|
20 december 2005
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Besluit:
Art. 1. Begripsomschrijvingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Wet WIA: Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
b. verzekerde: de persoon
bedoeld in de artikelen 7, 10 en
16 van de Wet WIA;
c. WGA-uitkering:
werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7 van
de Wet WIA;
d. UWV: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
e. CWI: Centrale organisatie
werk en inkomen;
f. reïntegratievisie: de
reïntegratievisie, bedoeld in artikel 30a,
eerste lid, van de Wet SUWI;
g. reïntegratieplan: het
reïntegratieplan, bedoeld in artikel 30a,
derde lid, van de Wet SUWI;
h. functionele
mogelijkheden: krachten en bekwaamheden als bedoeld
in artikel 6, derde lid, van de Wet
WIA;
i. werkdag: een dag die geen
zaterdag, zondag of algemeen erkende
feestdag is;
j. maatregel: gehele of
gedeeltelijke weigering van de uitkering als bedoeld
in artikel 88 van de Wet
WIA.
Art. 2.
Passende arbeid
behouden
-1. Indien de verzekerde die
recht heeft op een loongerelateerde
uitkering als bedoeld in artikel 59 van de Wet
WIA
een dienstbetrekking met een
werkgever heeft, wordt in de
reïntegratievisie vermeld welke activiteiten hij moet
verrichten om:
a. beëindiging van die
dienstbetrekking te voorkomen;
b. passende arbeid in het
bedrijf van zijn werkgever te verkrijgen of
te behouden;
c. aanspraken op
loondoorbetaling geldend te maken.
-2. De verzekerde handelt in
strijd met artikel 30, derde lid, van
de Wet WIA indien hij zonder
deugdelijke grond de in het eerste lid bedoelde
verplichtingen niet nakomt.
Art. 3.
Trachten passende
arbeid te verkrijgen
-1. In de reïntegratievisie
wordt vermeld welke activiteiten de
verzekerde die recht heeft op een WGA-uitkering ten minste moet verrichten om te
voldoen aan de verplichting in
voldoende mate te trachten passende arbeid te
verkrijgen.
-2. De verzekerde die
beschikt over arbeidsmogelijkheden die op
de arbeidsmarkt direct
benutbaar zijn, is verplicht ten minste tweemaal per maand een vacaturebank te
raadplegen en ten minste viermaal per maand een concrete
sollicitatieactiviteit te verrichten. Afhankelijk van de
functionele mogelijkheden van de verzekerde en van diens positie op de
arbeidsmarkt kunnen deze aantallen ook
hoger of lager worden gesteld.
-3. Indien dit voor de
arbeidsinschakeling van de verzekerde
bevorderlijk kan zijn, kunnen in de reïntegratievisie naast of in de plaats van
sollicitaties ook andere activiteiten verplicht
worden gesteld.
-4. In de reïntegratievisie
wordt vermeld op welke wijze de verzekerde
het UWV moet informeren over zijn activiteiten.
Art. 4.
Registratie bij
de CWI
-1. Aan de verzekerde die
beschikt over arbeidsmogelijkheden die op
de arbeidsmarkt direct
benutbaar zijn of die gebruik kan maken van
gerichte dienstverlening van de CWI,
wordt opgedragen zich als werkzoekende bij de CWI te laten registreren.
-2. Aan andere verzekerden
wordt de opdracht tot registratie bij
de CWI slechts gegeven voor zover
die registratie bevorderlijk kan zijn voor
hun inschakeling in de arbeid.
-3. De opdracht tot
registratie bij de CWI wordt niet gegeven aan de
verzekerde die zijn resterende verdiencapaciteit, bedoeld in artikel 60 van de
Wet WIA, volledig benut.
-4. De verplichting tot
registratie bij de CWI houdt tevens in dat de
verzekerde:
a. die registratie steeds
tijdig moet doen verlengen;
b. de door de CWI gegeven
aanwijzingen moet opvolgen;
c. gevolg moet geven aan
elke verwijzing van de CWI naar een
werkgever die passend werk beschikbaar heeft.
-5. De verzekerde is
verplicht om het UWV te informeren over het
voortduren van zijn registratie bij de CWI en over de door de CWI en door
hemzelf verrichte activiteiten gericht op
inschakeling in arbeid.
Art. 5.
Passende arbeid
aanvaarden
-1. De verzekerde is
verplicht alle arbeid te aanvaarden die voor hem
beschikbaar komt en die door het UWV als
passend wordt aangemerkt.
-2. Arbeid is niet passend
voor een verzekerde indien de belastende
factoren van die arbeid uitgaan boven zijn functionele mogelijkheden.
-3. Arbeid wordt eerder als
passend aangemerkt naarmate deze beter aansluit
bij de opleiding en het arbeidsverleden van de verzekerde.
-4. Naarmate de kansen van
de verzekerde op het verkrijgen van arbeid
geringer worden geacht, wordt arbeid
die voor hem beschikbaar is eerder
als passend aangemerkt.
-5. Arbeid die voor een
beperkte tijd wordt aangeboden, wordt
eerder als passend aangemerkt dan arbeid voor
langere duur.
-6. Bij de beoordeling of
arbeid qua beloning passend is voor een verzekerde wordt mede in aanmerking genomen welke gevolgen aanvaarding
van die arbeid zal hebben voor de
hoogte van zijn WGA-uitkering.
Art. 6.
Werken als
zelfstandige
-1. De verzekerde die als
zelfstandige een beroep of bedrijf wil
gaan uitoefenen, mag zich daarop oriënteren,
daarmee een aanvang maken en in dit
kader productieve arbeid gaan
verrichten, mits hij in voldoende mate blijft
trachten arbeid in loondienst te
verkrijgen.
-2. Indien de vooruitzichten
van het als zelfstandige gaan uitoefenen
van een beroep of bedrijf dit rechtvaardigen, kan de verplichting te trachten
arbeid in loondienst te verkrijgen,
worden verminderd of voor een bepaalde tijd
worden opgeschort. Daarbij kunnen
nieuwe verplichtingen worden opgelegd met betrekking tot activiteiten
gericht op het gaan werken als
zelfstandige.
Art. 7.
Werken buiten
Nederland
-1. De verzekerde die buiten
Nederland wil gaan werken, mag zijn
activiteiten mede daarop richten, mits
hij in voldoende mate blijft trachten arbeid
in Nederland te verkrijgen.
-2. Indien de vooruitzichten
van het gaan werken buiten Nederland dit
rechtvaardigen, kan de verplichting te
trachten arbeid in Nederland te
verkrijgen, worden verminderd of voor een
bepaalde tijd worden opgeschort.
Daarbij kunnen nieuwe verplichtingen worden
opgelegd met betrekking tot
activiteiten gericht op het gaan werken buiten
Nederland.
-3. De verzekerde die buiten
Nederland woont en die recht heeft op
een WGA-uitkering richt zijn activiteiten op
het verkrijgen van arbeid in het
land waar hij woont. Zijn
verplichtingen met betrekking tot arbeidsinschakeling en de wijze waarop hij van de
nakoming van die verplichtingen blijk
moet geven, worden afgestemd op de
omstandigheden in dat land.
Art. 8.
Vrijstelling in
verband met vakantie
-1. De verzekerde die, tot
een maximum van 20 werkdagen per
kalenderjaar, vakantie geniet, is voor de duur van die vakantie vrijgesteld van
zijn verplichtingen met betrekking tot
arbeidsinschakeling.
-2. In het kalenderjaar
waarin de uitkering ingaat, wordt het maximum
aantal van 20 werkdagen verminderd met vijfdertiende deel van het
aantal op de eerste uitkeringsdag
verstreken weken.
-3. De vrijstelling eindigt
wanneer het voor de verzekerde geldende
maximum aantal werkdagen is bereikt, ongeacht of de verzekerde daarna nog
vakantie geniet en ongeacht of hij
zich in of buiten Nederland bevindt.
Art. 9.
Vrijstelling in
verband met vrijwilligerswerk en
mantelzorg
-1. De verzekerde die
voldoet aan de voorwaarden, genoemd in
artikel 4, tweede lid, van de Regeling vrijstelling verplichtingen WW en
Wet WIA, wordt geheel vrijgesteld van zijn
verplichtingen met betrekking tot
arbeidsinschakeling zolang hij het in dat
artikel bedoelde vrijwilligerswerk verricht, respectievelijk tot één
maand na de dag waarop hij de in dat artikel
bedoelde mantelzorg niet langer
verricht.
-2. Indien vrijstelling als
bedoeld in het eerste lid wordt aangevraagd
door een verzekerde ten behoeve van wie het UWV
werkzaamheden laat
verrichten ter bevordering van diens
arbeidsinschakeling, wordt het belang van die
vrijstelling afgewogen tegen het belang
van die werkzaamheden.
Art. 10.
Vrijstelling in
verband met scholing of proefplaatsing
-1. De verzekerde die een
naar het oordeel van het UWV noodzakelijke
opleiding of scholing volgt of die meewerkt aan andere activiteiten of
werkzaamheden die het UWV wenselijk acht
voor het verkrijgen van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid, wordt
vrijgesteld van zijn verplichtingen met
betrekking tot arbeidsinschakeling,
voor zover nakoming van die
verplichtingen belemmerend zou kunnen
werken op die opleiding, scholing,
activiteiten of werkzaamheden.
-2. Een vrijstelling als
bedoeld in het eerste lid eindigt twee maanden vóór het tijdstip waarop de
opleiding, scholing, activiteiten of
werkzaamheden naar verwachting zullen eindigen of zoveel later als het UWV
wenselijk
acht.
-3. Toestemming voor een
proefplaatsing als bedoeld in artikel 37
van de Wet WIA wordt verleend indien wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in
het tweede lid van dat
artikel, en het uitzicht op een aansluitende
dienstbetrekking, mede gelet op de aard en de omvang van die
dienstbetrekking, rechtvaardigt dat de verzekerde voor de
duur van de proefplaatsing wordt
vrijgesteld van zijn verplichtingen met
betrekking tot arbeidsinschakeling.
Art. 11.
Vrijstelling om
andere redenen
-1. De verzekerde die 64
jaar of ouder is op de eerste dag dat hij
recht heeft op een WGA-uitkering wordt vrijgesteld van de verplichtingen met
betrekking tot arbeidsinschakeling, tenzij
hij dit niet wenst.
-2. Aan de verzekerde die
zijn volledige restverdiencapaciteit benut,
worden geen verplichtingen met betrekking tot arbeidsinschakeling
opgelegd, tenzij het UWV dit in het belang van de
reïntegratie wenselijk acht.
-3. In het belang van de
reïntegratie of wegens bijzondere
omstandigheden kan een verzekerde tijdelijk van zijn verplichtingen met betrekking tot
arbeidsinschakeling worden ontheven.
Art. 12.
Aanvang van de
verplichtingen
-1. De verplichtingen met
betrekking tot arbeidsinschakeling gelden
met ingang van de dag nadat de reïntegratievisie aan de verzekerde is
bekendgemaakt, voor zover niet in de
reïntegratievisie anders is bepaald.
-2. De verplichtingen die in
de reïntegratievisie zijn vermeld, worden niet
opgeschort doordat de verzekerde tegen
de reïntegratievisie bezwaar
maakt.
-3. In de reïntegratievisie
kan worden bepaald dat één of meer
uitdrukkelijk genoemde verplichtingen niet zullen gelden totdat de termijn
voor het indienen van een bezwaarschrift tegen
de reïntegratievisie is verstreken of, indien een bezwaarschrift wordt
ingediend, totdat op dat bezwaar is
beslist.
Art. 13.
Wijziging van
verplichtingen
-1. Verplichtingen die zijn
vermeld in de reïntegratievisie kunnen in
het reïntegratieplan of in een bijstelling van de reïntegratievisie worden
aangevuld, gewijzigd of opgeheven.
-2. Verplichtingen die zijn
vermeld in het reïntegratieplan kunnen
worden aangevuld, gewijzigd of opgeheven in
een bijstelling van de
reïntegratievisie.
-3. Aan een bijstelling van
de reïntegratievisie waarin de verplichtingen van
de verzekerde worden verminderd, kan terugwerkende kracht worden
verleend.
-4. Artikel 12 is van
overeenkomstige toepassing op het
reïntegratieplan en op bijstellingen van de reïntegratievisie.
Art. 14.
Schorsing van de
uitkering
-1. Indien het
reïntegratiebedrijf dat ten behoeve van de verzekerde
werkzaamheden verricht gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het
verrichten van arbeid of op
inschakeling in de arbeid aan het UWV het
vermoeden meldt dat de verzekerde zijn
verplichtingen niet nakomt, onderzoekt het
UWV de gegrondheid van dit
vermoeden.
-2. Stelt het UWV vast dat
er sprake is van een gegrond vermoeden
dat de verzekerde zijn verplichtingen niet
nakomt, dan schorst het de uitkering
van de verzekerde voor de duur van acht weken.
-3. Gedurende de schorsing
van de uitkering verstrekt het UWV aan de
verzekerde op diens aanvraag voorschotten ter hoogte van het
uitkeringsbedrag, verminderd met het bedrag van de
maatregel die wegens de gedraging van
de verzekerde kan worden
opgelegd.
-4. Het besluit over de
schorsing wordt aan het reïntegratiebedrijf
medegedeeld indien dit voor de
uitvoering van diens werkzaamheden noodzakelijk is of indien een melding als
bedoeld in het eerste lid daarvoor aanleiding is geweest.
Art. 15.
Toepassing van
een maatregel
-1. Alvorens te besluiten
over het opleggen van een maatregel wegens het
niet nakomen van een verplichting vermeld in de reïntegratievisie of
in het reïntegratieplan, onderzoekt het UWV
of een bijstelling van de
reïntegratievisie noodzakelijk is.
-2. Het UWV legt een
maatregel op indien de verzekerde zonder
deugdelijke grond een verplichting vermeld in de reïntegratievisie of in het
reïntegratieplan niet is nagekomen en deze
gedraging moet worden aangemerkt als niet-nakoming van een wettelijke verplichting, tenzij elke
verwijtbaarheid voor de gedraging ontbreekt
of met een waarschuwing kan worden
volstaan.
-3. Hoogte en duur van de op
te leggen maatregel worden bepaald aan
de hand van het Maatregelenbesluit UWV.
-4. Artikel 14, vierde lid,
is van overeenkomstige toepassing op het besluit
over de maatregel.
Art. 16.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 29 december 2005. Indien
de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven
na 27 december 2005, treedt het
besluit in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de
Staatscourant waarin het wordt geplaatst
en werkt het terug tot en met 29 december
2005.
Dit
besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Amsterdam, 20 december
2005.
plaatsvervangend voorzitter Raad van bestuur UWV,
A.G. Dümig.
TOELICHTING
[20 december 2005]
Algemeen
Eén
van de wezenlijke kenmerken van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA) is de uitbreiding en aanscherping van de
plichten van de verzekerden, met name van degenen die recht hebben op een
werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten (WGA-uitkering). Aan de
algemene verplichting uit de WAO om
mee te werken aan
reïntegratiemaatregelen wordt de verplichting uit de
WW toegevoegd om passend werk te zoeken en
te aanvaarden. Uitgangspunt van
de wetgever is dat iedereen die enig
arbeidsvermogen heeft en die aanspraak maakt
op een uitkering in elk geval
verplicht is om te proberen dit
arbeidsvermogen optimaal te benutten. De WGA-gerechtigde is daarom verplicht in voldoende mate te trachten
passende arbeid te verkrijgen.
Wanneer hij passende arbeid krijgt aangeboden,
mag hij die niet weigeren. Als het UWV hem dit
opdraagt, moet zich bij het CWI als werkzoekende laten
registreren. Heeft hij passende arbeid, dan
moet hij voorkomen dat hij die verwijtbaar
verliest.
In de Wet WIA zijn de
diverse plichten van de verzekerde, gericht
op zijn inschakeling in de arbeid,
in ruime en algemene termen
geformuleerd. Het UWV heeft de taak om voor
elke WGA-gerechtigde een reïntegratievisie op te stellen, waarin de rechten
en plichten van de verzekerde concreet
worden omschreven. De
reïntegratievisie wordt periodiek geëvalueerd en
zo nodig bijgesteld. Schakelt het UWV een
reïntegratiebedrijf in, dan stelt dit bedrijf in samenspraak met de
verzekerde een reïntegratieplan op. Nadat
het UWV het reïntegratieplan heeft
goedgekeurd, is de verzekerde ook gebonden aan
de verplichtingen die in dat plan zijn
opgenomen. Zowel de reïntegratievisie
als het reïntegratieplan en de eventuele bijstellingen zijn bindende documenten,
waartegen bezwaar en beroep
openstaat.
In deze beleidsregels wordt
een kader aangegeven voor de inhoud
van de verplichtingen, de wijze waarop zij aan de verzekerden worden opgelegd,
de mogelijkheid om daarvan vrijstelling te verlenen en de wijze waarop
de verplichtingen worden gehandhaafd.
Artikelsgewijs
Artikel
2. Passende arbeid
behouden
De WGA-gerechtigde die een
dienstbetrekking bij een werkgever heeft,
moet zich ervoor inspannen dat
die niet onnodig wordt verbroken. Aanwezige
mogelijkheden om aan het werk te blijven moet hij zo goed mogelijk
benutten. Ook indien de werkgever niet
rechtstreeks verantwoordelijk is voor de reïntegratie, kan de
verzekerde mogelijk op grond van het
arbeidsrecht aanspraak maken op werkaanpassingen of herplaatsing. Het UWV
kan van hem
verlangen dat hij in dit opzicht
bepaalde activiteiten ontplooit en dit in de
reïntegratievisie opnemen. Laat de verzekerde
dit na, dan kan er sprake zijn van
verwijtbaar verlies van passende arbeid.
Dit is een grond voor het opleggen van
een maatregel.
Artikel
3. Trachten passende
arbeid te verkrijgen
WGA-gerechtigden zijn
verplicht om in voldoende mate te trachten
passende arbeid te verkrijgen.
Daarbij kunnen niet zonder meer dezelfde normen
worden aangelegd als in het kader
van de Werkloosheidswet. Als uitgangspunt geldt dat
verzekerden die op de
arbeidsmarkt reële kansen hebben en die
in dit opzicht dus vergelijkbaar
zijn met andere werkzoekenden, ten minste
vier sollicitatieactiviteiten per
maand moeten verrichten. Voor degenen van
wie de kansen veel geringer zijn,
kan naar beneden van deze norm worden afgeweken. In die gevallen waarin dit
zinvol is, kan de norm ook hoger worden
gesteld. Is het voor de arbeidskansen
van een verzekerde gunstiger dat hij
andere stappen onderneemt dan schriftelijke sollicitaties, dan kan in de
reïntegratievisie worden vastgelegd welke
activiteiten hij daarnaast, of in de plaats
daarvan, zal gaan ontplooien. In de
reïntegratievisie wordt ook vermeld op welke
wijze de verzekerde het UWV moet
informeren over zijn activiteiten.
Artikel
4. Registratie bij
de CWI
De verplichting om zich als
werkzoekende bij de CWI te laten
registreren, geldt voor een
WGA-gerechtigde niet vanzelf, maar ontstaat pas
nadat het UWV de verzekerde daartoe
uitdrukkelijk opdracht heeft gegeven. Registratie bij de CWI is in elk geval
zinvol indien dit de zoekactiviteiten van
de verzekerde bevordert of deze van de
CWI gerichte dienstverlening kan
verwachten. Heeft de verzekerde een zeer
grote afstand tot de arbeidsmarkt
en heeft inschrijving bij de CWI geen
toegevoegde waarde, dan kan deze
achterwege blijven. De verzekerde die
bij de CWI is geregistreerd, moet die
registratie steeds tijdig verlengen, de aanwijzingen van de CWI opvolgen en gevolg
geven aan elke verwijzing naar een
werkgever die passend werk beschikbaar
heeft. Hij is bovendien verplicht om het
UWV periodiek te informeren over het
voortduren van zijn registratie bij de CWI en over de verrichte activiteiten.
Artikel
5. Passende arbeid
aanvaarden
De omschrijving van het
begrip passende arbeid in de Wet WIA komt
overeen met die in de Werkloosheidswet. Passende
arbeid is alle arbeid die
voor de krachten en bekwaamheden van
de verzekerde is berekend en waarvan in redelijkheid van hem kan
worden gevergd dat hij die
aanvaardt. Voor een gedeeltelijk
arbeidsgeschikte betekent dit dat de belastende
factoren van het werk in elk geval niet mogen
uitgaan boven zijn functionele
mogelijkheden. Of de aanvaarding van
bepaalde arbeid onder de gegeven
omstandigheden in redelijkheid van hem gevergd
kan worden, hangt af van verschillende factoren, zoals de ernst van zijn
beperkingen, het arbeidsverleden en het
verloop van de reïntegratie tot dat moment.
De Richtlijn passende
arbeid 1996, die bij de uitvoering van de
Werkloosheidswet wordt gevolgd, is niet van toepassing op de Wet WIA. Telkens moet aan
de hand van de feitelijke
omstandigheden worden beoordeeld of bepaalde
arbeid op een bepaald moment voor een
bepaalde verzekerde moet worden
aangemerkt als passend of als niet passend.
De verzekerde die door de ernst van zijn
beperkingen weinig kans heeft om werk te vinden, zal mogelijk extra
kritisch moeten zijn voor wat betreft de
werkomstandigheden, maar zal wellicht meer concessies moeten doen als
het gaat om de arbeidsvoorwaarden. Wie
veel ervaring heeft met een bepaald soort werk zal meer kansen hebben als
hij zich op vergelijkbaar werk richt.
Dat werk zal daarom voor hem eerder als
passend kunnen worden beschouwd.
Werk dat verder verwijderd is van
zijn vroegere werk zal minder snel als
passend worden gezien.
De beoordeling van de
passendheid kan in de loop van de tijd
veranderen. Werk dat aanvankelijk niet
als passend wordt beschouwd, kan later
alsnog in beeld komen, bijvoorbeeld
als de belastbaarheid is toegenomen of als blijkt
dat beter geschikte
alternatieven zijn weggevallen. Werk dat voor de langere termijn niet als passend kan worden
beschouwd, kan desondanks voor een
korte tijd, bijvoorbeeld ter overbrugging of voor het opdoen van werkervaring, wel
passend zijn.
Anders dan in de
Werkloosheidswet kan werkaanvaarding door een WGA-gerechtigde ook een gunstig effect hebben op de hoogte en de
duur van zijn uitkering. Bij de
beoordeling of arbeid qua beloning passend is, moet dit effect mede in aanmerking worden
genomen.
Artikel
6. Werken als
zelfstandige
Voor het recht op een
WW-uitkering is het van belang dat de
verzekerde de hoedanigheid van werknemer blijft behouden en dat hij geen productieve
arbeid verricht. De werkloze
werknemer die als zelfstandige wil gaan
werken, is daarom gebonden aan strikte
voorwaarden. De beperkingen die de WW
hierbij aanlegt, ontbreken in de Wet WIA. De WGA-gerechtigde die zich wil oriënteren op het gaan werken als
zelfstandige krijgt daarvoor de ruimte, zeker
wanneer dit betere kansen lijkt te
bieden dan werken in loondienst. Zolang niet
vaststaat dat een eigen bedrijf of
zelfstandig beroep de meest haalbare optie is,
blijft de verzekerde in elk geval ook verplicht
om voldoende te solliciteren.
Naarmate de vooruitzichten zich gunstig
ontwikkelen, kan de sollicitatieplicht
worden verminderd en geleidelijk
worden vervangen door verplichtingen gericht
op het gaan werken als
zelfstandige.
Artikel
7. Werken buiten
Nederland
Binnen het kader van de
Wet
beperking export uitkeringen kan een WGA-gerechtigde met behoud van zijn uitkering buiten Nederland wonen of verblijven. Ook in het
buitenland kan en moet hij zijn verplichtingen nakomen. Wil een verzekerde buiten
Nederland gaan werken, dan mag hij
zijn activiteiten mede daarop richten, mits
hij voldoende blijft solliciteren op
vacatures in Nederland. Pas indien de
buitenlandse vooruitzichten dit
rechtvaardigen, kan de verplichting om in
Nederland te solliciteren worden verminderd en
vervangen door een zoekplicht in een
ander land. Woont de verzekerde
buiten Nederland, dan richt hij zijn
activiteiten op het verkrijgen van werk in het
land waar hij woont. Zijn verplichtingen
worden afgestemd op de omstandigheden in dat
land.
Artikel
8. Vrijstelling in
verband met vakantie
Vakantie genieten is in de
Wet WIA geen uitsluitingsgrond,
zoals dat in de WW wel het geval is.
WGA-gerechtigden behouden
hun uitkering ook tijdens
vakantie, mits zij blijven voldoen aan hun reïntegratieverplichtingen. Voor maximaal
20 werkdagen per kalenderjaar
kunnen zij wegens het genieten van
vakantie van deze verplichtingen worden
vrijgesteld. In de Vakantieregeling WW is
bepaald dat het maximum aantal van 20 vakantiedagen per
kalenderjaar wordt verminderd met vijfdertiende deel van het aantal weken van het
kalenderjaar dat op de eerste
uitkeringsdag is verstreken. Het UWV past deze
vermindering op dezelfde wijze toe op de Wet WIA. De vrijstelling wegens
vakantie eindigt wanneer het voor de
verzekerde geldende maximum aantal werkdagen is bereikt. Geniet de
verzekerde daarna nog vakantie, in of buiten
Nederland, dan heeft hij wel recht op
uitkering, maar hij moet onverkort
voldoen aan zijn verplichtingen.
Artikel
9. Vrijstelling in
verband met vrijwilligerswerk en
mantelzorg
In
de Regeling vrijstelling verplichtingen WW en
Wet WIA is onder meer bepaald dat WGA-gerechtigden
die zijn geboren vóór 1 juli 1945
en die ten minste één jaar hun resterende
verdiencapaciteit niet volledig benutten,
kunnen vragen om vrijstelling van
hun verplichtingen wegens het verrichten van
vrijwilligerswerk of mantelzorg. Die
vrijstelling wordt alleen gegeven indien
het vrijwilligerswerk of de
mantelzorg minimaal drie maanden duurt
en ten minste 20 uren per week
beslaat. Indien het UWV ten behoeve
van de verzekerde
reïntegratieactiviteiten laat verrichten, wordt de
vrijstelling geweigerd, tenzij het belang van het vrijwilligerswerk of de mantelzorg naar het
oordeel van het UWV zwaarder
weegt dan het belang van de reïntegratieactiviteiten. De vrijstelling geldt voor
de duur van het vrijwilligerswerk.
Bij mantelzorg is er een uitlooptermijn van
één maand.
Artikel
10. Vrijstelling in
verband met scholing of proefplaatsing
De verzekerde die een
noodzakelijke opleiding of scholing volgt
of die werkt op een proefplaats als bedoeld in artikel
37 van de Wet WIA wordt
tijdelijk vrijgesteld van de verplichting om werk
te zoeken en te aanvaarden.
Neemt de opleiding of scholing
slechts een gedeelte van de werkweek in beslag,
dan kan ook de vrijstelling tot een
gedeelte van de werkweek worden beperkt.
Ook andere reïntegratieactiviteiten kunnen reden zijn voor het verlenen van
een vrijstelling. De vrijstelling eindigt twee
maanden vóór het einde van de
opleiding, scholing of andere
activiteit. Indien het UWV van oordeel is dat de
verzekerde op dat moment nog niet in
staat is om zijn verplichtingen weer na
te komen, kan dit tijdstip ook later
worden gesteld.
Het UWV verleent alleen
toestemming voor een proefplaatsing
indien wordt voldaan aan de
voorwaarden, genoemd in artikel 37,
tweede lid, van de Wet WIA. Het moet gaan om
passend werk, dat de verzekerde nog niet eerder onbeloond heeft verricht en waarvoor een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering is
afgesloten. Verder moet er een reëel
uitzicht zijn op een aansluitende
dienstbetrekking voor ten minste hetzelfde aantal
uren per week en voor de duur van ten
minste zes maanden.
Artikel
11. Vrijstelling om
andere redenen
De verzekerde die 64 jaar of
ouder is op de eerste dag dat hij recht
heeft op een WGA-uitkering en die op die
dag niet zijn resterende
verdiencapaciteit benut, heeft op grond van de Regeling vrijstelling verplichtingen WW en
Wet WIA recht op vrijstelling van de
verplichtingen met betrekking tot arbeidsinschakeling. Hij is niet verplicht om van
dit recht gebruik te maken.
Verzekerden die naast hun WGA-uitkering een dienstverband hebben en daarin een loon verdienen
ter hoogte van hun resterende verdiencapaciteit, hebben op grond van artikel
30, eerste lid, van de Wet WIA toch de
verplichting om passend werk te zoeken en
te aanvaarden. In de meeste
gevallen zal er geen aanleiding zijn om van
hen daadwerkelijk sollicitatieactiviteiten te verlangen. Hierop zijn
echter uitzonderingen mogelijk. Het is denkbaar
dat een verzekerde die tijdelijk
zijn resterende verdiencapaciteit volledig
benut, toch aan deze verplichting wordt
gehouden, omdat dit voor zijn
reïntegratie nuttig en noodzakelijk wordt geacht.
De verplichting om passend
werk te zoeken en te aanvaarden
geldt zolang er een WGA-uitkering wordt ontvangen en er geen vrijstelling van
toepassing is. De zoekverplichting staat
echter ten dienste van de reïntegratie en
moet op een evenwichtige en zorgvuldige
wijze worden opgelegd. Een verzekerde die
op de arbeidsmarkt niet reëel
inzetbaar is, kan niet enkel om deze reden van
de zoekverplichting worden ontheven, maar die verplichting kan wel op een
aangepaste wijze worden ingevuld.
Indien dit voor de voortgang van de
reïntegratie gewenst is of indien
bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan de verplichting voor een
korte tijd ook geheel worden opgeschort.
Artikel
12. Aanvang van de
verplichtingen
Voor zover in de
reïntegratievisie rechten en plichten worden
vastgesteld, is het een bindend document. Het wordt in de vorm van een
beschikking aan de verzekerde toegezonden. Deze
kan daartegen een bezwaarschrift indienen, bijvoorbeeld omdat hij het
aanbod van het UWV onvoldoende vindt
of omdat hij de aan hem opgelegde
verplichtingen te zwaar vindt. Het bezwaar
heeft echter geen opschortende werking. De verplichtingen die in de reïntegratievisie
vermeld staan, moet de verzekerde
nakomen vanaf de ontvangst van de beschikking. Indien de
verzekerde tegen bepaalde verplichtingen
bezwaar maakt en onmiddellijke handhaving
van die verplichtingen naar het
oordeel van het UWV niet wenselijk of niet
goed mogelijk is, kunnen die
verplichtingen voor de duur van de
bezwaartermijn of de bezwaarprocedure worden
opgeschort. Een dergelijke uitzondering
moet uitdrukkelijk in de reïntegratievisie
worden opgenomen.
Artikel
13. Wijziging van
verplichtingen
Als het
UWV voor de
begeleiding van de verzekerde een
reïntegratiebedrijf heeft ingeschakeld, stelt
dit bedrijf in samenspraak met de
verzekerde een reïntegratieplan op. De
verplichtingen van de verzekerde, zoals die
in de reïntegratievisie zijn neergelegd, worden in dit plan verder uitgewerkt.
Nadat het UWV het plan heeft goedgekeurd en het in de vorm van een
beschikking aan de verzekerde heeft
toegezonden, gelden de verplichtingen van het
reïntegratieplan, ook voor zover die
verplichtingen afwijken van die van de reïntegratievisie. De verplichtingen uit
de reïntegratievisie blijven in stand voor zover
zij door het reïntegratieplan
niet zijn gewijzigd of opgeheven. Een
bijstelling van de reïntegratievisie geldt
ook voor het reïntegratieplan. De inhoud
van alle documenten blijft gelden
totdat deze wordt herzien en bij een tegenstrijdigheid geldt de inhoud van het
laatste document.
Ontwikkelingen en ervaringen
gedurende het reïntegratieproces
kunnen reden zijn om de invulling
van de verplichtingen aan te scherpen of af te zwakken. Aanscherping kan
aan de orde zijn als de verzekerde zich voor zijn reïntegratie niet voldoende
lijkt in te spannen. Anderzijds kunnen
opgelegde verplichtingen waarvan
volledige nakoming niet haalbaar of zinvol
blijkt te zijn, worden teruggebracht
tot een realistischer niveau. Dergelijke
wijzigingen worden vastgelegd in een
bijstelling van de reïntegratievisie. Aan
een vermindering van verplichtingen kan
terugwerkende kracht worden verleend. Ook voor het reïntegratieplan en voor bijstellingen
van de reïntegratievisie
geldt dat een ingediend bezwaar geen
opschortende werking heeft, tenzij er
uitdrukkelijk een uitzondering is gemaakt.
Artikel
14. Schorsing van de
uitkering
De melding van het
reïntegratiebedrijf aan het UWV dat het gegrond
vermoeden bestaat dat de verzekerde zijn verplichtingen niet nakomt,
brengt mee dat het UWV verplicht is een
beslissing te nemen over het schorsen
van de uitkering. Komt ook voor het UWV vast
te staan dat er sprake is van
dit gegrond vermoeden, dan wordt de
volledige uitkering geschorst voor de duur van
acht weken. Gedurende de
schorsing van de uitkering kan het UWV aan de
verzekerde op diens aanvraag
voorschotten verstrekken ter hoogte van
het uitkeringsbedrag, verminderd met de maatregel die in verband met de
niet-nakoming ten hoogste kan worden
opgelegd. De schorsing wordt opgeheven
zodra daarvoor reden bestaat. Het
reïntegratiebedrijf wordt op de hoogte gesteld
van de genomen beslissing.
Artikel
15. Toepassing van
een maatregel
Het
UWV is verplicht om de
verzekerde een maatregel op te leggen
indien wordt vastgesteld dat hij een wettelijke verplichting niet is
nagekomen en die
gedraging aan hem is toe te
rekenen. Of een gedraging van een
verzekerde moet worden aangemerkt als
niet-nakoming van een wettelijke verplichting is mede afhankelijk van de wijze
waarop aan die wettelijke verplichting
nadere invulling is gegeven in de reïntegratievisie of het reïntegratieplan. De
gedraging van de verzekerde moet daarom
steeds ook daaraan worden getoetst. Een
maatregel wordt opgelegd indien de
gedraging in strijd is met de wet én met
de reïntegratievisie of het reïntegratieplan en
er geen reden is om de
reïntegratievisie alsnog bij te stellen. Het besluit over de maatregel wordt medegedeeld
aan het reïntegratiebedrijf indien
dit voor de uitvoering van diens
werkzaamheden noodzakelijk is of indien
een melding van het reïntegratiebedrijf
aanleiding voor het opleggen van de
maatregel is geweest.
Plaatsvervangend voorzitter
Raad van bestuur UWV,
A.G. Dümig.
|