|
- Dit protocol dient te worden
gelezen in samenhang met de Algemene
inleiding bij de verzekeringsgeneeskundig protocollen, waarin
bedoeling, structuur en beoogde toepassing van de protocollen worden toegelicht.
- Van dit protocol kan
gemotiveerd worden afgeweken.
- Waar "hij" en "zijn"
staat kan ook "zij" en "haar" gelezen
worden.
Het lumbosacraal radiculair
syndroom (LRS) is het klinisch beeld
dat wordt gekenmerkt door uitstralende pijn in het been of de bil, in het
verzorgingsgebied van één of meer van de
lumbosacrale zenuwwortels, al dan niet
gepaard gaand met andere
prikkelingsverschijnselen en neurologische
uitvalsverschijnselen van de aangedane zenuwwortel(s).
Het LRS gaat vaak samen met lage
rugpijn. Dit is echter niet kenmerkend: de
beenklachten staan op de voorgrond. Het
beloop is in het algemeen gunstig.
A. Onderzoek
1. Oriëntatie op aanwezige
gegevens
Op grond van het
re-integratieverslag of andere beschikbare gegevens
tracht de verzekeringsarts te achterhalen waarom herstel en werkhervatting
gestagneerd zijn. Hij gaat na:
- Aard en ernst van de
klachten en symptomen:
• Wat waren aard en ernst van
de klachten en symptomen bij aanvang van
de verzuimbegeleiding door de bedrijfsarts en wat was het beloop?
- Diagnostiek (4.1): ¹
• Welke diagnose(n) is (zijn)
gesteld en door wie?
• Is er overeenstemming over
de diagnose(n) tussen de betrokken
disciplines?
• Is de werknemer bij
onvoldoende herstel na zes tot acht weken door
de huisarts naar een neuroloog verwezen?
• Heeft nadere diagnostiek
plaatsgevonden, zoals beeldvormend
onderzoek?
• Is sprake van comorbiditeit?
- Behandeling (4.3):
• Welke behandeling(en) heeft
(hebben) plaatsgevonden?
• Heeft de cliënt voldoende
en juiste voorlichting gekregen over
de aandoening, het te verwachten beloop en
de mogelijke behandeling?
• Zijn in de loop der tijd
tegenstrijdige (behandel)adviezen gegeven?
Zo ja, hoe is hierop gereageerd door de
betrokkenen?
• Indien operatieve
behandeling heeft plaatsgevonden: wat was de
indicatie?
• Heeft de werknemer na de
operatie deelgenomen aan een
oefenprogramma?
- Herstelgedrag/probleemoplossend gedrag werknemer:
• Kon de cliënt zich
verenigen met de behandeladviezen?
• Heeft de werknemer zich
onder behandeling gesteld bij verwijzing en
zijn de behandeladviezen opgevolgd?
• Heeft de werknemer zelf
(herhaald) aangedrongen op
medisch-technisch onderzoek of operatieve behandeling zonder dat hiervoor een
medische indicatie was?
• Wat heeft de werknemer nog
meer gedaan om zijn herstel en
re-integratie te bevorderen?
- Belemmeringen van herstel en
werkhervatting in het werk (5):
• Was in het werk sprake van
factoren die het LRS kunnen doen
toenemen of in stand houden, zoals tillen en dragen van lasten, veelvuldig
buigen of draaien van de romp of
lichaamstrillingen?
• Zo ja, wat is gedaan om deze
weg te nemen?
- Belemmeringen van herstel en
werkhervatting bij de werknemer:
• Is sprake van factoren bij
de werknemer zelf of in diens omgeving
die de re-integratie bemoeilijken?
• Zo ja, wat is gedaan om deze
weg te nemen?
- Werkhervatting:
• Hoe heeft de bedrijfsarts in
de loop der tijd de functionele
mogelijkheden van de werknemer beoordeeld?
• Was sprake van verschil van
mening tussen bedrijfsarts,
werknemer of werkgever over de belastbaarheid? Zo
ja, is een beroep gedaan op een
deskundigenoordeel?
• Wat hebben werknemer en
werkgever gedaan om werkhervatting te
realiseren?
• Is tijdig gereageerd op
stagnatie van de re-integratie en is toen het
plan van aanpak bijgesteld?
1. De nummers tussen haakjes
verwijzen naar hoofdstukken en
paragrafen in de toelichting bij het
protocol.
2. Beoordelingsgesprek
Als de verzekeringsarts weet
dat er sprake is of is geweest van een LRS,
realiseert hij zich dat de prognose van
de uitstralende pijn in het
been in het algemeen goed is. Paresen en
gevoelstoornissen kunnen echter blijven
bestaan. Een vertraagde re-integratie kan
veroorzaakt worden door de resterende verschijnselen van het LRS, maar ook door
de bijkomende lage rugpijn of
door andere, bijvoorbeeld psychische of
sociale, factoren.
In het beoordelingsgesprek
verzamelt de verzekeringsarts de gegevens
die hij nodig heeft voor een multifactoriële analyse van de actuele problematiek
van de werknemer. Hij besteedt
aandacht aan:
- de visie van de werknemer
op:
• zijn mogelijkheden en
beperkingen in werk en persoonlijk en
sociaal functioneren;
• de oorzaken van de klachten
en van het uitblijven van herstel
en (volledige) werkhervatting;
• de mate waarin bewegen en
belasten zijn gezondheid schaden;
• wat hij nog zou kunnen doen
om zijn functionele mogelijkheden te
verruimen;
• de betekenis van betaalde
arbeid in zijn levensplan;
- de lacunes in de aanwezige gegevens over de voorgeschiedenis,
voor zover relevant voor de beoordeling;
• de actuele functionele
mogelijkheden van de werknemer, onder meer
door te vragen wat hij doet op een "gemiddelde" dag en door te informeren
naar de gevolgen van zijn klachten voor
verschillende levensgebieden;
• de actuele
herstelbelemmerende factoren in privé-, werk- en
zorgomgeving;
• actueel herstel- en
probleemoplossend gedrag.
3. Medisch onderzoek (4)
Het medisch onderzoek
bestaat uit anamnese en lichamelijk
onderzoek en is gericht op:
- het toetsen en zo nodig zelf
stellen van de juiste diagnose(n),
inclusief comorbiditeit;
- het bepalen van de ernst van
de klachten en stoornissen.
- De verzekeringsarts is alert
op:
- lokalisatie van de pijn: wel
of niet volgens een dermatomaal patroon?
- de aanwezigheid en ernst van
paresen;
- houdingsafhankelijkheid van
de pijnklachten;
- (psychische) comorbiditeit.
4. Overleg met derden
De verzekeringsarts wint zo
nodig informatie in bij derden.
5. Onderzoek door derden
De verzekeringsarts
overweegt onderzoek door derden in geval van:
- gefundeerde twijfel over de
diagnostiek, met name wanneer de juiste
diagnose van belang is voor de beoordeling van de belastbaarheid en de
prognose;
- gefundeerde twijfel over nog
te benutten behandelingsmogelijkheden.
B. Beoordeling
1. Sociaal-medische
voorgeschiedenis (6.1)
- De verzekeringsarts vormt
zich op basis van de in het
onderzoek verzamelde gegevens een oordeel over de
oorzaken van de stagnatie van het
herstelproces.
- Hij betrekt de analyse van
de stagnatie van het herstel bij zijn
evaluatie van de re-integratie-inspanningen
in het kader van de poortwachtertoets.
2. Functionele mogelijkheden (6.2)
Twee jaar na het ontstaan
van een LRS, waarbij geen comorbiditeit
is aangetoond, zullen beperkingen van de
functionele mogelijkheden vooral
voortkomen uit de resterende
neurologische prikkelings- en uitvalsverschijnselen, te
weten sensibiliteitsstoornissen,
krachtverlies en de blijvende gevolgen van
een caudasyndroom (defecatie- en mictiestoornissen). Rugklachten die het
functioneren beperken en die niet aanwijsbaar het gevolg zijn van een
specifieke oorzaak dienen beschouwd te worden
als aspecifieke lage rugpijn.
Aandachtspunten bij de
beoordeling van de functionele mogelijkheden
van iemand met een LRS zijn:
- aanpassing aan fysieke
omgevingseisen;
• trillingsbelasting;
- dynamische handelingen;
• getordeerd buigen en tillen;
• lopen, trappenlopen en
klimmen;
- statische houdingen;
• geknield of gehurkt actief
zijn;
• zitten;
• staan tijdens het werk;
• gebogen en/of getordeerd
actief zijn;
- sociaal functioneren;
• specifieke voorwaarden in
verband met mictie- en defaecatiestoornissen.
Paresen kunnen leiden tot
beperkingen voor specifieke vormen van
arbeid, bijvoorbeeld autorijden.
Beperkingen die niet of niet
alleen het gevolg zijn van
neurologische stoornissen, kunnen voortkomen uit comorbiditeit, bijvoorbeeld een chronisch
pijnsyndroom, zoals
chronische aspecifieke lage rugpijn.
3. Te verwachten beloop (6.3)
- De prognose van langer
bestaande prikkelings- en
neurologische uitvalsverschijnselen is ongunstig.
- Voor de prognose van
aspecifieke lage rugpijn na twee jaar
ziekteverzuim wordt verwezen naar het desbetreffende
protocol.
4. Behandeling en begeleiding (6.4)
- Als sprake is van reeds lang
bestaande prikkelings- en
neurologische uitvalsverschijnselen, gaat de verzekeringsarts na of de functionele
mogelijkheden door voorzieningen en
aanpassingen nog kunnen verbeteren en overlegt en
adviseert hij dienaangaande.
- Wanneer (volledige)
re-integratie is uitgebleven door andere
oorzaken dan de neurologische stoornissen van het LRS, bijvoorbeeld door een
chronisch pijnsyndroom, aspecifieke
lage rugpijn of door andere comorbiditeit,
overlegt de verzekeringsarts met
betrokkene, huisarts, bedrijfsarts of
andere behandelaar(s) over het opstellen van
een medisch plan van aanpak dat
aansluit bij zijn analyse van de
stagnatie van de re-integratie en zijn actuele
onderzoeksbevindingen.
- Bij herbeoordelingen
evalueert de verzekeringsarts de uitvoering van het medisch plan van aanpak. Zo
nodig treedt hij opnieuw in
overleg met betrokkene en diens behandelaar(s) om het plan bij te stellen.
Toelichting bij het
Verzekeringsgeneeskundig protocol lumbosacraal radiculair syndroom
1. Inleiding
2. De aandoening
2.1. Kenmerken
2.2. Epidemiologie
3. Ontstaan en beloop
3.1. Ontstaan
3.2. Risicofactoren
3.3. Beloop
4. Diagnose en behandeling
4.1. Diagnose
4.2. Differentiële
diagnostiek en comorbiditeit
4.3. Behandeling
5. Werkhervatting
6. De
verzekeringsgeneeskundige beoordeling
6.1. Sociaal-medische
voorgeschiedenis
6.2. Functionele
mogelijkheden
6.3. Te verwachten beloop
6.4. Behandeling en
begeleiding
Literatuur
Hoofdstuk
1. Inleiding
Het Verzekeringsgeneeskundig
protocol lumbosacraal radiculair
syndroom (LRS) biedt een handreiking aan verzekeringsartsen voor de
verzekeringsgeneeskundige beoordeling bij werknemers met het LRS. Het behandelt
in deel A Onderzoek de verzameling
van gegevens die de verzekeringsarts voor
zijn beoordeling nodig heeft.
Vervolgens komen in deel B Beoordeling
de vier beoordelingstaken aan de
orde die de verzekeringsarts bij een
werknemer met LRS, twee jaar na het begin
van het ziekteverzuim, te vervullen heeft, te weten de beoordeling van:
- sociaal-medische
voorgeschiedenis;
- functionele mogelijkheden;
- te verwachten beloop;
- behandeling en begeleiding.
Het protocol sluit aan bij
de NHG-standaard Lumbosacraal radiculair syndroom, het Gezondheidsraadadvies
Diagnostiek en behandeling
van het lumbosacraal radiculair
syndroom, de Consensus Het lumbosacrale
radiculaire syndroom van het CBO, de
richtlijn Handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met rugklachten van de
NVAB, de NHG-standaard Aspecifieke
lage rugpijn, de Multidisciplinaire richtlijn aspecifieke lage rugklachten
van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en het Verzekeringsgeneeskundig protocol
aspecifieke lage rugpijn [1-7].¹ De herziening
van de Consensus Het lumbosacrale radiculaire syndroom uit 1995, die thans
gaande is, zal mogelijk aanleiding
kunnen geven tot aanpassingen van het protocol.
Deze toelichting bij het Verzekeringsgeneeskundig protocol
lumbosacraal
radiculair syndroom geeft in
kort bestek een systematisch overzicht
van de medische kennis die voor een goed
begrip van het protocol
noodzakelijk is. Daarbij komen, met name waar het
gaat over behandeling en
werkhervatting, ook vormen van medisch handelen
aan de orde die de verzekeringsarts
in de regel niet zelf uitoefent, maar
waarvan hij de principes moet kennen om
zijn beoordelingstaken goed te kunnen vervullen.
1. De nummers tussen
hoekhaken verwijzen naar de onderaan deze pagina vermelde literatuur, red.
Hoofdstuk
2. De aandoening
2.1. Kenmerken
Het LRS is het klinisch
beeld dat wordt gekenmerkt door uitstralende
pijn in het been of de bil, in het verzorgingsgebied van één of meer van de
lumbosacrale zenuwwortels, al dan niet
gepaard gaand met andere
prikkelingsverschijnselen (paresthesieën) en
neurologische uitvalsverschijnselen van de aangedane zenuwwortel(s). De
uitvalsverschijnselen (sensibiliteitsstoornissen,
krachtverlies, reflexafwijkingen of mictiestoornissen) worden toegeschreven aan
compressie en/of tractie van
de geïrriteerde wortel.
Eén van de vormen die het
LRS kan aannemen, is het cauda
equinasyndroom of, kortweg, caudasyndroom. Het caudasyndroom ontstaat door motorische of
sensibele uitval in meer dan
één segment vanaf S1 ("rijbroekanesthesie")
en kan gepaard gaan met
incontinentie voor urine of feces.
Het LRS dient onderscheiden
te worden van andere klinische beelden
waarbij de pijn niet radiculair van aard is, dat wil zeggen: niet uitstraalt in
het verzorgingsgebied van één of meer
zenuwwortels. Wanneer de pijn niet
duidelijk uitstraalt in één of meer dermatomen, kan de diagnose LRS alleen
gesteld worden als er sprake is van
duidelijke tekenen van prikkeling van de
aangedane zenuwwortel(s) (positieve
test van Lasègue) of neurologische
uitvalsverschijnselen.
Een LRS wordt meestal
veroorzaakt door een discushernia
(hernia nuclei pulposi (HNP)), door een vernauwing van het wervelkanaal
(kanaal-
of spinale stenose) of van een
zenuwwortelkanaal (laterale stenose) of door
een combinatie hiervan. Zeldzame oorzaken
van het LRS zijn spondylolisthesis, inzakkingsfractuur, goed- en kwaadaardige
tumoren en ontsteking van de
zenuwwortel (radiculitis), zoals die kan
voorkomen bij diabetes mellitus,
herpes zoster, lues en de ziekte van Lyme. Het
LRS tengevolge van deze zeldzame
oorzaken komt in het protocol en deze
toelichting alleen ter sprake waar het
gaat over diagnostiek. Daarbij is het
uitgangspunt dat de diagnostiek van deze
zeldzame oorzaken niet tot de competentie van de verzekeringsarts behoort.
Voor het overige is het protocol geheel
gewijd aan het LRS als gevolg van een
HNP of vernauwingen in en rond het wervelkanaal. Voor de verzekeringsgeneeskundige
classificatie van LRS wordt
gebruik gemaakt van de volgende CAS-code: L621 Hernia lage rug (HNP L4-L5/L5-S1).
2.2. Epidemiologie
Over de frequentie van
nieuwe gevallen van LRS in de
huisartsenpraktijk in Nederland zijn geen betrouwbare gegevens bekend. De incidentie van de
door de huisarts gestelde
diagnose "lage rugpijn met uitstraling" is negen
per duizend patiënten per jaar. Hierbij
gaat het waarschijnlijk bij een
(onbekend) deel van de gevallen om
niet-radiculaire pijn en niet om het LRS [1]. Bij
mannen wordt de diagnose "lage rugpijn met uitstraling" bijna even vaak gesteld als
bij vrouwen. De incidentie neemt
toe met de leeftijd en is het hoogst
in de leeftijdscategorie van 45 tot 64 jaar, namelijk zestien per duizend
patiënten per jaar. Na het 65ste levensjaar
ligt de incidentie rond de elf per duizend
personen per jaar. De prevalentie in
de huisartsenpraktijk is vijftien per duizend
patiënten en vertoont dezelfde trend
naar leeftijd als de incidentie.
In 2004 werd bij 2,7%
van de instroom in de WAO, dat wil
zeggen in 1359 gevallen, "hernia
lage rug" als eerste diagnose genoemd.¹
1. Deze cijfers van het UWV
betreffen 85% (50 071 personen)
van de totale WAO-instroom,
namelijk de totale instroom met uitzondering
van overheidssectoren en agrarische sectoren.
Hoofdstuk
3. Ontstaan en beloop
3.1. Ontstaan
Op het eerste gezicht lijkt
het LRS een eenvoudig mechanisch
probleem: compressie van een zenuwwortel door discushernia of
kanaalvernauwing geeft aanleiding tot uitstralende
pijn, die soms gepaard gaat met motorische
en sensibele uitvalsverschijnselen. De
echte pathogenese is echter ingewikkelder en
nog niet geheel opgehelderd.
Tractie aan een intacte zenuwwortel
veroorzaakt paresthesieën, maar geen radiculaire pijn. Pijn is alleen op te wekken
door tractie of compressie van een reeds
uitgerekte, gecomprimeerde of gezwollen wortel [2]. Uit beeldvormend onderzoek
tijdens de fase van radiculaire
prikkeling én na herstel (spontaan of na
operatie) blijkt dat de omvang van de hernia
vaak niet waarneembaar afgenomen is.
Kennelijk kan de irritatie van de
zenuwwortel afnemen, terwijl de mechanische omstandigheden rond de
wortel nauwelijks veranderen. Bij gezonde
mensen, zonder LRS en zonder
rugklachten, worden met MRI-onderzoek in een
aanzienlijk percentage - in de
verschillende onderzoeken variërend van 20 tot ruim 50% - verschillende soorten discusafwijkingen gevonden,
uiteenlopend van protrusie tot herniatie.
Ook blijkt dat een discushernia
slechts bij ongeveer een derde van de
geopereerde patiënten de enige oorzaak
is voor de uitstralende pijn. Het gaat
vaak om wisselende combinaties van een
discushernia, spondylartrose,
facetgewrichthypertrofie en verdikking van het
ligamentum flavum. Bij een vernauwd
wervelkanaal kan een kleine
discusprotrussie al voldoende zijn om een symptomatische wortelcompressie te
veroorzaken.
3.2. Risicofactoren
Niet beïnvloedbare
risicofactoren voor het ontstaan van het LRS
zijn leeftijd en lichaamslengte [2]. De incidentie van het LRS stijgt tot het
65ste jaar
en neemt nadien weer af. Bij vrouwen
is een lichaamslengte van meer dan
169 centimeter een risicofactor, bij mannen
een lengte van meer dan 180
centimeter. Tot de beïnvloedbare
risicofactoren behoren sommige vormen van
fysieke belasting [2, 4]. In
verschillende onderzoeken is een relatief hoge
incidentie van LRS gevonden bij werknemers
in ongeschoolde beroepen en in beroepen met zwaar lichamelijk werk.
Frequent tillen van zware lasten is een
risicofactor, vooral als het gepaard gaat
met draaiing van de romp. Frequent
vooroverbuigen in combinatie met een
draaiing van het lichaam lijkt eveneens de
kans op een LRS te verhogen. Er is ook
een positief verband gevonden tussen LRS
en het rijden op een tractor of
langdurig autorijden. De huidige kennis is echter
nog te beperkt om duidelijke
richtlijnen voor preventie van het LRS te
kunnen formuleren.
De bevindingen omtrent
mannelijk geslacht, lichamelijke
conditie en roken als mogelijke risicofactoren voor het ontstaan van het LRS zijn
niet eenduidig.
3.3. Beloop
Goed onderzoek in de
algemene bevolking of in de huisartsenpraktijk
naar het natuurlijk beloop van het LRS en naar de factoren die dit beloop
beïnvloeden, is schaars. Geschat wordt
dat 60% van de patiënten na drie
maanden in werk of vrije tijd geen
beperkingen meer ervaart. Naar schatting 5% van de patiënten ontwikkelt
een progressieve uitval [2].
Hoewel het natuurlijk beloop
van de prikkelings- en
uitvalsverschijnselen bij het LRS in het algemeen gunstig is, blijven bij een klein deel van de
patiënten restverschijnselen bestaan.
De prognose van deze langer bestaande prikkelings- en neurologische
uitvalsverschijnselen is ongunstig.
Patiënten met LRS hebben
een grotere dan normale kans om naast of
na het LRS chronische aspecifieke lage rugpijn te ontwikkelen. Deze
rugklachten dienen niet als onderdeel of
restverschijnsel van het LRS beschouwd te
worden, maar als een aparte klacht.
Eén van de mogelijke
verklaringen voor het ontstaan van chronische
aspecifieke lage rugpijn bij LRS is dat
angst voor invaliditeit of
onherstelbare beschadiging van de rug patiënten in een
vicieuze cirkel van inactiviteit en
rugklachten kan brengen. Deze verklaring
is echter nog niet door onderzoek bij LRS-patiënten onderbouwd. Een andere
mogelijke verklaring is dat
zich als gevolg van langer aanhoudende radiculaire pijn overgevoeligheid van
het zenuwstelsel voor prikkeling (sensitisatie) ontstaat, zodat zich een
chronisch pijnsyndroom ontwikkelt [8].
Hoofdstuk
4. Diagnose en behandeling
4.1. Diagnose
In de eerste lijn wordt de
diagnose LRS op basis van anamnese en
lichamelijk onderzoek gesteld. De huisarts zal de diagnose in het algemeen aan
de hand van de kenmerkende symptomen
al in een vroeg stadium stellen.
Dat neemt niet weg dat de
verzekeringsarts in de diagnostiek een belangrijke
rol kan spelen. De diagnose kan gemist zijn
of de aandoening die aanvankelijk
op goede gronden was gediagnosticeerd, kan in de loop van de tijd evolueren,
zodat een nieuwe beoordeling gewenst
is. Ook kan het LRS ontstaan in de loop
van arbeidsverzuim dat door een andere ziekte veroorzaakt werd.
4.1.1. Anamnese
Het LRS wordt gekenmerkt
door radiculaire pijn, al dan niet met andere
prikkelingsverschijnselen (paresthesieën) en neurologische
uitvalsverschijnselen van de aangedane zenuwwortel(s).
Typerend voor de meest voorkomende
radiculaire pijn is dat deze uitstraalt
in één been. De pijn is scherp (stekend, prikkend) van karakter. Ook kunnen er
klachten zijn van dove, gevoelloze of
koude plekken en tintelingen, of van
krachtsverlies in voetheffers of kuiten. De
radiculaire pijn is vaak
houdingsafhankelijk en de patiënt kan de plaats van
de pijn meestal goed aangeven. De
lokalisatie van de radiculaire pijn verschilt
per aangedane zenuwwortel (uitstraling
volgens dermatomaal patroon):
- L4: frontolateraal bovenbeen
en knie, anteromediaal onderbeen naar
mediale malleolus en binnenzijde
voet en grote teen;
- L5: posterolaterale zijde
van de heup, via laterale zijde knie naar
scheenbeen en boven- en onderzijde
mediale deel voet, inclusief eerste tot
en met vierde teen;
- S1: gluteaalstreek, via
dorsale zijde bovenbeen naar dorsolaterale zijde onderbeen en boven- en
onderzijde laterale voetrand, inclusief kleine teen.¹
1. Een illustratie van de
dermatomen is onder meer te vinden in de
richtlijn Handelen van de bedrijfsarts
bij werknemers met rugklachten van de NVAB [4].
In
90% van de
gevallen zijn de wortels van L5 of S1
aangedaan en straalt de pijn uit tot
onder de knie. Indien de uitstralende pijn
beperkt blijft tot gluteaalstreek,
bovenbeen of lies kan er sprake zijn van een
hooglumbaal radiculair syndroom (L1 tot en met L4). Belangrijk is dat rugpijn,
indien aanwezig, niet op de voorgrond staat:
de rugpijn wordt overvleugeld door pijn
in het been. In het meest typische geval verergert de pijn in het been bij
hoesten, niezen of persen. Toename van de
pijn in de rug bij hoesten, niezen
of persen heeft voor het LRS geen
diagnostische betekenis. Incontinentie
voor urine of feces is een ernstig
symptoom, maar komt zelden voor.
Wanneer het LRS veroorzaakt
wordt door een wervelkanaalstenose
of een recessus-lateralisstenose is
er vaak sprake van een afwijkend
klachtenpatroon en van een afwijkend beloop.
Dit komt het meest voor bij mensen
boven de 50 jaar, waarbij de vernauwing
een gevolg is van degeneratieve
veranderingen van de wervelkolom. Het meest
kenmerkende klachtenpatroon is dat van
de neurogene claudicatio. Tijdens het lopen ontstaan dan proximaal
beginnende pijn en soms neurologische prikkelings- en uitvalsverschijnselen in
beide benen. De klachten verminderen niet
bij stilstaan, zoals bij perifeer
arteriële vaataandoeningen, maar bij het aannemen van
een houding waarbij de lumbale
wervelkolom geflecteerd wordt (zitten,
voorovergebogen staan, hurken en fietsen).
Het klachtenbeloop is meestal
intermitterend. De uitstralende pijn volgt
vaak een dermatomaal patroon, maar is
in het algemeen minder heftig dan
bij een discushernia. Bij onderzoek is de proef
van Lasègue vaak negatief.
Bij de diagnostiek van het
LRS zullen huisarts en bedrijfsarts
alert zijn op zeldzame, soms ernstige oorzaken van
de symptomen. Signalen daarvoor
zijn onder andere: begin van de
klachten boven het 50ste
levensjaar, uitgebreide neurologische
verschijnselen, algemene malaise,
maligniteit in de voorgeschiedenis en
onverklaard gewichtsverlies. Bij het
vermoeden van een ernstige of zeldzame oorzaak van het LRS zal de huisarts naar
een neuroloog verwijzen.
4.1.2. Lichamelijk onderzoek,
beeldvormend onderzoek en verwijzing
Bij het lichamelijk
onderzoek wordt nagegaan of de pijn een
kenmerkend dermatomaal patroon volgt.
Het belangrijkste deel van het
lichamelijk onderzoek is de proef van Lasègue.¹
Als anamnestisch sprake is van krachtsverlies of sensibiliteitsstoornissen,
kan hiernaar onderzoek worden
gedaan. De kracht kan getest worden
door het lopen op de hakken of de tenen en
het testen van de kracht bij extensie
van de grote teen tegen weerstand. De
kniepeesreflex kan verlaagd zijn bij
prikkeling van de wortel L4, de achilluspeesreflex bij het radiculair syndroom S1.
Compressie van de wortel van L5 leidt niet
tot verlaagde reflexen. De diagnostische
waarde van het onderzoek naar reflexen
en sensibiliteit is in de praktijk beperkt.
Aanvullend, met name
beeldvormend, onderzoek wordt alleen
aangeraden als er een vermoeden is van één
van de meer zeldzame oorzaken van
het LRS, zoals een maligniteit.
Aanvullend onderzoek is het terrein van de
specialist.
1. Proef van Lasègue: De
patiënt ligt op de rug en houdt het
aangedane been passief, terwijl de onderzoeker het
optilt, met vermijding van rotatie, ab- en adductie in de heup. De proef is
positief als deze manoeuvre binnen een
bepaalde hoek die het gestrekte been
met de ondergrond maakt, gepaard
gaat met (een verergering van) de
uitstralende pijn tot onder de knie. Hoe
kleiner de hoek waarbij de patiënt de
pijn aangeeft, hoe groter de kans op een LRS. De grenswaarde ligt ongeveer
bij 60 à 70 graden.
4.2. Differentiële
diagnostiek en comorbiditeit
4.2.1. Niet radiculair
uitstralende pijn
Bij niet-radiculaire
uitstralende pijn, of referred pijn, verloopt de
uitstraling niet volgens het verzorgingsgebied van één of meer ruggenmergwortels.
Kenmerken van niet-radiculaire
uitstralende pijn zijn: uitstraling vaker in
beide benen, niet volgens dermatomaal
patroon maar diffuus over liezen, heupen, gluteaalstreek en achterzijde bovenbeen,
niet voorbij de knie, dof en de
patiënt kan de plaats van de pijn niet goed
aangeven. Bij niet-radiculair
uitstralende pijn kan bijvoorbeeld sprake zijn
van:
- aspecifieke lage rugpijn;
- tumoren;
- ontstekingsprocessen;
- coxartrose;
- klachten uitgaande van het
sacroiliacaal gewricht;
- bursitis trochanterica.
Er kan ook sprake zijn van
comorbiditeit van één van de hiervoor
genoemde aandoeningen en het LRS tengevolge van een andere oorzaak.
4.2.2. Perifeer vaatlijden
Pijn in
één of beide benen
bij lopen kan ook optreden als gevolg van
perifeer arteriële aandoeningen (vasculaire claudicatio). Een belangrijk
verschil met de neurogene claudicatio is het
verdwijnen van de pijn bij stilstaan.
Andere kenmerken van vasculaire claudicatio
zijn: de pijn begint distaal en in
het algemeen na een vaste loopafstand,
arteriële pulsaties zijn afwezig of zwak.
4.3. Behandeling
Uitgangspunt van de
behandeling van het LRS in de eerste lijn is
dat het natuurlijke beloop in het algemeen gunstig is. Voorlichting,
begeleiding en pijnstilling zijn vaak voldoende [9,10]. De huisarts verwijst met spoed
naar een neurochirurg bij een
vermoeden van een cauda equinasyndroom, bij
een acuut ontstane ernstige parese en
bij een in de loop van enkele dagen
progressieve parese [1].
4.3.1. Voorlichting en
begeleiding
Adequate informatie en
vertrouwen in de begeleiding kunnen de
angst en onzekerheid wegnemen en de pijn doen afnemen. Angst en
onzekerheid (distress) zijn belangrijke oorzaken
van het chronisch worden van
klachten en beperkingen. De patiënt
wordt geïnformeerd over de waarschijnlijke
oorzaak van zijn klachten en over
het natuurlijke beloop. De voorlichting
behelst ook dat na het verdwijnen van de radiculaire pijn uitvalsverschijnselen
en tegelijkertijd aanwezige rugklachten nog
geruime tijd kunnen blijven bestaan.
In de acute fase wordt de patiënt
geadviseerd om zoveel als de klachten
toelaten te blijven bewegen en dagelijkse
activiteiten te blijven verrichten. Bedrust
wordt niet geadviseerd omdat dit het
genezingsproces niet versnelt, maar als de
klachten door bedrust duidelijk
minder worden, kan de patiënt daar de
eerste weken wel gedoseerd gebruik van maken.
De activiteiten worden zo spoedig mogelijk stapsgewijs uitgebreid, op
geleide van de pijn en de stoornissen.
Als de patiënt een meer intensieve en
activerende begeleiding nodig heeft, kan hij
hiervoor naar een fysiotherapeut
verwezen worden. Er zijn geen aanwijzingen
dat één specifieke behandeling de
voorkeur verdient [9]. Bij een wervelkanaalstenose zijn adviezen en behandeling
gericht op het aanpassen van houding, staan
en lopen, hetgeen beperkingen in het
werk kan geven [1].
Pijnbestrijding bij het LRS
is erop gericht de patiënt zijn
dagelijkse activiteiten te laten hervatten dan wel uitbreiden. Omtrent de effectiviteit van
pijnmedicatie bij het LRS
bestaat nog onduidelijkheid. De pijn kan soms zo ernstig zijn dat ook
morfine onvoldoende verlichting geeft. In dat
geval zal de huisarts verwijzen voor
vaststelling van de indicatie tot operatie.
Na de acute fase worden de
activiteiten in zes tot twaalf weken
tijdcontingent uitgebreid tot het oude niveau. Onvoldoende vooruitgang na zes tot acht
weken is een reden om te
verwijzen met de vraag of er een
operatie-indicatie is.
4.3.2. Chirurgische
behandeling
De
NHG-standaard
Lumbosacraal radiculair syndroom adviseert de
huisarts om naar een neuroloog (bij voorkeur), neurochirurg of
orthopedisch chirurg te verwijzen voor het
vaststellen van een operatie-indicatie als er
sprake is van onbeheersbare radiculaire
pijn en als na zes tot acht weken ondanks
conservatieve behandeling de pijn en
hinder onvoldoende zijn afgenomen. Bij operatie
zijn vermindering van de pijn en
behoud of herstel van het dagelijks
functioneren belangrijke behandeldoelen. Het is niet aangetoond dat de prognose
van een parese door operatief
ingrijpen verbetert. Om die reden is een ernstige
of progressieve parese een
relatieve indicatie voor operatie. Een absolute
indicatie voor operatie is er bij een cauda equinasyndroom.
Het resultaat van de
chirurgische behandeling ten aanzien van de
radiculaire pijnklachten is in het algemeen goed. De aanvankelijke verschillen
tussen geopereerde en conservatief behandelde patiënten verdwijnen echter
in de loop van vier tot tien jaar [11].
Het wegnemen van rugpijn is geen doel van
de operatie.
Hoofdstuk
5. Werkhervatting
Het beleid van zowel
huisarts als bedrijfsarts zal bij een LRS,
als er geen indicatie voor verwijzing
is, in het algemeen gericht zijn op een
stapsgewijze uitbreiding van
activiteiten. Het is niet nodig om met werkhervatting
te wachten tot de klachten zijn
verdwenen. In de beginfase kunnen de
pijnklachten wel zo ernstig zijn dat dit de
werkhervatting belemmert. Als de
vooruitgang goed is, kunnen de fysieke activiteiten in zes tot twaalf weken worden
uitgebreid tot het oude niveau.
Indien een patiënt met een
LRS verwezen is, dient bij de advisering
ten aanzien van werkhervatting rekening gehouden te worden met de
diagnostiek en behandeling in de tweede
lijn. Uitgangspunt is dat ook na een
chirurgische interventie al snel begonnen
kan worden met het opbouwen van
activiteiten. Er is geen reden om werkhervatting
na een operatie langdurig uit te stellen [4, 12]. Oefen- of revalidatieprogramma’s na de operatie kunnen herstel en
werkhervatting bevorderen. Er zijn geen aanwijzingen dat een specifieke
behandeling de voorkeur verdient.
Intensieve oefeningen zijn niet schadelijk voor
het herstel en heroperaties komen
hierbij niet vaker voor dan bij minder
intensieve reactivering. Rekening houdend met de
stoornissen en beperkingen mogen na een operatie op termijn alle
werkzaamheden weer verricht worden.
Begeleiding door een (bedrijfs)fysiotherapeut
kan in voorkomende gevallen een goede
ondersteuning bieden, met het oog op zowel
de geleidelijke uitbreiding van
activiteiten als de noodzakelijke
aanpassingen. Patiënten met lichte
restverschijnselen kunnen soms toch
aanzienlijke beperkingen houden voor specifieke
werkzaamheden, terwijl deze stoornissen gemakkelijk over het hoofd gezien kunnen
worden [13]. Lichte paresen of
sensibiliteitsstoornissen manifesteren zich niet aan het begin van de dag of
als de patiënt op de dag van het
onderzoek geen belastend werk heeft
gedaan, maar wel in de loop van de dag of
na belasting, bijvoorbeeld na langere tijd staan of autorijden.
Voor de re-integratie is het
van belang dat de werkzaamheden
(tijdelijk) worden aangepast en dat de werkgever de werknemer de gelegenheid
geeft om geleidelijk terug te keren.
Uitbreiding van de werkzaamheden kan
tijdcontingent plaatsvinden.
Bij stagnatie van herstel en
werkhervatting moet, behalve met specifieke
oorzaken, rekening gehouden worden met
de mogelijkheid van een
(beginnend) chronisch pijnsyndroom. Voor zover
chronische aspecifieke lage rugpijn een
rol speelt, zij verwezen naar
het desbetreffende protocol [7].
Hoofdstuk
6. De
verzekeringsgeneeskundige beoordeling
Aan de poort van de
Wet WIA
staat de verzekeringsarts bij een werknemer met het LRS voor vier beoordelingstaken, te
weten de beoordeling van de sociaal-medische voorgeschiedenis, van de actuele functionele
mogelijkheden, van het te verwachten beloop en
van de lopende en geïndiceerde behandeling en begeleiding. Deze vier
beoordelingstaken passeren in dit hoofdstuk
achtereenvolgens de revue.
6.1. Sociaal-medische
voorgeschiedenis
Bij een langdurig bestaand
LRS vormt de verzekeringsarts zich een
oordeel over de oorzaken van de stagnatie in het herstelproces, in de
wetenschap dat bij een adequate begeleiding de
overgrote meerderheid van deze
werknemers binnen drie maanden weer aan het
werk is en dat ook operatieve behandeling een spoedige werkhervatting in
het algemeen niet in de weg staat.
De verzekeringsarts betrekt
zijn analyse van de stagnatie van het
herstel bij zijn evaluatie van de re-integratie-inspanningen in het kader van de
poortwachtertoets [14].
Zijn beoordeling kan leiden
tot de conclusie dat bij een werknemer
belangrijke kansen in de behandeling en
begeleiding zijn gemist.
6.2. Functionele
mogelijkheden
De meeste patiënten zullen
twee jaar na het ontstaan van een LRS
hiervoor niet meer intensief behandeld of
begeleid worden. In de loop der tijd
kunnen zij inadequate voorstellingen
ontwikkeld hebben omtrent hun klachten
en stoornissen, bijvoorbeeld dat bewegen en belasten schadelijk is of
dat een restparese en sensibiliteitsstoornissen
symptomen zijn van een actief LRS.
Hierdoor kunnen naast fysieke
beperkingen ook beperkingen zijn ontstaan op
het gebied van het persoonlijk en
sociaal functioneren
De verzekeringsarts is alert
op inconsistenties in de anamnese, bijvoorbeeld wisselende lokalisaties of
niet-dermatomale uitstraling van de pijn en een constante niet bewegings-
of houdingsafhankelijke pijn, en op aanwijzingen dat de werknemer nog steeds
zoekt naar een medische oplossing
voor een blijvende stoornis.
Als er na twee jaar alleen
sprake is van een LRS, zonder comorbiditeit, dan zullen beperkingen van de
functionele mogelijkheden vooral
voortkomen uit de resterende neurologische prikkelings- en uitvalsverschijnselen, te
weten sensibiliteitsstoornissen, krachtverlies en de eventuele blijvende
defecatie- en mictiestoornissen tengevolge van een cauda equinasyndroom.
Aandachtspunten bij de
beoordeling van de functionele mogelijkheden
van een werknemer met een LRS zijn:
- aanpassing aan fysieke
omgevingseisen;
• trillingsbelasting;
- dynamische handelingen;
• getordeerd buigen en tillen;
• lopen, trappenlopen en
klimmen;
- statische houdingen;
• geknield of gehurkt actief
zijn;
• zitten;
• staan tijdens het werk;
• gebogen en/of getordeerd
actief zijn;
- sociaal functioneren;
• specifieke voorwaarden in
verband met mictie- en defecatiestoornissen.
Paresen kunnen leiden tot
beperkingen voor specifieke vormen van
arbeid, bijvoorbeeld autorijden.
Beperkingen die niet of niet
alleen het gevolg zijn van
neurologische stoornissen, kunnen voortkomen uit comorbiditeit, bijvoorbeeld een chronisch
pijnsyndroom, zoals
chronische aspecifieke lage rugpijn.
6.3. Te verwachten beloop
Twee jaar na het begin van
het LRS valt geen neurologisch herstel
meer te verwachten. In de praktijk blijkt soms
nog wel enig functieherstel op
te treden. Waarschijnlijk is dan sprake
van compensatie van de stoornis door
functies die intact gebleven zijn.
6.4. Behandeling en
begeleiding
Specifieke behandelingen
gericht op herstel van neurologische
stoornissen die twee jaar na het begin
van het LRS nog bestaan, zijn niet
voorhanden. Dat neemt niet weg dat er
mogelijkheden kunnen zijn om de functionele mogelijkheden te verbeteren,
bijvoorbeeld voorzieningen en aanpassingen. Als dat het geval is, overlegt en
adviseert de verzekeringsarts dienaangaande.
Als (volledige)
re-integratie is uitgebleven door andere oorzaken dan de
neurologische stoornissen van het LRS, bijvoorbeeld door een
chronisch pijnsyndroom, aspecifieke lage rugpijn of andere comorbiditeit,
overlegt de verzekeringsarts met betrokkene, huisarts, bedrijfsarts of andere
behandelaar(s) over het opstellen van een
medisch plan van aanpak, dat aansluit bij
zijn analyse van de stagnatie van de re-integratie en zijn actuele
onderzoeksbevindingen.
Bij herbeoordelingen
evalueert de verzekeringsarts de uitvoering van het medisch plan van aanpak. Zo
nodig treedt hij opnieuw in
overleg met betrokkene en diens behandelaar(s) om het plan bij te stellen.
Literatuur
1. Mens J.M.A., Chavannes A.W.,
Koes B.W., Lubbers W.J., Ostelo R.W.,
Spinnewijn W.E.M. e.a. NHG-standaard Lumbosacraal radiculair syndroom, eerste
herziening. Huisarts Wet
2005; 48: 171-178.
2. Gezondheidsraad.
Diagnostiek en behandeling van het
lumbosacraal radiculair syndroom. Den Haag: Gezondheidsraad; 1999: 1999/18.
3. Centraal
Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing.
Consensus Het lumbosacrale radiculaire syndroom. Resultaat van een
consensusbijeenkomst, gehouden op vrijdag 9 juni
1995 te Utrecht. Utrecht: CBO;
1995.
4. Nederlandse Vereniging
voor Arbeids- en
Bedrijfsgeneeskunde. Handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met rugklachten. Utrecht:
NVAB; 2006.
5. Chavannes A.W., Mens J.M.A.,
Koes B.W., Lubbers W.J., e.a. NHG-standaard Aspecifieke lage rugpijn,
eerste herziening. Huisarts Wet 2005; 48: 113-123.
6. Kwaliteitsinstituut voor
de Gezondheidszorg CBO. Richtlijn Aspecifieke lage rugklachten. Alphen aan
den Rijn: Van Zuiden; 2003.
7. Gezondheidsraad.
Verzekeringsgeneeskundige protocollen: Aspecifieke lage rugpijn, Hartinfarct.
Den Haag: Gezondheidsraad; 2005:
2005/15.
8. Snijders T.J., Ramsey N.F., Van Gijn J. [Functional imaging of the
brain in the investigation of chronic unexplained pain]. Ned Tijdschr Geneeskd
2007; 151 (8): 461-465.
9. Luijsterburg P.A.J., Verhagen A.P., Ostelo RW.J.G., Van Os T.A.G., Peul
W.C.,
Koes B.W. Effectiveness of conservative treatments for the lumbosacral
radicular syndrome. A systematic review. In: Luijsterburg, P.A.J. Evidence
based handelen bij het lumbosacraal
radiculair syndroom [proefschrift].
Rotterdam: Erasmus Universiteit; 2006.
10. Hagen K.B., Hilde G.,
Jamtvedt G., Winnem M. Bed rest for acute
low-back pain and sciatica. Cochrane Database Syst Rev 2004; (4):
CD001254.
11. Atlas S.J., Keller R.B., Wu Y.A., Deyo R.A., Singer D.E. Long-term
outcomes of surgical and nonsurgical management of sciatica secondary to a
lumbar disc herniation: 10 year results from the
maine lumbar spine study. Spine
2005; 30(8): 927-935.
12. Ostelo R.W., De Vet H.C.,
Waddell G., Kerckhoffs M.R., Leffers P., Van Tulder M.W. Rehabilitation after
lumbar disc surgery. Cochrane Database
Syst Rev 2002; (2): CD003007.
13. Braakman R., Blaauw G.,
Gelpke G.J., Singh R., Slebus F. Effect
van operatie op neurologische uitval door een lumbosacraal radiculair syndroom. Ned
Tijdschr Geneeskd 1989; 133:
2619-2623.
14. UWV.
Kader voor inzet en
beoordeling van
re-integratie-inspanningen. Bijlage bij de Beleidsregels
beoordelingskader poortwachter d.d. 17 oktober 2006 (Stcrt.
2006, 224, pag. 34-44).
|