|
3 april 2012
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Gelet op de artikelen 34a en 35 van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
de artikelen 2:22 en 2:23
van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
en de artikelen 2, 3
en 4 van het Reïntegratiebesluit;
Besluit:
Art. 1.
Aanvullende bevoegdheid van UWV
-1. UWV heeft op grond van artikel
2, tweede lid, van het Reïntegratiebesluit
een aanvullende bevoegdheid inzake het vergoeden
van hoortoestellen en overige hoorhulpmiddelen.
-2. Deze vergoeding kan slechts plaatsvinden indien:
a. een hoorhulpmiddel op grond van zijn specifieke kwaliteitskenmerken
noodzakelijk is voor het vervullen of gaan vervullen van de
werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige; en
b. door de zorgverzekeraar een gedeeltelijke vergoeding is verstrekt of
conform het bepaalde bij of krachtens de Zorgverzekeringswet een
vergoeding is geweigerd.
-3. Het maximumbedrag per door UWV te vergoeden hoorhulpmiddel wordt
voor elk kalenderjaar vastgesteld in de Beleidsregels UWV normbedragen
voorzieningen, normbedrag G23.
Art. 2.
Voorwaarden ten
aanzien van de aanvraag van de vergoeding hoortoestellen
-1. De aanvrager van de vergoeding van hoorhulpmiddelen verstrekt
gelijktijdig of onmiddellijk aansluitend op zijn aanvraag ten minste de
volgende gegevens:
a. een rapportage van de arbodienst met daarin een beschrijving van de
belemmeringen die worden ondervonden in het werk;
b. een rapportage van een klinisch fysicus-audioloog verbonden aan een
audiologisch centrum dat voldoet aan het FENAC-kwaliteitskader, waarin
verslag wordt gedaan van de audiologische, communicatieve en
psychosociale aspecten van het hoorprobleem van de aanvrager in relatie
tot de te verrichten arbeid, met daarbij de resultaten van het doorlopen
revalidatietraject. Waar nodig zal de klinisch fysicus-audioloog een
KNO-arts of andere medisch specialist consulteren. Deze rapportage is op
het moment van de aanvraag niet ouder dan zes maanden;
c. een omschrijving van de hoorhulpmiddelen waarvoor de gevraagde
vergoeding gewenst is;
d. een beschikking van de zorgverzekeraar waaruit blijkt dat een
vergoeding is toegekend of afgewezen; en
e. een afschrift van de nota of van de offerte.
-2. Indien na herhaald verzoek één of meer van de in het eerste lid
genoemde bijlagen ontbreken, wordt de aanvraag niet in behandeling
genomen.
Art. 3.
De beslissing van
UWV
UWV
neemt een besluit op basis van de in artikel 2 genoemde aanvraag en
bijlagen en met inachtneming van de in de wetgeving en in de
Beleidsregels UWV normbedragen
voorzieningen 2012 aangegeven grenzen.
Art. 4.
Hoogte van de
vergoeding
De vergoeding die door UWV
wordt verstrekt, bedraagt maximaal het
normbedrag G23 voor elk hoorhulpmiddel. Deze vergoeding wordt eventueel
in aanvulling verstrekt op een vergoeding die door de zorgverzekeraar is
of wordt verstrekt. Hiernaast bestaat de mogelijkheid voor aanvullende
vergoeding voor overige hulpmiddelen die noodzakelijk zijn voor adequaat
functioneren op de werkplek.
Art. 5.
Vergoeding van
accessoires
Naast de vergoeding, genoemd in artikel 4, bestaat aanspraak op
vergoeding van de eerste verschaffing van de bij een hoortoestel
behorende batterij of accu. Vergoeding voor de verschaffing en de
vervanging van oorstukjes kan plaatsvinden voor zover deze niet door de
zorgverzekeraar worden vergoed.
Art. 6.
Mogelijkheid tot
wijziging van het maximumbedrag
UWV
kan besluiten om het maximaal te vergoeden bedrag G23 op een hoger
of lager bedrag te stellen indien de prijsontwikkelingen of het
verstrekkingenbeleid van de zorgverzekeraars hiertoe grond geeft.
Wijzigingen worden gepubliceerd in de Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2012.
Art. 7.
Inwerkingtreding
van dit besluit
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening
van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Art. 8.
Overgangsbepaling
Het bepaalde in artikel 2, aanhef, eerste lid en
onderdelen a en b,¹ is
alleen van toepassing op aanvragen die na zes weken na datum van
inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend.
1. Volgens de redactie
dient "artikel 2, aanhef, eerste lid en onderdelen
a en b" te worden vervangen door: artikel
2, eerste lid, aanhef en onder a en b.
Art. 9.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels vergoeding
hoorhulpmiddelen.
Dit
besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Amsterdam, 3 april 2012.
Voorzitter Raad van bestuur UWV,
B.J. Bruins.
TOELICHTING
Algemeen
In
2007 heeft UWV besloten om de aanvullende bevoegdheid tot het
verstrekken van hoorhulpmiddelen te beperken tot een vergoeding van
maximaal normbedrag G23 per toestel. Deze geldt zowel voor de situatie
waarin de zorgverzekeraar een vergoeding heeft gegeven ingevolge de
Regeling zorgverzekering als in situaties waarin de zorgverzekeraar zich
niet bevoegd acht. Laatstgenoemde situaties betreffen met name de
gevallen waarin er sprake is van een gehoorverlies van <35 dB
(gemiddeld over 1, 2 en 4 kHz) aan het beste oor of van de noodzaak van
vroegtijdige vervanging wegens wijziging in de werksituatie van de
gebruiker van het hoorhulpmiddel.
Met de invoering van dit beleid is destijds
door UWV beoogd dat met een zekere mate van terughoudendheid
vergoedingen van hoortoestellen zouden worden verstrekt. Deze opzet is
niet volledig geslaagd.
In de eerste plaats is gebleken dat het
beoordelen van aanvragen inzake vergoeding van hoormiddelen een
specifieke en diepgaande kennis van de betrokken UWV-medewerkers vergt.
Dit probleem wordt versterkt door de voortdurende technologische
ontwikkelingen op dit terrein en de vaak daarmee gepaard gaande stijging
van de gemiddelde verkoopprijs.
Na een eerste verkennend onderzoek van UWV,
waarbij één van de grotere audiologische centra in Nederland en de
overkoepelende organisatie FENAC (Federatie van Nederlandse
Audiologische Centra) waren betrokken, zijn UWV en de FENAC in overleg
gegaan om aan een verdere samenwerking gestalte te geven.
Gebleken is dat deze samenwerking het best
gestalte krijgt als UWV als verplichte voorwaarde stelt dat elke
aanvrager van hoorhulpmiddelen zich recentelijk heeft onderworpen aan
een onderzoek door één van de bij de FENAC aangesloten erkende
audiologische centra. Het NOAH-3 protocol hoortoestelaanpassing 2009,
opgesteld onder auspiciën van onder andere de FENAC, de KNO-vereniging
(Nederlandse Vereniging voor Keel-, Neus-, Oorheelkunde en Heelkunde van
het Hoofd-Halsgebied) en de NVAB (Nederlandse Vereniging van
Audicienbedrijven), is onderdeel van de Veldnorm Hoortoestelverstrekking
en omschrijft de taken en verantwoordelijkheden van de diverse
beroepsgroepen. In dit protocol is onder meer vastgelegd dat bij
gehoorproblemen op werk en school een audiologisch centrum ingeschakeld
moet worden. De kosten van dit onderzoek worden in principe vergoed door
de zorgverzekeraar van de aanvrager. Een rapportage van alleen één of
meerdere audiciens wordt door UWV niet langer als een toereikende basis
voor de aanvraag van een vergoeding van hoorhulpmiddelen aanvaard.
Van het audiologisch centrum [AC, red.] wordt in de eerste
plaats een beschrijving verwacht van de minimumeisen waaraan het door
een cliënt in de werksfeer te gebruiken hoortoestel moet voldoen.
Daarnaast worden door het AC ook de werkomstandigheden en de werkplek
van de aanvrager in het onderzoek betrokken. Ook besteedt het AC
zorgvuldig aandacht aan de psychosociale achtergronden van de aanvrager
en zoekt het AC naar een oplossing voor geconstateerde problemen op dit
terrein. Door deze integrale benadering van het AC mag erop vertrouwd
worden dat de beslissingen van UWV inzake het wel of niet verstrekken
van hoortoestellen en aanverwante apparatuur een meer gedegen en
betrouwbare basis krijgen.
Door deze inschakeling van de audiologische
centra onderschrijft UWV het eerder genoemde NOAH-3 protocol. In dit
protocol worden de taken afgebakend van alle partijen die inhoudelijk
bij de beoordeling van hoortoestellen zijn betrokken. Naast de
audiologische centra zijn deze de huisarts, de KNO-arts, de audicien en
de aanvrager zelf. Volgens het protocol is sprake van noodzakelijkheid
van aanpassing van hoortoestellen via het audiologisch centrum (hierna:
AC) onder andere bij:
- aan het gehoor gerelateerde problemen op werk of school;
- slechthorendheid met werken in lawaai. Hieronder wordt in het protocol
verstaan werk met een achtergrondlawaai van 80 dB of meer.
Waar nodig heeft de KNO-arts de cliënt,
voorafgaande aan het AC-onderzoek, onderzocht. De medische expertise van
de KNO-arts wordt aangevuld met de technische en speciale kennis van het
AC.
Bij de huidige stand van de wetgeving zal naar
verwachting de beoogde samenwerking toereikend zijn. UWV en de FENAC
zullen met zekere regelmaat evalueren of de samenwerking een nadere
wijziging behoeft.
Wanneer er gehoorproblemen op het werk zijn,
ligt in eerste instantie de verantwoordelijkheid bij de arbodienst van
de werknemer. De arbodienst zal door middel van een medisch en
arbeidskundig onderzoek moeten vaststellen of er hoorproblemen op het werk
zijn en of er een verder onderzoek nodig is door een AC. Deze
handelswijze wijkt niet af van andere werkgerelateerde aanvragen voor
voorzieningen.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Aanvullende
bevoegdheid van UWV
UWV
ziet de verstrekking van hoorhulpmiddelen die in alle omstandigheden
adequaat zijn in de eerste plaats als een taak van de gezondheidszorg.
De aanvullende bevoegdheid van UWV heeft alleen betrekking op de
werksfeer. Op grond van artikel 19a van de Wet
overige OCW-subsidies en
de daaruit voortvloeiende regelgeving is UWV in het geheel niet bevoegd
tot het verstrekken van hoortoestellen in de onderwijssfeer.
Artikel
2. De voorwaarden om
de aanvraag in behandeling te nemen
Er
moet van worden uitgegaan dat de werkgever en zijn arbodienst in de
eerste plaats verantwoordelijk zijn voor de terugkeer in werk en het
voorkomen van uitval van werknemers van het bedrijf van de werkgever.
Ten aanzien van startende zelfstandigen en werkzoekenden die geen
werkgever hebben, wordt geen rapportage van een arbodienst vereist.
De aanvrager dient zoveel mogelijk gebruik te
maken van het aanvraagformulier dat is beschikbaar gesteld op
www.uwv.nl.
Op grond van artikel
4:5 van de Algemene wet bestuursrecht geeft
UWV aan de aanvrager de gelegenheid om de aanvraag
binnen een redelijke termijn aan te vullen. Een termijn van zes weken
wordt als redelijk beschouwd om alsnog voor de gevraagde rapportage zorg
te dragen.
Alle bevoegde audiologische centra kunnen
worden gevonden op de website van de FENAC: www.fenac.nl.
Artikel
3. De beslissing van
UWV
UWV
houdt in zijn oordeelsvorming zoveel mogelijk rekening met de bijlagen
die met de aanvraag zijn meegezonden. Op grond van bindende wettelijke
regels kan hier niet altijd rekening mee worden gehouden. Met name
indien UWV ten aanzien van de aanvrager niet bevoegd is, moet UWV een
afwijkend standpunt innemen.
Artikel
4. Hoogte van de
vergoeding
UWV
streeft niet na om in alle voorkomende gevallen een volledige vergoeding
of aanvullende vergoeding te verstrekken. Vastgesteld is dat met het
geldende normbedrag hoortoestellen kunnen worden verstrekt die in het
merendeel der gevallen tot een adequate oplossing leiden. Deze
vergoeding bestaat in alle voorkomende gevallen uit een maximale
vergoeding op basis van het normbedrag G23. Bij het bepalen van de
hoogte van die vergoeding wordt rekening gehouden met de aanspraak op
vergoeding uit hoofde van de wettelijke ziektekostenverzekering.
Ook in de gevallen waarin de zorgverzekeraar
geen vergoeding verstrekt, bedraagt de vergoeding van UWV maximaal het
normbedrag G23. Als UWV in die gevallen een hogere vergoeding zou
verstrekken, overstijgt de bemoeienis van UWV hiermee het karakter van
een aanvullende bevoegdheid.
Artikel
5. De vergoeding van
accessoires
UWV
volgt inzake de vergoeding van batterijen, oorstukjes en andere
bijkomende benodigdheden de beleidslijn van de zorgverzekeraars.
Artikel
6. De mogelijkheid
tot wijziging van dit besluit
Wijzigingen op het terrein van de arbeidsongeschiktheidswetgeving en van
de Zorgverzekeringswet kunnen leiden tot een aanpassing van dit besluit.
Ook het geldende normbedrag kan door wetswijzigingen en
marktontwikkelingen worden gewijzigd.
Artikel
8. Overgangsbepaling
Uit
hoofde van zorgvuldigheid naar de aanvragers en de leveranciers van
hoortoestellen wordt de in dit besluit gestelde voorwaarde om de
aanvraag gepaard te laten gaan met een rapportage van een AC pas gesteld
voor aanvragen die na zes weken na datum inwerkingtreding van dit
besluit worden ingediend. Door deze uitgestelde werking worden aanvragen
die ten tijde van inwerkingtreding van dit besluit lopende zijn, ontzien.
Een rapportage van een AC was voorheen geen verplicht te overleggen
document. Een termijn van zes weken sluit aan op de periode die
normaliter nodig is om een rapportage van een AC te verkrijgen (vanaf de
intake). Omdat een rapportage van de arbodienst eerder ook niet
verplicht was, geldt de uitgestelde werking ook voor dit document. Op
deze wijze worden lopende aanvragen ontzien en hebben de betrokkenen die
recentelijk een aanvraag hebben ingediend een redelijke termijn om aan
de beleidseisen van artikel 2 van dit besluit te kunnen voldoen.
Voorzitter Raad van bestuur UWV,
B.J. Bruins.
|