|
16 juli 2002/BVE/B/2002/19743
De
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
Handelende in overeenstemming met de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op artikel 24, vierde lid, van de Wet
inburgering nieuwkomers ¹ juncto artikel 2 van het Bekostigingsbesluit
inburgering nieuwkomers;
1. Volgens de redactie
dient "artikel 24, vierde lid," te worden vervangen door:
artikel 16.
Besluit:
Art. 1.
-1. De rijksbijdragen, zoals
voor het jaar 2002 vastgesteld
overeenkomstig artikel 2 van het Bekostigingsbesluit
inburgering nieuwkomers en
bekendgemaakt in de publicatie van 7
september 2001, kenmerk CFI/FTO/TBV-2001/99863N
(Uitleg OCW-Regelingen 2001, nr.
22), worden opnieuw berekend
overeenkomstig artikel 2, derde lid, van
dat besluit en vastgesteld
volgens de bijlage bij dit besluit.
-2. Bij de berekening,
bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan
van de gegevens omtrent het aantal
verklaringen en beschikkingen, zoals die blijken uit de verklaringen
omtrent de getrouwheid, afgegeven door
een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 2.
Deze regeling zal met de
toelichting en de bijlage in de
Staatscourant worden geplaatst.
Art. 3.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de derde dag na
de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling is
geplaatst en werkt terug tot en met 1
januari 2002.
Art. 4.
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling herziening
rijksbijdrage inburgering nieuwkomers 2002.
De Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen,
L.M.L.H.A. Hermans.
TOELICHTING
[16 juli 2002]
Berekening rijksbijdragen
volgens het Bekostigingsbesluit
inburgering nieuwkomers
De middelen voor inburgering
van nieuwkomers worden volgens
het Bekostigingsbesluit
inburgering nieuwkomers verdeeld aan de hand van de
prestaties van gemeenten in
een voorafgaand jaar (t-2-systematiek). De prestaties worden gemeten
aan de hand van het aantal door de
gemeenten afgegeven beschikkingen
omtrent een inburgeringsprogramma en
het aantal door de educatieve
instellingen afgegeven verklaringen dat
het educatieve deel van het inburgeringsprogramma is afgerond en dat de toets
is afgelegd (artikel 2, eerste
lid, van het Bekostigingsbesluit
inburgering nieuwkomers). De bijdrage voor een gemeente is gerelateerd aan
haar aandeel in het landelijke aantal
beschikkingen en verklaringen. De
bijdragen voor de gemeenten worden
berekend op basis van de gegevens die
door de gemeenten worden aangeleverd, nog voordat deze zijn
geverifieerd door accountants. Als vervolgens
uit de accountantsverklaring blijkt
dat er minder beschikkingen en/of
verklaringen waren dan door de gemeente
zijn opgegeven, wordt de
rijksbijdrage lager vastgesteld. Als er
echter meer verklaringen of
beschikkingen blijken te zijn geweest, kan geen
nabetaling plaatsvinden; het inburgeringsbudget is immers al verdeeld.
Uitwerking rijksbijdrage
2002
Evenals dat het geval was
bij de vaststelling van de rijksbijdragen voor 2000 en 2001 is ook ten aanzien van
de rijksbijdragen voor 2002 gebleken dat de gemeenten
grote
problemen hebben gehad met deze
werkwijze. Bij de accountantscontrole in
het jaar 2001 is wederom gebleken dat de gegevens die door de
gemeenten waren aangeleverd en op
basis waarvan de rijksbijdragen voor 2002
zijn vastgesteld, veel
onjuistheden bevatten. De oorspronkelijke
berekening van de bijdragen blijkt dan
ook te berusten op een in grote
mate van de realiteit afwijkend beeld.
Onverkorte toepassing van
het Bekostigingsbesluit
inburgering nieuwkomers zou
betekenen dat er een
groot bedrag moet worden
teruggevorderd, terwijl er geen nabetaling
kan geschieden aan gemeenten, die daar op
basis van de correcte cijfers wel
recht op zouden hebben gehad. Het betekent ook dat een groot deel van
het inburgeringsbudget onbenut zou moeten blijven.
Een goede invoering van de Wet
inburgering nieuwkomers en
de daarop berustende regels met betrekking tot de bekostiging vergt dan ook
dat de berekening van de rijksbijdragen
opnieuw geschiedt, en wel op basis
van de door de accountants geverifieerde
cijfers. De nieuwe berekening leidt
ertoe dat geen enkele gemeente een lagere
bijdrage ontvangt dan bij onverkorte
toepassing van het Bekostigingsbesluit
inburgering nieuwkomers het geval zou
zijn (ook niet die gemeenten bij wie
geld teruggevorderd moet worden), terwijl een groot aantal gemeenten een
hogere bijdrage ontvangt. Dit is het gevolg
van het feit dat de landelijke
cijfers omtrent beschikkingen en verklaringen lager blijken te liggen dan die
waarvan bij de oorspronkelijke berekening
was uitgegaan, zodat bij hernieuwde berekening het bedrag per beschikking
en verklaring - bij gelijkblijvend
budget - hoger komt te liggen.
Aanpassing
Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers
Het Bekostigingsbesluit
inburgering nieuwkomers is inmiddels
gewijzigd, waardoor in de toekomst soortgelijke problemen voorkomen kunnen
worden. Het gewijzigde besluit
regelt dat de bekostigingsgegevens en de
daarop betrekking hebbende
accountantsverklaring worden ingediend vóór 1
juli (was 1 februari voor de
bekostigingsgegevens en 1 november voor de accountantsverklaring). Door de wijziging
wordt niet alleen bereikt
dat de rijksbijdrage in september kan worden
vastgesteld op basis van door de
accountant geverifieerde gegevens, maar ook dat burgemeester en wethouders
meer tijd hebben voor de indiening van
de gegevens. Gemeenten die niet tijdig
aan deze verplichting hebben
voldaan, worden in de gelegenheid gesteld de bedoelde gegevens binnen
drie weken alsnog te verstrekken. Voor
gemeenten die ook hier niet aan
voldaan hebben, wordt de rijksbijdrage
vastgesteld op basis van 50% van de beschikkingen en verklaringen van het
voorafgaande jaar. Als deze gemeenten
vóór 1 januari de gegevens nog steeds niet
hebben verstrekt, wordt de rijksbijdrage
ingetrokken. De desbetreffende gemeente ontvangt in dat geval geen gelden uit
het landelijk budget voor de
inburgering van nieuwkomers. De gemeente
kan dit voorkomen door vóór 1
januari alsnog de benodigde
bekostigingsgegevens (voorzien van een
accountantsverklaring) te verschaffen. Dan wordt
nog wel bezien of de vastgestelde rijksbijdrage in overeenstemming is met de
bekostigingsgegevens. Anders
wordt de rijksbijdrage verlaagd.
De wijziging van het Bekostigingsbesluit is
bekendgemaakt in Staatsblad 2001,
576.
De Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen,
L.M.L.M.A. Hermans.
|