|
BESLUIT van 26 juni 1998,
houdende regels over criteria inburgeringsonderzoek, verhuizing en
registratie ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers (Uitvoeringsbesluit
inburgering nieuwkomers)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 12 februari
1998, nr. CIM98/241, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op de artikelen 4, vijfde lid,
14 en 15,
tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers
en artikel 6a van de Wet
persoonsregistraties;
De Raad van State gehoord (advies van 3 april
1998, nr. W04.98.0054);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 19 juni 1998, nr. CIM98/824, uitgebracht in
overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK
1
Begripsomschrijvingen
Art. 1.
In dit besluit wordt
verstaan onder:
a. de wet: de Wet inburgering nieuwkomers;
b. sociaal-fiscaal nummer:
het nummer, bedoeld in artikel 47b, derde lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen.
HOOFDSTUK
2
Criteria
inburgeringsonderzoek
Art. 2.
Tijdens het
inburgeringsonderzoek wordt de opleiding en de werkervaring vastgesteld die
de nieuwkomer reeds in Nederland of in een ander land heeft genoten
onderscheidenlijk opgedaan.
Art. 3.
Bij het vaststellen van de
opleiding, bedoeld in artikel 2, wordt, zo nodig, het niveau van buitenlandse
diploma’s vastgesteld door vergelijking van deze diploma’s met
Nederlandse diploma’s.
Art. 4.
De test, bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel
c, van de wet, bestaat in de toepassing van de door
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen toegestane
instrumenten waarmee de actieve en passieve kennis van de
Nederlandse taal, de leerervaring en de studievaardigheden worden gemeten.
HOOFDSTUK
3
De
verhuizing
Art. 5.
Indien de nieuwkomer tijdens
zijn deelname aan het voor hem vastgestelde inburgeringsprogramma, op grond van artikel 26
¹ van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens wordt ingeschreven in een andere gemeente dan
de gemeente waar hij tot dat moment is ingeschreven, doet het
college van burgemeester en wethouders van de vorige gemeente van
inschrijving het college van burgemeester en wethouders van de volgende gemeente van inschrijving binnen vier
weken na de uitschrijving,
bedoeld in artikel 30 van die
wet, mededeling van het feit dat betrokkene
aan een inburgeringsprogramma deelneemt.
1. Zie
artikel 10 van dit besluit, red.
Art. 6.
-1. Binnen twee weken na
ontvangst van de in artikel 5 bedoelde mededeling sluiten de
colleges van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten, na
overleg met de nieuwkomer, een overeenkomst waarin wordt vastgesteld
welk van beide colleges vanaf een in die overeenkomst te bepalen
datum jegens de nieuwkomer is belast met de uitvoering van de wet
en de
daarop berustende bepalingen.
-2. Indien het college van
burgemeester en wethouders van de volgende gemeente van inschrijving wordt aangewezen, draagt het college van
burgemeester en wethouders
van de vorige gemeente van inschrijving de bij hem aanwezige gegevens
over de nieuwkomer aan dat college over.
-3. In een geval als bedoeld
in het tweede lid wordt, zo nodig, in de overeenkomst tussen de betrokken gemeenten een te betalen vergoeding
vastgesteld in verband met
reeds gemaakte of nog te maken kosten ten behoeve van de uitvoering
van het desbetreffende inburgeringsprogramma.
-4. In het
inburgeringsprogramma wordt een voorziening opgenomen voor het geval dat, indien
een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid plaatsvindt, voor het volgen
van het educatieve programma een overeenkomst als bedoeld in artikel 8.1.3
van de Wet
educatie en beroepsonderwijs moet worden gesloten met het
bevoegd gezag van een andere instelling dan de instelling
waarbij de nieuwkomer tot dat moment is ingeschreven.
HOOFDSTUK
4
Voortgang
en registratie
Art. 7.
-1. Het college van
burgemeester en wethouders registreert van de nieuwkomer de voortgang voor
elk van de onderdelen van het inburgeringsprogramma. De
voortgang bij het deelnemen aan het educatieve programma wordt
slechts vastgesteld in overeenstemming met een instelling.
-2. Het college van
burgemeester en wethouders registreert de voortgang van de nieuwkomer
in relatie tot het eveneens door dat college te registreren doel en de
inhoud van het inburgeringsprogramma, bedoeld in artikel
4, derde
lid, onderdeel b en c, van de wet.
-3. De registratie omvat in
elk geval:
a. het individueel
trajectplan, bedoeld in artikel 15, tweede lid, van
de wet,
waarin wordt vastgelegd:
1º. het tijdens het
inburgeringsonderzoek vastgestelde niveau van kennis, inzicht en
vaardigheden van de nieuwkomer;
2º. het met het
inburgeringsprogramma te bereiken einddoel; en
3º. een regeling van
tussentijdse evaluatiegesprekken met de nieuwkomer;
b. het resultaat, de
intensiteit en de duur van het educatieve programma, vastgesteld
ingevolge artikel 6, tweede lid, van de wet;
c. de wijze waarop en de
frequentie waarmee de maatschappelijke begeleiding, bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de wet,
plaatsvindt;
d. voor zover de nieuwkomer
daarvoor in aanmerking komt, het doel van de doorgeleiding, bedoeld in artikel
6, eerste lid, onderdeel
c, van de wet,
en het resultaat hiervan, in relatie tot het doel;
e. de uitkomsten van de
evaluatiegesprekken, bedoeld in artikel 15, tweede lid, van
de wet;
f. het advies, bedoeld in
artikel 12, tweede lid, van de wet;
g. de datum van ontvangst
door het college van burgemeester en wethouders van het afschrift
van de verklaring alsmede de datum van afgifte aan de nieuwkomer
van de verklaring, bedoeld in artikel 7.4.15 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs; en
h. de datum waarop het
certificaat, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van
de wet, is uitgereikt
aan de nieuwkomer.
-4. Voor zover de nieuwkomer
als werkzoekende is geregistreerd en de in die registratie opgenomen gegevens de kennis van, de toegang tot en de
doorstroming naar de
arbeidsmarkt betreffen, verstrekt de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ¹ aan het college van burgemeester en wethouders die gegevens met
betrekking tot:
a. het doel van het
inburgeringsprogramma, bedoeld in het tweede lid;
b. de doorgeleiding, bedoeld
in het derde lid, onderdeel d;
c. het advies, bedoeld in
het derde lid, onderdeel f; en
d. de uitkomsten van de
evaluatiegesprekken, bedoeld in het derde lid, onderdeel e.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen ten behoeve van de registratie nog andere gegevens worden
genoemd dan de gegevens, bedoeld in het derde lid.
1. Volgens de redactie
dient "Arbeidsvoorzieningsorganisatie" te worden vervangen
door: Centrale organisatie werk en inkomen.
Art. 8.
Het sociaal-fiscaal nummer
wordt door het college van burgemeester en wethouders in de persoonsregistratie die aangelegd wordt voor de
uitvoering van de wet
gebruikt met het oog op de registratie van de gegevens, bedoeld in artikel
7, vierde lid, en gebruikt bij het verstrekken van gegevens daaruit aan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie ¹ ten behoeve van de uitvoering van
artikel 4, eerste en tweede lid, artikel 6, eerste lid, onderdeel c,
artikel 12,
tweede lid, en artikel 15 van de wet.
1. Volgens de redactie
dient "Arbeidsvoorzieningsorganisatie" te worden vervangen
door: Centrale organisatie werk en inkomen.
Art. 9.
Bij ministeriële regeling
kunnen nadere regels worden gegeven met betrekking tot de toepassing van de
artikelen 7 en 8.
HOOFDSTUK
5
Slotbepalingen
Art. 10.
Indien het bij koninklijke
boodschap van 14 januari 1998 ingediende voorstel van wet tot herstel van wetstechnische gebreken en leemten in
diverse wetten alsmede
intrekking van enkele wetten die geen betekenis meer hebben (Reparatiewet
I)
(Kamerstukken II 1997-1998, 25 836, nrs. 1-2) tot wet wordt verheven en in
werking treedt ¹, wordt in artikel 5 "artikel 26" vervangen door: artikel 27.
1. Bij Besluit van 4
februari 1999, Stb. 1999, 40, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 17 februari 1999, red.
Art. 11.
Dit besluit treedt in
werking op het tijdstip waarop de Wet inburgering nieuwkomers
in werking
treedt.
Art. 12.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Uitvoeringsbesluit inburgering nieuwkomers.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het
Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 26 juni
1998
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
H.F. Dijkstal
Uitgegeven de negende
juli
1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[26 juni 1998]
Hoofdstuk 1.
Inleiding
In dit besluit worden op
grond van de artikelen 4, vijfde lid, 14 en
15, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers
(Win) regels gesteld
over:
- de criteria aan de hand
waarvan het inburgeringsonderzoek wordt gehouden;
- de verhuizing van de
nieuwkomer naar een andere gemeente
dan de gemeente waarvan het college
van burgemeester en wethouders het inburgeringsonderzoek heeft
vastgesteld; en
- de vaststelling van de
voortgang die de nieuwkomer heeft geboekt bij het deelnemen aan het voor
hem vastgestelde inburgeringsprogramma alsmede over de registratie
daarvan.
Hoofdstuk 2.
Criteria inburgeringsonderzoek
Het doel van het
inburgeringsonderzoek is te onderzoeken in welke mate de nieuwkomer in Nederland mogelijk in een maatschappelijke
achterstandssituatie kan
geraken. Het onderzoek dient, volgens artikel 4, tweede lid, van de Win, in
ieder geval betrekking te hebben op de mate waarin de nieuwkomer actief
en passief de Nederlandse taal beheerst en kennis van de Nederlandse
samenleving en de Nederlandse arbeidsmarkt heeft, alsmede op de mate
waarin hij naar verwachting door het volgen van een voor hem vastgesteld
inburgeringsprogramma kennis, inzicht en vaardigheden kan verwerven
met het oog op verdere scholing of toegang tot de arbeidsmarkt.
Het inburgeringsonderzoek
bestaat uit de volgende onderdelen (artikel 4, derde lid, van de Win):
* een beoordeling van het
ingevulde aanmeldingsformulier;
* een begingesprek met de
nieuwkomer waarin het doel van een inburgeringsprogramma en de verdere procedure uiteen worden gezet en
de nieuwkomer, zo nodig, om
een toelichting op deze gegevens wordt gevraagd;
* een test van de kennis,
het inzicht en de vaardigheden van de nieuwkomer ten behoeve van
de vaststelling van de inhoud van het inburgeringsprogramma;
* een eindgesprek met de
nieuwkomer waarin met hem het vast te stellen inburgeringsprogramma, het met het programma te bereiken
einddoel en zijn rechten en
verplichtingen worden besproken.
Bij het
inburgeringsonderzoek dient een educatie-instelling en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
[zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI),
red.] te worden betrokken. De betrokkenheid van deze organisaties is van
belang bij het vaststellen van het inburgeringsprogramma.
Om het startniveau en het na
te streven einddoel van de nieuwkomer te kunnen bepalen, is de reeds
genoten opleiding en werkervaring mede van belang. Het gaat hierbij
zowel om opleiding en ervaring opgedaan in Nederland (bijvoorbeeld het Dagstructureringsprogramma gevolgd in een asielzoekerscentrum) als om
opleiding en ervaring opgedaan in het land van herkomst of elders.
Bij het bepalen van het
opleidingsniveau dat de nieuwkomer reeds heeft, zal, indien de nieuwkomer
een diploma in een ander land heeft behaald, het zinvol zijn dat een
Internationale Diploma Waardering (IDW) wordt uitgevoerd. Voor de IDW
wordt verwezen naar artikel 7.4.7 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs.
Voor de test, bedoeld in
artikel 4, derde lid, onderdeel c, [van de Win,
red.] kunnen voor de onderdelen Nederlandse
taal,
Maatschappij Oriëntatie (MO) en Beroepenoriëntatie (BO) verschillende
toetsinstrumenten worden gebruikt.
Voor het onderdeel
Nederlandse taal kan gebruik worden gemaakt van de Intaketoets NT2, gerelateerd aan
de Kwalificatiestructuur Educatie,
versie 1997, ontwikkeld door
het bureau InterCulturele Educatie (ICE). Dit is een algemene
intaketoets
voor NT2-onderwijs en geschikt voor alfabeten. Daarnaast heeft
het bureau ICE een toets ontwikkeld voor analfabeten en alfabeten, versie
1994.
Voor het bepalen van de
studievaardigheid kan de intaketoets Studievaardigheid voor NT2-trajecten worden
gebruikt.
Deze toets is eveneens
ontwikkeld door het bureau ICE.
Daarnaast is er een trajectkeuzetoets van hetzelfde bureau. Deze toets meet welke leerervaring
iemand heeft gehad en op basis van de resultaten van deze toets kan
bijvoorbeeld worden bepaald welk programma binnen de educatie geschikt
zou zijn. De hierboven genoemde toetsen zijn door de Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen toegestaan. Indien gemeenten
van andere
dan de hier genoemde toetsen gebruik willen maken, dient voor
deze toetsen instemming van de minister te worden verkregen.
Veel nieuwkomers zullen geen
of slechts weinig kennis van de Nederlandse samenleving hebben. Echter,
het is denkbaar dat nieuwkomers, die via een asielprocedure hun
status hebben verkregen, in een asielzoekerscentra het
Dagstructureringsprogramma hebben gevolgd. Door dit programma te volgen, hebben
zij al enige kennis opgedaan voor het onderdeel MO. Dit kan ertoe
leiden dat het college van burgemeester en wethouders besluit de
betreffende nieuwkomer een verkort programma MO te laten volgen,
bijvoorbeeld gericht op gemeentelijke en regionale informatie.
Het onderdeel BO zal sterk
individueel bepaald zijn, afhankelijk van de persoonlijke achtergrond van
de nieuwkomer en van zijn persoonlijke wensen. Voor dit onderdeel
is met name de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij de intake betrokken.
Deze organisatie kan de afstand van de nieuwkomer tot de
arbeidsmarkt vaststellen. Voorts is het van belang dat in het eindgesprek het
na te streven einddoel wordt bepaald en de mogelijkheden die de
nieuwkomer heeft om doorgeleid te worden richting vervolgonderwijs dan wel
richting arbeidsmarkt.
Hoofdstuk 3.
De verhuizing
In artikel 14 van de
Win is
bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld voor het geval dat de
nieuwkomer tijdens zijn
deelname aan het voor hem vastgestelde inburgeringsprogramma
aangifte van verblijf en adres als bedoeld in artikel 65 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) doet bij het
bestuur van een andere gemeente dan de gemeente waarvan het college
van burgemeesters en wethouders het inburgeringsprogramma heeft
vastgesteld. Een aangifte van verblijf en adres als hier bedoeld heeft betrekking op het geval dat een persoon uit
het buitenland zich in
Nederland wil vestigen. Omdat artikel 14 echter uitsluitend betrekking kan
hebben op een verhuizing binnen Nederland, zou het beter zijn geweest
in dat artikel aan te sluiten bij de inschrijving die in zo’n geval op grond
van artikel 27 van de Wet
GBA dient plaats te vinden in de gemeente
waarheen de betrokkene is verhuisd. Artikel 14 zal op dit punt worden gewijzigd
door middel van het voorstel voor een Reparatiewet
I (Kamerstukken
II 1997-1998, 25 836, nrs. 1-2). De onderhavige regeling, die ter uitvoering
van artikel 14 strekt, wordt in artikel 10 van dit besluit te zijner tijd aan
die wetswijziging aangepast.
Indien een
nieuwkomer
tijdens zijn deelname aan een inburgeringsprogramma naar een andere gemeente
verhuist, kan dit tot gevolg hebben dat hij niet meer in
de gelegenheid is het voor hem vastgestelde inburgeringsprogramma te
volgen. Dat betekent dat de nieuwkomer niet meer zal kunnen voldoen aan
twee verplichtingen, ten eerste de verplichting om aanwezig te
zijn bij alle onderdelen van het voor hem vastgestelde educatieve
programma (artikel 9, eerste lid, en artikel
10, derde lid, van de Win) en
ten tweede de verplichting om medewerking te verlenen aan de overige
onderdelen van het voor hem vastgestelde inburgeringsprogramma (artikel
12, eerste lid, van de Win). Het ligt in de rede dat de nieuwkomer de
educatie-instelling dan wel de gemeente in dat geval op de hoogte stelt
van zijn voorgenomen verhuizing. Het onderhavige besluit regelt
op welke wijze en binnen welke termijn de overdracht van de
verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Win
jegens de nieuwkomer tussen
de beide gemeenten in een dergelijk geval wordt geregeld.
Aangrijpingspunt daarvoor is
het feit dat de betreffende nieuwkomer wordt ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente waarnaar
hij verhuist en dat hij op
grond van artikel 30 van de Wet
GBA wordt uitgeschreven uit de
basisadministratie van de gemeente waar hij vandaan komt.
Het college van burgemeester
en wethouders van die gemeente dient vervolgens ingevolge artikel 5 van de regeling
[dit besluit, red.] binnen vier weken na deze
uitschrijving het college
van burgemeester en wethouders van de volgende gemeente van
inschrijving mededeling te doen van het feit dat betrokkene aan een
inburgeringsprogramma deelneemt.
Binnen twee weken na
ontvangst van deze mededeling dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten
ingevolge artikel 6 van de regeling
[dit besluit, red.], na overleg met de nieuwkomer, een overeenkomst te sluiten
waarin wordt vastgesteld welk van beide colleges vanaf een in die
overeenkomst te bepalen datum jegens de nieuwkomer is belast met de uitvoering van
de wettelijke voorschriften inzake de inburgering van de
nieuwkomer.
In het tweede lid van
artikel 6 wordt bepaald dat, indien het college van burgemeester en wethouders
van de volgende gemeente van inschrijving wordt aangewezen, het
college van burgemeester en wethouders van de vorige gemeente van
inschrijving de bij hem aanwezige gegevens over de nieuwkomer aan dat college
overdraagt. In zo’n geval kunnen er tussen de beide colleges van
burgemeester en wethouders afspraken worden gemaakt over een financiële
vergoeding voor gemaakte of nog te maken kosten voor de uitvoering
van het inburgeringsprogramma van de nieuwkomer die is verhuisd.
Hiervoor zijn geen algemene regels te stellen. De eventuele vergoeding zal
immers afhankelijk zijn van de fase van uitvoering waarin het inburgeringsprogramma zich bevindt. Dit geldt
evenzeer voor het bepalen
welke van de twee betrokken gemeenten de vergoeding geeft.
Als gevolg van de verhuizing
naar een andere gemeente zal het educatieve programma
mogelijk bij een andere educatieve instelling moeten worden vervolgd. In
het vierde lid van artikel 6 is bepaald dat in het inburgeringsprogramma
met het oog op die mogelijkheid een voorziening moet worden
opgenomen. Het verdient aanbeveling met die mogelijkheid ook rekening te
houden in de overeenkomst die de gemeenten op grond van
artikel 2.3.4 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs met een educatieve
instelling afsluit.
Indien een nieuwkomer naar
een andere gemeente verhuist, kan dit als een bijzondere reden als bedoeld in
artikel 6, vierde lid, van
de wet worden aangemerkt die het
college van burgemeester en wethouders aanleiding kan geven het
inburgeringsprogramma te wijzigen. De aanleiding daartoe zal met
name kunnen bestaan in het geval dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarheen de
nieuwkomer is verhuisd
verantwoordelijk voor de uitvoering van het inburgeringsprogramma wordt.
Hoofdstuk 4.
Voortgang en registratie
In de derde nota van
wijziging bij het voorstel Win (Kamerstukken II
1996-1997, 25 114, nr. 17) is
aan artikel 15 een tweede lid toegevoegd waarin is bepaald dat ten behoeve
van de begeleiding van de nieuwkomer voor hem een individueel
trajectplan moet worden opgesteld. De zorg voor het opstellen van deze plannen
berust bij het college van burgemeester en wethouders als afgeleide van
de in het eerste lid van artikel 15 vastgelegde plicht om voor voldoende
trajectbegeleiding te zorgen. In de praktijk zal de opstelling van een
trajectplan door een door het college aangewezen trajectbegeleider
geschieden. In het trajectplan dienen het beginpunt, de inhoud van het inburgeringsprogramma en het te
verwachten eindpunt voor de
nieuwkomer te worden beschreven. In het trajectplan dient ook een
regeling van tussentijdse evaluatiegesprekken te worden vastgelegd, waarin
bijvoorbeeld kan worden aangegeven met wie deze gesprekken zullen worden gevoerd
- in de praktijk doorgaans de
trajectbegeleider - en hoe
vaak. Tijdens die evaluatiegesprekken dient de vastgestelde voortgang van
de nieuwkomer te worden vastgelegd.
Afhankelijk van de
vorderingen kan het inburgeringsprogramma eventueel worden aangepast
(zie artikel 6, vierde lid, van de Win). In het eerder genoemde tweede lid
van artikel 15 is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur regels worden gegeven over de vaststelling van de
voortgang en over de registratie daarvan. Dit besluit strekt hiertoe. De gegevens
zullen in geanonimiseerde vorm tevens kunnen dienen als
informatiebron ten behoeve van het Rijk. In het derde lid van artikel 7 is bepaald
dat de registratie in elk geval de in dat lid genoemde gegevens bevat. Het
is echter geen limitatieve opsomming. Bij ministeriële regeling, op
grond van het vijfde lid, kunnen, zo nodig, nog andere gegevens worden
genoemd ten behoeve van de registratie. Uiteraard zullen deze andere
gegevens ook betrekking hebben op het in artikel 15 bedoelde trajectplan. De wijze waarop de gegevens worden
bijgehouden, staat de
colleges van burgemeester en wethouders vrij. Bij ministeriële regeling, op
grond van artikel 9, zal worden uitgewerkt om welke onderdelen van de te
registreren gegevens het precies gaat.
In dit besluit wordt een
kader gegeven voor de vaststelling van de voortgang van de nieuwkomer alsmede over de registratie daarvan.
De Win
en de daarop rustende
bepalingen gaan ervan uit dat een nieuwkomer nadat het inburgeringsprogramma is voltooid, zal worden
doorgeleid ofwel naar de
arbeidsmarkt, ofwel naar vervolgonderwijs. In het algemeen zal dit
vervolgonderwijs een vorm van beroepsonderwijs betreffen.
Bij doorgeleiding naar de
arbeidsmarkt wordt de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ingeschakeld. Bij doorgeleiding naar beroepsonderwijs wordt
de educatie-instelling
ingeschakeld.
Het college van burgemeester
en wethouders registreert de voortgang van alle onderdelen van het
inburgeringsprogramma, bestaande uit een educatief programma,
maatschappelijke begeleiding en doorgeleiding naar vervolgonderwijs of
naar de arbeidsmarkt, voor zover de nieuwkomer daarvoor in aanmerking komt
(artikel 7). De voortgang bij het deelnemen aan het educatieve programma wordt door het college
vastgesteld in
overeenstemming met een instelling. Het college registreert de voortgang in relatie tot
het doel en de inhoud van het inburgeringsprogramma. Het inburgeringsprogramma is
gericht op vergroting van de sociale redzaamheid van de
nieuwkomer en van diens mogelijkheden om zich verder te scholen of
toe te treden tot de arbeidsmarkt. Tenzij uit het ingevulde
aanmeldingsformulier blijkt dat de nieuwkomer niet voor een inburgeringsprogramma in
aanmerking komt, dient in het begingesprek aan de nieuwkomer het doel
van het programma te worden uitgelegd, namelijk dat het
inburgeringsprogramma ertoe moet leiden dat de nieuwkomer een bepaald
niveau aan kennis, inzicht en vaardigheden dient te bereiken met het
oog op verdere scholing of het verwerven van een baan, alsmede het op een
bepaald niveau beheersen van de Nederlandse taal en kennis van de
Nederlandse samenleving en arbeidsmarkt. Tevens wordt de nieuwkomer
de verdere procedure uitgelegd. Om de inhoud van het
inburgeringsprogramma voor de nieuwkomer vast te kunnen stellen, dient er een
meting van het vertrekpunt van de nieuwkomer plaats te vinden. Dat
gebeurt aan de hand van een test van de kennis, het inzicht en de
vaardigheden van de nieuwkomer. Blijkt uit de resultaten van de test dat
de nieuwkomer voor een inburgeringsprogramma in aanmerking komt, dan
worden in het eindgesprek het inburgeringsprogramma, het
te bereiken einddoel en de rechten en verplichtingen van de
nieuwkomer met hem besproken. Bij het inburgeringsonderzoek wordt
een instelling betrokken. Om een compleet beeld van de voortgang van
de nieuwkomer te verkrijgen, dienen de in het individuele trajectplan
vastgelegde onderdelen te worden geregistreerd. Als eerste is dat het tijdens het inburgeringsonderzoek vastgestelde
beginniveau van de kennis,
het inzicht en de vaardigheden van de nieuwkomer met betrekking
tot de beheersing van de Nederlandse taal, de kennis van de Nederlandse
samenleving en de Nederlandse arbeidsmarkt, de genoten vooropleiding,
behaalde diploma’s en eventuele werkervaring. Vervolgens
dient het te bereiken einddoel van het inburgeringsprogramma te
worden vastgelegd. Dat einddoel omvat het te bereiken resultaat, de
intensiteit en de duur van het educatieve programma. Daarnaast dienen
ook de resultaten van het educatieve programma in relatie tot het
gestelde doel te worden vastgelegd. Voorts wordt een regeling van
tussentijdse evaluatiegesprekken vastgelegd, waarin de door de nieuwkomer
geboekte voortgang wordt vastgesteld. Het college zal bij het
vaststellen van de voortgang gebruik maken van de inzichten van de instelling
over de voortgang.
Ook moeten de gegevens over
de maatschappelijke begeleiding worden vastgelegd. Vaak zal de maatschappelijke begeleiding zijn uitbesteed aan
een instantie, bijvoorbeeld VluchtelingenWerk. Het is dan zaak dat het college van burgemeester en
wethouders gegevens over de maatschappelijke begeleiding vastlegt op
basis van informatie van deze instantie. Maatschappelijke begeleiding
wordt soms gekoppeld aan Maatschappij Oriëntatie, dat onderdeel van het educatief programma is. Deze koppeling
zal in de registratie
zichtbaar gemaakt moeten worden.
Indien een traject in het
vervolgonderwijs of richting van de arbeidsmarkt het meest aangewezen is
voor
de nieuwkomer, vormt de doorgeleiding de afsluiting
van het inburgeringsprogramma. In dat geval wordt het doel van
doorgeleiding geregistreerd alsmede het resultaat van de doorgeleiding. Voor de
doorgeleiding wordt een advies opgesteld op basis van de verklaring van
een instelling en voor zover van toepassing op basis van informatie van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Ook dit advies wordt geregistreerd.
Om vast te kunnen stellen of
de nieuwkomer het voor hem vastgestelde inburgeringsprogramma binnen
de daarvoor gestelde termijn heeft afgerond, registreert het
college de datum van ontvangst van het afschrift van de verklaring die de
instelling aan de nieuwkomer uitreikt. Tevens registreert het college de
datum waarop het certificaat aan de nieuwkomer wordt uitgereikt. Met
het uitreiken van het certificaat is het inburgeringsprogramma
beëindigd.
In artikel
7, vierde lid,
wordt nader inhoud gegeven aan de gegevensuitwisseling met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. In de
Win wordt
immers op verschillende
plaatsen aangegeven dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
wordt betrokken bij de uitvoering van die wet. Dit betreft de uitvoering van het inburgeringsonderzoek op grond van
artikel 4 van de wet. In het
eerste lid van dat artikel wordt aangegeven dat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie betrokken wordt als het een nieuwkomer
betreft die geregistreerd
kan worden op grond van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (niet alle vreemdelingen kunnen worden
geregistreerd, dit is
afhankelijk van hun verblijfsstatus). Met als doel vast te stellen wat de kennis is
van de Nederlandse arbeidsmarkt - een onderdeel dat op grond van
artikel 4, tweede lid, in het inburgeringsonderzoek wordt onderzocht - ligt
het voor de hand gebruik te maken van gegevens van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie indien de nieuwkomer bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie als werkzoekende is geregistreerd. De doorgeleiding naar
vervolgonderwijs of naar de arbeidsmarkt als bedoeld in artikel
6, eerste
lid, onderdeel c, van de wet zal veelal de doorgeleiding naar de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie betreffen. Met het oog op deze doorgeleiding zal het
college van burgemeester en wethouders een advies laten opstellen over onder
meer de doorstroming naar de arbeidsmarkt. Zoals artikel
12, tweede
lid, van de wet
dit voorschrijft, is de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
hierbij betrokken. Dit betekent dat die Arbeidsvoorzieningsorganisatie
gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders
voor dat advies, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet.
Ten slotte zal in de
evaluatiegesprekken in het kader van de trajectbegeleiding moeten worden
vastgesteld in
welke mate de nieuwkomer heeft deelgenomen aan
scholing en kan doorstromen naar de arbeidsmarkt. Ook deze gegevens ten
behoeve van de registratie van de uitkomsten van de
evaluatiegesprekken zullen in belangrijke mate afkomstig zijn van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. In het vierde lid van
artikel 7 wordt daarom
geregeld dat deze gegevens van als werkzoekende geregistreerde nieuwkomers
door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden verstrekt. Daarmee
wordt nader geregeld dat deze gegevens noodzakelijk zijn voor de
registratie ten behoeve van de voortgang van de nieuwkomer en wordt
duidelijk dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verplicht is deze gegevens
te verstrekken, omdat het college van burgemeester en wethouders
deze gegevens nodig heeft voor de vaststelling en de
registratie van de voortgang van de nieuwkomer.
Daarnaast zal ook bij de
overdracht naar de Arbeidsvoorzieningsorganisatie sprake zijn van overdracht
van gegevens van het college van burgemeester en wethouders
aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Hiervoor is in artikel 92
van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 een voorziening getroffen.
Omdat in de registratie van
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij de persoonsgegevens het
sofinummer is opgenomen (artikel 70, tweede lid,
van de
Arbeidsvoorzieningswet 1996 schrijft dit voor), is het wenselijk dat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie de gegevens, voor de registratie van de voortgang van de
nieuwkomer op sofinummer kan verstrekken aan het college van burgemeester
en wethouders. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie mag op grond van genoemd
artikellid bij de gegevensverstrekking gebruik maken van het sofinummer indien de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
krachtens wettelijk voorschrift verplicht is tot de verstrekking van gegevens. Het vierde lid van
artikel 7 van dit
besluit in combinatie met de
bepalingen in de wet over de betrokkenheid van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn zo’n wettelijk voorschrift. Deze gegevensverstrekking op
sofinummer kan echter pas effectief plaatsvinden indien het college van
burgemeester en wethouders het sofinummer ook mag opnemen
in de registratie van de nieuwkomers. Het college van burgemeester
en wethouders is met deze registratie in het kader van de Win
belast. De
noodzaak hiertoe betreft de uitvoering van een publiekrechtelijke taak.
Het gebruik van het sofinummer door het college van burgemeester en
wethouders zal bij de uitvoering van de Win slechts binnen de publieke
sector plaatsvinden en aansluiten bij het gebruik van dit nummer voor
andere verwante publieke taken. Voor de registratie is een
structurele gegevensuitwisseling tussen het college van burgemeester en wethouders
en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie nodig om voor alle nieuwkomers te
kunnen voldoen aan de vereisten van de wet omtrent het onderzoek naar
de kennis van de arbeidsmarkt, de doorgeleiding naar
vervolgonderwijs en de doorstroom naar de arbeidsmarkt. De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie is gerechtigd het sofinummer te gebruiken. Op grond van
deze uitgangspunten kan daarom bij deze algemene maatregel van
bestuur aan het college van burgemeester en wethouders worden toegestaan
het sofinummer te gebruiken. Dit gebruik wordt geregeld in artikel 8
van het onderhavige besluit.
Het gebruik van het sofinummer wordt in dit artikel beperkt tot de gegevensuitwisseling met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en dus gekoppeld aan de registratie
van de van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie afkomstige gegevens. In
verband met deze regeling van het gebruik van het sofinummer
is dit besluit mede gebaseerd op artikel 6a van de Wet persoonsregistraties.
In een ministeriële
regeling zal nader worden uitgewerkt welke onderdelen van de in artikel
7 genoemde gegevens nodig zullen zijn voor de registratie. In die
regeling zal eveneens worden bepaald op welke wijze, bijvoorbeeld via
diskettes, de registratie van de voortgang zal plaats dienen te vinden, zodat er
sprake is van een juiste en volledige registratie.
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
H.F. Dijkstal
|
|