|
BESLUIT van 6 juli 1998,
houdende voorschriften omtrent onder meer berekening van aan gemeenten
toe te kennen rijksbijdragen ten behoeve van inburgering van nieuwkomers
(Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
van 20 februari 1998, nr. 1998/6108 (3713), Directie Wetgeving
en Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport en na overleg met Onze Minister van Binnenlandse
Zaken;
Gelet op artikel 2.3.1, tweede lid, van de Wet
educatie en beroepsonderwijs en artikel 16 van de Wet inburgering
nieuwkomers;
De Raad van State gehoord (advies van 15 mei
1998, nr. W05.98 0072);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 2 juli 1998, nr. 1998/27101
(3713), Directie Wetgeving en Juridische Zaken, mede namens de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport en na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
Begripsbepalingen
In dit besluit en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet
inburgering nieuwkomers;
b. Onze Minister: Onze Minister
voor Vreemdelingenzaken en integratie;
c. inburgeringsprogramma:
een programma als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de
wet;
d. nieuwkomer: de
nieuwkomer, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de
wet;
e. beschikking omtrent een
inburgeringsprogramma: zowel de vaststelling van een inburgeringsprogramma op grond van
artikel 5,
eerste lid, van de wet als
het besluit het vaststellen van een inburgeringsprogramma achterwege te
laten op
grond van artikel 5, tweede lid, van de wet, tenzij uit het
besluit anders blijkt;
f. verklaring: de door het
bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaring, bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de
Wet
educatie en beroepsonderwijs;
g.
rijksbijdrage:
de bijdrage die Onze Minister aan een
gemeente verstrekt ten behoeve van educatieve programma’s,
bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel
a, van de wet, en ten behoeve van het geheel
van de activiteiten, bedoeld in artikel 16
van de wet.
Art. 2.
Berekening
rijksbijdrage [Rhrin02]
-1. De rijksbijdrage voor een
gemeente wordt berekend op de grondslag van:
a. het aantal door het college van
burgemeester en wethouders ontvangen afschriften van verklaringen
uitgereikt in het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft; en
b. het aantal nieuwkomers ten
aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders in dat jaar
een beschikking omtrent een inburgeringsprogramma heeft genomen.
-2. Onze Minister
bepaalt de hoogte van het bedrag dat beschikbaar is per verklaring
respectievelijk beschikking omtrent een inburgeringsprogramma.
-3. De in het eerste lid bedoelde
rijksbijdrage voor een gemeente wordt berekend met de formule [(a x b) +
(c x d)], waarin wordt voorgesteld:
- met de letter a: het aantal door het college van burgemeester en
wethouders ontvangen afschriften van verklaringen die zijn uitgereikt in
het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft;
- met de letter b: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in
het tweede lid beschikbaar is per verklaring;
- met de letter c: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie in het
jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft het college van
burgemeester en wethouders een beschikking omtrent een
inburgeringsprogramma heeft genomen;
- met de letter d: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in
het tweede lid beschikbaar is per beschikking omtrent een
inburgeringsprogramma.
-4. De in het eerste lid bedoelde
rijksbijdragen zijn in afwijking van het derde lid nihil voor een
gemeente als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het
Besluit
brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
Art. 2a.
-1. De rijksbijdrage, bedoeld in artikel
2, voor 2004 kan eenmalig worden verhoogd.
-2. Deze verhoging is afhankelijk van de
door de gemeente opgebouwde reserve, bedoeld in artikel
3, derde lid, onderdeel c, op 31 december 2002 en wordt
berekend met de formule: X = Y - 1,2Z, waarin wordt voorgesteld:
- met de letter X: het bedrag van de eenmalige verhoging van de
rijksbijdrage voor 2004;
- met de letter Y: het verschil tussen de rijksbijdrage op grond van de
meerjarenraming in de rijksbegroting voor 2003 en de rijksbijdrage die
voor 2004 is toegekend;
- met de letter Z: de door de gemeente opgebouwde reserve, bedoeld in artikel
3, derde lid, onderdeel c, op 31 december 2002.
-3. Het bedrag van de eenmalige verhoging
van de rijksbijdrage, bedoeld in het tweede lid, wordt verstrekt
uiterlijk 1 juni 2004.
Art. 3.
Verlening van het
voorschot op de rijksbijdrage
-1. Onze Minister verleent jaarlijks een
voorschot op de rijksbijdrage aan een
gemeente.
-2. Het voorschot wordt berekend op de grondslag van:
a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen
afschriften van verklaringen uitgereikt in het tweede jaar voorafgaand
aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft;
b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van
burgemeester en wethouders in dat tweede jaar een beschikking omtrent
een inburgeringsprogramma heeft genomen.
-3. Het voorschot voor een gemeente wordt berekend met de formule
[(e
× f) + (g × h)] × i, waarin wordt voorgesteld:
- met de letter e: het aantal door het college van burgemeester en
wethouders ontvangen afschriften van verklaringen die zijn uitgereikt in
het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage
betrekking heeft;
- met de letter f: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in
artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per verklaring;
- met de letter g: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie in het
tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de rijksbijdrage betrekking
heeft het college van burgemeester en wethouders een beschikking omtrent
een inburgeringsprogramma heeft genomen;
- met de letter h: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in
artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per beschikking omtrent een
inburgeringsprogramma;
- met de letter i: de jaarlijks door Onze Minister vastgestelde
correctiefactor.
-4. Het voorschot wordt vastgesteld vóór 1 oktober voorafgaande aan het
jaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft.
-5. Het voorschot wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van
de beschikbare middelen door de begrotingswetgever. Het voorschot kan
worden verhoogd of verlaagd in verband met wijzigingen van de
rijksbegroting voor het jaar waarin het voorschot wordt verleend.
Art. 4.
Verstrekking en
waarmerking gegevens; vaststelling rijksbijdrage
-1. Het college van burgemeester en wethouders deelt Onze
Minister vóór 1 april van het jaar volgend op het jaar waarop de
rijksbijdrage betrekking heeft het in
artikel 2, eerste lid, bedoelde
aantal verklaringen en beschikkingen mede. De gegevens zijn voorzien van
een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door
een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek.
-2. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring van
getrouwheid en rechtmatigheid niet vóór de in het eerste lid genoemde
termijn door Onze Minister zijn ontvangen, wordt het college van
burgemeester en wethouders binnen een door Onze Minister te bepalen
termijn in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen.
-3. Indien Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens en
verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid niet vóór 1 juli van
het in het eerste lid bedoelde jaar heeft ontvangen, stelt Onze Minister
de rijksbijdrage vast op nihil.
-4. Onverminderd het bepaalde in het derde lid stelt Onze Minister de
rijksbijdrage vast vóór 1 oktober van het jaar volgend op het jaar
waarop de rijksbijdrage betrekking heeft.
-5. De rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring
van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever. De vastgestelde
rijksbijdrage kan worden verhoogd of verlaagd in verband met wijzigingen
van de rijksbegroting voor het desbetreffende jaar.
-6. Het bedrag van de vastgestelde rijksbijdrage wordt binnen twaalf
maanden na de vaststelling ervan aan een
gemeente betaald onder
verrekening van het ingevolge artikel 3, eerste lid, aan die gemeente
verleende voorschot.
-7. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven voor
het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde gegevens. [RiW03] [RiW04]
-8. Ten behoeve van de verklaring omtrent de getrouwheid en
rechtmatigheid stelt Onze Minister een controleprotocol vast. Aan Onze
Minister wordt op diens verzoek inzicht gegeven in de gegevens die bij
de controle op enigerlei wijze een rol spelen en in de
controlerapporten van de accountant. [Rvmfvcrin03]
[Rvmfvcrin04]
Art. 5.
Gemeentelijke
samenwerking
-1. Het college van
burgemeester en wethouders kan de in dit besluit geregelde rijksbijdrage
aanwenden tezamen met de colleges van burgemeester en wethouders
van één of meer andere gemeenten indien tevens de andere in dit
besluit geregelde rijksbijdrage voor datzelfde jaar tezamen met die andere
gemeente of gemeenten wordt aangewend.
-2. In geval van
samenwerking als bedoeld in het eerste lid dragen de samenwerkende
gemeenten aan één van hen de bevoegdheid over tot het ontvangen van de
rijksbijdragen, het inzenden van een schriftelijk verslag over de
activiteiten waarvoor de rijksbijdragen zijn verstrekt en de
verstrekking van de in artikel 4, eerste lid, bedoelde gegevens en de in
artikel 7, eerste lid, bedoelde aanvullende inlichtingen.
-3. In geval van samenwerking
als bedoeld in het eerste lid stellen de colleges van burgemeester en
wethouders van de samenwerkende gemeenten Onze Minister
daarvan in kennis vóór 1 december voorafgaand aan het jaar waarop de
rijksbijdrage betrekking heeft.
-4. De melding, bedoeld in
het derde lid, bevat van de betrokken gemeenten:
a. de namen van die gemeenten;
b. de naam van de gemeente
waaraan de in het tweede lid genoemde bevoegdheid is overgedragen;
en
c. een verklaring van elke
gemeente waaruit de in het tweede lid bedoelde overdracht van bevoegdheid aan de daar bedoelde gemeente
blijkt.
Art. 6.
Gemeentelijk
verslag inburgeringsactiviteiten
Het college van burgemeester
en wethouders zendt jaarlijks vóór 1 april van het jaar volgend op het
jaar waarvoor de rijksbijdrage is verstrekt aan Onze Minister een
schriftelijk verslag over de activiteiten waarvoor de rijksbijdrage is verstrekt.
Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven voor de inrichting
van het verslag. [Rgvi] [Rivn04]
[Rivn05] [Rivn06]
Art. 7.
Verstrekking van
inlichtingen
-1. Het college van burgemeester en wethouders van een
gemeente verstrekt desgevraagd
aan Onze Minister aanvullende inlichtingen
omtrent de in artikel 4, eerste lid, bedoelde gegevens en het
gemeentelijk verslag inburgeringsactiviteiten.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven
inzake de verstrekking van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen. [Rvmfvcrin03]
[Rvmfvcrin04].
Art. 8.
Intrekking of
wijziging rijksbijdrage
-1. Onze Minister
kan de
vastgestelde rijksbijdrage binnen een periode van vijf jaar na de bekendmaking
intrekken of ten nadele van de
gemeente wijzigen:
a. op grond van feiten of
omstandigheden waarvan Onze Minister bij de vaststelling van de rijksbijdrage redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn
en op grond waarvan de
rijksbijdrage lager zou zijn vastgesteld;
b. indien de vaststelling
van de rijksbijdrage onjuist was en de gemeente dit wist of
behoorde te weten;
c. indien de gemeente na de
vaststelling van de rijksbijdrage niet heeft voldaan aan de
voorschriften vastgesteld bij en krachtens dit besluit.
-2. De intrekking of
wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de rijksbijdrage is
vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
Art. 9.
Terugvorderen
rijksbijdrage bij intrekking
-1. Bij het geheel of
gedeeltelijk intrekken van de rijksbijdrage op grond van artikel 8 besluit
Onze Minister tot:
a. het onmiddellijk
terugvorderen van de middelen bij de desbetreffende
gemeente; of
b. het verrekenen van de
middelen met de rijksbijdrage aan de gemeente in het jaar nadat
tot geheel of gedeeltelijk intrekken is besloten.
-2. Indien Onze Minister
toepassing geeft aan het eerste lid, onderdeel a, worden de middelen binnen
een termijn van vier weken nadat een daartoe strekkend besluit aan de
gemeente is verzonden door de gemeente terugbetaald.
-3. Na het verstrijken van de
termijn, bedoeld in het tweede lid, is de gemeente zonder aanmaning of
rechterlijke tussenkomst de wettelijke rente verschuldigd.
Art. 10.
Berekening van
het voorschot voor het jaar 2005
-1. In afwijking van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, wordt het
voorschot voor het jaar 2005 voor een
gemeente berekend op de
grondslag van:
a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen
afschriften van verklaringen uitgereikt in 2003;
b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van
burgemeester en wethouders in 2003 een beschikking omtrent een
inburgeringsprogramma heeft genomen;
c. de door Onze Minister geraamde door een
gemeente opgebouwde reserve aan niet-bestede rijksbijdragen per 31
december 2004.
-2. Het in het eerste lid bedoelde voorschot wordt berekend met de
formule a = {[(b × c) + (d × e)] × f} - ½g, waarin wordt
voorgesteld:
- met de letter a: het voorschot voor het jaar 2005 voor een gemeente;
- met de letter b: het aantal door het college van burgemeester en
wethouders ontvangen afschriften van verklaringen die zijn uitgereikt in
2003;
- met de letter c: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in
artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per verklaring;
- met de letter d: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie in 2003
het college van burgemeester en wethouders een beschikking omtrent een
inburgeringsprogramma heeft genomen;
- met de letter e: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in
artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per beschikking omtrent een
inburgeringsprogramma;
- met de letter f: de door Onze Minister vastgestelde correctiefactor
voor het jaar 2005;
- met de letter g: de door Onze Minister geraamde door een gemeente
opgebouwde reserve aan niet-bestede rijksbijdragen per 31 december 2004.
-3. In de formule, bedoeld in het tweede lid, kunnen a en g niet kleiner
zijn dan nul.
-4. Het voorschot voor het jaar 2005 wordt in afwijking van het bepaalde
in artikel 3, vierde lid, vastgesteld één maand na plaatsing van dit
besluit in het Staatsblad.
Art. 11.
Berekening van
de rijksbijdrage voor het jaar 2005
-1. In afwijking van het bepaalde in
artikel 2, eerste lid, wordt de
rijksbijdrage voor het jaar 2005 voor een
gemeente berekend op de
grondslag van:
a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen
afschriften van verklaringen uitgereikt in 2005;
b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van
burgemeester en wethouders in 2005 een beschikking omtrent een
inburgeringsprogramma heeft genomen; en
c. de door een gemeente opgebouwde reserve aan niet-bestede
rijksbijdragen per 31 december 2004.
-2. De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage wordt berekend met de
formule h = [(i × j) + (k × l)] - ½m, waarin wordt
voorgesteld:
- met de letter h: de rijksbijdrage voor het jaar 2005 voor een
gemeente;
- met de letter i: het aantal door het college van burgemeester en
wethouders ontvangen afschriften van verklaringen die zijn uitgereikt in
2005;
- met de letter j: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in
artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per verklaring;
- met de letter k: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie in 2005
het college van burgemeester en wethouders een beschikking omtrent een
inburgeringsprogramma heeft genomen;
- met de letter l: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in
artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per beschikking omtrent een
inburgeringsprogramma;
- met de letter m: de door een gemeente opgebouwde reserve aan niet-bestede rijksbijdragen per 31 december 2004.
-3. In de formule, bedoeld in het tweede lid, kunnen h en m niet kleiner
zijn dan nul.
Art. 12.
Algemene
overgangsbepaling
-1. Onverminderd het bepaalde in artikel 4 verstrekt Onze
Minister uiterlijk 1 april 2006 aan een
gemeente een eenmalige
aanvullende rijksbijdrage. Deze rijksbijdrage wordt berekend op de
grondslag van:
a. het aantal door het college van burgemeester en wethouders ontvangen
afschriften van verklaringen uitgereikt in 2003 en 2004;
b. het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het college van
burgemeester en wethouders in 2003 en 2004 een beschikking omtrent een
inburgeringsprogramma heeft genomen;
c. de door een gemeente per 31 december 2004 opgebouwde reserve aan
niet-bestede rijksbijdragen; en
d. het verschil tussen het totaal aan rijksbijdragen aan gemeenten op
grond van de meerjarenraming in de rijksbegroting voor 2003 en de
rijksbijdrage aan een gemeente voor 2004, verminderd met de in artikel
2a bedoelde rijksbijdrage aan die gemeente.
-2. De in het eerste lid bedoelde rijksbijdrage voor een gemeente wordt
berekend met de formule: n = {[(o x p) + (q x r)] - (s + t)} - ½u, waarin wordt voorgesteld:
- met de letter n: de rijksbijdrage als bedoeld in het eerste lid;
- met de letter o: het door het college van burgemeester en wethouders
ontvangen aantal afschriften van verklaringen in 2003 en 2004;
- met de letter p: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in
artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per verklaring;
- met de letter q: het aantal nieuwkomers ten aanzien van wie het
college van burgemeester en wethouders in 2003 en 2004 een beschikking
heeft genomen;
- met de letter r: het bedrag dat met inachtneming van het bepaalde in
artikel 2, tweede lid, beschikbaar is per beschikking omtrent een
inburgeringsprogramma;
- met de letter s: de som van de verleende rijksbijdragen voor de
jaren 2003 en 2004 voor een gemeente;
- met de letter t: het verschil tussen het totaal aan rijksbijdragen
aan gemeenten op grond van de meerjarenraming in de rijksbegroting voor
2003 en de rijksbijdrage die voor het jaar 2004 aan een gemeente is
toegekend, verminderd met de in artikel 2a bedoelde rijksbijdrage voor
die gemeente; en
- met de letter u: de door Onze Minister geraamde door een gemeente
opgebouwde reserve aan niet-bestede rijksbijdragen per 31 december 2004.
-3. In de formule, bedoeld in het tweede lid, kunnen n en u niet kleiner
zijn dan nul.
Art. 13.
Overgangsbepaling ten aanzien van het gemeentelijk verslag met
betrekking tot 2004 en de verantwoording van de rijksbijdrage 2004
-1. In afwijking van het bepaalde in artikel 6 zendt het college van
burgemeester en wethouders vóór 1 juli 2005 aan Onze
Minister een schriftelijk verslag over de activiteiten waarvoor de
rijksbijdrage is verstrekt.
-2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, deelt het
college van burgemeester en wethouders Onze Minister het in
artikel 2,
eerste lid, bedoelde aantal verklaringen en beschikkingen met betrekking
tot het jaar 2004 mede vóór 1 juli 2005. De gegevens zijn voorzien van
een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door
een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek.
-3. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens en verklaring van
getrouwheid en rechtmatigheid niet binnen de in het eerste lid genoemde
termijn zijn verstrekt, stelt Onze Minister het college van burgemeester
en wethouders in de gelegenheid deze binnen drie weken alsnog te
verstrekken.
-4. Indien het college van burgemeester en wethouders de in het eerste
lid bedoelde gegevens en verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid
niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn verstrekt, wordt de
rijksbijdrage voor het jaar 2004 volgens
artikel 2 berekend, met dien
verstande dat wordt uitgegaan van de helft van het aantal verklaringen
en beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma op grond waarvan de
rijksbijdrage voor die
gemeente is berekend in 2001.
-5. Het college van burgemeester en wethouders dient bij Onze Minister
vóór 1 juli 2005 een financiële verantwoording in waaruit blijkt:
a. dat de rijksbijdrage voor het jaar 2004 rechtmatig is aangewend;
b. of, en zo ja, op welke wijze het deel van de rijksbijdrage 2004 dat
was bestemd voor educatieve programma’s als bedoeld in artikel
6,
eerste lid, onderdeel a, van de
wet geheel of gedeeltelijk is aangewend voor
het geheel van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de
wet;
c. of, en zo ja, op welke wijze het deel van de rijksbijdrage 2004 dat
was bestemd voor het geheel van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de
wet geheel of gedeeltelijk is aangewend voor educatieve
programma’s als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel
a, van de
wet;
d. of, en zo ja, op welke wijze een gedeelte van de rijksbijdrage 2004
is bestemd voor opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1 van
de Wet
educatie en beroepsonderwijs;
e. of, en zo ja, op welke wijze een gedeelte van de rijksbijdrage 2004
is bestemd voor activiteiten als bedoeld in
artikel 2, onderdeel k, van
de Welzijnswet 1994;
f. of, en zo ja, op welke wijze een gedeelte van de rijksbijdrage 2004
is gereserveerd ten behoeve van educatieve programma’s als bedoeld in artikel
6, eerste lid, onderdeel a, van de
wet of ten behoeve van het geheel
van de activiteiten als bedoeld in artikel 16 van de
wet;
g. in voorkomende gevallen de stand van de reserveringen en de
toevoegingen en onttrekkingen aan de reserve; alsmede
h. in voorkomende gevallen dat het college van burgemeester en
wethouders middelen die zijn verstrekt op grond van de Welzijnswet
1994 of op grond van de Wet
educatie en beroepsonderwijs wat opleidingen
educatie betreft, heeft aangewend voor inburgering van nieuwkomers.
-6. De financiële verantwoording wordt ingericht volgens een door Onze
Minister vastgesteld model en is voorzien van een verklaring omtrent de
getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld
in artikel 393, eerste lid, van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 4, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
-7. Ingeval toepassing is gegeven aan artikel 5, vermeldt de gemeente
die de rijksbijdragen voor het jaar 2004 verantwoordt in de financiële
verantwoording de verdeling van de in
artikel 2 bedoelde aantallen
verklaringen en genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma
over de samenwerkende gemeenten.
-8. Ingeval toepassing is gegeven aan artikel 5, vermeldt de in het
zevende lid bedoelde gemeente in de financiële verantwoording de
bedragen die zijn ontvangen van de andere gemeente of gemeenten alsmede
de in de
artikel 2, eerste lid, bedoelde gegevens met betrekking tot die
andere gemeente of gemeenten.
-9. Het bepaalde in artikel 4, vierde lid, is niet van toepassing met
betrekking tot de voor een gemeente vastgestelde rijksbijdrage voor het
jaar 2004.
Art. 14.
Wijziging
Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid
-1. Het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid wordt als volgt gewijzigd:
a. in artikel 1 vervallen de
onderdelen i en k en wordt onderdeel j verletterd tot
onderdeel i;
b. van hoofdstuk VI vervalt
paragraaf 6.
-2. De in het eerste lid
bedoelde vervallen bepalingen blijven gelden voor de tot de datum van inwerkingtreding van het
Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers
verleende uitkeringen.
Art. 15.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking op het tijdstip waarop de Wet
inburgering nieuwkomers in werking
treedt.
Art. 16.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald
als: Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het
Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 6 juli 1998
BEATRIX
De Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.G. Terpstra
Uitgegeven de eenentwintigste
juli 1998
De Minister van Justitie a.i.,
H.F. Dijkstal
NOTA
VAN TOELICHTING
[6 juli 1998]
1. Algemeen
Met de invoering van de
Wet
inburgering nieuwkomers (Win) zal worden voortgebouwd op de financiële systematiek die vanaf 1 januari
1998 voor inburgering geldt.
Vanaf die datum geschiedt de bekostiging van de gemeenten
volgens de
zogenaamde t-2-systematiek. Deze houdt in dat gemeenten niet meer,
zoals in 1996 en 1997 nog het geval is geweest, worden bevoorschot en afgerekend op individuele, gerealiseerde
inburgeringsprogramma’s.
Daarvoor in de plaats is een systematiek gekomen waarin de prestatie
van een gemeente in het jaar t-2 bepalend is voor de bekostiging van die
gemeente in het jaar t. De gemeente ontvangt in het jaar t een aandeel
van het landelijk voor inburgering beschikbare budget dat in
overeenstemming is met de relatieve prestatie van de gemeente in jaar t-2.
Het inburgeringsprogramma
bestaat uit een educatief programma en een welzijnscomponent die alleen in samenhang met elkaar kunnen
worden gezien. Gezien de
verantwoordelijkheid die de Ministers van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dragen voor het
educatieve programma respectievelijk de welzijnscomponent van de inburgering van
nieuwkomers, omvat dit besluit een gezamenlijke regeling voor
twee formeel van elkaar gescheiden rijksbijdragen.
In de
memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Win (Kamerstukken II 1996-1997, 25 114,
nr. 3 blz. 22) is uiteengezet dat in artikel 2.3.1 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs (WEB) in plaats van de huidige bekostigingsgrondslag voor
de educatieve programma’s een grondslag voor een Besluit bekostiging
inburgering zal worden opgenomen. Bij deze educatieve programma’s
gaat het om het beleidsterrein van de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen. Dat bekostigingsbesluit ligt hierbij voor. Gekozen is
voor een iets toegankelijker benaming: Bekostigingsbesluit
inburgering nieuwkomers.
Het besluit omvat tevens de
algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 16
van de Win voor de onderdelen van het inburgeringsprogramma
die zijn genoemd in de
artikelen 6, onderdeel b en c, en 15 van de Win. Het gaat daarbij om de
rijksbijdrage voor de zogenaamde welzijnscomponent, onder verantwoordelijkheid
van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport.
2. Lumpsum;
bestemmingsvrijheid gemeente
Ten opzichte van de
bekostigingsregels die tot aan de Win hebben gegolden voor inburgering
van nieuwkomers is gehandhaafd het uitgangspunt dat gemeenten
een lumpsumbedrag voor de inburgering ontvangen. Dat bedrag is
opgebouwd uit een bijdrage voor educatieve programma’s op basis van
de WEB
en uit een bijdrage voor de welzijnscomponent op basis van artikel 16
van
de Win. De gemeenten bepalen zelf welk deel van het
totale bedrag wordt ingezet voor de educatieve programma’s en welk deel
voor de welzijnscomponent. De beide bijdragen zijn daarmee
onderling uitwisselbaar. Gemeenten worden op deze manier in staat gesteld
de middelen voor inburgering op een efficiënte en bij de
achtergronden van de nieuwkomers passende manier in te zetten ("maatwerk"
te leveren).
Het is de uitdrukkelijke
opzet van de wetgever, nog meer dan onder de voorheen geldende regelingen
al het geval was, de rijksbijdragen voor inburgering als een geheel
te regelen, als een geheel uit te betalen en als een geheel af te rekenen
voor zover daarvan sprake zal zijn. Omdat het echter formeel om twee van
elkaar gescheiden rijksbijdragen betreft, dient dit formele onderscheid ook
in dit besluit tot uitdrukking te komen. Bij de uitvoering van het besluit
zullen de twee betrokken ministeries zo te werk gaan dat gemeenten zoveel
mogelijk met slechts één "loket" van doen zullen hebben, zoals ook al
het geval was onder de regelingen die golden voorafgaand aan de Win.
3.
Outputkarakter
financiering
Bij de financiering is
gekozen voor een indirecte vorm van outputfinanciering. In tegenstelling tot
de
voorheen geldende regelgeving wordt onder de Win
en de WEB
niet
meer afgerekend op basis van individuele gerealiseerde
inburgeringsprogramma’s. Wel zal van de gemeenten
jaarlijks een (vóór 1
november van datzelfde jaar te valideren) overzicht worden gevraagd van de
prestatie die met de inburgering is gehaalb/bereikt. Deze prestatie
wordt uitgedrukt in twee gegevens: het aantal in een bepaald jaar genomen
beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma (zie de definitie in artikel
1) en het aantal in dat jaar uitgereikte verklaringen als bedoeld in
artikel 7.4.15, eerste lid, van de WEB: verklaringen die de
instellingen voor educatie en beroepsonderwijs afgeven ten bewijze dat de
toets van een educatief programma is afgelegd (hierna kortweg: verklaringen). Deze twee aantallen zijn bepalend voor het
aandeel dat de gemeente
ontvangt uit het landelijk budget twee jaar daarna. Er zal dus geen
sprake meer zijn van terugbetaling door of verevening tussen gemeenten.
Overigens is het gevolg van
het outputkarakter van de financiering dat het jaarlijkse budget van een gemeente kan fluctueren naar de mate
waarin beschikkingen worden
genomen en verklaringen worden uitgereikt. Dit vraagt van gemeenten
een - ten minste voor een groot deel - flexibele inzet van de
middelen die zij van het Rijk ontvangen voor de inburgering van nieuwkomers.
4. Wijze waarop het
landelijk budget tot stand komt
Met betrekking tot de
inburgering is sprake van een meerjarenraming ten aanzien van het landelijke budget. Daarbij wordt uitgegaan van een
geraamd aantal nieuwkomers
voor wie inburgeringsprogramma’s moeten worden vastgesteld en van
een geraamd aantal beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma.
De berekening en
vaststelling van het macrobudget vallen buiten dit besluit. Het besluit
voorziet immers in verdeling van de middelen uit de rijksbegroting en is daarmee
volgend ten opzichte van het landelijke budget.
5. Wijze waarop de
rijksbijdrage voor elke gemeente afzonderlijk wordt bepaald
Aan de hand van dit besluit
wordt de rijksbijdrage voor elke
gemeente afzonderlijk berekend ten behoeve van het jaar t. Grondslag daarvoor zijn
de werkelijk afgegeven
verklaringen en de werkelijk genomen beschikkingen omtrent een
inburgeringsprogramma van de desbetreffende gemeente in het jaar t-2.
Van elke gemeente zal deze
prestatie in jaar t-2 worden afgezet tegen het totale aantal verklaringen dat landelijk is afgegeven en het totale
aantal werkelijk genomen
beschikkingen dat landelijk is afgegeven. Daarmee wordt het aandeel
bepaald van de gemeente in de rijksbijdragen in het jaar t. De wijze
waarop dit gebeurt, wordt verder toegelicht in de artikelsgewijze toelichting
bij artikel 2 van dit besluit.
6. Aanwendingsmogelijkheden
ontvangen rijksbijdragen
De Win
regelt dat de
gemeente voor elke nieuwkomer die aan het inburgeringsonderzoek deelneemt, bepaalt of deze een inburgeringsprogramma
dient te volgen. Dat wordt
vastgelegd in een beschikking die na afronding van het
inburgeringsonderzoek door de gemeente wordt genomen. In deze beschikking
legt de gemeente vast welke onderdelen van het inburgeringsprogramma de nieuwkomer zal moeten volgen of dat
de nieuwkomer zal worden vrijgesteld van het inburgeringsprogramma.
Om de
gemeente bij de
besteding van de rijksbijdragen een grote mate van vrijheid te bieden, regelt dit besluit zoals gezegd dat de beide
rijksbijdragen onderling
uitwisselbaar zijn. De gemeente krijgt daarmee de mogelijkheid om de
nieuwkomer een programma op maat te bieden dat aansluit bij de
uitgangssituatie van de nieuwkomer.
Deze mogelijkheid van
onderlinge uitwisselbaarheid is gebaseerd op artikel 2.3.1, tweede lid,
van de WEB, zoals gewijzigd door de Win, en op
artikel 16 van de
Win,
waarmee het educatiedeel van de rijksbijdrage mede kan worden aangewend
voor het welzijnsdeel, en omgekeerd. Voorts dient dit besluit
behalve de algemene berekeningswijze ook nadere regels te bevatten of te
subdelegeren met betrekking tot onder meer voorwaarden, te verbinden
aan de aanwending van de WEB-rijksbijdrage voor de welzijnscomponent,
en omgekeerd, verantwoording van de besteding van de
rijksbijdrage en bestemming van niet-bestede middelen. Zie voor dit laatste de
toelichting bij artikel 3 van dit besluit.
De Win regelt in artikel 16
zelf al dat de rijksbijdrage voor de welzijnscomponent mede kan worden aangewend
voor educatieve programma’s. De WEB zoals gewijzigd door
de Win regelt in artikel 2.3.1, tweede lid, op haar beurt dat de
rijksbijdrage voor educatieve programma’s mede kan worden aangewend voor de
welzijnscomponent.
Op de
verantwoordingsaspecten gaat paragraaf 7 van deze toelichting verder in.
7.
Vaststellings- en
verantwoordingssystematiek
De Win
en de WEB
spreken van
een jaarlijkse toekenning van een rijksbijdrage. Die
terminologie is ontleend aan artikel 2.3.1, eerste lid, van de WEB.
Bij de uitwerking van de
wettelijke opdracht tot het geven van (nadere) voorschriften over de beide
rijksbijdragen (onderwijscomponent en welzijnscomponent) is
uitgegaan van een systeem van vaststelling vooraf, met de mogelijkheid om
achteraf in te grijpen, te weten indien de
gemeente zich niet aan de
gestelde voorwaarden houdt. Dit systeem is ontleend aan de lumpsumregelgeving in de onderwijswetgeving. De
minister heeft ingevolge dit
besluit de mogelijkheid om in te grijpen in de eerdere vaststelling. In
dergelijke gevallen kan gehele of gedeeltelijke intrekking van de
vaststelling plaatsvinden, of wijziging van de vaststelling.
Niet gekozen is voor een
systematiek waarin eerst sprake is van verlening en dan van
vaststelling. Reden daarvan is dat de toekenning van de rijksbijdrage aan slechts
weinig voorwaarden is gebonden: verlening en vaststelling zijn daarom
niet betekenisvol van elkaar te onderscheiden. Om dezelfde reden is alleen
sprake van een rechtmatigheidscontrole en niet tevens van een doelmatigheidscontrole. Deze rechtmatigheidscontrole
geschiedt aan de hand van de
financiële verantwoording die de gemeente bij de minister
indient. Deze verantwoording geeft aan dat sprake is van een
rechtmatige besteding van de rijksbijdrage en vermeldt eventuele verschuiving en
reservering van middelen.
De essentiële t-2-bekostigingsgegevens moeten jaarlijks worden verstrekt
vóór 1 februari voorafgaand aan het bekostigingsjaar waarvoor
zij nodig zijn. Daarmee
kunnen zij een rol spelen bij de raming van de middelen voor inburgering
voor dat bekostigingsjaar. Vóór 1 november daaropvolgend moeten zij
worden gewaarmerkt met een accountantsverklaring.
Voor de goede orde wordt nog
opgemerkt dat specifieke uitkeringen (waartoe ook de inburgeringsrijksbijdragen behoren) ingevolge
artikel 4:21, derde lid, van de Awb
zijn uitgezonderd van de werking van de subsidietitel van die
wet.
8. Invoerings- en
overgangstraject bekostiging
De berekening van de
rijksbijdrage voor het jaar 1998 heeft plaatsgevonden volgens de regels van
vóór
de Win.
In de jaren 1998 en 1999 is
sprake van een - in afnemende mate - naast elkaar gebruiken van bekostigingsmaatstaven nieuwe stijl en oude
stijl en
ook van vervangende
berekeningsmaatstaven voor zover oude maatstaven niet meer, en
nieuwe maatstaven nog niet, kunnen worden gebruikt.
Met ingang van het jaar 2000
(ten behoeve van de rijksbijdragen voor het jaar 2002) zijn
uitsluitend de bekostigingsmaatstaven van dit besluit van toepassing en spelen
oude parameters en vervangende voorzieningen geen rol meer.
Zie voor het invoerings- en
overgangsrecht meer uitgebreid de toelichting bij de artikelen
10 en volgende.
9. Uitvoeringsgevolgen
De uitvoeringsorganisatie
van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zal worden belast met de uitvoering van het besluit in
relatie tot de gemeenten.
Die uitvoering betreft mede het terrein van het ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, overeenkomstig de praktijk onder de regelingen
van voor de Win. Uitvoeringsproblemen worden niet verwacht.
Met de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten heeft overleg plaatsgevonden over de uitvoerbaarheid van
dit besluit. Daarbij is niet gebleken van uitvoeringsproblemen.
10. Financiële gevolgen
besluit
Dit besluit verdeelt de
middelen die de begrotingswetgever beschikbaar stelt voor inburgering. Daarom zijn aan het besluit zelf geen financiële
gevolgen verbonden.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Artikel 1 van de
Win bepaalt
dat de begrippen die daar zijn omschreven ook gelden voor de op de Win
berustende bepalingen, dus ook voor zover dit besluit op artikel 16
van de Win berust. Omdat dit laatste niet geldt voor de
WEB, zijn toch
enkele begripsbepalingen opgenomen.
Bij de begripsbepaling van "Onze Minister" wordt nog aangetekend dat het formeel gaat om twee afzonderlijke rijksbijdragen, met ook twee
verantwoordelijke ministers.
Waar dit besluit voorts
spreekt van "het college van burgemeester en wethouders" gaat het om
het college dat in de begripsbepaling van artikel 1 van de Win
is
opgenomen. Het college-begrip strekt zich gezien de aanhef van het eerste lid
van dat artikel 1 ook uit over dit besluit.
Het tweede lid regelt dat
uitvoeringsregels op grond van dit besluit zoveel mogelijk worden neergelegd in gezamenlijke regelingen van de
betrokken ministers. Tussen
de drie betrokken ministers (onder wie de Minister van Binnenlandse
Zaken) vindt daartoe overleg plaats. Dat spoort ook met hetgeen is bepaald
in artikel 2.3.1 van de WEB
en artikel 16 van de Win: de twee rijksbijdragen worden toegekend na overleg tussen de
drie betrokken ministers.
Artikel 2
De berekeningswijze is
onderdeel van het totale proces om tot vaststelling van de
individuele rijksbijdragen te komen. Artikel 2.3.1, tweede lid, van de WEB
bepaalt dat de
minister ten behoeve van de educatie jaarlijks aan de gemeenten
een rijksbijdrage toekent voor de educatieve programma’s.
Dat voorschrift vestigt daarmee de gemeentelijke aanspraak op een
rijksbijdrage.
Op grond van artikel 2.3.2,
eerste lid, van de WEB
maakt de minister vervolgens jaarlijks in september aan de gemeentebesturen bekend welke
rijksbijdrage voor de
gemeente voor het daaropvolgende jaar wordt verstrekt. Daarbij deelt hij
ook mede op welke wijze de rijksbijdrage is berekend. De rijksbijdrage
wordt vervolgens uitgekeerd volgens een door de minister te bepalen
kasritme en wordt op grondslag van overeenkomsten
met uit ’s Rijks kas
bekostigde educatie-instellingen als bedoeld in de WEB
door de gemeenten
op hun beurt toegekend aan die instellingen voor zover het de educatieve
onderdelen van het inburgeringsprogramma betreft.
De Win zelf bepaalt in
artikel 16
dat een rijksbijdrage voor de welzijnscomponent wordt toegekend.
Het eerste lid bevat de twee
grondslagen van de berekening: aantallen uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de
WEB en aantallen genomen
beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma (zie de definitie in artikel
1), beide in het jaar t-2. Deze grondslagen zijn in het
derde lid uitgewerkt. Zij gelden (zie het eerste lid) zowel voor de bijdrage van
het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (de educatieve
programma’s) als voor de bijdrage van het ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport (de welzijnscomponent).
Opgemerkt wordt hier nog dat
in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
Win
(Kamerstukken II
1996-1997, 25 114, nr. 3 blz. 27) is vermeld dat in de
berekening van de rijksbijdrage wordt uitgegaan van gerealiseerde
inburgeringsprogramma’s.
Omdat inburgeringsprogramma’s als zodanig worden
afgesloten met een certificaat, zou dat betekenen dat ook in de
berekeningswijze wordt uitgegaan van aantallen certificaten. Daarvoor is
evenwel niet gekozen in dit besluit. Het tellen van certificaten in de algemene
berekeningswijze zou namelijk betekenen dat de prestaties van gemeenten
pas op langere termijn tot uitdrukking komen in de hoogte van de
rijksbijdrage, althans in relatie tot een deel van de inburgeringsprogramma’s.
Voor het ene deel zal in het jaar t-2 een verklaring en voor het
andere deel een certificaat zijn afgegeven. Voor een kleiner deel is sprake
van afgifte van het certificaat in het daaropvolgende jaar (t-1), terwijl het
leeuwendeel van de prestatie al wel is geleverd in het jaar t-2. Gelet op de
uitgangspunten van de t-2-systematiek achten ondergetekenden het naijlen
van die laatste prestatie in de algemene berekeningswijze met een vol
jaar niet wenselijk voor de gemeenten.
Overigens gaat het hierbij
alleen om de algemene berekeningswijze. De wetgever heeft het van belang geoordeeld dat een certificaat ervan
getuigt dat het
inburgeringsprogramma is afgesloten. Het inburgeringsprogramma omvat behalve een verklaring
ook steeds een certificaat. De algemene berekeningswijze
doet dus aan het uitgangspunt van gerealiseerde programma’s geen
afbreuk. In alle gevallen zal de gemeente moeten kunnen aantonen dat
inderdaad deelnemers die in het voorafgaande jaar een verklaring van de
instelling hebben ontvangen, vervolgens binnen zes maanden
daarna (dus deels ook nog in het berekeningsjaar zelf) een
certificaat van de gemeente hebben verkregen.
De gemeente ontvangt op
grond van artikel 7.4.15, tweede lid, van de WEB
afschriften van de verklaringen die de instellingen uitreiken. Langs
die weg wordt bij de
gemeente bekend welke aantallen verklaringen in enig jaar zijn uitgereikt.
De verdeling van de
beschikbare middelen voor inburgering vindt plaats op basis van de twee bekostigingsmaatstaven: beschikking en verklaring.
Om dit te kunnen realiseren,
is het noodzakelijk te bepalen welk deel van de budgetten van de twee
ministeries die in de ontwerp-rijksbegroting zijn opgenomen voor inburgering,
toegewezen zal worden op basis van beschikkingen
respectievelijk verklaringen. Het ligt in de bedoeling tijdig vóór de eerste
toepassing
van het tweede lid (die eerste toepassing valt in het jaar 1999 en betreft de
rijksbijdragen voor het jaar 2000) bekend te maken aan de gemeenten
hoe
de maatstaven zich tot elkaar verhouden. Gestreefd zal worden naar
publicatie omstreeks april/mei 1999.
Het derde lid bevat de
eigenlijke berekeningsformule, gebaseerd op de twee maatstaven van het eerste lid. Deze maatstaven zijn in het
voorgaande al uitgebreid
toegelicht.
Zowel voor de educatieve
component als de welzijnscomponent wordt voor een
gemeente het aandeel in de landelijke budgetten berekend voor
het ene deel op basis van
het aandeel dat de gemeente heeft in de door alle gemeenten
in jaar t-2
in totaal genomen beschikkingen en voor het andere deel op basis van het
aandeel dat de gemeente heeft in de door alle gemeenten uitgereikte verklaringen. Deze berekening komt voor beide
componenten op dezelfde
wijze tot stand.
Op grond van het vierde lid
kunnen de vastgestelde rijksbijdragen tussentijds worden verhoogd
of verlaagd wegens wijzigingen in de vastgestelde rijksbegroting.
Daarbij gaat het onder meer om algemene salarismaatregelen in
relatie tot personeel van instellingen dat educatieve programma’s verzorgt. Dit
lid bevat tevens een begrotingsvoorbehoud: het bindt de vaststelling
van de rijksbijdragen aan de grenzen van de rijksbegroting. Voor de
educatieve programma’s is dat al bepaald in artikel 2.3.1 van de WEB, voor de
welzijnscomponent is in dit besluit een bepaling daarover opgenomen.
Het vijfde lid regelt
expliciet dat de vaststelling van de beide rijksbijdragen plaatsvindt in
september van
het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarop de
rijksbijdragen betrekking hebben. Voor de educatieve programma’s is dat al
bepaald in artikel 2.3.2 van de WEB.
Artikel 3
De middelen voor de
educatieve programma’s en voor de welzijnscomponent zijn ingevolge de WEB
respectievelijk de Win onderling uitwisselbaar. Het eerste en
tweede lid van artikel 3 werken die uitwisselbaarheid uit, omdat de beide wetten
het vaststellen van voorwaarden voorschrijven over de
onderlinge aanwendbaarheid. Dat voorschrift is in artikel 3 marginaal ingevuld
vanwege het lumpsumkarakter van de inburgeringsbijdrage.
Uitwisselingen behoeven vanwege dit lumpsumkarakter dan ook niet zichtbaar te
worden gemaakt in de financiële verantwoording.
Naast deze onderlinge
uitwisselbaarheid is de inzet van de middelen op nog twee manieren verder
verruimd. Dat is geregeld in het derde lid van dit artikel. Wat dat lid
aangaat: aan de
gemeente staan twee wegen open voor bestemming van de
resterende middelen, na toepassing van het eerste lid:
1. De gemeente kan besluiten
om de overblijvende middelen over te hevelen naar de reguliere educatie of naar bepaalde in dit besluit nader
aangeduide
welzijnsactiviteiten, waarbij de gemeente ervoor kan kiezen (het voorliggende besluit
verplicht daar niet toe) die middelen in te zetten voor nieuwkomers die
"nazorg" behoeven;
2. De gemeente kan er ook
voor kiezen (geheel of gedeeltelijk) af te zien van die overheveling en
de overblijvende middelen in plaats daarvan te reserveren. Met ingang
van het jaar 1998 is de mogelijkheid van reservering van niet-bestede
middelen reeds ingevoerd. Gemeenten kunnen hierdoor
strategischer omgaan met de beschikbare middelen, waardoor jaarlijkse
schommelingen in de aantallen nieuwkomers kunnen worden opgevangen.
Reservering geschiedt steeds voor inburgering: gereserveerde middelen
kunnen alleen worden ingezet ten behoeve van educatieve programma’s of
ten behoeve van de welzijnscomponent.
Wat de educatie betreft, is
ook het omgekeerde mogelijk: middelen uit het reguliere educatiebudget
waarover de gemeenten
beschikken, kunnen worden ingezet voor
inburgering. Dit is expliciet bepaald in artikel 2.3.1, eerste lid, van de
WEB,
zoals gewijzigd door de Win.
Een vergelijkbare
voorziening bestaat ook voor de welzijnscomponent. De Welzijnswet
1994 maakt
het mogelijk dat middelen die zijn bestemd voor de in artikel 2
genoemde welzijnsbeleidsterreinen ook worden ingezet voor nieuwkomers als
bedoeld in de Win. In dit verband wordt gedacht aan middelen voor
maatschappelijke dienstverlening, maatschappelijke opvang, kinderopvang,
integratie en opvang van vluchtelingen, etc.
Ten
slotte is in
artikel 3
van dit besluit voorgeschreven dat de overheveling naar opleidingen educatie of
naar welzijnsactiviteiten als bedoeld in artikel 2, onderdeel k, van
de Welzijnswet 1994 is gemaximeerd: het naar opleidingen educatie over te
hevelen bedrag uit de totale gemeentelijke inburgeringsrijksbijdrage
mag niet groter zijn dan het bedrag dat overeenkomt met het aandeel
dat de toegekende rijksbijdrage voor de educatieve programma’s van
een
gemeente heeft in die totale gemeentelijke inburgeringsrijksbijdrage.
Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de overheveling naar het
terrein van welzijnsbeleid, genoemd in artikel 2, onderdeel k, van de
Welzijnswet 1994.
Door deze restrictie wordt
tegengegaan het weglekken van de rijksbijdrage voor educatieve programma’s
naar het hiervoor omschreven meer algemene welzijnsterrein
(hierna aangeduid als: algemeen welzijn), respectievelijk van de
rijksbijdrage voor de welzijnscomponent naar opleidingen educatie.
Een rekenvoorbeeld kan dit
mechanisme verduidelijken:
- Een
gemeente ontvangt in
totaal een rijksbijdrage van ƒ1 000 000,-. Daarvan omvat het
educatiedeel ƒ600 000,- en het welzijnsdeel ƒ400 000,-. Een onderlinge verhouding
van 60:40 dus.
- De gemeente bestemt
vervolgens in totaal ƒ800 000,- voor inburgering (educatieve programma’s en
welzijnscomponent gezamenlijk).
- Dan resteert ƒ200 000,-.
Uitgaande van de
bovengenoemde verhouding van 60:40 mag de gemeente daarvan maximaal ƒ120 000,- toewijzen aan opleidingen
educatie en maximaal ƒ80
000,- aan algemeen welzijn. Dit voorkomt de genoemde weglek van
middelen.
- Vervolgens maakt de
gemeente haar keuze: de bedragen inderdaad zo te verdelen of (geheel dan
wel gedeeltelijk) te reserveren voor inburgering.
Artikel 4
Voor de berekening van de
rijksbijdrage zijn op grond van artikel 2 specifieke gegevens noodzakelijk. Ingevolge
artikel 4 moeten die
gegevens tijdig aan de
betrokken ministers worden medegedeeld. De datum van 1 februari is
gekozen met het oog op de voorbereiding van de rijksbegroting die in
september van datzelfde jaar wordt ingediend en die de inburgeringsrijksbijdrage
bevat voor het daaropvolgende jaar.
Bij het aantal verklaringen
doet het startmoment van het programma niet ter zake: gekeken wordt alleen naar het moment van voltooiing van
het educatief programma,
blijkend uit afgifte door de educatie-instelling van een verklaring als
bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de WEB.
Zie verder artikel 7, derde
lid, waarin is geregeld dat de relevante gegevens moeten worden gewaarmerkt met een accountantsverklaring.
Zie ook artikel 8.
De verwijzing naar
artikel 2
houdt ook in dat afzonderlijk moeten worden overgelegd gegevens over zowel de beschikkingen als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, van
de Win, waarbij een inburgeringsprogramma is vastgesteld, als de
beschikkingen waarbij is besloten het vaststellen van een dergelijk programma
achterwege te laten (artikel 5, tweede lid, van de Win).
De beide aantallen worden
zonder meer bij elkaar opgeteld en zo betrokken in de algemene berekeningswijze. De afzonderlijke aantallen
zijn alleen wel van belang
voor de ramingen bij het opstellen van de rijksbegroting.
De sanctiemogelijkheid van
het derde lid is ontleend aan artikel 5 van de Onderwijsregeling inburgering nieuwkomers 1998 en is van belang indien
essentiële gegevens voor
het vaststellen van de rijksbijdrage niet of niet tijdig worden geleverd.
Het vierde lid bevat de
grondslag voor een formulier voor het verstrekken van gegevens.
Een expliciete grondslag daarvoor is noodzakelijk, omdat artikel 4:4 van de
Awb
alleen betrekking heeft op aanvragen en daarbij te voegen
formulieren, en dit besluit geen aanvragen kent. De beide betrokken ministers
zullen in gezamenlijk overleg een formulier ontwikkelen.
Artikel 5
De rijksbijdragen voor
inburgering kunnen eveneens worden ingezet door samenwerkende gemeenten. Zie hiervoor ook de Onderwijsregeling
inburgering nieuwkomers en de
Welzijnsregeling inburgering nieuwkomers voor de jaren 1996, 1997 en 1998. Samenwerking biedt
mogelijkheden om veel nieuwkomers met een traject op maat te
bedienen. Indien gemeenten inderdaad tot samenwerking overgaan, kan beter worden gereageerd en geanticipeerd
op fluctuaties in aantallen,
aard van de nieuwkomers en eventuele fricties in de beschikbare
opleidingscapaciteit.
Het beleid van de
gezamenlijke gemeenten zal in verband met overwegingen van uitvoerbaarheid
steeds
moeten gelden voor een geheel bekostigingsjaar en voor het
geheel van het inburgeringsbeleid in dat jaar, dat wil zeggen voor zowel de
educatieve programma’s als de welzijnscomponent.
Benut men die mogelijkheid,
dan heeft dat gevolgen voor onder meer het ontvangen en verantwoorden van de rijksbijdragen, zo regelt dit
artikel. De daarover
opgenomen figuur van overdracht van bevoegdheden tot ontvangst en
verantwoording van de rijksbijdragen is ontleend aan artikel 8, derde lid, van de
Wet
gemeenschappelijke regelingen (de zogenaamde
centrumgemeenteconstructie).
Expliciet is in artikel 7
(zie aldaar) nog bepaald dat in geval van samenwerkende gemeenten
de bekostigingsgegevens dienen te zijn
uitgesplitst naar betrokken
gemeenten. Daarmee wordt voorkomen dat bij beëindiging van de
samenwerking onduidelijkheid bestaat over het afzonderlijke aandeel van
elk van die gemeenten. De wijze waarop de splitsing wordt aangebracht, is aan de gemeenten zelf overgelaten.
Denkbaar is dat de
samenwerkende gemeenten een bepaalde onderlinge toedeling afspreken. Deze
behoeft niet identiek te zijn aan de feitelijke situatie.
Artikel 6
Zoals opgemerkt in de nota
naar aanleiding van het verslag bij het al genoemde wetsvoorstel Win
(Kamerstukken II 1996-1997, 25 114, nr. 6, blz. 6)
zal dit besluit voor de
gemeente onder meer de verplichting bevatten aan het Rijk jaarlijks een
verslag over het gevoerde inburgeringsbeleid uit te brengen. Een
verslagverplichting was ook al opgenomen in het Bekostigingsbesluit
welzijnsbeleid (artikel 40 juncto artikel 48) juncto de Welzijnsregeling inburgering
nieuwkomers (artikel 8). Artikel 48 van het Bekostigingsbesluit
welzijnsbeleid bepaalt dat de gemeente binnen zes maanden na afloop van de
periode waarover een uitkering is verstrekt een schriftelijk verslag aan
de
minister zendt over de activiteiten waarvoor de uitkering is verstrekt.
Bij die bepaling is hier aangesloten.
Voor de educatieve programma’s
gold een dergelijke verslagplicht niet. Artikel 6 van dit besluit omvat echter ook de activiteiten van die
programma’s. Informatie
over educatieve programma’s kan overigens op grond van artikel 2.3.6 van
de WEB
ook tussentijds worden opgevraagd.
De beide betrokken ministers
zullen in gezamenlijk overleg de inrichting van het verslag vaststellen.
Artikel 7
Dit artikel verplicht de
gemeente tot een jaarlijkse verantwoording van de rijksbijdragen. Daartoe
moet de gemeente aan de
minister een financiële verantwoording
overleggen met daarbij een accountantsverklaring. Verantwoording en verklaring
hebben betrekking op drie onderwerpen:
1. de rechtmatigheid van de
aanwending van de middelen (dat wil zeggen: ten behoeve van nieuwkomers, met inachtneming van de
verschuivings-, overhevelings- en reserveringsmogelijkheden in dit
besluit en met inachtneming
van de voorwaarden in de WEB
over de inzet van de middelen
uitsluitend bij Regionale Opleidingen Centra, hierna: ROC’s);
2. de juistheid van de
gegevens over verschuiving en reservering van middelen (zie artikel
3);
3. de juistheid van de
basisgegevens voor de berekening van de rijksbijdragen (zie artikel
2, waarnaar artikel 4, eerste lid, verwijst, zoals door de gemeente vóór 1
februari aangeleverd); op dit laatste heeft het derde lid van artikel 7
betrekking.
Voor de controle van de
juistheid van de gegevens voor de berekening van de rijksbijdrage dient de
gemeente voor elke nieuwkomer te
beschikken over:
- het meldingsformulier,
bedoeld in artikel 2 van de Win;
- een afschrift van de
beschikkingen, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de Win; en
- het afschrift van de
verklaring, bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de WEB.
Voor de controle op de
gegevens die gebruikt worden voor de verdeling is het in principe voldoende
als van elke nieuwkomer een afschrift van de beschikking en de
verklaringen aanwezig is. Op grond van de Win is elke
gemeente voorts verplicht om
de betrokken nieuwkomer binnen zes maanden nadat het
inburgeringsprogramma is voltooid (inclusief het eindgesprek over vervolgonderwijs en -traject met
Arbeidsvoorziening [zie Centrale organisatie werk en
inkomen (CWI), red.])
een certificaat uit te
reiken. In het kader van het toezicht op een juiste uitvoering van de Win zal
worden gecontroleerd of inderdaad aan deze eis van de
wet is voldaan.
Een beoordeling op
doelmatigheid is niet aan de orde: de
gemeente bepaalt immers met een grote
mate van vrijheid zelf de inzet van de middelen.
Zie ook paragraaf 7 van deze
toelichting.
Het vijfde lid houdt verband
met samenwerkende gemeenten
als bedoeld in artikel 5.
Het zesde lid houdt verband
met de zogenaamde verhuisregeling, opgenomen in de artikelen 5
en 6 van het Uitvoeringsbesluit inburgering
nieuwkomers. De gemeente die
de beschikking omtrent het inburgeringsprogramma heeft genomen, neemt dit als
telgegeven op in de financiële verantwoording; de gemeente
die het afschrift van de verklaring heeft ontvangen, neemt dit gegeven
op in de financiële verantwoording.
Uit het Uitvoeringsbesluit
inburgering nieuwkomers volgt dat gemeenten onderling overeen
kunnen komen elkaar een vergoeding toe te kennen in verband met
verhuizing van de nieuwkomer. Het zesde lid regelt dat deze vergoeding
in de verantwoording van beide betrokken gemeenten dient te worden
opgenomen.
Middelen die vanuit de
middelen voor opleidingen educatie of vanuit de middelen voor algemeen welzijn worden bestemd voor
inburgering,
worden vanaf dat moment
beheerst door dit besluit en niet (langer) door de bekostigingsregels voor
de opleidingen educatie respectievelijk het algemeen welzijn. Dit is
aangegeven in het eerste lid van artikel 7, onderdeel d. Aangetoond moet worden
dat deze middelen daadwerkelijk zijn besteed ten behoeve van
inburgering van nieuwkomers.
De overheveling vanuit
opleidingen educatie of algemeen welzijn is een zaak van gemeentelijk beleid. In de gemeentelijke begroting zal zichtbaar
moeten worden gemaakt welke
andere middelen dan de ingevolge dit besluit berekende
rijksbijdragen worden bestemd voor inburgering.
De beide betrokken ministers
zullen in gezamenlijk overleg het model voor de financiële verantwoording vaststellen, alsmede een controleprotocol
ten behoeve van de
verklaring van getrouwheid.
Artikel 8
Dit artikel regelt de
mogelijkheid tot intrekking of wijziging van de beschikking tot vaststelling
van de rijksbijdrage en stemt overeen met het overeenkomstige artikel in
de Tijdelijke regeling rijksbijdrage educatie (Uitleg OCW-regelingen, nr.
22 van 25 september 1996).
Wat het derde lid betreft,
wordt ter toelichting het volgende opgemerkt.
Indien uit de controle door
de accountant blijkt dat het ingevolge artikel 4, eerste lid, opgeven aantal beschikkingen omtrent het inburgeringsprogramma
of het aantal verklaringen
afgegeven door de instelling niet juist is verstrekt door de
gemeente, wordt uitsluitend gecorrigeerd als het aantal lager wordt
vastgesteld dan het opgegeven aantal door de gemeente (zie het eerste en
tweede lid). De reden hiervoor is dat het beschikbare budget voor de
inburgering van nieuwkomers wordt verdeeld op basis van de door de gemeenten
verstrekte gegevens van 1 februari en er geen budget meer rest om
eventuele hogere aantallen van een gemeente te bekostigen. Dit
verklaart waarom het derde lid is opgenomen.
Het vorenstaande betekent
dat de gemeente met name goede afspraken moet maken met de instellingen over de tijdige en volledige verstrekking
van een afschrift van de
afgegeven verklaringen.
Artikel 9
Ingeval de
minister terugvordert na intrekking van de vaststelling van de rijksbijdrage, kan onmiddellijk worden teruggevorderd of kan de
rijksbijdrage worden
verrekend met andere rijksbijdragen uit ’s Rijks kas.
Dit artikel is opgenomen om
aan te geven dat de minister inzake de terugvordering van de rijksbijdrage voor inburgering nieuwkomers
handelt overeenkomstig de
Tijdelijke regeling rijksbijdrage educatie (Uitleg OCW-regelingen, nr.
22 van 25 september 1996), aangezien inburgering ook tot de
educatie behoort.
Artikel 10
Omdat de eerste
t-2-gegevens
pas in de loop van 1998 beschikbaar komen en een functie zullen hebben voor de vaststelling van de rijksbijdrage
2000, moet voor de
berekening van de rijksbijdrage voor het jaar 1999 een afzonderlijke
berekening worden geregeld, zonder t-2-gegevens. Voor 1999 zou immers bij t-2
moeten worden gekeken naar met het oog op 1999 verzamelde gegevens
uit 1997, en die gegevens zijn niet beschikbaar.
Gekozen is voor voortzetting
van de systematiek zoals die laatstelijk voorafgaand aan invoering van t-2 gold: die voor het jaar 1998 dus. Dat
betreft de rekensleutels uit
de Welzijnsregeling inburgering nieuwkomers voor 1998. Op drie punten wordt van die
rekensleutels afgeweken, in verband met de afwijkende reikwijdte van de Win:
1. de groep van 16- en
17-jarigen wordt in de berekeningen meegenomen, gelet op artikel
1, derde
en
vierde lid, van de Win;
2. de groep van de
zogenaamde VVTV-ers (dat zijn degenen aan wie een voorwaardelijke vergunning tot verblijf
- afgekort: VVTV - als bedoeld
in artikel 9a van de
Vreemdelingenwet is verleend) wordt in de berekeningen buiten beschouwing gelaten,
gelet op artikel 1, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van de
Win;
3. de groep buiten Nederland
geboren Nederlanders van 18 jaar of ouder die voor de eerste
keer in Nederland ingezetene zijn in de zin van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens doet mee als onderdeel van de berekening van letter a,
behalve voor zover deze personen afkomstig zijn van een lidstaat van de
Europese Unie.
Ondergetekenden hebben voor
het principe van aansluiting bij de rekenregels voor 1997
gekozen om te voorkomen dat in de invoeringsperiode bij herhaling gewisseld zou
moeten worden van berekeningsformule.
Toepassing van die
berekening (in september 1998) resulteert in rijksbijdragen voor de afzonderlijke
gemeenten
in 1999. Omdat het gaat
om gegevens uitsluitend van
vóór de Win (uit 1997 immers), doen zich hier geen
invoerings- en
overgangsvraagstukken voor.
Artikel 10 bevat een van
artikel 2 afwijkende wijze van berekenen. Het betreft vervanging van het
bepaalde in het eerste tot en met derde lid van dat artikel. Het vierde en
vijfde lid zijn wel van toepassing.
Artikel 11
Voor de rijksbijdrage 2000
geldt de t-2-systematiek, mede gekoppeld aan de oude regelingen voor 1998.
Bij inwerkingtreding van de Win
op 30 september 1998 is sprake van de volgende invoerings- en overgangskwesties:
1. Gemeentelijke
beschikkingen (bekostigingsmaatstaf) zijn er voor het eerst pas vanaf 30
september
1998; er is dus geen compleet jaar met beschikkingen dat kan dienen
als input voor het jaar 2000. Om dit gemis te compenseren, is in artikel
11 bepaald dat met beschikkingen worden gelijkgesteld in 1998
gesloten inburgeringsovereenkomsten (formeel: gemaakte schriftelijke afspraken als bedoeld in artikel 52, vierde lid, onderdeel
b, van het
Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid zoals luidend bij inwerkingtreding van de
Win).
2. De eerste verklaringen op
grond van de WEB
kunnen er in het algemeen pas zijn eind 1999/begin 2000. Zie onderstaand indicatief
tijdpad:
- 30 september 1998:
inwerkingtreding Win;
- vanaf 30 september 1998:
melding bij de
gemeente (binnen zes weken); na melding: inburgeringsonderzoek
("zo spoedig mogelijk");
- omstreeks 1 januari
1999: aanvang eerste educatieve programma’s ("binnen vier maanden na de
melding"; zie artikel 8.1.3, achtste lid, van de WEB);
- vóór omstreeks 1 januari
2000: eerste toetsen, en dus eerste verklaringen (binnen één jaar na inschrijving);
- vóór omstreeks juli
2000: einde van de eerste inburgeringsprogramma’s; de eerste certificaten dus
(binnen zes maanden na toets).
Dit tijdpad toont aan dat
vervangende/aanvullende bekostigingsmaatstaven nodig zijn voor 1998 als t-2-jaar. De vervanging betreft:
- aanvulling van
beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma door
inburgeringsovereenkomsten;
- het aantal door
nieuwkomer-deelnemers gerealiseerde programma’s, bedoeld in de Onderwijsregeling inburgering nieuwkomers 1998.
Daarbij gaat het om:
a. de tot en met 29
september 1998 gerealiseerde programma’s oude stijl; alsmede
b. de krachtens de Win ook
nog volgens het oude recht in 1998 gerealiseerde programma’s
oude stijl.
Artikel 11 bevat een slechts
gedeeltelijk van artikel 2 afwijkende wijze van berekenen. Het betreft het derde lid van dat artikel. Het eerste en
tweede lid van artikel 2
zijn van overeenkomstige toepassing verklaard. Het vierde en vijfde lid
zijn wel onverkort van toepassing.
Artikel 12
Invoerings- en
overgangsaspecten voor de rijksbijdrage 2001 zijn de volgende:
1. Voor de gemeentelijke
beschikkingen (bekostigingsmaatstaf) is er geen probleem: die zijn er direct al vanaf het eerste moment van t-2 (1
januari 1999); er is dus een
compleet jaar met beschikkingen dat kan dienen als input voor het
jaar 2001.
2. Verklaringen als bedoeld
in de WEB
kunnen er in het algemeen pas voor het eerst zijn eind 1999/begin 2000. Zie het bij
artikel 11 beschreven
tijdpad. "Oude toetsen"
(dat wil zeggen toetsen op basis van de regelgeving die gold voordat de Win
in
werking trad) kunnen er tot het einde van 1999 ook nog zijn. Maar
omdat het steeds om verschillende deelnemers gaat, is het
meenemen van toetsen in de berekening geen probleem.
Artikel 12 bevat een slechts
gedeeltelijk van artikel 2 afwijkende wijze van berekenen. Het betreft het derde lid van dat artikel. Het eerste en
tweede lid van artikel 2
zijn van overeenkomstige toepassing verklaard. Het vierde en vijfde lid
zijn wel onverkort van toepassing.
Artikel 13
De complexiteit van het
invoerings- en overgangsrecht wettigt dat ter nadere invulling en uitwerking daarvan bij ministeriële regeling regels
kunnen worden vastgesteld.
Daarvoor biedt artikel 13 de grondslag.
Artikel 14
Tot aan de inwerkingtreding
van artikel 22 van de Win was de grondslag voor de
bekostiging van de welzijnscomponent van inburgeringsprogramma’s
voor nieuwkomers gelegen in de Welzijnswet
1994 en het daarop
gebaseerde Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid. Door de inwerkingtreding van
artikel 22 vervalt deze grondslag. In verband hiermee moet nu het
Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid worden gewijzigd. Bij ministeriële
regeling op grond van artikel 24, vierde lid, van de Win
wordt evenwel een
voorziening getroffen waardoor wordt bereikt dat, in afwijking van de Win,
voor heel 1998 de grondslag voor de bekostiging van de
welzijnscomponent nog is gelegen in de Welzijnswet 1994.
De Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
De Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.G. Terpstra
|