|
BESLUIT
van 5 juni 1998, houdende uitvoering van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars (Uitvoeringsbesluit Wik)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van
10 december 1997, nr. 97.005930;
Gelet op de artikelen 4, onderdeel b,
6, eerste lid, onderdeel b, 9,
vierde lid, 16,
vierde lid, 17,
zesde lid, en 19,
vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars;
De Raad van State gehoord (advies van 24
december 1997, nr. W12.97.0776);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 juni, Directie Bijstandszaken,
nr. BZ/VOL/98/11.576;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1.
Definities
Art. 1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Wik: Wet
inkomensvoorziening kunstenaars;
b. uitkering: de uitkering op grond van de Wik;
c. inlichtingenverplichting: de verplichting, bedoeld in artikel
15, tweede lid, onderdeel c, van de Wik;
d. fraudebedrag: het brutobedrag dat ten onrechte als uitkering is
verleend als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de
inlichtingenverplichting.
§ 2.
Inkomenseisen en
beroepskosten
Art. 2.
-1. Het bruto-inkomen of de
bruto-omzet, bedoeld in de artikelen 4, onderdeel b, en
6,
eerste lid, onderdeel b, van de Wik, bedraagt
€|1089,00,
dat door de kunstenaar:
a. die uitkering aanvraagt, moet zijn verworven in het kalenderjaar
voorafgaande aan het jaar waarin de uitkering wordt aangevraagd;
b. aan wie uitkering is verleend, telkens moet zijn verworven in het
kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de uitkering wordt
ontvangen.
-2. Het in het eerste lid genoemde
bedrag wordt naar evenredigheid verlaagd indien de kunstenaar gedurende
een gedeelte van het kalenderjaar, doch ten minste gedurende een
aaneengesloten periode van 28 dagen, wegens ziekte of deelname aan
beroepskwalificerende scholingsactiviteiten geen werkzaamheden als
kunstenaar heeft verricht.
-3. Voor het vaststellen van de periode van ziekte, bedoeld in het tweede
lid, worden perioden van ziekte samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel
b, wordt voor de
kunstenaar, bedoeld in artikel 4, onderdeel c,
van de Wik, het bedrag, bedoeld in het eerste lid, in het eerste
kalenderjaar waarin uitkering is verleend op nihil gesteld.
Art. 3.
-1. De als beroepskosten in aanmerking te nemen normbedragen, bedoeld in
artikel 10a van de Wik, worden gesteld op:
a. €|4538,00 per jaar voor
een scheppend kunstenaar;
b. €|2269,00 per jaar voor een andere dan een scheppend
kunstenaar.
-2. De in het eerste lid genoemde bedragen worden naar evenredigheid verlaagd indien de kunstenaar
slechts gedurende een gedeelte van een kalenderjaar recht op uitkering
heeft.
§ 3.
Maatregelen
Art. 4.
Burgemeester en wethouders nemen bij de toepassing van artikel
16, eerste lid, van de Wik de bepalingen van dit besluit in acht,
onverminderd artikel 16, tweede en derde lid, van de Wik.
Art. 5.
De gedragingen, bedoeld in de artikelen
15 en 16
van de Wik, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
1. eerste categorie:
a. het zich niet als kunstenaar doen
inschrijven bij de Centrale organisatie werk en
inkomen, genoemd in hoofdstuk
4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, dan
wel de inschrijving niet of niet tijdig doen verlengen;
b. het niet binnen de door burgemeester en wethouders daartoe gestelde
termijn aan de inlichtingenverplichting voldoen;
2. tweede categorie:
a. het niet voldoen aan een verplichting die door burgemeester en
wethouders met toepassing van artikel 15, eerste lid, van de Wik aan de uitkering verbonden is;
b. het zich niet naar vermogen inspannen om met werkzaamheden als
kunstenaar zelfstandig in het bestaan te voorzien.
Art. 6.
-1. De weigering, bedoeld in artikel
16, eerste lid, van de Wik, wordt vastgesteld op:
a. 5 procent van de uitkering gedurende één maand bij gedragingen van
de eerste categorie;
b. 10 procent van de uitkering gedurende één maand bij gedragingen van
de tweede categorie.
-2. De periode van weigering van de uitkering, genoemd in het eerste lid,
wordt verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt
aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.
§ 4.
Administratieve boeten
Art. 7. Vervallen
[artikel 4, tweede lid, Boetebesluit
socialezekerheidswetten, red.].
Art.
8. Vervallen [artikel 4,
tweede lid, Boetebesluit
socialezekerheidswetten, red.].
Art.
9. Vervallen [artikel 4,
tweede lid, Boetebesluit
socialezekerheidswetten, red.].
Art.
10. Vervallen [artikel 4,
tweede lid, Boetebesluit
socialezekerheidswetten, red.].
§ 4A.
Vaststelling vermogenswaarde bezittingen, met zowel een zakelijk als een
privékarakter, noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van
kunstenaar.
Art. 10a.
-1. Indien de kunstenaar beschikt over een in eigendom bewoonde woning
met bijbehorend erf die tevens voor de uitoefening van het beroep wordt
gebruikt, wordt voor de toepassing van artikel 2, tweede lid, van de Wik de vermogenswaarde vastgesteld op een
bedrag gelijk aan 20% van de waarde in het economisch verkeer van de
woning of het bijbehorend erf verminderd met de daarop drukkende
schulden. Op de vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend
erf is artikel 10b van overeenkomstige toepassing.
-2. Indien de kunstenaar beschikt over bezittingen anders dan de in
eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf die tevens voor de
uitoefening van het beroep worden gebruikt, wordt voor de toepassing van
artikel 2, tweede lid, van de Wik de vermogenswaarde vastgesteld op een
bedrag gelijk aan 50% van de waarde in het economisch verkeer van de
bezittingen verminderd met de daarop drukkende schulden.
§ 4B.
Krediethypotheekregeling Wik
Art. 10b.
De vaststelling van de waarde van de woning met bijbehorend erf als
bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wik vindt plaats door een taxateur die door
burgemeester en wethouders in overeenstemming met de kunstenaar wordt
aangewezen of door een gemeentelijk taxateur.
Art. 10c.
-1. Aan de geldlening onder verband van hypotheek, bedoeld in
artikel 8, tweede lid, van de Wik, worden in elk geval de voorwaarden,
genoemd in de artikelen 10d en 10e, verbonden.
-2. De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden tezamen met de
gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte.
Art. 10d.
-1. De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek vangt aan
na de periode van tien jaar, bedoeld in artikel
13, tweede lid, van de Wik, of zoveel eerder als de termijn van vier
jaar, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wik, is verstreken.
-2. De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek vindt
maandelijks plaats gedurende ten hoogste tien jaar.
-3. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van
één jaar vastgesteld.
-4. Bij een inkomen van de
belanghebbende en zijn gezin als bedoeld in artikel 31 van de
Wet werk en bijstand dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde
bijstandsnorm, bedoeld in de paragrafen
3.1, 3.2 en 3.3 van
genoemde wet, wordt geen
aflossing gevergd.
-5. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, stellen
burgemeester en wethouders, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de
aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.
-6. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde
lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van
de belanghebbende en zijn gezin komende, bijzondere bestaanskosten. Deze
worden in mindering gebracht op het inkomen van de belanghebbende.
-7. Indien de belanghebbende en zijn gezin tijdens de aflossingsperiode van
tien jaar schuldig nalatig zijn in het voldoen van de vastgestelde
aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond
opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.
Art. 10e.
-1. Indien door toepassing van artikel 10d, derde tot en met vijfde lid,
na afloop van de aflossingsperiode van tien jaar een deel van de
geldlening nog niet is afgelost, is vanaf dat moment maandelijks rente
verschuldigd over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
-2. De rente, bedoeld in het eerste lid, is de wettelijke
rente
verminderd met 3 procent.
-3. Indien de belanghebbende naar het oordeel van burgemeester en wethouders
de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen,
wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde
maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet
wordt betaald, bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de
geldlening.
-4. Indien de belanghebbende naar het oordeel van burgemeester en wethouders
geen rente kan betalen, wordt de verschuldigde rente bijgeschreven bij
het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
-5. Over een bijgeschreven rentevordering is geen rente verschuldigd.
Art. 10f.
-1. Bij verkoop of bij vererving van de woning, en indien het een
echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende
echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede
de op grond van artikel 10e, vierde lid, bijgeschreven rente, terstond
afgelost.
-2. Bij verkoop van de woning kunnen burgemeester en wethouders wegens
bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van de
belanghebbende dan wel wegens werkaanvaarding elders als belanghebbende, na
toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe
geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een
andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste
lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na
aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het derde lid
bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.
-3. Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in
het economisch verkeer bij vrije oplevering komt, voor zover de opbrengst
daartoe toereikend is, aan de belanghebbende in ieder geval het bedrag toe
dat op grond van artikel 2a, eerste lid, onderdeel b, van de
Wik bij de vaststelling van de
geldlening op de waarde van de woning in mindering is gebracht.
-4. Indien bij de verkoop van de woning op basis van de waarde in het
economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening
beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening
en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.
Art. 10g.
Aan de belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een
opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de
rentevorderingen.
Art. 10h.
Het bedrag, bedoeld in artikel 8, vierde lid,¹ is gelijk aan twaalfmaal het bedrag voor gehuwden,
bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Wik.
1. Artikel 8
is vervallen, red.
§ 5.
Gebiedsindeling
Art. 11.
Recht op uitkering op grond van de Wik bestaat indien de belanghebbende woonplaats heeft in:
1. de provincie Groningen: jegens
burgemeester en wethouders van de gemeente
Groningen;
2. de provincie Friesland: jegens het
burgemeester en wethouders van de gemeente
Leeuwarden;
3. de provincie Drenthe: jegens
burgemeester en wethouders van de gemeente
Assen;
4. de provincie Gelderland: jegens
burgemeester en wethouders van de gemeente
Arnhem;
5. de provincie Flevoland: jegens
burgemeester en wethouders van de gemeente
Almere;
6. de provincie Utrecht: jegens
burgemeester en wethouders van de gemeente
Utrecht;
7. de provincie Zeeland: jegens
burgemeester en wethouders van de gemeente
Middelburg;
8. de provincie Limburg: jegens
burgemeester en wethouders van de gemeente
Maastricht;
9. de gemeenten
Bathmen, Dalfsen, Deventer, Hardenberg, Kampen, Olst-Wijhe, Ommen,
Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland, Zwolle: jegens
burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle;
10. de gemeenten
Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo (Ov),
Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen,
Twenterand, Wierden: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente
Enschede;
11. de gemeenten
Alkmaar, Andijk, Anna Paulowna, Beemster, Bergen, Castricum, Den Helder,
Drechterland, Edam-Volendam, Enkhuizen, Graft-De Rijp, Harenkarspel,
Heerhugowaard, Heiloo, Hoorn, Landsmeer, Langedijk, Medemblik, Niedorp,
Noorder-Koggenland, Obdam, Oostzaan, Opmeer, Purmerend, Schagen,
Schermer, Stede Broec, Texel, Venhuizen, Waterland, Wervershoof,
Wester-Koggenland, Wieringen, Wieringermeer, Wognum, Wormerland,
Zaanstad, Zeevang, Zijpe: jegens burgemeester en wethouders van de
gemeente Alkmaar;
12. de gemeenten
Aalsmeer, Bennebroek, Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede
en Spaarnwoude, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Uitgeest,
Uithoorn, Velsen, Zandvoort: jegens burgemeester en wethouders van de
gemeente Haarlem;
13. de gemeenten
Amstelveen, Amsterdam, Diemen, Ouder-Amstel: jegens burgemeester en
wethouders van de gemeente Amsterdam;
14. de gemeenten
Blaricum, Bussum, Hilversum, Huizen, Laren, Muiden, Naarden, Weesp,
Wijdemeren: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum;
15. de gemeenten
Alkemade, Alphen aan den Rijn, Bodegraven, Boskoop, Delft, Den Haag,
Gouda, Hillegom, Jacobswoude, Katwijk, Leiden, Leiderdorp,
Leidschendam-Voorburg, Liemeer, Lisse, Midden-Delfland, Nieuwkoop,
Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Pijnacker-Nootdorp, Reeuwijk,
Rijnsburg, Rijnwoude, Rijswijk, Sassenheim, Ter Aar, Valkenburg, Vlist,
Voorhout, Voorschoten, Waddinxveen, Warmond, Wassenaar, Westland,
Zederik, Zoetermeer, Zoeterwoude: jegens burgemeester en wethouders van
de gemeente Den Haag;
16. de gemeenten
Alblasserdam, Albrandswaard, Barendrecht, Bergambacht, Bergschenhoek,
Berkel en Rodenrijs, Bernisse, Binnenmaas, Bleiswijk, Brielle, Capelle
aan den IJssel, Cromstrijen, Dirksland, Dordrecht, Giessenlanden,
Goedereede, Gorinchem, Graafstroom, ’s-Gravendeel,
Hardinxveld-Giessendam, Hellevoetsluis, Hendrik-Ido-Ambacht, Korendijk,
Krimpen aan den IJssel, Leerdam, Liesveld, Maassluis, Middelharnis,
Moordrecht, Nederlek, Nieuw-Lekkerland, Nieuwerkerk aan den IJssel,
Oostflakkee, Oud-Beijerland, Ouderkerk, Papendrecht, Ridderkerk,
Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Schoonhoven, Sliedrecht, Spijkenisse,
Strijen, Vlaardingen, Westvoorne, Zevenhuizen-Moerkapelle, Zwijndrecht:
jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam;
17. de gemeenten
Aalburg, Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Drimmelen,
Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout,
Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Werkendam, Woensdrecht, Woudrichem,
Zundert: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente Breda;
18. de gemeenten
Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk,
Tilburg, Waalwijk: jegens burgemeester en wethouders van de gemeente
Tilburg;
19. de gemeenten
Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, ’s-Hertogenbosch,
Heusden, Landerd, Lith, Maasdonk, Mill en Sint Hubert, Oss, Schijndel,
Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Sint-Oedenrode, Uden, Veghel, Vught:
jegens burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch;
20. de gemeenten
Asten, Bergeijk, Best, Bladel, Cranendonk, Deurne, Eersel, Eindhoven,
Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen,
Gerwen en Nederwetten, Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en
Breugel, Valkenswaard, Veldhoven, Waalre: jegens burgemeester en
wethouders van de gemeente Eindhoven.
§ 5a.
Overgangsrecht
Art.
11a.
-1. De verplichtingen van burgemeester en
wethouders die samenhangen met de uitvoering van de Wik
gaan voor zover die betrekking hebben op activiteiten waarmee vóór de
inwerkingtreding van het Besluit van 3 december 2003 (Stb. 2003,
509) tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wik in verband met het
terugbrengen van het aantal centrumgemeenten alsmede technische
wijziging van een aantal andere besluiten in verband met de
inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand
een aanvang is gemaakt en die na die datum worden voortgezet, over naar
burgemeester en wethouders van de gemeente met toepassing van voornoemd
besluit.
-2. Aanvragen en de daaruit voortvloeiende
verplichtingen die op de dag van inwerkingtreding van het in het eerste
lid bedoelde besluit aanhangig zijn bij een gemeente die met toepassing
van voornoemd besluit niet meer als gemeente is aangewezen die
verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Wik worden in afwijking
van het eerste lid afgehandeld door de gemeente die vóór
inwerkingtreding van genoemd besluit verantwoordelijk was voor de
uitvoering van de Wik.
-3. Aanvragen en de daaruit voortvloeiende
verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, die na een periode van
dertien weken na inwerkingtreding van het in het eerste lid bedoelde
besluit nog aanhangig zijn bij een gemeente die vóór inwerkingtreding
van voornoemd besluit verantwoordelijk was voor de uitvoering van de Wik
gaan in de stand waarin zij zich dan bevinden over op de gemeente die na
inwerkingtreding van genoemd besluit verantwoordelijk is voor de
uitvoering van de Wik.
-4. Het tweede en derde lid zijn van
overeenkomstige toepassing op bij burgemeester en wethouders aanhangige
bezwaarschriften.
§ 6.
Slotbepalingen
Art. 12.
Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip.
Art. 13.
Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Wik.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 5 juni 1998
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de achttiende
juni 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[5 juni 1998]
Algemeen
Dit besluit geeft uitvoering
aan de artikelen 4, onderdeel b, 6, eerste lid, onderdeel b,
9, vierde
lid, 16,
vierde lid, 17, zesde lid, en 19, vijfde lid, van de
Wet inkomensvoorziening
kunstenaars (Wik). Op grond van deze artikelen worden thans nadere regels
gesteld omtrent de inkomenseisen die aan de Wik-kunstenaar worden
gesteld en de beroepskosten die hij bij zijn inkomensverwerving mag
aftrekken (paragraaf 2 van dit besluit). Verder bevat het besluit enige
bepalingen omtrent de vaststelling van maatregelen en administratieve boeten
als bedoeld in de artikelen 16 en 17 van de Wik
(de paragrafen 3 en 4
van dit besluit). Bij deze bepalingen is, voor zover mogelijk, aansluiting gezocht bij het
Maatregelenbesluit Abw,
Ioaw en Ioaz en het Besluit
tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz [zie Boetebesluit
socialezekerheidswetten, red.]. Ten slotte bevat
paragraaf 5 de gebiedsindeling. Op grond van artikel
19, vijfde lid, van de
Wik wordt de uitvoering van die wet geconcentreerd bij een beperkt aantal (39)
gemeenten.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Dit artikel bevat een aantal
definities waaronder - in onderdeel d - de definitie van "fraudebedrag". Hierbij gaat het om het bedrag dat ten
onrechte ten laste van de gemeente is gekomen. De afgedragen of af te dragen loonbelasting en
premies zijn derhalve in het fraudebedrag begrepen.
Artikel 2
In artikel
4, onderdeel
b, van
de Wik is bepaald dat de kunstenaar slechts recht op uitkering op grond
van de Wik heeft indien hij gedurende een zekere periode als kunstenaar werkzaam is geweest en met die werkzaamheden
een nader te bepalen bruto-inkomen (als kunstenaar in loondienst) of bruto-omzet (als
zelfstandig werkend kunstenaar) heeft verworven. Deze eis geldt niet voor pas
afgestudeerde kunstenaars (zie artikel 4, onderdeel c, van de Wik) en voor
kunstenaars die op grond van artikel 47 van de Wik
een beroep op deze
regeling doen.
Ook nadat de kunstenaar
toegang tot de Wik heeft verkregen, blijft het inkomen van belang. In
artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de Wik
is vastgelegd dat de uitkering
wordt beëindigd indien de kunstenaar niet kan aantonen gedurende een nader
te bepalen periode met zijn werkzaamheden als kunstenaar ten minste
een nader te bepalen bruto-inkomen of bruto-omzet te hebben
verworven. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat deze inkomenseis van
artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de Wik
geldt ten aanzien van alle
kunstenaars. Dus ook voor de pas afgestuurde kunstenaar, bedoeld in artikel
4, onderdeel
c, van de Wik, en de kunstenaars,
bedoeld in artikel 47 van de Wik, die bij de
inwerkingtreding van de Wik recht hebben op een
uitkering op grond van de Abw.
In de aanhef van het eerste
lid van het onderhavige artikel is het inkomen of de omzet, dat ten
minste moet zijn of worden verworven wil men in aanmerking kunnen
komen of kunnen blijven komen voor een uitkering op grond van de Wik, vastgesteld op
ƒ2400,-. Voor de vaststelling van dit
inkomen, respectievelijk deze omzet, wordt voor de kunstenaar die een uitkering
aanvraagt, uitgegaan van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar
waarin uitkering op grond van de Wik wordt aangevraagd. Voor de kunstenaar aan wie uitkering is verleend, wordt het
inkomen vastgesteld over het kalenderjaar waarin uitkering is verleend. De keuze voor kalenderjaren
is in beide gevallen gemaakt om uit te kunnen gaan van de fiscale
gegevens van de kunstenaar.
Met andere woorden, de
kunstenaar die in het jaar 2000 een uitkering op grond van de Wik
aanvraagt, moet - om in aanmerking te kunnen komen voor een dergelijke
uitkering - in het kalenderjaar 1999 met zijn werkzaamheden als kunstenaar
ten minste een bruto-inkomen of bruto-omzet van ƒ2400,-
hebben verworven. Vervolgens dient hij in het jaar 2000 (het kalenderjaar
waarin uitkering is verleend) ten minste een bruto-inkomen of een
bruto-omzet van ƒ2400,- te verwerven om te voorkomen dat het recht op
uitkering op grond van artikel 6 van de Wik wordt beëindigd. Hetzelfde
geldt voor de daaropvolgende kalenderjaren waarin uitkering op grond
van de Wik is verleend. De vraag of een kunstenaar aan wie een
uitkering is verleend voldoende inkomen heeft verworven, kan - aan de
hand van de fiscale gegevens van de kunstenaar - niet eerder worden
beantwoord dan na afloop van enig kalenderjaar waarin uitkering is
verleend. In het hiervoor gegeven voorbeeld zal die vaststelling plaatsvinden in
het jaar 2001. Als op dat moment blijkt dat de kunstenaar in het jaar 2000
onvoldoende inkomen heeft verworven, dan moet het recht van
betrokkene op die grond worden beëindigd. Voor de goede orde wordt hierbij
opgemerkt dat het voor de desbetreffende kunstenaar geen zin heeft in
dat jaar opnieuw uitkering aan te vragen. Hij zal immers evenmin kunnen
voldoen aan de inkomenseis die is gesteld voor de kunstenaar die een
uitkering aanvraagt. De eerstvolgende gelegenheid die zich voor hem aandient, is gelegen in het kalenderjaar
2002.
In het tweede lid, onderdeel
a,
is geregeld dat het bedrag van ƒ2400,- wordt verlaagd als de kunstenaar
in het voor hem relevante kalenderjaar (het kalenderjaar voorafgaande
aan het jaar waarin uitkering wordt aangevraagd) gedurende een aaneengesloten
periode van ten minste 28 dagen wegens ziekte of het volgen
van beroepskwalificerende scholingsactiviteiten geen werkzaamheden als
kunstenaar heeft kunnen verrichten. Tot het opnemen van de
evenredige verlaging als hiervoor bedoeld, is enerzijds besloten omdat het
onrechtvaardig wordt geacht een kunstenaar die door ziekte niet in
staat is werkzaamheden als kunstenaar te kunnen verrichten - en om die
reden niet kan voldoen aan de in het eerste lid gestelde inkomenseis - van
het recht op een uitkering uit te sluiten. Anderzijds is hiertoe
besloten om kunstenaars de mogelijkheid te bieden een renderende
beroepspraktijk op te bouwen, zonder dat dit gevolgen heeft voor hun uitkering op
grond van de Wik. Het deelnemen aan opleidingen in of buiten het
in opdracht van het ministerie van OCW ontwikkelde flankerende
beleid voor de Wik, gericht op het bereiken van een renderende
beroepspraktijk, dient niet te worden bestraft door uitsluiting van de uitkering
omdat de kunstenaar door het volgen van een opleiding of scholing niet
aan de gestelde inkomenseis kan voldoen.
In het tweede lid, onderdeel
b,
is geregeld dat het bedrag van ƒ2400,- evenredig wordt verlaagd
voor de kunstenaar aan wie in de loop van een kalenderjaar recht op
uitkering is verleend. Het zou immers niet redelijk zijn voor hem de volledige
inkomenseis te laten gelden indien hij slechts gedurende een gedeelte van
een kalenderjaar aanspraak op uitkering heeft. Met andere woorden,
de kunstenaar aan wie op 1 juli van enig jaar een uitkering is verleend,
moet om aan de inkomenseis te kunnen voldoen in de resterende zes maanden
van dat kalenderjaar een inkomen verwerven van ƒ1200,- om
te voorkomen dat zijn recht wordt beëindigd. Voorts dient het bedrag
evenredig te worden verlaagd indien de kunstenaar aan wie uitkering
is verleend in het kalenderjaar - of in het in aanmerking deel van dat
kalenderjaar - wegens ziekte of scholing geen werkzaamheden als kunstenaar
heeft kunnen verrichten.
Het spreekt voor zich dat
een verlaging als bedoeld in het onderhavige artikel alleen behoeft te
worden toegepast als het bruto-inkomen of de bruto-omzet van de kunstenaar in het desbetreffende kalenderjaar lager is
dan het bedrag van ƒ2400,-.
In het derde lid is geregeld
dat voor het vaststellen van de periode van 28 dagen, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a en b, perioden van ziekte worden samengeteld als zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Deze
bepaling is opgenomen om te voorkomen dat een kunstenaar die
regelmatig ziek is maar niet gedurende aaneengesloten perioden van ten minste 28
dagen, niet aan de gestelde voorwaarde voor de verlaging
van de inkomenseis zal kunnen voldoen. Met andere woorden, voor de
kunstenaar die twee weken ziek is, één week beter en vervolgens weer twee weken ziek, worden de ziektedagen
samengeteld en als een
aaneengesloten periode van 28 dagen beschouwd.
De regeling is ook van
toepassing op de situatie waarin een kunstenaar gedurende een aaneengesloten
periode van 28 dagen ziek is, vervolgens één week beter is en daarna gedurende een periode van twee weken ziek
is. In dat geval worden de
laatstgenoemde veertien dagen van ziekte voor de toepassing van het tweede
lid, onderdeel a en b, opgeteld bij de eerste 28 dagen van ziekte.
Artikel 3
Op grond van
artikel 9 van
de Wik mogen de kosten ter verwerving van het inkomen als kunstenaar
op het inkomen in mindering worden gebracht. Onder inkomen
dient in dit verband te worden verstaan het inkomen, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, paragraaf 1 en
2, van de Algemene bijstandswet (Abw).
Het vierde lid van artikel 9 voorziet erin om bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur een forfaitaire aftrek van de beroepskosten in het
leven te roepen.
De als beroepskosten in
aanmerking te nemen normbedragen, bedoeld in artikel
9, vierde lid,
van de Wik, worden thans gesteld op ƒ10 000,- per jaar voor een scheppend
kunstenaar en ƒ5000,- per jaar voor een andere dan een scheppend
kunstenaar. Indien de kunstenaar aantoont dat zijn werkelijke beroepskosten
hoger zijn dan het voor hem geldende normbedrag, worden deze
werkelijke kosten in aanmerking genomen.
Voor het begrip scheppend
kunstenaar wordt verwezen naar artikel 1, onderdeel d, van de Wik,
almede de toelichting op die bepaling. Als
scheppende kunstenaars
worden in die toelichting - bij wijze van voorbeeld - aangemerkt: de
schilder, de tekenaar, de graficus, de beeldhouwer, de keramist, de
fotograaf, de choreograaf, de componist, de filmer en de literair
auteur. Bij de beantwoording van de vraag of de kunstenaar als scheppend
dan wel als andere kunstenaar moet worden aangemerkt, moet worden bezien in welke hoedanigheid de kunstenaar
in hoofdzaak werkzaam is.
In het tweede lid van het
onderhavige artikel is geregeld dat het in aanmerking te nemen
normbedrag voor beroepskosten naar evenredigheid van de uitkeringsperiode
wordt vastgesteld als de kunstenaar slechts gedurende een
gedeelte van een kalenderjaar recht op uitkering heeft of heeft gehad.
Artikelen
4, 5 en 6
Artikel 4 bevestigt
allereerst de wettelijke opdracht aan burgemeester en wethouders om een
overtreding van een bij of krachtens de Wik geldende verplichting niet ongestraft te laten passeren. Tevens stelt het
buiten twijfel dat
burgemeester en wethouders moeten afwijken van de hoogte of de duur van de in
artikel 6 van dit besluit voorgeschreven standaardmaatregelen indien
de individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven. Bovendien
hebben burgemeester en wethouders eveneens de bevoegdheid van
het opleggen van een maatregel af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn
(artikel 16, derde lid,
van de Wik).
In artikel 5 worden twee
categorieën onderscheiden waarmee de gedragingen van de belanghebbende worden gerangschikt naar de ernst
van het feit. Bij de
indeling in categorieën is ervan uitgegaan dat de ernst van het feit toeneemt
naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of
behouden van een beroepspraktijk als kunstenaar. De wet richt
zich er immers op kunstenaars de mogelijkheid te bieden een beroepspraktijk
op te bouwen die hen in staat stelt zelfstandig in het bestaan te voorzien.
Bij de eerste categorie gaat
het om het niet voldoen aan de verplichting zich als kunstenaar bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] te doen inschrijven en ingeschreven te doen blijven, alsmede om het niet
nakomen van de verplichting
om - binnen de door burgemeester en wethouders vastgestelde
termijn - aan de in artikel
15, tweede lid, onderdeel c, van de
Wik opgenomen
inlichtingenverplichting te voldoen. Laatstgenoemde verplichting geldt, op grond
van artikel 15, derde lid, van de Wik, eveneens voor de echtgenoot
van de kunstenaar.
Bij de tweede categorie gaat
het om verhoudingsgewijs ernstigere gedragingen. Hierbij gaat
het om het niet voldoen aan een verplichting die door burgemeester en wethouders aan de uitkering is verbonden en het
zich niet naar vermogen
inspannen met werkzaamheden als kunstenaar (op grond van artikel
15,
tweede lid, onderdeel b, van de Wik is de kunstenaar niet tot andere arbeid
verplicht) zelfstandig in het bestaan te voorzien.
Artikel 6 koppelt aan de
aldus gerangschikte gedragingen de duur en de hoogte van de weigering van
de uitkering. Indien er binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van herhaald verwijtbaar
gedrag, wordt de grotere mate
van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling
van de duur van de verlaging. Onder "eerste gedraging" worden
in dit verband begrepen de eerste verwijtbare gedraging die voor
burgemeester en wethouders aanleiding is geweest een maatregel toe te passen
en de verwijtbare gedraging ten aanzien waarvan burgemeester en
wethouders op grond van omstandigheden van belanghebbende of wegens
dringende redenen geen maatregel hebben opgelegd. Een goede
registratie van de betreffende besluiten in de door burgemeester en wethouders
te voeren administratie is dus vereist. Bij het onderzoek naar eerdere
besluiten zal in voorkomende gevallen ook een vorige gemeente van
uitkering moeten worden betrokken.
Op grond van
artikel 15,
tweede lid, onderdeel a, van de Wik is de kunstenaar verplicht naar
behoren een administratie te voeren en daarin desgevraagd inzage te
verlenen aan burgemeester en wethouders. In het besluit zijn de maatregelen
die in dit kader kunnen worden opgelegd niet genormeerd; het al dan niet
aan de kunstenaar opleggen van een maatregel en de hoogte en
duur daarvan is derhalve geheel overgelaten aan het beleid van
burgmeester en wethouders. De reden hiervoor is als volgt. Op grond van artikel
112, tweede lid, van de Abw is de zelfstandige aan wie bijstand wordt
verleend verplicht om naar behoren een administratie te voeren. Een
specifiek maatregelenbeleid op dit punt, vastgelegd in het Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz, ontbreekt evenwel. Aangezien de positie van de
kunstenaar niet wezenlijk verschilt ten opzichte van de zelfstandige
die bijstand ontvangt, is ook hier geen van de Abw c.a. afwijkende lijn gevolgd.
Artikelen
7, 8, 9 en
10.
[Zie Boetebesluit socialezekerheidswetten, red.]
Deze artikelen bevatten een
normering met betrekking tot de administratieve boeten die worden opgelegd
naar aanleiding van een schending van de in de Wik
voor de belanghebbende geldende verplichting tot het
verstrekken van
inlichtingen.
Aan de opdracht dat
burgemeester en wethouders de hoogte van de boete afstemmen op de ernst
van de gedraging, op de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en op de omstandigheden
waarin hij verkeert (artikel 17, tweede lid, van de Wik), doet dit besluit derhalve niet af.
Bovendien hebben burgemeester en wethouders eveneens de bevoegdheid van
het opleggen van een boete af te zien indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn (artikel 17, derde lid, van de Wik).
Het eerste lid van
artikel 8
bepaalt de boete op 15% van het ten onrechte ontvangen bedrag. Is deze
15% lager dan ƒ100,- dan wordt de boete op ƒ100,- gesteld. Het tweede lid van dat artikel voorziet in een afrondingsmethodiek.
In artikel 9 is bepaald dat
in geval van herhaling van schending van de inlichtingenverplichting de
volgens artikel 8 op te leggen boete met 50% wordt verhoogd. Bij recidive
is de minimale boete derhalve ƒ150,-. Om te kunnen vaststellen of er
sprake is van recidive moeten burgemeester en wethouders een periode van
twee jaar in ogenschouw nemen.
Het kan zich voordoen dat
het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting op
het moment dat het feit wordt ontdekt niet tot een financieel voordeel bij
de belanghebbende heeft geleid. Het wordt niet redelijk geacht als uitgangspunt te nemen dat in een dergelijke
situatie in het geheel geen
boete wordt opgelegd. Op grond van artikel 10 wordt in zo’n situatie een
boete van ƒ100,- opgelegd.
Artikel 11
Artikel 19 van de
Wik regelt
jegens welke gemeente de kunstenaar zijn aanspraak op uitkering
geldend kan maken. Het vijfde lid van dat artikel bevat de mogelijkheid om bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen dat de uitvoering
geconcentreerd wordt bij een beperkt aantal bij die maatregel aan te wijzen
gemeenten. Deze facultatief geformuleerde delegatiebepaling wordt
hierbij ingevuld. De in artikel 11 van dit besluit opgenomen gebiedsindeling is
ontleend aan de regio-indeling van de Wet
gemeenschappelijke regelingen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|
|