De
regering streeft naar een toename van de arbeidsparticipatie en een beter functionerende
arbeidsmarkt en neemt daartoe een reeks van samenhangende maatregelen. Het voorliggende
wetsvoorstel, dat ziet op
jongeren tot 27 jaar, maakt
daar deel van uit. Het grootste deel van de jongeren gaat naar school of
werkt. Maar er is een deel van de jongeren dat niet meedoet aan onze
samenleving. De regering wil deze jongeren activeren en
bijstandsafhankelijkheid tegengaan. Het is sociaal niet aanvaardbaar en economisch
niet verantwoord dat jongeren langs de zijlijn staan. Om de positie
van deze jongeren te verbeteren, acht de regering arbeidsparticipatie van
eminent belang. Arbeidsparticipatie beschermt jongeren tegen
sociale problemen zoals armoede, sociale uitsluiting, criminaliteit
en integratieproblemen. Dit wetsvoorstel strekt ertoe de duurzame
arbeidsparticipatie van jongeren tot 27 jaar te bevorderen en te komen tot een
substantiële verhoging van hun arbeidsparticipatie. Aldus wordt in hun toekomst
geïnvesteerd.
rblz.|2| Dit wetsvoorstel
vloeit voort uit de afspraak in het Coalitieakkoord over een leer-/werkplicht voor
jongeren tot 27 jaar die bestuurlijk kan worden gehandhaafd door middel van
verplichtende begeleidingstrajecten gericht op scholing op straffe van
inhouding op een eventuele uitkering.¹ Omdat de benaming werkleerrecht
naar de mening van de regering meer recht doet aan de intentie en het
doel van dit wetsvoorstel, geeft de regering aan deze benaming de
voorkeur boven die van leer-/werkplicht. In dit wetsvoorstel vormt het leren geen doel,
maar een middel naar duurzame arbeidsparticipatie en sluit
de terminologie werkleerrecht en werkleeraanbod naar mening van de regering
daar goed bij aan.
1. Kamerstukken II 2006-2007,
30 891, nr. 4, blz. 24.
In de beleidsnota, verzonden
aan de Tweede Kamer bij brief van 21 december 2007,¹ zijn de
contouren van het werkleerrecht geschetst. Naar aanleiding van deze beleidsnota heeft de vaste commissie voor
Sociale Zaken en
Werkgelegenheid d.d. 18 februari 2008 opmerkingen gemaakt en vragen aan het
kabinet voorgelegd. Deze vragen en de antwoorden daarop zijn
opgenomen in een schriftelijk verslag.² De beleidsnota is vervolgens op
16 april 2008 in een algemeen overleg met de Tweede Kamer besproken.³
Uiteraard zijn de uitkomsten van dit overleg bij dit wetsvoorstel
betrokken. Dat geldt ook voor de uitkomsten van de consultaties van de
sociale partners en gemeenten en hun vertegenwoordigers.
1. Kamerstukken II 2007-2008,
29 544 en 30 545, nr. 132.
2. Kamerstukken II 2007-2008,
29 544, nr. 145.
3. Kamerstukken II 2007-2008,
29 544, nr. 150.
2. Context
Tot dusverre hebben
opeenvolgende kabinetten belangrijke maatregelen genomen om jeugdwerkloosheid
te bestrijden. Het kabinet-Balkenende II heeft een Plan van Aanpak Jeugdwerkloosheid opgesteld dat de daartoe
opgerichte Taskforce
Jeugdwerkloosheid heeft uitgevoerd. In zijn eindadvies stelt de Taskforce dat,
hoewel de aantallen onder controle zijn, er nog wel sprake is van een
harde kern van structurele jeugdwerkloosheid.¹
1. Kamerstukken II 2006-2007,
29 544 en 23 972, nr. 103, bijlage.
In april 2005 is de
motie-Verhagen c.s. aangenomen, met het verzoek om een leerwerkplicht voor
jongeren tot 23 jaar in het leven te roepen.¹
1. Kamerstukken II
2004-2005,
29 454, nr. 8.
Daarnaast heeft de
"Operatie Jong" (van 2004 tot 2007) zich onder andere gericht op de bestrijding
van jeugdwerkloosheid door middel van versterking van de samenhang in het
jeugdbeleid. In dat kader zijn ook diverse maatregelen getroffen.
Ook is het beleid van het
ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erop gericht om jongeren
goed voor te bereiden op de arbeidsmarkt. Het behalen van startkwalificatie is daarbij van groot belang, zeker
gezien het feit dat de
komende jaren de schaarste aan goed opgeleide mensen toe zal nemen. Daarom
zet het huidige kabinet de Aanval op Schooluitval, die in 2006
onder het kabinet-Balkenende III is gestart, met kracht door: in 2012 mogen
er maximaal 35 000 nieuwe voortijdig schoolverlaters zijn, een halvering ten
opzichte van de 71 000 in 2002. Met extra acties en met extra geld,
van €|22 miljoen in 2008 tot (indicatief) €|71 miljoen in 2011. Het accent
ligt hierbij op preventie: jongeren binnen de school houden en een betere
aansluiting bij de overgang van schooltypen. Speerpunten zijn onder meer
extra aandacht voor de overgang van VMBO naar MBO, meer en
betere zorg op school en betere loopbaanoriëntatie, studiekeuze en begeleiding.
Er zijn 39 vierjarige convenanten met scholen en gemeenten in
de regio’s van de Regionale Meldingscentra (RMC) gesloten om de
reductiedoelstelling te realiseren.¹
1. Kamerstukken II 2007-2008,
26 695, nr. 42.
In
Werken aan vakmanschap.
Strategische Agenda Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie 2008-2011 ¹
zijn een aantal thema’s benoemd om de aansluiting tussen het beroepsonderwijs en de arbeidsmarkt te
verbeteren, rblz.|3|
zoals het uit
kwantitatief oogpunt beter afstemmen van het aanbod aan beroepsopleidingen op de
vraag vanuit de arbeidsmarkt.
1. Kamerstukken II 2007-2008,
27 451, nr. 86.
De interdepartementale
directie Leren en Werken speelt in dit verband een belangrijke rol. Deze
directie stimuleert vanaf 2005 regionale samenwerking tussen de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI)-partijen, gemeenten
en onderwijs ter bevordering van een leven lang leren. Daarbij gaat het
om het opzetten van een infrastructuur waar werkgevers, werknemers en
werkzoekenden terecht kunnen voor informatie en advies over leren en
werken (zogenaamde leerwerkloketten) en het realiseren van duale
trajecten en erkennen-van-verworven-competentiestrajecten (EVC-trajecten). EVC brengt
in beeld wat iemand kan (herkenning van vaardigheden), juist ook die vaardigheden die zijn opgedaan buiten de
schoolomgeving, zoals op het
werk, via hobby’s en vrijwilligerswerk. Bovendien worden met EVC
deze vaardigheden ook erkend via een opleidingsinstantie. Vaak
met aanvulling van een verkort scholingstraject kan de EVC-deelnemer (een
werkende of werkzoekende) alsnog het beoogde diploma behalen of
vaardigheden verwerven, waarmee hij binnen zijn organisatie
bijvoorbeeld kan doorstromen of de beoogde functie/vacature bij een
werkgever kan vervullen.
In de periode 2005-2007
zijn ruim 28 000 duale trajecten en 15 000 EVC-trajecten uitgevoerd,
waarvan ruim 4000 duale trajecten en 700 EVC-trajecten betrekking
hadden op jongeren tot 23 jaar. De doelstelling van het kabinet is om, ter
voorkoming van jeugdwerkloosheid, in deze kabinetsperiode 20 000
trajecten (duaal en EVC) te realiseren voor werkende jongeren zonder
startkwalificatie.
In het Coalitieakkoord, dat
de basis vormt voor het kabinet-Balkende IV, komt de noodzaak van
blijvende aandacht voor de jeugdwerkloosheid tot uiting. Zo heeft dit kabinet
het project "Iedereen doet mee" gestart, met als doel mensen met een
grote afstand tot de arbeidsmarkt aan de slag te helpen. Het werkleerrecht
maakt daar deel vanuit. In aansluiting op het Coalitieakkoord is in
"Samen aan de slag. Bestuursakkoord Rijk en gemeenten" van 4 juni
2007 ¹ het werkleerrecht opgenomen. Onder leiding van de door dit
kabinet ingestelde Minister voor Jeugd en Gezin streeft het kabinet naar
invoering van diverse maatregelen ter oplossing van jeugdproblematiek, zoals
de landelijke invoering van Centra voor Jeugd en Gezin, de invoering
van campussen en de totstandkoming van de Verwijsindex Risicojongeren.
Daarnaast wil het kabinet dat hulpverleners bij het begeleiden en
behandelen van jongeren ook oog hebben voor toekomstige participatie van
die jongeren. Dit vraagt om een cultuuromslag die actief ondersteund moet
worden door de verschillende beroepsgroepen in de
jeugdzorg. De Minister voor Jeugd en Gezin gaat hierover in overleg met de
koepels van instellingen van jeugd geestelijke gezondheidszorg, provinciale
jeugdzorg en jeugd licht verstandelijk gehandicapten.
1. Kamerstukken II 2006-2007,
30 800 B, nr. 17, bijlage.
Het kabinet streeft naar een
sluitende aanpak voor schoolverlaters en jeugdige werklozen. Ondanks
dat de omvang van de jeugdwerkloosheid is afgenomen, blijft er een beperkte groep bestaan met meervoudige
problemen die onvoldoende
deelneemt aan maatschappelijke activiteiten. Het kabinet wil zich voor
deze groep inzetten en zorgen voor een sluitende aanpak met vrijheid voor een
regionale invulling op maat. De Minister voor Jeugd en Gezin is
verantwoordelijk voor de samenhang van de kabinetsinspanningen op het
terrein van jeugd en gezin. Om deze reden zal de Minister voor Jeugd
en Gezin begin 2009 met een helder en overzichtelijk product komen om het
kabinetsbeleid rondom deze problematiek in kaart te brengen.
rblz.|4|
Het bestrijden van
jeugdwerkloosheid en het terugdringen van voortijdig school verlaten zijn niet
alleen van belang voor de betrokken jongeren zelf, maar ook voor de samenleving
als geheel. Werkloosheid gaat immers op directe wijze met kosten
gepaard (uitkeringen, onbenutte potentiële productie, etc.).
Voortijdig schoolverlaten leidt er vaak ook toe dat jongeren geen vaste plek op
de arbeidsmarkt kunnen verwerven en een groter werkloosheidsrisico
lopen, soms met een structureel karakter. Voortijdig school verlaten
gaat daarom ook - maar dan op meer indirecte wijze - met economische
kosten gepaard.
Tegelijkertijd zal er ook de
komende jaren sprake zijn van een grote vraag naar arbeid en veel
openstaande vacatures. Dat betekent dat (werkloze) jongeren op de arbeidsmarkt
hard nodig zijn. Jongeren die nog op school zitten, moeten dat echter
zoveel mogelijk blijven doen (geen groenpluk), in ieder geval tot ze ten
minste een startkwalificatie hebben behaald. Dat biedt voor de toekomstige
arbeidsmarktpositie van deze jongeren de beste kansen.
3. Uitgangspunten en
hoofdlijnen van het werkleerrecht
Deze paragraaf behandelt de
uitgangspunten en de hoofdlijnen van het werkleerrecht voor jongeren
tot 27 jaar. In de daaropvolgende paragrafen worden de specifieke onderdelen van
dit wetsvoorstel nader uitgewerkt.
Het werkleerrecht berust op
de uitgangspunten dat de jongeren idealiter werken óf leren en dat goed
geschoolde dan wel over voldoende kwalificaties beschikkende jongeren makkelijker aan het werk zullen komen en
daardoor zelfstandig in hun
levensonderhoud kunnen voorzien. Vanuit die uitgangspunten is dit
wetsvoorstel gericht op het activeren van jongeren en het leggen van een
adequate basis voor duurzame arbeidsparticipatie. Hiertoe krijgen zij het
recht op een werkleeraanbod van de zijde van de gemeente.
Door middel van het
werkleerrecht investeren jongeren en de overheid over en weer in een betere
toekomst. Door arbeidsparticipatie kunnen niet alleen de jongeren zelf maar
ook hun eventuele kinderen uiteindelijk profiteren van een betere
sociaaleconomische ontwikkeling. Daarmee kan een cultuur van armoede worden
doorbroken, die soms van generatie op generatie wordt doorgegeven.
Dit rechtvaardigt een grote investering van zowel de jongere als de
overheid in het leggen van een adequate basis voor duurzame
arbeidsparticipatie.
Daarom verplicht dit
wetsvoorstel de gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De gemeentelijke investering zal niet alleen gericht zijn op
"het laatste zetje" dat de
jongere nodig heeft naar reguliere arbeid, maar evenzeer op een langdurig
traject als dat nodig is om een grotere afstand tot de arbeidsmarkt te
overbruggen. In die zin is het recht op een werkleeraanbod meer dan een recht op een
eenmalige voorziening; zo nodig is het een recht op een reeks van
voorzieningen die de duurzame arbeidsparticipatie van de jongere als
uiteindelijk doel hebben. Hoe lang de kortste weg naar duurzame
arbeidsinschakeling is, is een individueel gegeven dat wordt bepaald
door de afstand van de betrokken jongere tot de arbeidsmarkt. Het doel
van duurzame arbeidsinschakeling bepaalt het middel van de weg daar
naartoe.
De regering is van mening
dat het perspectief van (langdurige) uitkeringsafhankelijkheid niet past bij vorenstaande
uitgangspunten. De Wet werk en bijstand (Wwb) kent naar
onze mening op dit punt beperkingen. Uitgangspunt bij die wet is
het recht op algemene bijstand, met als afgeleide de plicht tot
arbeidsparticipatie. De regering wil echter een paradigmawisseling: een
recht voor de jongere op een aanbod gericht op rblz.|5|
duurzame
arbeidsparticipatie, met als afgeleide een inkomensvoorziening als van de
jongere niet kan
worden gevergd dat die het werkleeraanbod uitvoert of als dat aanbod
onvoldoende inkomen genereert.
Primair beoogt
dit
wetsvoorstel dus jongeren te laten werken of leren of een combinatie van beide.
Daartoe krijgt de jongere het recht op een werkleeraanbod van de zijde
van de gemeente. Om die reden heeft de regering de voorkeur gegeven
aan de term werkleerrecht boven de werkleerplicht. Alleen in de situatie dat
een werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere
gelegen of niet-verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is
of dit aanbod onvoldoende inkomsten genereert, is een inkomensvoorziening
gegarandeerd. Deze inkomensvoorziening sluit aan bij die van de Wwb. Anders dan bij de
Wwb, waar het niet meewerken aan de arbeidsinschakeling leidt tot tijdelijke verlaging van
het recht op bijstand,
bestaat geen recht op de inkomensvoorziening als de jongere het
werkleeraanbod weigert of daar ondubbelzinnig onvoldoende aan meewerkt.
De samenhang tussen het
werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening anderzijds is, zoals wij in
de volgende paragrafen nader toelichten, een bepalend
element van dit wetsvoorstel.
Bij het werkleerrecht geldt
geen meldplicht. Jongeren melden zich uit eigen beweging bij de gemeente. De introductie van een algemene plicht voor jongeren waarmee alle
jongeren die niet leren of werken zouden worden bereikt, dus ook
(probleem)jongeren die zich niet vrijwillig zouden melden, zou op gespannen
voet staan met diverse internationale bepalingen. In dit verband wordt
verwezen naar het advies van de Raad van State bij een eerder
wetsvoorstel voor een leerwerkplicht tot 23 jaar, ingediend in het kader van de
aanpassing van de leerplicht en het invoeren van de kwalificatieplicht
tot 18 jaar. Bij dit eerdere wetsvoorstel heeft de Raad van State aangegeven
dat de daarin voorgestelde leerwerkplicht, getoetst aan het Europees
Verdrag tot Bescherming van de Rechten voor de Mens en Fundamentele
Vrijheden [lees: Europees verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, red.], het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten en Conventie 29 van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO),
raakt aan het verbod op gedwongen arbeid. In dit verband wordt door de
Raad tevens verwezen naar Conventie 105 van de ILO en het Europees
Sociaal Handvest.¹ De voorgestelde leerwerkplicht ging uit van een
rechtstreekse en algemene wettelijke verplichting voor personen jonger dan 23 jaar
(indien zij niet beschikten over een basiskwalificatie) om onderwijs te volgen,
behalve indien zij deelnamen aan het arbeidsproces. Mede naar
aanleiding van dit advies van de Raad van State is de toenmalige regering
tot overweging gekomen om geen algemene meldplicht voor jongeren in
te voeren. In het vervolg van de memorie van toelichting is nader
ingegaan op de verhouding van het thans voorliggende wetsvoorstel tot de
Grondwet
en internationaalrechtelijke bepalingen, alsmede op de positie van
niet-melders.
1. Kamerstukken II 2006-2007,
30 901, nr. 4.
4. Relatie met de Wet werk
en bijstand
4.1. Inleiding
De gemeentelijke inzet van
de bestaande instrumenten via een geconcentreerde, directe aanpak ten aanzien
van jongeren binnen de Wwb levert een betekenisvolle bijdrage aan het terugdringen van de jeugdwerkloosheid.
Meer dan 80% van de gemeenten zet de work-firstaanpak in. Jongeren zijn daarbij de
voornaamste doelgroep. Vrijwel alle gemeenten beschouwen work first als het
meest effectieve instrumentarium voor nieuwe instromers en
kansrijke uitkeringsgerechtigden. Het door de gemeenten ervaren succes
van work first wordt ondersteund door resultaten. rblz.|6|
In gemeenten die een
work-firstaanpak hanteren, neemt het aantal Wwb-uitkeringen meer dan
gemiddeld af.¹ De sluitende aanpak ² vertoont in de periode 2003-2006
bij de jongere bijstandsgerechtigden een stijgende lijn van 44% naar
62%.³ De
positieve ervaring met de work first is niet alleen gelegen in de
goede uitstroomresultaten, maar ook in de waardering van dit instrument door de
meeste deelnemers. Zij beoordelen, in tegenstelling tot veel
beelden die rondom work first bestaan, het work-firsttraject positief.4
Geleidelijk wordt de tendens zichtbaar dat work first ook voor de meer
kansarme werkzoekenden wordt ingezet, vooral bij gemeenten die al
enkele jaren deze aanpak hanteren. Met dit
wetsvoorstel wil de regering
deze tendens versterken en landelijk verankeren door de gemeenten te
verplichten om een aanbod te doen aan alle jongeren, dus ook de meer
kansarmen.
1. Ministerie van
SZW: " Werkt
de Wwb", december 2007, Divosa benchmark "Work
first
werkt", maart 2007 [Divosa: Vereniging
van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, red.].
2. De mate van sluitendheid
voor de gemeentelijke doelgroep geeft weer hoeveel
personen na instroom in de
werkloosheid binnen zes respectievelijk twaalf maanden een
re-integratietraject of een aanbod daartoe (dat al dan
niet heeft geleid tot uitstroom) hebben
ontvangen en hoeveel personen zonder hulp zijn
uitgestroomd.
3. CBS [Centraal bureau voor de statistiek, red.], Cijferonderzoek
Sluitende Aanpak.
4. Raad voor werk en inkomen, Work first:
aanbevelingen aan gemeenten, februari 2008.
Geconstateerd moet worden
dat niet alle gemeenten even succesvol zijn in de aanpak van de
jeugdwerkloosheid. Dit kan beter. Het hiaatpercentage voor jongeren,¹ dat zich
richt op de groep die niet binnen de zes maanden uit de werkloosheid
is en inzicht geeft in het deel van deze groep dat in de voorgaande
zes maanden geen ondersteuning bij re-integratie heeft
ontvangen, bedraagt in 2006 voor bijstandsgerechtigden tot 23 jaar 49% en voor
niet-uitkeringsgerechtigde jongeren tot 23 jaar 71%. Dit hiaatpercentage bedraagt in de eerste helft 2007 voor
bijstandsgerechtigden tot 23 jaar 52% en voor niet-uitkeringsgerechtigde jongeren tot 23 jaar 70%. Ondanks het
geboekte succes ten aanzien van de jongeren binnen de Wwb
blijft de
investering in jongeren dus onverminderd hard nodig.
1. Sinds 2006
geïntroduceerd. Cijfers op basis van CBS-gegevens.
Eind maart 2008 ontvingen
circa 23 325 huishoudens waarvan de oudste aanvrager jonger dan 27 jaar
is een bijstandsuitkering.¹ Vóór aanvang van de Wwb, eind 2003, was dat
aantal circa 48 000. Het aantal jongeren in de bijstand is onder de werking
van de Wwb dus exponentieel gedaald. Het streven is om deze daling te
continueren en waar mogelijk te intensiveren.
1. De cijfers in deze alinea
zijn afkomstig van het CBS. Naast deze 23 325
huishoudens zijn er ook nog circa 2200
huishoudens met een aanvrager ouder dan 27 jaar [leer: 27 jaar of ouder,
red.],
maar met een partner jonger dan 27 jaar.
Meer dan de helft van de
jongeren is eind maart 2008 alleenstaand (58%), een belangrijk aandeel is
alleenstaande ouder (38%). Wat de duur betreft, is eind maart 2008 47% van
de jongeren korter dan één jaar in de Wwb, en dus 53% langer dan die
periode. Van de jongeren tot 27 jaar die eind 2006 in de bijstand zaten,
heeft 11% een ontheffing van de arbeidsverplichtingen. Ultimo 2006 zat circa 54%
van de Wwb-jongeren tot 27 jaar in een
re-integratietraject. Het percentage jongeren met bijstand zonder startkwalificatie
wordt geschat op circa 68% (15 900).¹
1. Hoewel dit percentage van
2003 dateert, wordt aangenomen dat er aan
het opleidingsniveau van bijstandsontvangers niet
veel verandert.
De beoogde
paradigmawisseling, van recht op bijstand naar recht op een werkleeraanbod gericht op
duurzame arbeidsparticipatie, vormt de meerwaarde van het werkleerrecht ten
opzichte van de huidige praktijk; de succesvolle aanpak van veel gemeenten wordt omgezet in een landelijke regeling. Op deze manier
wordt aan gemeenten een extra impuls gegeven om met directe aanpak van
jongeren tot 27 jaar te starten of een reeds ingezette aanpak door te
ontwikkelen.
De noodzaak voor een
landelijke regeling ligt in de prioriteit die de regering geeft aan investering in
jongeren. De huidige beleidsvrijheid leidt er thans toe dat de afspraken
over de sluitende aanpak door de gemeenten niet gehaald worden. Het
vorengenoemde hiaatpercentage voor bijstandsgerechtigden van 52% en voor
niet-uitkeringsgerechtigde jongeren van 70% rechtvaardigt naar de
mening van de regering de noodzaak voor een landelijke regeling. Dit
percentage geeft aan dat een extra investering in jongeren nog wel degelijk
mogelijk is. Afwachten op optimalisering van de Wwb
verhoudt zich niet
goed tot de prioriteit die de regering geeft aan de toekomst van jongeren.
Voor de regering prevaleert het belang van rblz.|7|
bedoelde afspraken in dit
geval boven de beleidsvrijheid van de gemeenten.
Een landelijke regeling
verhoudt zich overigens goed met de uitgangspunten en positieve ervaringen met
de Wwb op het terrein van de financiële verantwoordelijkheid en met
de beleidsruimte om uitkeringsgerechtigde naar werk te leiden. Het
onderhavige wetsvoorstel verandert daar niets aan. De gemeente
heeft
de nodige beleidsruimte om in een individueel geval te bepalen welk
werkleeraanbod moet worden ingezet.
Het codificeren van de
directe aanpak van jongeren sluit ook aan bij de aanbeveling van de Raad voor
werk en inkomen (RWI) aan de gemeenten over
work first.¹ De RWI adviseert gemeenten om de inzet van work first niet alleen voor de nieuwe
instroom maar ook voor de totale populatie mogelijk te maken. Verder
beveelt de RWI gemeenten aan om de uitvoering van work first ook
beleidsmatig te verankeren.
1. Zie noot 6, blz.
2.
4.2. Waarom een nieuwe wet?
De regering heeft de
mogelijkheden verkend om het werkleerrecht te positioneren binnen het
wettelijke kader van de Wwb. De Wwb vormt immers, zoals ook is aangegeven in de eerdergenoemde beleidsnota, het
wettelijke kader voor de
huidige directe aanpak van jongeren. De keuze voor een afzonderlijk
wetsvoorstel, met een van de Wwb afwijkende systematiek, is gebaseerd op
de volgende overwegingen.
Het wetsvoorstel beoogt
gemeenten in een betere positie te brengen dan thans onder de Wwb, met name
om aldus ook de moeilijker te activeren personen maar ook niet-uitkeringsgerechtigden jongeren tot 27 jaar daadwerkelijk
te kunnen activeren. De
jongeren met een kansrijkere positie, en dus gemakkelijker te
activeren, zijn met de Wwb de afgelopen jaren al met succes geactiveerd. Deze
aanpak moet worden geïntensiveerd ten aanzien van de kansarme
jongeren met een (zeer) grote afstand tot de arbeidsmarkt. De Wwb kent
naar onze mening op dit punt beperkingen. Uitgangspunt bij die wet is
het recht op algemene bijstand, met als afgeleide de plicht tot arbeidsparticipatie
("uitkering, mits"). Om deze beperkingen
op te heffen, wil de regering
een paradigmawisseling bereiken. De nieuwe regeling hanteert het
uitgangspunt "geen uitkering, tenzij". Waar nu nog grote verschillen
mogelijk zijn in de gemeentelijke benadering van en inkomensondersteuning
voor jongeren, beoogt dit voorstel een uniforme aanpak. Deze aanpak
vergt regels die de uitvoering van de gemeenten meer sturen dan de Wwb, hetgeen niet binnen de filosofie van de
Wwb past. Vanuit dit gezichtspunt is de regering evenmin van
mening dat een aanscherping
van de Wwb passend is.
Het werkleerrecht wijzigt de
set van rechten en plichten, zowel voor jongeren als voor de gemeente. De Wwb regelt thans een, tegen de gemeente afdwingbaar, recht
op bijstand. Aan dat recht zijn voorwaarden voor de bijstandsgerechtigde
verbonden, gericht op arbeidsinschakeling. Voorts zijn gemeenten op
grond van de Wwb verplicht een verordening vast te stellen met
betrekking tot de ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en het aanbieden van
voorzieningen die daarop zijn gericht. Dit betreft zowel personen met
een bijstandsuitkering, als niet-uitkeringsgerechtigden. Individueel opeisbare
aanspraken ter zake van deze ondersteuning met bijkomende voorzieningen ontstaan
slechts voor zover de gemeenten
daarin in de genoemde
verordening voorzien. Het onderhavige wetsvoorstel zet deze voorwaardelijke
afspraken van de jongere om in een tegen de gemeente
afdwingbaar recht op een werkleeraanbod, met als spiegelbeeld een plicht van
de gemeente om ter zake een aanbod te doen, rblz.|8|
afgestemd op de krachten en
bekwaamheden, en op de mogelijkheden en omstandigheden waarin de
individuele jongere verkeert.
Bij het
niet nakomen van
verplichtingen en het niet meewerken aan het werkleeraanbod wijkt het
werkleerrecht af van de Wwb. Bij de Wwb moeten de verplichtingen worden nagekomen na de toekenning van de
uitkering. Er bestaat recht
op bijstand, het niet nakomen van verplichtingen leidt tot een tijdelijke
verlaging van de bijstand. Een blijvende maatregel is niet mogelijk.
Bij het werkleerrecht bestaat alleen dan recht op een inkomensvoorziening
als de jongere wegens in de persoon gelegen oorzaken of niet-verwijtbare omstandigheden
zijnerzijds, het werkleeraanbod niet kan
uitvoeren, dan wel het gemeentelijke aanbod accepteert en naar behoren
uitvoert en dit onvoldoende inkomen genereert. In laatstbedoelde situatie
gaat het nakomen van de verplichtingen dus ook vooraf aan
toekenning van de inkomensvoorziening; niet nakomen leidt tot uitsluiting van de inkomensvoorziening. Het fundamentele
verschil tussen een
tijdelijke verlaging en een uitsluiting is dat de jongere bij een uitsluiting
niet hoeft te wachten tot een bepaalde termijn is verstreken voordat het recht
op inkomensvoorziening opnieuw beoordeeld wordt, maar altijd kan
besluiten alsnog een werkleeraanbod te aanvaarden en daarmee per
direct een inkomen kan genereren. Dit geeft een directe, positieve
prikkel tot gedragsverandering.
Voorts is van belang dat de
regering met het werkleerrecht een maatschappelijk signaal wenst af te geven
dat een uitkeringsaanvraag nooit een vanzelfsprekend
perspectief mag zijn op jonge leeftijd. Er moet aan alle jongeren die niet
actief zijn een duidelijk signaal worden afgegeven dat men op jonge leeftijd
moet werken en/of leren voor zijn toekomst. Jongeren die gezond van
lichaam en geest zijn, horen niet in de bijstand.
De benadering van werklozen
werkzoekende jongeren binnen het werkleerrecht pleit eveneens voor een
afzonderlijke regeling. In de Wwb zijn de
re-integratievoorzieningen gekoppeld aan het recht op algemene bijstand en worden deze
daarnaast toegekend aan de categorie niet-uitkeringsgerechtigden. In dit
wetsvoorstel staat
het recht op een werkleeraanbod los van het recht op een
uitkering; het recht op een werkleeraanbod komt toe aan iedere jongere
die er niet op eigen gelegenheid in slaagt om te werken of te
leren. Daardoor is het bij dit wetsvoorstel niet nodig om onderscheid te
maken tussen uitkeringsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden. Dat het recht op een
werkleeraanbod toekomt aan iedere jongere die er niet
op eigen gelegenheid in slaagt om te werken of te leren, impliceert dus dat
inkomsten van de partner of vermogensbezit geen beletsel vormen voor
het recht op een werkleeraanbod. Dit sluit aan bij het streven van de
regering naar een zo groot mogelijke arbeidsparticipatie en bij de afspraken die in
het Bestuursakkoord zijn gemaakt over de groep die, vanuit de
context van de Wwb, is aangeduid als niet-uitkeringsgerechtigden.
De regering is van mening
dat met dit wetsvoorstel stigmatisering van jongeren wordt voorkomen.
Het werkleeraanbod vervangt het recht op bijstand. Hiermee wordt mede beoogd dat werkgevers een zo positief
mogelijk beeld van jongeren
krijgen; uit onderzoeken blijkt dat werkgevers terughoudender zijn bij het
aannemen van jongeren die in de bijstand zitten.
Door het inroepen van een
werkleerrecht voor jongeren wordt aangesloten bij de aanbevelingen gedaan
in het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)
"De verzorgingstaat herwogen". De Raad wijst erop dat de
noodzaak van een voldoende grote arbeidsparticipatie voor uitkeringsgerechtigden
betekent dat ze zoveel mogelijk rblz.|9|
betrokken moeten blijven in
leer- en werkprocessen, omdat langdurig werkverzuim of werkloosheid
vaak funest is voor toekomstige kansen op de arbeidsmarkt. De WRR
stelt in dit rapport voor om het recht op een uitkering voor werkloze
jongeren te vervangen door een recht op werk of opleiding.
De regering ziet in het
vorenstaande gegronde redenen om het werkleerrecht in een afzonderlijke wet te
regelen. Dit laat onverlet dat deze afzonderlijke wet waar het betreft de
inkomensvoorziening, de administratief rechtelijke bepalingen en de
financiering aansluit bij de Wwb. Dit wetsvoorstel
sluit ook aan bij de Wwb waar het koppeling met de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen (Wet SUWI) en de daarop gebaseerde ketensamenwerking betreft.
Dit betekent onder meer dat de beoogde geïntegreerde
dienstverlening op de zogeheten Locaties werk en inkomen
(LWI’s) mede
(elementen van) de uitvoering van het op deze plaats geregelde
werkleerrecht omvat.
5. Verhouding tot Grondwet
en internationaalrechtelijke bepalingen
Bij de uitwerking van het
werkleerrecht zijn de volgende grondwettelijke en voor Nederland bindende
internationaalrechtelijke bepalingen betrokken.
Op grond van de
artikelen 19, eerste lid, en 20, eerste lid, van de
Grondwet, de artikelen 1,
vierde lid, 10 en 30 van het Europees Sociaal Handvest [herzien] (ESH
(herzien)) en artikel 6, tweede lid, van het Verdrag inzake economische,
sociale
en culturele rechten (Esocul) bestaat er een algemene verplichting voor
de staat tot het voeren van een werkgelegenheids- en (re-)integratiebeleid.
Genoemde bepalingen laten wetgever en bestuur vrij in hun keuze
van doelen middelen [lees: doelen en middelen, red.].
Er zijn slechts een beperkt
aantal bepalingen (artikel 20, derde lid,
Grondwet; artikel 13, eerste
tot en met derde lid, ESH (herzien) en artikel 11, eerste lid, Esocul) die
inhoudelijke randvoorwaarden bevatten ten aanzien van het recht op
bijstand. Die bepalingen leggen een basisrecht op bijstand vast, maar laten
aan de wetgever de vrijheid om vorm en omvang van die bijstand
nader te regelen en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor
deze bijstand in aanmerking te komen.
De Grondwet en het ESH
(herzien) kennen dit basisrecht slechts toe aan Nederlanders (Grondwet) en
onderdanen van tot het ESH toegetreden staten (artikel 13, eerste tot en
met derde lid, ESH (herzien)). De voor Nederland geldende algemene en
bijzondere discriminatieverboden (onder andere: Twaalfde Protocol bij het
Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten voor de Mens en
Fundamentele Vrijheden [lees: Europees
verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,
red.] (EVRM), artikel 1 Europees verdrag betreffende sociale
en medische bijstand (EVSMB), artikel E ESH (herzien), artikel 26
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO)
en diverse discriminatieverboden in EU-verband) leiden er
evenwel toe dat dit basisrecht dient te worden toegekend aan al degenen die
rechtmatig in Nederland woonachtig zijn, ongeacht nationaliteit.
Tegen de achtergrond van de
algemene discriminatieverboden, als neergelegd in artikel 1
Grondwet,
artikel E van het ESH (herzien), het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het
BUPO, kan de vraag rijzen naar de
geoorloofdheid van een bijzonder bijstandsregime voor personen jonger dan 27 jaar
(de voorgenomen regeling valt voor een deel ook onder de werkingssfeer
van het specifieke verbod tot leeftijdsdiscriminatie, als vervat in Richtlijn
2000/78/EG). Het gegeven dat het bij rblz.|10|
deze groep gaat om personen
zonder arbeidsverleden, dan wel met een beperkt arbeidsverleden,
wordt door de regering een voldoende rechtvaardiging geacht voor een specifiek op
deze doelgroep gerichte regeling, waarin een extra accent
wordt gelegd op de toeleiding naar de arbeidsmarkt. De Nederlandse wetgeving
- en in het bijzonder ook de SZW-wetgeving - sluit aan bij een
indeling in leeftijdscategorieën die in Nederland algemeen wordt
geaccepteerd
en waarbij aan elke leeftijdscategorie - gerelateerd aan studie en
arbeidsdeelname - een gedifferentieerde set van rechten en plichten
wordt verbonden.¹ De bandbreedtes van de leeftijdscategorieën vallen binnen de
"margin of appreciation" die in het kader van de
internationaalrechtelijke discriminatieverboden aan de Nederlandse staat wordt
gelaten.
1. Grofweg wordt daarbij
uitgegaan van vier leeftijdsklassen: 4 tot 18
jaar, 18 tot grofweg 27 jaar, 27 tot grofweg 65 jaar
en grofweg 65 jaar of ouder.
De verboden tot dwangarbeid,
als neergelegd in artikel 1, tweede lid, van het ESH (herzien), artikel 4
van het EVRM, artikel 8 van het BUPO, artikel 6, eerste lid, van het Esocul en de ILO-verdragen 29 en 105, verzetten zich tegen een wettelijke
regeling waarbij aan
personen wettelijke arbeidsverplichtingen worden opgelegd, behoudens
in gevallen waarin één van de (beperkte) uitzonderingsgronden als
genoemd in die artikelen zich voordoet. Genoemde artikelen verzetten
zich er niet tegen dat aan een recht op (bijstands)uitkering arbeids-
of leerverplichtingen worden verbonden en evenmin dat slechts
uitkering wordt verleend ingeval betrokkene arbeids- of leerverplichtingen heeft
aanvaard. In het onderhavige wetsvoorstel is het werk- en leerrecht
echter vertaald in een plicht voor de gemeenten om aan
personen jonger dan 27 jaar een werkleeraanbod te doen. Het staat de desbetreffende personen
echter vrij om een dergelijke voorziening niet aan te vragen, c.q. een
aangeboden werkleeraanbod te weigeren. De consequentie daarvan is
uiteraard wel dat geen aanspraak kan worden gemaakt op een
inkomensgarantie van overheidswege (die is gekoppeld aan de aanvaarding van het,
op de omstandigheden van de persoon af te stemmen, werkleeraanbod),
maar dit is niet in strijd met de genoemde dwangarbeidverboden. Het is
een keuze die de betrokkenen zelf maken. Er bestaat geen verplichting
voor de overheid om in een dergelijke situatie uitkeringen te verschaffen.
Voor de volledigheid wordt
ten slotte nog vermeld dat, voor zover een werktraject bestaat uit
gesubsidieerde arbeid, de subsidiëring verenigbaar zal moeten zijn met de op
grond van de artikelen 87 e.v. van het EG-verdrag geldende
staatssteunregels.
Naar het oordeel van de
regering druist dit wetsvoorstel niet in tegen de
Grondwet en
internationaalrechtelijke bepalingen.
6. Doelgroep werkleerrecht
6.1. Inleiding
Tot de doelgroep van
dit wetsvoorstel behoren alle jongeren van 18 tot 27 jaar die niet leren en niet
werken en zich om die reden tot de gemeente wenden voor ondersteuning.
Bij het recht op werkleeraanbod geldt een uitzondering voor een kleine
groep 16- en 17-jarige jongeren, wat hierna wordt uitgelicht.
Aansluitend bij de Wwb geldt dat het jongeren betreft die in Nederland woonachtig
zijn en de Nederlandse nationaliteit hebben of daarmee gelijkgesteld
zijn.
Hierna wordt ingegaan op de
specifieke afbakening van de doelgroep van het werkleerrecht, waarbij
wordt ingegaan op de leeftijdsgrenzen, op de bijzondere groepen jongeren
binnen het werkleerrecht en ten slotte op de omvang en het bereik van de
potentiële doelgroepen.
rblz.|11|
6.2. Leeftijdsgrenzen
De leeftijdsgrenzen voor de
doelgroep van dit wetsvoorstel zijn bepaald op 16, respectievelijk 18 en
27 jaar, afhankelijk of het betreft het recht op een werkleeraanbod dan wel
het recht op de inkomensvoorziening.
Het uitgangspunt dat het
recht op een werkleeraanbod voor de jongeren vanaf 18 jaar zou moeten
gelden, acht de regering niet onverkort toepasbaar. Weliswaar vallen jongeren
tot 18 jaar onder de kwalificatieplicht, op grond waarvan zij een
volledig onderwijsprogramma moeten volgen dat gericht is op het halen van
een startkwalificatie. Toch acht de regering het voor een bepaalde groep
jongeren van 16 tot 18 jaar wenselijk dat zij ook in aanmerking komen voor het
gemeentelijke aanbod op grond van het werkleerrecht indien zij
zich tot de gemeente wenden. Het gaat om de situatie waarin jongeren al
vóór hun 18de verjaardag de startkwalificatie behalen of op grond van de
Leerplichtwet 1969 vrijgesteld zijn van de kwalificatieplicht. De groep
jongeren die deze vrijstelling hebben, kan wel onder bereik van het
werkleeraanbod vallen. Naar verwachting zal echter slechts een fractie van hen
aanspraak maken op een gemeentelijk werkleeraanbod, aangezien voor het overgrote
deel van deze groep geldt dat zij aanspraak kunnen maken
op andere regelingen, zoals de Wajong. De verwachting is derhalve dat
de jongeren in de leeftijdscategorie van 16 tot 18 jaar een minimaal beroep
zullen doen op het werkleeraanbod.
Voor de inkomensvoorziening
daarentegen geldt, aansluitend op de huidige leeftijdsgrens in de Wwb, een leeftijdsgrens van 18 jaar. Voor de jongeren onder 18 jaar
bestaat geen recht op een inkomensvoorziening; voor de ouders van deze
jongeren bestaat recht op kinderbijslag, een en ander conform de bestaande
regelgeving.
De gehanteerde
leeftijdsgrenzen binnen het werkleerrecht zijn ter beoordeling voorgelegd aan de
Commissie gelijke behandeling (CGB). De CGB is van oordeel dat de keuze
voor het vaststellen van een maximumleeftijd valt binnen de
beoordelingsvrijheid van de overheid. Gelet op de wens jeugdwerkloosheid tegen te
gaan, ligt een beperking in leeftijd voor de hand, mede gezien de omvang
van de doelgroep. Gezien het grote belang dat het kabinet hecht aan
het voorkomen dat jongeren in de bijstand terechtkomen en daarmee
opgesloten dreigen te raken in een "bijstandsval" en langdurig buiten de
maatschappij komen te staan, concludeert de CGB dat de leeftijdsgrenzen
in deze maatregel die specifiek is gericht op jongeren van 16 tot 18 en 27
jaar objectief gerechtvaardigd zijn. De CGB heeft dit geconcludeerd aan
de hand van een beoordeling van het middel dat ter bereiking van het
doel is ingezet. Het middel dat wordt gehanteerd, is volgens de CGB passend en
noodzakelijk. Wel beveelt de CGB aan de maximumleeftijdsgrens
nogmaals te bezien in het licht van de samenhang tussen de argumentatie voor
de leeftijdsgrenzen in de studiefinanciering (30 jaar) en het onderhavige
wetsvoorstel. Het advies van de CGB is verwerkt in hoofdstuk
16.
De bovengrens van 27 jaar
berust op de gedachte dat jongeren tot deze leeftijd zich nog
voorbereiden op de toekomst door het leren en/of werken en in het algemeen nog
relatief weinig arbeidsverleden hebben opgebouwd. Door de afbakening van de
doelgroep tot 27 jaar wordt bijzondere aandacht gegeven aan de
activering of scholing juist van jongeren en nog meer nadruk gelegd op het
opleggen van verplichtingen aan jongeren. Met de maximumleeftijdsgrens
is aangesloten bij de algemene notie dat de verantwoordelijkheid van
de samenleving voor de opleiding van personen afneemt en de eigen verantwoordelijkheid toeneemt naarmate
personen ouder worden. De
leeftijdsgrens van 27 jaar sluit daarmee aan bij het gehanteerde
onderscheid in de gemeentelijke praktijk en het beleid, rblz.|12|
zoals de jongerenloketten
tot 27 jaar. Deze bovengrens sluit bovendien aan bij bestaande, met name
fiscale, wet- en regelgeving.
Personen van 27 jaar
of ouder kunnen voor zover noodzakelijk een beroep doen op de Wwb. De effecten
van dit wetsvoorstel zullen naar verwachting eveneens positieve effecten
hebben op de Wwb. Waar gemeenten goede ervaringen aan de hand
van het onderhavige wetsvoorstel opdoen, kunnen deze worden ingezet
ten aanzien van de bijstandspopulatie.
6.3. Bijzondere groepen
Alleenstaande ouders en
gehandicapte jongeren behoeven speciale aandacht binnen dit
wetsvoorstel. Bij deze groep kan sprake zijn van beperkingen, zoals zorgtaken
of medische beperkingen. De regering beoogt met specifieke
bepalingen in dit wetsvoorstel recht te doen aan de situatie van deze jongeren.
6.3.1. Alleenstaande ouders
Ook voor alleenstaande
ouders geldt dat financiële zelfstandigheid door werk de voorkeur heeft boven
uitkeringsafhankelijkheid. Werk leidt tot economische zelfstandigheid en tot participatie in de maatschappij.
Alleenstaande ouders behoren
tot één van de risicogroepen om in armoede te vervallen.
De regering acht het van
belang dat alleenstaande ouders meer keuzemogelijkheden krijgen in de combinatie van
arbeid en zorg. Het is zaak alleenstaande ouders met jonge kinderen te begeleiden in hun keuze en
daarin maatwerk te leveren,
rekening houdend met hun achtergrond, opleidingsniveau en
persoonlijke voorkeuren. Het Coalitieakkoord wil alleenstaande ouders die een
uitkering ingevolge de Wwb, Ioaw of
Ioaz ontvangen bij deze afweging
van belangen ondersteunen door de arbeidsverplichting voor alleenstaande ouders
met kinderen tot vijf jaar te schrappen. De maximale
vrijstellingsperiode voor de arbeidsverplichting is zes jaar. Er komt daarnaast evenwel een scholingsplicht voor deze
groep alleenstaande ouders,
opdat zij na de vrijstelling (sneller) een baan kunnen vinden.¹ Deze
maatregel beoogt daarom mede gedurende de vrijstellingsperiode de
vaardigheden en het scholingsniveau van deze ouders te vergroten.
1. Kamerstukken II 2006-2007,
30 891, nr. 4, kabinetsformatie brief
informateur d.d. 7 februari 2007 met het
Coalitieakkoord "Samen werken, Samen Leven", blz. 23.
In het
voorstel van Wet verbetering arbeidsmarktpositie
alleenstaande ouders ¹ is deze
ontheffingsmogelijkheid in combinatie met een scholingsplicht opgenomen. Met
dit wetsvoorstel krijgen alleenstaande ouders met ten laste komende kinderen
jonger dan vijf jaar een recht op ontheffing van de arbeidsverplichting
indien zij daarom verzoeken. Onlosmakelijk gekoppeld aan de ontheffing
van de arbeidsverplichting is de verplichting scholing te volgen of, als
zij beschikken over een startkwalificatie of als scholing niet haalbaar is,
de verplichting anderszins door het college aangeboden voorzieningen te
accepteren. De ontheffing van de arbeidsverplichting is dan ook niet
vrijblijvend. De daaraan gekoppelde scholings- c.q. re-integratieplicht geeft
naar de mening van de regering een duidelijk signaal aan de alleenstaande
ouder dat hij/zij zich serieus dient voor te bereiden op terugkeer naar
de arbeidsmarkt.
1. Kamerstukken II 2007-2008,
31 519, nr. 2.
De regering acht het gewenst
dat de verplichtingen uit hoofde van het werkleerrecht voor de
alleenstaande ouders tot 27 jaar met ten laste komende kinderen jonger dan
vijf jaar parallel lopen met voornoemd wetsvoorstel. Dit betekent
dat de rechten en plichten van alleenstaande ouders in de Wwb
en het
werkleerrecht op elkaar worden afgestemd. In het kader van dit
wetsvoorstel wordt dan ook aan de alleenstaande ouder rblz.|13|
tot 27 jaar met ten laste
komende kinderen jonger dan vijf jaar desgevraagd een werkleeraanbod
inhoudende scholing gedaan.
Anders dan in het
voorstel van Wet verbetering arbeidsmarktpositie
alleenstaande ouders is in
het thans voorliggende wetsvoorstel de uitzonderingspositie voor alleenstaande ouders
met een kind jonger dan vijf jaar niet aan een termijn van zes
jaar verbonden. Het werkleerrecht is aan een veel kortere
aanspraakperiode verbonden dan het recht op een in dat wetsvoorstel bedoelde
uitkering. De maximering van de ontheffing van de arbeidsverplichting tot
maximaal zes jaar is niet in het conceptwetsvoorstel opgenomen. Reden hiervoor is
dat, gezien de maximale periode van het werkleerrecht (van 18
tot 27 jaar), de maximale termijn van zes jaar in de meeste gevallen reeds in
de werkleerperiode zal zijn geïncorporeerd, waardoor maximering niet
noodzakelijk is. Dit geeft aanleiding om uit een oogpunt van deregulering
geen termijn op te nemen. Omdat de termijn wel van belang is als de
alleenstaande ouder bij het bereiken van de 27-jarige leeftijd van het
werkleerrecht overgaat naar de Wwb, voorziet dit wetsvoorstel erin dat
bij de bepaling van de termijn in het kader van die wet rekening wordt
gehouden met de termijn waarin de uitzondering tijdens het werkleerrecht
van toepassing is geweest.
Als de alleenstaande ouder
wil gaan werken, laat deze alleenstaande ouder het verzoek aan het
college om een werkleeraanbod te doen dat gericht is op scholing of
een opleiding achterwege en doet het college aan die alleenstaande ouder een
op zijn omstandigheden, krachten en bekwaamheden afgestemd
werk(leer)aanbod. Het ligt in de rede dat het college de alleenstaande
ouder zal wijzen op de keuzemogelijkheden.
6.3.2. Gehandicapten
De gehandicapte jongeren
nemen eveneens een bijzondere positie in binnen dit
wetsvoorstel.
Jongeren met een handicap zullen niet altijd in aanmerking komen voor de
Wajong en de daarbij behorende re-integratievoorzieningen. De jongeren die wegens het
niet voldoen aan het leeftijdscriterium ¹ niet voor de Wajong in
aanmerking komen, zijn thans namelijk aangewezen op bijstand en
zullen met dit wetsvoorstel onder het bereik van het werkleerrecht komen.
1. De handicap is ingetreden
vóór het 17de jaar of tijdens de studie vóór het
30ste jaar.
Voor deze groep jongeren met
een medische beperking is het van belang dat het aanbod aansluit bij
hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het werkleerrecht zal vooral voor deze groep een cruciale rol
spelen. Aan de hand van de
individuele situatie zal de gemeente beoordelen welk aanbod past bij de
jongere met inachtneming van zijn/haar mogelijkheden en
beperkingen. Voor de groep jongeren die weinig perspectief heeft op
arbeidsinschakeling behoort sociale activering tot mogelijkheden.
Ondanks maximale
inspanningen van de zijde van de gemeente en van de jongere kunnen tot deze
kwetsbare groep ook jongeren behoren die niet in staat zijn om enige vorm
van activiteit te verrichten. Voor deze jongeren, waarvoor de gemeente de
aanwezige belemmeringen dus niet door een werkleeraanbod kan
opheffen, is de inkomensvoorziening gegarandeerd, voor zover aan de overige
voorwaarden daarvoor wordt voldaan. Zij kunnen immers geen
uitvoering geven aan een dergelijk aanbod. De gemeente kent hen ambtshalve
de inkomensvoorziening toe, zonder voorafgaand werkleeraanbod. Wie tot de
groep jongeren behoort, is ter beoordeling aan het college. Het college
beoordeelt of een jongere om redenen van lichamelijke,
geestelijke of sociale aard geen uitvoering kan gegeven aan een
werkleeraanbod. Voor
de beoordeling van de capaciteiten van de jongere kan de gemeente een
externe deskundige inschakelen.
rblz.|14|
Als er sprake is van
lichamelijke belemmeringen van tijdelijk aard beoordeelt het college na verloop van
tijd of de belemmeringen niet langer in de weg staan aan het doen van een werkleeraanbod aan de jongere.
Ingeval de belemmeringen
geheel of gedeeltelijk opgeheven zijn, doet het college alsnog een
werkleeraanbod.
6.3.3. Jongeren met een
Wsw-indicatie
Ook onder het werkleeraanbod
kunnen jongeren in aanmerking komen voor een Wsw-indicatie. In
2006 waren er circa 580 jongeren in de Wwb die op de wachtlijst van de Wsw stonden. De jongeren die op de
Wsw-wachtlijst
staan in afwachting van een
Wsw-arbeidsplaats komen in aanmerking voor een
werkleeraanbod dat hen voorbereidt op de Wsw-arbeidsplaats. Ook voor
deze doelgroep geldt dat recht op inkomensvoorziening bestaat
als dat werkleeraanbod onvoldoende inkomsten genereert, dan wel
als van de jongere om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard
niet kan worden gevergd dat deze uitvoering geeft aan een werkleeraanbod.
6.3.4. Niet-melders
Het wetsvoorstel kent om
eerdergenoemde redenen geen meldplicht; het ziet op jongeren die zich
uit eigen beweging melden bij de gemeente. Het aantal jongeren dat zich bij
de gemeente zal melden, is niet exact in kaart te brengen. Naar verwachting
zullen jongeren die niet economisch zelfstandig zijn zich tot de gemeente
wenden. Omdat de jongeren tot 27 jaar geen recht meer op algemene
bijstand hebben, zullen zij onder de werking van het
werkleerrecht vallen en daarom rekenen wij de huidige bijstandspopulatie van 18
tot 27 jaar tot de potentiële doelgroep van het werkleerrecht. Ook de groep
niet-uitkeringsgerechtigde jongeren die thans van de gemeente ondersteuning krijgt bij re-integratie zal onder het bereik
van het werkleerrecht
vallen.
De inzet is dat het
werkleerrecht zoveel mogelijk werkloze jongeren bereikt. Het gaat immers om
een volwaardig recht van jongeren dat alleen in limitatief in het
wetsvoorstel opgenomen uitzonderingssituaties niet zal kunnen worden verleend.
Desalniettemin bestaat de mogelijkheid dat een groep inactieve jongeren
zich, net als in de huidige situatie bij de Wwb, niet zal melden om een
beroep te doen op deze wet. De regering onderschrijft dat het wenselijk is om ook
de thuisblijvers die niet leren of werken te stimuleren zich
richting de arbeidsmarkt dan wel scholing of opleiding te begeven.
Desalniettemin is de regering zich ervan bewust dat met het bereik van het
werkleerrecht niet in één keer een volledige sluitende aanpak van alle
inactieve jongeren zal kunnen worden bereikt.
Hoewel
dit wetsvoorstel niet
voorziet in een meldplicht voor jongeren, staat het gemeenten vrij om
eigen initiatieven te ontplooien gericht op het bereiken van de groep
"niet-melders". Uit een ambtelijke verkenning¹
blijkt dat gemeenten zelf proactief op zoek zijn naar niet-melders en dat gemeenten hier succesvol in
zijn. Dit wetsvoorstel staat dit zelfinitiatief van gemeenten niet in de
weg. Integendeel, door een aantrekkelijk aanbod aan jongeren te bieden,
kunnen gemeenten jongeren "via mond-tot-mondreclame" verleiden om
zich bij gemeenten te gaan melden.
1. SZW Gemeentendagen
januari/februari 2008.
Wij zullen ons buigen over
de verschillende bestaande en nieuwe juridische kaders met betrekking tot
inactieve jongeren en hierover in overleg treden met onder andere gemeenten om te zien aan welk instrumentarium
(nog meer) behoefte is.¹ Uw Kamer is met de brief van de Minister voor Jeugd en Gezin d.d. 7
oktober 2008 geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de
campuspilots, maar ook over in hoeverre rblz.|15|
jongeren in Nederland nu al
geactiveerd worden om te leren en/of te werken en voor welke
jongeren dit onvoldoende het geval (b)lijkt te zijn. In het kader van de
"Sluitende
aanpak van school naar werk" zal het kabinet samen met de bestuurlijke
partners en overige betrokken partijen verkennen voor welke jongeren zij nog
geen instrument in handen hebben. Met het oog daarop worden de
nodige stappen gezamenlijk door de betrokken departementen gezet, onder
leiding van de Minister voor Jeugd en Gezin, in het kader van het Project
Campussen.
1. Kamerstukken II 2006-2007,
31 001, nr. 22, blz. 3.
6.3.5. "Afhakers"
De term
"afhakers" duidt
op de personen die (contacten rondom de) aanvraag van een
bijstandsuitkering niet doorzetten. In een ambtelijke meta-analyse uit 2007 is
gekeken naar een aantal gemeentelijke onderzoeken naar de redenen waarom
personen hun bijstandsuitkering niet doorzetten en de wijze
waarop ze daarna in hun levensonderhoud voorzien. Uit antwoorden op de vraag
hoe men na afhaken in het levensonderhoud voorziet, blijkt dat velen op
het moment van onderzoek inkomsten uit werk, studie of een
uitkering hebben (60% tot 80%). De restantpercentages worden veelal gevormd door
de categorie "onbekend" (waaronder degene die verhuisd zijn).
Voor zover gemeenten conclusies uit bovengenoemde onderzoeken trekken, achten
zij de situatie bij niet-doorgezette aanvragen niet alarmerend.
Een uitgebreid onderzoek van de gemeente
Hoogeveen, dat na de analyse
verscheen, geeft vrijwel een gelijk beeld als bovengenoemde ambtelijke
analyse. Op dit moment doet het IWI [Inspectie
Werk en Inkomen, red.] onderzoek naar deze materie. De Inspectie verwacht het onderzoek in december 2008 te kunnen publiceren. De
inschatting is dat het fenomeen van afhakers bij invoering van het
onderhavige wetsvoorstel niet significant zal toenemen. In het kader van monitoring
van dit wetsvoorstel zal dit als aandachtspunt worden meegenomen.
7. Positie jongeren
In deze paragraaf
[lees: dit hoofdstuk, red.] wordt
ingegaan op de positie van de jongeren en in de daaropvolgende paragraaf
[lees: het daaropvolgende hoofdstuk, red.] op
de positie van de gemeenten.
7.1. Het recht op een
werkleeraanbod
Zoals eerder aangegeven,
krijgen jongeren van 18 tot 27 jaar (en in eerdergenoemde uitzonderingssituatie ook
van 16 en 17 jaar) met dit wetsvoorstel op verzoek een tegen de
gemeente afdwingbaar recht op een werkleeraanbod. Het recht op een
werkleeraanbod houdt een recht in op ondersteuning door de
gemeente bij duurzame arbeidsparticipatie. Het recht op een werkleeraanbod
is meer dan een recht op een eenmalige voorziening; zo nodig is het
een recht op een reeks van voorzieningen die de duurzame
arbeidsparticipatie van de jongere als uiteindelijk doel hebben. Dit recht sluit aan
bij de eigen verantwoordelijkheid van de jongeren voor de
ontwikkeling van de eigen mogelijkheden en stimuleert die verantwoordelijkheid.
Het is de gezamenlijke investering van de jongere en de gemeente die
naar het beoogde doel leidt.
Gezien het belang van de
jongere bij een toereikend inkomen via het werkleeraanbod, voorziet dit
wetsvoorstel erin dat weigering van de jongere om een
werkleeraanbod te aanvaarden diens werkleerrecht onverlet laat. Op de
weigering van een werkleeraanbod staat geen sanctie ten aanzien van het
werkleerrecht, maar de weigering staat, anders dan bij de Wwb, wel in de weg aan de
inkomensvoorziening.
De jongere behoudt dus na
diens weigering het recht om de gemeente om een volgend
werkleeraanbod te verzoeken. Daardoor kan de gemeente rblz.|16|
onmiddellijk inspelen
op
voortschrijdend inzicht van de zijde van de jongere ten aanzien van
diens arbeidsparticipatie en blijft voor de jongere de toegang tot een
toereikend inkomen via een werkleeraanbod steeds openstaan.
Bij het nieuwe verzoek is de
jongere wel gehouden om nieuw gebleken feiten of veranderde
omstandigheden te melden, bijvoorbeeld door een veranderde houding en gedragingen te tonen. Wanneer er geen nieuw
gebleken feiten of
veranderde omstandigheden zijn, kan het college namelijk met toepassing van
artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek afwijzen
onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, zonder
toepassing te geven aan artikel 4:5 van die
wet.
7.2. Geen recht op
werkleeraanbod
Om het recht op een
werkleeraanbod te kunnen doen toekomen aan een zo groot mogelijk groep
jongeren wordt dit slechts beperkt door in het wetsvoorstel limitatief opgenomen uitzonderingssituaties, die hierna
besproken worden.
In lijn met het doel van dit
wetsvoorstel is de eerste uitzonderingssituatie die waarin de jongere reeds
leert of werkt. In die situatie is er geen aanleiding om een leerwerkaanbod te
doen. Van leren is in dit verband sprake als de jongere op het moment
van aanvraag voor een werkleeraanbod uit ’s Rijks kas bekostigd
onderwijs volgt. Werken is gerelateerd aan de hoogte van de eigen
inkomsten van de jongere, niet dus aan die van de partner, zoals hiervoor in
hoofdstuk 4 uiteengezet is. Recht op een werkleeraanbod bestaat als die inkomsten
minder bedragen dan de van toepassing zijnde norm voor
de inkomensvoorziening. Vermogensbezit staat niet in de weg aan een
werkleeraanbod nu het hebben van vermogen geen beletsel hoeft
te zijn voor arbeidsparticipatie.
Eveneens in lijn met het
doel van dit wetsvoorstel geldt een uitzondering voor de situatie dat de
jongere zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult dan wel rechtens
zijn vrijheid is ontnomen.
Zonder medewerking van de
jongere bij de totstandkoming van een werkleeraanbod kan het college daar geen
toereikende invulling aangeven. Daarom is bepaald dat het college geen werkleeraanbod
doet indien en
zolang de jongere niet
meewerkt aan een plan met betrekking tot zijn arbeidsinschakeling.
Tot slot wordt de jongere
die zich jegens het college of zijn ambtenaren zeer ernstig misdraagt en
aan wie dit te verwijten valt tijdelijk uitgesloten van het recht op een
werkleeraanbod. Het besluit tot een dergelijke uitsluiting dient het college te
heroverwegen binnen een door hem te bepalen termijn, die ten hoogste
één maand bedraagt. Onder de term "zeer ernstig misdragen" kunnen diverse
vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer
in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Doorverwijzing
naar een campus onder drang van de gemeente zou voor deze jongere tot de mogelijkheden behoren.
Het feit dat alleen in deze
limitatief bepaalde uitzonderingssituaties (tijdelijk) geen recht bestaat op een
werkleeraanbod impliceert dat de jongere bij weigering van een werkleeraanbod recht blijft houden op een volgend
werkleeraanbod. Ook als de
jongere door eigen toedoen de arbeid of een werkleeraanbod niet heeft
behouden, staat dat niet in de weg aan het recht op een (volgend)
werkleeraanbod. Op deze wijze wil de regering voorkomen dat jongeren
afhaken. Dat laat onverlet dat één en ander, zoals rblz.|17|
hierna wordt besproken, wel
gevolgen heeft voor het recht op de inkomensvoorziening.
Uit een oogpunt van
emancipatie en arbeidsparticipatie heeft bij gehuwden en personen die een
gezamenlijke huishouding vormen (hierna kortheidshalve "gehuwden") elk van de partners een individueel recht
op het werkleeraanbod.
Dit betekent dat elk van hen recht heeft op een werkleeraanbod, ook
als de andere partner leert of werkt. De inkomsten van deze partner
laten immers onverlet dat de andere partner niet (of in beperkte mate)
participeert in het arbeidsproces.
Samenhangend met het
individuele recht zijn ook de plichten geïndividualiseerd. Op deze plaats zij reeds
opgemerkt dat voor gehuwden ten aanzien van de inkomensvoorziening andere regels gelden, die in paragraaf
10 [lees: hoofdstuk 10, red.] aan de orde komen.
7.3. Plichten jongeren
Aan het recht op een
werkleeraanbod is voor de jongere de plicht verbonden om naar beste
vermogen uitvoering te geven aan het werkleeraanbod. Ook dient de jongeren
mee te
werken aan het bepalen van het juiste aanbod alsmede aan
een onderzoek naar zijn mogelijkheden. Daarnaast geldt een
inlichtingenplicht.
De aan het werkleeraanbod
verbonden verplichtingen zijn hiervoor in algemene zin geformuleerd.
In een individuele beschikking kan het college deze verplichtingen specifiek op de persoonlijke situatie afstemmen.
Vooral bij het opleggen van
verplichtingen bij bijzondere groepen jongeren zijn de individuele
mogelijkheden van de persoon in verband met belastbaarheid en
zorgtaken bepalend voor de definiëring van de plichten en is maatwerk
cruciaal.
Er mag voor de jongere geen
onduidelijkheid bestaan over de gemaakte afspraken en zijn
verplichtingen. Daarom is het van belang dat over de rechten en verplichtingen
van de jongere mededeling wordt gedaan in het individuele besluit tot
vaststelling van het recht op een werkleeraanbod en/of de
inkomensvoorziening.
7.4. Recht op
inkomensvoorziening
Zoals hiervoor is aangegeven,
zijn duurzame arbeidsparticipatie en het voorkomen van
uitkeringsafhankelijkheid van jongeren het primaire doel van dit
wetsvoorstel. In
lijn hiermee zal het werkleeraanbod er zoveel en zo spoedig als mogelijk op
gericht zijn dat jongeren uit dat aanbod voldoende inkomsten
genereren om in hun bestaan te kunnen voorzien. Er kunnen zich echter
situaties voordoen waarin dit streven (nog) niet te realiseren is, waardoor een
inkomensvoorziening gerechtvaardigd is. Deze inkomensvoorziening komt in
de plaats van de inkomensvoorziening op grond van de Wwb
en zal in
verband hiermee toereikend en passend moeten zijn. Met het oog hierop is voor de hoogte van de normen van de
inkomensvoorziening en de
toets op inkomen en vermogen aangesloten bij die in de Wwb. Een
uitzondering hierop geldt voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar. De ratio van
deze uitzondering komt aan de orde in paragraaf 10 [lees: hoofdstuk
10, red.].
Met het oog op het voorkomen
van uitkeringsafhankelijkheid is er een strikt verband gelegd tussen
het werkleeraanbod en het recht op de inkomensvoorziening. Alleen als de jongere het werkleeraanbod heeft
aanvaard én daaraan
meewerkt én voor zover dit een inkomen genereert dat lager is dan de van
toepassing zijnde norm en de jongere niet over rblz.|18|
een ander inkomen of
vermogen beschikt, bestaat recht op de inkomensvoorziening. Op deze regel gelden twee
uitzonderingen.
De eerste uitzondering
betreft de periode tussen het moment waarop de jongere het verzoek om een
werkleeraanbod doet en het moment dat een werkleeraanbod wordt gedaan
en geaccepteerd. In de tussenliggende periode heeft de jongere
recht op de inkomensvoorziening.
De tweede uitzondering geldt
indien het college van oordeel is dat om redenen van lichamelijke,
geestelijke of sociale aard van een jongere niet kan worden gevergd dat hij
uitvoering geeft aan een werkleeraanbod en het college aan die jongere
om die reden geen werkleeraanbod heeft gedaan. In die situatie kán
de jongere geen werkleeraanbod aanvaarden en heeft die recht op de
inkomensvoorziening als aan de overige voorwaarden is voldaan.
Aan het recht op de
inkomensvoorziening zijn strikte verplichtingen verbonden ten aanzien van de
medewerking aan het werkleeraanbod. Ook voor de inkomensvoorziening
geldt een inlichtingenverplichting. Indien de jongere zich niet aan deze
verplichtingen houdt, verlaagt het college de inkomensvoorziening overeenkomstig de daartoe door de gemeenteraad
te stellen verordening [lees: op te stellen verordening, red.]. Dat
geldt ook in het geval de jongere zich jegens het college en zijn
ambtenaren zeer ernstig misdraagt in de eerderbedoelde zin.
De jongere hoeft de
inkomensvoorziening niet afzonderlijk aan te vragen; het college stelt het recht
op de inkomensvoorziening ambtshalve vast. Dit bespaart zowel de jongere
als de gemeente administratieve lasten en wordt mogelijk gemaakt door
het feit dat de gemeente in het kader van de aanvraag om een
werkleeraanbod al de voor de beoordeling van het recht op de inkomensvoorziening
benodigde gegevens verkregen heeft.
7.5. Rechtsbescherming
Het belang dat de regering
hecht aan de rechtsbescherming van de jongeren komt tot uiting in
specifieke regels in dit wetsvoorstel. Zo is het recht op een werkleeraanbod
gewaarborgd, behoudens in een limitatief geregeld aantal
uitzonderingssituatie.
Dit biedt de jongere
zekerheid dat het besluit is afgestemd op zijn individuele situatie. Voorts biedt
dit wetsvoorstel de jongere de zekerheid dat hij niet
"aan zijn lot
wordt overgelaten" doordat het college zo nodig de inkomensvoorziening
ambtshalve verstrekt en ambtshalve na het aflopen van een voorziening in het
kader van werkleeraanbod aansluitend een volgende voorziening
aanbiedt. Ter zake van de inkomensvoorziening is aansluiting op de Wwb
gewaarborgd. De door de gemeenteraad op te stellen verordeningen
waarborgen de democratische legitimatie van de invulling van de
bevoegdheden die dit wetsvoorstel aan het college geeft. Door middel van de
cliëntenparticipatie worden de jongeren of hun vertegenwoordigers betrokken bij de uitvoering
van deze wet. Om de inkomenspositie van de jongere te beschermen,
heeft die in het algemeen recht op een voorschot op de
inkomensvoorziening tussen de indiening van het verzoek en het moment waarop
een werkleeraanbod wordt gedaan dat voldoende inkomen genereert.
Indien de jongere bezwaar of
beroep instelt tegen een besluit tot vaststelling van het werkleeraanbod,
ontvangt hij in de periode dat het bezwaar of beroep aanhangig is geen
inkomensvoorziening. Dit is geregeld om te voorkomen dat jongeren, met
het vooruitzicht op die inkomensvoorziening, onnodig en veelvuldig
bezwaar en beroep instellen.
rblz.|19|
Het is in bijzondere
gevallen echter mogelijk voor de jongere om een beroep te doen op artikel 16
van de Wwb. Dit artikel regelt dat personen die geen recht op bijstand hebben, wel bijstand ontvangen indien er
sprake is van zeer dringende
redenen.
In dit
wetsvoorstel is het
recht op werkleeraanbod direct gekoppeld aan het recht op een
inkomensvoorziening. Het is niet de verwachting dat door deze koppeling in
vergelijking met de Wwb meer procedures van bezwaar en beroep worden
ingesteld. Dit omdat in de Wwb eenzelfde koppeling is tussen het
recht op een inkomensvoorziening (bijstand) en de plicht tot
arbeidsparticipatie. Uitgangspunt bij die wet is weliswaar dat men recht heeft op een
inkomensvoorziening met daarnaast de plicht tot arbeidsparticipatie, maar
ook daarbij geldt dat het niet voldoen aan die plicht direct invloed heeft
op het recht op inkomensvoorziening. Immers, in dat geval kan
bijvoorbeeld de bijstand verlaagd worden.
Ter zake van de individuele
besluiten die het college bij de uitvoering van deze
wet neemt, zowel ten
aanzien van het werkleeraanbod als ten aanzien van de inkomensvoorziening, staan uiteraard de in de
Algemene
wet bestuursrecht geregelde
bezwaar- en beroepsmogelijkheden open.
8. Positie gemeenten
Het werkleerrecht legt aan
het college de plicht op om op verzoek van de jongere een werkleeraanbod
te doen. De verplichting laat onverlet dat de gemeenten over alle nodige
ruimte beschikt bij de invulling van de individuele rechten en plichten en het
aanbieden van voorzieningen. Het is aan het college om te beoordelen
op welke wijze het verzoek van de jongere wordt gehonoreerd. Mede met
behulp van UWV kan het college beoordelen of de jongere algemeen
geaccepteerde arbeid kan worden aangeboden of dat de jongere
ondersteuning nodig heeft richting duurzame arbeidsparticipatie. In dat
laatste geval is het college vervolgens verantwoordelijk voor het leveren van deze
ondersteuning in de vorm van voorzieningen. Deze kunnen onder meer
bestaan uit scholing, opleiding, loonkostensubsidie,
tijdelijke gesubsidieerde arbeid, sociale activering en stages.
De gemeente
is het
bestuursorgaan dat bij uitstek in staat is maatwerk te leveren. De regering acht
het niet wenselijk vanuit het Rijk voor te schrijven welk aanbod in een individueel geval moet worden ingezet. De
gemeente heeft de vrijheid
om te bepalen wat voor de desbetreffende jongere, afhankelijk van de
persoonlijke situatie, als noodzakelijk kan worden aangemerkt voor de
duurzame arbeidsparticipatie.
Met de ruimte die
het
wetsvoorstel biedt, zijn gemeenten goed toegerust om jongeren een adequaat
aanbod te doen. De gemeente kan het werkleeraanbod optimaal laten aansluiten
bij andere beleidsterreinen, zoals zorg, onderwijs, inburgering
en lokale en regionale arbeidsmarkt. Een goede samenwerking tussen de
gemeente en het bedrijfsleven zal een belangrijke bijdrage leveren
aan de realisatie van de doelstellingen van het effectueren van het
werkleerrecht. De komende jaren is nog steeds een krapte op de Nederlandse
arbeidsmarkt voorzien, wat tot gunstige effecten kan leiden bij het
effectueren van de gemeentelijke plicht tot het doen van een
werkleeraanbod.
Omdat het kabinetsbeleid er ook op gericht is om de
beroepsbevolking beter te scholen (EVC-trajecten, leven lang leren), merken wij hier
wellicht ten overvloede op dat hiermee nog ruimte aan de onderkant van
de arbeidsmarkt kan ontstaan, doordat lager opgeleiden doorstromen naar
een hogere functie (trek in de schoorsteen). Hoewel het de vraag is of de
krapte op de arbeidsmarkt ook gunstige gevolgen zal hebben voor de
onderkant van de arbeidsmarkt, is het rblz.|20|
kabinetsbeleid gericht op
het beter toerusten van mensen die werkzaam zijn aan de onderkant. Zoals
in hoofdstuk 2 van deze memorie reeds is aangehaald, neemt het
kabinet op uiteenlopende terreinen maatregelen gericht op vergroting van de
werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt en op het
verbeteren van het arbeidsmarktperspectief van kwetsbare groepen. Het doel
van deze maatregelen is juist de kwetsbare doelgroep in de maatschappij
echt goed voor te bereiden op de arbeidsmarkt door betere scholing met de
inzet om te voorkomen dat mensen tot de onderkant blijven of gaan
behoren. Hierbij moet nogmaals worden benadrukt dat dit ook het
doel van dit wetsvoorstel vormt: een grote investering van zowel de
jongere als de overheid in het leggen van een adequate basis voor duurzame
arbeidsparticipatie. De inzet daarbij is dat de jongeren met een adequate
basis - zoals betere kwalificaties (startkwalificatieniveau) - juist niet worden
"veroordeeld" tot duurzame arbeidsparticipatie aan de
onderkant van de arbeidsmarkt.
Verder is het
kabinet op
dit moment in gesprek met werkgevers, gemeenten, UWV
en
onderwijsinstellingen over onder meer de inschakeling van meer (niet-)uitkeringsgerechtigden
in het arbeidsproces. Het streven is om hierover in
november 2008 met betrokkenen bindende afspraken te hebben gemaakt
die op regionaal niveau uitgewerkt en uitgevoerd gaan worden. Gegeven de
verschillen in populatie, bedrijvigheid, etc. is het aan de regio’s
om hun eigen ambities te formuleren. In de regio’s werken gemeenten
en UWV samen in LWI’s. Op 1 januari 2010 dienen de LWI’s het
concept van geïntegreerde dienstverlening te hebben ingevoerd. Er is dan
één
loket voor werkgevers en de uitvoering zal werkgevers zoveel mogelijk actief
benaderen.
Bij het uitvoeren van het
werkleerrecht kan de gemeente uiteraard aansluiten bij de huidige
praktijk van begeleiding van jongeren naar onderwijs en/of werk. Dit
wetsvoorstel legt de gemeenten geen nieuwe
taak op, maar intensiveert
hun huidige taak bij de arbeidsinschakeling van jongeren doordat de
aanspraak van de jongeren nu een recht op een werkleeraanbod wordt. De
intensivering zal naar verwachting mede bijdragen aan verlaging van
het huidige hiaatpercentage bij de sluitende aanpak. De regering verwacht
dat de gemeenten in staat zullen zijn om op de juiste wijze invulling te
geven aan de intensivering. Zoals hiervoor is aangegeven, leveren veel gemeenten thans al een betekenisvolle bijdrage
aan het terugdringen van de
jeugdwerkloosheid. Voorts zal er bij de gemeenten personele
capaciteit vrijkomen doordat jongeren geen bijstandsuitkering meer
krijgen. Weliswaar komt daar voor een aantal jongeren het recht op de
inkomensvoorziening in de plaats, maar per saldo is te verwachten dat
er personele capaciteit vrijkomt. Doordat het werkleeraanbod op verzoek
wordt gedaan, is te verwachten dat de jongeren meer gemotiveerd
zullen zijn om daar medewerking aan te verlenen. Ook dit lijkt een
positieve invloed te zullen hebben op de gemeentelijke mogelijkheden
tot intensivering van de huidige taak.
Het kabinetsvoornemen om per
1 januari 2009 de middelen re-integratie, volwasseneneducatie en
inburgering te bundelen, sluit goed aan bij de intensivering van de gemeentelijke taak bij de arbeidsinschakeling. Voor
financiering van een
leerwerkaanbod kunnen gemeenten het participatiebudget gebruiken. In vergelijking
met het huidige W-deel [werkdeel, red.] van de Wwb dat beschikbaar is voor
re-integratie biedt dit participatiebudget meer beleidsruimte om de
re-integratie,
inburgering en volwasseneneducatie voortvarend ter hand te nemen en de
gewenste prestaties te behalen, ook waar het jongeren onder de 27
jaar betreft. Er is sprake van een heldere afbakening met de kwalificatieplicht.
Onder de 18 jaar kan er geen werkleeraanbod of andere voorziening uit
het participatiebudget worden gefinancierd, rblz.|21|
tenzij aan de
kwalificatieplicht is voldaan of er een ontheffing van de kwalificatieplicht is.
Van groot belang is dat de
gemeenten aan het werkleerrecht zo nodig invulling geven als een
reeks van voorzieningen die de duurzame arbeidsparticipatie van de jongere
als
uiteindelijk doel hebben. De gemeente heeft de plicht om net zo
lang een werkleeraanbod te doen tot dat de jongere in staat is op eigen
kracht duurzaam aan het arbeidsproces deel te nemen. Bij een grotere
afstand tot de arbeidsmarkt betekent het werkleerrecht dus meer dan een recht op
een eenmalige voorziening. De kortste weg is bij het werkleerrecht
een relatief begrip; de afstand van de jongere tot de arbeidsmarkt is
bepalend. Om deze reden bepaalt dit wetsvoorstel
dat bij de afronding van een
werkleeraanbod de jongere zo nodig ambtshalve een volgend werkleeraanbod
moet worden gedaan. De gemeente moet de vorderingen van de
jongere dus blijven volgen tot diens duurzame arbeidsparticipatie een feit
is.
De gemeente
is gehouden haar
beleid inzake het werkleeraanbod, de verlaging van het bedrag van
de inkomensvoorziening en de afstemming van de bedragen van de inkomensvoorziening in verordeningen nader te
concretiseren.
De financiering van het
werkleeraanbod verloopt op dezelfde wijze als bij de Wwb
(zie paragraaf 11 [lees: hoofdstuk 11, red.]).
9. Werkleeraanbod
9.1. Inleiding
Onder een werkleeraanbod
wordt in dit wetsvoorstel verstaan het aanbieden van algemeen
geaccepteerde arbeid of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen scholing of opleiding, of
sociale activering. Het
einddoel van het werkleeraanbod is duurzame arbeidsparticipatie. Waaruit
het werkleeraanbod bestaat, is afhankelijk van de krachten en bekwaamheden
alsmede de omstandigheden en mogelijkheden van de jongere, waarop het
college dat aanbod afstemt. Of het enkele aanbieden van
algemeen geaccepteerde arbeid adequaat is of dat een reeks van voorzieningen
nodig is, is afhankelijk van de individuele situatie van de jongere. Dit
impliceert dat het werkleeraanbod om maatwerk vraagt en dit wetsvoorstel
beoogt om de hiervoor benodigde condities te scheppen.
9.2. Werkleeraanbod als
voorwaarde voor de inkomensvoorziening
Jongeren van wie niet
gevergd kan worden dat zij uitvoering geven aan een werkleeraanbod hebben
een direct recht op de inkomensvoorziening.
Voor jongeren die wel
uitvoering kunnen geven aan een werkleeraanbod vormt dit aanbod de toegang
tot een toereikend inkomen. Hetzij rechtstreeks via het inkomen dat het
aanbod genereert, hetzij via de inkomensvoorziening als het aanbod onvoldoende
inkomen genereert.
Zo lang de jongere een
werkleeraanbod niet aanvaardt, heeft deze geen recht op de
inkomensvoorziening. Daarmee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt van
deze wet dat wie kan werken en/of leren en daardoor een inkomen kan verwerven
geen recht heeft op een inkomensvoorziening; onwil om te participeren
verhoudt zich niet tot het recht op sociale solidariteit.
rblz.|22|
9.3. Inhoud werkleeraanbod
Om recht te doen aan de
beleidsruimte die gemeenten nodig hebben om door maatwerk invulling te
geven aan de gemeentelijke verantwoordelijkheid, worden aan de vormgeving en
de mate waarin gemeente de voorzieningen kan inzetten geen
wettelijke eisen gesteld. Gezien de verantwoordelijkheid die de
gemeenteraad in het kader van dit wetsvoorstel
heeft en mede met het oog
op de rechtszekerheid, is bepaald dat de gemeenteraad het
gemeentelijke beleid inzake de voorzieningen in een verordening moet vastleggen.
Uit een oogpunt van
motivering en kansbenutting zal het college bij de invulling van het
werkleeraanbod rekening houden met de voorkeuren van de jongere dienaangaande. Daarmee is niet gezegd dat de jongere
recht heeft op een bepaalde
specifieke voorziening en deze kan eisen. De uiteindelijke invulling van
de aard en de samenstelling van het aanbod is voorbehouden aan het
college.
De gemeente
bepaalt de
inhoud van het werkleeraanbod. Zo ook of dit aanbod het accent legt op
werken of leren. In dit wetsvoorstel zijn werken of leren immers nevengeschikt aan elkaar. Zo kan de gemeente tot het
oordeel komen dat voor de
jongere eerst een opleiding nodig zal zijn om de duurzame
arbeidsparticipatie te kunnen bereiken. Of dat een combinatie nodig is van leren en
werken. De reeks van voorzieningen binnen het werkleeraanbod kan zowel
volgtijdelijk als gelijktijdig worden aangeboden. Het spectrum van
mogelijkheden voor de invulling van het werkleeraanbod is zeer breed. Hierbij staat
bij het huidige re-integratie-instrumentarium van de Wwb
de gemeenten ter
beschikking. Daartoe behoren ook voorzieningen zoals sociale
activering, schuldhulpverlening en nazorg.
Participatieplaatsen als
bedoeld in artikel 10a Wwb
(onbeloonde additionele arbeid gedurende maximaal
drie jaar voor personen die een grote afstand tot de arbeidsmarkt
hebben en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar zijn) behoren
in het kader van dit wetsvoorstel niet tot het gemeentelijk
re-integratie-instrumentarium. Bij jongeren zal de situatie waarin de afstand tot de
arbeidsmarkt dusdanig groot is dat die alleen met de maximale drie jaar
additionele arbeid te overbruggen is zich niet in die mate voordoen dat de
regering participatieplaatsen in de vorm van artikel
10a Wwb noodzakelijk
acht. Bovendien biedt dit wetsvoorstel de gemeente
de mogelijkheid om
in samenspraak met de jongere door maatwerk in de vorm van meerdere
opeenvolgende werkaanbiedingen diens afstand tot de arbeidsmarkt
te overbruggen. In uitzonderingssituaties kan er sprake van zijn dat de
gemeente, omdat er vanwege de afstand tot de arbeidsmarkt geen
alternatieven zijn, in samenspraak met de jongere bij wijze van maatwerk een
werkleeraanbod doet dat voorziet in een langere periode dan de gebruikelijke
zes maanden waarin de jongere onbeloonde additionele werkzaamheden
verricht.
Het vorenstaande laat
onverlet dat gemeenten wel een werkleeraanbod kunnen doen dat bestaat uit
het verrichten van additionele werkzaamheden waarbij niet de criteria en
voorwaarden van artikel 10a Wwb
gelden. Hiervoor is dus niet
vereist dat de jongere een grote afstand heeft tot de arbeidsmarkt, terwijl
voor de duur van de werkzaamheden een periode van zes maanden
gangbaar is.
Vrijlatingen en premie
behoren in het kader van dit wetsvoorstel niet tot het gemeentelijk
re-integratie-instrumentarium, omdat die niet passen bij het uitgangspunt dat
jongeren die in staat zijn om te werken en/of te leren dat ook moeten doen. Dit
impliceert dat er geen aanleiding is om werken en/of leren in het kader van
dit wetsvoorstel met een extra financiële rblz.|23|
incentive te belonen. Te
meer niet omdat hierdoor armoedevaleffecten kunnen ontstaan en scheve
inkomensverhoudingen met jongeren die in hun eigen inkomen voorzien
zonder gebruikmaking van een werkleeraanbod. Wellicht ten overvloede
merken wij op dat in de situatie van degenen die de inkomensvoorziening ontvangen omdat zij niet kunnen
werken en/of leren
financiële incentives in ieder geval niet van toepassing zijn, omdat die gekoppeld
zijn aan de arbeidsinschakeling, die in deze situatie niet aan de orde
is.
De startkwalificatie vormt
binnen het werkleeraanbod een ijkpunt, omdat deze in betekenende mate kan
bijdragen aan duurzame arbeidsparticipatie. Hoewel het aantal jongeren
zonder startkwalificatie de laatste jaren is gedaald,¹ vormt het huidige
gebrek aan voldoende kwalificaties nog bij veel jongeren in de bijstand
een aandachtspunt: het gaat om circa 15 900 jongeren.²
1. In 2000 was dat nog 15,5%
van jongeren en in 2006 ging het om 12,9%.
2. Het percentage van 68%
dateert uit 2003. Deze is toegepast op
populatie bijstandsjongeren van eind maart 2008. Volgens
het CBS heeft onderzoek uitgewezen
dat het opleidingsniveau van bijstandsontvangers in
de periode 2001-2005 op de
korte termijn vrijwel niet verandert (zie
Webmagazine 14 november 2007).
Voor jongeren die niet in
bezit zijn van een startkwalificatie is het aan de gemeente
om te bezien of de
jongere in staat mag worden geacht deze te behalen. Voor diegenen die
in staat geacht worden om een startkwalificatie te halen, zal de gemeente
vervolgens bezien welke route het meest geschikt is. Hierbij kan een
andere route dan die via het regulier onderwijs een geschikte optie zijn
voor de jongere. Buiten het regulier onderwijs kan de gemeente meerdere vormen
van scholing organiseren en bekostigen bij commerciële aanbieders,
waaronder contractonderwijs Regionale
Opleidingencentra (ROC’s).
Deze scholing kan de gemeente aanbieden als werkleeraanbod.
Voor diegenen die hiertoe
niet in staat worden geacht, kan de gemeente een werkaanbod doen dat
rekening houdt met het ontbreken van een startkwalificatie.
Dit
wetsvoorstel biedt gemeenten de mogelijkheid om inburgering, al dan niet gecombineerd met andere
trajecten, in te zetten in situaties waarin de taal een belemmering vormt
voor duurzame arbeidsparticipatie, maar ook tot maatschappelijke
participatie. Vooral bij gecombineerde trajecten kan dit doel sneller worden
bereikt, waardoor tijd en kosten kunnen worden bespaard. Een goed
gecombineerd traject wordt gevormd door een combinatie van inburgering
en een geïntegreerd traject (GIT). Een GIT combineert het volgen van
een beroepsopleiding met het leren van (vak)taal en het opdoen van
werkervaring. De gemeente kan het inburgeringsaanbod zowel bij inburgeringsplichtigen als niet-inburgeringsplichtigen
inzetten.
Wanneer het doen van een
werkleeraanbod inhoudende werk en/of scholing niet direct mogelijk is, is
het streven om jongeren een aanbod te doen dat op termijn perspectief
biedt op duurzame arbeidsparticipatie. Het werkleeraanbod omvat immers
een geheel van re-integratievoorzieningen dat daarop gericht is.
Hierbij valt te denken aan zorg- en hulpverlening, waarbij ook aandacht kan
worden besteed aan factoren die de arbeidsinschakeling negatief beïnvloeden
(psychische, sociale en cognitieve problemen). Ook kan sprake
zijn van voorzieningen die gericht kunnen zijn op zelfstandigheid en
zelfredzaamheid. Bij jongeren kan behoefte bestaan aan het aanleren van
competenties op het gebied van werknemersvaardigheden zoals communicatie en
samenwerking en omgaan met grenzen, maar ook ontplooiing
van de weerbaarheid, maatschappelijke oriëntatie, budgetbeheer,
administratie, sport en opvoeding. Hierbij kan de gemeente
alle kennis en
kunde van diverse organisaties en diensten benutten. In het project
Campussen onder leiding van J&G wordt door middel van pilots onderzocht
welke aanpak effectief is in het toeleiden van rblz.|24|
niet-participerende jongeren
naar arbeid of scholing. Ook deze kennis kan de gemeente benutten.
Er zal een groep jongeren
zijn waarvoor bemiddeling of training een beperkt effect heeft en waar
de productiviteit, om diverse redenen, structureel lager ligt dan het loon.
Hierbij valt te denken aan jongeren met een meervoudige problematiek
zoals weinig werkervaring gepaard met verslavings-, dak- en
thuisloze situaties. Om ook deze groep te betrekken in het arbeidsproces kan
sociale activering worden ingezet.
De gemeente
kan begeleiding
en nazorg inzetten om uitval uit het werk- of leerproces te voorkomen. Dit
kan zowel bij regulier onderwijs als op de werkplaats. Hiermee kunnen
de kansen dat de jongere terugvalt op inactiviteit worden verkleind en wordt
voorkomen dat de gemeente op een later moment - waarop de afstand
tot arbeidsmarkt door inactiviteit is vergroot - meer langdurige en
kostbare re-integratietrajecten moet inzetten.
9.4. Werkleeraanbod en
regulier onderwijs
Een werkleeraanbod vanuit de
gemeente komt aan de orde waar regulier onderwijs en reguliere
arbeid geen oplossing bieden. Deze paragraaf behandelt de relatie tussen
het werkleeraanbod en regulier onderwijs.
Het regulier onderwijs,
zijnde het direct door het Rijk bekostigde onderwijs, is een toereikende en
passende voorliggende voorziening zoals bedoeld in artikel 41 [42]
van dit
wetsvoorstel. Het regulier onderwijs biedt aan jongeren tot 27 jaar een
scala aan leermogelijkheden met bijhorende inkomensvoorziening waardoor
een werkleerrecht in deze situatie niet nodig is. Om die reden heeft
de jongere die op het moment van het verzoek regulier onderwijs
volgt geen recht op een werkleeraanbod - en bij gevolg ook geen recht op
de inkomensvoorziening - en de gemeente heeft niet de bevoegdheid
een werkleeraanbod te doen dat bestaat uit regulier onderwijs. Voor
gemeenten zou het financieel aantrekkelijk kunnen zijn om een jongere
naar het reguliere onderwijs te verwijzen, terwijl de jongere in
kwestie hier lang niet altijd het meest bij gebaat is. Immers kan gemeente door de
verwijzing ook kosten gemoeid met het werkleerrecht besparen. Een
ambtelijke verkenning heeft uitgewezen dat dit onzorgvuldige doorverwijzen in de huidige bijstandspraktijk
- waar
dezelfde
besparingsmogelijkheid bestaat - weinig voorkomt. Reden hiervoor is de steeds betere
samenwerking tussen gemeentelijke diensten en onderwijsinstellingen op
lokaal en regionaal niveau. In de nog te ontwikkelen monitor waarmee de voortgang
van het individuele werkleeraanbod zal worden gevolgd, zal het "onzorgvuldige
doorverwijzen" wel als aandachtspunt worden
meegenomen.
De gemeente
kan de jongere
vanuit een verwijsfunctie via "een goed gesprek" stimuleren terug
te keren naar regulier (voltijd)onderwijs. In deze situatie is er formeel
geen sprake van een werkleeraanbod. De inkomensvoorziening op basis
van de onderhavige wet is dus ook niet van toepassing. Voor
niet-leerplichtige voortijdig schoolverlaters (VSV-ers) tot 23 jaar is terugleiden naar
regulier onderwijs een kerntaak van de gemeentelijke Regionaal
Meld- en Coördinatiepunt (RMC)-functie. Een goede samenwerking tussen
gemeentelijke diensten en onderwijsinstellingen op lokaal en regionaal
niveau is dan ook van groot belang.
Dit biedt ook de
mogelijkheid voor gemeente, school en jongere om in overleg te treden om te
bezien of extra ondersteuning nodig is om te bevorderen dat de terugkeer
naar school duurzaam en succesvol is. Met het conceptwetsvoorstel
participatiebudget [zie Wet
participatiebudget, red.] wordt mogelijk gemaakt dat gemeenten eventuele extra
ondersteuning financieren.
rblz.|25|
In de praktijk is het
mogelijk dat jongeren zich alleen pro forma inschrijven bij een onderwijsinstelling
voor een beroepsopleidende leerweg. Zij schrijven zich niet in om onderwijs te volgen en vervolgens een diploma
te halen, maar doen dit
primair om voor studiefinanciering in aanmerking te komen. Onderzocht wordt
hoe dit onbedoeld gebruik van de studiefinanciering tegengegaan kan worden.
Gedacht wordt in de richting van een strengere
aanwezigheidsplicht op de niveaus 1 en 2 van de beroepsopleidende leerweg.
9.5. Beslistermijnen
Op grond van de Awb moet de
gemeente binnen een termijn van acht weken een besluit nemen op
het verzoek om een werkleeraanbod. De regering verwacht dat dit
zal leiden tot een substantiële verlaging van het hiaatpercentage (zie ook
paragraaf 4 [lees: hoofdstuk 4, red.]).
Als het besluit een
werkleeraanbod inhoudt, biedt dit wetsvoorstel
de mogelijkheid dat tussen het
besluit en de daadwerkelijke aanvang van het werkleeraanbod een termijn
van twee maanden is gelegen. Deze mogelijkheid is bedoeld voor de situatie
waarin het toegekende aanbod op het moment van het besluit niet
beschikbaar is, bijvoorbeeld omdat het een opleiding betreft die op een
later moment start. Zoals hiervoor meerdere malen is aangegeven, kan het
voor het bereiken van duurzame arbeidsparticipatie nodig
zijn dat het werkleeraanbod bestaat uit een reeks van opeenvolgende
voorzieningen. In dat geval voorziet dit wetsvoorstel erin dat de gemeente
de
voortgang van die reeks bewaakt. De gemeente dient er ambtshalve zorg
voor te dragen dat telkens na het aflopen van een werkaanbod een volgend
werkleeraanbod wordt gedaan.
10. Inkomensvoorziening
Zoals hiervoor vermeld, biedt
dit wetsvoorstel een inkomenswaarborg in de volgende situaties:
• van de jongeren kan niet
worden gevergd dat uitvoering wordt gegeven aan een werkleeraanbod; of
• het werkleeraanbod
genereert onvoldoende inkomen; of
• de jongere is in
afwachting van een werkleeraanbod.
In deze situaties heeft de
jongere niet de mogelijkheid om door werken en/of leren een toereikend
inkomen te verwerven. Daarom sluit de inkomenswaarborg in dit
wetsvoorstel aan bij die van de Wwb. Dit geldt,
behoudens een hierna te
bespreken uitzondering, voor de hoogte van de inkomensvoorziening, alsmede
voor de toets op inkomen en vermogen (middelentoets). In lijn
hiermee bevat dit wetsvoorstel dezelfde bepalingen als de Wwb
ter zake van
verhaal en terugvordering. Dit vereenvoudigt voor de gemeenten ook de
uitvoering; zij zijn immers met dit systeem vertrouwd. Aldus worden de
administratieve lasten verminderd.
Voor alleenstaande jongeren
van 21 en 22 jaar is het normbedrag in dit
wetsvoorstel lager
vastgesteld dan in de Wwb. De regering heeft hierbij overwogen dat voor deze
leeftijdsgroep een leeftijdsafhankelijk minimumloon
geldt, waardoor de aan
het minimumloon voor personen van 23 jaar of ouder gekoppelde normen
eerder leiden tot een armoedeval. Voorts heeft de regering overwogen
dat in deze leeftijdscategorie relatief veel schoolverlaters
vertegenwoordigd zijn, voor wie op grond van de bepalingen van de Wwb een lagere
toeslag of norm kan gelden.
Bij
dit wetsvoorstel zal een
regelmatig voorkomende situatie zijn dat bij gehuwden de echtelieden in
verschillende leeftijdscategorieën vallen en er bijgevolg een daarop afgestemde norm moet gelden. Evenals bij de
Wwb het geval is, is die
norm samengesteld uit de norm die voor elk van rblz.|26|
de partners afzonderlijk als
alleenstaande zou gelden, met dien verstande dat die norm, evenals bij de
Wwb het geval is, maximaal 50% van het minimumloon
bedraagt.
In de situatie dat
één van
beide partners geen recht heeft op de inkomensvoorziening omdat die leert dan wel
ouder is dan 27 jaar [lees: dan wel 27 jaar of ouder is, red.], wordt bij de bepaling van het recht van de andere partner op de inkomensvoorziening
rekening gehouden met het
inkomen van de niet-rechthebbende partner voor zover dat meer bedraagt
dan de op die partner van toepassing zijnde norm.
Omdat het recht op
bijzondere bijstand onafhankelijk is van de aard van de inkomsten, blijft dat
recht voor jongeren tot 27 jaar onverkort bestaan.
11. Financieringssystematiek
Bij het werkleerrecht moet
op een tweetal punten de financiering worden geregeld.
Ten eerste moet de
financiering van de voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling en opleidingen worden
geregeld, opdat geen beroep hoeft te worden gedaan op een voorziening voor kosten van levensonderhoud.
Een reguliere opleiding
wordt in principe gefinancierd via het bekostigd onderwijs. Voor
voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, inclusief andere vormen van
scholing
(niet-regulier bekostigd onderwijs), kan de gemeente
de
re-integratiemiddelen uit de Wwb (het W-deel) aanwenden, waar het gaat om een
voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het bestaande budget volstaat
naar verwachting hierbij. Het kabinet heeft het voornemen per 1 januari 2009
het W-deel samen met inburgeringsmiddelen en middelen
volwasseneneducatie op te laten gaan in het participatiebudget [zie Wet
participatiebudget, red.]. Het wordt hiermee
eenvoudiger voor gemeenten dit budget op een goede manier
in te zetten, ook ten behoeve van het werkleerrecht.
Ten tweede is dat de
financiering van de inkomensvoorziening, voor zover deze noodzakelijk is. Voor
deze voorziening wordt aangesloten bij de bestaande budgetsystematiek
van de Wwb. Daarmee wordt aangesloten bij de bestaande prikkel in
de Wwb voor gemeenten om het beleid zoveel mogelijk te richten op duurzame uitstroom uit een inkomensvoorziening
en het voorkomen van
instroom in deze voorziening. De raming van het macrobudget voor het
bijstandsbudget en de raming van het macrobudget voor inkomensvoorziening
voor jongeren zullen tezamen het budget I-deel [inkomensdeel, red.]
vormen, dat met het
verdeelmodel Wwb wordt verdeeld. In het onderhoudstraject verdeelmodel wordt de vraag
meegenomen of het verdeelmodel moet worden aangepast. Met
de VNG [Vereniging van Nederlandse Gemeenten,
red.] zijn meerjarige macrobudgetten I-deel afgesproken die
gelden voor de jaren 2008-2011.
Afgesproken is dat jaarlijks
wel wordt gecorrigeerd voor effecten rijksbeleid. Het afschaffen van bijstand
tot 27 jaar en het introduceren van een nieuwe voorliggende inkomensvoorziening voor deze groep, waarvan de
kosten in het budget I-deel
worden meegenomen, zijn beiden effecten van rijksbeleid. Zowel het
wegvallen van bijstandsuitgaven voor jongeren tot 27 jaar als het ontstaan
van uitgaven voor de inkomensvoorziening voor jongeren tot 27 jaar worden
daarom als effecten van rijksbeleid verwerkt in de budgetten I-deel 2009-2011,
voor zover deze nog niet in de MLT [middellangetermijnverkenning, red.], die de basis vormt van de
afspraken met de VNG, zijn verwerkt. De resulterende raming van de voorliggende
voorziening wordt meerjarig tot en met 2011 vastgelegd en aangepast,
conform de afspraken over meerjarige budgetten die bij brief van 5 oktober 2007 aan de Tweede Kamer zijn
toegestuurd.¹
1. Kamerstukken II 2006-2007
30 545, nr. 36.
rblz.|27|
12. Financiële paragraaf
12.1. De verwachte
nettobesparing in het Coalitieakkoord
In het Coalitieakkoord is
een verwachte nettobesparing voor het werkleerrecht opgenomen. Ten tijde van de
berekening van deze verwachte nettobesparing werd uitgegaan van
39 000 jongeren in de Wwb. Onder de veronderstelling dat de
Wwb volledig zou worden afgeschaft, resulteerde een besparing van
structureel €|500 miljoen (rekening houdend met extra uitgaven voor onderwijs, een
nieuwe inkomensvoorziening e.d., op de aanvullende post,
resulteerde een nettobesparing van circa €|250 miljoen).
Het aantal jongeren is
sindsdien gedaald tot circa 25 500 (eind maart 2008).¹ Daarnaast is de
invoeringsdatum van het onderhavige voorstel verschoven van 1 januari
2009 naar 1 juli 2009. Eén en ander heeft ook gevolgen voor de verwachte
nettobesparing. De actuele verwachte nettobesparing is weergegeven in
tabel 1.
1. Hierin zijn ook de circa 2200 jongeren betrokken die in
noot 1,
blz. 6, worden genoemd.
Tabel 1. Verwachte
nettobesparing (in miljoen euro):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
| Verwachte
nettobesparing |
–18 |
–88 |
–143 |
–143 |
–143 |
12.2. Veronderstellingen
over de doelgroep
Om de effecten van het
werkleerrecht te kunnen inschatten, is het noodzakelijk veronderstellingen te maken
over de aantallen jongeren die gaan studeren, werken, etc.
- Een deel van de
betrokken jongeren zal een reguliere baan verkrijgen. Een ander deel van de
jongeren zal worden afgeschrikt door het feit dat het recht op een
uitkering niet meer vanzelfsprekend is. Uit onderzoek van Divosa (Work first
werkt) is gebleken dat een derde van degenen die horen dat ze voor hun
uitkering aan de slag moeten, afhaakt. In de raming voor het
werkleerrecht is verondersteld dat per saldo 15% een baan vindt of wordt
afgeschrikt door het feit dat het recht op een uitkering niet meer zelfsprekend is.
Voor alleenstaande ouders met jongere kinderen ¹ is rekening
gehouden met een lager percentage (5%).
- Aangezien het hoofddoel
van het werkleerrecht is jongeren aan het werk te helpen, is
verondersteld dat de gemeenten een kwart van de jongeren met behulp van loonkostensubsidie aan het werk zal helpen.
De loonkostensubsidie wordt
betaald uit het W-deel. Voor alleenstaande ouders met jongere kinderen
is rekening gehouden met een lager percentage (10%).
- Een deel van de jongeren
in de Wwb heeft geen startkwalificatie; voor een deel van deze jongeren
zal het cognitief ook zeer moeilijk worden om een startkwalificatie te halen. Er is verondersteld dat 20% van de
totale doelgroep (dus ook
van de alleenstaande ouders met jonge kinderen) alsnog een
reguliere, bekostigde MBO-opleiding gaat volgen, waarvan 10% BOL-traject
[BOL: beroepsopleidende leerweg, red.] (alleen leren) en 10% BBL
[beroepsbegeleidende leerweg, red.] (werken gecombineerd met leren, waarbij
de werkgever
fiscale vergoeding ontvangt op basis van de WVA [Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen,
red.]).
- Naar verwachting gaat
20% van de doelgroep deelnemen aan korte scholingstrajecten (geen OCW). Zij ontvangen de inkomensvoorziening; de trajecten worden betaald uit het
W-deel. Voor alleenstaande ouders met jongere kinderen
is rekening gehouden met 45%.
- In de huidige Wwb heeft
ongeveer 11% van de doelgroep een ontheffing; verondersteld wordt dat dit
grosso modo ook de groep zgn. niet-kunners in het werkleerrecht zal
zijn. Voor zowel de alleenstaande rblz.|28|
ouders met jonge kinderen
als de overige bijstandsgerechtigden onder de 27 jaar wordt uitgegaan van 10%
niet-kunners. In deze groep zitten ook degenen die een Wsw-indicatie hebben gekregen en op de wachtlijst
staan (in 2006 circa 580
personen).
- Daarnaast zal er een
groep zijn die - tijdelijk - een beroep moet doen op de inkomensvoorziening,
bijvoorbeeld omdat hun werk of stage niet voldoende middelen
genereert. De omvang van deze groep wordt op 10% geschat.
1. Bij deze
veronderstellingen wordt onder alleenstaande ouders met
jonge kinderen de groep bedoeld die geen
gebruik maakt van de ontheffing van de
sollicitatieplicht.
Het aantal
niet-uitkeringsgerechtigden onder de 27 jaar dat ultimo 2007 een re-integratietraject
volgde bij de gemeente was circa 2000.
12.3. Budgettair beeld
Uitgaande van bovenstaande
uitgangspunten en veronderstellingen resulteert het budgettair beeld in
tabel 2. De tabel laat zien dat per saldo een structurele besparing op de
bijstand resteert van circa €|143 miljoen. Hierbij is rekening gehouden
met invoering op 1 juli 2009 voor alleen nieuwe gevallen. Vanaf 1
juli 2010 vallen alle jongeren onder het werkleerrecht.
Tabel 2. Budgettair beeld werkleerrecht [in miljoen
euro, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
| Besparing
Wwb |
–41xx |
–203xx |
–325xx |
–325xx |
–325xx |
| Kosten |
23xx |
115xx |
182xx |
182xx |
182xx |
| waarvan
kosten OCW |
5xx |
25xx |
38xx |
38xx |
38xx |
| waarvan kosten
inkomensvoorziening |
17xx |
84xx |
134xx |
134xx |
134xx |
| waarvan kosten
WVA |
1xx |
6xx |
10xx |
10xx |
10xx |
| Saldo |
–18xx |
–88xx |
–143xx |
–143xx |
–143xx |
Voor de uitgaven voor het
W-deel en de uitvoeringskosten van het werkleerrecht zullen de gemeenten worden
geconfronteerd met meer- en minderuitgaven ten opzichte van de huidige situatie. Een behoorlijk grote
groep jongeren zal verder
gaan studeren of gaan werken; gemeenten zullen verlangen dat
jongeren een startkwalificatie gaan halen (68% van de jongeren in de bijstand
heeft dit niet). Daarnaast zal het verplichte aanbod ertoe leiden dat
jongeren vaker zelf werk vinden. In deze gevallen zullen gemeenten hier
uitvoeringskosten en kosten voor het W-deel besparen. Tegelijk zal er
ook een groep zijn die intensiever moet worden begeleid, wat tot hogere uitvoeringskosten en kosten W-deel zal leiden.
Gemeenten hebben en behouden
een aanzienlijke vrijheid bij de uitvoering, zodat niet op voorhand kan
worden aangegeven wat de effecten met betrekking tot het W-deel en
de uitvoering zullen zijn, maar de verwachting is dat zich geen grote
effecten zullen voordoen.
12.4. Gevolgen voor
uitvoeringskosten gemeenten
De invoering van dit
wetsvoorstel zal gevolgen hebben voor de uitvoering door gemeenten, die kan
doorwerken in de uitvoeringskosten. Doordat gemeenten beleidsvrijheid hebben ten aanzien van de uitvoering, zowel in
de situatie vóór als in
die na invoering van dit wetsvoorstel, waardoor de uitvoering van gemeente tot
gemeente kan verschillen, is slechts een globale benadering te geven
van de gevolgen voor de uitvoeringkosten.
Het globale beeld met
betrekking tot de q van de uitvoeringskosten is dat de geleidelijke daling van
het aantal jongeren dat een beroep doet op de gemeenten zal leiden tot een
navenante afname van de uitvoeringskosten. Dit zal zich automatisch
vertalen in een lagere gemeentefondsuitkering voor de uitvoeringskosten
doordat er lager zal worden gescoord op de rblz.|29|
maatstaf
bijstandsontvangers. Daar staat tegenover dat de betreffende middelen deel blijven
uitmaken van de algemene uitkering uit het gemeentefonds.
Met betrekking tot de p van
de uitvoeringskosten, zijnde de kosten die de gemeente
per jongere moet
maken, verwacht de regering dat deze per saldo lager zullen uitvallen
doordat aan een werkleeraanbod grosso modo minder uitvoeringskosten
zijn verbonden dan het afwikkelen van een algemene bijstandsaanvraag
(zo vervallen de vermogenstoets en de partnermiddelentoets), de
periodieke controles op het voortduren van het recht op bijstand en de
daarmee samenhangende administratieve werkzaamheden. Voor de jongeren die recht
hebben op de inkomensvoorziening treedt er in de
uitvoeringskosten geen verandering op ten opzichte van de bestaande bijstandspraktijk. Gezien de beoogde aansluiting
op de bestaande
uitvoeringspraktijk zal dit wetsvoorstel naar verwachting niet tot
initiële uitvoeringskosten voor de gemeente leiden.
Gelet op het vorenstaande
ziet de regering geen aanleiding om bij de invoering van dit
wetsvoorstel het bedrag voor de uitvoeringskosten in de algemene uitkering uit het
gemeentefonds te wijzigen.
13. Verantwoording,
toezicht, informatievoorziening en monitoring
De uitvoering van de nieuwe
wet en vooral de effecten daarvan zullen op basis van beleidsinformatie
worden gemonitord. Waar intensivering of verbetering van gemeentelijke uitvoering of rijksbeleid wenselijk wordt
geacht, zal dat gaan
geschieden in bestuurlijk overleg met gemeenten en andere belanghebbenden. In
lijn met de kabinetsreactie op het rapport van de commissie-Oosting
"Van specifiek naar generiek" ¹ neemt de regering in dit
wetsvoorstel geen
specifiek toezichtsarrangement op.
1. Kamerstukken II 2007-2008,
31 200 VII, nr. 61.
Omdat de financiering van
de nieuwe
wet aansluit bij het Wwb-inkomensdeel en het participatiebudget en
daarnaast geen specifieke geldstroom richting gemeenten zal kennen, is geen sprake van een nieuwe specifieke
uitkering. Wel zal een extra
uitvraag noodzakelijk zijn over de feitelijke uitgaven WLR, omdat het
verdeelmodel van het I-budget [budget inkomensdeel, red.] voor sommige gemeenten is gebaseerd op de
realisatiegegevens.
Het bovenstaande laat
onverlet dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met
betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze
wet ernstige tekortkomingen
kan constateren. In een dergelijk geval dient Onze Minister de bevoegdheid
te hebben om een aanwijzing aan het college te geven. Vanwege de
gekozen financieringssystematiek is dienaangaande aangesloten bij de Wwb.
Waar het gaat om begeleiding
en monitoring van de jongeren is het sluitende jongerenvolgsysteem, zoals
voorgesteld in het IWI-rapport "Doorstart voor de schooluitvaller",¹
van belang. Met OCW is eind 2007 een project gestart om
structureel onderwijsgegevens voor de sector werk en inkomen tussen de IB-Groep
en CWI [Centrale organisatie werk en inkomen, red.], UWV en gemeenten via
Suwinet beschikbaar te stellen. In
december 2007 is door een proef aangetoond dat de uitwisseling van
gegevens tussen de IB-Groep en Suwinet technisch mogelijk is. Beoogd wordt dat in de
loop van 2009 successievelijk gegevens over onderwijsdeelname, studiefinanciering, opleidingen en onderwijskwalificatie via Suwinet beschikbaar
worden gemaakt. In de nog te ontwikkelen monitor waarmee
de voortgang van de individuele werkleeraanboden zal worden gevolgd, zal het
"onbedoeld doorverwijzen" wel als aandachtspunt worden
meegenomen.
1. Kamerstukken II 2007-2008,
26 695, nr. 41.
rblz.|30|
14. Overgangsrecht
Ten einde de gemeenten in
staat te stellen om geleidelijk over te schakelen van de uitvoering van de
Wwb naar uitvoering van het werkleerrecht voorziet dit
wetsvoorstel in
overgangsrecht. Hiermee wordt tevens voorkomen dat jongeren die
een uitkering op grond van de Wwb ontvangen en in dat kader
ondersteund worden bij de toeleiding naar algemeen geaccepteerde
arbeid, vanaf de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel abrupt onder een ander
regime komen te vallen. Dit wetsvoorstel voorziet erin dat die jongeren nog maximaal
twaalf maanden onder het regime van de Wwb blijven
vallen.
15. Administratieve lasten
burger
15.1. Inleiding
De administratieve lasten
zullen met het in werking treden van dit
wetsvoorstel voor de doelgroep jongeren
tot 27 jaar verminderen. Enerzijds is dit het gevolg van het feit dat de
Wwb, ná het betreffende overgangsrecht,
voor deze doelgroep geheel
gesloten wordt. Anderzijds wordt het wederzijdse contact dat de
doelgroep en de overheid in het kader van de nieuwe regeling zullen
hebben, vooral na plaatsing van de jongere op een werkleeraanbod, minder
frequent dan dat dit het geval is bij bijstandverlening (informatieverplichtingen).
Voorts zal - zoals reeds in paragraaf 12.2 is aangegeven
- een
deel van de doelgroep in het geheel geen beroep meer doen op de
overheid. Bovendien wordt daar waar in het kader van de nieuwe regeling
een recht op een (aanvullende) inkomensvoorziening bestaat, deze ambtshalve
vastgesteld. Tenslotte gelden de administratieve lasten
verminderende mogelijkheden die het Digitaal Klantdossier en de Wet
eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen in dit verband bieden, ook voor
het werkleerrecht [lees: Ten slotte gelden de
verminderende mogelijkheden die het Digitaal Klantdossier en de Wet
eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen in dit verband bieden ook voor
het werkleerrecht, red.].
15.2. Aantal jongeren
Het aantal jongeren dat
onder het werkleerrecht gaat vallen, wordt op circa 25 600 geraamd.
15.3. Gevolgen
administratieve lasten
De informatie die jongeren
in het kader van het werkleeraanbod bij de gemeenten zullen moeten
leveren, zal naar verwachting zeker niet meer zijn dan in de huidige situatie en naar mag worden aangenomen minder
doordat de vermogenstoets en
de partnermiddelentoets achterwege kunnen blijven. Uit dien
hoofde zal er naar verwachting sprake zijn van daling van de
administratieve lasten.
In de ramingen is
verondersteld dat een deel van de jongeren (circa 5000) gaat deelnemen aan een
OCW-opleiding. De administratieve lasten voor deze groep jongeren zullen
afnemen, omdat zij niet meer hoeft [lees: omdat deze jongeren niet meer
hoeven, red.] te voldoen aan de eisen die gemeenten
stellen voor het verkrijgen en behouden van een uitkering (zoals bijvoorbeeld
controle op neveninkomsten). De eisen die vanuit de WSF [Wet
studiefinanciering 2000 (WSF 2000), red.] worden gesteld, zijn
beduidend lager dan die voor de Wwb. Dit geldt ook voor de groep
jongeren die naar regulier werk uitstroomt (circa 4000 jongeren).
Ruim 6000 jongeren gaan aan
het werk met loonkostensubsidie (LKS). De administratieve lasten voor
deze groep jongeren zullen afnemen, omdat zij niet meer hoeft [lees:
omdat deze jongeren niet meer hoeven, red.] te voldoen aan de eisen die
gemeenten stellen voor het
verkrijgen en behouden van
een uitkering. Daar staat tegenover dat zij waarschijnlijk bepaalde
informatie over hun werkzaamheden aan de rblz.|31|
gemeenten zullen moeten
leveren (vanuit de LKS). De verstrekking van deze informatie zal naar
verwachting op een lager niveau liggen dan de informatie die moet worden
verstrekt in het kader van het verkrijgen en behouden van een Wwb-uitkering.
Ten slotte is er een groep
jongeren (10 000) die recht blijft behouden op een inkomensvoorziening (al
dan niet in combinatie met een scholingstraject vanuit het W-deel Wwb). Ten
opzichte van de huidige situatie zullen de administratieve
lasten voor deze jongeren niet toe- of afnemen; het ligt voor de hand dat
dezelfde informatie nu en in de toekomst aan de gemeente
moet worden
verstrekt.
15.4. Conclusie
Voor circa 9000 jongeren
zullen de administratieve lasten zeker afnemen (geen uitkering meer).
Voor circa 6000 jongeren is
er een min en een plus (geen uitkering meer, maar wel
loonkostensubsidie), waarbij de min groter is dan de plus.
Voor circa 10 000 jongeren
blijven de administratieve lasten grosso modo ten minste gelijk.
De conclusie lijkt daarom
gerechtvaardigd dat naar verwachting de administratieve lasten voor de burgers per
saldo als volgt zullen afnemen.
15.5. Berekening in uren en
out-of-pocketkosten
Voor de berekening is
gebruik gemaakt van het zgn. bijstandsmodel voor de berekening van
administratieve lasten.
In het geldende overzicht
van de te verrichten handelingen met betrekking tot de Wwb
is het volume
voor het aanvragen en verstrekken van de bijstandsuitkering met 9000
verlaagd. Deze groep ontvangt immers geen uitkering meer. De 6000
jongeren die met loonkostensubsidie aan het werk gaan, doen wel een
beroep op de gemeenten en zullen ook de nodige informatie moeten
leveren (net als voor de huidige bijstand). Er is daarom verondersteld dat
deze jongeren net als nu dezelfde kosten (in tijd en out of pocket) moeten
maken als nu.
Het volume met betrekking
tot het verstrekken van een voorschot is met 12 000 verlaagd. De groep
die geen uitkering meer krijgt (9000), zal ook geen voorschot meer krijgen.
Ook een deel van de groep die met loonkostensubsidie aan het
werk gaat, zal geen voorschot meer krijgen; verondersteld is dat het om
50% van deze groep zal gaan.
De groep die geen
bijstandsuitkering meer ontvangt, zal in de toekomst geen
rechtmatigheidsformulier meer hoeven in te vullen. In het bijstandsmodel
is daarom het volume dat is
gekoppeld aan het rechtmatigheidsformulier verlaagd met 9000.
De resulterende besparing in
uren bedraagt ongeveer €|235 000,-; de besparing op de
out-of-pocketkosten
is ongeveer €|186 000,-.
16. Adviezen
16.1. Inleiding
Het wetsvoorstel is ter
advisering voorgelegd aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten
(Actal),
de Commissie gelijke behandeling (CGB), de Inspectie Werk en
Inkomen (IWI), het Uitvoeringspanel gemeenten (UP) en de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Het wetsvoorstel is
daarnaast besproken in de Stichting van de Arbeid). Een ander [lees:
Eén en ander, red.] heeft geresulteerd
in het volgende.
rblz.|32|
16.2. Actal
Actal heeft de consequenties
van het wetsvoorstel getoetst op vier hoofdpunten:
1. Zijn de te verwachten
administratieve lasten gekwantificeerd en is de berekening voldoende
onderbouwd?
2. Is er voldoende aandacht
besteed aan alternatieven, die mogelijk minder administratieve
lasten opleveren?
3. Is er binnen het doel van
het wetsvoorstel gekozen voor het minst belasten alternatief? [lees: het
minst belastende alternatief?, red.]
4. Is er gekozen voor een
uitvoering met minimale administratieve lasten?
Actal wijst erop dat
uitwisseling van gegevens tussen onderwijs (Informatie Beheer
Groep) en
werk en inkomen (gemeenten, CWI en UWV) het meerdere malen uitvragen van dezelfde gegevens voorkomt en een
minder belastende uitvoering
mogelijk maakt. In de memorie van toelichting is aangegeven dat beoogd
wordt in de loop van 2009 successievelijk gegevens over onderwijs
deelname, studiefinanciering, opleidingen en onderwijskwalificatie via Suwinet beschikbaar te maken. Dit maakt verdere reductie van de
administratieve lasten mogelijk. Actal adviseert dit voornemen zo spoedig
mogelijk te realiseren. De regering neemt dit advies over.
Alles overwegende luidt het
eindoordeel van Actal om het wetsvoorstel in te dienen.
16.3. CGB
Het hanteren van de minimum-
en maximumleeftijdsgrenzen binnen het werkleerrecht is ter
beoordeling voorgelegd aan de CGB. De Commissie
heeft d.d. 11 april 2008
een
positief advies uitgebracht. De Commissie stelt dat, gezien het grote belang
dat het kabinet hecht aan het voorkomen dat jongeren in de bijstand
terechtkomen en daarmee opgesloten dreigen te raken in een "bijstandsval" en langdurig buiten de maatschappij komen te staan, de leeftijdsgrenzen
in het werkleerrecht die specifiek zijn gericht op jongeren van 16 tot
18 en 27 jaar objectief gerechtvaardigd zijn. De Commissie is van oordeel dat
de keuze voor het vaststellen van een maximumleeftijd valt binnen
de beoordelingsvrijheid van de overheid. Gelet op de wens
jeugdwerkloosheid tegen te gaan, ligt een beperking in leeftijd voor de hand, mede
gezien de omvang van de doelgroep.
16.4. IWI
De Inspectie geeft in haar
reactie in overweging voor wat betreft het toezicht vooralsnog aan te
sluiten bij de Wwb in afwachting van de besluitvorming in 2010
omtrent het rapport van de commissie-Oosting (rapport "Van specifiek
naar generiek"). De opvatting van de Inspectie dat ten onrechte vooruitgelopen
wordt op de besluitvorming omtrent de commissie-Oosting deelt de
regering niet. In de kabinetsreactie op het rapport "Van specifiek naar
generiek" van 23 april 2008 (Kamerstukken II 2007-2008, 31 200 VII, nr. 61)
is niet alleen aangegeven dat in het interbestuurlijk toezicht in beginsel
volstaan kan worden met het generieke instrumentarium, maar ook
dat het kabinet het wetsvoorstel voor afschaffing van interbestuurlijke
toezichtbevoegdheden in de Wwb waar mogelijk eind
2009 bij de Tweede Kamer aanhangig zal maken. Gezien de relatie die
ligt tussen het voorliggende wetsvoorstel en de Wwb kan
van de regering niet anders verlangd worden dan dat nieuwe wetsvoorstellen in overeenstemming zijn met de zijn visie
[lees: met haar visie, red.] op interbestuurlijk toezicht.
rblz.|33|
In haar beoordeling op
toezichtbaarheid merkt de Inspectie [lees:
merkt de Inspectie
op, red.] dat een aantal subjectieve elementen zoals
de individuele omstandigheden en het individuele vermogen van jongeren een
nadere concretisering behoeft. Zoals de Inspectie er zelf al aangeeft
[lees: zoals de Inspectie zelf al aangeeft, red.], zal dit plaatsvinden in de door de gemeenteraad op te stellen verordeningen.
Opmerkingen van de IWI zijn
aanleiding geweest voor een aantal technische en redactionele wijzigingen.
16.5. VNG
De VNG geeft aan dat
sluitende aanpak voor jongeren geen keuze is maar een must, maar wijst het
wetsvoorstel af omdat dit gemeenten geen voordeel oplevert bij het realiseren
van de sluitende aanpak. De VNG geeft aan dat het werkleerrecht
gemeenten geen nieuw instrument biedt en het niet tot een extra investering in
jongeren leidt. Het vervangen van de huidige aanpak door het
werkleerrecht ziet de VNG als een foute keuze; gemeenten hebben slechte
ervaringen met het wijzigen van een goede aanpak.
De regering is het met de
VNG eens dat een succesvolle aanpak niet mag worden gefrustreerd. Met dit
wetsvoorstel beoogt de regering juist de succesvolle aanpak van veel
gemeenten om te zetten in een landelijke regeling; het doel is dan
ook die aanpak voor alle gemeenten te laten gelden. De regeling beoogt
gemeenten een extra impuls te geven om met jongeren direct aan de slag
te gaan of een reeds ingezette aanpak te continueren. De rechtvaardiging voor deze
extra impuls vindt de regering mede in het eerder vermelde
hiaatpercentage bij jongeren (zie paragraaf 4.1). Dit percentage geeft
aan dat een extra investering in jongeren nog wel degelijk mogelijk
is.
De VNG
constateert dat
het
wetsvoorstel veel aanvullende regels bevat en dat eveneens veel regels van
de Wwb van toepassing blijven. Voorts acht de VNG de onderbouwing van
de aannames in de financiële paragraaf niet toereikend.
Het ook door het
Uitvoeringspanel gemeenten (UP) genoemde belang van een zo groot mogelijk
aansluiting bij de Wwb is voor de regering aanleiding geweest om waar mogelijk de
Wwb te volgen; aanvullende regels zijn slechts gesteld waar
nodig in verband met het afwijkende karakter van dit
wetsvoorstel ten
opzichte van de Wwb.
In verband met de
kanttekening van de VNG inzake de financiële veronderstellingen merkt de regering op dat bij
deze veronderstellingen waar mogelijk aansluiting is gezocht bij ervaringen uit de huidige praktijk, bij
voorbeeld bij de inzet van work first bij jongeren.
De regering heeft
kennisgenomen van de mededeling van de VNG dat haar bezwaar, inhoudende dat gemeenten geen tegemoetkoming in uitvoeringskosten ontvangen gedurende een overgangsperiode met twee
verschillende regimes,
overkomelijk is nu de huidige aanpak ook gepaard gaat met grote kosten. Ook
de regering is van mening dat gemeenten, die de door de wet beoogde
aanpak al hanteren, niet met noemenswaardige extra uitvoeringskosten
zullen worden geconfronteerd. Door het advies te volgen van het UP om een
ruime overgangsperiode te hanteren, zal voorts het aantal jongeren
dat moet worden "overgezet" naar de nieuwe regeling zeer gering zijn,
zodat het wetsvoorstel naar verwachting niet tot te kwantificeren initiële
uitvoeringskosten voor gemeenten zal leiden.
Ten slotte vraagt de
VNG extra aandacht voor uitvoeringstechnische aspecten, zoals de toename
van administratieve lasten. In aanvulling op rblz.|34|
hetgeen hiervoor vermeld is
over de aansluiting bij de Wwb, merkt de regering op dat bij de
ondersteuning van de implementatie van dit
wetsvoorstel de uitvoeringstechnische
aspecten, in overleg met VNG, Divosa, gemeenten en
UP, de vereiste
aandacht zullen krijgen.
16.6. Uitvoeringspanel
gemeenten (UP)
Het UP concludeert in zijn
advies dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is. Vanuit het UP zijn, in
aansluiting op het advies dat eerder is uitgebracht over de beleidsnota,
vragen
gesteld over de noodzaak van een aparte wet. Deze leden van het UP
herkennen zich ook niet in het beeld dat er een aanmerkelijk aantal
ongemotiveerde jongeren is. Met de jongeren die wel langdurig een
bijstandsuitkering ontvangen, is meestal veel aan de hand. Het UP geeft aan dat er een
risico is dat er per doelgroep een aparte regeling komt, met alle gevolgen van
dien voor de belasting van de gemeentelijke uitvoering. Het UP
constateert voorts een neiging tot centralisatie. In reactie hierop geeft de
regering aan dat de beoogde paradigmawisseling en de positieve implicaties
die deze op verschillende terreinen voor een groot aantal jongeren zal hebben, aanleiding zijn om het werkleerrecht in
een afzonderlijke regeling
vorm te geven.
Het UP wijst erop dat bij
een nieuwe wet, mede in verband met aanpassingen op het ICT-terrein, een zo
groot mogelijk aansluiting bij de Wwb wenselijk is omdat hierdoor
de wettekst van de dit wetsvoorstel zo beperkt mogelijk blijft. Dit
heeft de regering aanleiding gegeven om waar nodig en mogelijk de Wwb van
overeenkomstige toepassing te verklaren.
In verband met de
uitvoeringsaspecten vraagt het UP om verduidelijking van het karakter van het
werkleeraanbod: betreft het een eenmalige gemeentelijke activiteit of zo
nodig gelijktijdige en volgtijdelijke activiteiten.
Naar aanleiding hiervan is
in de memorie verduidelijkt dat het werkleeraanbod een
committent is dat met de jongere wordt aangegaan totdat duurzame
arbeidsparticipatie is bereikt. Het werkleeraanbod is een continu proces dat
afhankelijk van de voortgang steeds nader wordt ingevuld. In de wettekst is hierin
voorzien door de bepaling dat de gemeente de voortgang van dit proces
dient te bewaken en ambtshalve een volgend werkleeraanbod dient te doen.
Voorts vraagt het UP
aandacht voor een mogelijk ongewenst uitvoeringseffect van de oorspronkelijk
opgenomen verplichting van een door de jongere te tekenen bijlage
bij het besluit betreffende het werkleeraanbod. Dit is voor de regering,
mede in het licht van deregulering, aanleiding geweest om de betreffende
bepaling te schrappen.
Het wetsvoorstel betreft
volgens het UP een groep die niet thans bediend wordt en voortaan verplicht
bediend moeten worden. Dit wringt volgens het UP met de bestaande
beleidsvrijheid van gemeenten om te prioriteren. De regering wijst er in dit
verband op dat die beleidsvrijheid er thans toe leidt dat de
afspraken over de sluitende aanpak door de gemeenten niet gehaald
worden (zie het eerder vermelde hiaatpercentage) en dat het belang van
bedoelde afspraken prevaleert boven de beleidsvrijheid van de
gemeenten.
Conform het verzoek van het
UP is de rol van het regulier onderwijs bij het werkleeraanbod zowel in
de wettekst als in de memorie van toelichting nader ingevuld.
Het UP adviseert om te
formaliseren dat het RMC de bevoegdheid heeft om de jongere aan te melden
voor een werkleeraanbod. Gelet op het eerdergenoemde feit dat de jongere niet verplicht kan worden tot het
rblz.|35|
doen van een verzoek om een
werkleeraanbod en overwegende dat het contact tussen het RMC en de gemeente
in de hoedanigheid van uitvoerder van dit
wetsvoorstel in de rede ligt, ziet de regering geen aanleiding tot de
voorgestelde formalisering.
Het UP heeft aangegeven de
voorkeur te hebben voor een overgangsperiode die in ieder geval langer
dan zes maanden bedraagt, zoals oorspronkelijk opgenomen in dit
wetsvoorstel. Het UP acht een overgangsperiode
van twee jaar een meer
geschikte optie, omdat dan ook de meeste jongeren die een beroep op
de Wwb deden inmiddels uit de uitkering zijn. Gelet op een betere
aansluiting en minder overgangsproblemen heeft de regering in die zin rekening
gehouden met dit advies dat de termijn in het wetsvoorstel op dit punt is
bepaald op twaalf maanden. Een overgangstermijn van twee jaar schept naar
het oordeel van het kabinet een te lange, want voor uitvoering
en belanghebbenden verwarrende, periode voor het naast elkaar
bestaan van onderling verschillende uitvoeringsregimes.
16.7. Stichting van de Arbeid
Het wetsvoorstel is
besproken met de sociale partners in de Stichting van de Arbeid (STAR). De sociale
partners kunnen zich op hoofdlijnen in het wetsvoorstel vinden. Het
besprokene is voor de regering aanleiding geweest om de toelichting
bij het wetsvoorstel op een aantal punten te verhelderen.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 1
Artikel 2 (jongere)
In artikel 2 wordt geregeld
wat in dit wetsvoorstel onder jongere wordt verstaan. Het moet gaan om
een Nederlander van 16 jaar of ouder, maar jonger dan 27 jaar, die in Nederland woont. In het tweede lid staat wie aan
een Nederlander
gelijkgesteld wordt (en dus ook aan een jongere als die aan de andere criteria uit
het eerste lid voldoet). In het derde lid staat de mogelijkheid om bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen dat ook andere personen aan een
Nederlander gelijkgesteld worden. Hiervoor zal aansluiting worden gezocht
bij het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb,
Ioaw, Ioaz en Wwik.
Artikel 3 (gelijkstelling
niet-gehuwden met gehuwden)
Beoogd wordt met deze
bepaling om ongehuwd samenwonenden op gelijke wijze te behandelen
als gehuwden indien hun feitelijke omstandigheden niet verschillen van die van
gehuwden. Vast dient dan te staan dat ongehuwd samenwonenden een
gezamenlijke huishouding voeren. In het derde en vierde lid wordt
geregeld wanneer er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Hiervoor is
aansluiting gezocht bij de bestaande regels over gezamenlijke
huishouding uit de Wwb.
Artikel 4 (alleenstaande,
alleenstaande ouder en gezin)
In dit artikel staat wat
onder alleenstaande, alleenstaande ouder, gezin en (ten laste komend) kind
wordt verstaan. De inhoud van dit artikel komt overeen met artikel 4 van de
Wwb.
rblz.|36|
Artikel 5
(inkomensvoorziening en werkleeraanbod)
In het eerste lid wordt
bepaald wat een werkleeraanbod inhoudt. Het begrip werkleeraanbod moet
ruim worden uitgelegd. Het kan bestaan uit het aanbieden van algemeen
geaccepteerde arbeid, het aanbieden van een voorziening gericht op
het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid (arbeidsinschakeling)
of het aanbieden van ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Onder
een voorziening gericht op arbeidsinschakeling kan in ieder geval scholing,
een opleiding en/of sociale activering worden begrepen. In artikel
6 wordt geregeld wat wordt verstaan onder algemeen geaccepteerde
arbeid, arbeidsinschakeling en sociale activering. Om redenen als uiteengezet in de
algemene toelichting kan
een werkleeraanbod niet
bestaan uit een participatieplaats als bedoeld in artikel
10a van de Wwb.
In het tweede lid wordt
geregeld dat het doorverwijzen van het college van een jongere naar
regulier bekostigd onderwijs geen werkleeraanbod is.
Artikel 6
(arbeidsinschakeling en sociale activering)
Met betrekking tot de
begrippen "arbeidsinschakeling" en "sociale activering"
wordt eveneens
aansluiting gezocht bij de Wwb (artikel
6). Uit het tweede lid blijkt dat
een
dienstbetrekking in het kader van de Wsw niet als "algemeen geaccepteerde
arbeid" wordt beschouwd. Vanwege het vrijwillige karakter van de Wsw kan
immers niemand uit hoofde van zijn uitkering verplicht worden om een
aanvraag voor een Wsw-indicatie te doen of een Wsw-arbeidsplaats te
aanvaarden. Onder een voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt in
dit wetsvoorstel overigens wel een voorziening verstaan die personen op de
Wsw-wachtlijst toeleidt naar een dienstbetrekking in het kader van de Wsw. Een
aanbod van een dergelijke voorziening valt derhalve ook onder een
werkleeraanbod.
Artikelen 7 tot en met 9
(inkomen, middelen en vermogen, kinderbijslag en premies, nettominimumloon)
Voor de invulling van het
begrip inkomen wordt aangesloten bij artikel 32, eerste en tweede lid, van de
Wwb. Hetgeen is geregeld in het derde en vierde lid van
artikel 32 Wwb komt in aangepaste vorm terug in artikel 35
[36] van dit
wetsvoorstel, waar
nadere regels staan over de hoogte van de inkomensvoorziening. Voor de
inhoud van de begrippen middelen en vermogen wordt verwezen naar
de artikelen 28 en 31 van de
Wwb. Om redenen als uiteengezet in
het algemeen deel van de toelichting kent dit
wetsvoorstel geen
financiële incentives voor arbeidsinschakeling. Daarom worden de aan arbeid en zorg
gerelateerde heffingskortingen (artikel 31, tweede lid, onderdeel
c, van
de Wwb), een premie die door het college kan worden toegekend in
verband met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (artikel
31, tweede lid,
onderdeel j, van de Wwb) en een kostenvergoeding voor het
verrichten van vrijwilligerswerk (artikel 31, tweede lid, onderdeel
k, van
de Wwb) wel tot de middelen gerekend en vindt geen vrijlating plaats
van inkomsten uit arbeid (artikel 31, tweede lid, onderdeel
n, van de Wwb).
Met betrekking tot het begrip nettominimumloon wordt aangesloten bij artikel 37 van de
Wwb. De normen voor de
inkomensvoorziening zijn
gekoppeld aan het nettominimumloon. Daardoor is gegarandeerd dat de
algemene welvaartsontwikkeling tot uitdrukking komt in die normen.
Onder premies
volksverzekeringen wordt verstaan de premies ter dekking van de uitgaven ten
laste van fondsen voor de Algemene Ouderdomswet, de
Algemene nabestaandenwet
en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, met
uitzondering van - zo blijkt uit artikel 5 van de
Wet financiering sociale
verzekeringen - de nominale premie op grond van rblz.|37|
artikel 17 van de
Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten. Onder premie werknemersverzekeringen
wordt in het kader van dit wetsvoorstel verstaan het
werknemersaandeel in de premie, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling
2, van de Wet
financiering sociale verzekeringen.
Artikel 10
(gemeenschappelijke regelingen)
Indien de uitvoering van dit
wetsvoorstel wordt overgedragen aan het bestuur van een openbaar
lichaam in de zin van de Wet
gemeenschappelijke regelingen, treedt dat bestuur voor de toepassing van de artikelen
van dit wetsvoorstel in de
plaats van de desbetreffende colleges. Dit geldt dus niet voor de toepassing
van de in de Wet
participatiebudget en de Wwb vervatte artikelen
inzake de financiering van dit wetsvoorstel.
Hoofdstuk 2
Artikel 11 (opdracht college)
Het behoort tot de
verantwoordelijkheid van het college om een jongere een werkleeraanbod te doen
indien hij daar om verzoekt. Indien de jongere aan de voorwaarden voor
het recht op een werkleeraanbod voldoet, is het college
verplicht hem een dergelijk aanbod te doen (behoudens de uitzonderingen van artikel
17). De inhoud van dit werkleeraanbod wordt door het college bepaald.
Daarnaast dient het college een inkomensvoorziening aan een
jongere te verstrekken indien de jongere aan de voorwaarden hiervoor
voldoet (eerste en tweede lid). Bij het doen van een werkleeraanbod werkt het
college samen met het UWV (derde lid). Het vierde lid bepaalt
welke uitvoeringstaken het college mag uitbesteden aan derden. Ten slotte bepaalt
het vijfde lid dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de aan- en uitbesteding van die uitvoeringstaken.
Artikel 12 (opdracht
gemeenteraad)
Voorgesteld wordt om de
gemeenteraad te verplichten om op een aantal terreinen bij verordening regels
te stellen. Deze plicht om het gemeentelijk beleid in verordening vast te leggen, beoogt onder andere de rechtszekerheid
van de burger te vergroten. Het
betreft het stellen van regels:
- over de inhoud van een
werkleeraanbod (onderdeel a);
- over de verlaging van de
inkomensvoorziening op grond van artikel 40 [41]
(afstemmingsverordening)
(onderdeel b);
- over het te voeren beleid op
het gebied van fraudebestrijding (onderdeel c);
- met betrekking tot de
cliëntenparticipatie; en
- over het verlagen of
verhogen van de norm voor bepaalde categorieën jongeren en onder welke
voorwaarden dat gebeurt.
In het tweede lid van artikel 12
staan onderwerpen waarover in ieder geval in (het deel van) de
verordening over cliëntenparticipatie regels moeten worden gesteld.
Hoofdstuk 3
Artikel 13 (recht op
werkleeraanbod)
In het eerste lid wordt geregeld
wie er recht heeft op een werkleeraanbod. Onderdeel a regelt onder welke
voorwaarden jongeren van 16 of 17 jaar recht op zo’n aanbod hebben. Het betreft ten eerste jongeren van 16 of 17
jaar die aan de
kwalificatieplicht hebben voldaan. Dit om te voorkomen dat die jongeren naar de
gemeente
gaan voor een werkleeraanbod terwijl ze nog geen startkwalificatie
hebben. Ten tweede betreft het 16- of 17-jarigen
rblz.|38|
die zijn vrijgesteld van
het behalen van de kwalificatieplicht, bijvoorbeeld vanwege lichamelijk
of psychische redenen. Voor al deze 16- en 17-jarigen geldt dat zij
alleen dan voor een werkleeraanbod in aanmerking kunnen komen indien zij geen
scholing of opleiding volgen en minder dan 16 uur per week
arbeid verrichten. Het doen van een werkleeraanbod heeft immers geen zin indien
zij, zoals van jongeren van die leeftijd verwacht mag worden, met hun
educatie doende zijn. Evenmin heeft het doen van een werkleeraanbod zin wanneer deze jongeren al meer dan marginale arbeid verrichten. In
onderdeel b staat wanneer een jongere van 18 tot en met 26 jaar recht
heeft op een werkleeraanbod. Deze jongere heeft recht op zo’n aanbod
indien zijn inkomen lager is dan de voor hem geldende norm. Verder wordt in
onderdeel b bepaald dat het inkomen van de partner buiten beschouwing
wordt gelaten bij het vaststellen van een recht op een werkleeraanbod.
Hierdoor kan ook de jongere die een partner heeft met een hoog
inkomen, maar zelf geen inkomsten heeft of een inkomen heeft dat lager is
dan de op hem van toepassing norm, in aanmerking komen voor een
werkleeraanbod. Uit het gebruik van het woord "desgevraagd" in de
aanhef van het eerste lid blijkt dat de jongere een verzoek moet doen om een
werkleeraanbod en dat indien het om gehuwden gaat, zij ieder apart
een verzoek om een aanbod moeten doen. Dit omdat het bij het doen van
een werkleeraanbod van belang is dat er naar de individuele
omstandigheden, krachten en bekwaamheden van jongeren wordt gekeken. Uit het
tweede lid blijkt dat het recht op een aanbod bestaat tegenover het
college van de gemeente waar de jongere zijn woonplaats heeft. Bij
algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald tegenover het college
van welke gemeente een jongere recht op aanbod heeft indien de jongere
geen adres heeft. Hierbij zal aansluiting worden gezocht bij artikel 11
van het Besluit Wwb 2007, waar bijstandverlening aan adreslozen is geregeld. In
het verlengde van de Wwb
wordt voorts voorgesteld dat het
college dat een adresloze jongere een aanbod doet, deze jongere verplicht om
aangifte te doen van een door het college ter beschikking gesteld
briefadres.
Artikel 14 (vaststellen recht op
werkleeraanbod)
Als hoofdregel wordt voorgesteld
dat het college een recht op werkleeraanbod op aanvraag vaststelt. Er is
echter een uitzondering opgenomen in artikel 19, waarbij het recht op een aanbod ambtshalve wordt vastgesteld.
Artikel 15 (aanvraag bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen)
In lijn met de procedure met
betrekking tot het indienen van een aanvraag voor een uitkering die door het
college wordt verstrekt, wordt ook de aanvraag voor een werkleeraanbod
ingediend bij het UWV. Na overdracht door het UWV wordt de aanvraag
verder in behandeling genomen door het college tot wie de aanvraag
om een werkleeraanbod gericht is. Indien het echter gaat om een aanvraag
van een jongere die in een inrichting verblijft of een jongere zonder
adres, dient de aanvraag rechtstreeks te worden ingediend bij het
college. Het derde lid biedt de mogelijkheid om bij verordening te bepalen dat
een aanvraag in afwijking van het tweede lid toch wordt ingediend bij
het UWV.
Artikel 16 (doorzending van
aanvraag)
De doorzending van aanvragen die
eigenlijk bij een ander bestuursorgaan thuishoren, is geregeld in de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb biedt echter geen afdoende regeling voor domiciliegeschillen, vandaar dat
er in dit artikel aanvullende
regels staan. Het college van de gemeente waar de belanghebbende werkelijk
verblijft, heeft de verplichting om, in rblz.|39|
afwachting van de uitkomst van
het domiciliegeschil, de aanvraag voor een werkleeraanbod te
beoordelen. Hierdoor wordt voorkomen dat een domiciliegeschil ertoe leidt dat
vertraging optreedt.
Artikel 17 (afstemmen
werkleeraanbod)
In het eerste lid komt tot
uitdrukking dat bij het doen van een werkleeraanbod van belang is dat het college
maatwerk levert. Er moet steeds gekeken worden naar de omstandigheden (externe factoren), krachten en
bekwaamheden (interne factoren)
van diegene aan wie een werkleeraanbod wordt gedaan.
Uit het tweede lid blijkt dat
als het college van mening is dat een jongere om "redenen van lichamelijke,
geestelijke of sociale aard" niet in staat mag worden geacht om een werkleeraanbod uit te voeren, het college aan
die jongere ook geen aanbod
doet. Bij "redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard" kan onder
andere gedacht worden aan arbeidsongeschiktheid van een jongere (terwijl geen
recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat). Ingeval deze redenen
tijdelijk van aard zijn, doet het college, zo gauw
de redenen niet meer aanwezig zijn, alsnog een werkleeraanbod aan de
jongere. Indien en zolang aan de jongere geen werkleeraanbod wordt gedaan omdat om de hiervoor bedoelde redenen van die jongere niet kan
worden gevergd dat hij uitvoering geeft aan zo’n aanbod, heeft deze
jongere indien hij voldoet aan het bepaalde in artikel
24, eerste lid, recht op
een inkomensvoorziening, tenzij één of meer van de onderdelen van het eerste
lid van artikel 41 [42] op hem van toepassing zijn. Artikel
41 [42], eerste lid,
onderdeel a, is in ieder geval op deze jongere niet van toepassing gegeven het
feit dat van een weigering van het werkleeraanbod geen sprake kan zijn indien hem
door het college niet een dergelijk aanbod is gedaan.
Het college kan voorzieningen
die gericht zijn op arbeidsinschakeling inzetten om de combinatie van
zorgtaken met een werkleeraanbod mogelijk te maken. Mochten deze voorzieningen echter niet toereikend zijn, dan
kunnen deze zorgtaken als
redenen van sociale aard worden aangemerkt. In de Wet
verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders wordt aan alleenstaande ouders met een
kind onder de vijf jaar indien zij daar om verzoeken ontheffing van de
plicht tot arbeidsinschakeling verleend. Voor deze groep alleenstaande
ouders geldt in dat geval wel een scholingsplicht, tenzij scholing
naar het oordeel van het college niet haalbaar is voor de alleenstaande ouder.
In het vierde lid van het onderhavige artikel wordt bij de genoemde
wet aansluiting gezocht door te bepalen dat op verzoek van de
alleenstaande ouder met een kind tot vijf jaar een werkleeraanbod wordt gedaan in
de vorm van een scholing of opleiding die de toegang tot de
arbeidsmarkt bevordert. Ook wordt hieraan de bovengenoemde uitzondering toegevoegd. Mocht het college van oordeel
zijn dat een scholing of
opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert de krachten of
bekwaamheden van die jongere te boven gaat, dan biedt het college in plaats
van een dergelijke scholing of opleiding een andere voorziening gericht
op arbeidsinschakeling aan. In deze situatie is derhalve sprake van
een werkleeraanbod (scholing of opleiding, dan wel een andere voorziening
gericht op arbeidsinschakeling) en heeft deze jongere dan ook recht op
een inkomensvoorzienig indien hij voldoet aan artikel
24, eerste lid, en
geen van de onderdelen van artikel 41 [42], eerste lid, op hem van toepassing is.
Indien de jongere niet voldoet
aan de verplichting om mee te werken aan het opstellen van een plan met
betrekking tot zijn arbeidsinschakeling en aldus zijn arbeidsinschakeling
belemmert, doet het college hem geen werkleeraanbod, ook al voldoet
de jongere verder aan de voorwaarden die gesteld zijn voor een recht
op een werkleeraanbod. Zodra de jongere echter bereid is om mee te
werken aan het opstellen van een plan, dient het college hem alsnog een
aanbod te doen. Het kan dus niet zo zijn dat rblz.|40|
indien een jongere niet
meewerkt, hij nooit meer een werkleeraanbod van het college kan krijgen.
Overigens heeft de jongere gedurende de periode dat hij niet wenst te voldoen
aan de verplichting, bedoeld in artikel 44 [45], onderdeel
a, geen recht op een
inkomensvoorziening. Uit artikel 41 [42], eerste lid, onderdeel
c, vloeit immers
voort dat voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig
blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 (artikel
44 [45], onderdeel a, is opgenomen in dit hoofdstuk), niet wil nakomen,
geen recht op inkomensvoorziening heeft.
Artikel 18 (besluit
werkleeraanbod)
In het besluit van het college
dat aan een jongere een werkleeraanbod wordt gedaan, staat het
werkleeraanbod nauwkeurig beschreven. Er wordt in ieder geval aangegeven
wat voor activiteiten er waar en voor welke periode verricht moeten
worden. Aldus weet de jongere precies wat er van hem verlangd wordt.
Indien het college een aanbod doet dat niet meteen uitgevoerd kan worden
door de jongere, noemt het college een termijn in het besluit
waarbinnen wel uitvoering aan het werkleeraanbod kan worden gegeven. Hierbij
kan
gedacht worden aan een cursus die het college aanbiedt, waarbij die
cursus pas drie weken later begint. In dat geval dient het college dit te
vermelden in het besluit, bedoeld in het eerste lid. Deze termijn mag
echter niet meer dan twee maanden bedragen, waarbij de datum van
het besluit als begindatum geldt.
Artikel 19 (einde uitvoering
werkleeraanbod)
De voorgestelde hoofdregel is
dat een werkleeraanbod moet worden aangevraagd (zie artikel
14).
Echter, indien een jongere na afronding van het werkleeraanbod nog steeds een inkomen heeft dat onder de norm ligt
die op hem van toepassing is,
doet het college ambtshalve een nieuw werkleeraanbod. Dit kan het
college ambtshalve doen omdat het immers weet op welk tijdstip het
werkleeraanbod eindigt en wat de inkomsten van die jongere zijn op dat tijdstip.
Artikel 20 (opschorten recht op
werkleeraanbod)
Dit artikel regelt in welke
gevallen het college het recht op een werkleeraanbod opschort. De voorgestelde
hoofdregel is dat het college het recht opschort indien een adres dat door de jongere is verstrekt, afwijkt van de
adresgegevens in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Hierop bestaat een aantal
uitzonderingen. Deze worden genoemd in het tweede lid. Indien een
college het recht opschort, deelt het dit schriftelijk mee aan de jongere en geeft het
de jongere de kans om de in de GBA opgenomen gegevens aan te
passen.
De opschorting wordt beëindigd
met ingang van de dag waarop het college gebleken is dat de door
de jongere opgegeven adresgegevens niet meer afwijken van de gegevens in de
GBA.
Artikel 21 (herziening en
intrekking werkleeraanbod)
Het werkleeraanbod kan worden
herzien of ingetrokken indien een wijziging van de omstandigheden, krachten
of bekwaamheden van de jongere daartoe aanleiding geeft. Hierbij kan gedacht worden aan de omstandigheid
dat de jongere in de gevangenis
terechtkomt of dat hij de leeftijd van 27 jaar bereikt heeft. Voorts
kan het werkleeraanbod worden ingetrokken of herzien indien de jongere
bepaalde verplichtingen - verwijtbaar - niet nakomt.
rblz.|41|
Artikel 22 (uitsluiting recht op
werkleeraanbod)
Indien de jongere zich
herhaaldelijk - verwijtbaar - zeer ernstig misdraagt, kan het college de jongere
van een recht op een werkleeraanbod (en dus ook van het recht op een
inkomensvoorziening) uitsluiten. Het moet hier wel gaan om gedrag dat in
normaal menselijk verkeer als onacceptabel wordt beschouwd, zoals dreigen
met of toepassen van geweld. Deze uitsluiting kan zowel
plaatsvinden in de fase dat nog geen werkleeraanbod aan de jongere is gedaan als in
de situatie dat er wel al een werkleeraanbod is gedaan. Deze maatregel kan
pas worden toegepast als de jongere zich meermalen zeer
ernstig heeft misdragen. Die situatie rechtvaardigt dat de jongere een tijd geen
inkomensvoorziening krijgt. In het geval dat de jongere zich voor
de eerste keer zeer ernstig misdraagt, wordt de (minder ingrijpende)
maatregel van artikel 40 [41] toegepast. Dit houdt in dat de
inkomensvoorziening van de jongere (tijdelijk) wordt verlaagd.
Daarnaast is deze uitsluiting
van een recht op aanbod in principe van tijdelijke aard. Op grond van
het tweede lid dient binnen ten hoogste één maand het besluit tot
uitsluiting heroverwogen te worden. Dit om te voorkomen dat een jongere die zich
misdraagt daardoor tot zijn 27ste jaar wordt uitgesloten van een
werkleeraanbod (en dus van een inkomensvoorziening).
Artikel 23 (geen recht op
werkleeraanbod)
Het eerste lid regelt welke
jongeren van een recht op een werkleeraanbod zijn uitgesloten.
In onderdeel a wordt de jongere
die een uit ’s Rijks kas bekostigde opleiding volgt, uitgesloten van het recht
op een werkleeraanbod. Voor deze jongere is een werkleeraanbod immers niet nodig gegeven het feit dat hij
reeds een opleiding volgt.
Daarnaast zijn de jongeren die rechtens hun vrijheid zijn ontnomen of die hun
militaire of vervangende dienstplicht vervullen, uitgesloten van een
recht op een werkleeraanbod (onderdelen b en c).
Op grond van het tweede lid
kunnen bij algemene maatregel van bestuur categorieën personen worden
aangewezen op wie de uitsluitingsgrond "rechtens zijn vrijheid ontnomen" niet van toepassing is. Hiervoor zal
aansluiting worden gezocht bij
het Besluit extramurale vrijheidsbeneming [lees: Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale
zekerheid, red].
Hoofdstuk 4
Artikel 24 (recht op
inkomensvoorziening)
In het eerste lid wordt geregeld
onder welke voorwaarden een jongere recht heeft op een
inkomensvoorziening. Een eerste voorwaarde is dat de jongere minstens 18 jaar moet
zijn. Een jongere van 16 of 17 jaar heeft dus, evenmin als dat in het
kader van de Wwb met betrekking tot het verlenen van algemene bijstand
het geval was, geen recht op een inkomensvoorziening. Verder
dient de jongere een werkleeraanbod te hebben aangevraagd. Daarnaast
dient de jongere geen in aanmerking te nemen vermogen te hebben (onderdeel a). Ten slotte dient het in aanmerking
te nemen inkomen van de jongere
minder te bedragen dan de op hem van toepassing zijnde norm
(onderdeel b).
De facto zal de
inkomensvoorziening worden verleend aan een jongere die een aanvraag voor een
werkleeraanbod heeft gedaan en dat aanbod heeft geaccepteerd. Uit artikel 41
[42] blijkt immers dat de jongere die het
werkleeraanbod heeft geweigerd
geen recht op een inkomensvoorziening heeft. Eveneens zal de
inkomensvoorziening worden verleend aan de jongere ten aanzien van wie het
college van mening is dat hij om lichamelijke, rblz.|42|
geestelijke of sociale
redenen geen uitvoering kan geven aan een werkleeraanbod (zie ook artikel
17).
Voorts komt voor een
inkomensvoorziening in aanmerking de jongere die in afwachting is van een nieuw
werkleeraanbod na afronding van zijn eerdere werkleeraanbod (zie ook artikel
19). In het tweede lid wordt
bepaald dat de
inkomensvoorziening wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, te
rekenen vanaf de dag waarop de jongere zijn aanvraag voor een
werkleeraanbod heeft ingediend.
Artikel 25 (vaststellen recht op
inkomensvoorziening)
Voor het verkrijgen van een
inkomensvoorziening dient eerst een aanvraag voor een werkleeraanbod
te worden ingediend. Indien wordt vastgesteld dat de jongere recht
heeft op een werkleeraanbod, wordt gelijktijdig ambtshalve
vastgesteld of die jongere ook recht heeft op een inkomensvoorziening. Ook in het
geval dat de jongere geen aanbod van het college krijgt op grond van
artikel 18, tweede lid, wordt het recht op een inkomensvoorziening
ambtshalve vastgesteld. Hierdoor wordt voorkomen dat de jongere twee aanvragen
moet indienen, namelijk één voor het werkleeraanbod en één voor
de inkomensvoorziening. Aangezien het recht op een inkomensvoorziening
gelijktijdig met het recht op een werkleeraanbod wordt vastgesteld, vangt ook de
beslistermijn voor het vaststellen van het recht op een
inkomensvoorziening aan op het moment dat de beslistermijn voor het vaststellen van een recht op een werkleeraanbod
begint te lopen. Uit het tweede
lid blijkt dat wanneer na de ambtshalve vaststelling van het recht op
een inkomensvoorziening feiten en omstandigheden die van invloed zijn op dat
recht wijzigen, het college uit eigen beweging, dan wel op een daartoe
strekkend verzoek van de jongere, het recht op een inkomensvoorziening
opnieuw vaststelt. Voor zo’n nieuwe vaststelling kan bijvoorbeeld
aanleiding zijn indien aan een jongere die de leeftijd van 18 jaar nog niet
bereikt een werkleeraanbod is gedaan en die jongere de leeftijd van 18
jaar bereikt. Het bereiken van de 18-jarige leeftijd kan namelijk tot gevolg
hebben dat aan hem een inkomensvoorziening wordt toegekend.
Artikelen 26 en
27
(norm
alleenstaande (ouder))
In deze artikelen staan de
normen voor de inkomensvoorziening voor alleenstaanden en alleenstaande
ouders. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar leeftijd.
Artikel 28 (norm gehuwden)
Bij de norm voor gehuwden wordt
onderscheid gemaakt naar het al dan niet hebben van kinderen en naar
leeftijd.
In het derde lid wordt bepaald
welke norm van toepassing is als één van de echtgenoten geen recht heeft
op een inkomensvoorziening (bijvoorbeeld omdat een uitsluitingsgrond van
toepassing is). In een dergelijke situatie dient te worden
voorkomen dat door de verstrekking van een inkomensvoorziening aan de
rechthebbende indirect tevens een inkomensvoorziening wordt
verleend aan de niet-rechthebbende partner. Dit wordt voorkomen door voor de
rechthebbende partner de norm te stellen op die voor een alleenstaande of voor een alleenstaande ouder.
Artikel 29 (norm bij verblijf in
inrichting)
Jongeren die ter verpleging of
verzorging in een inrichting verblijven, hebben deels andere
bestaanskosten. Gelet op dit verschil wordt voor deze personen een aparte norm
voorgesteld. In het eerste lid staan de normen voor de alleenstaande
(ouder) en de gehuwden. De norm voor rblz.|43|
gehuwden geldt als beide
jongeren in een inrichting verblijven en recht hebben op inkomensvoorziening.
In het tweede lid is bepaald dat de inkomensvoorziening wordt
verhoogd met een toeslag. Het derde lid bepaalt wat de norm is als twee gehuwden recht hebben op een
inkomensvoorziening, maar
slechts één van die gehuwden in een inrichting verblijft.
Artikel 30 (verhoging norm
alleenstaande (ouder))
In dit artikel wordt geregeld
dat alleenstaanden en alleenstaande ouders een toeslag op de voor hen
geldende norm krijgen indien zij de noodzakelijke bestaanskosten niet met een
ander kunnen delen. Deze toeslag bedraagt maximaal 20% van het minimumloon.
Artikel 31 (verlaging norm
gehuwden)
In dit artikel wordt de
mogelijkheid opgenomen om de voor gehuwden geldende norm te verlagen. Dit
kan bijvoorbeeld indien de gehuwden lagere bestaanskosten hebben doordat ze de kosten van de gezamenlijke
huishouding en huisvesting met
een ander kunnen delen.
Artikel 32 (verlaging norm
woonsituatie)
Het college kan bepaalde normen
(en de toeslag voor de alleenstaande (ouder)) ook verlagen indien de
woonsituatie van de jongere leidt tot lagere bestaanskosten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij
krakers of
indien de onderhoudsplichtige de
huur betaalt voor de jongere.
Artikel 33 (verlaging norm
schoolverlaters)
Het college kan bepaalde normen
(en de toeslag voor de alleenstaande (ouder)) tijdelijk verlagen
indien de jongere net van school komt. Dit omdat de inkomensvoorziening op grond van
dit wetsvoorstel een stuk
hoger is dan de studiefinanciering. Ervan uitgaande dat de jongere niet meteen na het beëindigen van
zijn scholing veel hogere bestaanskosten heeft, is het niet noodzakelijk
om hem direct de volledige inkomensvoorziening te verstrekken.
Artikel 34 (verordening)
[zie art.
35 WIJ, red.]
In de verordening die de
gemeenteraad op grond van artikel 12, eerste lid, onderdeel
e, moet opstellen,
wordt het gemeentelijk beleid geregeld ten aanzien van de verlaging en verhoging van de normen en op grond van
welke criteria deze verlaging of
verhoging plaatsvindt.
In het tweede lid wordt geregeld
dat in de verordening in ieder geval moet worden opgenomen dat het bedrag
aan toeslag op grond van artikel 30 wordt vastgesteld op het maximumbedrag. In het derde lid wordt bepaald
dat de gemeente alleen de norm
mag verlagen of verhogen op basis van de artikelen 30 tot en met
33.
Artikel 35 (hoogte
inkomensvoorziening) [zie
art. 36 WIJ, red.]
In het eerste lid wordt
voorgesteld dat van de over een maand te betalen inkomensvoorziening 4,7 procent
wordt gereserveerd als vakantietoeslag. De omstandigheid dat de inkomensvoorziening als een
nettobedrag
wordt vastgesteld, brengt met
zich mee dat het college de in het tweede lid genoemde kosten voor zijn
rekening neemt.
Het derde lid bepaalt hoe de
hoogte van de inkomensvoorziening voor alleenstaanden en alleenstaande
ouders berekend moet worden. Eerst wordt bepaald wat de op de jongere van toepassing zijnde norm is en
rblz.|44|
vervolgens wordt daar zijn in
aanmerking te nemen inkomen op in mindering gebracht.
Uit het vierde lid blijkt dat op
de norm voor gehuwden het gezamenlijk in aanmerking te nemen inkomen in
mindering wordt gebracht.
Dit artikel voorziet mede in de
bepaling van het in aanmerking te nemen inkomen als de gehuwden niet
beiden recht hebben op de inkomensvoorziening (vijfde lid) of gescheiden leven doch
niet duurzaam gescheiden (zesde lid). In zowel het vijfde als zesde lid wordt de hoogte van het in aanmerking te nemen inkomen gerelateerd aan de
norm voor de inkomensvoorziening. Bij het vijfde lid is die norm de
gehuwdennorm, bij het zesde lid is dat de norm die voor elk van de gehuwden afzonderlijk
geldt.
Ter verduidelijking volgen
hierna een aantal voorbeelden, waarbij wordt uitgegaan van fictieve
normbedragen, zijnde €|1000,- voor een echtpaar, €|900,- voor een alleenstaande
ouder en €|500,- voor een alleenstaande.
Voorbeeld 1 bij het vijfde lid
Casus
Van een echtpaar zonder kinderen
heeft partner A geen inkomen en recht op een inkomensvoorziening,
partner B heeft een loon van €|600,- en geen recht op de inkomensvoorziening.
Uitwerking
- De inkomensvoorzieningsnorm
voor A - die als alleenstaande wordt aangemerkt omdat B geen recht
heeft op de inkomensvoorziening - bedraagt €|500,-.
- Met inbegrip van het inkomen van
B leidt dit tot een bedrag van €|1100,-. Dit bedrag is het
vergelijkingsbedrag.
- Zou B recht hebben op de
inkomensvoorziening en geen inkomsten hebben, dan bedraagt het van
toepassing zijnde normbedrag €|1000,-.
- Het vergelijkingsbedrag is
dus €|(1100,- – 1000,- =) 100,- hoger dan het van toepassing zijnde
normbedrag.
- Deze €|100,- wordt als
inkomen in aanmerking genomen bij de bepaling van de hoogte van de
inkomensvoorziening van A, die daarmee €|(500,- – 100,- =) 400,- bedraagt.
- Het gezamenlijke inkomen van
A (€|400,- inkomensvoorziening) en B (€|600,- loon) bedraagt dus €|1000 en is daarmee gelijk aan het van toepassing zijnde normbedrag
voor gehuwden.
Voorbeeld 2 bij het vijfde lid
Casus
Van een echtpaar met kinderen
heeft partner C geen inkomen en recht op een inkomensvoorziening, partner
D heeft geen inkomen en recht op bijstand omdat deze ouder is dan
27 jaar [lees: 27 jaar of ouder is, red.].
Uitwerking
- De inkomensvoorzieningsnorm
voor C, die op grond van artikel 4 van dit
wetsvoorstel wordt
aangemerkt als alleenstaande ouder, bedraagt €|900,-.
- De bijstandsnorm voor D, die
op grond van artikel 4, aanhef en onder b, van de
Wwb
eveneens wordt
aangemerkt als alleenstaande ouder, bedraagt €|900,-.
- Het vergelijkingsbedrag in
deze situatie is €|(900,- + 900,- =) 1800,-.
- Zou D recht hebben op de
inkomensvoorziening en geen inkomsten hebben, dan bedraagt het van
toepassing zijnde normbedrag €|1000.
rblz.|45|
- Het vergelijkingsbedrag is
dus €|(1800,- – 1000,- =) 800,- hoger dan het van toepassing zijnde
normbedrag.
- Om "kasrondjes" tussen dit
wetsvoorstel en de Wwb
te voorkomen, is in artikel 28, vierde lid, voor
deze situatie erin voorzien dat het normbedrag van de jongere wordt bepaald op
het verschil tussen de gehuwdennorm (€|1000,-) en de
alleenstaandeoudernorm (€|900,-), in deze casus dus €|100,-.
- Het gezamenlijke inkomen van
C (€|100,- inkomensvoorziening) en D (€|900,- bijstand) bedraagt dus
€|1000,- en is daarmee gelijk aan het van toepassing zijnde normbedrag voor gehuwden.
Voorbeeld bij het zesde lid
Casus
Een echtpaar zonder kinderen
leeft in verband met een proefscheiding gescheiden, maar niet duurzaam
gescheiden. Partner E heeft geen inkomen en recht op een inkomensvoorziening, partner F heeft een loon
van €|800,-.
Uitwerking
- Beide partners worden in
deze situatie als alleenstaande aangemerkt.
- Het inkomen van F is €|(800,- – 500,- =) 300,- hoger dan de alleenstaandennorm.
- Deze €|300,- wordt als
inkomen in aanmerking genomen bij de bepaling van de hoogte van de
inkomensvoorziening van E, die daarmee €|(500,- – 300,- =) 200,- bedraagt.
- Beide partners beschikken nu
over een inkomen gelijk aan de alleenstaandennorm van €|500,-. E heeft de
inkomensvoorziening ad €|200,- plus €|300,- van F, F heeft zijn
loon van €|800,- minus de inkomensoverdracht van €|300,- aan E.
Artikel 36 (voorschot)
[zie art.
37 WIJ, red.]
Dit artikel regelt dat het
college een voorschot op de inkomensvoorziening verleent binnen vier weken na
aanvraag van een werkleeraanbod. Dit voorschot heeft de vorm van een renteloze geldlening en moet dan ook
worden terugbetaald aan het
college. Het college verleent geen voorschot in twee situaties. Ten eerste
wordt geen voorschot verstrekt indien de jongere - verwijtbaar - niet de
benodigde gegevens aan het college overlegt of op een andere manier niet
voldoende meewerkt. Daarnaast wordt geen voorschot verleend indien het al
bij de aanvraag duidelijk is dat de jongere geen recht heeft op een
inkomensvoorziening.
De hoogte van het voorschot
bedraagt volgens het tweede lid in ieder geval 90% van de norm die, naar
mag worden aangenomen, van toepassing zal zijn op de jongere, verminderd met zijn in aanmerking te nemen
inkomen. Indien een
inkomensvoorziening wordt toegekend, wordt in het derde lid bepaald dat deze
voorziening zonder machtiging van de jongere met het voorschot verrekend
wordt.
Artikel 37 (betaling
inkomensvoorziening) [zie
art. 38 WIJ, red.]
De vaststelling van de hoogte
van de inkomensvoorziening, waarbij de financiële omstandigheden van
de jongere van belang zijn, vindt net als de betaling per kalendermaand plaats. De vakantietoeslag wordt in de
regel in juni betaald. In het
tweede lid staat de mogelijkheid om voor de betaling en de vaststelling af
te wijken van het eerste lid. Dit om maatwerk mogelijk te maken. In het derde
lid staan specifieke uitzonderingen op de hoofdregel dat vaststelling per
kalendermaand plaatsvindt. Het vierde lid bepaalt dat de inkomensvoorziening aan (rechthebbende) gehuwden
gesplitst wordt uitbetaald.
Indien men wil dat de gehele inkomensvoorziening rblz.|46|
aan één van de
gehuwden wordt uitbetaald, moeten de gehuwden hiertoe een verzoek
indienen.
Uit het vijfde lid blijkt dat
bij overlijden van één van de echtgenoten, de alleenstaande ouder of het
laatste kind van gehuwden of de alleenstaande ouder de inkomensvoorziening
gedurende één maand wordt doorbetaald aan de overgebleven echtgenoot,
de kinderen, de echtgenoten overeenkomstig artikel 37 [38], vierde lid, of de alleenstaande. De hoogte van deze
inkomensvoorziening wordt dan
gesteld op de norm die gold ten tijde van het overlijden.
Artikel 38 (vervreemding,
verpanding en beslag) [zie
art. 39 WIJ, red.]
In het eerste lid wordt bepaald
dat de inkomensvoorziening niet vatbaar is voor vervreemding of verpanding.
Dit omdat deze voorziening is bedoeld om in de noodzakelijke kosten
van het bestaan te voorzien. Volgens het tweede lid is een voorwaarde
voor beslaglegging op de inkomensvoorziening dat de jongere nog blijft
beschikken over de beslagvrije voet. In het derde lid is bepaald dat
de daar genoemde machtiging op elk moment kan worden herroepen. Dit
ter bescherming van de jongere.
Artikel 39 (opschorten, herzien
of intrekken recht op inkomensvoorziening) [zie
art. 40 WIJ, red.]
In het eerste lid staan de
situaties opgesomd waarin het college de bevoegdheid heeft om het recht
op inkomensvoorziening op te schorten. Zo is opschorting van het recht
op inkomensvoorziening mogelijk in het geval dat de jongere - verwijtbaar - bepaalde gegevens te laat of onvolledig verstrekt aan het college of op
een andere manier onvoldoende meewerkt aan het onderzoek van
het college of de jongere recht heeft op een werkleeraanbod of
inkomensvoorziening. Voorts kan het recht op inkomensvoorziening worden opgeschort indien de jongere niet voldoet
aan de verplichtingen uit
hoofdstuk 5 van dit wetsvoorstel. Dit betreft onder andere het niet voldoen
aan de inlichtingenplicht.
In het tweede lid wordt bepaald
dat het college de opschorting schriftelijk aan de jongere meedeelt. Daarbij
vermeldt het college ook de termijn die de jongere heeft om het verzuim
te herstellen.
Het college kan op grond van het
derde lid een besluit tot toekenning van een inkomensvoorziening
intrekken of herzien in twee gevallen. Ten eerste, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een aantal verplichtingen
heeft geleid tot het ten
onrechte verstrekken van een inkomensvoorziening of tot het verlenen van een te
hoog bedrag aan inkomensvoorziening. Ten tweede gaat het om gevallen
waarin door een fout van het college te veel aan
inkomensvoorziening is verstrekt of ten onrechte inkomensvoorziening is verstrekt.
Dit geldt alleen indien de
jongere dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Indien het recht op een
werkleeraanbod langer dan drie maanden is opgeschort, trekt het college het besluit
tot toekenning van een inkomensvoorziening in. Deze intrekking werkt terug
tot en met de dag waarop het recht op een werkleeraanbod werd
opgeschort. Ook indien de jongere niet binnen de hersteltermijn het
verzuim herstelt, trekt het college het besluit tot toekenning van een
inkomensvoorziening in. Deze intrekking werkt terug tot en met de dag waarop
het recht op inkomensvoorziening is opgeschort.
Artikel 40 (Verlagen bedrag
inkomensvoorziening) [zie
art. 41 WIJ, red.]
Indien de jongere de in het
eerste lid bedoelde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, verlaagt het
college het bedrag van de inkomensvoorziening. Dit doet het college aan de hand
van de verordening die dient te worden opgesteld op
basis van artikel 12. Onder het niet nakomen van verplichtingen wordt ook
verstaan het zich zeer ernstig misdragen.
rblz.|47|
Indien de jongere zich echter
meermaals zeer ernstig misdraagt, is artikel 22 van toepassing. Dat artikel
bepaalt dat indien de jongere zich herhaaldelijk zeer ernstig misdraagt, hij
(tijdelijk) kan worden uitgesloten van het recht op een werkleeraanbod (en
dus van het recht op inkomensvoorziening).
In het tweede lid is geregeld
dat de inkomensvoorziening niet wordt verlaagd indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt. Daarbij kan onder andere gedacht worden aan overmacht. Het college moet op grond
van het derde lid binnen drie
maanden het besluit tot verlaging heroverwegen.
Artikel 41 (geen recht op
inkomensvoorziening) [zie
art. 42 WIJ, red.]
Dit artikel geeft weer welke
personen geen recht hebben op een inkomensvoorziening. Het betreft
ten eerste de jongeren die een door het college gedaan werkleeraanbod hebben geweigerd. Daarnaast hebben
jongeren die een beroep kunnen
doen op een voorliggende voorziening geen recht op een
inkomensvoorziening. Deze voorliggende voorziening moet gezien haar aard en
doel
passend en toereikend voor de jongere zijn. Of een voorziening passend
en toereikend is, is afhankelijk van de omstandigheden en mogelijkheden
van het individuele geval en wordt mede bepaald door wat naar
maatschappelijk inzicht aanvaardbaar wordt geacht. Voorts zijn jongeren van
het recht op inkomensvoorziening uitgesloten voor zover uit hun houding en
gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat zij de verplichtingen,
bedoeld in hoofdstuk 5, niet willen nakomen. In artikel 40 [41]
is al de mogelijkheid
opgenomen om in geval van het niet nakomen van genoemde
verplichtingen de inkomensvoorziening te verlagen. In dat geval dient het
besluit tot verlaging in ieder geval na drie maanden heroverwogen te worden.
Indien en zolang uit de houding en het gedrag van de jongere echter
ondubbelzinnig blijkt dat hij niet wil voldoen aan de verplichtingen
uit hoofdstuk 5, zijn de gevolgen ernstiger. In dit geval bestaat er geen
recht meer op een inkomensvoorziening. Hierbij is het college ook niet verplicht om dit besluit na een bepaalde tijd
te heroverwegen. Ook is
werkstaking of uitsluiting van het werk een reden om de jongere geen recht op
inkomensvoorziening toe te kennen. Voorts heeft de jongere die langer dan
dertien weken per jaar of langer dan vier weken aaneengesloten in het
buitenland verblijft geen recht op een inkomensvoorziening. Evenmin
recht op de inkomensvoorziening heeft de jongere van wie het
werkleeraanbod op grond van artikel 21 is ingetrokken, de jongere die rechtens
zijn
vrijheid is ontnomen en de jongere die militaire of vervangende
dienstplicht vervult. Tot slot heeft de jongere wiens recht op een
werkleeraanbod is opgeschort, gedurende de periode van die opschorting geen recht
op een inkomensvoorziening.
Artikel 42 (aanpassen bedragen)
[zie art.
43 WIJ, red.]
De in dit artikel genoemde
bedragen en normen wijzigen van rechtswege wanneer het nettominimumloon
wijzigt.
Hoofdstuk 5
Artikel 43 (inlichtingenplicht)
[zie art.
44 WIJ, red.]
De in dit artikel vervatte
inlichtingenplicht is een standaardbepaling die in tal van (socialezekerheids)wetten
voorkomt, toegespitst op de in die wetten geregelde materie. De inlichtingenplicht in
dit wetsvoorstel ziet op
alle feiten en omstandigheden
die van invloed kunnen zijn op het recht op een werkleeraanbod en/of het
recht op de inkomensvoorziening. In het eerste lid staat wat de jongere
verplicht is mee te delen en is het verbod op dubbele gegevensuitvraag
geregeld. Op grond van het tweede lid is de rblz.|48|
jongere verplicht mee te werken.
Doet hij dit niet, dan heeft het college de mogelijkheid om de
inkomensvoorziening op te schorten (zie artikel 39 [40]). In het derde en vierde lid
worden
regels voorgesteld over de vaststelling van de identiteit van de jongere.
Artikel 44 (overige
verplichtingen) [zie art.
45 WIJ, red.]
In dit artikel wordt een aantal
verplichtingen voorgesteld waaraan de jongere, naast de andere in dit
wetsvoorstel genoemde verplichtingen, moet voldoen. Dit betreft het meewerken aan een plan met betrekking tot
arbeidsinschakeling. Dit plan
wordt door of namens het college opgesteld in samenspraak met de jongere.
Hieronder valt ook de verplichting om mee te werken aan een onderzoek
naar de mogelijkheden van de jongere tot arbeidsinschakeling
(onderdeel a). De jongere moet niet zodanige eisen aan de arbeid stellen dat
hierdoor het krijgen of behouden van die arbeid wordt belemmerd. Dit
onderdeel legt de jongere de verplichting op om zich zo op te stellen dat hij
algemeen geaccepteerde arbeid kan en wil aanvaarden. De jongere kan door
afwijkend gedrag, het stellen van irreële eisen of door ongebruikelijke
werktijden een bemiddelingspoging belemmeren (onderdeel b). Verder moet de
jongere meewerken aan het behoud of het bevorderen van zijn
arbeidsbekwaamheid en aan activiteiten en werkzaamheden die zijn gericht
op arbeidsinschakeling (onderdelen c en d). Werkzaamheden of
activiteiten die aan de jongere zijn opgedragen, moet hij naar zijn beste
vermogen verrichten (onderdeel e). Ten slotte dient hij mee te werken aan
noodzakelijke behandelingen van medische aard indien een arts dat
geadviseerd heeft (onderdeel h).
Hoofdstuk 6
Artikel 45 (verstrekken gegevens
en instellen onderzoek) [zie
art. 46 WIJ, red.]
In het eerste lid wordt geregeld
dat het college bepaalt wanneer welke gegevens door de jongere moeten
worden verstrekt en op welke wijze en tijdstip die verstrekking moet plaatsvinden. Indien de gegevens op een
andere manier (zoals beschreven
in het eerste lid) verkregen kunnen worden, worden ze niet aan de
jongere gevraagd. Op basis van het tweede lid kan het college
onderzoek doen naar de juistheid en volledigheid van gegevens. Het onderzoek kan
ertoe leiden dat het college het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening herziet.
Artikel 46 (voorschot
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen) [zie
art. 47 WIJ, red.]
In dit artikel wordt voorgesteld
dat indien een inkomensvoorziening wordt verleend over een periode
waarover het UWV een voorschot (op bijvoorbeeld een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet) terugvordert, deze inkomensvoorziening, ter
verrekening, rechtstreeks door het college kan worden overgemaakt aan het
UWV. Hiervoor is geen machtiging nodig van de jongere.
Artikel 47 (inlichtingenplicht
werkgever) [zie art.
48 WIJ, red.]
Dit artikel ziet op de
verplichting voor (ex-)werkgevers en (ex-)opdrachtgevers om aan het college inlichtingen
te verstrekken die nodig zijn voor de verstrekking van de inkomensvoorziening. Het gaat daarbij niet alleen
om inlichtingen over de persoon
die de inkomensvoorziening aanvraagt of ontvangt, maar ook om
inlichtingen over de persoon van wie de kosten van die inkomensvoorziening
kunnen worden teruggevorderd of op wie de kosten van die
inkomensvoorziening kunnen worden verhaald.
rblz.|49|
Artikel 48 (inlichtingenplicht
instanties) [zie art.
49 WIJ, red.]
De in het voorgestelde eerste
lid genoemde instanties zijn verplicht, indien het college (in sommige
gevallen het UWV) daar om vraagt, inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van dit wetsvoorstel. Deze instanties kunnen ook uit
eigen beweging de inlichtingen verstrekken.
De verstrekking van inlichtingen
kan geschieden door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.
Verder zijn ook griffiers van
colleges die met rechtspraak zijn belast verplicht om aan het college (in
sommige gevallen aan het UWV) inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van dit wetsvoorstel.
Het vierde lid regelt dat ook
over andere personen dan de jongere die een werkleeraanbod of
inkomensvoorziening aanvraagt of ontvangt inlichtingen verstrekt kunnen worden.
Dit
betreft ten eerste personen van wie de kosten van die
inkomensvoorziening kunnen worden teruggevorderd of op wie de kosten van die
inkomensvoorziening kunnen worden verhaald. Daarnaast kunnen
inlichtingen verstrekt worden over personen van wie het college vermoedt dat
ze hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning als de jongere, of over personen van wie het college vermoedt dat
ze hun hoofdverblijf hebben in
dezelfde woning als de persoon van wie de kosten van de
inkomensvoorziening kunnen worden teruggevorderd/verhaald.
Het vijfde lid bevat een
procedureregel. Hierin is bepaald dat de inlichtingen schriftelijk (behoudens
uitzonderingen) en binnen vier weken na het verzoek om inlichtingen
moeten worden verstrekt.
Het zesde lid voorziet erin dat
de instanties, genoemd in het eerste lid, onderdeel a tot en met k, van
artikel 48 [49],
met het college (of het Inlichtingenbureau) desgevraagd afspraken [lees:
afspraken maken, red.] over
wijzigingen van eerder verstrekte inlichtingen.
In het zevende tot en met tiende
lid staan grondslagen om bepaalde onderwerpen bij (of krachtens)
algemene maatregel van bestuur te regelen. Voor het zevende, achtste en
tiende lid zal aansluiting worden gezocht bij het Besluit
Inlichtingenbureau gemeenten. Voor het negende lid kan aansluiting gezocht worden bij
het Besluit
inburgering.
In het elfde lid wordt bepaald
dat de Minister van Justitie informatie over personen die rechtens hun
vrijheid is ontnomen, verstrekt indien die inlichtingen van invloed kunnen zijn
op het
recht op een werkleeraanbod of een inkomensvoorziening.
Artikel 49
(inlichtingenverplichting gemeenten) [zie
art. 50 WIJ, red.]
Het college wordt verplicht om
inlichtingen te verstrekken aan een aantal instanties indien deze
instanties daar om vragen. Het college kan deze informatie ook uit eigen beweging verstrekken. In de onderdelen
a tot en
met h van het eerste lid worden
de instanties genoemd aan wie inlichtingen worden verstrekt en welke
informatie in dat geval kan worden gegeven. Het derde lid regelt
dat met het proportionaliteitsbeginsel rekening moet worden gehouden bij de
verstrekking van de inlichtingen. Op basis van het vierde lid kunnen
bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld
over de gevallen waarin en de manier waarop gegevens dienen te worden
verstrekt. Op grond van het vijfde lid kunnen bij algemene maatregel
van bestuur andere instanties worden aangewezen waaraan ook
inlichtingen door het college moeten worden verstrekt.
Artikel 50 (burgerservicenummer)
[zie art.
51 WIJ, red.]
In het eerste en tweede lid
wordt geregeld dat het burgerservicenummer rblz.|50|
wordt geregistreerd en gebruikt
bij verstrekking van gegevens door het college, het Inlichtingenbureau
en andere instanties. Ook wordt er geregeld
dat re-integratiebedrijven het
burgerservicenummer slechts gebruiken voor zover dat nodig
is voor bepaalde werkzaamheden. Aan jongeren die een
inkomensvoorziening ontvangen maar nog geen burgerservicenummer hebben,
verstrekt de Minister van Financiën op grond van het derde
lid een burgerservicenummer.
Artikel 51 (vermoeden misdrijf)
[zie art.
52 WIJ, red.]
In dit artikel staat dat indien
het college vermoedt dat er een misdrijf is begaan tegenover bepaalde
overheidsorganen (binnenlands en buitenlands) die uitkeringen verstrekken, verstrekkingen
doen dan wel bijdragen
heffen, het college deze organen
hiervan op de hoogte moet brengen.
Artikel 52
(geheimhoudingsplicht) [zie
art. 53 WIJ, red.]
Personen die betrokken zijn bij
de uitvoering van dit wetsvoorstel hebben een geheimhoudingsplicht. Zij
mogen informatie over personen of zaken die voortvloeien uit die uitvoering alleen bekendmaken voor zover het
voor de uitvoering van dit
wetsvoorstel noodzakelijk is of indien het op grond van dit wetsvoorstel is
toegelaten. Op deze geheimhoudingsplicht bestaat een aantal
uitzonderingen (tweede lid). Dit betreft het geval dat een wettelijk voorschrift
verplicht tot bekendmaking (onderdeel a), het geval dat de betrokkene instemt
met verstrekking van de gegevens (onderdeel b) of dat de
gegevens niet te herleiden zijn tot een individu (onderdeel c). Er kunnen alleen
gegevens ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek worden
verstrekt voor zover het versrekken van deze informatie de persoonlijke
levenssfeer van de betrokkenen niet onevenredig schaadt (derde lid).
De persoon die op grond van de artikelen 47 tot en met 52 [48
t/m 53] informatie
verstrekt, moet uitzoeken of de persoon die de gegevens ontvangt redelijkerwijs
bevoegd is om deze te ontvangen. Dit om te voorkomen dat er
informatie wordt verstrekt aan onbevoegden.
Hoofdstuk 7
Artikel 53 (bevoegdheid
terugvordering) [zie art.
54 WIJ, red.]
Het college krijgt in een aantal
gevallen de mogelijkheid om kosten van de inkomensvoorziening terug te
vorderen. Deze gevallen zijn opgesomd in de onderdelen a tot en met d van
het eerste lid.
Onderdeel a behoeft geen nadere
toelichting. Indien het college een voorschot op een inkomensvoorziening heeft
verleend (zie artikel 36 [37]) en achteraf blijkt dat de persoon
aan wie dat voorschot is verleend geen recht heeft op een
inkomensvoorziening, kan het voorschot worden teruggevorderd (onderdeel b). Op grond van
onderdeel c kan worden teruggevorderd indien een persoon met
terugwerkende kracht over middelen blijkt te beschikken over een
periode waarin hij inkomensvoorziening ontving. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien een jongere met teugwerkende
kracht over een periode een
uitkering krijgt toegekend.
Indien het college de
inkomensvoorziening onverschuldigd heeft betaald, kunnen de kosten van de
inkomensvoorziening alleen teruggevorderd worden indien de jongere dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen (onderdeel
d).
Indien het college van een gemeente
tijdelijk voor het college van een andere gemeente een taak heeft
waargenomen als bedoeld in artikel 16, derde lid, dient de
terugvordering van de inkomensvoorziening plaats te vinden door het college van
laatstgenoemde gemeente.
Op grond van het derde lid
kunnen gecumuleerde inkomsten die in één keer worden uitbetaald over de
drie daaropvolgende maanden verrekend rblz.|51|
worden met de inkomensvoorziening. In deze gevallen hoeft er dus niet
overgegaan te worden tot terugvordering.
Ook op de vordering betrekking
hebbende kosten, zoals loonbelasting en premies voor de
socialezekerheidswetten, kunnen door het college worden teruggevorderd. Dit kan
echter
alleen indien deze kosten door het college niet verrekend kunnen worden met
de kosten die door het college moeten worden afgedragen.
Het vijfde lid bevat een
vervaltermijn. Indien een besluit tot terugvordering is gegrond op het eerste lid,
onderdeel d, kunnen slechts die kosten worden teruggevorderd die gemaakt zijn in de twee jaar direct voorafgaande
aan het besluit tot
terugvordering. Dat betekent dus dat kosten die meer dan twee jaar vóór dat
besluit zijn gemaakt niet teruggevorderd kunnen worden. Hierdoor wordt de
rechtszekerheid gewaarborgd.
Artikel 54 (terugvordering
echtgenoten) [zie art.
55 WIJ, red.]
Indien een inkomensvoorziening
had moeten worden verleend op basis van de norm voor gehuwden, maar
dit niet is gebeurd omdat de jongere bepaalde verplichtingen niet is nagekomen (onder andere de inlichtingenplicht),
kan ook van de persoon worden
teruggevorderd met wiens inkomsten rekening had moeten worden
gehouden. In de praktijk gaat het om iemand die samenwoont, dit niet
doorgeeft aan het college en om die reden een inkomensvoorziening
voor een alleenstaande (ouder) ontvangt. In dat geval kan ook van de
persoon met wie de jongere samenwoont, worden teruggevorderd. Tevens
wordt bepaald dat beide personen hoofdelijk aansprakelijk zijn.
Artikel 55 (nadere bepalingen
terugvordering) [zie art.
56 WIJ, red.]
Uit het eerste lid vloeit voort
dat de persoon van wie teruggevorderd wordt verplicht is om die
inlichtingen te verstrekken die met het oog op de terugvordering van belang zijn.
In het tweede lid wordt de
bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel geregeld. Een
dwangbevel levert een executoriale titel op in de zin van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
Indien de persoon van wie
teruggevorderd wordt algemene bijstand of een uitkering op grond van de in
het derde lid genoemde regelingen ontvangt, kan het college de
kosten die teruggevorderd moeten worden, verrekenen met die bijstand of
die uitkering.
In het vierde lid wordt de
mogelijkheid tot het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag geregeld. Indien
het college gebruik maakt van vereenvoudigd derdenbeslag, wijkt de bekendmaking van het dwangbevel af van de
hoofdregel zoals die in de Awb
is vastgelegd. De bekendmaking vindt in dat geval plaats door het per
post toezenden van het dwangbevel aan de persoon van wie wordt
teruggevorderd.
Uit het vijfde lid blijkt dat
als niet aan de inlichtingenplicht wordt voldaan, het college kan verrekenen
(onderdeel a) en invorderen bij dwangbevel (onderdeel b) zonder dat rekening wordt gehouden met de beslagvrije
voet.
De vordering is een preferente
vordering en volgt onmiddellijk na de vorderingen in artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 56 (verhaal)
[zie art.
57 WIJ, red.]
In paragraaf 6.5 van de
Wwb staan de regels omtrent verhaal van kosten van bijstand.
Deze regels zullen van overeenkomstige toepassing worden op het verhaal
van kosten van de inkomensvoorziening.
rblz.|52|
Hoofdstuk 8
Het onderhavige hoofdstuk bevat
aanpassingen van andere wetten.
Artikel 57 (wijziging van de Wet
werk en bijstand) [zie
art. 58 WIJ, red.]
Onderdeel A [zie
art. 58, onderdeel A, WIJ,
red.]
Het onderhavige onderdeel
betreft een technische aanpassing van de Wwb. Voor die onderdelen van
artikel 2 van de Wwb die onderscheidenlijk betrekking hebben op de premies
volksverzekeringen en de premie werknemersverzekeringen wordt
verwezen naar de Wet financiering sociale
verzekeringen.
Onderdeel B [zie
art. 58, onderdeel B, WIJ,
red.]
In artikel
6, eerste lid,
onderdeel a, van de Wwb volgt een opsomming van
socialezekerheidswetten.
Hieraan wordt de naam van dit wetsvoorstel toegevoegd.
Onderdeel C [zie
art. 58, onderdeel C, WIJ,
red.]
Artikel 9 van de
Wwb wordt
gewijzigd omdat door dit wetsvoorstel jongeren onder de 27 jaar geen
recht meer hebben op algemene bijstand op grond van de Wwb.
Onderdeel D [zie
art. 58, onderdeel D, WIJ,
red.]
Artikel
9a wordt
ingevoegd bij het bij koninklijke boodschap van 27 juni 2008 ingediende voorstel
van wet houdende wijziging van de Wet werk en bijstand, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen in verband met het opnemen van
nadere bepalingen met betrekking tot de plicht tot arbeidsinschakeling
van een alleenstaande ouder met een kind dat de leeftijd van vijf nog
niet heeft bereikt (Wet verbetering
arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders) (Kamerstukken II 2007-2008, 31 519, nr. 2). Indien dat
artikel tot wet wordt verheven en in werking treedt, is het van belang dat
bij de toepassing van dat artikel mede rekening wordt gehouden met de periode
waarin toepassing is gegeven aan artikel 17, vierde lid, van het
onderhavige wetsvoorstel.
Onderdeel E [zie
art. 58, onderdeel E, WIJ,
red.]
De uitzonderingsgrond in
artikel 13, eerste lid, onderdeel e, van de
Wwb dient alleen van toepassing te
zijn op het recht op bijzondere bijstand. Dit omdat jongeren onder de 27 al
zijn uitgesloten van het recht op algemene bijstand.
De uitzonderingsgrond in artikel
13, tweede lid, onderdeel a, is overbodig, aangezien in het nieuwe
onderdeel a wordt bepaald dat personen onder de 27 jaar geen recht hebben op
algemene bijstand.
Onderdelen F, G,
H, K en M [zie
art. 58, onderdeel F, G,
H, K en M,
WIJ, red.]
Deze wijzigingen vloeien
allemaal voort uit het voorstel om jongeren onder de 27 jaar uit te sluiten
van het recht op algemene bijstand op grond van de Wwb.
Onderdelen I, J,
L, N en O [zie
art. 58, onderdeel I, J,
L, N en O,
WIJ, red.]
In deze onderdelen worden
verwijzingen in artikelen aangepast.
Onderdeel P [zie
art. 58, onderdeel P, WIJ,
red.]
De aanpassing van
artikel 69,
eerste lid, onderdeel b, van de Wwb voorziet samen met de aanpassing van
artikel 1 van de Wet
participatiebudget (zie artikel 58 [59]) in de financiering van
dit wetsvoorstel.
rblz.|53|
Artikel 58 (wijziging van de
Wet participatiebudget) [zie
art. 59 WIJ, red.]
Zie de toelichting op artikel
57, onderdeel O.
Artikel 59 (wijziging van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen) [zie
art. 60 WIJ, red.]
Bij de wijziging van de
Wet SUWI
wordt uitgegaan van de tekst van de Wet SUWI zoals die komt te
luiden met ingang van 1 januari 2009.
In de verschillende onderdelen
van artikel 59 [60] wordt aan artikelen van de Wet SUWI een verwijzing naar de
naam van dit
wetsvoorstel toegevoegd.
Artikel 60 (wijziging van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) [zie
art. 61 WIJ, red.]
Dit betreft een technische
aanpassing. In artikel 475d, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering wordt verwezen naar de normen van artikel 20 van de
Wwb. Aangezien artikel 20 van de
Wwb komt te vervallen (omdat dit
artikel normen bevat voor personen onder de 21 jaar), dient naar een ander
artikel verwezen te worden. Voorgesteld wordt om te verwijzen naar de
artikelen 26 en 28 van dit wetsvoorstel. Dit omdat deze normen gelijk zijn
aan de normen van het huidige artikel 20 van de
Wwb.
Artikelen 61 tot en met 83
(wijziging verscheidene wetten) [zie
art. 62 t/m 85 WIJ, red.]
In deze wetten wordt in een
aantal artikelen een verwijzing naar dit wetsvoorstel
toegevoegd. Aangezien in de
desbetreffende artikelen op dit moment wordt verwezen naar de Wwb, dient in de meeste gevallen ook
een verwijzing naar dit
wetsvoorstel opgenomen te worden.
Hoofdstuk 9
Artikel 84 (overgangrecht)
[zie art.
86 WIJ, red.]
Teneinde te voorkomen dat
jongeren die een uitkering op grond van de Wwb ontvangen en in dat kader
ondersteund worden bij de toegeleiding naar algemeen geaccepteerde arbeid, vanaf de inwerkingtreding van
dit wetsvoorstel abrupt onder een
ander regime komen te vallen, voorziet het onderhavige artikel erin dat die
jongeren nog maximaal twaalf maanden onder het regime van de Wwb kunnen blijven vallen.
Artikel 85 (aanwijzing minister)
[zie art.
87 WIJ, red.]
De uitvoering van
de nieuwe wet
en vooral de effecten daarvan zullen op basis van beleidsinformatie
worden gemonitord. Waar intensivering of verbetering van gemeentelijke uitvoering of rijksbeleid wenselijk wordt
geacht, zal dat gaan geschieden
in bestuurlijk overleg met gemeenten en andere belanghebbenden. In lijn
met de kabinetsreactie op het rapport "Van specifiek naar generiek"
(van de commissie-Oosting) is in dit wetsvoorstel geen specifiek
toezichtsarrangement opgenomen. Omdat de financiering van de nieuwe wet
aansluit bij het Wwb-inkomensdeel en het participatiebudget en daarnaast
geen specifieke geldstroom richting gemeenten zal kennen, behoeft in
het kader van "single information, single audit" ook niet tot
extra uitvraag gekomen te worden. De afwezigheid van extra uitvraag laat onverlet
dat Onze Minister met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze
wet ernstige tekortkomingen kan constateren. In een dergelijk
geval dient Onze minister de bevoegdheid te hebben om een aanwijzing aan het
college te geven. Vanwege de gekozen financieringssystematiek is
dienaangaande aangesloten bij de Wwb.
rblz.|54|
Artikel 87 (verslag over de
uitvoering) [zie art.
89 WIJ, red.]
Het college dient jaarlijks een
verslag in bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de
uitvoering van dit wetsvoorstel. Voorgesteld wordt om dit te regelen op een
soortgelijke manier waarop het voor de Wwb is geregeld. Ook dient er
een voorlopig verslag ingediend te worden. Dit kan de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid gebruiken bij de verantwoording
tegenover het parlement in mei. Op basis van het derde lid kunnen
bij ministeriële regeling regels gesteld worden over onder andere het
verslag en voorlopig verslag. Hiervoor zal aansluiting gezocht worden bij
de Regeling Wwb.
Artikel 88 (informatievoorziening)
[zie art.
90 WIJ, red.]
Het college en de gemeenteraad
moeten bepaalde informatie aan de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid verstrekken indien hij hierom verzoekt. In het tweede
lid staat dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze
informatie vraagt in het kader van een door hem opgesteld beleidsplan. Dit
om te voorkomen dat er te veel (ongerichte) informatie vanuit gemeenten
wordt aangeleverd. Ten slotte wordt in het derde lid geregeld dat
bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld over de informatie die het college en de gemeenteraad
moeten verstrekken. Hierbij zou
aansluiting kunnen worden gezocht bij de Regeling
statistiek Wwb, Ioaw, Ioaz en Wwik.
Artikel 89 (begrip besluit,
cassatie en onverwijlde financiële ondersteuning) [zie
art. 91 WIJ, red.]
Met betrekking tot het begrip
besluit, het instellen van beroep in cassatie en het onverwijld verlenen van
financiële ondersteuning zijn de artikelen 79 tot en met 81 van de
Wwb van overeenkomstige toepassing.
Artikel 91 (inwerkingtreding)
[zie art.
93 WIJ, red.]
Het onderhavige wetsvoorstel
voorziet in de mogelijkheid dat verschillende artikelen of onderdelen daarvan
op verschillende bij koninklijk besluit te bepalen tijdstippen
in werking treden. Dit is met name van belang voor artikel 57,
onderdeel C [58, onderdeel C], dat betrekking heeft op een wijziging van
artikel 9a van de Wwb. Dat artikel wordt ingevoegd bij het bij koninklijke boodschap
van 27 juni 2008 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand, de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen in verband
met het opnemen van nadere bepalingen met betrekking tot de
plicht tot arbeidsinschakeling van een alleenstaande ouder met een kind
dat de leeftijd van vijf nog niet heeft bereikt (Wet
verbetering arbeidsmarktpositie alleenstaande ouders) (Kamerstukken II
2007-2008, 31
519, nr. 2). De in artikel 57, onderdeel C [58,
onderdeel C], van dit
wetsvoorstel voorgestelde
aanpassing van artikel 9a van de Wwb
is uiteraard alleen
van belang indien het hiervoor genoemde wetsvoorstel tot wet wordt
verheven en in werking treedt. De mogelijkheid van gedifferentieerde
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
voorziet erin dat de wijziging van
artikel 9a van de Wwb gelijktijdig met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
plaatsvindt.
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid tekent deze memorie van toelichting mede
namens de Minister voor Jeugd en Gezin en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb