|
18 juli 2006
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Gelet op de artikelen
34 en 35 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel
52d van de Ziektewet, artikel
65e
van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
artikel 67c van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
artikel 59b van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten,
artikel 2.17 van de Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
en de artikelen 7, 14
en 19 van het Reïntegratiebesluit;
Besluit:
Art. 1.
Afbakening
voorziening
Een voorziening voor
intermediaire activiteiten wordt slechts verleend
indien die activiteiten:
a. gericht zijn op de
vervanging of ondersteuning van een door
ziekte of gebrek geheel of
gedeeltelijk ontbrekende auditieve, visuele of
motorische lichaamsfunctie;
b. bestaan uit door een persoon
te verrichten diensten; en
c. niet behoren tot de
gebruikelijke werkzaamheden van die
persoon.
Art. 2.
Kosten voor
bemiddeling
Kosten voor de bemiddeling
bij het vinden van een persoon die de
diensten zal gaan verrichten, worden slechts vergoed, indien:
a. de activiteiten bestaan uit
de diensten van een doventolk; of
b. de noodzaak van de
bemiddeling naar het oordeel van het UWV is
aangetoond.
Art. 3.
Reiskosten
Indien de persoon die de
diensten verricht werkzaam is in dezelfde
bedrijfsvestiging als de aanvrager, worden reiskosten van deze persoon
slechts vergoed voor zover zij betrekking
hebben op het verrichten van diensten buiten die bedrijfsvestiging.
Art. 4.
Verlenging na
einde uitkering
Indien het recht op een
voorziening voor intermediaire activiteiten
eindigt om de in artikel 14, derde lid,
van het Reïntegratiebesluit
genoemde reden, wordt die voorziening, voor zover nog
wordt voldaan aan de overige voorwaarden, gedurende twee maanden
verlengd.
Art. 5.
Onderwijsvoorzieningen
Kosten voor de diensten van
een doventolk als bedoeld in
artikel 2.17,
tweede lid, van de Wet invoering en financiering
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel
19, eerste lid,
onderdeel b, van het Reïntegratiebesluit worden
niet vergoed voor zover zij
betrekking hebben op het volgen van
incidenteel of aanvullend onderwijs bij een
instelling voor regulier onderwijs door
een leerling die staat ingeschreven bij een instelling voor speciaal
onderwijs.
Art. 6.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na de
datum van plaatsing in de Staatscourant en werkt terug tot en met 29 december
2005.
Art. 7.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald
als: Beleidsregel intermediaire
activiteiten.
Dit besluit zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Amsterdam, 18 juli 2006.
De voorzitter Raad van
bestuur UWV,
J.M. Linthorst.
TOELICHTING
[18 juli 2006]
Algemeen
Op grond van
artikel 35 van
de Wet WIA kan het UWV
aan personen
die in loondienst werken of willen
gaan werken, maar die een structurele
functionele beperking hebben als gevolg
van een auditieve, visuele of
motorische handicap, een vergoeding verstrekken
voor de kosten van zogenaamde
intermediaire activiteiten. Dezelfde
voorziening kan worden verleend aan personen
die arbeid als zelfstandige gaan verrichten. Voor de wijze waarop deze
bevoegdheid zal worden uitgeoefend,
zoekt het UWV aansluiting bij het beleid
dat reeds een aantal jaren wordt gevolgd
ten aanzien van doventolken. Inhoudelijk
wordt dit beleid, en met name het
gehanteerde onderscheid tussen drie
normbedragen, niet gewijzigd (zie de normbedragen onder E 17 in de Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2006, Stcrt. 2006, 38, pag. 19).
Ten aanzien van intermediaire
activiteiten die bestemd zijn voor personen
met een visuele of motorische
handicap wordt er voorlopig van uitgegaan dat
deze activiteiten betrekking hebben op eenvoudige diensten. Indien in de
toekomst intermediaire activiteiten worden gevraagd waarvoor hogere kwalificaties zijn vereist,
kan het beleid ten aanzien
van de normbedragen opnieuw worden
overwogen.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Afbakening
voorziening
Intermediaire activiteiten
zijn activiteiten die zijn gericht op de
vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of
gedeeltelijk ontbrekende lichaamsfunctie. De
lichaamsfunctie moet verband houden met de
visuele, auditieve of motorische
mogelijkheden van de betrokkene en de
activiteiten moeten bestaan uit diensten
die door een persoon worden verricht. De
diensten hoeven niet noodzakelijkerwijze bij een externe leverancier te
worden ingekocht. Een voorziening kan ook
worden verleend indien de diensten worden
verricht door een leidinggevende of
collega binnen de onderneming. Hierbij
geldt als voorwaarde dat deze
dienstverlening niet inherent mag zijn aan
de functie van deze persoon. Voorbeelden:
bij vergaderingen zal meestal een notulist
aanwezig zijn, bij een presentatie
zal er iemand zijn die de apparatuur
opstelt en bedient, indien er permanente
secretariële ondersteuning aanwezig is, zal er geen
extra voorleeshulp nodig zijn.
Op grond van deze
omschrijving vallen buiten het begrip "intermediaire activiteiten":
- hulpmiddelen en trainingen
voor het gebruik van door het UWV verstrekte voorzieningen:
deze kunnen als onderdeel van de desbetreffende
voorziening worden vergoed;
- activiteiten inzake meer
algemeen gerichte begeleiding bij de
arbeid: deze kunnen mogelijk in de vorm van een jobcoach worden vergoed;
- trainingen om de werkgever,
de collega’s en de gehandicapte
medewerker aan elkaar te laten wennen;
- algemeen gebruikelijke
secretariële en facilitaire ondersteuning;
- dienstverrichting door
dieren, zoals blindengeleidehonden,
postduiven etc.;
- mechanische en elektronische
hulpmiddelen: indien aan de voorwaarden wordt voldaan, kunnen deze
als meeneembare voorziening worden
verstrekt.
Artikel
2. Kosten voor
bemiddeling
Ten aanzien van doventolken
bestaat al geruime tijd de mogelijkheid
om de kosten van bemiddeling tussen tolk
en cliënt voor vergoeding in
aanmerking te brengen. Deze noodzaak is
ingegeven door de schaarste aan
doventolken en de diversiteit van de
verschillende typen doventolk. Artikel 7 van het
Reïntegratiebesluit
biedt de mogelijkheid dat
ook bemiddelingskosten van
intermediaire activiteiten voor visueel en
motorisch gehandicapten voor
vergoeding in aanmerking komen. Omdat naar de
verwachting van het UWV de vraag naar intermediaire activiteiten
voor deze groepen niet groot is en de
aanbieders van intermediaire activiteiten voor hen niet over bijzondere
kwalificaties behoeven te beschikken, zal slechts
in uitzonderlijke gevallen de noodzaak bestaan van vergoeding van kosten
van bemiddeling. Mocht in de toekomst in deze situatie verandering
optreden, dan zal het UWV de terughoudende
beleidslijn opnieuw overwegen.
Artikel
3. Reiskosten
Reiskosten van de
activiteitenverlener worden op een gelijke wijze
vergoed als ten aanzien van de doventolk
(normbedrag S1-R in de Beleidsregels UWV
normbedragen voorzieningen 2006). Reiskosten worden
niet vergoed indien degene die de
intermediaire activiteiten verleent in dezelfde bedrijfsvestiging werkzaam is als de
betrokkene. Reiskosten komen echter wel
voor vergoeding in aanmerking als de
activiteitenverlener de betrokkene ook
ondersteunt bij externe werkzaamheden.
Artikel
4. Verlenging na
einde uitkering
In de
Ziektewet en in de
arbeidsongeschiktheidswetten is geregeld dat het UWV
voorzieningen kan verstrekken aan uitkeringsgerechtigden
die arbeid als zelfstandige gaan
verrichten. Is er in dit kader een voorziening
voor intermediaire activiteiten verleend, doch
vervalt het recht op die voorziening
omdat de betrokkene tengevolge van
het verrichten van die arbeid geen recht
meer heeft op een uitkering, dan kan op
grond van artikel 14 van het Reïntegratiebesluit
de voorziening tot maximaal
twee maanden nadat die uitkering is
beëindigd, worden verlengd. Als beleidslijn
houdt het UWV aan dat de betrokkene de vergoeding steeds twee maanden blijft
behouden, behalve in de situatie dat
hij niet meer aan de voorwaarden voor
de vergoeding voldoet.
Artikel
5.
Onderwijsvoorzieningen
Op grond van
artikel 2.17
van de Wet invoering en financiering Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen heeft het UWV
tot taak om voor de
personenkring, bedoeld in artikel 3 van de
Wajong, belemmeringen voor het volgen van onderwijs weg te nemen.
Artikel 19 van het Reïntegratiebesluit
beperkt de doelgroep voor een
voorziening voor intermediaire activiteiten
tot de categorie van personen met een
auditieve handicap. In dit besluit is
tevens geregeld dat geen voorzieningen
worden verstrekt waarvoor een
regeling is getroffen onder
verantwoordelijkheid van de Minister van OCW,
zoals bijvoorbeeld voor het speciaal onderwijs. In verband hiermee worden de
kosten van een doventolk die een
leerling van het speciaal onderwijs nodig heeft bij het incidenteel of
aanvullend volgen van onderwijs bij een instelling
voor regulier onderwijs, niet vergoed.
Artikel
6. Inwerkingtreding
Deze beleidsregel dient ter
uitvoering van per 29 december 2005
gewijzigde wettelijke bepalingen en
werkt daarom tot die datum terug.
De voorzitter Raad van
bestuur UWV,
J.M. Linthorst.
|