|
MEMORIE
VAN TOELICHTING
Nadere
regelgeving:
- Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale
zekerheid
-
Besluit gelijkstelling vreemdelingen
Wwb, Ioaw en Ioaz
- Besluit
taakuitoefening Inspectie Werk en Inkomen
- Besluit weigering rijksvergoeding Wik
(vervallen)
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- (Intrekking) erkenning als adviserende instelling Wik
(vervallen)
- Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Wik
(vervallen)
- Regeling
frauderegistratie Abw, Ioaw, Ioaz en Wik (vervallen)
- Regeling informatie Wik (vervallen)
- Regeling statistiek Wwb, Ioaw, Ioaz en Wik
(vervallen)
- Regeling vergelijkbare opleidingen Wik
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
- Uitvoeringsbesluit Wik (vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Algemene bijstandswet (vervallen)
- Invoeringswet
Wet werk en bijstand (vervallen)
- Regeling eenmalige uitkering invoeringskosten Wik
(vervallen)
- Wet werk en
bijstand
- Wet werk
en inkomen kunstenaars
Inhoudsopgave
Wik
| Hoofdstuk
I |
Algemene
bepalingen |
artt.
1 - 3 |
| Hoofdstuk
II |
Het
recht op uitkering |
artt.
4 - 18 |
| §
1x |
De
voorwaarden voor het recht op uitkering |
artt.
4 - 7 |
| §
2x |
Vorm,
hoogte en duur van de uitkering |
artt.
8 - 14 |
| §
3x |
Aan
de uitkering verbonden verplichtingen |
art.
15 |
| §
4x |
Maatregelen |
art.
16 |
| §
5x |
Administratieve
boeten |
artt.
17 - 18 |
| Hoofdstuk
III |
Het
geldend maken van het recht op uitkering |
artt.
19 - 22 |
| Hoofdstuk
IV |
Terugvordering |
artt.
23 - 24 |
| Hoofdstuk
V |
Uitvoering
en toezicht |
artt.
25 - 35 |
| §
1x |
Verantwoordelijkheid
voor de uitvoering |
artt.
25 - 29 |
| §
2x |
Verantwoording |
artt.
30 - 31 |
| §
3x |
Inlichtingenverplichting
en gegevensuitwisseling |
art.
32 |
| §
4x |
Toezicht |
artt.
33 - 34 |
| §
5x |
Beleidsinformatie |
art.
35 |
| Hoofdstuk
VI |
Financiering |
artt.
36 - 41 |
| §
1x |
Financiering
gemeente |
artt.
36 - 38 |
| §
2x |
Financiering
adviserende instelling |
artt.
39 - 41 |
| Hoofdstuk
VII |
Rechtsbeschermings-
en strafbepalingen |
artt.
42 - 46 |
| Hoofdstuk
VIII |
Overgangs-
en slotbepalingen |
artt.
47 - 55 |
| xxxxxxxxxxxx| |
|
xxxxxxxxxx |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1996-1997, 1997-1998, 25 053.
Handelingen II 1997-1998, blz. 531-550, 555-576, 652-653, 913-914.
Kamerstukken I 1997-1998, 25 053 (69, 69a, 69b, 69c).
Handelingen I 1997-1998, zie vergadering d.d. 20 januari 1998.
Geschiedenis:
Staatsblad 1997,
660; Staatsblad 1997, 789;
Staatsblad 1998, 59; Staatsblad 1998,
205; Staatscourant 1998, 242;
Staatsblad 1998, 742; Staatscourant 1999,
122; Staatscourant 1999, 243;
Staatsblad 1999, 564; Staatsblad 1999,
595; Staatscourant 2000, 123;
Staatsblad 2000, 299; Staatscourant 2000,
209; Staatsblad 2000, 496;
Staatscourant 2000, 245; Staatscourant 2001,
122; Staatsblad 2001, 426;
Staatsblad 2001, 481; Staatsblad 2001,
625; Staatscourant 2001, 244;
Staatscourant 2002, 124; Staatscourant 2002,
241; Staatsblad 2003, 56;
Staatscourant 2003, 56; Staatscourant 2003,
119; Staatsblad 2003, 376;
Staatscourant 2003, 247; Staatsblad 2003,
544; Staatscourant 2004, 62;
Staatsblad 2004, 306; Staatsblad
2004, 300; Staatscourant 2004, 123;
Staatsblad 2004, 363;
Staatsblad 2004, 717; Staatsblad
2005, 530.
WET van 22 januari 1998, Stb.
1998, 59, houdende een afzonderlijke inkomensvoorziening voor
kunstenaars (Wet inkomensvoorziening kunstenaars).
Inwerkingtreding: 1 januari 1999 (Stb. 1998,
578).
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen
lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het wenselijk is regels te stellen betreffende een afzonderlijke
inkomensvoorziening voor kunstenaars, die niet over voldoende middelen
beschikken om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
Art. 1.
[Begripsbepalingen] [Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
1998, 205; Stb. 2004, 717]
ln deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. burgemeester en wethouders:
burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in
artikel 19;
c. adviserende instelling: de
instelling, bedoeld in artikel 26;
d. kunstenaar: degene die hier te
lande werkzaam is in een beroep of bedrijf ter uitoefening van de
scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst.
Art.
2.
[Begripsbepalingen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2000, 299; Stb. 2003,
376; Stb.
2004, 717]
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a.
inkomen: de in aanmerking te nemen middelen, bedoeld in paragraaf 3.4 van de
Wet werk en bijstand;
b. vermogen: de in aanmerking te
nemen middelen, bedoeld in paragraaf 3.4 van de
Wet werk en bijstand, met uitzondering van
het vermogen noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van
kunstenaar;
c. beroepskosten: de kosten ter
verwerving van het inkomen als kunstenaar;
d. kinderbijslag: kinderbijslag op
grond van de Algemene Kinderbijslagwet.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld voor de vaststelling van het vermogen noodzakelijk
voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar.
Art.
2a. [Vermogensvrijlating eigen woning]
[Geschiedenis:
Stb. 2000, 299; Stb.
2001, 481; Stb. 2003,
376; Stb.
2004, 717]
-1. Van het vermogen gebonden in een door
de kunstenaar of zijn gezin in eigendom bewoonde woning met bijbehorend
erf blijft bij de toepassing van deze wet en de daarop berustende
bepalingen buiten beschouwing:
a. het vermogen voor zover dit minder bedraagt dan het bedrag,
genoemd in artikel 34, tweede lid,
onderdeel d, van de Wet werk en bijstand;
en
b. het bedrag waarmee het bij de
aanvang van de uitkeringsverlening aanwezige overige vermogen minder
bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, bedoeld in artikel 34,
derde lid, van de Wet werk en bijstand.
-2. Onder een woning, bedoeld in het
eerste lid, wordt mede verstaan een woonschip.
Art.
3.
[Begripsbepalingen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
1997, 660; Stb. 1997, 789;
Stb. 2003, 376; Stb.
2004, 363; Stb.
2004, 717]
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. woonplaats: de woonplaats, bedoeld
in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek;
b. echtgenoot of gehuwde:
1º. degene die naar burgerlijk recht
als zodanig wordt aangemerkt;
2º. degene die een geregistreerd
partnerschap is aangegaan;
3º. de ongehuwde die met een ander
een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er
bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van
zorgbehoefte;
c. ongehuwde: mede degene die duurzaam
gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is;
d. gezamenlijke huishouding: een
gezamenlijke huishouding als bedoeld in
artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, van de Wet werk en bijstand;
e. alleenstaande: de ongehuwde die
geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke
huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in
de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er
bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van
zorgbehoefte;
f. alleenstaande ouder: de ongehuwde
die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende
kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij
het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er
bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van
zorgbehoefte;
g. gezin:
1º. de kunstenaar en zijn echtgenoot
tezamen;
2º. de kunstenaar, zijn echtgenoot en
de tot hun last komende minderjarige kinderen tezamen;
3º. de alleenstaande kunstenaar en de
tot zijn last komende kinderen tezamen;
h. kind: het in Nederland woonachtige
eigen kind of stiefkind;
i. ten laste komend kind: het kind
jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde
aanspraak op kinderbijslag kan maken.
HOOFDSTUK
II
Het
recht op uitkering
§ 1.
De voorwaarden voor het recht op uitkering
Art.
4.
[Voorwaarden recht op uitkering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 1998, 205; Stb.
1998, 742; Stb. 2000, 299
+ bis; Stcrt.
2000, 209; Stcrt. 2000, 245;
Stcrt. 2001, 122; Stcrt.
2001, 244; Stcrt. 2002, 124;
Stcrt. 2002, 241; Stcrt.
2003, 56; Stcrt. 2003, 119;
Stcrt. 2003, 247; Stcrt.
2004, 62; Stcrt.
2004, 123; Stb.
2004, 363; Stb.
2004, 717]
De kunstenaar heeft recht op uitkering, indien hij:
a. of zijn gezin niet over vermogen
beschikt en het inkomen:
1º. van een alleenstaande lager is dan €|806,27;
2º.
van een alleenstaande ouder lager is dan €|1036,63;
3º.
van gehuwden lager is dan €|1151,82;
b. hetzij gedurende een zekere
periode als kunstenaar werkzaam is geweest en met deze werkzaamheden
gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode ten
minste het in die maatregel te bepalen bruto-inkomen of bruto-omzet heeft verworven;
[UW]
c. hetzij de aanvraag op grond van
deze wet heeft ingediend binnen twaalf maanden
nadat hij met goed gevolg een opleiding op het gebied van de kunst, een
voortgezette opleiding op het gebied van de kunst of een voortgezette
opleiding bouwkunst als bedoeld in de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft voltooid, voor zover deze opleiding
gericht is op de uitoefening van het kunstenaarschap, dan wel een
daarmee vergelijkbare, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap aan te wijzen, opleiding heeft voltooid. [RvoW]
Art.
4a.
[Recht op uitkering bij eigenwoningbezit]
[Geschiedenis:
Stb. 2000, 299;
Stb. 2004, 717]
De kunstenaar die beschikt over vermogen gebonden in een door hemzelf of
zijn gezin in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf heeft in
afwijking van artikel 4, aanhef en onder a, recht op uitkering
voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van dat
vermogen, anders dan op grond van artikel 8, in redelijkheid niet kan
worden verlangd.
Art.
5.
[Uitsluitingsgronden]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
1998, 742; Stb. 1999, 595;
Stb. 2000, 496 + bis;
Stb. 2003, 376; Stb.
2004, 306; Stb.
2004, 717]
-1. Geen recht op uitkering heeft de
kunstenaar die:
a. algemene
bijstand op grond van de Wet werk en bijstand
ontvangt;
b. buiten Nederland zijn woonplaats
heeft of die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die, langer dan
de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt buiten Nederland,
tenzij dat verblijf noodzakelijk is in verband met de beroepsuitoefening;
c. niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel
a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000;
d. rechtens zijn vrijheid ontnomen is;
of
e. de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt,
heeft bereikt;
f. die onbetaald verlof geniet als bedoeld in
artikel 1,
onderdeel g, van de Werkloosheidswet of die gehuwd is met een zodanig persoon,
voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg
is, tenzij belanghebbende alleenstaande ouder is en hij verlof
geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de
Wet arbeid en zorg.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald
dat hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld
in artikel 8, onderdeel a tot en met
e en l, van de Vreemdelingenwet
2000, recht op
uitkering hebben, onverminderd de overige vereisten voor dat recht: [BgvWWIIWW]
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit
van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben
gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en
l, van de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in
artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet
2000.
-3. Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing
op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
plaatsvindt buiten een penitentiaire inrichting, een
inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting
als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen. [Bevsz] [Rjj]
Art.
6.
[Beëindigingsgronden]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 1998, 205; Stb.
1998, 742; Stb. 2000, 299;
Stb. 2004, 363;
Stb. 2004, 717]
-1. Het recht op uitkering wordt
beëindigd, indien de kunstenaar:
a. of zijn gezin over vermogen is
komen te beschikken of over een inkomen gelijk aan of hoger dan het voor
hem geldende bedrag, bedoeld in artikel 4, onderdeel a;
b. niet kan aantonen met zijn
werkzaamheden als kunstenaar gedurende een bij algemene maatregel
van bestuur te bepalen periode ten minste het in die maatregel
bepaalde bruto-inkomen of bruto-omzet te hebben verworven; [UW]
c. of zijn echtgenoot daarom verzoekt.
-2. Burgemeester en wethouders
onderzoeken regelmatig of de omstandigheden, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel a of b, zich voordoen.
-3. Onze Minister kan, na overleg met
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap, nadere
regels stellen omtrent de regelmaat waarmee onderzoeken als bedoeld in het
tweede lid moeten plaatsvinden. [RauW]
Art.
7.
[Nieuwe aanvraag]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
1998, 742; Stb.
2004, 717]
Een kunstenaar kan opnieuw uitkering aanvragen indien
een omstandigheid als bedoeld in artikel 5, eerste lid, op grond waarvan
het recht op uitkering is geëindigd, ophoudt te bestaan of indien
een grond voor beëindiging van de uitkering als bedoeld in artikel
6,
eerste lid, is komen te vervallen.
§
2. Vorm, hoogte en duur van de uitkering
Art.
8. [Krediethypotheek en verpanding]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2000, 299; Stb. 2003,
376; Stb. 2004, 363;
Stb. 2004, 717 + bis]
-1. De uitkering wordt voorlopig verleend in de vorm van een renteloze
geldlening.
-2. De uitkering van de
kunstenaar, bedoeld in artikel 4a, wordt verleend
in de vorm van een
geldlening onder verband van hypotheek of verpanding tot een bedrag
gelijk aan het bedrag van het vermogen, bedoeld in artikel
4a.
-3. Indien de uitkering wordt verleend in de vorm van een geldlening
onder
verband van hypotheek of
verpanding, komen de kosten verbonden aan de taxatie van de
waarde van de woning, aan de hypotheekakte en aan de inschrijving van de
hypotheek, alsmede de bijkomende kosten, ten laste van de kunstenaar.
Voor deze kosten kunnen burgemeester en wethouders uitkering verlenen
die begrepen wordt onder de geldlening onder verband van hypotheek
of verpanding.
-4. Indien uitkering in de vorm van een geldlening onder verband van
hypotheek
of verpanding is verleend tot het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en het
recht op uitkering wordt voortgezet, wordt het vermogen gebonden in de
door de kunstenaar of zijn gezin in eigendom bewoonde woning opnieuw
vastgesteld. Indien blijkt dat het vermogen met ten minste een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag is toegenomen, wordt de
uitkeringsverlening in de vorm van een geldlening onder verband van
hypotheek
of verpanding voortgezet tot een bedrag gelijk aan het bedrag waarmee het
vermogen is toegenomen. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.
-5. Indien na beëindiging van uitkeringsverlening onder verband van
hypotheek
of verpanding opnieuw recht op uitkering bestaat, wordt deze verleend met
toepassing van de laatst gevestigde hypotheek of verpanding.
-6. Bij algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
vaststelling van de waarde van de woning en de voorwaarden waaronder de
uitkering in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek
of verpanding wordt verleend.
Art.
9. [Uitkeringshoogte] [Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
1998, 59; Stb. 1998, 205; Stcrt.
1998, 242; Stb. 1998, 742;
Stcrt. 1999, 122; Stcrt.
1999, 243; Stcrt. 2000, 123;
Stb. 2000, 299; Stcrt.
2000, 245; Stcrt. 2001, 122;
Stcrt. 2001, 244; Stcrt.
2002, 124; Stcrt. 2002, 241;
Stcrt. 2003, 56; Stcrt.
2003, 119; Stcrt. 2003, 247;
Stcrt.
2004, 62; Stcrt.
2004, 123; Stb.
2004, 363; Stb.
2004, 717]
-1. De uitkering bedraagt per kalendermaand voor:
a. een alleenstaande: €|564,39;
b.
een alleenstaande ouder: het
bedrag gelijk aan de som van de voor een dergelijk persoon geldende bijstandsnorm,
bedoeld in artikel 21, onderdeel b,
van de Wet werk en bijstand, en de maximale
toeslag, bedoeld in artikel 25, tweede lid,
van de Wet werk en bijstand, verminderd met het
verschil tussen het maandelijkse bedrag voor een alleenstaande, bedoeld
in onderdeel a, enerzijds en de voor een alleenstaande geldende
bijstandsnorm, bedoeld in artikel 21,
onderdeel a, van de Wet werk en bijstand,
vermeerderd met de voormelde maximale toeslag, anderzijds; ¹
c. gehuwden: het bedrag gelijk aan de voor dergelijke
personen geldende bijstandsnorm, bedoeld in artikel
21, onderdeel c, van de Wet werk en
bijstand, verminderd met het verschil tussen het maandelijkse bedrag
voor een alleenstaande, bedoeld in onderdeel a, enerzijds en de
voor een alleenstaande geldende bijstandsnorm, bedoeld in artikel
21, onderdeel a, van de Wet werk en
bijstand, vermeerderd met de maximale toeslag, bedoeld in artikel
25, tweede lid, van de Wet werk en bijstand,
anderzijds.²
-2. Indien de echtgenoot van de kunstenaar in
een omstandigheid verkeert als bedoeld in artikel
5, eerste
lid, onderdeel b, c of d, wordt de hoogte van de uitkering
vastgesteld op het bedrag voor een alleenstaande of voor een
alleenstaande ouder.
-3. Vooruitlopend op de definitieve vaststelling van de
hoogte van de uitkering, bedoeld in artikel 10,
wordt op de
uitkering het inkomen van de kunstenaar en zijn gezin in
mindering gebracht voor zover de som van het bedrag, genoemd in
het eerste lid, en het inkomen in een kalendermaand waarin
recht op uitkering bestaat meer bedraagt dan het bedrag,
genoemd in respectievelijk het tweede lid, onderdeel a,
b of c, van
artikel 10.
1. De betreffende
alleenstaandeoudernorm bedraagt €|794,75,
red.
2. De betreffende gehuwdennorm bedraagt €|909,94,
red.
Art. 10. [Definitieve
vaststelling uitkeringshoogte]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
1998, 59; Stcrt.
1998, 242; Stb. 1998, 742;
Stcrt. 1999, 122; Stcrt.
1999, 243; Stcrt. 2000, 123;
Stb. 2000, 299; Stcrt.
2000, 245; Stcrt. 2001, 122;
Stcrt. 2001, 244; Stcrt.
2002, 124; Stcrt. 2002, 241;
Stcrt. 2003, 56; Stcrt.
2003, 119; Stb. 2003,
376; Stcrt. 2003, 247;
Stcrt.
2004, 62; Stcrt.
2004, 123; Stb.
2004, 363; Stb.
2004, 717]
-1. Uiterlijk
in het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de uitkering is
verleend en binnen acht weken nadat de kunstenaar de benodigde gegevens heeft
verstrekt, wordt de hoogte van de uitkering, bedoeld in artikel 9, definitief
vastgesteld en wordt de uitkering, overeenkomstig het derde lid, omgezet
in een bedrag om niet, voor zover de kunstenaar en zijn gezin geen in
aanmerking te nemen vermogen hebben en de uitkering niet is verstrekt in
de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek of verpanding als bedoeld in
artikel 8, tweede lid.
-2. De inhoudingsplichtige
verstrekt gelijktijdig met zijn gegevensverstrekking aan de inspecteur, bedoeld in
artikel 101 van de Uitvoeringsregeling
loonbelasting 2001, aan de
kunstenaar een jaaropgave.
-3. Bij de definitieve vaststelling van de
hoogte van de uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt op het bedrag,
genoemd in artikel 9, eerste lid, het inkomen van de kunstenaar en zijn
gezin over het kalenderjaar waarin uitkering is verleend in mindering
gebracht, voor zover de som van dat bedrag en het naar een gemiddeld
maandbedrag omgerekende inkomen meer bedraagt dan:
a. €|1007,84
voor een
alleenstaande;
b. €|1295,79
voor een alleenstaande
ouder;
c. €|1439,78
voor gehuwden.
-4. Indien het bedrag van de verleende
uitkering, bedoeld in artikel 9:
a. lager is dan de definitief
vastgestelde hoogte van de uitkering, wordt voor het verschil ambtshalve
uitkering verleend en wordt de als renteloze geldlening verleende
uitkering omgezet in een bedrag om niet;
b. gelijk is aan de definitief
vastgestelde hoogte van de uitkering, wordt de als renteloze geldlening
verleende uitkering omgezet in een bedrag om niet;
c. hoger is dan de definitief
vastgestelde hoogte van de uitkering, wordt de als renteloze geldlening
verleende uitkering omgezet in een bedrag om niet tot een bedrag gelijk
aan de definitief vastgestelde hoogte van de uitkering.
-5. Indien de verleende uitkering, bedoeld
in artikel 9, als gevolg van het opleggen van een maatregel als bedoeld
in artikel 16 tijdelijk geheel of gedeeltelijk is geweigerd of als
gevolg van het opleggen van een boete op grond van deze of een andere
wet is gekort, wordt bij de vaststelling van de hoogte van de ambtshalve
toe te kennen uitkering, bedoeld in het derde lid, onderdeel a,
de verleende uitkering in aanmerking genomen alsof de maatregel niet was
opgelegd respectievelijk de korting niet had plaatsgevonden.
-6. Indien de uitkering is verleend in de
vorm van een geldlening onder verband van hypotheek of
verpanding, wordt:
a. de ambtshalve toe te kennen
uitkering, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, begrepen onder
die geldlening;
b. bij toepassing van het derde
lid, onderdeel
c, het verschil tussen de definitief vastgestelde hoogte van de
uitkering en het bedrag van de verleende uitkering, bedoeld in artikel
9, teruggevorderd.
Art. 10a.
[Beroepskosten] [Geschiedenis:
Stb. 1998, 742; Stb.
2000, 299; Stb. 2001, 426;
Stb. 2004, 717]
-1. Bij de toepassing van de artikelen 9 en
10 wordt het
inkomen, bedoeld in die artikelen, verminderd met de overeenkomstig
het tweede lid in aanmerking te nemen beroepskosten, met dien
verstande dat het inkomen niet op minder dan nihil wordt gesteld.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
voor de in aanmerking te nemen beroepskosten normbedragen
vastgesteld, die voor de verschillende kunstrichtingen verschillend
kunnen zijn. Indien de kunstenaar aantoont dat zijn werkelijke
beroepskosten hoger zijn dan het voor hem geldende normbedrag,
worden deze werkelijke kosten in aanmerking genomen, voor zover zij
niet uit anderen hoofde worden vergoed.
Art. 11. [Vakantietoeslag;
brutering uitkering] [Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
1998, 59; Stb.
1998, 742; Stcrt. 1999, 243;
Stcrt. 2000, 245; Stcrt.
2001, 122; Stcrt. 2001, 244;
Stcrt. 2002, 124; Stcrt.
2002, 241; Stcrt. 2003, 56;
Stcrt. 2003, 247;
Stb. 2004, 717]
-1. In de uitkering is een vakantietoeslag begrepen ter hoogte
van 4,6 procent van die uitkering.
-2. De uitkering wordt verhoogd met de loonbelasting en de
premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering
verleent krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de
over de uitkering verschuldigde ziekenfondspremie.
Art.
12. [Herziening bedragen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2000, 299; Stb. 2003,
376; Stb. 2003, 544;
Stb. 2004, 717]
Onze Minister herziet
telkens met ingang van de dag waarop het nettominimumloon wijzigt de in
de artikelen 4, 9 en
10 genoemde bedragen, alsmede het percentage,
genoemd in artikel 11, eerste lid. Artikel
37, eerste, tweede en derde
lid, van de Wet werk en bijstand is van overeenkomstige toepassing.
Art. 13. [Maximumuitkeringsduur]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
-1. Het recht op uitkering bestaat, al
dan niet aaneengesloten, gedurende ten hoogste vier jaar.
-2. Het recht op uitkering eindigt in
elk geval tien jaar na de dag met ingang van welke voor de eerste maal
uitkering op grond van deze wet werd toegekend.
Art. 14. [Aanvang,
aanvraag en vaststelling uitkering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
1998, 742; Stb.
2004, 717]
-1. Het recht op uitkering gaat niet
eerder in dan de dag waarop de uitkering is aangevraagd.
-2. Indien de belanghebbende gehuwd is,
wordt de aanvraag door de echtgenoten gezamenlijk ingediend, dan
wel door één van hen met schriftelijke toestemming van de
ander.
-3. De aanvraag wordt afgewezen indien
niet voldaan wordt aan het tweede lid.
-4. Indien beide echtgenoten recht
hebben op uitkering:
a. wordt ieders individuele inkomen
verminderd met de individuele beroepskosten;
b. wordt bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, slechts acht geslagen op ieders individuele
bruto-inkomen of bruto-omzet;
c. bedraagt de som van hun uitkeringen
ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 9, tweede lid,
onderdeel c; en
d. wordt bij de definitieve vaststelling van de hoogte van de
uitkering, bedoeld in
artikel 10, het in artikel 10, tweede lid, onderdeel c, genoemde bedrag aangehouden.
§
3. Aan de uitkering verbonden verplichtingen
Art.
15.
[Verplichtingen verbonden aan uitkering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2000, 299; Stb. 2001,
625; Stb. 2004, 300;
Stb. 2004, 717]
-1. Burgemeester en wethouders kunnen
aan de uitkering verplichtingen verbinden die verband houden met de
aard en het doel van deze wet, die strekken tot vermindering of beëindiging van het beroep op deze wet of
verplichtingen die zij nodig achten
voor een doelmatige bedrijfs- en beroepsuitoefening.
-2. De kunstenaar is verplicht:
a. naar behoren een administratie te
voeren en daarin desgevraagd inzage te verlenen aan burgemeester en wethouders;
b. zich naar vermogen in te spannen om
met zijn kunst zelfstandig in het bestaan te voorzien;
c. aan burgemeester en wethouders op
verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle
feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het
geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de
uitkering of op het bedrag dat aan hem als uitkering wordt betaald;
d. ervoor zorg te dragen
dat hij als kunstenaar in de zin van deze wet is ingeschreven bij de
Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
e. aan burgemeester en wethouders
desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder 1º tot en met 3º, van de Wet
op de identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit
redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
-3. De verplichtingen, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel c en e, gelden ook voor de echtgenoot van de
kunstenaar.
-4. Burgemeester en wethouders stellen bij de uitvoering van
deze wet ten aanzien van een belanghebbende op wie de verplichting,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, rust, de identiteit vast aan
de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onder 1º tot en met 3º, van de Wet
op de identificatieplicht en nemen de aard en het
nummer daarvan op in de administratie.
§ 4.
Maatregelen
Art.
16.
[Weigering uitkering bij niet-nakoming
verplichtingen | Afstemming maatregel]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
1998, 742; Stb. 2000, 299;
Stb. 2004, 717]
-1. Burgemeester en wethouders weigeren
de uitkering tijdelijk geheel of gedeeltelijk, indien de kunstenaar:
a. blijk heeft gegeven van een
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;
b. een verplichting als bedoeld in
artikel 15, eerste lid, of tweede lid, onderdeel a, b,
d en e, niet of niet
behoorlijk is nagekomen; of
c. de verplichting, bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel c, niet binnen de daarvoor door burgemeester
en wethouders vastgestelde termijn is nagekomen.
-2. Een maatregel als bedoeld in het
eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de kunstenaar de gedraging verweten kan worden en de
omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in
elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 15, tweede lid, onderdeel c, niet heeft geleid tot het ten
onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, kunnen
burgemeester en wethouders afzien van het opleggen van een maatregel
als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de
verplichting, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de kunstenaar een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kunnen
burgemeester en wethouders besluiten af te zien van het opleggen van
een maatregel als bedoeld in het eerste lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot
het eerste en tweede lid nadere regels worden gesteld. [UW]
§
5. Administratieve boeten
Art.
17.
[Boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting
| Afstemming boete]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
1998, 742; Stb. 2001, 481;
Stb. 2004, 717]
-1. Indien de belanghebbende de
verplichting, bedoeld in artikel 15, tweede lid, onderdeel c,
niet of niet behoorlijk is nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige
mededelingen te doen, leggen burgemeester en wethouders hem een boete op
van ten hoogste €|2269,00.
-2. De hoogte van de boete wordt afgestemd
op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert.
Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien indien elke
vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 15, tweede lid,
onderdeel c, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
hoog bedrag verlenen van uitkering, kunnen burgemeester en wethouders
afzien van het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en
volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van
het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet
of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een
periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten af te zien
van het opleggen van een boete.
-5. Degene aan wie een boete is opgelegd,
is verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders de inlichtingen
te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de boete van belang
zijn.
-6. Voor zover de boete nog niet is geïnd,
vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is opgelegd.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur
worden met betrekking tot het eerste en tweede lid nadere regels
gesteld. [Bszw] [UW]
Art.
18.
[Voorschriften rond voorgenomen boeteoplegging]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2003, 376; Stb.
2004, 717]
-1. Indien burgemeester en wethouders jegens de kunstenaar een handeling
verrichten waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden
dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd,
is de kunstenaar niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige
verklaring af te leggen, voor zover het betreft de boeteoplegging. De
kunstenaar wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om
informatie wordt gevraagd.
-2. Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de
kunstenaar een boete op te leggen, wordt hiervan kennisgegeven aan de
kunstenaar onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.
De kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de kunstenaar die de in het vorige lid bedoelde
kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, dragen burgemeester en wethouders er zoveel
mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de
kunstenaar worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht
stellen burgemeester en wethouders de kunstenaar in de gelegenheid om
naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te
brengen voordat de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de kunstenaar zijn zienswijze mondeling naar voren brengt,
dragen burgemeester en wethouders er op verzoek van de kunstenaar die de
Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt
benoemd die de kunstenaar kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden
aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.
Art.
18a. [Voorschriften rond boetebesluit]
[Geschiedenis:
Stb. 2003, 376;
Stb. 2004, 717]
-1. Het besluit waarbij de boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of
de termijnen waarbinnen deze moet worden betaald, alsmede de wijze
waarop het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 18d
zal worden ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de kunstenaar die het in het eerste lid bedoelde
besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, dragen burgemeester en wethouders er zoveel
mogelijk zorg voor dat de in dat besluit vermelde informatie aan de
kunstenaar wordt medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met
betrekking tot het eerste lid nadere regels worden gesteld.
Art.
18b. [Niet-oplegging boete] [Geschiedenis:
Stb. 2003, 376;
Stb. 2004, 717]
-1. Een boete wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht
door het openbaar ministerie.
-2. De oplegging van een boete blijft definitief achterwege indien ter
zake van de gedraging tegen de kunstenaar een strafvervolging is
ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen,
dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74
van het Wetboek van
Strafrecht.
-3. Het openbaar ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in
het eerste en tweede lid mededeling aan burgemeester en wethouders.
Art.
18c. [Termijnstelling boete] [Geschiedenis:
Stb. 2003, 376;
Stb. 2004, 717]
-1. Een boete wordt opgelegd binnen één jaar nadat burgemeester en
wethouders de kunstenaar overeenkomstig
artikel 18, vierde lid, in de gelegenheid
hebben gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien ter zake
aangifte is gedaan of proces-verbaal is opgemaakt en ingezonden, vangt
de termijn van één jaar aan op de dag na die waarop het openbaar
ministerie aan burgemeester en wethouders heeft medegedeeld dat geen
strafvervolging wordt ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren
nadat de desbetreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
Art.
18d. [Boetebesluit als executoriale titel]
[Geschiedenis:
Stb. 2003, 376;
Stb. 2004, 717]
-1. Het besluit waarbij een boete is opgelegd, levert een executoriale
titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel heeft mede betrekking op de rente en kosten,
bedoeld in het zevende lid.
-2. Indien degene aan wie een boete is opgelegd een uitkering op grond
van deze wet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen of de Wet werk en bijstand ontvangt, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd ten uitvoer
gelegd door verrekening met die bijstand of uitkering.
-3. Indien degene aan wie een boete is opgelegd inmiddels een uitkering
op grond van deze wet of een uitkering als bedoeld in het tweede lid
ontvangt van een andere gemeente
dan de gemeente die de boete heeft opgelegd, betaalt die andere gemeente
het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is
van de kunstenaar, op haar verzoek aan de gemeente die de boete heeft
opgelegd.
-4. Indien degene aan wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt
op grond van de Werkloosheidswet, de
Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet,
de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet
of de Wet
arbeid en zorg, betaalt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank,
het bedrag van die boete, zonder dat daarvoor diens machtiging nodig is,
op haar verzoek aan de gemeente die de boete heeft opgelegd.
-5. Indien degene aan wie een boete is opgelegd geen uitkering op grond
van deze wet of een uitkering als bedoeld in het tweede of vierde lid
ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van zodanige uitkering
toepassing van het derde en vierde lid niet mogelijk is, wordt het
besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van tijdige betaling
met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op zijn
kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-6. De tenuitvoerlegging van een besluit waarbij een boete is opgelegd,
vindt plaats met toepassing van het tweede, derde of vierde lid, dan wel
van het vijfde lid, dan wel van het tweede, derde of vierde lid in
combinatie met het vijfde lid.
-7. Bij gebreke van tijdige betaling wordt de verschuldigde boete
verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten.
-8. De betekening en tenuitvoerlegging ingevolge het vijfde lid kan
geschieden door de deurwaarder, bedoeld in
artikel 231, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet. Artikel
256 van die wet is van overeenkomstige toepassing.
-9. Op het executoriaal beslag ingevolge dit artikel door burgemeester
en wethouders op loon, sociale uitkeringen of andere periodieke
betalingen welke derden verschuldigd zijn of worden aan degene aan wie
een boete is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g,
behoudens artikel 479e, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De in
artikel 479g aan de raad voor de kinderbescherming
toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan burgemeester en
wethouders.
-10. De tenuitvoerlegging van een besluit met toepassing van dit artikel
geschiedt zodanig dat de kunstenaar blijft beschikken over een inkomen
gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en
475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-11. Het tiende lid geldt niet zolang de kunstenaar zijn verplichting,
bedoeld in artikel
17, vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt..
HOOFDSTUK
III
Het
geldend maken van het recht op uitkering
Art.
19.
[Woonplaats, aanvraag en advisering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 1998, 205;
Stb. 2004, 717]
-1. Het recht op uitkering bestaat
jegens burgemeester en wethouders van de gemeente
waar de belanghebbende
woonplaats heeft.
-2. Burgemeester en wethouders stellen
het recht op uitkering op aanvraag vast.
-3. Burgemeester en wethouders
besluiten, gehoord het advies van de instelling, bedoeld in artikel
26, of:
a. de aanvraag is ingediend door een
kunstenaar als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, of aan de eisen, bedoeld in
artikel 4, onderdeel b en c, voldaan wordt of aan de eisen,
bedoeld in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder c; of
b. de uitkering moet worden beëindigd
om de reden, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b.
-4. Een verzoek om advies als bedoeld
in het derde lid, onderdeel a, wordt eerst gedaan nadat is
vastgesteld dat de aanvraag aan de andere dan de in het derde lid bedoelde eisen
voldoet.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
kan worden bepaald dat het recht op uitkering bestaat jegens
burgemeester en wethouders van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente.
[UW]
Art.
19a. [Opschorting recht op uitkering]
[Geschiedenis:
Stb. 2003, 376; Stb.
2004, 363; Stb.
2004, 717]
-1. Indien de kunstenaar de voor de verlening van de uitkering van
belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig
of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel
indien de kunstenaar anderszins onvoldoende medewerking verleent aan
het onderzoek, schorten burgemeester en wethouders het recht op
uitkering op:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking
heeft; of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald
op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
-2. Indien bij de beoordeling van het recht op een uitkering blijkt dat
het door een kunstenaar verstrekte adres van hemzelf of van zijn
echtgenoot afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven,
schorten burgemeester en wethouders het recht op een uitkering op.
-3. Geen opschorting vindt plaats, indien:
a. de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het
recht op of de hoogte van de uitkering;
b. de kunstenaar van de afwijking redelijkerwijs geen
verwijt kan worden gemaakt; of
c. daarvoor naar het oordeel van burgemeester en wethouders
dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Burgemeester en wethouders doen schriftelijk mededeling van de
opschorting, bedoeld in het eerste en tweede lid, aan de kunstenaar
en stellen hem daarbij in de gelegenheid binnen een door hen te stellen
termijn het verzuim te herstellen.
-5. De opschorting wordt beëindigd zodra het burgemeester en wethouders
gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat. Indien de afwijking ook
na de krachtens het vierde lid gestelde termijn nog bestaat, herzien
burgemeester en wethouders het besluit tot toekenning van de uitkering
of trekken zij dit in met ingang van de eerste dag waarover het recht op
een uitkering is opgeschort.
Art.
20.
[Herziening en intrekking recht op uitkering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2003, 376; Stb. 2004, 363;
Stb. 2004, 717]
-1. Onverminderd het elders in deze wet
bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een
besluit tot toekenning van uitkering en ter zake van weigering van uitkering,
herzien burgemeester en wethouders een dergelijk besluit of trekken zij dat in:
a. indien een gedraging als bedoeld in
artikel 16, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een
daar bedoelde verplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een
te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
-2. Als de belanghebbende in het geval, bedoeld in
artikel
19a, eerste lid, het verzuim niet herstelt binnen de
daarvoor gestelde termijn, trekken burgemeester en wethouders na het
verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van uitkering
in met ingang van de eerste dag waarover het recht op uitkering is opgeschort.
-3. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Art.
21.
[Betaalbaarstelling uitkering en vakantietoeslag]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
-1. Burgemeester en wethouders betalen
de uitkering maandelijks achteraf.
-2. In afwijking van het eerste lid
wordt de vakantietoeslag, voor zover niet reeds eerder betaald, jaarlijks
betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande twaalf maanden, dan
wel in de maand waarin de uitkering eindigt.
Art.
22.
[Onvervreemdbaarheid uitkering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
-1. De uitkering is niet vatbaar voor
vervreemding, verpanding of beslag.
-2. Een machtiging tot het in ontvangst
nemen van de uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook
verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met dit artikel
is nietig.
HOOFDSTUK
IV
Terugvordering
Art.
23.
[Terugvordering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2003, 376; Stb.
2004, 717]
Kosten van de uitkering worden door de gemeente
teruggevorderd in de gevallen en naar de regels aangegeven in dit
hoofdstuk.
Art.
23a. [Schuldregeling] [Geschiedenis:
Stb. 2003, 376;
Stb. 2004, 717]
-1. In afwijking van
artikel 23 kunnen burgemeester en wethouders, op verzoek van de
kunstenaar, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk
van verdere terugvordering van de uitkering af te zien, indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat de kunstenaar niet zal kunnen
voortgaan met het betalen van zijn schulden;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met
betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid
bedoelde, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet
tot stand zal komen; en
c. de vordering van de gemeente
wegens de teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar
evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:
a. de terugvordering van de uitkering als gevolg van verwijtbaar
gedrag van de kunstenaar;
b. vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of
goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen
verhaald kunnen worden.
-3. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot
het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering treedt niet in
werking voordat een schuldregeling overeenkomstig het eerste lid tot
stand is gekomen.
-4. Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot
het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt ingetrokken of
ten nadele van de kunstenaar gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt
een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen,
bedoeld in het eerste lid;
b. de kunstenaar zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig
de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de
verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou
hebben geleid.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel
nadere regels worden gesteld.
Art.
23b. [Minimumbedrag terugvordering]
[Geschiedenis:
Stb. 2003, 376;
Stb. 2004, 717]
In afwijking van artikel
23 kunnen burgemeester en wethouders, onder voorwaarden die
Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien
indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te
stellen bedrag niet te boven gaat. [Rtgb]
Art.
23c. [Afzien van (verdere) terugvordering]
[Geschiedenis:
Stb. 2003, 376;
Stb. 2004, 717]
-1. In afwijking van
artikel 23 kunnen burgemeester en wethouders besluiten van
terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de
kunstenaar:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen
heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn
betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag
over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke
rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft
betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet
aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in
één keer aflost.
-2. De in het eerste lid, onderdeel a en b, genoemde
termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de kunstenaar in die periode de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d
van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is
gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 15,
tweede lid, onderdeel c, of de
artikelen 28, tweede lid, en 29,
eerste lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen
welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt,
behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel
nadere regels worden gesteld.
Art.
23d. [Terugvorderingsgronden] [Geschiedenis:
Stb. 2003, 376; Stb.
2004, 363; Stb.
2004, 717]
-1. Een uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 16
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, wordt van de
kunstenaar teruggevorderd.
-2. Hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd
voor zover de kunstenaar dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
-3. Terugvordering als bedoeld in het tweede lid vindt niet plaats
indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de
datum van verzending van het besluit tot terugvordering.
Art.
23e. [Terugvordering bij middelen achteraf]
[Geschiedenis:
Stb. 2003, 376;
Stb. 2004, 717]
Kosten van een uitkering worden van de kunstenaar teruggevorderd voor
zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover de uitkering
is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4
van de Wet werk en bijstand beschikt of
kan beschikken.
Art.
23f. [Bevoegde B&W bij terugvordering]
[Geschiedenis:
Stb. 2003, 376;
Stb. 2004, 717]
Terugvordering geschiedt door burgemeester en wethouders van de gemeente
die de uitkering heeft verleend.
Art.
23g. [Vereisten terugvorderingbesluit |
Inlichtingenverplichting inzake terugvordering] [Geschiedenis:
Stb. 2003, 376;
Stb. 2004, 717]
-1. Het besluit tot terugvordering vermeldt hetgeen teruggevorderd
wordt, de termijn of termijnen waarbinnen moet worden betaald, alsmede
dat het besluit, bij gebreke van tijdige betaling, op de wijze als
omschreven in artikel 23h
zal worden ten uitvoer gelegd.
-2. De persoon van wie kosten van de uitkering worden teruggevorderd, is
verplicht desgevraagd aan burgemeester en wethouders de inlichtingen te
verstrekken die voor terugvordering ingevolge dit hoofdstuk van belang
zijn.
Art.
23h. [Terugvorderingsbesluit als
executoriale titel] [Geschiedenis:
Stb. 2003, 376;
Stb. 2004, 717]
-1. Het besluit tot terugvordering levert een executoriale titel op in
de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 18d is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld
inkomen van de kunstenaar gedurende drie jaar de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, burgemeester en
wethouders de aflossingsbedragen lager vaststellen.
Art.
23i. [Begrip kosten uitkering]
[Geschiedenis:
Stb. 2003, 376;
Stb. 2004, 717]
Onder kosten van een uitkering in de zin van dit hoofdstuk wordt
verstaan de door de gemeente
betaalde uitkering verhoogd met de loonbelasting en de premies
volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt
krachtens de Wet
op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is,
alsmede met de ziekenfondspremie, voor zover deze belasting en premies
niet verrekend kunnen worden met de belastingdienst
en het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Art. 24.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
1998, 742; Stb. 2003,
376]
HOOFDSTUK
V
Uitvoering
en toezicht
§
1. Verantwoordelijkheid voor de uitvoering
Art.
25.
[Uitvoering en advisering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
De uitvoering van deze wet berust bij
burgemeester en wethouders en, voor zover het de advisering, bedoeld
in artikel 26, betreft, de daar bedoelde instelling.
Art.
26. [Taak en vereisten adviserende
instelling] [IeaiW] [Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 1998, 205;
Stb. 2004, 717]
-1. Onze Minister
erkent één
instelling als de adviserende instelling.
-2. De adviserende instelling heeft tot
taak burgemeester en wethouders van advies te dienen of:
a. de aanvraag is ingediend door een
kunstenaar als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, of aan de eisen, bedoeld in
artikel 4, onderdeel b en c, voldaan wordt of aan de eisen,
bedoeld in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder c; of
b. de uitkering moet worden beëindigd
om de reden, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b.
-3. Om voor erkenning als de
adviserende instelling in aanmerking te komen, is ten minste vereist dat de
aanvragende instelling:
a. een rechtspersoon met volledige
rechtsbevoegdheid is;
b. blijkens haar statuten tot doel
heeft of mede tot doel heeft taken als bedoeld in het tweede lid te
vervullen.
-4. Aan een erkenning kunnen
voorschriften worden verbonden.
-5. Een erkenning geldt voor onbepaalde
tijd.
Art.
27. [Intrekkingsgronden erkenning
adviserende instelling] [IeaiW]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
-1. Onze Minister
trekt de erkenning
als de adviserende instelling in, indien de instelling:
a. daarom verzoekt;
b. tot ontbinding besluit;
c. in staat van faillissement wordt
verklaard.
-2. Onze Minister kan de erkenning als
de adviserende instelling intrekken, indien de instelling:
a. haar taak niet naar behoren heeft
vervuld;
b. haar statuten heeft gewijzigd
zonder voorafgaande goedkeuring van Onze Minister;
c. heeft gehandeld in strijd met haar
statuten of de voorschriften, bedoeld in artikel 26, vierde lid.
Art.
28. [Intrekkingsbesluit erkenning] [IeaiW]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
-1. Onze Minister
regelt in een besluit
tot intrekking van de erkenning zo nodig de gevolgen van die intrekking.
-2. Een besluit tot erkenning of tot
intrekking van de erkenning bepaalt de dag waarop de erkenning
onderscheidenlijk de intrekking ingaat. Het besluit wordt in de Staatscourant
geplaatst.
Art.
29.
[Overeenstemming met Minister van OCW]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2004, 363; Stb.
2004, 717]
Onze Minister oefent de hem in de
artikelen 26, 27 en 28 verleende taken en bevoegdheden uit in
overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap.
§
2. Verantwoording
Art.
30.
[Administratieve uitvoeringsvoorschriften B&W]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2003, 376; Stb.
2004, 717]
-1. Burgemeester en wethouders voeren
ten behoeve van een getrouwe weergave van de uitvoering en een
effectief uitvoeringsproces een zodanige administratie dat de juiste, volledige en tijdige vastlegging zijn
gewaarborgd van:
a. de beslissingen over aanvragen,
onderzoeken, uitkeringen, vorderingen en verplichtingen en de hieruit
voortvloeiende betalingen en ontvangsten;
b. de hierop betrekking hebbende
bescheiden;
c. het onderzoek dat is verricht naar
de juistheid en de volledigheid van de verstrekte gegevens en de
overgelegde bescheiden.
-2. Onze Minister
stelt, na overleg met
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, regels aangaande de in het
eerste lid bedoelde administratie. [RauW]
Art.
31.
[Administratieve uitvoeringsvoorschriften
adviserende instelling]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2004, 363; Stb.
2004, 717]
-1. De adviserende instelling voert ten
behoeve van een getrouwe weergave van de uitvoering van de haar toevertrouwde taak een zodanige
administratie dat de juiste, volledige
en tijdige vastlegging zijn gewaarborgd van:
a. de ingevolge artikel 26 verstrekte
adviezen;
b. de hierop betrekking hebbende
bescheiden;
c. het onderzoek dat is verricht naar
de juistheid en de volledigheid van de door de aanvrager verstrekte
gegevens en de overgelegde bescheiden.
-2. Onze Minister
kan, na overleg met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap, regels
stellen aangaande de in het eerste lid bedoelde administratie.
§ 3.
Inlichtingenverplichting en gegevensuitwisseling
Art.
32. [Schakelbepaling] [Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
1999, 564; Stb. 2003,
376; Stb.
2004, 717]
De artikelen 63 tot en
met 68 van de Wet werk en bijstand zijn van overeenkomstige toepassing.
§
4. Toezicht
Art.
33.
[Toezicht door minister | Uitvoeringsverslag]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2001, 625; Stb. 2003, 56;
Stb. 2004, 717]
-1. Onze Minister
is
verantwoordelijk voor het toezicht op de uitvoering van deze wet.
-2. Dit toezicht wordt
onder gezag van Onze Minister uitgeoefend door de Inspectie Werk en
Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, onder leiding van het
hoofd van die inspectie.
De artikelen 37, 38,
42 en 44 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen zijn van overeenkomstige toepassing. [BtIWI]
-3. Burgemeester en
wethouders en de adviserende instelling verstrekken desgevraagd
aan Onze Minister kosteloos alle inlichtingen die hij voor de uitoefening
van het toezicht nodig heeft en verlenen hem inzage in de administratie, bedoeld in
artikel 30, eerste lid, onderscheidenlijk
artikel 31, eerste lid.
-4. Ten behoeve van het
toezicht, bedoeld in het eerste lid, dienen burgemeester en
wethouders jaarlijks bij Onze Minister een verslag in over de uitvoering van
deze wet. Het verslag omvat mede de kostenopgave, bedoeld in artikel
36,
tweede lid. Het verslag is voorzien van een verklaring van de accountant
belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle omtrent de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens.
Het verslag wordt kosteloos verstrekt.
-5. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld inzake het verslag en over de verklaring en het
onderzoek dat resulteert in deze verklaring.
Art.
34.
[Aanwijzing minister aan B&W]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
Onze Minister kan aan burgemeester en
wethouders, nadat zij gedurende acht weken in de gelegenheid
zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen, aanwijzingen geven
met betrekking tot een goede uitvoering van deze wet. Hij treedt
daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen.
§ 5.
Beleidsinformatie
Art.
35. [Gegevensverstrekking aan minister]
[RfAIIW] [Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2004, 363; Stb.
2004, 717]
-1. Burgemeester en wethouders en de
adviserende instelling verstrekken desgevraagd kosteloos aan Onze Minister
de inlichtingen die hij voor de informatievoorziening en
de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.
-2. Burgemeester en wethouders en de
adviserende instelling zijn verplicht ten behoeve van de
statistiek gegevens inzake de uitvoering van deze wet te verzamelen en kosteloos
aan Onze Minister te verstrekken.
-3. Onze Minister kan na overleg met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap regels
stellen met betrekking tot het verstrekken van de in het eerste en
tweede lid bedoelde inlichtingen en gegevens. [RiW]
[RsWIIW]
HOOFDSTUK
VI
Financiering
§ 1.
Financiering gemeente
Art.
36.
[Vergoeding uitkerings- en uitvoeringskosten
gemeente]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2001, 625; Stb.
2004, 717]
-1. Het Rijk vergoedt:
a. de ten laste van de gemeente gebleven kosten van uitkeringen, waaronder begrepen de bedragen die de
gemeente in verband hiermee ontvangt door de toepassing van
artikel 17, alsmede de loonbelasting, premies volksverzekeringen en ziekenfondspremie die daarover
verschuldigd zijn;
b. de door de gemeente gemaakte
uitvoeringskosten overeenkomstig de krachtens het derde lid, onderdeel a,
gestelde regels.
-2. Burgemeester en wethouders
declareren de in een kalenderjaar gemaakte kosten door middel van een kostenopgave over dat jaar.
-3. Onze Minister
stelt regels inzake: [RauW]
a. de vergoeding van gemaakte
uitvoeringskosten;
b. de wijze en het tijdstip van
declareren, alsmede de daarbij door burgemeester en wethouders nader te
verstrekken gegevens.
Art.
37.
[Voorschotten op vergoeding gemeente]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717; Stb.
2005, 530]
-1. Onze Minister
verleent op verzoek
van de gemeente voorschotten op de vergoeding.
-2. Voor zover de uitvoering van deze
wet door burgemeester en wethouders, dan wel de administratie,
bedoeld in artikel 30, ernstige tekortkomingen vertoont, kan Onze
Minister besluiten de voorschotten lager vast te stellen dan uit de
krachtens het derde lid gestelde regels zou voortvloeien.
-3. Onze Minister stelt regels
aangaande het verlenen van voorschotten.
[RauW]
Art.
38.
[Vaststelling vergoeding gemeente]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
-1. Onze Minister
stelt de vergoeding
vast binnen één jaar na ontvangst van de kostenopgave, bedoeld in artikel
36, tweede lid.
-2. Indien de kostenopgave niet is
ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking
heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel
36,
tweede lid, kan Onze Minister de vergoeding over dat jaar ambtshalve vaststellen.
-3. Onze Minister kan een vergoeding
geheel of gedeeltelijk weigeren en een reeds betaalde vergoeding geheel
of gedeeltelijk terugvorderen of verrekenen, indien:
a. het uitkering betreft die is
verleend in strijd met het bij en krachtens deze wet bepaalde;
b. niet is voldaan aan het bepaalde
bij en krachtens artikel 30;
c. het uitkering betreft die niet of
niet volledig overeenkomstig hoofdstuk IV is of wordt
teruggevorderd.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking
tot de toepassing van het derde lid. [BwrW]
§
2. Financiering adviserende instelling
Art.
39.
[Vergoeding uitvoeringskosten adviserende
instelling]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
-1. Het Rijk vergoedt de door de
adviserende instelling gemaakte uitvoeringskosten overeenkomstig de
krachtens het derde lid, onderdeel a, gestelde regels.
-2. De adviserende instelling
declareert de in een kalenderjaar gemaakte kosten door middel van een
kostenopgave over dat jaar. Deze opgave is voorzien van een verklaring van een
registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent ten
aanzien van wie bij de inschrijving in het in artikel 36, eerste lid, van
de Wet
op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een aantekening is
geplaatst als bedoeld in artikel 36, derde lid,
van die
wet.
-3. Onze Minister
stelt regels inzake: [RauW]
a. de vergoeding van gemaakte
uitvoeringskosten;
b. de wijze en het tijdstip van
declareren, alsmede de daarbij door de adviserende instelling nader te
verstrekken gegevens;
c. de in het tweede lid bedoelde
verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring.
Art.
40.
[Voorschotten op vergoeding adviserende
instelling]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
-1. Onze Minister
verleent op verzoek
van de adviserende instelling voorschotten op de vergoeding.
-2. Voor zover de uitvoering van deze
wet door de adviserende instelling, dan wel de administratie,
bedoeld in artikel 31, ernstige tekortkomingen vertoont, kan Onze
Minister besluiten de voorschotten lager vast te stellen dan uit de
krachtens het derde lid gestelde regels zou voortvloeien.
-3. Onze Minister kan regels stellen
aangaande het verlenen van voorschotten. [RauW]
Art.
41.
[Vaststelling vergoeding adviserende instelling]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
-1. Onze Minister
stelt de vergoeding
vast binnen één jaar na ontvangst van de kostenopgave, bedoeld in artikel
39, tweede lid.
-2. Indien de kostenopgave niet is
ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking
heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel
39,
tweede lid, kan Onze Minister de vergoeding over dat jaar ambtshalve vaststellen.
-3. Onze Minister kan een vergoeding
geheel of gedeeltelijk weigeren en een reeds betaalde vergoeding geheel
of gedeeltelijk terugvorderen of verrekenen indien niet is voldaan aan
het bepaalde bij en krachtens artikel 31.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking
tot de toepassing van het derde lid.
HOOFDSTUK
VII
Rechtsbeschermings-
en strafbepalingen
Art.
42.
[Reformatio in peius]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
In afwijking van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het
bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten nadele van de
belanghebbende wijzigen.
Art. 43.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2000, 299]
Art.
44. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2000, 299]
Art.
45. Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2000, 299]
Art.
46.
[Verval recht tot strafvordering]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
Het recht tot strafvordering vervalt
indien burgemeester en wethouders aan de belanghebbende ter zake van
hetzelfde feit reeds een boete hebben opgelegd.
HOOFDSTUK
VIII
Overgangs-
en slotbepalingen
Art. 47.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stcrt.
1998, 242; Stcrt. 1999, 122;
Stb. 2000, 299 + bis;
Stb. 2003, 376]
Art.
48. Vervallen. [Geschiedenis:
versie 22 januari 1998; Stb.
1998, 742; Stb. 2003,
376]
Art. 49.
Vervallen. [Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
1998, 742; Stb. 2003,
376]
Art.
50. [Erkenning Stichting Kunstenaars &
CO] [Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998; Stb.
2003, 376; Stb. 2004, 363;
Stb. 2004, 717]
Als adviserende instelling wordt met ingang van de inwerkingtreding van
deze wet erkend de Stichting Kunstenaars & Cultuur en Ondernemerschap te Amsterdam,
zulks mede met toepassing van artikel 26, vierde lid.
Art.
51.
[Wijziging Abw]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
Aan artikel 9, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet wordt, onder vervanging van de punt aan het slot
van onderdeel c door een puntkomma, een nieuw onderdeel d
toegevoegd, luidende:
d. die uitkering op grond van de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars ontvangt of die gehuwd is met een
persoon die een zodanige uitkering ontvangt.
Art.
52.
[Wijziging Abw]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
Aan artikel 17 van de Algemene
bijstandswet wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
-5. De Wet inkomensvoorziening
kunstenaars geldt niet als een voorliggende voorziening als bedoeld
in het eerste lid.
Art.
53.
[Wijziging bijlage Bw]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
In de bijlage bij de Beroepswet,
onderdeel C, wordt een onderdeel 24a ingevoegd, luidende:
24a. Wet inkomensvoorziening
kunstenaars.
Art.
54.
[Inwerkingtreding]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
De artikelen van deze wet treden in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 23 september 1998, Stb. 1998, 578, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1999, red.
Art.
55.
[Citeertitel]
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 januari 1998;
Stb. 2004, 717]
Deze wet wordt aangehaald als: Wet
inkomensvoorziening kunstenaars.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 22 januari
1998
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen,
A. Nuis
Uitgegeven de zeventiende februari
1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
MEMORIE VAN
TOELICHTING
|
|