|
MEMORIE VAN TOELICHTING
Nadere regelgeving:
- Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
- Besluit
gelijkstelling vreemdelingen Wwb, WIJ, Ioaw, Ioaz en Wwik
- Besluit SUWI
- Regeling
statistiek Wwb, WIJ, Ioaw, Ioaz en Wwik
- Regeling
Wwb en WIJ
Relevante
overige regelgeving:
- Wet werk en bijstand
Inhoudsopgave
WIJ
| Hoofdstuk
1 |
Definities
en algemene bepalingen |
artt.
1 - 10 |
| Hoofdstuk
2 |
Opdracht
gemeentebestuur |
artt.
11 - 12 |
| Hoofdstuk
3 |
Recht
op werkleeraanbod |
artt.
13 - 23 |
| Hoofdstuk
4 |
Recht
op inkomensvoorziening |
artt.
24 - 43 |
| Hoofdstuk
5 |
Plichten
jongere |
artt.
44 - 45 |
| Hoofdstuk
6 |
Bevoegdheden
en plichten college |
artt.
46 - 53 |
| Hoofdstuk
7 |
Terugvordering
en verhaal |
artt.
54 - 57 |
| Hoofdstuk
8 |
Wijziging
andere wetten |
artt.
58 - 85 |
| Hoofdstuk
9 |
Overgangs-
en slotbepalingen |
artt.
86 - 94 |
| xxxxxxxxxxx| |
|
xxxxxxxxxx |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2008-2009, 31 775.
Handelingen II 2008-2009, blz. 5967-6012, 6157-6159.
Kamerstukken I 2008-2009, 31 775 (A, B, C, D, E, F).
Handelingen I 2008-2009, blz. 1679-1719, 1722-1722.
Geschiedenis:
Staatscourant
2009, 9838, Staatsblad
2009, 282; Staatscourant 2009,
20154.
WET van 1 juli 2009, Stb.
2009, 282, houdende bevordering duurzame arbeids-inschakeling jongeren
tot 27 jaar (Wet investeren in jongeren). Inwerkingtreding: 1
oktober 2009 (Stb. 2009, 283).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de duurzame arbeidsinschakeling voor jongeren tot 27 jaar
te vergroten door hen te stimuleren tot deelname aan het arbeidsproces
en maatschappelijke activiteiten en te investeren in hun kennis en
vaardigheden en daartoe een nieuwe wet vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Definities
en algemene bepalingen
Art. 1.
Organen [Geschiedenis:
versie 1 juli 2009]
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- college: het college van
burgemeester en wethouders;
- Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 63 van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- inrichting:
1º. een instelling die zich
blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het
bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende
hulpbehoevenden;
2º. een instelling die zich
blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het
bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van
hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal
aanwezig is;
- Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- Sociale
verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Art. 2.
Jongere [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder jongere: een hier te
lande woonachtige Nederlander van 16 jaar of ouder doch jonger dan 27
jaar.
-2. Met de Nederlander,
bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige
vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van
artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de
Vreemdelingenwet
2000, met
uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van
Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29
april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het
grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun
familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) 1612/68 en tot intrekking
van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG,
75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158).
-3. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen andere hier te lande woonachtige vreemdelingen
dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet en
de daarop berustende bepalingen met de Nederlander, bedoeld in het
eerste lid, worden gelijkgesteld: [BgvWWIIWW]
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel van een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie; of
b. indien zij, na rechtmatig
verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot
en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland
verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van
die wet en zij
aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden
voldoen.
Art. 3.
Gelijkstelling
niet-gehuwden met gehuwden [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Voor de toepassing van
deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
gelijkgesteld met:
a. echtgenoot:
geregistreerde partner;
b. gehuwd: als partner
geregistreerd.
-2. Voor de toepassing van
deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als
echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een
gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste
graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de
bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede
aangemerkt de persoon die duurzaam gescheiden leeft van de
persoon met wie hij gehuwd is.
-3. Van een gezamenlijke
huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in
dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door
middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding
dan wel anderszins.
-4. Een gezamenlijke
huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun
hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd
zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de
aanvraag, bedoeld in artikel 14, in het kader van de uitvoering van deze wet als
gehuwden zijn aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind
is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door
de ander;
c. zij zich wederzijds
verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een
geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een
registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en
strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding,
bedoeld in het derde lid.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende
welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het
vierde lid, onderdeel d. [Bargh98]
Art. 4.
Alleenstaande,
alleenstaande ouder, gezin, kind en zelfstandige [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- alleenstaande: de
ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke
huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de
tweede graad indien er bij
één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
- alleenstaande ouder: de
ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last
komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een
ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een
bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de
tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
- gezin:
1º. de gehuwden tezamen;
2º. de gehuwden met de tot
hun last komende kinderen;
3º. de alleenstaande ouder
met de tot zijn last komende kinderen;
- kind: het in Nederland
woonachtige eigen kind of stiefkind;
- ten laste komend kind:
het kind voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op
kinderbijslag kan maken;
- zelfstandige: de persoon
die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in
eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die:
1º. voldoet aan de
wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan;
2º. voldoet aan het
urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet
inkomstenbelasting 2001; en
3º. alleen of samen met
degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de
volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de
financiële risico’s daarvan draagt.
Art. 5.
Inkomensvoorziening en werkleeraanbod [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- inkomensvoorziening: de
inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 24;
- werkleeraanbod: het
aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid, een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling, waaronder begrepen scholing, opleiding of
sociale activering alsmede ¹ ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
-2. Onder scholing of
opleiding als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan uit ’s Rijks kas
bekostigd onderwijs.
1. Volgens de redactie
dient "activering alsmede" te worden vervangen door:
activering, of.
Art. 6.
Arbeidsinschakeling en sociale activering [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- arbeidsinschakeling: het
verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik
wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel
7, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet werk en
bijstand;
- sociale activering: het
verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten
gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op
zelfstandige maatschappelijke participatie.
-2. Voor de toepassing van
deze wet wordt niet als algemeen geaccepteerde arbeid beschouwd arbeid op
grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of
3
van de Wet sociale werkvoorziening. Voor personen die blijkens een
indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoren van
de Wet sociale werkvoorziening wordt onder een voorziening
gericht op arbeidsinschakeling mede verstaan een voorziening gericht op het
verkrijgen van arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen
2 en 7 van die wet.
Art. 7.
Inkomen, middelen
en vermogen [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- inkomen: inkomen als
bedoeld in artikel 32, eerste en tweede lid, van de
Wet werk en bijstand;
- middelen: middelen als
bedoeld in artikel 31 van de Wet werk en
bijstand, met dien verstande
dat de onderdelen c, j, k en n van het tweede lid van dat artikel niet van
toepassing zijn.
- vermogen: vermogen als
bedoeld in artikel 34, eerste tot en met derde lid, van de
Wet werk en bijstand.
Art. 8.
Kinderbijslag en
premies [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- kinderbijslag:
kinderbijslag op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet;
- premies
volksverzekeringen: premies volksverzekeringen als bedoeld in de Wet financiering
sociale verzekeringen;
- premie
werknemersverzekeringen: werknemersaandeel in de premie, bedoeld in afdeling 2 van
hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale
verzekeringen.
Art. 9.
Nettominimumloon [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder nettominimumloon: het
minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op
vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van
artikel 15 van die
wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan
maken, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting,
premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke
bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet,
en vermeerderd met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de
Zorgverzekeringswet.
-2. De in het eerste lid
bedoelde loonbelasting en premies volksverzekeringen worden berekend voor een
werknemer jonger dan 65 jaar, rekening houdend met
uitsluitend tweemaal de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de
Wet op de
loonbelasting 1964, over het minimumloon en de aanspraak
op vakantiebijslag daarover, vermeerderd met de vergoeding, bedoeld
in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, en verminderd met de premies
werknemersverzekeringen.
-3. Indien op grond van de
Wet financiering sociale verzekeringen een premie wordt ingehouden
waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met
inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels
bij ministeriële regeling voor de toepassing van het eerste lid een gemiddeld
percentage vastgesteld.
Art. 10.
Gemeenschappelijke regelingen [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
Indien bij een
gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur
van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die
wet,
treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet in de plaats van de
betrokken colleges.
HOOFDSTUK
2
Opdracht
gemeentebestuur
Art. 11.
Opdracht college [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Het college is
verantwoordelijk voor het doen van een werkleeraanbod.
-2. Het college is
verantwoordelijk voor het verstrekken van een inkomensvoorziening.
-3. Het college werkt bij de
uitvoering van het eerste lid samen met het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-4. Het college kan de
uitvoering van deze wet, behoudens de vaststelling van de rechten
en plichten van de jongere en de daarvoor noodzakelijke beoordeling
van zijn omstandigheden, door derden laten verrichten. Het college kan
de in de eerste zin bedoelde vaststelling en beoordeling mandateren aan
bestuursorganen.
-5. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het vierde lid.
Art. 12.
Opdracht
gemeenteraad [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. De gemeenteraad stelt bij
verordening regels met betrekking tot:
a. de inhoud van een werkleeraanbod;
b. het verlagen van het
bedrag van de inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 41, eerste lid;
c. het bestrijden van
misbruik en oneigenlijk gebruik van deze wet;
d. de wijze waarop jongeren
of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering
van deze wet;
e. het verhogen en verlagen
van de norm, bedoeld in artikel 35.
-2. De regels, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel d, hebben in ieder geval betrekking op de wijze
waarop:
a. periodiek overleg wordt
gevoerd met de jongeren of hun vertegenwoordigers;
b. de jongeren of
vertegenwoordigers onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen
aanmelden;
c. de jongeren of
vertegenwoordigers worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het
overleg benodigde informatie.
HOOFDSTUK
3
Recht op
werkleeraanbod
Art. 13.
Recht op
werkleeraanbod [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Recht op een
werkleeraanbod heeft desgevraagd:
a. de jongere die zich in de
leeftijdscategorie van 16 tot en met 17 jaar bevindt, geen scholing of
opleiding volgt, minder dan 16 uur per week arbeid verricht en die heeft
voldaan aan de kwalificatieplicht, bedoeld in paragraaf 2a van de Leerplichtwet
1969, dan wel aan wie een vrijstelling van die kwalificatieplicht
is verleend;
b. de jongere die zich in de
leeftijdscategorie van 18 tot en met 26 jaar bevindt en wiens in
aanmerking te nemen inkomen lager is dan de op hem van toepassing zijnde
norm, bedoeld in de artikelen 26 tot en met 29, waarbij voor het in
aanmerking te nemen inkomen het inkomen van de echtgenoot buiten
beschouwing wordt gelaten.
-2. Het recht, bedoeld in het
eerste lid, bestaat jegens het college van de gemeente waar de jongere
woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek.
-3. Bij algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat het recht op een werkleeraanbod
van een jongere zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bestaat jegens het college
van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente.
-4. Het college, bedoeld in
het derde lid, verbindt aan het werkleeraanbod aan een jongere zonder adres
als bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens de verplichting dat hij aangifte doet van een
door het college ter beschikking gesteld briefadres als bedoeld in
artikel 1 van die
wet.
Art. 14.
Vaststellen recht
op werkleeraanbod [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Het college stelt het
recht op een werkleeraanbod op aanvraag vast.
-2. Het college legt in een
rapportage de wensen van de jongere ten aanzien van het
werkleeraanbod vast alsmede de wijze waarop deze wensen bij de vaststelling
van aard, omvang en plaats van het werkleeraanbod zijn betrokken.
Art. 15.
Aanvraag bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. De aanvraag voor een
werkleeraanbod is gericht tot het college jegens wie het recht op een
werkleeraanbod bestaat en wordt overeenkomstig artikel
30c van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ingediend bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. Na de overdracht van de
aanvraag door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
het college op grond van artikel 30c, vijfde lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt de aanvraag verder behandeld
door het college.
-2. Indien het een aanvraag
betreft van een jongere die in een inrichting verblijft, dan wel van een
jongere zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, wordt, in
afwijking van het eerste
lid, de aanvraag ingediend bij het college.
-3. De gemeenteraad kan, in
overeenstemming met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bij
verordening categorieën van aanvragen vaststellen die,
in afwijking van het tweede lid, bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen worden ingediend.
Art. 16.
Doorzending van
aanvraag [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Indien doorzending van de
aanvraag naar het college van een andere gemeente
heeft
plaatsgevonden en dat college van oordeel is dat het evenmin de aanvraag dient te
behandelen, terwijl geen zekerheid kan worden verkregen over het
college van de gemeente jegens wie het recht op een werkleeraanbod
bestaat, draagt het college dat de doorgezonden aanvraag heeft ontvangen er
zorg voor dat het geschil aanhangig wordt gemaakt.
-2. In afwachting van een
beslissing inzake een geschil over toepassing van het eerste lid bestaat
het recht op een werkleeraanbod of het recht op een inkomensvoorziening
jegens het college van de gemeente waar de jongere werkelijk verblijft.
-3. Kosten verbonden aan het werkleeraanbod of de
inkomensvoorziening gemaakt door het college van
de gemeente, bedoeld in het tweede lid, worden vergoed
door het college van de gemeente waarvan de taak is waargenomen.
Art. 17.
Afstemmen
werkleeraanbod [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Het college stemt het
werkleeraanbod af op de omstandigheden, krachten en bekwaamheden van
de jongere wiens recht op een werkleeraanbod is vastgesteld en stelt hierbij de jongere in de gelegenheid om
schriftelijk of mondeling
zijn wensen omtrent het werkleeraanbod kenbaar te maken.
-2. Indien het college van
oordeel is dat om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard
van een jongere niet kan worden gevergd dat hij uitvoering geeft aan een
werkleeraanbod, doet het college aan die jongere geen werkleeraanbod.
Wanneer het college vaststelt dat de redenen, bedoeld in de
eerste zin, niet langer aanwezig zijn, wordt aan de jongere alsnog een
werkleeraanbod gedaan.
-3. Zorgtaken, voor zover
daarmee geen rekening kan worden gehouden door middel van een
voorziening gericht op arbeidsinschakeling, kunnen worden aangemerkt als een
reden van sociale aard als bedoeld in het tweede lid.
-4. Aan een jongere die
alleenstaande ouder is en die de volledige zorg heeft voor een te zijnen
laste komend kind tot vijf jaar, doet het college desgevraagd een werkleeraanbod dat gericht is op scholing of een
opleiding die de toegang tot
de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een
dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van die jongere
te boven gaat. Indien het college tot dat oordeel is gekomen, biedt
het college een andere voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan.
-5. Het college doet aan een
jongere geen werkleeraanbod indien en zolang de jongere niet
voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 45, onderdeel a.
-6. Aan een jongere die
voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen, kan het college
desgevraagd een werkleeraanbod doen dat, in afwijking van artikel
5, eerste lid, bestaat uit een voorbereidingsperiode
van ten hoogste twaalf
maanden.
Art. 18.
Besluit
werkleeraanbod [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Het besluit van het college inhoudende dat aan de jongere een werkleeraanbod wordt gedaan,
bevat in ieder geval een omschrijving van de in het kader van het werkleeraanbod te verrichten activiteit naar aard,
omvang en plaats.
-2. Indien door buiten de
jongere gelegen omstandigheden niet onmiddellijk uitvoering kan
worden gegeven aan het werkleeraanbod, stelt het college een
termijn waarbinnen de uitvoering van het werkleeraanbod in ieder geval zal
plaatsvinden.
-3. De termijn, bedoeld in
het tweede lid, bedraagt ten hoogste twee maanden, te rekenen vanaf de
datum van het besluit, bedoeld in het eerste lid.
Art. 19.
Einde uitvoering
werkleeraanbod [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
Indien de jongere na
afronding van de uitvoering van het werkleeraanbod een in aanmerking te nemen
inkomen heeft dat lager is dan de op hem van toepassing zijnde
norm, bedoeld in de artikelen 26 tot en met 29, doet het
college
aansluitend op dat werkleeraanbod ambtshalve aan die jongere een nieuw
werkleeraanbod.
Art. 20.
Opschorten recht
op werkleeraanbod [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Indien het college
vaststelt dat het door een jongere verstrekte adres van hemzelf, van zijn
echtgenoot of van een kind afwijkt van het adres waaronder die jongere in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, schort
het college het recht op een werkleeraanbod op.
-2. Geen opschorting vindt
plaats, indien:
a. de afwijking
redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op een
werkleeraanbod;
b. de jongere van de
afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt;
c. daarvoor naar het oordeel
van het college dringende redenen aanwezig zijn.
-3. Het college doet
schriftelijk mededeling van de opschorting, bedoeld in het eerste lid, aan de
jongere en stelt hem daarbij in de gelegenheid de in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen
adresgegevens te doen
aanpassen.
-4. De opschorting wordt
beëindigd met ingang van de datum waarop het college gebleken is dat
de afwijking, bedoeld in het eerste lid, niet meer bestaat.
Art. 21.
Herziening en
intrekking werkleeraanbod [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
Het college kan een aan de
jongere gedaan werkleeraanbod intrekken of herzien, indien:
a. wijziging optreedt in de
omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere;
b. de jongere niet voldoet
aan één of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5
en hem dit te verwijten valt.
Art. 22.
Uitsluiting recht
op werkleeraanbod [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Indien de jongere zich
jegens het college herhaaldelijk zeer ernstig misdraagt en hem dit te
verwijten valt, kan het college die jongere van het recht op een werkleeraanbod
uitsluiten.
-2. Het college heroverweegt
het besluit tot uitsluiting binnen een door hem te bepalen termijn, die
ten hoogste één maand bedraagt.
Art. 23.
Geen recht op
werkleeraanbod [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Geen recht op een
werkleeraanbod heeft de jongere die:
a. uit ’s Rijks kas
bekostigd onderwijs volgt;
b. rechtens zijn vrijheid is
ontnomen;
c. zijn militaire of
vervangende dienstplicht vervult;
d. onbetaald verlof geniet
als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de
Werkloosheidswet;
e. een zelfstandige is die
aanspraak kan maken op bijstand op grond van artikel
78f van de Wet werk en bijstand.
-2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de jongere die een opleiding als bedoeld in
artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel b, c of d, van de
Wet
educatie en beroepsonderwijs volgt.
-3. Het eerste lid, onderdeel
b, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt binnen of buiten
een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen. [Bevsz]
HOOFDSTUK
4
Recht op
inkomensvoorziening
Art. 24.
Recht op
inkomensvoorziening [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. De jongere van 18 jaar of ouder die een aanvraag als bedoeld in artikel 14 heeft ingediend,
heeft recht op een inkomensvoorziening, indien:
a. hij geen in aanmerking te
nemen vermogen heeft; en
b. zijn in aanmerking te
nemen inkomen lager is dan de op hem van toepassing zijnde norm,
bedoeld in de artikelen 26 tot en met 29.
-2. De inkomensvoorziening
wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, te
rekenen vanaf de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel
14.
-3. Artikel 13, tweede tot en
met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-4. Indien en zolang er
gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jongere zonder hulp niet in
staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, kan
het college:
a. aan de
inkomensvoorziening de verplichting verbinden dat de jongere eraan meewerkt dat
het college in naam van de jongere noodzakelijke betalingen uit de toegekende
inkomensvoorziening verricht;
b. de inkomensvoorziening in
natura verstrekken.
Art. 25.
Vaststellen recht
op inkomensvoorziening [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Het college stelt het
recht op een inkomensvoorziening ambtshalve vast, gelijktijdig met de
vaststelling van het recht op een werkleeraanbod.
-2. Indien na de ambtshalve
vaststelling, bedoeld in het eerste lid, feiten en omstandigheden die van
invloed zijn op het recht op een inkomensvoorziening wijzigen, stelt het college
uit eigen beweging, dan wel op een daartoe strekkend verzoek
van de jongere, het recht op een inkomensvoorziening opnieuw vast.
Art. 26.
Norm
alleenstaande [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009; Stcrt. 2009,
9838; Stcrt. 2009, 20154]
Voor een jongere die
alleenstaande is, is de norm per kalendermaand:
a. indien hij zich in de
leeftijdscategorie van 18 jaar tot en met 20 jaar bevindt: €|224,43;
b. indien hij zich in de
leeftijdscategorie van 21 jaar tot en met 26 jaar bevindt: €|649,52.
Art. 27.
Norm
alleenstaande ouder [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009; Stcrt. 2009,
9838; Stcrt. 2009, 20154]
Voor een jongere die
alleenstaande ouder is, is de norm per kalendermaand:
a. indien hij zich in de
leeftijdscategorie van 18 jaar tot en met 20 jaar bevindt: €|484,24;
b. indien hij zich in de
leeftijdscategorie van 21 jaar tot en met 26 jaar bevindt: €|909,33.
Art. 28.
Norm gehuwden [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009; Stcrt. 2009,
9838; Stcrt. 2009, 20154
+ bis]
-1. Voor jongeren die gehuwd
zijn en geen te hunnen laste komende kinderen hebben, is de norm
per kalendermaand, indien het betreft:
a. gehuwden waarvan beide
echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar
bevinden: €|448,86;
b. gehuwden waarvan één
echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar
bevindt en de andere zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar
bevindt: €|873,95;
c. gehuwden waarvan één
echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar
bevindt en de andere zich in de leeftijdscategorie van 27 jaar of ouder bevindt: €|224,43;
d. gehuwden waarvan beide
echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar
bevinden: €|1299,04;
e. gehuwden waarvan één
echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar
bevindt en de andere zich in de leeftijdscategorie van 27 jaar of ouder bevindt: €|649,52.
-2. Voor jongeren die gehuwd
zijn en één of meer te hunnen laste komende kinderen hebben, is
de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. gehuwden waarvan beide
echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar
bevinden: €|708,67;
b. gehuwden waarvan één
echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar
bevindt en de andere zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar
bevindt: €|1133,76;
c. gehuwden waarvan één
echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar
bevindt en de andere zich in de leeftijdscategorie van 27 jaar of ouder bevindt: €|484,24;
d. gehuwden waarvan beide
echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar
bevinden: €|1299,04;
e. gehuwden waarvan één
echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar
bevindt en de andere zich in de leeftijdscategorie van 27 jaar of ouder bevindt: €|909,33.
-3. Indien één van de
gehuwden geen recht op inkomensvoorziening heeft, is voor de
rechthebbende echtgenoot de norm gelijk aan de norm die voor hem als
alleenstaande of als alleenstaande ouder zou gelden.
-4. In afwijking van het
derde lid wordt, indien gehuwden één of meer te hunnen laste komende
kinderen hebben en één van de gehuwden algemene bijstand op grond
van de Wet werk en bijstand ontvangt, die algemene bijstand in
mindering gebracht op:
a. de norm, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel b, indien de jongste echtgenoot zich in de
leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt;
b. de norm, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel d, indien de jongste echtgenoot zich in de
leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt.
Art. 29.
Norm bij verblijf
in inrichting [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009; Stcrt. 2009,
9838; Stcrt. 2009, 20154
+ bis]
-1. Bij een verblijf in een
inrichting is de norm per kalendermaand, indien het betreft:
a. een jongere die
alleenstaande of een alleenstaande ouder is: €|289,26;
b. jongeren die gehuwd zijn: €|449,92.
-2. Het bedrag van de norm,
bedoeld in het eerste lid, wordt verhoogd:
a. voor een alleenstaande of
een alleenstaande ouder met €|44,00;
b. voor gehuwden met €|81,00.
-3. Indien beide gehuwden
recht op inkomensvoorziening hebben en één van de gehuwden in een
inrichting verblijft, is de norm voor beide gehuwden de som van de norm,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verhoogd met het bedrag,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en de op de andere echtgenoot van
toepassing zijnde norm, bedoeld in de artikelen 26 en
27.
Art. 30.
Verhoging norm
alleenstaande (ouder) [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009; Stcrt. 2009,
9838; Stcrt. 2009, 20154]
-1. Het college verhoogt de
norm, bedoeld in de artikelen 26, onderdeel b, en
27, onderdeel b, met
een toeslag voor zover de jongere hogere algemeen noodzakelijke
kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het
niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.
-2. De toeslag bedraagt ten
hoogste €|259,81 per kalendermaand.
Art. 31.
Verlaging norm
gehuwden [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
Het college kan de norm,
bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, b en d, en tweede lid,
onderdeel a, b en d, verlagen voor zover de jongeren lagere algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet
als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten
met een ander.
Art. 32.
Verlaging norm
woonsituatie [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
Het college kan de norm,
bedoeld in de artikelen 26, 27 en 28, of de toeslag, bedoeld in
artikel 30, lager vaststellen voor zover de jongere lagere algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag
voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet
aanhouden van een woning.
Art. 33.
Verlaging norm
schoolverlaters [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
Het college kan voor de
jongere die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een
beroepsopleiding, de norm of de toeslag, bedoeld in artikel
30, gedurende zes
maanden na het tijdstip van die beëindiging lager vaststellen indien
voor het onderwijs of de beroepsopleiding aanspraak bestond op studiefinanciering
op grond van de Wet
studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming
in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van
hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Art. 34.
Alleenstaande van
21 of 22 jaar [Geschiedenis:
versie 1 juli 2009]
-1. Het college kan de
toeslag, bedoeld in artikel 30, voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend
vaststellen voor zover het van oordeel is dat, gezien de hoogte van
het minimumjeugdloon, de hoogte van deze toeslag een belemmering kan
vormen voor de aanvaarding van arbeid.
-2. Onder het
minimumjeugdloon, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het voor de
desbetreffende leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 8, derde
lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, verminderd met de daarover
verschuldigde loonheffing en de daarover verschuldigde
inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de
Zorgverzekeringswet.
Art. 35.
Verordening [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. In de verordening,
bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel e, stelt de gemeenteraad vast voor
welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van
welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.
-2. In deze verordening stelt
de gemeenteraad in elk geval vast dat:
a. onverminderd de artikelen 32, 33 en
34, de toeslag, bedoeld in artikel 30, voor de alleenstaande en
de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens
woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het in dat
artikel genoemde maximumbedrag;
b. jegens een jongere niet
gelijktijdig gebruik gemaakt wordt van de bevoegdheden, bedoeld in de
artikelen 33 en 34, eerste lid.
-3. In de verordening worden
uitsluitend verhogingen of verlagingen vastgesteld als bedoeld in
de artikelen 30 tot en met 34.
-4. Verhoging of verlaging
van de norm of afwijkende vaststelling van de toeslag vindt plaats
onverminderd artikel 17, eerste lid.
Art. 36.
Hoogte
inkomensvoorziening [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009; Stcrt. 2009,
9838]
-1. In de inkomensvoorziening
is een vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 5 procent van
de norm, bedoeld in de artikelen 26 tot en met 29.
-2. De inkomensvoorziening
wordt verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen
waarvoor de gemeente die de inkomensvoorziening verleent, op grond van de
Wet op de
loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is,
alsmede met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de
Zorgverzekeringswet.
-3. Op de van toepassing
zijnde norm, bedoeld in de artikelen 26, 27,
28, eerste lid, onderdeel c en
e, en tweede lid, onderdeel c en e, en artikel
29, eerste lid, onderdeel
a,
wordt het in aanmerking te nemen inkomen van de betrokken jongere in
mindering gebracht.
-4. Op de van toepassing
zijnde norm, bedoeld in de artikelen 28, eerste lid,
onderdeel a,
b en d,
en tweede lid, onderdeel a, b en d, en 29, eerste lid, onderdeel
b,
wordt het in aanmerking te nemen inkomen van de echtgenoten tezamen in
mindering gebracht.
-5. Indien één van de
gehuwden geen recht op inkomensvoorziening heeft, wordt zijn inkomen
slechts in aanmerking genomen voor zover het inkomen van de gehuwden
tezamen, met inbegrip van de inkomensvoorziening die zou worden verleend
indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen,
meer zou bedragen dan:
a. indien de echtgenoot die
geen recht heeft op inkomensvoorziening jonger is dan 27 jaar, de
norm voor gehuwden die van toepassing zou zijn geweest indien beide
echtgenoten recht op inkomensvoorziening zouden hebben;
b. indien de echtgenoot die
geen recht heeft op inkomensvoorziening 27 jaar of ouder is:
1º. indien de gehuwden geen
te hunnen laste komende kinderen hebben:
a. indien de jongste
echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt, de
norm, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b;
b. indien de jongste
echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt, de
norm, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel d;
2º. indien de gehuwden één
of meer te hunnen laste komende kinderen hebben:
a. indien de jongste
echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt, de
norm, bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel b;
b. indien de jongste
echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 21 tot en met 26 jaar bevindt, de
norm, bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel d.
-6. In afwijking van het
vijfde lid wordt, indien de gehuwden gescheiden leven, doch niet duurzaam
gescheiden, het inkomen van de niet-rechthebbende
echtgenoot slechts in aanmerking genomen voor zover dat de van toepassing
zijnde norm, bedoeld in de artikel 28, derde lid, te boven gaat.
-7. Indien inkomen in natura
wordt genoten, wordt de waarde daarvan vastgesteld op het daarvoor
door de jongere opgeofferde bedrag.
Art. 37.
Voorschot [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Het college verleent
uiterlijk binnen vier weken na de datum waarop de aanvraag, bedoeld in
artikel 14, is ingediend, en vervolgens telkens na vier weken, bij wijze van
voorschot een inkomensvoorziening in de vorm van een renteloze
geldlening, zolang het recht op een inkomensvoorziening niet is vastgesteld. De
eerste zin is niet van toepassing, indien:
a. de jongere de voor de
vaststelling van het recht op inkomensvoorziening van belang zijnde gegevens
of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of
onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de jongere
anderszins onvoldoende medewerking verleent;
b. bij de aanvraag duidelijk
is dat geen recht op inkomensvoorziening bestaat.
-2. De hoogte van het
voorschot, bedoeld in het eerste lid, bedraagt in ieder geval 90% van de norm
die naar verwachting op de jongere van toepassing zal zijn,
verminderd met het in aanmerking te nemen inkomen.
-3. Indien de
inkomensvoorziening wordt verleend over een periode waarover met toepassing van
het eerste lid een voorschot is verleend, wordt deze
inkomensvoorziening zonder machtiging van de jongere verrekend met dit voorschot.
Art. 38.
Betaling
inkomensvoorziening [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. De inkomensvoorziening
wordt per kalendermaand vastgesteld en betaald. In afwijking van de
eerste zin wordt de vakantietoeslag, voor zover niet reeds eerder
betaald, jaarlijks betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande
maanden waarin de inkomensvoorziening aan de jongere is verstrekt,
tot een maximum van twaalf maanden of zo veel eerder als de
vakantietoeslag over deze periode vaststaat, dan wel binnen drie maanden volgend
op de maand waarin de inkomensvoorziening is beëindigd.
-2. Indien naar het oordeel
van het college bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven,
kan het college besluiten de inkomensvoorziening over een andere periode dan
als bedoeld in het eerste lid vast te stellen of te betalen.
-3. De inkomensvoorziening
wordt vastgesteld over het deel van de kalendermaand waarover recht
op inkomensvoorziening bestaat, indien de alleenstaande of het
gezin voorafgaand aan of volgend op de vaststelling van het recht
op inkomensvoorziening:
a. gedurende een periode van
ten minste 30 dagen geen inkomensvoorziening ontvangt; of
b. anderszins geen recht op
inkomensvoorziening heeft.
-4. De inkomensvoorziening
wordt uitbetaald aan ieder van de rechthebbende echtgenoten voor de
helft
dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan één van hen voor het geheel.
-5. In geval van overlijden
van één van de echtgenoten die rechthebbende is, van de alleenstaande
ouder, van het laatste ten laste komende kind van gehuwden waarvan de leeftijd
van één echtgenoot of beide echtgenoten 18, 19 of 20 jaar is, of van
het laatste ten laste komende kind van de alleenstaande ouder, wordt
de inkomensvoorziening tot en met één maand na de dag van het
overlijden betaald naar de op het moment van overlijden van toepassing
zijnde norm aan de andere echtgenoot, de ten laste komende kinderen, de
echtgenoten, onderscheidenlijk de gewezen alleenstaande ouder.
Art. 39.
Vervreemding,
verpanding, beslag en machtiging [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. De inkomensvoorziening is
niet vatbaar voor vervreemding of verpanding.
-2. Beslag op de
inkomensvoorziening is slechts geldig voor zover de jongere blijft beschikken
over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-3. Een machtiging tot het in
ontvangst nemen van de inkomensvoorziening, onder welke vorm of welke
benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-4. Elk beding strijdig met
dit artikel is nietig.
Art. 40.
Opschorten,
herzien of intrekken recht op inkomensvoorziening [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Het college kan het recht
op een inkomensvoorziening opschorten indien de jongere te
verwijten valt dat hij de voor de vaststelling van het recht op een
inkomensvoorziening van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken
niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, dan wel anderszins
onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek van het college met
betrekking tot zijn recht op een werkleeraanbod of een inkomensvoorziening.
-2. Het college doet
mededeling van de opschorting aan de jongere en nodigt hem uit binnen een
door het college gestelde termijn het verzuim, bedoeld in het eerste lid,
te herstellen.
-3. Het college kan een
besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening herzien of intrekken,
indien:
a. het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
30c, tweede of derde
lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
inkomensvoorziening; of
b. anderszins de
inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
-4. Als na het verstrijken
van een periode van drie maanden de opschorting, bedoeld in
artikel 20, eerste lid, niet is beëindigd, trekt het college het besluit tot
vaststelling van de inkomensvoorziening in met ingang van de dag waarop de
opschorting, bedoeld in dat artikel, inging. Als de jongere het verzuim,
bedoeld in het eerste lid, niet herstelt binnen de daarvoor gestelde
termijn, trekt het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot
vaststelling van de inkomensvoorziening in met ingang van de eerste dag
waarover het recht op de inkomensvoorziening is opgeschort.
Art. 41.
Verlagen bedrag
inkomensvoorziening [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Indien de jongere naar
het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen,
bedoeld in hoofdstuk 5, dan wel de uit artikel
30c, tweede lid of derde lid, van
de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het
college zeer ernstig misdraagt, verlaagt het college het bedrag van de
aan de jongere toegekende inkomensvoorziening overeenkomstig de
verordening, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b.
-2. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Het college heroverweegt
een besluit tot verlaging van de inkomensvoorziening binnen een door hem te
bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.
Art. 42.
Geen recht op
inkomensvoorziening [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Geen recht op de
inkomensvoorziening bestaat:
a. indien de jongere het
werkleeraanbod heeft geweigerd;
b. voor zover de jongere of
zijn gezin een beroep kan doen op een naar zijn aard en doel als
passend en toereikend aan te merken voorziening buiten deze wet ter
verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven;
c. voor zover uit houding en
gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de
verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen;
d. indien de jongere wegens
werkstaking of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid, voor zover
diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is;
e. indien de jongere per
kalenderjaar langer dan dertien weken verblijf houdt buiten Nederland dan
wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf
houdt buiten Nederland;
f. indien het werkleeraanbod
op grond van artikel 21 is ingetrokken;
g. indien de jongere
rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
h. indien de jongere zijn
militaire of vervangende dienstplicht vervult;
i. gedurende de periode dat
het recht op een werkleeraanbod is opgeschort;
j. indien de jongere 18, 19
of 20 jaar is en in een inrichting verblijft;
k. indien de jongere een
uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars ontvangt
of indien hij is gehuwd met een persoon die een zodanige uitkering
ontvangt;
l. indien de jongere
onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de
Werkloosheidswet of indien de jongere gehuwd is met een zodanig persoon,
voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is, tenzij de
jongere alleenstaande ouder is en hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6
van de Wet arbeid en zorg;
m. indien de jongere een
zelfstandige is die aanspraak kan maken op bijstand op grond van
artikel 78f van de Wet werk en bijstand.
-2. Het eerste lid, onderdeel g, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te
wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt buiten een
penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van terbeschikkingestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel
b, van
de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen. [Bevsz]
-3. De Wet werk en inkomen
kunstenaars geldt niet als een voorziening als bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b.
Art. 43.
Aanpassen
bedragen [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Met ingang van de dag
waarop het nettominimumloon wijzigt, worden herzien:
a. met het percentage van
deze wijziging, de normen, genoemd in de artikelen 26 tot en met
28;
b. het percentage, genoemd
in artikel 36, eerste lid, zodanig dat dit gelijk is aan de procentuele
verhouding tussen de nettoaanspraak op de minimumvakantiebijslag over
het minimumloon en het nettominimumloon. Onder
nettoaanspraak op de minimumvakantiebijslag wordt verstaan het verschil tussen
het nettominimumloon en het nettominimumloon zoals dat
overeenkomstig artikel 9, eerste lid, zou zijn berekend zonder rekening te
houden met de aanspraak op vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
-2. Met ingang van de dag
waarop het nettominimumloon wijzigt, worden de normen, genoemd in
artikel 29, eerste lid, herzien met het percentage van deze
wijziging.
-3. De bedragen, genoemd in
artikel 29, tweede lid, worden herzien indien het drempelinkomen,
bedoeld in de Wet op de
zorgtoeslag, wordt aangepast, de percentages,
bedoeld in artikel 2 van die
wet, worden gewijzigd of het bedrag van
de standaardpremie op grond van artikel 4 van
die
wet op een ander
bedrag wordt vastgesteld.
-4. Van de herziene normen en
bedragen en van de dag waarop de herziening plaatsvindt, wordt
door Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
-5. Onze Minister kan de
normen, het percentage en de bedragen, genoemd in het eerste tot en
met het derde lid, eenmalig aanpassen na de datum van inwerkingtreding
van deze wet.
HOOFDSTUK
5
Plichten
jongere
Art. 44.
Inlichtingenplicht [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. De jongere doet aan het
college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle
feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op een werkleeraanbod
of zijn recht op inkomensvoorziening. Deze verplichting geldt niet
indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden
vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte
bij ministeriële regeling aan te wijzen gegevens of kunnen worden
verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties.
-2. De jongere is verplicht
aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die
redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
-3. Het college stelt bij de
uitvoering van deze wet de identiteit van de belanghebbende vast aan de
hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met
3º, van de Wet
op de identificatieplicht.
-4. Een ieder is verplicht
aan het college desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de
Wet op de
identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voor zover
dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Art. 45.
Overige
verplichtingen [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
De jongere is verplicht:
a. mee te werken aan het
opstellen van een plan met betrekking tot zijn arbeidsinschakeling,
waaronder begrepen mee te werken aan een onderzoek naar zijn
mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
b. geen onredelijke eisen te
stellen in verband met door hem te verrichten algemeen
geaccepteerde arbeid die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen
geaccepteerde arbeid belemmeren;
c. mee te werken aan het
behoud of bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid;
d. mee te werken aan
activiteiten of werkzaamheden gericht op zijn arbeidsinschakeling;
e. opgedragen werkzaamheden
of activiteiten naar beste vermogen te verrichten;
f. op advies van een arts
zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische
aard.
HOOFDSTUK
6
Bevoegdheden
en plichten college
Art. 46.
Verstrekken
gegevens en instellen onderzoek [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Onverminderd artikel
30c,
tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen bepaalt het college welke gegevens voor het doen
van een werkleeraanbod, dan wel de voortzetting daarvan, of
voor het verstrekken van een inkomensvoorziening, dan wel de voortzetting
daarvan, door de jongere in ieder geval worden verstrekt en
welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het
tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en
bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de jongere
voor zover ze anderszins zijn verkregen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, dan wel voor zover zij verkregen kunnen worden uit
de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de verzekerdenadministratie,
bedoeld in artikel 35 van die
wet, alsmede uit de gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens, tenzij hierdoor een goede vervulling van de
taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de
tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die
het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de
tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit
andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.
-2. Het college is bevoegd
onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de
verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk
zijn voor het doen van een werkleeraanbod, dan wel de voortzetting
daarvan, of voor het verstrekken van een inkomensvoorziening, dan wel
de voortzetting daarvan. Indien het onderzoek daartoe aanleiding
geeft, kan het college besluiten tot herziening van het
werkleeraanbod of de inkomensvoorziening.
-3. De voordracht voor een
krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van
bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan
beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Art. 47.
Voorschot
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Indien de
inkomensvoorziening wordt verleend over een periode waarover een voorschot is
ontvangen met toepassing van artikel 31, tweede lid, van de
Werkloosheidswet, artikel
47a, eerste lid, van Ziektewet, artikel
67,
tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, artikel 50,
tweede lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel
55, tweede lid, van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of
artikel 47,
tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
jonggehandicapten, al dan niet met gelijktijdige toepassing van
artikel 17, eerste lid, van de Toeslagenwet, en dit voorschot door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
wordt teruggevorderd, kan
deze inkomensvoorziening zonder machtiging van de jongere tot het
bedrag van dit voorschot aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
worden betaald.
-2. In het geval, bedoeld in
het eerste lid, vergoedt de gemeente aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen tevens de over de te verlenen inkomensvoorziening
verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen en de
vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet.
Art. 48.
Inlichtingenplicht werkgever [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Een ieder is verplicht
desgevraagd en bevoegd uit eigen beweging aan het college kosteloos
opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent feiten en omstandigheden die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet ten opzichte van
een jongere aan wie een werkleeraanbod is of zal worden gedaan, dan wel
aan wie een inkomensvoorziening is of zal worden verstrekt, en die in
zijn dienst, dan wel voor hem, arbeid verricht, heeft verricht of zou kunnen
gaan verrichten. De verplichting strekt zich mede uit tot de inkomsten
van een persoon van wie kosten van de inkomensvoorziening op grond
van hoofdstuk 7 worden of kunnen worden teruggevorderd of op
wie die kosten worden of kunnen worden verhaald.
-2. De opgaven en
inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die
redelijkerwijs kan worden verlangd, binnen een door het college schriftelijk te
stellen termijn verstrekt.
Art. 49.
Inlichtingenverplichting instanties [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. De hieronder vermelde
instanties zijn verplicht desgevraagd aan het college of, indien het
college aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen mandaat heeft verleend tot
het nemen van besluiten inzake het doen van een werkleeraanbod
of het verstrekken van een inkomensvoorziening, aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, kosteloos opgaven en
inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze
wet:
a. het college van andere gemeenten;
b. het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank;
c. de belastingdienst;
d. het College
zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet, de
Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet
marktordening gezondheidszorg, en de zorgverzekeraars in de zin van artikel
1, onderdeel b, van
de Zorgverzekeringswet of van artikel
1, onderdeel
b, van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. de
bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen
tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en
andere organen belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of
krachtens artikel 8 van de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als inkomen
worden aangemerkt;
f. de Kamers van Koophandel,
met dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit lid,
geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van de Handelsregisterwet
2007 vastgestelde vergoeding;
g. de korpschef en de
bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de zin van de Vreemdelingenwet
2000;
h. de
Belastingdienst/Toeslagen betreffende de toekenning van tegemoetkomingen met
toepassing van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen en Onze
Minister voor Wonen, Wijken en Integratie betreffende de toepassing
van de Wet
bevordering eigenwoningbezit;
i. de Informatie Beheer
Groep betreffende de toepassing van de Wet
studiefinanciering 2000, de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet
inburgering;
j. Onze Minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende de omvang van de
productiebeperkende maatregelen voor het bedrijf van de ondernemer in de
agrarische sector;
k. Onze Minister van
Justitie voor zover het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is
ontnomen;
l. de instanties en personen
die woonruimte verhuren;
m. de instanties die in het
kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren;
n. derden die in het kader
van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van
personen bevorderen.
-2. Het vragen door het
college en het verstrekken door de in het eerste lid bedoelde instanties van
de in het eerste lid bedoelde opgaven en inlichtingen kan geschieden
door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.
-3. Griffiers van colleges,
geheel of ten dele met rechtspraak belast, zijn verplicht desgevraagd aan
het college of, indien het college aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen mandaat heeft verleend tot het nemen van besluiten
inzake het doen van een werkleeraanbod of het verstrekken van een
inkomensvoorziening, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
kosteloos alle gegevens en uittreksels of afschriften van uitspraken,
registers en andere stukken te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van deze wet.
-4. De in het eerste en het
derde lid bedoelde verplichtingen strekken zich mede uit tot de
personen:
a. van wie kosten van de
inkomensvoorziening op grond van hoofdstuk 7 worden of kunnen worden
teruggevorderd of op wie die kosten worden of kunnen worden verhaald;
b. die hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat redelijkerwijs kan
worden vermoed, als de persoon:
1º. te wiens behoeve de
inkomensvoorziening is gevraagd of wordt verstrekt;
2º. van wie kosten van de
inkomensvoorziening op grond van hoofdstuk 7 worden of kunnen
worden teruggevorderd of op wiens kosten die kosten worden of kunnen
worden verhaald.
-5. De in het eerste lid en
het derde lid bedoelde opgaven en inlichtingen worden desgevraagd
schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo
spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst van
het verzoek hiertoe, verstrekt.
-6. De in het eerste lid,
onderdeel a tot en met k, genoemde instanties treffen desgevraagd met het
college en met het Inlichtingenbureau een regeling met betrekking tot
de mededeling van wijzigingen in de eerder aan hen gevraagde opgaven en
inlichtingen.
-7. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de
inhoud en vormgeving van de in het zesde lid bedoelde regeling.
-8. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen één of meer van de in het eerste lid bedoelde
instanties worden aangewezen die ten behoeve van aan het college te
verstrekken opgaven en inlichtingen, de door het Inlichtingenbureau aan deze
instanties verstrekte gegevens van aldaar op dat moment nog onbekende
personen opslaan. Bij toepassing van de eerste zin wordt bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald op welke wijze en gedurende
welke termijn deze gegevens worden opgeslagen.
-9. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen andere instanties en personen dan genoemd in het
eerste en het derde lid worden aangewezen voor wie de verplichtingen,
bedoeld in het eerste lid tot en met zevende lid, eveneens gelden, voor
zover het betreft de verstrekking van nader bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen inlichtingen en opgaven. [BS]
-10. Bij de algemene
maatregel van bestuur, bedoeld in het achtste lid, kan tevens worden bepaald
dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt jegens ambtenaren met
opsporingsbevoegdheid.
-11. Onze Minister van
Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is
ontnomen onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle overige
opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht op
een werkleeraanbod of een inkomensvoorziening, aan het college of, indien
het college aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
mandaat heeft verleend tot het nemen van besluiten inzake het doen
van een werkleeraanbod of het verstrekken van een inkomensvoorziening, aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, door tussenkomst van het
Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal
nummer.
Art. 50.
Inlichtingenverplichting gemeenten [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Onverminderd artikel 107
van de Vreemdelingenwet
2000 is het college bevoegd uit eigen
beweging en verplicht desgevraagd, uit de administratie ter zake van
de uitvoering van deze wet aan de hieronder vermelde instanties
kosteloos de gegevens te verstrekken:
a. het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank voor de
uitvoering van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of de
wettelijke regelingen, bedoeld in de artikelen
30, eerste lid,
onderdeel a, en 34, eerste lid, onderdeel a, van
die wet;
b. de belastingdienst
voor
de heffing of invordering van enige rijksbelasting, de premies voor de sociale
verzekeringen, bedoeld in artikel 2,
onderdeel
a en c, van de
Wet financiering sociale verzekeringen, of inkomensafhankelijke
bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet
en de Belastingdienst/Toeslagen voor de uitvoering van inkomensafhankelijke
regelingen als bedoeld in de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen;
c. het college van andere gemeenten voor de uitvoering van deze wet, de Wet werk en
bijstand, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004 en de Wet werk en inkomen kunstenaars;
d. het College
zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet, de
Nederlandse Zorgautoriteit, bedoeld in de Wet
marktordening gezondheidszorg en de zorgverzekeraars in de zin van artikel
1, onderdeel b, van
de Zorgverzekeringswet of van artikel
1, onderdeel
b, van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten voor de uitvoering van de Zorgverzekeringswet
of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. derden die in het kader
van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van
personen bevorderen;
f. buitenlandse organen voor
de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
g. bestuursorganen van de
Nederlandse Antillen en Aruba voor de vervulling van een taak van
zwaarwegend algemeen belang;
h. de Informatie Beheer Groep voor de uitvoering van de Wet
inburgering.
-2. Het verstrekken door het
college aan de in het eerste lid bedoelde instanties van de in het
eerste lid bedoelde gegevens kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.
-3. De in het eerste lid
bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke
levenssfeer van de betrokkenen daardoor onevenredig wordt geschaad.
-4. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de
gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens dienen te
worden verstrekt. [BS]
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen andere instanties dan genoemd in het eerste lid
worden aangewezen ten behoeve waarvan de verplichtingen, bedoeld in
het eerste lid, eveneens gelden.
Art. 51.
Burgerservicenummer [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. In de administratie van
de gemeente ter zake van de uitvoering van deze wet wordt het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal
nummer
opgenomen waaronder een natuurlijk persoon is geregistreerd bij de belastingdienst.
-2. Bij de verstrekking van
gegevens door het college en de in de artikelen 49 en
50 bedoelde
instanties wordt, indien daartoe bevoegd, gebruik gemaakt van dit
burgerservicenummer, onderscheidenlijk dit sociaal-fiscaal nummer.
Derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de
arbeidsinschakeling van personen bevorderen, gebruiken het
burgerservicenummer, onderscheidenlijk het sociaal-fiscaal nummer, slechts voor zover dat
noodzakelijk is voor het verrichten van werkzaamheden die in het
kader van artikel 11, eerste en derde lid, worden uitgevoerd.
-3. Ten behoeve van het
gebruik van het sociaal-fiscaal nummer bij het ontbreken van het
burgerservicenummer kan Onze Minister van Financiën aan personen aan wie een
werkleeraanbod wordt gedaan of een inkomensvoorziening wordt
verstrekt, een sociaal-fiscaal nummer toekennen indien aan die
personen nog geen sociaal-fiscaal nummer is toegekend.
Art. 52.
Vermoeden
misdrijf [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
Het college is verplicht,
indien het bij de uitvoering van deze wet het gegronde vermoeden krijgt
van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van een Nederlands of
buitenlands uitvoeringsorgaan van de socialeverzekeringswetten of van
een Nederlands of buitenlands overheidsorgaan, voor zover dit is belast met
het verrichten van uitkeringen, het doen van verstrekkingen dan
wel het heffen van bijdragen, het betrokken orgaan hiervan in kennis te
stellen.
Art. 53.
Geheimhoudingsplicht [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Het is een ieder verboden
hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de
uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of
wordt meegedeeld verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze
wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven
of toegestaan.
-2. Het in het eerste lid
vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
a. enig wettelijk
voorschrift tot bekendmaking verplicht;
b. de persoon op wie de
gegevens betrekking hebben schriftelijk heeft verklaard tegen de
verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben;
c. de gegevens niet
herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen.
-3. Ten behoeve van
wetenschappelijk onderzoek of statistiek kunnen desgevraagd gegevens aan
derden worden verstrekt voor zover de persoonlijke levenssfeer van
de betrokkenen daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
-4. De persoon die op grond
van dit artikel of de artikelen 48, 49,
51 of 52 gegevens verstrekt, dient na
te gaan of de persoon aan wie de gegevens worden verstrekt
redelijkerwijs bevoegd is te achten om die gegevens te verkrijgen.
HOOFDSTUK
7
Terugvordering
en verhaal
Art. 54.
Bevoegdheid
terugvordering [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Het college kan de kosten
van de inkomensvoorziening terugvorderen, voor zover die
inkomensvoorziening:
a. ten onrechte of tot een
te hoog bedrag is verleend;
b. op grond van artikel 32
bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen
recht op inkomensvoorziening bestaat;
c. anderszins onverschuldigd
is betaald, omdat de jongere naderhand met betrekking tot de
periode waarover de inkomensvoorziening is verleend over in aanmerking
te nemen vermogen of inkomen beschikt of kan beschikken; of
d. anderszins onverschuldigd
is betaald voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had
kunnen begrijpen.
-2. Indien het college op
grond van artikel 16, derde lid, gehouden is kosten verbonden aan een
werkleeraanbod of een inkomensvoorziening over een bepaalde periode
aan een andere gemeente te vergoeden, geschiedt de terugvordering
over die periode, voor zover zij nog niet heeft plaatsgehad, door het
college van eerstgenoemde gemeente.
-3. Het college is bevoegd
tot verrekening van in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen
met de inkomensvoorziening.
-4. Bij gebreke van tijdige
betaling kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering
betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premies
volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de inkomensvoorziening
verstrekt krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is,
alsmede de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de
Zorgverzekeringswet,
kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting, premies en
vergoeding niet verrekend kunnen worden met de door het college af te
dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding.
-5. Terugvordering als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, vindt niet plaats indien de
betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van
het besluit tot terugvordering.
Art. 55.
Terugvordering
echtgenoten [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Indien de
inkomensvoorziening overeenkomstig een norm als bedoeld in artikel
28,
eerste lid, had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven,
omdat de jongere de verplichtingen, bedoeld in artikel 44, of artikel
30c,
tweede lid of derde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten
van de inkomensvoorziening mede worden teruggevorderd van de
persoon met wiens middelen bij de verlening van de inkomensvoorziening
rekening had moeten worden gehouden.
-2. De in het eerste lid
bedoelde persoon is mede hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van
kosten van de inkomensvoorziening die worden teruggevorderd.
Art. 56.
Nadere bepalingen
terugvordering [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. De persoon van wie kosten
van de inkomensvoorziening worden teruggevorderd, is verplicht
desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor
terugvordering op grond van dit hoofdstuk van belang zijn.
-2. Het college kan de kosten
van de inkomensvoorziening, bedoeld in de artikelen 54 en
55,
invorderen bij dwangbevel.
-3. Indien de persoon van wie
kosten van de inkomensvoorziening, bedoeld in de artikelen 54
en 55, worden teruggevorderd algemene bijstand of een uitkering op
grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen 2004 of de Wet werk en inkomen kunstenaars
ontvangt, is het college bevoegd tot verrekening van die kosten
met die algemene bijstand of die uitkering.
-4. De in artikel 479g van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het
college. Indien het college gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de
bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel
4.4.4.2.10,¹ eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, door middel van toezending
per post aan de persoon van wie kosten van de
inkomensvoorziening worden teruggevorderd.
-5. Zolang de persoon van wie
kosten van de inkomensvoorziening worden teruggevorderd zijn
verplichting, bedoeld in het eerste lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het college, in
afwijking van artikel 4.4.1.9,² derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht,
bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de
schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije
voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4.4.4.2.3
³ van de
Algemene
wet bestuursrecht, niet bij invordering van kosten van de
inkomensvoorziening bij dwangbevel.
-6. Terugvordering van kosten
van de inkomensvoorziening, bedoeld in de artikelen 54 en
55, is
bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen omschreven in artikel 288
van Boek 3 van
het Burgerlijk Wetboek.
1. Volgens de redactie
dient "artikel
4.4.4.2.10" te worden vervangen door: artikel
4:123.
2. Volgens de redactie dient "artikel 4.4.1.9" te
worden vervangen door: artikel 4:93.
3. Volgens de redactie dient "artikel 4.4.4.2.3" te
worden vervangen door: artikel 4:116.
Art. 57.
Verhaal [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
Op verhaal van kosten van de
inkomensvoorziening is paragraaf 6.5 van de
Wet werk en bijstand van
overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
8
Wijziging
andere wetten
Art. 58.
Wijziging van de
Wet werk en bijstand [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
De Wet werk en bijstand wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 2 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Onderdeel a komt te
luiden:
a. premies
volksverzekeringen: premies volksverzekeringen als bedoeld in de
Wet financiering sociale verzekeringen;
2. Onderdeel b komt te
luiden:
b. premie
werknemersverzekeringen: werknemersaandeel in de premie, bedoeld in afdeling 2 van
hoofdstuk 3 van de
Wet financiering sociale verzekeringen.
B. [MvT]
In artikel 6, eerste lid,
onderdeel a, wordt na "deze wet of" ingevoegd: de Wet investeren in
jongeren,.
C.¹ [MvT]
In artikel 9, eerste lid,
aanhef, wordt "18 jaar" vervangen door: 27 jaar.
D. [MvT]
Artikel 9a, vierde lid,
derde zin, komt te luiden: Op deze periode worden in mindering gebracht de
periode, dan wel perioden, waarin de alleenstaande ouder in de voorgaande
woonplaats, dan wel in de voorgaande woonplaatsen, gebruik heeft
gemaakt van de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, alsmede de
periode, dan wel perioden, waarin toepassing is gegeven aan artikel
17,
vierde lid, van de Wet investeren in jongeren.
E. [MvT]
Artikel 13 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel e, komt te luiden:
e. die jonger is dan 18
jaar, voor zover het het recht op bijzondere bijstand betreft;.
2.¹ Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. die jonger is dan 27
jaar;.
F.¹ [MvT]
Artikel 20 vervalt.
G.¹ [MvT]
In artikel 21, aanhef, wordt "21 jaar" vervangen door: 27 jaar.
H.¹ [MvT]
In artikel 22, onderdeel d,
wordt "21 jaar" vervangen door: 27 jaar.
I.¹ [MvT]
In artikel 26 vervalt "artikel
20, eerste lid, onderdeel b en
c, en tweede lid, onderdeel b en c, en".
J.¹ [MvT]
In artikel 27 wordt "de
artikelen 20 en 21" vervangen door:
artikel 21.
K.¹ [MvT]
Artikel 29 vervalt.
L.¹ [MvT]
Artikel 30 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te
luiden:
-2. In deze verordening stelt
de gemeenteraad in elk geval vast dat, onverminderd de artikelen 27
en 28, de toeslag, bedoeld in artikel
25, voor de alleenstaande en de
alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning
geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het in dat
artikel genoemde maximumbedrag.
2. In het derde lid wordt "de artikelen 25 tot en met 29"
vervangen door: de artikelen 25 tot en met 28.
M.¹ [MvT]
In artikel 31, tweede lid,
vervalt onderdeel n, onder verlettering van de onderdelen o tot en met
r
tot onderdelen n tot en met q.
N.¹ [MvT]
In artikel 34, tweede lid,
onderdeel f, wordt "onderdeel q" vervangen door: onderdeel
p.
O.¹ [MvT]
Artikel 38 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid,
onderdeel a, wordt "de artikelen 20 en
21" vervangen door: artikel
21.
2. In het tweede lid wordt "onderdeel j en o"
vervangen door: onderdeel j en n.
P. [MvT]
Artikel 69, eerste lid, komt
te luiden:
-1. Onze Minister verstrekt
jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het college een uitkering voor
de kosten van de door het college toegekende:
a. algemene bijstand;
b. inkomensvoorziening,
bedoeld in de Wet investeren in jongeren.
In de uitkering zijn begrepen
de loonbelasting, de premies volksverzekeringen die daarover verschuldigd
zijn en de in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet
bedoelde
vergoedingen van de inkomensafhankelijke bijdragen daarover. De
uitkering wordt ten
minste drie maanden voorafgaand aan het kalenderjaar waarop zij
betrekking heeft door Onze Minister vastgesteld.
Q.
Artikel 78f wordt als volgt
gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de
aanduiding "-1." geplaatst.
2. In het eerste lid wordt
na "algemene bijstand ontvangen" ingevoegd "dan wel een
inkomensvoorziening ontvangen op grond van de Wet investeren in jongeren"
en
wordt na "11," ingevoegd: 13,.
3. Er wordt een lid
toegevoegd, luidende:
-2. Indien verlening van
algemene bijstand op grond van het eerste lid aan zelfstandigen
plaatsvindt, zijn, indien het personen jonger dan 27 jaar betreft, de normen, bedoeld
in de artikelen 26 tot en met 33 van de Wet investeren in jongeren, van
toepassing.
1. Ingevolge het enig
artikel, tweede lid, van het Besluit van 1
juli 2009, Stb. 2009, 283, treedt artikel 58,
onderdeel C, E, onder 2, en F tot en met
O, in werking met ingang van 1 januari 2011, red.
Art. 59.
Wijziging van de
Wet participatiebudget [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 1 van de Wet
participatiebudget wordt aan het slot van de definitie van
re-integratievoorzieningen een zinsnede toegevoegd, luidende: , alsmede een
werkleeraanbod als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wet investeren
in jongeren.
Art. 60.
Wijziging van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
De Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 1, onderdeel l,
wordt na "de Wet werk en bijstand,"
ingevoegd: de Wet investeren in
jongeren,.
B. [MvT]
In artikel 9, eerste lid,
wordt na "de Wet werk en bijstand,"
ingevoegd: de Wet investeren in
jongeren,.
C. [MvT]
In artikel 30, vijfde lid,
onderdeel b, wordt na "de Wet werk en
bijstand," ingevoegd: de Wet investeren
in jongeren,.
D. [MvT]
In artikel 30c, eerste lid,
wordt na "Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers" ingevoegd: of voor een werkleeraanbod op grond
van de Wet investeren in jongeren.
E. [MvT]
In artikel 34, tweede lid,
onderdeel b, wordt na "de Wet werk en
bijstand," ingevoegd: de
Wet investeren in jongeren,.
F. [MvT]
Artikel 62 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt
na "de Wet werk en bijstand," ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
2. In het tweede lid wordt
na "de Wet werk en bijstand," ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
Art. 61.
Wijziging van
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
Artikel 475d, tweede lid,
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering komt te luiden:
-2. De beslagvrije voet
bedraagt voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:
a. echtgenoten of
geregistreerde partners zonder ten laste komende kinderen waarvan beide
echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevinden:
90 procent van de norm, genoemd in artikel 28, eerste lid, onderdeel a,
van de Wet investeren in jongeren;
b. echtgenoten of
geregistreerde partners zonder ten laste komende kinderen waarvan één
echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar bevindt en de
andere 21 jaar of ouder is: 90 procent van de norm, genoemd in artikel
28,
eerste lid, onderdeel b, van de Wet investeren in jongeren;
c. echtgenoten of
geregistreerde partners met één of meer ten laste komende kinderen waarvan
beide echtgenoten zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar
bevinden: 90 procent van de norm, genoemd in artikel 28,
tweede lid, onderdeel a, van de Wet investeren in jongeren;
d. echtgenoten of
geregistreerde partners met één of meer ten laste komende kinderen waarvan
één
echtgenoot zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 20 jaar
bevindt en de andere 21 jaar of ouder is: 90 procent van de norm, genoemd
in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet investeren in
jongeren;
e. een alleenstaande ouder
jonger dan 21 jaar: 90 procent van de norm, genoemd in artikel
27,
onderdeel a, van de Wet investeren in jongeren;
f. een alleenstaande die
jonger is dan 21 jaar: 90 procent van de norm, genoemd in artikel
26,
onderdeel a, van de Wet investeren in jongeren.
Art. 62.
Wijziging van de
Algemene Kinderbijslagwet [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 17g, tweede lid,
van de Algemene Kinderbijslagwet wordt na "de Wet werk en
bijstand," ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
Art. 63.
Wijziging van de
Algemene nabestaandenwet [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 45, tweede lid,
van de Algemene nabestaandenwet wordt na "de Wet werk en
bijstand," ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
Art. 64.
Wijziging van de
Algemene Ouderdomswet [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 17i, tweede lid,
van de Algemene Ouderdomswet wordt na "de Wet werk en
bijstand," ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
Art. 65.
Wijziging van de
Toeslagenwet [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 14g, tweede lid,
van de Toeslagenwet wordt na "de Wet werk en
bijstand," ingevoegd: de
Wet investeren in jongeren,.
Art. 66.
Wijziging van de
Werkloosheidswet [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 27g, tweede lid,
van de Werkloosheidswet wordt na "de Wet werk en
bijstand," ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
Art. 67.
Wijziging van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 54, tweede lid,
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt na
"de Wet werk en bijstand," ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
Art. 68.
Wijziging van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 46, tweede lid,
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt na
"de Wet werk en bijstand," ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
Art. 69.
Wijziging van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 2, eerste lid,
onderdeel b, onder 2º, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen wordt na
"de Wet werk en bijstand" ingevoegd: en de Wet
investeren in jongeren.
Art. 70.
Wijziging van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 48, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt na "de Wet werk en
bijstand" ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
Art. 71.
Wijziging van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 48, eerste lid,
onderdeel c, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt na "de Wet werk en
bijstand" ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
Art. 72.
Wijziging van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 29g, tweede lid,
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt na "de Wet werk en
bijstand," ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
Art. 73.
Wijziging van de
Wet werk en inkomen kunstenaars [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
De Wet werk en inkomen kunstenaars wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 2, vierde lid,
onderdeel a, wordt "of de Wet werk en
bijstand" vervangen door: , de Wet
investeren in jongeren of de Wet werk en bijstand.
B. [MvT]
In artikel 43, eerste lid,
onderdeel c, wordt na "de Wet werk en
bijstand," ingevoegd: de
Wet investeren in jongeren,.
Art. 74.
Wijziging van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 96, tweede lid,
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt na "de Wet werk en
bijstand," ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
Art. 75.
Wijziging van de
Ziektewet [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
De Ziektewet wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 29b, tweede lid,
wordt na "de Wet werk en bijstand"
ingevoegd: of artikel 11,
eerste lid, van de Wet investeren in jongeren.
B. [MvT]
In artikel 45g, tweede lid,
wordt na "de Wet werk en bijstand,"
ingevoegd: de Wet investeren
in jongeren,.
Art. 76.
Wijziging van de
Wet financiering sociale verzekeringen [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
De
Wet financiering sociale verzekeringen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 49, eerste lid,
onderdeel d, wordt na "de Wet werk en
bijstand" ingevoegd: of artikel 11,
eerste lid, van de Wet investeren in jongeren.
B. [MvT]
In artikel 51, derde lid,
wordt na "de Wet werk en bijstand,"
ingevoegd: de Wet investeren in
jongeren,.
Art. 77.
Wijziging van de
Wet verzelfstandiging Informatiseringsbank [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 9e, tweede lid,
van de Wet
verzelfstandiging Informatiseringsbank wordt na "de Wet werk en
bijstand" ingevoegd: artikel 49 van de Wet investeren in
jongeren,.
Art. 78.
Wijziging van de
Wet studiefinanciering 2000 [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 3.17, derde lid,
onderdeel a, van de Wet
studiefinanciering 2000 wordt na "de
Wet werk en bijstand," ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
Art. 79.
Wijziging van de
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
Artikel 7.52 van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt
na "de Wet werk en bijstand," ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
2. In het vierde lid wordt
na "de Wet werk en bijstand," ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
Art. 80.
Wijziging van de
Wet op het consumentenkrediet [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
Artikel 5, onderdeel a, van
de Wet op
het consumentenkrediet komt te luiden:
a. waaraan als kredietnemer
deelneemt:
1º. echtgenoten of
geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3 van de
Wet werk en bijstand van
wie het gezamenlijk nettomaandinkomen niet hoger is dan de norm,
genoemd in artikel 21, onderdeel c, van
die wet;
2º. een alleenstaande ouder
als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de
Wet werk en bijstand van
wie het nettomaandinkomen niet hoger is dan negentig procent van de norm,
bedoeld onder 1º;
3º. een alleenstaande als
bedoeld in artikel 4, onderdeel a, van de
Wet werk en bijstand van wie
het nettomaandinkomen niet hoger is dan zeventig procent van de norm,
bedoeld onder 1º;
4º. echtgenoten of
geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3 van de Wet investeren in
jongeren van wie het gezamenlijk nettomaandinkomen niet hoger is dan de van
toepassing zijnde norm, genoemd in artikel 28 van die wet;
5º. een alleenstaande ouder
als bedoeld in artikel 4 van de Wet investeren in
jongeren van
wie het nettomaandinkomen niet hoger is dan de norm, genoemd in
artikel 27 van die wet; of
6º. een alleenstaande
jongere als bedoeld in de Wet investeren in jongeren van wie het nettomaandinkomen niet hoger is dan de van toepassing zijnde norm,
genoemd in artikel 26, van die wet; dan wel
Art. 81.
Wijziging van de
Wet op de loonbelasting 1964 [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 2, zesde lid, van
de Wet op
de loonbelasting 1964 wordt na "de Wet werk en
bijstand," ingevoegd: of de Wet investeren in jongeren,.
Art. 82.
Wijziging van de
Wet kinderopvang [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
De Wet kinderopvang wordt
als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 6, eerste lid,
onderdeel c, wordt als volgt gewijzigd:
1. Na "op grond van de Wet werk en
bijstand," wordt ingevoegd: de Wet investeren in jongeren,.
2. Na "artikel 7, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand,"
wordt ingevoegd: artikel 11,
eerste lid, van de Wet investeren in jongeren,.
B. [MvT]
Artikel 22 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In het eerste lid,
onderdeel a, wordt na "artikel 7, eerste lid, aanhef en onder
a, of derde lid,
tweede zin, van de Wet werk en bijstand,"
ingevoegd: artikel 11,
eerste lid, van de Wet investeren in jongeren,.
2. In het tweede lid wordt
na "en algemene bijstand ontvangt op grond van de Wet werk en
bijstand," ingevoegd: of een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren
in jongeren.
C. [MvT]
In artikel 35, eerste lid,
wordt na "Wet werk en bijstand,"
ingevoegd: artikel 11, eerste lid, van
de Wet investeren in jongeren,.
Art. 83.
Wijziging van de
Wet inkomstenbelasting 2001 [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
In artikel 6.3, eerste lid,
onderdeel c, wordt na "paragraaf 6.5 van de
Wet werk en bijstand" ingevoegd: of
artikel 57 van de Wet investeren in jongeren.
Art. 84.
Wijziging van de
Wet inburgering [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
De Wet inburgering wordt als
volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 20, eerste lid,
wordt "op grond van de Wet werk en bijstand"
vervangen door: op grond van
de Wet werk en bijstand, dan wel de Wet investeren in jongeren.
B. [MvT]
In artikel 24b, eerste lid,
wordt "op grond van de Wet werk en bijstand"
vervangen door: op grond van
de Wet werk en bijstand, dan wel de Wet investeren in jongeren.
C. [MvT]
In artikel 37 wordt na "Wet werk en bijstand,"
ingevoegd: de inkomensvoorziening kan worden verlaagd op grond
van artikel 37 van de Wet investeren in jongeren,.
Art. 85.
Inwerkingtreding
Aanpassingswet vierde tranche Awb [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
Indien het bij koninklijke
boodschap van 24 augustus 2007 ingediende voorstel van wet tot
aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de
Algemene wet
bestuursrecht (Aanpassingswet vierde tranche Awb) (Kamerstukken
31 124) tot wet is of wordt verheven en hoofdstuk 10 van
die wet
later in werking treedt dan hoofdstuk 8 van deze wet, wordt in de
artikelen 62, 63, 64,
65, 66, 67, 68,
72, 74 en 75,
onderdeel B, van deze wet
"tweede lid" vervangen door: derde lid.
HOOFDSTUK
9
Overgangs-
en slotbepalingen
Art. 86.
Overgangsrecht [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Op de jongere die op de
dag vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet algemene bijstand
op grond van de Wet werk en bijstand ontvangt, blijft de Wet werk
en bijstand van toepassing tot het tijdstip waarop die jongere zijn
recht op algemene bijstand verliest, met dien verstande dat die jongere in
ieder geval twaalf maanden na inwerkingtreding van deze wet het recht op
algemene bijstand verliest.
-2. Gedurende de periode dat
de jongere op grond van het eerste lid recht op algemene bijstand
op grond van de Wet werk en bijstand heeft, is deze wet niet een
voorliggende voorziening in het kader van de uitvoering van de Wet werk en bijstand.
-3. Onverminderd het eerste
lid blijft de Wet werk en bijstand van toepassing tot en met 31
december 2010 op de jongere die:
a. alleenstaande ouder is;
b. in een gemeente
woont die
deelneemt aan het experiment dat op het moment van inwerkingtreding
van deze wet bestaat op grond van artikel 83 van de
Wet werk en bijstand; en
c. op de dag vóór de datum
van inwerkingtreding van deze wet algemene bijstand ontvangt
op grond van de Wet werk en bijstand en deze algemene bijstand
sindsdien onafgebroken ontvangt.
Art. 87.
Aanwijzing
minister [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
Onze Minister kan, indien
hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet
ernstige tekortkomingen constateert, aan het college, nadat het gedurende
acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te
brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming
inzake individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen
waarbinnen het college de uitvoering in overeenstemming heeft
gebracht met deze aanwijzing.
Art. 88.
Toezicht op de
naleving [Geschiedenis:
versie 1 juli 2009]
Met het toezicht op de
naleving van deze wet zijn belast de bij besluit van het college aangewezen
ambtenaren.
Art. 89.
Verantwoording
gemeenten en uitvoeringsbeeld [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Het college legt
verantwoording af aan Onze Minister over de uitvoering van deze
wet op
de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
-2. Het college dient
jaarlijks bij Onze Minister een beeld van de uitvoering in.
-3. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld inzake het beeld van de uitvoering. [RWW]
Art. 90.
Informatievoorziening [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
-1. Het college en de
gemeenteraad verstrekken desgevraagd aan Onze Minister
de inlichtingen die
hij voor het toezicht, de statistiek, de informatievoorziening en de
beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
-2. Onze Minister stelt een
beleidsplan op dat het kader biedt waarbinnen hij de inlichtingen, bedoeld
in het eerste lid, vraagt. Over het beleidsplan of een wijziging daarvan
overlegt hij met de daartoe door hem aangewezen rechtspersoon die de gemeenten vertegenwoordigt.
[RsWWIIW]
-3. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze
waarop het college en de gemeenteraad de in het eerste lid bedoelde
inlichtingen verzamelen en verstrekken, waarbij kan worden bepaald dat
categorieën van gemeenten bepaalde inlichtingen niet hoeven te verzamelen en
te verstrekken. [RsWWIIW]
-4. De inlichtingen, bedoeld
in het eerste lid, en het beeld van de uitvoering, bedoeld in
artikel 89, worden kosteloos verstrekt.
Art. 91.
Begrip besluit,
cassatie en onverwijlde financiële ondersteuning [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
De artikelen 79, 80 en
81
van de Wet werk en bijstand zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 92.
Evaluatie [Geschiedenis:
versie 1 juli 2009]
Onze Minister zendt binnen
twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de
praktijk.
Art. 93.
Inwerkingtreding [Geschiedenis:
MvT; versie
1 juli 2009]
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 1 juli 2009, Stb. 2009, 283, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 oktober 2009,
met uitzondering van artikel 58, onderdeel C, E, onder 2, en
F tot en met O, dat in werking treedt met ingang van
1 januari 2011, red.
Art. 94.
Citeertitel [Geschiedenis:
versie 1 juli 2009]
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet investeren in jongeren.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
1 juli 2009
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma
De Minister voor Jeugd en
Gezin,
A. Rouvoet
De Staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart
Uitgegeven de tweede
juli 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
MEMORIE VAN TOELICHTING
|
|