|
1. Ingevolge artikel
78d, tweede lid, van de Wet werk en bijstand
blijft op dienstbetrekkingen als bedoeld in de Wet inschakeling
werkzoekenden titel 10 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede de artikelen 4,
tweede, zesde en zevende lid, en 11, aanhef en onder a,
van de Wet inschakeling werkzoekenden van toepassing. Op deze
dienstbetrekkingen is artikel 134, tweede lid, van de Ambtenarenwet
niet van toepassing.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
Nadere
regelgeving:
- Beleidsregels vaststelling subsidie Wet
inschakeling werkzoekenden voor het jaar 2002
(vervallen)
- Beleidsregels
vaststelling subsidie Wet inschakeling werkzoekenden voor het jaar 2003 (vervallen)
- Besluit SUWI
- Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden
(vervallen)
- Experimentele regeling subsidieverstrekking arbeidsgehandicapten
(vervallen)
- Regeling informatie Wet inschakeling werkzoekenden
(vervallen)
- Regeling langdurig werkloze Wet inschakeling werkzoekenden
(vervallen)
- Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden
(vervallen)
- Regeling vergoeding uitvoeringskosten reïntegratie
niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers (vervallen)
- Samenwerkingsbesluit
SWI (vervallen)
- Samenwerkingsregeling
SWI (vervallen)
- Tijdelijk
besluit samenwerking CWI (vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Besluit
houdende regels
met betrekking tot de criteria voor de aanwijzing van
gemeenten die deelnemen aan experimenten op grond van de Abw
(vervallen)
- Besluit in- en doorstroombanen (vervallen)
- Besluit
taakuitoefening Inspectie Werk en Inkomen
- Compensatieregeling
gesubsidieerde arbeid gemeenten 2003
(vervallen)
- Invoeringswet
Wet werk en bijstand (vervallen)
- Regeling compensatie inkomensachteruitgang ex-banenpoolers
(vervallen)
- Regeling schoonmaakdiensten particulieren
(vervallen)
- Regeling SUWI
- Regeling
verzoek tot aanwijzing als experimenteergemeente (vervallen)
- Subsidieregeling bevordering uitstroom ex-banenpoolers
(vervallen)
- Subsidieregeling experimenten
activering van uitkeringsgelden (vervallen)
- Tijdelijk
besluit subsidiëring experimenten activering van uitkeringsgelden
(vervallen)
- Wet werk en
bijstand
Inhoudsopgave
Wiw
| Hoofdstuk
1 |
Inleidende
bepalingen |
art.
1 |
| Hoofdstuk
2 |
De
voorzieningen |
artt.
2 - 13b |
| §
1x |
Algemene
bepalingen voor de voorzieningen |
artt.
2 - 8 |
| §
2x |
Voorzieningen
voor jongeren |
artt.
9 - 11 |
| §
3x |
Voorzieningen
voor langdurig werklozen |
artt.
12 - 13 |
| §
4x |
Voorzieningen
voor arbeidsgehandicapten (vervallen) |
artt.
13a - 13b |
| Hoofdstuk
3 |
Subsidie
aan de gemeente |
artt.
14 - 18 |
| Hoofdstuk
4 |
Uitvoering,
toezicht en informatie |
artt.
19 - 22 |
| Hoofdstuk
5 |
Overgangsbepalingen |
artt.
23 - 25b |
| Hoofdstuk
6 |
Wijziging
in andere wetten |
artt.
26 - 36 |
| Hoofdstuk
7 |
Slotbepalingen |
artt.
37 - 40 |
| xxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxxxxxxx |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1996-1997, 25 122.
Handelingen II 1996-1997, blz. 6737-6749, 6967-6968.
Kamerstukken I 1996-1997, 25 122 (310); 1997-1998, 25 122 (2, 2a, 2b,
2c, 2d).
Handelingen I 1997-1998, blz. 301-312, 335-344, 388-402.
Geschiedenis:
Staatsblad
1997, 260; Staatsblad 1997, 735;
Staatsblad 1997, 789; Staatsblad 1998,
290; Staatsblad 1998, 742;
Staatsblad 2000, 286; Staatsblad 2000,
569; Staatsblad 2000, 571;
Staatsblad 2001, 225; Staatsblad 2001,
625; Staatsblad 2001, 628;
Staatsblad 2001, 640; Staatsblad 2001,
644; Staatsblad 2001, 690;
Staatsblad 2001, 692; Staatsblad 2003,
56; Staatsblad 2003, 376;
Staatsblad 2008, 586.
WET van 4 december 1997, Stb.
1997, 760, houdende regeling voor de totstandkoming van een gemeentelijk
werkfonds voor voorzieningen ter bevordering van de toetreding tot het
arbeidsproces van langdurig werklozen en jongeren (Wet inschakeling
werkzoekenden). Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb.
1997, 805).
Vervallen met ingang van 1 januari 2004 (artikel
2, eerste lid, IWwb).
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is dat personen die reeds langdurig
werkloos zijn en daarbij meestal aangewezen zijn op een uitkering
gestimuleerd worden aan activiteiten deel te nemen, waardoor toetreding
tot het arbeidsproces wordt bevorderd en sociale uitsluiting wordt
voorkomen, dat op gemeentelijk niveau de zorg daarvoor vorm kan krijgen
via een gemeentelijk werkfonds, waardoor het aanbieden van werk en het
traject van de toeleiding daartoe kan worden gecombineerd en dat
jongeren bijzondere aandacht en begeleiding verdienen;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
HOOFDSTUK
1
Inleidende
bepalingen
Art.
1. Begripsbepalingen [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 2000,
286; Stb. 2001, 225;
Stb. 2001, 625; Stb.
2003, 376]
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Centrale organisatie
werk en inkomen: de Centrale organisatie werk en
inkomen, genoemd in
hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
c. Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
d. uitkeringsgerechtigde: de persoon die een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet, de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Toeslagenwet, de
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria, de Algemene nabestaandenwet of op grond
van een regeling die met deze wetten naar aard en strekking overeenstemt;
e. langdurig werkloze: de persoon
die langer dan twaalf maanden zonder onderbreking als werkloos werkzoekende
staat ingeschreven bij de
Centrale organisatie werk en inkomen;
f. jongere: de persoon jonger
dan 23 jaar die recht heeft op een uitkering op grond van de Algemene
bijstandswet of op een andere vergelijkbare inkomensvoorziening, dan wel
als werkloos werkzoekende staat ingeschreven bij de
Centrale organisatie werk en inkomen;
g. dienstbetrekking: een
dienstbetrekking met de gemeente als bedoeld in
artikel 4;
h. werknemer: degene die een
dienstbetrekking heeft;
i. onderneming: de onderneming,
bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet
op de ondernemingsraden;
j. de in de onderneming werkzame
personen: degenen die daaronder in artikel 1, tweede en derde lid, van
de Wet op de
ondernemingsraden worden verstaan.
-2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel e en f, wordt niet als langdurig werkloze of
jongere aangemerkt de persoon die onderwijs of een beroepsopleiding
volgt als bedoeld in de Wet
studiefinanciering 2000 of
in hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten dan wel een kind
is als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a,
van de Algemene Kinderbijslagwet.
-3. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld voor de gelijkstelling van personen met langdurig
werklozen en voor de vaststelling van de periode van inschrijving als
werkloos werkzoekende. [RlwW]
HOOFDSTUK
2
De
voorzieningen
§
1. Algemene bepalingen voor de voorzieningen
Art.
2. Gemeentelijke zorgplicht [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2001, 625; Stb. 2003, 376]
-1. De gemeente draagt
zorg voor voorzieningen voor in de gemeente woonachtige langdurig
werklozen, uitkeringsgerechtigden en jongeren, die kunnen leiden tot
inschakeling in het arbeidsproces dan wel die sociale activering en een
zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen. De eerste zin is van
overeenkomstige toepassing voor de persoon die als werkzoekende is geregistreerd bij de
Centrale organisatie werk en
inkomen en die geen uitkeringsgerechtigde of langdurig werkloze is.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing op de uitkeringsgerechtigde waaraan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een uitkering
verstrekt.
-3. In afwijking van het
tweede lid is het eerste lid van toepassing indien de gemeente na
overleg met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft
vastgesteld dat
ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde, bedoeld in het tweede
lid, geen plan wordt opgesteld gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in de
arbeid als
bedoeld in artikel 13 van
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten of
artikel 29, derde lid,
van de Werkloosheidswet.
-4. Op verzoek van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen draagt de gemeente er
zorg voor dat genoemd instituut voor in de gemeente woonachtige uitkeringsgerechtigden aan wie dat instituut een
uitkering verstrekt,
uitvoering kan geven aan zijn taak, bedoeld in artikel 10a
van de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten en artikel 73 van de Werkloosheidswet.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kan onder in die algemene maatregel van bestuur
vastgestelde voorwaarden worden bepaald dat het tweede lid op verzoek
van een gemeente die aan een persoon als bedoeld in het eerste lid
een uitkering verstrekt, niet van toepassing is op in die algemene maatregel
van bestuur aangewezen categorieën van uitkeringsgerechtigden.
-6. De gemeente draagt
zorg voor doeltreffende voorlichting in de gemeente aangaande de
voorzieningen van deze wet, alsmede voor de realisatie en vormgeving
van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van deze wet.
-7. Indien de gemeente ter
uitvoering van de taak, bedoeld in deze wet, ten aanzien van een
persoon een plan heeft opgesteld of heeft laten opstellen gericht op het
vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces,
wordt, indien die verplichting niet reeds voortvloeit uit artikel 70 van de
Algemene bijstandswet, artikel 18 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers of artikel 18 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, een exemplaar daarvan door die persoon
voor gezien getekend en aan het gemeentebestuur verstrekt. Het plan wordt
tevens getekend door het gemeentebestuur.
Art.
3. Sociale activering, kinderopvang,
scholing en andere stimuleringsactiviteiten [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2000, 569; Stb. 2000, 569;
Stb. 2001, 625; Stb.
2001, 640; zie artikel 25a; Stb. 2003, 376]
-1. De gemeente kan ter uitvoering van
artikel 2 aan of ten behoeve van een persoon als bedoeld in dat artikel een
subsidie verstrekken dan wel dienstverlening inkopen waardoor deze
persoon in staat wordt gesteld of gestimuleerd wordt:
a. deel te
nemen aan activiteiten die bijdragen tot sociale activering,
inschakeling in de arbeid en scholing; of
b. een
overeenkomst tot het verrichten van arbeid te sluiten of werkzaamheden
als zelfstandige te gaan verrichten.
-2. Het gemeentebestuur stelt voor het verstrekken van subsidie
aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, bij verordening regels vast.
-3. De gemeente kan ten behoeve van
personen als bedoeld in artikel 2, voor zover deze alleenstaande ouder
zijn, kinderopvang realiseren.
-4. Onder kinderopvang wordt verstaan: het
in georganiseerd verband tegen vergoeding verzorgen en opvoeden van
kinderen in de leeftijd van 0 tot en met de leeftijd van einde
basisschool, door anderen dan de eigen ouder, pleeg- of stiefouder op
uren dat deze ouder zelf hiervoor niet beschikbaar is wegens het
deelnemen aan activiteiten en werkzaamheden als bedoeld in dit
hoofdstuk.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld voor de voorzieningen op grond van dit
artikel met betrekking tot:
a. de relatie tot het recht op een
uitkering;
b. de verhouding tot andere
vergelijkbare voorzieningen;
c. de voorwaarden waaronder deze
worden verstrekt;
d. beperking van de doelgroep.
-6. Een krachtens het vijfde lid
vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in
werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling
gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Art. 3a.
Nog niet in werking getreden. [Geschiedenis:
Stb. 2001, 625;
Stb. 2001, 640; Stb.
2003, 376]
Art.
4. De dienstbetrekking ¹ [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 2000,
286; Stb. 2001, 225;
Stb. 2003, 376 + bis;
Stb. 2008, 586]
-1. De gemeente kan ter uitvoering van
artikel 2 aan langdurig werklozen en jongeren een dienstbetrekking
aanbieden krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610,
eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek. Op deze
arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen van titel 10 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
-2. De gemeente stelt de werknemer voor het
verrichten van arbeid ter beschikking aan een onderneming. De
terbeschikkingstelling wordt vastgelegd in een schriftelijke
overeenkomst, waarin in ieder geval de aard en duur van de door de
werknemer te verrichten werkzaamheden, de plaats waar de werkzaamheden
worden verricht, een voorrangspositie bij werving en selectie ten
opzichte van niet in de onderneming werkzame personen en de begeleiding
van de werknemer worden geregeld.
-3. Ter uitvoering van artikel 2 voorziet
de gemeente mede in activiteiten die voorbereiden tot de
dienstbetrekking en bijdragen aan het vergroten van de gewenste
kwalificaties voor die dienstbetrekking.
-4. De werknemer kan in het kader van de
dienstbetrekking in plaats van arbeid te verrichten, deelnemen aan
scholing die bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeid anders
dan op grond van deze wet, voor zover in de dienstbetrekking ten minste
19 uur per week arbeid wordt verricht.
-5. Bij ministeriële regeling wordt in
overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen bepaald onder welke voorwaarden de werknemer bij een
werkgever de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg
op grond van de Wet
educatie en beroepsonderwijs kan volgen in
combinatie met de dienstbetrekking. [RufW]
-6. Indien het aan de werknemer is te
wijten dat de aangeboden werkzaamheden niet worden verricht, is de
gemeente geheel of gedeeltelijk geen loon verschuldigd.
-7. Onverminderd de bepalingen van titel 10
van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek wordt de dienstbetrekking
opgezegd, indien de werknemer:
a. een aanbod tot passende arbeid in
een arbeidsverhouding anders dan een dienstbetrekking heeft geweigerd te
aanvaarden;
b. onderwijs of een beroepsopleiding
gaat volgen als bedoeld in de Wet
studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 3 of 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
1. Ingevolge artikel
78d, eerste lid, van de Wet werk en bijstand
geldt een dienstbetrekking als een voorziening als bedoeld in artikel
7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
werk en bijstand, red.
Art.
5. Subsidie aan een werkgever ¹ [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 690
+ bis; Stb.
2003, 376; Stb. 2008, 586]
-1. De gemeente kan ter uitvoering van
artikel 2 subsidie verstrekken aan werkgevers die met langdurig
werklozen of jongeren een arbeidsovereenkomst sluiten om hen in de
gelegenheid te stellen werkervaring op te doen.
-2. De gemeente schakelt derden in bij het bemiddelen naar
arbeidsovereenkomsten als bedoeld in het eerste lid.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld voor de hoogte van het
subsidiebedrag en de duur van en de voorwaarde voor de
subsidieverstrekking. [BufW]
1. Ingevolge artikel
78d, eerste lid, van de Wet werk en bijstand
geldt een arbeidsovereenkomst als een voorziening als bedoeld in artikel
7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
werk en bijstand, red.
Art.
6. Tegengaan verdringing en concurrentieverstoring [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2001, 625; Stb. 2003, 376]
-1. De gemeente stelt de werknemer slechts
ter beschikking om arbeid te verrichten, indien:
a. blijkens een schriftelijke
verklaring van de inlener het aantal werknemers dat een
dienstbetrekking heeft als bedoeld in artikel 4, werkzaam in de
onderneming van de inlener niet meer bedraagt dan een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen percentage van het totaal aantal in die
onderneming werkzame personen, met dien verstande dat in de onderneming
in ieder geval één werknemer is toegelaten; [BufW]
b. bij de onderneming van de inlener
in de periode van zes maanden voorafgaand aan de datum van de aanvang
van de terbeschikkingstelling niet één of meer overeenkomsten of
aanstellingen tot het verrichten van vergelijkbare arbeid zijn beëindigd op
grond van bedrijfseconomische redenen, voor zover nodig na verkregen
toestemming van de Centrale organisatie werk en
inkomen, dan
wel een aanvraag voor een ontslagvergunning om bedrijfseconomische
redenen in behandeling is;
c. in de onderneming van de inlener
de ondernemer met de ondernemingsraad, bedoeld in de Wet
op de ondernemingsraden, dan wel met een bij of krachtens andere wetten
geregelde of in de onderneming functionerende
personeelsvertegenwoordiging is overeengekomen dat werknemers als
bedoeld in deze wet worden ingeleend.
-2. De gemeente bedingt voor de door de
werknemer te verrichten arbeid een zodanige vergoeding dat de
concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed.
-3. Voor tengevolge van de arbeid van de
werknemer of van de persoon, bedoeld in artikel 5, geleverde goederen en
diensten worden vergoedingen bedongen die de concurrentieverhoudingen
niet onverantwoord beïnvloeden.
-4. Het gemeentebestuur stelt na overleg
met vertegenwoordigers van representatieve organisaties van werkgevers
en van werknemers in de regio waarin de gemeente gelegen
is regels
vast voor de beoordeling van klachten over overtreding van het tweede en
derde lid.
Art. 7. Samenwerking
[Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2001, 625; Stb. 2003, 376]
-1. De gemeente werkt
samen met de Centrale organisatie werk en inkomen, het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de
Sociale
verzekeringsbank om de
voorzieningen, bedoeld in deze wet, af te stemmen op reïntegratiemaatregelen en taken die op grond van
wetten
worden uitgevoerd door de
Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank.
-2. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de in het eerste lid bedoelde samenwerking. [BufW]
[SaS] [SS] [StS]
[TbsC]
Art.
8. Uitvoering [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 644;
Stb. 2003, 376]
-1. Het gemeentebestuur
kan een rechtspersoon aanwijzen voor de uitvoering van de taken
in verband met dienstbetrekkingen, in verband met de toekenning van
subsidies of voorzieningen als bedoeld in de artikelen 3,
3a en
5 van de wet of het vaststellen van een traject als bedoeld in artikel
9,
eerste lid.
-2. Het gemeentebestuur
laat de werkzaamheden waarmee de in het eerste lid bedoelde taak
wordt uitgevoerd, met uitzondering van werkzaamheden in verband
met dienstbetrekkingen, zoveel mogelijk verrichten door een
natuurlijk persoon dan wel een rechtspersoon die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid
bevordert. Het gemeentebestuur legt in het verslag over de uitvoering van de
wet, bedoeld in artikel 20, vierde lid, de wijze vast waarop uitvoering
wordt gegeven aan dit artikel.
-3. Het gemeentebestuur
verstrekt aan de in het tweede lid bedoelde natuurlijke persoon of
rechtspersoon gegevens voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden, alsmede het
sociaal-fiscaal nummer, bedoeld in artikel 22, vijfde lid,
van de persoon wiens inschakeling in de arbeid door die natuurlijke persoon of rechtspersoon
wordt bevorderd. Deze natuurlijke persoon of rechtspersoon verwerkt de
in dit lid bedoelde gegevens slechts voor zover dat noodzakelijk is voor
de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, en gebruikt slechts met dat
doel het sociaal-fiscaal nummer bij die verwerking.
-4. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de
uitvoering van dit artikel, waarbij in ieder geval regels kunnen
worden gesteld voor de inhoud van de overeenkomst met de in het tweede lid
bedoelde natuurlijke of rechtspersoon, het verstrekken en verwerken van gegevens en de soort werkzaamheden.
[BS]
-5. De voordracht voor een
krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van
bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp
aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
§
2. Voorzieningen voor jongeren
Art.
9. Sluitende benadering leidend tot dienstbetrekking
[Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
1998, 290; Stb. 2001,
625; Stb. 2003, 376]
-1. De gemeente stelt voor
iedere jongere van wie een aanvraag voor een door de gemeente te
verstrekken uitkering in behandeling is genomen of die is ingeschreven
als werkloos werkzoekende en geen uitkering ontvangt van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, een plan
gericht op de inschakeling in het arbeidsproces op of laat dit opstellen.
Artikel 2, zevende lid, is van toepassing.
-2. De gemeente biedt ter
uitvoering van het in het eerste lid bedoelde plan uiterlijk binnen één
jaar na de datum van ingang van de uitkering of na de datum van
inschrijving als werkloos werkzoekende een dienstbetrekking aan, tenzij andere
voorzieningen gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces meer aangewezen
zijn en deze andere voorzieningen ten minste 19 uur per week in beslag
nemen.
-3. De periode van één jaar, bedoeld in
het tweede lid, wordt vastgesteld overeenkomstig de periode van
inschrijving als werkloos werkzoekende, bedoeld in artikel
1.
-4. Het tweede lid is niet van toepassing
indien de jongere arbeid verricht, anders dan in een dienstbetrekking,
met een arbeidsduur van ten minste 19 uur per week.
Art.
10. Jongere geïndiceerd voor de sociale werkvoorziening
[Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
-1. Artikel 9 is niet van toepassing
indien de jongere op grond van de Wet sociale werkvoorziening is
geïndiceerd voor het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden.
-2. In dat geval biedt de gemeente
een
dienstbetrekking aan waarbij arbeid wordt verricht onder aangepaste
omstandigheden als bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening. Artikel
6,
eerste lid, is dan niet van toepassing.
Art.
11. Bijzondere bepaling voor opzegging
dienstbetrekking met jongere [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376 + bis]
Onverminderd de bepalingen van titel 10 van
Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek en artikel 4, zevende lid, wordt de dienstbetrekking, bedoeld
in artikel 9, opgezegd, indien de jongere:
a. de leeftijd van 23 jaar bereikt;
b. weigert deel te nemen aan de op
grond van artikel 9 vastgestelde activiteiten.
§
3. Voorzieningen voor langdurig werklozen
Art.
12. Selectie langdurig werklozen [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2001, 625; Stb. 2003, 376]
-1. Slechts met een op
grond van artikel 26, derde of vijfde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen gegeven positief advies van de
Centrale
organisatie werk en inkomen komen langdurig werklozen van 23 jaar of ouder in aanmerking voor de voorzieningen, bedoeld in de
artikelen 4
of 5.
-2. De werknemer, bedoeld
in de Wet sociale werkvoorziening, die op grond van een
herindicatiebeschikking als bedoeld in die wet niet langer tot de doelgroep
van die
wet behoort, kan zonder advies van de Centrale organisatie werk en inkomen in aanmerking komen voor de voorzieningen,
bedoeld in het eerste lid.
Art.
13. Bijzondere bepalingen voor
dienstbetrekking met langdurig werklozen [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
1998, 290; Stb. 2001,
625; Stb. 2003, 376]
-1. De dienstbetrekking met de langdurig
werkloze van 23 jaar of ouder wordt aangegaan voor de duur van twee
jaar.
-2. Na afloop van de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, kan de gemeente slechts een
nieuwe dienstbetrekking met een langdurig werkloze aangaan met een
op grond van artikel 26, derde of vijfde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen gegeven positief advies van de
Centrale organisatie werk en inkomen.
§
4. Voorzieningen voor arbeidsgehandicapten
Vervallen
Art.
13a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1998, 290; Stb.
1998, 742; Stb. 2001,
625; Stb. 2001, 644;
zie artikel 25b:1]
Art.
13b. Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 1998, 290; Stb.
1998, 742; Stb. 2001,
625; Stb. 2001, 644;
zie artikel 25b:2]
HOOFDSTUK
3
Subsidie
aan de gemeente
Art.
14. Subsidieverstrekking en hoogte subsidie [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
1998, 290; Stb. 2001,
625; Stb. 2001, 644;
Stb. 2003, 376 + bis]
-1. Het Rijk verstrekt aan de gemeente
overeenkomstig dit hoofdstuk een subsidie voor de uitvoering van
hoofdstuk 2.
-2. De hoogte van de subsidie wordt bepaald
door:
a. het basisbedrag per persoon die
in aanmerking komt voor de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4 en
5;
b. een vast bedrag voor te
realiseren dienstbetrekkingen voor aanvullende financiering, rekening
houdend met de afstand tot de arbeidsmarkt, uitvoeringskosten,
loonontwikkelingen en loonkosten;
c. een vast bedrag voor
de voorzieningen, bedoeld in artikel 3 en 3a, en de uit die artikelen
voortvloeiende activiteiten van de gemeenten ten behoeve van de inschakeling in het
arbeidsproces.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld voor de opbouw van het subsidiebedrag, een
subsidieplafond en de besteding van de subsidie, die op onderdelen
beperkt kan worden tot bepaalde gemeenten of tot een bepaald bedrag. [BufW]
Art.
15. Vereisten subsidieverstrekking [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 2001, 628;
Stb. 2001, 644; Stb.
2001, 692; Stb. 2003, 376
+ bis]
-1. Voor de subsidieverstrekking bedraagt
de arbeidsduur van de dienstbetrekking 32 uur per week, tenzij op grond
van bij de werknemer gelegen factoren een langere of kortere arbeidsduur
dan 32 uur gerechtvaardigd is.
-2. Om de dienstbetrekking voor subsidie in
aanmerking te laten komen, wordt in de dienstbetrekking bij de toepassing
van de artikelen 9 en 13, eerste lid, aan de werknemer, met uitzondering
van die bedoeld in artikel 12, tweede lid, voor zover die ouder dan 23
jaar is ¹, niet meer loon betaald dan het bedrag dat gezien de leeftijd
van de werknemer en de overeengekomen arbeidsduur, in de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, voor hem als minimumloon geldt, tenzij daarvan
op grond van bij ministeriële regeling te bepalen omstandigheden kan
worden afgeweken.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld voor het loon dat bij de toepassing van artikel
13, tweede lid, aan de werknemer wordt betaald om de dienstbetrekking
voor subsidie in aanmerking te laten komen. [BufW]
-4. Niet voor subsidie komt in aanmerking
de dienstbetrekking waarin in een aaneengesloten periode van drie
maanden of langer geen arbeid wordt verricht, omdat geen werkzaamheden
beschikbaar zijn gesteld, tenzij de gemeente
kan aantonen dat de
werknemer door ziekte of arbeidsongeschiktheid in die periode verhinderd
was arbeid te verrichten en in verband daarmee een reïntegratieverslag is opgesteld
voor herintreding van de werknemer in het arbeidsproces.
1. Volgens de redactie
dient "die ouder dan 23 jaar is" te worden vervangen door: die
23 jaar of ouder is.
Art.
16. Verlening basisbedragen [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376 + bis]
-1. Onze Minister verleent de gemeente
per
kalenderkwartaal de basisbedragen, bedoeld in artikel 14, tweede lid,
onderdeel a, aan de hand van een opgave van de gemeente.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld voor de verlening van
basisbedragen, de wijze en het tijdstip van declareren, alsmede voor de
door het gemeentebestuur te verstrekken gegevens. [BufW]
Art.
17. Verlening vast subsidiebedrag [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376 + bis]
-1. Onze Minister
verleent vóór 1 oktober
van ieder jaar de subsidie, bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel b en c, waarop de
gemeente
het daaropvolgende
jaar recht heeft.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur
worden regels gesteld voor de criteria op basis waarvan de totale
subsidie over de gemeenten wordt verdeeld en voor de wijze waarop
rekening wordt gehouden met de vastgestelde subsidie over voorafgaande
jaren. [BufW]
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld voor de betaling van de subsidie. [BufW]
-4. Een wijziging van de krachtens het
tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet
eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling
gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.
Art.
18. Vaststelling subsidie [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376 + bis]
-1. Na afloop van het jaar stelt Onze Minister
de subsidie vast, mede op basis van het aantal gerealiseerde
dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel
5.
-2. De vastgestelde subsidie kan van de
verleende subsidie afwijken: [BvsW02] [BvsW03]
a. voor zover de arbeidsduur van de
dienstbetrekkingen waarmee bij de subsidieverlening rekening is gehouden niet gerechtvaardigd afwijkt van 32 uur per week;
b. indien het loon in de dienstbetrekkingen niet voldoet aan de vereisten van
artikel 15, tweede
en derde lid;
c. indien artikel 15, vierde lid,
van toepassing is;
d. indien het gemeentebestuur niet
heeft voldaan aan de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen;
e. indien de besteding van de
subsidie anderszins heeft plaatsgevonden in strijd met deze wet.
-3. Verlies van het ingezetenschap in de gemeente
heeft geen invloed op de toepassing van het eerste lid, zolang
de dienstbetrekking voortduurt.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld voor de subsidievaststelling
en de gevolgen daarvan voor de subsidieverlening voor de komende jaren. [BufW]
HOOFDSTUK
4
Uitvoering,
toezicht en informatie
Art.
19. Administratie ten behoeve van de uitvoering [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376 + bis]
-1. Het gemeentebestuur voert ten behoeve
van een getrouwe weergave van de uitvoering van deze wet en een
effectief uitvoeringsproces een zodanige administratie dat een juiste,
volledige en tijdige vastlegging is gewaarborgd van de besluiten inzake
de uitvoering van hoofdstuk 2 en van de hierop betrekking hebbende
bescheiden.
-2. De administratie van de gemeente
wordt
zodanig ingericht en gevoerd dat alle van belang zijnde vastleggingen en
bewijsstukken ten behoeve van het besluitvormings-, uitvoerings-,
controle- en verantwoordingsproces zichtbaar en controleerbaar zijn
vastgelegd, de samenhang tussen de vastleggingen en bescheiden daaruit
blijkt en de specificatie per persoon, voor zover nodig voor de
vaststelling van de subsidie, kan worden vastgesteld.
Art.
20. Toezicht [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2001, 625; Stb. 2003, 56;
Stb. 2003, 376 + bis]
-1. Onze Minister
is
verantwoordelijk voor het toezicht op de uitvoering van deze wet door het
gemeentebestuur.
-2. Dit toezicht wordt
onder gezag van Onze Minister uitgeoefend door de Inspectie Werk en
Inkomen, genoemd in hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, onder leiding van het
hoofd van die inspectie.
De artikelen 37, 38,
42 en 44 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen zijn van overeenkomstige toepassing. [BtIWI]
-3. Onze Minister kan een
gemeentebestuur aanwijzingen geven met betrekking tot de
uitvoering van deze wet door dat gemeentebestuur. Hij treedt daarbij niet
in
individuele gevallen.
-4. Ten behoeve van het
toezicht, bedoeld in het eerste lid, dient het gemeentebestuur jaarlijks
bij Onze Minister een verslag in over de uitvoering van deze wet.
Het verslag omvat mede een kostenopgave ten behoeve van de subsidievaststelling. Het verslag is voorzien van een
verklaring van de accountant belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet
voorgeschreven controle omtrent de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens.
Het verslag wordt kosteloos verstrekt.
-5. Het gemeentebestuur en
de krachtens artikel 8, eerste lid, aangewezen rechtspersonen
verstrekken ten behoeve van het toezicht desgevraagd aan Onze
Minister kosteloos nadere of andere informatie en verlenen hem inzage in
de
administratie.
-6. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld inzake het verslag en over de verklaring en het
onderzoek dat resulteert in deze verklaring. [RufW]
Art.
21. Informatieverplichtingen [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2001, 625; Stb. 2003, 376
+ bis]
-1. Het gemeentebestuur en
de krachtens artikel 8, eerste lid, aangewezen rechtspersoon verstrekken
desgevraagd aan Onze Minister kosteloos alle inlichtingen die hij nodig heeft voor de informatievoorziening
en de beleidsvorming met
betrekking tot deze wet.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld voor de inhoud, de wijze van
verstrekken en het tijdstip van het verstrekken van de inlichtingen. [RiW]
[RufW]
Art.
22. Gegevensverwerking [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2000, 571; Stb. 2001,
625; Stb. 2003, 376]
-1. Andere gemeentebesturen, de krachtens
artikel 8, eerste lid, aangewezen rechtspersonen, de Centrale organisatie werk en inkomen en het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht
op verzoek, kosteloos, aan het gemeentebestuur en de krachtens
artikel 8, eerste
lid,
aangewezen rechtspersoon alle gegevens en inlichtingen te verstrekken
die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
-2. Het gemeentebestuur en de krachtens
artikel 8, eerste lid, aangewezen rechtspersoon zijn bevoegd uit eigen beweging en
verplicht op verzoek uit de administratie aangelegd voor de uitvoering
van deze wet aan bestuursorganen kosteloos de gegevens te verstrekken
die noodzakelijk zijn voor de bij of krachtens wet aan deze
bestuursorganen opgedragen taken.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen voor de toepassing van het eerste en tweede lid nadere
regels worden gesteld.
-4. Een ieder verstrekt desgevraagd aan het
gemeentebestuur en de krachtens
artikel 8, eerste lid, aangewezen rechtspersoon
kosteloos alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van deze wet ten opzichte van hemzelf, hem in wiens dienst dan
wel ten behoeve van wie hij werkt of gewerkt heeft of hem die in zijn
dienst dan wel te zijnen behoeve werkt of gewerkt heeft.
-5. Het gemeentebestuur en de krachtens
artikel 8, eerste
lid, aangewezen rechtspersoon kunnen het sociaal-fiscaal nummer,
bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel j, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, opnemen in een persoonsregistratie aangelegd voor de
uitvoering van deze wet en daarvan gebruik maken indien dat nodig is
voor de uitvoering van deze wet of voor de uitvoering van andere wetten
waarbij gebruik wordt gemaakt van dat sociaal-fiscaal nummer.
HOOFDSTUK
5
Overgangsbepalingen
Art.
23. Overgang uit Jeugdwerkgarantiewet [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 2003, 376]
-1. De dienstbetrekking met de jongere die
op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet
bestaat krachtens hoofdstuk V van de Jeugdwerkgarantiewet, zoals die
luidde tot die datum, en die na die datum voortbestaat, wordt met ingang
van de datum van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als de
dienstbetrekking, bedoeld in artikel 9 van deze wet, met een wekelijkse
arbeidsduur gelijk aan die welke krachtens die Jeugdwerkgarantiewet was
overeengekomen, met dien verstande dat:
a. in afwijking van artikel
11, de
dienstbetrekking van de jongere die op de datum van inwerkingtreding van
deze wet 21 jaar of ouder is, wordt opgezegd tegen de dag gelegen twee
jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet, tenzij hij eerder de
leeftijd van 27 jaar bereikt, in welk geval de dienstbetrekking wordt
opgezegd tegen de dag waarop hij die leeftijd bereikt;
b. deze dienstbetrekking niet in
aanmerking wordt genomen bij de toepassing van artikel 6, eerste lid,
onderdeel a.
-2. Indien de jongere in het kader van de
dienstbetrekking op grond van de Jeugdwerkgarantiewet, zoals die luidde
tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, scholing volgt, worden,
in afwijking van artikel 4, vierde lid, alle scholingsuren voor de duur
van de scholing beschouwd als arbeidsuren.
-3. De voorbereidingsovereenkomsten met de
jongere die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding
van deze wet bestaan krachtens hoofdstuk Va van de
Jeugdwerkgarantiewet, zoals die luidde tot die datum, eindigen met
ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet, met dien
verstande dat de jongere die op de datum van inwerkingtreding van deze
wet jonger is dan 18 jaar, tot aan de dag dat hij de leeftijd van 18
jaar bereikt een vergoeding ontvangt als bedoeld in artikel 16d
van de Jeugdwerkgarantiewet, zoals dat artikel luidde tot de datum van
inwerkingtreding van deze wet.
-4. Voor de jongere van 21 jaar of ouder
die op de datum van inwerkingtreding van deze wet als werkloos
werkzoekende staat ingeschreven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en
die geen dienstbetrekking heeft krachtens hoofdstuk V van de
Jeugdwerkgarantiewet, zoals die luidde tot die datum, dan wel met wie
geen voorbereidingsovereenkomst is aangegaan krachtens hoofdstuk Va
van die Jeugdwerkgarantiewet, is artikel 9 niet van toepassing.
Art.
24. Overgang uit banenpool [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
1997, 735; Stb. 2003, 376]
-1. De arbeidsovereenkomst met de banenpool,
bedoeld in de Rijksbijdrageregeling banenpools, zoals deze regeling
luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, die op de dag
voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet bestaat en
na die datum voortbestaat, wordt met ingang van de datum van
inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als dienstbetrekking op grond
van deze wet met een wekelijkse arbeidsduur die gelijk is aan die met
de banenpool was overeengekomen, met dien verstande dat:
a. artikel 13 niet van toepassing
is;
b. gedurende de eerste twee jaar van
de dienstbetrekking, gerekend vanaf de datum van aanvang van de
arbeidsovereenkomst met de banenpool, artikel 15, tweede lid, van
toepassing is en bij een dienstbetrekking met een duur van meer dan twee
jaar, gerekend vanaf de datum van aanvang van de arbeidsovereenkomst met
de banenpool, artikel 15, derde lid, van toepassing is;
c. deze dienstbetrekking niet in
aanmerking wordt genomen bij de toepassing van artikel 6, eerste lid,
onderdeel a.
-2. Indien de werknemer in het kader van de
arbeidsovereenkomst met de banenpool, bedoeld in het eerste lid,
scholing volgt, worden alle scholingsuren, in afwijking van artikel
4,
vierde lid, voor de duur van de scholing beschouwd als arbeidsuren.
-3. Indien voor de werknemer, bedoeld in
het eerste lid, tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, op grond
van artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, zoals deze artikelen
luidden tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, een recht op
premievrijstelling bestond, wordt vanaf de datum van inwerkingtreding
van deze wet het voor de werknemer geldende loon verhoogd met een
bedrag, zodat de werknemer onder aftrek van de op het loon in te houden
loonbelasting en premies ingevolge de socialeverzekeringswetten een
nettoloon ontvangt dat gelijk is aan het nettoloon dat aan de
werknemer in de arbeidsovereenkomst met de banenpool werd betaald. Deze
toeslag wordt betaald tot het tijdstip waarop het loon zonder toeslag
leidt tot genoemd nettoloon en wordt uitsluitend voor de toepassing van
artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de Wet
op de loonbelasting 1964 aangemerkt als uitkering van publiekrechtelijke aard
en blijft buiten beschouwing bij op het inkomen van de werknemer
afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen of verstrekkingen.
-4. Indien in aansluiting op een
arbeidsovereenkomst met de banenpool of een dienstbetrekking als
bedoeld in het eerste lid een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan of een
ambtelijke aanstelling wordt verkregen waarvoor op grond van een
algemeen verbindend voorschrift is bepaald dat het aanvangsloon het voor de
werknemer geldende minimumloon is en het loon in die arbeidsverhouding
wordt verhoogd met een bedrag dat onder aftrek van de op het loon in te
houden loonbelasting en premies ingevolge de socialeverzekeringswetten
leidt tot het nettoloon dat gelijk is aan het loon dat vóór de datum
van inwerkingtreding van deze wet aan een werknemer in de
arbeidsovereenkomst met de banenpool werd betaald, is de tweede volzin
van het derde lid van overeenkomstige toepassing.
Art.
25. Toepassing recht van vóór datum van inwerkingtreding
[Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
Het recht zoals dat voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van
deze wet gold, blijft van toepassing:
a. voor de vergoedingen van het Rijk
aan de gemeenten over tijdvakken voorafgaande aan de datum van
inwerkingtreding van deze wet op grond van de Jeugdwerkgarantiewet, zoals
die luidde tot de datum van inwerkingtreding van deze wet, de
Rijksbijdrageregeling banenpools en andere regelingen betreffende
subsidies aan gemeenten, zoals deze regelingen luidden tot de datum van
inwerkingtreding van deze wet en die zijn ingetrokken in verband met de
inwerkingtreding van deze wet;
b. ten aanzien van de mogelijkheid
om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit dat is
genomen op grond van de bij onderdeel a genoemde wet of
regelingen;
c. voor de behandeling van het
bezwaar en beroep dat vóór de datum van de inwerkingtreding van deze wet
is gemaakt respectievelijk ingesteld tegen een besluit dat is genomen op
grond van de bij onderdeel a genoemde wet of regelingen.
Art.
25a. Overgang eenmalige subsidie werkaanvaarding [Geschiedenis:
Stb. 2001, 640; Stb.
2003, 376]
Artikel 3, tweede en derde lid, en de daarop berustende bepalingen,
zoals deze luidden op 31 december 2001, blijven van toepassing op een
persoon die vóór de inwerkingtreding van de Wet van ...¹,
houdende wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 I -
Arbeidsmarkt en inkomensbeleid), overeenkomstig die bepalingen een
overeenkomst tot het verrichten van arbeid heeft gesloten of
werkzaamheden als zelfstandige is gaan verrichten.
1. Wet van 14 december
2001, red.
Art. 25b.
Overgang
voorzieningen arbeidsgehandicapten [Geschiedenis:
Stb. 2001, 644; Stb.
2003, 376]
-1. Artikel 13a
en de
daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 81 van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen doch vóór het
tijdstip van
inwerkingtreding van artikel IV van de Wet van 14 december 2001, houdende
wijziging
van enkele socialezekerheidswetten (Belastingplan 2002 V -
Socialezekerheidswetgeving), blijft van toepassing op de
arbeidsgehandicapte die
tot en met 31 december 2001 een arbeidsovereenkomst is aangegaan of is
aangesteld om arbeid te verrichten als bedoeld in het derde lid
van dat artikel, en die vóór dat tijdstip een aanvraag voor voorzieningen als bedoeld in
artikel 31, tweede lid, van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten heeft gedaan.
-2. Artikel 13b
en de
daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 81 van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen doch vóór het
tijdstip van
inwerkingtreding van artikel IV van de Wet van 14 december 2001, houdende
wijziging
van enkele socialezekerheidswetten (Belastingplan 2002 V -
Socialezekerheidswetgeving), blijft van toepassing op de
werkgever die tot en met
dat tijdstip met een arbeidsgehandicapte een arbeidsovereenkomst is
aangegaan of deze heeft aangesteld om arbeid te verrichten, en die vóór
dat tijdstip een aanvraag heeft gedaan voor een subsidie in de vorm van
een plaatsingsbudget als bedoeld in artikel 17 of een pakket op maat als
bedoeld in artikel 18 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten,
zoals die artikelen luidden op dat tijdstip.
HOOFDSTUK
6
Wijziging
in andere wetten
Art.
26. Wijziging Algemene bijstandswet [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
De Algemene bijstandswet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 14, vierde lid,
vervalt, onder vernummering van het vijfde lid tot vierde lid.
B. [MvT]
De tweede volzin van artikel
36, tweede lid, vervalt.
C.
[MvT]
Artikel 111, derde lid,
vervalt, onder vernummering van het vierde lid tot derde lid.
D.
[MvT]
In artikel
113, eerste lid,
worden de onderdelen e, f en g vervangen door twee onderdelen,
luidende:
e. mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor
scholing of opleiding en aan een scholing of opleiding die noodzakelijk
wordt geacht;
f. beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de Wet
inschakeling werkzoekenden, mee te werken aan het verkrijgen van die
voorzieningen, daarvan gebruik te maken en daartoe op een aangegeven
tijd en plaats te verschijnen.
E.
[MvT]
Indien het bij koninklijke
boodschap van 13 juni 1996 ingediende voorstel van wet houdende
wijziging van de Algemene bijstandswet in verband met de preventie en
bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (Kamerstukken 24 772) tot
wet is verheven en in werking is getreden, vervalt artikel
115a.
Art.
27. Wijziging Ioaw [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 20, derde lid,
vervalt, onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid tot
derde tot en met zesde lid.
B.
[MvT]
In artikel
35, eerste lid,
worden de onderdelen e, f en g vervangen door twee onderdelen,
luidende:
e. mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor
scholing of opleiding en aan een scholing of opleiding die noodzakelijk
wordt geacht;
f. beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de Wet
inschakeling werkzoekenden, mee te werken aan het verkrijgen van die
voorzieningen, daarvan gebruik te maken en daartoe op een aangegeven
tijd en plaats te verschijnen.
Art.
28. Wijziging Ioaz [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 20, vierde lid,
vervalt, onder vernummering van het vijfde tot en met zevende lid tot
vierde tot en met zesde lid.
B.
[MvT]
In artikel
35, eerste lid,
worden de onderdelen e, f en g vervangen door twee onderdelen,
luidende:
e. mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor
scholing of opleiding en aan een scholing of opleiding die noodzakelijk
wordt geacht;
f. beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de Wet
inschakeling werkzoekenden, mee te werken aan het verkrijgen van die
voorzieningen, daarvan gebruik te maken en daartoe op een aangegeven
tijd en plaats te verschijnen.
Art.
29. Wijziging Werkloosheidswet [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
De Werkloosheidswet wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 19a vervalt.
B.
[MvT]
Artikel 26, eerste lid,
onderdeel f, wordt vervangen door:
f. mee te werken aan een scholing of opleiding die noodzakelijk
wordt geacht voor zijn inschakeling in de arbeid dan wel aan andere
aangewezen activiteiten die daarvoor bevorderlijk zijn, beschikbaar te
zijn voor de voorzieningen van de Wet inschakeling werkzoekenden en mee
te werken aan het verkrijgen van die voorzieningen.
C.
[MvT]
Artikel 73 komt te luiden:
Art. 73.
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen heeft mede tot taak de
werknemers die recht op uitkering hebben op grond van hoofdstuk IIa
of
IIb in aanmerking te laten komen voor de voorzieningen op grond van de
Wet inschakeling werkzoekenden.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie stellen voor iedere werknemer jonger dan
23 jaar die recht op uitkering heeft op grond van hoofdstuk IIa
en
IIb gezamenlijk een traject vast gericht op de inschakeling in het
arbeidsproces.
D.
[MvT]
Na artikel 93a
wordt
een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 93b.
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt jaarlijks, ten
laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, een budget vast voor
vergoedingen aan de gemeenten voor de voorzieningen op grond van de Wet
inschakeling werkzoekenden waarvoor die gemeenten werknemers
woonachtig in die gemeenten die recht op uitkering hebben op grond van hoofdstuk IIa
of
IIb in aanmerking hebben laten komen.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen vermeldt in het plan
van werkzaamheden, bedoeld in artikel 38, vierde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, de inhoud van de
overeenkomsten die dit instituut en de uitvoeringsinstellingen ter
uitvoering van artikel 73, eerste lid, met gemeentebesturen hebben
gesloten over het aanbod van voorzieningen op grond van de Wet
inschakeling werkzoekenden.
Art.
30. Wijziging Algemene Kinderbijslagwet [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
1997, 789; Stb. 2003, 376]
Artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet wordt als volgt gewijzigd:
1. Het zesde lid vervalt, onder
vernummering van het zevende lid tot zesde lid.
2. Het achtste lid wordt vernummerd tot
zevende lid en komt te luiden:
-7. Het kind, bedoeld in onderdeel c, wordt niet als werkloos
aangemerkt indien het een vergoeding ontvangt op grond van artikel
23,
derde lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden.
3. Onder vernummering van het negende en
tiende lid tot achtste en negende lid, komt het negende lid te luiden:
-9. Een in het tweede lid, onderdeel c, bedoeld kind wordt voor het
recht op kinderbijslag meegerekend zolang het werkloos is.
4. Het elfde en het twaalfde lid worden
vernummerd tot tiende en elfde lid.
Art.
31. Wijziging Beroepswet [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
In de bijlage bij de Beroepswet, onderdeel
C, komt onderdeel 27 te
luiden:
27. Wet inschakeling werkzoekenden.
Art.
32. Wijziging Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
[Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
Aan artikel 2, derde lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt, onder vervanging van de punt door een komma,
de zinsnede toegevoegd: met uitzondering van de dienstbetrekking,
bedoeld in de Wet inschakeling werkzoekenden.
Art.
33. Wijziging Wet op de loonvorming [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
Aan artikel 2, derde lid, van de Wet
op de loonvorming wordt, onder
vervanging van de punt door een komma, de zinsnede toegevoegd: en de Wet
inschakeling werkzoekenden.
Art.
34. Wijziging Ambtenarenwet [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
Aan artikel 134, derde lid, van de Ambtenarenwet
wordt, onder vervanging
van de punt door een komma, de zinsnede toegevoegd: en de Wet
inschakeling werkzoekenden.
Art.
35. Wijziging Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
Artikel 35 van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede en derde lid worden vervangen
door een nieuw lid, luidende:
-2. De vermindering langdurig werklozen is voor de werknemer die op de
datum van inwerkingtreding van de Wet inschakeling werkzoekenden een
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4 van die wet heeft, gedurende
ten hoogste 48 maanden gerekend vanaf de datum van inwerkingtreding van
die wet van toepassing.
2. Het vierde lid wordt vernummerd tot derde lid.
Art.
36. Wijziging van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
In artikel 7 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 vervallen de zinsneden:
"of vijfde", en telkens "of vierde".
HOOFDSTUK
7
Slotbepalingen
Art.
37. Evaluatie [Geschiedenis:
MvT; versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
Onze Minister zendt na drie jaar na inwerkingtreding van deze wet en
vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag van
de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze wet.
Art.
38. Intrekking Jeugdwerkgarantiewet,
banenpoolregeling en aanverwante regelingen [Geschiedenis:
versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
De Jeugdwerkgarantiewet, de Rijksbijdrageregeling banenpools en de
Tijdelijke subsidieregeling bevordering uitstroom banenpools en
Jeugdwerkgarantiewet worden
ingetrokken.
Art.
39. Tijdstip inwerkingtreding [Geschiedenis:
versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 24 december 1997, Stb. 1997, 805, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1998, red.
Art.
40. Citeertitel [Geschiedenis:
versie 4 december 1997; Stb.
2003, 376]
Deze wet wordt aangehaald als: Wet inschakeling werkzoekenden.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle
ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan
de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 4 december
1997
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
Uitgegeven de negenentwintigste december
1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
MEMORIE VAN
TOELICHTING
|
|