de wachttijd. Daarentegen wordt bij het
ontstaan van het recht op een uitkering bepaald dat pas recht op een
uitkering kan ontstaan nadat dit tijdvak is verstreken. Voorts is het artikel,
om het leesbaarder te maken, redactioneel anders vormgegeven.
Geregeld is dat
de werkgever en de verzekerde tezamen het UWV
kunnen verzoeken het tijdvak gedurende welk de verzekerde jegens die werkgever recht op loon
heeft op grond van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel
XV,
tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim, te verlengen
gedurende een door hen te bepalen periode. Het uitgangspunt is dat het UWV
aan dit verzoek tegemoet komt, tenzij er zwaarwegende omstandigheden
zijn die zich daartegen verzetten. De toetsing door het UWV is een
marginale; het is niet de bedoeling dat het UWV in dit kader rblz.|157|
onderzoekt of
de werkgever in staat is zijn loondoorbetalingsverplichting na te komen.
Dit is een civielrechtelijke kwestie. Gedurende dit verlengde tijdvak van
loondoorbetalingsverplichting heeft de verzekerde op grond van artikel 629
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek recht op loondoorbetaling. De mogelijkheid
van verlenging van dit tijdvak geldt alleen voor zover de werkgever
het loon doorbetaalt, dus niet ingeval het loon op grond van
artikel 629, vierde lid, van
Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek niet tot uitbetaling komt. In het verzoek kunnen partijen aangeven met
hoeveel tijd
zij dit tijdvak willen verlengen. In beginsel zal het UWV in zijn beschikking
deze termijn volgen, tenzij er zwaarwegende omstandigheden zijn die zich
ertegen verzetten. In een dergelijk geval stelt het UWV zelf een termijn
vast. Ook indien partijen zelf geen termijn aangeven, stelt het UWV een termijn
vast. Het verlengde tijdvak van loondoorbetaling eindigt als de in de
beschikking neergelegde einddatum is bereikt. De aanvraag voor een
uitkering moet dan op grond van deze wet uiterlijk
dertien weken vóór die
einddatum worden ingediend. Zowel de werkgever als de verzekerde kunnen eerder
een aanvraag indienen en daarbij aangeven het verlengde
tijdvak van loondoorbetaling te willen bekorten. Ook is het mogelijk dat
werkgever en werknemer samen een verzoek indienen om het tijdvak
verder te verlengen. Dit verzoek wordt, evenals bij de oorspronkelijke
aanvraag het geval is, in beginsel door het UWV toegewezen. Slechts als er
zwaarwegende omstandigheden zijn die daartoe nopen, kan het
verzoek worden afgewezen. Op grond van artikel
8.1.1 [64], tweede lid,
stelt het UWV de verzekerde bij de bekendmaking van de beschikking,
bedoeld in het derde lid, in kennis van de mogelijkheid tot het doen van
een aanvraag om een uitkering.
Artikel
3.3 [25].
Reïntegratieverplichtingen en verplichte loondoorbetaling
werkgever
Dit artikel
komt overeen met artikel 71a WAO. Het verplicht de werkgever om gedurende de
ziekte van zijn werknemer (de verzekerde) aantekening bij te houden
van het verloop van de ziekte en de reïntegratie (eerste lid). Met betrekking
tot het houden van aantekening kunnen op grond van het zevende lid
nadere regels worden gesteld. Binnen een door Onze Minister nader te
bepalen termijn na de aanvang van de ziekte moet de werkgever in
overeenstemming met de verzekerde een plan van aanpak opstellen. Hierin zal het
perspectief op langere termijn worden geschetst en de weg waarlangs men
verwacht dit te bereiken. Welke elementen het plan van aanpak moet
bevatten, wordt nader uitgewerkt in een ministeriële regeling op basis van
het zevende lid. Uiterlijk vijftien weken vóór het verstrijken van de
wachttijd moet de werkgever in overleg met de verzekerde werknemer een
reïntegratieverslag opstellen en een afschrift hiervan aan de werknemer
verstrekken (derde lid). Met de zinsnede "in overleg met de
verzekerde"
wordt tot uitdrukking gebracht dat er bij het opstellen van het reïntegratieverslag
een belangrijke rol voor de werknemer is neergelegd. In het zesde
lid wordt daarom aangegeven dat de verzekerde zijn medewerking moet verlenen
bij het opstellen van het reïntegratieverslag. Bij ministeriële
regeling kan nader worden geregeld waaruit die medewerking moet bestaan en
welke procedure daarvoor geldt (zevende lid).
Het is de
bedoeling om hierbij aan te sluiten bij de Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar, waarin de verplichtingen met inachtneming van de reeds
bestaande Wet verbetering poortwachter en de Wet
verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 nader worden uitgewerkt.
Indien er een
verlenging van het tijdvak gedurende welk de verzekerde jegens die
werkgever recht op loon heeft op grond van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van
artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing
ziekteverzuim, heeft
plaatsgevonden, dient het reïntegratieverslag uiterlijk vijftien weken rblz.|158|
vóór het einde
van het verlengde tijdvak te worden opgesteld. Als de werkgever in
een eerder stadium al een verslag had opgesteld, zal hij dit verslag moeten
actualiseren en zo nodig aanvullen. Wanneer de verzekerde op een eerder
moment dan vijftien weken vóór het verstrijken van het verlengde
tijdvak een aanvraag wil indienen, kan hij op grond van het vierde lid de
werkgever verzoeken het reïntegratieverslag op een eerder moment op te
maken.
Wanneer de
verzekerde een verzoek tot verkorting van de wachttijd indient, is het
op voorhand niet steeds duidelijk op welk moment de wachttijd zal
verstrijken en op welk moment de werkgever het reïntegratieverslag
dient op te stellen. Dit zal op een zodanig tijdstip dienen te
gebeuren dat door de verzekerde kan worden voldaan aan de verplichting om
bij de aanvraag van een uitkering een reïntegratieverslag over te leggen
(artikel 3.1 [23], zesde lid, juncto artikel
8.1.2 [65]). Hiertoe zal de verzekerde zijn
werkgever van het voornemen tot het doen van een verzoek tot
verkorting van de wachttijd in kennis moeten stellen.
In het vijfde
lid wordt bepaald dat de werkgever zich bij het opstellen van het reïntegratieverslag laat bijstaan door of
één of meer deskundige
werknemers (bedoeld in
artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet
1998) of
daarbij zijn arbodienst zal moeten inschakelen. In het achtste lid is
geregeld dat de werkgever het
reïntegratieverslag op
verzoek aan het UWV
binnen een bepaalde termijn moet overleggen. Dit kan van belang
zijn in de situatie dat de werkgever ondanks verzoeken van de verzekerde
het reïntegratieverslag niet opstelt of verstrekt. Het UWV kan de
werkgever tevens de gelegenheid geven ontbrekende gegevens alsnog te
verstrekken. Het negende lid regelt de loonsanctie bij het niet of niet volledig
indienen van een reïntegratieverslag. Indien de werkgever zijn
verplichtingen met betrekking tot het reïntegratieverslag niet of niet volledig is
nagekomen of indien de werkgever de verplichtingen ten aanzien van de reïntegratie-inspanningen die gelden op grond van de
ministeriële regeling niet of niet volledig heeft verricht, stelt het UWV een
termijn vast
waarmee de loondoorbetalingsverplichting wordt verlengd. De maximale
duur van de loonsanctie is 52 weken. De duur van de loonsanctie wordt afgestemd
op de termijn die nodig is voor de werkgever om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. De loonsanctie kan worden
toegepast na
afloop van zowel de reguliere wachttijd als na afloop van het verlengde
tijdvak, bedoeld in artikel 3.2 [24], eerste lid, van
deze wet. Voor de verzekerde
kan pas recht op een uitkering ontstaan na afloop van de termijn waarmee
de loondoorbetalingsverplichting is verlengd. Bij de beoordeling van
de vraag of de werkgever zijn verplichtingen op grond van dit artikel voldoende is nagekomen, kan door het UWV gebruik
worden gemaakt
van de lijst, bedoeld in artikel 1.2.3
[6], zesde lid. Zo kan bijvoorbeeld
het feit dat een verzekerde zijn werkzaamheden niet heeft hervat terwijl
op grond van die lijst blijkt dat de verzekerde lijdt aan een ziekte die
binnen de wachttijd genezen had moeten zijn of die slechts geringe
beperkingen met zich meebrengt het vermoeden doen rijzen dat onvoldoende
reïntegratie-inspanningen zijn verricht. Over de toepassing van deze
sanctie kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden
gesteld, zodat bepaald kan worden welke periode in welke gevallen zou moeten worden gehanteerd (het tiende lid).
Artikel
3.4 [26].
Vangnetsituaties
Het eerste lid
regelt de werking van artikel 3.3 [25] indien er sprake is van een zogeheten
vangnetsituatie. Daarvan is sprake bijvoorbeeld bij een zieke werkloze en
indien het gaat om een zieke werknemer met een andere dienstbetrekking
dan een arbeidsovereenkomst (de zogenaamde rariteiten).
In dat geval
verstrekt het UWV
het ziekengeld en wordt het UWV aangemerkt als werkgever.
In deze situatie is het UWV verantwoordelijk voor de rblz.|159|
reïntegratie.
In de hoedanigheid van pseudo-werkgever is het UWV gehouden
aantekening bij te houden over het verloop van de arbeidsongeschiktheid en de
reïntegratie van de zieke werknemer en een plan van aanpak op te
stellen.
Het tweede lid
regelt de werking wanneer een werknemer recht heeft op ziekengeld
omdat er sprake is van orgaandonatie of een ziekte die haar oorzaak vindt
in zwangerschap of bevalling. Wanneer de werknemer in deze gevallen
nog wel een werkgever heeft, is die werkgever verplicht om het loon door
te betalen. Hoewel de werknemer ook recht heeft op ziekengeld, is de werkgever
in die gevallen nog wel verantwoordelijk voor de reïntegratie.
Voor deze werkgever geldt dat hij aantekening moet houden, een plan van
aanpak moet opstellen en in samenwerking met de werknemer een reïntegratieverslag moeten opstellen. Op grond van het derde lid is artikel
3.3 [25] van overeenkomstige toepassing op de werkgever die eigenrisicodrager
is voor de vangnetgevallen Ziektewet. De eigenrisicodrager
ZW is
verantwoordelijk voor de reïntegratie van de persoon aan wie hij het
ziekengeld betaalt. De eigenrisicodrager ZW heeft geen
loondoorbetalingsverplichting ten aanzien van
die vangnetter. Het vierde en negende lid van
artikel 3.3 [25] kunnen dus niet van overeenkomstige toepassing worden
verklaard. In het derde lid is derhalve een met het negende lid van artikel
3.3 [25] vergelijkbare regeling getroffen die tot gevolg heeft dat de
eigenrisicodrager ZW die zijn reïntegratieverplichtingen niet nakomt verplicht is
gedurende een langere periode het voor zijn rekening komende
ziekengeld te betalen. De inhoud van deze verplichtingen kan nader vorm
worden gegeven in een ministeriële regeling (het vierde lid).
Hoofdstuk 4. Rechten en
plichten in verband met het recht op een uitkering op grond van
deze wet
§ 4.1.
Verplichtingen van de verzekerde
Artikel
4.1.1 [27].
Informatieplicht en medewerking aan controle
Eerste lid
Alle feiten en
omstandigheden waarvan het de verzekerde die een uitkering op grond van
deze wet (zowel een WGA-uitkering als een
arbeidsongeschiktheidsuitkering) heeft
aangevraagd of de verzekerde die recht heeft op een
uitkering op grond van deze wet redelijkerwijs duidelijk is dat die van belang
zijn voor een juiste beoordeling van het recht op uitkering, de hoogte van
de uitkering of de betaling van de uitkering, moeten aan het UWV
worden
verstrekt. Daaronder wordt tevens verstaan informatie omtrent het
niet (kunnen) naleven van plichten door de gedeeltelijk arbeidsgeschikte
zoals plichten die zijn gericht op behoud, herstel en verkrijging van
mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en plichten die zijn gericht op
daadwerkelijke inschakeling in de arbeid (reïntegratie).
Onder
informatie in het kader van de reïntegratie wordt verstaan gegevens die nodig zijn
voor de inschakeling in de arbeid. Daarbij kan onder meer gedacht worden
aan informatie over opleidingen, arbeidsverleden en arbeidsmogelijkheden,
maar ook aan in het kader van de reïntegratie relevante informatie over de genezing, het behoud, herstel of bevordering
van de
mogelijkheid tot het verrichten van de arbeid.
Overigens dient
de werknemer wiens werkgever eigenrisicodrager is geworden zijn
informatieplicht voor zover het reïntegratie betreft ook na te leven jegens
die eigenrisicodrager op grond van het zesde lid.
Het feit dat de
informatieplicht dient voor een juiste beoordeling van het recht op
uitkering impliceert dat die plicht geldt voor zowel verzekerden die een
vastgesteld recht op een uitkering op grond van deze
wet hebben rblz.|160|
als voor
verzekerden die een uitkering op grond van deze wet hebben aangevraagd.
Op grond van
artikel 80 van de WAO geldt thans de informatieplicht ook voor degene die
de wachttijd doormaakt, maar nog geen uitkering heeft aangevraagd. In
artikel 4.1.1 [27] is ervoor gekozen de plicht tijdens de wachttijd slechts te
laten gelden voor degene die een uitkering op grond van deze wet heeft
aangevraagd, omdat onduidelijk was waaruit die plicht, voorafgaand aan
de aanvraag, zou bestaan.
Het
UWV
dient
te bevorderen dat het tijdig wordt geïnformeerd door betrokkenen,
zoals bijvoorbeeld de CWI en de reïntegratiebedrijven, over de naleving
door de uitkeringsgerechtigden van de vastgestelde verplichtingen. Ondersteunend
hieraan is artikel 4.1, eerste lid, onderdeel h, van het
Besluit SUWI, op grond waarvan het UWV in het contract met het
reïntegratiebedrijf
op dient te nemen dat het reïntegratiebedrijf verplicht is het UWV op
verzoek en uit eigen beweging kennis te geven van het gegronde
vermoeden dat een persoon van wie de inschakeling in de arbeid wordt
bevorderd onvoldoende medewerking verleent aan deze werkzaamheden.
Indien de
uitkering op grond van artikel 8.2.5
[71] aan een in dat artikel bedoelde
instelling wordt uitbetaald, geldt de in artikel
4.1.1 [27], eerste lid, opgenomen
informatieplicht voor die instelling.
Tweede lid,
onderdeel b
De verzekerde
dient vragen te beantwoorden op een wijze die het UWV
of een door het UWV
aangewezen persoon aangeeft, dat wil zeggen mondeling, schriftelijk,
digitaal of anderszins.
Derde lid
Het derde lid
regelt expliciet dat de informatie- en medewerkingsverplichtingen ook gelden ten
opzichte van de CWI en reïntegratiebedrijven, die een taak
hebben bij de reïntegratie. De verplichtingen gelden alleen voor zover dit
noodzakelijk is voor de taken die bij wet (de CWI) en in opdracht van
het UWV
of de eigenrisicodrager worden uitgevoerd. Voor wat betreft de CWI
wordt dit hier naast de algemene informatieverplichting die op grond van de
Wet SUWI al geldt, geregeld, omdat het in dit artikel ook om meer gaat
dan het verstrekken van gegevens, zoals het meewerken aan onderzoek.
Onderdeel c
ziet op personen die door het reïntegratiebedrijf dat in opdracht van
het UWV of een eigenrisicodrager activiteiten verricht, zijn ingeschakeld. Gedacht kan
worden aan artsen, paramedici of arbeidskundigen.
Vierde lid
Op grond van
het vierde lid dient de persoon die recht heeft op een uitkering de reden van
eventuele niet-naleving van zijn reïntegratieverplichtingen zo spoedig
mogelijk te melden aan het reïntegratiebedrijf. Dit betekent in
beginsel dat vooraf de reden van verzuim moet worden gemeld. Dit
past binnen het uitgangspunt dat de uitkeringsgerechtigde actief moet
meewerken aan zijn reïntegratie en daarover verantwoording moet afleggen
en derhalve gehouden is tot tijdige informatieverstrekking aan het reïntegratiebedrijf.
Indien de reden
van het verzuim niet wordt gemeld of het reïntegratiebedrijf anderszins het
gegronde vermoeden heeft dat de uitkeringsgerechtigde onvoldoende
medewerking verleent aan de werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf,
dient dat op grond van het contract tussen het rblz.|161|
reïntegratiebedrijf
en het UWV
(zie ook artikel 4.1 van het
Besluit SUWI) door het reïntegratiebedrijf aan het UWV te worden gemeld. Op grond van artikel
4.3.2 [39], vijfde lid, neemt het UWV vervolgens een beschikking omtrent
opschorting of schorsing van de betaling van de uitkering. Gedurende de eventuele
opschorting of schorsing kan het UWV onderzoeken of er aanleiding
is voor het opleggen van een sanctie aan de betrokkene.
De
reïntegratieverplichtingen van de verzekerde blijken uit de reïntegratievisie, bedoeld in
artikel 4.3.2 [39], eerste lid, en het reïntegratieplan, bedoeld in artikel
4.3.2 [39],
derde lid, en omvatten in ieder geval de verplichtingen, genoemd in
hoofdstuk 4, paragraaf 1.
Vijfde lid
In het vijfde
lid is de verplichting uit artikel 25, eerste lid, onderdeel c, van de
WAO overgenomen.
Zesde lid
Van een aantal
plichten in paragraaf 1 van dit hoofdstuk is duidelijk dat ze slechts zien op
reïntegratie en niet dienen te worden nageleefd in verband met het
vaststellen van het recht op uitkering. Deze plichten gelden, blijkens de tekst van de
desbetreffende artikelen, niet alleen jegens het UWV,
maar ook jegens
de eigenrisicodrager indien de (voormalige) werkgever van de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte voor eigen risico dragen heeft gekozen. Uit
deze wet blijkt in hoeverre de eigenrisicodrager een taak heeft ten aanzien van de
reïntegratie en de daarmee samenhangende
besluiten over
het voortduren van het recht op uitkering. De plichten in het eerste en
tweede lid van dit artikel kunnen echter zowel op het recht op uitkering
als op de reïntegratie zien. Daarom is in het zesde lid bepaald dat de in het
eerste en tweede lid genoemde plichten, voor zover ze reïntegratie
betreffen, door
de werknemer van de eigenrisicodrager jegens die eigenrisicodrager
dienen te worden nagekomen. De eigenrisicodrager treedt dan in
de plaats van het UWV. Dit ter onderscheiding van het derde lid, waarin is
geregeld dat de verplichtingen ook gelden ten opzichte van private
rechtspersonen die in opdracht van UWV of een eigenrisicodrager werkzaamheden
verrichten.
Zevende lid
De in dit
artikel opgesomde plichten gelden voor "de verzekerde" (op grond van
deze wet). Het is de bedoeling dat deze plichten ook reeds tijdens de
wachttijd gelden. In de meeste gevallen zal de betrokkene ook tijdens de
wachttijd verzekerd zijn op grond van deze wet en geldt artikel 4.1.1
[27] onverkort
voor die persoon. Het is echter denkbaar dat de persoon die de
wachttijd doormaakt niet verzekerd is op grond van deze wet. Op grond van
artikel 6.1.1 [47] en 7.1.1 [54] hoeft een rechthebbende op een uitkering op grond van
deze wet immers slechts verzekerd te zijn op de eerste dag van de ziekte ("de
verzekerde die ziek wordt"). Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedachte
aan iemand die op de eerste dag van zijn ziekte verzekerd was en nadien
in detentie verblijft. De in dit artikel bedoelde plichten gelden op grond
van het zevende lid ook voor die persoon.
Achtste lid
De
informatieplicht geldt ook voor de werkgever die een aanvraag heeft ingediend voor
of recht heeft op een subsidie als bedoeld in artikel 4.2.4
[36] en de persoon,
niet zijnde verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die een aanvraag heeft
ingediend voor of recht heeft op een voorziening als rblz.|162|
bedoeld in
artikel 4.2.3 [35]. Ingeval deze plicht niet wordt nagekomen, kan het
UWV
een boete
opleggen op grond van artikel 10.4 [91].
De
informatieplicht van de persoon aan wie een voorziening als bedoeld in artikel
4.2.3 [35] is verstrekt of die zo’n voorziening heeft aangevraagd en die recht heeft
op een uitkering op grond van deze
wet of zo’n uitkering heeft
aangevraagd, vloeit reeds voort uit artikel
4.1.1 [27], eerste lid. Op grond van artikel
4.2.3 [35] kan het UWV echter ook aan anderen voorzieningen verstrekken.
Daarom is in artikel 4.1.1 [27], achtste lid, de zinsnede "niet zijnde verzekerde,
bedoeld in het eerste lid" opgenomen.
Artikel
4.1.2 [28].
Plichten
ter voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op uitkering
De
verplichtingen in dit artikel betreffen de gedragingen die de werknemer moet voorkomen
in de situatie te geraken dat recht op uitkering wegens
arbeidsongeschiktheid ontstaat.
Eerste lid
Deze bepaling,
die geldt voor alle verzekerden en dus ook voor degene die recht heeft op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering, omvat het algemene vereiste van
schadelastbeperkend gedrag; de verzekerde dient het ontstaan van
arbeidsongeschiktheid te voorkomen en het bestaan ervan te beperken. De verzekerde dient voldoende besef van verantwoordelijkheid
voor de
beperking van de schadelast te tonen en daarnaar te handelen. Dit
lid bevat een algemene norm. Het artikel ziet op zowel de periode
voorafgaande aan, alsook op de gehele periode van de
arbeidsongeschiktheid van de
verzekerde, vanaf de aanvang daarvan, de toedracht van
de veroorzaking daarin mede begrepen. Als de schade eenmaal is
ingetreden, moet de verzekerde er alles aan doen de schade te beperken. De
verzekerde mag in ieder geval tijdens de wachttijd, dus voorafgaande
aan zijn uitkering, zijn reïntegratie niet belemmeren en is verplicht zich
daarbij actief op te stellen, zoals bepaald wordt in het tweede lid.
Door voldoende inzet in de wachttijd kan de verzekerde immers voorkomen dat de arbeidsongeschiktheid zodanig lang
voortduurt dat een recht
op uitkering ontstaat.
De verzekerde
dient de plicht, bedoeld in artikel 4.1.2
[28], eerste lid, na te
leven, voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden verwacht, op straffe van een
gehele of gedeeltelijke weigering van de betaling van de uitkering (zie
voor de sancties artikel 10.1 [88], eerste, tweede en derde lid, en ook
artikel 10.2 [89]). De beantwoording van de vraag wat redelijk is en wat niet, is
afhankelijk van de individuele omstandigheden van het geval. Bij de vraag wat
redelijkerwijs van de verzekerde kan worden gevergd, kunnen zijn competenties, kennis, ervaring, arbeidsverleden en dergelijke
mede in
aanmerking worden genomen. Dergelijke persoonlijke omstandigheden kunnen in een
individueel geval de grens van de schadebeperkingsplicht verleggen, maar
zij kunnen de verzekerde niet van elke zorg ontheffen.
Er zijn twee
voorwaarden waaraan het gedrag van de verzekerde moet voldoen, wil
van een schending van de schadebeperkingsplicht sprake zijn.
Ten eerste is
een voldoende causaal verband vereist tussen de gedraging van de
verzekerde en de schadelijke gevolgen. Daartoe is minimaal een condicio sine
qua non vereist, in die zin dat schade zonder de gedraging van de
verzekerde lager zou zijn uitgevallen dan in werkelijkheid is geschied. Dit
is een noodzakelijke doch niet afdoende toets. Om de omvangrijke
kring van gevolgen in te perken, worden aan de oorzakelijkheid rblz.|163|
verdergaande eisen gesteld met behulp van de leer van de toerekening naar
redelijkheid. Voor het aannemen van voldoende causaal verband tussen
het gedrag van de verzekerde en de schade wordt niet een criterium
gehanteerd, maar vindt een weging plaats van relevante gezichtspunten
in hun onderlinge verband.
Ten tweede moet
de causale bijdrage aan de schade van de zijde van de verzekerde aan
hem kunnen worden toegerekend. Dat de verzekerde (extra) schade
had kunnen voorkomen door anders te handelen, is niet voldoende om
zijn schade gedeeltelijk zelf te laten dragen. Vereist is tevens dat hij
anders had moeten handelen. Het gedrag van de verzekerde moet
normschendend zijn. Het komt aan op beantwoording van de vraag of de
verzekerde te kort komt ten opzichte van het normale inzicht waarvan een
redelijk persoon in de gegeven omstandigheden in zijn eigen belang blijk
zou hebben gegeven ter voorkoming of beperking van schade. Het
niet nemen van schadebeperkende maatregelen is alleen dan aan de
verzekerde toe te rekenen indien op grond van de omstandigheden van het geval
moet worden geoordeeld dat het nemen van zodanige maatregelen in
redelijkheid van hem kon worden gevergd.
Van een wegens
RSI-klachten uitgevallen verzekerde mag bijvoorbeeld verwacht worden
dat hij zich er rekenschap van geeft dat zijn klachten zouden kunnen
verergeren door gedurende de ziekteperiode langdurig thuis te
internetten. Zeker als er sprake is van een onaangepaste werkplek. Van een door
ernstige rugklachten gevelde verzekerde mag worden verwacht dat
deze zich realiseert dat bepaalde activiteiten, zoals gedurende de
ziekteperiode stukadoren, niet herstelbevorderend is. In dergelijke situaties dient
een verzekerde zich te onthouden van reïntegratiebelemmerend gedrag. Doet
hij dat niet, dan zou hem, op grond van artikel 10.1
[88] of
10.2 [89],
betaling van (een deel van) zijn uitkering kunnen worden geweigerd.
Daarbij mag
verwacht worden dat de verzekerde zich in elk geval op de hoogte stelt
van de plichten en verantwoordelijkheden die de uitkering met zich
meebrengt en zijn verantwoordelijkheid voor de naleving van die verplichtingen
moet tonen. Hij dient zich in elk geval te onthouden van handelingen
waarmee de fondsen worden benadeeld. Onder het ontstaan of bestaan van
een uitkering wordt ook verstaan het "blijven bestaan".
Tweede lid
In dit tweede
lid is - uiteengesplitst in onderdelen a en b - het voormalige
artikel 28,
onderdeel h, van de WAO
opgenomen. De verzekerde is gedurende de wachttijd,
op grond van onderdeel a, verplicht mee te werken aan
voorschriften of maatregelen gericht op bevordering van zijn
tewerkstelling in passende
arbeid. Op grond van onderdeel b is hij verplicht voldoende reïntegratie-inspanningen te verrichten. Met deze verplichtingen en de
mogelijkheid om een maatregel (zie artikel 10.1
[88] en
10.2 [89]) op te leggen, is
beoogd de verantwoordelijkheid te benadrukken van de verzekerde om ook tijdens
de wachttijd mee te werken aan reïntegratie. Deze plichten gelden
overigens tijdens de vrijwillig verlengde wachttijd, bedoeld in
artikel 3.2 [24], en tijdens het tijdvak van de loonsanctie, bedoeld in artikel
3.3 [25],
negende lid.
Een dergelijke
plicht voor de werknemer om mee te werken aan zijn reïntegratie tijdens de
eerste twee ziektejaren vloeit ook voort uit artikel 660a juncto
658a van Boek
7 van het BW. Als de werknemer die plichten niet naleeft, heeft
hij op grond van artikel 629, derde lid, van het BW
geen recht op loon.
rblz.|164|
Indien een
werknemer tijdens de eerste twee ziektejaren onvoldoende meewerkt aan
zijn reïntegratie, kan hem derhalve zijn loon worden geweigerd en kan hem
bovendien, nadat het recht op uitkering op grond van deze
wet is
vastgesteld, een maatregel op grond van hoofdstuk 10 worden opgelegd. Dit
systeem wordt thans ook gehanteerd; zie de artikelen 629 BW
en 28 WAO.
Hiermee wordt een optimale stimulans tot meewerken aan reïntegratie voor de werknemer bereikt.
Omdat de
medewerkingsplicht van de werknemer ook geldt jegens de werkgever die
eigenrisicodrager is voor de Ziektewet, is, evenals in artikel
28, onderdeel
h, WAO, in artikel
4.1.2 [28], tweede lid, na onderdeel b een zin opgenomen
waarin dit wordt bepaald.
Derde lid
Zie de
toelichting op artikel 4.1.1 [27], zevende lid.
Artikel
4.1.3 [29].
Plichten
gericht op vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid
Eerste lid
Een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte heeft resterende verdiencapaciteit. Hij dient in
voldoende mate te trachten deze resterende verdiencapaciteit te behouden.
Voorts dient hij in voldoende mate te trachten mogelijkheden tot verrichten
van arbeid te verkrijgen. Dit betekent ook dat hij zijn mogelijkheden tot medisch
herstel moet benutten en zijn genezing in geen geval mag
belemmeren.
Dit artikel
betreft zowel medische mogelijkheden als mogelijkheden die zijn gericht op
competenties die vereist zijn voor het verrichten van arbeid.
Vergroting van die mogelijkheden verbetert de kansen op de arbeidsmarkt
nadat die kansen door de vermindering van de arbeidsgeschiktheid zijn afgenomen.
Tweede lid,
onderdeel a
Het
UWV
of de
eigenrisicodrager, maar ook een door het UWV of door de eigenrisicodrager
ingeschakeld reïntegratiebedrijf, kan de gedeeltelijk arbeidsgeschikte
die recht heeft op een WGA-uitkering opdragen om een medische
behandeling te ondergaan.
Een aanwijzing
kan bijvoorbeeld inhouden dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte zich onderwerpt
aan een door de verzekeringsarts of een behandelend arts
noodzakelijk geachte behandeling van medische aard, die redelijkerwijs
van verzekerde mag worden gevraagd.
Genezingsbelemmerende
gedragingen kunnen de gedeeltelijk arbeidsgeschikte verweten
worden. Daarbij is niet vereist dat de genezing daadwerkelijk belemmerd is.
Voldoende is dat de handeling naar algemeen geldende
medische maatstaven de strekking heeft de genezing te belemmeren.
Tweede lid,
onderdeel b
Onder het
eerste lid kan ten minste worden begrepen dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte
dient mee te werken aan reïntegratietrajecten die het aanbod van de
arbeidscapaciteit versterken en bemiddelingstrajecten. Aanbodversterkende
trajecten zijn in het algemeen trajecten gericht op het verminderen
van arbeidsbelemmeringen of het verbeteren van competenties.
Scholing en opleiding kunnen daarvan deel uitmaken. In rblz.|165|
bepaalde
gevallen mag van een gedeeltelijk arbeidsgeschikte worden verwacht dat
hij, bijvoorbeeld door middel van scholing of opleiding, tracht nieuwe
mogelijkheden tot verrichten van arbeid te verkrijgen. De activiteiten
die onderdeel uitmaken van een bemiddelingstraject behelzen in het algemeen
sollicitatieondersteuning en adviseren en motiveren van cliënten,
matching, bemiddeling en nazorg.
Onder dit
onderdeel valt ook de verplichting tot medewerking aan een
proefplaatsing,
indien het UWV
de inzet van dat instrument wenselijk acht. De
proefplaatsing biedt de gedeeltelijk arbeidsgeschikte de mogelijkheid drie maanden
werk te verrichten bij een werkgever met behoud van uitkering. De proefplaatsing is een wijze van verkrijging van passende
arbeid waarbij
de sollicitatieplicht tijdelijk niet behoeft te gelden (zie ook artikel
4.2.5 [37],
vijfde lid).
Tweede lid,
onderdeel c
Dit onderdeel
houdt in dat de betrokkene mogelijkheden tot verkrijging van
hulpmiddelen in verband met de werkplek en mogelijkheden tot aanpassing van
de werkplek, alsmede andere persoonsgebonden voorzieningen, moet benutten
in verband met zijn arbeidsinschakeling. Met andere woorden,
hij moet trachten deze hulpmiddelen te verkrijgen of deze aanpassing
van de werkplek te bewerkstelligen. Aan aanbod van deze
hulpmiddelen of aanbod van aanpassing van de werkplek dient hij zijn
medewerking te verlenen.
Het feit dat
dit artikellid de verzekerde die recht heeft op een WGA-uitkering
verplicht mee te werken aan voorzieningen die door de eigenrisicodrager
worden verstrekt, houdt niet in dat de eigenrisicodrager een plicht tot
het verstrekken van voorzieningen heeft. Maar als hij uit eigen beweging
besluit voorzieningen te verstrekken, dan dient betrokkene daaraan mee te
werken.
Tweede lid,
onderdeel d en e
Het
UWV
operationaliseert, in samenspraak met de verzekerde, de algemene (in deze
wet neergelegde) normen in heldere, concrete, uitvoerbare gedragsnormen
en legt deze vast in de reïntegratievisie. Als het door het UWV
ingeschakelde reïntegratiebedrijf een reïntegratieplan opstelt, geschiedt dat
in samenspraak met de cliënt. Hierin worden de reïntegratieafspraken
vastgelegd en wordt duidelijk welke reïntegratieactiviteiten de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte zelf moet gaan ondernemen en welke rol
het reïntegratiebedrijf daarin speelt. De reïntegratieafspraken maken duidelijk
wat haalbaar is en waar partijen zich aan committeren. De verzekerde
is niet alleen verplicht aan het opstellen van deze reïntegratievisie
en dit reïntegratieplan mee te werken, maar ook de plichten die
daarin zijn opgenomen na te leven.
Artikel
4.1.4 [30].
Plichten
gericht op inschakeling in de arbeid
Eerste lid,
onderdeel a en
b
De onderdelen
a
en b zijn afgeleid van artikel 24, eerste lid, onderdeel, b, onder 1º en
2º,
van de WW.
Indien de
persoon die recht heeft op een WGA-uitkering geen passende arbeid
verricht, dient hij elk aanbod van passende arbeid te aanvaarden. Zolang hem geen
passende arbeid wordt aangeboden, dient hij in voldoende mate
te trachten passende arbeid te verkrijgen. Daartoe dient hij te
solliciteren, op uitnodiging sollicitatiegesprekken te voeren, en
dergelijke.
Indien betrokkene zich zodanig gedraagt dat zijn gedrag verwijtbaar
leidt tot niet verkrijgen van (een voldoende mate van) rblz.|166|
passende arbeid
(bijvoorbeeld door zich tijdens een sollicitatieprocedure onfatsoenlijk
te gedragen), handelt hij in strijd met artikel
4.1.4 [30], eerste lid, onderdeel
b.
Opgemerkt wordt
dat het moeilijk voorstelbaar is de sollicitatieplicht, bedoeld onder b,
ook van toepassing te laten zijn op de verzekerde die volledig maar
niet duurzaam arbeidsongeschikt is (en een WGA-uitkering ontvangt en dus
onder het bereik van het eerste lid valt). Omdat het gewenst is die
sollicitatieplicht toch algemeen geldend te laten zijn en de desbetreffende
persoon op het moment dat hij niet langer volledig arbeidsongeschikt
is wel kan gaan solliciteren, zal voor deze groep, op grond van
artikel 4.1.6 [32], bij algemene maatregel van bestuur een uitzondering op de
sollicitatieplicht worden gemaakt.
Eerste lid,
onderdeel c
Onderdeel
c is
afgeleid van artikel 24, eerste lid,
onderdeel b, onder
4º, van de
WW.
Dit onderdeel
legt de gedeeltelijk arbeidsgeschikte de verplichting op dat hij zich
zodanig opstelt dat hij passende arbeid kan en wil aanvaarden. De betrokkene kan
door afwijkend gedrag, het stellen van irreële eisen of door
ongebruikelijke werktijden een bemiddelingspoging belemmeren. Op welke eisen
deze plicht precies ziet, is vanwege de casuïstiek moeilijk aan te geven.
Het UWV
en zo nodig de rechter moeten beoordelen of van dergelijke
eisen sprake is.
Tweede lid
Aan de persoon
die recht heeft op een WGA-uitkering en die zijn resterende verdiencapaciteit
niet volledig benut, kan het UWV
een registratieplicht bij de CWI opleggen. Evenals bij de sollicitatieplicht dient sprake te zijn van
maatwerk van het UWV dat goed is afgestemd op de omstandigheden van het
individuele geval.
Derde en
vierde
lid
De
verplichting, bedoeld in het derde lid, geldt slechts voor de verzekerde
die een
loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering ontvangt. Hoewel de WW een dergelijke verplichting ook kent, is het nodig deze verplichting in
dit wetsvoorstel op te nemen, omdat - in de Invoeringswet
WIA zal
worden bepaald dat - het ontvangen van een loongerelateerde uitkering van
de WGA-uitkering een uitsluitinggrond voor het ontvangen van
een WW-uitkering is. De verplichting om te voorkomen dat passende arbeid
wordt voorkomen voor de persoon die een loonaanvullings-
of vervolguitkering van de WGA-uitkering ontvangt, vloeit uit het
systeem van de WW voort. Voldoet die persoon niet aan genoemde
verplichting, dan zal hem immers geen WW-uitkering worden verstrekt.
Verlies van
passende arbeid als rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van
ziekte of gebrek is veelal door de verzekerde niet te voorkomen en in die
gevallen ook niet verwijtbaar. Verlies van passende arbeid als gevolg van
bedrijfseconomische omstandigheden is evenmin aan verzekerde te
verwijten. Verwijtbaar verlies van passende arbeid kan zich onder meer
voordoen als een werknemer de werkgever een dringende reden geeft om
het dienstverband met onmiddellijke ingang te beëindigen, bijvoorbeeld in
geval van diefstal of mishandeling van de werkgever door de
werknemer. Verwijtbaar verlies van passende arbeid doet zich ook voor
indien de werknemer zelf ontslag neemt zonder dat aan rblz.|167|
voortzetting
van de dienstbetrekking zodanige bezwaren verbonden zijn dat
voortzetting redelijkerwijs van hem zou kunnen worden gevergd.
Ook wanneer
iemand tijdelijk arbeid verricht die voor hem niet passend is, bijvoorbeeld
omdat zijn krachten en bekwaamheden voor die arbeid niet toereikend
zijn, bestaat de mogelijkheid dat hij zijn dienstbetrekking verwijtbaar
verliest. Te denken valt aan verlies van een dienstbetrekking als gevolg van
onvoldoende streven naar verkrijging van passende arbeid in de
dienstbetrekking. Verwijtbaar verlies van een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld
een gevolg zijn van verwijtbaar verlies van een werkplekaanpassing.
In alle
gevallen zal het gaan om gedrag dat niet voldoet aan de normale, reguliere
plichten die aan een werknemer worden gesteld. Dit ter onderscheid van gedrag dat
al dan niet voldoet aan de plichten die worden gesteld in het
kader van de medewerking aan het herstel en het verbeteren van de
vaardigheden om de arbeid te behouden. Het verlies van de passende arbeid
is dus het gevolg van andere gedragingen dan waar artikel 4.1.3
[29] betrekking op heeft.
In het vierde
lid wordt de omschrijving gegeven van wat onder passende arbeid moet
worden verstaan, omdat de verplichtingen in dit artikel en die in artikel
4.1.2 [28] en 4.1.4 [30] betrekking hebben op het behouden en verkrijgen van passende
arbeid.
Onder passende
arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden
van de verzekerde is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van
lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.
Deze omschrijving is gelijk aan die in artikel 658a, derde lid, van
Boek 7 van het BW, waarin het als verplichting van de werkgever is opgenomen om
er zorg voor te dragen dat een zieke werknemer eigen of andere
passende arbeid kan gaan verrichten bij zijn bedrijf of eventueel bij het bedrijf
van een andere werkgever. Voorts is de omschrijving gelijk aan die in de
WW in de artikelen over de verplichtingen van de werknemer.
In zijn
algemeenheid dient de vraag wat passende arbeid is in elk concreet geval aan de
hand van de omstandigheden te worden beantwoord. Als leidraad moet
worden gevolgd dat het bij passende arbeid moet gaan om arbeid die in
redelijkheid aan de werknemer kan worden opgedragen, gelet op onder
meer het arbeidsverleden, de opleiding, de gezondheidstoestand, de afstand tot
het werk, het loon en hetgeen waartoe de werknemer nog in staat
is. Het spreekt voor zich dat naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt,
een bredere oriëntatie ten aanzien van de te verrichten
arbeid mag worden verwacht. Naarmate de duur van de gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de werknemer worden verlangd
dat deze concessies doet met betrekking tot door hem te verrichten
werkzaamheden, als reïntegratie in de bedongen arbeid niet tot de
mogelijkheden behoort.
Eerst dient te
worden nagegaan of de eigen arbeid, al dan niet met aanpassingen,
of een andere organisatie van het werk, naar verwachting nog zal kunnen
worden verricht. Als dat het geval is, dan ligt het in de rede dat
werkgever en werknemer hun inspanningen daarop richten. Dit sluit niet uit
dat de werknemer tijdelijk ander werk kan verrichten, mits daartoe in
staat en niet belemmerend voor het herstelproces en voor zover dit werk
ook overigens in redelijkheid aan de werknemer kan worden
opgedragen, gelet op onder meer diens arbeidsverleden en werkervaring. Als blijkt dat
het niet mogelijk is om de oorspronkelijk bedongen arbeid nog
langer te verrichten, moet worden nagegaan welke werkzaamheden de werknemer
- gezien zijn beperkingen - nog wel kan verrichten, rblz.|168|
waarbij in
eerste instantie zo dicht mogelijk moet worden aangesloten bij de laatstovereengekomen functie. Als (op redelijke termijn) dergelijke arbeid noch bij
de eigen werkgever, noch bij een derde voorhanden is, mag van de
werknemer worden verlangd dat hij zich wat betreft door hem te
aanvaarden arbeid ruimer opstelt. Dit is in de jurisprudentie
betreffende het begrip passende arbeid een algemeen aanvaard uitgangspunt.
De regering
gaat er niet van uit dat door toedoen van het onderhavige wetsvoorstel
een wezenlijke verandering zal optreden in de jurisprudentie ten aanzien
van
het begrip passende arbeid. Ook thans geldt immers dat wat als passend
moet worden aangemerkt afhankelijk is van de specifieke omstandigheden
van het geval, wat ertoe kan leiden dat arbeid die in eerste instantie als niet passend wordt
aangemerkt, op een later moment
- door
wijziging van de omstandigheden - wel als passend kan worden aangemerkt. Met
andere woorden, de criteria om te beoordelen of arbeid passend is,
zijn niet aan wijziging onderhevig, wel de omstandigheden die van invloed
zijn op de vraag of aan de criteria wordt voldaan. Een eenduidig
antwoord op de vraag welke arbeid voor welke werknemer op welk moment als
passend moet worden beschouwd, is dus niet op voorhand, los van de
omstandigheden, te geven.
Ten overvloede
wordt opgemerkt dat waar in hoofdstuk 10 het begrip "passende
arbeid" wordt gebruikt, de in artikel
4.1.4 [30], vierde lid, gegeven definitie ook
van toepassing is. In hoofdstuk 10 is het gebruik van dat begrip immers
steeds verbonden aan artikelen uit hoofdstuk 4.
Vijfde lid
Op grond van
het vijfde lid kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het begrip
passende arbeid. Hierbij kan worden gedacht aan het aanpassen van
het Besluit passende arbeid schoolverlaters en
academici.
Artikel
4.1.5 [31].
Plichten
wettelijk vertegenwoordiger
Indien de
verzekerde een wettelijk vertegenwoordiger heeft, is ook die persoon
verplicht de in artikel 4.1.1 tot en met 4.1.4
[27-30] en in
8.1.1 [64], derde lid, genoemde
plichten na te leven. Sommige plichten, zoals de informatieplicht, bedoeld in
artikel 4.1.1 [27], eerste lid, kunnen door de wettelijk vertegenwoordiger zelf worden
nageleefd (zie ook artikel 80 WAO
(oud)). Sommige andere
plichten zijn gericht op de persoon van de verzekerde of
uitkeringsgerechtigde, zoals bijvoorbeeld artikel
4.1.1 [27], tweede lid, onderdeel c (meewerken
aan onderzoek). Als het gaat om een dergelijke plicht, heeft de wettelijk
vertegenwoordiger de plicht de verzekerde/uitkeringsgerechtigde
te "sturen" of "helpen" bij het naleven van de desbetreffende
verplichting.
Artikel
4.1.6 [32].
Delegatiebevoegdheid
Eerste lid
De nadere
regels over de informatieverplichting op grond van artikel
4.1.1 [27] kunnen ook een
nadere aanduiding van de soort gegevens betreffen die moeten worden
verstrekt met het oog op de reïntegratie. Deze nadere regelgeving
wordt, indien deze noodzakelijk blijkt, afgestemd op die op grond van de
Wet SUWI.
Tweede lid
Op grond van
het tweede lid kan bij ministeriële regeling ontheffing van de plichten,
bedoeld in artikel 4.1.4 [30], eerste lid, worden verleend. Gedacht kan worden aan
het van de sollicitatieplicht ontheffen van gedeeltelijk rblz.|169|
arbeidsgeschikten
die volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn (zie ook de toelichting op artikel
4.1.4 [30], eerste lid, onderdeel a en
b) of de
groepen die op grond van artikel 24, zevende lid, van de
WW van de
sollicitatieplicht zijn ontheven. Bij die ministeriële regeling kan tevens
worden bepaald voor welke periode de ontheffing maximaal geldt.
Opgemerkt
wordt dat indien de gedeeltelijk arbeidsgeschikte onbeloonde werkzaamheden
op een proefplaats verricht, hij gedurende die tijd reeds op grond
van artikel 4.2.5 [37], vijfde lid, niet verplicht is passende arbeid te
verkrijgen. Dit behoeft derhalve niet op grond van artikel
4.1.6 [32] te worden bepaald.
Bij
ministeriële regeling kan ook ontheffing worden verleend van de reïntegratieplicht,
bedoeld in artikel 4.1.3 [29]. Bijvoorbeeld volledig maar niet duurzaam
arbeidsongeschikten zouden hiervoor in aanmerking kunnen komen.
§ 4.2. Rechten
van de verzekerde en reïntegratie-instrumenten
Artikel
4.2.1 [33].
Mogelijkheid geldend maken aanspraken en naleven plichten
Om gebruik te
kunnen maken van rechten of aanspraken die de wet geeft of voor het
nakomen van verplichtingen die de wet of daarop rustende bepalingen
oplegt, kan het noodzakelijk zijn dat de werknemer op die momenten geen
arbeid behoeft te verrichten. Dit kan zich voordoen als de werknemer
gebruik maakt van zijn recht om bezwaar of beroep in te stellen tegen
een beslissing van het UWV
of de eigenrisicodrager. Dit kan zich ook
voordoen wanneer het UWV de werknemer oproept voor het verstrekken van
inlichtingen dan wel voor het ondergaan van een geneeskundig onderzoek. De
werkgever is in dergelijke situaties verplicht de werknemer
hiertoe in de gelegenheid te stellen, op straffe van de sancties, genoemd in
artikel 14.1 [134].
Artikel
4.2.2 [34].
Recht op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling van UWV
De verzekerde
die recht heeft op een WGA-uitkering en wiens uitkering door het UWV
wordt betaald, heeft op grond van dit artikel recht op ondersteuning bij de
reïntegratie. Dit recht geldt alleen ten opzichte van het UWV en niet
indien de eigenrisicodrager niet in de reïntegratievoorzieningen voorziet, zoals
in artikel 4.4.1 [27] wordt geregeld. Het feit dat het UWV de
uitkering betaalt, is daarvoor niet altijd bepalend, omdat bijvoorbeeld bij meerdere werkgevers op grond van
artikel 8.2.6 [72] het UWV
alle
uitkeringen betaalt. Er dient dus feitelijk te worden vastgesteld of er ook een
arbeidsrelatie met een eigenrisicodrager is (geweest). Bij een beschikking
op
aanvraag om ondersteuning zal het UWV per geval een afweging moeten
maken omtrent de aard en omvang van de ondersteuning. Deze afweging
is onder meer afhankelijk van de individuele capaciteiten (competenties)
van de betrokkene, de aanwezigheid van de benodigde voorzieningen
of alternatieven daarvoor, de beschikbaarheid van zorg- en
hulpverlening en de beschikbare financiële middelen.
Indien het UWV
een verzoek om ondersteuning bij arbeidsinschakeling of een voorziening
gericht op arbeidsinschakeling afwijst, zal dit besluit met redenen omkleed
moeten worden. Tegen zo’n besluit staat bezwaar en beroep open.
[Volgens de redactie dient deze alinea, gelet op de
daarnavolgende alinea, te worden geschrapt]. Voor de
invulling van de ondersteuning maakt het UWV
gebruik van de wettelijk
geregelde reïntegratie-instrumenten. Het UWV kan dus een reïntegratietraject
op grond van de Wet SUWI starten of één van de in de diverse
materiewetten geregelde reïntegratie-instrumenten (zoals bijvoorbeeld
rblz.|170|
loonsuppletie, persoonlijke ondersteuning of arbeidsplaatsvoorzieningen)
verstrekken. De
zinsnede "met inachtneming van de daarvoor geldende
wettelijke bepalingen" maakt dit duidelijk en sluit uit dat dit artikel een
basis vormt voor verstrekking van andere dan wettelijk geregelde reïntegratie-instrumenten.
Voor de
invulling van de ondersteuning maakt het UWV
gebruik van de wettelijk
geregelde reïntegratie-instrumenten. Het UWV kan dus een reïntegratietraject
op grond van de Wet SUWI starten of één van de in de diverse
materiewetten geregelde reïntegratie-instrumenten (zoals arbeidsplaatsvoorzieningen,
proefplaatsing en no-riskpolis Ziektewet) verstrekken. De
zinsnede "met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke
bepalingen" maakt dit duidelijk en sluit uit dat dit artikel een basis vormt
voor verstrekking van andere dan wettelijk geregelde reïntegratie-instrumenten.
Voorop staat
dat de kortste weg naar werk moet worden gekozen. Dit is het kader
waarbinnen het UWV
- in samenspraak met de betrokkene - zoekt naar de
mogelijkheden en het UWV de afweging omtrent ondersteuning maakt. Dit
betekent dat de betrokkene niet automatisch recht heeft op een
specifiek reïntegratietraject of op een bepaalde, specifieke voorziening
of
werkplekaanpassing. Toekenning van een specifiek door het UWV wenselijk
geacht reïntegratietraject, van een bepaalde voorziening of specifieke werkplekaanpassing betekent uiteraard dat betrokkene verplicht
is hieraan mee
te werken.
Het
UWV
beoordeelt dus of ondersteuning überhaupt noodzakelijk is en welke vorm deze
dan moet krijgen, gelet op het te bereiken doel van arbeidsinschakeling,
al dan niet op de lange termijn. Dit houdt in dat het UWV zelf
voorzieningen kan verstrekken of dat werkzaamheden worden uitbesteed aan
een natuurlijk persoon of rechtspersoon (bijvoorbeeld aan het CWI of
een reïntegratiebedrijf) die in het kader van de uitoefening van beroep of
bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert. Bij het
opstellen van de reïntegratievisie kan het UWV keuze bieden uit een aantal
door het UWV op basis van prijs/kwaliteit geselecteerde reïntegratiebedrijven.
Daarbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen
van de betrokkene. Dit geldt voor het door het reïntegratiebedrijf
opstellen van een reïntegratieplan. Het UWV heeft wel uiteindelijk
het laatste woord.
Tweede lid
Tijdens een
traject kan blijken dat arbeid als zelfstandige het meest aangewezen is
voor de betrokken verzekerde. De Wet Rea kende daarvoor specifieke
voorzieningen zoals het starterskrediet en inkomenssuppletie. Gedacht kan ook
worden aan scholing gericht op de bedrijfsvoering. Of dergelijke voorzieningen nader worden vormgegeven en ten laste van de
fondsen zullen
worden gefinancierd door het UWV
is gelet op de ontwikkelingen rond de
zelfstandige voorzieningen [zelfstandigenvoorzieningen, red.] die door
gemeenten worden aangeboden nog
niet geheel zeker. In het tweede lid is daarom de mogelijkheid opgenomen dat
voor dit soort voorzieningen regels worden getroffen. De
daadwerkelijke effectuering van deze voorzieningen is dus afhankelijk van
het tot stand komen van de algemene maatregel van bestuur.
Opgemerkt wordt
dat onder "de verzekerde met een naar het oordeel van het UWV
structurele functionele beperking" bijvoorbeeld ook een persoon die recht heeft
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt verstaan. Die
uitkeringsgerechtigde is immers ook verzekerd op grond van deze
wet.
rblz.|171|
Derde lid
Het recht op
deze voorzieningen geldt niet voor de persoon die werkzaam is op een Wsw-dienstbetrekking of een
begeleid-werkenplaats die met Wsw-subsidie
wordt gesubsidieerd. Het kenmerk van het in het kader van de Wsw werkzaam
zijn is dat al geïnvesteerd wordt in aangepaste werkvormen en activiteiten
gericht op de vaardigheden van de persoon. Een apart traject
onder verantwoordelijkheid van het UWV
voegt daaraan niets toe. Deze
uitzondering geldt ook voor de specifieke voorzieningen geregeld in artikel
4.2.3 [35] en de werkgeverssubsidies die geregeld worden in artikel
4.2.4 [36].
De werkgeverssubsidie is niet noodzakelijk omdat de Wsw-subsidie
ook bestemd is voor de aanpassingen die voor de werknemer vereist zijn.
Artikel
4.2.3 [35].
Arbeidsplaatsvoorzieningen en voorzieningen ter ondersteuning van
toeleiding naar arbeid
Op grond van
dit artikel kan het UWV
aan de persoon met een structurele functionele beperking die arbeid in dienstbetrekking verricht of gaat verrichten, die
scholing of opleiding in het kader van een reïntegratietraject volgt of in
dat kader arbeid op een proefplaats verricht voorzieningen toekennen die
strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid
tot het verrichten van arbeid, het volgen van de scholing of opleiding of
het verrichten van arbeid op die proefplaats. Uit het feit dat in het eerste
lid de verstrekking van voorzieningen niet wordt beperkt tot de verzekerden
in de zin van deze wet blijkt dat ook aan anderen, bijvoorbeeld personen die
een Wajong-uitkering ontvangen, een arbeidsplaatsvoorziening kan worden
verstrekt. Uiteraard dient de verstrekking van de voorziening aan
deze personen wel steeds te strekken tot behoud, herstel of bevordering
van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, het volgen van scholing of het verrichten van arbeid op een proefplaats.
Bovendien zal
de betrokkene een naar het oordeel van het UWV structurele functionele
beperking moeten hebben, hetgeen nader uitgewerkt kan worden bij
algemene maatregel van bestuur (zie ook hierna).
In het tweede
lid wordt limitatief opgesomd welke voorzieningen op grond van dit
artikel kunnen worden toegekend. Dit betreft vervoersvoorzieningen die
noodzakelijk zijn om de werkplek (waar de reguliere arbeid dan wel de
arbeid op een proefplaats wordt verricht) of opleidingslokatie te kunnen
bereiken en voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de
arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de
opleidings- of
proefplaats en de bij de arbeid of opleiding te gebruiken hulpmiddelen
die in overwegende mate op het individu van de persoon zijn afgestemd.
Dit betreft tevens intermediaire activiteiten ten behoeve van personen
met een visuele en/of auditieve handicap. Hieronder worden bijvoorbeeld verstaan de doventolk en de voorleeshulp. Deze
personen
fungeren als "intermediair" die de betrokkene niet "stuurt".
Dit moet
onderscheiden worden van de persoonlijke ondersteuning van de werknemer bij
het verrichten van arbeid, die thans nog op grond artikel 31
Wet Rea kan
worden verstrekt (en welke voorziening in dit wetsvoorstel niet is
opgenomen).
Kenmerk van de
genoemde voorzieningen is dat ze "meeneembaar" zijn. Dat wil zeggen
dat de betrokkene, wanneer hij op een andere lokatie of bij een andere
werkgever gaat werken of arbeid op een proefplaats gaat verrichten of
elders een opleiding gaat volgen, zijn voorziening kan meenemen. De
kosten van voorzieningen die niet "meeneembaar" zijn en die duurzaam
met het bedrijf van de werkgever zijn verenigd, worden, op grond van
artikel 4.2.4 [36], voor zover ze het daar genoemde bedrag overschrijden, aan de
werkgever vergoed in de vorm van een subsidie.
rblz.|172|
Bij
voorzieningen die op grond van artikel 4.2.3
[35] aan de betrokkene worden
verstrekt, kan
worden gedacht aan een voorleeshulp, een doventolk, een rolstoel die
alleen op het werk wordt gebruikt en brailleapparatuur. Bij voorzieningen
waarvan de meerkosten op grond van artikel 4.2.4
[36] aan de werkgever
worden vergoed, kan worden gedacht aan het aanpassen van het
bedieningsmechanisme van een machine of van speciale apparatuur. Daarnaast kan
er sprake zijn van voorzieningen die specifiek voor gehandicapte werknemers
bedoeld zijn en door de hoge kosten de normale verantwoordelijkheid
van de werkgever te boven gaan. Te denken is aan een vergoeding
van (hoge) investeringen in de inrichting van het bedrijf als
bijvoorbeeld een invalidentoilet. In een algemene maatregel van bestuur kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verstrekking en
de behandeling. Daarbij kan worden gedacht aan de wijze waarop rekening
wordt gehouden met het bedrijfseconomische voordeel voor de
werkgever.
Op grond van
het derde lid van dit artikel worden vervoersvoorzieningen toegekend die
verband houden met de verbetering van de leefomstandigheden van betrokkene.
Op grond van
het vierde lid kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden
gesteld. In die algemene maatregel van bestuur zal bijvoorbeeld geregeld kunnen
worden dat op grond van dit artikel slechts voorzieningen kunnen worden
verstrekt die niet tevens als algemeen gebruikelijk zijn aan te
merken, dat een voorziening slechts wordt toegekend indien deze in
overwegende mate op het individu is gericht en dat de gezamenlijke waarde van
voorzieningen boven een bepaald drempelbedrag uit moeten komen. Tevens kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het
begrip "structurele
functionele beperking".
Ook kan worden
bepaald dat voorzieningen die de werkgever al uit hoofde van zijn plicht
om een goed arbeidsomstandighedenbeleid te voeren, dient te treffen,
niet aan de betrokkene worden vergoed. Voorts kunnen nadere voorwaarden
worden gesteld aan de toekenning van voorzieningen zoals opgesomd in dit
artikel.
Artikel
4.2.4 [36].
Subsidieregeling werkgever
Eerste lid
De subsidie kan
worden verstrekt op basis van de gegevens van de werkgever over de kosten
die hij heeft gemaakt of moet maken voor de reïntegratie van de
werknemer.
Op grond van
het eerste lid is het mogelijk dat een werkgever ook een aanvraag voor
een subsidie kan indienen voordat hij daadwerkelijk kosten heeft gemaakt.
Indien een dergelijke aanvraag wordt ingediend, zal het UWV
al een
beschikking tot subsidieverlening kunnen nemen, voordat daadwerkelijk
is aangetoond dat de kosten zijn gemaakt. Bij de subsidievaststelling kan de subsidie
eventueel worden herzien indien blijkt dat de gemaakte kosten
uiteindelijk anders zijn dan waarop de subsidie is gebaseerd. De hoogte en de
voorwaarden voor de subsidie worden afgestemd op de
arbeidsgehandicaptekorting (op de premie), die in de Wfsv wordt geregeld.
In de algemene
maatregel van bestuur zal worden bepaald ten opzichte van welke
bedragen, afhankelijk van de omvang van de dienstbetrekking en de hoogte
van het loon van de werknemer, er sprake moet zijn van meerkosten. Die
grensbedragen worden gerelateerd aan een percentage van het minimumloon.
rblz.|173|
Tweede lid
In het tweede
lid wordt bepaald met betrekking tot welke kosten subsidie aan de
werkgever kan worden verstrekt. Dit betreft slechts de kosten van voorzieningen
die duurzaam met het bedrijf van de werkgever zijn verenigd. Het gaat om
voorzieningen die door de werkgever ten behoeve van zijn werknemer
in het bedrijf zijn aangebracht en die niet "meeneembaar" zijn. Met
andere woorden, als de werknemer een dienstbetrekking met een andere
werkgever zou aangaan, kan hij de desbetreffende voorziening niet "meenemen".
Hierbij kan gedacht worden aan de kosten van het aanpassen van
het bedieningsmechanisme van een machine (zie ook de toelichting op
artikel 4.2.1 [33]).
Wellicht ten
overvloede wordt opgemerkt dat voorzieningen die wel "meeneembaar"
zijn en niet duurzaam zijn verenigd met het bedrijf van de werkgever,
op grond van artikel 4.2.3 [35], aan de werknemer zelf worden verstrekt.
Derde lid
Het doel van
het derde lid is te voorkomen dat voor dezelfde werknemer en voor
dezelfde kosten subsidie wordt verstrekt.
Vierde lid
Op grond van
het vierde lid kunnen nadere regels worden gesteld. Die regels kunnen
bijvoorbeeld betrekking hebben op de wijze waarop rekening moet worden
gehouden met het bedrijfseconomisch voordeel voor de werkgever
van de te treffen voorziening. Die regels kunnen ook betrekking hebben op de
beoordeling van de aanvraag en de voorwaarden voor toekenning.
Onder meer valt daarbij te denken aan een onderscheid tussen
voorzieningen die voor subsidie in aanmerking komen en voorzieningen die als
algemeen gebruikelijk worden aangemerkt en dus niet gesubsidieerd
worden.
Op grond van
het vierde lid kunnen ook zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
Deze bepaling geeft de mogelijkheid tot het treffen van regels in
verband met het vergoeden van kosten wanneer door een werkgever kosten zijn
gemaakt ten behoeve van de reïntegratie van een werknemer en deze
werknemer uiteindelijk de werkzaamheden niet kan hervatten. Er
zijn dan omstandigheden denkbaar die een dergelijke vergoeding wel
kunnen rechtvaardigen.
Artikel
4.2.5 [37].
Proefplaatsing
Eerste en
vijfde lid
In het eerste
lid van dit artikel wordt aan het UWV
en de eigenrisicodrager de bevoegdheid verleend, in het kader van de taak om de inschakeling in de arbeid te
bevorderen, aan de verzekerde die recht heeft op een WGA-uitkering
toestemming te verlenen onbeloonde werkzaamheden te verrichten op
een proefplaats bij een werkgever. Die werkzaamheden mogen maximaal
drie maanden duren. De gedeeltelijke arbeidsgeschikte die met
toestemming dergelijke werkzaamheden verricht, kan dit doen met behoud van
uitkering gedurende de periode waarover hij toestemming heeft verkregen
om die werkzaamheden te verrichten. De werknemer behoudt zijn
recht op uitkering niet indien de voor hem geldende uitkeringsduur
is verstreken.
Omdat het
vijfde lid van dit artikel reeds bepaalt dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte
gedurende de werkzaamheden op de proefplaats is ontheven van de
plicht passende arbeid te verkrijgen, is het niet nodig dat rblz.|174|
de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte wiens uitkering door een eigenrisicodrager wordt betaald
ook het UWV om toestemming verzoekt.
Derde lid
Het is denkbaar
dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte niet direct na het verkrijgen van
de toestemming, bedoeld in het eerste lid, met de werkzaamheden op de
proefplaats aanvangt. Voor het UWV
en de eigenrisicodrager is deze
informatie relevant, reden waarom de betrokkene hen, op grond van het
derde lid, hiervan op de hoogte moet brengen.
Samenhang met artikel 7.1.3 [56]
Het is niet
nodig in artikel 7.1.3 [56] ("Eindigen van het recht op een WGA-uitkering")
een uitzondering te maken met betrekking tot de verzekerde die arbeid op
een proefplaats verricht. Reden is dat, voor zover al geredeneerd zou
worden dat door het verrichten van arbeid op een proefplaats de mate arbeidsongeschiktheid afneemt, de gedeeltelijk arbeidsgeschikte
die een
loongerelateerde uitkering ontvangt, op grond van artikel
7.1.3 [56],
tweede of derde lid, zijn uitkering behoudt.
Ook met
betrekking tot de gedeeltelijk arbeidsgeschikte die een
loonaanvullingsuitkering of een vervolguitkering ontvangt en arbeid op een
proefplaats
verricht, hoeft niets bijzonders te worden geregeld. Artikel
7.1.3 [56], derde
lid, bepaalt namelijk dat die uitkering pas eindigt na één jaar indien met
arbeid meer dan 65% van het maatmanloon wordt verdiend. Daarvan is bij
proefplaatsing geen sprake.
§ 4.3.
Bevoegdheden en verplichtingen van het UWV
Artikel
4.3.1 [38].
Controlevoorschriften
De wet verleent
het UWV
de bevoegdheid controlevoorschriften vast te stellen. Deze
controlevoorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is
voor een juiste uitvoering van de wet. Bij de controlevoorschriften gaat het om
concretisering van de wettelijke bepalingen. Het primaire doel
van de controle is het verzekeren van een juiste wetstoepassing. Secundair doel
is de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik.
Artikel
4.3.2 [39].
Reïntegratieaanpak door het UWV
Eerste en
tweede lid
In de
reïntegratievisie zullen de in deze wet geregelde verplichtingen die zijn gericht op
reïntegratie worden geconcretiseerd. Indien in de reïntegratievisie
de verplichting is opgenomen dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte zoveel
mogelijk meewerkt aan reïntegratiewerkzaamheden die worden
aangeboden door een reïntegratiebedrijf, dan betekent dit dat de betrokkene moet
meewerken aan het reïntegratieplan dat het reïntegratiebedrijf in zijn geval
opstelt. Ook deze verplichting zal in de reïntegratievisie worden
opgenomen.
Uit het feit
dat de reïntegratievisie in samenspraak met de uitkeringsgerechtigde wordt opgesteld
(en geëvalueerd op grond van het tweede lid) en dat hierin
ook de plichten in verband met de werkzaamheden door een reïntegratiebedrijf
worden opgenomen, vloeit voort dat het UWV
en de uitkeringsgerechtigde samen een keuze voor een
reïntegratiebedrijf
maken.
Doel van deze
reïntegratievisie is dat voor de uitkeringsgerechtigde duidelijk is welke
verplichtingen en rechten aan zijn uitkering zijn verbonden.
rblz.|175|
Indien de
verplichtingen die in de reïntegratievisie zijn opgenomen niet worden
nageleefd door de uitkeringsgerechtigde, kan dit reden zijn voor het UWV
om hem
een sanctie (boete of maatregel) op te leggen. De reïntegratievisie
is dus op rechtsgevolg gericht, reden waarom daartegen bezwaar en
beroep openstaat.
Derde lid
Op grond van
het derde lid kan een reïntegratieplan worden opgesteld. Dit gebeurt als de
reïntegratievisie daartoe aanleiding geeft en wordt alsdan opgesteld door
het door het UWV
ingeschakeld reïntegratiebedrijf. In dit plan worden de
activiteiten beschreven die de uitkeringsgerechtigde en het reïntegratiebedrijf, in het kader van de
reïntegratie van de betrokkene,
gaan
verrichten. Als een plan wordt opgesteld, dient dat te gebeuren in samenspraak met
de verzekerde.
Het reïntegratieplan bevat een concretisering van de uitgangspunten in de
reïntegratievisie.
Indien naar aanleiding van de evaluatie de reïntegratievisie wordt
aangepast, kan dit ook gevolgen hebben voor het reïntegratieplan. Andersom zou
een bezwaar van de uitkeringsgerechtigde tegen de inhoud van het
plan (het plan bevat ook verplichtingen, waartegen de uitkeringsgerechtigde
bezwaar kan maken) ertoe kunnen leiden dat de reïntegratieactiviteiten
worden aangepast. In dat geval kan het noodzakelijk zijn ook de reïntegratievisie aan te passen. Het lijkt
waarschijnlijk dat
dit blijkt bij
de periodieke evaluatie van de reïntegratievisie, die in het tweede lid
wordt voorgeschreven.
Opgemerkt wordt
dat wanneer de verzekerde een individuele reïntegratieovereenkomst (IRO)
aanvraagt, hij zelf een reïntegratieplan dient op te stellen.
Artikel 4.3.2 [39], derde lid, biedt die ruimte nu het UWV
niet verplicht maar bevoegd is
een reïntegratieplan op te stellen.
Deze
mogelijkheid van het verstrekken van een IRO bestaat thans op grond van
artikel 4.2 van het Besluit SUWI en zal ook na inwerkingtreding van
dit
wetsvoorstel tot de mogelijkheden blijven behoren, hetgeen zal worden geregeld
in de Invoeringswet WIA.
Indien de
verzekerde niet een IRO aanvraagt, maar wel zelf een reïntegratieplan
opstelt, dat echter niet voldoet aan de eisen die het UWV daaraan stelt,
vervolmaakt het UWV dat plan. Uiteraard geschiedt dit eveneens in
samenspraak met de verzekerde.
Vierde lid
Nadat de
reïntegratievisie heeft geleid tot uitwerking in een reïntegratieplan, is het
waarschijnlijk dat er voor de verzekerde, ten opzichte van de reïntegratievisie,
nieuwe verplichtingen en rechten gelden. Deze nieuwe, vaak ook meer
gespecificeerde, verplichtingen en rechten dienen, met het oog op
kenbaarheid van rechten en plichten, in het reïntegratieplan te worden vermeld.
De kennisgeving van het aldus vastgestelde reïntegratieplan zou ertoe
kunnen leiden dat de uitkeringsgerechtigde daartegen bezwaar en
beroep indient. Zonder dit uit te sluiten, zal er toch een zodanige samenhang
tussen reïntegratievisie en -plan zijn dat dit niet tot dubbele
procedures leidt.
Vijfde lid
Op grond van
artikel 4.1 van het Besluit SUWI is het
UWV
verplicht in het contract met
een reïntegratiebedrijf of arbodienst op te nemen dat dat bedrijf, indien
het het gegronde vermoeden heeft dat een persoon van wie de
inschakeling in de arbeid wordt bevorderd (waaronder vergroting van
mogelijkheden tot het verrichten van arbeid moet worden begrepen) rblz.|176|
onvoldoende
medewerking verleent aan de reïntegratiewerkzaamheden, dit op verzoek
of uit eigen beweging aan het UWV meldt.
Indien het
UWV
zo’n melding krijgt, is het, op grond van het vijfde lid, verplicht een
beschikking te nemen omtrent de gehele of gedeeltelijke opschorting of
schorsing van de betaling van de uitkering aan de betrokkene. Zo’n
beschikking kan voor een duur van ten hoogste acht weken worden genomen.
In deze periode blijft het recht op uitkering bestaan. In deze periode
dient het UWV te onderzoeken of de melding van het reïntegratiebedrijf
moet leiden tot het opleggen van een sanctie aan betrokkene
(maatregel of boete).
Aanleiding voor
gehele opschorting of schorsing van de betaling van de uitkering kan
zijn dat een persoon blijkt heimelijk (zwart; clandestien) te werken en
daardoor in het geheel niet tracht passende arbeid te verkrijgen.
Aanleiding voor gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de
uitkering kan zijn dat een persoon die deelneemt aan een opleiding of
scholing blijkt zijn huiswerkopdrachten niet te vervullen of dat blijkt dat
een persoon de hem opgedragen specifieke sollicitatieactiviteiten niet of niet
behoorlijk verricht.
Tot gehele
opschorting of schorsing van de betaling van de uitkering, indien bepaalde
verplichtingen niet werden nageleefd, was het UWV
reeds verplicht
op grond van artikel 50, derde lid, van de huidige WAO. De
WW (artikel 30,
tweede lid) kent een daarmee overeenkomende regeling. In de praktijk is
gebleken dat behoefte bestaat aan de mogelijkheid van gedeeltelijke
opschorting of schorsing van de betaling. In het voorgestelde vijfde lid
wordt deze mogelijkheid geregeld.
Van opschorting
van de betaling van de uitkering is sprake indien de uitkering is aangevraagd
en is toegekend, maar nog geen betaling van de uitkering heeft
plaatsgevonden. Van schorsing is sprake indien de betaling van een lopende
uitkering wordt stopgezet.
De beschikking
om al dan niet op te schorten of te schorsen, is een besluit in de zin van
de Awb. Dit houdt in dat het UWV
voorafgaand aan de beschikking een
belangenafweging dient te maken. Dat wil zeggen dat het UWV het belang
van het niet naleven van de verplichtingen door de betrokkene
dient af te wegen tegen het belang van het tijdelijk opschorten of schorsing in
verband met het te starten onderzoek naar de noodzaak van het
opleggen van een sanctie aan betrokkene. Benadrukt wordt dat bij dit besluit dus
nog geen belangenafweging omtrent die eventuele sanctieoplegging hoeft te worden
gemaakt.
Tegen de
beslissing tot opschorten of schorsing staat bezwaar en beroep open.
Zesde lid
Op grond van
het zesde lid dient het UWV
het reïntegratiebedrijf naar aanleiding van
wiens melding een beschikking tot opschorting of schorsing als bedoeld in
het vijfde lid is genomen, in kennis te stellen van die beschikking.
Indien het UWV meent dat het opleggen van een sanctie aan betrokkene
noodzakelijk is, dient het UWV het reïntegratiebedrijf dat ten behoeve van die
uitkeringsgerechtigde werkzaamheden gericht op vergroting van de
mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of op inschakeling in arbeid
verricht, op grond van artikel 10.10
[97] daarvan in kennis te stellen.
Zevende lid
Met het zevende
lid wordt duidelijk gemaakt dat artikel 4.3.2
[39] slechts de rblz.|177|
invulling van
de reïntegratietaak van het UWV
regelt. De in dat artikel opgenomen
plichten en bevoegdheden van het UWV gelden dus niet ten aanzien van een
verzekerde als bedoeld in artikel 9.1 [82].
Artikel
4.3.3 [40].
Instroomcijfers Wet WIA
Algemeen
Met dit artikel
wordt het UWV
verplicht WGA-gegevens per werkgever openbaar te
maken. Het betreft het WGA-instroompercentage. Bij ministeriële regeling worden
de categorieën van werkgevers aangegeven waarvan de
instroomgegevens openbaar worden gemaakt en worden regels gesteld
met betrekking tot de wijze van openbaarmaking.
Tweede lid
In het kader
van de uitvoering van de Wet instroomcijfers WAO
(zie ook artikel 80a
WAO) is het gebruikelijk om als moment van de instroom te hanteren het
moment waarop de uitkering voor het eerst wordt uitbetaald. In dit artikel
wordt daarbij aangesloten.
Derde lid
Indien een
werkgever bij meer dan één sector is aangesloten, kan een vertekend beeld
ontstaan indien bij de publicatie van de WGA-instroomcijfers van die
werkgever geen onderscheid wordt gemaakt tussen de bedrijfsonderdelen
die bij de ene en de bedrijfsonderdelen die bij de andere sector
behoren. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij een gemeentebestuur dat zowel
werkgever is van het gemeentepersoneel als van het personeel van het
(openbaar) onderwijs in die gemeente. De toevoeging van een derde lid,
waarbij is aangesloten bij de wijze van vaststelling van de
gedifferentieerde WGA-premie bij
dergelijke werkgevers, maakt afzonderlijke publicatie van
WGA-instroomcijfers van de desbetreffende bedrijfsonderdelen van een werkgever per sector mogelijk.
Artikel
4.3.4 [41].
Periodieke
beoordeling volledig en duurzaam arbeidsongeschikte met
geringe kans op herstel
Op grond van
artikel 4.3.4 [41], eerste lid, dient het UWV
de volledig en duurzaam arbeidsongeschikte
die op lange termijn een geringe kans op herstel heeft jaarlijks
te beoordelen. Deze plicht heeft het UWV in principe gedurende de eerste vijf
jaar na toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Bij deze
beoordeling hoeft het UWV slechts te toetsen of de betrokkene nog
volledig arbeidsongeschikt is en niet of hij nog duurzaam arbeidsongeschikt
is. Op grond van artikel 6.1.3 [49], tweede lid, eindigt zijn recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in die situatie immers
echter pas op
de dag dat hij (daadwerkelijk) geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikt blijkt te zijn
en dus niet langer volledig arbeidsongeschikt is.
§ 4.4.
Verplichtingen van de eigenrisicodrager
Artikel
4.4.1 [42].
Reïntegratieplicht eigenrisicodrager
In dit artikel
wordt de reïntegratieplicht van de eigenrisicodrager geregeld. Dit betreft de
reïntegratieplicht vanaf het moment dat het recht op een WGA-uitkering
voor de verzekerde is vastgesteld. Deze plicht moet worden
onderscheiden van de reïntegratieplicht die de eigenrisicodrager als werkgever
heeft tijdens de eerste twee ziektejaren. Deze plicht vloeit voort uit
artikel 658a BW
voor wat betreft de "gewone werkgever" en rblz.|178|
artikel XV van
de Wet terugdringing ziekteverzuim voor wat betreft de overheidswerkgevers.
Eerste lid
In het eerste
lid wordt de reïntegratieplicht van de eigenrisicodrager geformuleerd ten aanzien van
de verzekerden wiens WGA-uitkering hij betaalt. De reïntegratieverplichting gedurende de eerste twee ziektejaren was in algemene zin
geregeld in artikel 8 van de Wet
Rea. Die is in feite vervangen door
de verplichting die, als hiervoor is aangegeven, gekoppeld is
aan de verplichting van de werkgever tot het doorbetalen van loon. Artikel 8
Wet Rea
kende ook de mogelijkheid de reïntegratieverplichting op vrijwillige
basis voort te zetten voor in feite de periode van eigen risico dragen
op grond van de WAO. In het verlengde hiervan is de
reïntegratietaak
van de eigenrisicodrager ook in deze wet voortgezet en uitgebreid. Het
betreft hier een zelfstandige bevoegdheid, die uit |