|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1996-1997,
25 114
Regels met betrekking tot de inburgering van nieuwkomers in de
Nederlandse samenleving (Wet inburgering nieuwkomers)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Aanleiding en doel
van het wetsvoorstel |
| 1.2 |
Naar een
samenhangend en praktisch integratiebeleid |
| 1.3 |
De huidige situatie |
| 1.4 |
Reacties van de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Landelijke Advies- en
Overlegstructuur minderhedenbeleid |
| 2 |
Hoofdlijnen
van het wetsvoorstel |
| 2.1 |
Doelgroepen |
| 2.2 |
Achterstandssituatie |
| 2.3 |
Het
inburgeringsonderzoek |
| 2.4 |
Het
inburgeringsprogramma |
| 2.5 |
De
trajectbegeleiding |
| 2.6 |
Organisatie en
samenwerking tussen (gemeentelijke) instellingen |
| 2.7 |
Relatie met andere
wetgeving |
| 2.8 |
Financiële
aspecten |
| 2.9 |
Handhaving en
rechtsbescherming |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 24 |
Algemeen
1.
Inleiding
1.1. Aanleiding en doel
van het wetsvoorstel
In de Contourennota
"Integratiebeleid etnische minderheden" (Kamerstukken II 1993-1994, 23
684, nr. 1) is reeds gesteld dat immigratie geen tijdelijk verschijnsel
is. Ieder jaar komen tienduizenden immigranten naar ons land om zich
hier te vestigen. Ook al heeft de verhoogde inspanning van de afgelopen
tijd ertoe geleid dat de omvang van de immigratie is teruggelopen, toch
is het realistisch het komende decennium met een aanzienlijke
immigratiestroom rekening te blijven houden.
Het gegeven van een
permanente immigratie op een relatief hoog niveau heeft consequenties
voor het integratiebeleid. Het is voor de samenleving en de betrokken
nieuwkomers van het grootste belang dat zij zich zo snel mogelijk
zelfstandig in die samenleving kunnen redden. In de lijn van
meergenoemde Contourennota mag van de betrokken nieuwkomers immers
worden verwacht dat zij zich ontwikkelen tot oordeelkundige en mondige
burgers die zich staande weten te houden in de competitieve Nederlandse
samenleving. Het kabinetsbeleid is derhalve gericht op inburgering van
nieuwkomers, dat wil zeggen het verwerven van het vermogen om
zelfstandig aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen. Inburgering
moet in dit verband worden gezien als een eerste stap in het
integratieproces: door inburgering worden nieuwkomers in de gelegenheid
gesteld aansluiting te vinden op educatie en arbeidsmarkt. Bij
inburgering gaat het om het leren van de Nederlandse taal en het
verwerven van een eerste inzicht in de maatschappelijke en staatkundige
verhoudingen in onze samenleving en het verwerven van een eerste inzicht
in de Nederlandse arbeidsmarkt.
Op de
gemeente rust in
dit verband de taak de nieuwkomers die met het oog op permanent verblijf
in Nederland aanwezig zijn, te helpen hun weg in die samenleving te
vinden, op de nieuwkomers de plicht de hen rblz.|2|
geboden kansen te benutten.
In het onderhavige wetsvoorstel is de tweezijdigheid van deze relatie
tot uitdrukking gebracht. Tegenover de verplichting van de nieuwkomer om
zich voor inburgering in te spannen, staat de zorgplicht van de gemeente hem daartoe in de gelegenheid te stellen. Op die manier ontstaat een
evenwichtig samenstel van rechten en plichten.
Op de
gemeente rust de
plicht een inburgeringsonderzoek te houden ten aanzien van iedere
nieuwkomer in de zin van het wetsvoorstel; de nieuwkomer is gehouden
zich voor een dergelijk onderzoek te melden. Door middel van dit
onderzoek dient het college van burgemeester en wethouders te bepalen in
hoeverre het noodzakelijk is dat de nieuwkomer een op zijn persoon
toegesneden inburgeringsprogramma volgt. Indien die noodzaak is
vastgesteld, rust op de nieuwkomer de verplichting aan het
inburgeringsprogramma deel te nemen. Het college van burgemeester en
wethouders draagt er zorg voor dat er voor de nieuwkomer een zodanig
aanbod van inburgeringsprogramma’s is dat hij aan deze verplichting
kan voldoen. De nieuwkomer is verplicht zich in te laten schrijven bij
één van de educatieve instellingen waarmee de gemeente een contract
heeft afgesloten. De gemeente voorziet in trajectbegeleiding en
maatschappelijke begeleiding en de nieuwkomer is gehouden alle
onderdelen van het voor hem vastgestelde educatief programma bij te
wonen, inclusief het deelnemen aan een toets, en medewerking te verlenen
aan de andere onderdelen van het inburgeringsprogramma.
Het kabinet heeft er na
overleg met de Tweede Kamer en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(VNG)
voor gekozen om het inburgeringsbeleid een wettelijke basis te
verschaffen om de tweezijdigheid van de inburgeringsrelatie tot
uitdrukking te brengen en te komen tot een verplichtender aanpak. Op die
manier wordt een vrijblijvende relatie tussen overheid en nieuwkomer
voorkomen en wordt de basis gelegd voor een professioneler en
resultaatgerichter inburgeringsprogramma. Daar waar aan nieuwkomers en gemeenten
verplichtingen worden opgelegd, eventueel door sancties te
handhaven, is een wettelijke grondslag onontbeerlijk. Het kabinet stelt
tot zijn genoegen vast dat voor zijn voornemen ter zake met wetgeving te
komen brede steun bestaat.
1.2. Naar een
samenhangend en praktisch integratiebeleid
Het kabinet heeft in het
Regeerakkoord 1994 het voornemen uitgesproken een samenhangend en
praktisch integratiebeleid te voeren, dat zich zowel richt op werk als
op woonomgeving, onderwijs, cultuur en bestuur. Hierbij is gesteld dat
er inburgeringscontracten voor nieuwkomers komen met sancties op niet
naleven ervan.
Bij brief van 24 oktober
1994 (Kamerstukken II 1994-1995, 23 901, nr. 4) heeft het kabinet de
Tweede Kamer meegedeeld dat op het punt van de inburgeringscontracten
met sancties op niet naleven daarvan in eerste instantie aansluiting
wordt gezocht bij de bestaande mogelijkheden in de sociale zekerheid om
in het bijzonder diegenen die zijn aangewezen op een uitkering zo
spoedig mogelijk inzetbaar te maken op de arbeidsmarkt.
In de
daaropvolgende
maanden is invulling gegeven aan het voornemen om voor nieuwkomers
inburgeringscontracten in te voeren. Het inburgeringscontract werd
gezien als instrument om de effectiviteit en het bereik van het
inburgeringsprogramma te vergroten en een nieuwe impuls te geven aan het
in de afgelopen jaren ingezette inburgeringsbeleid.
In het overleg dat werd
gevoerd met de Tweede Kamer, de VNG en met gemeenten bleek dat de
gedachte achter het inburgeringscontract, een rblz.|3|
minder vrijblijvende
relatie tussen overheid en nieuwkomer, breed werd gedeeld vanwege de
stimulans die daarvan uit zou gaan voor een versnelde inburgering.
Besloten werd vervolgens te streven naar een wettelijke grondslag. Mede
op grond hiervan werd tevens besloten dat de privaatrechtelijke
inburgeringscontracten tussen gemeenten en nieuwkomers zouden plaats
maken voor een publiekrechtelijke gemeentelijke beschikking, waarin het
inburgeringsprogramma van de nieuwkomer wordt vastgelegd.
Het uiteindelijke doel
van de nieuwe wet is te komen tot een sluitende aanpak, dat wil zeggen
alle nieuwkomers die in een achterstandssituatie kunnen geraken een
inburgeringsprogramma aan te bieden.
1.3. De huidige situatie
In een bestuurlijk
overleg op 15 mei 1995 kwamen kabinet en VNG
overeen dat het stelsel van
inburgeringscontracten per 1 januari 1996 werd ingevoerd. De invoering
van deze contracten ging gepaard met een nieuwe bekostigings- en
verantwoordingssystematiek. De Welzijnsregeling inburgering nieuwkomers
en de Onderwijsregeling inburgering nieuwkomers 1996 werden hiertoe op
elkaar afgestemd. Bij deze nieuwe verantwoordingssystematiek is sprake
van een zekere vorm van outputfinanciering: op basis van prognoses
ontvangen de gemeenten een bedrag per in te burgeren nieuwkomer;
verrekening geschiedt op basis van het aantal gevolgde
inburgeringsprogramma’s. Daardoor zijn de gemeenten verzekerd van een
voldoende budget voor de inburgering.
Elke gemeente krijgt een
overzicht van het aantal in te burgeren nieuwkomers, uitgesplitst naar
aan de ene kant het verwachte aantal traditionele nieuwkomers,
voornamelijk de gezinsvormers en -herenigers (in 1996 op basis van
CBS-cijfers van 1994 [CBS: Centraal Bureau voor de
Statistiek, red.]) en aan de andere kant het geraamde aantal
wettelijk te huisvesten verblijfsgerechtigden en houders van een
voorwaardelijke vergunning tot verblijf.
De
gemeenten zijn via
circulaires van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op de hoogte gesteld van de
veranderingen in het inburgeringsbeleid. Voorts gaf het ministerie van
Binnenlandse Zaken in november 1995 de brochure "Inburgering van
nieuwkomers" uit waarin de aanpak vanaf 1 januari 1996 uiteen werd
gezet.
1.4. Reacties van de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Landelijke Advies- en
Overlegstructuur minderhedenbeleid
1.4.1. Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG)
De
VNG stemt in met een
wettelijke grondslag om nieuwkomers die in een achterstandspositie
dreigen te geraken, te verplichten deel te nemen aan de inburgering. Zij
acht het inburgeringsonderzoek noodzakelijk en stemt tevens in met de
verplichte aanmelding van nieuwkomers voor dit onderzoek. Wel heeft de
VNG in haar reactie nog een aantal opmerkingen gemaakt over de
termijnen, de doelgroep, de financiële bepalingen, de handhaving en
de relatie inburgering en arbeid. Voorts heeft de VNG nog een aantal
artikelsgewijze en gedetailleerde opmerkingen gemaakt. Met uitzondering
van de reactie van het kabinet op de opmerkingen van de VNG over de
termijnen, wordt voor de reactie op de andere opmerkingen verwezen naar
het desbetreffende onderdeel van de memorie van toelichting.
De VNG is van mening dat
met name bij het vaststellen van de verschillende termijnen waarop de
onderscheiden stappen in het inburgeringsproces moeten worden genomen,
zoveel mogelijk vrijheid aan gemeenten gegeven dient te
worden.
rblz.|4|
Bij
het opstellen van dit wetsvoorstel heeft het kabinet een afweging
gemaakt tussen enerzijds het belang van de nieuwkomer voldoende
rechtszekerheid te bieden en anderzijds het belang de
gemeenten voldoende ruimte voor een naar individuele nieuwkomers
gedifferentieerde
aanpak te geven. Het kabinet is van mening dat een juiste balans is
aangebracht tussen beide belangen. De gemeenten meer vrijheid laten met
betrekking tot de termijnen zou deze balans verstoren.
1.4.2. Landelijke Advies-
en Overlegstructuur minderhedenbeleid (LAO)
In de overlegvergadering
van de LAO met de Minister van Binnenlandse Zaken op 20 juni 1996
constateerden de samenwerkingsverbanden met waardering dat in het
voorliggende voorstel van de Wet inburgering nieuwkomers rekening is
gehouden met datgene wat naar voren is gebracht in de
LAO-overlegvergadering van 11 april 1995 over de notitie Uitgangspunten
Inburgering. Zo is nu maatwerk als één van de uitgangspunten in het
voorstel opgenomen en zal de nieuwkomer een op zijn persoon toegesneden
inburgeringsprogramma volgen. Ook is nu in artikel 6 van het
wetsvoorstel opgenomen dat doorgeleiding naar een educatieve
vervolgopleiding dan wel arbeidsbemiddeling onderdeel is van het
inburgeringsprogramma.
De samenwerkingsverbanden
hadden in genoemd overleg nog opmerkingen gemaakt over de volgende
onderdelen: de doelgroep, de hoogopgeleiden en het sanctiebeleid. Voor
een reactie van het kabinet op deze opmerkingen wordt verwezen naar het
desbetreffende onderdeel van de memorie van toelichting.
2. Hoofdlijnen
van het wetsvoorstel
2.1. Doelgroepen
Het kabinet is van mening
dat de voorgenomen wet van toepassing dient te zijn op in beginsel
iedere nieuwkomer van 18 jaar of ouder die zich met een niet-tijdelijk
doel in Nederland vestigt. Dit uitgangspunt is reeds in de
Hoofdlijnennotitie (Kamerstukken II 1995-1996, 24 401, nr. 4) neergelegd,
die op 22 november 1995 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Aan dit
uitgangspunt ligt een aantal overwegingen ten grondslag.
De omschrijving van de
doelgroep sluit goed aan bij het in artikel 1 van de Grondwet en het in
artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten neergelegde gelijkheidsbeginsel en het verbod tot
discriminatie. Bovendien sluit deze omschrijving goed aan bij het doel
van dit voorstel van wet, namelijk immigranten die het voornemen hebben zich
langdurig in Nederland te vestigen zo spoedig mogelijk in de
gelegenheid te stellen zich zelfstandig een positie in de samenleving te
verwerven.
Naast deze principiële
overwegingen is een aantal bestuurlijke overwegingen van belang.
Migratie is een dynamisch
verschijnsel. Nederland zal steeds weer met nieuwe groepen nieuwkomers
worden geconfronteerd. Door de omschrijving van de doelgroep in artikel
1 van het wetsvoorstel kunnen slepende discussies over het onder de
werking van de wet brengen van bepaalde groepen of juist niet, worden
voorkomen. Daarnaast wordt met de voorgestelde doelgroepomschrijving
eveneens voorkomen dat de wet onbedoeld een stigmatiserend effect zou
kunnen hebben. De kans dat zich dat effect voordoet, is groter naar mate
de werkingssfeer van de wet beperkt wordt tot bepaalde met name genoemde
groepen nieuwkomers.
Een tweede uitgangspunt
van de voorgenomen wet is dat de regeling niet van toepassing is op
nieuwkomers die in Nederland verblijven voor rblz.|5|
een tijdelijk doel. Deze
personen zijn er niet op gericht in de Nederlandse samenleving te
integreren, doch om na enige tijd weer naar het land van herkomst terug
te keren. Dit geldt eveneens voor de met deze nieuwkomers meegekomen
gezinsleden.
Zoals uit de tekst van
het wetsvoorstel blijkt, behoren tot de doelgroep niet alleen personen
met een andere dan de Nederlandse nationaliteit, maar ook personen met
de Nederlandse nationaliteit die buiten Nederland zijn geboren en zich
voor de eerste keer in Nederland vestigen. De eerder genoemde
doelstelling van dit wetvoorstel om nieuwkomers die zich langdurig in
Nederland vestigen de gelegenheid te geven om zich zo spoedig mogelijk
zelfstandig een positie in de Nederlandse samenleving te verwerven, is
naar de mening van het kabinet ook op hen van toepassing. Het kabinet
heeft gemeend om bedoelde categorie personen met de Nederlandse
nationaliteit onder de werking van de wet te moeten laten vallen. Zij
zijn weliswaar Nederlander, maar vestigen zich in een samenleving die
voor hen even onbekend kan zijn als voor zich hier vestigende
vreemdelingen. Om die reden zal het ook voor deze categorie Nederlanders
van belang kunnen zijn om kennis van de Nederlandse taal en inzicht in
de Nederlandse samenleving te verwerven. De Nederlanders afkomstig van
de Nederlandse Antillen en Aruba worden hierdoor ook onder het bereik
van deze wet gebracht. De Nederlanders die uit die landen afkomstig
zijn, vallen nu reeds onder het inburgeringsbeleid. De afgelopen jaren
is gebleken dat de samenstelling van de migratiestromen uit de
Nederlandse Antillen en Aruba in die zin veranderd is dat ook veel
jongeren naar Nederland emigreren die onvoldoende kennis van de
Nederlandse taal en van de Nederlandse samenleving hebben. In het licht
hiervan spreekt het naar ons oordeel vanzelf dat de Antillianen en
Arubanen tot de doelgroep van het inburgeringsbeleid blijven behoren en
derhalve in aanmerking zullen komen voor de in dit voorstel geregelde
voorzieningen. Van het opleidingsniveau en werkloosheidspercentage van
Nederlanders die zich vanuit de traditionele immigratielanden voor het
eerst in Nederland vestigen, is weinig bekend. Niettemin verwachten wij
dat voor ten minste een deel van hen het volgen van (onderdelen van) het
inburgeringsprogramma van groot nut kan zijn als opstap naar verdere
integratie in de Nederlandse samenleving.
Met deze passage is
tevens aandacht besteed aan de opmerkingen die zijn gemaakt over het
onder de wet brengen van de Antillianen en Arubanen in de
overlegvergadering van de LAO met de Minister van Binnenlandse Zaken
op
20 juni 1996.
Nederland is gebonden aan
verdragen en aan besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Dit
betekent dat de omvang van de doelgroep mede wordt bepaald door deze
internationale regelingen. Gelet op die verdragen en besluiten is in
artikel 1 die vreemdeling uitgezonderd die op grond daarvan niet kan
worden verplicht aan een inburgeringsprogramma deel te nemen. Hierbij
moet met name worden gedacht aan onderdanen van de Europese Unie (EU) en
onderdanen van de Europese Economische Ruimte (EER).
Eén en ander betekent dat
Spanjaarden, Italianen, Portugezen en Grieken, conform de opmerkingen
van de Minister van Binnenlandse Zaken in de overlegvergadering van de
LAO van 20 juni 1996, niet vallen onder de werking van deze
wet.
In de doelgroepbepaling
wordt aangesloten bij de verblijfstitels, bedoeld in de artikelen 9 en
10 van de Vreemdelingenwet [zie Vreemdelingenwet
2000, red.]. Dit houdt in dat diplomatieke ambtenaren,
hun gezinsleden en personeel en geprivilegieerde personen (leden van
internationale organisaties en hun gezinsleden) niet vallen onder de
werking van de voorgestelde wet. Op genoemde personen is de
Vreemdelingenwet niet van toepassing. De rblz.|6|
bijzondere status van deze
personen volgt rechtstreeks uit het volkenrecht en meer in het bijzonder
uit de Weense verdragen inzake het diplomatieke verkeer casu quo de
consulaire betrekkingen, onderscheidenlijk uit het verdrag dat ten
grondslag ligt aan de internationale organisatie waar zij werkzaam zijn,
dan wel uit bilaterale overeenkomsten tussen Nederland en deze
organisaties.
Voor een nadere invulling
van de doelgroep wordt verwezen naar het artikelsgewijze gedeelte van
deze toelichting.
Vrouwen
Uit de ervaring die tot
nu toe is opgedaan met inburgeringsprogramma’s blijkt dat vrouwen vaak
moeilijk bereikbaar zijn. Een inburgeringscontract met een verplichtend
karakter kan op dit moment alleen worden afgesloten met
uitkeringsgerechtigde nieuwkomers. De praktijk leert dat vrouwen, met
name vrouwen die naar Nederland komen in het kader van gezinsvorming en
-hereniging, vaak niet tot deze categorie behoren en daarom veelal
buiten het huidige inburgeringsbeleid vallen. Met de invoering van deze
wet beoogt het kabinet tevens de bereikbaarheid van deze vrouwen te
vergroten. Het kabinet acht dit van groot belang voor de positie van de
vrouw zelf, maar ook omdat zij in veel gevallen een belangrijke rol
speelt bij de opvoeding van kinderen.
Leeftijdsgrens
Het kabinet heeft in
het
voorstel bewust geen leeftijdsgrens aan de bovenkant van de doelgroep
gesteld. Wanneer het doel van de wet uitsluitend en alleen zou liggen in
het toeleiden naar de arbeidsmarkt, zou wellicht een grens van 57,5 jaar in de rede hebben gelegen, de leeftijd
die wordt gehanteerd voor de vrijstelling van de sollicitatieplicht van
uitkeringsgerechtigden. Omdat naast educatieve en professionele
zelfredzaamheid echter ook sociale zelfredzaamheid een doel van
inburgering is, is geen grens opgenomen. Ook voor oudere nieuwkomers is
het van wezenlijk belang dat zij, indien zij daartoe in staat zijn,
Nederlands leren spreken en enig inzicht hebben in de inrichting van
onze samenleving. Sociale zelfredzaamheid is ook voor hen van groot
belang.
Ontheffing van de
inburgeringsplicht
Er kunnen omstandigheden
zijn waardoor nieuwkomers in voorkomende gevallen toch niet in
redelijkheid tot inburgering kunnen worden verplicht. Het kabinet denkt
hierbij aan omstandigheden die liggen in de persoonlijke situatie van de
nieuwkomer. Met name wordt daarbij gedacht aan lichamelijke, psychische
of andere gewichtige gronden op basis waarvan de nieuwkomer niet in
staat is aan een inburgeringsprogramma deel te nemen. In die gevallen
acht het kabinet het gewenst dat aan nieuwkomers een ontheffing van de
inburgeringsplicht wordt verleend. In het wetsvoorstel
is daartoe een
bepaling opgenomen.
2.2. Achterstandssituatie
Het uitgangspunt
de voorgenomen wet van toepassing te laten zijn op in beginsel iedere
nieuwkomer betekent echter niet dat iedere nieuwkomer ook daadwerkelijk
behoeft deel te nemen aan een inburgeringsprogramma. Het doel van
inburgering is bevordering van het integratieproces en daardoor het
zoveel mogelijk voorkomen van maatschappelijke achterstand. Het streven
is er dan ook op gericht dat de nieuwkomer spoedig een zelfredzaamheid
bereikt bij het verwerven van een positie in rblz.|7|
de samenleving. Een deel
van de nieuwkomers bezit bij binnenkomst al een dergelijke
zelfredzaamheid. Zij beschikken reeds over een aantal vaardigheden die
de basis vormen voor het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Een
grote groep nieuwkomers beschikt echter niet over bedoelde vaardigheden
en zal in een achterstandssituatie kunnen geraken, waardoor zij niet
zelfstandig in sociaal of economisch opzicht een weg zullen kunnen
vinden in de Nederlandse samenleving. Voor deze categorie nieuwkomers is
inburgering van groot belang.
Het kabinet acht een
grote mate van uniformiteit gewenst bij de gemeentelijke besluiten in
het kader van het inburgeringsonderzoek of een nieuwkomer in een
achterstandssituatie kan geraken of niet. Ter bevordering van deze
uniformiteit zijn in het wetsvoorstel criteria opgenomen die als
handvatten kunnen dienen voor de beoordeling of en in welke mate dit het
geval zou kunnen zijn. Deze criteria hebben in ieder geval betrekking
op:
- de mate waarin de nieuwkomer de Nederlandse taal actief en passief
beheerst;
- de mate waarin de nieuwkomer kennis heeft van de Nederlandse
samenleving; en
- de mate waarin de nieuwkomer kennis heeft van de Nederlandse
arbeidsmarkt.
Genoemde criteria zijn
niet afzonderlijk indicatief voor de beslissing of de nieuwkomer in een
achterstandssituatie kan geraken, doch alleen in combinatie.
Uit de praktijk zal
moeten blijken of de in het wetsvoorstel neergelegde criteria voldoende
concreet zijn voor gemeenten. In het voorstel is daarom opgenomen dat
bij algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld
over criteria aan de hand waarvan het inburgeringsonderzoek wordt
gehouden. Indien nodig kunnen de wettelijke criteria in deze algemene
maatregel van bestuur nader worden uitgewerkt.
2.3. Het
inburgeringsonderzoek
Bij de huidige
inburgeringscontracten voor nieuwkomers spelen de gemeenten
reeds een
belangrijke rol. Voor de uitvoering van de voorgenomen Wet inburgering nieuwkomers
zullen zij eveneens eerstverantwoordelijk zijn. Dit blijkt
uit de in het wetsvoorstel opgenomen zorgtaken, die aan de gemeenten
worden opgedragen, met name bij het inburgeringsonderzoek en het
aanbieden aan de nieuwkomer van een adequaat inburgeringsprogramma.
Met een adequaat
inburgeringsprogramma wordt bedoeld een inburgeringsprogramma dat
aansluit bij het beginniveau van de nieuwkomer en dat rekening houdt met
de individuele uitgangspositie en met de mogelijkheden voor verdere
ontwikkeling. Een dergelijk programma dat is toegesneden op de
individuele nieuwkomer kan dan ook alleen maar worden vastgesteld na
overleg met de nieuwkomer.
Voorafgaand aan het
vaststellen van een inburgeringsprogramma wordt een
inburgeringsonderzoek verricht.
Dit inburgeringsonderzoek
heeft tot doel vast te stellen of er kans bestaat dat de nieuwkomer in
een zodanige achterstandssituatie kan geraken dat het noodzakelijk is
hem een inburgeringsprogramma aan te bieden met als doel te trachten een
dergelijke situatie te voorkomen. Uit de resultaten van het
inburgeringsonderzoek kan echter ook blijken dat de rblz.|8|
nieuwkomer over
voldoende kennis en vaardigheden beschikt, zodat hem (gedeeltelijke)
vrijstelling van het programma kan worden verleend.
Indien op grond van de
resultaten van het onderzoek blijkt dat het deelnemen aan een programma
noodzakelijk is, wordt door het college van burgemeester en wethouders
aan de hand van de onderzoeksresultaten de het inburgeringsprogramma
vastgesteld.
Termijnen
Het kabinet acht het van
belang dat het uitvoeren van het inburgeringsonderzoek en het
vaststellen en het voltooien van het inburgeringsprogramma binnen een zo
kort mogelijke termijn plaatsvindt. De in dit wetsvoorstel genoemde
termijnen zijn dan ook uiterste termijnen. Verwacht mag worden dat in
veel gevallen deze maximale termijnen niet zullen en hoeven te worden
benut.
2.3.1. Procedure van
melding voor het houden van een inburgeringsonderzoek
In
het wetsvoorstel wordt
bepaald dat de nieuwkomer zich moet melden voor een
inburgeringsonderzoek, nadat hij zich heeft gevestigd in de eerste gemeente
van huisvesting. De plaats van melding kan van gemeente tot
gemeente verschillen. Dit kan zijn bij een gemeentelijke of bij een
niet-gemeentelijke instantie. Deze instanties dienen door het college
van burgemeester en wethouders te worden aangewezen. Uit de huidige
praktijk blijkt dat veel gemeenten een Bureau Nieuwkomers hebben
ingesteld, dat de inburgering voor nieuwkomers coördineert (zie
hierover verder: paragraaf 2.6.1 de
één-loketbenadering).
De procedure voor melding
dient door het college van burgemeester en wethouders te worden bepaald.
Het ligt voor de hand dat de nieuwkomer over deze procedure goed wordt
geïnformeerd, omdat in het wetsvoorstel bij hem de verplichting tot
melden is neergelegd.
Voorlichting over de te volgen procedure is
derhalve van groot belang.
Gemeenten
kunnen de
volgende procedures gebruiken om de nieuwkomer te helpen bij de
verplichting zich te melden voor een inburgeringsonderzoek.
De nieuwkomer kan voor de
melding gebruik maken van een formulier, dat hij na invulling aan de gemeente
toezendt.
De nieuwkomer vult de
gegevens op het formulier naar waarheid in. Deze gegevens betreffen in
ieder geval informatie over de verblijfstatus, de reden van verblijf in
Nederland, de genoten opleiding, de mate van kennis van de Nederlandse
taal en de Nederlandse samenleving. Op grond van deze gegevens kan de
gemeente een eerste selectie maken of de nieuwkomer valt onder de
doelgroep voor inburgering. Bij een positieve beslissing zal de
nieuwkomer in de meeste gevallen voor een eerste gesprek in het kader
van het inburgeringsonderzoek worden opgeroepen.
Het gebruik van een
dergelijk formulier heeft verschillende voordelen. De nieuwkomer kan na
invulling een redelijke inschatting [maken, red.] of hij behoort tot de doelgroep van
de wet. Dit zal hem zonder gebruikmaking van zo’n formulier in de
meeste gevallen niet duidelijk zijn. Ook een eerste selectie door de gemeente
kan met behulp van zo’n formulier op eenvoudige wijze
plaatsvinden.
In het geval het een
nieuwkomer betreft die via een asielprocedure Nederland is
binnengekomen, kan de volgende procedure worden rblz.|9|
gevolgd. Nadat de
nieuwkomer in het opvangcentrum een vergunning tot verblijf is
uitgereikt, wordt hij uitgeplaatst in een gemeente. In deze gemeente van
eerste huisvesting dient hij zich in te schrijven in de gemeentelijke
basisadministratie (hierna: GBA). Bij de inschrijving wordt hem tevens
het bedoelde formulier uitgereikt. Na invulling van dit formulier dient
de nieuwkomer het binnen zes weken (na inschrijving in de GBA) te
retourneren aan de gemeente. Hiermee heeft de nieuwkomer voldaan aan de
meldingsplicht en kan met het inburgeringsonderzoek worden gestart.
Voor de nieuwkomer die
Nederland binnenkomt op basis van een machtiging tot voorlopig verblijf
kan de volgende procedure worden gevolgd. Het formulier wordt aan hem
uitgereikt op het moment dat hij zich voor de eerste keer bij de GBA,
in de gemeente van vestiging, inschrijft. (De wettelijke termijn voor
inschrijving in de GBA is vijf dagen na vestiging). Tegelijk met deze
inschrijving zal ook in de meeste gevallen een vergunning tot verblijf
worden aangevraagd. Nadat deze verblijfsvergunning aan hem is uitgereikt,
dient de nieuwkomer het ingevulde formulier binnen zes weken aan de
gemeente te retourneren.
In sommige
gemeenten kan
er een lange periode bestaan tussen het moment van aanvraag van de
vergunning en het moment van uitreiking. Hierdoor is de kans groot dat
de nieuwkomer het aan hem uitgereikte formulier niet meer in bezit heeft
op het moment dat hem de vergunning wordt uitgereikt. Het is dan ook van
belang dat dit formulier op diverse openbare plaatsen ter verkrijging
wordt neergelegd, bijvoorbeeld op het gemeentehuis, op het postkantoor
en in de bibliotheek.
Een andere procedure van
herinnering aan de meldingsplicht kan de volgende zijn. Het toekennen
van een vergunning aan de nieuwkomer wordt via het Vreemdelingen
Administratie Systeem (VAS) in de GBA opgenomen. De gemeente
is
derhalve eerder op de hoogte van de vergunningverlening, dan de
nieuwkomer zelf. Bij brief zou de gemeente de nieuwkomer kunnen
informeren dat hij op korte termijn de vergunning krijgt uitgereikt en
dat het reeds aan hem bij inschrijving in de GBA uitgereikte formulier
ingevuld moet worden opgestuurd aan de gemeente. Ter volledigheid kan
het formulier bij deze brief nogmaals worden toegevoegd. Op deze wijze
wordt de nieuwkomer nog eens aan zijn meldingsplicht voor een
inburgeringsonderzoek herinnerd en kan de gemeente reeds voorbereidingen
treffen om het inburgeringsonderzoek zo snel mogelijk te starten.
De nieuwkomer met de
Nederlandse nationaliteit dient zich binnen vijf dagen in te schrijven
in de GBA van de gemeente waar hij zich vestigt. Bij de inschrijving
kan hem het formulier worden uitgereikt. Deze nieuwkomer dient het
formulier dan binnen zes weken na inschrijving in de GBA te retourneren
aan de gemeente.
Nadat de nieuwkomer zich
heeft gemeld, dit kan zijn na ontvangst door de gemeente
van het
ingevulde formulier of op een andere wijze, draagt het college van
burgemeester en wethouders er zorg voor dat de nieuwkomer zo spoedig
mogelijk een oproep ontvangt voor een eerste gesprek in het kader van
het inburgeringsonderzoek. Dat de oproep zo spoedig mogelijk wordt
verzonden, is voor de gemeente van groot belang, omdat het
inburgeringsonderzoek snel moet zijn afgerond. Dit houdt verband met het
feit dat met het educatief programma dient te worden gestart binnen vier
maanden nadat de nieuwkomer zich heeft gemeld.
Op dit moment bestaat er
geen meldingsplicht voor nieuwkomers. Er wordt daarom van verschillende
mogelijkheden gebruik gemaakt om de rblz.|10|
gegevens van nieuwkomers die zich in
een gemeente vestigen aan te leveren aan de gemeentelijke instelling
die is belast met de coördinatie van het inburgeringsbeleid: vanuit
het bevolkingsregister, de sociale diensten en de vreemdelingendienst.
Van nieuwkomers die zich vanuit een opvangcentrum in een gemeente
vestigen, worden vaak de gegevens, na inschrijving in de GBA,
aangeleverd door het opvangcentrum.
In diverse gemeenten zijn
er afspraken gemaakt met de sociale diensten om nieuwkomers die een
aanvraag ten behoeve van een uitkering doen door te verwijzen naar de
coördinerende instelling. Als voorbeeld kan worden genoemd de gemeente
Rotterdam. Deze gemeente is de zogenaamde methode "geen PIN,
geen POEN" gaan hanteren. Met "PIN" wordt bedoeld "Project
inburgering nieuwkomers". In een aantal gemeenten heeft deze methode
navolging gekregen. Andere gemeenten ontvangen gegevens van de
vreemdelingenpolitie.
De praktijk heeft echter
uitgewezen dat deze mogelijkheden niet sluitend zijn om de coördinerende instelling op de hoogte te brengen van elke nieuwkomer die
zich in de gemeente vestigt. Het kabinet verwacht dat met invoering van
een meldingsplicht van de nieuwkomer op een door het college van
burgemeester en wethouders nader te bepalen wijze, in combinatie met
methoden die nu al in de praktijk worden gebruikt, de maximale garantie
wordt geboden om de nieuwkomers waarop de voorgenomen wet van
toepassing is deel te laten nemen aan inburgeringsprogramma’s.
2.3.2. (Tijdelijke)
ontheffing van de plicht tot inburgering
Er kunnen omstandigheden
zijn waardoor nieuwkomers in voorkomende gevallen toch niet in
redelijkheid tot inburgering kunnen worden verplicht. Het kabinet denkt
hierbij aan omstandigheden die liggen in de persoonlijke situatie van de
nieuwkomer. Met name wordt daarbij gedacht aan lichamelijke, psychische
of andere gewichtige gronden op basis waarvan de nieuwkomer niet in
staat is aan enige verplichting in het kader van dit wetsvoorstel te
voldoen. In het wetsvoorstel is dan ook een bepaling opgenomen op grond
waarvan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid krijgt
de nieuwkomer (tijdelijk) te ontheffen van de meldingsplicht. Indien het
college van burgemeester en wethouders aan de nieuwkomer (tijdelijk)
ontheffing heeft verleend, houdt deze ontheffing in dat de nieuwkomer
geen enkele verplichting op grond van dit wetsvoorstel hoeft na te
komen.
Psychische gronden kunnen
bijvoorbeeld verband houden met situaties waarin de nieuwkomer verkeerde
voordat hij zich in Nederland vestigde, bijvoorbeeld zijn
vluchtgeschiedenis. Een voorbeeld van een gewichtige grond voor
ontheffing kan een ernstige familiecrisis zijn.
Indien een nieuwkomer van
mening is dat hij niet in staat is om aan de inburgeringsplicht te
voldoen, dient hij een aanvraag tot ontheffing in bij het college van
burgemeester en wethouders. Hiertoe kan ook het formulier, genoemd in
paragraaf 2.3.1, worden gebruikt. Deze aanvraag moet binnen dezelfde
termijn (zes weken) zijn ingediend waarbinnen aan de meldingsplicht
voldaan zou moeten zijn. Indien de nieuwkomer ontheffing vraagt op basis
van lichamelijke of psychische gronden, kan het college van burgemeester
en wethouders gegevens en bescheiden opvragen waarin de grond van de
aanvraag wordt onderbouwd. Aan de hand van deze gegevens en bescheiden
kan het college tot ontheffing besluiten. De ontheffing kan voor
bepaalde of onbepaalde periode worden verleend.
rblz.|11|
2.3.3. Het
inburgeringsonderzoek
Nadat de nieuwkomer zich
bij de gemeente heeft gemeld, vangt het inburgeringsonderzoek aan.
Onderzocht zal worden de
mate waarin de nieuwkomer in Nederland mogelijk in een
achterstandssituatie kan geraken. Het onderzoek vindt plaats met
betrokkenheid van een educatie-instelling en dient in ieder geval
betrekking te hebben op de mate waarin de nieuwkomer actief en passief
de Nederlandse taal beheerst en kennis van de Nederlandse samenleving en
de Nederlandse arbeidsmarkt heeft.
Het inburgeringsonderzoek
is vormvrij. Dit onderzoek kan dan ook op verschillende wijze worden
verricht, afhankelijk van de situatie en afhankelijk van de aanwezige
kennis van de nieuwkomer.
Indien de nieuwkomer zich
heeft aangemeld door middel van het al eerder bedoelde formulier, vangt
het onderzoek aan op het moment dat de door het college van burgemeester
en wethouders aangewezen instantie het formulier in behandeling neemt.
De instantie kan uit de ingevulde gegevens opmaken, eventueel na contact
met de nieuwkomer, of de betreffende persoon moet worden opgeroepen voor
een eerste gesprek.
Beoordeling van het door
de nieuwkomer ingevulde formulier kan leiden tot diverse beslissingen:
a. de nieuwkomer wordt niet opgeroepen, omdat hij niet behoort tot de
doelgroep die onder de werking van de voorgenomen wet
valt;
b. de nieuwkomer wordt niet opgeroepen, omdat uit de gegevens en uit de
daarbij toegezonden documenten overduidelijk blijkt dat de nieuwkomer
over voldoende kennis en vaardigheden beschikt, zodat een
inburgeringsprogramma niet nodig is. De nieuwkomer zal in dat geval
vrijstelling worden verleend van de verplichting tot inburgering;
c. de nieuwkomer wordt opgeroepen.
In de huidige praktijk
wordt in een eerste gesprek met de nieuwkomer nagegaan of hij voor een
inburgeringsprogramma in aanmerking komt. In het geval de beslissing
positief is, wordt de nieuwkomer een intaketoets afgenomen. Deze toets
dient ertoe vast te stellen of de nieuwkomer opleidingen NT2,
Maatschappij Oriëntatie (MO) en Beroepenoriëntatie (BO) behoeft, en
zo ja, op welk niveau kan worden ingestroomd. Ook wordt een inschatting
gemaakt van de studievaardigheid en de te verwachte resultaten die hij
kan behalen. Deze praktijk kan na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
worden voortgezet.
2.3.4. Vrijstellingen
naar aanleiding van het inburgeringsonderzoek
a.
Het wetsvoorstel
voorziet in de situatie dat de nieuwkomer nadat hij zich heeft gemeld en
is uitgenodigd voor een gesprek, tijdens dat gesprek om een vrijstelling
verzoekt op grond van veronderstelde verworven kennis en vaardigheden
van (gedeelten van) het inburgeringsprogramma. Deze mogelijkheid kan
zich bijvoorbeeld voordoen in het geval dat een persoon zich in het land
van herkomst reeds heeft voorbereid op de komst naar Nederland.
Na een dergelijk verzoek
en het aannemelijk maken dat hij de kennis, het inzicht en de
vaardigheden reeds in voldoende mate op andere wijze heeft verworven of
zal verwerven besluit het college van burgemeester en wethouders tot
vrijstelling. Onder meer geldt dit voor degenen die kunnen aantonen
reeds over een voldoende niveau van beheersing van de Nederlandse taal
te beschikken. Dit is het geval als zij het Staatsexamen NT2, programma
I of II, met goed gevolg hebben afgelegd of als zij kunnen aantonen dat
zij een niveau van taalbeheersing hebben bereikt dat het hen rblz.|12|
mogelijk
maakt te beginnen met een vervolgopleiding of een traject van
arbeidsbemiddeling. Dit laatste dient te blijken uit de resultaten van
een af te leggen toets. Dezelfde toets als de toets die de nieuwkomer
aan het eind van het educatief gedeelte van het inburgeringsprogramma
aflegt.
Een vrijstelling die voor
het NT2-onderdeel van het inburgeringsprogramma wordt gegeven, houdt niet
een automatische vrijstelling van de onderdelen Maatschappij Oriëntatie (MO) en
Beroepenoriëntatie (BO) in.
b. Ook voorziet de wet in
vrijstelling in het geval de nieuwkomer kan aantonen dat de instelling
of het bedrijf waar hij of zij werkzaam is gelegenheid geeft tot het
volgen van een opleiding NT2 die van ten minste een gelijk niveau is als
het streefniveau van het educatief gedeelte van het
inburgeringsprogramma.
In deze gevallen draagt
het college van burgemeester en wethouders niet bij aan de kosten van
deze opleiding.
c. In voorkomende
gevallen is het mogelijk dat de nieuwkomer in een opvangcentrum al enige
kennis heeft opgedaan van de Nederlandse taal, van Maatschappij Oriëntatie en van
Beroepenoriëntatie.
In 1996 is het Centraal
Orgaan opvang Asielzoekers (COA) gestart met het Project
Dagstructurering. Dit project heeft tot doel de dagprogramma’s die in
de verschillende asielzoekerscentra, aanvullende opvang en
onderzoekscentra worden ondernomen in kaart te brengen en op
experimentele basis nieuwe of vernieuwde programmaonderdelen uit te
proberen. Op basis hiervan is een gedifferentieerd programma ontwikkeld.
Het ligt in de rede dat
een centrum waarin met dergelijke programma’s wordt gewerkt het
dossier met gegevens van de nieuwkomer toezendt aan het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betreffende
nieuwkomer wordt gehuisvest. Op deze wijze worden de door de nieuwkomer
in het opvangcentrum behaalde resultaten betrokken bij het
inburgeringsonderzoek.
Zoals al is gesteld,
worden de in deze paragraaf bedoelde vrijstellingen verleend op grond
van veronderstelde verworven of te verwerven kennis en vaardigheden van
(gedeelten van) het inburgeringsprogramma. Uit de praktijk zal moeten
blijken of bij de uitvoering van de bevoegdheid van het college van
burgemeester en wethouders tot het verlenen van vrijstellingen te veel
diversiteit zal gaan bestaan. In het voorstel is daarom opgenomen dat
bij algemene maatregel van bestuur zo nodig nadere regels kunnen worden
gesteld ten aanzien van de criteria die bij de uitoefening van die
bevoegdheid een rol behoren te spelen.
De hier bedoelde
vrijstellingen moeten worden onderscheiden van de ontheffing van de
plicht tot inburgering zoals beschreven in paragraaf
2.3.2. De
(tijdelijke) ontheffing van de inburgeringsplicht wordt verleend op
grond van omstandigheden die liggen in de persoonlijke situatie van de
nieuwkomer en wordt niet verleend op basis van kennis en vaardigheden.
Derhalve wordt (tijdelijke) ontheffing verleend van alle plichten
neergelegd in dit wetsvoorstel en wordt een vrijstelling van (gedeelten
van) het inburgeringsprogramma eerst verleend nadat de nieuwkomer heeft
voldaan aan de meldingsplicht en heeft meegewerkt aan het
inburgeringsonderzoek, waarin zijn kennis en vaardigheden zijn
onderzocht.
2.3.5. Het einde van het
inburgeringsonderzoek
Nadat de uitslag van de
intake bij de gemeente bekend is, kan het inburgeringsonderzoek worden
afgesloten. In de praktijk zal in de meeste gevallen hiertoe een
eindgesprek bij de gemeente plaatsvinden. Het ligt in rblz.|13|
de rede dat de
nieuwkomer hierbij aanwezig zal zijn. Dit gesprek heeft als doel
besluiten te nemen over het te doorlopen educatief programma (en de
verschillende onderdelen: NT2, MO, BO en de toets), de educatie-instelling waar de nieuwkomer de cursus gaat volgen, de
intensiteit van het programma, de trajectbegeleiding en het verwachte
eindniveau. In dit gesprek wordt tevens een einddoel, zoveel mogelijk in
samenspraak met de nieuwkomer, vastgelegd. Bij dit einddoel worden de reële mogelijkheden op de (regionale) arbeidsmarkt en de
mogelijkheden in het vervolg(beroeps)onderwijs betrokken.
Voor een juiste
inschatting van de waarde van een in het buitenland genoten opleiding
kan een internationale diplomavergelijking worden uitgevoerd.
Internationale diplomavergelijking maakt professionele erkenning van een
buitenlands diploma mogelijk, dan wel geeft inzicht welk aanvullend
onderwijs nodig is om alsnog professionele erkenning te verkrijgen.
Belanghebbenden kunnen hiervoor terecht bij de Adviesbureaus voor
Opleiding en Beroep. In het wetsvoorstel is een evaluatiebepaling
opgenomen. Bij deze evaluatie zal de mate van het laten uitvoeren van
internationale diplomavergelijking door genoemde adviesbureaus worden
betrokken.
Het is van belang zo
vroeg mogelijk aandacht te besteden aan de arbeidsmarktmogelijkheden van
de nieuwkomer. Daarom gaat het kabinet ervan uit dat, afhankelijk van
individuele omstandigheden en mede ter voorbereiding op
arbeidsinschakeling, tijdens het inburgeringsprogramma al activiteiten
worden aangeboden in het kader van toeleiding naar de arbeidsmarkt. Bij
het eindgesprek kan een arbeidsconsulent aanwezig zijn of een mentor van
de educatie-instelling waar het inburgeringsprogramma zal worden
gevolgd. De beslissingen in het kader van het inburgeringsprogramma
worden neergelegd in een beschikking van het college van burgemeester en
wethouders.
In de praktijk zal in de
meeste gevallen al tijdens het eindgesprek duidelijk worden bij welke
educatie-instelling de nieuwkomer het educatief gedeelte van het
inburgeringsprogramma gaat volgen. De voorgenomen wet laat echter ruimte
voor de nieuwkomer om zelf een educatie-instelling te kiezen. Met de
door de nieuwkomer gekozen educatie-instelling dient de gemeente
echter
wel een contract te hebben afgesloten. De keuzemogelijkheid zal dan ook
zeer beperkt zijn. Het college van burgermeester en wethouders kan ook
een educatie-instelling aanwijzen. Dit zal het geval zijn indien de
instelling van eerste keuze geen plaats beschikbaar heeft of in het
geval de nieuwkomer in aanmerking komt voor een specifiek programma bij
een bepaalde instelling. In de beschikking van het college van
burgemeester en wethouders wordt tevens bepaald binnen welke termijn na
bekendmaking van het voor hem vastgestelde inburgeringsprogramma de
nieuwkomer zich moet laten inschrijven bij zo’n instelling.
Het ligt voor de hand dat
in dit eindgesprek de nieuwkomer wordt gewezen op de verplichtingen die
hem op grond van het onderhavige wetsvoorstel worden opgelegd. Voorbeeld
hiervan is het verplicht aanwezig zijn bij alle onderdelen van het voor
hem vastgestelde inburgeringsprogramma, waaronder het deelnemen aan de
toets. Ook kan met de nieuwkomer worden besproken hoe hij moet handelen
in geval van ziekte of andere omstandigheden waardoor hij de lessen niet
kan bijwonen.
Het college van
burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat het bevoegd gezag van
de instelling kan voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 8.1.3,
achtste lid, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs. Deze verplichting
houdt in dat de instelling moet zorgen dat de nieuwkomer binnen vier
maanden nadat de nieuwkomer zich heeft gemeld voor het houden van een
inburgeringsonderzoek kan starten met rblz.|14|
het vastgelegde educatief
programma. Het kabinet verwacht dat met deze termijn enerzijds kan
worden gegarandeerd dat de nieuwkomer binnen een redelijke termijn kan
beginnen met het educatief gedeelte van het inburgeringsprogramma en
anderzijds rekening kan worden gehouden met de instroommomenten die
educatie-instellingen hanteren.
2.3.6. De
onderwijsovereenkomst
Voordat de nieuwkomer
zich bij een educatie-instelling laat inschrijven, dient hij met deze
instelling een onderwijsovereenkomst af te sluiten. De
onderwijsovereenkomst is voorgeschreven in de Wet
educatie en beroepsonderwijs. Het is vanzelfsprekend dat de inhoud van deze
onderwijsovereenkomst moet aansluiten bij de inhoud van de beschikking
die het college van burgemeester en wethouders heeft genomen. Derhalve
is in dit wetsvoorstel opgenomen dat de onderwijsovereenkomst geen
bepalingen bevat over de onderwerpen die in de beschikking (=
inburgeringsprogramma) reeds zijn geregeld. Voorts is opgenomen dat twee
onderdelen van de onderwijsovereenkomst buiten toepassing blijven. Het
betreft tussentijdse beëindiging van de overeenkomst en
schadevergoeding waarop de deelnemer in bepaalde gevallen aanspraak zou
kunnen maken.
Alle onderdelen van het
inburgeringsprogramma dienen in de beschikking van het college van
burgemeester en wethouders te worden opgenomen. Hiertoe behoren ook de
afspraken over de begeleiding van het inburgeringsprogramma. De
inrichting van het onderwijs, voor zover dit betrekking heeft op
praktische indeling (zoals bijvoorbeeld lesrooster, lesmethoden,
vakantieperioden, lokaties waar het onderwijs wordt verzorgd), wordt
neergelegd in de onderwijsovereenkomst. Afspraken over de
studiebegeleiding vanuit de educatie-instelling, over studie- en
beroepskeuzevoorlichting worden ook in de onderwijsovereenkomst
neergelegd. Voorts dient in de onderwijsovereenkomst een passage over
schorsing en verwijdering te worden opgenomen. Het ligt in de rede dat,
indien een dergelijke situatie zich voordoet of indien de nieuwkomer om
andere redenen niet aanwezig is, de educatieve mentor hierover eerst
contact opneemt met de trajectbegeleider van het inburgeringsprogramma.
2.4. Het
inburgeringsprogramma
Het inburgeringsprogramma
bestaat uit:
- een op het niveau, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel b,
gericht educatief programma van ten hoogste 500 uren dat de volgende
onderdelen bevat:
- een op dat niveau gericht deel van een in artikel 7.3.1 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs bedoelde opleiding Nederlands als tweede
taal I of II;
- een in dat artikel bedoelde opleiding gericht op sociale
redzaamheid, genaamd Maatschappij Oriëntatie;
- een in dat artikel bedoelde opleiding gericht op breed
maatschappelijk functioneren, genaamd Beroepenoriëntatie;
- een toets;
- maatschappelijke begeleiding; en
- doorgeleiding naar een instantie die zorg draagt voor verdere
scholing of voor toegang tot de arbeidsmarkt, voor zover de nieuwkomer
daarvoor in aanmerking komt.
Zoals in
de paragraaf
over het inburgeringsonderzoek is beschreven, dient het
inburgeringsprogramma zoveel mogelijk aan te sluiten bij het beginniveau
van de nieuwkomer en dient het rekening te houden met de individuele
uitgangspositie en met de mogelijkheden voor verdere rblz.|15|
ontwikkeling. Zo’n
programma, dat is toegesneden op de individuele nieuwkomer (maatwerk),
kan dan ook alleen maar worden vastgesteld na overleg met deze
nieuwkomer.
Het ligt voor de hand dat
een dergelijk inburgeringsprogramma slechts kan worden gerealiseerd
indien het aanbod van de onderdelen van de inburgeringsprogramma’s
voldoende is gedifferentieerd.
2.4.1. Het educatief
programma
Voor de huidige
educatieve programma’s is gemiddeld 500 uur vastgesteld per
nieuwkomer. Deze programma’s bestaan uit een drietal onderdelen:
Nederlands als Tweede Taal (NT2), Maatschappij Oriëntatie (MO) en
Beroepenoriëntatie (BO). Het inburgeringsprogramma is erop gericht om
de nieuwkomer zodanig toe te rusten dat voor hem of haar een redelijke
startpositie voor volwaardige integratie in de samenleving is
gerealiseerd.
In eerdere notities aan
de Kamer (Kamerstukken II 1995-1996, 24 401, nr. 4) is door het kabinet
aangegeven dat voor wat betreft het beheersen van het Nederlands als
tweede taal wordt gestreefd naar een niveau dat is aangeduid als Cito
3. Dit niveau werd daarbij gehanteerd als een aanduiding van het niveau
dat minimaal bereikt zou moeten zijn om aansluiting op vervolgonderwijs
dan wel bemiddeling naar beroepsuitoefening mogelijk te maken. De
relatie tussen het streefniveau van het educatief gedeelte van het
inburgeringsprogramma en de doorstroom naar vervolgonderwijs en
arbeidsbemiddeling houdt het kabinet nadrukkelijk vast. Het streven van
alle betrokkenen bij de inburgering dient erop te zijn gericht om voor
een zo groot mogelijk aantal nieuwkomers dit niveau te bereiken, zodat
een dergelijk vervolg mogelijk is. Voor degenen die dit niveau niet
bereiken in de beschikbare 500 uur zal de toets die wordt afgenomen aan
het eind van het educatief gedeelte van het inburgeringsprogramma
uitwijzen of zij wel een zódanig niveau van taalbeheersing en kennis
van de Nederlandse samenleving hebben bereikt dat zij daarmee voldoen
aan de voorwaarden die worden gesteld aan personen die het Nederlands
staatsburgerschap wensen te verkrijgen. Bij de afronding van het
educatief programma zal het daadwerkelijk bereikte niveau met behulp van
een toets worden vastgesteld. Deze toets zal landelijk worden
gestandaardiseerd en de afname zal extern worden gecontroleerd.
In
het wetsvoorstel wordt
de nieuwkomer de mogelijkheid geboden de toets af te leggen voordat de
500 uur zijn gehaald. Een dergelijke mogelijkheid doet zich voor als hij
aannemelijk kan maken het beoogde streefniveau te kunnen halen of
wanneer de educatie-instelling dit als zodanig inschat. Indien de
nieuwkomer het streefniveau van het educatief programma behaalt, wordt
hij vrijgesteld van een verdere verplichte deelname aan het educatief
gedeelte van het inburgeringsprogramma. Deze mogelijkheid is in het
voorstel opgenomen om de nieuwkomer niet langer dan nodig is een
verplichting tot inburgering op te leggen.
Met betrekking tot de
doorstroming naar de arbeidsmarkt geldt het streefniveau van het
educatieve programma als een minimumstreefniveau. Het bereiken van dit
niveau impliceert niet dat de nieuwkomer het proces van inburgering
heeft voltooid. Wel is een zodanig niveau van vaardigheden bereikt dat
een goede startpositie voor daadwerkelijke (verdere) integratie is
verkregen. Indien een hoger niveau voor een gewenste beroepsrichting en
functieniveau is vereist, kan de nieuwkomer uiteraard op vrijwillige
basis dit niveau trachten te bereiken. Het is aan de gemeente
om, in
samenspraak met de nieuwkomer, te beslissen of het bereiken van dit
hogere niveau wordt nagestreefd. Tevens rblz.|16|
is het aan de gemeente om te
beslissen dat een dergelijk traject uit de inburgeringsmiddelen wordt
bekostigd of uit de reguliere middelen.
In het eindgesprek van
het inburgeringsprogramma zou hiermee al rekening kunnen worden
gehouden.
Met deze passage wordt
tevens ingegaan op de opmerkingen die zijn gemaakt over de
hoogopgeleiden in de overlegvergadering van de LAO met de Minister van Binnenlandse Zaken
op 20 juni 1996. Op vrijwillige basis kan het niveau
worden bereikt dat vereist is voor de gewenste beroepsrichting en
functieniveau. De beslissing of het bereiken van een dergelijk niveau
onderdeel zal uitmaken van het inburgeringsprogramma is aan de
betreffende gemeente, in samenspraak met de nieuwkomer. Omdat het
individueel maatwerk betreft zou hiermee, zoals gezegd, tijdens het
eindgesprek al rekening kunnen worden gehouden.
Inmiddels is aan de
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen door de
Programma-eenheid ontwikkeling en rendement Volwasseneneducatie (Prove)
een advies aangeboden over de te ontwikkelen kwalificatiestructuur voor
de Volwasseneneducatie, inclusief het NT2. Ook zijn door de Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, krachtens het daartoe strekkend
voorschrift in de Wet
educatie en beroepsonderwijs, per 1 januari 1996
eindtermen vastgesteld voor de opleidingen Nederlands als tweede taal,
programma I en II. In zijn beleidsreactie bij het advies van de Prove
heeft de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen aangegeven dat
in overleg met deskundigen op het terrein van NT2 een nadere invulling
zal worden gegeven van de kwalificatiestructuur voor met name het
onderdeel NT2. Bij de in dit wetsvoorstel opgenomen formuleringen over
de resultaten die in het kader van het inburgeringsprogramma worden
nagestreefd, is rekening gehouden met deze beide ontwikkelingen. Dit
betekent met name dat de aanduiding van de Cito-niveaus niet wordt
gehanteerd, maar een beschrijving wordt gegeven van de gewenste
resultaten van het educatieve onderdeel van het inburgeringsprogramma.
In de in artikel 11 van het
wetsvoorstel aangekondigde ministeriële
regeling zal de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen deze
beschrijving uitwerken in termen van de kwalificatiestructuur
Volwasseneneducatie.
De
praktijk heeft
uitgewezen dat zogenaamde intensieve cursussen, van 20 uur of meer per
week, een hogere opbrengst hebben dan minder intensieve programma’s.
Daarom verdient het aanbeveling te streven naar educatieve programma’s
die een grote intensiteit hebben. Hierdoor wordt tevens bereikt dat de
inburgeringsprogramma’s van niet te lange duur zijn en het
inburgeringstraject als geheel zo kort mogelijk is.
De nieuwkomer is gehouden
bij alle onderdelen van het voor hem vastgestelde educatief programma
aanwezig te zijn.
Van deze verplichting is
de nieuwkomer vrijgesteld zolang er zich één of meerdere specifieke
omstandigheden voordoen. Voor deze omstandigheden is aansluiting gezocht
bij de Leerplichtwet 1969. Deze omstandigheden betreffen bijvoorbeeld
ziekte of religieuze verplichtingen die de nieuwkomer moet nakomen. Een
desbetreffend verzoek tot vrijstelling dient door de nieuwkomer te
worden gedaan door middel van kennisgeving aan het hoofd van de
educatie-instelling. Het ligt voor de hand dat de educatie-instelling de
begeleider van de nieuwkomer bij het inburgeringsprogramma, de zogenaamde
trajectbegeleider, over deze vrijstelling en de specifieke
omstandigheden informeert.
De toets
De educatie-instelling
biedt de nieuwkomer aan het eind van het educatief programma een toets
aan. De nieuwkomer dient aan deze toets rblz.|17|
deel te nemen. In het wetsvoorstel
wordt een termijn van maximaal één jaar na
inschrijving bij de instelling genoemd waarbinnen de toets moet zijn
afgelegd. Omdat de toets onderdeel is van het educatief programma, wordt
de toets afgenomen door de educatie-instelling waar de nieuwkomer het
educatief programma heeft gevolgd. De educatie-instelling maakt gebruik
van de landelijke gestandaardiseerde toets die voor het
inburgeringsprogramma is ontwikkeld. De afname van de toets zal extern
worden gecontroleerd.
In opdracht van de
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is inmiddels een eerste
versie van de deeltoets NT2 ontwikkeld. Op basis van de deeltoets NT2
zal het bereikte niveau van taalvaardigheid worden vastgesteld. Gezien
de grote heterogeniteit van de groep nieuwkomers, onder meer wat betreft
de vooropleiding en ervaring, zal de deeltoets NT2 een zo specifiek
mogelijk inzicht moeten bieden in het bereikte resultaat ten behoeve van
de vaststelling van het meest adequate vervolgtraject. De deeltoets NT2
zal daartoe zodanig worden ingericht dat uitspraken mogelijk zijn ten
aanzien van het door de nieuwkomer bereikte niveau op de verschillende
onderdelen van taalvaardigheid. IJkpunt voor de toetsontwikkeling vormen
de eindtermen voor de opleidingen NT2 zoals die krachtens de Wet
educatie en beroepsonderwijs zijn vastgesteld. Naast dit al bestaande
ijkpunt zullen ten behoeve van het inburgeringsprogramma nog twee
ijkpunten worden omschreven. Eén ijkpunt op het streefniveau dat
aansluitingsmogelijkheden geeft naar vervolgonderwijs en arbeidsmarkt en
één ijkpunt dat gerelateerd is aan de taalvaardigheid die relevant
is in het kader van de naturalisatieprocedure.
Hiernaast zal een
deeltoets worden ontwikkeld om het niveau van vaardigheid van het
onderdeel Maatschappij Oriëntatie te toetsen. Voor het onderdeel
Beroepenoriëntatie zal geen toets worden ontwikkeld. De reden hiervan
is dat dit onderdeel er specifiek op gericht is nieuwkomers vooral op
individuele basis voorlichting te geven over een gedeelte van de
arbeidsmarkt dat voor hen van toepassing is.
Nadat de toets is
afgelegd, reikt het bevoegd gezag van de instelling aan de nieuwkomer een
verklaring uit. Deze verklaring vermeldt de resultaten van de toets en
het behaalde niveau. Een afschrift van deze verklaring zal door de
instelling aan het college van burgemeester en wethouders worden
gezonden.
2.4.2. Maatschappelijke
begeleiding
Voor de
trajectbegeleiding wordt verwezen naar paragraaf 2.5.
Naast deze
trajectbegeleiding kunnen nieuwkomers ook behoefte hebben aan
maatschappelijke begeleiding in de vorm van hulp en informatie om in de
lokale gemeenschap te kunnen participeren en om te kunnen deelnemen aan
sociaal-culturele activiteiten. De informatie kan parallel lopen en
aanvullend zijn aan de informatie die via het onderdeel van het
educatief programma Maatschappij Oriëntatie wordt gegeven.
De
hier bedoelde
begeleiding is een praktijkgericht onderdeel van het
inburgeringsprogramma, waarbij vrijwilligers en diverse algemene en
specifieke instellingen een belangrijke rol kunnen spelen.
In feite vormt deze
begeleiding de schakel tussen de nieuwkomer en de lokale bevolking en
biedt zij hem die persoonlijke begeleiding en aandacht die niet behoren
tot het takenpakket van de betrokken instellingen. De gemeente
kan
hiertoe organisaties inschakelen als VluchtelingenWerk,
het Algemeen
Maatschappelijk Werk, de Regionale Instellingen voor Ambulante
Geestelijke Gezondheidszorg, organisaties van minderheden rblz.|18|
en de
Stichting Pharos. De laatstgenoemde stichting is een landelijke
organisatie, deskundig op het gebied van specifieke psychosociale
problemen van vluchtelingen. Van deze organisaties kan worden verwacht
dat zij nieuwkomers kunnen motiveren tot deelname en dat zij, indien
gewenst, adviezen kunnen geven aan de gemeente.
De maatschappelijke
begeleiding is een wezenlijk onderdeel van het inburgeringsprogramma.
Dit betekent dat hiermee in de voorbereidingen van de gemeentelijke
programma’s (inclusief de begroting) rekening dient te worden gehouden.
Wanneer van de diensten van vrijwilligers gebruik wordt gemaakt, is het
aan te raden de taken en de organisatievorm van het vrijwilligerswerk
vast te leggen. Ook zou moeten worden gezorgd voor begeleiding en coördinatie van het werk van de vrijwilligers.
2.4.3. Doorgeleiding naar
een instantie die zorg draagt voor verdere scholing of voor toegang tot
de arbeidsmarkt, voor zover de nieuwkomer daarvoor in aanmerking komt
Het inburgeringsprogramma
zal in de meeste gevallen worden afgesloten met een eindgesprek tussen
de trajectbegeleider (zie paragraaf 2.5) en de nieuwkomer. Afhankelijk
van de afspraken die zijn gemaakt bij het eindgesprek van het
inburgeringsonderzoek, in het inburgeringsprogramma en tijdens het
doorlopen van het inburgeringsprogramma, is het van belang dat andere
betrokkenen, bijvoorbeeld een arbeidsconsulent of een cursusbegeleider
vanuit het vervolg(beroeps)onderwijs, aanwezig zijn bij het
eindgesprek.
In dit gesprek worden het
inburgeringsprogramma en de behaalde resultaten geëvalueerd. Het
belangrijkste onderdeel van dit gesprek is echter het maken van
afspraken over verdere scholing of over mogelijkheden die toegang bieden
tot de arbeidsmarkt. Het eindgesprek dient daadwerkelijk te zijn gericht
op doorgeleiding naar andere instanties.
Uit de
Nieuwkomerscatalogus 1995, uitgegeven door het ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, blijkt dat de meeste projecten (70%)
de nieuwkomers doorleiden naar een vervolgprogramma.
De coördinatie van het
vervolgprogramma valt in veel gevallen onder de verantwoordelijkheid van
een gemeentelijke dienst, al dan niet in samenwerking met
VluchtelingenWerk en het Regionaal Bureau Arbeidsvoorziening [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.]. Maar er
zijn ook gemeenten waar het vervolgtraject wordt
gecoördineerd door
de Basiseducatie, het Voortgezet Algemeen Volwassenenonderwijs of een
welzijnsinstelling.
In de
paragrafen 2.7.4 en
2.7.5 zal worden ingegaan hoe via de Algemene
bijstandswet en de
Arbeidsvoorzieningswet [Arbeidsvoorzieningswet 1996, red.] kan worden bijgedragen aan de verbetering van de
aansluiting van nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Daaruit zal blijken dat,
hoewel het onderhavige wetsvoorstel geen bepalingen kent met betrekking
tot aansluiting van de nieuwkomers op de arbeidsmarkt, dit niet betekent
dat er in dit opzicht geen wettelijke verplichtingen zijn. Deze zijn
echter niet specifiek, maar generiek en vloeien voort uit andere wetten.
Certificaat
Nadat het
inburgeringsprogramma is afgerond, draagt het college van burgemeester en
wethouders er zorg voor dat de nieuwkomer een certificaat wordt
uitgereikt. Dit certificaat is het bewijs dat de nieuwkomer aan het
inburgeringprogramma heeft deelgenomen. Tevens blijkt uit dit
certificaat het behaalde niveau. Het certificaat heeft landelijke
erkenning, hetgeen betekent dat de uitspraken met betrekking tot het al
dan niet rblz.|19|
hebben voldaan aan de verplichtingen in het kader van de
inburgering en met betrekking tot het bereikte niveau landelijk geldend
zijn.
2.5. De
trajectbegeleiding
De trajectbegeleider is
een persoon die verbonden is aan de instelling die door het college van
burgemeester en wethouders is aangewezen het inburgeringsbeleid voor
nieuwkomers uit te voeren. Elke nieuwkomer krijgt een trajectbegeleider
aangewezen. De taak van de trajectbegeleider is de nieuwkomer tijdens de
duur van het inburgeringsprogramma te begeleiden.
De trajectbegeleider
speelt een cruciale rol bij de inburgering. Het is vooral deze
functionaris die invulling geeft aan het concept "individueel
maatwerk". Vanaf het moment dat de nieuwkomer zich meldt voor het
inburgeringsonderzoek is hij, tot aan de daadwerkelijke doorgeleiding
aan het eind van het inburgeringsprogramma, de persoon die de nieuwkomer
persoonlijk begeleidt, zo nodig motiveert en steunt bij eventuele
problemen. De trajectbegeleider volgt de voortgang van de nieuwkomer.
Daartoe onderhoudt hij actief contact met de educatie-instelling waar de
nieuwkomer het educatief programma volgt. Dit zal tot gevolg hebben dat
trajectbegeleider en de educatieve mentor intensief overleg moeten
voeren.
Het ligt voor de hand dat
de trajectbegeleider afspraken maakt met de betreffende
educatie-instelling over het melden van de voortgang en van voorkomende
problemen. In gezamenlijkheid kunnen vervolgens afspraken worden
bijgesteld en oplossingen worden gevonden voor de gesignaleerde
problemen, zoals langduriger ziekte en uitval door andere redenen
(verhuizingen, zwangerschap, familieproblemen). Zo kan het voorkomen dat
de nieuwkomer (tijdelijk) werk krijgt aangeboden waarvan de werktijden
moeilijk in overeenstemming zijn te brengen met de tijden van het
educatief programma of de intensiviteit ervan. In de huidige praktijk
wordt in zo’n geval getracht een oplossing te vinden door de
nieuwkomer een avond- of weekendcursus te laten volgen.
Het is van belang dat het
inburgeringsprogramma van de nieuwkomer ook tussentijds door de
trajectbegeleider wordt geëvalueerd. Gebruik makend van de informatie
over de voortgang die de nieuwkomer boekt, kan in de gesprekken die hij
met de nieuwkomer heeft, worden bezien of alles nog naar wens gaat, of
dat er bijstellingen moeten plaatsvinden of dat het afgesproken
einddoel, en dus ook de beschikking, moet worden gewijzigd.
Voorts is het van belang
dat de trajectbegeleider zorgt voor registratie en monitoring. Op die
manier worden de resultaten van het inburgeringsprogramma van iedere
nieuwkomer in elke fase overzichtelijk in kaart gebracht en kan worden
gevolgd of het inburgeringsprogramma naar wens verloopt. In de huidige
praktijk maakt het merendeel van de gemeenten gebruik van het
deelnemersregistratiesysteem DIAGRAM, een in opdracht van het ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ontwikkeld registratiesysteem.
Het ligt eveneens voor de
hand dat het ook tot de taak van de trajectbegeleider behoort dat hij,
afhankelijk van de afspraken die met de nieuwkomer zijn gemaakt tijdens
het inburgeringsonderzoek of gedurende het inburgeringsprogramma,
contacten legt met educatie-instellingen waar de nieuwkomer zijn
opleiding kan vervolgen of met instellingen die zorg dragen voor de
toeleiding naar de arbeidsmarkt.
rblz.|20|
2.6. Organisatie en
samenwerking tussen (gemeentelijke) instellingen
2.6.1. De één-loketbenadering
Een aantal
gemeenten heeft in de afgelopen jaren gekozen voor de
één-loketbenadering.
Dit houdt het volgende in.
In
één van de preadviezen, opgenomen in het advies Beleidsopvolging Minderhedendebat
van Van der Zwan en Entzinger, beschrijft mevrouw Van der Stoel hoe de
opvang en inburgering van nieuwkomers kan verlopen.
Zij gaat ervan uit dat
elke nieuwkomer zich meldt bij een Bureau Nieuwkomers. "Zonder
aantoonbaar bewijs van bezoek aan dit bureau is geen enkele
overheidsvoorziening toegankelijk voor nieuwkomers. Het bureau is
gevestigd in het bevolkingsregister. Achter dit ene loket wordt
samengewerkt tussen de Dienst Bevolkingsregister, de
vreemdelingenpolitie, de Dienst Herhuisvesting, de gemeentelijke sociale
dienst en het Regionaal Bureau Arbeidsvoorziening. Dit
betekent dat
voor het ene doel "inburgering" elkaars bestanden toegankelijk zijn.
Staat iemand niet ingeschreven bij bevolking en vreemdelingendienst, dan
wordt geen enkele voorziening toegekend".
In een aantal grote
gemeenten wordt deze één-loketbenadering vormgegeven. In
Rotterdam wordt uitgegaan van het motto "geen PIN, geen POEN": een
nieuwkomer moet zich eerst inschrijven bij het PIN (Project integratie
nieuwkomers; het Rotterdamse Bureau Nieuwkomers), voordat hij recht
heeft op een uitkering. Dit is echter geen sluitende aanpak, omdat niet
elke nieuwkomer in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering en zich
dus niet altijd in eerste instantie meldt bij de sociale dienst.
Een ander voorbeeld van
de één-loketbenadering in gemeenten is dat er een duidelijke link
wordt gelegd tussen inburgering en uitreiking van de
verblijfsvergunning. Hierbij is sprake van een nauwe samenwerking tussen
de vreemdelingenpolitie, de Dienst Bevolkingsregister en het Bureau
Nieuwkomers. Wanneer de nieuwkomer een verblijfsvergunning aanvraagt,
wordt hij geregistreerd als aspirant-deelnemer bij het Bureau
Nieuwkomers. Wanneer de vergunning tot verblijf is toegekend, wordt deze
zo spoedig mogelijk daarna door de Dienst Bevolkingsregister op het
stadhuis uitgereikt. Daar bevindt zich ook het immigratieloket van het
Bureau Nieuwkomers. Direct na ontvangst van de verblijfsvergunning heeft
de nieuwkomer daar het eerste gesprek in het kader van het
inburgeringsonderzoek. Na het afsluiten van dit onderzoek kan het
inburgeringsprogramma van start gaan.
In kleinere
gemeenten is
de jaarlijkse instroom van nieuwkomers zo gering dat een dergelijke
organisatorische investering niet rendabel is. Intergemeentelijke
samenwerking (zie paragraaf 2.6.3) ligt voor deze gemeenten meer in de
rede.
2.6.2. De gemeentelijke
regie
De
gemeenten zijn
verantwoordelijk voor de organisatie van de uitvoering. Er zijn veel
organisaties betrokken bij de uitvoering. Behalve de organisaties die al
zijn genoemd in paragraaf 2.6.1 zijn dit met name de
educatie-instellingen, de plaatselijke verenigingen VluchtelingenWerk,
minderhedenorganisaties (steunfuncties en zelforganisaties), de
gemeentelijke sociale dienst, de Regionale Bureaus
Arbeidsvoorziening, het Algemeen Maatschappelijk Werk, de Regionale Instellingen voor
Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg en de woningcorporaties. Bij de
uitvoering van het inburgeringsbeleid werken deze organisaties op een rblz.|21|
procesgerichte wijze samen. Zij behouden ieder hun eigen
verantwoordelijkheid, maar streven naar afstemming van werkprocessen
door procedurele afspraken. Om een effectieve, efficiënte en
klantgerichte uitvoering van het inburgeringsbeleid mogelijk te maken,
is het noodzakelijk dat de procesgerichte samenwerking wordt aangestuurd
en gestructureerd. Dit is de verantwoordelijkheid van de gemeente en
wordt omschreven als de gemeentelijke regiefunctie. Bij de gemeentelijke
regiefunctie zijn de afstemming van doelstellingen van uitvoerende
organisaties, het vastleggen van hun (deel)producten, het afleggen van
verantwoording en de verdeling van het budget essentieel.
Regie kan alleen
plaatsvinden op basis van een goede monitoring middels een
deelnemersregistratiesysteem. Is de monitoring onvoldoende, dan kan er
nauwelijks sprake zijn van een goede planning (educatieplaatsen,
kinderopvang), uitvalbewaking, resultaatmeting of voorstellen ter
verbetering. Ook de financiering (begroting en verantwoording) is gebaat
bij betrouwbare gegevens uit een adequaat deelnemersregistratiesysteem.
2.6.3. Samenwerking
tussen gemeenten
In de Regeling integratie
nieuwkomers (RIN) werd een ondergrens bepaald van een minimaal aantal
van 50 nieuwkomers om een projectaanvraag te kunnen doen. Dit vereiste
noopte gemeenten die een kleine instroom van nieuwkomers kenden tot het
indienen van een gezamenlijke aanvraag. Sinds 1996 is het vereiste van
een minimum aantal nieuwkomers voor het doen van een aanvraag komen te
vervallen. Toch heeft samenwerking tussen gemeenten bepaalde voordelen.
Men heeft een ruimer budget, waardoor een betere infrastructuur mogelijk
wordt. Er zijn echter ook andere argumenten aan te voeren voor het
nastreven van een intergemeentelijke samenwerking op het gebied van
inburgering. Zo zullen er veelal intergemeentelijke
samenwerkingsverbanden rond educatie, onderwijs en arbeidsvoorziening
gaan bestaan. In sommige samenwerkingsverbanden bestaat de mogelijkheid
dat vanuit de scholingsgelden van het Regionaal Bureau
Arbeidsvoorziening wordt bijgedragen aan het traject dat de nieuwkomer
doorloopt.
Deze vormen van
samenwerking acht het kabinet van belang. Op deze wijze kan een meer
nauwkeurige aansluiting worden geregeld met vervolg(beroeps)onderwijs of
toeleiding naar de arbeidsmarkt.
De op deze wijze ontstane
intergemeentelijke samenwerking leidt in de praktijk niet altijd tot
hechte verbanden; per gemeente kunnen tamelijk autonome projecten
blijven bestaan. Ook is het niet altijd zo dat gemeentelijke
samenwerkingsverbanden bestaan uit alleen kleine gemeenten. In de
huidige praktijk is het vaak een grote gemeente met meer dan 50
nieuwkomers, die met kleinere omliggende gemeenten een
samenwerkingsverband vormt.
2.7. Relatie met andere
wetgeving
2.7.1. Relatie met de Wet
educatie en beroepsonderwijs
Het onderhavige
wetsvoorstel sluit in zijn systematiek aan bij een aantal reeds in de
Wet
educatie en beroepsonderwijs geregelde onderwerpen. Die aansluiting betreft:
a. de bekostiging van het
educatief programma, bedoeld in artikel 6, onderdeel a, van dit
wetsvoorstel;
b. de relatie tussen de
nieuwkomer en de onderwijsinstelling;
c. de
onderwijsinhoudelijke regeling van het educatief programma.
Deze onderwerpen komen
hierna achtereenvolgens aan de orde.
rblz.|22|
Bekostiging
In artikel 2.3.1 van de
Wet
educatie en beroepsonderwijs wordt in plaats van de huidige bekostigingsgrondslag voor de educatieve programma’s
een grondslag voor een
Besluit bekostiging inburgering opgenomen [zie Bekostigingsbesluit
inburgering nieuwkomers, red.]. Dit besluit zal na overleg
met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de
Minister van Binnenlandse Zaken tot stand komen. Deze regeling bij algemene
maatregel van bestuur omvat tevens de algemene maatregel van bestuur die
op grond van artikel 16 voor de onderdelen van het
inburgeringsprogramma,
genoemd in de artikelen 6, onderdeel b en c, en
15 van dit
wetsvoorstel,
wordt voorzien.
Relatie
nieuwkomer/onderwijsinstelling
De relatie tussen de
nieuwkomer en de onderwijsinstelling wijkt in een aantal opzichten af van
die tussen de deelnemer aan andere opleidingen educatie en de
onderwijsinstelling. Deze afwijkingen zijn specifiek voor de categorie nieuwkomers in
de Wet
educatie en beroepsonderwijs en deels eveneens in dit
wetsvoorstel opgenomen.
De meest kenmerkende
afwijking is het feit dat deelname aan inburgering niet vrijwillig is en de
uitkomsten van die inburgering ook niet vrijblijvend zijn. De
nieuwkomer heeft een aanwezigheidsplicht en is verplicht een toets af te
leggen.
IJkpunten
IJkpunt voor de
toetsontwikkeling vormen de eindtermen voor de opleidingen NT2 zoals die
krachtens de Wet
educatie en beroepsonderwijs zijn vastgesteld. Naast
dit al bestaande ijkpunt zullen ten behoeve van het inburgeringsprogramma nog
twee ijkpunten worden omschreven. Eén ijkpunt op het
streefniveau dat aansluitingsmogelijkheden geeft naar vervolgonderwijs of
arbeidsmarkt en één ijkpunt dat gerelateerd is aan de taalvaardigheid die
relevant is in het kader van de naturalisatieprocedure.
De toets
Gelet op de definitie van
het begrip eindtermen is tevens voorzien in een aparte regeling van
de toets in de Wet
educatie en beroepsonderwijs. Daartoe is een nieuwe
paragraaf toegevoegd aan hoofdstuk 7, titel 4, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs. Tevens is het bepaalde ten aanzien van examens voor de
inburgering buiten werking gesteld door wijziging van artikel 7.1.2.
De voor de inburgering
voorziene toets meet het door de deelnemer bereikte niveau, nadat de andere onderdelen van het het educatief
programma gedurende een
bepaalde periode zijn doorlopen. Dit niveau zal niet in alle gevallen
gelijk zijn aan het streefniveau. De toets geeft een indicatie welk niveau is
bereikt.
De hier bedoelde toets
zal eveneens toegepast worden in gevallen waarin de gemeente
afziet
van het vaststellen van een inburgeringsprogramma voor de nieuwkomer.
Nieuwkomers die aannemelijk maken dat zij het streefniveau
hebben bereikt, behoeven immers niet meer te worden ingeburgerd.
Ook in gevallen waarin
een inburgeringsprogramma is vastgesteld en de nieuwkomer sneller dan verwacht (binnen de vastgestelde maximale
500 uur in één jaar) het
streefniveau van het inburgeringsprogramma heeft behaald, kan dit
door middel van de toets worden vastgesteld en rblz.|23|
wordt de nieuwkomer
vrijgesteld van verdere verplichte deelname aan het educatief programma.
Een verklaring waarin de
toetsresultaten van de verschillende vaardigheden zijn opgenomen, wordt de
nieuwkomer zo spoedig mogelijk uitgereikt door de educatie-instelling waar het educatief programma is gevolgd.
2.7.2. Relatie met de
Rijkswet op het Nederlanderschap
De kennis, het inzicht en
de vaardigheden aan het einde van het educatief programma wordt uitgedrukt in niveaus. In
het wetsvoorstel zijn
twee niveaus opgenomen.
Het eerste niveau geeft vrijstelling van de naturalisatietoets zoals
bedoeld in de Rijkswet
op het Nederlanderschap. Deze naturalisatietoets
houdt beoordeling in van de kennis van het Nederlands als gesproken
taal. Vrijstelling hiervan betekent dat de nieuwkomer bij een
verzoek om verlening van het Nederlanderschap bedoelde toets niet meer
hoeft af te leggen.
2.7.3. Relatie met de
Leerplichtwet 1969
Het onderhavige
wetsvoorstel bevat op enkele punten dwarsverbanden met de Leerplichtwet
1969. Voor de goede orde: die laatste wet is niet rechtstreeks van
toepassing op de nieuwkomer. De nieuwkomer is weliswaar
onderwijsdeelnemer in de zin van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, maar heeft reeds de
leeftijd van 18 jaar bereikt en is dus niet (partieel) leerplichtig
in de zin van die wet. Artikel 3 van Leerplichtwet
1969 regelt het einde van
de volledige leerplicht (na ten minste twaalf volledige schooljaren of
bij het bereiken van de leeftijd van 16 jaar); wie niet langer volledig
leerplichtig is, valt onder artikel 4a van die
wet en is daarmee partieel
leerplichtig, voor een periode van één jaar.
Enkele bepalingen van
het
voorliggende wetsvoorstel verklaren onderdelen van de Leerplichtwet
1969 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
nieuwkomer.
Het gaat daarbij om twee
groepen van onderwerpen:
a. de gronden voor
vrijstelling van geregeld schoolbezoek. Artikel 11 van de Leerplichtwet
1969 noemt zeven gronden voor een dergelijke vrijstelling. Daarvan
zijn er zes van overeenkomstige toepassing verklaard. In de artikelen 12 tot en
met 14 zijn de voorwaarden geregeld waaronder een beroep op dergelijke
vrijstellingen kan worden gedaan. Ook die voorwaarden zijn van overeenkomstige toepassing verklaard. Zie verder
ook de artikelsgewijze
toelichting (artikel 9);
b. de systematiek van het
toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969 door de gemeenten. Deze systematiek is van overeenkomstige
toepassing verklaard op
het gemeentelijk toezicht ten aanzien van de naleving van een aantal
bepalingen van het wetsvoorstel. Het betreft de artikelen 16, tweede,
derde en vierde lid, 17, 18, eerste en derde lid, en 21, tweede lid, van de
Leerplichtwet 1969.
Zie voor de gekozen
toezichtsystematiek meer uitgebreid paragraaf 2.9.1 van deze memorie
van toelichting.
2.7.4. Relatie met de
Algemene bijstandswet
Op grond van de
Algemene
bijstandswet (Abw) zijn gemeenten op het moment van de aanvraag om
bijstand of kort daarna gehouden om in overleg met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] een diagnose te stellen van de arbeidsmarktkansen
van de bijstandsgerechtigde. Als het resultaat van dit onderzoek leidt
tot de conclusie dat betrokkene niet op eigen kracht kan uitstromen
(dit zal voor de huidige groep nieuwkomers in de rblz.|24|
meeste gevallen de
uitkomst zijn), dan zullen door de gemeente, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de betrokkene afspraken moeten worden gemaakt over
aanvullende voorzieningen. De gemeente en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
bepalen, mede op grond van de beschikbare capaciteit,
voor wie zij gezamenlijk afspraken maken (in de vorm van een trajectplan)
en leggen deze afspraken vast als onderdeel van de bijstandsverplichtingen.
Een inburgeringsprogramma
kan als onderdeel van het trajectplan, gericht op
arbeidsinschakeling, worden opgevat. Afhankelijk van de individuele
omstandigheden kan dit worden gevolgd door of worden gecombineerd met een
arbeidsmarkttraject. Voor zover nieuwkomers bijstandsgerechtigd zijn,
heeft de gemeente derhalve een verantwoordelijkheid voor het tot stand
brengen van de aansluiting met de arbeidsmarkt.
In de
Abw is in dit
verband tevens bepaald dat de afspraken in het kader van de samenwerking van
het college van burgemeester en wethouders en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
op het terrein van de inschakeling van bijstandsgerechtigden
in het arbeidsproces en de wijze van uitvoering daarvan worden
vastgelegd in een beleidsplan respectievelijk beleidsverslag.
Sollicitatieplicht,
arbeid en inburgeringsplicht
Op grond van de
Abw
worden in beginsel aan bijstandsgerechtigden verplichtingen opgelegd gericht op de arbeidsinschakeling. Deze
verplichtingen vloeien
voort uit één van de hoofddoelstellingen van de Abw, te weten het
bevorderen van de zelfstandige bestaansvoorziening. Als concreet voorbeeld
kunnen worden genoemd de sollicitatieplicht, de plicht tot inschrijving
bij het arbeidsbureau [zie Centrum voor werk en
inkomen (CWI), red.] en de plicht tot het aanvaarden van passende
arbeid. In bepaalde gevallen kan van één of meer verplichtingen
ontheffing worden verleend. Dit kan zich voordoen indien in het individuele
geval belemmeringen bestaan om aan dergelijke verplichtingen te
voldoen, bijvoorbeeld op grond van medische of sociale omstandigheden of omdat
bepaalde verplichtingen niet gelijktijdig kunnen worden nagekomen.
Indien het college van burgemeester en wethouders het volgen van
een inburgeringsprogramma als verplichting aan de uitkering verbindt
en dit programma uitsluitend via een intensief dagprogramma gevolgd zal
kunnen worden, zal bijvoorbeeld een tijdelijke ontheffing kunnen worden
gegeven van de sollicitatieplicht en de verplichting tot het
aanvaarden van passende arbeid gedurende het programma. Anderzijds zal
het niet in alle gevallen nodig zijn om een dergelijke ontheffing te
verlenen. Dit zal per geval moeten worden beoordeeld aan de hand
van de bestaande mogelijkheden. Het is bijvoorbeeld denkbaar
dat, afhankelijk van de wijze van organisatie en de inhoud van het geïndiceerde
inburgeringsprogramma, in bepaalde gevallen een combinatie
van betaalde arbeid en het inburgeringsprogramma mogelijk is. Het
bovenstaande is eveneens van toepassing in het geval de nieuwkomer
zelf arbeid vindt. Het ligt voor de hand dat de nieuwkomer vóór het
aanvaarden van deze arbeid hierover eerst contact opneemt met de gemeente.
De VNG heeft in haar
reactie op het wetsvoorstel een opmerking gemaakt over de relatie inburgering en arbeid en met name over de
situatie waarin de
nieuwkomer zelf arbeid heeft gevonden. Zoals gezegd, is het van belang dat in
verband met de inburgeringsverplichting de nieuwkomer vóór het
aanvaarden van deze arbeid hierover eerst contact opneemt met de gemeente.
Op deze wijze kan een op de situatie van de nieuwkomer afgestemd inburgeringsprogramma worden afgesproken. Op
voorhand kan voor
nieuwkomers de inburgeringsplicht niet leiden tot een categorale ontheffing van
de arbeidsverplichtingen in het kader van de rblz.|25|
Abw. Deze beoordeling van
de gemeente is een kwestie van individueel maatwerk op lokaal
niveau.
2.7.5. Relatie met de
Arbeidsvoorzieningswet
Met betrekking tot de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie geldt in algemene zin dat werkzoekenden ondersteuning kunnen verwachten bij het in beeld
brengen van individuele
mogelijkheden op de regionale arbeidsmarkt. Dit valt onder de zogenaamde
basisdienstverlening, die voor iedere werkzoekende toegankelijk is.
Daarnaast beschikt de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie over een prestatiebudget dat
ingezet wordt voor intensieve begeleiding naar de arbeidsmarkt. Naast de
activiteiten in het kader van de basisdienstverlening en de besteding van het
prestatiebudget kent de Arbeidsvoorzieningswet [Arbeidsvoorzieningswet
1996, red.] ten slotte de mogelijkheid dat extra diensten
worden geleverd via
inkoop. Uitgangspunt bij de inzet van het prestatiebudget en de inkoopmiddelen is
dat de middelen primair terecht komen bij degenen die ook
daadwerkelijk extra ondersteuning behoeven van Arbeidsvoorziening om te
worden toegeleid naar de arbeidsmarkt. De doelgroepdefiniëringen
zoals die ten tijde van de voorgaande Arbeidsvoorzieningswet golden, boden te veel ruimte, zowel aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
(bij het voldoen aan taakstellingen) als aan de werkzoekenden die onder de bedoelde definities vielen. Niet iedere
allochtone werkzoekende
is immers per definitie aangewezen op ondersteunende
maatregelen van Arbeidsvoorziening. Bovendien was de oude doelgroependefinitie
weinig onderscheidend omdat het (over)grote deel van het werkzoekendenbestand van Arbeidsvoorziening hiermee tot
de doelgroep behoorde. Om
deze redenen heeft de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ervoor gekozen de
"afstand tot de arbeidsmarkt" als indicatie per individu te hanteren
voor de inzet van aanbodversterkende maatregelen en niet dat een groep in
haar geheel voor aanbodversterking in aanmerking komt.
De nieuwe werkwijze van
Arbeidsvoorziening komt erop neer dat het bestand van werkzoekenden aan de hand van objectieve criteria (zoals
leeftijd,
opleidingsniveau, werkervaring en het behoren tot een etnische minderheidsgroep) en
subjectieve criteria (zoals motivatie, sociale zelfredzaamheid) in
categorieën worden ingedeeld. Ook de (on)mogelijkheden op de regionale
arbeidsmarkt worden daarbij in beschouwing genomen. Arbeidsvoorziening kent aldus vier categorieën van cliënten. Er is een categorie van
werkzoekenden die vooralsnog niet bemiddelbaar zijn of tijdelijk dan wel
permanent op additionele werkgelegenheid zijn aangewezen en er is een
categorie die direct bemiddelbaar is. De twee overige categorieën werkzoekenden worden, voor zover de middelen
toereikend zijn, via
ondersteunende maatregelen meer of minder intensief begeleid naar de
arbeidsmarkt. De bestandsindeling en de inzet van middelen uit het
prestatiebudget van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie geschiedt overigens in
nauw overleg met de gemeenten en de bedrijfsverenigingen.
Aan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zal worden gevraagd zichtbaar te maken in welke mate
diverse groepen werkzoekenden bij de besteding van haar prestatiebudget
aan bod zijn gekomen. De groep nieuwkomers zal hierbij expliciet
worden meegenomen. Het is dat ook van belang dat de expertise ten behoeve
van arbeidsmarkttrajecten voor nieuwkomers in de Arbeidsvoorzieningsorganisatie behouden blijft en per regio voldoende
beschikbaar is.
rblz.|26|
2.8.
Financiële
aspecten
Het Rijk zal de gemeenten
in staat stellen de zorgplicht ten opzichte van de nieuwkomers waar te maken door het
beschikbaar stellen van een
bijdrage. Deze bijdrage
is bedoeld voor alle onderdelen van het inburgeringsprogramma. De
financiële regeling na de inwerkingtreding van de Wet inburgering nieuwkomers
zal voortbouwen op de financiële regelgeving voor
inburgering zoals deze is ingevoerd per 1 januari 1996. Op basis van de
Onderwijsregeling inburgering nieuwkomers gebaseerd op de Wet
educatie en beroepsonderwijs ontvangen gemeenten een bijdrage voor de
educatieve component van het inburgeringsprogramma. Voor de welzijnscomponent
ontvangen de gemeenten een bijdrage op basis van de
Welzijnsregeling inburgering nieuwkomers.
Na inwerkingtreding van
de Wet inburgering nieuwkomers zullen gemeenten
bijdragen
ontvangen voor inburgering van nieuwkomers op basis van de Wet
educatie en beroepsonderwijs voor het educatief programma en op basis van
artikel 16 van dit voorstel voor de welzijnscomponent, bestaande uit het
inburgeringsonderzoek, de maatschappelijke begeleiding, de
doorgeleiding naar een instantie die zorg draagt voor verdere scholing of voor
toegang tot de arbeidsmarkt en de trajectbegeleiding.
In de regelgeving na
inwerkingtreding van de Wet inburgering nieuwkomers
zullen de belangrijkste kenmerken van de per 1 januari 1996
ingevoerde regelingen
voor inburgering worden gehandhaafd. Dat betreft ten eerste het
uitgangspunt van een vast lumpsumbedrag dat gemeenten
per
inburgeringsprogramma ontvangen. Dit bedrag is opgebouwd uit een
bijdrage voor het educatief programma op basis van de Wet
educatie en beroepsonderwijs en een bijdrage voor de welzijnscomponent op basis van artikel
16.
Het is aan de gemeente te bepalen welk deel van het bedrag
wordt ingezet voor de educatieve component en welk deel voor de
welzijnscomponent. De beide bijdragen zijn daarmee onderling uitwisselbaar.
Gemeenten worden op deze manier in staat gesteld de middelen voor
inburgering op een efficiënte en bij de achtergronden van de nieuwkomers
passende manier in te zetten.
Ten tweede blijft de
financiering voor inburgering een outputkarakter houden. Dit houdt in dat
gemeenten jaarlijks een budget ontvangen op basis van een raming van
het aantal in te burgeren nieuwkomers. Bij de bepaling van het
landelijk budget voor jaar t zal verder rekening worden gehouden met het aantal
gerealiseerde inburgeringsprogramma’s in jaar t-2. Na afloop van elk
jaar verantwoorden gemeenten het aantal realisaties bij de twee betrokken
departementen.
Op dit moment geldt voor
gemeenten de verplichting op basis van de Wet
educatie en beroepsonderwijs om de educatieve activiteiten alleen te
kunnen laten uitvoeren
door educatie-instellingen.
Vanuit de Vaste Commissie
voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer en vanuit verschillende gemeenten is de wens geuit meer ruimte te
geven aan gemeenten om op
maat gesneden opleidingen voor nieuwkomers van andere dan de
educatie-instellingen te kunnen betrekken.
In het wetsvoorstel wordt
aan de Minister van Binnenlandse Zaken opgedragen de onderhavige regeling binnen drie jaar na inwerkingtreding
te evalueren. Hierbij zal
de verplichte aanbesteding bij educatie-instellingen worden betrokken. In dat
verband zullen met name de volgende criteria/aandachtspunten een rol spelen: het beschikbaar blijven
van een kwalitatief
voldoende aanbod voor educatie en het voorkomen van een situatie waarin
particuliere instellingen het beste en minst risicovolle deel van de
markt innemen. De financiële gevolgen en rblz.|27|
implicaties voor het Rijk
van het hanteren van bovenstaande criteria zullen moeten worden bezien, met
name wat betreft wachtgeldconsequenties. Het kabinet heeft het
voornemen om na deze evaluatie de verplichte aanbesteding bij
educatie-instellingen te bezien, dit in het licht van haar uitgangspunten
ten
aanzien van de vrije marktwerking. In de toekomst zullen de
educatie-instellingen in staat moeten zijn om als volwaardige marktpartij te opereren.
Voor de educatieve opvang van nieuwkomers worden tussen
educatie-instellingen en individuele gemeenten contracten gesloten. In het contract
tussen gemeenten en Regionale Opleidingen Centra is het van belang dat er
een evenwichtige relatie wordt ontwikkeld met betrekking tot de
formulering en afstemming van vraag en aanbod.
De
financiële
regelgeving zal na inwerkingtreding van de Wet inburgering nieuwkomers
op een
tweetal punten vernieuwd worden. De eerste betreft meer zekerheid
voor de gemeenten over de van het Rijk te ontvangen bijdragen voor
de inburgering van nieuwkomers.
Anders dan in de
afgelopen jaren wordt er niet langer gewerkt met een systeem van voorschotten
en afrekeningen, maar wordt het eenmaal vastgestelde landelijk
budget voor jaar t definitief over de gemeenten verdeeld naar rato van
hun aandeel in het totaal aantal gerealiseerde inburgeringsprogramma’s
in jaar t-2.
Bij de vaststelling van
het landelijk budget voor jaar t wordt zoals gezegd in eerste
instantie uitgegaan van de raming van het aantal nieuwkomers voor dat
jaar. Daarnaast zal rekening worden gehouden met het landelijk aantal
gerealiseerde inburgeringsprogramma’s in jaar t-2. Wijkt deze realisatie
meer dan een bepaald percentage (bandbreedte) af van de voor jaar t-2 gehanteerde raming, dan zal het landelijk budget voor
jaar t worden verhoogd c.q.
verlaagd met de afwijking ten opzichte van deze raming voor zover
deze de bandbreedte overschrijdt.
Ten tweede zullen de
voorwaarden die zijn verbonden aan het verstrekken van bijdragen
voor de inburgering van nieuwkomers op basis van de Wet
educatie en beroepsonderwijs enerzijds en op basis van artikel 16 anderzijds na
inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel volledig gelijk zijn
getrokken en neergelegd in één algemene maatregel van bestuur. Bij of
krachtens bedoelde algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot aan de verstrekking van de
bijdrage te verbinden voorschriften.
Om een aantal redenen is
in het kader van dit wetsvoorstel afgezien van een verdere decentralisatie van de bekostigingssystematiek. De belangrijkste
hiervan is dat de kostenontwikkeling nog te onzeker is om de risico’s hiervan zonder
meer bij de gemeenten neer te leggen.
Wel is het voornemen na
te gaan in hoeverre een aanpassing in de financiële systematiek mogelijk is die leidt tot een verdere verruiming van
de bestedingsvrijheid van
de gemeenten, in ieder geval binnen een breder domein van relevante
activiteiten, maar zo mogelijk gemeentebreed. Dit mogelijk perspectief van
verdere decentralisatie zal voor het eerst aan de orde zijn bij de
evaluatie van de wet die binnen drie jaar na inwerkingtreding zijn beslag zal krijgen.
Dat biedt voldoende tijd om ervaring op te doen met de feitelijke
kostenontwikkeling en om een optimaal evenwicht te vinden tussen
globaliteit en bestedingsvrijheid enerzijds en kostenoriëntatie anderzijds. Bij
decentralisatie naar de gemeenten dient wel te worden aangetekend dat de
keerzijde hiervan is dat gemeenten de inburgering van
nieuwkomers zullen moeten bekostigen vanuit de eigen middelen en daarmee het
volledige financiële risico zullen moeten dragen.
Het kabinet is van mening
dat de financiële regelgeving na inwerkingtreding van het onderhavige
wetsvoorstel zich kenmerkt door een grote rblz.|28|
beleidsruimte voor de gemeenten. Zij krijgen een zorgplicht om nieuwkomers in te burgeren en hun
inburgeringsbehoefte op basis van maatwerk te beoordelen.
Vervolgens is de wijze waarop zij de inburgering vormgeven, het afsluiten
van contracten met educatie-instellingen en de maatschappelijke
begeleiding in belangrijke mate aan het inzicht van de gemeenten overgelaten. De
wet is verder sober op het punt van administratieve verplichtingen jegens het
Rijk. Duidelijk is tot uiting gebracht dat de primaire
verantwoordelijkheid voor de opvang van nieuwkomers bij de gemeenten ligt.
In de in het wetsvoorstel
opgenomen t-2-systematiek is rekening gehouden met de
opmerkingen die de VNG heeft gemaakt met betrekking tot de
financiële
systematiek voor inburgering.
2.9. Handhaving en
rechtsbescherming
2.9.1. Toezicht
Ingevolge
het onderhavige
wetsvoorstel rusten op de nieuwkomer verschillende
verplichtingen, te weten:
- melding voor het
inburgeringsonderzoek (artikel 2);
- verlening van
medewerking aan het inburgeringsonderzoek (artikel
4, derde lid);
- inschrijving bij een
educatie-instelling (artikel 8, eerste volzin);
- aanwezigheid bij het
educatief programma, daaronder begrepen het afleggen van een toets (artikel
9, eerste lid, en artikel 10, derde lid);
- verlening van
medewerking aan de overige onderdelen van het inburgeringsprogramma (artikel
12).
Voor het toezicht op de
naleving van deze verplichtingen is gekozen voor een regeling die op
een aantal punten overeenkomt met de regeling die ten aanzien van het
toezicht in de Leerplichtwet
1969 is getroffen. Het belangrijkste punt van
overeenkomst is dat in artikel 17 van dit wetsvoorstel het
toezicht, evenals in de Leerplichtwet 1969 het geval is, is opgedragen aan het
college van burgemeester en wethouders. Voor de feitelijke uitvoering van
het toezicht dient het college één of meer ambtenaren aan te wijzen.
Voorts dient het college te controleren of de nieuwkomers die als ingezetene in
de GBA zijn ingeschreven zich
hebben gehouden aan hun
verplichting om zich te melden voor het houden van een
inburgeringsonderzoek.
In het kader van het
toezicht wordt ook een rol vervuld door de hoofden van de educatie-instellingen. Zij dienen aan het college van burgemeester
en wethouders binnen
zeven dagen kennis te geven van de in- en afschrijving van
nieuwkomers. Een besluit tot verwijdering van een nieuwkomer moeten zij
terstond aan het college melden. Ook moeten zij aan het college en aan de
uitvoerende ambtenaren alle inlichtingen geven die deze verlangen in
verband met de uitvoering van de Wet inburgering nieuwkomers. Verder
hebben zij nog een taak in het geval dat een nieuwkomer verzuimt het
educatief programma te volgen: indien een nieuwkomer zonder geldige
reden gedurende een periode van vier opeenvolgende
opleidingsweken meer dan 1/8 deel van de opleidingstijd heeft verzuimd, moet het
hoofd van de educatie-instelling hiervan onverwijld kennis geven
aan het college van burgemeester en wethouders (vgl. de artikelen 18, eerste en
derde lid, en 21 Leerplichtwet
1969).
Tot slot de rol van de
uitvoerende ambtenaren. In de uitoefening van hun taak hebben zij te
allen tijde toegang tot een educatie-instelling en zijn zij bevoegd personen
te horen (vgl. artikel 16, derde lid, Leerplichtwet
1969). Indien blijkt dat
een nieuwkomer, zonder dat een grond voor ontheffing aanwezig is,
zich niet aan zijn verplichtingen houdt of indien rblz.|29|
door de gemeente
een
kennisgeving van verzuim is ontvangen, dient de ambtenaar een onderzoek
in te stellen. In het kader van dat onderzoek dient hij de betrokken
nieuwkomer te horen en te trachten hem te bewegen zijn verplichtingen na te komen. Indien blijkt dat de nieuwkomer
weigert deze
verplichtingen na te komen, dient de ambtenaar een verslag van zijn bevindingen aan
het college van burgemeester en wethouders te zenden (artikel
17, derde
lid, van het wetsvoorstel; vgl. artikel 22 Leerplichtwet
1969). Het college kan de
nieuwkomer vervolgens zo nodig een sanctie opleggen (zie paragraaf
2.9.2).
Niet alle
toezichtsbepalingen uit de Leerplichtwet
1969 zijn overgenomen. Zo leek het niet nodig de
in artikel 25 vastgelegde verplichting voor het college van
burgemeester en wethouders om jaarlijks verslag aan de gemeenteraad uit
te brengen over te nemen, aangezien een dergelijk verslag ook op
grond van artikel 169 van de Gemeentewet
kan worden gevraagd. Ook de
in eerder genoemd artikel 25 opgenomen verplichtingen om
gegevens aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen te
verstrekken, zijn niet overgenomen. Artikel 2.3.6 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs geeft reeds voldoende mogelijkheden om aan de desbetreffende
gegevens te komen.
Andere vormen van
toezicht die met het oog op de behoefte aan een adequate uitvoering van
het inburgeringsbeleid van belang zijn, zijn in reeds bestaande
regelgeving terug te vinden. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan het
toezicht dat op grond van hoofdstuk 5 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs door de inspectie van het onderwijs wordt uitgeoefend op onder
meer
de kwaliteit van de educatieve programma’s. Omdat het om reeds
bestaande toezichtsvormen gaat, worden deze hier niet verder toegelicht.
2.9.2. Sancties
In de Hoofdlijnennotitie
"Wet inburgering nieuwkomers" (Kamerstukken II 1995-1996, 24 401, nr.
4) heeft het kabinet het voornemen uitgesproken in de Wet inburgering nieuwkomers
een sanctie op te nemen in het geval een nieuwkomer de
verplichtingen voortvloeiend uit de voorgenomen wet niet nakomt. In de
notitie "Uitgangspunten Inburgering" (Kamerstukken II 1994-1995, 23 901, nr.
10) sloot het kabinet voor wat betreft de inburgeringscontracten
reeds aan bij de systematiek van de Algemene bijstandswet
(Abw).
Hierdoor is het op dit moment al mogelijk, indien de bijstandsgerechtigde
nieuwkomer weigert bepaalde in het huidige inburgeringstraject
opgenomen verplichtingen na te leven, aan te sluiten bij het sanctiebeleid
ingevolge de Abw.
In
het onderhavige
wetsvoorstel kan in principe aan elke nieuwkomer een bestuurlijke boete worden
opgelegd indien hij in strijd handelt met
de onderstaande
verplichten:
- zich melden voor een
inburgeringsonderzoek (artikel 2);
- verlenen van
medewerking aan het inburgeringsonderzoek (artikel
4, derde lid);
- zich laten
inschrijven bij een educatie-instelling (artikel
8);
- aanwezig zijn bij
alle onderdelen van het voor hem vastgestelde educatief programma, daaronder begrepen het afleggen van een toets
(artikel 9, eerste lid,
en artikel 10, derde lid);
- verlenen van
medewerking aan de overige onderdelen van het voor hem vastgestelde inburgeringsprogramma
(artikel 12).
De bestuurlijke boete
komt ten goede aan de gemeente.
Voor het systeem van de
bestuurlijke boete is aangesloten bij het Kabinetsstandpunt inzake bestuurlijke boeten (Kamerstukken
II 1993-1994, rblz.|30|
23 400 VI, nr. 48). In het wetsvoorstel
is opgenomen dat bij algemene maatregel van bestuur
nadere regels worden vastgesteld met betrekking tot de hoogte van de
boete die door het college van burgemeester en wethouders mag worden
opgelegd. Bij het bepalen van de hoogte van de boete dient het college
rekening te houden met de ernst van het feit, de omstandigheden waarin de
nieuwkomer verkeert en de mate van verwijtbaarheid. Het ligt
voor de hand dat een bestuurlijke boete zo spoedig mogelijk na de
overtreding wordt opgelegd. In het wetsvoorstel is opgenomen dat de
bevoegdheid tot het opleggen van een boete in ieder geval vervalt twee jaar
nadat de overtreding is begaan.
Voorts is in het
wetsvoorstel opgenomen dat, indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, het college van burgemeester en wethouders kunnen
besluiten af te zien van het opleggen van een boete.
Zoals gezegd, wordt in de
huidige praktijk voor de bijstandsgerechtigde nieuwkomer al aangesloten bij de
Abw. Het kabinet gaat ervan uit dat ook na inwerkingtreding van
het onderhavige wetsvoorstel het college van burgemeester en
wethouders aan de bijstandsgerechtigde nieuwkomer indien hij bedoelde
verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, een administratieve
maatregel in de zin van de Abw oplegt. In dit wetsvoorstel is hiervoor
geen afzonderlijke bepaling opgenomen, omdat voor
bijstandsgerechtigden artikel 14 van de Abw reeds de
wettelijke basis vormt voor het opleggen
van administratieve maatregelen. Daar de verplichtingen tot
inburgering voortvloeiend uit dit wetsvoorstel deel uitmaken van de aan de
bijstandsuitkering verbonden verplichtingen, kan het college van
burgemeester en wethouders in het kader van de Abw bij niet-nakoming van deze
verplichtingen een administratieve maatregel treffen. Het is
vanzelfsprekend dat in dat geval het opleggen van een bestuurlijke boete
achterwege blijft. Hiertoe is een anticumulatiebepaling in artikel 18 opgenomen.
Het voldoen aan de
inburgeringsverplichtingen is aan te merken als een door het college van
burgemeester en wethouders aangewezen activiteit ter bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening als bedoeld in artikel
113, eerste lid,
onderdeel g, van de Abw. De hoogte en duur van de administratieve
maatregelen die het college van burgemeester en wethouders dient op te
leggen, zijn genormeerd in het Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz. In
alle gevallen blijven de gemeenten gehouden om de maatregel af te stemmen
op de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de
nieuwkomer.
Zoals al is gesteld, dient
de hoogte van de bestuurlijke boete te worden afgestemd op de ernst van het feit, de omstandigheden waarin de
nieuwkomer verkeert en
de mate van verwijtbaarheid. In de algemene maatregel van bestuur,
genoemd in artikel 18, zevende lid, zullen voorschriften worden
opgenomen die ertoe zullen leiden dat aan een nieuwkomer die niet
bijstandsgerechtigd is, in het geval dat hij in strijd met één van de in
artikel
18 bedoelde verplichtingen handelt, een boete zal worden opgelegd die
van dezelfde hoogte is als het bedrag dat hem aan bijstand zou worden
geweigerd indien hij bijstandsgerechtigde zou zijn.
In
artikel 19 zijn tweede
leden opgenomen waarin wordt uitgegaan van een mogelijke gebrekkige kennis van de nieuwkomer van de Nederlandse
taal. In het derde lid
wordt bepaald dat op verzoek van de nieuwkomer die de kennisgeving van het
voornemen hem een boete op te leggen wegens zijn gebrekkige kennis
van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, het college van burgemeester
en wethouders er zoveel mogelijk zorg voor draagt dat de in die
kennisgeving vermelde gronden aan de nieuwkomer worden meegedeeld in een
voor hem begrijpelijke taal. Voorts bepaalt het rblz.|31|
vijfde lid dat, indien de
nieuwkomer zijn zienswijze over het voornemen hem een boete op te
leggen mondeling naar voren brengt, het college van burgemeester en wethouders op verzoek van de nieuwkomer die de
Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, er zorg voor draagt dat een tolk wordt benoemd die de
nieuwkomer kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
daaraan geen behoefte bestaat.
Naar aanleiding van de
opmerkingen van de Raad van State zijn de sanctiebepalingen (de
artikelen 18, 19 en
20) ingrijpend gewijzigd. De
opmerking van de VNG dat
bij bijstandsgerechtigde nieuwkomers die een maatregel krijgen
opgelegd geen schorsende werking geldt van de maatregel bij bezwaar en
beroep, heeft geleid tot het schrappen van de bepaling in artikel 20
die aan de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd schorsende
werking verleende. Met betrekking tot het zwijgrecht wordt opgemerkt dat in
het Kabinetsstandpunt inzake bestuurlijke boeten (Kamerstukken II 1993-1994, 23 000
VI, nr. 48) wordt verwezen naar artikel 6 van het
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens [en de
fundamentele vrijheden, red.] en artikel 14,
derde lid, van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten. Deze artikelen verplichten tot het opnemen van het
zwijgrecht in een bestuurlijke boeteregeling.
Ook in de
overlegvergadering van de LAO met de Minister van Binnenlandse Zaken
op 20
juni 1996 zijn opmerkingen gemaakt over de relatie tussen de
bestuurlijke boete, zoals neergelegd in dit
voorstel, en het sanctiebeleid op
grond van de
Abw. Door de aangebrachte wijzigingen in bedoelde bepalingen is
er meer harmonisatie ontstaan tussen beide sanctiesystemen.
2.9.3. Rechtsbescherming
Op de besluitvorming van
de gemeente inzake inburgering zijn de bepalingen van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) over besluitvorming en rechtsbescherming van
toepassing. Hiermee is voorzien in de mogelijkheid dat de
nieuwkomer bezwaar kan maken bij de gemeente tegen een besluit over
inburgering waarmee hij het niet eens is. De gemeente is dan gehouden
haar besluit in heroverweging te nemen. Is ook het daarop genomen
besluit voor de nieuwkomer niet bevredigend, dan staat voor hem beroep
open bij de rechtbank.
In voorkomende gevallen
kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het kabinet meent dat de nieuwkomer op deze
wijze adequate rechtsbeschermingsmogelijkheden heeft tegen gemeentelijke
besluiten in de zin van de voorgenomen wet.
Geen schorsende werking
De
Awb bepaalt dat het
instellen van bezwaar of beroep niet de werking van het besluit schorst
waartegen het is gericht. Indien bijvoorbeeld een college van burgemeester
en wethouders besluit dat een nieuwkomer niet in een
achterstandspositie verkeert of daarin niet zal geraken en er geen inburgeringsprogramma
voor hem wordt vastgesteld, kan de nieuwkomer tegen dit besluit bij de gemeente
bezwaar en later eventueel bij de rechter
beroep instellen. Tijdens
de bezwaar- en de beroepsprocedure blijft het besluit van het college
van burgemeester en wethouders van kracht, totdat in bezwaar of
beroep hierover anders wordt beslist. In een ander voorbeeld leidt de
niet-schorsende werking van het instellen van bezwaar of beroep tot het
volgende. Indien een college van burgemeester en wethouders besluit dat
een nieuwkomer voldoet aan de criteria om deel te nemen aan het
inburgeringsprogramma en besluit dat hij tot deelneming is verplicht, kan de
nieuwkomer tegen dit besluit eveneens bezwaar rblz.|32|
maken en later eventueel
beroep instellen. Ook in dat geval heeft het instellen van bezwaar of
beroep niet tot gevolg dat het besluit tot deelname wordt geschorst.
Dit houdt in dat de nieuwkomer tijdens de bezwaar- of
beroepsprocedure verplicht blijft deel te nemen aan het
inburgeringsprogramma,
totdat in bezwaar of beroep hierover anders wordt beslist. Schorsing
van de werking van een besluit kan door een nieuwkomer wel worden gevraagd in het kader van een voorlopige
voorziening. De president
van de rechtbank kan de schorsing uitspreken, ook reeds indien de
bezwaarprocedure nog loopt (zie artikel 8:81
Awb).
Artikelsgewijs
Artikel 1
Eerste lid, onderdeel
a, en
tweede lid
In het
algemene deel van
deze toelichting zijn de uitgangspunten van het wetsvoorstel
voor wat betreft de doelgroep omschreven.
De voorwaarden in de
definitiebepaling van nieuwkomer die in het algemene deel nog niet
zijn genoemd, zijn: de minimumleeftijd van 18 jaar en het voor
de eerste keer tot Nederland zijn toegelaten. Deze laatste voorwaarde houdt
in dat vreemdelingen aan wie op grond van artikel 8 van de
Vreemdelingenwet (kort verblijf) wordt toegestaan in Nederland te
verblijven
en voorts alsnog een vergunning tot verblijf (hierna: VTV) op grond
van artikel 9 van bedoelde wet aanvragen, na het verlenen van die
vergunning onder de werking van het wetsvoorstel vallen. Deze voorwaarde
houdt tevens in dat vreemdelingen die in het bezit zijn geweest van
een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (hierna: VVTV, artikel 9a van de
Vreemdelingenwet) na het (in het algemeen na drie jaar) verkrijgen van een
VTV niet behoren tot de doelgroep van deze voorgenomen wet. De reden
hiervan is dat deze vreemdelingen al tot Nederland zijn toegelaten
op het moment dat hen een VVTV is verleend. Bovendien geldt voor VVTV-ers een gefaseerde integratie. Deze houdt in dat zij in de eerste twee
jaar van hun verblijf in toenemende mate van onderwijsvoorzieningen
gebruik kunnen maken en slechts kortdurend werk (maximaal twaalf weken per jaar) mogen verrichten. In het derde jaar
van hun verblijf in
Nederland hebben zij volledig toegang tot de arbeidsmarkt. Ook voor voormalige
houders van een AMA-VTV (een VTV voor alleenstaande
minderjarige asielzoekers) geldt dat zij al tot Nederland zijn toegelaten op het
moment
dat hen een AMA-VTV is verleend. Indien zij om humanitaire redenen op
hun achttiende jaar in het bezit van een VTV-humanitair worden
gesteld, behoren zij eveneens niet tot de doelgroep van het
wetsvoorstel.
In het algemene deel is
reeds gesteld dat de omvang van de doelgroep mede wordt bepaald door internationale regelingen. In
artikel 1 is de
vreemdeling uitgezonderd
die op grond daarvan niet kan worden verplicht aan een
inburgeringsprogramma deel te nemen. Als voorbeelden zijn genoemd
de onderdanen van de Europese Unie en de onderdanen van de
Europese Economische Ruimte. Behalve deze vreemdelingen kunnen
eveneens nog worden genoemd werknemers met de Turkse nationaliteit
die reeds langer dan één jaar in Nederland zijn toegelaten (Besluit Associatieraad EEG-Turkije 1/80), Amerikanen die
vallen onder het
Vriendschapsverdrag Nederland-Verenigde Staten en Polen die vallen onder
het Associatieverdrag EU-Polen.
In het tweede lid wordt
een omschrijving gegeven van wat onder verblijf voor een
tijdelijk doel wordt verstaan. Dit betreft allereerst het verblijf van een
vreemdeling rblz.|33|
die houder is van een VTV voor arbeid en waarbij tevens voor deze
vreemdeling een tewerkstellingsvergunning is vereist, en zijn
gezinsleden. Dit betreft voorts het verblijf van een vreemdeling die houder is van
een VTV voor arbeid als zelfstandige, voor zover deze vreemdeling arbeid
verricht als zelfstandige, en zijn gezinsleden. In onderdeel c van het
tweede lid wordt tot slot bepaald dat andere categorieën van vreemdelingen zullen worden worden aangewezen bij
ministeriële regeling.
Het kabinet acht het van belang de doelgroep van het inburgeringsbeleid
zoveel mogelijk bij wet te bepalen. De keuze voor een ministeriële
regeling houdt echter verband met mogelijke wijzigingen in het vreemdelingenbeleid. Indien de tijdelijke doelen in het onderstaande
wetsvoorstel zouden zijn opgenomen, zou de toekomstige wet steeds moeten worden
aangepast indien bedoelde wijzigingen zich voordoen.
Gedacht wordt aan het in
de ministeriële regeling opnemen van de volgende tijdelijke
doelen: een verblijf van een vreemdeling met als doel au pair, slachtoffer van
vrouwenhandel, studie, medische redenen, stage, fellowships en een
verblijf van een vreemdeling dat korter is dan één jaar.
Door de
VNG en in de
overlegvergadering van de LAO met de Minister van Binnenlandse Zaken
op 20 juni 1996 zijn opmerkingen gemaakt over
het niet brengen van VVTV-ers
onder de werking van deze wet. In aanvulling op het
hierboven reeds gestelde wordt opgemerkt dat de regeling is bedoeld voor
nieuwkomers die in Nederland voor in principe onbepaalde tijd
verblijven. Gelet hierop ligt het voor de hand dat de wet niet van toepassing is op
VVTV-ers, omdat zij een verblijfsvergunning hebben voor in principe
drie jaar.
Voorts heeft de VNG voorgesteld de leeftijd van 18 jaar in de omschrijving van de
doelgroep te wijzigen in meerderjarigheid. Het kabinet acht dit minder
zinvol, omdat het niet duidelijk is dat door deze wijziging meer personen
onder de werking van de wet zullen worden gebracht. Hierbij wordt
verwezen naar de Vreemdelingencirculaire, waarin de leeftijdseis voor
gezinsvorming is gesteld op 18 jaar. Met betrekking tot de wens van de VNG de
minderjarige alleenstaande asielzoekers (AMA’s) onder de werking van de
wet te brengen en de wens geuit in eerder genoemde overlegvergadering van de
LAO om de categorie 16- tot 18-jarigen eveneens onder
de werking van de wet te brengen, wordt opgemerkt dat voor deze categorieën vreemdelingen het reguliere
(particiële) onderwijs
openstaat.
Eerste lid, onderdeel b
Met betrekking tot de
term "woonplaats" in deze begripsomschrijving valt op te merken dat op
grond van artikel 107 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens de nieuwkomer kan worden geacht zijn woonplaats te hebben
op het woonadres dat is vermeld op zijn persoonlijst, behoudens
het bewijs van het tegendeel.
Eerste lid, onderdeel f
Uit dit onderdeel vloeit
voort dat met het begrip "instelling" in dit wetsvoorstel wordt
bedoeld de uit ’s Rijks kas bekostigde onderwijsinstellingen als bedoeld in de
Wet
educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 2
Gemeenten
zijn vrij in
het bepalen van de wijze waarop nieuwkomers zich voor het houden van een inburgeringsonderzoek moeten melden. Zij
kunnen bepalen dat dit in
persoon geschiedt, doch kunnen ook de voorkeur geven aan een
schriftelijke procedure. In het laatste geval zou gekozen kunnen worden
voor het gebruik van een formulier, zoals in paragraaf 2.3.1 is
beschreven.
rblz.|34|
Bij
het aanwijzen van een instantie waar nieuwkomers zich moeten melden, zijn gemeenten eveneens vrij. Gekozen kan worden voor een gemeentelijke instantie,
doch ook voor een instantie die niet tot de overheid behoort. Voor
welke instantie de gemeente ook kiest, het zal uiteraard een instantie
moeten zijn die in voldoende mate geschikt is om een inburgeringsonderzoek
uit te voeren.
In
artikel 1 is de
definitie van nieuwkomer neergelegd. In artikel 2 wordt bepaald dat de nieuwkomer
zich moet melden voor inburgering binnen een bepaalde termijn.
Artikel 1 in combinatie met artikel 2 geeft aan dat het wetsvoorstel
van
toepassing is op nieuwkomers en niet op houders van een VTV die al jaren
in Nederland woonachtig zijn of personen met de Nederlandse nationaliteit
die eveneens al jaren in Nederland woonachtig zijn.
De termijn waarbinnen een
nieuwkomer zich moet melden, is zes weken.
Ingevolge het tweede lid, onderdeel a, gaat deze termijn voor een asielzoeker lopen op het moment dat
hij zich na vertrek uit het opvangcentrum voor de eerste keer in de
gemeentelijke basisadministratie heeft laten inschrijven. Gelet op
artikel 55, eerste lid, van het Besluit
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zal een asielzoeker zich ook al moeten laten inschrijven
zodra hij langer dan één jaar in zo’n centrum verblijft. Zolang hij
niet uit het centrum is vertrokken en zich niet in zijn nieuwe gemeente
van
vestiging heeft laten inschrijven, gaat blijkens onderdeel a de
meldingstermijn voor hem nog niet lopen. Ingevolge het tweede lid, onderdeel
b, gaat de meldingstermijn voor de overige vreemdelingen lopen op het moment dat
hun de VTV is uitgereikt. Het betreft hier met name de gezinsvormers
en gezinsherenigers. Ingevolge het derde lid ten slotte gaat de
meldingstermijn voor de nieuwkomers van Nederlandse komaf lopen op het moment
dat zij zich in de gemeentelijke basisadministratie hebben laten inschrijven.
De in het vierde lid
opgenomen omschrijving van opvangcentrum is ontleend aan artikel 55,
derde lid, van het Besluit
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
De
VNG vraagt zich in
haar reactie op het wetsvoorstel af waarom de definitie van een opvangcentrum in
artikel 2 is opgenomen, in plaats van
bij de begripsbepalingen (artikel 1) van dit voorstel.
Bedoelde definitie is in
dit artikel opgenomen, omdat het begrip opvangcentrum alleen in
het onderhavige artikel voorkomt. Daarentegen komen de begrippen
waarvan de definitie in artikel 1 is opgenomen in meerdere artikelen voor.
Artikel 3
In
artikel 3, eerste lid,
onderdeel a en b, zijn conform de opmerkingen van de VNG
de begrippen "geestelijke gronden" gewijzigd in "psychische
gronden" en "bijzondere gronden" gewijzigd in "gewichtige
gronden".
In het geval een
nieuwkomer op basis van lichamelijke of psychische gronden ontheffing
vraagt, zal hij op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de
Algemene wet
bestuursrecht gegevens en bescheiden moeten overleggen die voor de
beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de
beschikking kan krijgen.
Bij de vaststelling van
de duur van de ontheffing zal het college van burgemeester en
wethouders, mede in het licht van het in artikel 3:4 van de
Algemene wet
bestuursrecht neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel, rblz.|35|
uiteraard rekening dienen
te houden met bedoelde gegevens en bescheiden die de
nieuwkomer heeft verschaft.
Artikel 4
In het eerste lid wordt
bepaald dat het inburgeringsonderzoek zo spoedig mogelijk moet
worden gehouden nadat de betrokken nieuwkomer zich heeft gemeld.
Uit artikel 8 en uit het
nieuwe achtste lid van artikel 8.1.3 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs vloeit voort dat het onderzoek in ieder geval op een zodanig
tijdstip moet zijn afgerond dat het bevoegd gezag van de instelling kan
voldoen aan de verplichting zorg te dragen dat de nieuwkomer binnen vier
maanden nadat de nieuwkomer zich heeft gemeld voor het houden
van een inburgeringsonderzoek kan starten met het vastgestelde
educatief programma.
Bij het vaststellen van
het inburgeringsprogramma dient met het oog op het educatieve
gedeelte daarvan een instelling als omschreven in artikel
1, eerste lid, onderdeel
f, te worden betrokken. Het ligt voor de hand dat de gemeente
bij het
sluiten van contracten met de educatie-instellingen hierover afspraken maakt.
In het stadium waarin dit programma wordt vastgesteld, staat nog
niet vast bij welke instelling de nieuwkomer het educatief programma gaat
volgen. Het is derhalve mogelijk dat de nieuwkomer dit programma
bij een andere instelling gaat volgen dan die welke bij de vaststelling
van het inburgeringsprogramma is betrokken. In de praktijk zal het
echter veelal dezelfde instelling betreffen. Het aantal contracten dat door een
gemeente met verschillende instellingen wordt afgesloten, is immers
relatief gering en gemeenten die met meerdere instellingen contracten
hebben afgesloten, zullen naar verwachting de nieuwkomer adviseren het programma bij dezelfde instelling te gaan
volgen als die welke bij
de vaststelling van het inburgeringsprogramma is betrokken.
In het derde lid van dit
artikel is opgenomen dat de nieuwkomer zijn medewerking dient te verlenen aan het
inburgeringsonderzoek. Het college van burgemeester
en wethouders dient aan de nieuwkomer mee te delen waaruit deze
medewerking kan bestaan. Voorbeelden van vormen van medewerking
zijn: het verplicht verstrekken van informatie, het beantwoorden van
vragen, een verschijningsplicht en de plicht een test af te leggen ten
behoeve van het onderzoek.
Artikel 5
Het vaststellen van een
inburgeringsprogramma is een beschikking van het college van burgemeester en wethouders.
Het is denkbaar dat een
college van burgemeester en wethouders besluit het vaststellen
van een inburgeringsprogramma achterwege te laten, zonder aan dit
besluit de voorwaarde te verbinden dat de betrokken nieuwkomer een toets
aflegt en daarbij het streefniveau van het inburgeringsprogramma,
zoals bedoeld in het derde lid van dit artikel, behaalt. Dit zal met name
mogelijk zijn in het geval dat de nieuwkomer met overlegging van
diploma’s en dergelijke voldoende overtuigend heeft aangetoond dat hij de
kennis, het inzicht en de vaardigheden die bij dat niveau behoren reeds in
voldoende mate bezit. Het zal in zo’n geval vanuit het perspectief
van de gemeente doorgaans weinig zin hebben de nieuwkomer nog een toets
te laten afleggen. De nieuwkomer zelf zal een andere mening kunnen zijn
toegedaan. Hij zal op wellicht goede gronden kunnen menen dat het
bezit van een verklaring waaruit blijkt dat hij het streefniveau heeft
behaald voor hem meer mogelijkheden op de
arbeidsmarkt schept dan
alleen het bezit van de diploma’s en dergelijke die hij rblz.|36|
tijdens het
inburgeringsonderzoek heeft overgelegd. Om die reden wordt de nieuwkomer in het
vierde lid de mogelijkheid geboden het college van burgemeester en wethouders te vragen om, ook al heeft het college zelf
ervan afgezien aan zijn
besluit de voorwaarde te verbinden dat de nieuwkomer een toets
aflegt, hem in de gelegenheid te stellen toch een toets af te leggen. Het
college dient aan dit verzoek te voldoen, tenzij gewichtige redenen zich
daartegen verzetten. Daarbij kan met name worden gedacht aan de
situatie dat het college meent dat de door de nieuwkomer gewenste
verklaring in generlei opzicht iets zal toevoegen aan de diploma’s die
betrokkene reeds heeft. Er zullen door het college overigens geen gevolgen
mogen worden verbonden aan de resultaten van een op eigen verzoek
afgelegde toets. Indien bij die toets het streefniveau niet wordt
gehaald, dan zal het college de nieuwkomer derhalve niet alsnog
kunnen verplichten aan een inburgeringsprogramma deel te nemen.
In haar reactie op
het wetsvoorstel stelt de VNG
het niet noodzakelijk te vinden dat een termijn in
het derde lid wordt vermeld waarbinnen een inburgeringsprogramma
moet worden vastgesteld nadat is gebleken dat niet aan de voorwaarden
van de toets is voldaan.
Opgemerkt wordt dat in
dit lid geen termijn wordt vermeld, maar een termijn wordt verlengd. Zonder verlenging zou de termijn van vier
maanden, zoals opgenomen
in artikel 8.1.3, achtste lid, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, blijven gelden. In het onderhavige derde lid wordt aan
gemeenten een langere termijn geboden.
Artikel 6
In het eerste lid, onderdeel
a, worden de onderdelen genoemd waaruit het educatief programma bestaat. Met een opleiding gericht op sociale
redzaamheid wordt bedoeld
een opleiding Maatschappij Oriëntatie (MO) en met een opleiding
gericht op breed maatschappelijk functioneren wordt bedoeld een
opleiding Beroepenoriëntatie (BO).
Geeft
artikel 5, tweede
lid, van het wetsvoorstel de mogelijkheid om voor een nieuwkomer
geheel geen inburgeringsprogramma vast te stellen, het derde lid
van artikel 6 geeft de mogelijkheid om, met uitzondering van de toets,
één of meer
onderdelen of gedeelten daarvan uit het programma weg te laten.
Bij "één of meer onderdelen" kan bijvoorbeeld worden gedacht aan sociale redzaamheid (Maatschappij
Oriëntatie). Bij "gedeelten daarvan" kan bijvoorbeeld worden
gedacht aan het spreken en verstaan van de Nederlandse taal als
gedeelten van het onderdeel "Nederlands als tweede taal I of II". Het
schrijven van de Nederlandse taal wordt in zo’n geval wel in het inburgeringsprogramma opgenomen.
Het vierde lid van
artikel 6 geeft aan het college van burgemeester en wethouders de
mogelijkheid het vastgestelde inburgeringsprogramma te wijzigen indien tijdens
het deelnemen aan het programma bijzondere redenen daartoe
aanleiding geven. Voorbeelden van deze bijzondere redenen kunnen zijn het
gebleken leertempo van de nieuwkomer of het vinden van arbeid. In beide gevallen is het gewenst dat de intensiteit van
het programma wordt
aangepast. Indien de nieuwkomer arbeid heeft gevonden, ligt het tevens
voor de hand dat de tijden waarop de cursussen worden gegeven, worden
afgestemd op zijn werktijden.
rblz.|37|
Artikel 7
De zorgplicht die in dit
artikel voor het college van burgemeester en wethouders is neergelegd, dient zich met name te vertalen in het sluiten
van voldoende contracten
met instellingen als bedoeld in de Wet
educatie en beroepsonderwijs die
educatieve programma’s verzorgen.
Artikel 8
Het vaststellen van een
termijn waarbinnen de nieuwkomer zich bij een educatie-instelling moet laten inschrijven, wordt overgelaten aan het
college van burgemeester
en wethouders. Bij het vaststellen van deze termijn draagt het
college er zorg voor dat het bevoegd gezag van de instelling kan voldoen
aan de verplichting, bedoeld in artikel 8.1.3, achtste lid, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs. Deze verplichting houdt in dat de instelling moet
zorgen dat de nieuwkomer binnen vier maanden nadat hij zich heeft
gemeld voor het houden van een inburgeringsonderzoek kan starten met het
vastgestelde educatief programma.
Het laten inschrijven van
een nieuwkomer bij een educatie-instelling kan op verschillende wijze plaatsvinden. De nieuwkomer kan hiervoor zelf
zorg dragen of een
ambtenaar van de gemeente namens de nieuwkomer.
Indien een
vertegenwoordiger van een educatie-instelling bij het eindgesprek van het
inburgeringsonderzoek aanwezig is en het duidelijk is dat de nieuwkomer het
educatief programma bij deze instelling gaat volgen, kan deze
vertegenwoordiger daarvoor zorg dragen.
Artikel 9
De
VNG merkt in haar
reactie op het wetsvoorstel op dat er een toetsingskader ontbreekt
voor de beoordeling van het verzoek tot vrijstelling van deelname
aan het educatief programma. Het kabinet deelt deze mening niet. In
artikel 9 is aangesloten bij het systeem van de Leerplichtwet
1969. In de
Leerplichtwet zijn een aantal gronden voor vrijstelling opgenomen. Tevens is in
deze wet bepaald dat van een beroep op zo’n vrijstelling mededeling
gedaan dient te worden aan het hoofd van de instelling. Naar de
opvatting van het kabinet is er geen aanleiding om van het systeem van de
Leerplichtwet af te wijken. In artikel 17 van het voorstel is voorts het
toezicht geregeld op de verplichting van de nieuwkomer om bij alle
onderdelen van het educatief programma aanwezig is zijn. Dit
toezicht is opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders, dat
daartoe één of meer ambtenaren aanwijst. Met deze
toezichtsbepaling wordt het systeem sluitend geacht.
In onderdeel
f van
artikel 11 van de Leerplichtwet
1969 wordt de mogelijkheid geopend dat
een jongere is vrijgesteld van de leerplicht indien hij vanwege de
specifieke aard van het beroep van zijn ouders of verzorgers slechts buiten
de schoolvakantie met hen op vakantie kan gaan. Het gaat hier om
een vrijstelling die naar ons oordeel uitsluitend past voor minderjarigen
en derhalve niet voor nieuwkomers in de zin van dit
wetsvoorstel, die
immers meerderjarig zijn. Om die reden wordt in het tweede lid van artikel 9
niet naar voornoemd onderdeel f verwezen.
Artikel 10
De plicht van het bevoegd
gezag van de educatie-instelling ervoor te zorgen dat de nieuwkomer
de onderdelen van het educatief programma, bedoeld in artikel
6,
eerste lid, onderdeel a, onder 1º, 2º en 3º, tijdig heeft voltooid binnen de
termijn waarbinnen hem de gelegenheid moet worden gegeven een toets af te
leggen, impliceert dat de bedoelde onderdelen rblz.|38|
van het programma op een zodanig tijdstip moeten kunnen zijn voltooid
dat de nieuwkomer
voldoende tijd overhoudt om zich op de toets voor te bereiden.
Indien de situatie van
het tweede lid zich voordoet, kan een toets door de deelnemer eerder worden afgelegd. Indien uit de toets blijkt dat het
streefniveau van het inburgeringsprogramma, zoals bedoeld in het tweede lid van dit
artikel, is behaald, wordt de nieuwkomer vrijgesteld van verdere verplichte
deelname aan het educatief programma. Indien de nieuwkomer het bedoelde niveau niet heeft behaald, dient hij met het
educatief programma door
te gaan. Daarna dient de deelnemer opnieuw een toets af te leggen.
De onderwijsinhoudelijke
bepalingen over de toets zijn opgenomen in de artikelen 7.4.12 tot
en met 7.4.16 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, zoals voorgesteld in
artikel 21, onderdeel G, van dit wetsvoorstel.
Artikel 11
Het in het eerste lid, onderdeel
b, bedoelde niveau is het streefniveau van het
inburgeringsprogramma. De
niveaus zullen nader worden vastgesteld bij ministeriële regeling
van de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen.
Artikel 14
Dit artikel geeft een
regeling in het geval dat de nieuwkomer tijdens zijn deelname aan een inburgeringsprogramma van de ene naar de andere
gemeente verhuist.
Artikel 15
Voor de toelichting bij
dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 2.5 van het algemene deel van deze
toelichting.
Artikel 16
In het licht van de in
dit wetsvoorstel opgenomen verplichting voor gemeenten
om inburgeringsprogramma’s aan te bieden ligt het - gezien
de nieuwe
verantwoordelijkheden van Rijk en gemeente - niet langer in de rede de bijdragen aan
gemeenten te verstrekken onder de titel van stimuleren op basis van
de Welzijnswet 1994. Derhalve is de grondslag voor de financiering van
de welzijnscomponent van de Wet inburgering nieuwkomers opgenomen in
het onderhavige voorstel. Zie voor de financiering meer
uitgebreid paragraaf 2.8 van het algemene deel van deze
toelichting.
Artikel 17
Voor de toelichting bij
dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 2.9.1 van het algemene deel van
deze toelichting.
Artikel 18
tot en met 20
In deze artikelen is de
bestuurlijke boete opgenomen als sanctie in het geval een nieuwkomer de verplichtingen voortvloeiend uit de voorgenomen
wet niet nakomt. Voor
het systeem van de bestuurlijke boete is aangesloten bij het
Kabinetsstandpunt inzake bestuurlijke boeten (Kamerstukken II 1993-1994,
23 400 VI, nr. 48). Voor de relatie tussen de bestuurlijke boete en het sanctiesysteem van de
Algemene bijstandswet rblz.|39|
wordt verwezen naar
paragraaf 2.9.2 van het algemene deel van deze toelichting.
Artikel 21
Onderdeel A (artikel
2.3.1). [Zie art. 21, onderdeel B,
Win, red.]
Van de in het eerste lid
vastgelegde berekeningswijze van de rijksbijdrage ten behoeve van de opleidingen educatie worden de educatieve
programma’s
uitgezonderd. De berekening van de rijksbijdrage voor die programma’s heeft een
eigen grondslag gekregen in het nieuwe tweede lid. De toekenning van de
rijksbijdrage vindt plaats door de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen. Deze toekenning dient plaats te
vinden na overleg met de
Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Binnenlandse
Zaken in verband met de specifieke verantwoordelijkheden die beide ministers met
betrekking tot het inburgeringsbeleid dragen.
Onderdeel B (artikel
2.3.2). [Zie art. 21, onderdeel C,
Win, red.]
Omdat de rijksbijdrage
voor de educatieve programma’s mogelijk niet in alle gevallen volgens
het ritme van het huidige eerste lid bekend gemaakt zal kunnen worden - nieuwkomers stromen immers niet gelijkmatig binnen
-,
wordt bepaald dat het eerste lid geen betrekking heeft op die rijksbijdrage. Een specifiek voorschrift hiervoor is nu
opgenomen in het nieuwe
tweede lid, dat geen uiterste tijdstip (september) kent, maar
voorschrijft dat de mededeling over de te verstrekken rijksbijdrage
zo spoedig mogelijk wordt gedaan na de indiening van de
rijksbegroting bij de Tweede Kamer. Het kasritmevoorschrift in het vierde lid (oude
derde lid) is wel van toepassing.
Onderdeel C (artikel
2.3.6). [Zie art. 21, onderdeel D,
Win, red.]
Deze wijziging voorziet
erin dat de informatieverstrekking die artikel 2.3.6 regelt ook
geschiedt ten behoeve van beleid van en onderzoek vanwege de Minister van Binnenlandse Zaken.
Onderdeel D (artikel
7.1.2). [Zie art. 21, onderdeel E,
Win, red.]
Een educatief programma
wordt niet met een examen afgesloten, maar met een toets. Om die reden dient de reikwijdte van artikel 7.1.2, derde lid,
te worden beperkt.
Onderdeel F (artikel
7.4.1). [Zie art. 21, onderdeel G,
Win, red.]
Omdat de onderdelen van
de educatieve programma’s, bedoeld in artikel
6, eerste lid,
onderdeel a, onder 1º, 2º en 3º, niet tot een examen leiden maar tot een
specifieke toets, moet de reeks van uitzonderingen in artikel 7.4.1 worden
uitgebreid met die programma’s.
Onderdeel G (artikelen
7.4.12 tot en met 7.4.16). [Zie art.
21, onderdeel
H, Win, red.]
Deze nieuwe paragraaf
bevat specifieke voorschriften voor de toetsen van de educatieve programma’s en regelt de afgifte van bewijsstukken.
Het kabinet acht het
noodzakelijk dat, in tegenstelling tot de VNG
zoals blijkt uit haar reactie
op het wetsvoorstel, een afzonderlijke paragraaf wordt ingevoegd inzake
toetsen waarmee de educatieve programma’s worden afgesloten. Met
betrekking tot de opmerking van de VNG dat bij de programma’s dient te
worden uitgegaan van gemiddeld 500 uur merkt rblz.|40|
het kabinet op dat in dit
voorstel wordt uitgegaan van educatieve programma’s van ten
hoogste 500 uur.
Artikel 7.4.13 schrijft
de inrichting van de toets voor. Daaruit wordt duidelijk dat de toets
geen "examen" is, maar een meting van de vorderingen van de
nieuwkomer.
Artikel 7.4.14 beoogt te
verzekeren dat de toets landelijk wordt gestandaardiseerd en dat
de afname extern zal worden gecontroleerd.
Artikel 7.4.15 regelt de
afgifte aan de nieuwkomer van een verklaring naar aanleiding van de afgelegde toets en regelt tevens dat een afschrift
van deze verklaring aan
het college van burgemeester en wethouders wordt gezonden.
In het eerste lid van
artikel 7.4.16 wordt artikel 7.4.5 over examencommissie en examinatoren van
overeenkomstige toepassing verklaard. Het tweede lid sluit aan
bij het vierde lid van artikel 7.4.2 en maakt het mogelijk dat bij algemene
maatregel van bestuur kan worden afgeweken van de termijnen zoals
die in de artikelen 6:7, 7:10 en
7:24 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn vermeld.
Onderdeel H (artikel
7.5.5). [Zie art. 21, onderdeel I,
Win, red.]
Artikel 7.5.5 regelt dat
titel 5 "Commissie van beroep voor de examens" van overeenkomstige toepassing is op de toetsen en regelt tevens dat de
commissie van beroep voor
de examens optreedt als commissie van beroep voor de toetsen.
Onderdeel I (artikel
8.1.1). [Zie art. 21, onderdeel J,
Win, red.]
Deze wijziging van
artikel 8.1.1 verzekert dat ten aanzien van de educatieve programma’s
sprake is van een recht op inschrijving (onverminderd overigens een
weigeringsbevoegdheid wegens godsdienstige of levensbeschouwelijke
redenen), vergelijkbaar met dat voor de assistentopleidingen en
basisberoepsopleidingen.
Onderdeel J (artikel
8.1.3). [Zie art. 21, onderdeel K,
Win, red.]
Ook voor de educatieve
programma’s moet een zogenoemde onderwijsovereenkomst
tussen de deelnemer (nieuwkomer) en bevoegd gezag van de instelling
worden gesloten. Daarnaast staat het al eerder vastgestelde
inburgeringsprogramma. Het toegevoegde achtste lid van artikel 8.1.3 verzekert
een goede afstemming tussen onderwijsovereenkomst en (in het bijzonder) het
inburgeringsprogramma, door te bepalen dat de
onderwijsovereenkomst niet treedt in onderwerpen die al zijn geregeld bij of
krachtens dit voorstel van wet. Voorts legt dit achtste lid op het bevoegd gezag
van de instelling de verplichting zorg te dragen voor de tijdige aanvang
van het educatief programma voor een bepaalde deelnemer, te weten
binnen vier maanden na de melding, bedoeld in artikel 2 van dit
wetsvoorstel. Ten slotte is bepaald dat de onderdelen f en g van artikel 8.1.3,
derde lid, buiten toepassing blijven. Het betreft tussentijdse beëindiging van de overeenkomst en schadevergoeding waarop de deelnemer in
bepaalde gevallen aanspraak zou kunnen maken.
rblz.|41|
Artikel 22
Met de wijziging van de
Welzijnswet 1994 wordt bewerkstelligd dat de verhouding tussen die
wet en het onderhavige wetsvoorstel helder is. De financiering van de
welzijnscomponent van de Wet inburgering nieuwkomers valt buiten
de Welzijnswet 1994.
Artikel 23
In lijn met het algemene
uitgangspunt dat nieuwe wetgeving een evaluatie behoeft, wordt
in dit artikel de Minister van Binnenlandse Zaken
opgedragen de onderhavige
regeling binnen drie jaar na inwerkingtreding te evalueren. Daarbij zal
onder andere de verplichte aanbesteding bij educatie-instellingen
worden betrokken. De volgende criteria/aandachtpunten zullen
hierbij met name een rol spelen: het beschikbaar blijven van een
kwalitatief voldoende aanbod voor educatie en het voorkomen van een
situatie waarin particuliere instellingen het beste en minst risicovolle
deel
van de markt innemen. De financiële gevolgen en implicaties voor het Rijk
van het hanteren van bovenstaande criteria zullen moeten worden bezien, met
name wat betreft wachtgeldconsequenties. Tevens zal bij de
evaluatie worden betrokken de mate van het laten uitvoeren van
internationale diplomavergelijking door Adviesbureaus voor Opleiding en Beroep.
Artikel 24
Dit artikel regelt in het
eerste lid een verlenging van de zeswekentermijn van de
meldingsplicht van de nieuwkomer indien de datum van inwerkingtreding van
dit
wetsvoorstel ligt binnen deze zes weken. In dat geval wordt de termijn
verlengd tot het tijdstip waarop zes weken zijn verstreken sinds de datum
van inwerkingtreding van dit voorstel.
Het tweede lid is een
overgangsbepaling. Hierin wordt tot uitdrukking gebracht dat onder de in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2º, bedoelde nieuwkomer niet
wordt verstaan de Nederlander die in een persoonsregister als
bedoeld in het Besluit bevolkingsboekhouding ingeschreven is geweest.
Deze bepaling beoogt te voorkomen dat een Nederlander als nieuwkomer moet worden aangemerkt, omdat hij voor de
eerste keer in Nederland
ingezetene in de zin van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens is
geworden, terwijl hij vóór inwerkingtreding van die wet reeds in
Nederland in een persoonsregistratie ingeschreven is geweest.
De Minister van
Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
De Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.G. Terpstra
|