|
14 mei 1998/nr.
BZ/UB/98/11834
Directie Bijstandszaken
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Handelende na overleg met de Minister van
Binnenlandse Zaken en de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen;
Gelet op de artikelen 6, derde lid,
30, tweede
lid, 36, derde lid, en 37, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars;
Besluit:
§ 1.
Definities
Art. 1.
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. minister: de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Wik: de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars;
c. uitkeringskosten: de ten
laste van de gemeente gebleven kosten van
uitkeringen, bedoeld in artikel 36,
eerste lid, onderdeel a, van de Wik;
d. uitvoeringskosten: de
uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de
Wik, onderscheidenlijk artikel
39, eerste lid, van de
Wik;
e. kwartaaldeclaratie: de
kwartaaldeclaratie, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
§ 2.
Onderzoeken ter zake
van uitkeringen
Art. 2.
Burgemeester en wethouders
verrichten het onderzoek, bedoeld in
artikel 6, tweede lid, van de Wik,
binnen achttien maanden:
a. na de datum waarop de
uitkering is ingegaan;
b. na de datum waarop het
laatst verrichte onderzoek werd afgesloten.
§ 3.
De gemeentelijke
administratie
Art. 3.
De administratie, bedoeld in
artikel 30, eerste lid, van de Wik,
wordt zodanig ingericht dat daarin:
a. alle van belang zijnde
vastleggingen en bewijsstukken ten behoeve
van het besluitvormings-, uitvoerings-, controle- en verantwoordingsproces
zichtbaar en controleerbaar zijn
vastgelegd;
b. de samenhang tussen de in
onderdeel a bedoelde vastleggingen en bewijsstukken blijkt; en
c. de samenhang tussen de
totalen in de administratie en van de
onderdelen van de kwartaaldeclaraties
en de jaaropgave enerzijds en de specificatie
per persoon anderzijds kan
worden vastgesteld.
§ 4.
Wijze en tijdstip van
declareren door gemeenten
Art. 4.
-1. Burgemeester en wethouders declareren de uitkeringskosten en de
uitvoeringskosten over een kalenderkwartaal bij het Rijk door middel van
een door hen ondertekende kwartaaldeclaratie.
-2. Burgemeester en wethouders dragen zorg dat de kwartaaldeclaratie door
de minister is ontvangen uiterlijk op de twintigste van de tweede maand
volgende op het kwartaal waarop de kwartaaldeclaratie betrekking heeft.
Burgemeester en wethouders maken hierbij gebruik van de daarvoor door de
minister verstrekte formulieren, die zijn ingericht overeenkomstig het
in artikel 7, eerste lid, bedoelde model van de kwartaaldeclaratie en
zijn voorzien van een voor iedere gemeente uniek kenmerk.
§ 5.
Vergoeding van
uitvoeringskosten aan gemeenten
Art. 5.
Ter zake van de
uitvoeringskosten vergoedt het Rijk over een
kalenderjaar aan de gemeente €|998,00
per
kunstenaar aan wie door burgemeester en wethouders op 31 december
van dat kalenderjaar uitkering
ingevolge de Wik is verleend.
§ 6.
Voorschotten aan
gemeenten
Art. 6.
-1. De indiening van een
kwartaaldeclaratie door burgemeester en
wethouders wordt beschouwd als een
verzoek als bedoeld in artikel 37,
eerste lid, van de Wik om een betaling van
het kwartaalvoorschot voor het desbetreffende kwartaal en tevens van de maandvoorschotten
voor het tweede kwartaal
volgend op het kalenderkwartaal
waarop de kwartaaldeclaratie
betrekking heeft.
-2. De in het eerste lid
bedoelde voorschotten worden onverminderd het derde, vierde en zesde lid
betaald:
a. per maand, op of
omstreeks de vijftiende van de maand, op basis van de twee kwartalen
terug liggende kwartaaldeclaratie, waarbij afstemming plaatsvindt op de landelijk verwachte kosten over die maand;
b. per kwartaal, op of
omstreeks de vijftiende van de maand
volgende op de maand waarin de
kwartaaldeclaratie wordt ontvangen, ter hoogte
van de kwartaaldeclaratie, met
verrekening van de over dat kwartaal
eerder betaalde maandvoorschotten.
-3. Indien de kwartaaldeclaratie niet uiterlijk
op de in artikel 4, tweede lid, genoemde datum is ontvangen, kan de
minister de betaling van maandvoorschotten opschorten.
-4. Indien op de twintigste
van de zesde maand volgende op een
kwartaal geen kwartaaldeclaratie over dat
kwartaal is ontvangen, dan worden
omstreeks de vijftiende van de
daaropvolgende maand de nog niet verrekende
maandvoorschotten met betrekking tot het betreffende kalenderkwartaal
teruggevorderd.
-5. Hervatting van de
betaling van de maand- en
kwartaalvoorschotten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a en
b, en de nabetaling van
voorschotten als bedoeld in het derde en vierde lid vindt alsnog zo
spoedig mogelijk plaats na ontvangst
van de kwartaaldeclaratie.
-6. Indien het verslag en de
verklaring, bedoeld in artikel 33 van de Wik, niet of niet volledig
uiterlijk op de in artikel 7, tweede lid, genoemde datum zijn ontvangen,
kan de minister met ingang van het vierde kwartaal van het lopende
vergoedingsjaar de betaling van maand- en kwartaalvoorschotten
opschorten.
-7. Onverminderd het derde en vierde lid zal hervatting van de betalingen,
bedoeld in het zesde lid, en de nabetaling van de op grond van het derde
lid niet betaalde dan wel teruggevorderde maandvoorschotten plaatsvinden
na de ontvangst van het verslag en de verklaring.
§ 6A.
Vergoeding van
uitvoeringskosten aan de adviserende instelling
Art. 6a.
-1. Ter zake van de uitvoeringskosten
vergoedt het Rijk aan de adviserende instelling voor het jaar 2003:
a. €|816
804,00 per kalenderjaar; en
b. ten hoogste eenmaal per
kalenderjaar €|272,00 per belanghebbende
ten aanzien van wie in het kalenderjaar op verzoek van burgemeester en
wethouders advies is uitgebracht.
-2. Ter zake van de uitvoeringskosten
vergoedt het Rijk aan de adviserende instelling voor het jaar 2004:
a. €|842
125,00 per kalenderjaar; en
b. ten hoogste eenmaal per
kalenderjaar €|281,00 per belanghebbende
ten aanzien van wie in het kalenderjaar op verzoek van burgemeester en
wethouders advies is uitgebracht.
§ 6B.
Wijze en tijdstip van
declareren door de adviserende instelling
Art.
6b.
-1. De adviserende instelling declareert de uitvoeringskosten over een
kalenderjaar bij het Rijk door middel van een door het bestuur van de
adviserende instelling ondertekende jaaropgave. De adviserende
instelling draagt zorg dat de minister uiterlijk op 20 september van het jaar
volgend op het jaar waarop de jaaropgave betrekking heeft, de jaaropgave
en de daarop betrekking hebbende verklaring heeft ontvangen.
-2. De verklaring is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd
overeenkomstig het in de bijlage beschreven controle- en
rapportageprotocol.
-3. De jaaropgave en de verklaring worden ingericht overeenkomstig de bij
deze regeling behorende modellen.
§ 6C.
Voorschotten aan de
adviserende instelling
Art. 6c.
-1. Op verzoek van de
adviserende instelling betaalt de minister:
a. per kalenderkwartaal, binnen vier weken na ontvangst van het verzoek,
een voorschot ter hoogte van een vierde deel van het bedrag, genoemd in
artikel 6a, onderdeel a;
b. per maand, binnen vier weken na ontvangst van het verzoek, een
voorschot in de vergoeding, bedoeld in artikel 6a, onderdeel b, van de op
basis van de door de adviserende instelling in de voorafgaande maand
uitgebrachte adviezen, voor zover deze adviezen ingevolge artikel 6a,
onderdeel b, voor vergoeding in aanmerking komen.
-2. Het verzoek om een voorschot wordt ingericht overeenkomstig het bij
deze regeling behorende model.
-3. Indien de jaaropgave en de daarop
betrekking hebbende verklaring niet uiterlijk op de in artikel 6b,
eerste lid, genoemde datum zijn ontvangen, kan de minister met ingang
van het vierde kwartaal van het lopende vergoedingsjaar de betaling van
maand- en kwartaalvoorschotten opschorten.
Art. 6d. Vervallen.
§ 7.
Verslag en verklaring
Art. 7.
-1. Het verslag en de
verklaring, bedoeld in artikel 33 van de Wik, en de kwartaaldeclaratie
zijn ingericht overeenkomstig de bij deze regeling behorende modellen.
Het onderzoek dat resulteert in de verklaring wordt uitgevoerd
overeenkomstig het in de bijlage beschreven controle- en
rapportageprotocol.
-2. Burgemeester en wethouders dragen zorg dat de
minister het verslag en
de verklaring, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk op 20 september van
het jaar volgend op het jaar waarop zij betrekking hebben, heeft
ontvangen. Burgemeester en wethouders maken hierbij gebruik van de
daarvoor door de minister verstrekte formulieren, die zijn ingericht
overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde modellen en zijn voorzien
van een voor iedere gemeente
uniek kenmerk.
§ 8.
Overgangs- en slotbepalingen
Art. 8.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de dag waarop de Wik in werking treedt.
Art. 9.
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling administratieve
uitvoeringsvoorschriften Wik.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.¹
1. De modellen/bijlagen
liggen met ingang van 16 december 2003
ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Stcrt. 2003, 244); het
model controle- en rapportageprotocol Kunstenaars en Co met ingang van 1
februari 2004 (Stcrt. 2004, 21). Het gewijzigde model van het
verslag en de bijlage controle- en rapportageprotocol betreffende het
jaar 2003 liggen met ingang van 1 april 2004 ter inzage in de
bibliotheek van het ministerie van SZW (Stcrt. 2004, 63), red.
’s-Gravenhage, 14 mei
1998.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
TOELICHTING
[14 mei 1998]
Algemeen
Op grond van de
artikelen 30, tweede lid, 36, derde lid,
37,
derde lid, en 39, derde lid, van de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) worden in die [deze, red.]
regeling nadere regels
gesteld met betrekking tot de
gemeentelijke administratie, de vergoeding van uitvoeringskosten alsmede de wijze en het
tijdstip van declareren door
de gemeente
en de te verlenen
voorschotten aan gemeenten.
De wetgever heeft het
stellen van nadere regels met betrekking
tot de gemeentelijke administratie
dwingend voorgeschreven. Met de
nadere regels wordt beoogd waarborgen te
creëren voor een rechtmatige wetsuitvoering en het toezicht daarop. Hierbij speelt
een ordelijk en
controleerbaar financieel beheer een essentiële rol.
Zonder een volledig en adequaat
controlespoor is bij de
eerstelijnsuitvoeringscontrole respectievelijk in het kader van de ministeriële
toezichtsverantwoordelijkheid de rechtmatigheid van de wetsuitvoering niet vast
te stellen.
De nadere regels hebben,
gelet op de eigen
verantwoordelijkheid van de gemeentelijke overheid voor
de inrichting van haar bedrijfsprocessen,
het karakter van randvoorwaarden,
maar laten de precieze invulling
aan de gemeente zelf over.
Ingevolge artikel 36, eerste
lid, onderdeel b, van de Wik vergoedt het
Rijk de door gemeenten in het kader
van deze wet gemaakte uitvoeringskosten. In de regeling is aangegeven
op welke basis deze vergoeding wordt
verstrekt.
De in deze regeling
opgenomen bepalingen omtrent de wijze
en het tijdstip van declareren,
hebben ten doel om het financiële
verantwoordingsproces dat in het kader van de uitvoering van deze wet
plaatsvindt tussen het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de
gemeenten, ordelijk en doelmatig te
laten verlopen. De hierbij te hanteren
systematiek is rechtstreeks afgeleid van
die bij de Abw, Ioaw en
Ioaz [zie Regeling
administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en Ioaz 1996, red.], om de administratie van gemeenten en ministerie
zo min mogelijk extra te belasten.
Artikelsgewijs
Artikel 2
Op grond van
artikel 6,
derde lid, van de Wik heeft de minister
de
bevoegdheid regels te stellen omtrent de
regelmaat waarmee burgemeester en
wethouders het heronderzoek als bedoeld in het tweede lid van
voornoemd artikel dienen te verrichten.
Met dit artikel 2 wordt aan
die bevoegdheid invulling
gegeven en is de termijn waarbinnen het
heronderzoek moet zijn uitgevoerd, bepaald op ten hoogste twaalf maanden.
Artikel 3
Onderdeel
a van dit artikel
strekt ertoe dat te allen tijde uit de
administratie kan worden afgeleid of de in
het kader van deze wet genomen
besluiten en de uitvoering daarvan voldoen
aan de wettelijke vereisten.
Daarvoor is het noodzakelijk dat alle
relevante informatie zichtbaar en controleerbaar
is vastgelegd. Dit biedt de gemeente
de mogelijkheid om eventuele
uit interne controleactiviteiten
gebleken tekortkomingen in de uitvoering bij te
sturen en draagt daarmee bij aan de
eigen primaire toezichtsverantwoordelijkheid van de gemeente.
De bepaling van onderdeel b
brengt tot uitdrukking dat de
administratie zodanig moet zijn ingericht
dat het logisch verband tussen de
bewijsstukken, de daaraan verbonden conclusies en de daaruit voortvloeiende
beslissingen omtrent een belanghebbende altijd achteraf nog kan
worden gereconstrueerd.
Met onderdeel c wordt ten slotte beoogd dat het verband
blijkt tussen de uitkerings- en debiteurenadministratie enerzijds en de financiële
administratie waaruit de gemeentelijke financiële verantwoording
naar het Rijk wordt afgeleid anderzijds.
Artikel 4
De in dit artikel opgenomen
voorschriften omtrent de wijze en het
tijdstip van declareren door de gemeente
stemmen vrijwel geheel
overeen met hetgeen voor de Abw, Ioaw en
Ioaz reeds lang gebruikelijk is [zie Regeling
administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en Ioaz 1996, red.].
Ook de bepalingen aangaande de
accountantsverklaring en de modellen voor de
verantwoordingsformulieren zijn identiek. Uiteraard zijn de modelformulieren
zelf wel specifiek op de Wik toegesneden.
Artikel 5
De vergoeding voor de
uitvoeringskosten die door het Rijk wordt
verstrekt, is afhankelijk gesteld van het
aantal uitkeringsgerechtigde kunstenaars per 31 december van het
verantwoordingsjaar. Hierbij gaat het om
kunstenaars die per 31 december in het
bestand van Wik-uitkeringsgerechtigden zijn opgenomen. Op grond van
eenvoud en eenduidigheid voldoet
deze systematiek als adequate benadering van de uitvoeringskosten van een
bestand van uitkeringsgerechtigden
gedurende één jaar. Deze systematiek
wijkt daarmee af van die van de Abw, Ioaw en
Ioaz, waarbij de uitvoeringskosten worden vergoed via de
algemene uitkering van het gemeentefonds.
Artikel 6
De bepalingen in dit artikel
over het verlenen van voorschotten op
de rijksvergoeding aan gemeenten zien op de structurele situatie. In
deze structurele situatie zal de bevoorschotting op dezelfde wijze plaatsvinden
als bij de Abw, Ioaw en
Ioaz het geval is [zie Regeling
financiering en verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz, red.].
Bij deze bevoorschotting zal
zoveel mogelijk rekening worden
gehouden met de ontwikkelingen van de
normbedragen en het aantal
uitkeringsgerechtigden.
Omdat de Wik evenwel een
nieuwe wet is, kan in de
aanvangssituatie de hoogte van de te verlenen
voorschotten nog niet worden bepaald op
de wijze die in het tweede lid, onderdeel a, van dit artikel is aangegeven.
Dit komt doordat er dan nog geen
kwartaaldeclaraties van twee kwartalen
daarvóór aanwezig zijn en derhalve de
basis ontbreekt waarop het voorschot dient
te worden berekend. Om dit
aanloopprobleem op te lossen, zullen tussen Rijk en gemeenten afspraken worden gemaakt voor een tijdelijke
voorziening voor de eerste voorschotten,
die afloopt zodra de structurele
systematiek van dit artikel wel kan
worden toegepast.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
|
|