|
BESLUIT van 23 december 2010 tot vaststelling van een inkomensbesluit
voor de volksverzekeringen en de sociale voorzieningen (Inkomensbesluit
volksverzekeringen en sociale voorzieningen) ¹
1. Redactie:
ingevolge artikel I, onderdeel P, van het Besluit van 22 februari 2012, Stb.
2012, 79, is het Inkomensbesluit volksverzekeringen en
sociale voorzieningen met ingang van 1 maart 2012 voorzien van een
nieuwe citeertitel, luidende:
Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 27 september 2010, nr. IVV/I/2010/18284;
Gelet op de artikelen 10,
tweede lid, en 20 van de Algemene
nabestaandenwet, 12a van de Algemene
Ouderdomswet, 8, derde lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, 8, vierde lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, 47, tweede lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen, 10,
zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere
werklozen, 2:6 van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, 52,
vijfde lid, 60, vijfde lid, en 61,
negende lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, 8, tweede lid, van
de Tijdelijke wet pilot loondispensatie en 45a,
vijfde lid, van de Ziektewet;
De Afdeling advisering van de Raad
van State gehoord (advies van 27 oktober 2010, nr. W12.10.0475/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 december 2010, nr. IVV/FB/2010/21595;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK
1
Algemeen
Art.
1:1. Begripsbepalingen
-1. In dit besluit wordt verstaan onder:
- aangiftetijdvak: het tijdvak van vier weken dan wel één maand waarop
de aangifte op basis waarvan de ingehouden loonbelasting wordt
afgedragen betrekking heeft;
- college: college van burgemeester en wethouders;
- loondoorbetaling: doorbetaling van loon
als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek,
doorbetaling van bezoldiging op grond van artikel
76a van de Ziektewet
of loondoorbetaling of bezoldiging die naar aard en strekking daarmee
overeenkomt;
- stamrecht: recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd
of te derven loon;
- SVB: Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- uitkeringsgerechtigde: de persoon die recht heeft op een
uitkering, toeslag of inkomensvoorziening op grond van een wet als
bedoeld in de artikelen 2:1 en 3:1;
- UWV: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het
geheel van de arbeidstijd overeengekomen tijdvak waarin de werknemer
geen arbeid jegens de werkgever verricht, met uitzondering van verlof
als bedoeld in de artikelen 3:1 en 3:2 van de
Wet arbeid en zorg;
- werknemersverzekering: werknemersverzekering, bedoeld in artikel
2,
onderdeel c, van de Wet financiering sociale
verzekeringen.
-2. In geval van toepassing van dit besluit
voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in artikel 12 van de Algemene
Ouderdomswet, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Toeslagenwet
en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, wordt onder uitkeringsgerechtigde mede verstaan de
echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde, bedoeld in het eerste lid.
-3. In geval van toepassing van dit besluit
voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in de artikelen
8, eerste lid, 10, eerste en tweede lid, en
11 van de Algemene
Ouderdomswet, wordt, in
afwijking van het eerste lid, onder uitkeringsgerechtigde verstaan de
echtgenoot van de pensioengerechtigde.
HOOFDSTUK
2
Volksverzekeringen
en sociale voorzieningen
§
1. Algemeen
Art.
2:1. Toepassing hoofdstuk 2
Dit hoofdstuk is van toepassing op het bepalen van inkomen als bedoeld
in de Algemene nabestaandenwet, de Algemene
Ouderdomswet, de Toeslagenwet, de Wet inkomensvoorziening
oudere werklozen, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen.
Art.
2:2. Inkomen uit arbeid
-1. Onder inkomen uit arbeid wordt
verstaan:
a. hetgeen onder loon wordt verstaan op
grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor
de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel
o, van die wet, en een
bijdrage ingevolge een levensloopregeling als bedoeld in artikel 39d van
de Wet op
de loonbelasting 1964, met dien verstande dat niet tot het
inkomen uit arbeid worden gerekend:
1º. uitkeringen op grond van een
werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in artikel
6, vijfde lid,
tweede zin, van de Werkloosheidswet, al dan niet vermeerderd met een
toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van
degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of stond;
2º. een uitkering ingevolge een
voorziening op grond van een levensloopregeling als bedoeld in artikel
39d van de Wet
op de loonbelasting 1964;
b. het loon, bedoeld in de artikelen
9 tot en met 13 van de Wet
op de loonbelasting 1964, voor zover de
uitkeringsgerechtigde niet als werknemer als bedoeld in onderdeel a
inkomen verdient, met dien verstande dat niet tot het inkomen uit arbeid
worden gerekend:
1º. hetgeen uit een vroegere
dienstbetrekking als bedoeld in die
wet wordt genoten;
2º. vervallen;
3º. de eindheffingsbestanddelen, bedoeld
in artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met h, van de
Wet op de
loonbelasting 1964;
c. het belastbaar loon of het
belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in paragraaf
3.3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.4.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in
de artikelen 3.91, eerste lid, onderdeel a en b, en 3.92 van
die wet,
voor zover de uitkeringsgerechtigde geen werknemer is als bedoeld in de
onderdelen a en b;
d. de belastbare winst uit
onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling,
bedoeld in de artikelen 3.74 en 3.79a van die
wet, met dien verstande
dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid,
van die
wet, niet geacht worden te behoren tot de winst;
e. een uitkering op grond van de Wet arbeid en
zorg aan de zelfstandige of de beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, onderdeel
a en b,
van die wet;
f. een uitkering op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel e tot en met g, van de
Ziektewet
indien tevens sprake is van een privaatrechtelijke of een
publiekrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel
3, eerste
lid, van de Ziektewet.
-2. Indien het inkomen, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c of d, een negatief bedrag is, dan wordt dat
inkomen op nihil gesteld.
-3. Indien geen recht op loondoorbetaling
bestaat door toepassing van artikel 629, derde of negende lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of een algemeen verbindend voorschrift als
bedoeld in artikel 76b, eerste tot en met het derde lid, van de
Ziektewet, dan wel de betaling daarvan geheel of gedeeltelijk is
opgeschort door toepassing van artikel 629, zesde lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, wordt voor de toepassing van dit artikel het
loon of de bezoldiging in aanmerking genomen als ware er wel recht op
doorbetaling en ware deze niet geheel of gedeeltelijk opgeschort.
Art.
2:3. Uitbreiding inkomen uit arbeid in bepaalde situaties van
werkloosheid en verlof
-1. Gedurende de periode dat de
uitkeringsgerechtigde:
a. recht heeft op een uitkering als
bedoeld in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet;
b. recht heeft op een uitkering in
verband met werkloosheid als bedoeld in artikel
18, eerste lid, van de Werkloosheidswet;
c. recht heeft op een uitkering in
verband met werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van verkorting
van de werktijd waarvoor op grond van artikel
8, derde lid, van het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend; of
d. met verlof is;
wordt als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen dat werd genoten in
het aangiftetijdvak vóór het aangiftetijdvak waarin:
1º. het recht ontstond op een uitkering
als bedoeld in de onderdelen a tot en met c;
2º. het verlof aanving.
-2. Niet als inkomen uit arbeid wordt
beschouwd het loon dat door de uitkeringsgerechtigde wordt genoten
indien hij tegelijkertijd uit hoofde van dezelfde arbeidsrelatie inkomen
als bedoeld in het eerste lid geniet.
Art.
2:4. Overig inkomen
-1. Onder overig inkomen wordt verstaan:
a. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
met uitzondering van de uitkeringen, bedoeld in artikel
2:3, eerste lid;
b. een uitkering op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. een uitkering op grond van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
d. een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
e. een uitkering of
inkomensvoorziening op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten;
f. een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
g. een uitkering op grond van de
Ziektewet als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van
die wet, tenzij
artikel 2:2, eerste lid, onderdeel f, van toepassing is;
h. een toeslag op grond van de Toeslagenwet;
i. een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen;
j. een uitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet;
k. een uitkering op grond van de Algemene
Ouderdomswet;
l. een uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers;
m. een uitkering op grond van een
pensioenregeling als bedoeld in de Wet
op de loonbelasting 1964, op
grond van een regeling voor vervroegde uittreding of op grond van
functioneel leeftijdsontslag;
n. een basisbeurs of een aanvullende
beurs op grond van de Wet
studiefinanciering 2000;
o. een uitkering, toeslag of een
beurs die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering, toeslag
of beurs als bedoeld in de onderdelen a tot en met n;
p. een uitkering als bedoeld in
onderdeel o waarop recht bestaat, maar die niet wordt uitbetaald, omdat
onder de toepasselijke wetgeving gebruik is gemaakt van het daarin
voorziene recht af te zien van het recht op die uitkering of de
uitbetaling daarvan; en
q. loon dat uit een vroegere
dienstbetrekking wordt genoten.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt
niet als overig inkomen beschouwd:
a. het bedrag waarmee de uitkering
of inkomensvoorziening op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
of de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten is verhoogd
wegens hulpbehoevendheid op grond van artikel 22 van de
Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 53 of
63 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 10 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de artikelen 2:51 of
3:9 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten of een
combinatie van deze artikelen;
b. een eenmalige uitkering die na
beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met
die beëindiging wordt betaald; en
c. periodieke uitkeringen uit hoofde
van een stamrecht dat is verkregen uit een eenmalige uitkering welke na
beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met die
beëindiging is toegekend, mits de werknemer aantoont dat de eenmalige
uitkering door de werkgever betaalbaar is gesteld om naar eigen inzicht
van de werknemer te besteden;
d. een uitkering ingevolge een
voorziening op grond van een levensloopregeling als bedoeld in artikel
39d van de Wet
op de loonbelasting 1964.
-3. Indien een uitkering, toeslag of beurs
als bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd in
verband met enig handelen of nalaten van betrokkene dat hem
redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit
artikel de uitkering, toeslag of beurs in aanmerking genomen als ware
deze niet geheel of gedeeltelijk geweigerd.
-4. In afwijking van artikel
2:2, eerste
lid, onderdeel a, wordt onder overig inkomen mede verstaan een uitkering
op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de Wet arbeid en zorg indien het recht op die uitkering is ontstaan omdat recht op een
uitkering als bedoeld in het eerste lid bestond.
-5. Indien een recht op uitkering op grond
van de Werkloosheidswet geheel of gedeeltelijk is geëindigd omdat de
uitkeringsgerechtigde minder beschikbaar is voor arbeid dan het aantal
arbeidsuren dat hij heeft verloren, wordt die uitkering in aanmerking
genomen alsof die eindiging niet heeft plaatsgevonden.
Art.
2:5. Vakantiebijslag
-1. In afwijking van de artikelen
2:2, 2:3
en 2:4 wordt vakantiebijslag,
vakantiebon of een aanspraak die naar aard en strekking daarmee
overeenkomt niet als inkomen uit
arbeid of als overig inkomen beschouwd.
-2. Indien over het inkomen uit arbeid of
overig inkomen geen aanspraak op vakantiebijslag bestaat, wordt van dit
inkomen slechts in aanmerking genomen:
100 x B / (100 + A)
waarbij:
A staat voor het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel
15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag; en
B staat voor het inkomen.
§
2. Uitzonderingen
Art.
2:6. Uitzonderingen voor de Algemene nabestaandenwet
-1. Voor het bepalen van inkomen als
bedoeld in de Algemene nabestaandenwet geldt dat:
a. in afwijking van artikel
2:4,
eerste lid, onderdeel h, j tot en met l en o, een uitkering of toeslag
als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel h,
j tot en met l, en
een uitkering of toeslag die naar aard en strekking overeenkomt met een
uitkering of toeslag als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid,
onderdeel
h, j tot en met l, niet wordt aangemerkt als inkomen;
b. in afwijking van artikel
2:4,
eerste lid, onderdeel m, o en q:
1º. een uitkering op grond van een
particuliere verzekering wegens derving van inkomen die ten behoeve van
de uitkeringsgerechtigde in het kader van een individuele of collectieve
arbeidsovereenkomst is afgesloten en het loon, bedoeld in artikel
2:4,
eerste lid, onderdeel q, wordt aangemerkt als inkomen uit arbeid; en
2º. een uitkering als bedoeld in artikel
2:4, eerste lid, onderdeel m, en een uitkering die naar aard en
strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in artikel
2:4,
eerste lid, onderdeel m, wordt aangemerkt als inkomen uit arbeid, met
dien verstande dat een weduwen-, weduwnaars- en partnerpensioen niet
wordt aangemerkt als inkomen; en
c. de artikelen 2:2, derde lid,
2:3,
eerste lid, onderdeel d, en 2:4, derde en vijfde
lid, niet van toepassing zijn.
-2. Een op grond van de wetgeving van:
a. een andere mogendheid;
b. Nederland ten behoeve van de
openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
c. Aruba, Curaçao of Sint Maarten;
of
d. een volkenrechtelijke organisatie;
toegekende uitkering, waaronder mede begrepen een verhoging van een
uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als
bedoeld in de artikelen 14, 22 of
26 van de Algemene
nabestaandenwet anders dan op grond van de vrijwillige verzekering, wordt op de
uitkering, bedoeld in de artikelen 14 respectievelijk
22 of 26 van de
Algemene nabestaandenwet in mindering gebracht.
-3. Indien bij de vaststelling van de
hoogte van een toegekende uitkering als bedoeld in het tweede lid die
naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in de
artikel 14 van de Algemene nabestaandenwet rekening wordt gehouden met
tot het gezin van de nabestaande behorende kinderen, worden voor de
toepassing van het tweede lid de uitkeringen, bedoeld in de artikelen 14
en 22 van de Algemene
nabestaandenwet, samengeteld en als één uitkering
beschouwd.
-4. Artikel 2:4, eerste lid, onderdeel
p,
en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het tweede en derde
lid.
Art.
2:7. Uitzonderingen voor de Algemene Ouderdomswet
-1. Voor het bepalen van inkomen als bedoeld in de Algemene
Ouderdomswet geldt dat:
a. in afwijking van artikel
2:4,
eerste lid, onderdeel h, k, l en o, een uitkering of toeslag als
bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel h,
k en l, en een
uitkering of toeslag die naar aard en strekking overeenkomt met een
uitkering of toeslag als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid,
onderdeel
h, k en l, niet aangemerkt wordt als inkomen;
b. indien de pensioengerechtigde en
zijn echtgenoot samenwerken in de uitoefening van een bedrijf of in de
zelfstandige uitoefening van een beroep en de echtgenoot dan wel de
pensioengerechtigde geen vergoeding ontvangt ter zake van de in de
onderneming verrichte arbeid, ter vaststelling van het deel van de met
inachtneming van het bepaalde in artikel 2:2, eerste lid, onderdeel
d,
berekende winst dat de echtgenoot toekomt, de winst wordt
vermenigvuldigd met de factor X/(X+Y), waarbij:
X staat voor het loon van de werknemer die in dienstbetrekking een
gelijkwaardige functie uitoefent als de echtgenoot; en
Y staat voor het loon van de werknemer die in dienstbetrekking een
gelijkwaardige functie uitoefent als de pensioengerechtigde; en
c. de artikelen 2:2, derde lid,
2:3,
eerste lid, onderdeel d, en 2:4, derde en vijfde
lid, niet van toepassing zijn.
-2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel a, en artikel 1.1, tweede lid, wordt
voor het bepalen van het gezamenlijke inkomen, bedoeld in artikel
12, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet
een uitkering van een pensioengerechtigde die naar aard en strekking
overeenkomt met een uitkering als bedoeld in artikel 2:4,
eerste lid, onderdeel k, aangemerkt als overig inkomen.
-3. Voor de echtgenoot van de
pensioengerechtigde waarop artikel 64a
van de Algemene Ouderomdswet van toepassing is,
wordt het inkomen dat is vastgesteld op grond van de artikelen
10 en 11 van de Algemene
Ouderdomswet, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, eveneens
aangemerkt als het inkomen van die echtgenoot in het kader van artikel
12 van de Algemene Ouderdomswet.
Art.
2:8. Uitzonderingen voor de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
-1. Voor het bepalen van inkomen als
bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers geldt dat in afwijking van
artikel 2:4, eerste lid, onderdeel l en o, niet als overig inkomen
wordt aangemerkt:
a. een uitkering als bedoeld in
artikel 2:4, eerste lid, onderdeel l, en een uitkering die naar aard en
strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in
artikel 2:4,
eerste lid, onderdeel l;
b. een eenmalige premie die door
burgemeester en wethouders kan worden toegekend in het kader van een
voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste €|2250,00
per kalenderjaar; en
c. een kostenvergoeding voor het
verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste €|95,00 per maand
met een maximum van €|764,00 per jaar, dan wel een kostenvergoeding
voor het verrichten van vrijwilligerswerk in het kader van een
voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel
7,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand van ten hoogste €|150,00 per maand met een maximum van €|1500,00 per jaar.
-2. Onze Minister
wijzigt de bedragen,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b en c, met ingang van een door
hem te bepalen dag, voor zover de ontwikkeling van de in artikel
31,
tweede lid, onderdeel j en k, van de Wet werk en bijstand genoemde
bedragen daartoe aanleiding geeft.
-3. Voor het bepalen van inkomen als
bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers is artikel 2:5 niet van
toepassing.
Art.
2:9. Uitzonderingen voor de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
-1. Voor het bepalen van inkomen als
bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder 2º en 3º, van de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen geldt dat:
a. in geval van een gewezen
zelfstandige die een onderneming heeft uitgeoefend in de vorm van een
naamloze vennootschap of een besloten vennootschap in afwijking van
artikel 2:2, eerste lid, onderdeel d, onder belastbare winst uit
onderneming wordt verstaan hetgeen ingevolge het bepaalde bij of
krachtens hoofdstuk II van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 onder winst wordt verstaan alsmede de betalingen die aan de echtgenoot
worden gedaan ter zake van in de onderneming verrichte arbeid;
b. de winst, bedoeld in onderdeel a,
wordt gecorrigeerd met alle geldelijke voor- en nadelen voor de gewezen
zelfstandige die uit diens verhouding tot de besloten of naamloze
vennootschap voortvloeien, tenzij het inkomen uit arbeid of overig
inkomen betreft als bedoeld in artikel 2:2, eerste lid, onderdeel
a tot
en met c, e en f, en
artikel 2:4, eerste lid;
c. in aanvulling op artikel
2:2,
eerste lid, onderdeel d, mede onder belastbare winst uit onderneming
wordt verstaan de partnervergoeding, bedoeld in artikel 3:16, vierde
lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, indien deze vergoeding €|5000,00 of hoger
is, en de winst van de echtgenoot van de gewezen zelfstandige indien het bedrijf en beroep mede voor rekening van de
echtgenoot wordt uitgeoefend;
d. in afwijking van artikel
1:1,
derde lid, en behoudens het bepaalde in onderdeel c onder inkomen uit
arbeid en overig inkomen niet wordt verstaan het inkomen van de
echtgenoot; en
e. artikel 2:8, eerste lid, aanhef
en onder b en c, en het derde lid, van overeenkomstige toepassing
zijn.
-2. Voor het bepalen van inkomen als
bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen geldt dat:
a. in afwijking van artikel
2:2,
eerste lid, onderdeel d, belastbare winst uit onderneming niet tot het
inkomen wordt gerekend; en
b. artikel 2:8, eerste lid, aanhef
en onder b en c, en het derde lid, van overeenkomstige toepassing
zijn.
Art. 2:10.
Uitzonderingen voor de
Toeslagenwet
Voor het bepalen van inkomen als bedoeld
in de Toeslagenwet geldt in afwijking van de artikelen
2:2, eerste lid,
onderdeel a, en 2:4, eerste lid,
onderdeel
l en o, dat:
a. loondoorbetaling wordt aangemerkt als
overig inkomen;
b. niet als inkomen wordt aangemerkt een
uitkering als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel
l, of een
uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt; en
c. indien op grond van artikel
7, eerste
lid, van de Toeslagenwet van het inkomen uit arbeid een gedeelte is
vrijgelaten, de op dat inkomen betrekking hebbende uitkeringen op grond
van de verplichte verzekering van de Ziektewet, op grond van
hoofdstuk
3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer
of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van
die wet, en op
grond van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet, voor zolang
de dienstbetrekking voortduurt, alsmede aanvullingen op die uitkeringen,
als inkomen uit arbeid worden beschouwd.
Art. 2:11.
Uitzonderingen voor de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen
Voor het bepalen van inkomen als bedoeld
in de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen geldt in afwijking van
artikel 2:4, eerste lid, onderdeel h tot en met l en
o, dat niet als
overig inkomen wordt aangemerkt:
a. een uitkering of toeslag als bedoeld
in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel
h tot en met l; of
b. een uitkering of toeslag die naar aard
en strekking overeenkomt met een uitkering of toeslag als bedoeld in
onderdeel a.
HOOFDSTUK
3
Werknemersverzekeringen
en Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
§
1. Algemeen
Art. 3:1.
Toepassing hoofdstuk 3
Dit hoofdstuk is van toepassing op het
bepalen van inkomen als bedoeld in de Werkloosheidswet,
hoofdstuk 2 van
de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen en de Ziektewet.
Art. 3:2.
Inkomen
-1. Onder inkomen wordt verstaan:
a. hetgeen onder loon wordt verstaan op
grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen
voor
de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel
o, van die wet, met dien
verstande dat niet tot het inkomen worden gerekend:
1º. uitkeringen op grond van een
werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in artikel
6, vijfde lid,
tweede zin, van de Werkloosheidswet, al dan niet vermeerderd met een
toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van
degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat;
2º. hetgeen wordt genoten op grond van
artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door
de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten
op grond van naar aard en strekking met artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomstige regelingen, al dan niet vermeerderd
met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop
van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat;
3º. een uitkering die de werknemer heeft
genoten op grond van de aanspraak, bedoeld in artikel 39d, tweede
of
derde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, zonder dat er sprake is
van onbetaald extra verlof;
b. het loon, bedoeld in hoofdstuk II van
de Wet op
de loonbelasting 1964, voor zover de uitkeringsgerechtigde
niet als werknemer als bedoeld in onderdeel a inkomen verdient, met dien
verstande dat niet tot het inkomen worden gerekend:
1º. hetgeen uit een vroegere
dienstbetrekking als bedoeld in die
wet wordt genoten;
2º. de eindheffingsbestanddelen, bedoeld
in artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met h, van de
Wet op de
loonbelasting 1964;
c. het belastbaar loon of het belastbaar
resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in paragraaf 3.3.1
onderscheidenlijk paragraaf 3.4.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001,
behoudens voor zover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de
artikelen 3.91, eerste lid, onderdeel a en b, en 3.92 van
die wet, voor
zover de uitkeringsgerechtigde geen werknemer is als bedoeld in de
onderdelen a en b;
d. de belastbare winst uit onderneming,
bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001,
vermeerderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling,
bedoeld in de artikelen 3.74 en 3.79a van die
wet, met dien verstande
dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid,
van die
wet, niet geacht worden te behoren tot de winst;
e. een uitkering op grond van de Wet
arbeid en zorg aan de zelfstandige of de beroepsbeoefenaar op
arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, onderdeel
a en b,
van die wet.
-2. Indien het inkomen, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c of d, een negatief bedrag is, dan wordt dat
inkomen op nihil gesteld.
-3. Voor zover de uitkeringsgerechtigde op
de dag voorafgaand aan:
a. de dag waarop het recht op een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan; of
b. de eerste dag van de ongeschiktheid
tot werken, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de
Ziektewet, ingeval
de uitkeringsgerechtigde recht heeft op een uitkering op grond van artikel
29, tweede lid, van de Ziektewet;
inkomen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met d, ontvangt uit andere werkzaamheden dan de
werkzaamheden waaruit het recht op de uitkering op grond van de
Werkloosheidswet of artikel 29, tweede lid, van de
Ziektewet is
ontstaan, wordt dat inkomen niet in aanmerking genomen voor de uitkering
op grond van de Werkloosheidswet respectievelijk Ziektewet.
-4. Voor zover de uitkeringsgerechtigde
die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de
wachttijd, bedoeld in artikel 23 van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen, inkomen ontvangt als bedoeld in eerste lid,
onderdeel
b tot en met d, uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit
het recht op uitkering is ontstaan, wordt dat inkomen niet in aanmerking
genomen voor de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
-5. Voor zover een uitkeringsgerechtigde
die recht heeft op een uitkering op grond van artikel
29, tweede lid,
van de Ziektewet:
a. op de dag voorafgaand aan de eerste
dag van de ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel
29, derde lid,
van de Ziektewet, recht had op een uitkering op grond van de
artikelen 3:7, 3:8,
3:9 of 3:10 van de
Wet arbeid en zorg; en
b. op de dag voorafgaand aan de dag
waarop dat recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg is
ontstaan inkomen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ontvangt
uit een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit het
recht op hiervoor genoemde uitkering op grond van de Ziektewet is
ontstaan;
wordt dat inkomen niet in aanmerking
genomen.
-6. Voor zover een uitkeringsgerechtigde
die recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet:
a. op de dag voorafgaand aan de dag
waarop het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is
ontstaan recht had op een uitkering op grond van de artikelen
3:7, 3:8,
3:9 of 3:10 van de Wet arbeid en
zorg; en
b. op de dag voorafgaand aan de dag
waarop dat recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg is
ontstaan inkomen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ontvangt
uit een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit het
recht op hiervoor genoemde uitkering op grond van de Werkloosheidswet is
ontstaan;
wordt dat inkomen niet in aanmerking
genomen.
-7. Indien een uitkeringsgerechtigde
inkomen als bedoeld in het eerste lid ontvangt uit dezelfde
werkzaamheden als de werkzaamheden waaruit een recht op uitkering op
grond van de Werkloosheidswet, artikel 29, tweede lid, van de
Ziektewet of Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of recht op loondoorbetaling
bestaat, wordt dat inkomen uitsluitend in aanmerking genomen voor die
uitkering of loondoorbetaling.
-8. Indien een uitkeringsgerechtigde recht
heeft op:
a. twee uitkeringen op grond van artikel
29, tweede lid, van de Ziektewet of een uitkering op grond van
artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet
en loondoorbetaling;
b. recht heeft op een uitkering op grond
van de Werkloosheidswet en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
of
c. recht heeft op een uitkering op grond
van de Werkloosheidswet of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
en een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de
Ziektewet of loondoorbetaling;
en daarnaast inkomen als bedoeld in het
eerste lid ontvangt uit werkzaamheden die zijn aangevangen nadat het
eerste recht op uitkering of loondoorbetaling is ontstaan, uit andere
werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit de rechten op uitkering of
loondoorbetaling zijn ontstaan en voordat het tweede recht op uitkering
of loondoorbetaling is ontstaan, wordt dat inkomen in aanmerking genomen
voor de uitkering of loondoorbetaling waarvan het recht als eerste is
ontstaan.
-9. Indien de uitkeringsgerechtigde recht
heeft op:
a. twee uitkeringen op grond van artikel
29, tweede lid, van de Ziektewet of een uitkering op grond van
artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet
en loondoorbetaling; of
b. een uitkering op grond van artikel
29,
tweede lid, van de Ziektewet of loondoorbetaling en een uitkering op
grond van de Werkloosheidswet;
en daarna inkomen als bedoeld in het
eerste lid ontvangt uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden
waaruit de rechten op uitkering of loondoorbetaling zijn ontstaan, dan
wordt dat inkomen pro rato in aanmerking genomen voor de twee
uitkeringen of loondoorbetalingen.
-10. Indien de uitkeringsgerechtigde recht
heeft op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de
Ziektewet of de Werkloosheidswet of loondoorbetaling en een uitkering op
grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en daarna inkomen
als bedoeld in het eerste lid ontvangt uit andere werkzaamheden dan de
werkzaamheden waaruit de rechten op uitkering of loondoorbetaling zijn
ontstaan, wordt dat inkomen in aanmerking genomen voor de uitkering of
loondoorbetaling waarvan het recht als tweede is ontstaan.
-11. Voor de toepassing van het zevende, achtste
en tiende lid geldt dat indien het inkomen, bedoeld
in het eerste lid, meer bedraagt dan het dagloon op grond waarvan de
uitkering waarvoor dat inkomen in aanmerking is genomen, wordt berekend,
wordt dat meerdere in aanmerking genomen voor de andere uitkering.
-12. Indien de uitkeringsgerechtigde
waarop het zevende, achtste, negende of tiende lid van toepassing is
met verlof gaat of recht ontstaat op een uitkering die voorafgaat aan
een uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening of het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, wordt voor de toepassing van het zevende, achtste,
negende, tiende of elfde lid het inkomen dat werd genoten in het
aangiftetijdvak vóór het aangiftetijdvak waarin het verlof aanving
respectievelijk het recht op die uitkering ontstond, aangemerkt als
inkomen als bedoeld in het eerste lid.
Art.
3:3. Uitbreiding inkomen
-1. In geval van een uitkeringsgerechtigde
voor wie naast recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
of artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet
recht ontstaat op:
a. loondoorbetaling;
b. een uitkering als bedoeld in hoofdstuk
IV van de Werkloosheidswet of een op basis van een wettelijke regeling
verstrekte uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
c. een uit een dienstbetrekking
voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening,
dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken
van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, of een op basis van een wettelijke regeling
verstrekte uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
d. een op basis van een wettelijke
regeling verstrekte uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met
een uitkering als bedoeld in het vierde lid;
wordt tevens onder inkomen verstaan het
inkomen, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, dat werd genoten in het
aangiftetijdvak vóór het aangiftetijdvak waarin recht ontstond op dat
loon, die bezoldiging respectievelijk die uitkering.
-2. In geval van een uitkeringsgerechtigde
voor wie naast recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen recht bestaat op:
a. loondoorbetaling;
b. een uitkering als bedoeld in hoofdstuk
IV van de Werkloosheidswet of een op basis van een wettelijke regeling
verstrekte uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
c. een uit een dienstbetrekking
voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening,
dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken
van de pensioengerechtigde leeftijd,
bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet, of een op basis van een wettelijke regeling
verstrekte uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
d. een op basis van een wettelijke
regeling verstrekte uitkering die naar aard en strekking overeenkomt
met:
1º. uitkering als bedoeld in het vijfde
lid, onderdeel a; of
2º. uitkering als bedoeld in het vijfde
lid, onderdeel b;
wordt tevens onder inkomen verstaan het
inkomen, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, dat werd genoten in het
aangiftetijdvak vóór het aangiftetijdvak waarin recht ontstond op dat
loon, die bezoldiging respectievelijk die uitkering.
-3. Indien de uitkeringsgerechtigde die
recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of artikel
29, tweede lid, van de Ziektewet met verlof gaat of indien de
uitkeringsgerechtigde die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen met verlof is, wordt tevens
onder inkomen verstaan het inkomen als bedoeld in artikel
3:2, eerste
lid, dat werd genoten in het aangiftetijdvak vóór het aangiftetijdvak
waarin het verlof aanving.
-4. In geval van een uitkeringsgerechtigde
voor wie naast recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
of artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet, recht ontstaat op:
a. een uitkering op grond van artikel
29,
tweede lid, van de Ziektewet; of
b. een uitkering op grond van hoofdstuk
II of III van de Werkloosheidswet;
wordt tevens onder inkomen verstaan
het dagloon op grond waarvan de uitkering, bedoeld in onderdeel a of
b,
wordt berekend.
-5. Indien voor de uitkeringsgerechtigde
naast recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen recht bestaat op:
a. een uitkering op grond artikel
29,
tweede lid, van de Ziektewet; of
b. een uitkering op grond van hoofdstuk
II of III van de Werkloosheidswet;
wordt tevens onder inkomen verstaan het
dagloon op grond waarvan de uitkering, bedoeld in onderdeel a of
b,
wordt berekend.
-6. Artikel
3:3, eerste, derde en vierde
lid, is uitsluitend van toepassing indien het recht op de daargenoemde
uitkering, bezoldiging of loon is ontstaan uit hoofde van werkzaamheden
die zijn gestart nadat een eerder recht op uitkering op grond van de
Werkloosheidswet of artikel 29, tweede lid, van de
Ziektewet is
ontstaan.
-7. Voor zover de uitkeringsgerechtigde
die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de
wachttijd, bedoeld in artikel 23 van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen, recht heeft op een uitkering als bedoeld in het tweede
lid, onderdeel c, wordt die uitkering niet aangemerkt als inkomen.
-8. Indien geen recht op loondoorbetaling
bestaat door toepassing van artikel 629, derde of negende lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of een algemeen verbindend voorschrift als
bedoeld in artikel 76b, eerste tot en met het derde lid, van de
Ziektewet of op gronden die naar aard en strekking daarmee
overeenkomen, wordt voor de toepassing van dit artikel het loon of de bezoldiging in aanmerking genomen als ware er wel recht op doorbetaling.
-9. Indien de uitkering op grond van de
Werkloosheidswet is geëindigd omdat de uitkeringsgerechtigde niet
beschikbaar is voor arbeid, wordt die uitkering in aanmerking genomen
alsof die eindiging niet heeft plaatsgevonden.
-10. Na het bepalen van het inkomen op
grond van het vierde en vijfde lid wordt voor de toepassing van die
leden het dagloon niet herzien als bedoeld in de artikelen 16 van de
Ziektewet of 46 van de
Werkloosheidswet.
-11. Voor de toepassing van het eerste,
tweede of derde lid wordt bij een per aangiftetijdvak wisselend inkomen
in afwijking van het eerste, tweede of derde lid als inkomen aangemerkt
het gemiddelde van het inkomen in de drie aangiftetijdvakken vóór het
aangiftetijdvak waarin het recht ontstond op de doorbetaling van loon,
bezoldiging of uitkering, bedoeld in het eerste respectievelijk het
tweede lid, of het verlof, bedoeld in het derde lid, aanving.
§
2. Uitzonderingen
Art. 3:4.
Uitzonderingen voor de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen
-1. Voor het bepalen van het inkomen,
bedoeld in artikel 52, vierde lid, van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen, geldt dat het loon dat door de werkgever wordt betaald
niet als inkomen wordt aangemerkt indien sprake is van een verkorte
wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van
die wet.
-2. Voor het bepalen van het inkomen,
bedoeld in artikel 60, eerste lid, aanhef en onder
a, van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen, geldt dat:
a. indien de uitkeringsgerechtigde recht
heeft op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de
Ziektewet, artikel
3:2, zevende, achtste of tiende lid, uitsluitend van
toepassing is indien de dienstbetrekking voortduurt op grond waarvan het
recht op uitkering ontstond;
b. indien de uitkeringsgerechtigde recht
heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet,
artikel 3:2,
zevende, achtste of tiende lid, uitsluitend van toepassing is indien het
een uitkering op grond van artikel 18 van de
Werkloosheidswet betreft of
een uitkering wegens werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van
verkorting van de werktijd waarvoor op grond van artikel
8, derde lid,
van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is
verleend;
c. artikel
3:3, tweede lid, onderdeel d,
onder 1º, uitsluitend van toepassing is indien de dienstbetrekking
voortduurt op grond waarvan het recht op uitkering ontstond;
d. artikel
3:3, tweede lid, onderdeel d,
onder 2º, uitsluitend van toepassing is indien het een uitkering op
grond van artikel 18 van de Werkloosheidswet
betreft;
e. artikel
3:3, derde lid, uitsluitend
van toepassing is, indien:
1º. het verlof als bedoeld in de
Wet arbeid en
zorg betreft; of
2º. de uitkeringsgerechtigde tijdens het
verlof een uitkering op grond van een levensloopregeling als bedoeld in
artikel 19g van de Wet
op de loonbelasting 1964 ontvangt;
f. artikel
3:3, vijfde lid, onderdeel a,
uitsluitend van toepassing is indien de dienstbetrekking voortduurt op
grond waarvan het recht op uitkering ontstond;
g. artikel
3:3, vijfde lid, onderdeel b,
uitsluitend van toepassing is indien het een uitkering op grond van
artikel 18 van de Werkloosheidswet
betreft of een uitkering wegens
werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de
werktijd waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
ontheffing is verleend.
Art. 3:5.
Uitzonderingen voor de
Werkloosheidswet
-1. Voor het bepalen van het inkomen,
bedoeld in artikel 34 van de Werkloosheidswet, zijn de
artikelen 3:2 en
3:3 niet van toepassing en wordt tot het inkomen gerekend:
a. een uit een dienstbetrekking
voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening,
dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken
van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet;
b. een uitkering op grond van het
bepaalde bij of krachtens dan wel op de voet van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers;
c. loon uit dienstbetrekking dat de
uitkeringsgerechtigde geniet zonder hiervoor te werken; en
d. een wettelijke buitenlandse uitkering
wegens arbeidsongeschiktheid.
-2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel a, wordt niet tot het inkomen gerekend een uitkering die door
de uitkeringsgerechtigde wordt ontvangen en die betrekking heeft op een
andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid
is ontstaan en die dienstbetrekkingen op enig moment naast elkaar werden
vervuld.
-3. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel a, wordt niet tot het inkomen gerekend de uitkering, bedoeld
in het eerste lid, onderdeel a, voor zover die uitkering door de
uitkeringsgerechtigde vóór het intreden van de werkloosheid werd
ontvangen en die betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren.
-4. De uitkering of het loon, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel b of c, wordt niet tot het inkomen gerekend,
indien zij:
a. door de uitkeringsgerechtigde reeds
vóór het intreden van de werkloosheid werd ontvangen naast de inkomsten
uit de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden; of
b. door de uitkeringsgerechtigde na het
intreden van de werkloosheid wordt ontvangen en zij betrekking heeft op
een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit de
werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen vóór het intreden van
de werkloosheid naast elkaar werden vervuld.
-5. Voor het bepalen van het inkomen,
bedoeld in artikel 34 van de Werkloosheidswet, geldt
in geval van een
werknemer die wegens eindiging van een dienstbetrekking
ouderdomspensioen ontvangt, dat de uitkering per dag niet hoger wordt
gesteld dan op het verschil tussen de uitkering zoals die is of zou zijn
vastgesteld op de eerste werkdag na die eindiging en het bedrag van het
pensioen per dag dat op die dag is ontvangen.
-6. Voor de toepassing van het vijfde lid
wordt het dagloon zoals dat is of zou zijn vastgesteld op de eerste dag
waarop ouderdomspensioen wordt ontvangen, voor zoveel nodig herzien
overeenkomstig artikel 46 van de Werkloosheidswet.
-7. In afwijking van de artikelen 3:2 en
3:3 wordt voor de toepassing van artikel
35aa, eerste lid, onderdeel a,
onder inkomen uitsluitend verstaan hetgeen onder inkomen wordt verstaan
op grond van artikel 3:2, eerste lid,
onderdeel
c, d en e.
-8. Voor het bepalen van het inkomen als
bedoeld in artikel 35aa, eerste lid, onderdeel
b, van de Werkloosheidswet geldt in afwijking van
artikel 3:3, eerste lid, onderdeel c en d, en vierde lid, onderdeel b, dat:
a. artikel
3:3, eerste lid, onderdeel c,
niet van toepassing is;
b. artikel
3:3, vierde lid, onderdeel b,
uitsluitend van toepassing is voor zover het een uitkering op grond van
artikel 18 van de Werkloosheidswet of een uitkering wegens werkloosheid
die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de werktijd waarvoor
op grond van artikel 8, derde lid, van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
ontheffing is verleend, betreft; en
d. artikel
3:3, eerste lid, onderdeel d,
onder 2º, uitsluitend van toepassing is voor zover het een uitkering op
grond van artikel 18 van de Werkloosheidswet
of een uitkering wegens
werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van verkorting van de
werktijd waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
ontheffing is verleend,
betreft.
Art. 3:6.
Uitzonderingen voor de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
Voor het bepalen van het inkomen als
bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten geldt dat:
a. de artikelen
2:2, derde lid, 2:4,
derde lid, 2:5 en 3:3, achtste en negende lid, van overeenkomstige
toepassing zijn;
b. in afwijking van artikel
3:2, eerste
lid, onder inkomen wordt verstaan:
1º. een uitkering op grond van een
werknemersverzekering;
2º. hetgeen wordt genoten op grond van
artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door
de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten
op grond van naar aard en strekking met artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomstige regelingen; of
3º. hetgeen wordt genoten op grond van
een wettelijke regeling die naar aard en strekking overeenkomt met de
uitkering of loon, bedoeld onder 1º en
2º; en
c. tevens onder inkomen wordt verstaan
een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij
wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan
die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd,
bedoeld in artikel 7a, eerste lid,
van de Algemene Ouderdomswet.
HOOFDSTUK
4
Bepaling
van het inkomen
Art.
4:1. Vaststelling inkomen
-1. Het inkomen, met uitzondering van het
inkomen voor de toepassing van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de
Toeslagenwet, de Ziektewet
en artikel 2:6 van de
Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, wordt herleid tot een bedrag per kalendermaand.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt de kalendermaand gesteld op 21,75 dagen. De kalenderweek wordt
gesteld op vijf dagen.
Het boek- of kalenderjaar wordt gesteld op 261 dagen.
-3. Bij de toepassing van het eerste lid
wordt het loon door de uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in
het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van
dat loon opgave heeft gedaan.
-4. Bij de toepassing van het eerste lid
worden betalingen van het overig inkomen toegerekend aan de perioden
waarin hierop recht bestaat.
-5. Bij de toepassing van het eerste lid
worden het belastbaar loon, het belastbaar resultaat uit overige
werkzaamheden, de belastbare winst uit onderneming en de uitkering,
bedoeld in de artikelen 2:2,
eerste lid, onderdeel c, d en e, en 3:2, eerste lid,
onderdeel
c, d en e, evenredig
toegerekend aan de betreffende kalendermaanden in het boek- of
kalenderjaar.
-6. De SVB
of het UWV kunnen op basis van
een geschat inkomen een gemiddeld inkomen per kalendermaand bepalen,
waarna per periode van ten hoogste twaalf maanden een herberekening
plaatsvindt en het gemiddeld inkomen per periode kan worden toegerekend
aan maanden in die periode.
-7. De SVB
of het UWV kan bij de vaststelling van het
inkomen het loon dat door de uitkeringsgerechtigde is genoten in een
aangiftetijdvak, toerekenen aan de dag waarop dat loon betrekking heeft.
-8. De SVB
of het UWV kan bij de vaststelling van het
inkomen artikel 3, eerste lid, van het Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen overeenkomstig toepassen ten aanzien van loon
dat het karakter heeft van een extra periodiek salaris of
vakantiebijslag, waarbij in
plaats van een refertejaar aangiftetijdvak
wordt gelezen.
-9. Indien toepassing van dit artikel leidt
tot een kennelijk onredelijk resultaat, bepaalt de SVB
of het UWV het inkomen op een
andere wijze.
Art.
4:2. Uitzonderingen voor de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen
Voor het bepalen van inkomen als bedoeld in de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers of de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen geldt dat:
a. het inkomen uit arbeid of overig
inkomen in de maand waarover aanspraak op uitkering wordt gemaakt,
vastgesteld wordt op het bedrag dat de uitkeringsgerechtigde over die
maand verwerft of redelijkerwijs geacht kan worden te verwerven;
b. indien op grond van artikel
21,
tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers de uitkering over een kortere
periode dan één maand wordt uitbetaald, het inkomen en de uitkering
eerst per maand vastgesteld worden, waarna de uitkering over een kortere
periode naar evenredigheid wordt vastgesteld;
c. indien aannemelijk is dat een
inkomensbestanddeel geen juiste maatstaf biedt voor de bepaling van het
in onderdeel a bedoelde inkomen, dat bestanddeel per maand vastgesteld
wordt op 1/3 onderscheidenlijk 1/12 van het bedrag dat over drie
maanden onderscheidenlijk één jaar is verworven;
d. indien winst als bedoeld in
artikel 2:2, eerste lid, onderdeel d, wordt genoten, het daaruit
voortvloeiende inkomensbestanddeel per maand vastgesteld wordt op 1/12
van de winst genoten over het kalenderjaar of het niet met het
kalenderjaar samenvallend boekjaar voorafgaand aan de maand waarover
aanspraak op uitkering wordt gemaakt; en
e. indien de toepassing van de
onderdelen a tot en met d, gelet op het tijdstip van verwerving van een
inkomensbestanddeel, tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, het
college bepaalt op welke periode dat inkomensbestanddeel geacht moet
worden betrekking te hebben en hoe dit geacht moet worden over deze
periode te zijn verdeeld.
Art. 4:2a.
Uitzonderingen voor de
Werkloosheidswet
-1. Voor de toepassing van artikel
35aa,
eerste lid, onderdeel a, wordt, in afwijking van artikel
4:1, het
inkomen:
a. berekend op basis van de volgende
formule:
I = I1 + ((I2 x W) / 52)
waarbij:
I staat voor het inkomen;
I1 staat voor het inkomen over het
aanvangsjaar;
I2 staat voor het inkomen over het jaar
gelegen na het aanvangsjaar;
W staat voor het aantal weken gelegen
tussen de eerste dag van het aanvangsjaar en de dag waarop de
toestemming, bedoeld in artikel 77a, eerste lid, van de
Werkloosheidswet, is verleend;
b. per maand vastgesteld op 8,33% van
het inkomen, bedoeld in onderdeel a, indien de uitkering wordt betaald
per maand;
c. per week vastgesteld op 1,92% van het
inkomen, bedoeld in onderdeel a, indien de uitkering wordt betaald per
week of een veelvoud daarvan.
-2. In dit artikel wordt onder
aanvangsjaar verstaan het kalenderjaar dan wel, indien artikel 3.66 van
de Wet
inkomstenbelasting 2001 van toepassing is, het boekjaar waarin de
werknemer de werkzaamheden, bedoeld in artikel
77a, eerste lid, van de Werkloosheidswet, is gaan verrichten.
-3. Voor het bepalen van I1 en I2 als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is artikel
3:2, tweede lid, niet
van toepassing.
Art. 4:2b.
Uitzonderingen voor de
vaststelling van het inkomen
-1. In afwijking van artikel
4:1, eerste
en vijfde lid, geldt dat het inkomen herleid wordt tot een bedrag per
dag voor toepassing van:
a. de Toeslagenwet;
b. de Ziektewet; en
c. artikel 2:6 van de
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
-2. In afwijking van artikel
4:1, eerste
lid, geldt dat het inkomen herleid wordt tot een bedrag per kalenderweek
voor toepassing van de Werkloosheidswet, met uitzondering van
artikel 35aa, eerste lid, onderdeel
a, van de Werkloosheidswet.
Art.
4:3. Omrekening
-1. Indien het bij de toepassing van dit
hoofdstuk noodzakelijk is om niet in euro’s uitgedrukt inkomen om te
rekenen in euro’s, geschiedt dat met behulp van de door de Europese
Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen.
-2. Een wijziging van een wisselkoers als
bedoeld in het eerste lid beïnvloedt het vastgestelde inkomen niet, met
dien verstande dat:
a. bij wijziging van het inkomen,
anders dan ten gevolge van de koersmutaties, een omrekening plaatsvindt;
en
b. ten minste eens per jaar een
omrekening plaatsvindt.
HOOFDSTUK
5
Slotbepalingen
Art.
5:1. Overgangsrecht
-1. Voor het bepalen van het inkomen,
bedoeld in de artikelen 52, vierde lid, en 61, achtste lid, van de
Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen of artikel 35aa, eerste lid,
onderdeel b, van de Werkloosheidswet, wordt onder verlof als bedoeld in
artikel 3:3, derde lid, tevens verstaan verlof als bedoeld in de
artikelen 3:1 en 3:2 van de Wet arbeid en
zorg en wordt in afwijking
van artikel 3:2, eerste lid, onderdeel
a, niet onder inkomen verstaan
een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling
2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg indien dit verlof is aangevangen
vóór
inwerkingtreding van het Besluit van 22 februari 2012 tot wijziging van
het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen in
verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet inkomensvoorziening
oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten en
werknemersverzekeringen (Stb. 2012, 79).
-2. Voor het bepalen van het inkomen,
bedoeld in artikel 35aa, eerste lid, onderdeel
b, van de Werkloosheidswet, geldt dat indien voor de uitkeringsgerechtigde naast
een uitkering op grond van de Werkloosheidswet:
a. recht ontstaat op een uitkering op
grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet
of hoofdstuk II of
III van de Werkloosheidswet; en
b. het recht, bedoeld onder a, is
ontstaan vóór de inwerkingtreding van het Besluit van 22 februari 2012
tot wijziging van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale
voorzieningen in verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten en werknemersverzekeringen (Stb. 2012, 79);
voor de duur van dat recht, bedoeld in
onderdeel a, artikel 3:3, vierde lid, niet van toepassing is en wordt
tevens onder inkomen wordt verstaan het inkomen, bedoeld in artikel
3:2,
eerste lid, dat werd genoten in het aangiftetijdvak vóór het
aangiftetijdvak waarin recht ontstond op die uitkering.
-3. Voor het bepalen van het inkomen,
bedoeld in de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen, geldt dat indien
voor de uitkeringsgerechtigde naast een uitkering op grond van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen:
a. recht bestaat op een uitkering op
grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet
of hoofdstuk II of
III van de Werkloosheidswet; en
b. het recht op uitkering op grond van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en het recht, bedoeld onder a,
zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding van het Nesluit van 22 februari
2012 tot wijziging van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale
voorzieningen in verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten en werknemersverzekeringen (Stb. 2012, 79);
voor de duur van het recht, bedoeld in
onderdeel a, artikel 3:3, vijfde lid, niet van toepassing is en tevens
onder inkomen wordt verstaan het inkomen, bedoeld in artikel
3:2, eerste
lid, dat werd genoten in het aangiftetijdvak vóór het aangiftetijdvak
waarin recht bestond op die uitkering.
-4. In geval van een uitkeringsgerechtigde
waarvan het recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen en het ontvangen van ziekengeld op grond van artikel
29, tweede lid, van de Ziektewet zijn ontstaan
vóór
inwerkingtreding van het Besluit van 22 februari 2012 tot wijziging van
het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen in
verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet inkomensvoorziening
oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en
werknemersverzekeringen (Stb. 2012, 79) is, voor de duur van dat recht op
grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet,
artikel 3:4, tweede
lid, onderdeel a en d, niet van toepassing.
-5. In geval van een uitkeringsgerechtigde
die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten en recht heeft op een uitkering
op grond van een vrijwillige verzekering op grond van de
Werkloosheidswet, Ziektewet, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op de dag vóór
inwerkingtreding van het Besluit van 22 februari 2012 tot wijziging van
het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen in
verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet inkomensvoorziening
oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en
werknemersverzekeringen (Stb. 2012, 79) is artikel
3:6, onderdeel b, onder 3º,
voor zover het de uitkering op grond van een vrijwillige verzekering
betreft, niet van toepassing gedurende de duur van die uitkering, doch
ten hoogste gedurende twee jaar.
-6. Ingeval ter zake van het belastbare
loon artikel 39c van de Wet
op de loonbelasting 1964 wordt toegepast,
wordt voor toepassing van de artikelen
2:2, eerste lid, onderdeel b,
onder 3º, en 3:2, eerste lid, onderdeel
b, onder 3º, onder
eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met h, van de Wet
op de loonbelasting 1964 verstaan
eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met h, van die
wet, zoals dat artikel luidde op 31
december 2010.
-7. Het zesde lid en dit lid vervallen met
ingang van de dag waarop artikel 39c van de Wet
op de loonbelasting 1964 vervalt.¹
1. Ingevolge artikel Vbis van de
Fiscale vereenvoudigingswet 2010 (Stb. 2010, 611) vervalt artikel
39c van de Wet
op de loonbelasting 1964 met ingang van 1 januari 2014, red.
Art.
5:2. Intrekking besluiten en overgangsrecht
-1. De volgende besluiten worden
ingetrokken:
a. Inkomens-
en samenloopbesluit Anw;
b. Inkomensbesluit
Ioaw;
c. Inkomensbesluit
Ioaz; en
d. Inkomensbesluit
AOW 1996.
-2. Ingeval ter zake van het belastbare
loon artikel 39c van de Wet
op de loonbelasting 1964 wordt toegepast,
wordt voor toepassing van artikel 2:2, eerste lid, onderdeel
b, onder 3º,
onder eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
onderdeel b tot en met h, van de Wet
op de loonbelasting 1964 verstaan
eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met h, van die
wet zoals dat artikel luidde op 31
december 2010.
-3. Het tweede lid vervalt ¹ met ingang van
de dag waarop artikel 39c van de Wet
op de loonbelasting 1964 vervalt.²
1. Volgens de redactie
dient "Het tweede lid vervalt" te worden vervangen door: Het
tweede en derde lid, alsmede de aanduiding "-1." voor het
eerste lid, vervallen.
2. Ingevolge artikel Vbis van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010
(Stb. 2010, 611) vervalt artikel 39c van de Wet
op de loonbelasting 1964 met ingang van 1 januari 2014, red.
Art.
5:3. Inkomensbesluit Ioaw
In afwijking van artikel
5:2 blijft artikel
9b van het Inkomensbesluit Ioaw
van toepassing in wettelijke procedures en rechtsgedingen inzake
besluiten die op grond van artikel 9b
van het Inkomensbesluit Ioaw zijn
genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde
beroepen, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie.
Art. 5:4.
Grondslag besluit
Dit besluit berust mede op de artikelen 6, tweede lid, van de
Toeslagenwet, 10, zesde lid, van de
Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen, 34, tweede lid, en
35aa, tweede
lid, van de Werkloosheidswet, 2:6 van de
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, 52, vierde lid, 60, vijfde lid,
en 61, achtste lid, van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen en 31, derde lid, van de
Ziektewet.
Art.
5:5. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011, met
uitzondering van artikel 5:5, dat in werking treedt met ingang van de
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt
geplaatst en terugwerkt tot en met 9 juni 2010.
Art.
5:6. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als:
Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 23 december 2010
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
Uitgegeven de negenentwintigste
december 2010
De Minister van Veiligheid en Justitie,
I.W. Opstelten
NOTA
VAN TOELICHTING
[23 december 2010]
Algemeen
1. Inleiding
Dit besluit strekt
tot harmonisatie van de begrippen "inkomen uit arbeid" en "overig
inkomen" voor de sociale voorzieningen en de volksverzekeringen.
Het doel van deze harmonisatie is dat de regelgeving over welke soorten
inkomen verrekend dienen te worden met de uitkering, duidelijk en
overzichtelijk wordt. In het wetsvoorstel tot wijziging van
verschillende wetten in verband met harmonisatie en vereenvoudiging van
deze wetten ten behoeve van de uitvoering van die wetten door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Wet
harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving) (Stb.
PM [Stb. 2010, 867, red.]) zijn de
delegatiegrondslagen in de socialezekerheidswetten geüniformeerd. Op
grond van deze delegatiegrondslagen wordt bij algemene maatregel van
bestuur bepaald wat onder "inkomen", "inkomen uit arbeid"
en "overig inkomen" wordt verstaan. In de
socialezekerheidswetten is geregeld dat eventuele inkomsten van een
uitkeringsgerechtigde en/of diens partner - geheel of gedeeltelijk -
verrekend dienen te worden met de uitkering. De uniformering van de
delegatiegrondslagen maakt samenvoeging van de bestaande
inkomensbesluiten tot één algemeen inkomensbesluit
socialezekerheidswetten mogelijk. Het Inkomensbesluit volksverzekeringen
en sociale voorzieningen voegt de inkomensbesluiten samen die betrekking
hebben op de volksverzekeringen en op de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw) en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz). Na overleg met het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) is besloten om het onderdeel van het
inkomensbesluit dat betrekking heeft op de socialezekerheidswetten die
door het UWV worden uitgevoerd, één jaar later in te voeren. De regels
voor het bepalen van het inkomen van socialezekerheidswetten die door
het UWV worden uitgevoerd, zullen dan worden opgenomen in hoofdstuk
3.
Nadat ook deze inkomensbesluiten zijn toegevoegd aan het onderhavig
besluit, is er sprake van één algemeen inkomensbesluit
socialezekerheidswetten.
Als uitgangspunt
is gehanteerd dat het samenvoegen van inkomensbesluiten niet leidt tot
materiële wijzigingen. Vanwege uniformering van begrippen en
harmonisatie van de regelgeving zijn er toch enkele wijzigingen
doorgevoerd ten opzichte van de huidige situatie. In hoofdstuk
5 worden
deze wijzigingen toegelicht.
Door het
samenvoegen van de inkomensbesluiten komen de volgende vier inkomensbesluiten te vervallen:
- het Inkomens-
en samenloopbesluit Anw;
- het Inkomensbesluit
AOW 1996;
- het Inkomensbesluit
Ioaw;
- het Inkomensbesluit
Ioaz.
Het
Inkomensbesluit AOW 1996 is een ministeriële regeling. Deze regeling
wordt ook met onderhavig besluit ingetrokken.
2. "Inkomen uit
arbeid" en "overig inkomen"
Dit besluit is van
toepassing voor het bepalen van het inkomen op grond van de Algemene
nabestaandenwet (Anw), de Algemene
Ouderdomswet (AOW), de Ioaw en de Ioaz. In de genoemde volksverzekeringen en sociale voorzieningen wordt
onderscheid gemaakt tussen "inkomen uit arbeid" en "overig
inkomen". Over het algemeen geldt dat van "inkomen uit arbeid"
een deel wordt vrijgelaten en dat "overig inkomen" volledig in
mindering wordt gebracht op de uitkering.
2.1. Definitie "inkomen
uit arbeid"
De definitie "inkomen
uit arbeid" wijzigt niet ten opzichte van de bepalingen in de
huidige inkomensbesluiten. In het algemeen wordt met "inkomen uit
arbeid" het inkomen bedoeld dat de uitkeringsgerechtigde en/of
diens partner verwerft door het verrichten van arbeid als werknemer,
niet-werknemer (bijvoorbeeld freelancer) of zelfstandige. In al deze
gevallen wordt het daarmee verdiende inkomen beschouwd als "inkomen
uit arbeid". Voor deze definitie is uit oogpunt van uniformiteit en
duidelijkheid zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij al bestaande
inkomens- en loonbegrippen in de sociale zekerheid en de belastingwetgeving, waarmee uitvoeringsorganen al bekend zijn en werken.
Zo wordt voor werknemers in de zin van de werknemersverzekeringen
uitgegaan van het socialeverzekeringsloon (SV-loon), bedoeld in artikel
16 van de Wet financiering sociale
verzekeringen (Wfsv). Voor de overige
werknemers wordt aangesloten bij het loon uit dienstbetrekking bedoeld
in de artikelen 9 tot en met 13 van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Voor personen die hun arbeid niet in dienstbetrekking verrichten, wordt
gekeken naar het belastbaar loon of het belastbaar resultaat uit overige
werkzaamheden en de belastbare winst uit onderneming, zoals dit is
gedefinieerd in de Wet
inkomstenbelasting 2001.
Inkomen dat werd genoten in aangiftetijdvak
voordat verlof aanving
Voor de Ioaw
en
de Ioaz wordt geregeld dat in de situatie dat de uitkeringsgerechtigde
of diens partner tijdelijk zijn of haar werkzaamheden onderbreekt
vanwege verlof, inkomen uit een eerdere periode beschouwd moet worden
als inkomen in de zin van de Ioaw en Ioaz. Als in die situatie de
werkgever het loon niet (volledig) doorbetaalt, zou zonder nadere
regelgeving de Ioaw- of Ioaz-uitkering moeten toenemen omdat er sprake
is van een daling van het "inkomen (uit arbeid)". Dit zou
betekenen dat de uitkering financiële compensatie biedt voor
loonderving als gevolg van verlof (in plaats van als gevolg van
werkloosheid/arbeidsongeschiktheid). In de meeste - huidige - inkomensbesluiten is reeds geregeld dat in dit geval het loon vóór de
aanvang van verlof wordt aangemerkt als "inkomen (uit arbeid)".
Dit heeft tot gevolg dat de hoogte van de uitkering gelijk blijft
tijdens het verlof. Het gaat hierbij om vormen van betaald of onbetaald
verlof zoals bijvoorbeeld ouderschapsverlof en levensloopverlof. Dit
geldt overigens niet voor de verlofperioden waarvoor op grond van
hoofdstuk 2, afdeling 2, van de Wet arbeid en
zorg recht op uitkering
bestaat in verband met zwangerschap, bevalling, adoptie en pleegzorg. De
genoemde uitkeringen op grond van de Wet arbeid en
zorg worden immers
verrekend met de Ioaw- of
Ioaz-uitkering.
Bovenstaande
regeling met betrekking tot onbetaald verlof geldt niet voor de Anw- en
AOW-uitkering omdat in deze wetten geen verplichting is opgenomen voor
de uitkeringsgerechtigde of diens partner om te solliciteren. Ook niet
in de situatie dat de (loondervings)uitkering (bijvoorbeeld de WW-uitkering van de Anw-gerechtigde of de partner van de
AOW-gerechtigde)
geheel of gedeeltelijk is geweigerd. Het is niet de bedoeling om een
AOW-gerechtigde een toeslag te onthouden omdat diens partner
bijvoorbeeld een sanctie heeft gekregen op diens WW-uitkering omdat hij
niet aan de sollicitatieplicht in de WW heeft voldaan. Die partner heeft
- vanuit de AOW geredeneerd - helemaal niet de verplichting om te
solliciteren. De AOW-gerechtigde zou in dit geval geen recht hebben op
een volledige toeslag voor zijn partner, terwijl hij dat wel heeft als
diens partner helemaal niet werkt of vrijwillig is gestopt met werken
(en geen recht op WW-uitkering heeft omdat bijvoorbeeld niet is voldaan
aan de referte-eis).
2.2. Definitie "overig
inkomen"
De
volksverzekeringen en de voorzieningen voorzien in een uitkering tot
minimumniveau, namelijk tot 70% van het wettelijk minimumloon (WML).
"Overig inkomen" dat de uitkeringsgerechtigde en/of diens
partner naast de uitkering ontvangt, wordt volledig verrekend met die
uitkering. In artikel 5:1 van onderhavig besluit wordt aangegeven wat
onder de omschrijving van "overig inkomen" wordt verstaan. Het
betreft hier onder andere de loondervingsuitkeringen op grond van de
werknemersverzekeringen, de volksverzekeringen en sociale voorzieningen
(behoudens enkele uitzonderingen) en de aanvullingen die een (voormalig)
werkgever betaalt op de loondervingsuitkering en pensioenen. In de
huidige inkomensbesluiten wordt gesproken over "inkomen in verband
met arbeid". Aangezien in artikel 2:4 ook inkomen wordt genoemd dat
geen relatie heeft met arbeid, zoals bijvoorbeeld een Anw-uitkering of
een studiebeurs, is de term gewijzigd in "overig inkomen". Zie
hoofdstuk 5 Wijzigingen ten opzichte van huidige
situatie.
3. Vakantie-uitkering
Voor de bepaling
van het "inkomen uit arbeid" of "overig inkomen" ten
behoeve van de partnertoeslag op grond van de AOW
en de Anw-uitkering
wordt geen rekening gehouden met de uitbetaalde vakantiebijslag of
verstrekte vakantiebonnen, terwijl - als geen aanspraak bestaat op
vakantiebijslag - wordt verondersteld dat een deel van het uitbetaalde
inkomen wordt gereserveerd als vakantiebijslag (artikel
2:5, tweede
lid). In de maandelijkse (maximale) uitkering is de vakantiebijslag niet
opgenomen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat jaarlijks in de maand
mei vakantiebijslag wordt uitbetaald op basis van de hier bedoelde
uitkeringen, ten bedrage van 8% van de betreffende uitkering.
4. Samenloop uitkeringen
volksverzekeringen en sociale voorzieningen
De
volksverzekeringen en sociale voorzieningen bieden de
uitkeringsgerechtigde - en diens partner - een uitkering op het
niveau van het sociaal minimum. Het is beleidsmatig niet gewenst dat
twee uitkeringen naast elkaar worden uitbetaald, althans indien zij
gezamenlijk meer bedragen dan voornoemd sociaal minimum. Om die reden is
in dit besluit geregeld welke uitkering in ieder geval tot uitbetaling
komt als er sprake is van samenloop en op welke andere uitkeringen deze
in mindering wordt gebracht. Daarvoor is een rangorde aangebracht tussen
de verschillende sociale voorzieningen en volksverzekeringen. In deze
rangorde staat de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen
(IOW)
bovenaan. Dat betekent dat in de situatie waarbij samenloop is tussen
een IOW-uitkering en een andere uitkering op grond van een sociale
voorziening en/of een volksverzekering, de IOW altijd tot uitbetaling
komt. Daarna volgt respectievelijk de Anw, de
AOW, de
Toeslagenwet
(TW)
en de Ioaw. Op de
Ioaz
worden alle uitkeringen - in geval van
samenloop met een andere uitkering - in mindering gebracht. Voorbeeld:
indien een uitkeringsgerechtigde recht heeft op een Anw- en een Ioaw-uitkering, dan komt de Anw-uitkering tot uitbetaling en wordt deze
- volledig -
in mindering gebracht op de Ioaw-uitkering.
5. Wijzigingen ten
opzichte van huidige situatie
Uitgangspunt bij de
totstandkoming van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale
voorzieningen is dat het niet leidt tot materiële wijzigingen. Op een
aantal punten zullen er echter toch materiële wijzigingen zijn. Dit
wordt met name veroorzaakt door harmonisatie van regelgeving. Hieronder
volgt een overzicht van de belangrijkste inhoudelijke wijzigingen ten
opzichte van de huidige situatie. Voor de individuele
uitkeringsgerechtigde kunnen deze wijzigingen ten opzichte van de
huidige situatie leiden tot een verlaging van de uitkering. Om die reden
wordt voor bepaalde situaties overgangsrecht getroffen. Zie hoofdstuk
7
Overgangsrecht. De budgettaire effecten op de uitkeringslasten zijn
opgenomen in hoofdstuk 6 Budgettaire gevolgen. De administratieve lasten voor
burgers en bedrijven blijven per saldo gelijk ten opzichte van de
huidige situatie.
Sociale voorzieningen en volksverzekering
(algemeen)
- In artikel 2:4,
eerste lid, onderdeel o, van dit
besluit is bepaald dat een uitkering die naar aard en strekking
overeenkomt met een uitkering als bedoeld in de onderdelen a tot en met
l, beschouwd wordt als "overig
inkomen".
Hiermee wordt onder andere bedoeld buitenlandse uitkeringen, andere
wettelijke uitkeringen zoals op grond van Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) en uitkeringen op grond van CAO of
arbeidsovereenkomst. In de huidige inkomensbesluiten worden deze
uitkeringen apart genoemd, in het onderhavige besluit vallen die onder
de bepaling "uitkering
die naar aard en strekking overeenkomen met".
Materieel wijzigt er dus niets ten opzichte van de huidige situatie.
- In de huidige inkomensbesluiten
is bepaald dat een bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze
Minister van Economische Zaken opgerichte Stichting ontwikkeling en
sanering midden- en kleinbedrijf en een maandelijkse
bedrijfsbeëindigingsvergoeding van de door Onze Minister van Landbouw
en Visserij opgerichte Stichting ontwikkelings- en saneringsfonds voor
de landbouw wordt beschouwd als "inkomen
in verband met arbeid".
Deze bedrijfsbeëindigingsvergoedingen worden niet meer genoemd in het
Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen omdat ze
niet meer voorkomen.
AOW en Anw
- Op basis van jurisprudentie heeft de
SVB
in haar uitvoeringsbeleid opgenomen dat inkomen dat niet direct
gerelateerd is aan arbeid niet in mindering wordt gebracht op de AOW-partnertoeslag en Anw-uitkering. In het Inkomensbesluit
volksverzekeringen en sociale voorzieningen wordt "inkomen
in verband met arbeid"
vervangen door "overig
inkomen".
Dit brengt met zich mee dat bepaalde inkomsten wel weer in mindering
moeten worden gebracht op de AOW-partnertoeslag en de Anw-uitkering. Het
gaat hierbij onder andere om een studiebeurs en een uitkering op grond
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten (Wet Wajong).
De financiële gevolgen voor de AOW- en Anw-gerechtigden zijn
afhankelijk van de situatie. Maximaal kan het betekenen dat - een
groot gedeelte van - de AOW-partnertoeslag of Anw-uitkering vervalt,
bijvoorbeeld in de situatie dat er samenloop is tussen een Anw-uitkering
met een uitkering op grond van de Wet Wajong. De AOW-partnertoeslag of
de Anw-uitkering wordt dan uitbetaald voor zover die hoger is dan de
uitkering op grond van de Wet Wajong. Zoals hiervoor is aangegeven, geldt
een overgangsperiode van twee jaar voor de uitkeringsgerechtigde die
vóór datum inwerkingtreding van dit besluit recht heeft op
AOW-partnertoeslag of Anw-uitkering en bijvoorbeeld een studiebeurs of
uitkering op grond van de Wet Wajong.
AOW
-
Op grond van het voorstel van wet tot
wijziging van de Algemene
Ouderdomswet teneinde een korting te kunnen
toepassen op de toeslag voor de echtgenoot die jonger is dan 65 jaar (Stb. PM) wordt de partnertoeslag vanaf 2011 met 8% gekort. Deze korting
geldt zowel voor de nieuwe als ook voor de lopende rechten. In genoemd
wetsvoorstel is geregeld dat de partnertoeslag niet wordt gekort indien
het gezamenlijke inkomen onder de 110% van het WML ligt. Voor de
bepaling van het gezamenlijke inkomen om deze korting te berekenen,
worden - naast het AOW-pensioen en de partnertoeslag
- dezelfde
inkomensbestanddelen als inkomen aangemerkt als voor de verrekening van
het inkomen op de partnertoeslag. Dit leidt slechts uitzondering voor
wat betreft uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met een
uitkering op grond van de AOW; indien de pensioengerechtigde (en dus
niet diens jongere echtgenoot) rechthebbende is, worden dergelijke
uitkeringen tevens als overig inkomen aangemerkt.
Ioaw en Ioaz
-
In het Inkomensbesluit
volksverzekeringen en sociale voorzieningen is een bepaling opgenomen
die regelt dat wanneer de uitkeringsgerechtigde en/of diens partner loon
uit dienstbetrekking heeft en - onbetaald
- verlof opneemt, dat de
hoogte van de uitkering niet toeneemt. Dit is een inhoudelijke wijziging
ten opzichte van de huidige inkomensbesluiten op grond van de Ioaw
en Ioaz. In
artikel 2:3, eerste lid, onderdeel d, van dit besluit is geregeld dat
bij verlof wordt uitgegaan van het inkomen dat de uitkeringsgerechtigde
en/of diens partner heeft in het aangiftetijdvak vóór het
aangiftetijdvak voordat het verlof aanving.
- Een uitkering op grond van de
Wet arbeid en
zorg die een -
partner van een - uitkeringsgerechtigde
tijdens een dienstverband ontvangt, wordt in de huidige Inkomensbesluit
Ioaw en Inkomensbesluit Ioaz beschouwd als "inkomen
in verband met arbeid".
In het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen wordt
geregeld dat in deze situatie de uitkering op grond van de Wet arbeid en
zorg wordt beschouwd als "inkomen
uit arbeid",
zoals ook nu geregeld is voor de AOW en de Anw. Tevens is geregeld dat
wanneer de uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg tijdens de duur
van een uitkering, genoemd in het eerste lid van artikel 2:4 van het
Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen, wordt
ontvangen, deze uitkering wordt beschouwd als "overig
inkomen".
Dit is een inhoudelijke wijziging ten opzichte van de huidige situatie.
6. Budgettaire gevolgen
Door het
Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen is het
mogelijk dat de AOW-partnertoeslag of de Anw-uitkering (gedeeltelijk)
vervalt door samenloop met een andere uitkering. In 2011 en 2012 geldt
het inkomensbesluit alleen voor nieuwe gevallen. Volgens schattingen
zullen in 2011 ongeveer 150 AOW-partnertoeslagen en ongeveer 25
Anw-uitkeringen vervallen, oplopend naar respectievelijk ongeveer 600 en
300 in 2015. Vanaf 2015 zal de omvang van deze populatie afnemen, als
gevolg van afschaffing van de AOW-partnertoeslag voor nieuwe gevallen en
een dalend volume van de Anw-uitkeringen. De budgettaire gevolgen voor
de AOW- en Anw-uitkeringslasten tezamen staan in onderstaande tabel
weergegeven. De budgettaire gevolgen voor de Ioaw
en Ioaz zijn nihil.
|
Algemeenrinkomensbesluitxxxx
|
2011
|
2012
|
2013
|
2014
|
2015
|
2016
|
|
Budgettaire
gevolgen
|
–1
|
–3
|
–7
|
–7
|
–6
|
–5
|
7. Overgangsrecht
Uit het voorgaande
blijkt dat er met de totstandkoming van het Inkomensbesluit
volksverzekeringen en sociale voorzieningen enkele wijzigingen optreden
ten opzichte van de huidige regelgeving. Dit betekent dat
uitkeringsgerechtigden in een aantal gevallen mogelijk een lagere
uitkering zullen gaan ontvangen. Dit zal voornamelijk voorkomen in
gevallen van samenloop tussen twee uitkeringen, bijvoorbeeld wanneer
zowel recht op een Anw-uitkering als een Wajong-uitkering bestaat. In de
huidige situatie wordt de Wajong-uitkering niet in mindering gebracht op
de Anw-uitkering. Zie voor nadere uitleg hiervoor hoofdstuk
5 Wijzigingen ten
opzichte van huidige situatie. Om die reden wordt er voor dit besluit
overgangsrecht geregeld. Het overgangsrecht zal worden geregeld met het
voorstel van Wet harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving.
Op grond van het overgangsrecht zullen de huidige bepalingen in de AOW,
Anw, Ioaw en Ioaz
van toepassing blijven op de uitkeringsgerechtigden
en/of diens partner waarvoor vóór 1 januari 2011 reeds inkomen werd
bepaald. Dit geldt uiteraard niet integraal voor de toepassing van
artikel 12 (nieuw) van de AOW. Voor het bepalen van het gezamenlijke
inkomen in de zin van artikel 12 (nieuw) van de
AOW geldt voor de
pensioengerechtigde van meet af aan het onderhavige Inkomensbesluit
volksverzekeringen en sociale voorzieningen. Voor diens jongere
echtgenoot geldt echter dat als al inkomen is vastgesteld op grond van
de artikelen 10 en 11 zoals deze luidden
vóór de inwerkingtreding van
de Wet harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving, dat
inkomen eveneens wordt aangemerkt als het inkomen van die echtgenoot in
het kader van artikel 12 van de AOW. Na een periode van twee jaar zal
het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen van
toepassing worden op alle bestaande gevallen. Voor alle nieuwe gevallen
zal het onderhavige besluit met ingang van 1 januari 2011 van toepassing
zijn.
8. Vaststelling van het
inkomen
Met het onderhavige
besluit wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande definities,
zoals het SV-loon en bepalingen uit bijvoorbeeld het Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen. Het "inkomen uit arbeid"
wordt geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de
werkgever of de inhoudingsplichtige opgave heeft gedaan en daarmee het
loon betaald heeft aan de werknemer. Betalingen van het "overig
inkomen" - dit betreft voornamelijk (loondervings)uitkeringen - worden toegerekend aan de perioden waarin recht bestaat op de
desbetreffende (loondervings)uitkering.
Voor de toerekening van het belastbaar loon,
het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare
winst uit onderneming wordt uitgegaan van een kalenderjaar of boekjaar.
De winst over een jaar wordt naar evenredigheid toegerekend aan de
betreffende kalendermaanden in het boek- of kalenderjaar. Hetzelfde
gebeurt met de uitkering die de zelfstandige ontvangt op basis van de Wet arbeid en
zorg.
Bij wisselende inkomsten heeft de SVB
de
bevoegdheid om op basis van een geschat inkomen een gemiddeld inkomen te
bepalen op basis waarvan de uitkering kan worden vastgesteld. In dat
geval vindt per periode van ten hoogste twaalf maanden een herberekening
plaats op basis van het reëel genoten inkomen. In samenspraak met de
betrokkene wordt een schatting gemaakt van het te verwachten inkomen per
maand. Periodiek onderzoekt de SVB het werkelijk genoten inkomen.
De definitieve vaststelling van de uitkering
kan pas plaatsvinden als de uitkeringsgerechtigde de inkomensgegevens
(zoals bijvoorbeeld een loonstrookje) overlegt aan de SVB. Wanneer
sprake is van belastbaar loon, belastbaar resultaat uit overige
werkzaamheden of belastbare winst uit onderneming, wordt aangesloten bij
het fiscale inkomensbegrip. De SVB kan voorschotten op de uitkering
verstrekken, bijvoorbeeld in de situatie dat de belastbare winst nog
niet definitief is vastgesteld door de belastingdienst. Deze
voorschotten zijn gebaseerd op een schatting van de inkomsten.
Voor uitvoering
van de Ioaw en Ioaz geldt dat de verrekening van inkomen met deze
uitkeringen door de gemeenten op de gebruikelijke wijze geschiedt. Als
een uitkeringsgerechtigde en/of diens partner in een maand "inkomen
uit arbeid" of "overig inkomen" heeft, dan worden die
inkomsten aan die maand toegerekend. Indien nodig wordt de uitkering
herberekend en verrekend met de betaling van de eerstvolgende maand.
9. Commentaren
De SVB
heeft in
haar reactie aangegeven dat de gevolgen voor de uitvoering beperkt zijn.
Slechts een kleine groep uitkeringsgerechtigden wordt door de
wijzigingen geraakt. De voorgestelde wijzigingen zijn voor SVB goed
uitvoerbaar met ingang van 1 januari 2011. De SVB maakt opmerkingen over
bepalingen die betrekking hebben op situaties waarin rekening wordt
gehouden met een bedrag dat de uitkeringsgerechtigde of diens partner
niet feitelijk heeft ontvangen. Het gaat bijvoorbeeld om de situatie dat
de uitkeringsgerechtigde of diens partner afziet van recht op
uitbetaling van een uitkering. In de huidige inkomensbesluiten is dit al
geregeld ten aanzien van uitkeringen uit het buitenland; deze bepaling
blijft gehandhaafd in onderhavig besluit. De overige bepalingen waarbij
rekening wordt gehouden met een bedrag dat de uitkeringsgerechtigde of
diens partner niet feitelijk ontvangt, worden naar aanleiding van het
commentaar van de SVB uitgezonderd voor de AOW-partnertoeslag en
Anw-uitkering. De delegatiegrondslagen in het voorstel
van Wet harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving worden aangepast naar
aanleiding van de reactie van de SVB. De SVB vroeg zich af of de
delegatiegrondslagen van de inkomensbesluiten in de
socialezekerheidswetten zodanig zijn geformuleerd dat ook bepalingen
over fictief inkomen (een bedrag dat de uitkeringsgerechtigde of diens
partner niet feitelijk heeft ontvangen) opgenomen kunnen worden in een
inkomensbesluit. Het gaat om situaties waarin inkomen uit een eerdere
periode beschouwd moeten worden als inkomen in de zin van de genoemde
artikelen. Bijvoorbeeld bij een vrijwillige onderbreking van de arbeid
zoals onbetaald verlof. In deze situatie is het niet de bedoeling dat - ook al daalt het inkomen
- de uitkering toeneemt. Deze bepaling is
overigens niet van toepassing voor de AOW-partnertoeslag en
Anw-uitkering. Zie hierboven paragraaf 2.1 Definitie "inkomen uit
arbeid". De overige technisch-juridische punten zijn verwerkt in
het besluit en op sommige punten is de toelichting verduidelijkt.
Het
Uitvoeringspanel gemeenten (UP) heeft geadviseerd om met betrekking tot
de werkwijze bij wisselende inkomsten aan te sluiten bij huidige
werkwijze gemeenten. Dit advies is overgenomen door in artikel 4:2 de
werkwijze van de gemeenten apart te regelen. Daarnaast heeft het UP
opgemerkt dat mensen ook noodgedwongen verlof moeten kunnen opnemen. In
die gevallen kan door gemeenten worden beoordeeld of er aanvullende
bijstand moet worden verstrekt.
De
opmerkingen die de Inspectie Werk en Inkomen (IWI) heeft gemaakt
in de toezichtbaarheidstoets zijn verwerkt in het besluit en de
toelichting.
Artikelsgewijs
Artikel
1:1. Begripsbepalingen
Voor de
toepassing van de Ioaw en de Ioaz
is het inkomen van zowel de
uitkeringsgerechtigde als de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde van
belang. Om die reden is in het tweede lid geregeld dat voor de
toepassing van die wetten onder uitkeringsgerechtigde mede wordt
verstaan de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde.
Voor de
toepassing van de artikelen 8, eerste lid, en
10, eerste en tweede lid,
van de AOW is dit besluit van belang voor het bepalen van de hoogte van
het inkomen van de echtgenoot van de pensioengerechtigde. Het inkomen
van de echtgenoot van de pensioengerechtigde is van belang bij het
bepalen van de hoogte van de toeslag op grond van de AOW. Om die reden
wordt in het derde lid geregeld dat voor de toepassing van de AOW onder
uitkeringsgerechtigde wordt verstaan de echtgenoot van de
pensioengerechtigde.
Artikel
2:2. Inkomen uit arbeid
In artikel 2:2
is omschreven wat er onder inkomen uit arbeid wordt verstaan voor de
toepassing van de wetten die genoemd zijn in artikel 2:1 van dit
besluit. In dit artikel is de hoofdregel voor de bepaling van het
inkomen uit arbeid opgenomen. Artikel 2:3 regelt in aanvulling daarop
wat als inkomen wordt beschouwd in de periode dat de
uitkeringsgerechtigde recht heeft op een in dat artikel genoemde
uitkering op grond van de WW of met verlof is.
Artikel 2:2, eerste lid, onderdeel
a, regelt dat
voor werknemers als bedoeld in artikel 1, onderdeel
o, van de Wfsv het
inkomen uit arbeid gelijk is aan het SV-loon (het loon, bedoeld in
artikel 16, eerste en tweede lid, van de Wfsv). Een werknemer in de zin
van de Wfsv is, volgens artikel
1, onderdeel o, van die wet, de
werknemer in de zin van de WW, de ZW, de Wet WIA of de
Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Artikel 2:2, eerste lid, onderdeel
b, regelt
dat voor de overige werknemers het inkomen uit arbeid gelijk is aan het
fiscale loon (het loon, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 13 van de Wet
op de loonbelasting 1964). Onderdeel b heeft betrekking op
personen
die weliswaar loon genieten, maar die zijn uitgezonderd van de
verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen omdat hun
arbeidsverhouding niet als een dienstbetrekking wordt beschouwd,
bijvoorbeeld een directeur-grootaandeelhouder. Van dit fiscale loon
worden uitgezonderd de eindheffingsbestanddelen en de vergoeding van de
inhoudingsplichtige voor de inkomensafhankelijke bijdrage op grond van
de Zorgverzekeringswet. De tegemoetkoming van de inkomensafhankelijke
bijdrage voor de Zorgverzekeringswet wordt uitgezonderd om te voorkomen
dat personen beneden het sociaal minimum uitkomen. De collectieve
eindheffingsbestanddelen worden van dit fiscale loon uitgezonderd omdat
het niet de bedoeling is dat een werkgever of een uitvoeringsorgaan deze
inkomensbestanddelen tot het individuele werknemersniveau zou moeten
herleiden. De ratio van eindheffingsbestanddelen is immers juist om de
administratieve lasten van werkgevers te beperken door werkgevers voor
bepaalde inkomensbestanddelen niet te verplichten deze op individueel
werknemersniveau te administreren.
In artikel 2:2, eerste lid,
onderdeel
c en d,
wordt vervolgens geregeld dat voor degenen die geen arbeid als werknemer
verrichten, maar een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen, als
inkomen uit arbeid wordt beschouwd het belastbare loon uit tegenwoordige
arbeid, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden of de
belastbare winst uit onderneming, bedoeld in de Wet
inkomstenbelasting 2001.
In artikel 2:2, eerste lid, onderdeel
e, is
geregeld dat een uitkering op grond van de Wet arbeid en
zorg aan de
zelfstandige of de beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst inkomen uit
arbeid is. In artikel 3:17, eerste lid, van de
Wet arbeid en zorg is
geregeld wat wordt verstaan onder een zelfstandige of een
beroepsbeoefenaar op arbeidsovereenkomst.
In artikel 2:2, eerste lid, onderdeel
f, gaat
het om ziekengeld aan de verzekerde die wegens orgaandonatie ongeschikt
is tot het verrichten van arbeid, ziekengeld bij ongeschiktheid ten
gevolge van zwangerschap of bevalling en ziekengeld voor
arbeidsgehandicapten.
Artikel
2:2,
tweede lid, regelt dat indien de berekende winst of het berekende
resultaat negatief is, deze bedragen niet worden meegenomen bij de
bepaling van het inkomen.
Artikel
2:2,
derde lid, regelt dat als de doorbetaling van loon of bezoldiging wordt
geweigerd dan wel de betaling wordt opgeschort op de gronden, bedoeld in
artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 76b
van de ZW, het loon of de bezoldiging in aanmerking wordt genomen als ware deze
niet geweigerd of opgeschort. De bedoelde gronden betreffen onder meer
situaties waarin de werknemer de ziekte opzettelijk heeft veroorzaakt of
door zijn toedoen de genezing heeft belemmerd of vertraagd of waarin de
werknemer zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan redelijke
voorschriften of indien de werknemer weigert inlichtingen te
verstrekken. Op deze manier wordt voorkomen dat een weigering van
loondoorbetaling of opschorting leidt tot een hogere uitkering omdat
anders het met die weigering of opschorting beoogde effect verloren zou
gaan.
Voor de
hoofdregel van het inkomen kan in het merendeel van de gevallen worden
uitgegaan van het SV-loon als bedoeld in artikel 2:2, eerste lid,
onderdeel a. Indien geen sprake is van een werknemer in de zin van de
Wfsv, maar wel van een werknemer in de zin van de
Wet op de
loonbelasting 1964, kan voor de bepaling van het inkomen gebruik worden
gemaakt van het fiscale loon uit de witte tabel. Dit loon zal veelal
moeten worden gecorrigeerd voor de vergoeding van de inhoudingsplichtige
voor de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet. Het
inkomen zal in de praktijk met name op basis van het fiscale loon uit de
witte tabel worden vastgesteld als sprake is van een directeur-grootaandeelhouder. De witte tabel is van toepassing op inkomen uit
tegenwoordige arbeid. In die witte tabel wordt het tarief vermeld van de
loonheffing die verschuldigd is over dat inkomen.
Artikel
2:3. Uitbreiding inkomen uit arbeid in bepaalde situaties van
werkloosheid en verlof
In dit artikel
is geregeld hoe het inkomen uit arbeid moet worden bepaald voor die
perioden dat de uitkeringsgerechtigde recht heeft op een bepaalde
uitkering op grond van de WW of met verlof is. In dat geval wordt bij de
berekening van het inkomen uit arbeid uitgegaan van het inkomen in een
eerder aangiftetijdvak, namelijk het aangiftetijdvak dat voorafgaat aan
het aangiftetijdvak waarin het recht op uitkering ontstond of het verlof
aanving.
In het eerste lid is bepaald dat gedurende de
periode dat de werknemer recht heeft op een uitkering als bedoeld in
artikel 18, eerste lid, of hoofdstuk IV van de
WW of een uitkering in
verband met werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van verkorting
van de werktijd waarvoor op grond van artikel
8, derde lid, van het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend,
als inkomen wordt beschouwd het inkomen dat de betrokkene verdiende in
het aangiftetijdvak voordat recht ontstond op de desbetreffende
WW-uitkering. Hiermee wordt bereikt dat de uitkering waarop dat inkomen
in mindering wordt gebracht tijdens de werkloosheidsperiode even hoog is
als ervoor en erna.
Tevens is bepaald dat tijdens de verlofperiode
het inkomen uit arbeid uit het aangiftetijdvak vóór het verlof als
inkomen uit arbeid worden aangemerkt. Hierdoor wordt voorkomen dat
tijdens het verlof de uitkering stijgt doordat de betrokkene een lager
of geen inkomen ontvangt. Het gaat hierbij om betaald of onbetaald
verlof, waaronder ouderschapsverlof en levensloopverlof, met
uitzondering van verlof als bedoeld in de artikelen 3:1 en
3:2 van de Wet arbeid en
zorg.
Artikel
2:4. Overig inkomen
Als overig
inkomen worden onder andere aangemerkt uitkeringen op grond van de WW
(met uitzondering van de in artikel 2:3, onderdeel a tot en met
c, genoemde
uitkeringen), de WAO, de Wet WIA, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
Wajong, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, artikel
29, tweede lid,
van de ZW, de TW, de IOW, de
Anw, de AOW en de Ioaw. Daarnaast betreft
het uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de in
artikel 2:4, eerste lid, onderdeel a tot en met n, genoemde uitkeringen,
toeslag of beurs. Hiertoe worden in ieder geval gerekend de
bovenwettelijke aanvullingen op de in dit artikel genoemde uitkeringen,
soortgelijke uitkeringen op grond van een buitenlandse wettelijke socialeverzekeringsregeling of van een volkenrechtelijke organisatie en
bijvoorbeeld een uitkering op grond van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers. Ook uitkeringen op grond van particuliere
verzekeringen die in het kader van een individuele of collectieve
arbeidsovereenkomst zijn afgesloten en naar aard en strekking
overeenkomen met de in dit artikel genoemde uitkeringen vallen hier
onder.
In het eerste lid, onderdeel p, is aangegeven
dat een uitkering als bedoeld in onderdeel o waarop recht bestaat, maar
die niet wordt uitbetaald omdat onder de toepasselijke wetgeving
gebruik is gemaakt van het recht af te zien van het recht op die
uitkering of de uitbetaling daarvan, tot het overig inkomen wordt
gerekend. Dit onderdeel heeft uitsluitend betrekking op uitkeringen op
grond van buitenlandse toepasselijke wetgeving.
Bij de formulering van het eerste lid,
onderdeel q, is aansluiting gezocht bij de formulering in de met dit
besluit ingetrokken inkomensbesluiten, bijvoorbeeld artikel
7, eerste
lid, onderdeel f, van het Inkomensbesluit
AOW 1996, zodat kan worden
aangesloten bij de bestaande uitvoeringspraktijk.
Het derde lid regelt dat als een uitkering dat
genoemd in het eerste lid geheel of gedeeltelijk [lees: een uitkering,
genoemd in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk, red.] wordt geweigerd in
verband met enig handelen of nalaten van betrokkene, deze in aanmerking
wordt genomen als ware deze niet geweigerd. Op deze manier wordt
voorkomen dat een maatregel op een uitkering, genoemd in het eerste lid,
leidt tot een hogere uitkering op grond van een sociale voorziening of
volksverzekering omdat anders het daarmee beoogde effect verloren zou
gaan.
In het vierde lid is geregeld dat in het geval
recht bestaat op een uitkering op grond van de Wet arbeid en
zorg,
doordat eerst recht bestond op een uitkering, genoemd in het eerste lid,
deze uitkering tevens wordt aangemerkt als overig inkomen. Dit is een
afwijking van artikel 2:2, eerste lid, onderdeel a, aangezien een
uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg op grond van dat artikellid
beschouwd wordt als inkomen uit arbeid.
Artikel
2:5. Vakantiebijslag
De uitkeringen
waarop hoofdstuk 2 van toepassing is, zijn minimumuitkeringen. De
uitbetaalde vakantiebijslag over in aanmerking te nemen inkomen wordt
niet als inkomen aangemerkt (eerste lid). De maandelijkse (maximale)
uitkering bedraagt namelijk een bepaald percentage van het wettelijk
minimumloon en dat is het minimumloon exclusief de vakantiebijslag,
bedoeld in hoofdstuk III van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag. Als over in aanmerking te nemen inkomen geen
aanspraak bestaat op vakantiebijslag, wordt verondersteld dat een deel
van het uitbetaalde inkomen wordt gereserveerd als vakantiebijslag
(tweede lid).
Artikel
2:6. Uitzonderingen voor de Algemene nabestaandenwet
In dit artikel
worden de uitzonderingen voor de toepassing van de Anw
geregeld op de
regels uit pararaaf 1 van dit hoofdstuk [lees: paragraaf
1 van hoofdstuk 2, red.]. Voor het bepalen van het overig
inkomen voor de Anw geldt dat een uitkering op grond van de Anw, de AOW
en de Ioaw en een toeslag op grond van de TW
of een uitkering of een
toeslag die naar aard en strekking overeenkomt met deze uitkeringen of
toeslag niet tot het inkomen gerekend wordt.
Tevens wordt geregeld een uitkering op grond
van een particuliere verzekering wegens derving van inkomen, welke ten
behoeve van de werknemers in het kader van een individuele of
collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten en loon uit een vroegere
dienstbetrekking inkomen uit arbeid is, in plaats van overig inkomen op
grond van artikel 2:4, eerste lid, onderdeel o en
q.
In onderdeel b, onder 1º, wordt geregeld dat
een uitkering op grond van een pensioenregeling, op grond van een
regeling voor vervroegde uittreding, op grond van functioneel
leeftijdsontslag of een uitkering die naar aard en strekking hiermee
overeenkomt, wordt aangemerkt als inkomen uit arbeid, in plaats van
overig inkomen. Een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met
een uitkering als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel
m, is in
ieder geval een uitkering op grond van de Uitkeringswet
gewezen militairen.
Tot slot wordt in dit artikel geregeld dat een
weduwen-, weduwnaars- en partnerpensioen, in afwijking van artikel
2:4,
eerste lid, onderdeel m, niet als inkomen beschouwd wordt. Op grond
artikel 2:4, eerste lid, onderdeel m, wordt een uitkering op grond van
een pensioenregeling, op grond van een regeling voor vervroegde
uittreding of op grond van functioneel leeftijdsontslag, behoudens een
weduwen-, weduwnaars- en partnerpensioen, aangemerkt als inkomen.
Artikel 11 van het
Inkomens- en samenloopbesluit Anw regelt de samenloop van een uitkering op grond van
de Anw met een buitenlandse uitkering die naar aard en strekking
overeenkomt met een uitkering op grond van de Anw. Deze bepaling is
overgeheveld naar artikel 2:6, tweede tot en met het vierde lid, van dit
besluit.
Artikel
2:7. Uitzonderingen voor de Algemene Ouderdomswet
In dit artikel
worden de uitzonderingen voor de toepassing van de AOW
geregeld op de
regels uit pararaaf 1 van dit hoofdstuk [lees: paragraaf
1 van hoofdstuk 2, red.]. Voor het bepalen van het overig
inkomen ten behoeve van het vaststellen van de partnertoeslag op grond
van de AOW geldt dat een uitkering op grond van de AOW en de Ioaw
en een
toeslag op grond van de TW of een uitkering of toeslag die naar aard en
strekking overeenkomt met deze uitkeringen of toeslag niet tot het
overige inkomen gerekend wordt.
In onderdeel b wordt geregeld dat de winst
wordt berekend op grond van de feitelijke arbeidsinbreng indien de
pensioengerechtigde en zijn echtgenoot samenwerken in een bedrijf of
beroep en één van beide echtgenoten geen vergoeding voor zijn
werkzaamheden in de onderneming ontvangt.
Artikel
2:8. Uitzonderingen voor de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
In dit artikel
worden de uitzonderingen voor de toepassing van de Ioaw
geregeld op de
regels uit pararaaf 1 van dit hoofdstuk [lees: paragraaf
1 van hoofdstuk 2, red.]. Voor het bepalen van het overig
inkomen voor de Ioaw geldt dat een uitkering op grond van de Ioaw of een
uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met deze uitkering niet
tot het overige inkomen gerekend wordt.
Artikel
2:9. Uitzonderingen voor de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
In dit artikel
worden de uitzonderingen voor de toepassing van de Ioaz
geregeld op de
regels uit pararaaf 1 van dit hoofdstuk [lees: paragraaf
1 van hoofdstuk 2, red.]. De uitzonderingen die voor de Ioaw
gelden op grond van artikel 2:8, eerste lid, aanhef en
onder
b
en c, gelden ook voor de Ioaz.
Daarnaast geldt voor de toepassing van artikel
5, tweede lid, onder 2º en 3º, van de Ioaz
dat indien de zelfstandige
een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap heeft uitgeoefend,
onder belastbare winst wordt verstaan hetgeen onder winst wordt verstaan
op grond van hoofdstuk II van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 en, onder bepaalde voorwaarden, de betalingen die aan de echtgenoot
worden gedaan voor de in de onderneming verrichte arbeid.
Voor de toepassing van artikel
8, eerste lid,
van de Ioaz wordt belastbare winst niet tot het inkomen gerekend.
Artikel
4:1. Vaststelling inkomen
Dit artikel
regelt hoe het inkomen dient te worden herleid of toegerekend naar een
maandinkomen. Op grond van het eerste lid worden het inkomen uit arbeid
en het overig inkomen herleid tot een bedrag per kalendermaand. Voor de
toepassing van het eerste lid wordt het loon door de
uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak
waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave
heeft gedaan (derde lid).
Het vierde lid regelt daarentegen dat het
overig inkomen, waaronder loondervingsuitkeringen die betrekking hebben
op een bepaalde maand, worden toegerekend aan diezelfde maand.
Het vijfde lid regelt dat het belastbare loon,
het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, de belastbare winst
uit onderneming en de uitkering in verband met zwangerschaps- en
bevallingsverlof die een zelfstandige in een bepaald jaar ontvangt
evenredig worden toegerekend aan de desbetreffende kalendermaanden in
het boek- of kalenderjaar. Hierdoor wordt voorkomen dat de hoogte van de
uitkering per maand varieert.
Het zesde lid regelt dat bij de toepassing van
het eerste lid op basis van een geschat inkomen een gemiddeld inkomen
per kalendermaand kan worden bepaald. Wel geldt daarbij als voorwaarde
dat per periode van ten hoogste twaalf maanden een herberekening
plaatsvindt waarbij een gemiddelde van het daadwerkelijke inkomen over
die periode kan worden toegerekend aan de maanden in die periode.
Het zevende lid houdt rekening met de situatie
waarin het door de werkgever gehanteerde aangiftetijdvak afwijkt van de
kalendermaand en het betreffende aangiftetijdvak deels in en deels
buiten de relevante kalendermaand valt (gebroken aangiftetijdvak). In
die situatie kan een evenredig deel van het loon van het aangiftetijdvak
dat deels binnen en deels buiten de kalendermaand valt, worden
toegerekend aan de kalendermaand, waarbij rekening wordt gehouden met
het aantal dagen waarop betrokkene in de kalendermaand bij de werkgever
in dienst was. Hierdoor wordt aangesloten bij de gehanteerde systematiek
in het Besluit dagloonregels
werknemersverzekeringen.
Op grond van het achtste lid kan het inkomen
per kalendermaand vermeerderd worden met het opgebouwde recht aan extra
periodiek salaris (een eindejaarsuitkering of een dertiende of
veertiende maand, waarvoor de werknemer in de loop van het jaar
reserveringen opbouwt), zodat niet de feitelijke betaling van het extra
periodiek salaris in mindering hoeft te worden gebracht op de uitkering.
Hiervoor wordt aangesloten bij de gehanteerde systematiek in het Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen.
In het negende lid is de mogelijkheid opgenomen
voor de SVB om het inkomen anders te berekenen. Dit is alleen mogelijk
indien de toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk
resultaat. Hierbij kan gedacht worden aan een kennelijk onredelijk
resultaat indien de uitkeringsgerechtigde tevens een
inkomensafhankelijke buitenlandse uitkering ontvangt.
Artikel
4:2. Vaststelling inkomen Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen
Artikel 4:2 komt
overeen met de inhoud van artikel 8 van het
Inkomensbesluit Ioaw.
Artikel
4:3. Omrekening
Indien het
inkomen in euro’s moet worden omgerekend, gebeurt dit met behulp van
de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen. Om
uitvoeringstechnische redenen is bepaald dat bij gelijkblijvend inkomen
uit het buitenland het inkomen niet bij elke koersmutatie hoeft te
worden gewijzigd. Wel wordt het inkomen ten minste één keer per jaar
omgerekend met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde
wisselkoersen.
Artikel
5:1. Wijziging van het Besluit Wfsv
Dit artikel
bevat een technische wijziging van artikel 2:16 van het
Besluit Wfsv in
verband met een verwijzing in dat artikel naar het Inkomens-
en samenloopbesluit Anw.
Artikelen
5:2 tot en met 5:4.
In het Inkomensbesluit Wet inkomensvoorziening oudere werklozen,
Inkomensbesluit Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten en Inkomensbesluit
Wet WIA wordt een overgangsbepaling opgenomen dat
vergelijkbaar is met de overgangsbepaling opgenomen in artikel
5:7,
tweede en derde lid, van dit besluit.
Artikel
5:5. Wijziging van het Uitvoeringsbesluit Tijdelijke wet pilot
loondispensatie
Op grond van de Tijdelijke
wet pilot loondispensatie kan het college van burgemeester en
wethouders van een aan de pilot deelnemende gemeente een werkgever
toestaan om een werknemer een loon te betalen dat onder het rechtens
geldende loon ligt. Het college kan dit instrument inzetten voor
personen vanaf 23 jaar met algemene bijstand op grond van de Wet werk en
bijstand (Wwb) of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren
in jongeren (WIJ) die door een arbeidsbeperking niet in staat zijn om
het wettelijk minimumloon te verdienen. In aanvulling op het loon
betaalt het college aan de werknemer een aanvullende uitkering op grond
van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie.
In artikel
6,
tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit
Tijdelijke wet pilot loondispensatie wordt geregeld op welke manier bij de bepaling van de
hoogte van de aanvullende uitkering de inkomsten uit de
loongedispenseerde dienstbetrekking in aanmerking wordt genomen. In het
tweede lid was geregeld dat artikel 31, derde lid, van de
Wwb en artikel 7 van de WIJ daarbij van
overeenkomstige toepassing zijn. Dit betekende dat die inkomsten netto
in aanmerking worden genomen, namelijk tot het bedrag dat resteerde na
aftrek van de daarover door de belanghebbende verschuldigde
loonbelasting of inkomstenbelasting. De arbeidskorting, bedoeld in
artikel 8.11 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, werd aldus in mindering
gebracht op de aanvullende uitkering.
In de nota van
toelichting bij het Uitvoeringsbesluit Tijdelijke wet pilot
loondispensatie is evenwel aangegeven dat werknemers die met
loondispensatie werken door de arbeidskorting een hoger totaal netto-inkomen zouden ontvangen dan diegenen met een uitkering zonder werk.
Door onderhavige aanpassing wordt
bewerkstelligd dat de arbeidskorting van werknemers met loondispensatie
op grond van de pilot niet wordt verrekend met de aanvullende uitkering
en dat werknemers die met loondispensatie werken aldus een hoger totaal
netto-inkomen ontvangen dan diegenen met een uitkering zonder werk.
De colleges van
burgemeester en wethouders van de aan de pilot deelnemende gemeenten
kunnen door inzet van het instrument loondispensatie besparen op de
gebundelde uitkering die zij ontvangen voor onder andere de Wwb
en WIJ
(inkomensdeel). Het beslag van de aanvullende uitkeringen op het
inkomensdeel is kleiner dan van bijstand of een inkomensvoorziening op
grond van de Wwb of WIJ. Door de wijziging in onderhavig besluit blijft
het voor gemeenten mogelijk om te besparen op het inkomensdeel. Deze
besparing zal echter iets lager zijn.
De wijziging is
voorgelegd aan een aantal aan de pilot deelnemende gemeenten. Hen is
gevraagd of de wijziging van het Uitvoeringsbesluit
Tijdelijke wet pilot loondispensatie uitvoerbaar zou zijn. De gemeenten hebben aangegeven de
aangepaste regelgeving te kunnen uitvoeren.
Artikel
5:6. Wijziging van het Boetebesluit socialezekerheidswetten
Dit artikel
bevat een aantal technische wijzigingen van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten.
Artikel
5:7. Intrekking besluiten en overgangsrecht
Met de Fiscale
vereenvoudigingswet 2010 wordt per 1 januari 2011 in artikel 39c van de
Wet op de
loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) een overgangsbepaling
opgenomen in verband met de wijzigingen per die datum van het regime
voor vergoedingen en verstrekkingen in de Wet
LB 1964. Hierbij is een
termijn van drie jaar gegeven om de overstap naar de werkkostenregeling
te vergemakkelijken en werkgevers de tijd te bieden voor aanpassingen in
de bedrijfsvoering dan wel nadere afspraken met werknemers te maken. Het
keuzeregime vervalt op grond van artikel Vbis van de Fiscale
vereenvoudigingswet 2010 per 1 januari 2014. In verband met het
keuzeregime wordt een overgangsbepaling opgenomen in het tweede lid. In
het derde lid is geregeld dat het tweede lid vervalt op het moment dat
het keuzeregime vervalt.
Artikel
5:9. Samenloopbepaling
In het
voorstel van wet houdende wijziging van de Algemene
Ouderdomswet teneinde
een korting te kunnen toepassen op de toeslag voor de echtgenoot die
jonger is dan 65 jaar (Kamerstukken 32 430) wordt in artikel 12 van de
AOW een
korting van 8% op de partnertoeslag op grond van de AOW geregeld. De
korting wordt toegepast indien het inkomen uit arbeid en het overig
inkomen van de pensioengerechtigde en de echtgenoot samen, vermeerderd
met het op grond van de artikelen 9, zesde lid, onderdeel
b, en 13,
eerste lid, vastgestelde bruto-ouderdomspensioen en de partnertoeslag na
toepassing van de korting niet [lees: korting, niet, red.] onder de 110% van het
wettelijk
minimumloon ligt. Om die reden wordt geregeld dat na inwerkingtreding
van dat wetsvoorstel voor de toepassing van artikel 12 van de
AOW in dit
besluit onder uitkeringsgerechtigde wordt verstaan de
pensioengerechtigde en diens echtgenoot.
Aan artikel 2:7 wordt een tweede lid toegevoegd
waarin wordt geregeld dat voor de toepassing van artikel 12 van de
AOW een uitkering van de pensioengerechtigde die naar aard en strekking
overeenkomt met een uitkering op grond van de AOW als overig inkomen
wordt aangemerkt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan een
buitenlandse uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een
uitkering op grond van de AOW. Een uitkering van de jongere echtgenoot
van de pensioengerechtigde die naar aard en strekking overeenkomt met
een uitkering op grond van de AOW wordt niet aangemerkt als overig
inkomen. Artikel 2:7, tweede lid, wijkt derhalve af van het bepaalde in
artikel 1:1, tweede lid, aangezien onder uitkeringsgerechtigde voor wat
betreft een dergelijke uitkering niet mede wordt verstaan de echtgenoot
van de uitkeringsgerechtigde.
Voor de toepassing van dit besluit is een
overgangsperiode geregeld in het voorstel van Wet harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving van maximaal twee jaar voor
personen op wie momenteel een inkomensbesluit wordt toegepast dat wordt
ingetrokken met dit besluit. Aan artikel 2:7 wordt een derde lid
toegevoegd waarin wordt geregeld dat indien het inkomen is bepaald van
een echtgenoot van een pensioengerechtigde in het kader van de artikelen
10 en 11 van de AOW, zoals deze luidden
vóór de inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving, dit
inkomen ook wordt aangemerkt als het inkomen van die echtgenoot voor de
toepassing van artikel 12 van de AOW.
Artikel
5:10. Inwerkingtreding
Dit besluit
treedt in werking op [lees: met ingang van, red.] 1 januari 2011.
Artikel 5:5 treedt in werking met ingang van de
dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt
geplaatst en zal terugwerkende kracht krijgen tot en met 9 juni 2010, de
datum van inwerkingtreding van de Tijdelijke wet
pilot loondispensatie.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
|
|