|
BESLUIT
van 2 december 2005 tot vaststelling van een algemene maatregel van
bestuur houdende regels met betrekking tot reïntegratie (Reïntegratiebesluit)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
8 juli 2005, Directie Sociale verzekeringen, nr. SV/R&S/05/51579;
Gelet op
artikel 2.17, achtste lid, van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de
artikelen 52d en 87 van de Ziektewet, de
artikelen 34, tweede lid, 35,
vierde lid, en 36, eerste lid, onderdeel a, en vierde lid, van de
Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de artikelen
65c, vijfde lid, 65d,
vierde lid, en 65e van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de artikelen 59b, 59f, vijfde lid, en
59g, vierde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en de artikelen
67a,
vijfde lid, 67b, vierde lid, en 67c
van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
De Raad van State gehoord (advies van 10
augustus 2005, nr. W12.05.0322/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 november 2005, Directie Sociale
Verzekeringen, nr. SV/R&S /05/95731;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1.
Algemene bepalingen
Art.
1. Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. arbeidsongeschiktheidsuitkering:
een arbeidsongeschiktheidsuitkering of inkomensvoorziening op grond van de WAZ, de
Wet Wajong of de WAO;
b. WAO: Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c.
Wet Wajong: de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
d. WAZ: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
e. Wet WIA: Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
Art.
1a. Wettelijke grondslag
Dit besluit berust op de artikelen 34a,
eerste en derde lid, 35,
vierde lid,¹ en 36, eerste lid, onderdeel a,
en vierde lid, van de Wet
WIA, de artikelen
65c, vijfde lid, en 65d,
vierde lid, van de WAO,
de artikelen 2:22, vierde lid, 2:23,
eerste en derde lid,² 3:67, vijfde
lid, en 3:68, vierde lid, van de Wet
Wajong
en de artikelen
67a, vijfde lid, en 67b,
vierde lid, van de WAZ.
1. Volgens de redactie
dient "vierde lid" te worden vervangen door: vijfde lid.
2. Gelet op het bepaalde in artikel 1gg,
eerste lid, onderdeel e, van de Wet van 3 december 2009 tot
wijziging van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het
bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en
arbeidsondersteuning (Stb. 2009, 580) dient volgens de redactie
na "2:23, eerste en derde
lid" te worden ingevoegd: , 2:25,
vijfde lid, 2:26, vierde lid.
Art.
2. Uitgangspunten verstrekking subsidie en verlening
voorzieningen
-1. Een subsidie als bedoeld in artikel 36
van de Wet WIA of een voorziening als bedoeld
in de artikelen 34a, eerste lid, en 35
van de Wet
WIA en de artikelen 2:22
en 2:23,
eerste lid, van de Wet
Wajong
wordt niet verstrekt respectievelijk
verleend indien het kosten van een voorziening of een voorziening
betreft:
a. die algemeen gebruikelijk is; of
b. waarvoor vergoeding op grond van
een andere wettelijke regeling mogelijk is.
-2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel b, kan een in dat lid bedoelde subsidie of voorziening worden
verstrekt respectievelijk worden verleend indien deze dient ter
vergoeding van kosten of voorzieningen waarvoor vergoeding op grond van
een andere wettelijke regeling mogelijk is en die vrijwel uitsluitend is
geïndiceerd voor de werksituatie, dan wel vrijwel uitsluitend kan
worden gebruikt voor of in de werksituatie.
-3. Bij de toepassing van dit besluit en
de daarop berustende bepalingen wordt bij de beoordeling en berekening
van de kosten en de verlening van een voorziening als bedoeld in het
eerste en tweede lid uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening.
Art.
3. Geen subsidie en voorzieningen bij geringe kosten
-1. Een subsidie als bedoeld in artikel 36
van de Wet WIA wordt niet verstrekt indien de kosten, bedoeld in dat
artikel, minder bedragen dan 1,85 maal het minimumloon per dag, bedoeld
in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals laatstgenoemd artikel luidde op 1 januari
van het kalenderjaar waarin de kosten zijn gemaakt.
-2. Indien de gezamenlijke waarde van
voorzieningen waarvoor in een kalenderjaar een subsidie is aangevraagd
als bedoeld in artikel 36 van de Wet
WIA, een bedrag ter hoogte van 1,85
maal het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, overtreft,
kan het UWV de werkgever subsidie verstrekken ter hoogte van die
gezamenlijke waarde.
-3. Dit artikel is van overeenkomstige
toepassing op de verlening van voorzieningen als bedoeld in de artikelen
34a, eerste lid, en 35 van de Wet
WIA en artikel
2:23, eerste lid, van de Wet
Wajong.
Art.
4. Op het individu gerichte voorzieningen
Een voorziening als bedoeld in de artikelen
34a, eerste lid, en 35 van de Wet
WIA en artikel
2:23, eerste lid, van de Wet
Wajong
wordt slechts verleend indien deze
in overwegende mate op het individu is gericht.
§ 2.
Voorzieningen
Art.
5. Inkomenstoets (leef)vervoersvoorzieningen [BUnv11]
[BUnv12]
-1. Vervoersvoorzieningen als bedoeld in
artikel 35, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, van de Wet
WIA en artikel 2:22, tweede lid,
onderdeel a, van de Wet Wajong worden niet verleend of worden beëindigd indien het inkomen van de
persoon die de voorziening aanvraagt of aan wie de voorziening is
verleend, in het kalenderjaar waarin de voorziening is aangevraagd of
voortzetting van een verleende voorziening wordt overwogen, meer
bedraagt dan 261 maal 70% van het bedrag, bedoeld in artikel
17, eerste
lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot
een loontijdvak van een dag.
-2. Indien het inkomen van de persoon,
bedoeld in het eerste lid, in betekenende mate aan fluctuaties
onderhevig is, wordt voor de toepassing van het eerste lid de som van
het inkomen over het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar en het
inkomen over de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren gedeeld door
drie.
-3. Onder vervoersvoorzieningen als bedoeld
in het eerste lid worden in ieder geval verstaan een bruikleenauto, een
taxikostenvergoeding en een kilometervergoeding voor het gebruik van een
eigen auto of van een bruikleenauto.
-4. Bij ministeriële regeling: [Rr]
a. worden regels gesteld over de
wijze van vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid,
waarbij kan worden bepaald dat bij de vaststelling van het inkomen mede
in aanmerking wordt genomen het inkomen van de echtgenoot, de partner of
een ander gezinslid van de in het eerste lid bedoelde persoon;
b. kan het in het eerste lid
bedoelde percentage voor categorieën van personen worden verhoogd; en
c. kan worden bepaald dat het eerste
lid geen toepassing vindt bij de verlening van nader te bepalen
vervoersvoorzieningen.
-5. Beëindiging van de vervoersvoorziening
wegens overschrijding van de inkomensgrens, bedoeld in het eerste lid,
vindt plaats met ingang van de datum gelegen zes maanden nadat de
persoon aan wie de voorziening is verleend van de voorgenomen
beëindiging in kennis is gesteld.
Art.
6. Leefvervoersvoorziening [BUnv11]
[BUnv12]
-1. Een leefvervoersvoorziening als bedoeld
in artikel 35, derde lid, van de Wet
WIA en artikel 2:22, derde lid, van
de Wet Wajong wordt slechts verleend indien daarmee de uit ziekte of
gebrek voortvloeiende beperkingen worden opgeheven of verminderd.
-2. Na beëindiging van een
vervoersvoorziening verleend op grond van artikel
35, eerste lid, van
de Wet WIA of artikel
2:22, eerste lid, van de Wet Wajong wordt de
leefvervoersvoorziening voortgezet gedurende de termijn die is voorzien
in de beschikking van het UWV waarbij de voorziening is toegekend, doch ten hoogste voor de duur van
twaalf maanden.
Art.
7. Intermediaire activiteiten voor personen met een auditieve,
visuele of motorische handicap [Bia] [BUnv11]
[BUnv12]
-1. De verlening van een intermediaire
activiteit als bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdeel
b, van de Wet WIA en artikel
2:22, tweede lid, onderdeel b, van de Wet
Wajong vindt plaats door vergoeding van de kosten voor de bemiddeling
bij het vinden van en voor het gebruik van een intermediaire activiteit.
-2. De voorziening, bedoeld in het eerste
lid, kan ten hoogste worden verleend voor het aantal uren dat
overeenkomt met 15% van het aantal uren dat de persoon met een
auditieve, motorische of visuele handicap per kalenderjaar in
dienstbetrekking verricht.
-3. Het UWV kan van het in het tweede lid
bedoelde percentage afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het
belang dat dit artikel beoogt te beschermen, zal leiden tot een
onbillijkheid van overwegende aard.
Art.
8. Overname van voorzieningen
-1. Het UWV kan indien
één of meer feiten
op grond waarvan een voorziening als bedoeld in artikel 35 van de
Wet WIA of artikel
2:22 van de Wet Wajong is verleend, zodanig wijzigen dat de
verlening van de voorziening niet langer is aangewezen, of indien een
met betrekking tot een voorziening afgesloten bruikleencontract afloopt,
een belanghebbende de niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming
verleende voorziening doen behouden of doen kopen, voor een prijs die de
op dat moment in het maatschappelijke verkeer geldende waarde van een
dergelijke voorziening niet te boven gaat.
-2. Indien de voorziening, bedoeld in het
eerste lid, een vervoermiddel betreft, wordt bij het bepalen van de
prijs, bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van de voorziening zonder
specifieke aanpassingen.
§ 3.
Subsidieregeling werkgevers
Art.
9. De aanvraag van subsidie
Bij een aanvraag van een subsidie als bedoeld in artikel 36 van de
Wet WIA verstrekt de werkgever ten minste de volgende gegevens:
a. het aansluitingsnummer van de
werkgever bij het UWV;
b. het burgerservicenummer of, bij
het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal nummer van de
werknemer;
c. de naam van de werknemer;
d. de datum van aanvang, de aard en
de omvang van de dienstbetrekking;
e. het loon van de werknemer;
f. een overzicht van de gemaakte of
de te maken kosten;
g. een onderbouwing van de noodzaak
tot het maken van de kosten;
h. gegevens waaruit blijkt op grond
waarvan de werknemer volgens de werkgever een structurele functionele
beperking heeft; en
i. een plan van aanpak als bedoeld
in artikel 71a, tweede lid, van de WAO
of artikel 25, tweede lid, van de Wet
WIA.
Art.
10. Bepaling kosten werkgever
-1. Bij de beoordeling en de berekening van
de kosten, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de
Wet WIA, wordt de
omzetbelasting buiten beschouwing gelaten, tenzij de werkgever aantoont
dat deze door hem niet kan worden verrekend.
-2. Indien het totaal van de kosten,
bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Wet
WIA, meer bedraagt dan €|22 689,00, wordt bij de bepaling van de hoogte van de subsidie, bedoeld in
dat artikel, rekening gehouden met het bedrijfseconomisch voordeel voor
de werkgever bij de te treffen voorziening. De vaststelling van het
bedrijfseconomisch voordeel geschiedt met inachtneming van de in het
maatschappelijk verkeer aanvaarde bedrijfseconomische normen.
Art.
11. Drempelbedrag kosten
-1. Indien de werkgever een werknemer als
bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdeel
a, van de Wet WIA in dienst
heeft gehouden, bedraagt het in dat onderdeel bedoeld bedrag:
a. €|0,00 indien het loon van
de werknemer over het kalenderjaar minder dan 50% van het naar een
jaarbedrag herleide minimumloon bedraagt zoals dat voor de werknemer
gold op 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar; en
b. €|0,00 indien het loon van
de werknemer over het kalenderjaar ten minste 50% van het in onderdeel a
bedoelde minimumloon bedraagt.
-2. Indien de werkgever een werknemer als
bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdeel
a, van de Wet
WIA
in dienst
heeft genomen, bedraagt het in dat onderdeel bedoelde bedrag:
a.
€|0,00 indien het loon van
de werknemer over het kalenderjaar minder dan 50% van het minimumloon,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bedraagt; en
b. €|0,00 indien het loon van
de werknemer over het kalenderjaar ten minste 50% van het minimumloon,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bedraagt.
-3. Het eerste en tweede lid zijn niet van
toepassing indien de subsidie, bedoeld in artikel 36 van de
Wet WIA,
wordt verstrekt ten behoeve van een werknemer als bedoeld in artikel
36,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet
WIA
voor wie de werkgever geen
korting als bedoeld in artikel 49 van de Wet financiering sociale
verzekeringen kan toepassen.
Art.
12. Subsidie zonder premiekorting
-1. Een beschikking tot
subsidieverstrekking kan op aanvraag van de werkgever door het UWV
worden herzien indien de periode van drie respectievelijk één jaar,
bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdeel
b, van de Wet WIA,
voortijdig wordt beëindigd op initiatief van de werknemer of omdat de
werknemer wegens arbeidsongeschiktheid definitief niet in de
dienstbetrekking terugkeert, terwijl de werkgever kosten heeft gemaakt
als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de
Wet WIA. De bedragen,
bedoeld in artikel 36 van de Wet
WIA, worden verlaagd naar evenredigheid
van de kortere duur van de dienstbetrekking.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing indien het UWV nadat de kosten, bedoeld in het eerste lid,
zijn gemaakt, vaststelt dat bij de werkgever geen passende arbeid
aanwezig is.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld in verband met de uitvoering van dit
artikel.
§ 4.
Voorzieningen ten behoeve van zelfstandigenarbeid
Art. 13.
(Leef)vervoersvoorzieningen bij inschakeling in en ondersteuning bij
arbeid als zelfstandige [BUnv11] [BUnv12]
-1. Het UWV
kan op aanvraag van een persoon als bedoeld in artikel
34a, eerste lid, van de Wet
WIA en artikel 2:23, eerste lid,
van de Wet
Wajong
vervoersvoorzieningen verlenen die ertoe strekken dat die persoon zijn
werkplek of opleidingslocatie kan bereiken.
-2. Het UWV kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid op aanvraag
vervoersvoorzieningen verlenen die strekken tot verbetering van zijn
leefomstandigheden en die deel uitmaken van dan wel rechtstreeks
samenhangen met voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op de verlening en beëindiging van voorzieningen als bedoeld in het eerste en tweede
lid zijn de artikelen 5, 6 en 8 van overeenkomstige
toepassing.
Art. 14.
Intermediaire voorzieningen bij inschakeling in en ondersteuning bij
arbeid als zelfstandige [Bia] [BUnv11]
[BUnv12]
-1. Het UWV
kan op aanvraag ten behoeve van een persoon als bedoeld in artikel
34a, eerste lid, van de Wet
WIA en artikel 2:23, eerste lid,
van de Wet
Wajong
met een auditieve, visuele of motorische handicap intermediaire
activiteiten verlenen.
-2. Artikel 7, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op het
eerste lid.
Art. 15.
Starterskrediet en begeleiding bij inschakeling in en ondersteuning
bij arbeid als zelfstandige [BUnv11]
[BUnv12]
-1. Het UWV
kan op aanvraag van een persoon als bedoeld in artikel
34a, eerste lid, van de Wet
WIA en artikel 2:23, eerste lid,
van de Wet
Wajong
ter voorziening in de behoefte aan
bedrijfskapitaal een lening of borgtocht verstrekken tot ten hoogste een
bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag, indien: [Rr]
a. de arbeidsmarktpositie van die persoon daartoe aanleiding geeft; en
b. het starten van het bedrijf naar het oordeel van het UWV voor
betrokkene een reële optie is, gelet op diens beperking als gevolg van
de handicap en het door hem opgestelde bedrijfsplan.
-2. Het UWV kan op aanvraag van de
persoon, bedoeld in het eerste lid, een vergoeding verstrekken voor de
kosten van begeleiding ten behoeve van de start van een bedrijf voor de
duur van ten hoogste één jaar na de start van het bedrijf indien wordt
voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a
en b.
-3. Een vergoeding van de kosten van
begeleiding ten behoeve van de start van een bedrijf, bedoeld in het
tweede lid, vindt niet plaats aan personen als bedoeld in artikel
30a, eerste lid, onderdeel a en c, van de Wet
SUWI of personen met wie een individuele re-integratieovereenkomst
is gesloten als bedoeld in artikel 4.2
van het Besluit SUWI.
-4. Het UWV verstrekt geen lening of borgtocht aan een persoon als
bedoeld in het eerste lid, indien:
a. die persoon surseance van betaling heeft aangevraagd;
b. die persoon failliet is verklaard en het faillissement voortduurt; of
c. er ten aanzien van het faillissement van die persoon geen
schuldsanering heeft plaatsgevonden.
Art.
15a. Arbeidsplaatsvoorzieningen bij inschakeling in en
ondersteuning bij arbeid als zelfstandige [BUnv11]
[BUnv12]
-1. Het UWV
kan op aanvraag van een persoon als bedoeld in artikel
34a, eerste lid, van de Wet
WIA en artikel 2:23, eerste lid,
van de Wet
Wajong
voorzieningen verstrekken ten behoeve van de inrichting van de
arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden en de bij de arbeid te
gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de
aanvrager zijn afgestemd.
-2. Op de verlening van voorzieningen,
bedoeld in het eerste lid, zijn artikel 8, eerste lid,
en artikel 10 van overeenkomstige toepassing.
Art.
15b. Inkomenstoets bij inschakeling in en ondersteuning bij
arbeid als zelfstandige
-1. Voorzieningen als bedoeld in de artikelen
14 en 15a worden niet verleend of worden
beëindigd indien het inkomen van de persoon die de voorziening
aanvraagt of aan wie de voorziening is verleend, in het vierde
kalenderjaar, dan wel een daaropvolgend jaar, na de aanvang van de
arbeid als zelfstandige meer bedraagt dan 261 maal 157% van het bedrag,
bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een
loontijdvak van één dag.
-2. Indien het inkomen van de persoon,
bedoeld in het eerste lid, in betekenende mate aan fluctuaties
onderhevig is, wordt voor de toepassing van dat artikellid de som van
het inkomen over het in dat artikellid bedoelde kalenderjaar en het
inkomen over de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren gedeeld door
drie.
-3. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld over de wijze van vaststelling van het inkomen, bedoeld
in het eerste lid, waarbij kan worden bepaald dat bij de vaststelling
van het inkomen mede in aanmerking wordt genomen het inkomen van de
echtgenoot, de partner of een ander gezinslid van de in het eerste lid
bedoelde persoon.
-4. Beëindiging van de voorziening wegens
overschrijding van de inkomensgrens, bedoeld in het eerste lid, vindt
plaats met ingang van de datum gelegen zes maanden nadat de persoon aan
wie de voorziening is verleend van de voorgenomen beëindiging in kennis
is gesteld.
-5. Dit artikel is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van vervoersvoorzieningen ten aanzien waarvan op
grond van artikel 5, vierde lid, onderdeel c, is
bepaald dat artikel 5, eerste lid, daarop niet van
toepassing is.
§ 5.
Loon- en
inkomenssuppletie
Art. 16.
Hoogte van de
loonsuppletie [Bli]
-1. De hoogte van de loonsuppletie, bedoeld in
artikel 65c van de WAO,
artikel 67a van de WAZ en de artikelen
2:25 en 3:67 van de Wet
Wajong, bedraagt:
a. gedurende het eerste jaar 100%;
b. gedurende het tweede jaar 75%;
c. gedurende het derde jaar 50%; en
d. gedurende het vierde jaar 25%;
van het verschil tussen het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering die zou worden verkregen indien de
resterende verdiencapaciteit per uur bezien zou worden verlaagd tot het
feitelijk door betrokkene per uur verdiende loon en het bedrag van de
feitelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, met dien verstande dat de
loonsuppletie niet meer bedraagt dan 20% van zijn resterende
verdiencapaciteit.
-2. Indien betrokkene in de
dienstbetrekking waarvoor loonsuppletie wordt verstrekt minder uren
werkt dan waartoe hij bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid in staat wordt geacht, wordt het bedrag van de
loonsuppletie vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt
gevormd door het aantal uren waarin in deze dienstbetrekking arbeid
wordt verricht en de noemer door het aantal uren waarop de resterende
verdiencapaciteit is gebaseerd.
-3. De loonsuppletie bedraagt tezamen met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, het loon en, indien van toepassing:
a. het inkomen uit bedrijf of beroep;
b. de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 17;
c. een uitkering op grond van de Ziektewet
of een daarmee naar aard en
strekking overeenkomende uitkering;
d. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of een daarmee naar
aard en strekking overeenkomende uitkering;
e. een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling
2, van de Wet arbeid
en zorg; of
f. een uitkering op grond van de Wet WIA;
niet meer dan het voor betrokkene vastgestelde maatmaninkomen, bedoeld in artikel 6 van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
Art. 17.
Hoogte van de
inkomenssuppletie [Bli]
-1. De hoogte van de inkomenssuppletie, bedoeld in
artikel 65d van de WAO,
artikel 67b van de WAZ
en de artikelen 2:26 en 3:68
van de Wet Wajong, bedraagt:
a. gedurende het eerste jaar 100%;
b. gedurende het tweede jaar 75%;
c. gedurende het derde jaar 50%; en
d. gedurende het vierde jaar 25%;
van het verschil tussen het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering die zou worden verkregen indien de
resterende verdiencapaciteit per uur bezien zou worden verlaagd tot het
feitelijk door betrokkene per uur verdiende inkomen en het bedrag van de
feitelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering, met dien verstande dat de
inkomenssuppletie niet meer bedraagt dan 20% van zijn resterende
verdiencapaciteit.
-2. Indien betrokkene in het bedrijf of beroep minder uren werkt dan
waartoe hij bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in
staat wordt geacht, wordt het bedrag van de inkomenssuppletie
vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het
aantal uren waarin in het bedrijf of beroep arbeid wordt verricht en de
noemer door het aantal uren waarop de resterende verdiencapaciteit is
gebaseerd.
-3. De inkomenssuppletie bedraagt tezamen met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, het inkomen uit het bedrijf of beroep
en, indien van toepassing:
a. het loon;
b. de loonsuppletie, bedoeld in artikel 16;
c. een uitkering op grond van de Ziektewet
of een daarmee naar aard en
strekking overeenkomende uitkering;
d. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of een daarmee naar
aard en strekking overeenkomende uitkering;
e. een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling
2, van de Wet arbeid
en zorg; of
f. een uitkering op grond van de Wet WIA;
niet meer dan het voor betrokkene vastgestelde maatmaninkomen, bedoeld in artikel 6 van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
§ 6.
Overige
instrumenten
Art. 18.
Persoonlijke
ondersteuning [BPJ]
-1. De persoonlijke ondersteuning, bedoeld in
artikel 35, tweede lid,
onderdeel d, van de Wet
WIA en artikel 2:22, tweede lid,
onderdeel d, van de Wet Wajong, kan bestaan uit het beschikbaar stellen van
persoonlijke ondersteuning of uit vergoeding van de kosten van
persoonlijke ondersteuning.
-2. De persoonlijke ondersteuning wordt slechts verleend, indien:
a. de persoonlijke ondersteuning bestaat uit een individueel
trainings- of
inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon, bedoeld
in artikel 35, eerste lid, van de Wet
WIA en artikel 2:22, eerste lid,
van de Wet Wajong,
gericht op het kunnen
uitvoeren van de hem opgedragen taken;
b. de in artikel 35, eerste lid, van de
Wet WIA en artikel
2:22, eerste lid, van de Wet Wajong bedoelde persoon zonder
een systematische begeleiding niet in staat zou zijn de hem opgedragen
taken te verrichten; en
c. de persoonlijke ondersteuning wordt gegeven door een persoon die
verbonden is aan een door het UWV erkende rechtspersoon die tot doel
heeft diensten te verlenen die kunnen worden aangemerkt als persoonlijke
ondersteuning als bedoeld in onderdeel a.
-3. De persoonlijke ondersteuning kan in het eerste jaar, tweede jaar en
de daaropvolgende jaren van verlening worden verleend voor een aantal
uren dat correspondeert met respectievelijk 15%, 7,5% en 6% van het
aantal uren per kalenderjaar dat de aan de in artikel
35, eerste lid,
van de Wet WIA en artikel
2:22, eerste lid, van de Wet Wajong bedoelde persoon opgedragen taken in beslag neemt.
-4. Het UWV kan van de in het derde lid bedoelde percentages afwijken
voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat dit artikel beoogt
te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Art. 19.
Vervallen.
Art. 20.
Verlenging
termijn no-riskpolis bij verhoogd gezondheidsrisico
Indien ten aanzien van een werknemer als bedoeld in de artikelen
29b en
90 van de Ziektewet
wordt vastgesteld dat hij lijdt aan ziekte of gebreken die maken dat hij binnen de in artikel 29b, eerste en vierde
lid, van die wet bedoelde termijn van vijf jaren na aanvang van de
dienstbetrekking respectievelijk na vaststelling van het recht op
uitkering een aanzienlijk verhoogd risico heeft op ernstige
gezondheidsklachten, wordt die termijn van vijf jaar vóór afloop daarvan
verlengd indien op dat moment de ziekte of gebreken dan wel het
verhoogde risico op ernstige gezondheidsklachten naar het oordeel van
het UWV nog bestaan.
§ 7.
Overgangsbepalingen
Art. 21.
Vervallen.
Art. 22.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 29 december 2005.
Art. 23.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Reïntegratiebesluit.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 2 december
2005
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de achtste
december 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
NOTA
VAN TOELICHTING
[2 december 2005]
Algemeen
In dit besluit worden
nadere regels gesteld met betrekking tot reïntegratie-instrumenten
voor personen met structurele functionele belemmeringen. Het
betreft de instrumenten arbeidsplaatsvoorzieningen, voorzieningen voor
zelfstandigen, loon- en inkomenssuppletie, persoonlijke ondersteuning. Daarnaast
worden nadere regels gesteld over de bevoegdheid tot verlening
van onderwijsvoorzieningen en over de verlenging van de
aanspraak op ziekengeld bij ziekteverzuim tijdens dienstbetrekking (no-riskpolis).
Deze
reïntegratie-instrumenten zijn opgenomen in de Ziektewet (ZW), de
Wet
werk en inkomen
naar arbeidsvermogen (Wet WIA), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en in de
Wet
invoering en financiering Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen (IWIA). Om de eenheid van het
reïntegratiebeleid te waarborgen, zijn deze nadere regels opgenomen in één
besluit. Met de inwerkingtreding van de IWIA is de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) ingetrokken. De op
reïntegratie betrekking hebbende bepalingen uit de Wet Rea
zijn opgenomen in
de materiewetten ZW, Wet WIA, WAO, WAZ en Wajong, de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) en de Wet
financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Op grond van deze wetten
kunnen nadere regels gesteld worden met betrekking tot reïntegratie-instrumenten voor gedeeltelijk
arbeidsgeschikten.
Een deel van de
bepalingen in dit besluit was eerder opgenomen in verschillende besluiten
die hun basis vonden in de Wet Rea. Het betrof het
Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea, het Arbeidsgehandicaptebesluit
en het Besluit
starterskrediet arbeidsgehandicapten (Bsa). Deze regels zijn voor een deel
technisch aangepast aan de nieuwe systematiek. Inhoudelijk is in deze
gevallen niets gewijzigd. In sommige gevallen is wel sprake van inhoudelijke
wijzigingen. Deze inhoudelijke wijzigingen zullen meer aandacht krijgen in
deze nota van toelichting.
Uitgangspunten
reïntegratiebeleid
In de
memorie van toelichting bij de Wet WIA is uiteengezet welke uitgangspunten gelden
voor het reïntegratiebeleid voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten:
eenvoud in regelgeving, de aanwezigheid van voldoende ruimte en
flexibiliteit voor de uitvoering, een optimale aansluiting van
reïntegratieactiviteiten tijdens en na de loondoorbetalingsperiode, het helder maken van
voornemens en verwachtingen in concrete schriftelijke afspraken
en het voeren van een effectief beleid indien deze afspraken niet worden
nagekomen.
Voor wat betreft het
verlenen van arbeidsplaatsvoorzieningen wordt op bovengenoemde
uitgangspunten voor het reïntegratiebeleid voortgeborduurd. Daarbij is tevens
aangesloten bij de uitgangspunten die golden voor het verlenen van
voorzieningen op grond van de Wet Rea:
• voorzieningen worden
slechts verleend indien sprake is van structurele functionele belemmeringen
bij het verrichten van arbeid als gevolg van ziekte of gebrek;
• voorzieningen worden
slechts verleend indien zij niet als algemeen gebruikelijk zijn aan te
merken;
• gezocht wordt naar de
goedkoopste adequate oplossing;
• voorzieningen worden
op het individu gericht verleend;
• geen verlening
respectievelijk verstrekking van kruimelvoorzieningen of subsidie bij geringe
kosten.
Structurele functionele
belemmeringen als gevolg van ziekte of gebrek
Arbeidsplaatsvoorzieningen
kunnen worden verleend aan werknemers die in verband met
structurele functionele beperkingen als gevolg van ziekte of handicap zonder
de voorziening hun werkzaamheden niet kunnen verrichten.
Daarnaast kunnen werkgevers op grond van artikel 36
Wet WIA ten behoeve van
deze groep werknemers een aanvraag doen voor subsidie voor
tegemoetkoming in de kosten van arbeidsplaatsvoorzieningen. Het UWV
moet in het
concrete geval beoordelen of het gaat om beperkingen als
gevolg van ziekte of handicap die tot beperkingen in het functioneren
leiden, of de aandoening en de beperkingen structureel zijn en of de
voorzieningen tegemoet komen aan de beperkingen.
Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Op grond van de
artikelen 34, 35 en
36 Wet WIA, artikel 2.17
IWIA, artikel 52d
van de ZW, artikel 65e van de WAO,
artikel 59b van de Wajong
en 67c van de WAZ
worden slechts voorzieningen verleend die niet tevens als algemeen
gebruikelijk zijn aan te merken. Het uitgangspunt is dat voorzieningen die
vanuit andere beleidsterreinen verleend kunnen worden ten laste behoren
te komen van die andere terreinen. Ook als dit mede leidt tot behoud,
herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. De voorzieningen van het
UWV zijn een aanvulling op de inspanningen die de werkgever reeds
verricht op grond van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 en het Burgerlijk
Wetboek. Alleen als een voorziening vrijwel uitsluitend noodzakelijk
is voor de werksituatie, kan vergoeding door het UWV aan de orde zijn. Het
is niet de bedoeling dat kosten of diensten worden vergoed die in het
algemeen door mensen in verband met werk (in een bepaalde
bedrijfstak) worden aangeschaft of gebruikt, ook al hangt de aanschaf of het
gebruik samen met een ziekte of gebrek. Het oordeel of een bepaalde aanpassing
als algemeen gebruikelijk is te beschouwen kan in de loop van de tijd
veranderen. Een bepaalde aanpassing die aanvankelijk niet algemeen
gebruikelijk is, kan dat na verloop van tijd wel worden.
Goedkoopste adequate
oplossing
Het
UWV streeft bij de
verlening van arbeidsplaatsvoorzieningen naar een efficiënte inzet van reïntegratiemiddelen. Met het oog op een
verantwoorde besteding
van gelden weegt het UWV af in hoeverre de gevraagde voorziening de
meest adequate oplossing voor de opheffing van de beperkingen is.
Op individu gericht
Waar mogelijk worden de
voorzieningen aan de werknemer verleend als meeneembare
voorzieningen. Dit bevordert namelijk diens mobiliteit op de arbeidsmarkt.
Voorzieningen moeten in overwegende mate op het individu zijn gericht.
Bij de toekenning van voorzieningen wordt zoveel mogelijk rekening
gehouden met de specifieke belemmeringen die de betrokkene kent.
Geen verlening
respectievelijk verstrekking van kruimelvoorzieningen of subsidie bij geringe
kosten
De waarde van de
voorziening of de gezamenlijke waarde van de voorzieningen dient boven
een bepaald drempelbedrag uit te komen. Voorkomen moet worden dat
voor geringe bedragen een subsidie wordt verstrekt. Dit zodat de
uitvoeringslasten beperkt blijven. Indien er in een kalenderjaar meer kruimelvoorzieningen noodzakelijk zijn en de gezamenlijke
waarde daarvan het
drempelbedrag overtreft, kunnen de voorzieningen voor subsidiëring in
aanmerking komen.
Arbeidsplaatsvoorzieningen
Onder
arbeidsplaatsvoorzieningen worden verstaan (leef)vervoersvoorzieningen, intermediaire
activiteiten ten behoeve van mensen met een visuele, auditieve of
motorische handicap (voorleeshulp, doventolk, hulp bij het opbergen van
dossiers) en meeneembare voorzieningen. Bij meeneembare voorzieningen
gaat het om voorzieningen ten behoeve van inrichting van
arbeidsplaats, productie- en werkmethoden, inrichting van opleidingsplaats en de
bij arbeid of opleiding te gebruiken hulpmiddelen.
Voorzieningen voor
zelfstandigen
Uitgangspunt van
reïntegratie is de kortste weg naar werk. Voor bepaalde categorieën
gedeeltelijk arbeidsgeschikten zal het starten van een bedrijf een reële
mogelijkheid voor reïntegratie zijn. Immers bij zelfstandig
ondernemerschap kan de gedeeltelijk arbeidsgeschikte zelf de eigen werkzaamheden, de
werktijden of het werktempo bepalen. De reïntegratieondersteuning
die het UWV biedt, is daarom niet alleen gericht op werken in loondienst,
maar eveneens op het starten als zelfstandige. Zo nodig kan het UWV een reïntegratietraject al dan niet via een individuele
reïntegratieovereenkomst (IRO) inzetten ten behoeve van begeleiding van
de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte naar arbeid als zelfstandige. Het UWV vergoedt kosten voor begeleiding niet apart naast een reïntegratietraject
of IRO.
Op grond van de
ZW, de Wet WIA, de WAO, de WAZ
en de Wajong
is de mogelijkheid opgenomen
om voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten die het voornemen hebben een
eigen bedrijf op te starten voorzieningen te verlenen waardoor zij in
staat worden gesteld de werkzaamheden voor het bedrijf te
verrichten. Voor de beoordeling van de aanvragen door het UWV
gelden eerder genoemde
uitgangspunten. Het UWV kan aan hen naast
arbeidsplaatsvoorzieningen ook een kredietvoorziening, in de vorm van een
starterskrediet, verstrekken waardoor zij in staat worden gesteld de werkzaamheden voor het
bedrijf te verrichten. Voor de beoordeling van de aanvragen door het UWV
gelden eerder genoemde uitgangspunten.
Loon- en
inkomenssuppletie
De loon- en
inkomenssuppletie beoogt de werkhervatting van mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
WAO, de WAZ of de Wajong
te
bevorderen. Niet altijd zal de betrokkene erin slagen om direct werk te vinden
waarmee hij een inkomen kan verwerven dat overeenkomt met zijn
vastgestelde verdiencapaciteit, die wordt vastgesteld bij de claimbeoordeling
voor de WAO, WAZ of Wajong. Het is mogelijk dat hij werk
moet accepteren in een functie met een minder zware belasting, maar ook
tegen een lager inkomen dan wat hij volgens de schatting voor
genoemde wetten zou kunnen verdienen. Op basis van het uitgangspunt dat het
altijd aantrekkelijker moet zijn de werkzaamheden te hervatten, wordt een
financiële aanvulling gegeven op het loon of verdiensten uit eigen
bedrijf of beroep en de uitkering. Na werkhervatting ontvangt
de betrokkene namelijk een tijdelijke aanvulling, waarmee het verschil
wordt overbrugd tussen het loon in dienstbetrekking of de verdiensten in het
eigen bedrijf of beroep en het bedrag van de vastgestelde
resterende verdiencapaciteit. Omdat het hier gaat om werk waarmee minder wordt
verdiend dan de resterende verdiencapaciteit, heeft de werkhervatting
geen gevolgen voor de mate van arbeidsongeschiktheid en
voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De suppletie wordt in vier jaarlijkse stappen verlaagd naar nihil. Naar haar
aard gaat het namelijk om
een regeling die dient ter tijdelijke overbrugging van een
verschil tussen wat de betrokkene kan verdienen en wat hij in werkelijkheid
verdient. Doordat de overbrugging jaarlijks afneemt, wordt de
betrokkene gestimuleerd om zijn verdiensten in overeenstemming te
brengen met zijn vastgestelde resterende verdiencapaciteit.
Leeftijdsgrensvoorzieningen
Met betrekking tot de
subsidie ex artikel 36 Wet
WIA
en de voorziening ex artikel 35 Wet
WIA
geldt geen
leeftijdsgrens. De doelgroep van die instrumenten zijn personen met een
"structureel functionele beperking" en dat kenmerk is niet aan een
leeftijdgrens gebonden. Overigens zal het niet gelden van een leeftijdsgrens in de
praktijk niet tot veel instrumentverleningen boven de leeftijd van 65 jaar
leiden, omdat de betreffende instrumenten zijn gekoppeld aan het
verrichten van arbeid.
Verlenging van de duur
van de no-riskpolis
In artikel
29b van de
ZW is geregeld dat de werknemer die aan de daarin gestelde
voorwaarden voldoet aanspraak heeft op ziekengeld bij ziekte
gedurende ziektegevallen binnen een periode van vijf jaren. In dit besluit
wordt erin voorzien dat die termijn kan worden verlengd.
Administratieve lasten
Het Reïntegratiebesluit
omvat lagere regelgeving op het terrein van reïntegratie. Het
betreft grotendeels reeds bestaande regelgeving op grond van de Wet
Rea die
is aangepast aan de nieuwe systematiek van de Wet WIA
en de IWIA.
In deze wetten is ook aandacht besteed aan het effect op de
administratieve lasten. Waar vereenvoudiging mogelijk is, is deze bij de
Wet WIA doorgevoerd. Zo is het verlenen van arbeidsplaatsvoorzieningen door
het UWV aan werkgevers
en werknemers vereenvoudigd. Met eenvoudiger regels
wordt een snelle verlening of verstrekking beoogd.
In dit besluit worden
minder gedetailleerde regels gesteld dan voorheen met betrekking tot de
gegevens die aan het UWV moeten worden geleverd bij aanvraag van
een starterskrediet en het op te stellen bedrijfsplan. Wel kan het
UWV om relevante informatie vragen alvorens een starterskrediet toe
te kennen. Het effect op de administratieve lasten wordt op dit moment te
onzeker en te klein geacht om te kwantificeren. Volgens het UWV heeft dit
besluit nagenoeg geen consequenties voor de uitvoering.
Artikelsgewijs
Teneinde tot een uniforme
begriphantering te komen, is er in het onderhavige besluit voor
gekozen om met betrekking tot voorzieningen steeds het begrip "verlenen" te gebruiken. In de Wet Rea en het
Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea werd met betrekking tot voorzieningen gesproken
van zowel "verlenen", "verstrekken" als "toekennen", terwijl
hieraan geen onderscheid in betekenis ten grondslag lag. Deze wijziging heeft
derhalve geen inhoudelijke gevolgen.
Artikel
1. Algemene
bepalingen
Opgemerkt wordt dat het
niet nodig is het begrip "resterende verdiencapaciteit" te definiëren nu dat
reeds in de WAO, WAZ en
Wajong
wordt gedefinieerd.
Artikel
2. Uitgangspunten
verstrekking subsidie en verlening voorzieningen
Dit artikel komt
inhoudelijk overeen met artikel 2 van het
Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea, zoals dat
artikel luidde vóór de datum van inwerkingtreding van
artikel 2.10 van de IWIA.
Eerste lid
Op grond van het eerste
lid worden de daar genoemde subsidie en voorzieningen niet
verstrekt respectievelijk verleend indien het (kosten van) voorzieningen
betreft die algemeen gebruikelijk zijn (bijvoorbeeld een bureau op de juiste
hoogte afgesteld) of waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is.
Tweede lid
Het tweede lid maakt een
uitzondering op het eerste lid, onderdeel b. Een vergoeding of verlening
van een voorziening is wel mogelijk als die voorziening vrijwel
uitsluitend noodzakelijk is voor de werksituatie ondanks het feit dat
vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling openstaat.
Concrete voorbeelden zijn: orthopedische werkvoorzieningen of speciale
gehoorapparatuur.
Derde lid
In het derde lid wordt de
toepasselijkheid van het proportionaliteitscriterium vastgelegd.
Artikel
3. Geen subsidie
en voorzieningen bij geringe kosten
Dit artikel komt
inhoudelijk overeen met artikel 5b
van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea.
Eerste lid
Met het eerste lid wordt
beoogd te voorkomen dat er "kruimelsubsidies" worden toegekend. De
reden hiervoor is dat de kosten van de te subsidiëren
voorzieningen niet in een redelijke verhouding staan tot de te maken
uitvoeringskosten. Subsidie voor voorzieningen die een waarde hebben die ligt boven de
in het eerste lid genoemde drempel kunnen worden toegekend.
Tweede lid
In het tweede lid is
bepaald dat het UWV tot toekenning van subsidie als bedoeld in artikel 36 van
de Wet WIA kan overgaan indien in een kalenderjaar meer
kruimelvoorzieningen, waarvoor subsidie is aangevraagd, noodzakelijk zijn
en de gezamenlijke waarde van de voorzieningen het drempelbedrag
overtreft.
Derde lid
Dit artikel is, blijkens
het derde lid, ook van toepassing op de verlening van voorzieningen aan
startende zelfstandigen en arbeidsplaatsvoorzieningen als bedoeld in artikel 35
van de Wet WIA.
Artikel
4. Op het
individu gerichte voorzieningen
Dit artikel komt
inhoudelijk overeen met artikel 6 van het vervallen
Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea.
In dit artikel is
geregeld dat de toekenning van voorzieningen in overwegende mate op het
individu moet zijn gericht. Deze bepaling is opgenomen omdat het niet
in de rede ligt voorzieningen toe te kennen als niet vaststaat wie de
gebruikers hiervan zullen worden. Op grond van diverse wettelijke
bepalingen kunnen immers uitsluitend voorzieningen worden toegekend aan in
die wetten geduide personen. In praktijk zal dit ook betekenen dat bij de
toekenning van de voorziening zoveel mogelijk rekening wordt gehouden
met de specifieke belemmeringen die de betrokkene vanwege ziekte
of gebrek ondervindt en dat hij een zoveel mogelijk op zijn situatie
afgestemde voorziening krijgt toegekend.
Artikel
5. Inkomenstoets
(leef)vervoersvoorzieningen
Dit artikel komt
inhoudelijk overeen met artikel 8 van het vervallen
Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea.
Eerste lid
Op grond van het eerste
lid worden vervoersvoorzieningen niet toegekend of worden die
voorzieningen beëindigd als het inkomen van de persoon die de
voorziening aanvraagt of aan wie de voorziening is toegekend, in het
kalenderjaar waarin de voorziening is aangevraagd of voortzetting van een
toegekende voorziening wordt overwogen, hoger is dan de "inkomensgrens".
Die inkomensgrens wordt overschreden als het inkomen in het
kalenderjaar meer bedraagt dan 261 x 70% van het maximumpremieloon per
dag. Het maximumpremieloon per dag is het bedrag, bedoeld in
artikel 17 van de Wfsv, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Het stellen van een
inkomensgrens met betrekking tot de verlening van vervoersvoorzieningen
vormt een nadere invulling van het in dit besluit neergelegde algemene
uitgangspunt dat geen subsidie voor kosten van voorzieningen wordt
gegeven en geen voorzieningen worden toegekend indien deze algemeen gebruikelijk zijn. Bij een inkomen als hier aangeduid
wordt het bezit en
gebruik van een auto voor het vervoer van en naar het werk als algemeen
gebruikelijk aangemerkt. Met het oog hierop is voor vervoersvoorzieningen ten
behoeve van de werksituatie gekozen voor een inkomensgrens.
Opgemerkt wordt dat de
inkomensgrens niet van toepassing is als het vervoer betrekking heeft
op het kunnen volgen van onderwijs als bedoeld in artikel
2.17 van de IWIA.
Tweede en derde lid
Het kan zijn dat het
inkomen van een persoon in betekenende mate van jaar tot jaar verschilt.
In dat geval dient op grond van het tweede lid bij de toepassing van het eerste
lid niet te worden uitgegaan van het inkomen in enig kalenderjaar, doch
van het gemiddelde inkomen over drie kalenderjaren. In het derde lid is geregeld op welke vervoersvoorzieningen de
inkomensgrens in ieder
geval van toepassing is.
Vierde lid
Op grond van dit besluit
worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de vaststelling van
het inkomen.
Vijfde lid
In het vijfde lid is
bepaald dat de beëindiging van een vervoersvoorziening wegens overschrijding van
de inkomensgrens plaatsvindt met ingang van de datum
gelegen zes maanden nadat de betrokken persoon van de voorgenomen
beëindiging in kennis is gesteld.
Artikel
6.
Leefvervoersvoorziening
Dit artikel komt
inhoudelijk grotendeels overeen met artikel 10 van het vervallen
Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea.
Eerste lid
Het is mogelijk dat een
persoon als gevolg van ziekte of gebrek ook beperkingen ondervindt
bij zijn leefvervoer, dat is het vervoer voor het deelnemen aan het leven
van alledag en het onderhouden van de sociale contacten. Dat
leefvervoer wordt dan in de regel verleend door de gemeenten. Om te
voorkomen dat een persoon die als gevolg van ziekte of gebrek beperkingen
ondervindt bij het verplaatsen buitenshuis, bij twee verschillende loketten
een vervoersvoorziening zou moeten aanvragen, is aan het UWV
de
bevoegdheid gegeven ook leefvervoersvoorzieningen, in combinatie met
werkvervoersvoorzieningen of onderwijsvervoersvoorzieningen, toe te kennen. Behalve
dat betrokkenen op deze wijze slechts met één loket worden
geconfronteerd, kunnen beide voorzieningen op deze wijze ook optimaal op
elkaar worden afgestemd. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een
bruikleenauto die zowel voor werk- als privédoeleinden gebruikt wordt.
De verbinding die in de artikel 35 van de
Wet WIA en artikel 2.17
van de IWIA wordt gelegd
tussen de werk- en de leefvoorzieningen duidt er al op dat het bij de
verlening van leefvoorzieningen, evenals bij de verlening van
werkvoorzieningen, zou moeten gaan om voorzieningen die de uit ziekte of gebrek
voortvloeiende beperkingen opheffen of verminderen. In het eerste lid van
artikel 35 is immers aangegeven dat de voorzieningen dienen te
strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, het volgen van scholing of
opleiding of het
verrichten van arbeid op proefplaats. Artikel
2.17, eerste en tweede lid, van de IWIA
geeft ook aan dat de verlening van voorzieningen door het
UWV aan personen die onderwijs volgen, gericht is op het wegnemen van
belemmeringen die zij vanwege ziekte of gebrek kunnen ondervinden bij
het volgen van onderwijs.
Tweede lid
Artikel
2.17 van de IWIA biedt de mogelijkheid om ook leefvervoersvoorzieningen te verlenen in
combinatie
met andere voorzieningen dan vervoersvoorzieningen.
Anders dan bij de voorzieningen voor personen als bedoeld in artikel 35
van de Wet WIA
- waar er reeds een begrenzing in de wet zelf is neergelegd
- dient voor de groep personen, bedoeld in artikel
2.17, eerste lid,
van de IWIA (onderwijsvolgenden) de hiervoor omschreven afgrenzing nog
te worden gemaakt.
Derde lid
Ten
slotte is in het derde
lid bepaald dat indien een werkvervoersvoorziening wordt beëindigd, de
reeds toegekende leefvervoersvoorziening nog kan worden voortgezet
voor de termijn die was voorzien in de toekenningsbeschikking
van het UWV, evenwel tot ten hoogste de duur van twaalf maanden. In de
situatie dat er een vervoermiddel in bruikleen is toegekend, wordt ook
de aan die voorziening gekoppelde financiële tegemoetkoming in de
gebruikskosten daarvan voor dezelfde duur voortgezet. Dit derde lid
is onder meer van belang voor degenen aan wie een vervoersvoorziening
is toegekend en die werkloos worden. Zou in een dergelijke situatie ook
onmiddellijk de leefvervoersvoorziening worden beëindigd, dan zou de
betrokkene zich tot de gemeente moeten wenden om daar een
leefvervoersvoorziening aan te vragen. Wanneer de betrokkene na korte tijd
weer een nieuwe werkkring zou vinden, zou het UWV weer tot toekenning
moeten overgaan. Om dit jo-jo-effect te voorkomen, is de
onderhavige bepaling in dit besluit opgenomen. Dit derde lid is ook van
belang in de situatie van de beëindiging van een vervoersvoorziening ten
behoeve van het volgen van scholing of onderwijs en de
betrokkene aansluitend daarop nog niet meteen een werkkring heeft kunnen
vinden.
Artikel
7. Intermediaire
activiteiten voor personen met een auditieve, visuele of motorische
handicap
Dit artikel komt
inhoudelijk grotendeels overeen met artikel 12 van het vervallen
Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea, zij het dat het niet
langer slechts betrekking
heeft op personen met een auditieve handicap, maar eveneens op personen
met motorische of visuele handicap.
Eerste lid
De verlening van een
voorziening vindt plaats door vergoeding van de kosten voor de
bemiddeling van en het gebruik van een intermediaire activiteit. In artikel 12
van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet
Rea werd ook gesproken van
het vergoeden van de kosten van het gebruik van zo'n intermediaire voorziening. Daaronder werden tevens verstaan de
kosten van bemiddeling
van zo’n voorziening. Om eventuele onduidelijkheid hieromtrent te voorkomen,
wordt dit in artikel 7 expliciet genoemd. Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat hiermee geen inhoudelijke wijziging wordt beoogd.
Derde lid
In het derde lid is de
mogelijkheid opgenomen om uren toe te kennen boven het in het tweede
lid vastgestelde maximum. Deze hardheidsclausule kan bijvoorbeeld worden
toegepast in de situatie van bijscholing of bij een inwerkperiode.
Artikel
8. Overname van
voorzieningen
Dit artikel komt
inhoudelijk overeen met artikel 14 van het vervallen
Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea.
Eerste lid
Dit artikel biedt de
mogelijkheid aan een persoon van wie de toekenning van een voorziening wordt
beëindigd, om de component die in natura is verleend over te nemen,
al dan niet tegen een vergoeding. Kosten van gebruik en onderhoud
kunnen dan echter niet meer op grond van de in het eerste lid genoemde artikelen worden vergoed.
Een voorziening zal
worden beëindigd indien één of meer feiten, op grond waarvan de
toekenning van de voorziening is gebaseerd, zodanig veranderen dat er geen
aanleiding meer bestaat om de voorziening toe te kennen. Hiervan kan
sprake zijn als iemand vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd
ophoudt met werken en er geen noodzaak meer bestaat voor een voorziening. Ook
kan gedacht worden aan de situatie dat de betrokkene op grond van
toename van zijn inkomen niet meer voor een vervoersvoorziening in aanmerking kan komen, omdat zijn inkomen
boven de voor verlening
van vervoersvoorzieningen geldende inkomensgrens is komen te liggen.
Daarnaast valt te denken aan de overname van de voorziening door de echtgenoot of partner na het overlijden van een
betrokkene. Ook kan
worden gedacht aan de situatie dat een jongere zijn opleiding heeft afgerond.
Indien het UWV geen reden
aanwezig acht om de voorziening terug te nemen, kan de voorziening
al dan niet tegen een vergoeding aan de betrokkene in eigendom
worden verleend. Of er al dan niet een vergoeding moet worden
betaald, zal onder meer afhankelijk zijn van de resterende marktprijs van
de desbetreffende voorziening.
In het eerste lid wordt
bepaald dat de vergoeding die de betrokkene voor de voorziening moet
betalen nooit hoger kan zijn dan de waarde die een dergelijke
voorziening op dat moment in het maatschappelijk verkeer heeft.
Tweede lid
In het tweede lid wordt
voorts bepaald dat indien de voorziening als bedoeld in het eerste lid
een vervoermiddel betreft, bij het bepalen van de marktprijs moet worden
uitgegaan van de voorziening zonder de specifieke aanpassingen
in verband met de handicap. Als er redelijkerwijs geen vergelijkbaar niet-aangepast vervoermiddel is te duiden, zal de
feitelijke marktwaarde
van het specifieke vervoermiddel als zodanig uitgangspunt moeten zijn
bij de bepaling van de overnameprijs. Hoewel het onderhavige artikellid betrekking heeft op vervoermiddelen in het
algemeen, zal dit artikel
in de praktijk vooral van betekenis zijn voor de overname van
bruikleenauto’s.
Wat betreft voorzieningen niet zijnde
vervoermiddelen wordt het aan het UWV
overgelaten
nadere beleidsregels te stellen over het vaststellen van de marktwaarde
daarvan, waarbij het overigens in de rede ligt dat dit beleid, voor
zover dat
gezien de aard van de voorziening mogelijk is, min of meer overeenkomt met
hetgeen geldt voor de overname van vervoermiddelen.
Artikel
9. De aanvraag
van subsidie
Dit artikel komt
inhoudelijk overeen met artikel 3 van het
vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea.
Op grond van artikel 36
van de Wet WIA kan de werkgever een subsidie krijgen voor de kosten
die hij maakt in verband met de reïntegratie van een werknemer met
structurele functionele belemmeringen. In het besluit wordt bepaald welke
gegevens bij die aanvraag overgelegd dienen te worden. Met betrekking
tot onderdeel h wordt opgemerkt dat het daar bedoelde oordeel kan
worden gegeven in de vorm van een gemotiveerde verklaring van de
arbodienst of bedrijfsarts waaruit blijkt welke belemmeringen de werknemer heeft en dat
de kosten noodzakelijk zijn in verband met de handicap van de
werknemer.
Artikel
10. Bepaling
kosten werkgever
Dit artikel komt
inhoudelijk overeen met artikel 4 van het vervallen
Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea.
Eerste lid
Geen subsidie wordt
verleend over de omzetbelasting die aan de werkgever in rekening is
gebracht over de middelen of diensten ter reïntegratie. De
werkgever kan deze immers in aftrek brengen op de omzetbelasting die hij
verschuldigd is. Alleen in die gevallen waarin de werkgever uitsluitend
niet met omzetbelasting belaste diensten verricht of producten levert, is geen
aftrek mogelijk en wordt ook over de omzetbelasting subsidie verleend.
Tweede lid
Bij het vaststellen van
de hoogte van de meerkosten kan rekening worden gehouden met het bedrijfseconomisch voordeel voor de
werkgever. Van een
bedrijfseconomisch voordeel is sprake indien de voorziening een positieve
invloed heeft op het bedrijfsresultaat van de werkgever of indien
daardoor de kostprijs van de geproduceerde goederen of geleverde
diensten wordt verlaagd.
Artikel
11. Drempelbedrag
kosten
Het drempelbedrag uit dit
artikel is overgenomen uit artikel 16 van de
Wet Rea, zoals dat
artikel luidde vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 2.10 van de
IWIA.
In dit artikel worden de
drempelbedragen voor de subsidie, bedoeld in artikel
36, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet WIA, vastgesteld. Het drempelbedrag is afgeleid
van het bedrag dat als premiekorting wordt verleend en is afgerond
op een rond bedrag. De hoogte van het bedrag is gekoppeld aan de
omstandigheid of het gaat om plaatsing of herplaatsing en is gekoppeld aan de
hoogte van het loon herleid naar jaarloon (bij plaatsing
respectievelijk herplaatsing). De bedragen bij het in dienst houden zijn aldus €|2000,- of €|450,- en bij plaatsing €|6000,- of €|1350,-.
De werkgever kan een
subsidie voor kosten van reïntegratie van werknemers met
structurele functionele beperkingen vragen. Waar sprake is van structurele
functionele beperkingen bij een werknemer in verband waarmee een subsidie voor
kosten van reïntegratie kan worden verleend ten behoeve van
aanpassing van de werkplek, maar ten behoeve van de werknemer
geen aanspraak bestaat op premiekorting, hanteert het UWV
geen
drempelbedrag. Dit wordt bepaald in het derde lid.
Artikel
12. Subsidie
zonder premiekorting
Dit artikel komt
inhoudelijk overeen met artikel 5c
van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea.
Dit artikel beoogt te
voorzien in het toekennen van subsidie voor meerkosten in het geval
de werknemer het dienstverband verbreekt terwijl de werkgever nog geen
aanspraak op premiekorting heeft kunnen maken en dat in de toekomst als
gevolg daarvan ook niet zal kunnen. Eenzelfde situatie kan zich
voordoen indien uiteindelijk blijkt dat bij de werkgever geen passende arbeid
voorhanden is voor deze werknemer.
Artikel
13.
(Leef)vervoersvoorzieningen
De inhoud van dit artikel
lag eerder besloten in artikel 22 van de Wet
Rea.
Op grond van dit artikel
kan het UWV vervoersvoorzieningen verlenen aan
uitkeringsgerechtigden die arbeid als zelfstandige willen gaan verrichten. Gelet op de
in het eerste lid genoemde artikelen is het nodig dit expliciet in een
algemene maatregel van bestuur te bepalen.
Omdat de artikelen 5, 6
en 8 niet rechtstreeks van toepassing zijn op de verlening van vervoersvoorzieningen aan genoemde personen, zijn deze
artikelen van
overeenkomstige toepassing verklaard.
Indien de persoon die
recht heeft op een vervoersvoorziening op grond van dit artikel,
daadwerkelijk arbeid als zelfstandige gaat verrichten en hij daardoor zijn recht op
een uitkering verliest, heeft hij op grond van de artikelen 52d
van de ZW, 34, tweede lid, van de
Wet WIA, 65e van de WAO,
59b van de Wajong
of 67c van de WAZ
niet langer recht op die
voorziening. Om een al te abrupte inname te voorkomen en die persoon
in de gelegenheid te stellen zelf andere maatregelen te treffen, is
aan het UWV in het vierde lid de bevoegdheid verleend om die
voorziening nog gedurende zes maanden te blijven verlenen.
Artikel
14. Intermediaire
voorzieningen bij inschakeling in zelfstandigenarbeid
Op grond van het eerste
lid van dit artikel kan het UWV voorzieningen verlenen aan
uitkeringsgerechtigden met een auditieve, visuele of motorische handicap die
arbeid als zelfstandige willen gaan verrichten. Gelet op de in artikel 14
genoemde artikelen is het nodig dit expliciet in een algemene maatregel van
bestuur te bepalen. Op grond van het tweede lid vindt de verlening van
een voorziening plaats door vergoeding van de kosten voor de
bemiddeling van en het gebruik van een intermediaire activiteit. Het derde lid
is gelijkluidend aan artikel 13, vierde lid, zij het dat de termijn van verlenging
hier twee maanden bedraagt. Voor een toelichting wordt naar
dat artikellid verwezen.
Artikel
15.
Starterskrediet
De inhoud van dit artikel
was eerder geregeld in het Besluit starterskrediet
arbeidsgehandicapten.
Met een starterskrediet
kan de gedeeltelijk arbeidsgeschikte voorzien in de behoefte aan
bedrijfskapitaal voor het starten van een eigen bedrijf als banken daartoe niet
bereid zijn. Banken zijn hiertoe niet altijd bereid, omdat om
bedrijfseconomische redenen de verstrekking van kleine kredieten commercieel
gezien niet interessant is. Daarnaast kunnen banken terughoudend zijn
bij de verstrekking van kredieten aan gedeeltelijk arbeidsgeschikten omdat
wordt getwijfeld aan de aflossingscapaciteit van deze cliënten.
De hoogte van het krediet
is gekoppeld aan het in het kader van het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004 te verstrekken krediet. Dit krediet wordt jaarlijks
verhoogd aan de hand van het prijsindexcijfer over de maand oktober van het
voorafgaande jaar. Voor het jaar 2005 is dit vastgesteld op €|30
668,-.
Het UWV
stelt regels op
over de wijze waarop het UWV de aanvraag om een krediet beoordeelt en
over de verstrekking van het krediet. In deze nadere regels stelt het
UWV eisen op waaraan de cliënt moet voldoen. Een vereiste is dat de
cliënt een bedrijfsplan opstelt. In dit bedrijfsplan toont de cliënt aan dat
hij voldoende inkomsten genereert zodat de aan hem verstrekte lening
binnen een door het UWV bepaalde termijn kan worden terugbetaald.
In
het Besluit
starterskrediet arbeidsgehandicapten werden gedetailleerde regels gesteld aan dit
bedrijfsplan. Met het oog op deregulering en vereenvoudiging is ervan afgezien gedetailleerde regels op te nemen.
Artikel
16. Loonperiode
bij loonsuppletie
Dit artikel komt
inhoudelijk overeen met artikel 18 van het vervallen
Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea.
In de artikelen 65c,
tweede lid, van de WAO, 67a, tweede lid, van de
WAZ en 59f, tweede lid,
van de Wajong wordt bepaald dat de loonsuppletie wordt
verstrekt over perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen, doch ten
hoogste over een periode van vier jaar te rekenen vanaf de eerste toekenning. Perioden waarin wegens
ziekte niet wordt gewerkt,
tellen mee als perioden waarover loon wordt ontvangen, hetzij omdat
in verband met de loondoorbetalingsverplichting daadwerkelijk loon wordt
ontvangen, hetzij - zoals in artikel 16 is bepaald - omdat een
uitkering op grond van de ZW
wordt ontvangen.
Als de arbeid in
dienstbetrekking wordt onderbroken en geen loon of ziekengeld wordt
ontvangen, dan eindigt de suppletie. Na hervatting van de arbeid herleeft ook de
suppletie.
Artikelen 16 en
17.
Hoogte
van de loon- en inkomenssuppletie
De artikelen 16 en
17
komen inhoudelijk overeen met respectievelijk de artikelen 18 en
17 van
het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet
Rea.
De hoogte van de
inkomens- en loonsuppletie wordt uitgedrukt in een percentage van het
verschil tussen de hogere arbeidsongeschiktheidsuitkering die verkregen zou worden
indien het feitelijk verdiende loon of inkomen als basis wordt
genomen voor het vaststellen van de verdiencapaciteit en het bedrag van de
feitelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Een suppletie kan worden
verkregen indien betrokkene per uur bezien minder verdient dan het
uurloon waarop de verdiencapaciteit is gebaseerd.
De loon- en
inkomenssuppletie zijn gemaximeerd op 20% van verdiencapaciteit.
Voorts is op grond van
het derde lid van de artikelen 16 en 17 de suppletie gemaximeerd,
zodanig dat deze tezamen met de in deze leden genoemde inkomsten nooit
meer bedraagt dan het voor betrokkene vastgestelde maatmaninkomen, bedoeld in
artikel 6 van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten.
Indien betrokkene voor een minder aantal uren werkt dan
waartoe hij nog in staat wordt geacht, dient voorkomen te worden dat
de suppletie als compensatie gaat werken voor het feit dat de inkomsten
louter als gevolg van het minder werken lager zijn dan de theoretisch
vastgestelde resterende verdiencapaciteit. Immers voor de uren waarin de
betrokkene nog wel kan werken, doch dat feitelijk niet doet, is sprake van
werkloosheid. In het tweede lid van de onderhavige artikelen is dan ook
geregeld dat in deze situatie de suppletie evenredig wordt
verminderd. Opgemerkt zij dat indien in het kader van de schatting vastgesteld is
dat betrokkene minder uren kan werken dan voordat hij
arbeidsongeschikt werd, hij in aanmerking komt voor een volledige suppletie.
Artikel
18. Persoonlijke
ondersteuning
Dit artikel is gebaseerd
op artikel 11 van het vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet
Rea.
Uit
artikel 35, eerste
lid, van de Wet WIA vloeit voort onder welke voorwaarden de
persoonlijke ondersteuning als voorziening kan worden toegekend. Deze
voorwaarden zijn in artikel 18 niet nogmaals opgenomen.
Uit het eerste lid van
artikel 18 blijkt dat een persoon als bedoeld in artikel
35, eerste lid,
van de Wet WIA in aanmerking kan worden gebracht voor het gebruik van
persoonlijke ondersteuning of voor een in plaats daarvan toe te kennen
kostenvergoeding. Deze keuzemogelijkheid is opgenomen om het UWV
de
mogelijkheid te geven de toekenning van deze voorziening zo goed
mogelijk te regelen. In sommige situaties kan het zowel voor de
verstrekker, de gebruiker als de leverancier van de diensten gunstiger
zijn
dat aan de gebruiker uitsluitend de diensten worden geleverd en de
financiering rechtstreeks wordt afgewikkeld tussen het UWV en de leverancier
van de dienst.
In het tweede lid van dit
artikel is in algemene zin geregeld onder welke voorwaarden een
voorziening in de vorm van persoonlijke ondersteuning kan worden toegekend. Bij
de persoonlijke ondersteuning is met name het begeleidende aspect van
belang. De persoon die de betrokkene ondersteunt, is méér dan uitsluitend
iemand die belemmeringen op de werkplek wegneemt. Hij heeft
vooral ook een coachende, c.q. sturende functie. De persoonlijke
ondersteuning die op grond van dit artikel kan worden toegekend, zal in het
algemeen worden gegeven ten behoeve van mensen met een verstandelijke of
psychische beperking. In alle gevallen moet het echter wel gaan om
persoonlijke ondersteuning die voldoet aan de criteria zoals deze zijn
neergelegd in het tweede lid van dit artikel. Dat zal dan gaan om bijzondere
situaties, met een specifieke indicatie die wordt gesteld door het UWV.
In het tweede lid, onderdeel c, is bepaald dat er uitsluitend een vergoeding
voor persoonlijke
ondersteuning kan worden toegekend indien deze wordt gegeven door een persoon
die verbonden is aan een door het UWV erkende rechtspersoon die
tot doel heeft diensten te verlenen die kunnen worden aangemerkt als
persoonlijke ondersteuning als in dit artikel bedoeld. Wellicht ten
overvloede wordt opgemerkt dat het UWV met betrekking tot genoemde
erkenning beleidsregels kan stellen.
In het derde lid is
bepaald dat de persoonlijke ondersteuning in het eerste, tweede, derde en
de daaropvolgende jaren niet uit meer uren begeleiding kan bestaan
dan het aantal uren dat correspondeert met respectievelijk 15%, 7,5%
en 6% van het aantal te werken uren per kalenderjaar. De
voorziening persoonlijke ondersteuning kan zowel tijdelijk als blijvend
worden toegekend.
Ten slotte is in het
vierde lid een hardheidsclausule opgenomen die aan het UWV de bevoegdheid
geeft om in bijzondere situaties van de in het derde lid genoemde maxima
af te wijken. Hierbij wordt gedacht aan de situatie waarin een
persoon, gezien de aard van zijn beperkingen, een zodanig intensieve
begeleiding nodig heeft dat toekenning van de voorziening op grond van
de standaardnormen onvoldoende is.
Artikel
19.
Onderwijsvoorzieningen
Het derde lid van dit
artikel komt inhoudelijk grotendeels overeen met artikel 9 van het
vervallen Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet
Rea.
In het eerste lid wordt
bepaald welke voorzieningen op grond van artikel
2.17 IWIA kunnen
worden verleend. Hiertoe is weliswaar aansluiting gezocht bij de
voorzieningen, bedoeld in artikel 35 van de
Wet WIA, maar het betreft hier niet
dezelfde doelgroep als in artikel 35. Men behoort tot de doelgroep van de
onderwijsvoorzieningen, bedoeld in artikel 19, als men:
a. jonger is dan 17 jaar;
b. studerende is als
bedoeld in artikel 5 van de
Wajong;
c. jonger is dan 30 jaar
en uitsluitend vanwege zijn ziekte of gebrek niet kan worden aangemerkt als
studerende als bedoeld in artikel 5 van de
Wajong.
Het gaat hier dus om
jonge schoolgaande kinderen en is, zoals ook de toelichting op
artikel
2.17 IWIA aangeeft, een voortzetting van de
artikelen 11 en 22 van de
Wet Rea.
Omdat de artikelen 5, 6
en 8 niet rechtstreeks van toepassing zijn op de verlening van
vervoersvoorzieningen aan genoemde personen, zijn deze artikelen in het tweede
lid van overeenkomstige toepassing verklaard.
In het derde lid is de
inhoud van het vervallen artikel 9 van het
Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea overgenomen. Geen voorzieningen worden verleend waarvoor
een regeling is getroffen onder verantwoordelijkheid van
een ander ministerie. Ook indien die voorziening niet
toereikend wordt gevonden door de betrokkene of niet de volledige kosten dekt,
wordt geen aanvulling daarop verleend op grond van dit besluit. Het
bepaalde in artikel 19, derde lid, geldt overigens in aanvulling op de in
artikel 2 opgenomen algemene regels, die op grond van dat artikel eveneens
van toepassing zijn op de verlening van onderwijsvoorzieningen.
Met het niet laten terugkeren van artikel 9 van het
Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea, maar het opnemen van de inhoud van die bepaling
in dit besluit, is geen inhoudelijke beleidswijziging beoogd.
Artikel
20. Verlenging
termijn no-riskpolis bij verhoogd gezondheidsrisico
Dit artikel heeft
dezelfde strekking als artikel 8, eerste lid, van het
Arbeidsgehandicaptebesluit
zoals dat luidde vóór inwerkingtreding van artikel 2.10 van de
IWIA,
waardoor de Wet Rea (en daarmee het
Arbeidsgehandicaptebesluit) werd ingetrokken. De in
dit artikel opgenomen mogelijkheid om bij een
verhoogd gezondheidsrisico de termijn waarin de no-riskpolis kan gelden
te verlengen, geldt zowel met betrekking tot de no-riskpolis bij een nieuwe
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 29b, eerste lid van de
ZW als bij
voortzetting van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel
29b, vierde lid,
van de ZW. Dit geldt ook met betrekking tot een werknemer als bedoeld in
artikel 90 van de ZW.
Artikel
21.
Overgangsbepaling vervoermiddelen Wvg
In dit artikel is de
inhoud van het vervallen artikel 19 van het
Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea overgenomen. Het heeft betrekking op in
bruikleen gegeven leefvervoersvoorzieningen die in het kader van het
overgangsrecht van de Wvg nog door het UWV
worden voortgezet. Bij de
totstandkoming van de Wvg is door de toenmalige staatssecretaris aan het
parlement toegezegd dat bij beëindiging van de verlening van een
bruikleenauto de belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld de auto
over te nemen (Kamerstukken II 1992-1993, 22 815, nr. 6, blz. 22).
Overigens heeft dit artikel, behalve op de auto, ook betrekking op andere
vervoermiddelen. Zie voor een nadere toelichting de toelichting op artikel 8.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|
|