|
REGELING van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juli 2007, nr. SV/WV/07/24387,
houdende regels omtrent de verdere activering van zieke werknemers
zonder werkgever door middel van het vastleggen van een procesgang met
betrekking tot de inschakeling in het arbeidsproces in het eerste en
tweede ziektejaar (Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar voor
vangnetters zonder werkgever)
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 26,
vierde lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
Besluit:
Art.
1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de vangnetter: de persoon die op
grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a,
b, c of d, van de
Ziektewet recht heeft op ziekengeld;
b. plan van aanpak: het plan van
aanpak, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Art.
2. Probleemanalyse
-1. Het UWV vormt zich, indien er naar
verwachting sprake is van dreigend langdurig ziekteverzuim van een
vangnetter, binnen zes weken na de eerste dag van ongeschiktheid tot het
verrichten van arbeid een oordeel over het desbetreffende ziektegeval.
-2. Het UWV vormt zich onverwijld een
oordeel over het desbetreffende ziektegeval indien eerst na zes weken
blijkt dat het ziekteverzuim van de vangnetter naar verwachting
langdurig dreigt te zijn.
Art.
3. Houden van aantekening
-1. Het UWV houdt vanaf het moment waarop
naar verwachting sprake is van dreigend langdurig ziekteverzuim
aantekening als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
-2. Het UWV legt bij het houden van
aantekening, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval alle gegevens,
documenten en correspondentie vast die betrekking hebben op het verloop
van het ziekteverzuim, het aantal feitelijk gewerkte uren en de op
grond van deze regeling ondernomen activiteiten.
Art.
4. Plan van aanpak
-1. Indien uit het oordeel van het UWV,
bedoeld in artikel 2, blijkt dat er nog mogelijkheden zijn om de
terugkeer naar arbeid van de vangnetter te bevorderen, stelt het UWV, in
overleg met die vangnetter, binnen twee weken na het oordeel een plan
van aanpak op.
-2. Het plan van aanpak omvat in ieder
geval:
a. de door de vangnetter en het UWV
te ondernemen activiteiten gericht op inschakeling in de arbeid, de
daarmee te bereiken doelstellingen en de termijnen waarbinnen die
doelstellingen naar verwachting kunnen worden bereikt;
b. afspraken omtrent de momenten
waarop de in het plan van aanpak vastgelegde activiteiten door de
vangnetter en het UWV periodiek worden geëvalueerd;
c. aanwijzing van een persoon die de
vastgelegde activiteiten begeleidt en het contact verzorgt tussen de
vangnetter en het UWV.
-3. Het plan van aanpak wordt schriftelijk
vastgelegd. Het UWV verstrekt hiervan onverwijld een afschrift aan de
vangnetter en de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde persoon.
-4. Het plan van aanpak wordt bijgesteld
indien de evaluatie van dat plan van aanpak of het geneeskundige
onderzoek, bedoeld in artikel 28 van de
Ziektewet, daartoe aanleiding
geeft. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art.
5. Periodieke herijking
-1. Onverminderd de periodieke evaluatie,
bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, vindt er na afloop van
ieder tijdvak van 26 weken een periodieke herijking plaats. Bij de
periodieke herijking wordt beoordeeld of de re-integratiedoelstelling van
het afgelopen tijdvak is behaald en wordt voor het komende tijdvak
vastgesteld wat de te behalen re-integratiedoelstelling zal zijn en
welke aanpak daartoe is vereist. Artikel 4, derde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
-2. Het plan van aanpak wordt bijgesteld
indien de periodieke herijking daartoe aanleiding geeft.
Art.
6. Afwijken van termijnen
Van de termijnen, bedoeld in de artikelen 2, 4 en
5, kan door het UWV,
na overleg met de vangnetter, gemotiveerd worden afgeweken.
Art.
7. Inhoud van het re-integratieverslag
Het re-integratieverslag, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, bevat met betrekking tot de
vangnetter in ieder geval:
a. de noodzakelijke administratieve
gegevens van de vangnetter en het UWV;
b. gegevens omtrent de door de
vangnetter laatst verrichte functie;
c. gegevens omtrent de bekwaamheden
van de vangnetter;
d. vermelding van de eerste dag van
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
e. het oordeel van het UWV, bedoeld
in artikel 2;
f. het plan van aanpak en de
bijstellingen, bedoeld in artikel 4, vierde lid;
g. de resultaten van iedere
periodieke herijking als bedoeld in artikel 5;
h. de meest recente evaluatie van de
voortgang en de uitvoering van de in het plan van aanpak gemaakte
afspraken;
i. een actueel oordeel van het UWV
over het verloop van de ongeschiktheid tot werken, de functionele
beperkingen en mogelijkheden van de vangnetter tot het verrichten van
arbeid;
j. een actueel oordeel van het UWV
over de aanwezigheid van passende arbeid; en
k. een oordeel van de vangnetter
omtrent de op grond van de onderdelen a tot en met i opgenomen gegevens
en oordelen.
Art.
8. Overgangsrecht
Deze regeling is niet van toepassing met betrekking tot personen die vóór de dag van de inwerkingtreding van deze regeling recht hadden op
ziekengeld voor de duur van dat recht op ziekengeld.
Art.
9. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het bij
koninklijke boodschap van 13 december 2006 ingediende voorstel van wet
houdende regels tot bevordering van de activering van personen die
aanspraak maken op een uitkering op grond van de
Ziektewet (Kamerstukken
II 2006-2007, 30 909, nr. 1) tot wet wordt verheven en in werking
treedt.¹
1. Bij Besluit
van 14 december 2007, Stb. 2007, 554, is het tijdstip van
inwerkingtreding van de Wet van 12 december 2007, houdende regels tot bevordering van de activering van personen die
aanspraak maken op een uitkering op grond van de
Ziektewet (Stb. 2007, 553), bepaald op 1 januari 2008, red.
Art.
10. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling procesgang eerste en tweede
ziektejaar voor vangnetters zonder werkgever.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 13 juli
2007.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
TOELICHTING
[13 juli 2007]
Algemeen
1.
Aanleiding, doel
In het voorstel van
wet tot bevordering van de activering van personen die
aanspraak maken op een uitkering op grond van de
Ziektewet (Kamerstukken
II 2006-2007, 30 909, nr. 3, hierna: wetsvoorstel activering zieke
vangnetwerknemers) is een regeling voor de procesgang van zieke vangnetters
aangekondigd. Deze regeling voorziet hierin.
Doel van het vastleggen van de procesgang is
bij te dragen aan een verdere versterking van de activering voor zieke
vangnetters die geen werkgever (meer) hebben. Oogmerk is dat zij zo snel
mogelijk herstellen en weer een plek vinden op de arbeidsmarkt. De
regeling beoogt daartoe duidelijkheid te bieden over de te ondernemen
activiteiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: het UWV) en de vangnetter, gericht op herstel en re-integratie,
gedurende de eerste twee ziektejaren. De vangnetter heeft hierin een
eigen verantwoordelijkheid; het UWV is verantwoordelijk voor een
adequate ondersteuning en begeleiding van de vangnetter op weg naar
herstel en re-integratie. Deze aanpak is niet vrijblijvend.
De regeling maakt transparant welke stappen bij
een bepaalde ziekteduur concreet zijn aangewezen en biedt een
normenkader voor concrete actie. Daarmee biedt de regeling, uitgaande
van de wettelijke kaders, duidelijkheid voor de vangnetter en de
uitvoeringsorganisatie zelf over hetgeen over en weer in redelijkheid
van elkaar verlangd kan worden.
Deze regeling moet goed worden onderscheiden
van de Regeling procesgang eerste en tweede
ziektejaar die voor gewone werkgever-werknemerrelaties geldt.¹ Die regeling heeft betrekking op
situaties waarin de zieke werknemer nog een werkgever heeft, met een
loondoorbetalingsplicht en een re-integratieplicht bij ziekte. Er zijn
echter ook werknemers die bij ziekte geen werkgever (meer) hebben. De
onderhavige regeling geldt voor hen. Werknemers zonder werkgever worden
in het vervolg van deze toelichting voortaan "vangnetters"genoemd,
omdat zij bij ziekte voor hun inkomensbescherming zijn aangewezen op de
Ziektewet (hierna: ZW) die als vangnet dient.
1. De oorspronkelijke Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar is gepubliceerd in Stcrt. 2002, 60; zie voor de
laatste wijziging van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar
Stcrt.
2005, nr. 123.
Er is aanleiding om voor zieke vangnetters een eigen regeling
procesgang op te stellen.
Uit onderzoek in het kader van de evaluatie Wet
verbetering poortwachter (Kamerstukken II 2005-2006 30 510, nr. 1) is
naar voren gekomen dat deze groep meer aandacht verdient. Ook wijzen
gegevens van het UWV
erop dat de instroom vanuit deze groep in de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)/Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA) relatief hoog is. Kenmerkend voor deze groep
is dat zij bij ziekte geen werkgever (meer) hebben. Dit betekent dat het
UWV samen met de vangnetter zelf al het redelijkerwijs mogelijke en
nodige dient te ondernemen gericht op verzuimbeheersing en re-integratie.
De regeling is gebaseerd op artikel
26, vierde
lid, van de Wet WIA en uitgewerkt in het verband van de stuurgroep
verbetering poortwachter. Voor zover mogelijk wordt aangesloten bij de Regeling procesgang eerste en tweede
ziektejaar voor gewone
werkgever-werknemerrelaties en het beoordelingskader poortwachter [zie Beleidsregels
beoordelingskader poortwachter, red.].¹ Alleen voor
zover de positie van vangnetters afwijkend is, wordt in de onderhavige
regeling afgeweken.
Deze toelichting is verder als volgt opgebouwd.
Paragraaf 2 geeft een beknopte beschrijving van de doelgroep
vangnetters.
De volgende paragraaf gaat in op de verantwoordelijkheden van vangnetter
en het UWV. Daarbij komen de rechten en plichten van de vangnetter aan
bod en de ondersteuning en begeleiding door het UWV. In paragraaf 4
komen de te volgen processtappen aan de orde. Afgesloten wordt met een
paragraaf over de communicatie tussen vangnetter en het UWV.
1. Zie Staatscourant 16 november 2006, nr. 224.
2. Doelgroep
vangnetters
Deze regeling
geldt voor vangnetters die geen werkgever meer hebben - en dus ook
geen aanspraak kunnen maken op loondoorbetaling door de werkgever - en
aanspraak maken op ziekengeld op grond van de ZW. Gewone werknemers
hebben nog wel een werkgever die het loon dient door te betalen en die
al het mogelijke moet doen voor de re-integratie.
Bij vangnetters zonder werkgever is dit niet
aan de orde. Bij vangnetters zonder werkgever moet onder meer worden
gedacht aan werklozen, verzekerden die recht hebben op ziekengeld op
grond van de nawerkingsregeling in artikel 46 van de
ZW, uitzendkrachten
met een uitzendbeding en andere verzekerden van wie de
arbeidsovereenkomst tijdens de eerste twee ziektejaren eindigt.
Het verzuimrisico verschilt tussen de
verschillende groepen vangnetters sterk: bij uitzendkrachten komt
relatief veel kortdurend verzuim voor, bij zieke werklozen en werknemers
met een tijdelijk contract is het verzuim relatief vaker langdurig. Bij
vangnetters zonder werkgever zijn dus het UWV
en de vangnetter
verantwoordelijk voor verzuimbeheersing en re-integratie.
Voor de goede orde zij erop gewezen dat er ook
vangnetters zijn die bij ziekte nog wel een werkgever hebben. Het
betreft een minderheid van de ZW-gevallen. Deze vangnetters met een
werkgever komen in aanmerking voor ziekengeld door het UWV om
risicoselectie door de werkgever te voorkomen. Voor hen geldt dat het
ziekengeld compensatie biedt voor de loondoorbetaling waartoe de
werkgever verplicht is.¹ De werkgever is in deze situaties
verantwoordelijk voor de re-integratie, niet het UWV. Voor vangnetters
met een werkgever geldt de "gewone" regeling
procesgang.
1. Het betreft werkneemsters die
tengevolge van zwangerschap of
bevalling ziek worden, orgaandonoren en werknemers die onder de
zogenaamde no-riskpolis vallen (artikel 29b
Ziektewet).
3.
Verantwoordelijkheden vangnetter en het UWV
De vangnetter
die een ZW-uitkering ontvangt, heeft zelf een eigen verantwoordelijkheid
om zich actief in te spannen voor zijn eigen herstel en voor
werkhervatting.
Het UWV heeft de wettelijke taak te bevorderen
dat personen met een ZW-uitkering worden ingeschakeld in het
arbeidsproces.¹ Dit betekent dat het UWV bij vangnetters
verantwoordelijk is voor een adequate verzuimbegeleiding en
ondersteuning bij re-integratie. Omdat zieke vangnetters geen werkgever
(meer) hebben, ziet het UWV zich bij deze groep geplaatst voor twee
taken: naast het bevorderen van herstel is ook bevordering van het
krijgen van een (nieuwe) baan nodig.
Ook ziet het UWV toe op nakoming door de
vangnetter van zijn verplichtingen en afspraken.
Het UWV vervult ten aanzien van vangnetters de
arborol die een werkgever voor "gewone" werknemers heeft. Een
belangrijk verschil is wel dat het UWV geen werkgever is voor de
vangnetters. De vangnetter heeft dus geen werkgever en geen
arbeidsplaats waarnaar hij al of niet geleidelijk kan terugkeren en
waardoor hij zijn arbeidsgeschiktheid kan bevorderen of herstellen.
Hierdoor zijn de mogelijkheden van het UWV begrensd. Vergeleken met een
gewone werkgever moet het UWV immers de inzet op re-integratie-inspanningen veelal extern organiseren.
Voor vangnetters zonder werkgever is adequate
ondersteuning en begeleiding van het UWV van groot belang op weg naar
herstel en re-integratie. In de volgende subparagrafen wordt
duidelijkheid geboden over wat in redelijkheid van elkaar mag worden
verwacht.
1. Artikel 30 van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
(Wet SUWI).
3.1.
Rechten en plichten vangnetter
De vangnetter
heeft bepaalde rechten en plichten. Zo heeft de vangnetter recht op
uitkering bij ziekte, zolang hij aan de voorwaarden van de ZW
voldoet.
Het recht op een uitkering op grond van de ZW duurt maximaal twee jaar.
Van de vangnetter mag worden verwacht dat hij
al het redelijke doet om weer te herstellen en het werk te hervatten,
bijvoorbeeld door het actief zoeken naar passend werk. Uitgangspunt is
immers dat niet gekeken wordt naar wat iemand niet meer kan, maar naar
wat iemand nog wel kan. Het UWV ondersteunt hem zoveel mogelijk daarbij.
1) Meewerken aan herstel
Van de vangnetter wordt verwacht dat hij actief werkt aan zijn herstel.
Dit betekent onder meer dat hij zich door een arts laat begeleiden en
voorschriften van een behandelend arts opvolgt en dat hij zijn genezing
niet belemmert.
2) Meewerken aan re-integratie; actief
zoeken naar passende arbeid
Van de vangnetter wordt ook verwacht dat hij actief meewerkt aan
re-integratie en actief zoekt naar passende arbeid. Een belangrijk
uitgangspunt daarbij is dat van de zieke vangnetter een ruimere
opstelling wordt verlangd naarmate de ziekte langer duurt. Dit
uitgangspunt is ook van toepassing op zieke werknemers in het kader van
de Wet verbetering poortwachter.
Deze uitgangspunten alsmede de concrete
uitwerking daarvan voor vangnetters wordt hieronder toegelicht.
Artikel 30 van de ZW
verplicht de werknemer - die recht op ziekengeld heeft - om passende arbeid te aanvaarden en om
te proberen die passende arbeid te verkrijgen. In de ZW
is thans geen
definitie opgenomen van het begrip passende arbeid. Op grond van het
wetsvoorstel activering zieke vangnetwerknemers zal artikel 30
ZW voortaan de volgende definitie kennen: "Als passende arbeid wordt
beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de
werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke,
geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd".¹
Deze definitie is ontleend aan de definitie in
de Werkloosheidswet (hierna: WW). Van de werkloze werknemer wordt een
ruimere opstelling verlangd naarmate de werkloosheid langer duurt. Ten
aanzien van de zieke vangnetters wordt hierop aangesloten. Dit betekent
dat niet alleen van werkloze werknemers, maar ook van zieke werknemers
en vangnetters mag worden verwacht dat zij zich met de tijd ruimer
opstellen ten aanzien van het accepteren van passende arbeid. Wat
betreft de nadere invulling van het begrip passende arbeid is er een
belangrijk verschil tussen zieke werknemers met en zonder werkgever. Bij
een werknemer in loondienst wordt eerst nagegaan of de werknemer de
eigen arbeid nog kan verrichten (al dan niet met aanpassingen of anders
organiseren van het werk). Als dat niet mogelijk is, wordt gekeken naar
passende arbeid binnen het bedrijf van de werkgever en vervolgens naar
passende arbeid buiten het bedrijf van de werkgever.
Een dergelijke benadering is niet mogelijk bij
een zieke vangnetter omdat de vangnetter zonder werkgever nu eenmaal
geen werk meer heeft. Uiteraard wordt ook in deze situatie eerst bezien
of de zieke vangnetter weer zodanig is hersteld dat hij zijn werk weer
kan doen. Is dat echter niet het geval, dan bestaat geen mogelijkheid om
te zoeken naar ander passend werk bij de eigen werkgever en zal de zieke
vangnetter daarom - evenals de werkloze werknemer - op zoek moeten
gaan naar ander passend werk bij een andere werkgever. Het UWV
richt
zich daarbij op de reactivering door de inzet van instrumenten en inkoop
van re-integratietrajecten met als doel: schadelastbeperking en maximale
ontplooiing van de ZW-cliënten in werk.
Ten aanzien van zieke vangnetters ligt het dan
ook in de rede om, wat betreft de inhoud van het begrip passende arbeid,
aan te sluiten bij de WW en met name bij de uitleg die de bij de WW
behorende Richtlijn passende arbeid 1996 (hierna: de
richtlijn)
daaraan in de praktijk geeft. Naast de beloning voor het werk en de
reisduur, is als één van de criteria voor passende arbeid in de richtlijn opgenomen de aard van het werk. Dit omvat twee aspecten: het
niveau van opleiding en/of werkervaring en een periodieke herijking van
hetgeen van een vangnetter mag worden verwacht.
Dit betekent dat de vangnetter die zich door
opleiding en/of werkervaring voor een bepaald beroep of arbeid op een
bepaald niveau heeft gekwalificeerd zich het eerste halfjaar mag
richten op arbeid overeenkomstig het vroegere beroep en niveau en in
beginsel niet verplicht is zich te richten op een lager niveau of in een
ander beroep. Wanneer de ziekte langer dan een halfjaar duurt, dient de
betrokkene zich ruimer op te stellen. Dan wordt ook werk op een lager
niveau en in een ander beroep als passende arbeid aangemerkt. In
concreto betekent dit dat voor een HBO-er het eerste halfjaar werk
passend wordt geacht op HBO-niveau, het tweede half jaar op MBO-niveau
en na één jaar ook werk op VMBO-niveau.² Uiteraard is dat alleen aan
de orde als de betrokkene in staat is - gelet op zijn
gezondheidstoestand - om concrete
functies op dat niveau te vervullen.
De invulling van het begrip passende arbeid is
afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gemotiveerde
afwijkingen van de hiervoor gegeven kaders zijn dus denkbaar.
Zo moet bij de invulling van het begrip passende arbeid ten
aanzien van zieke vangnetters rekening worden gehouden met het feit dat
de betrokkene door ziekte beperkingen heeft.
Dit betekent enerzijds dat voor de duiding van
passende arbeid de weegfactor "beperkingen"
een belangrijke rol speelt. Anderzijds is het ter bevordering van de
herstelkans en in het kader van de activering van essentieel belang dat
de zieke vangnetter zijn resterende mogelijkheden zo snel mogelijk
benut. Zo kan het nodig zijn om al meteen aan te koersen op arbeid op
een lager niveau of arbeid in een ander beroep. Dat kan zich voordoen
wanneer de beperkingen van betrokkene zodanig zijn dat betrokkene naar
verwachting het werk op eigen niveau of in het eigen beroep ook op
langere termijn niet meer zal kunnen doen. Maar dit kan ook aan de orde
zijn wanneer een werknemer ziek wordt vanuit een langdurige werkloosheid
en al geruime tijd moet zoeken naar werk op een lager niveau. Voorts kan
een tijdelijke hervatting op een lager niveau geïndiceerd zijn teneinde
het arbeidsritme te behouden.
Het omgekeerde kan ook het geval zijn. Als er
een concreet uitzicht bestaat op werkhervatting op het eigen niveau
binnen redelijke termijn, zal de re-integratie daarop gericht moeten
zijn.
Van belang is dat tussen het UWV
en de
vangnetter helder wordt, ook in de communicatie, wat men qua re-integratieactiviteiten over en weer van elkaar mag verwachten. Het UWV
stelt in overleg met de vangnetter een plan van aanpak op, waarin
afspraken worden gemaakt met betrekking tot re-integratie. Van de
vangnetter wordt verwacht dat hij meewerkt aan het opstellen van het
plan van aanpak en dat hij de in het plan van aanpak gemaakte afspraken
nakomt.
Het UWV kan de vangnetter overigens verplichten
zich als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen
(hierna: CWI) te laten inschrijven en deze inschrijving op tijd te
verlengen. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 3.2.
1. Net als in de WW
geldt hierbij overigens de volgende uitzondering:
Niet als passende arbeid wordt beschouwd arbeid op grond van een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 van de
Wet sociale werkvoorziening.
2. Voor de verschillende categorieën, ingedeeld naar het niveau dat door
opleiding en/of werkervaring is bereikt, kan worden uitgegaan van
perioden van een halfjaar. Het geheel ziet er dan schematisch als volgt
uit:
| Niveau |
Acad./HBO |
MBO |
VMBO |
Basis |
| Acad./HBO-er |
0-6 mnd |
6-12 mnd |
12-18 mnd |
na 18 mnd |
| MBO-er |
x |
0-6 mnd |
6-12
mnd |
na 12 mnd |
| VMBO-er |
x |
x |
0-6 mnd |
na 6
mnd |
3) Inlichtingenverplichtingen
De vangnetter heeft ook een aantal informatieverplichtingen ten opzichte
van het UWV. De vangnetter dient bijvoorbeeld het UWV uit eigen beweging
te informeren over zaken die van invloed kunnen zijn op het recht op of
de hoogte van een ZW-uitkering (artikel 49 van de
ZW). Dit betreft
bijvoorbeeld: betrokkene gaat werken, is niet meer ziek, verhuist naar
het buitenland
De vangnetter die naast zijn ziekengeld
gedeeltelijk werkt en daarvoor loon ontvangt, is verder verplicht het UWV
hiervan op de hoogte te stellen (artikel 31 van de
ZW).
4) Sancties
In het kader van het evenwicht van rechten en plichten en van de
redelijkheid is het passend dat bij niet-nakoming van verplichtingen
sancties volgen.
Wanneer de vangnetter zijn verplichtingen niet
nakomt om actief naar passende arbeid te zoeken of actief mee te werken
aan herstel, legt het UWV met toepassing van het
Maatregelenbesluit UWV een maatregel op. In dat geval vindt een korting op de uitkering plaats.
Bij overtreding van de inlichtingenverplichting betreffende inkomsten of
de inlichtingenplicht legt het UWV een boete op.
3.2.
Ondersteuning en begeleiding door het UWV en re-integratie-instrumenten
Het is de taak
van het UWV de vangnetter waar nodig te ondersteunen en te begeleiden
bij het zoeken naar werk. Deze ondersteuning kan, afhankelijk van de
concrete omstandigheden, op verschillende manieren invulling krijgen.
Maatwerk is hierbij van groot belang. Voorts is het van belang dat de
aanpak wordt afgestemd met de vangnetter. Van hem mag worden verwacht
dat hij meewerkt aan inspanningen, gericht op herstel en re-integratie,
die in redelijkheid van hem gevergd kunnen worden. De ondersteuning,
gericht op herstel en werkhervatting, is dus niet vrijblijvend.
Uitgangspunt voor de in te zetten aanpak is dat
helder is welke beperkingen en mogelijkheden een vangnetter nog heeft.
Dit moet blijken uit de probleemanalyse (zie paragraaf 4). Op basis daarvan
beziet het UWV samen met de vangnetter welke actie in de gegeven
situatie noodzakelijk is.
Uit de probleemanalyse kan blijken dat de
vangnetter, ondanks beperkingen, wel mogelijkheden om te werken heeft.
Er zijn dan twee mogelijkheden: er is een geringe afstand tot de
arbeidsmarkt; er is een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
Ad 1
Cliënten met een geringe afstand tot de arbeidsmarkt hebben in het
algemeen geen drempels om passend werk te vinden. Deze vangnetter kan,
net als de werkzoekende in de WW, doorgaans zelfstandig op zoek gaan
naar werk.
Het UWV kan de vangnetter die naar verwachting
op eigen kracht werk kan vinden, verwijzen naar de CWI (artikel
30, derde
lid, ZW). De inschrijving bij de CWI kan een extra ingang bieden
richting werkgevers. De vangnetter die bij de CWI is ingeschreven, moet
die inschrijving steeds op tijd verlengen, de aanwijzingen van de CWI
opvolgen en gevolg geven aan elke verwijzing naar een werkgever die
passend werk beschikbaar heeft.
Ook kan het UWV betrokkene verwijzen naar een
uitzendbureau,
indien dit laatste naar verwachting de kansen op re-integratie meer
vergroot. Relevant is dat het UWV goede contacten heeft opgebouwd en
afspraken gemaakt met de uitzendsector, in het kader van onder meer het
project Samen Meer Verzuim Minder. Dit kan de ingang van vangnetters bij
werkgevers vergemakkelijken. Het UWV blijft verantwoordelijk voor de
re-integratie van deze vangnetters.
De vangnetter die zelfstandig op zoek kan gaan
naar werk zal zich in het algemeen moeten oriënteren op mogelijkheden
op arbeid bij een nieuwe werkgever; het dienstverband met de oude
werkgever is immers beëindigd. Dit betekent concreet dat de vangnetter
aangesproken zal moeten worden op het nakomen van zijn
sollicitatieverplichtingen.¹ Als uitgangspunt geldt dat vangnetters die
op de arbeidsmarkt reële arbeidskansen hebben, en die in dit opzicht
vergelijkbaar zijn met andere werkzoekenden, ook voldoende
sollicitatieactiviteiten moeten verrichten. Van degenen van wie de
kansen het grootst zijn, zullen in de regel meer
sollicitatieactiviteiten worden gevergd dan van degene met minder
kansen. Dit is, net als bij de WW, een kwestie van maatwerk.
Tot slot kan extra hulp van het UWV
noodzakelijk zijn. Soms kunnen kortdurende sociaalmedische of
arbeidskundige interventies (hulp bij sollicitaties) nodig zijn.
Ondersteuning door het UWV kan ook gestalte krijgen door de inzet van
een proefplaatsing bij een werkgever. Ook de inzet van
werkplekaanpassing en meeneembare voorzieningen kan aangewezen zijn.
1. In sommige gevallen zal
de vangnetter bij zijn oude werkgever naar werk kunnen vragen, zeker
wanneer daarmee goede contacten bestaan en de duur van de ziekte nog
beperkt is.
Ad 2
Deze cliënten hebben een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Deze
vangnetters hebben in het algemeen wel een drempel om passend werk te
vinden. Er moet dus primair worden ingezet op activiteiten en
interventies die de afstand tot de arbeidsmarkt verkleinen, bijvoorbeeld
door vergroting van de functionele mogelijkheden en de kwalificaties.
Zo kunnen sociaalmedische interventies tot
verhoging van de belastbaarheid aan de orde zijn. Gedacht kan worden aan
behandeling van psychische klachten (traumabehandeling, stresstraining)
of een behandeling van fysieke klachten (fysiotherapie, specifieke
training) of trainingen om te voorkomen dat iemand weer ziek wordt
(bijvoorbeeld assertiviteitstraining). Hierbij kan gebruik gemaakt
worden van bestaande professionele richtlijnen en protocollen.
In het algemeen geldt dat ook vangnetters met
een grote afstand tot de arbeidsmarkt zich moeten inschrijven bij de CWI
en zullen moeten solliciteren. In een aantal gevallen kan aanvullende
hulp bij sollicitaties nodig zijn, bijvoorbeeld via
sollicitatietrainingen. Dit is niet altijd toereikend. Dan kan een
omscholing of traject aangewezen zijn. Hierbij kan gebruik worden
gemaakt van een aanbesteed re-integratietraject en inschakeling van een
re-integratiebedrijf of modulaire inkoop door de re-integratiecoach. Een
traject kan onder meer bestaan uit bemiddeling, aanbodversterking e.d.
Ook bestaat de mogelijkheid dat een vangnetter een IRO-traject [IRO:
individuele re-integratieovereenkomst, red.] aanvraagt
bij het UWV, waarbij hij zelf de regie in handen heeft.
Het voorgaande gaat ervan uit dat de vangnetter
zich op een functie in loondienst oriënteert. Het kan echter passend
zijn bij de capaciteiten en mogelijkheden van de vangnetter om te kijken
naar de mogelijkheden om als zelfstandige betaalde arbeid te verrichten.
De inzet van een starterskrediet of van een arbeidsplaatsvoorziening kan
daarbij behulpzaam zijn.
Als blijkt dat er, althans voorlopig, geen
reële mogelijkheden zijn om te werken, kunnen de hierboven genoemde
sociaalmedische interventies ter bevordering van de functionele
mogelijkheden aan de orde zijn.
Financiering van de re-integratieactiviteiten
van het UWV vindt plaats uit het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf).
Ontwikkelingen en ervaringen gedurende het
re-integratieproces kunnen reden zijn om de invulling van de
verplichtingen aan te scherpen of af te zwakken. Aanscherping van
verplichtingen - samen met
oplegging van een maatregel - kan aan de orde zijn als de vangnetter
zich voor zijn re-integratie niet voldoende lijkt in te spannen. Wanneer
opgelegde verplichtingen naderhand niet haalbaar of zinvol blijken te
zijn, kunnen deze worden teruggebracht tot een realistischer niveau.
Zulke wijzigingen worden vastgelegd in een bijstelling van het plan van
aanpak.
Volgens de bovengeschetste aanpak beoordeelt
het UWV, in overleg met de vangnetter, ten minste elke zes maanden wat de
situatie is en welke afspraken voor de komende periode dienen te worden
gemaakt, gericht op de re-integratie.
Goede informatie aan de vangnetter is daarbij
steeds van belang, bijvoorbeeld met betrekking tot de medische
beperkingen van betrokkene, welke functies men kan zoeken en welke
ondersteuning het UWV kan geven.
Als een vangnetter duurzaam geen mogelijkheden
tot werken meer heeft, is re-integratie niet aan de orde.
4.
Processtappen
De Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar die al geruime tijd voor
werknemers in loondienst geldt, heeft als uitgangspunt gediend voor de
beschrijving van de processtappen die ten aanzien van de vangnetter
verwacht worden. Beoogd is om aldus tot een zo gelijkwaardig mogelijke
procesgang voor vangnetters te komen.
In het vorenstaande is al aangegeven dat met de
regeling onder meer is beoogd om transparant te maken welke stappen er
concreet door het UWV en vangnetter gezet moeten worden. Anderzijds is
het niet de bedoeling dat de regeling een keurslijf is. Daarom is deze
regeling flexibel vormgegeven. Van de gestelde termijnen kan gemotiveerd
worden afgeweken.
Re-integratiedossier
Het UWV moet, indien sprake is van dreigend langdurig ziekteverzuim,
aantekening houden van het ziekteverzuim en van de
re-integratieactiviteiten van zowel de vangnetter als het het UWV. Elke
stap in het re-integratieproces dient te worden vastgelegd. Vanaf het
moment dat sprake is van een dreigend langdurig ziekteverzuim wordt
aldus een dossier gevormd.
Probleemanalyse
Indien er sprake is van dreigend langdurig verzuim, wordt van het UWV
uiterlijk binnen zes weken na de eerste ziektedag een probleemanalyse
verlangd. Dit gebeurt door de (verzekerings)arts.
In beginsel zal de probleemanalyse bevatten:
1. De vaststelling van gegevens die van belang zijn voor herstel,
werkhervatting en re-integratie. Het gaat dan om de volgende gegevens.
Een beschrijving van de aard van de klachten, voor zover mogelijk de
diagnose, de behandeling en de prognose. Voorts wordt beschreven welke
beperkingen en functionele mogelijkheden hieruit voortvloeien. Ook
andere omstandigheden die van invloed zijn op het functioneren en de re-integratie worden beschreven, zoals privé- en sociale omstandigheden.
Ook de motivatie van de vangnetter wordt beschreven.
2. Beoordeling van deze gegevens. Deze beoordeling geeft antwoord op
onder meer de volgende vragen. Wat is de verwachting ten aanzien van
herstel, werkhervatting en re-integratie zonder nadere interventie?
Welke problemen staan werkhervatting/re-integratie in de weg? Op welk
vlak (bijvoorbeeld medisch of arbeidskundig) kan interventie
werkhervatting/re-integratie bevorderen?
Plan van aanpak
In de praktijk zal de probleemanalyse in een overleg tussen het UWV
en
vangnetter nader worden besproken.
Ook de vangnetter zal tijdens dit overleg eigen
voorstellen kunnen doen. Het overleg dient te resulteren in een plan van
aanpak. Uiteraard zal daarin voor zover mogelijk rekening gehouden
worden met redelijke wensen van de vangnetter. Dit betekent niet dat
er altijd overeenstemming hoeft te zijn. Het plan van aanpak kan met het
oog op de kortste weg naar werk bijvoorbeeld afwijken van de wensen van
de vangnetter. Wanneer het plan van aanpak concrete afspraken bevat over
de re-integratie, is dit een beslissing waartegen de vangnetter bezwaar
kan aantekenen.¹
In het plan van aanpak zal het perspectief op
langere termijn geschetst worden (zoals terugkeer naar werk) en de weg
waarlangs (de tussenstappen) men verwacht dit te bereiken. Het plan van
aanpak zal afspraken met betrekking tot de concrete activiteiten gericht
op re-integratie moeten bevatten, wie daarbij betrokken zijn
(bijvoorbeeld ook een re-integratiebedrijf) en wat de planning van de
activiteiten is. Ook zal het plan van aanpak de rechten en plichten van
de vangnetter aangeven. Als daartoe aanleiding is, kan dit plan
uiteraard tussentijds worden bijgesteld, maar de strekking ervan is dat
partijen op kortere en langere termijn weten wat van hen verwacht wordt
en wat hen te doen staat.
Het UWV is ervoor verantwoordelijk dat een
plan van aanpak tot stand komt. Uiterlijk binnen acht weken na de eerste
ziektedag stelt het UWV na overleg met de vangnetter een plan van aanpak
op. Het UWV verstrekt een afschrift van het plan van aanpak aan de
vangnetter.
1. Ook tegen het uitblijven van een plan van aanpak kan de vangnetter
bezwaar aantekenen.
Casemanagement en tussentijdse evaluatie
na zes weken
Het plan van aanpak wordt schriftelijk vastgelegd en vormt als zodanig
een onderdeel van het re-integratiedossier. De vangnetter ontvangt een
afschrift van het plan van aanpak. Naast bovengenoemde afspraken over
herstel, re-integratie en werkhervatting, worden in het plan van aanpak
afspraken gemaakt over:
a. Uitvoering plan van aanpak.
b. Evaluatie over de voortgang. Van tijd tot tijd zal beoordeeld moeten
worden of de gemaakte afspraken worden nageleefd en of men nog steeds op
de goede weg zit. De gemaakte afspraken kunnen immers bijstelling
behoeven omdat zich wijzigingen hebben voorgedaan in bijvoorbeeld de
medische situatie. De frequentie is afhankelijk van de omstandigheden
van het geval, maar als regel geldt een minimumfrequentie van eenmaal
per zes weken contact tussen het UWV en werknemer.
c. Het aanwijzen van een functionaris van het UWV als "casemanager".
Deze persoon is verantwoordelijk voor de voortgang van het proces. Deze
persoon is voor de vangnetter het aanspreekpunt binnen het UWV.
Alle afspraken - dus ook de tussentijdse bijstellingen van het plan
van aanpak - worden schriftelijk vastgelegd. Een afschrift wordt
verstrekt aan de vangnetter en neergelegd in het dossier. Voor beide
partijen bestaat aldus duidelijkheid over de gemaakte afspraken, waaraan
zij elkaar kunnen houden.
Periodieke herijking om de 26 weken
Hiervoor is aangegeven dat met het oog op zijn arbeidskansen, met
toepassing van de Richtlijn passende arbeid 1996, om de 26 weken wordt bezien
of betrokkene zich ruimer dient op te stellen. Dit betekent dat er naast
de reguliere tussentijdse evaluatie om de zes weken een extra moment is
waarop de situatie wordt bezien. Doel van het extra moment is om het
perspectief en het doel van de volgende 26 weken te bepalen. Bij de
tussentijdse evaluatie om de zes weken staat centraal of de
re-integratie volgens plan en de gemaakte afspraken verloopt. Het
betreft dus de uitvoering van het opgestelde plan van aanpak. Het
karakter van deze evaluatie is dus beperkt. Bij de periodieke toetsing
om de 26 weken is de toetsing in beginsel uitgebreider dan bij de
tussentijdse evaluatie. De kernvraag die het UWV
en vangnetter zich
stellen is: wat is voor de komende periode nodig om te komen tot re-integratie? Is het afgesproken doel
- bijvoorbeeld volledig
hervatten in eigen functie - en de weg waarlangs zij dit wilden
bereiken, gehaald? Zo neen, is het doel bij de huidige aanpak nog wel
reëel en haalbaar of is er aanleiding over te gaan op een andere
aanpak, met een ruimere opstelling van de vangnetter, en het plan van
aanpak aan te passen? Kortom: het UWV en de vangnetter zien elke 26
weken expliciet de vraag onder ogen of de re-integratie nog op de goede
koers ligt en of er aanleiding is de afspraken, het doel en aanpak in de
aankomende periode aan te passen.
Zowel bij de zesweekse evaluatie als bij de
26-wekenherijking wordt bezien of het gestelde doel gehaald is en of dat
doel zo nodig moet worden bijgesteld. Bij de 26-wekenherijking kan het
gestelde doel echter zo nodig worden verruimd, gelet op de criteria van
de Richtlijn passende arbeid 1996.
Dit kan in bepaalde gevallen aanleiding geven
tot het maken van nieuwe afspraken over de toekomstige aanpak. In andere
gevallen kan al snel worden vastgesteld dat daartoe geen aanleiding is.
De intensiteit van deze "26-wekencheck" verschilt dus naargelang
van de individuele situatie. Het resultaat hiervan moet worden opgenomen
in het re-integratieverslag, ook wanneer die niet leidt tot een
bijstelling van het plan van aanpak.
De "26-wekencheck" is als het ware een
schakel in de reeks van tussentijdse evaluaties, met een uitgebreider
karakter en met het oog op de komende periode. Door de introductie van
de "26-wekencheck" voor vangnetters is de eerstejaarsevaluatie die
voor gewone werknemers geldt hierin als vanzelf geïncorporeerd.
Opstellen van een re-integratieverslag
bij einde wachttijd
Wanneer de vangnetter onverhoopt ziek blijft en het einde van de
wachttijd bereikt, dient het UWV een re-integratieverslag op te stellen.
Dit re-integratieverslag heeft meerdere functies. Allereerst draagt het
bij aan een grotere transparantie van inspanningen en verhoging van de
kwaliteit door het UWV, aangezien het re-integratieverslag inzicht geeft
in het proces gedurende de eerste twee ziektejaren. In de tweede plaats
biedt het meer houvast voor het interne en externe toezicht. Het UWV zal
er door een functionele scheiding zorg voor dragen dat medewerkers die
een rol hebben gespeeld bij de begeleiding van de zieke vangnetter en
het opstellen van het re-integratieverslag niet ook toetser van het
re-integratieverslag zijn. Met het oog op de gewenste objectiviteit zal
de toetsing worden uitgevoerd door het WIA-team dat ook verantwoordelijk
is voor de WIA-beoordeling. Dit oordeel wordt dan teruggekoppeld aan het
ZW-/arboteam dat ook verantwoordelijk is voor de re-integratie van de
betreffende vangnetter. Met een dergelijke aanpak heeft het UWV ervaring
opgedaan in bezwaarzaken, ook dan toetst het UWV zelf de eigen
beoordeling. Hierbij is het toezicht intern binnen het UWV in handen van
de kwaliteitsafdelingen en extern belegd bij de Inspectie
Werk en Inkomen (IWI).
Tot slot vormt het re-integratieverslag een
overdrachtsmoment bij de overgang naar een eventuele WIA-uitkering en de
daarbij te ondernemen re-integratieactiviteiten.
5.
Communicatie vangnetter/UWV
Een belangrijk
doel van de regeling is te bevorderen dat gedurende het ziekteproces
tussen het UWV en de vangnetter helder wordt, ook in de communicatie,
wat men qua re-integratieactiviteiten over en weer van elkaar mag
verwachten. Bij het volgen van de processtappen zal dus steeds duidelijk
moeten worden gecommuniceerd welke afspraken worden gemaakt en dienen te
worden uitgevoerd.
Een goede, open communicatie bevordert de
duidelijkheid en de snelheid en kwaliteit van het proces. Tevens kan het
latere problemen zoveel mogelijk voorkomen.
Bij verschil van mening ligt het voor de hand
dat er via onderling overleg bezien wordt hoe dit kan worden opgelost.
Wanneer het verschil van mening blijft heeft de vangnetter meerdere
mogelijkheden om dit aan te kaarten dan wel af te dwingen.¹ Zo kan de
vangnetter het UWV vragen dat de behandeling door een andere
functionaris (zoals een arbeidsdeskundige of verzekeringsarts) van het
UWV wordt overgenomen. In beginsel zal het UWV gehoor geven aan een
dergelijk verzoek. Dit is een laagdrempelige manier om een verschil van
mening op te lossen voor de vangnetter die het gevoel heeft geen gehoor
te krijgen bij het UWV.
Ook heeft de vangnetter het recht om bij het
UWV een formele klacht in te dienen, waarvoor een speciale
klachtprocedure geldt [zie Klachtenreglement
UWV 2005, red.]. De wettelijke grondslag voor het klachtrecht is
geregeld in de Algemene wet bestuursrecht
[zie hoofdstuk 9 van de Awb,
red.].
Voorts kan de vangnetter bezwaar aantekenen,
bijvoorbeeld tegen het plan van aanpak of tegen het uitblijven daarvan.
Deze bezwaarmogelijkheid is laagdrempelig en toegankelijk. Tevens zijn
de belangen van de vangnetter gewaarborgd omdat het bezwaarschrift wordt
beoordeeld door personen die niet eerder bij de besluitvorming waren
betrokken. Voorts heeft het UWV sinds kort bij bezwaarschriftprocedures,
onder meer voor de ZW, de mogelijkheid ingevoerd om mediators in te
zetten. Doel daarvan is om geschillen in voorkomende gevallen via een
persoonlijke aanpak eerder op te lossen. Tot slot kan de vangnetter,
wanneer dit toch niet lukt en ook de bezwaarschriftprocedure voor
betrokkene ongunstig afloopt, zo nodig nog in beroep bij de sector
bestuursrecht van de arrondissementsrechtbank en eventueel in hoger
beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De bezwaar- en beroepsprocedure
is geregeld in de Algemene wet bestuursrecht [zie hoofdstuk
6, 7 en 8 van de Awb,
red.].
Het UWV geeft voorlichting over onder meer het
klachtrecht en de bezwaar- en beroepsprocedures, via de reguliere
informatiekanalen, zoals brochures en website. Het UWV wijst de
betrokken werknemer bovendien uitdrukkelijk op de mogelijkheid van
bezwaar en beroep in de beschikking, waarin het UWV het besluit aan de
betrokkene meedeelt.
Uiteraard kan de vangnetter bij eventuele
verschillen van mening met het UWV advies inwinnen bij een rechtshulpverlener, een
vakbond of een patiëntenorganisatie.
1. Als de werknemer in loondienst een verschil van mening heeft met zijn
werkgever, over bijvoorbeeld de re-integratie-inspanningen van de
werkgever, kan hij een deskundigenoordeel vragen aan het UWV. De
vangnetter zonder werkgever heeft deze mogelijkheid niet. Zijn rechten
zijn echter - anders dan die van de werknemer in loondienst -
gewaarborgd via het klachtrecht en het recht op bezwaar en beroep.
6.
Commentaren
Een concept van
de onderhavige regeling is zowel aan het UWV
als aan de CWI gezonden met
het verzoek deze regeling van uitvoeringstechnisch commentaar te
voorzien. Ook is de regeling gezonden aan de IWI met het verzoek de
toezichtbaarheidsaspecten van de regeling te beoordelen.
UWV
Het UWV is van oordeel dat de regeling uitvoerbaar is. Een
tekstsuggestie is verwerkt in de onderhavige toelichting.
IWI
De IWI verwacht geen problemen bij het toezicht op de uitvoering van de
regeling.
CWI
Voor de CWI is met name van belang de mogelijkheid dat het UWV
aan de
zieke vangnetter de verplichting oplegt om zich bij de CWI te melden. De
CWI verwacht dat deze - al bestaande verplichting van artikel
30,
derde lid, van de ZW - frequenter zal worden opgelegd als gevolg van
de onderhavige regeling. Volgens de CWI zal dit geen noemenswaardige
effecten op de uitvoering van de CWI opleveren. De CWI concludeert dat
deze regeling uitvoerbaar is.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Begripsbepalingen
In dit artikel wordt het begrip "vangnetter" gedefinieerd, waarmee
ook wordt bepaald op welke categorie personen de onderhavige regeling
van toepassing is. Het gaat hier om verzekerden op grond van de ZW
zonder werkgever, die recht hebben op ziekengeld. Deze verzekerden
worden genoemd in artikel 29, tweede lid, onderdeel
a tot en met d, van
de ZW. Het betreft hier onder meer werklozen,
verzekerden die recht
hebben op ziekengeld op grond van de nawerkingsregeling in artikel 46
van de ZW, uitzendkrachten met een uitzendbeding en verzekerden van wie
de arbeidsovereenkomst tijdens de eerste twee ziektejaren eindigt.
De regeling geldt ook indien de verzekerde
weliswaar recht heeft op ziekengeld, maar het ziekengeld, bijvoorbeeld
vanwege een sanctie, niet wordt uitbetaald.
Artikel
2 en 3. Probleemanalyse en houden van
aantekening
Deze artikelen zijn ontleend aan de artikelen
2, tweede en derde lid, en
3 van de Regeling procesgang eerste en
tweede ziektejaar - die voor
de gewone werkgever-werknemerrelatie geldt - en creëren dezelfde
verplichtingen als in genoemde artikelen, zij het dat de verplichtingen
in de onderhavige regeling op het UWV
rusten.
Op grond van artikel 2
dient het UWV zich bij
dreigend langdurig ziekteverzuim een oordeel te vormen over het
ziektegeval en een probleemanalyse te maken. Indien uit het oordeel
blijkt dat er nog mogelijkheden zijn om terug te keren naar arbeid, dan
zal naar aanleiding van de probleemanalyse (op grond van artikel 4 van
deze regeling) een plan van aanpak worden opgesteld.
Voor zover het plan van aanpak is gericht op
rechtsgevolg, is het een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de
Algemene wet bestuursrecht en kan de vangnetter daartegen, en daarmee
dus ook tegen het oordeel dat aan het plan van aanpak ten grondslag
ligt, bezwaar maken.
Mocht het oordeel inhouden dat er ofwel geen
sprake is van dreigend langdurig verzuim ofwel dat er geen mogelijkheden
zijn voor terugkeer naar arbeid, dan wordt er door het UWV als gevolg
daarvan geen plan van aanpak opgesteld. Als de vangnetter het niet eens
is met dit oordeel, dan heeft hij de mogelijkheid om het UWV te vragen
hieromtrent een beschikking af te geven. Tegen die beschikking - of
eventueel ook tegen het uitblijven daarvan - kan de vangnetter
vervolgens bezwaar maken en beroep instellen bij de rechter.
Artikel
4. Plan van aanpak
De inhoud van dit artikel is gebaseerd op artikel 4 van de
Regeling procesgang eerste en tweede
ziektejaar. Vanwege de afhankelijke positie
van de vangnetter ten opzichte van het UWV
- die afwijkt van de meer
gelijkwaardige verhouding tussen werknemer en werkgever doordat geen
sprake is van een arbeidsrechtelijke verhouding - wordt in het
onderhavige artikel de term "overeenstemming" niet gebruikt. In
plaats daarvan wordt steeds aangegeven dat sprake is van overleg tussen
vangnetter en het UWV, waarmee tot uiting komt dat het UWV uiteindelijk
eenzijdig het plan van aanpak vaststelt.
Artikel
5. Periodieke herijking
Dit artikel introduceert, in plaats van de eerstejaarsevaluatie die voor
de werkgever geldt op grond van de Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar, een nieuwe verplichting voor het
UWV, te weten de periodieke
herijking. Voor een verdere toelichting op de periodieke herijking wordt
verwezen naar het algemeen deel van deze toelichting.
Artikel
6. Afwijken van termijnen
Dit artikel is gelijk aan de inhoud van artikel 5 van de
Regeling procesgang eerste en tweede
ziektejaar, zij het dat aan het onderhavige
artikel is toegevoegd dat ook mag worden afgeweken van de termijn die
geldt voor de periodieke herijking.
Artikel
7. Inhoud van het re-integratieverslag
De inhoud van dit artikel is grotendeels gelijk aan de inhoud van
artikel 6 van de Regeling procesgang
eerste en tweede ziektejaar. Anders
dan in de Regeling procesgang eerste en
tweede ziektejaar is het UWV verplicht tot een periodieke herijking en is het UWV, op grond van
onderdeel g, verplicht om de resultaten van iedere periodieke herijking
in het re-integratieverslag op te nemen. Voor het overige komen bepaalde
elementen uit artikel 6 van de Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar niet terug in de onderhavige regeling omdat zij niet van
toepassing zijn op vangnetters.
Artikel
8. Overgangsrecht
De regeling heeft eerbiedigende werking: zij is alleen van toepassing op
een recht op ziekengeld dat ontstaat op of na de dag van
inwerkingtreding van de onderhavige regeling.
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
|