|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1996-1997,
25 053
Een afzonderlijke inkomensvoorziening voor
kunstenaars (Wet inkomensvoorziening kunstenaars)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Voorgeschiedenis |
| 3 |
Doelstelling |
| 4 |
De doelgroep |
| 5 |
Het systeem van de wet |
| 5.1 |
Algemeen |
| 5.2 |
Uitkeringshoogte en
bijverdiensten |
| 5.3 |
Duur en vereisten |
| 6 |
Beroepskosten |
| 7 |
De
beroepsmatigheidstoets |
| 8 |
Uitvoering |
| 9 |
Flankerend beleid |
| 10 |
Financiële
gevolgen |
| 10.1 |
Financieringsruimte |
| 10.2 |
Besteding
financiële ruimte |
| 10.3 |
Momenten van
heroverweging |
| 11 |
Evaluatie |
|
xArtikelsgewijs |
| x |
Artikelen
1 t/m 54 |
Algemeen
1. Inleiding
Kunstenaars worden op
verschillende manieren ondersteund. In ons land bestaat een
uitgebreid en divers kunstbeleid van zowel rijksoverheid als gemeenten en
provincies. Ook particulieren leveren een bijdrage. Al of niet in
bedrijfsverband
kopen zij kunst, verstrekken opdrachten, bezoeken theatervoorstellingen en
concerten. Daarnaast treden bedrijven op als sponsors. Desondanks is
het voor kunstenaars niet eenvoudig om gedurende hun gehele carrière zelfstandig in het eigen levensonderhoud te voorzien.
Dit geldt in de eerste
plaats voor de starters. Zij die van een kunstopleiding afkomen, hebben tijd
nodig om zich te oriënteren op de kunstpraktijk en om zich
daarin een positie te verwerven. Bij de start van een artistieke loopbaan
moet veelal een beroep worden gedaan op de bijstand.
Daarnaast is er het continuïteitsprobleem. Kenmerkend voor de beroepspraktijk van kunstenaars is het werken in opdracht of met tijdelijke
contracten en het hebben
van meerdere deeltijdbanen. Kunstenaars zijn vaak aangewezen op een
uitkering ter overbrugging van opdrachten of contractperioden, of
vanwege een tijdelijke terugval in hun productiviteit.
De markt voor kunstenaars
is moeilijk vergelijkbaar met de markt voor industriële producten.
Vaak gaat het om unica of producten met een beperkte reproduceerbaarheid. Bovendien gaat het aanbod veelal aan de
vraag vooraf. Het individuele karakter van kunst maakt dat de kunstenaar
zijn/haar eigen markt
moet creëren. Er is in algemene zin wel een markt voor kunst, maar daarmee
nog niet voor zijn kunst.
Bijzondere aandacht voor
de positie van de kunstenaar is ook daarom geboden, omdat het niet
zelden individuen zijn die op een persoonlijke wijze uitdrukking weten te geven aan de culturele saamhorigheid van een
samenleving, ook al wordt
dat niet direct door iedereen zo ervaren. Kunst kan zich soms vreemd en
schokkend aan ons voordoen, maar zonder die tegendraadse inbreng
slaapt een cultuur in en verliest zij haar waarde en betekenis.
Dit geheel overziende is
het kabinet van mening dat er een aparte inkomensvoorziening voor
kunstenaars nodig is die toegesneden is op de rblz.|2|
bijzondere positie van
kunstenaars en aansluit bij het activeringsbeleid in de sociale zekerheid. Het
kabinet stelt daarom een regeling voor die de kunstenaar een inkomen
verstrekt dat weliswaar aanmerkelijk lager ligt dan het sociaal
minimum,
maar die hem of haar tevens toestaat dit inkomen met
bijverdiensten aan te vullen. Gegeven het feit dat het lagere uitkeringsniveau de
betrokkene al voldoende aanzet tot het verrichten van arbeid, worden hem of
haar geen arbeidsmarktverplichtingen opgelegd, zoals die gebruikelijk
zijn in de sociale zekerheid. Op deze wijze wordt de kunstenaar voor een
beperkte periode in de gelegenheid gesteld een eigen beroepspraktijk op
te bouwen, dan wel een tijdelijke terugval in de inkomsten op te vangen.
2. Voorgeschiedenis
Dat het voor kunstenaars
vaak moeilijk is om met hun beroep in het eigen levensonderhoud te
voorzien, is ook in het verleden aanleiding geweest voor specifieke
regelingen, met name voor beeldende kunstenaars. Zo bestond van 1949 tot
1986 de Beeldende kunstenaarsregeling (BKR).
De overheid kocht
kunstwerken aan van beeldende kunstenaars die professioneel werkzaam
waren, maar daaruit onvoldoende middelen van bestaan verwierven. Ook kon de kunstenaar in de BKR een opdracht
krijgen tot het
vervaardigen van een kunstwerk of het verrichten van diensten op een aan de
beeldende kunst verwant terrein (bijvoorbeeld het geven van rondleidingen
in musea). Halverwege de jaren '60 werd duidelijk dat door het
open-eindekarakter van de regeling de kosten moeilijk beheersbaar
bleken. Steeds meer kunstenaars maakten gebruik van de BKR en de opslagkosten van de aangekochte kunstwerken namen
enorm toe.
In het regeerakkoord voor
de periode 1982-1986 werd tot een drastische verlaging van het
BKR-budget besloten, onder meer door de toelatingseisen tot de regeling te
verscherpen. Uiteindelijk werd besloten de BKR te beëindigen. Per 1
januari 1987 werd de regeling buiten toepassing verklaard. De kunstenaars
konden daarna terugvallen op de Abw, de Rijksgroepsregeling
werkloze werknemers (Rww) of het Bijstandsbesluit Zelfstandigen (BZ)
[zie ook Besluit bijstandverlening zelfstandigen,
red.].
Bovendien konden kunstenaars een beroep doen op de extra gelden die door
het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) voor
beeldende kunstenaars werden gereserveerd.
Na de afschaffing van de
BKR gingen enkele gemeenten ertoe over aan kunstenaars in de
bijstand een uitzonderingspositie toe te kennen (het zgn. Haarlemse model),
met name voor wat betreft de sollicitatieplicht en het zoeken naar en
aanvaarden van passende arbeid. Uit een onderzoek (1992) van de
Rijksconsulenten Sociale Zekerheid bleek dat deze en andere elementen in dat
gedoogbeleid geen grondslag in wet en regelgeving hadden en dat
daarom onvoldoende uitstroom uit de bijstand plaatsvond. Alleen voor
beeldende kunstenaars die naast een uitkering een beroepskostenvergoeding ontvingen van het Fonds voor de
beeldende kunst, vormgeving en bouwkunst, bestond er een officieel goedgekeurd afwijkend
bijstandsregime.
Deze gedoogpraktijk staat
haaks op het kabinetsbeleid om met een verscherpt handhavingsregime de uitstroom uit de bijstand te bevorderen.
Het vorige kabinet had al
besloten aan deze gedoogpraktijk een einde te maken en in
plaats daarvan een voorliggende voorziening in te voeren in de vorm van een
stipendium voor circa 1200 beeldende kunstenaars, onder
verantwoordelijkheid van de minister van WVC. Dit stipendium voorziet zowel
in de kosten van levensonderhoud als in een forfaitair bedrag voor
beroepskosten. Op 1 januari 1994 is deze rblz.|3|
voorziening in werking getreden. Bij de behandeling van de regeling in de
Tweede Kamer bleek dat de Kamer deze voorziening vooral wenste te zien als een specifieke
oplossing voor een specifiek probleem, maar niet als een oplossing voor het
bredere probleem van de sociale positie van de kunstenaar en de spanning
tussen het bijstandsbeleid (verplichtingen, sancties,
trajectbegeleiding) en het kunstbeleid (bevordering kwalitatieve kunstbeoefening).
Het kabinet heeft daarop
in juni 1994 de Tweede Kamer een discussienota voorgelegd met de
hoofdlijnen van een Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars (Kamerstukken
II 1994-1995, 24 241, nr. 1). Deze nota en de discussie daarover in de Tweede Kamer vormen de basis van
de huidige wet.
3. Doelstelling
Het doel van
de wet is
kunstenaars te ondersteunen bij de opbouw van een renderende
beroepspraktijk, dan wel hen in staat te stellen een tijdelijke terugval in
inkomsten op te vangen. Deze doelstelling wordt in de wet als volgt
vormgegeven.
De wet biedt de
mogelijkheid een uitkering als inkomensondersteuning te verstrekken, staat
daarnaast bijverdiensten toe en legt geen verplichtingen tot arbeidsaanvaarding
op. Er wordt dus een zekere mate van bestaanszekerheid geboden
tegelijk met het stimuleren van bijverdienen als mogelijkheid om in
het bestaan te voorzien. Voorheen konden kunstenaars die door het
uitoefenen van hun beroep in hun inkomen wilden voorzien maar
daar (nog) niet of slechts gedeeltelijk in slaagden, kiezen tussen een beroep
op de bijstand óf werk zoeken buiten het eigen beroep.
Met de invoering van de
nieuwe Algemene bijstandswet op 1 januari 1996 is het beleid sterker gericht op activering en uitstroom. Hiervan zijn
kunstenaars in de
bijstand niet uitgezonderd. Dit betekent dat zij ander werk zullen moeten
aanvaarden indien zij met hun eigen beroep onvoldoende inkomsten
verwerven. In feite komt het erop neer dat de kunstenaar verplicht
wordt - al dan niet na (om)scholing - zich op de arbeidsmarkt te begeven
indien hij of zij er niet in slaagt door de uitoefening van zijn eigen beroep in zijn inkomen te voorzien. Met
inwerkingtreding van de
Wik komt er een extra keuzemogelijkheid voor kunstenaars bij.
Gedurende vier jaar kunnen zij in aanmerking komen voor een socialezekerheidsvoorziening zonder dat hen een arbeidsplicht wordt opgelegd.
4. De doelgroep
De wet is bedoeld voor
kunstenaars die naar de maatstaven van de Algemene bijstandswet
over onvoldoende inkomen beschikken en die beroepsmatig als kunstenaar werkzaam zijn of willen zijn. De kunstenaar
die zich voor deze
regeling aanmeldt, moet dus als het ware door twee toegangsportalen heen:
namelijk dat van de bijstand en dat van de beroepsmatigheidstoetsing.
Bij de vereisten voor een uitkering (paragraaf 5.3) wordt op beide portalen
teruggekomen.
In
de wet worden drie
groepen kunstenaars onderscheiden:
a. Beginnende
kunstenaars: zij die recent met succes een kunstopleiding afgesloten hebben en een
beroep doen op de regeling. Het moet een opleiding of afstudeerrichting zijn die in hoofdzaak gericht is op
het uitvoeren van kunst
of op het scheppen van kunst. In artikel 1 van de wet is tevens vastgelegd
dat de opleiding door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
(OCW) moet zijn medegefinancierd.
rblz.|4|
b. Gedurende één jaar na
het in werking treden van de regeling kunnen zich ook kunstenaars
aanmelden die al in de bijstand zitten. Daarbij doet het er niet toe hoelang
ze in de bijstand zitten. Voorwaarde is wel dat zij gedurende hun bijstandsperiode zich gericht hebben op het verwerven
van inkomsten uit de kunstbeoefening.
c. Tot slot is de
mogelijkheid opgenomen dat ook kunstenaars die op het moment van in
werking treden van de wet geen beroep op de bijstand doen, kunnen deelnemen.
De voorwaarden voor toetreding hangen samen met de algemene toetredingsvoorwaarden (de twee eerder
genoemde
toegangsportalen). Het betreft hier kunstenaars die al geruime tijd een beroepspraktijk
hebben en door omstandigheden daar geen of niet meer voldoende
inkomen uithalen om in de kosten van bestaan te voorzien, terwijl zij om
wat voor reden dan ook nooit een beroep hebben willen doen op de
bijstand.
5. Het systeem van de wet
5.1. Algemeen
De wet biedt de
(startende) kunstenaar de keuze om een beroep te doen óf op de bijstand
óf op deze regeling, maar niet op beide tegelijk. De onderhavige regeling
geldt in alle opzichten als voorliggende voorziening voor de Algemene
bijstandswet [maar niet in de zin van artikel 17,
eerste lid, Abw, zie ook de toelichting
op artikel 50 en
51, red.]. Dit betekent dat indien betrokkene er niet in slaagt rond te komen
van de uitkering - eventueel aangevuld door eigen verdiensten - er
in het kader van deze wet geen aanvullend beroep op de bijstand mogelijk
is. Het spreekt vanzelf dat betrokkene op elk moment uit de Wik kan
stappen en een beroep kan doen op de bijstand, maar in dat geval valt
hij of zij volledig onder het handhavingsregime van de bijstand. Het hebben
van een bijstandsuitkering wordt in het kader van deze wet gezien als voldoende inkomen en iemand met een bijstandsuitkering
kan dan ook niet voor de Wik in aanmerking komen. Uitzondering daarop zijn
bijstandsgerechtigde kunstenaars in het eerste jaar van deze wet.
Aangezien de Wik een
algemene inkomensvoorziening is staat de bijzondere bijstand wel
open voor de Wik-gerechtigde onder de gebruikelijke voorwaarden; dat wil
zeggen dat de normale beroepskosten niet voor bijzondere bijstand in
aanmerking komen, omdat in de Wik reeds een regeling voor
beroepskosten is opgenomen.
5.2. Uitkeringshoogte en
bijverdiensten
De hoogte van de
uitkering is afgestemd op het specifieke karakter van deze
regeling. Er wordt
een zekere mate van bestaanszekerheid geboden. Daarnaast zijn enkele
voorwaarden die gebruikelijk zijn bij minimumbestaansvoorzieningen (zoals de
verplichting
passende arbeid te aanvaarden) niet in deze
wet opgenomen. Omgekeerd worden in deze wet mogelijkheden geschapen
die juist in dit soort voorzieningen niet of niet meer worden geboden,
zoals de mogelijkheid om bij te verdienen. Het kabinet heeft besloten
deze bijzondere systematiek te laten doorklinken in de hoogte van de
uitkering, door de hoogte vast te stellen op 60 procent van de landelijke
bijstandsnorm vermeerderd met de maximale toeslag van artikel
33, tweede
lid, Abw.
Dit percentage prikkelt
om bij te verdienen en geeft tevens uitdrukking aan het feit dat de
Wik-gerechtigde niet hoeft te voldoen aan enkele voorwaarden die wel
gelden voor bijstandsgerechtigden.
De regeling is erop
gericht de kunstenaar te ondersteunen bij de opbouw van een renderende
beroepspraktijk. Door het verwerven van bijverdiensten wordt deze beroepspraktijk gestimuleerd. De bedoeling is
dat betrokkene op den
duur (maximaal vier jaar) zoveel (bij)verdiensten rblz.|5|
heeft, dat hij of zij
volledig kan voorzien in de kosten van levensonderhoud, in die zin dat een beroep
op de bijstand zou worden afgewezen wegens het
hebben van voldoende middelen van bestaan.
De mogelijkheid om bij te
verdienen zonder dat dit gevolgen heeft voor de uitkering, geldt tot
115 procent [125%, zie artikel 10, tweede
lid, Wik, red.]
van de voor betrokkene geldende bijstandsnorm. In zoverre wordt afgeweken van de algemene regel dat de
uitkering wordt afgestemd
op de middelen van de kunstenaar en zijn of haar gezin. Een hoger
percentage zou een niet te rechtvaardigen verschil met bijstandsgerechtigden
in het totaal genoten inkomen veroorzaken.
Om een renderende
beroepspraktijk op te bouwen moet de kunstenaar beroepskosten maken. Deze
kosten mogen - volgens forfaitaire bedragen - in mindering worden
gebracht op de bijverdiensten alvorens de inkomsten verrekend worden met de uitkering.
Het feit dat rekening
wordt gehouden met bijverdiensten en beroepskosten, betekent ook dat de
uitkering eerst wordt toegekend in de vorm van een renteloze
geldlening, in maandelijkse termijnen uit te keren, en dat de uitkering
definitief wordt vastgesteld zodra het inkomen bekend is over het kalenderjaar.
5.3. Duur en vereisten
Het spreekt vanzelf dat
er geen recht meer op deze regeling bestaat zodra betrokkene over
zoveel inkomen uit activiteiten als kunstenaar of anderszins beschikt dat
hij of zij ook volgens de Abw niet meer voor een bijstandsuitkering in aanmerking zou komen. Eveneens bestaat geen recht
meer wanneer betrokkene
niet langer beroepsmatig als kunstenaar werkzaam is. Het kabinet
is van mening dat de regeling alleen van toepassing dient te zijn
voor professionele kunstenaars. Om te kunnen vaststellen of er sprake
is van een professionele kunstenaar, wordt de uitvoerder van de wet
- de gemeente - door een bij de wet ingesteld adviesorgaan geadviseerd.
Eén van de elementen die in het advies over de beroepsmatigheid van de kunstenaar is opgenomen, is of de
betrokkene erin slaagt
een zeker inkomen te ontlenen uit de beoefening van zijn beroep. Deze
bepaling is opgenomen om te stimuleren dat de betrokken kunstenaar
tracht zoveel mogelijk inkomen te verwerven uit zijn beroepspraktijk. Het is
volgens het kabinet alleszins te aanvaarden dat de groei in de
beroepspraktijk - of beter gezegd het ontbreken van groei - een maatstaf
kan zijn
voor het vaststellen of de kunstenaar nog recht heeft op een inkomensondersteuning.
Eén en ander wordt nader geregeld bij
algemene maatregel van
bestuur.
Aan de regeling kan
maximaal vier jaar worden deelgenomen. Dat hoeft niet in een aaneengesloten periode, maar wel binnen een termijn van tien
jaar. Het kabinet is van mening dat een kunstenaar die eerder in de regeling heeft
gezeten
en met zijn inkomen uit zijn beroepspraktijk weer terug valt onder het
bijstandsniveau, opnieuw aan de regeling moet kunnen deelnemen. Een
voorbeeld hiervan is de kunstenaar die tijdelijk een terugval in
creativiteit heeft of een andere richting in wil slaan. Het totaal aantal jaren dat
een beroep op de Wik kan worden gedaan, blijft evenwel vier jaar. Aldus
ontstaat een soort knipkaart, die om administratieve redenen niet langer
dan
tien jaar geldig is.
6. Beroepskosten
Een professioneel
kunstenaar maakt kosten om zijn of haar beroep te kunnen uitoefenen. In de
regeling is hiermee rekening gehouden. Gekozen is voor een methode die
geen onnodige uitvoeringsproblemen meebrengt en die past in het uitkeringssysteem waarbij rekening wordt gehouden
met bijverdiensten.
rblz.|6|
Hoewel de kosten variëren met het beroep dat wordt uitgeoefend, is op basis van ervaringsgegevens een scheiding aan te brengen tussen
beroepskosten voor beeldende kunstenaars en die van de overige kunstenaars. Uit recent
onderzoek (resp. "De financiële positie van beeldend kunstenaars II,
SEO 1996" en "Peiling Kunstenbond FNV, 1995") valt af te leiden dat een
gemiddeld bedrag van ƒ10 000,- voor de beroepskosten van
beeldende kunstenaars en van ƒ5000,- voor de overige kunstenaars kan
worden vastgesteld. Deze forfaitair vastgestelde bedragen worden door de
gemeente in mindering gebracht op de bijverdiensten alvorens
de bijverdiensten worden verrekend met de uitkering. Het kabinet
gaat ervan uit dat deze werkwijze voor het grootste deel van de kunstenaars
goed zal voldoen. Het spreekt vanzelf dat het voor een goede uitvoering
van de wet noodzakelijk is dat de kunstenaar een ordentelijke
administratie voert.
7. De
beroepsmatigheidstoets
De regeling is
uitsluitend bestemd voor kunstenaars die beroepsmatig actief (willen) zijn. De
vaststelling wie als professioneel kunstenaar kan worden aangemerkt, is
niet gemakkelijk. Niet alle gemeenten zullen de expertise daarvoor in
huis hebben. Om bovendien rechtsongelijkheid tussen gemeenten te
voorkomen is in de wet gekozen voor een landelijk opererend adviesorgaan
dat de beroepsmatigheid toetst en de gemeente daarover adviseert. De
wet verbindt bepaalde vereisten aan de erkenning door de Minister van SZW
als adviserende instelling. Het spreekt vanzelf dat de instelling
deskundig is op het gebied van de vereisten die gelden voor de diverse beroepsgroepen. Als zodanig is een dergelijk adviesorgaan
vergelijkbaar met een adviesorgaan als het Instituut voor
Midden- en Kleinbedrijf (IMK) dat
regelmatig gemeenten adviseert over de levensvatbaarheid van een
onderneming in het kader van de uitvoering van het Bijstandsbesluit
zelfstandigen [Besluit bijstandverlening
zelfstandigen, red.].
Het Rijk vergoedt de
uitvoeringskosten van de erkende adviesinstelling.
In de hoofdlijnennotitie
die het kabinet ter voorbereiding van deze wet aan de Kamer heeft
voorgelegd is uitgegaan van een rol van het VvK [Stichting Voorzieningsfonds voor
Kunstenaars, zie Stichting Kunstenaars & Co, red.] als adviserende instelling.
Het VvK heeft bij
meerdere gelegenheden te kennen gegeven te hechten aan een zwaardere
rol bij de uitvoering van de Wik dan uit de artikelen
19, derde lid,
en 26, tweede lid, van de Wik, betreffende de adviserende instelling,
zou kunnen blijken. Het kabinet wijst erop dat de adviserende instelling
het - door de deugdelijkheid van haar adviezen - in eigen hand heeft om zich
bij de besluitvorming op grond van de Wik te kwalificeren. Dit hoeft
evenwel niet nader in de Wik te worden geregeld, maar vloeit in
belangrijke mate voort uit de bepalingen die in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met betrekking tot advisering zijn
opgenomen. Ten aanzien
van de motivering van beschikkingen die zijn gebaseerd op een advies
van de adviserende instelling, of waaraan een advies van de adviserende
instelling vooraf is gegaan, geeft afdeling 4.1.4
[zie afdeling 3.7, red.] van de
Awb een regeling.
Bevat het advies zelf de motivering, dan kunnen burgemeester en
wethouders volstaan met een verwijzing naar het advies. Wel dient hierbij
het advies ter kennis van de belanghebbende te worden gebracht,
bijvoorbeeld door het als een bijlage bij de beschikking aan de belanghebbende te
sturen. Wijkt het besluit van burgemeester en wethouders af van het
advies, dan moet dit uitdrukkelijk bij dat besluit worden gemotiveerd,
waarbij uit de motivering zal moeten blijken op welke punten en op welke
gronden van dat advies wordt afgeweken.
Een advies van de
adviserende instelling mag niet klakkeloos worden opgevolgd. In dit verband
wijst het kabinet op de regeling dienaangaande in afdeling 3.3 van de
Algemene wet
bestuursrecht, alsmede naar de rblz.|7|
uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 4 februari 1987 (AB 1988, nr. 112), waarin een door de
Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur genomen besluit
om subsidie af te wijzen wordt vernietigd omdat het onderliggende advies
inzake de artistieke prestatie van een kunstenaar ernstige
tekortkomingen vertoonde. In deze uitspraak stelde de Afdeling rechtspraak
voorop dat het bestuursorgaan "in het algemeen kan volstaan met te verwijzen naar het
advies". Deze regel lijdt evenwel
uitzondering indien het
advies "(...) naar de wijze van totstandkoming, inhoud of anderszins
zodanige gebreken vertoont dat verweerder hierop niet zonder meer mag
afgaan". Burgemeester en wethouders zullen dus steeds moeten nagaan of
aan de conclusies van het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming
zodanige gebreken kleven dat het besluit van burgemeester en
wethouders niet, of althans niet zonder meer, op die conclusies mag worden
gebaseerd. Zouden burgemeester en wethouders zich bij het nemen van hun besluiten zonder nader onderzoek mogen
baseren op de adviezen
van de adviserende instelling, dan zou de beslissingsbevoegdheid
materieel verschuiven naar die instelling.
Het kabinet heeft er,
zoals eerder aangegeven, voor gekozen om een adviesstructuur in de Wik
op te nemen. Een andere opzet zou denkbaar zijn, ware het niet dat
dan voor de belanghebbende kunstenaar een ondoorzichtig stelsel van rechtsbescherming zou gaan gelden. Toekenning
van verdergaande dan adviserende bevoegdheid zou immers betekenen dat ook voor die
bevoegdheid in beginsel het stelsel van administratieve rechtsbescherming zou
gaan gelden. Een dergelijke dubbeling van het stelsel lijkt het kabinet
noch in het belang van de kunstenaar zelf, noch in het belang van de
uitvoerende instanties, te weten burgemeester en wethouders en de
instelling die over de artistieke prestaties heeft te adviseren.
8. Uitvoering
De uitvoering van
deze
wet kan worden opgedragen aan een beperkt aantal gemeenten. Aan
deze mogelijkheid zal invulling worden gegeven in samenwerking met de VNG.
Het kabinet heeft voor deze vorm gekozen - na de discussie met de Kamer over de Hoofdlijnennotitie
- omdat
concentratie van de
uitvoering de kwaliteit hiervan ten goede zal komen. Er wordt zodoende beter
aangesloten bij het gegeven dat er een concentratie te zien is van
kunstenaars in bepaalde gemeenten, dat bepaalde gemeenten een
concentratie kennen van kunstonderwijsinstellingen en dat op deze wijze ook
beter aangesloten kan worden bij de bestaande mogelijkheden tot beroepsuitoefening en het kunstbeleid van bepaalde
gemeenten. Op deze wijze
is ook het ontwikkelen van het flankerend beleid doelmatiger.
De uitvoerende gemeenten
worden aangewezen via een algemene maatregel van bestuur.
Deze gemeenten voeren dan de Wik uit voor de in hun regio gelegen gemeenten. Bij de regio-indeling zal worden aangesloten
bij de bestaande verdelingsstructuur voor kunstsubsidies en indeling van de
Wet
gemeenschappelijke regelingen (Wgr).
Gelet op het feit dat een
beperkt aantal gemeenten de wet uitvoert en zij de uitvoering voor
andere gemeenten uit hun omgeving ter hand nemen, is door het kabinet besloten de uitvoeringskosten van deze
gemeenten voor 100
procent te vergoeden en in de verstrekte uitkeringen een rijksbijdrage van 100
procent te geven.
9. Flankerend beleid
Het doel van
de
inkomensvoorziening is de kunstenaar in de gelegenheid te stellen een zodanige beroepspraktijk op te bouwen dat hij
of zij in het eigen levensonderhoud kan voorzien en geen beroep meer rblz.|8|
hoeft te doen op de
Algemene bijstandswet. Voor een aantal kunstenaars zal dit een gemengde
beroepspraktijk zijn.
De wet richt zich erop
dat zoveel mogelijk kunstenaars op eigen kracht een - al of niet
gemengde - beroepspraktijk opbouwen die hen uit de bijstand houdt. Voor een
deel van de deelnemende kunstenaars zal een actieve ondersteuning
nodig zijn om een zelfstandige beroepspraktijk op te bouwen, in de vorm van
scholing, individuele trajectbegeleiding, arbeidsbemiddeling,
werkervaringsplaatsen en dergelijke. En dan nog zal blijken dat een deel toch
weer een beroep op de bijstand zal moeten doen of zal moeten afzien van
een eigen kunstpraktijk. Het zal duidelijk zijn dat het succes van de
regeling vooral afhangt van de vraag of het merendeel van de deelnemers in
de
richting van een zelfstandige beroepspraktijk begeleid kan worden. Het
is vrijwel zeker dat zonder die actieve ondersteuning het succes gering zal
blijken zijn.
Daarom wordt langszij
deze wet een beleid ontwikkeld dat zich enerzijds richt op het verruimen
van de (arbeids)markt voor kunstenaars, anderszijds op de individuele begeleiding van kunstenaars naar een zelfstandige
beroepspraktijk. Daarbij
wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande initiatieven en projecten
die veelal door sociale diensten, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie
Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.]
en het werkveld zijn opgezet.
10. Financiële
gevolgen
Zoals aangegeven in
hoofdstuk 4 is de doelgroep de in de Abw verblijvende kunstenaar,
de startende kunstenaar met erkende opleiding en de zgn. zij-instromer (reeds langer werkende kunstenaar die op een
willekeurig moment wordt
toegelaten tot de Wik en die voorheen niet in de bijstand zat).
Eén van de uitgangspunten
bij het tot stand komen van de wet is dat de invoering geen budgettair
effect op de rijksbegroting met zich mee mag brengen. De financiële
kaders worden daarmee voor een belangrijk deel bepaald door het beslag
dat de genoemde doelgroep nu en in de toekomst op de rijksbegroting zal leggen. In samenhang daarmee ligt het voorts in de rede de
verlagende effecten die de Wik heeft voor de kosten van de Abw voor
gemeenten
via een uitname uit het Gemeentefonds te decompenseren en in te zetten voor ondersteunende maatregelen Wik,
in casu flankerend beleid.
10.1. Financieringsruimte
Van belang voor het
bepalen van de benodigde en beschikbare middelen zijn prijs- en
volumegegevens.
Volume
Voor de ramingen van het
aantal kunstenaars in de bijstand is gebruik gemaakt van gegevens van
het ministerie van OCW. Dit leidt tot de aanname dat er landelijk
14 000 kunstenaars een beroep doen op de bijstand. Op basis van de
toetredingseisen en het niet-verplichtende karakter van de Wik is
verondersteld dat eenmalig 4750 kunstenaars per ingangsdatum uit de
bijstand een beroep zullen doen op de Wik. In de ramingen wordt verder
rekening gehouden met 250 zij-instromers en de instroom van jaarlijks
900 HBO-ers.
Om het Wik-bestand op
termijn te kunnen bepalen is ervan uitgegaan dat de uitstroom uit de
regeling uit twee categorieën bestaat, namelijk een uitstroom zonder het
bereiken van de toegestane verblijfsduur van vier jaar (jaarlijks 10 procent) en een verplichte uitstroom na het bereiken van
de maximale verblijfsduur van vier jaar.
rblz.|9|
Tabel 1. Volume aantal
kunstenaars, waarin aangegeven het in raming meegenomen gemiddeld aantal
zij-instromers (jaargemiddelden):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
Wik-ers
met vrijvallende Abw-uitkering:
Zij-instromers: |
2700xx
100xx |
5500xx
200xx |
5800xx
200xx |
6100xx
200xx |
4600xx
100xx |
| Totaal: |
2800xx |
5700xx |
6000xx |
6300xx |
4700xx |
Prijs
Bij de berekening van de
gemiddelde uitkering is aangenomen dat de instroom in de Wik vanuit
de bijstand overeenkomt met de huidige verhouding in de bijstandspopulatie van alleenstaanden, echtparen en
eenoudergezinnen. De gemiddelde bijstandsuitkering in 1995 voor die populatie ten laste van
de begroting van SZW bedroeg ƒ18 000,-. Verder is rekening
gehouden met het bestaande voornemen om het Toeslagenbudget in de Abw
per 1 januari 1999 over te hevelen naar het Gemeentefonds. Voor de
meerjarenraming is daartoe uitgegaan van een tentatieve schatting. Het
normgedeelte bedraagt vanaf 1999 ƒ15 600,-, het toeslagdeel
dat wordt uitgenomen uit het Gemeentefonds bedraagt ƒ2650,-.
Budgettair kader
I. Rijksbegroting
(exclusief Gemeentefonds)
Op basis van de
volumeveronderstellingen in tabel 1 is voor 1997 uitgegaan van 2700
vrijvallende bijstandsuitkeringen. Voor de zij-instromers valt
immers geen uitkering vrij.
In tabel 2 is de totale
vrijval op de rijksbegroting inzichtelijk gemaakt. Voor 1997 bedraagt deze
aldus ƒ48,3 miljoen. Vanaf 1999 is de vrijval op de SZW-begroting gesplitst in een norm- en in een uit het
Gemeentefonds genomen toeslagdeel.
Daarnaast zijn in tabel 2
de benodigde bedragen opgenomen voor de Wik-uitkeringen. De
normuitkering in de Wik komt overeen met 60% van de te onderscheiden
normen in de Abw (berekeningssystematiek Abw 1995) en bedraagt aldus
ƒ13 000,-. De uitkeringslasten voor de Wik bedragen daarmee in 1997
bij 2800 Wik-ers in totaal ƒ36,5 miljoen.
Tabel 2. Financiële
ruimte rijksbegroting (bedragen in miljoenen guldens):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
|x1997x| |
|x1998x| |
|x1999x| |
|x2000x| |
|x2001x| |
Bijstandsuitkering
(rijksgedeelte):
Toeslagen (uitgenomen uit Gemeentefonds):
Wik-uitkeringen: |
- 48,3xx
36,5xx |
- 99,5xx
74,8xx |
- 90,9xx
- 15,4xx
78,4xx |
- 95,2xx
- 16,2xx
81,6xx |
- 71,5xx
- 12,2xx
60,7xx |
| Saldo:
financiële ruimte (incl. 10%-marge): |
11,8xx |
24,7xx |
27,9xx |
29,8xx |
23,0xx |
De saldobedragen in
tabel 2 komen beschikbaar voor de uitvoeringskosten van de gemeenten, voor de
uitvoeringskosten van de adviserende instelling en voor de verhoging van de vrijlating van de eigen inkomsten
tot 115% [125%, zie artikel
10, tweede lid, Wik, red.]
in plaats van de
eerder voorgenomen 100% van de bijstandsnorm. Gezien de
onzekerheden in de ramingen is de financiële ruimte die onder de
genoemde veronderstellingen ontstaat beperkt tot 90%. Per saldo zijn de
effecten neutraal voor de rijksbegroting.
rblz.|10|
II. Gemeentefonds
Zoals
hierboven
aangegeven is de Wik voor de rijksbegroting budgettair neutraal. Derhalve treedt er via de normeringssystematiek
geen effect op het
Gemeentefonds. Dit is de reden dat er, in afwijking van het m.i.v. 1995
gehanteerde compensatieregime voor het gemeentelijk 10%-aandeel in de
uitkeringslasten en de daarbij behorende uitvoeringskosten, specifieke decompensatie
plaatsvindt voor deze kosten.
Het uit te nemen bedrag
voor uitvoeringskosten komt overeen met de vergoeding zoals die bij
eerdere aangelegenheden is gehanteerd voor compensatie en decompensatie van uitvoeringskosten voor het
Gemeentefonds en bedraagt ƒ1050,-.
Bij de bepaling van het
uit te nemen bedrag aan uitkeringslasten is rekening gehouden met het
gemeentelijk aandeel in de gememoreerde gemiddelde bijstandsuitkering van
ƒ18 000,- en met de toeslagensystematiek
vanaf 1999. Daarbij is de
genoemde 10%-onzekerheidsmarge ingebouwd. In 1997 kan
dan per (ex-)bijstandsgerechtigde Wik-er (en voor schoolverlaters) ƒ1800,-
worden uitgenomen.
Vanaf 1999 kan naast het
gemeentelijk aandeel in het normgedeelte (ƒ1550,-) ook het
toeslagdeel worden uitgenomen (ƒ2650,-).
Uitgaande van de
vooronderstellingen ten aanzien van prijs en volume is de financiële
ruimte in het Gemeentefonds bepaald. In tabel 3 komt deze tot uitdrukking.
Afwachtende de realisatiecijfers over 1997 is met de VNG
overeenstemming
bereikt over de uitname voor 1997 ad ƒ5 miljoen. Op basis van
realisatiecijfers over 1997 zal in 1998 een nieuwe structurele
meerjarenraming worden gemaakt voor de uitname uit het Gemeentefonds. Het
karakter van de meerjarencijfers is dus indicatief.
Tabel 3. Berekening van
het uit te nemen bedrag uit Gemeentefonds: ¹
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
In
guldens per bijstandsgerechtigde:
Uitvoeringskosten gemeenten:
Uitkeringslasten gemeenten:
Toeslagen Abw: |
1050xx
1800xx
x |
1050xx
1800xx
x |
1050xx
1550xx
2650xx
|
1050xx
1550xx
2650xx
|
1050xx
1550xx
2650xx
|
Totaal
in miljoenen guldens:
Uitvoeringskosten en uitkeringslasten gemeenten:
Toeslagen Abw: |
5,0xx
x |
15,8xx
x |
15,2xx
15,4xx |
15,9xx
16,2xx |
11,9xx
12,2xx |
1. Berekend op basis van
de uitstroom Abw, dan wel het achterwege blijven van instroom Abw door schoolverlaters
ouder dan 23 jaar. De trendbreuk in 2001 ontstaat doordat de vierjaarstermijn voor het grote cohort
Wik-ers, dat in 1997 is ingestroomd, is verstreken.
10.2. Besteding financiële ruimte
I. Rijksbegroting
(exclusief Gemeentefonds)
De vrijvallende bedragen
op de rijksbegroting (vanaf 1999 inclusief de uit het Gemeentefonds
overgehevelde toeslagen) worden zoals aangegeven ingezet ten behoeve van
de uitvoeringskosten van de gemeenten en van de adviserende instelling en om de kosten te dekken die samenhangen
met de verhoogde bijverdiengrens.
De uitvoering van de wet
is opgedragen aan een beperkt aantal gemeenten. De overwegingen zijn terug te vinden in
hoofdstuk 7 van de memorie van toelichting.
Dit heeft tot het besluit
geleid de uitvoerende gemeente de uitkeringslasten volledig te vergoeden en
tevens compensatie te bieden voor de kosten van uitvoering.
Het bedrag voor
uitvoeringskosten komt overeen met de vergoeding rblz.|11|
zoals die bij eerdere
aangelegenheden is overeengekomen voor compensatie en decompensatie van
uitvoeringskosten voor het Gemeentefonds en bedraagt ƒ1050,-.
In de wet is verder
voorzien in een beroepsadvies aan de gemeente door een onafhankelijke
instantie. De vergoeding die hiervoor is opgenomen is gerelateerd
aan de gemiddelde advieskosten in het kader van een adviesaanvraag
voor een zelfstandige (BZ-regeling Abw [Bbz, red.]). De hoogte is bepaald op
maximaal ƒ1000,-. Per Wik-er wordt dus vanuit de
rijksbegroting ƒ2050,-
besteed aan uitvoeringskosten voor de gemeente en de
adviserende instelling. In totaal bedraagt dit in 1997 bij 2800 Wik-ers dus
ƒ5,7
miljoen.
Met inachtneming van de
uitkeringslasten en de genoemde uitvoeringskosten is er nog financiële
ruimte. In 1997 gaat het daarbij om ƒ6,1 miljoen. Besloten is deze
resterende ruimte te benutten door de grens van de vrij te laten eigen inkomsten te verhogen tot 115%
[125%, zie artikel 10, tweede lid, Wik, red.] in plaats van de
eerdere voorgenomen 100%
van de bijstandsnorm.
II. Gemeentefonds
De gelden voor
uitvoeringskosten en gemeentelijke uitkeringslasten worden ingezet voor
ondersteunende maatregelen Wik, in casu flankerend beleid. Voor 1997 is op
basis van afspraken met de VNG
een uitname van ƒ5 miljoen
ingezet.
Deze uitname is ƒ2,7 miljoen
lager vastgesteld dan op grond
van de ramingen verwacht zou mogen worden. Mede in overleg met de
fondsbeheerders is namelijk rekening gehouden met een temporele
uitstroom uit de Abw alsmede met een aanloopperiode voor het
initiëren van
flankerend beleid.
De gelden voor de
toeslagen Abw worden ingezet voor de dekking van de Wik-uitkeringen op de
SZW-begroting.
Nogmaals zij vermeld dat
de omvang van de uitname uit het Gemeentefonds vanaf 1998 zal worden
vastgesteld op basis van realisatiecijfers over 1997.
10.3. Momenten van
heroverweging
Gelet op de onzekerheden
die o.a. de volumeramingen met zich meedragen, is het gewenst een
aantal momenten (meetpunten) in te bouwen waarop vastgesteld wordt of en in welke mate de uitgangspunten worden
gerealiseerd. Met name is
dit van belang voor de beoordeling of de geraamde financiële
uitkomsten recht doen aan de feitelijke situatie. De ontwikkelingen die zich
bij het volume voordoen en daarmee de consequenties hiervan voor de
financiële ramingen, zullen worden gevolgd op basis van de gegevens die
de uitvoerende gemeenten in het kader van de statistiek verstrekken.
Uitgaande van het idee dat de gegevensverstrekking voor de statistiek op
gelijke wijze zal plaatsvinden als bij de Abw, in casu op maandelijkse basis en
voor het gehele bestand, kunnen aan het hierbij te formeren bestand
uitspraken worden ontleend over de beoogde aspecten.
De eerste meting zal
medio 1998 plaatsvinden, uitwerking ten behoeve van de
septembercirculaire in het derde kwartaal 1998. Het tweede
meetpunt zal zodanig gekozen moeten worden dat verwerking van de gegevens plaats kunnen
vinden met inachtneming van de op dit moment voorziene overheveling
van de toeslagen Abw naar het Gemeentefonds.
Met de evaluatie van de Wik, drie jaar na inwerkingtreding, kan de eindbalans opgemaakt
worden.
rblz.|12|
11. Evaluatie
In artikel 49
[50] van de
Wik
wordt aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgedragen om drie jaar na de inwerkingtreding van de
wet in overeenstemming
met zijn ambtsgenoot van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
- de eerstverantwoordelijke persoon voor het kunstenbeleid - een evaluatie tot
stand te brengen. Inzicht zal verkregen dienen te worden in de mate waarin
het doel van de Wik is gerealiseerd door o.a. te evalueren voor welke duur
en in welke mate kunstenaars gebruik maken van de Wik. Het te
bereiken doel hangt ook samen met bijvoorbeeld de beroepstoets en het
flankerend beleid. Daarom zal de evaluatie ook de samenhang beschouwen
tussen flankerend beleid, de beroepstoets en de inkomensvoorziening zelf.
Tevens zal de evaluatie
gegevens aanleveren op basis waarvan mede bezien kan worden of er
eventueel een overheveling van de regeling op bestuurlijk niveau naar het
ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
zal plaatsvinden.
Om een eerste, zeer
voorlopig beeld van de werking van de Wik te verkrijgen zal na afloop
van het eerste jaar na feitelijke invoering van de wet een tussentijdse
meting plaatsvinden om na te gaan of er problemen in de uitvoeringspraktijk
zijn.
Aangezien een kunstenaar
maximaal vier jaar aaneengesloten dan wel maximaal tien jaar met
tussenpozen gebruik kan maken van de Wik, zal om de volledige werking van
de Wik na te gaan enige jaren na de eerste evaluatie nog een tweede
evaluatie noodzakelijk zijn.
Artikelsgewijs
Artikel
1
Dit artikel bevat
omschrijvingen van de personen en colleges die met deze wet van doen hebben.
Kunstenaar
Een belangrijke
omschrijving wordt gevormd door die van kunstenaar in onderdeel d. Onder
kunstenaar wordt verstaan hij of zij die hier te lande werkzaam is in beroep of
bedrijf ter uitoefening van de scheppende, uitvoerende of toegepaste
kunst. De concrete invulling van het begrip wordt overgelaten aan de
adviserende instelling als bedoeld in artikel 26 van de onderhavige
wet.
Deze instelling wordt geacht voldoende deskundigheid en ervaring
in huis te hebben om vorm en inhoud te geven aan het kunstenaarsbegrip. Zonder te streven naar volledigheid kunnen
als voorbeelden van de in
de wet aangeduide categorieën van scheppende, uitvoerende of toegepast
werkende kunstenaars genoemd worden:
1º. scheppend
kunstenaar: schilder, tekenaar, graficus, beeldhouwer, keramist, fotograaf,
choreograaf, componist, filmer, literair auteur;
2º. uitvoerend
kunstenaar: toneel- of filmacteur, danser, of musicus;
3º. toegepast werkend
kunstenaar: vormgever, architect, illustrator, grafisch ontwerper of
literair vertaler.
Daardoor vallen de
volgende categorieën buiten het bereik van deze
wet:
1. beroepen die kunst als
object van wetenschappelijk onderzoek hebben of waarvoor een
wetenschappelijke opleiding vereist is, zoals dramaturgen, musicologen,
kunsthistorici en dergelijke;
2. docenten in de
kunstvakken, kunstmanagers, galeriehouders, (film- en theater)producenten,
uitgevers en dergelijke;
rblz.|13|
3. beroepen die als
ondersteunend of toeleverend kunnen worden aangemerkt zonder dat zij
een directe creatieve bijdrage leveren aan het kunstproduct zelf, zoals muziektherapeuten, instrumentmakers en
dergelijke;
4. vanzelfsprekend vallen
ook beroepen buiten deze wet die naar het spraakgebruik wel "kunsten
vertonen", maar niet als kunstenaar kunnen worden aangemerkt, zoals
acrobaten, goochelaars, circusartiesten en dergelijke.
Het zinsdeel
"hier te lande" brengt mee dat kunstenaars werkzaam in den vreemde eveneens
buiten de scope van deze regeling vallen. De zinsnede
"in bedrijf of beroep" geeft aan dat zowel zij die als zelfstandige
als zij die in loondienst
het vak van kunstenaar beoefenen onder het bereik van de regeling
vallen.
De kwalificatie dat
iemand in bedrijf of beroep als kunstenaar "werkzaam" is, moet door de individuele feitelijke omstandigheden
geschraagd worden. Die omstandigheden kunnen gevormd worden door:
a. de outillage: het feit
dat men beschikt over werkruimte en productiegoederen ten behoeve van de
uitoefening van het vak van kunstenaar is een belangrijke
aanwijzing dat een persoon ook feitelijk als zodanig werkzaam is;
b. gerealiseerde kunstproducties: waarneembare kunstproductie is vanzelfsprekend een
wezenlijk element om te beoordelen of iemand ook feitelijk als kunstenaar
werkzaam is;
c. presentaties: het
verzorgen van voorstellingen, het inrichten van tentoonstellingen, e.d.
gericht op het verwerven van inkomsten als kunstenaar is evenzeer
een belangrijke aanwijzing voor het kunstenaarschap;
d. een zekere
bestendigheid: het eenmalig of incidenteel vervaardigen van een kunstproductie is
niet voldoende om de kwalificatie "werkzaam als kunstenaar" te rechtvaardigen; anderzijds lijkt het noemen van een
concrete periode als
minimum om als werkzaam, actief kunstenaar te kunnen worden aangemerkt
vanwege de daaraan verbonden problemen van meetbaarheid,
uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid ook minder gewenst; het kabinet zou
dan ook willen volstaan met de opvatting dat de kunstproductie een zekere
bestendigheid moet vertonen; deze gedachte komt ook terug bij de
voorwaarden om voor uitkering in aanmerking te komen; ingevolge de
artikelen 4 en 47 is wat dit betreft toereikend dat de aanvrager gedurende een
zekere periode als kunstenaar werkzaam is geweest;
e. ten slotte kan ook de
omstandigheid dat een persoon met de verkoop van door hem/haarzelf
gerealiseerde kunstproducties een zeker inkomen heeft verworven een aanwijzing zijn dat hij of zij als kunstenaar werkzaam
is.
De voormelde feitelijke
omstandigheden zullen steeds in hun onderlinge verband moeten worden
beschouwd. Het kan zijn dat in het ene geval de ene
omstandigheid wat prominenter aanwezig is dan in het andere geval (zo zal in
de meeste gevallen een scheppend kunstenaar over een werkruimte en
andere vormen van outillage beschikken, terwijl een podiumkunstenaar
meestal slechts over andere vormen van outillage beschikt). Het kabinet is
echter ook van mening dat het geheel ontbreken van één van de
hierboven onder a tot en met e genoemde elementen al snel tot het oordeel zou
moeten nopen dat het betrokken individu niet feitelijk als kunstenaar werkzaam is.
Beginnend kunstenaar
Onder beginnend
kunstenaar wordt hier verstaan degene die de aanvraag op grond van
deze wet heeft ingediend binnen twaalf maanden rblz.|14|
nadat hij of zij met goed
gevolg een opleiding op het gebied van de kunst, een voortgezette
opleiding op het gebied van de kunst of een voortgezette opleiding bouwkunst als
bedoeld in de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft voltooid, voor zover deze opleiding gericht is op de
uitoefening van het kunstenaarschap, dan wel een daarmee vergelijkbare,
door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan te wijzen, opleiding heeft voltooid. Met deze
formulering wordt
aangesloten bij de systematiek van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast kan de Minister van OCW
opleidingen die buiten de WHW vallen, toch onder het bereik van deze
bepaling brengen. Daarbij wordt met name gedacht aan de werkplaatsen,
zoals de Rijksacademie voor beeldende kunst, de Jan van Eyckacademie,
Ateliers, Europees Keramisch Werkcentrum en dergelijke.
Artikel
2
Voor wat betreft
begrippen als middelen en inkomsten wordt beoogd naadloos aan te sluiten
bij de betekenis die aan deze begrippen wordt toegekend in de sterk met
de onderhavige wet verwante Algemene
bijstandswet. Deze
inhoudelijke aansluiting kan naar het oordeel van het kabinet verwezenlijkt
worden zonder de uitvoerige regelingen die de Algemene bijstandswet
dienaangaande bevat, integraal in deze wet over te nemen. Het beoogde
resultaat kan immers ook bereikt worden door in de definities te volstaan
met verwijzing naar de relevante bepalingen in de Algemene bijstandswet.
Deze methode geniet hier vanwege de na te streven beknoptheid van deze wet de voorkeur.
In onderdeel c worden de
beroepskosten omschreven en wel als: de kosten ter verwerving van
het inkomen als kunstenaar. Hieronder zijn in elk geval begrepen de kosten ten behoeve van:
- het aanschaffen van
grondstoffen, materialen en hulpmiddelen ter vervaardiging van
kunstwerken;
- het vervoeren en
verzekeren van kunstwerken;
- het inrichten en in stand houden van een atelier;
- het auditeren en
presenteren, alsook het volgen van lessen en trainingen om de bekwaamheid op peil te houden.
In onderdeel d ten slotte
is een omschrijving van het begrip kinderbijslag opgenomen. De
omschrijving is gelijk aan die in de Abw.
Artikel
3
Ook ten aanzien van de
begrippen woonplaats, gezin, echtgenoot, gehuwde, ongehuwde,
alleenstaande, alleenstaande ouder, gezamenlijke huishouding en kind is inhoudelijk zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij
de Algemene bijstandswet. Eén en ander kan hier eenvoudig verwezenlijkt worden door de
desbetreffende omschrijvingen over te nemen of - zoals ten aanzien van het
begrip gezamenlijke huishouding geschied is - door verwijzing naar het
begrip in de Abw.
Artikel
4
Dit artikel regelt welke
personen tot de kring van rechthebbenden gerekend worden. Voor een
uiteenzetting hieromtrent zij verwezen naar hoofdstuk 4 van het
algemeen deel van de toelichting. Voor een toelichting op het vereiste dat men
gedurende een zekere periode als kunstenaar werkzaam moet zijn
geweest zij verwezen naar de toelichting op het kunstenaarsbegrip
ingevolge artikel 1, onderdeel d. Ten aanzien van het in het tweede lid, onderdeel
c,
gebezigde begrip inkomen zij nog vermeld dat het hier gaat om het "bruto-inkomen" of zo men wil de
"bruto-omzet" die is behaald, d.w.z. het
inkomen zonder aftrek van de beroepskosten.
rblz.|15|
Artikel
5
Deze bepaling regelt
welke kunstenaars in elk geval van het recht op uitkering zijn uitgesloten. De opsomming is grotendeels ontleend aan de
opsomming in artikel 9, eerste lid, van de Algemene
bijstandswet.
Onderdeel a
De opsomming begint met
de uitsluiting van de kunstenaars die algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet ontvangen.
Zie evenwel ook de
uitzondering op deze regel in de vorm van de overgangsbepaling van
artikel 47.
Onderdeel b
De hier geboden
inkomensvoorziening staat uitsluitend open voor hier te lande woonachtige
kunstenaars. Ook zij die semi-permanent buiten Nederland verblijven vallen buiten deze voorziening. Van gebruikelijke
vakantieduur is naar het
oordeel van het kabinet en de bestendige uitvoeringspraktijk en
jurisprudentie inzake de Abw sprake bij een duur van ten hoogste
vier weken,
al dan niet buiten Nederland. Wel dient men nog steeds als hier te
lande woonachtig te worden aangemerkt indien men in zijn/haar
hoedanigheid van kunstenaar vanwege een (concert)tournee langere tijd
buiten Nederland vertoeft.
Onderdeel c
Vreemdelingen die niet
beschikken over een vergunning tot verblijf als bedoeld in de artikelen 9
of 10 van de Vreemdelingenwet vallen buiten deze
inkomensvoorziening. Dus ook kunstenaars wier verblijf geënt is op
een voorlopige vergunning
tot verblijf als bedoeld in artikel 9a van de Vreemdelingenwet of wier
verblijf op de één of andere wijze gedoogd wordt, kunnen geen
aanspraken aan deze regeling ontlenen.
Onderdeel d
Degenen die rechtens hun
vrijheid ontnomen is vallen buiten deze
voorziening. In hun
bestaanskosten wordt immers voorzien door het ministerie van
Justitie.
Dit geldt ook voor buitengewone vormen van detentie, zoals
weekendverlof, proefverlof, dagdetentie e.d.
Onderdeel e
Ten slotte zijn ook
uitgesloten de kunstenaars die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Deze
groep kan immers aanspraak maken op pensioen ingevolge de Algemene
Ouderdomswet, of - indien die aanspraken onvoldoende zijn - op (aanvullende) bijstand krachtens de
Algemene bijstandswet. In dat
laatste geval geldt vanwege hun gevorderde leeftijd niet meer de aldaar
gebruikelijke arbeidsplicht.
Hier niet meer opgenomen
is de uitsluiting die nog wel in de Algemene bijstandswet voorkomt,
namelijk van degenen die hun militaire of vervangende dienstplicht vervullen. De reden is dat de dienst-
c.q.
opkomstplicht inmiddels
is komen te vervallen.
Artikel
6
Dit artikel geeft een
opsomming van de gronden waarbij door burgemeester en wethouders tot beëindiging van de uitkering moet worden besloten. Deze opsomming
ziet onder meer toe op de situatie waarin de kunstenaar als het ware
zijn of haar hoedanigheid als hulpbehoevend kunstenaar verliest: a)
hij of zij hoeft niet langer een beroep op de regeling te doen, omdat hij of zij
inmiddels zelf voldoende middelen blijkt te kunnen verwerven, of b)
omdat hij of zij als kunstenaar zodanig marginaal rblz.|16|
existeert dat
voortzetting daarvan met behulp van uitkering op grond van de onderhavige regeling
als zinloos moet worden aangemerkt. De hier opgenomen opsomming is
derhalve niet uitputtend in die zin dat burgemeester en
wethouders ook bij wijze van sanctie op grond van artikel 16 de uitkering
geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend kunnen beëindigen wegens het
tonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor
de voorziening in de noodzakelijke kosten van bestaan of het schenden
van uitkeringsverplichtingen.
Daarnaast wordt de
uitkering beëindigd indien de belanghebbende kunstenaar of zijn/haar
echtgenoot daarom vraagt. Voor de redenen om te komen tot deze beëindigingsgrond zij verwezen naar de
toelichting op
artikel 14, tweede en
derde lid.
Burgemeester en
wethouders dienen regelmatig te onderzoeken of de belanghebbende zijn
hoedanigheid van hulpbehoevend kunstenaar heeft behouden dan wel
verloren. Het derde lid opent de mogelijkheid - zoals in artikel
71, eerste lid,
onderdeel b, van de Algemene bijstandswet - om bij ministeriële regeling
regels te stellen omtrent de frequentie waarmee deze (her)onderzoeken
verricht moeten worden. Deze regeling zal - gezien zijn specifieke
verantwoordelijkheid voor het kunstbeleid - na overleg met de Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen tot stand gebracht worden.
Artikel
7
Deze bepaling strekt
ertoe zeker te stellen dat opnieuw uitkering aangevraagd en verleend
kan worden indien een grond voor beëindiging als bedoeld in artikel
6,
eerste lid, zijn betekenis heeft verloren. Uiteraard zal de aanvraag van de
herinstromende kunstenaar (opnieuw) aan alle wettelijke eisen moeten
voldoen, meer in het bijzonder zij daarbij te denken aan die genoemd in
de artikelen 4 en 14. Vanzelfsprekend geldt dit niet opnieuw voor de
beginnend kunstenaar in de zin dat hij of zij binnen twaalf maanden na zijn of
haar afstuderen een Wik-aanvraag moet hebben ingediend. Indien men
eerder aan deze eis voldeed, behoeft men er niet opnieuw aan te voldoen.
Dit zou door het tijdsverloop ook veelal de facto onmogelijk zijn.
Artikel
8.
[Zie
artt. 2, 2a, 4 en
4a Wik, red.]
Het kabinet beoogt met
behulp van deze regeling kunstenaars gedurende een aantal jaren de mogelijkheid te bieden uit te groeien tot
een kunstenaar die zelf
door middel van zijn of haar kunst in het eigen levensonderhoud kan
voorzien. Dit vergt aanzienlijke financiële offers van de gemeenschap. Het
kabinet acht het gerechtvaardigd dat dergelijke financiële offers ook
gevraagd worden van de kunstenaar zelf en zijn/haar gezin. Om deze reden
wordt in dit artikel geregeld dat de (hoogte van de) uitkering wordt afgestemd
op de middelen - i.e. het inkomen en het vermogen in dezelfde
betekenis als in de Algemene bijstandswet
- van zowel de kunstenaar als
zijn/haar gezin. Eén en ander heeft onder meer tot gevolg dat een kunstenaar
geen aanspraak op uitkering kan maken indien zijn echtgenoot of partner een zodanig inkomen verdient dat dit
voldoende is om het
gehele gezin te onderhouden. Voor alle duidelijkheid zij er hier nogmaals op
gewezen dat de financiële solidariteit, die in het kader van deze regeling
van de gezinsleden van de kunstenaar verlangd mag worden, niet zover
gaat dat hen ook verplichtingen tot het verwerven van financiële
middelen mogen worden opgelegd. Dergelijke verplichtingen, zoals we die wel kennen
in de Algemene bijstandswet, zouden het karakter van deze toch
primair op de kunstenaar zelf gerichte inkomensvoorziening te buiten gaan.
rblz.|17|
Artikel
9. [Zie
ook art. 10a Wik,
red.]
Voor wat betreft de
hoogte van de maandelijkse normen zij verwezen naar paragraaf 5.2 van
het algemeen deel van deze toelichting.
De beroepskosten mogen in
mindering gebracht worden op het inkomen. Het vierde lid [zie artikel 10a,
tweede lid, Wik, red.] voorziet erin om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een
regeling tot stand te brengen op grond waarvan een forfaitaire
aftrek van de beroepskosten in het leven wordt geroepen. Een dergelijk
systeem is bezien vanuit een aantal aspecten aantrekkelijker dan een
systeem waarbij op basis van de werkelijke kosten de beroepskosten moeten
worden vastgesteld:
a. het is
uitvoeringstechnisch veel eenvoudiger;
b. het geeft ook de
kunstenaar een zeker houvast omtrent het bij de vervaardiging van zijn
kunst te hanteren budget;
c. het doet aldus meer
recht aan het gewenste evenwicht tussen de verantwoordelijkheden van
de overheid enerzijds en de individuele kunstenaar anderzijds.
Een dergelijk systeem zou ook moeten voorzien in de mogelijkheid dat voor
verschillende kunstrichtingen verschillende forfaitaire aftrekken van beroepskosten worden vastgesteld. Aldus kan op
meer flexibele wijze dan
in de wet zelve mogelijk is rekening gehouden worden met de
verscheidenheid in de omvang van de beroepskosten. Een scheppend kunstenaar,
zoals een beeldhouwer met een atelier, heeft nu eenmaal hogere
beroepskosten dan de gemiddelde podiumkunstenaar. Het kabinet meent dan ook
dat het hier beschreven systeem de voorkeur verdient. De gedachten
gaan daarbij uit naar een systeem waarbij scheppende kunstenaars
een forfaitaire aftrek zullen genieten van ƒ10
000,- op jaarbasis
en de overige kunstenaars van ƒ5000,- op jaarbasis.
In het vijfde lid
[zie artikel 10a, eerste lid, Wik,
red.] is
bepaald dat het in aanmerking te nemen inkomen verminderd met de in
aanmerking te nemen beroepskosten niet op minder dan nihil wordt
gesteld. Hiermee wordt (nogmaals) duidelijk tot uitdrukking gebracht dat
bij de toepassing van de Wik geen sprake kan zijn van een negatief
inkomen, dat in een voorkomend geval van een negatief inkomen één en
ander door de fiscus beoordeeld zal worden met inachtneming van de
normale fiscale regels en dat het ten slotte ook een gegeven is dat in het
kader van de Wik nimmer meer ontvangen kan worden dan het in het tweede lid genoemde normbedrag. Het zesde lid
ten slotte bevat een samenloopregeling voor het geval uit anderen hoofde vergoedingen voor de
beroepskosten in welke vorm dan ook verkregen worden door de
kunstenaar. Een voorbeeld van een dergelijke regeling is de Regeling
Basis-stipendia. De Wik heeft ten opzichte van dergelijke regelingen een
complementair karakter: dergelijke beroepskosten worden niet in aanmerking
genomen en derhalve niet in mindering gebracht bij de vaststelling van het
inkomen overeenkomstig het eerste en derde lid. Een regel omtrent de
samenloop van de uitkering krachtens de Wik met andere componenten dan
beroepskosten in andere regelingen - bijvoorbeeld de algemene uitkerings- of
bestaanscomponenten in andere voorzieningen - is niet nodig, omdat die
algemene componenten al via de (algemene) middelentoets in
mindering worden gebracht.
Artikel
10
De verwerving van
inkomsten zal bij veel kunstenaars een grillig verloop kennen in die zin
dat men soms in een maand één of meer kunstwerken verkoopt en
dan weer maanden niets. Bij deze grilligheid past een
inkomstenverrekening per maand niet goed. Om die reden is ervoor gekozen om in
de
wet ten aanzien van de algemene uitkering voor bestaanskosten eenzelfde
systeem op te nemen als voor zelfstandigen op rblz.|18|
grond van artikel 23 van
de Algemene bijstandswet geldt, namelijk een inkomstenverrekening per
jaar, waarbij de maandelijkse uitkering voorlopig het karakter
van een lening heeft. Indien na ommekomst van het jaar blijkt dat het inkomen van de kunstenaar onder de voor hem of
haar geldende norm is
gebleven, dan wordt de lening voor dat deel omgezet in een bedrag om
niet. Blijkt daarentegen dat het jaarinkomen van de kunstenaar zodanig
hoog was dat hij of zij over voldoende bestaansmiddelen
beschikte, dan blijft de verleende uitkering het karakter van een lening behouden,
die dan ook dient te worden terugbetaald. Indien tijdens het
kalenderjaar de kunstenaar om welke reden dan ook de Wik verlaat, vindt zo
spoedig mogelijk op basis van de tot dan verworven middelen een definitieve
vaststelling plaats.
Artikel
11
Deze bepalingen omtrent
vakantietoeslag en de optopping van de uitkering met de loonbelasting en premies zijn vrijwel identiek aan die in
artikel 26, derde en
vierde lid, van de Algemene bijstandswet. De Wik vormt een voorliggende
voorziening op de Abw [maar niet in de zin
van artikel 17, eerste lid, Abw, zie ook de
toelichting op artikel 50 en 51, red.]. Evenals aan een bijstandsuitkering zal
ook aan het ontvangen van een Wik-uitkering een verplichte
ziekenfondsverzekering worden verbonden. Daartoe zal de Wik in het Aanwijzingsbesluit
verplicht verzekerden Ziekenfondswet als rechtsgrond voor
verplichte ziekenfondsverzekerde worden aangewezen. Wat betreft de
ziekenfondspremie wordt opgemerkt dat deze zodanig zal worden vastgesteld dat
voor de Algemene Kas van de ziekenfondsverzekering geen premiederving
optreedt als gevolg van de omstandigheid dat de uitkering voor de kunstenaars krachtens de Wik is
vastgesteld op 60% van de
voor betrokkene anders geldende bijstandsnorm.
Artikel
12
Voor wat betreft de
inkomensontwikkeling en de indexering wordt naadloos aangesloten bij
die in de Algemene bijstandswet.
Artikel
13
Dit artikel regelt wat in
de wandeling wel wordt aangeduid als de "knipkaartconstructie".
De regeling beoogt gedurende een relatief beperkte periode kunstenaars in staat te stellen om een volledig
zelfstandig bestaan als
kunstenaar op te bouwen. Deze periode wordt gesteld op vier jaar. Het
is gedurende deze opbouwperiode denkbaar dat men creatief en/of
commercieel zowel ups als downs kent. In tijden van grote creatieve en
commerciële activiteit zou men als kunstenaar een zodanig hoog inkomen
kunnen verwerven dat een beroep op de onderhavige inkomensvoorziening niet
nodig is. Anderzijds is het niet ondenkbaar dat de activiteiten, althans de revenuen ervan, zodanig laag
zijn dat men vanwege het marginale karakter van de kunstbeoefening op grond van het bepaalde in
artikel 6, eerste lid, onderdeel b, niet langer aanspraak kan maken op
uitkering krachtens deze wet en dat men door middel van meer
gebruikelijke arbeid in loondienst of als uitkeringsgerechtigde krachtens de
Algemene
bijstandswet met de bijbehorende verplichting beschikbaar
te zijn voor passende arbeid in loondienst in zijn bestaan moet voorzien.
Het kabinet is van mening dat deze grilligheden - die tot op zekere hoogte
inherent zijn aan het ontluikend kunstenaarschap - niet in mindering
moeten worden gebracht op wat naar ons oordeel een redelijke maximumduur van
deze bijzondere inkomensvoorziening zou moeten zijn. Om die reden
wordt hier bepaald dat men - al dan niet aaneengesloten - gedurende maximaal
vier jaar een beroep op de onderhavige voorziening kan doen, met
dien verstande dat het recht op rblz.|19|
uitkering in ieder geval
eindigt tien jaar nadat voor het eerst een uitkering krachtens deze wet werd
toegekend. Voor een periode van tien jaar als uiterste begrenzing
waarbinnen men zijn aanspraken op grond van deze inkomensvoorziening moet
hebben genoten, zijn twee gronden aan te voeren:
a. na een periode van
uiterlijk tien jaar mag van een kunstenaar verwacht en verlangd worden dat hij of zij in ieder geval zodanig
geslaagd is dat hij of
zij de financiële ondersteuning van de onderhavige voorziening niet meer
nodig heeft;
b. de periode mag ook om
uitvoeringstechnische redenen niet te lang worden; gedurende deze
periode moeten namelijk de uitvoerders van deze wet, de gemeenten en
het Voorzieningsfonds voor Kunstenaars [zie Stichting Kunstenaars &
Co, red.], alle gegevens omtrent de
kunstenaars die ooit voor deze voorziening in aanmerking zijn gebracht,
bewaren. Mede met behulp van deze gegevens moet immers worden
vastgesteld of een aanvrager eerder uitkering krachtens deze wet heeft
genoten en zo ja voor hoelang. Perioden waarover de uitkering
geheel geweigerd is met toepassing van artikel 16 tellen uiteraard wel mee
voor de periode van maximaal vier jaar waarover recht op uitkering kan
bestaan.
Artikel
14
Het eerste lid strekt
ertoe te voorkomen dat ten aanzien van aanvragen als het ware met
terugwerkende kracht moet worden beoordeeld of zij voor inwilliging in aanmerking zouden kunnen komen. Men denke
bijvoorbeeld aan de
situatie waarin een aanvragend kunstenaar stelt dat hij of zij op een bepaald
tijdstip in het verleden niet over voldoende middelen kon beschikken
om te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan en/of de
beroepskosten. Men zou een dergelijke aanvraag kunnen afwijzen louter en alleen
op grond van de alleszins redelijke redenering dat juist uit het
ontbreken van een aanvraag op dat eerdere tijdstip mag worden afgeleid dat er
toen geen sprake is geweest van het ontbreken van voldoende bestaansmiddelen. Hoe men ook tegen deze redenering
aankijkt, de beoordeling
van een dergelijke aanvraag en de daarmee gepaard gaande moeizame
reconstructie van feiten uit het (verre) verleden ware in ieder
geval uit een oogpunt van uitvoerbaarheid van de regeling te vermijden. Om
dit zeker te stellen wordt hier de regel opgenomen dat het recht
op uitkering niet eerder ingaat dan de dag waarop de uitkering is
aangevraagd.
Zoals eerder uiteengezet
is, staat het de belanghebbende kunstenaar die niet zelf in de
noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien in beginsel vrij om te kiezen voor
hetzij de Algemene bijstandswet met de bijbehorende
(arbeids)verplichtingen,
hetzij voor de Wik zonder die verplichtingen. Die vrijheid moet echter
naar het oordeel van het kabinet beperkt worden als het gaat om
een gehuwde of in een samenlevingsverband levende kunstenaar, in
die zin dat als het gaat om een keuze voor de Wik die partner daarmee moet
kunnen instemmen (men vergelijke ook artikel 67, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet). De keuze voor de Wik kan namelijk voor het gezin
als geheel tamelijk ingrijpende gevolgen hebben, met name ook inkomensgevolgen: de kunstenaar noch zijn partner
kunnen nog aanspraak
maken op (aanvullende) algemene bijstand, terwijl ook feitelijk gezien het
inkomen onder vigeur van de Wik nogal eens lager zou kunnen uitvallen dan
onder de werking van de Algemene bijstandswet. Die
gevolgen zijn naar het oordeel van het kabinet zodanig dat de keuze voor de Wik
door beide partners gedragen moet worden. Eén en ander zal moeten
blijken uit het feit dat de Wik door beide partners moet worden aangevraagd.
Zonder een dergelijke, uit de aanvraag blijkende instemming, zal
de aanvraag afgewezen moeten worden. Dit zal overigens niet of
nauwelijks gebeuren indien de kunstenaar abusievelijk zou volstaan met een
aanvraag uitsluitend namens zichzelf en niet tevens rblz.|20|
mede namens zijn partner.
Overeenkomstig artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht zal de
aanvrager eerst in de gelegenheid gesteld moeten worden zijn
aanvraag aan te vullen.
Het vierde lid ten slotte
geeft een regel voor het geval beide echtgenoten kunstenaar zijn - bijvoorbeeld
zij pianiste en hij kunstschilder - en beide afzonderlijk voldoen aan de
vereisten
van de Wik. Bij de vaststelling van de (hoogte van de) uitkering
en de vrijlating van neveninkomsten geldt op de reguliere wijze de
echtparennorm, doch voor de vaststelling van het inkomen c.q. de daarop in
mindering te brengen beroepskosten alsook voor de vraag of men
voldoende inkomsten als kunstenaar verwerft, worden beiden als
individu beschouwd. Dit voorkomt een merkwaardige vermenging en toedeling
van de voor beide zeer uiteenlopende beroepskosten en inkomstenverwerving.
Artikel
15
Dit artikel bevat de min
of meer gebruikelijke opsomming van verplichtingen die aan een uitkering ter
voorziening in de noodzakelijke bestaanskosten verbonden zijn. Verwezen
zij - in de volgorde van de hier opgenomen verplichtingen - naar de corresponderende artikelen in de
Algemene bijstandswet:
106 (algemene verplichtingenbepaling), 112, tweede lid, (verplichting
administratie te voeren voor zelfstandigen), 111, eerste lid,
112, eerste
lid, en 113, eerste lid, (naar vermogen inspannen om zelfstandig in het
bestaan te voorzien) en ten slotte artikel 65, eerste lid, (verplichting tot
informatieverstrekking). Uiteraard ontbreekt de - in artikel
113, eerste lid,
onderdeel a, van de
Algemene bijstandswet geregelde - verplichting om naar
vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Voor een
nadere uiteenzetting hieromtrent zij onder meer verwezen naar hoofdstuk
1
van het algemeen deel van deze toelichting. De verplichting om zich naar
vermogen in te spannen om met kunst zelfstandig in het
bestaan te voorzien staat er niet aan in de weg om via een gemengde
beroepsuitoefening economische zelfstandigheid te verwezenlijken. Zo
beschouwd poogt de formulering slechts aan te geven dat de verplichting om
zelfstandig in het bestaan te voorzien niet zo breed is als in andere socialezekerheidsregelingen, waarin die verplichting zich in beginsel uitstrekt tot
aanvaarding van alle arbeid die als passend moet worden beschouwd.
Voorts is in het tweede
lid, onderdeel d, een specifiek op de kunstenaars gerichte inschrijvingsplicht geregeld. Het is namelijk van belang dat
(beginnend) kunstenaars als zodanig staan ingeschreven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Een accuraat bestand van kunstenaars is tevens van groot belang
voor een correcte uitvoering van de Wet
arbeid vreemdelingen (bijvoorbeeld bij
de vraag of er prioriteit genietend binnenlands aanbod van toon- en
podiumkunstenaars is op grond waarvan tewerkstellingsvergunning voor buitenlands aanbod
geweigerd moet worden), alsmede voor de
ontwikkeling van een flankerend beleid voor kunstenaars. De bemiddeling van
kunstenaars binnen de kunstensector is vanaf 1 januari 1996 bij één regionaal bestuur
(RBA) geconcentreerd. De
verplichting tot
inschrijving zal gerealiseerd worden middels een landelijk dekkend netwerk van
arbeidsbureaus [zie Centrum voor werk en inkomen
(CWI), red.] waardoor tevens de reguliere bemiddeling zal
plaatsvinden.
Aangezien de middelen van
de echtgenoot van de kunstenaar mede van belang zijn voor het
recht op Wik-uitkering is in het derde lid geregeld dat de inlichtingenplicht
als
omschreven in het tweede lid, onderdeel c, zich mede tot die echtgenoot uitstrekt.
Artikelen 16
tot en met 18
Ten aanzien van het
stelsel van administratieve sancties op het niet naleven van de aan de
uitkering verbonden verplichtingen is volledige rblz.|21|
aansluiting gezocht bij
het stelsel, zoals dat na de inwerkingtreding van de Wet van 25 april 1996,
Stb. 1996, 248, tot wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de nadere
vaststelling van een stelsel van administratieve sancties,
alsook tot wijziging van de daarin vervatte regels tot terugvordering van
ten onrechte betaalde uitkeringen en de invordering daarvan (Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid), voor de
gehele sociale zekerheid zal gaan gelden. De aansluiting is
verwezenlijkt door waar dat mogelijk was te verwijzen naar de relevante artikelen
uit de Abw.
Artikel
19
Het eerste lid van dit
artikel regelt jegens welke gemeente de kunstenaar zijn aanspraak
op uitkering geldend kan maken, namelijk van zijn woonplaats of bij gebreke
van een (vaste) woonplaats zijn verblijfplaats, één en ander
overeenkomstig de regeling in onder meer artikel 63 van de
Algemene bijstandswet.
Toegevoegd is in het vijfde lid een meer algemeen geformuleerde
mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dat de
uitvoering geconcentreerd wordt bij een beperkt aantal bij die maatregel
aan te wijzen gemeenten. Een concentratie bijvoorbeeld bij
gemeenten met een grote "kunstenaarsdichtheid" zal naar het oordeel van de
regering in de toekomst uit een oogpunt van efficiency en
kostenbesparing aantrekkelijk blijken te zijn, omdat dan niet alle ruim 600 gemeenten
de middelen, mankracht en know-how omtrent deze voorziening op peil
zouden hoeven te houden. Zoals bekend heeft de regering het vaste
voornemen tot de hier bedoelde concentratie over te gaan. De facultatief
geformuleerde delegatiebepaling biedt de Kroon in ieder geval de mogelijkheid dat voornemen te realiseren.
In het tweede lid is
bepaald dat burgemeester en wethouders het recht op uitkering op aanvraag
vaststellen. Derhalve is niet voorzien in de mogelijkheid dat burgemeester en wethouders ambtshalve vaststellen of
iemand een uitkering krachtens de Wik toegekend zou kunnen krijgen. Dit zou ook niet passen bij
de keuzevrijheid die een kunstenaar heeft om bij onvoldoende
bestaansmiddelen een beroep te doen op hetzij de Wik, hetzij de Abw. Het derde
lid regelt de verplichting van burgemeester en wethouders om de
adviserende instelling als bedoeld in artikel 26 - bij de inwerkintreding van de
wet de Stichting Voorzieningsfonds voor Kunstenaars te ’s-Gravenhage -
om
advies te vragen ten aanzien van de vraag of voldaan wordt aan de
beroepsvereisten ingevolge de Wik, alsook of er een reden tot beëindiging van de uitkering bestaat als omschreven in
artikel 6, eerste lid,
onderdeel b (als kunstenaar onvoldoende inkomen verwerven). Dit lid vormt
daarmee als het ware het complement van de taakomschrijving van de
adviserende instelling in artikel 26. In het vierde lid is geregeld dat
burgemeester en wethouders het VvK pas om advies omtrent de beroepseisen
zullen vragen nadat is vastgesteld dat de aanvraag aan de overige
eisen voldoet. Dit voorkomt dat onnodig adviezen worden aangevraagd en uitgebracht ten aanzien van aanvragen
waarvan op andere gronden al vaststaat dat zij moeten worden afgewezen.
Artikel
20
Deze bepaling is de
evenknie van de schorsingsbepaling in artikel 69 van de
Algemene bijstandswet, zoals dat artikel na de inwerkingtreding van de meergenoemde
administratieveboetenwet gaat luiden.
rblz.|22|
Artikel
21
Deze bepaling regelt het
betalingstijdstip van de uitkering en de maandelijkse reservering
van de vakantietoeslag. Eén en ander is overgenomen uit artikel 73 van de
Algemene bijstandswet.
Artikel
22
Deze bepaling is ten dele
ontleend aan artikel 77 van de
Algemene bijstandswet. Nieuw is
dat de uitkering niet vatbaar is voor beslag. De maximale hoogte van de voor de noodzakelijke bestaanskosten bestemde
uitkering - 60% van de corresponderende bijstandsnorm
- brengt namelijk
mee dat de belanghebbende nimmer kan beschikken over een uitkering die boven de in acht te
nemen beslagvrije voet van artikel 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering uitkomt.
Artikelen 23 en
24
De regeling omtrent de
terugvordering van ten onrechte genoten uitkering en de invordering daarvan is geheel overeenkomstig het voor de
gehele sociale zekerheid geldende regime, zoals dat na de inwerkingtreding
van de Wet van 25 april
1996, Stb. 1996, 248, tot wijziging van de socialezekerheidswetten in
verband met de nadere vaststelling van een stelsel van administratieve
sancties, alsook tot wijziging van de daarin vervatte regels tot terugvordering
van ten onrechte betaalde uitkeringen en de invordering daarvan (Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid), zal
komen te luiden. Ook hier is de aansluiting bereikt door zoveel mogelijk te
verwijzen naar de relevante artikelen uit de Algemene
bijstandswet.
Artikel
25
Dit artikel brengt tot
uitdrukking dat in algemene zin burgemeester en wethouders de verantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van
deze
wet en dat de verantwoordelijkheden van de adviserende instelling zich beperken tot de in
artikel 26 omschreven adviestaak.
Artikel
26
Het eerste lid voorziet
in de erkenning door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van niet meer dan één privaatrechtelijke instelling als de adviserende instelling in het kader van de
Wik. Daarmee
wordt tevens vastgelegd
dat een erkenning in ieder geval wordt geweigerd indien er al
een instelling als de adviserende instelling is erkend. Eén en ander
benadrukt ook de in het adviesstelsel na te streven overzichtelijkheid en
soberheid.
De taak van de
adviserende instelling heeft ingevolge het tweede lid betrekking op de vraag
wie als (beginnend) kunstenaar moet worden aangemerkt doordat hij of
zij aan een kunstacademie hier te lande met goed gevolg een opleiding
tot kunstenaar heeft voltooid, en de overige uitkeringsvoorwaarden,
echter slechts voor zover die betrekking hebben op of verband houden met
het kunstenaarschap van de belanghebbende. Die voorwaarden behelzen
in concreto de vraag of iemand gedurende een zekere periode als
kunstenaar werkzaam is geweest en of hij of zij met die werkzaamheden een zeker
inkomen heeft verworven. De instelling heeft derhalve geen adviserende
taak ten aanzien van de vraag of een kunstenaar wel of niet
over voldoende middelen beschikt om te voorzien in de noodzakelijke
kosten van bestaan en in de beroepskosten. Het kabinet is van oordeel
dat burgemeester en wethouders, gelet op hun decennialange ervaring
met de uitvoering van de Algemene bijstandswet,
rblz.|23|
wat deze aspecten betreft
over een zodanig surplus aan specifieke deskundigheid beschikken
dat aan advisering dienaangaande door derden geen behoefte bestaat.
Het derde lid regelt aan
welke voorwaarden ten minste moet worden voldaan om voor erkenning
in aanmerking te komen. Als minimumvereiste geldt dat de betrokken rechtspersoon statutair in ieder geval
(mede) tot doel heeft om
adviestaken als omschreven in het tweede lid te vervullen, alsook dat hij
volledig rechtsbevoegd is. In het vierde lid wordt voorzien in de
mogelijkheid om aan de erkenning voorschriften te verbinden. Bij deze
voorschriften kan gedacht worden aan de verplichting tot overlegging van een
jaarverslag of de vaststelling of goedkeuring van de begroting.
Overigens valt de erkende
instelling binnen de omschrijving als bedoeld in artikel 59, eerste
lid, onderdeel d, van de Comptabiliteitswet ten aanzien waarvan de Algemene Rekenkamer een controletaak/-bevoegdheid heeft.
Artikel
27
In dit artikel zijn
opgesomd de gronden waarop tot intrekking van de erkenning als de
adviserende instelling besloten moet of kan worden. In het eerste lid is
geregeld in welke gevallen de minister verplicht is om tot intrekking over te gaan,
terwijl in het tweede lid is geregeld in welke gevallen hij een
bevoegdheid tot intrekking heeft; in de laatstgenoemde gevallen is er derhalve
ruimte voor belangenafweging door de minister. De hier opgenomen
intrekkingsgronden worden door de hele wetgeving heen gebruikt bij
erkenningsfiguren als de onderhavige.
Artikel
28
Bij de intrekking van een
erkenning zou gedurende een zekere tijd een ongewisse situatie kunnen
ontstaan. Dit artikel regelt onder meer de verplichting van de minister
om in een dergelijke situatie de nodige maatregelen te treffen.
Artikel
29
Dit artikel regelt dat de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de hem in de artikelen 26
tot en met 28 verleende taken en bevoegdheden dient uit te oefenen in overeenstemming met de
Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen. Hiermee wordt de gedeelde verantwoordelijkheid
van beide bewindspersonen
voor de aangeduide onderwerpen tot uitdrukking gebracht.
Artikel
30
Deze bepaling omtrent de
eisen die aan de door burgemeester en wethouders in te richten
uitkeringsadministratie worden gesteld, vormt een getrouwe kopie van
artikel 117 van de
Algemene bijstandswet. Evenals daar worden ook
hier de bij ministeriële regeling te stellen nadere regels tot stand gebracht
na overleg met de Minister van Binnenlandse Zaken.
Artikel
31
Deze bepaling is in
beginsel gelijk aan die van artikel 30, met dien verstande dat zij gemodelleerd is vanwege het feit dat de adviserende
instelling slechts een adviserende taak heeft. Zo nodig zullen bij
ministeriële regeling (nadere)
regels worden gesteld, en wel na overleg met de voor het kunstenbeleid eerstverantwoordelijke, de
Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
rblz.|24|
Artikel
32
Voor wat betreft de
(wederzijdse) gegevensuitwisseling met andere instanties en personen,
de geheimhoudingsbepalingen en het gebruik in de administratie van sociaal-fiscale nummers, zijn de corresponderende
artikelen 121 tot en met 128 van
de
Algemene bijstandswet van overeenkomstige toepassing verklaard.
Artikel
33
De toezichtstaak van de
minister heeft inhoudelijk enerzijds betrekking op de vaststelling van de
rechtmatigheid van de uitvoering van deze inkomensvoorziening en de
daaruit voortvloeiende door de gemeenten en de adviserende instelling
bij het Rijk gedeclareerde kosten. Anderzijds op de doelmatigheid van het
functioneren van de uitvoering, waarbij de aandacht gericht is op de
mate waarin de door de wetgever beoogde doelstellingen door en in
de uitvoering zijn bereikt (effectiviteit of doeltreffendheid als
onderdeel van de doelmatigheid). Het toezicht op de rechtmatigheid betreft de
vraag of de betalingen overeenkomstig het bevoegd genomen besluit
zijn verricht en of de betalingen tot de juiste hoogte plaatsvinden, of de administratie aan de in de wet gestelde eisen
voldoet, maar óók de vraag of toekenningsbeslissingen in overeenstemming zijn met de geldende
voorschriften, waaronder de wettelijke bepalingen (wetstechnisch
juiste uitvoering). Waar het Rijk financiële verantwoordelijkheid
draagt, geldt het rechtmatigheidsregime van de Comptabiliteitswet. In
artikel 22, eerste lid, onderdeel a, en artikel 51, tweede en derde lid, van
die wet is bepaald dat de departementale uitgaven en ontvangsten dienen te voldoen aan de daaraan te stellen
eisen van rechtmatigheid
en in overeenstemming dienen te zijn met begrotingswetten en
overige wettelijke regelingen.
Het primaat van de
gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering en de daaraan
verbonden complementaire toezichtsverantwoordelijkheid van de gemeente komt in
de eerstelijnsuitvoeringscontrole tot uitdrukking.
Burgemeester en wethouders zijn verantwoordelijk voor de aanwezigheid en
werking van interne controlemechanismen binnen de gemeente,
waaronder begrepen de processen gericht op een wetsconforme uitvoering
en kwaliteitshandhaving daarvan.
Belangrijk doel van de
eerstelijnsuitvoeringscontrole is een gefundeerd oordeel te vormen over de
rechtmatigheid van de Wik-uitgaven. Met inachtneming van de op grond van artikel 213 van de
Gemeentewet door
de raad [gemeenteraad, red.] gestelde regels
controleert de bij de gemeente fungerende accountant de
administratie en het beheer op recht- en doelmatigheid. Dit betekent dat beoogd wordt
in de controle van de bij de gemeente fungerende accountant op
grond van de Gemeentewet tevens te incorporeren de controle
op de wetstechnische juistheid van de Wik-beslissingen die aan
de bij het Rijk gedeclareerde en verantwoorde Wik-uitgaven ten
grondslag liggen. De resultaten van het momenteel in gang zijnde experiment
"single audit Abw" welke eind 1996 beschikbaar zijn, worden tevens
betrokken bij de definitieve vormgeving van de accountantscontrole
inclusief het aspect "wetstechnische juistheid van de
Wik-beslissingen". Het
rijkstoezicht zal zich waar mogelijk baseren op verantwoordingsinformatie
en controle door de uitvoeringsinstantie en de betreffende
accountantscontrole daarop. Als de informatie voor het rijkstoezicht ontoereikend is en na attendering hierop bij de gemeente
ontoereikend blijft, zal
in laatste instantie onderzoek vanwege het rijkstoezicht bij de
desbetreffende gemeente mogelijk moeten zijn. Het tweede lid voorziet
daarin. De minister hanteert de resultaten van de eerste- en
tweedelijnsuitvoeringscontroles als basis voor de vaststelling rblz.|25|
van de rijksvergoeding
en, voor zover aan de orde zijnde, voor het eventueel treffen van een
corrigerende maatregel jegens een gemeente.
In de wet is gekozen voor
de totstandkoming van een erkende en onafhankelijke adviserende
instelling die de gemeente omtrent de
beroepsmatigheid van de kunstenaar adviseert en waarbij een aantal feitelijke individuele
omstandigheden in onderling verband moet worden beschouwd. De minister
draagt geen inhoudelijke verantwoordelijkheid voor de gemaakte
afwegingen bij deze onafhankelijke beroepsmatigheidstoets en heeft derhalve geen
toezichtstaak op de inhoudelijke aspecten van de advisering. Het is
de verantwoordelijkheid van de gemeenten om een inhoudelijk oordeel
over de adviezen te betrekken bij de beslissing tot toekenning of beëindiging van de uitkering.
De toezichtstaak van de
minister op de adviserende instelling is derhalve gericht op zijn
verantwoordelijkheid voor rechtmatigheid voor de ten laste van de SZW-begroting komende vergoeding van de uitvoeringskosten
van de adviserende instelling. De minister beoordeelt daartoe de verklaring, opgesteld
door de accountant, bij de kostenopgave van de adviserende instelling
bedoeld in artikel 39, tweede lid. Naast de getrouwheid van de financiële verantwoording van de instelling zal de verklaring uitsluitsel
geven over de uitvoering van de in artikel 26, tweede lid, omschreven taken in
de zin dat deze taakonderdelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daarbij wordt
tevens gecontroleerd of aan de voorwaarden voor erkenning als adviserende instelling is voldaan. Met betrekking tot de
door de adviserende instelling te verstrekken verantwoordingsgegevens en de hier bedoelde
verklaring worden nadere regels gesteld.
Artikel
34
Deze bepaling kent een
pendant in de
Algemene bijstandswet, namelijk artikel
131. De aanwijzingsbevoegdheid van de minister
heeft betrekking op
burgemeester en wethouders en is beperkt tot de situatie waarin een goede uitvoering van
de
wet in het gedrang zou komen. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid zal
de minister evenmin in de besluitvorming in individuele gevallen
mogen treden. Dit houdt in dat een aanwijzing niet de opdracht tot herziening
van een beschikking van burgemeester en wethouders in individuele
gevallen zal mogen behelzen. De bepaling laat de mogelijkheid open dat
de aanwijzing betrekking heeft op een praktijk, die slechts uit één enkel besluit kan worden afgeleid.
Ten slotte zij nog opgemerkt dat de minister
bij een voornemen tot het geven van een aanwijzing burgemeester
en wethouders gedurende acht weken in de gelegenheid zal moeten
stellen hun zienswijze omtrent dat voornemen naar voren te brengen.
Uiteraard is een gemeente gehouden om overeenkomstig een
aanwijzing te handelen.
Artikel
35
De zorg voor de
aanwezigheid van voldoende en adequate informatie op bovengemeentelijk
niveau is een verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Bij de invulling van deze taak kan hij gebruik maken van
de
gegevens die gemeenten in het kader van de
financiële
verantwoording aan het ministerie verstrekken. De minister heeft evenwel in
aanvulling op deze gegevens ook behoefte aan andere informatie die van dienst
kan zijn specifiek voor de ontwikkeling en evaluatie van beleid.
Artikel 35, eerste lid, verschaft hem de bevoegdheid tot het opvragen van de
hiertoe noodzakelijke inlichtingen bij de gemeenten en de adviserende instelling. De verzameling van gegevens
voor toezicht en financiële verantwoording wordt geregeld in de artikelen 36 en
39, derde lid. De
informatievoorziening die gestoeld is op gegevensverstrekking door de gemeenten
zal
voor een belangrijk deel gaan plaatsvinden in de vorm
van een regelmatige, via een vaste structuur rblz.|26|
verlopende
gegevensverstrekking. Bij de bepaling van de door gemeenten te verstrekken gegevens
wordt uitgegaan van de gegevens die de gemeenten in het kader
van de uitvoering van de wet dienen vast te leggen. Ook andere
gebruikers van de te verstrekken gegevens, bijvoorbeeld wetenschappelijke instanties, kunnen van de aldus te vormen structuur
gebruik maken. Tot de in
het eerste lid bedoelde inlichtingen behoren zowel kwantitatieve als
kwalitatieve gegevens. Voorts betreft het zowel systematische, periodieke
gegevensverstrekkingen als eenmalige ad-hocverstrekkingen. Eén
en ander geldt mutatis mutandis ook voor de adviserende instelling.
Het tweede lid verschaft
de minister de bevoegdheid om na overleg met zijn collega
van OCW
omtrent de gegevensverstrekking nadere regels te stellen. Hierin zal worden vastgelegd welke gegevens worden verstrekt en
op welke wijze en onder welke condities dit gebeurt. Gezien de nauwe administratieve
verwevenheid van de Wik met de Abw zal hierbij de regelgeving zoals deze
bij de Abw-statistiek is ontwikkeld als uitgangspunt fungeren. Ook hier worden
kwantitatieve en kwalitatieve gegevens, systematische, periodieke
en eenmalige verstrekkingen tot die gegevens gerekend. De regels met
betrekking tot de gegevensverstrekking ten behoeve van de statistiek
vallen eveneens onder de werkingssfeer van het onderhavige artikel.
Artikelen 36
tot en met 38
Voor wat betreft de
financiering van de uitkeringskosten is zowel qua systeem als qua procedure
aansluiting gezocht bij de corresponderende artikelen
134 tot en met 136 van de
Algemene bijstandswet, met dien verstande
dat de kosten hier voor
de volle 100% worden vergoed. Tevens is ten aanzien van de
uitvoeringskosten een iets van de Algemene bijstandswet afwijkende regeling
getroffen. In die wet worden de reguliere uitvoeringskosten niet vergoed, hier in
beginsel wel. Voorts wordt in het derde lid van artikel 36 aan de
minister opdracht gegeven regels te stellen inzake de vergoeding van de
gemaakte uitvoeringskosten, de wijze en het tijdstip van declareren en de
accountantsverklaring. Die regels kunnen derhalve zowel betrekking hebben
op de omvang van de financiering - wat wordt gefinancierd en in welke
mate - als op de procedurele kant.
Artikelen 39
tot en met 41
Het Rijk vergoedt ook de
door de adviserende instelling gemaakte uitvoeringskosten. Ook
hier is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de desbetreffende regelingen
in de Algemene bijstandswet. Op één punt is zulks evenwel niet goed
mogelijk, namelijk bij de inschakeling van de gemeenteaccountant bij de controle op de
jaarlijkse kostenopgave op grond van artikel 134, vierde lid,
van de
Algemene bijstandswet juncto artikel 213 van de Gemeentewet.
Inschakeling van een gemeenteaccountant bij een privaatrechtelijke
rechtspersoon als de adviserende instelling ligt niet voor de hand, reden waarom in
deze is gekozen voor een onderzoek door een registeraccountant of een
Accountant-Administratieconsulent in de zin van de Wet
op de Accountants-Administratieconsulenten. Eén en ander is overeenkomstig de regeling van artikel 393, eerste lid, van
Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek betreffende de controle op de jaarrekening van rechtspersonen.
Artikelen 42
tot en met 46
De
rechtsbeschermingsbepalingen in de artikelen 42 en
46 vormen een kopie van de
artikelen 140a en 142a van de
Algemene bijstandswet na de inwerkingtreding van de meergenoemde
Wet boeten,
maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid. De rblz.|27|
strafbepalingen vervat in de artikelen 43 tot
en met 45 vinden hun voorbeeld in
de artikelen 141 tot en met 143 van de
Algemene bijstandswet. Na de aanvaarding door de Eerste Kamer van het wetsvoorstel 23
993 (concentratie strafbaarstelling frauduleuze
gedragingen) worden deze
strafbepalingen overbodig en kunnen zij geschrapt worden.
Artikel
47
Zoals eerder uiteengezet
in het algemene deel van deze toelichting bevat deze overgangsbepaling de toelating van kunstenaars die tot aan de
realisering van de Wik
een Abw-uitkering genoten.
Artikel 48. [Zie
art. 49 Wik, red.]
In dit artikel wordt aan
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgedragen om
drie jaar na
de inwerkingtreding van de wet in overeenstemming met zijn
ambtgenoot van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
- de eerstverantwoordelijke bewindspersoon voor het
kunstenbeleid - een
evaluatie tot stand te brengen. De aard van de hier getroffen voorziening,
een inkomensvoorziening voor een relatief kleine beroepsgroep die voor wat
betreft een essentieel te achten voorschrift als de verplichting om
passende arbeid in loondienst te aanvaarden afwijkt van wat in deze zoal
gebruikelijk is, rechtvaardigt naar het oordeel van het kabinet een evaluatie op
de relatief korte termijn van drie jaar.
Artikel 49. [Zie
art. 50 Wik, red.]
Zoals in
hoofdstuk 7 van het
algemeen deel van deze toelichting reeds uiteengezet is, is de Stichting Voorzieningsfonds voor Kunstenaars te Den
Haag bereid gevonden als
de adviserende instelling te fungeren. De onderhavige bepaling
strekt ertoe te bewerkstelligen dat de Stichting onmiddellijk bij de
inwerkingtreding van de wet met haar werkzaamheden kan beginnen, zonder dat
de (lange) erkenningsprocedure nog gevolgd behoeft te worden.
Vanzelfsprekend voldoet de Stichting wel aan de erkenningseisen bedoeld
in artikel 26, derde lid, van de wet en kunnen aan de erkenning
voorschriften worden verbonden overeenkomstig het vierde lid van genoemd
artikel.
Artikelen 50 en
51. [Zie
artt. 51 en 52 Wik,
red.]
De invoeging van de
eerstbedoelde bepaling in de Algemene bijstandswet regelt dat er geen samenloop kan plaatsvinden van de twee
hier in het geding zijnde "concurrerende" uitkeringen ter zake van de algemene noodzakelijke
bestaanskosten, namelijk algemene bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet
en uitkering krachtens de Wik. Samenloop van Wik-uitkering en
bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet blijft derhalve wel tot
de mogelijkheden behoren, zij het dat er geen bijzondere bijstand kan
worden verleend voor beroepskosten in de zin van de Wik. De tweede
invoeging dient het volgende doel. Het is uiteraard denkbaar dat een persoon
zijn ambities om als kunstenaar zijn brood te verdienen opgeeft. In zo’n
geval moet het mogelijk zijn dat die persoon bij gebreke van voldoende
bestaansmiddelen een beroep doet op de Abw. Bij lezing van het huidige artikel 17
Abw zou evenwel de gedachte kunnen
ontstaan dat een
dergelijk persoon - die weliswaar stelt inmiddels geen kunstenaar meer te zijn,
maar die dat wellicht niet één, twee, drie aannemelijk kan maken - geen aanspraak op Abw kan maken, omdat de Wik als een voorliggende
voorziening wordt aangemerkt die, gezien haar aard en doel, voor de
belanghebbende toereikend en passend is. Daarmee zou hem of haar ten
onrechte de toegang tot de Abw versperd worden. Om dat risico weg te nemen wordt
artikel 17 Abw aangevuld met een
rblz.|28|
bepaling dat de Wik niet
geldt als een voorliggende voorziening. Uiteraard gelden voor een dergelijk
persoon vanaf het moment van instroming in de Abw wel alle daaraan
verbonden reguliere verplichtingen, zoals het zoeken en verwerven van
passende arbeid, (om)scholingsverplichtingen e.d.
Artikel 52. [Zie
art. 53 Wik, red.]
In de
Wik wordt
veelvuldig gebruik gemaakt van regels en begrippen die ook in verwante
wetten als de Algemene bijstandswet, de Ioaw of de
Ioaz gebezigd worden.
Omwille van de eenheid van het recht, alsook vanwege de eenduidige
interpretatie van het begrippenkader die in deze wetten wordt nagestreefd,
is gekozen voor een uniforme rechtsgang. De rechtspraak in eerste
aanleg ligt op grond van artikel 8:1 van de
Algemene wet bestuursrecht in
handen van de (administratieve kamers van de) rechtbanken.
De hier gepleegde
toevoeging van de Wik aan de bijlage
bij de Beroepswet, onderdeel C, brengt mee dat de behandeling van appelzaken is
opgedragen aan de
Centrale Raad van Beroep te Utrecht. De toevoeging als nummer 24a heeft
tevens tot gevolg dat op grond van artikel 22, tweede lid, onderdeel a,
van de Beroepswet belanghebbenden in het kader van de Wik voor de
behandeling van hun appel bij de Centrale Raad van Beroep hetzelfde,
gehalveerde griffierecht van ƒ150,- verschuldigd zijn als belanghebbenden
in het kader van vele andere socialezekerheidsregelingen, zoals bijvoorbeeld de
Algemene bijstandswet, de Ioaw en de Ioaz.
Artikel 53. [Zie
art. 54 Wik, red.]
Het streven is
erop
gericht de wet met ingang van 1 juli 1997 in werking te laten treden
[datum inwerkingtreding: 1 januari 1999, red.].
Artikel 54. [Zie
art. 55 Wik, red.]
De citeertitel behoeft
geen nadere toelichting.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
A. Nuis
|