|
MEMORIE
VAN TOELICHTING
Nadere
regelgeving:
- Bekendmaking rijksbijdrage inburgering nieuwkomers 2003
(vervallen)
- Bekendmaking rijksbijdrage
inburgering nieuwkomers 2004 (vervallen)
- Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers
(vervallen)
- Besluit brede doeluitkering sociaal,
integratie en veiligheid
- Besluit
maatschappelijke ondersteuning
- Besluit opleidingseisen Nederlandse nieuwkomers
(vervallen)
- Boetebesluit inburgering nieuwkomers (vervallen)
- Regeling aanwijzing bijzondere categorieën vreemdelingen ten behoeve
van inburgering (vervallen)
- Regeling aanwijzing nieuwkomers wegens verblijf voor een tijdelijk
doel (vervallen)
- Regeling certificaat inburgering (vervallen)
- Regeling gemeentelijk verslag inburgeringsactiviteiten
(vervallen)
- Regeling herziening rijksbijdrage inburgering nieuwkomers 2002
(vervallen)
- Regeling
informatieverstrekking Win 2003 (vervallen)
- Regeling
informatieverstrekking Win 2004 (vervallen)
- Regeling inhoudelijk verslag
nieuwkomers 2004
(vervallen)
- Regeling inhoudelijk verslag
nieuwkomers 2005
(vervallen)
- Regeling inhoudelijk verslag
nieuwkomers 2006
- Regeling overzicht Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse opleidingen en
diplomavergelijking Nederlandse nieuwkomers (vervallen)
- Regeling vaststelling model
financiële verantwoording en controleprotocol rijksbijdrage inburgering
nieuwkomers 2003 (vervallen)
- Regeling
vaststelling model financiële verantwoording en controleprotocol
rijksbijdrage inburgering nieuwkomers 2004
(vervallen)
- Regeling vaststelling modelformulier aanmelding voor inburgeringsonderzoek
(vervallen)
- Tijdelijke regeling bekostiging welzijnscomponent inburgering
nieuwkomers
(vervallen)
- Tijdelijke regeling overgangsrecht inburgering nieuwkomers in verband
met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 (vervallen)
- Uitvoeringsbesluit inburgering nieuwkomers
(vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Besluit herindeling ministeriële taak rijksbijdragen inburgering
nieuw- en oudkomers
Inhoudsopgave
Win
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1996-1997, 1997-1998, 25 114.
Handelingen II 1997-1998, blz. 1579-1603, 1666-1668.
Kamerstukken I 1997-1998, 25 114 (122, 122a, 122b, 122c, 122d, 122e).
Handelingen I 1997-1998, blz. 1355-1365.
Geschiedenis:
Staatsblad 1998,
261; Staatsblad 1999, 30;
Staatsblad 2000, 496; Staatsblad 2001,
351; Staatsblad 2001, 625;
Staatsblad 2003, 376; Staatsblad
2006, 351; Staatsblad 2006, 625.
WET van 9 april 1998, Stb.
1998, 261, houdende
regels met betrekking tot de inburgering van nieuwkomers in de
Nederlandse samenleving (Wet inburgering nieuwkomers).
Inwerkingtreding: 30 september 1998 (Stb. 1998,
533).
WIJ
BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels
vast te stellen met betrekking tot de inburgering van
nieuwkomers in de Nederlandse samenleving;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Begripsomschrijvingen
Art.
1. [Begripsbepalingen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998; Stb.
1999, 30; Stb. 2000,
496 + bis; Stb.
2001, 351; Stb. 2001,
625; Stb. 2006, 625]
-1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. nieuwkomer:
1º. de vreemdeling die in Nederland
rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor
bepaalde tijd als bedoeld in artikel
14 en artikel
28 van de Vreemdelingenwet
2000, die de
leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en die voor de eerste keer tot
Nederland is toegelaten, behoudens degene die hier voor een tijdelijk
doel verblijft, tenzij hij behoort tot een bij regeling van Onze Minister voor
Grotesteden- en
Integratiebeleid aan te wijzen categorie van
vreemdelingen, en behoudens degene die op grond van bepalingen van
verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties niet
verplicht kan worden aan een inburgeringsprogramma deel te nemen; en
2º. de
Nederlander die geboren is buiten Nederland, de
leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en voor
de eerste keer in Nederland ingezetene in de zin
van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is;
b.
college
van burgemeester en wethouders: het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente
waar de
nieuwkomer een woonplaats als bedoeld in titel
3 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek,
heeft;
c. inburgeringsonderzoek:
een onderzoek als bedoeld in artikel
4, derde lid;
d. inburgeringsprogramma:
een programma als bedoeld in artikel 6, eerste lid;
e. educatief
programma: een programma als bedoeld in artikel
6, eerste lid, onderdeel a;
f. instelling:
een instelling als bedoeld in artikel
1.3.1 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel
2.3.4 van die
wet is gesloten;
g. bevoegd
gezag: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel
1.1.1, onderdeel
w, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs;
h.
deelnemer:
de nieuwkomer die zich bij een instelling heeft laten
inschrijven voor het volgen van het voor hem
vastgestelde educatieve programma;
i. toets:
de toets, bedoeld in artikel 10;
j. ambtenaar:
de ambtenaar, bedoeld in artikel 17, eerste lid;
k. Centrale
organisatie werk en inkomen: de Centrale organisatie
werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk
4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen.
-2. Onder verblijf voor een
tijdelijk doel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
onder 1º, wordt het verblijf verstaan van:
a. de
vreemdeling ten behoeve van wie over een geldige
tewerkstellingsvergunning als bedoeld in artikel
2 van de Wet
arbeid vreemdelingen wordt beschikt,
en zijn gezinsleden;
b. de
vreemdeling, bedoeld in artikel
3, eerste lid, onderdeel
b, van de Wet
arbeid vreemdelingen,
en zijn gezinsleden; en
c. de
vreemdeling die behoort tot een bij regeling van Onze
Minister van Binnenlandse Zaken aan te wijzen categorie
van vreemdelingen. [Ranvtd]
-3. Met een nieuwkomer als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1º en
2º,
worden voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld
respectievelijk de in het eerste lid, onderdeel a, onder
1º,
bedoelde vreemdeling en de in het eerste lid, onderdeel a,
onder 2º, bedoelde Nederlander op wie de artikelen
2 en 4a van de
Leerplichtwet 1969
niet van toepassing zijn en die de
leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.
-4. Met een nieuwkomer als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1º en
2º,
worden voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld
respectievelijk de in het eerste lid, onderdeel a, onder
1º,
bedoelde vreemdeling en de in het eerste lid, onderdeel a,
onder 2º, bedoelde Nederlander die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en die op grond van de artikelen
4a tot en met 4c van de Leerplichtwet
1969 gedurende
ten hoogste twee dagen per week het daar bedoelde onderwijs
geregeld zou dienen te volgen. Artikel
4a van de Leerplichtwet
1969 is niet van toepassing
ten aanzien van degene die op grond van de eerste volzin is
gelijkgesteld met een nieuwkomer.
HOOFDSTUK
2
Het inburgeringsonderzoek
Art.
2.
[Aanmeldingsverplichting inburgeringsonderzoek]
[Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998; Stb.
1999, 30; Stb. 2000,
496; Stb.
2006, 625]
-1. Iedere
nieuwkomer meldt
zich op een door het college van burgemeester en
wethouders te bepalen wijze bij een door dit college
aangewezen instantie voor het houden van een
inburgeringsonderzoek. Hij meldt zich met een door hem
ingevuld aanmeldingsformulier. Indien het een nieuwkomer
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, betreft, wordt
hem dit formulier overhandigd tegelijk met de beschikking
waarbij de aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt ingewilligd.
Indien het een nieuwkomer als bedoeld in artikel
1, eerste lid, onderdeel a, onder 2º, betreft, wordt
hem dit formulier overhandigd op het moment dat hij aangifte
van verblijf en adres als bedoeld in artikel
65 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens doet. Onze
Minister van Binnenlandse
Zaken stelt voor het formulier een model vast. [Rvmai]
-2. De nieuwkomer die
vreemdeling is, voldoet aan de in het eerste lid bedoelde
verplichting:
a. indien
hij in een opvangcentrum verblijft, binnen zes weken
nadat hij na vertrek uit het centrum voor de eerste keer
aangifte van verblijf en adres als bedoeld in artikel
65 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft gedaan; en
b. in de
overige gevallen, binnen zes weken nadat hem de
beschikking waarbij de aanvraag tot het verlenen van
een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt
ingewilligd, is uitgereikt.
-3. De nieuwkomer die
Nederlander is, voldoet aan de in het eerste lid bedoelde
verplichting binnen zes weken nadat hij aangifte van
verblijf en adres als bedoeld in artikel
65 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft gedaan.
-4. Onder een opvangcentrum als
bedoeld in het tweede lid wordt verstaan: een door het Rijk
beschikbaar gestelde accommodatie die uitsluitend bestemd is
voor het bieden van tijdelijke opvang aan vreemdelingen.
Art.
3.
[Ontheffing aanmeldingsverplichting
inburgeringingsonderzoek] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
-1.
Het college van
burgemeester en wethouders ontheft de nieuwkomer van de in
artikel
2 bedoelde verplichting, indien deze:
a. op
lichamelijke of psychische gronden niet in staat is aan
enige krachtens deze wet voor hem geldende verplichting
te voldoen;
b. behoort
tot de nieuwkomers, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2º, en hier voor
een tijdelijk doel verblijft of aan bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze
Minister van Binnenlandse
Zaken vast te stellen
opleidingseisen voldoet; of [BoNn]
[RoNAodNn]
c. op
andere dan onder a en b bedoelde, gewichtige gronden
niet in staat is aan een zodanige verplichting te
voldoen.
-2. De nieuwkomer dient een
aanvraag tot een ontheffing als bedoeld in het eerste lid in
binnen dezelfde termijn als waarbinnen aan de in artikel
2 bedoelde verplichting zou moeten zijn voldaan.
-3. Het college van
burgemeester en wethouders vermeldt in zijn besluit tot
ontheffing de duur van de ontheffing. De duur van de
ontheffing bedraagt ten hoogste één jaar. De ontheffing
wordt voor onbepaalde tijd verleend, indien:
a. uit bij
de aanvraag verschafte gegevens en bescheiden blijkt dat
de nieuwkomer nooit in staat zal zijn aan enige
krachtens deze wet voor hem geldende verplichting te
voldoen; of
b. betrokkene
een nieuwkomer als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
is.
-4. Het college van
burgemeester en wethouders kan de duur van de ontheffing
verlengen. Op het besluit tot verlenging is het derde lid
van overeenkomstige toepassing.
-5. Zolang niet op de aanvraag
tot ontheffing of tot verlenging van de duur daarvan is
beslist, is de in artikel
2 bedoelde verplichting opgeschort.
-6. Onder verblijf voor een
tijdelijk doel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt
het verblijf verstaan van de Nederlander die behoort tot een
bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken aan te
wijzen categorie van Nederlanders. De aan te wijzen
categorie komt zoveel mogelijk overeen met een categorie van
vreemdelingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid. [Ranvtd]
Art.
4.
[Voorschriften omtrent
inburgeringsonderzoek] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998; Stb.
2001, 625; Stb.
2006, 625]
-1. Het college van
burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat het
inburgeringsonderzoek zo spoedig mogelijk wordt gehouden
nadat de betrokken nieuwkomer zich heeft gemeld. Het
college draagt er tevens zorg voor dat bij het onderzoek
een instelling en, voor zover de nieuwkomer op grond van
de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
het recht
toekomt zich te laten registreren als werkzoekende, de
Centrale organisatie werk en inkomen
worden betrokken.
-2. Het inburgeringsonderzoek
is een onderzoek naar de mate waarin de nieuwkomer in
Nederland in een maatschappelijke achterstandssituatie kan
geraken. Het onderzoek heeft in ieder geval betrekking op
de mate waarin de nieuwkomer actief en passief de
Nederlandse taal beheerst en kennis van de Nederlandse
samenleving en de Nederlandse arbeidsmarkt heeft, alsmede
op de mate waarin hij naar verwachting door het volgen van
een voor hem vast te stellen inburgeringsprogramma kennis,
inzicht en vaardigheden kan verwerven met het oog op
verdere scholing of toegang tot de arbeidsmarkt.
-3. Het inburgeringsonderzoek
bestaat uit:
a. een
beoordeling van het ingevulde aanmeldingsformulier;
b. tenzij
uit de op het formulier ingevulde gegevens blijkt dat
de nieuwkomer niet voor een inburgeringsprogramma in
aanmerking komt, een begingesprek met de nieuwkomer
waarin het doel van een inburgeringsprogramma en de
verdere procedure uiteen worden gezet en de
nieuwkomer, zo nodig, om een toelichting op deze
gegevens wordt gevraagd;
c. tenzij
uit het begingesprek blijkt dat de nieuwkomer niet
voor een inburgeringsprogramma in aanmerking komt, een
test van de kennis, het inzicht en de vaardigheden van
de nieuwkomer ten behoeve van de vaststelling van de
inhoud van het inburgeringsprogramma; en
d. tenzij
uit de resultaten van de test blijkt dat de nieuwkomer
niet voor een inburgeringsprogramma in aanmerking
komt, een eindgesprek met de nieuwkomer waarin met hem
het vast te stellen inburgeringsprogramma, het met het
programma te bereiken einddoel en zijn rechten en
verplichtingen worden besproken.
-4. De nieuwkomer verleent
zijn medewerking aan het inburgeringsonderzoek. Het
college van burgemeester en wethouders maakt aan de
nieuwkomer tijdig bekend waaruit de te verlenen
medewerking bestaat.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld over de criteria
aan de hand waarvan het inburgeringsonderzoek wordt
gehouden. [Uin]
HOOFDSTUK
3
Het inburgeringsprogramma
§ 1.
Vaststelling van het inburgeringsprogramma
Art.
5.
[(Achterwege laten) vaststelling
inburgeringsprogramma | Toets] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
-1.
Zo spoedig mogelijk
nadat het inburgeringsonderzoek is gehouden, stelt het
college van burgemeester en wethouders op grond van de
resultaten van het onderzoek voor de betrokken
nieuwkomer een inburgeringsprogramma vast. Het
inburgeringsprogramma is gericht op vergroting van de
sociale redzaamheid van de nieuwkomer en van diens
mogelijkheden om zich verder te scholen of toe te treden
tot de arbeidsmarkt.
-2.
Het college van
burgemeester en wethouders besluit het vaststellen van
een inburgeringsprogramma achterwege te laten indien
tijdens het inburgeringsonderzoek aannemelijk is
geworden dat de nieuwkomer de kennis, het inzicht en de
vaardigheden die hij door het deelnemen aan een
inburgeringsprogramma zou kunnen verwerven, reeds in
voldoende mate op andere wijze heeft verworven dan wel
binnen een redelijke termijn in voldoende mate op andere
wijze zal verwerven.
-3.
Het college van
burgemeester en wethouders kan aan een besluit als
bedoeld in het tweede lid de voorwaarde verbinden dat de
betrokken nieuwkomer op een door het college te bepalen
datum een toets aflegt en daarbij het in artikel
11, eerste lid, onderdeel
b, bedoelde niveau behaalt. Het
college draagt er zorg voor dat de toets wordt afgenomen
door een instelling. In het geval dat aan de in de eerste
volzin genoemde voorwaarde niet wordt voldaan, stelt het
college zo spoedig mogelijk na de datum waarop de
resultaten van de toets bekend zijn gemaakt, voor de
betrokken nieuwkomer alsnog een inburgeringsprogramma
vast. In dat geval wordt de termijn, bedoeld in artikel
8.1.3, achtste lid, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, verlengd met de tijd die is
verlopen tussen de datum waarop het in de eerste volzin
bedoelde besluit is genomen en de datum waarop het
inburgeringsprogramma is vastgesteld.
-4. Onverminderd het derde
lid kan de in het tweede lid bedoelde nieuwkomer bij het
college van burgemeester en wethouders een aanvraag
indienen tot het nemen van een besluit hem een toets te
laten afleggen. Het college voldoet aan deze aanvraag,
tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Indien
het college aan de aanvraag voldoet, draagt het er zorg
voor dat de toets wordt afgenomen door een instelling.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels over de uitvoering van
het tweede lid worden gesteld.
Art.
6.
[Vereisten inburgeringsprogramma] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
-1.
Een
inburgeringsprogramma bestaat uit:
a.
een
op het niveau, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel
b, gericht educatief
programma van een door het college van burgemeester en
wethouders met inachtneming van het tweede lid vast te
stellen aantal uren dat de volgende onderdelen bevat:
1º. een
op dat niveau gericht deel van een in artikel
7.3.1 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs bedoelde opleiding Nederlands als tweede taal I of
II;
2º. een
in dat artikel van die
wet bedoelde opleiding
gericht op sociale redzaamheid;
3º. een
in dat artikel van die wet bedoelde opleiding
gericht op breed maatschappelijk functioneren; en
4º. een toets;
b. maatschappelijke
begeleiding; en
c. doorgeleiding
naar een instantie die zorg draagt voor verdere
scholing of voor toegang tot de arbeidsmarkt, voor
zover de nieuwkomer daarvoor in aanmerking komt.
-2. In het
inburgeringsprogramma worden in ieder geval het resultaat,
de intensiteit en de duur van de in het eerste lid,
onderdeel a, onder 1º, 2º en 3º, bedoelde onderdelen
van het educatieve programma vastgesteld. Het aantal uren
van het educatieve programma wordt vastgesteld op de
grondslag van een gemiddelde omvang van deze programma's
van 600 uren.
-3. Indien tijdens het
inburgeringsonderzoek aannemelijk is geworden dat de
nieuwkomer de kennis, het inzicht en de vaardigheden die
hij zou verwerven door het volgen van één van de in het
eerste lid, onderdeel a, onder 1º, 2º en 3º, bedoelde
onderdelen van het educatieve programma of gedeelten
daarvan, reeds in voldoende mate op andere wijze heeft
verworven dan wel binnen een redelijke termijn in
voldoende mate op andere wijze zal verwerven, neemt het
college van burgemeester en wethouders dit onderdeel of
gedeelte daarvan niet op in het voor de betrokken
nieuwkomer vast te stellen inburgeringsprogramma.
-4. Het college van
burgemeester en wethouders kan het inburgeringsprogramma
wijzigen indien de evaluatiegesprekken, bedoeld in artikel
15, of andere, bijzondere redenen daartoe aanleiding
geven.
-5. Het college van
burgemeester en wethouders vraagt een instelling om advies
ten behoeve van het vaststellen of wijzigen van het
inburgeringsprogramma, voor zover dit het educatieve
programma betreft.
§ 2.
Aanbod van inburgeringsprogramma's
Art.
7.
[Voldoende aanbod
inburgeringsproagramma's] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
Het college van
burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat er voor
de nieuwkomers voor wie een inburgeringsprogramma is
vastgesteld een zodanig aanbod van inburgeringsprogramma's
is dat zij aan de krachtens deze wet voor hen geldende
verplichtingen kunnen voldoen.
§ 3.
Het educatieve programma
Art.
8.
[Inschrijving educatieve programma]
[Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
Binnen een door
het college van burgemeester en wethouders te bepalen
termijn na de bekendmaking van het voor hem vastgestelde
inburgeringsprogramma laat de nieuwkomer zich voor het
volgen van het educatieve programma inschrijven bij een
instelling. Het college draagt er zorg voor dat deze termijn
zo wordt gekozen dat het bevoegd gezag van de instelling kan
voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel
8.1.3, achtste lid, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs.
Art.
9.
[Presentieverplichting educatieve programma] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
-1. De deelnemer is
aanwezig bij alle onderdelen van het voor hem
vastgestelde educatieve programma.
-2. De deelnemer is van de
in het eerste lid bedoelde verplichting vrijgesteld
zolang zich één van de in artikel
11, onderdeel
a tot en met e en g, van de
Leerplichtwet
1969 genoemde omstandigheden voordoet, met dien verstande dat
in dat artikel voor "jongere" moet worden gelezen:
deelnemer.
-3. In het geval, bedoeld
in het tweede lid, zijn de artikelen
12, 13, 13b
en 14 van de Leerplichtwet
1969 van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat in de gevallen,
bedoeld in de artikelen
13b en 14,
eerste lid, van die
wet, de kennisgeving
onderscheidenlijk het verzoek wordt gedaan door de
deelnemer.
Art.
10.
[Toets educatieve programma]
[Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
-1.
Het bevoegd gezag van
de instelling waarbij de deelnemer zich heeft laten
inschrijven, geeft de deelnemer binnen één jaar na de
inschrijving de gelegenheid een toets af te leggen. Het
bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de deelnemer de in
artikel
6, eerste lid, onderdeel a, onder 1º,
2º en
3º,
bedoelde onderdelen van het voor hem vastgestelde
educatieve programma tijdig binnen deze termijn heeft
voltooid.
-2.
Het bevoegd gezag van de
instelling kan de deelnemer de gelegenheid geven een toets
af te leggen indien deze de in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, 2º en 3º,
bedoelde onderdelen van het voor hem vastgestelde
educatieve programma nog niet heeft voltooid, mits de
deelnemer tegenover het bevoegd gezag aannemelijk heeft
kunnen maken dan wel het bevoegd gezag op grond van eigen
bevindingen verwacht dat de deelnemer bij de toets het in artikel
11, eerste lid, onderdeel b, bedoelde niveau zal kunnen
behalen. Indien dit niveau wordt behaald, vervalt voor de
deelnemer de in artikel 9, eerste lid, bedoelde verplichting. Indien dit
niveau niet wordt behaald, worden de desbetreffende
onderdelen van het educatieve programma voortgezet totdat
zij zijn voltooid, dan wel tot een eerder tijdstip, zodra
opnieuw aan de in de eerste volzin bedoelde voorwaarde
wordt voldaan.
-3. Indien de deelnemer
daartoe de gelegenheid is gegeven, legt hij de toets af.
Art.
11.
[Niveaus toetsresultaten educatieve
programma] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
-1. De resultaten van de
toets worden gemeten naar twee verschillende niveaus,
waarbij:
a. het
ene niveau ten minste aangeeft dat de deelnemer in de
Nederlandse samenleving als ingeburgerd kan worden
beschouwd op een wijze als bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel
d, van de Rijkswet
op het Nederlanderschap; en
b. het
andere niveau in voorkomende gevallen betekenis
heeft voor de doorstroming naar vervolgonderwijs en
de arbeidsmarkt.
-2. Bij regeling van Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen worden
nadere regels gesteld over de in het eerste lid bedoelde
niveaus.
§ 4.
Overige bepalingen
Art.
12.
[Verplichte medewerking aan
maatschappelijke begeleiding en verdere scholing of toegang
tot arbeidsmarkt] [Geschiedenis:
versie 9 april 1998; Stb.
2001, 625; Stb.
2006, 625]
-1.
De
nieuwkomer verleent zijn medewerking aan de in artikel
6, eerste lid, onderdeel
b en c, bedoelde onderdelen van het voor hem
vastgestelde inburgeringsprogramma.
-2.
Ten behoeve van de uitvoering van het in artikel
6, eerste
lid, onderdeel c, bedoelde onderdeel
van het inburgeringsprogramma draagt het college van
burgemeester en wethouders er zorg voor dat een advies wordt
opgesteld over doorstroming van de nieuwkomer naar
vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt. Bij het opstellen
van het advies worden de resultaten, vermeld in de
verklaring, bedoeld in
artikel 7.4.15 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, en de
Centrale organisatie werk en inkomen
betrokken.
Art.
13.
[Duur inburgeringsprogramma; deelnamecertificaat] [Geschiedenis:
versie 9 april 1998; Stb.
2006, 625]
-1.
Het
college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor
dat het inburgeringsprogramma is voltooid binnen zes maanden
nadat de betrokken nieuwkomer de toets heeft afgelegd.
-2. Nadat
het inburgeringsprogramma is voltooid, draagt het college
van burgemeester en wethouders er zorg voor dat aan de
deelnemer een certificaat wordt uitgereikt waaruit diens
deelname aan het programma blijkt. Indien uit de verklaring,
bedoeld in artikel
7.4.15 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs,
blijkt dat de deelnemer heeft voldaan aan één van de in artikel
11, eerste lid, bedoelde niveaus, wordt op het certificaat
het behaalde niveau vermeld.
-3.
Onze
Minister van Binnenlandse
Zaken stelt voor het
certificaat een model vast. [Rci]
Art.
14.
[Nadere regelgeving verhuizing naar
andere gemeente] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998; Stb.
1999, 30; Stb.
2006, 625]
Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
vastgesteld voor het geval dat de nieuwkomer tijdens zijn
deelname aan het voor hem vastgestelde inburgeringsprogramma
aangifte van adreswijziging als bedoeld in artikel
66 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens doet bij het bestuur van een andere gemeente
dan de gemeente waarvan het college van
burgemeester en wethouders het inburgeringsprogramma heeft
vastgesteld. [Uin]
HOOFDSTUK
4
Trajectbegeleiding
Art.
15.
[Trajectbegeleiding] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
-1.
Het college van
burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat de
nieuwkomer vanaf het moment waarop deze zich op grond van artikel
2 heeft gemeld, tot aan het moment waarop het
inburgeringsprogramma is voltooid, voldoende wordt begeleid.
-2.
Ten behoeve van de
begeleiding van de nieuwkomer wordt voor hem een individueel
trajectplan opgesteld waarin het tijdens het
inburgeringsonderzoek vastgestelde niveau van de kennis, het
inzicht en de vaardigheden van de nieuwkomer, het met het
inburgeringsprogramma te bereiken einddoel en een regeling
van tussentijdse evaluatiegesprekken met de nieuwkomer
worden vastgelegd. Tijdens deze evaluatiegesprekken wordt
vastgesteld welke voortgang de nieuwkomer heeft geboekt bij
het deelnemen aan het voor hem vastgestelde
inburgeringsprogramma. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gegeven over de vaststelling van
de voortgang alsmede over de registratie daarvan. [Uin]
HOOFDSTUK
5
Financiële
aspecten
Art.
16. [Financiering] [Bbdsiv]
[Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb. 2006, 625]
Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport kent, na overleg met Onze
Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van
Binnenlandse Zaken, aan de gemeenten jaarlijks een
rijksbijdrage toe ten behoeve van de uitvoering van de artikelen
4, 5
en 6,
eerste lid, onderdeel
b en c, en 15.
De bijdrage wordt, binnen het raam van de door de
begrotingswetgever vastgestelde middelen, berekend op grond
van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
vastgestelde berekeningswijze. De rijksbijdrage kan mede
worden aangewend voor educatieve programma's. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
met betrekking tot de rijksbijdrage. Deze regels hebben in
ieder geval betrekking op voorwaarden, te verbinden aan de
toekenning van de rijksbijdrage en aan de in de derde volzin
bedoelde aanwending, tussentijdse wijziging van de
rijksbijdrage, verantwoording van de besteding van de
rijksbijdrage en bestemming van niet-bestede middelen. De
voordracht voor een in dit artikel bedoelde algemene maatregel
van bestuur wordt gedaan door Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport. [Bin]
[Brin03] [Brin04] [Rgvi]
[Rhrin02] [Rivn04]
[Rivn05] [Rivn06]
[RiW03] [RiW04]
[Rvmfvcrin03] [Rvmfvcrin04]
HOOFDSTUK
6
Handhaving
Art.
17.
[Toezicht naleving verplichtingen] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
-1.
Het toezicht op de
naleving van de artikelen
2, 4,
vierde lid, 8,
eerste volzin, 9,
eerste lid, 10,
derde lid, en 12,
eerste lid, is opgedragen aan het college van
burgemeester en wethouders, dat daartoe één of meer
ambtenaren aanwijst. Op dit toezicht zijn de artikelen
16, tweede, derde en vierde lid, 17,
18, eerste en derde lid,
en 21, tweede lid, van de Leerplichtwet
1969 van overeenkomstige toepassing.
-2.
Het college van
burgemeester en wethouders controleert of de nieuwkomers die
als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens
zijn ingeschreven, zich hebben gehouden aan hun
verplichting, bedoeld in artikel 2.
-3. Indien blijkt dat een
nieuwkomer zich niet aan de verplichting, bedoeld in artikel
2 of 9,
eerste lid, heeft gehouden, zonder dat een grond voor
ontheffing dan wel vrijstelling aanwezig is, zich niet aan
de verplichting, bedoeld in de artikelen 4, vierde lid,
8,
eerste volzin, 10,
derde lid, of 12,
eerste lid, heeft gehouden of indien een kennisgeving
als bedoeld in artikel 21,
tweede lid, van de Leerplichtwet
1969 is ontvangen,
stelt de ambtenaar een onderzoek in. Hij hoort de betrokken
nieuwkomer en tracht hem te bewegen zijn verplichtingen na
te komen. Indien blijkt dat de nieuwkomer weigert deze
verplichtingen na te komen, zendt de ambtenaar een verslag
van zijn bevindingen aan het college van burgemeester en
wethouders.
Art.
18.
[Boete bij niet-nakoming verplichtingen]
[Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998; Stb.
2003, 376; Stb.
2006, 625]
-1.
Indien een nieuwkomer in
strijd met de artikelen
2, 4, vierde lid, 8, eerste
volzin, 9, eerste lid, 10, derde lid,
of 12, eerste lid, handelt, legt het college van burgemeester
en wethouders ter zake van de overtreding aan de nieuwkomer
bij beschikking een bestuurlijke boete op.
-2.
De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van het feit, de omstandigheden
waarin de nieuwkomer verkeert en de mate van
verwijtbaarheid.
-3. De beschikking vermeldt in
ieder geval:
a. de
hoogte van de boete;
b. de
termijn waarbinnen de boete moet worden betaald;
c. het
feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd alsmede
het overtreden wettelijk voorschrift; en
d. een
aanduiding van de plaats waar en van het tijdstip waarop
de overtreding is begaan.
-4. Indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, kan het college van burgemeester en
wethouders besluiten van het opleggen van een boete af te
zien.
-5. Het opleggen van een boete
blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging de bijstand
is verlaagd op grond van
artikel 18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand.
-6. De bevoegdheid tot het
opleggen van een boete vervalt twee jaar nadat de
overtreding is begaan.
-7. Bij gemeentelijke verordening worden nadere regels gesteld over de
hoogte van de boete. [Boin]
Art.
19.
[Voorschriften rond voorgenomen
boeteoplegging] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
-1. Indien het college van
burgemeester en wethouders of een ambtenaar jegens de
nieuwkomer een handeling verricht waaraan deze in
redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem
wegens een bepaald feit een boete zal worden opgelegd, is
de nieuwkomer niet langer verplicht ter zake van dat feit
enige verklaring af te leggen.
-2. Indien het college van
burgemeester en wethouders voornemens is een boete op te
leggen, geeft het de nieuwkomer daarvan kennis onder
vermelding van het feit ter zake waarvan het voornemen
bestaat en van de gronden waarop het voornemen berust. De
kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste
lid.
-3. Op verzoek van de
nieuwkomer die de in het tweede lid bedoelde kennisgeving
wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, draagt het college van burgemeester
en wethouders er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die
kennisgeving vermelde gronden aan de nieuwkomer worden
meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van afdeling
4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt het
college van burgemeester en wethouders de nieuwkomer in de
gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn
zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt
opgelegd.
-5. Indien de nieuwkomer zijn
zienswijze naar voren brengt, draagt het college van
burgemeester en wethouders er op verzoek van de nieuwkomer
die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor
dat een tolk wordt benoemd die de nieuwkomer kan bijstaan,
tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan
geen behoefte bestaat.
Art.
20.
[Aanmaning en dwangbevel bij
niet-betaling boete] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
-1.
Indien de boete niet is
betaald binnen de overeenkomstig artikel
18, derde lid, onderdeel
b, bepaalde termijn, wordt de
nieuwkomer schriftelijk bevolen binnen twee weken alsnog het
bedrag van de boete, verhoogd met de kosten van de
aanmaning, te betalen.
-2.
Bij gebreke van betaling
kan het college van burgemeester en wethouders de boete,
verhoogd met de op de aanmaning en invordering betrekking
hebbende kosten, bij dwangbevel invorderen.
-3. De bevoegdheid tot
invordering vervalt binnen twee jaar nadat de beschikking
inzake oplegging van de boete onherroepelijk is geworden.
-4. Het dwangbevel wordt op
kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en
levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-5. Gedurende zes weken na de
dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open
door dagvaarding van de gemeente. Het verzet schorst de
tenuitvoerlegging. Op verzoek van de gemeente kan de rechter
de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.
-6. De boete komt ten goede aan
de gemeente.
HOOFDSTUK
7
Slot-
en overgangsbepalingen
Art.
21.
[Wijziging WEB] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
De Wet
educatie en beroepsonderwijs wordt als volgt gewijzigd:
A.
In artikel 1.1.1, onderdeel q, wordt voor de puntkomma
ingevoegd: , alsmede degene die nieuwkomer is ingevolge
artikel 1, derde en vierde lid, van de Wet inburgering
nieuwkomers.
B. [MvT]
In artikel 2.3.1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt de
derde volzin vervangen door: De maatstaven hebben in elk geval betrekking op het aantal
volwassen inwoners van de desbetreffende gemeenten, waarbij
rekening wordt gehouden met het opleidingsniveau en de
etnische achtergrond van die inwoners.
2. Het tweede lid komt te luiden:
-2. Onze Minister kent, na overleg met Onze Ministers van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Binnenlandse
Zaken,
aan de gemeenten jaarlijks een rijksbijdrage toe ten behoeve
van de educatie, voor zover het betreft de educatieve
programma’s, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet
inburgering nieuwkomers. De bijdrage wordt, binnen het raam
van de door de begrotingswetgever vastgestelde middelen,
berekend op grond van een bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur vastgestelde berekeningswijze. De rijksbijdrage kan
mede worden aangewend voor in artikel 16 van de Wet
inburgering nieuwkomers bedoelde doeleinden. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
met betrekking tot de rijksbijdrage. Deze regels hebben in
ieder geval betrekking op voorwaarden, te verbinden aan de
toekenning van de rijksbijdrage en aan de in de derde volzin
bedoelde aanwending, tussentijdse wijziging van de
rijksbijdrage, verantwoording van de besteding van de
rijksbijdrage en bestemming van niet-bestede middelen. De in
het eerste lid bedoelde rijksbijdrage kan mede worden
aangewend ten behoeve van educatieve programma’s als bedoeld
in de eerste volzin.
C. [MvT]
In artikel 2.3.2 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid wordt "rijksbijdrage"
vervangen door: rijksbijdragen als bedoeld in artikel 2.3.1,
eerste en tweede lid,.
2. In het derde lid wordt "artikel
2.3.1, eerste en derde lid"
vervangen door: artikel 2.3.1, eerste, tweede en derde lid.
D. [MvT]
Aan artikel 2.3.6 wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt:
-5. Voor zover het educatieve programma’s als bedoeld in artikel
6, eerste lid, van de Wet inburgering nieuwkomers
betreft, worden de in het eerste lid bedoelde gegevens mede
verstrekt aan Onze
Minister van Binnenlandse
Zaken ten behoeve
van het door deze te voeren beleid met betrekking tot
inburgering van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving en
wordt de in dat lid bedoelde medewerking mede verleend aan
door of namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken uit te
voeren onderzoek met betrekking tot die inburgering dat geheel
of mede op deze gegevens is gebaseerd.
E. [MvT]
In artikel 7.1.2, derde lid, wordt na "een
examen"
ingevoegd: , uitgezonderd een educatief programma als bedoeld
in artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering nieuwkomers.
F.
Het opschrift van hoofdstuk 7, titel 4, komt te luiden: Examens
en toetsen.
G. [MvT]
In artikel 7.4.1 wordt "en
opleidingen Nederlands als tweede taal I en II"
vervangen door: , opleidingen Nederlands als tweede taal I en
II en in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel b en d,
bedoelde opleidingen, voor zover deze deel uitmaken van
educatieve programma’s als bedoeld in artikel
6, eerste lid,
van de Wet inburgering nieuwkomers.
H. [MvT]
Na artikel 7.4.11 wordt een paragraaf ingevoegd, die luidt:
§ 3. Toetsen educatieve programma’s
Art. 7.4.12. Reikwijdte [MvT]
Deze paragraaf is van toepassing op educatieve programma’s
als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering
nieuwkomers.
Artikel 7.4.13. Toetsen educatieve programma’s [MvT]
De toets van een educatief programma omvat een onderzoek naar
de kennis, het inzicht en de vaardigheden die de deelnemer
zich door de deelname aan de in artikel
6, eerste lid,
onderdeel a, onder 1º en 2º, van de Wet inburgering
nieuwkomers bedoelde onderdelen van dat programma heeft eigen
gemaakt. De toets is zodanig ingericht dat de resultaten die
daaruit blijken een indicatie geven van het niveau dat de
deelnemer heeft bereikt ten opzichte van de in artikel 11 van
die wet bedoelde niveaus.
Art. 7.4.14. Vaststelling toets [MvT]
Het bevoegd gezag stelt de inhoud van de toets vast met
inachtneming van een door Onze Minister
vastgestelde regeling.
Art. 7.4.15. Bewijsstukken van afgelegde toetsen [MvT]
-1. Ten bewijze dat een toets is afgelegd, reikt het bevoegd
gezag aan de deelnemer een verklaring uit. De verklaring
vermeldt de in artikel 7.4.13 bedoelde resultaten.
-2. Het bevoegd gezag zendt een afschrift van de verklaring
aan het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet
inburgering nieuwkomers.
Art. 7.4.16. Toetsregeling educatieve programma’s [MvT]
-1. De artikelen 7.4.5, 7.4.8 en 7.4.9 zijn van
overeenkomstige toepassing op de educatieve programma’s en
de toetsen, met dien verstande dat de examencommissie als
toetsingscommissie optreedt.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in afwijking van
de artikelen 6:7, 7:10 en
7:24 van de Algemene wet
bestuursrecht kortere termijnen dan in die artikelen vermeld,
worden bepaald voor de indiening van een bezwaar- of
beroepschrift en voor de daarop te nemen beslissing ter zake
van de deelneming aan een toets.
I. [MvT]
Na artikel 7.5.4 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:
Artikel 7.5.5. Toepassing op toetsen educatieve programma’s
De artikelen 7.5.1 tot en met 7.5.4 zijn van overeenkomstige
toepassing op de toetsen, bedoeld in titel 4, met dien
verstande dat de commissie van beroep voor de examens tevens
als commissie van beroep voor de toetsen optreedt.
J. [MvT]
In artikel 8.1.1, vijfde lid, wordt na "artikel
7.2.2, eerste lid"
ingevoegd: , alsmede voor een educatief programma als bedoeld
in artikel
6, eerste lid, van de Wet inburgering nieuwkomers.
K. [MvT]
Aan artikel 8.1.3 wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt:
-8. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het educatieve
programma, bedoeld in artikel
6, eerste lid, van de Wet
inburgering nieuwkomers, voor de desbetreffende deelnemer
aanvangt binnen vier maanden na de melding, bedoeld in artikel
2 van die wet. De in het eerste lid bedoelde overeenkomst
tussen het bevoegd gezag en deze deelnemer bevat geen
bepalingen over de onderwerpen die zijn geregeld bij of
krachtens de Wet inburgering nieuwkomers. Het derde lid, onderdeel f en g, blijft
ten aanzien van deze overeenkomst buiten toepassing.
Art.
22.
[Wijziging Welzijnswet 1994] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
De Welzijnswet 1994
wordt als volgt gewijzigd:
Aan het slot van onderdeel k van artikel 2 wordt
toegevoegd: behoudens voor zover de Wet inburgering
nieuwkomers van toepassing is.
Art.
23.
[Evaluatiebepaling] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb.
2006, 625]
Onze
Minister van Binnenlandse
Zaken zendt binnen drie jaar na de
inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet
in de praktijk.
Art.
24.
[Invoeringsbepalingen] [Geschiedenis:
MvT; versie 9 april 1998;
Stb. 2006, 351; Stb.
2006, 625]
-1.
Voor zover het tijdstip
waarop deze wet in werking treedt binnen de termijn,
bedoeld in artikel
2, tweede of derde lid, valt, wordt deze termijn
verlengd tot het tijdstip waarop zes weken zijn verstreken
sinds het tijdstip van inwerkingtreding.
-2.
Onder de in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder
2º, bedoelde
nieuwkomer wordt niet verstaan de Nederlander die in enig
persoonsregister als bedoeld in het Besluit
bevolkingsboekhouding opgenomen is geweest.
-3. De artikelen
2.3.1 en 2.3.2 van
de Wet
educatie en beroepsonderwijs, zoals deze
luiden na de inwerkingtreding van deze wet, en artikel
16 vinden voor het eerst toepassing met betrekking tot
het eerste kalenderjaar na deze inwerkingtreding. De
voorwaarden, gesteld krachtens artikel
2.3.1, eerste lid, derde volzin, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, zoals dit luidt op de dag vóór de
inwerkingtreding van artikel
21, onderdeel A, blijven van kracht ten aanzien van de
middelen waarop deze voorwaarden betrekking hebben.
-4. Voor zover deze wet of
de Wet
educatie en beroepsonderwijs daarin niet voorziet, alsmede
indien nodig in afwijking van het bij of krachtens deze wetten bepaalde,
worden bij ministeriële regeling regels vastgesteld ten behoeve van een goede
invoering van deze wet of de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals gewijzigd door deze
wet. [Trbwin]
[TroiniV]
-5. Artikel 1, derde en vierde lid, is voor de eerste maal van
toepassing op de daar bedoelde vreemdeling of Nederlander
die na inwerkingtreding van deze wet voor de eerste keer tot
Nederland is toegelaten, respectievelijk die na
inwerkingtreding van deze wet voor de eerste keer in
Nederland ingezetene in de zin van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is.
Art.
25.
[Inwerkingtreding] [Geschiedenis:
versie 9 april 1998; Stb.
2006, 625]
Deze wet treedt
in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.¹
Bij koninklijk besluit kan een ander tijdstip worden
vastgesteld waarop artikel 24, vierde lid, in werking treedt.
1. Bij Besluit
van 21 augustus 1998, Stb. 1998, 533, is het
tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 30 september 1998, red.
Art.
26.
[Citeertitel] [Geschiedenis:
versie 9 april 1998; Stb.
2006, 625]
Deze wet wordt
aangehaald als: Wet inburgering nieuwkomers.
Lasten en bevelen
dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle
ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 9
april 1998
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
H.F.
Dijkstal
De
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
J.M.M.
Ritzen
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.G.
Terpstra
Uitgegeven de
twaalfde mei 1998
De Minister van
Justitie,
W.
Sorgdrager
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|