|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1996-1997, 25 122
Regeling voor de totstandkoming van een gemeentelijk
werkfonds voor voorzieningen ter bevordering van de toetreding tot het
arbeidsproces van langdurig werklozen en jongeren (Wet inschakeling
werkzoekenden)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1xx |
Inleiding |
| 1.1 |
Doelstelling
van de Wet inschakeling werkzoekenden |
| 1.2 |
Bestrijding
van de langdurige werkloosheid |
| 1.3 |
Advies
van de Sociaal-Economische Raad |
| 1.4 |
Opbouw
van de memorie van toelichting |
| 2 |
De
bestuurlijke vormgeving |
| 2.1 |
Verhouding
Rijk en gemeenten |
| 2.2 |
Samenwerking
met Arbeidsvoorziening en bedrijfsverenigingen |
| 2.3 |
Activerend
arbeidsmarktbeleid voor jongeren |
| 2.4 |
Inrichting
van de uitvoeringsorganisatie door gemeenten |
| 3 |
De
doelgroep |
| 3.1 |
Ruimte
voor een integrale benadering |
| 3.2 |
Nadere
omschrijving van de doelgroep |
| 3.3 |
Samenhang
met de doelgroep van de sociale werkvoorziening |
| 3.4 |
Samenhang
met de doelgroep van de Werkloosheidswet |
| 3.5 |
Samenhang met de
doelgroep van het voorstel tot wijziging van de Wet minimumloon
en minimumvakantiebijslag in
verband met de mogelijkheid van tijdelijke afwijking |
| 3.6 |
Samenhang met de
Regeling extra werkgelegenheid langdurig werklozen 1996 |
| 4 |
Het
instrumentarium: activering en scholing |
| 4.1 |
Inleiding |
| 4.2 |
Zorg
en hulpverlening |
| 4.3 |
Sociale
activering |
| 4.4 |
Educatie
en scholing |
| 4.5 |
Samenhang tussen het
Wiw-instrumentarium en de Algemene bijstandswet |
| 5 |
Het
instrumentarium: detacheringen en werkervaringsplaatsen |
| 5.1 |
Inleiding |
| 5.2 |
Wiw-dienstbetrekking |
| 5.3 |
Werkervaringsplaatsen |
| 5.4 |
Toeleiding
naar gesubsidieerde arbeid |
| 5.5 |
Tegengaan
van verdringing en concurrentieverstoring |
| 6 |
De
dienstbetrekking voor detacheringsplaatsen |
| 6.1 |
Inleiding |
| 6.2 |
Bijzondere
bepalingen inzake de arbeidsvoorwaarden |
| 6.3 |
Bijzondere
ontslagbepalingen |
| 6.4 |
Bijzondere
sanctiebepalingen |
| 6.5 |
Detacheringsplaats |
| 6.6 |
Verhuizing |
| 6.7 |
Terugkeergarantie |
| 6.8 |
Medezeggenschap |
| 7 |
Het
gemeentelijk Werkfonds |
| 7.1 |
Inleiding |
| 7.2 |
Bekostigingssystematiek
nader uitgewerkt |
| 7.3 |
Budgettaire
aspecten |
| 7.4 |
Volumeontwikkeling
en subsidie per dienstbetrekking en werkervaringsplaats |
| 8 |
Het
toezicht en informatievoorziening |
| 8.1 |
Toezicht
op de uitvoering van de wet door gemeenten |
| 8.2 |
Informatievoorziening |
| 9 |
De
effecten van het wetsvoorstel |
|
xArtikelsgewijs |
| x |
Artikelen
1 t/m 37 |
| xBijlage
1: overzicht regelingen gesubsidieerde arbeid |
| xBijlage
2: overzicht kosten en subsidie per arbeidsplaats |
rblz.|2|
Algemeen
1. Inleiding
Met de notitie
"Stroomlijning van gesubsidieerde arbeid: naar een brede inschakeling van
werkzoekenden" (Kamerstukken II 1994-1995, 24 347, nrs. 1 en 2) is het
parlement op de hoogte gebracht van de voornemens van het kabinet om een
stroomlijning te realiseren van de diverse regelingen voor
gesubsidieerde arbeid. In de notitie is de noodzaak van stroomlijning beknopt
geschetst. De vele benaderingen, regelingen en instrumenten op het
terrein van gesubsidieerde arbeid die in de achterliggende jaren zijn
ontwikkeld, hebben geleid tot een totaal dat onoverzichtelijk is, niet
alleen voor individuele werkzoekenden en werkgevers, maar ook voor
de betrokken overheden en uitvoeringsorganisaties. Met name bij de
regelingen voor werklozen die door de gemeenten worden
uitgevoerd, is sprake van moeilijk te beargumenteren verschillen en een
complexe relatie met Arbeidsvoorziening [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.]. Op een aantal punten is
bovendien sprake van overlapping in doelgroepen en concurrentie tussen de
organisaties die met de uitvoering zijn belast.
In de
stroomlijningsnotitie is aangekondigd dat de stroomlijning wordt gerealiseerd
via een
tweetal wetgevingsprojecten: de totstandkoming van een nieuwe Wet sociale
werkvoorziening en een Wet inschakeling
werkzoekenden, die de gemeenten een ruimere verantwoordelijkheid geeft voor de
totstandkoming van gesubsidieerde arbeidsplaatsen en die de banenpoolregeling en
de Jeugdwerkgarantiewet vervangt. De stroomlijning van het reïntegratie-instrumentarium ten behoeve van gedeeltelijk arbeidsgeschikten heeft vorm gekregen in het kader van het
flankerend beleid voor de
arbeidsongeschiktheidsregelingen.
1.1. Doelstelling van de
Wet inschakeling werkzoekenden
De
Wet inschakeling
werkzoekenden (Wiw), zoals die in de stroomlijningsnotitie is voorzien, heeft een brede doelstelling. Doelstelling
van de wet is om de gemeenten de mogelijkheid te bieden een samenhangend instrumentarium te
ontwikkelen en in te zetten dat de afstand tot de arbeidsmarkt voor
langdurig werklozen, uitkeringsgerechtigden en werkloze jongeren waar
mogelijk verkleint en dat, waar dit niet mogelijk is, voorkomt dat de
afstand tot de arbeidsmarkt toeneemt. De instrumenten die daartoe kunnen worden
benut, bestrijken het gehele terrein van sociale activering
tot gesubsidieerde arbeid in de vorm van werkervaringsplaatsen en
detacheringen, zoals voorheen via de banenpools en de
Jeugdwerkgarantiewet.
Beoogd wordt de
gemeenten in staat te stellen door een betere afstemming en meer beleidsvrijheid te komen tot een integrale aanpak,
waardoor zij effectiever
gebruik kunnen maken van de beschikbare middelen en meer
langdurig werklozen, uitkeringsgerechtigden en werkloze jongeren met
maatwerk kunnen bereiken. Met het oog daarop zijn de diverse
financieringsstromen voor gemeenten op dit terrein onder één noemer, die van
het gemeentelijk Werkfonds, gebracht en zijn de belemmeringen weggenomen
voor de inrichting van een geïntegreerde uitvoering op het gehele
terrein van de gesubsidieerde arbeid, met inbegrip van de sociale werkvoorziening.
Van belang is ook dat met
de via de Wiw gerealiseerde stroomlijning nadrukkelijk niet wordt
beoogd een bezuiniging te bewerkstelligen. De gemeenten
worden geacht
met de beschikbare middelen alle werkloze jongeren onder de 23 jaar
en zoveel mogelijk langdurig werklozen of uitkeringsgerechtigden
een activiteit aan te bieden. Voor zover daarbij rblz.|3|
gesubsidieerde arbeid aan
de orde is, geldt daarbij wel dat de noodzaak c.q. wenselijkheid van
gesubsidieerde arbeid voor betrokkene door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
in samenspraak met het uitkeringsorgaan moet zijn vastgesteld. De
activiteiten dienen bovendien voor zover mogelijk te zijn gericht
op toeleiding naar en voorbereiding op reguliere arbeid. Waar dat niet
mogelijk is, staan het bevorderen van de mogelijkheid tot het
zelfstandig verwerven van een inkomen en sociale activering centraal.
1.2. Bestrijding van
langdurige werkloosheid
De
Wet inschakeling
werkzoekenden is onderdeel van het totaal aan maatregelen dat het
kabinet treft om een effectieve bestrijding van langdurige werkloosheid
te verwezenlijken en op grotere schaal dan in het verleden het geval was
uitkeringsgerechtigden te reïntegreren in het arbeidsproces en hen de
kans te bieden om via betaalde arbeid een inkomen te verwerven.
In het sociaal-economisch
beleid van het kabinet is de bestrijding van langdurige werkloosheid
één van de kernpunten. Het beleid richt zich primair op een verruiming
van de reguliere werkgelegenheid, onder andere door een verlaging
van de arbeidskosten, vooral voor eenvoudige en ongeschoolde arbeid.
De Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(Stb. 1995, 635 en Stcrt. 1995, 249, 250 en 251) heeft met ingang van
1 januari 1996 een specifieke afdrachtskorting geïntroduceerd voor
dergelijke laagbetaalde arbeid. De wet stimuleert tevens de indienstname
van langdurig werklozen met een vermindering van belasting- en
premieafdrachten voor een periode van voorlopig vier jaar. Beide afdrachtskortingen kunnen cumuleren. De afdrachtskorting
langdurig werklozen vervangt de Wet bevordering arbeidsinpassing op dit punt.
Verruiming van de
werkgelegenheid wordt ook beoogd met het zogeheten 40 000-banenplan. De
Regeling extra werkgelegenheid
langdurig werklozen 1996 (Stcrt. 1995, 244 en 1996, 18) [opgegaan
in Besluit in- en doorstroombanen, red.] en de corresponderende regelingen voor de
zorgsectoren stellen middelen beschikbaar voor de totstandkoming
van in totaal 40 000 nieuwe reguliere banen in de collectief gefinancierde
sectoren die exclusief zijn bestemd voor langdurig werklozen. Bij de
financiering is rekening gehouden met de te besparen bijstandsuitkeringen.
Ook bij de
Subsidieregeling experimenten activering van uitkeringsgelden (Stcrt. 1995, 13, 130 en
230) [de zogeheten EAU of Melkert-II-regeling, red.] is sprake van de inzet van uitkeringsgelden ter bestrijding van langdurige werkloosheid. De regeling geeft de rijksoverheid
de mogelijkheid op experimentele basis en voor de duur van twee jaar
bijstandsuitkeringen om te zetten in een subsidiebedrag ten behoeve van bepaalde
gemeenten, instellingen en organisaties. In totaal is subsidie toegekend
voor de realisatie van 20 000 arbeidsplaatsen met het doel inzicht te
verwerven in effectieve methoden om langdurig werkloze
bijstandsgerechtigden aan betaald werk te helpen. Op de relatie van deze experimenten met
de Wiw wordt ingegaan in hoofdstuk
5.
Met de omzetting van
bijstandsuitkeringen in subsidies ten behoeve van betaalde arbeid wordt de
activerende werking van de sociale zekerheid vergroot. Ook het per 1
oktober 1994 gedecentraliseerde incentivebudget en de sterke nadruk die
de per 1 januari 1996 in werking getreden nieuwe Algemene bijstandswet
(Abw) legt op de activerings- en uitstroomfunctie, hebben die intentie.
Centraal uitgangspunt in de nieuwe Abw is dat in beginsel een ieder de
verplichting krijgt opgelegd arbeid te aanvaarden, rblz.|4|
tenzij de gemeente
oordeelt dat omstandigheden aanwezig zijn die een individuele gehele of
gedeeltelijke ontheffing rechtvaardigen.
De
Abw biedt tevens een aantal daartoe door de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aangewezen gemeenten de mogelijkheid om bij wijze van experiment
een van het normale regime afwijkend beleid ten aanzien van de uitkeringsvoorwaarden te ontwikkelen met het oog op het
bevorderen van de sociale integratie en een zelfstandige voorziening in het bestaan van de
uitkeringsgerechtigden. In het kader van deze experimenten (Stb. 1995,
317 [Besluit houdende regels met betrekking tot de criteria voor de
aanwijzing van gemeenten die deelnemen aan experimenten op grond van de
Abw, red.] en Stcrt. 1995, 208 [Regeling
verzoek tot aanwijzing als experimenteergemeente, red.]) kunnen de betrokken gemeenten ook de inzet
van activiteiten met behoud van uitkering beproeven als voortraject
voor reïntegratie in betaalde arbeid.
Naar het oordeel van het
kabinet is het voor een effectieve aanpak van de (langdurige)
werkloosheid van groot belang dat de taken van de uitkeringsinstanties en
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op een heldere wijze worden afgebakend
en dat de inspanningen van deze organisaties op decentraal niveau op
elkaar worden afgestemd en gecoördineerd. Daartoe is in alle
relevante wetten (de nieuwe Arbeidsvoorzieningswet 1996, de nieuwe Algemene
bijstandswet en de nieuwe Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 en de onderhavige
wet) een wederzijdse samenwerkingsplicht vastgelegd. In het kader
van de veranderingsopdracht ten behoeve van de procesgerichte
samenwerking tussen de uitvoeringsorganisaties
werknemersverzekeringen,
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en gemeenten wordt deze
samenwerking in het project "Samenwerking Werk en Inkomen"
[zie Samenwerkingsbesluit SWI, Samenwerkingsregeling
SWI, Stimuleringsregeling SWI, Wet
SUWI
en Invoeringswet SUWI, red.] nader uitgewerkt.
1.3. Advies van de
Sociaal-Economische Raad
In de
stroomlijningsnotitie zijn de voornemens met betrekking tot de vormgeving van
de Wet
inschakeling werkzoekenden op hoofdlijnen geschetst. Deze notitie
is bij brief van 19 december 1995 voor advies voorgelegd aan de
Sociaal-Economische Raad [SER, red.]. De Raad heeft op 16 februari 1996 zijn advies
vastgesteld. Daarin plaatst de Raad op een aantal punten kanttekeningen bij
de kabinetsvoornemens. In deze paragraaf wordt op de hoofdlijnen
van het SER-advies ingegaan. In de volgende hoofdstukken komt het op
onderdelen meer gedetailleerd aan de orde.
Het advies van de
Sociaal-Economische Raad is op hoofdpunten positief. De Raad is het
eens met het kabinet dat een stroomlijning van instrumenten van
gesubsidieerde arbeid wenselijk is. De Raad kan zich ook in algemene zin vinden in
de doelstellingen van het kabinet, zoals het bieden van ruimte voor
één geïntegreerde uitvoeringsorganisatie en het vereenvoudigen van de
bekostigingssystematiek, en de praktische motieven die aan de
stroomlijningsoperatie ten grondslag liggen. De Raad kan zich ook vinden in
een stroomlijning van de regelingen voor werklozen en de sociale
werkvoorziening langs de weg van twee afzonderlijke, maar
onderling op elkaar afgestemde wetten: een herziene Wet sociale
werkvoorziening en een Wet inschakeling
werkzoekenden.
Wel meent de
Raad dat
grote terughoudendheid past bij de verdere uitbouw van het stelsel
van gesubsidieerde arbeid. De zorg voor goede verhoudingen op de
reguliere arbeidsmarkt stelt grenzen aan de wijze waarop (en de aantallen
waarmee) gesubsidieerde arbeid wordt ingezet. Om die reden adviseert de
Raad voldoende waarborgen in te bouwen om concurrentie- en
budgetvervalsing tegen te gaan. In hoofdstuk 5 van deze toelichting wordt dit
element nader uitgewerkt.
Met betrekking tot het
voornemen de verschillende geldstromen ten behoeve van de bekostiging van gesubsidieerde arbeid in
één brede rblz.|5|
doeluitkering, het
zogenaamde Werkfonds, onder te brengen, wijst de
Raad op de spanningsverhouding
tussen een sluitende aanpak zoals die voor jongeren wordt beoogd en
een eventuele budgettering van dit Werkfonds. Tevens vraagt
de Raad zich af of bij kleinere gemeenten voldoende draagvlak zal
bestaan om de noodzakelijke voorzieningen zelfstandig te treffen.
Voor het eerstgenoemde punt is bij de nadere vormgeving van de
bekostiging een oplossing gezocht. Op de modaliteiten daarvan wordt nader
ingegaan in hoofdstuk 7. Voor wat betreft het tweede punt wordt in
de onderhavige wet alle ruimte geboden om hetzij via de weg van
samenwerking op grond van de Wet
gemeenschappelijke regelingen, hetzij via de
geïntegreerde uitvoering van meerdere regelingen tot een
voldoende draagvlak te komen.
Op het punt van de
verdeling van verantwoordelijkheden tussen Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en gemeenten ten aanzien van de doelgroep komt de
Raad tot een keuze die afwijkt van het voornemen, zoals neergelegd in de
stroomlijningsnotitie. In de notitie is als
uitgangspunt een
taakverdeling op grond van functionaliteiten gekozen. De verantwoordelijkheid
voor de bekostiging van gesubsidieerde arbeid via de genormeerde inzet
van bijstandsuitkeringen wordt bij gemeenten gelegd, ongeacht de vraag
of het gaat om personen die dergelijke gesubsidieerde arbeid
nodig hebben als onderdeel van een reïntegratietraject of als laatste
mogelijkheid voor zelfstandige inkomensvoorziening, omdat kansen op de reguliere arbeidsmarkt ontbreken.
De
Raad sluit aan bij een
benadering in functionaliteiten waar wordt opgemerkt dat recht moet
worden gedaan aan de specifieke expertise van Arbeidsvoorziening met betrekking tot arbeidsinpassing en de taken van
gemeenten met betrekking
tot sociale activering, maar verlaat die benadering waar het gaat
om de bekostiging en realisatie van gesubsidieerde arbeid ten gunste van een
categoriale benadering. De Raad meent dat aan gemeenten
uitsluitend de verantwoordelijkheid voor gesubsidieerde arbeid voor kansloze
werkzoekenden toebehoort. Arbeidsvoorziening zou de volledige
verantwoordelijkheid voor de bemiddeling en de eventuele plaatsing in
gesubsidieerde arbeid van alle andere groepen moeten hebben. Arbeidsvoorziening dient daarbij de beschikking te houden over het instrument van de werkervaringsplaatsen. In afwijking
van dit standpunt is de Raad om pragmatische redenen wel van oordeel dat de
verantwoordelijkheid voor jeugdwerkgarantieplaatsen bij de gemeenten moet blijven.
Naar het oordeel van het
kabinet draagt het advies van de
Raad op dit punt niet bij tot een
logische en eenduidige verdeling van taken tussen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de gemeenten langs de lijn van functionele verantwoordelijkheden. De gekozen uitwerking wordt
geschetst in hoofdstuk 5
van deze toelichting. Daar wordt ook ingegaan op het specifieke advies
van de Raad om de thans bij Arbeidsvoorziening aanwezige middelen voor
werkervaringsplaatsen niet over te hevelen naar het gemeentelijke
Werkfonds in het kader van de Wiw.
Tot slot wijst de
Raad een uitname uit het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) af als financieringsbron voor de
Wiw. Een deel van de Raad wijst
iedere inzet van uitkeringsgelden, ook het introduceren van de inkooprelatie
voor bedrijfsverenigingen [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) c.q. uitvoeringsinstellingen,
red.],
af. Een ander deel adviseert dat het AWf in staat wordt gesteld bij te dragen aan het gemeentelijk Werkfonds op
basis van contractuele
relaties die tussen de bedrijfsverenigingen en het fonds worden aangegaan.
Deze laatste constructie heeft het kabinet in deze wet opgenomen.
rblz.|6|
Ten aanzien van de
rechtspositie en de arbeidsvoorwaarden van de werknemers in het kader
van de onderhavige
wet is dezelfde lijn gekozen als bij de Wet sociale
werkvoorziening. Het advies van de
Raad om te
kiezen voor een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is overgenomen.
De advisering ten aanzien
van de wenselijkheid van arbeidsovereenkomsten voor 32 uur en ten
aanzien van een beloning op het niveau van het minimumloon
gedurende de eerste twee jaar is dermate verdeeld dat het kabinet daarin
geen reden ziet van de eerder geformuleerde voornemens af te wijken.
1.4. Opbouw van de
memorie van toelichting
In de onderhavige
wet zijn de in de notitie "Stroomlijning van gesubsidieerde arbeid" ten aanzien van
de bestrijding van langdurige werkloosheid en de
sociale activering van uitkeringsgerechtigden uitgesproken voornemens
uitgewerkt, rekening houdend met het advies van de
Sociaal-Economische Raad. In de volgende hoofdstukken wordt waar nodig nader ingegaan
op een aantal specifieke onderdelen van het advies van de
Raad.
Hoofdstuk 2 gaat in op de
bestuurlijke verhoudingen: de gewijzigde relatie tussen het Rijk
en de gemeenten en de samenwerking van de gemeenten met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de uitvoeringsinstellingen
voor de werknemersverzekeringen. In dit hoofdstuk wordt tevens een nieuwe opzet
geschetst voor de samenwerking tussen partijen in verband met de
sluitende benadering voor jongeren. Ook de relatie gemeente - lokale
uitvoeringsorganisaties komt aan de orde.
In
hoofdstuk 3 van de
memorie van toelichting wordt in de eerste plaats ingegaan op de
doelgroepen die met het instrumentarium van de Wiw kunnen worden bereikt.
Hoofdstuk 4 en
5 schetsen
het instrumentarium in zijn volledige breedte variërend van
maatregelen gericht op de sociale activering van uitkeringsgerechtigden tot en
met het aanbieden
van een dienstbetrekking in het kader van de Wiw of het verstrekken van een subsidie voor een
werkervaringsplaats.
Hoofdstuk 6 gaat in op de
aard van de dienstbetrekking, een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, en
op de bijzondere bepalingen inzake de
arbeidsvoorwaarden en ontslag die voortvloeien uit de aard van de regeling.
Hoofdstuk 7 behandelt de
wijze van financiering van de Wiw en de bekostiging van de
uitvoering door gemeenten in het kader van het gemeentelijk Werkfonds.
Hoofdstuk 8 behandelt de
wijze waarop het toezicht op de uitvoering door gemeenten
en de
informatievoorziening tussen rijksoverheid en gemeenten zijn ingericht.
Hoofdstuk 9 beschrijft,
voor zover van toepassing, de (neven)effecten van de Wiw voor de
werkgelegenheid, het bedrijfsleven, de uitvoering en de belasting van de
rechtelijke macht.
2. De bestuurlijke
vormgeving
2.1. Verhouding Rijk en
gemeenten
De onderhavige
wet gaat
uit van een gezamenlijke verantwoordelijkheid rblz.|7|
van Rijk en gemeenten
voor het beschikbaar stellen van voorzieningen, met inbegrip van gesubsidieerde arbeid, aan personen met een grote
afstand tot de
arbeidsmarkt. Voor een gezamenlijke verantwoordelijkheid is gekozen vanuit
enerzijds het besef dat het tot stand brengen van gesubsidieerde arbeid het
beste op lokaal niveau kan geschieden en anderzijds de overweging
dat het tot stand komen van een dergelijke voorziening van een over
het gehele land gezien voldoende kwalitatief en kwantitatief niveau van
een zodanige betekenis is dat medebetrokkenheid van de rijksoverheid in voorwaardenscheppende en toetsende zin
gewenst is. Het parlement
moet de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te allen
tijde kunnen aanspreken en verantwoordelijk kunnen stellen voor de
instandhouding van deze voorzieningen en een juiste wijze van
uitvoering.
Het is de bedoeling de
gemeenten, meer dan het geval was bij de Jeugdwerkgarantiewet en
de Rijksbijdrageregeling banenpools, beleidsvrijheid bij de uitvoering van de
Wiw te bieden. Om dat mogelijk te maken, zijn de regels waaraan de
gemeenten moeten voldoen bij het tot stand brengen van voorzieningen en arbeidsplaatsen sterk vereenvoudigd en
zijn de
financieringsstromen voor de gemeenten samengebracht in een brede doeluitkering onder
de noemer van een gemeentelijk Werkfonds. Het hanteren van een
brede doeluitkering betekent tevens dat niet wordt overgegaan tot een
volledige overdracht van de zeggenschap naar gemeenten.
De verdeling van de
rijksmiddelen die voor de inschakeling van werkzoekenden en activering van uitkeringsgerechtigden via het gemeentelijk
Werkfonds ter beschikking
worden gesteld, de mogelijkheid van verrekening dan wel terugvordering van de beschikbaar gestelde
middelen indien sprake is
van niet-rechtmatige of niet-doeltreffende uitvoering van de wet
door de gemeenten
en de aanwijzingsbevoegdheid, zijn begrensde, maar
voldoende instrumenten om de verantwoordelijkheid van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid ten opzichte van het
parlement inhoud te kunnen geven.
De doelstelling van
de
wet is om personen die langdurig werkloos zijn en zijn aangewezen op een
uitkering te stimuleren tot deelname aan het arbeidsproces. Voor zover
hiertoe op termijn geen perspectief bestaat, biedt de wet de
mogelijkheid om door middel van maatschappelijke activering sociale
uitsluiting te voorkomen. In termen van de fasering van Arbeidsvoorziening gaat
het om personen die langdurig werkloos werkzoekend zijn en die
hetzij alleen door een intensief arbeidsinpassingstraject een reguliere
arbeidsplaats kunnen verkrijgen, hetzij als gevolg van hun werkloosheidsduur
geen of nauwelijks kansen op de arbeidsmarkt hebben. Een aanmerkelijk
deel van de doelgroep is voor zijn inkomensvoorziening aangewezen op een
uitkering krachtens de Abw of is, indien de situatie van werkloosheid niet wordt
beëindigd, op termijn op een
dergelijke uitkering aangewezen.
De uitvoering van de
Abw
en de andere bijstandsgerelateerde regelingen is een gemeentelijke taak. Na de inwerkingtreding van de
nAbw per 1 januari 1996
is meer nadruk komen te liggen op de activering van
bijstandsgerechtigden, gericht op uitstroom naar betaald werk. De bijstand is erop gericht
om de belanghebbende in staat te stellen zelfstandig in het
bestaan te voorzien. Om de inschakeling van bijstandsgerechtigden in het arbeidsproces te
bevorderen, werkt de gemeente samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
De
onderhavige
wet biedt gemeenten
een instrumentarium dat hen in staat stelt deze verplichting een
substantiële inhoud te geven. Met name rblz.|8|
door de grote beleidsvrijheid die de gemeenten in de uitvoering van de wet wordt geboden, zijn
optimale mogelijkheden geschapen voor een goede aansluiting tussen
het beleid inzake gesubsidieerde arbeid en het activeringsbeleid in het
kader van de Abw.
2.2. Samenwerking met
Arbeidsvoorziening en bedrijfsverenigingen
De Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG), het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening
(CBA) en het Tijdelijk instituut voor
coördinatie
en afstemming (Tica) [zie Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv) en vervolgens Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV),
red.] hebben in maart 1996 het startdocument inzake de samenwerking op
het terrein van werk en inkomen gepubliceerd, als eerste stap op weg
naar een procesgerichte samenwerking ten behoeve van
gemeenschappelijke cliënten. Deze samenwerking is geen doel op zichzelf. Zoals
hiervoor al aangegeven, hebben de taken van Arbeidsvoorziening en de
uitvoeringsorganen voor de werknemersverzekeringen en de gemeenten
in het
kader van de bijstand voor een belangrijk deel
betrekking op dezelfde personen. Het is derhalve wenselijk dat de uitvoeringsprocessen zoveel mogelijk op elkaar zijn afgestemd. Dit
leidt tot een betere
dienstverlening aan cliënten, voorkomt doublures bij bijvoorbeeld de informatievergaring en leidt daarmee tot een vergroting
van de efficiëntie. Op
basis van goede afspraken over de kerntaken en kernkwaliteiten van de
drie betrokken organisaties kan door afstemming c.q. bundeling van
menskracht en middelen meer worden bereikt.
De bedoeling is dat de
drie partijen in de regio, Arbeidsvoorziening, gemeenten
en uitvoeringsinstanties werknemersverzekeringen, een
gezamenlijk inzicht
ontwikkelen met betrekking tot het regionale bestand aan uitkeringsgerechtigde
werkzoekenden en samenwerken bij de inzet van hun afzonderlijke
mogelijkheden en instrumenten, gericht op een optimale cliëntvriendelijke
efficiëntie en effectiviteit. Het kabinet acht het van groot belang dat de
gemeenten ook als uitvoerders van de Wet inschakeling
werkzoekenden nauw samenwerken met de uitvoerders van de Arbeidsvoorzieningswet
1996 en de socialeverzekeringswetten.
Als wettelijke basis voor
het bevorderen van samenwerking bevat de onderhavige wet een
algemene samenwerkingsbepaling die vergelijkbaar is met overeenkomstige
bepalingen in andere regelgeving, zoals de Abw en de
Arbeidsvoorzieningswet 1996. Te zijner tijd zal bezien worden of, en zo ja, hoe deze
samenwerkingsbepaling moet worden ingevuld, in lijn met de invulling van de
samenwerkingsbepaling in de overige genoemde wetten.
Een belangrijk element
waar het de samenwerking met Arbeidsvoorziening betreft, is de
stroomlijning van de verdeling van taken op het terrein van
gesubsidieerde arbeid die met de Wiw wordt gerealiseerd. Nadrukkelijker dan in het
verleden het geval was, is de verantwoordelijkheid voor het realiseren van
gesubsidieerde arbeid bij gemeenten neergelegd. Om die reden
is afgezien van de verplichting om afspraken tussen gemeenten en
Arbeidsvoorziening te maken over de gemeentelijke uitvoeringsorganisaties.
Tevens wordt de subsidie van Arbeidsvoorziening voor gemeentelijke
banenpoolplaatsen in het gemeentelijk Werkfonds geïncorporeerd, zodat
de afzonderlijke subsidievoorwaarden kunnen vervallen. Uitgangspunt
is dat de samenwerking op dit terrein via de algemene
samenwerkingsafspraken inhoud krijgt.
Ook de samenwerking
tussen gemeenten en Arbeidsvoorziening, zoals die in het kader van het
activerend arbeidsmarktbeleid voor jongeren sinds 1992 bestaat, heeft in
de onderhavige wet een nieuwe invulling
gekregen. In de nieuwe
situatie blijft echter ook Arbeidsvoorziening de eerstverantwoordelijke
voor de arbeidsbemiddeling van jongeren en langdurig werklozen
vanuit gesubsidieerde arbeid.
rblz.|9|
2.3. Activerend
arbeidsmarktbeleid voor jongeren
Voorgeschiedenis
Doel van het activerend
arbeidsmarktbeleid voor jongeren (AAJ) was de toegenomen werkloosheid
onder jongeren te bestrijden, langdurige werkloosheid onder
jongeren te voorkomen en werkloze jongeren te laten doorstromen naar regulier
werk of scholing. Door middel van een stapsgewijze invoering
zou in 1998 worden voorzien in een sluitende aanpak van de
jeugdwerkloosheid voor alle werkloze jongeren tot 21 jaar en alle werkloze
schoolverlaters tot 27 jaar.
Het AAJ wordt door
gemeenten en Arbeidsvoorziening gezamenlijk uitgevoerd. Daarbij zijn
drie fasen onderscheiden. De eerste fase treedt in werking direct nadat de
jongere zich als werkloos werkzoekende heeft laten inschrijven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. In deze fase dient
het arbeidsbureau [zie Centrum voor werk en inkomen
(CWI), red.] zich in
te spannen om de jongere te bemiddelen naar werk of scholing. Deze
eerste periode duurt een half- tot maximaal één jaar. Als de bemiddeling
naar werk of scholing na een halfjaar of maximaal één jaar
niet is gelukt, dan treedt de tweede fase van het AAJ in werking. De gemeente
biedt de jongere in deze fase een dienstbetrekking aan in het kader van de
Jeugdwerkgarantiewet. In deze fase wordt de jongere geacht een zodanige werkervaring op te doen dat doorstroming
naar werk of scholing op
de kortst mogelijke termijn alsnog wordt gerealiseerd. De derde
fase van het AAJ begint op het moment dat de JWG-organisatie en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie vaststellen dat de jongere geschikt is voor
bemiddeling. De organisaties zijn dan gezamenlijk
verantwoordelijk voor de realisatie van de uitstroom.
Het AAJ heeft geleid tot
een intensivering van de dienstverlening van de arbeidsbureaus voor
jongeren. Bij de eerste evaluatie bleek de effectiviteit van de eerste fase van het AAJ echter beperkt. Vrijwel alle
jongeren die in de eerste
fase een reguliere baan of opleidingsplaats vinden, zouden daarin ook
geslaagd zijn zonder AAJ. De indruk was tevens dat een deel van
de jongeren die worden overgedragen naar de gemeente
onnodig op een
garantieplaats terechtkomt. Met meer inspanningen in de eerste
fase van het AAJ hadden deze jongeren buiten de JWG kunnen blijven.
Van 25% jongeren die uit de JWG doorstroomde naar een reguliere arbeids- of opleidingsplaats meende ruim de helft dat
zij ook zonder JWG-dienstbetrekking wel een baan zouden hebben gevonden, terwijl een
aanzienlijk deel van de werkgevers die deze jongeren hadden ingeleend
hetzelfde oordeel had.
Anderzijds bleek eveneens
dat nog altijd een aantal jongeren een bijstandsuitkering ontvangt. Deels zijn dit jongeren die niet beschikbaar
zijn voor de
arbeidsmarkt, vanwege in de persoon gelegen factoren, of in de wachttijd voor
toetreding tot de JWG zitten, maar deels zijn dit eveneens jongeren die wel
degelijk in aanmerking kunnen komen voor een dienstbetrekking in
het kader van de JWG. Voor die jongeren die na de eerste fase niet een
zodanig niveau hebben dat een detacheringsplaats in het JWG tot de
mogelijkheden behoorde, is in 1994 de voorbereidingsfase geïntroduceerd, waarbij in het kader van de JWG ter voorbereiding op een
dienstbetrekking activiteiten kunnen worden gevolgd. De regeling als
zodanig is daarmee wederom complexer geworden.
Nieuwe benadering voor
jongeren
Het kabinet is van
oordeel dat de doelstelling van een sluitende benadering voor jongeren,
zoals die in eerste instantie in het AAJ en de rblz.|10|
Jeugdwerkgarantiewet tot ontwikkeling is gebracht, ook in het kader van de
onderhavige wet vorm
moet krijgen. Het mag niet voorkomen dat jongeren werkloos thuis
zitten en gewennen aan een situatie van werkloosheid en
afhankelijkheid van een uitkering. Het mag echter ook niet voorkomen dat
jongeren die met enige hulp reguliere arbeid kunnen vinden ten onrechte een
gesubsidieerde arbeidsplaats krijgen.
Gegeven de problemen die
bij de evaluatie van het AAJ zijn gesignaleerd en gegeven de veel
bredere benadering, met inbegrip van sociale activering, in het kader
van de onderhavige wet vergeleken met de
Jeugdwerkgarantiewet, is
gekozen voor een herijking van de vormgeving en de inhoud van het
activerend arbeidsmarktbeleid voor jongeren. Alleen zo kan zeker worden
gesteld dat een sluitende benadering daadwerkelijk wordt gerealiseerd en dat
de jongeren op de kortst mogelijke termijn met inzet van de meest
effectieve middelen worden toegeleid naar arbeid of scholing.
In plaats van een
splitsing van het AAJ in fasen waarin verschillende uitvoerders verantwoordelijk zijn, staat in het kader van
de onderhavige
wet een trajectbenadering
voor ogen waarin partijen gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor
het gehele traject dragen, aansluitend bij de hiervoor geschetste procesgerichte samenwerking. Dit betekent dat de
gemeente vanaf het eerste
begin betrokken is bij de beoordeling of naast of in plaats van het
zoeken naar werk, andere voorbereidende of op sociale activering
gerichte activiteiten noodzakelijk zijn.
Met elke jongere die zich
meldt als werkloos werkzoekende bij het arbeidsbureau of die een
aanvraag indient voor een uitkering ingevolge de Abw, vindt in deze trajectbenadering een eerste gezamenlijke intake
plaats door gemeente en arbeidsbureau, voor zover noodzakelijk aangevuld met de
bedrijfsvereniging. In dit eerste gesprek wordt beslist of de jongere kansrijk
genoeg is om zelfstandig, dan wel met enige hulp, een reguliere baan of
opleiding te vinden. Het traject voor jongeren die naar verwachting op eigen
kracht een reguliere baan kunnen vinden, bestaat dan uit het volgen en
stimuleren van het sollicitatiegedrag. Een traject zal voor het overgrote deel
van de jongeren tot deze activiteiten beperkt kunnen blijven.
Blijkt in het eerste
intakegesprek dat de jongere naar verwachting niet binnen afzienbare tijd
zelfstandig reguliere arbeid zal vinden, dan wordt in een meer uitgebreide
intake een individueel traject geformuleerd om de periode van werkloosheid
en uitkeringsafhankelijkheid zo kort mogelijk te laten duren.
De
gemeente en Arbeidsvoorziening bepalen in onderling overleg met de jongere welk traject
wordt doorlopen. De afspraken worden vastgelegd in een trajectplan als bedoeld in
artikel 70, derde lid, Abw. Ook met
werkloze jongeren onder
de 18 jaar die niet Abw-gerechtigd zijn, wordt een dergelijk plan
schriftelijk overeengekomen. In dit trajectplan wordt helder vastgelegd welke
activiteiten worden ondernomen, met welk doel en wie daarvoor de
verantwoordelijkheid draagt. Het is de bedoeling dat alle jongeren die zich
bij Arbeidsvoorziening of gemeente melden na de intake duidelijk is wat
van hen wordt verwacht en welke inspanningen zij van de betrokken organisaties mogen verwachten. Evenals voorheen blijft
Arbeidsvoorziening de eerstverantwoordelijke voor bemiddeling naar reguliere arbeid.
De hier geschetste
benadering betekent een verbreding ten opzichte van de sluitende aanpak in
het kader van AAJ en Jeugdwerkgarantiewet. De gemeente
is verplicht
alle jongeren die een bijstandsuitkering ontvangen, rblz.|11|
in samenwerking met Arbeidsvoorziening, een traject aan te bieden. Ook in het geval dat de
jongere niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt dient een traject te worden
opgesteld dat zich erop richt de jongere op termijn alsnog geschikt te maken
voor de arbeidsmarkt. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat met een verslaafde een zorgtraject wordt opgesteld om van
zijn verslaving af te
komen of dat met een alleenstaande ouder met de zorg voor jonge kinderen
een activiteit wordt afgesproken die de uitstroomkansen bij het
beschikbaar komen voor de arbeidsmarkt bevorderen.
Met de nieuwe benadering
wordt bereikt dat gemeenten en Arbeidsvoorziening op een flexibeler manier
dan thans hun instrumentarium kunnen inzetten om de periode van werkloosheid en uitkeringsafhankelijkheid
zo kort mogelijk te laten duren. In de tweede plaats wordt door de gezamenlijke
intake en uitwerking van het traject voorkomen dat de betrokken organisaties
een passieve houding kunnen aannemen in afwachting van de
inwerkingtreding van een volgende fase waarin een andere organisatie
verantwoordelijk is. De hiervoor geschetste benadering zal in overleg
met de betrokken organisaties en instanties worden uitgewerkt.
Noodzakelijke regelgeving kan worden gebaseerd op artikel
7, tweede lid,
van deze wet.
Rol van
bedrijfsverenigingen
In tegenstelling tot de
Jeugdwerkgarantiewet vallen jongeren die een uitkering ontvangen
ingevolge de Werkloosheidswet onder de sluitende benadering. Het is
hierbij niet relevant of de WW-rechten zijn opgebouwd in een Wiw-dienstbetrekking of tijdens een regulier dienstverband. In die
gevallen dat de jongeren
een uitkering ingevolge de WW ontvangen, is het realiseren van de sluitende benadering in eerste instantie de verantwoordelijkheid
van de bedrijfsverenigingen. De bedrijfsvereniging kan in overleg met Arbeidsvoorziening, en zo nodig de
gemeente, een traject
uitzetten. In een dergelijke situatie fungeert de uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet voor de jongere als inkomensvoorziening. Van eventuele aanvullende
kosten kan bij de opstelling van het traject worden vastgesteld op welke
wijze deze worden gefinancierd. Daartoe kunnen ook Wiw-middelen worden
ingezet, omdat de betrokken jongeren, op grond van de titel
uitkeringsgerechtigden, eveneens tot de doelgroep van de
onderhavige
wet behoren.
De bedrijfsverenigingen hebben ook de mogelijkheid om voor een
WW-gerechtigde een traject in het kader van de Wiw in te kopen (zie
hoofdstuk 7).
2.4. Inrichting van de
uitvoeringsorganisatie door gemeenten
De wijze waarop voorheen
aan de regelingen voor gesubsidieerde arbeid vorm werd gegeven
aan de uitvoering was verschillend. In de Jeugdwerkgarantiewet was
bepaald dat de gemeente een stichting diende op te richten die de wet uitvoerde. De gemeente droeg de verantwoordelijkheid
voor het functioneren van
de stichting, hetgeen tot uitdrukking diende te komen in de
statuten van de stichting. De Rijksbijdrageregeling banenpools (Stcrt. 1990,
169; laatstelijk gewijzigd Stcrt. 1996, 18) bevatte een vergelijkbare
bepaling; de gemeente diende op basis van een samenwerkingsafspraak met
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie een stichting op te richten
die tot taak had deelnemers aan de banenpoolregeling in dienst te nemen en ter
beschikking te stellen aan werkgevers in de collectieve sector
of de non-profitsector.
Gemeenten
werken vaak
samen bij de uitvoering van de JWG en banenpoolregeling door
een uitvoeringsorganisatie op te richten die functioneert voor het
gezamenlijke grondgebied. In de nu nog circa 630 rblz.|12|
gemeenten in Nederland
zijn ongeveer 120 JWG- en/of banenpoolstichtingen actief.
In de
Wiw worden geen
vormvoorschriften voor de uitvoeringsorganisatie gegeven. Het staat een gemeente
vrij om zelf de wet uit te voeren en daarvoor een
organisatie op te richten of om een onafhankelijk rechtspersoon daartoe aan
te wijzen, waarbij kan worden gekozen of en in hoeverre met andere gemeenten wordt samengewerkt. Desgewenst kan
de gemeente de uitvoering overlaten aan meerdere uitvoeringsorganisaties,
bijvoorbeeld wanneer deze specifieke deskundigheden op verschillende
deelterreinen van de arbeidsmarkt hebben. De wet stelt, anders dan de JWG en
banenpoolregeling, ook geen bijzondere vereisten aan de rechtsvorm van de
uitvoeringsorganisatie. De enige voorwaarde die wordt gesteld is dat
de uitvoeringsorganisatie rechtspersoonlijkheid heeft. Voor de bestaande
banenpoolstichtingen en JWG-organisaties heeft de totstandkoming van de
Wiw geen bijzondere consequenties. Deze organisaties kunnen door
een gemeente worden aangewezen als de uitvoeringsorganisatie,
bedoeld in artikel 8 van de wet. Ook de instroompools zoals die in het kader
van de experimenten met de inzet van uitkeringsgelden vorm
hebben gekregen, kunnen met de daar gehanteerde methodiek functioneren
als uitvoeringsorganisatie in het kader van deze wet.
Van nieuwe deelnemingen
of oprichtingen behoeft dus op zichzelf geen sprake te zijn. Voor
zover gemeenten tot nieuwe oprichtingen of deelnemingen besluiten, naast of in
plaats van de bestaande JWG-/banenpoolorganisaties,
zal de motiveringsvereiste van artikel 155 Gemeentewet
voluit
gelden.
De mogelijkheid staat
open om zonder gebruik te maken van gemeentelijke commissies of een
gemeenschappelijke regeling de uitvoering van gemeentelijke Wiw-taken
op te dragen aan een (bestaande), al dan niet privaatrechtelijke, rechtspersoon. Vanwege het belang bestaande kanalen
en structuren zoveel mogelijk te kunnen benutten en met het oog op de wenselijk geachte
gemeentelijke beleidsvrijheid, is er niet voor gekozen de wijze of de schaal
waarop
taken met inschakeling van derden worden uitgevoerd dwingend voor te schrijven.
De beleidsvrijheid van de
gemeente ten aanzien van de organisatie van de
uitvoering laat
onverlet dat de gemeente de volledige verantwoordelijkheid voor de uitvoering
draagt. Teneinde de uitoefening van deze verantwoordelijkheid te kunnen garanderen, dient de inhoud van de
rechtsbetrekking tussen
gemeente en de rechtspersoon die is belast met de uitvoering van de wet
in een aanwijzingsbesluit te worden geregeld. Langs deze band kunnen de
mogelijke risico’s (in de sfeer van gebrek aan sturing en controle) in
geval van privaatrechtelijke samenwerking tussen overheid en particulieren
worden afgedekt.
Ongeacht de
uitvoeringsstructuur die wordt gekozen, is de gemeente
de werkgever voor de Wiw-werknemer, dat wil zeggen dat een arbeidsovereenkomst op grond van
onderhavige wet wordt afgesloten tussen de gemeente en de
Wiw-werknemer. Dit sluit echter niet uit dat de gemeente de uitvoeringsorganisatie
kan machtigen om namens haar een dienstbetrekking aan te gaan.
In de
Wet sociale
werkvoorziening (Wsw) is ten aanzien van de uitvoering dezelfde
benadering gevolgd, hetgeen betekent dat desgewenst de uitvoering van Wiw en
Wsw kan worden geïntegreerd. Door het verdwijnen van de divergerende eisen die in de vroegere regelgeving aan
de uitvoeringsorganisaties werden gesteld en door de stroomlijning van Wsw en
Wiw op het terrein
van rechtspositie, arbeidsvoorwaarden en medezeggenschap, zijn er
geen regeltechnische belemmeringen meer om rblz.|13|
te komen tot een geïntegreerde gemeentelijke uitvoering van beide regelingen. In dit
verband wordt tevens opgemerkt dat ook ten aanzien van de informatievoorziening van
gemeenten
naar het Rijk en voor de
invulling van het toezicht op de uitvoering van Wsw en Wiw zoveel mogelijk voor een
eensluidende benadering wordt gekozen.
3. De doelgroep
3.1. Ruimte voor een
integrale benadering
Kenmerk van de
regelingen waarvoor de onderhavige
wet in de plaats treedt, is dat zij elk
een specifieke omschrijving van de doelgroep kennen en dat het instrumentarium dat door middel van die regeling ter
beschikking van de gemeente staat alleen voor die specifieke doelgroep kan worden aangewend
onder ook weer voor die regeling specifieke voorwaarden.
Zo voorziet de
Jeugdwerkgarantiewet in een sluitende aanpak voor alle werkloze jongeren tot 21
jaar en op termijn alle werkloze schoolverlaters tot 27 jaar. Aan hen
biedt de gemeente een JWG-dienstbetrekking dan wel een zogenaamde
voorbereidingsovereenkomst aan indien de jongere er
binnen een halfjaar of één jaar niet in is geslaagd op eigen kracht of met
hulp van Arbeidsvoorziening scholing of werk te vinden. De jongere die een
JWG-dienstbetrekking met een JWG-organisatie heeft, wordt gedetacheerd bij
een
werkgever in de collectieve sector, de non-profitsector of de
marktsector.
De banenpoolregeling is
uitsluitend bestemd voor zeer moeilijk bemiddelbare werklozen
die langer dan drie jaar werkloos zijn. Zij kunnen een arbeidsovereenkomst
met een banenpoolorganisatie aangeboden krijgen die hen vervolgens detacheert op additionele plaatsen in de
collectieve sector of de non-profitsector, echter niet in de marktsector.
De gemeentelijke
instrumenten op het terrein van de sociale activering vinden hun kader in de
Algemene bijstandswet. Daar is vastgelegd dat de gemeenten
de hoofdlijnen
van het activeringsbeleid moeten vastleggen in een beleidsplan. De instrumenten in dit kader richten zich uiteraard
primair op de populatie
van bijstandsgerechtigden.
De
Wet inschakeling
werkzoekenden beoogt deze categoriale benadering van afzonderlijke doelgroepen te doorbreken door uit te gaan
van een brede doelgroepomschrijving. Gemeenten krijgen met
deze wet de mogelijkheid om
een
integraal arbeidsmarktbeleid te voeren dat zowel gericht is op toetreding
tot de arbeidsmarkt als op verkleining van de afstand tot de
arbeidsmarkt, dan wel het voorkomen dat deze afstand groter wordt en mensen de
aansluiting met de maatschappij dreigen te verliezen.
Deze wet heeft een zeer
brede doelstelling en een ruim omschreven doelgroep. De brede
doelgroepomschrijving heeft tot gevolg dat subdoelgroepen elkaar gedeeltelijk overlappen (een langdurig werkloze of
jongere kan ook uitkeringsgerechtigd zijn). Hiervoor is gekozen teneinde
te voorkomen dat bepaalde uitkeringscategorieën of werklozen zonder uitkering voor deelname aan de voorzieningen die de wet biedt, worden
uitgesloten. Overweging
daarbij is dat de Wiw fungeert als een sluitstuk van het gehele arbeidsmarktinstrumentarium en daarmee in beginsel voor
iedere werkloze/uitkeringsgerechtigde die via het reguliere instrumentarium
niet aan de slag is gekomen, toegankelijk moet zijn.
Het voorgaande betekent
evenwel niet dat alle personen in gelijke mate gebruik kunnen maken van
alle voorzieningen die de wet biedt. Zo geldt er alleen ten aanzien van
de categorie jongeren een sluitende benadering rblz.|14|
en kunnen alleen jongeren
en langdurig werklozen die daarvoor door Arbeidsvoorziening in overleg met gemeenten zijn
geïndiceerd, in
aanmerking komen voor een gesubsidieerde arbeidsplaats of een werkervaringsplaats.
De brede
doelgroepomschrijving draagt het risico in zich dat bij selectie van deelnemers voor
gesubsidieerde arbeid bepaalde categorieën werklozen en uitkeringsgerechtigden in onvoldoende mate vertegenwoordigd
zijn, waarbij in het
bijzonder wordt gedacht aan oudere werklozen met een lage
opleiding. Mede in het licht van de voorgenomen wet voor het vastleggen
van het verbod op onderscheid op grond van leeftijd bij werving en
selectie acht het kabinet een evenredige deelname van de verschillende
leeftijdscategorieën werklozen/uitkeringsgerechtigden
wenselijk. Om die reden zullen in de monitoring van de uitvoering van de
Wiw leeftijd en opleiding van Wiw-werknemers en werknemers op een
werkervaringsplaats aandachtspunten vormen.
3.2. Nadere omschrijving
van de doelgroep
Zoals gezegd behoren in
de eerste plaats alle personen die een uitkering ingevolge de socialezekerheidswetgeving ontvangen tot de doelgroep van de
Wet inschakeling werkzoekenden. Dit betekent dat alle
Abw-, Ioaw- en Ioaz-uitkeringsgerechtigden voor activiteiten in het kader van
de activering of gericht
op uitstroom uit de uitkering niet langer zijn aangewezen op de Abw
zelf, maar op de Wet inschakeling werkzoekenden. Voor
uitkeringsgerechtigden die een uitkering ontvangen ingevolge één van de
socialeverzekeringswetten geldt dat zij, naast de activeringsmiddelen die
in het kader van die regelingen beschikbaar zijn, ook voor activiteiten in
het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden in aanmerking kunnen
worden gebracht.
In de tweede plaats
behoren langdurig werklozen tot de doelgroep van de Wet inschakeling
werkzoekenden. Onder langdurig werkloze wordt in dit verband begrepen de
persoon die langer dan één jaar als werkloos werkzoekende staat ingeschreven bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Voor de vaststelling van
de duur van de werkloosheid en de gelijkstelling aan langdurig werkloze
zal in de ministeriële regeling op grond van artikel
1, derde lid, worden
aangesloten bij de definitiebepalingen krachtens de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Dit betekent onder andere
dat voor de bepaling van de duur van de werkloosheid korte
periodes dat de werkloosheid is onderbroken voor het verrichten van arbeid
als werkloosheid worden aangemerkt voor zover deze periodes gezamenlijk
niet meer dan 50 dagen of 400 uur op jaarbasis hebben bedragen. Ook een
periode van detentie wordt aangemerkt als werkloosheidsperiode,
evenals de periode waarin na toestemming van Arbeidsvoorziening, de
bedrijfsvereniging of de gemeente
onbetaalde arbeid of
vrijwilligerswerk is verricht of een cursus, opleiding of scholing is gevolgd.
Tevens zal in de ministeriële regeling worden geregeld dat uitkeringsgerechtigden die zich in een
vergelijkbare positie bevinden als personen die één jaar werkloos
werkzoekend zijn, worden gelijkgesteld aan een langdurig werkloze.
Ten slotte behoren alle
werkloze jongeren onder de 23 jaar tot de doelgroep. Voor deze
categorie geldt een sluitende benadering. Net als met de "sluitende
aanpak" in het kader van de Jeugdwerkgarantiewet
wordt met deze sluitende benadering beoogd te voorkomen dat jongeren bij hun intrede op de
arbeidsmarkt al langdurig in een werkloosheidssituatie terechtkomen en aan een
situatie van werkloosheid en uitkeringsafhankelijkheid gewennen.
rblz.|15|
De sluitende benadering
in het kader van de onderhavige
wet wijkt in een aantal opzichten af
van de "sluitende aanpak" in het kader van de
Jeugdwerkgarantiewet. In
de eerste plaats houdt de nieuwe benadering in dat voor alle jongeren
die tot de doelgroep behoren, ook voor degenen die in het kader van de
JWG nog niet voor een dienstbetrekking of een zogenaamde voorbereidingsovereenkomst in aanmerking komen, een
traject gericht op inschakeling in het arbeidsproces wordt opgesteld onder
gezamenlijke verantwoordelijkheid van de gemeente
en Arbeidsvoorziening.
In afwijking van de
Jeugdwerkgarantiewet is de sluitende benadering beperkt tot werkloze
jongeren onder de 23 jaar. Uit de evaluatie en monitoring van de Jeugdwerkgarantiewet komt naar voren dat
die wet
vooral een belangrijke functie vervult voor de verbetering van de arbeidsmarktperspectieven
van kansarme jongeren met een lage, dan wel afgebroken opleiding.
Voor jongeren met een hogere opleiding blijkt de effectiviteit van de
Jeugdwerkgarantiewet beperkt te zijn, aangezien deze jongeren er ook zonder de
werkervaring in het kader van de Jeugdwerkgarantiewet over het algemeen wel in
geslaagd zouden zijn om een baan te verwerven. Van
jongeren die op 23-jarige leeftijd hun intrede op de arbeidsmarkt doen, mag
worden aangenomen dat zij voldoende scholing hebben om, zo nodig met de
inzet van Arbeidsvoorziening, op redelijke termijn een reguliere
baan te vinden. Een sluitende benadering voor deze categorie jongeren is een
te zwaar middel.
Schoolverlaters van 23
jaar of ouder die er desondanks niet in slagen een baan te verkrijgen,
kunnen overigens, net als andere langdurig werklozen of uitkeringsgerechtigden, in aanmerking worden gebracht
voor activiteiten in het kader van de Wet inschakeling
werkzoekenden. Voor jongeren van 23 jaar of ouder die vóór de invoering van de Wet inschakeling
werkzoekenden zijn ingestroomd in de Jeugdwerkgarantiewet, is een overgangsregeling
getroffen.
In de
Wet inschakeling
werkzoekenden wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen werkloze
jongeren en werkloze schoolverlaters. Dit onderscheid is minder
relevant door de beperking van de doelgroep tot jongeren onder de 23
jaar; bovendien leverde het begrip schoolverlater in
de Jeugdwerkgarantiewet
in de uitvoering veel interpretatieproblemen op. Verder moet ook ten
aanzien van jongeren die gedurende enige tijd werkzaamheden hebben
verricht en die daarna (weer) werkloos zijn geworden, voorkomen
worden dat zij gewennen aan de werkloosheidssituatie.
3.3. Samenhang met de
doelgroep van de sociale werkvoorziening
In het kader van de
stroomlijning van de regelingen voor gesubsidieerde arbeid verdient de
samenhang tussen deze wet en de Wet sociale werkvoorziening op een
tweetal punten bijzondere aandacht. Het betreft in de eerste plaats de positie van jongeren met een arbeidshandicap in het
kader van de hiervoor geschetste sluitende benadering van werkloze jongeren. In de tweede
plaats verdient de positie nadere overweging van SW-werknemers [SW:
sociale werkvoorziening, red.] van wie bij
de periodieke herindicatie wordt vastgesteld dat zij niet langer tot
de doelgroep van de Wsw behoren.
Ook voor werkloze
jongeren met een arbeidshandicap is de sluitende benadering van
toepassing. Jongeren die mogelijk in aanmerking komen voor arbeid in de sociale
werkvoorziening kunnen worden aangemeld bij gemeentelijke
adviescommissies die de Dienst indicatiestelling sociale werkvoorziening adviseren
omtrent de indicatiestelling. De Dienst stelt mede op basis van het
advies vast of een jongere inderdaad is aangewezen op arbeid onder
aangepaste omstandigheden of dat hij wellicht rblz.|16|
niet in staat is tot gangbare arbeid, dan wel in staat is tot arbeid onder
normale omstandigheden. Jongeren die niet in staat worden geacht tot het verrichten van arbeid
zullen veelal zijn aangewezen op dagopvang in zorginstellingen voor
gehandicapten. Dit staat evenwel niet in de weg dat ook deze jongeren tot het
bereiken van de 23-jarige leeftijd onder de sluitende benadering van
de Wet inschakeling werkzoekenden blijven vallen, hetgeen kan
betekenen dat voor deze jongeren een zorgtraject moet worden uitgezet.
Werkloze jongeren van wie
de Dienst indicatie sociale werkvoorziening heeft vastgesteld dat zij
tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening behoren, worden geplaatst
op een lijst van geïndiceerden, in afwachting van een
Wsw-dienstbetrekking. Voor personen van 23 jaar of ouder betekent dit dat
zij moeten wachten tot een arbeidsplaats beschikbaar komt. Artikel
10 van de onderhavige
wet regelt de sluitende benadering voor
Wsw-geïndiceerde jongeren. De gemeente
is krachtens dit artikel verplicht een
dergelijke jongere een dienstbetrekking in het kader van de Wiw
aan te
bieden, waarbij hij tot het bereiken van de 23-jarige leeftijd in het
kader van de sociale werkvoorziening wordt tewerkgesteld.
In deze periode blijft
hij geïndiceerd voor een Wsw-dienstbetrekking, zodat afhankelijk van de
leeftijd waarop hij is begonnen met werken, er redelijke kansen zijn dat
reeds vóór zijn 23-ste jaar een Wsw-dienstbetrekking kan worden aangegaan. Bovendien vormt het
verschil in hoogte van de
subsidie voor een Wiw-dienstbetrekking en een Wsw-dienstbetrekking voor
de gemeente
een financiële stimulans om een Wiw-dienstbetrekking in
deze gevallen bij voorrang in een Wsw-dienstbetrekking om te zetten.
Mocht het onverhoopt niet
lukken om betrokken jongere vóór of bij het bereiken van zijn 23-ste
jaar aansluitend een Wsw-dienstbetrekking aan te bieden, dan bestaat in
beginsel de mogelijkheid om onmiddellijk aansluitend op het - in verband met het niet langer van toepassing zijn
van de sluitende
benadering - verplicht voorgeschreven ontslag bij het bereiken van de leeftijd
van 23 jaar een nieuwe Wiw-dienstbetrekking aan te bieden, in afwachting
van aanbieding van een Wsw-dienstbetrekking. De gemeente
kan daarmee
voorkomen dat betrokken jongeren bij het bereiken van de leeftijd
van 23 jaar tussen wal en schip geraken.
Een tweede punt van
aandacht betreft werknemers in de sociale werkvoorziening van wie
bij herindicatie door de Dienst indicatiestelling sociale werkvoorziening
is vastgesteld dat zij niet langer tot de doelgroep van de Wet sociale
werkvoorziening kunnen worden gerekend. In artikel
6, tweede lid, onderdeel
b, van
de Wsw is bepaald dat indien is vastgesteld dat een Wsw-werknemer niet langer tot de doelgroep behoort, deze kan
worden ontslagen zodra
voor hem passende arbeid feitelijk beschikbaar is. Personen die als
gevolg van een gunstige ontwikkeling in hun arbeidsmogelijkheden niet
langer tot de SW-doelgroep behoren, zullen over het algemeen genomen
geen sterke positie op de arbeidsmarkt hebben en dus niet in
alle gevallen zonder meer naar een reguliere baan kunnen doorstromen.
Om te voorkomen dat deze
personen langdurig in de sociale werkvoorziening arbeidsplaatsen bezetten,
terwijl er SW-geïndiceerden op de wachtlijst staan, kan de gemeente
hun uitstroom bevorderen door een Wiw-dienstbetrekking of een werkervaringsplaats aan te bieden. Een
dergelijk aanbod moet
worden beschouwd als een aanbod van passende arbeid. Er is gezien het
verschil in rijkssubsidie voor de gemeente geen financiële stimulans
om een Wsw-dienstbetrekking om te zetten in een
rblz.|17|
Wiw-dienstverband. De
Dienst indicatiestelling sociale werkvoorziening kan vaststellen welke
gemeenten geen gebruik maken van de mogelijkheid de
doorstroming uit de Wsw op deze wijze te bevorderen. In dergelijke gevallen is
nader overleg van Rijk en gemeente in het kader van het rijkstoezicht op zijn
plaats.
De
gemeente kan met SW-werknemers die doorstromen naar de
Wiw direct een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangaan. Ook geldt voor deze groep niet de
voorwaarde dat de eerste twee jaar van hun dienstbetrekking het wettelijk minimumloon dient te worden betaald.
3.4. Samenhang met de
doelgroep van de Werkloosheidswet
Tot de groep van
langdurig werklozen worden ook gerekend degenen die na één jaar
werkloosheid nog steeds recht hebben op een WW-uitkering. Deze groep
is gezien de toetredingseisen voor de loongerelateerde
uitkering beperkt. Immers, eerst nadat in de vijf jaren voorafgaand aan het jaar
waarin de werkloosheid is ontstaan in vier van deze vijf jaar is gewerkt,
ontstaat een recht op een loongerelateerde uitkering die langer dan één jaar kan duren.
Er zijn situaties
denkbaar dat het Wiw-instrumentarium voor deze WW-gerechtigden
bijzondere mogelijkheden biedt om hun arbeidsmarktperspectief te verbeteren, ondanks dat
zij reeds minimaal vier jaar werkervaring hebben
opgedaan. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan oudere werklozen met
een verouderde dan wel niet meer aansluitende opleiding en werkervaring
voor de arbeidsmarkt.
Het initiatief voor het
inzetten van het Wiw-instrumentarium voor uitkeringsgerechtigden
van de werknemersverzekeringen kan zowel van de zijde van de
gemeente komen, bijvoorbeeld in het kader van een wijkgerichte aanpak van
de werkloosheidsproblematiek, als van de kant van de uitvoeringsorganisaties
werknemersverzekeringen. In het kader
van de poortwachtersfunctie voor de Abw ligt het voor de hand in die gevallen waar
sprake is
van een hoog werkloosheidsrisico niet af te wachten, maar in een vroeg stadium in het kader van de samenwerking
tussen de uitvoeringsorganisaties, de gemeenten en Arbeidsvoorziening
(SWI) afspraken
te maken
over een bemiddelingstraject. De bij de bemiddeling betrokken
partijen dienen bij de toewijzing van het aantal Wiw-plaatsen, voor zover
deze niet zijn gereserveerd voor jongeren die onder de sluitende
benadering vallen, te streven naar een zodanige verdeling dat deze
overeenkomt met de verhouding WW- (en WBIA-)gerechtigden ten
opzichte van bijstandsgerechtigden binnen de Wiw-doelgroep. Binnen dit
gezamenlijk streven is het uiteindelijk de gemeentelijke
verantwoordelijkheid om vast te stellen in welke mate WW- (en WBIA-)gerechtigden van
de Wiw-voorzieningen gebruik kunnen maken.
Het
Wiw-traject kan
evenzeer geschikt zijn voor personen die na een herbeoordeling in het
kader van de AAW/WAO gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn verklaard en
daardoor tijdelijk recht hebben op een WW-uitkering. Hetzelfde geldt voor degenen die recht hebben op een
uitkering krachtens de
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria.
In gevallen waarin
gesubsidieerde arbeid in het kader van de Wiw voor deze doelgroepen aan de
orde is, ontstaat een inkooprelatie tussen de uitvoeringsorganisatie en
de gemeente. Voor de wijze waarop aan deze inkooprelatie gestalte is
gegeven, wordt verwezen naar hoofdstuk 7.
rblz.|18|
3.5. Samenhang met de
doelgroep van het voorstel tot wijziging van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag in verband met de mogelijkheid van tijdelijke afwijking
Het voorstel tot
wijziging van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag in verband met de
mogelijkheid van tijdelijke afwijking (Kamerstukken II 1995-1996, 24 667,
nrs. 1 en 2) heeft tot doel meer werk aan
de onderkant van de arbeidsmarkt te creëren door tijdelijk afwijken van
het wettelijk minimumloon (WML) mogelijk te maken. Door het regulier wettelijk minimumloon
tijdelijk te verlagen, kan betrokkene een perspectief worden geboden om zich al
werkende te kwalificeren voor een reguliere plaats op de
arbeidsmarkt.
Het voorstel voorziet in
de mogelijkheid een arbeidsovereenkomst aan te gaan waarbij in de eerste helft van de contractperiode (ten hoogste
gedurende twee jaar) het loonniveau lager kan liggen dan het WML, doch minimaal 70% WML moet
bedragen. Dit wordt vastgelegd in een nieuw artikel 8a in de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
De doelgroep van artikel
8a Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt gevormd door
langdurig werklozen waarop de "vermindering langdurig werklozen" van
de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(WVA) van toepassing is.
Deze doelgroep valt ten
dele samen met die van onderhavige wet.
Naar opvatting van het
kabinet zijn beide regelingen complementair. Gezien het betrekkelijk
geringe volume van Wiw-dienstbetrekkingen/werkervaringsplaatsen ten
opzichte van de totale doelgroep (zie hoofdstuk 7) kan het
wijzigingsvoorstel van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag in verband met de
mogelijkheid van tijdelijke afwijking worden beschouwd als een
mogelijke aanvulling op de Wiw.
Ook voor een
Wiw-dienstbetrekking dan wel een werkervaringsplaats kan artikel
8a Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag van toepassing zijn. Dat wil
zeggen dat met een werknemer werkzaam op een Wiw-dienstbetrekking of -werkervaringsplaats kan worden overeengekomen
dat gedurende de eerste helft van de contractperiode kan worden afgeweken van het
wettelijk minimumloon. Bij het aangaan van deze overeenkomst dienen
schriftelijke afspraken te worden gemaakt over scholing c.q. begeleiding
van de betrokken werknemer.
3.6. Samenhang met de Regeling
extra werkgelegenheid langdurig werklozen
1996
In haar advies heeft de
Raad van State de aanbeveling gedaan om de Regeling extra
werkgelegenheid langdurig werklozen 1996 [opgegaan in Besluit
in- en doorstroombanen, red.] te integreren met de Wiw
- voor zover de
regeling door de gemeenten
wordt uitgevoerd - gezien de overlap in doelgroep en werksoort.
Het kabinet heeft vanwege
het afwijkende karakter van de regeling hiervoor niet gekozen.
De langdurig werkloze
vormt het uitgangspunt van de Wiw. Deze heeft een zodanige afstand tot
de arbeidsmarkt dat indienstname door reguliere werkgevers (vooralsnog)
uitgesloten is. Alleen door middel van een detacheringsconstructie
waarbij de inlener geen enkel risico loopt (disfunctioneren,
salarisdoorbetaling bij ziekte, enz.) en een geringe inleenvergoeding, kan
deze categorie werklozen in staat worden gesteld werkervaring op te doen.
Daarnaast gaat het om een categorie langdurig werklozen die alleen met
een loonkostensubsidie door een reguliere werkgever in dienst
zullen worden genomen.
De Regeling extra
werkgelegenheid langdurig werklozen 1996 heeft niet de werknemer als
uitgangspunt, maar de arbeidsplaats. De regeling beoogt in feite niets
anders dan een uitbreiding van de collectieve sector rblz.|19|
met 40 000 arbeidsplaatsen, waarbij het kabinet de maatschappelijk
behoeften aan meer veiligheid en zorg heeft gecombineerd met het bieden van een nieuw
arbeidsmarktperspectief voor laagopgeleide werklozen.
Het enige bijzondere
kenmerk hierbij ligt in het vereiste dat een langdurig werkloze de
arbeidsplaats inneemt. De werknemer treedt daarbij in dienst van de
reguliere werkgever die zo’n arbeidsplaats beschikbaar heeft,
waarbij detacheringsconstructies niet zijn toegestaan.
Het grootste deel van
deze personen komen niet in dienst van gemeenten, maar van
reguliere werkgevers.
4. Het instrumentarium:
activering en scholing
4.1. Inleiding
De rijksoverheid stelt
aan de gemeente een subsidie ter beschikking ter uitvoering van
de wet. De
subsidie kan door de gemeente worden aangewend voor een aantal
doeleinden. In de eerste plaats kan de gemeente de subsidie benutten voor het aanbieden van gesubsidieerde
arbeid aan personen die
tot de doelgroep behoren en van wie de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
heeft aangegeven dat zij zijn aangewezen op gesubsidieerde arbeid.
Het gaat daarbij om een
tweetal typen van gesubsidieerde arbeid. Zoals via de banenpoolregeling
en de Jeugdwerkgarantiewet reeds het geval was, heeft de gemeente
de
mogelijkheid langdurig werklozen en werkloze jongeren te detacheren
bij reguliere werkgevers. De betrokkenen worden op arbeidsovereenkomst in
dienst genomen door de gemeente en vervolgens ingeleend door
een werkgever (zie hoofdstuk 6). Nieuw in de
onderhavige
wet is de
mogelijkheid voor de gemeente om ook middelen ter beschikking te
stellen voor werkervaringsplaatsen ten behoeve van de doelgroep. Op de
motivering voor dit nieuwe instrument ten behoeve van het activerend
arbeidsmarktbeleid van gemeenten en op de positionering ten opzichte van de
werkervaringsplaatsen die Arbeidsvoorziening subsidieert via de
Kaderregeling arbeidsinpassing en ten opzichte van de experimenten activering
uitkeringsgelden, wordt ingegaan in hoofdstuk 5.
De tweede manier waarop
de gemeente de rijkssubsidie kan aanwenden, is voor het
ter beschikking stellen van gemeentelijke bijdragen waardoor
personen die tot de doelgroep behoren in staat worden gesteld om deel te
nemen aan scholing of andere activiteiten die bijdragen tot sociale
activering van betrokkene of tot inschakeling in de arbeid. Daarnaast wordt
de mogelijkheid geboden een financiële incentive te verstrekken in
geval
van deelname aan scholing of het aanvaarden van betaalde arbeid. Ook kan
een bijdrage worden verleend in de kosten van kinderopvang. De
verlening van gemeentelijke subsidies als hier bedoeld, kan uitsluitend
geschieden op grond van een gemeentelijke verordening. Artikel
3, vijfde
lid,
biedt de mogelijkheid eisen te stellen aan de aard van de activiteiten die de
gemeente aanbiedt. Van deze mogelijkheid zal gebruik gemaakt worden
voor zover onder andere de experimenten met betrekking tot activiteiten met
behoud van uitkering daartoe aanleiding geven.
Naast de instrumenten die
de gemeenten specifiek in het kader van de Wiw ter beschikking staan,
kunnen in het kader van een integraal activeringsbeleid uiteraard ook andere aan de gemeenten ter beschikking
staande instrumenten worden ingezet, onder andere in de sfeer van zorg en hulpverlening.
De
Wiw laat toe dat gemeenten
ook eigen varianten ontwikkelen, zolang die maar leiden tot
activering of uitstroom uit de uitkering. De wet
biedt rblz.|20|
de algemene kaders
waarbinnen de gemeenten zelf hun beleid kunnen ontwikkelen. Het is
binnen deze kaders aan de gemeenten ook toegestaan om de diverse activiteiten naast elkaar of na elkaar te schakelen, zodat de
gemeenten de mogelijkheden hebben volledige trajecten op te zetten en daadwerkelijk
maatwerk te
leveren.
De centrale positie die
in deze wet aan gemeenten
wordt toegekend op het punt van sociale
activering en gesubsidieerde arbeid heeft niet de bedoeling om gemeenten in
de gelegenheid te stellen een volstrekt autonoom traject voor activering en arbeidsinpassing te realiseren. Het is
nadrukkelijk de bedoeling dat gemeenten waar dat maar enigszins mogelijk is gebruik maken
van de deskundigheden van andere betrokken partijen, waarbij in de
eerste plaats wordt gedacht aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en de uitvoeringsinstanties
werknemersverzekeringen. Samenwerking met deze
organisaties is cruciaal voor een activerend
arbeidsmarktbeleid. Daartoe is ook een verplichting tot samenwerking in de
onderhavige
wet opgenomen.
De
gemeenten zullen bij
het opstellen van hun beleidsplannen ook de medewerking nodig hebben
van onder andere scholings- en vormingsinstituten, sociaal-cultureel werk,
regionale werkgevers- en werknemersorganisaties, kinderopvang en
zorginstellingen, zodat optimaal gebruik kan worden gemaakt van de
aanwezige deskundigheid en van de beschikbare
voorzieningen.
4.2. Zorg en
hulpverlening
Het instrument van zorg
en hulpverlening maakt feitelijk geen deel uit van het Wiw-instrumentarium. Het verdient toch aparte vermelding,
omdat voor een deel van
de personen die tot de doelgroep kunnen worden gerekend vanwege een persoonlijke problematiek (vooralsnog)
geen enkele mogelijkheid
bestaat om hen maatschappelijk te activeren. De problemen kunnen
betrekking hebben op fysieke, psychische, sociale of maatschappelijke
aspecten of een combinatie hiervan. Eerst zal met inschakeling van
hulpverlenings- en zorginstellingen getracht moeten worden deze problemen te
reduceren. Voor een deel van deze personen zal de hulpverlening een
permanent karakter hebben of zal sprake zijn van een permanent verblijf in
een zorginstelling. Voor anderen zal echter na verloop van tijd de
mogelijkheid ontstaan om in meer of mindere mate weer volledig deel te
nemen aan het maatschappelijk leven. Het is hierbij van belang dat de gemeenten
in overleg met de hulpverlening en de zorginstellingen nagaan
welk traject kan worden bewandeld om de personen, voor wie dat mogelijk is, te activeren en aan activiteiten te laten
deelnemen. Het is
overigens niet de bedoeling dat de in het kader van de Wiw aan gemeenten
beschikbaar gestelde middelen worden ingezet voor inkoop van zorg.
Betrokken instellingen worden immers regulier gefinancierd.
Speciale aandacht moet
worden besteed aan de werkloze jongeren onder de 23 jaar. Voor
deze jongeren wordt een daadwerkelijk sluitende benadering nagestreefd.
Deze sluitende benadering strekt zich ook uit tot de jongeren die (vooralsnog) niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt
vanwege met de persoon
verbonden problemen. Uit het dossier van de jongeren moet altijd blijken welk traject wordt bewandeld om de jongere
te activeren.
Nadrukkelijk wordt hierbij gesteld dat ook een hulpverleningsprogramma, bijvoorbeeld ten
aanzien
van verslavingsproblemen, als zodanig wordt
aangemerkt. Onder andere kan worden aangegeven welke voorwaarden aan de
bijstandverlening zijn verbonden om deze problematiek op te
lossen.
rblz.|21|
De
gemeenten hebben
natuurlijk geen inhoudelijke bemoeienis met deze zorgtrajecten. Dit
is de competentie van de zorginstellingen. In de gemeentelijke dossiers
dient alleen te worden vastgelegd dat aanmelding voor een zorgtraject heeft plaatsgevonden, de aard van het traject en de
termijn waarop naar verwachting een herbeoordeling van de arbeidsmogelijkheden
aan de orde zal zijn. De
mogelijkheden op dit terrein worden begrensd door de
beschikbare capaciteit in de zorg. Gemeenten kunnen natuurlijk nooit
worden aangesproken op het niet uitvoeren van trajecten vanwege een
wachtlijstproblematiek in bepaalde zorgsectoren.
De totstandkoming in 1998
van de Bureaus voor Jeugdzorg op provinciaal en grootstedelijk niveau, die worden belast met de indicering
en plaatsing van jongeren
in curatieve zorgprogramma’s, biedt de gemeenten het kader waarbinnen zorgtrajecten voor bedoelde categorie
jongeren kunnen worden uitgezet.
Het kabinet acht het
onaanvaardbaar dat jonge mensen worden afgeschreven of aan hun
lot worden overgelaten. Het is primair de verantwoordelijkheid van
de gemeenten om de noodzakelijke inspanning te leveren voor alle
jongeren onder 23 jaar om hen bij het maatschappelijk leven betrokken te houden
en hen waar mogelijk door te laten stromen naar reguliere arbeid.
Alleen op deze wijze kan een sluitende benadering succesvol zijn.
4.3. Sociale activering
Met sociale activering
wordt gedoeld op het beleid voor kanslozen op de arbeidsmarkt van wie
verwacht kan worden dat een toeleidingstraject in welke vorm dan ook
niet op een overzienbare termijn tot uitstroom naar de arbeidsmarkt kan
leiden.
De activiteiten zijn er
in eerste instantie op gericht de betrokkene een zinvolle invulling van
het bestaan te geven en het contact met de maatschappij in stand te
houden of te herstellen. De activiteiten die in dat kader worden verricht,
kunnen van velerlei aard zijn. Het kan hierbij gaan om activiteiten die van
gemeenschappelijk nut zijn voor de samenleving, maar ook om activiteiten
die alleen nuttig zijn voor het welzijn en de ontwikkeling van
betrokkene zelf. In dit verband kan worden gedacht aan vrijwilligerswerk,
buurtwerk, enzovoorts.
Ook stageachtige
activiteiten bij een reguliere werkgever zijn met het oog op het wennen aan een
werksituatie denkbaar als opstap naar een traject richting arbeidsmarkt, met dien verstande dat de activiteiten niet
commercieel mogen zijn en
dat voorop moet blijven staan dat niet de werkgever maar de
betrokkene zelf er beter van wordt, in die zin dat hij uit zijn isolement komt of
vaardigheden opdoet zodat zijn positie op de arbeidsmarkt verbetert.
De betrokkene krijgt door
deelname aan de activiteiten zijn gevoel van eigenwaarde en
zelfvertrouwen terug. Een sociaal isolement en de spiraal naar beneden naar een
verdergaande marginalisering worden doorbroken. Sociale activering richt zich daarmee op personen die niet
voor de (andere) instrumenten op het gebied van toeleiding naar de arbeidsmarkt in
aanmerking komen.
Eerder was het al
mogelijk dat bijstandsgerechtigden met behoud van uitkering onbetaalde
activiteiten verrichtten, maar de gemeente speelde hierbij geen
initiërende rol. Het initiatief ging uit van de uitkeringsgerechtigde
zelf. Vanaf 1 januari
1996 kunnen door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen gemeenten bij wijze van experiment op
grond van artikel 144 Abw een structurele aanpak ontwikkelen voor de groep
uitkeringsgerechtigden die (nog) geen reëel uitzicht op betaalde arbeid heeft. De
bedoeling van deze experimenten is na te gaan op welke punten de bijstandswet
gewijzigd zou moeten worden om bijstandsgerechtigden rblz.|22|
meer te
activeren. Pas nadat de resultaten hiervan bekend zijn, zal nagegaan worden
of en welke onderdelen in de Wiw opgenomen kunnen worden. De
experimenten op basis van artikel 144 Abw
staan momenteel alleen open
voor gemeenten die toestemming hebben gekregen om een
bijstandsexperiment uit te voeren.
Om langdurig werklozen te
stimuleren om deel te nemen aan activiteiten met behoud van uitkering
kunnen gemeenten een premie in het vooruitzicht stellen. Deze premie zal, indien een goedgekeurd experimentvoorstel
daarin voorziet, niet op
de uitkering gekort worden. De premies kunnen bestempeld worden
als uitvoeringskosten van de activering.
De Wiw biedt binnen het
hiervoor geschetste kader de mogelijkheid om premies voor deelname aan
maatschappelijk nuttige activiteiten in het kader van sociale activering uit het gemeentelijk Werkfonds te financieren.
Voorheen betaalden gemeenten de premies uit de incentivegelden uit het Fonds Sociale
Vernieuwing. Het ligt evenwel in de rede deze incentivemiddelen nu in te passen
in het
gemeentelijk Werkfonds.
De doelgroep van sociale
activering beperkt zich tot de "blijvers in de bijstand" voor wie de
instrumenten van activerend arbeidsmarktbeleid op korte termijn geen
oplossing bieden en voor wie de afstand tot de arbeidsmarkt vooralsnog
onoverbrugbaar is. Bij de experimenten wordt
ervan uitgegaan dat de uitkeringsgerechtigde pas voor deelname aan activiteiten met behoud
van uitkering in aanmerking komt als men één jaar werkloos is dan wel
in andere opzichten als kansarm kan worden aangemerkt.
Overigens kunnen
gemeenten de activiteiten die in artikel 3 genoemd worden wel op individuele
basis toestaan mits voldaan wordt aan de verplichtingen die de
bijstandswet over het algemeen aan het ontvangen van een bijstandsuitkering verbindt. Dat betekent bijvoorbeeld dat de
bijstandsgerechtigde geen
vrijstelling van de sollicitatie- en arbeidsplicht heeft. Premies die hij
eventueel ontvangt voor vrijwilligerswerk dienen in mindering op de uitkering
te worden gebracht. Bovendien mag deelname uitsluitend op vrijwillige basis plaatsvinden
Een goede indicering is
van groot belang. Gemeenten dienen te voorkomen dat het
verrichten van onbetaalde activiteiten met behoud van uitkering tezamen met een
premie zou leiden tot het niet aanvaarden van gesubsidieerde of reguliere arbeid omdat men daardoor een hoger
inkomen kan verwerven dan
bij een reguliere of gesubsidieerde baan. Wanneer uit de evaluatie
van de bijstandsexperimenten zou blijken dat zich op dit punt
ongewenste effecten voordoen, dan kunnen in de Abw nadere condities worden
opgenomen.
4.4. Educatie en scholing
Uit diverse onderzoeken
blijkt dat één van de kenmerken van de groep langdurig werklozen is
dat zij een lage of afgebroken opleiding hebben. Dit is één van de
oorzaken waardoor langdurig werklozen moeilijker aan werk kunnen komen.
Onderkend moet worden dat educatie en scholing een belangrijke bijdrage
kunnen leveren aan de doelstellingen van de Wiw. Het is dan ook zaak dat
gemeenten
op dit punt een actief beleid
voeren en hiertoe
intensief samenwerking zoeken met opleidingsinstituten.
Educatie vormt onder
andere een voortraject voor het beroepsonderwijs, richt zich op
maatschappelijke en sociale redzaamheid en op algemene ontplooiing. De Wet
educatie en beroepsonderwijs (WEB) onderscheidt de volgende
opleidingen/educatie:
rblz.|23|
- opleidingen
voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, bedoeld in de artikelen 7 tot en met
9 van de Wet
op het voortgezet onderwijs;
- opleidingen gericht
op breed maatschappelijk functioneren;
- de opleiding
Nederlands als tweede taal I en II;
- andere opleidingen
gericht op sociale redzaamheid.
Educatie kan niet in de
plaats treden voor scholing, maar heeft wel een functie in het schoolbaar
of bemiddelbaar maken van werkzoekenden. Binnen de bredere
educatiedoelstelling kan educatie voor een deel van de Wiw-doelgroep een rol
vervullen in het kader van activering of - met name aan het begin van een traject
- in de toeleiding naar een gesubsidieerde
of reguliere
arbeidsplaats.
Scholing dient in het
kader van de Wiw de volgende doelen c.q kan hieraan een bijdrage
leveren: voorbereiding voor het functioneren op een gesubsidieerde arbeidsplaats, voorbereiding voor rechtstreekse uitstroom
naar een reguliere arbeidsplaats of uitstroom vanaf een gesubsidieerde arbeidsplaats. Scholing
moet dus zijn gericht op het verbeteren van de perspectieven op arbeidsinschakeling. Bij voorkeur op een reguliere
arbeidsplaats, maar waar
dat niet mogelijk is op een gesubsidieerde arbeidsplaats. Het belang
van scholing wordt zo groot geacht dat de Wet inschakeling
werkzoekenden op dit punt, anders dan in de JWG of banenpoolregeling, geen
restricties aan gemeenten oplegt. Binnen de beschikbare middelen
staat het de gemeenten vrij het instrument van scholing in te zetten,
voor zover is vastgesteld dat onvoldoende of verkeerde scholing de
kansen op reguliere arbeid ernstig beperkt of de vervulling van een
gesubsidieerde baan belemmert.
In verband met de
beperkte beschikbaarheid van middelen is het wel zaak dat de gemeenten
educatie en scholing efficiënt inzetten. Dat wil zeggen dat zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van bestaande
voorzieningen en
middelen. Hierbij moet worden bedacht dat op het terrein van educatie en
beroepsonderwijs aan de aanbodzijde een verscheidenheid aan
instellingen actief is. Bovendien bieden diverse combinaties van leren en
werken mogelijkheden om een vaste plaatst op de arbeidsmarkt te
verwerven. Met de WEB
en de nieuwe Arbeidsvoorzieningswet 1996 neemt de variatie in instroompatronen alleen maar verder toe. Het
streefdoel is een breed scala van (beroeps-)educatieve activiteiten
en voorzieningen met een hoge arbeidsmarktrelevantie.
Benutting van bestaande
mogelijkheden
Er is een aantal wegen te
onderkennen waarlangs de gemeente de nodige educatie en
scholing kan verkrijgen uit het totaalaanbod.
Allereerst is er de
reguliere volwasseneneducatie. Met ingang van 1 januari 1997 kent de Minister van OCW jaarlijks aan de
gemeenten
een rijksbijdrage toe ten
behoeve van volwasseneneducatie. De bijdrage wordt berekend op basis
van onder andere het aantal volwassen inwoners,
opleidingsniveau en etnische achtergrond van die inwoners. Het gemeentebestuur
besluit welke bedragen worden toegekend aan activiteiten, te
onderscheiden naar de opleidingen die de WEB
noemt. In voorkomende gevallen
verdeelt de gemeente de bedragen ook naar doelgroepen. De gemeente
kent deze bedragen toe aan één of meer (door OCW bekostigde)
instellingen op basis van een overeenkomst tussen gemeentebestuur en
bevoegd gezag van de instelling.
Binnen de beschikbare
financiële kaders kunnen gemeenten
in de tweede plaats met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie afspreken welke rblz.|24|
cliënten voor een
traject, bestaande uit scholing, begeleiding en werkervaring, in
aanmerking komen. In dit verband is van belang vast te stellen dat de inzet van
Arbeidsvoorziening op dit punt in het kader van de Wiw niet verandert. Uitgangspunt is dat waar in het verleden
arbeidsvoorzieningsmiddelen
voor scholing van
langdurig werklozen en jongeren werden ingezet, dat ook
na inwerkingtreding van de Wiw zal gebeuren.
Daarnaast worden aan een
aantal gemeenten financiële middelen beschikbaar gesteld om
activiteiten gericht op de arbeidstoeleiding van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden (waaronder scholing) bij
Arbeidsvoorziening in te kopen. Gezien het tijdelijke karakter van deze regeling is vooralsnog
van inpassing in de onderhavige
wet afgezien. Een vierde mogelijkheid is
het aanvullend inkopen bij Arbeidsvoorziening, het regulier onderwijs (contractactiviteiten) of op de particuliere markt.
Relatie met het
leerlingwezen
In de
Jeugdwerkgarantiewet was een combinatie van JWG-dienstbetrekking met een leerovereenkomst in het kader van het
leerlingwezen niet
toegestaan. Als argument hiervoor gold dat het leerlingwezen als
voorliggende voorziening voor de Jeugdwerkgarantiewet is aangemerkt. Jongeren
dienden enerzijds bij voorkeur uit de Jeugdwerkgarantiewet te
worden gehouden door het realiseren van een plaatsing in het
leerlingwezen en anderzijds zo snel mogelijk uit de Jeugdwerkgarantiewet te
stromen naar het leerlingwezen. Het gevaar werd groot geacht dat
werkgevers hun verantwoordelijkheid voor het leerlingwezen zouden
afwentelen op gemeenten indien ook een JWG-garantieplaats als praktijkplaats voor het leerlingwezen zou kunnen
worden aangemerkt. Van gemeentelijke zijde is evenwel herhaaldelijk aangedrongen op een
combinatiemogelijkheid van JWG en leerlingwezen. Deze combinatie werd door
de gemeenten als uitstroominstrument bij uitstek aangemerkt.
Om na te gaan of het
leerlingwezen inderdaad als effectief uitstroominstrument voor de JWG kan worden
toegepast, is onder stringente voorwaarden aan een aantal gemeenten
een uitstroomexperiment
toegestaan. Aan de
experimenten zijn onder andere de volgende voorwaarden verbonden:
- de experimenten
hebben betrekking op een beperkt aantal jongeren;
- het gaat hierbij om
jongeren die gedurende minimaal één jaar een JWG-dienstbetrekking
hebben gehad;
- de combinatie JWG en
leerlingwezen fungeert nadrukkelijk als uitstroominstrument;
- met de inlenende
werkgever wordt schriftelijk overeengekomen dat deze de jongere na de
helft van de duur van de leerovereenkomst - meestal één jaar - in combinatie met de arbeidsovereenkomst overneemt,
zodat de jongere uitstroomt uit de JWG.
Het kabinet acht het
belang van het verkrijgen van een startkwalificatie als basis voor een
duurzame plaats op de arbeidsmarkt zo groot dat het in principe bereid is om het
leerlingwezen als uitstroominstrument in het kader van de Wiw voor
alle gemeenten toe te staan. Het is daarbij de verantwoordelijkheid van
de gemeenten om goede afspraken te maken met Arbeidsvoorziening,
teneinde verdringing van het reguliere leerlingwezen zoveel mogelijk te
beperken.
In eerste instantie wordt
de inzet van het leerlingwezen toegestaan onder dezelfde condities
als in het genoemde experiment. De uitkomst van de evaluatie van het
experiment moet echter uitwijzen of deze uitstroommogelijkheid ook
definitief in de Wiw kan worden opgenomen en op welke wijze dit
moet worden vormgegeven. Daartoe wordt de rblz.|25|
nadere invulling van de
combinatie Wiw en leerlingwezen bij lagere regelgeving vastgesteld, zodat aanpassing van de vormgeving aan de
uitkomsten van het
lopende experiment eenvoudig kan worden gerealiseerd.
4.5. Samenhang tussen het
Wiw-instrumentarium en de Algemene bijstandswet
In de notitie
"Stroomlijning van gesubsidieerde arbeid" heeft het kabinet aangegeven dat
het voor wat betreft de afbakening tussen de Wiw en
Abw een situatie voor
ogen staat waarin de Algemene bijstandswet met name de individugerichte aspecten omvat, in casu de uitkeringsvoorwaarden.
De instrumentering van
activiteiten gericht op sociale activering en arbeidsinpassing zouden een plaats moeten krijgen in de
Wet inschakeling
werkzoekenden.
Arbeidsverplichtingen
In de per 1 januari 1996
in werking getreden nieuwe Abw heeft de
activerings- en
uitstroomfunctie ervan een prominente plaats gekregen. Centraal uitgangspunt
hierbij is dat in beginsel een ieder de arbeidsverplichtingen krijgt opgelegd, tenzij
de gemeente oordeelt dat omstandigheden aanwezig zijn die een
individuele gehele of gedeeltelijke ontheffing
rechtvaardigen.
Het moge duidelijk zijn
dat de effectiviteit van de inspanningen, gericht op arbeidsinpassing van
werkloze werkzoekenden, mede wordt bepaald door de bereidheid van
deze groep om zich open te stellen voor aanbiedingen richting arbeidsmarkt.
Een passieve of onwillige houding van de werkzoekende frustreert
dit proces. Daarnaast zou een dergelijke houding in strijd zijn met de aan
de bijstand verbonden verplichtingen.
Een aanbod voor
gesubsidieerde arbeid op grond van de Wiw kan, in aansluiting op het
uitgangspunt zoals dat in de bijstand staat verwoord, worden gedaan voor
zover
het betreffende arbeidsaanbod is berekend voor de krachten en
bekwaamheden van de belanghebbende, tenzij aanvaarding om redenen
van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
gevergd. Toetsing moet plaatsvinden aan de (aangepaste) Richtlijn
passende arbeid 1996, zoals deze samen met het Besluit passende arbeid
schoolverlaters en academici (Stb. 1995, 604) per 1 januari 1996 van kracht
is.
In dat kader zijn een
tweetal aspecten van belang:
- in de richtlijn wordt
aangegeven dat van betrokkene versneld een bredere opstelling mag
worden verwacht wanneer het werkloosheidsrisico (dat wil zeggen de kans op
langdurige werkloosheid) door de uitvoeringsorganen als aanzienlijk wordt
ingeschat;
- op grond van de AMvB
passende arbeid geldt dat voor schoolverlaters, waaronder "schoolverlatende" academici, vanaf het moment van werkloosheid alle arbeid
passend is.
Gezien de doelgroep van
de Wiw kan worden vastgesteld dat een aanbod van een
dienstbetrekking in de zin van de Wiw over het algemeen als passend moet
worden
beschouwd. Het betreft hier immers een aanbod dat is toegesneden
op de individuele mogelijkheden van de betreffende persoon. Een
weigering van betrokkene tot aanvaarding van een dergelijk aanbod kan
worden beschouwd als het niet nakomen van de aan de bijstand verbonden
verplichtingen en zal derhalve, tenzij individuele omstandigheden anders
uitwijzen, moeten leiden tot een korting op de uitkering.
rblz.|26|
Op het verwijtbaar niet
deelnemen aan voorzieningen op grond van deze wet
zijn de algemene
sanctiebepalingen van de Abw, Ioaw en
Ioaz van toepassing.
Met het vervallen van de
Jeugdwerkgarantiewet is tevens de noodzaak voor een bijzondere
sanctiebepaling in de Abw met betrekking tot jongeren komen te vervallen. Indien de
Wet boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid inwerking is getreden, zal de sanctie op
het niet aanvaarden van passende arbeid of verwijtbare werkloosheid (thans een gedeeltelijke
weigering van 20% gedurende twee maanden) worden gewijzigd in een
volledige weigering gedurende één maand [zie Maatregelenbesluit
Abw, Ioaw en Ioaz, red.].
Ook ten aanzien van de
experimenten met activiteiten met behoud van uitkering is het
sanctiebeleid van belang. Wanneer het activeringsbeleid in dit kader is gericht op
toeleiding (op langere termijn) naar betaald werk en deel uitmaakt van een
individueel trajectplan, dan kan dit verplicht opgelegd worden. Deelname
kan gezien worden als een verplichting voor de uitkeringsgerechtigde om al het mogelijke te doen om uit de
uitkeringssituatie te
geraken. Zolang er sprake is van activering ter voorkoming van sociaal
isolement kan deelname niet als verplichting aan betrokkene worden
opgelegd. Voor betrokkenen is er slechts een geringe kans dat zij in een
zelfstandige bestaansvoorziening kunnen voorzien. Het ligt in de rede om in
deze situatie slechts vrijwillige deelname te stimuleren.
Incentives
Niet alleen negatieve
prikkels zijn echter van belang. Ook positieve prikkels kunnen een
bijdrage leveren aan de vergroting van de uitstroom. Aparte vermelding
verdient in dit kader het per 1 oktober 1994 gedecentraliseerde
incentivebudget. In dit
verband kan gewezen worden op de mogelijkheid van de gemeente
om een eenmalige premie, die door
derden aan belanghebbende wordt verstrekt voor het voltooien van een noodzakelijke scholing of
opleiding, buiten beschouwing te laten voor zover een bedrag van (per
1 januari 1996) ƒ2100,- niet wordt overschreden. De vrijlating kan, gezien
het karakter daarvan, alleen een scholing of opleiding betreffen die
noodzakelijk wordt geacht voor de arbeidsinschakeling.
Daarnaast heeft de
vrijlating betrekking op het gehele scholingstraject dat door de bijstandsgerechtigde moet worden gevolgd
om zijn arbeidskansen te vergroten. Daarnaast worden alle
inkomsten uit arbeid volledig van de uitkering afgetrokken. Gemeenten
hebben vanaf die datum de beleidsmatige en financiële
verantwoordelijkheid te bepalen in welke gevallen zij voor werkaanvaarding of
deeltijdwerk een beloning geven in de vorm van een premie die tot een maximum van
ƒ3240,- per jaar niet in mindering wordt
gebracht op de bijstandsuitkering. Het incentivebudget maakt thans deel uit van de middelen
ten
behoeve van de bekostiging van de Wiw.
Ten tijde van het opnemen
van het incentivebudget in het Fonds Sociale Vernieuwing is bepaald
dat geen premies kunnen worden verstrekt bij "uitstroom" naar een
JWG- of banenpoolplaats. Redenen hiervoor waren enerzijds dat doordat
feitelijk een arbeidsplaats aan de doelgroepen van de betreffende regelingen
ter beschikking wordt gesteld, een premie daarmee overbodig wordt
en anderzijds dat indien een periodieke premie zou worden vrijgelaten,
dit de uitstroom vanuit additionele arbeid naar reguliere arbeid zou belemmeren. Gezien de grote mate van beleidsvrijheid
voor gemeenten bij de toepassing van de voorzieningen in het kader van de
Wiw wordt
deze beperking niet noodzakelijk geacht. Het behoort tot de
discretionaire bevoegdheid van de gemeenten bij de toepassing van het
incentivebeleid te voorkomen dat structurele rblz.|27|
blokkades voor een potentiële doorstroming naar regulier betaald werk worden opgeworpen.
Kinderopvang
Voor diegenen uit de
onder artikel 2 van deze wet genoemde personen die als alleenstaande
ouder de zorg hebben voor één of meer kinderen in de leeftijd van 0 tot 12
jaar kan het niet hebben van een goede opvang voor deze kinderen belemmerend werken bij het aanvaarden van werk of
scholing. Bovendien is in de praktijk gebleken dat er juist voor deze doelgroep te weinig
kinderopvangplaatsen zijn en met name die opvangplaatsen die aansluiten op
de
behoefte van deze doelgroep: namelijk buitenschoolse opvang.
Het is dus zaak dat deze ouders de gelegenheid krijgen hun kinderen bij
een kinderopvanginstelling te plaatsen als zij werk aanvaarden of scholing
gaan volgen. Daar deze ouders óf nog in een uitkeringssituatie
blijven (bij scholing of laagbetaald deeltijdwerk) óf werk aanvaarden waar het
verschil met de uitkering vooralsnog gering is, kan niet verwacht worden dat
zij zelf deze opvang betalen of dat zij een aanzienlijke eigen
bijdrage betalen. Het kabinet heeft dan ook besloten om in deze wet
de bestaande
Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande
ouders 1996 te incorporeren en de gemeenten de mogelijkheid te geven ten
behoeve van de doelgroep extra kinderopvangplaatsen - dat wil zeggen
bovenop de bestaande kinderopvangplaatsen die gefinancierd worden
vanuit de naar de gemeenten gedecentraliseerde VWS-middelen
- te
bekostigen.
In 1996 is een
structureel bedrag van ƒ85 miljoen voor de gemeenten
ter beschikking gekomen ter
financiering van de realisatie van kinderopvangplaatsen door de gemeenten. De
onderbouwing van deze financiering was gelegen in het feit dat
daarmee de uitstroom uit de uitkering van alleenstaande ouders met
jonge kinderen werd bevorderd. Deze koppeling staat ook onder deze
nieuwe wet voorop. Het gaat om de bevordering van uitstroom en daarmee om
het terugdringen van de uitkeringslasten.
Tevens is de financiering
gekoppeld aan het scheppen van capaciteit aan kinderopvang. In deze
wet is om deze redenen gekozen voor een oormerken van de
oorspronkelijk structureel ter beschikking gestelde ƒ85 miljoen voor het genoemde
doel van het scheppen van kinderopvangplaatsen voor deze specifieke
doelgroep.
Inkomensvoorziening voor
jongeren die deelnemen aan activiteiten
Gelet op de activerende
werking van de nieuwe Algemene bijstandswet ligt het in de rede om
jongeren die nog niet kunnen worden geplaatst op een Wiw-dienstbetrekking,
maar bijvoorbeeld eerst scholing moeten volgen, voor hun
inkomensvoorziening afhankelijk te laten van een uitkering. In de meeste
gevallen zal dit betekenen een uitkering ingevolge de Abw.
Door de gekozen
financieringssystematiek voor de Wet inschakeling werkzoekenden biedt deze
wet tezamen met de Algemene bijstandswet het raamwerk voor de
realisatie van de sluitende benadering. Voordeel van deze financieringssystematiek is in de eerste plaats dat hiermee de
sluitende benadering
automatisch ook van toepassing wordt op alle jongeren die voorheen
niet in de Jeugdwerkgarantiewet terechtkwamen maar in de bijstand. In
de tweede plaats wordt bewerkstelligd dat binnen de Wet inschakeling werkzoekenden geen onderscheid wordt aangebracht
ten aanzien van jongeren en volwassenen: degenen met een dienstbetrekking
ontvangen een loon, degenen die zijn aangewezen op een andere activiteit zijn voor hun
inkomensvoorziening aangewezen op een uitkering.
rblz.|28|
Ook voor
gemeenten leidt
de gekozen financieringssystematiek tot een heldere structuur. Voor
degenen die werken, kan de gemeente het basisbedrag declareren;
eventueel aanvullende kosten voor de Wiw-dienstbetrekkingen kunnen worden betaald uit het Werkfonds (zie
hoofdstuk 7). Voor
degenen die (nog) geen Wiw-dienstbetrekking hebben, kan de uitkering, voor
zover van toepassing, worden gedeclareerd, terwijl incentives en kosten van
activiteiten worden gefinancierd uit het Werkfonds.
Beleidsplan en
verslaglegging in het kader van de Abw
Voor een verbetering van
de uitvoering van het activeringsbeleid van gemeenten
is het
noodzakelijk dat gemeenten op planmatige wijze de hoofdlijnen ervan
vastleggen en in een jaarlijks verslag verantwoording over de uitvoering
afleggen. Om die reden zijn de verplichting tot het maken van een beleidsplan
en verslaglegging in de Abw opgenomen.
In het beleidsplan moeten
de accenten die lokaal - in relatie tot de eigen gemeentelijke
problematiek en de kenmerken van het eigen bestand - worden aangebracht tot
uitdrukking komen. Hierbij kan mede gedacht worden aan het door de gemeente
te voeren beleid met betrekking tot incentives (conform de wet vast te leggen in een verordening), het beleid ten
aanzien van passende
arbeid en sancties, de wijze waarop heronderzoeken een plaats
krijgen in het activeringsbeleid e.d. Tevens zal moeten worden aangegeven
hoe de samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
in de praktijk wordt vormgegeven en dat c.q. op welke wijze
afstemming met het regionaal beleidsplan RBA [Regionaal
Bestuur voor de Arbeidsvoorziening, red.] heeft plaatsgevonden. Met
betrekking tot de invulling van de samenwerking gaan de gedachten uit
naar elementen als gezamenlijke overeenstemming over de aard en wijze van
diagnosestelling en de daarbij te hanteren criteria, de criteria op
basis waarvan een categorie-indeling van de werkloze werkzoekenden
plaatsvindt, de opstelling van en het aantal in uitvoering te nemen
trajectplannen, de verantwoordelijkheidsverdeling binnen het traject, etc.
Op deze wijze geeft het
gemeentelijk beleidsplan, als schriftelijke neerslag van de op de
lokale maat toegesneden aanpak, een overzicht van het lokale activerend
arbeidsmarktbeleid en kan daarmee tevens gebruikt worden als toetsingskader
op welke wijze aan een dergelijk beleid vorm en inhoud wordt gegeven.
Daarnaast fungeert het beleidsplan als "aanjager" voor de
lokale politieke discussie over het gemeentelijk beleid dienaangaande; het
beleidsplan dient immers door het gemeentebestuur te worden vastgesteld.
5. Het instrumentarium:
detacheringen en werkervaringsplaatsen
5.1. Inleiding
Gesubsidieerde arbeid als
onderdeel van het gemeentelijke activerend arbeidsmarktbeleid heeft
zich in de achterliggende jaren stormachtig ontwikkeld. Vanaf 1987
zijn, eerst via de Tijdelijke voorziening gemeentelijke werkgelegenheidsinitiatieven
voor jongeren en vanaf 1991 in meeromvattende vorm via de
Jeugdwerkgarantiewet, op grote schaal garantieplaatsen gezocht en gevonden
waarop jongeren werkervaring kunnen opdoen ter vergroting van hun kansen op intrede in het reguliere
arbeidsproces. In 1995
waren gemiddeld ruim 21 000 jongeren in het kader van de JWG
werkzaam. Parallel aan de totstandkoming van deze detacheringsplaatsen van
jongeren maar qua vormgeving en invulling los daarvan, heeft zich een
vergelijkbaar instrumentarium ontwikkeld voor langdurig werklozen.
Vanaf 1989 is in een drietal steden de creatie van rblz.|29|
arbeidsplaatsen beproefd
als bijdrage in de bestrijding van langdurige werkloosheid. Vanaf 1990
bouwt de banenpoolregeling op deze start voort. De aangeboden
banen beogen enerzijds een gelegenheid te bieden om werkervaring op te
doen en anderzijds langdurig werklozen die geen kans meer hebben op reïntegratie in de reguliere arbeidsmarkt de gelegenheid te bieden via
arbeid een inkomen te verwerven. Ook in het kader van de
banenpoolregeling waren in 1995 gemiddeld ruim 21 000 deelnemers werkzaam.
Het gemeentelijk
instrumentarium in het kader van de JWG en de banenpoolregeling gaat
uit van de detacheringsconstructie. De deelnemers hebben een
arbeidsovereenkomst met een uitvoeringsorganisatie en worden vervolgens
ingeleend door een reguliere werkgever. Op een groot
aantal punten verschillen de regelingen van elkaar. Onder invloed van
knelpunten die zich in de uitvoeringspraktijk voordeden, zijn de beide
regelingen bovendien herhaaldelijk en over het algemeen onafhankelijk
van elkaar aangepast, met als gevolg een sterke toename van de
regeldichtheid. Geleidelijk is voor deelnemers, werkgevers en de
betrokken uitvoerende instanties een situatie ontstaan die wordt gekenmerkt door
een belangrijke mate van ondoorzichtigheid. de onderhavige
wet stelt
daarvoor eenduidige en sterk vereenvoudigde regelgeving in de plaats.
5.2. Wiw-dienstbetrekking
De
Wiw-dienstbetrekking
vormt voor de gemeente het belangrijkste instrument om personen
die behoren tot de doelgroep werkervaring te laten opdoen. De Wiw-dienstbetrekking is er enerzijds opgericht om
werknemers door middel
van arbeid zodanig te kwalificeren dat zij kunnen doorstromen naar regulier
werk, anderzijds stelt de dienstbetrekking personen zonder
doorstroomperspectief in de gelegenheid maatschappelijk relevante arbeid te
verrichten.
De
Wiw-dienstbetrekking
is een voortzetting van het instrumentarium dat ook deel uitmaakte
van de banenpoolregeling en de JWG, namelijk de mogelijkheid om met
langdurig werklozen of werkloze jongeren een dienstbetrekking aan te gaan
teneinde hen arbeid te laten verrichten en
werkervaring te laten
opdoen bij een inlenende werkgever. Het verschil met een
Wiw-dienstbetrekking is dat deze laatste deel uitmaakt van een veel breder
instrumentarium, zoals geschetst in hoofdstuk 4, dat deels gelijktijdig kan worden
ingezet. De combinatie van een dienstbetrekking met scholing en financiële incentives vormt daarvan het meest voor de hand liggende voorbeeld.
Ook kan de Wiw-dienstbetrekking een schakel zijn in een langer
traject, dat bijvoorbeeld bestaat uit het volgen van scholing, vervolgens een
dienstbetrekking en ter afsluiting een werkervaringsplaats en
doorstroming naar een reguliere arbeidsplaats. In hoofdstuk 6 wordt nader
ingegaan op de inhoud van de dienstbetrekking.
Ook vanuit de
bekostigingssystematiek geredeneerd, vormt de dienstbetrekking het belangrijkste
onderdeel in het Wiw-instrumentarium. Het grootste deel van de
middelen die in het kader van deze wet kunnen worden ingezet, zullen immers worden aangewend voor de financiering
van de
dienstbetrekkingen. Bovendien wordt de omvang van de middelen die aan gemeenten
voor de
uitvoering van de Wiw worden toegedeeld in hoge mate bepaald door
het aantal dienstbetrekkingen.
5.3.
Werkervaringsplaatsen
In dezelfde periode dat
voor de gemeenten het detacheringsinstrumentarium werd ontwikkeld en
uitgebouwd, kreeg de rblz.|30|
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
de beschikking over de Kaderregeling arbeidsinpassing (KRA, Stcrt. 1995, 45 en 251). Deze regeling stelt personen die langer dan
twaalf maanden werkloos zijn in de gelegenheid werkervaring op te doen
op additionele arbeidsplaatsen in de markt- of in de collectieve sector. De
regeling kan worden gecombineerd met de afdrachtskorting lage
lonen en langdurig werklozen op grond van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(WVA). De financiële
tegemoetkoming voor een werkgever die een langdurig werkloze op een
werkervaringsplaats in dienst neemt, bestaat uit de afdrachtskorting langdurig werklozen van
ƒ4500,- per jaar en een
eenmalige subsidie op
grond van de werkervaringsplaatsenregeling van ƒ7500,- tot ƒ15 000,- in
de marktsector en ƒ22 000,- in de collectieve sector. Een werkervaringsplaats duurt
ten minste zes en maximaal twaalf maanden. De regeling kan alleen op
basis van een CAO-afspraak of op basis van een afspraak tussen
werkgever, werknemer en ondernemingsraad (of daarmee gelijkgestelde
personeelsvertegenwoordiging) worden toegepast. Aan de werknemers op
werkervaringsplaatsen wordt meestal een CAO-loon betaald dat veelal net
boven het wettelijk minimumloon ligt.
In de eerste jaren is de
regeling op redelijk ruime schaal toegepast. In de jaren 1990-1992
bedroeg het aantal nieuwe toepassingen ruim 6000, waarvan twee derde in de
collectieve sector. De effectiviteit van de werkervaringsregeling was
in die periode groot. 63% van de mensen die op een
werkervaringsplaats werden geplaatst, had na gemiddeld twee jaar nog een baan; voor
de controlegroep lag dit percentage op 28%. Het instrument had derhalve
een duurzaam netto-effect op de plaatsingskans van langdurig werklozen.
Ook nu nog wordt door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie groot belang gehecht aan
werkervaringsplaatsen. In het Landelijk beleidsplan 1996 van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt aangegeven dat werkervaring in
het kader van
toeleidingstrajecten en in het kader van sectoraal beleid een belangrijk onderdeel van
het instrumentarium van Arbeidsvoorziening is, zodat RBA’s zijn
gehouden voldoende mogelijkheden daartoe open te houden. Tegelijkertijd is
echter de ruimte voor het aangaan van verplichtingen via de KRA verlaagd tot
circa ƒ7 miljoen en zijn de regionale besturen niet langer verplicht daadwerkelijk een budget voor de KRA in de
begroting op te nemen. Voor 1996 worden landelijk niet meer dan 300 toepassingen verwacht.
De verminderde inzet van
de KRA is in belangrijke mate een gevolg van een herijking van de
prioriteitstelling binnen de begroting van Arbeidsvoorziening. De relatief hoge kosten
van werkervaringsplaatsen ten opzichte van scholing zijn eveneens debet aan de beperkte inzet van het
instrument. Daarbij past
de kanttekening dat dit kostenargument alleen geldt vanuit de optiek
van Arbeidsvoorziening. Indien ook de kosten in de sociale zekerheid in ogenschouw worden genomen, kunnen de kosten van
scholing met behoud van uitkering hoger uitvallen dan de loonkostensubsidie
die bij een werkervaringsplaats wordt toegekend.
Werkervaringsplaatsen in
het kader van de Wiw
In de
stroomlijningsnotitie is aangeven dat het kabinet in het kader van de
onderhavige
wet ruimte
wil scheppen voor gemeenten om met de in het kader van de Wiw
beschikbare middelen werkervaringsplaatsen te bekostigen. Op die manier
wordt de gemeenten een aanvullende mogelijkheid gegeven om
bij te dragen aan de toeleiding naar de reguliere arbeidsmarkt
van kansarme werklozen die een intensief arbeidsinschakelingstraject
behoeven. De verwachting is dat een aanzienlijk synergetisch
effect zal optreden indien in aansluiting op het rblz.|31|
overige instrumentarium,
bijvoorbeeld in aansluiting op een detachering, de mogelijkheid kan
worden geboden om, bij wijze van opstap naar een reguliere arbeidsplaats,
tijdelijk een werkervaringsplaats te subsidiëren. Het is niet de bedoeling
dat gemeenten zelf bemiddelingsactiviteiten ter hand nemen.
De
Sociaal-Economische Raad dringt er in zijn advies op aan de middelen die Arbeidsvoorziening voor de KRA beschikbaar heeft niet naar
de gemeenten over te
hevelen. De Raad wijst in dit verband op de betekenis voor het sectorbeleid van Arbeidsvoorziening en op het
gegeven dat zowel het instrument zelf als de daarbij behorende middelen tot de vrije
beleidsruimte van het CBA behoren.
Het kabinet hecht eraan
te benadrukken dat inpassing in de Wiw van het instrument
werkervaringsplaatsen niet betekent dat Arbeidsvoorziening dergelijke plaatsingen
niet zou mogen realiseren. Integendeel, Arbeidsvoorziening wordt in de benutting van
het instrument een blijvende rol toegedacht. Ook is het
gezien de financiële positie van de organisatie niet de bedoeling de thans
voor de KRA beschikbare middelen aan de begroting van Arbeidsvoorziening te onttrekken. Door in
de onderhavige
wet een mogelijkheid tot
bekostiging van de werkervaringsplaatsen in de Wiw te regelen, ontstaan
er ruimere financiële mogelijkheden om het instrument in te zetten,
ook ten behoeve van het sectorbeleid van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Ook de gemeenten
hebben er immers belang bij om langdurig
werklozen geplaatst te krijgen op (werkervarings)plaatsen bij reguliere
werkgevers. Wil de toepassing van dit instrument succesvol zijn, dan
zullen Arbeidsvoorziening en de gemeenten in de uitvoering nauw moeten
samenwerken.
Een dergelijke
samenwerking ligt ook in de rede, niet in de laatste plaats omdat het de
verantwoordelijkheid van Arbeidsvoorziening is om, in samenspraak met de
uitkeringsinstanties, aan te geven welke langdurig werklozen gezien de aard
van het toeleidingstraject of gezien het ontbreken van kansen op
de reguliere arbeidsmarkt in principe voor gesubsidieerde arbeid in
het kader van de Wiw in aanmerking komen (zie paragraaf
5.4). Ook is
het bij uitstek Arbeidsvoorziening die de vereiste kennis van de
arbeidsmarktsituatie heeft en bij uitstek in staat moet worden geacht om
behulpzaam te zijn bij de tenuitvoerlegging van sectorale afspraken over
werkervaringsplaatsen.
Gezien de expertise van
Arbeidsvoorziening op dit terrein is het niet wenselijk dat naast
Arbeidsvoorziening nieuwe bemiddelingsstructuren ontstaan die met publieke
middelen worden gefinancierd. De geschetste rol voor Arbeidsvoorziening bij de toepassing van het werkervaringsinstrument
sluit echter niet uit dat
de gemeenten met andere arbeidsbemiddelingsorganisaties contracten afsluiten voor de werving
van vacatures.
Het kabinet meent dat in
de geschetste benadering de voornaamste bezwaren van de
Sociaal-Economische Raad ten aanzien van het voornemen uit de stroomlijningsnotitie zijn weggenomen, doordat de
werkervaringsplaatsen blijvend en op ruimere schaal dan thans als onderdeel van het
arbeidsvoorzieningsinstrumentarium kunnen worden ingezet. Door de betrokkenheid van
Arbeidsvoorziening kan tevens een
doelmatige inzet van het instrument worden bevorderd en kan worden voorkomen dat de
reguliere arbeidsmarkt wordt verstoord door een oneigenlijk gebruik van loonkostensubsidies.
Anders dan bij de
Wiw-dienstbetrekking hebben de werknemers op een werkervaringsplaats geen
dienstverband met de gemeente, maar met een rblz.|32|
reguliere werkgever. Dit
betekent dat de in de wet vastgelegde vereisten met betrekking tot de
arbeidsvoorwaarden zoals die gelden voor de Wiw-werknemers niet van
toepassing zijn voor personen die werkzaam zijn op een
werkervaringsplaats. Voor de werknemer op een werkervaringsplaats zijn de arbeidsvoorwaarden van toepassing die
gelden voor de sector van
zijn werkgever.
De werkgever die een
werkervaringsplaats ter beschikking stelt, ontvangt hiervoor een
subsidie van de gemeente. Deze subsidie is bedoeld om de geringere
arbeidsprestatie geheel of gedeeltelijk te compenseren, maar kan ook worden aangewend voor de bekostiging van
de extra kosten van de
werkgever voor begeleiding of scholing. De gemeente ontvangt voor
elke gerealiseerde werkervaringsplaats een rijkssubsidie (zie
hoofdstuk 7). Deze rijkssubsidie hoeft niet geheel aan de werkgever te worden
uitgekeerd, maar kan bijvoorbeeld ook gedeeltelijk worden aangewend voor de
inkoop van scholing of arbeidsbemiddeling bij Arbeidsvoorziening of
derden.
Het instrument
werkervaringplaatsen kan ook worden ingezet ten behoeve van jongeren.
Artikel 5, waarin de werkervaringsplaats juridisch vorm is gegeven, sluit
werkloze jongeren immers niet uit. Het traject dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en
gemeente gezamenlijk voor iedere
jongere vaststellen (artikel 9, eerste lid) kan dus ook bestaan uit de plaatsing op een werkervaringsplaats. In veel gevallen zal een
werkervaringsplaats voor
een jongere zelfs de voorkeur boven een Wiw-dienstbetrekking
hebben, omdat deze meer perspectief biedt op een vast dienstverband bij
een reguliere werkgever.
Subsidieregeling
experimenten activering van uitkeringsgelden
Een punt van aandacht is
de relatie tussen de onderhavige
wet en de Subsidieregeling
experimenten activering van uitkeringsgelden. De regeling geeft de
rijksoverheid de mogelijkheid op experimentele basis en voor de duur van twee
jaar bijstandsuitkeringen om te zetten in een vast subsidiebedrag ten behoeve van bepaalde
gemeenten, instellingen en
organisaties. In totaal
is subsidie toegekend voor de realisatie van 20 000 arbeidsplaatsen met het
doel inzicht te verwerven in effectieve methoden om langdurig werkloze bijstandsgerechtigden aan betaald werk te helpen.
De arbeidsplaatsen die in
deze experimenten tot stand zijn gekomen, zijn in belangrijke mate
vergelijkbaar met de voor de werkervaringsplaatsen gekozen benadering: een
reguliere werkgever krijgt voor maximaal twee jaar een subsidie die wordt gefinancierd met de uitkering,
waarna de werknemer na
twee jaar in vaste dienst treedt.
Het belangrijkste
verschil betreft de rol van de rijksoverheid bij omzetting van uitkeringen
in een genormeerd subsidiebedrag. Bij de experimenten ligt het initiatief daartoe bij het
Rijk, dat kansrijke initiatieven
selecteert. In de onderhavige
wet wordt het initiatief voor het gemeentelijk
traject bij gemeenten
neergelegd.
De experimenten die thans
in uitvoering zijn, zullen onder de bestaande regeling worden
gecontinueerd. Voor zover de experimenten aanleiding geven om nadere condities
te formuleren ten aanzien van de invulling van werkervaringsplaatsen,
zullen deze na de evaluatie van de experimenten in bestuurlijke afspraken
met de VNG worden vastgelegd. De positie van de landelijke en
regionale experimenten zal op grond van de evaluatie van de experimenten worden
bezien.
5.4. Toeleiding naar
gesubsidieerde arbeid
In de
stroomlijningsnotitie is aangegeven dat gesubsidieerde arbeid in rblz.|33|
het kader
van de onderhavige
wet alleen bedoeld is voor personen die als onderdeel van een
intensief traject voor teruggeleiding naar de arbeidsmarkt noodzakelijk werkervaring
moeten opdoen en voor personen die een dermate grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben dat
Arbeidsvoorziening
voor hen geen adequaat instrumentarium meer beschikbaar heeft.
De vaststelling of iemand
behoort tot de doelgroep voor gesubsidieerde arbeid in het kader van deze wet
geschiedt door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in samenwerking met de
gemeentelijke sociale dienst of de uitvoeringsinstantie
werknemersverzekeringen. Het is de bedoeling dat
deze beoordeling
onderdeel gaat uitmaken van de gemeenschappelijke intake en aanbodanalyse
van uitkeringsgerechtigden die Arbeidsvoorziening, gemeenten
en bedrijfsverenigingen thans aan het ontwikkelen
zijn in het kader van hun procesgerichte samenwerking. Deze procesgerichte
samenwerking heeft betrekking op het volgende.
De gemeentelijke sociale
diensten respectievelijk de uitvoeringsinstanties en
Arbeidsvoorziening
hebben voor een belangrijk deel een overlappend cliëntenbestand. Inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
is immers een voorwaarde
voor het verkrijgen van een uitkering. Zowel
Arbeidsvoorziening, de sociale diensten als de uitvoeringsinstanties
hebben elk hun eigen taken en verantwoordelijkheden ten aanzien van de
uitkeringsgerechtigden, maar ook een belangrijke gemeenschappelijke
doelstelling: de bevordering van instroom in het arbeidsproces. Het is
daarom gewenst en nodig dat Arbeidsvoorziening en uitkeringsinstanties
hun activiteiten met betrekking tot gemeenschappelijke cliënten coördineren en afstemmen. In de
Algemene bijstandswet, de Organisatiewet sociale
verzekeringen 1997 (Osv 1997) en de nieuwe Arbeidsvoorzieningswet
1996 [Avw 1996, red.] is
daartoe een samenwerkingsverplichting opgenomen. De drie
partijen zijn nu bezig de samenwerking nader uit te werken.
Een eerste vereiste is
dat de uitkeringsinstantie en het arbeidsbureau eenzelfde opvatting
hebben over de positie van de cliënt op de arbeidsmarkt. Arbeidsvoorziening heeft
ten behoeve van zijn werkproces een nadere onderverdeling van cliënten in vier fases ontwikkeld en is thans doende deze in te voeren
bij de arbeidsbureaus. Bij deze indeling wordt onderscheiden: fase 1,
dit zijn personen die direct bemiddelbaar zijn; fase 2, dit betreft personen
die na een kort arbeidsinpassingstraject bemiddelbaar zijn; fase
3, dit zijn personen die na een lang en intensief arbeidsinpassingstraject
bemiddelbaar zijn; fase 4, personen die (nog) niet bemiddelbaar zijn. Het
begrip "fase" wordt gehanteerd om aan te duiden dat een indeling nooit
statisch is en kan wijzigen als iemands situatie of positie op de
arbeidsmarkt zich wijzigt.
Deze indeling is door de
samenwerkende partijen als basis gekozen voor een gemeenschappelijke intake van de
cliënt, waarbij een beeld
ontstaat van zijn situatie en mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Hiermee wordt de afstand tot de
arbeidsmarkt bepaald en de kans op toetreding vastgesteld. Deze analyse
van het aanbod is uitgangspunt voor de verdere gang van zaken.
Op basis van de
gemeenschappelijke intake en analyse van het aanbod ontstaat een overzicht
van de personen die (tijdelijk) onbemiddelbaar zijn, dan wel aangewezen zijn
op een intensief arbeidsinpassingstraject, noodzakelijk voor de
arbeidstoeleiding.
Arbeidsvoorziening dient op
grond van artikel 12 van de
onderhavige
wet hierover een verklaring af te geven. Dit moet
schriftelijk dan wel op een andere geschikte wijze (bijvoorbeeld via
elektronische gegevensuitwisseling) gebeuren. Op grond hiervan selecteert de
gemeente of de aangewezen uitvoeringsorganisatie vervolgens de
kandidaten - met inachtneming van de wettelijke rblz.|34|
doelgroepcriteria - voor een detachering of werkervaringsplaats in het kader van de
Wiw.
5.5. Tegengaan van
verdringing en concurrentieverstoring
Voor een adequate
uitvoering van de Wet inschakeling werkzoekenden is het noodzakelijk dat
verdringing van regulier werk en verstoring van de concurrentieverhoudingen
in voldoende mate worden tegengegaan.
Verdringing van regulier
werk doet zich voor wanneer de creatie van gesubsidieerde arbeid
niet leidt tot een toename van de totale werkgelegenheid. In casu is van
verdringing sprake wanneer een Wiw-werknemer wordt gedetacheerd op een
arbeidsplaats die anders door een reguliere werknemer zou zijn
ingenomen. Naast deze directe vorm van verdringing kan ook sprake zijn van
indirecte verdringing. De groei van de werkgelegenheid in een bedrijf of
instelling gaat dan ten koste van een verlies aan werk in andere
organisaties. In dat geval doen Wiw-werknemers werkzaamheden die anders
door derden zouden zijn uitgevoerd.
Verdringing kan niet voor
100% worden voorkomen. Een zekere mate van verdringing kan zelfs
gezien worden als bewuste reservering van arbeid voor een groep met
een marginale concurrentiepositie op de arbeidsmarkt. Dit kan wenselijk zijn uit zowel economisch als sociaal
oogpunt. Het inlenen van Wiw-werknemers mag er evenwel niet toe leiden dat de
arbeidsproductiviteit binnen een organisatie onevenredig veel stijgt ten opzichte
van de arbeidskosten. Verstoring van de concurrentieverhoudingen
kan hiervan immers het gevolg zijn. Deze kan zich uiten in het feit
dat de organisatie een oneigenlijk marktaandeel behoudt c.q. verwerft,
prijzen niet marktconform vaststelt of gunstiger leverings- en
betalingsvoorwaarden biedt. Dergelijke concurrentieverstoring kan zich niet alleen
voordoen binnen de marktsector, maar ook tussen sectoren. Te
denken valt aan een publieke of non-profitinstelling die met inzet van
gesubsidieerde arbeid onderhoudswerk in eigen beheer uitvoert dat anders door
een particulier bedrijf zou zijn gedaan. Bovendien kan
concurrentieverstoring zich voordoen tussen regelingen. Het laatste vereist een
goede afstemming van de Wiw met andere vormen van gesubsidieerde
arbeid, zoals de sociale werkvoorziening.
Binnen de collectieve en
non-profitsector wordt wel gesproken van budgetvervalsing wanneer
werkzaamheden worden gehandhaafd waarvoor geen structurele
middelen meer beschikbaar zijn. Gesubsidieerde arbeid treedt dan in de
plaats van reguliere werkgelegenheid waarvoor bewust geen
middelen beschikbaar zijn gesteld. Ook treedt budgetvervalsing op
wanneer gesubsidieerde arbeid als alternatief wordt gebruikt voor uitbreiding
van reguliere werkgelegenheid. Voor zover dit niet leidt tot directe
verdringing of oneerlijke concurrentie, is de vraag aan de orde of dergelijke
budgetvervalsing onoverkomelijk is. Wellicht heeft het inschakelen van
werklozen in een dergelijk geval prioriteit.
Inperking van verdringing
is niet alleen noodzakelijk om het risico van oneerlijke concurrentie
tegen te gaan. Ook vanuit bekostigingsoogpunt moet een inschatting
worden gemaakt van de verwachte mate van verdringing. Verdringing
kan immers leiden tot een extra beslag op de sociale zekerheid dat in
mindering moet worden gebracht op de middelen die direct voor gesubsidieerde arbeid kunnen worden ingezet.
Verdringing JWG
Uit de evaluatie van de Jeugdwerkgarantiewet komt naar voren dat er
aanwijzingen zijn die wijzen op verdringing. In de marktsector geeft rblz.|35|
bijvoorbeeld 23% van de garantieplaatsverschaffers te kennen dat zij ook
zonder de JWG iemand in dienst zouden hebben genomen. De helft van deze
werkgevers zou dan wel hogere eisen aan de werknemers hebben gesteld.
Voor zover verdringing zich voordoet, gaat het om verdringing van
kansrijke werknemers door kansarme jongeren. In de collectieve en non-profitsector komt verdringing nauwelijks voor.
Ook de activiteiten die worden verricht, kunnen
wijzen op enige vorm van verdringing.
In de marktsector geven inleners aan dat voor
49% van de JWG-ers geldt dat werknemers op reguliere en additionele
arbeidsplaatsen dezelfde werkzaamheden verrichten.
Inleners stellen bovendien dat 65% van de
JWG-ers werk verricht dat voordien door anderen werd gedaan. Dit kan
betekenen dat jongeren taken hebben overgenomen van regulier personeel
dat niet meer bij het betreffende bedrijf werkzaam is, maar ook dat zij
taken hebben overgenomen die door taakafsplitsing van het zittende
personeel zijn gerealiseerd.
Concurrentievervalsing doet zich voor wanneer
werkgelegenheid verschuift van bedrijven die niet deelnemen aan de JWG,
naar deelnemende bedrijven die vanwege goedkopere JWG-ers concurrerender
kunnen werken. Voor afzonderlijke inleners kan niet worden vastgesteld
of kosten en opbrengsten van de JWG-er in evenwicht zijn. Daardoor zijn
uitspraken omtrent de mate waarin concurrentievervalsing voorkomt
nauwelijks mogelijk. Met betrekking tot budgetvervalsing is nagegaan of
het werk dat door JWG-ers wordt verricht in het verleden is
wegbezuinigd. Dit doet zich in 9% van de gevallen voor.
Bedacht dient te worden dat ondanks verdringing
en de concurrentievervalsing de inzet van JWG-middelen heeft geleid tot
een aantoonbare uitbreiding van de werkgelegenheid voor jongeren met een
slechte uitgangspositie op de arbeidsmarkt.
Het kabinet heeft echter ook oog voor de minder
positieve kant van de uitbreiding van de gesubsidieerde arbeid.
Verdringing van reguliere arbeid en concurrentie- en budgetvervalsing
wordt daarom op de volgende wijze tegengegaan.
Zelfregulerende mechanismen, bijvoorbeeld op grond van
belangentegenstelling, vormen een eerste garantie tegen verdringing en
concurrentieverstoring. Voor zover geen sprake is van zelfregulering,
moet de wet aanvullende waarborgen bieden om
ongewenste neveneffecten voldoende in de hand te houden. Conform het
advies van de
Sociaal-Economische Raad is het uitgangspunt dat een toets
op verdringing en concurrentieverstoring gewenst is, echter bij voorkeur
zonder al te zware procedures of de instelling van zwaar bewerktuigde
toetsingscommissies. Met het oog hierop regelt de Wiw het volgende:
1. detacheringen zijn in gelijke mate mogelijk bij werkgevers in alle
sectoren;
2. per bedrijf of instelling (onderneming) is het aantal
detacheringsplaatsen gelimiteerd;
3. voorafgaand aan de detachering wordt getoetst op recent ontslag;
4. de werkgever is met de ondernemingsraad overeengekomen dat
Wiw-werknemers worden ingeleend;
5. gemeenten bedingen een zodanige vergoeding
voor de inzet van gesubsidieerde arbeid en de prijzen voor de met
gesubsidieerde arbeid verrichtte diensten en geproduceerde goederen zijn
zodanig dat de concurrentieverhoudingen niet onaanvaardbaar worden beïnvloed.
Met de introductie van deze vijf toetsingsaspecten wordt de toets op
verdringing en concurrentieverstoring die in de JWG en banenpoolregeling
op verschillende wijze vorm was gegeven, eveneens gestroomlijnd, rblz.|36|
hetgeen
door de uitvoeringspraktijk als een belangrijke verbetering zal worden
beschouwd. In het navolgende worden de vijf toetsingsaspecten nader
uitgewerkt.
Openstellen van alle sectoren
In tegenstelling tot de vroegere banenpoolregeling hoeven detacheringen
vanuit de Wiw niet beperkt te blijven tot de
collectieve en non-profitsector. Door detacheringen in alle sectoren in
gelijke mate mogelijk te maken, wordt voorkomen dat de ene sector wordt
bevoordeeld ten opzichte van de andere. Hoewel de SER op dit punt niet
tot een eenduidig advies is gekomen, acht ook een deel van de
Raad het
in het belang van de doelgroep dat ook de marktsector gesubsidieerde
arbeidsplaatsen levert.
Maximering van het aantal Wiw-plaatsen
Normen die partijen zichzelf opleggen, kunnen tussen organisaties en
sectoren leiden tot verschillen in de mate waarin detacheringen zijn
toegestaan. Al te grote verschillen zouden de concurrentieverhoudingen
alsnog onaanvaardbaar kunnen verstoren. Daarom is in de regelgeving een
maximering van het aantal Wiw-plaatsen
opgenomen waaraan partijen zich gehouden weten. De maximering beperkt de
ruimte waarbinnen partijen zelf afspraken kunnen maken en is tevens een
bindende norm wanneer er geen afspraken zijn gemaakt.
De concrete percentages zullen bij algemene
maatregel van bestuur worden vastgesteld, zodat het flexibel kan worden
aangepast aan nieuwe inzichten. Gekozen wordt voor een pragmatische
benadering waarbij op basis van de praktijk kan worden afgewogen of een
aanscherping of verruiming van het percentage wenselijk is. Vooralsnog
wordt ervan uitgegaan dat maximaal 10% van het totaal aantal werknemers
dat bij een onderneming werkt een dienstbetrekking mag hebben op grond
van de Wiw. De grens van 10% sluit aan bij de gedachten van de SER
hieromtrent. Overigens wordt de mogelijkheid opengelaten om te
differentiëren naar sectoren, waarbij bijvoorbeeld in de collectieve en
non-profitsector hogere percentages worden toegestaan dan in de
marktsector.
Een beperking geldt in beginsel eveneens wanneer een gemeente
bij wijze van interne dienstverlening Wiw-werknemers
detacheert bij de uitvoeringsorganisatie die is belast met de Wiw en/of
de Wet sociale werkvoorziening, maar in de
algemene maatregel van bestuur kan hiervan worden afgeweken wanneer dit
de uitstroom uit de sociale werkvoorziening zou bevorderen. In de
sociale werkvoorziening worden jongeren die zijn geïndiceerd voor de
sociale werkvoorziening, maar die voorshands in het kader van de
sluitende benadering met een Wiw-dienstbetrekking zijn geplaatst, buiten
beschouwing gelaten.
De projecten die binnen gemeenten tot stand zijn
gekomen in het kader van de sociale vernieuwing worden grotendeels
uitgevoerd door deelnemers aan de banenpoolregeling. Het hanteren van
een maximumpercentage voor dergelijke projecten zou betekenen dat deze
niet kunnen worden voortgezet. Om dit te voorkomen, is in artikel
23,
eerste lid onderdeel b, respectievelijk artikel
24, eerste lid,
onderdeel c, een overgangsregeling opgenomen. Daarnaast zal in de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
6, eerste lid, onderdeel
a, een uitzonderingsbepaling voor deze projecten worden
opgenomen. Voorwaarde daarbij is dat socialevernieuwingsprojecten
juridisch of procedureel kunnen worden geduid.
Ten opzichte van de oude situatie betekent een maximumpercentage in
bepaalde gevallen een inperking. Immers, vóór de samenvoeging tot de rblz.|37|
Wiw
konden werkgevers op grond van verschillende regelingen gesubsidieerde
arbeidskrachten inschakelen, waarmee het aantal kon cumuleren. Om de
plaatsing van Wiw-werknemers ook in kleine ondernemingen mogelijk te
maken, geldt dat - ongeacht het aantal werknemers - ten minste één
Wiw-werknemer in een onderneming mag worden gedetacheerd.
Het mogelijke inperkende effect van maximumpercentages wordt (deels)
gecompenseerd door ruimere plaatsingsmogelijkheden. Allereerst gaat de Wiw
uit van de nieuwe, ruimere definitie van het begrip "in de
onderneming werkzame personen". Daarbij is aangesloten bij het
begrip uit het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet
op de ondernemingsraden (WOR). Tot het personeelsbestand worden niet alleen
gerekend degenen die in de onderneming werken in dienst van de
ondernemer die de onderneming in stand houdt. Ook tellen mee degenen die
in het kader van werkzaamheden van de onderneming daarin werken in
dienst van een andere ondernemer en degenen die in dienst van de
ondernemer werken bij een ander. Dat wil zeggen dat eigen werknemers die
bij derden zijn gedetacheerd, uitzendkrachten en andere krachten die de
ondernemer zelf heeft ingehuurd (inclusief de gedetacheerde
Wiw-werknemers) ook meetellen bij het bepalen van het aantal
Wiw-werknemers dat bij een onderneming mag werken.
Ten tweede is voor het eerst de marktsector volledig opengesteld, zodat gemeenten
meer mogelijkheden hebben om een geschikte detacheringsplaats te vinden.
Tot slot hebben gemeenten de mogelijkheid om een werknemer met een
loonkostensubsidie te plaatsen op een werkervaringsplaats. Deze
werknemers hebben een reguliere arbeidsovereenkomst en tellen dus niet
mee als gedetacheerde werknemer bij de bepaling van het
plaatsingspercentage.
Toets op recent ontslag
Voorkomen moet worden dat een werknemer op een reguliere arbeidsplaats
vervangen wordt door een Wiw-werknemer. Directe
verdringing waarbij een één-op-éénrelatie bestaat tussen de
werknemer die wordt verdrongen en degene die verdringt, is zonder meer
onacceptabel. De gemeente
kan daarom alleen een werknemer ter beschikking stellen wanneer is
vastgesteld dat de inlenende werkgever geen werknemer heeft ontslagen
wegens bedrijfseconomische redenen die vergelijkbare arbeid verrichtte
als degene die vanuit de Wiw wordt gedetacheerd. Deze toets op recent
ontslag vindt plaats over de periode van zes maanden voorafgaand aan de
totstandkoming van de detachering.
Voor de toets op recent ontslag wordt in eerste aanleg aangesloten bij
de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(WVA). De gemeente
kan bij Arbeidsvoorziening nagaan of de
werkgever geen dienstbetrekking heeft beëindigd op grond van
bedrijfseconomische redenen, indien daarvoor toestemming is verkregen
van de Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening dan wel een aanvraag voor
toestemming is ingediend. Het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945,
op grond waarvan de Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening toestemming
tot ontslag verleent, is niet van toepassing op de overheidssector. Bij
een voorgenomen detachering in de overheidssector is de gemeente daarom
gehouden anderszins vast te stellen of er geen sprake is van recent
ontslag. Voorts kan een arbeidsverhouding, ook om bedrijfseconomische
redenen, ontbonden zijn door de kantonrechter. Dit kan door de gemeente
worden nagegaan.
rblz.|38|
Instemming van de ondernemingsraad
In de JWG was bepaald dat een werkgever detacheringsplaatsen ter
beschikking kon stellen indien daarover overeenstemming met het
medezeggenschapsorgaan bestond. Ook in de Wiw
is voor deze benadering gekozen. Detachering van Wiw-werknemers is
alleen toegestaan indien de inlenende werkgever daarvoor de instemming
heeft gekregen van de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging
die voor de onderneming is ingesteld.
Op deze wijze bepalen betrokken partijen -
werkgever en ondernemingsraad - of het wenselijk is om
detacheringsplaatsen beschikbaar te stellen.
De gemeente
dient zich er derhalve van te vergewissen dat de ondernemingsraad heeft
ingestemd met het detacheren van Wiw-werknemers. Indien voor de
onderneming geen ondernemingsraad of personeelsvertegenwoording
functioneert, gelden alleen de overige voorwaarden zoals in artikel 6
genoemd.
Inleenvergoeding en prijs zodanig dat de
concurrentieverhoudingen niet onaanvaardbaar worden beïnvloed
De activiteiten die in het kader van de Wiw
worden uitgevoerd, mogen door de bedongen prijs, leverings- en
betalingsvoorwaarden niet zodanig zijn dat aan anderen onverantwoorde
concurrentie wordt aangedaan.
Het gevaar van verstoring van de concurrentieverhoudingen speelt in
eerste aanleg tussen ondernemingen onderling. Wanneer een ondernemer
meent dat een ander oneigenlijke concurrentievoordelen heeft, dan kan
hij dit in een civiele procedure aanhangig maken bij de rechter.
Voorgaande neemt niet weg dat er ook een verantwoordelijkheid bij de
overheid ligt. De rijksbijdrage per Wiw-arbeidsplaats
gaat ervan uit dat de gemeente een adequate
vergoeding vraagt aan een inlenende werkgever. De "prijs", en
hiermee de arbeidskosten, van een Wiw-werknemer moet zodanig zijn dat de
concurrentieverhoudingen niet onaanvaardbaar worden beïnvloed. Maar ook
om oneerlijke concurrentie tussen gemeenten onderling te voorkomen, zal
de prijsstelling moeten worden gebaseerd op een gebruikelijke
calculatiemethodiek. Wanneer dit niet mogelijk is, moet de gemeente op
een andere manier de hoogte van de inleenvergoeding onderbouwen. Hoe in
een concreet geval de inleenvergoeding moet worden berekend en wat een
adequate inleenvergoeding is, is ter beoordeling van de gemeente. Voor
de bekostiging vanuit de rijksoverheid wordt volstaan met een
gemiddelde.
Bovenstaande laat de mogelijkheid open dat gemeenten
voor bepaalde (publieke) sectoren een specifiek beleid ten aanzien van
de inleenvergoeding voeren. In deze sectoren is een lagere
inleenvergoeding toegestaan op voorwaarde dat de
concurrentieverhoudingen tussen instellingen in zo’n sector niet
onaanvaardbaar worden beïnvloed. Daardoor kan in sectoren waarin
vanwege budgettaire beperkingen de adequate inleenvergoeding niet
volledig kan worden gefinancierd, toch gesubsidieerde werkgelegenheid
worden gerealiseerd.
6. De dienstbetrekking
voor detacheringsplaatsen
6.1. Inleiding
Het aanbieden van een dienstbetrekking, bedoeld in artikel 4 van de
wet, is één van de instrumenten die de gemeente
heeft om personen die behoren tot de doelgroep arbeid te laten
verrichten. De rblz.|39|
Wiw-dienstbetrekking dient een tweeledig doel, in
samenhang met het tweeledige karakter van de doelgroepomschrijving. De
arbeid die op grond van de dienstbetrekking wordt verricht, heeft
enerzijds tot doel de werknemer werkervaring te laten opdoen waardoor
deze zich meer kwalificeert voor een reguliere arbeidsplaats, anderzijds
stelt het personen met geen of een gering doorstroomperspectief in de
gelegenheid een inkomen te verwerven met het verrichten van
maatschappelijk relevante arbeid.
De Wiw-werknemer heeft een arbeidsverhouding
met de gemeente. De dienstbetrekking wordt dan
ook aangegaan met de gemeente, hetgeen de rechtszekerheid van de
Wiw-werknemer optimaal waarborgt. Indien de gemeente een rechtspersoon
heeft aangewezen om de wet uit te voeren, kan deze namens de gemeente
een arbeidsovereenkomst afsluiten voor zover de uitvoeringsorganisatie
daartoe door de gemeente is gemachtigd.
De arbeidsovereenkomst die in het kader van de Wiw-dienstbetrekking
wordt afgesloten, is een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, in
casu titel 7a van Boek
7a van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Alleen voor zover bepalingen van het BW
met betrekking tot de
arbeidsovereenkomst onverenigbaar zijn met de doelstelling van de Wiw,
zijn in onderhavige wet enkele aanvullende bepalingen over de
dienstbetrekking opgenomen.
Deze benadering verschilt in essentie niet van de benadering in het
kader van de Jeugdwerkgarantiewet en de Rijksbijdrageregeling banenpools.
Ook daar werd een dienstbetrekking aangegaan met respectievelijk
jongeren en langdurig werklozen. Ook in de JWG en de banenpoolregeling
werd bepaald dat de dienstbetrekking juridisch vorm kreeg met een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Als gevolg van de bijzondere
doelstellingen kenden beide regelingen eveneens bijzondere bepalingen
ten opzichte van het BW.
De
onderhavige
wet gaat uit van de
veronderstelling dat werknemersorganisaties en
een representatieve organisatie van werkgevers afspraken zullen maken
over de arbeidsvoorwaarden van de Wiw-werknemers. Wanneer een CAO voor
de Wiw-werknemers wordt afgesloten, wordt de dienstbetrekking beheerst
door:
- de bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek, titel 7a van Boek 7a,
voor zover van toepassing;
- enkele relevante bepalingen uit de Wiw;
- de bepalingen van de CAO die van toepassing is, voor zover deze niet
in strijd zijn met het BW
en de Wiw.
6.2. Bijzondere
bepalingen inzake arbeidsvoorwaarden
De relevante bepalingen in de Wiw met
betrekking tot de arbeidsvoorwaarden hebben betrekking op de
arbeidsduur, de duur van de arbeidsovereenkomst en de beloning.
Arbeidsduur van 32 uur of meer
De wekelijkse arbeidsduur voor Wiw-werknemers
bedraagt 32 uur. Slechts in individuele gevallen die verband houden met
bij de werknemer gelegen factoren, mag hiervan worden afgeweken. Indien
bijvoorbeeld een dienstbetrekking voor 32 uur per week niet toereikend
is om uit de uitkering te geraken, is het toegestaan meer dan 32 uur per
week te werken.
De mogelijkheid om meer dan 32 uur te werken teneinde
de uitkeringsafhankelijkheid rblz.|40|
te beëindigen, vormt een belangrijke
wijziging ten opzichte van de JWG waarin de arbeidsduur was gemaximeerd
tot 32 uur per week.
Arbeidsduur van minder dan 32 uur
De
wet laat de mogelijkheid open om vanwege bij de werknemer gelegen
factoren minder dan 32 uur per week te werken. Er zijn twee gevallen
denkbaar waarin een werkweek van 32 uur bezwaarlijk kan zijn, namelijk
voor:
- een alleenstaande ouder die de zorg heeft voor één of meer jonge
kinderen;
- een persoon met een arbeidshandicap.
In deze gevallen kan een kortere werkweek
worden overeengekomen en zo nodig een aanvullende Abw-uitkering
worden toegekend.
Daarnaast zijn er twee situaties denkbaar
waarbij een combinatie met een dienstbetrekking van 32 uur niet mogelijk
is:
- de Wiw-werknemer volgt buiten de Wiw-dienstbetrekking scholing die
zijn kansen op het verkrijgen van regulier werk vergroot; deze scholing
heeft een zodanig tijdsbeslag dat deze niet kan worden gecombineerd met
een dienstbetrekking van 32 uur per week;
- de Wiw-werknemer heeft - naast zijn Wiw-dienstbetrekking - een
(deeltijd)baan van meer dan vier uur per week.
Tot slot kan worden gedacht aan gevallen waarin
een dienstbetrekking van 32 uur zonder meer mogelijk is, maar betrokkene
te kennen geeft minder uren te willen werken zonder dat er aanspraak
wordt gedaan op een aanvullende uitkering:
- betrokkene heeft een partner met een eigen inkomen;
- betrokkene accepteert een lager inkomen tot op het niveau van het
sociaal minimum.
In alle genoemde voorbeelden biedt het
criterium bij de werknemer gelegen factoren de mogelijkheid om een
arbeidsduur van minder dan 32 uur overeen te komen. Minder arbeidsuren
in combinatie met een aanvullende Abw-uitkering is alleen toegestaan,
indien:
- een langere arbeidsduur bezwaarlijk is in verband met de zorg voor
jonge kinderen of vanwege een arbeidshandicap;
- arbeidsmarktrelevante scholing buiten de dienstbetrekking wordt
gevolgd.
In alle overige gevallen vormt een
Wiw-dienstbetrekking van 32 uur het uitgangspunt. Werkt men minder dan
32 uur en wordt een beroep op een aanvullende Abw-uitkering gedaan, dan
dient het aantal arbeidsuren te worden verhoogd teneinde uit de
uitkering te blijven.
Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat het hier gaat
om maatwerk. Per individueel geval zal de gemeente
moeten beoordelen of afwijking van de 32 uur door bij de werknemer
gelegen factoren gerechtvaardigd is. Daarin weegt de gemeente ook mee de
mogelijkheden die er zijn om detacheringsplaatsen voor minder dan 32 uur
te realiseren. Dit kan bij een tekort aan dergelijke
detacheringsplaatsen betekenen dat personen die een voorkeur hebben voor
minder uren vanwege een partner met een eigen inkomen of omdat zij een
lager inkomen accepteren, toch een baan van 32 uur kan worden
aangeboden.
Scholing
De JWG kende de mogelijkheid van het volgen van scholing in het kader
van de JWG-dienstbetrekking, waarbij bij een dienstbetrekking van 32 uur
maximaal 13 uur scholing met behoud van loon kon worden gevolgd. Ook de
Rijksbijdrageregeling banenpools bood onder bepaalde voorwaarden de
mogelijkheid om scholing binnen de dienstbetrekking te volgen.
rblz.|41|
De Wiw kent eveneens
een dergelijke bepaling die geldt voor alle Wiw-werknemers. Artikel
4,
vierde lid, bepaalt dat scholing die de kansen op het verkrijgen van
regulier werk vergroot binnen de dienstbetrekking kan worden gevolgd,
voor zover in die dienstbetrekking ten minste 19 uur per week arbeid
wordt verricht. Dus wanneer een Wiw-werknemer een arbeidsovereenkomst
heeft voor 32 uur, dan kan hij maximaal 13 uur scholing met doorbetaling
van loon volgen. Het volgen van scholing met behoud van loon bij een
arbeidsovereenkomst van 19 uur of minder is niet toegestaan.
Artikel 4, vierde lid, bepaalt dat met behoud
van loon alleen scholing kan worden gevolgd die de kansen op het
verkrijgen van regulier werk vergroot. Het ligt in de rede dat gemeente
en Arbeidsvoorziening op basis van artikel 7
afspraken maken over de wijze waarop in onderling overleg wordt
vastgesteld welke scholing als arbeidsmarktrelevant kan worden
aangemerkt.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat bepaalde
typen scholing noch binnen, noch buiten de dienstbetrekking kunnen
worden gevolgd. Personen die onderwijs of een beroepsopleiding volgen
als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet
op de studiefinanciering of in
hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming studiekosten behoren op grond
van artikel 1, tweede lid, immers niet tot de
Wiw-doelgroep. Deze
scholing kan dus niet binnen of in combinatie met een
Wiw-dienstbetrekking worden gevolgd. Artikel 4, vijfde lid, biedt
mogelijkheden om bij ministeriële regeling nader te bepalen onder welke
voorwaarden de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg
op grond van de Wet
educatie en beroepsonderwijs in combinatie met een
Wiw-dienstbetrekking kan worden gevolgd.
Met personen van 23 jaar of ouder moet in eerste instantie een
arbeidsovereenkomst voor twee jaar worden aangegaan met een beloning op
het niveau van het wettelijk minimumloon. Deze
dienstbetrekking voor bepaalde tijd heeft tot doel om te kunnen
vaststellen of betrokkene permanent op een Wiw-dienstbetrekking
is aangewezen dan wel er alternatieven denkbaar zijn. De tijdelijkheid
van de arbeidsovereenkomst kan voor betrokken werknemer tevens een
stimulans zijn om te blijven zoeken naar een reguliere arbeidsplaats.
Na afloop van de dienstbetrekking voor bepaalde tijd is het de gemeente
toegestaan aansluitend een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan
te bieden indien de werknemer nog tot de Wiw-doelgroep
behoort. Daarmee wordt afgeweken van het beginsel dat gesubsidieerde
arbeid een tijdelijk karakter heeft. Er moet immers worden onderkend dat
niet iedereen na twee jaar relevante werkervaring in staat zal zijn
reguliere arbeid te verrichten. Een deel van de doelgroep bestaat uit
een categorie personen die - alle inspanningen ten spijt - een
onoverbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt zal blijven houden. Voor
personen van wie na twee jaar wordt vastgesteld dat zij vooralsnog
definitief op Wiw-arbeid zijn aangewezen, wordt gemeenten de
mogelijkheid geboden om hen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
aan te bieden, hetgeen overigens niet betekent dat doorstroming op
termijn niet aan de orde zou kunnen zijn. De wet
bevat diverse
bepalingen die ook bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
gemeenten de mogelijkheid biedt doorstroming te bevorderen. Het kabinet
acht het echter niet opportuun om personen die blijvend zijn aangewezen
op gesubsidieerde arbeid slechts voor twee jaar een
Wiw-dienstbetrekking te bieden. Dit is overeenkomstig het beleid dat ten
grondslag lag aan de banenpoolregeling.
De indicatiestelling voor een
Wiw-dienstbetrekking voor onbepaalde tijd dient zorgvuldig te gebeuren.
Voorkomen moet worden dat personen die min of meer blijvend op de Wiw
zijn aangewezen na twee jaar alsnog rblz.|42|
buiten de boot vallen. Of dat een
dienstbetrekking voor onbepaalde duur wordt aangeboden aan een persoon
die op andere wijze, bijvoorbeeld door middel van een
werkervaringsplaats, beter naar reguliere arbeid kan worden begeleid.
Ook bij de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd worden voorwaarden
aan de hoogte van de beloning gesteld. In de notitie "Stroomlijning
van gesubsidieerde arbeid" is het uitgangspunt geformuleerd dat na
de eerste twee jaar functieloon mag worden betaald, waarbij de
loonkosten echter binnen bepaalde marges moeten blijven. Voor de
bepaling van deze marges is aansluiting gezocht bij de maximale
loonhoogte die wordt gehanteerd in de Regeling extra werkgelegenheid
langdurig werklozen 1996 [opgegaan in
Besluit
in- en doorstroombanen, red.]. Dit betekent dat het loon, inclusief de tot
het loon te rekenen toeslagen, bij de inwerkingtreding van deze
wet niet meer mogen bedragen dan 120% van het wettelijk
minimumuurloon. De maximering van de loonhoogte geschiedt bij lagere
regelgeving inzake de subsidievoorwaarden (artikel
15, tweede lid [derde lid, red.]).
De
Sociaal-Economische Raad heeft op dit laatste onderdeel verdeeld
geadviseerd. Een deel van de Raad pleit ervoor dat de beloning voor
nieuwe werknemers gedurende hun gehele dienstverband op het niveau van
het minimumloon plaatsvindt. Een hoger loon na
twee jaar wordt door dit deel van de Raad afgewezen met als motivering
dat dit leidt tot een minder efficiënt gebruik van collectieve middelen
en de doorstroming naar regulier werk belemmert. Het andere deel van de
Raad ervaart het als positief dat het kabinet na twee jaar een zeker
perspectief op verbetering biedt.
De opvatting van een deel van de Raad dat
honorering van Wiw-werknemers van 23 jaar of
ouder blijvend moet worden beperkt ter hoogte van het minimumloon, wordt
door het kabinet niet gedeeld. Indien is vastgesteld dat een werknemer
voor zijn arbeid langdurig is aangewezen op de Wiw, wordt het niet
wenselijk geacht honorering op wettelijk minimumloonniveau in de wet
dwingend voor te schrijven. De maximering tot 120% van het wettelijk
minimumloon biedt weliswaar geen mogelijkheden tot een betekenisvolle
stijging van het primaire inkomen, maar biedt meer ruimte in de sfeer
van de secundaire arbeidsvoorwaarden dan de huidige stringente
bepalingen in de banenpoolregeling. Bovendien moet worden bedacht dat
het in de meeste gevallen gaat om arbeid waarvoor in de markt zelfs bij
honorering op het wettelijke minimumloonniveau geen vraag bestaat.
De gemeente sluit met jongeren die tot de
doelgroep behoren een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd begrensd
tot 23 jaar af. De beloning voor Wiw-werknemers
tot 23 jaar is niet hoger dan het bedrag dat gezien zijn leeftijd en
arbeidsduur voor hem als wettelijk minimumloon
geldt. Gezien het grote belang dat wordt gehecht aan de doorstroming van
jongeren naar arbeidsplaatsen buiten de Wiw, is niet overwogen om voor
deze groep na twee jaar dienstverband een hogere beloning dan het
geldende minimumjeugdloon toe te staan. Deze
benadering betekent een continuering van de gedachte die ten grondslag
ligt aan de beloningssystematiek van de JWG, waarbij de beloning van de
jongere ook is gelimiteerd tot het voor hem geldende minimumloon.
De keuze voor een werkweek van 32 uur en honorering op 100% c.q. 120%
van het wettelijk minimumloonniveau komt voort
uit twee overwegingen. In de eerste plaats kan op deze wijze aan zoveel
mogelijk werklozen een arbeidsplaats in het kader van deze
wet worden aangeboden. In de tweede plaats vormt de combinatie 32
uur en minimumloon voor de Wiw-werknemers op grond van
inkomensoverwegingen een stimulans om op zoek te gaan naar reguliere
arbeidsplaatsen.
rblz.|43|
Het bepaalde ten aanzien van de arbeidsduur is van toepassing op
werknemers met wie na de inwerkingtreding van de
wet een dienstverband wordt aangegaan. De arbeidsduur van
banenpooldeelnemers van wie de arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd in
een arbeidsovereenkomst op grond van de Wiw blijft ongewijzigd. Voor de
overgangsbepaling die geldt voor de beloning en de duur van de
arbeidsovereenkomst van banenpooldeelnemers wordt verwezen naar de
artikelsgewijze toelichting (artikel 24).
Voor personen die vanuit de Wsw direct
doorstromen naar een Wiw-dienstbetrekking geldt
niet de vereiste dat de gemeente eerst een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd moet aangaan met een beloning op
het niveau van het minimumloon. De gemeente
kan een Wsw-dienstbetrekking omzetten in een Wiw-dienstbetrekking met
een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarbij de honorering
echter niet hoger mag zijn dan 120% van het wettelijk minimumloonniveau.
De wettelijke bepalingen voor de wekelijkse arbeidsduur zijn in dat
geval ook van toepassing.
Om invulling te geven aan de bijzondere bepalingen inzake de
arbeidsvoorwaarden is gekozen voor dezelfde benadering als in de Wsw,
waar dit is geregeld via de bekostigingssystematiek. Wanneer een gemeente
arbeidsovereenkomsten sluit die niet aan het vereiste ten aanzien van de
arbeidsduur voldoen, dan komen deze arbeidsplaatsen slechts binnen de
gestelde grenzen voor bekostiging in aanmerking. Voldoet de gemeente
niet aan de voorwaarden die aan de beloning worden gesteld, dan is geen
sprake van een arbeidsplaats als bedoeld in de wet
en komt de dienstbetrekking daarmee niet in aanmerking voor subsidie als
bedoeld in artikel 14 van de wet.
6.3. Bijzondere
ontslagbepalingen
De ontslagbepalingen van het BW
zijn ook van toepassing op de Wiw-dienstbetrekking.
De artikelen 1639e tot en met 1939x van het BW
regelen de
wijze waarop de door de arbeidsovereenkomst ontstane dienstbetrekking
eindigt. De doelstelling van de wet maakt het
noodzakelijk om te komen tot enkele aanvullende ontslagbepalingen ten
opzichte van het BW. In artikel 4, zevende lid, en
artikel 11 van onderhavige
wet is bepaald wanneer het gemeentebestuur de arbeidsovereenkomst
moet opzeggen. Opzegging door de werknemers is in beginsel niet beperkt
of aangevuld maar kan, indien direct na het ontslag aanspraak wordt
gemaakt op Abw- of WW-uitkering,
leiden tot een korting op de uitkering.
Ten aanzien van jongeren geldt de verplichting de arbeidsovereenkomst te
beëindigen indien deze de leeftijd van 23 jaar bereiken. Voor personen
van 23 jaar of ouder geldt geen sluitende benadering. De gemeente
heeft de mogelijkheid om deze jongere, maar dan onder de noemer
langdurig werkloze, aansluitend een Wiw-dienstbetrekking
aan te bieden (voor zover de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
daartoe een verklaring heeft afgegeven). Er kan dan een dienstbetrekking
voor twee jaar worden afgesloten en nadien zo nodig een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Voorkomen moet worden dat de Wiw-werknemers de
voorkeur geven aan een gesubsidieerde arbeidsplaats en een aanbod voor
passende arbeid in een arbeidsverhouding anders dan een volledig
gesubsidieerde arbeidsplaats afslaan. De gemeente
kan op grond van zo’n weigering de dienstbetrekking opzeggen. Omdat
een dergelijke weigering tevens inhoudt dat hij in onvoldoende mate
tracht passende arbeid te verkrijgen, rblz.|44|
zal dit betekenen dat een WW-
of Abw-uitkering gedeeltelijk geweigerd kan
worden, indien betrokkene daar vervolgens aanspraak op maakt.
Wanneer een Wiw-werknemer onderwijs of een
beroepsopleiding gaat volgen als bedoeld in hoofdstuk II van de Wet
op de studiefinanciering of in hoofdstuk III van de Wet tegemoetkoming
studiekosten, vormt dit eveneens een ontslaggrond (artikel
4, zevende
lid, onderdeel b). Betrokkene behoort dan immers niet meer tot de
Wiw-doelgroep (artikel 1, tweede lid).
De JWG kende nog meer bijzondere ontslaggronden, zoals ingeval de
jongere driemaal achtereen weigerde werkzaamheden op een garantieplaats
te gaan verrichten. Ingeval de jongere zodanig handelt, weigert hij in
feite hardnekkig de opgedragen arbeid te verrichten. Daarbij is sprake
van een dringende reden als bedoeld in artikel 1639p BW
op grond
waarvan de gemeente
de dienstbetrekking kan doen eindigen. Het is daarom niet noodzakelijk
nog een dergelijke bijzondere ontslaggrond in deze
wet op te nemen.
6.4. Bijzondere
sanctiebepalingen
De JWG kende een bepaling die de JWG-organisatie de mogelijkheid bood om
in afwijking van het BW
bij verwijtbaar niet verrichten van arbeid of
bij wijze van sanctie (een deel van) het loon in te houden. Het opleggen
van een sanctie was zowel mogelijk in de situatie dat een jongere niet
op zijn garantieplaats verscheen of niet naar beste vermogen de
opgedragen werkzaamheden verrichtte. Ook kon deze sanctie worden
opgelegd indien de jongere niet bereid was tot het volgen van scholing
ter verbetering van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
Deze sanctiebepaling is op verzoek van de uitvoeringsorganisaties per 1
september 1994 in de JWG opgenomen. Er bestond namelijk de behoefte aan
een sanctiemogelijkheid die bij een verwijtbaar niet functioneren minder
ver zou gaan dan het beëindigen van de dienstbetrekking, omdat het
belang van de jongere met een dergelijk ontslag niet gediend zou zijn.
De uitvoeringspraktijk heeft inmiddels ervaringen met deze
sanctiebepaling opgedaan.
Gezien de uitkomsten van het evaluatieonderzoek wordt het van belang
geacht de sanctiebepaling tot inhouding van loon ook in de Wiw op te
nemen. Daarbij is er geen aanleiding om een onderscheid te maken tussen
jongeren met een Wiw-dienstbetrekking en Wiw-werknemers van 23 jaar of ouder met een
Wiw-dienstbetrekking.
Het spreekt voor zich dat de sanctie met (gedeeltelijke) inhouding van
loon met grote zorgvuldigheid dient te worden toegepast. Daarom is het
aan te bevelen dat de gemeente een protocol of procedure vaststelt
waarin wordt vastgelegd in welke situatie welke sanctie wordt toegepast.
Voorlichting aan Wiw-werknemers hierover is van groot belang.
6.5. Detacheringsplaats
Werknemers met een Wiw-dienstbetrekking verrichten hun werkzaamheden bij
derden op detacheringsbasis. De arbeidsplaats waarop zij werken wordt
aangeduid als detacheringsplaats. De gemeentelijke organisatie kan ook
zelf detacheringsplaatsen voor Wiw-werknemers beschikbaar stellen. De
werkzaamheden van de werknemer worden dan binnen gemeentelijke diensten
verricht, waarbij de gemeente tevens optreedt als inlenende werkgever.
rblz.|45|
De JWG en de banenpoolregeling stelden diverse eisen aan de inlenende
werkgever. In de banenpoolregeling was het bijvoorbeeld alleen
toegestaan om banenpooldeelnemers in de collectieve sector en de
non-profitsector te plaatsen. Voor jongeren met een
JWG-dienstbetrekking gold tot 1 januari 1995 dezelfde beperking, maar
nadien is de marktsector ook voor deze groep opengesteld. Het motief
hiervoor was dat JWG-organisaties er onvoldoende in slaagden passende
detacheringsplaatsen voor jongeren te vinden. Er was bijvoorbeeld sprake
van een groep jongeren die gelet op hun opleidingsrichting en
belangstelling moeilijk in de collectieve sector waren te plaatsen. Uit
onderzoek komt naar voren dat met de openstelling van de marktsector
gunstige ervaringen zijn opgedaan.
In de Wiw worden geen beperkingen opgelegd ten
aanzien van de sector waar werknemers mogen worden geplaatst. Het is
toegestaan om Wiw-werknemers zowel op detacheringsplaatsen in de
collectieve sector als in de marktsector te plaatsen. Dit wordt
gemotiveerd door de gunstige ervaringen die met plaatsing in de
marktsector zijn opgedaan en de kansen op uitstroom naar regulier werk
in deze sector.
Het tewerkstellen van Wiw-werknemers op detacheringsplaatsen in de
marktsector of de collectieve sector mag niet leiden tot budget-
respectievelijk concurrentieverstoring dan wel verdringing van
reguliere arbeid. Teneinde dit te voorkomen, is in de Wiw vastgelegd dat
detachering mogelijk moet zijn bij alle werkgevers, is het aantal
detacheringsplaatsen gelimiteerd, vindt een toetsing op recent ontslag
plaats en dienen gemeenten
een zodanige inleenvergoeding te bedingen die
de concurrentieverhoudingen niet onaanvaardbaar worden beïnvloed.
Bovendien is detachering van Wiw-werknemers alleen toegestaan indien de
inlenende werkgever daarvoor instemming heeft verkregen van de
ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging.
In de JWG en de Rijksbijdrageregeling banenpools werd de voorwaarde
gesteld dat de werkgever die de garantieplaats ter beschikking stelde
een publiekrechtelijk lichaam dan wel een rechtspersoon diende te zijn.
JWG-organisaties hebben in het verleden erop gewezen dat het vereiste
van rechtspersoonlijkheid een belangrijke belemmering vormde om jongeren
in het midden- en kleinbedrijf te plaatsen, terwijl jongeren
belangstelling voor deze sector hadden en er gunstige
instroommogelijkheden lagen. In de wetsgeschiedenis van de JWG is niet
te achterhalen waarom is gekozen voor de vereiste van
rechtspersoonlijkheid, maar het is plausibel dat hiermee vooral is
getracht te voorkomen dat in de sfeer van de persoonlijke
dienstverlening garantieplaatsen zouden worden gecreëerd.
In de Wiw ontbreekt een dergelijke beperkende bepaling, omdat deze niet
past in de met name voor jongeren voorgestelde trajectbenadering. Deze
benadering veronderstelt immers dat de detacheringsplaats past in een
traject dat is gericht op het verkrijgen van regulier werk. Wanneer
werkgevers zonder rechtspersoonlijkheid in het midden- en kleinbedrijf
een perspectief op doorstroming kunnen bieden, mag het vereiste van
rechtspersoonlijkheid geen beletsel voor detachering zijn. De enige
voorwaarde is dat de inlener ten minste één werknemer in dienst
heeft. Dit vereiste volgt uit de definitie van het begrip onderneming in
artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de
wet, waarin wordt verwezen
naar het ondernemingsbegrip uit de Wet
op de ondernemingsraden (WOR). In
de WOR wordt de "onderneming" omschreven als elk in de maatschappij
als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin
krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke
aanstelling arbeid wordt verricht.
rblz.|46|
Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente
erop toe te zien dat er geen oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van
Wiw-werknemers. Voorkomen moet worden dat Wiw-werknemers worden ingezet
als goedkope arbeidskrachten zonder dat de verrichte werkzaamheden
bijdragen aan het verkrijgen van relevante werkervaring.
In de JWG was bepaald dat de periode van plaatsing van een jongere op
één garantieplaats in beginsel zes maanden mocht bedragen, maar deze
periode kan worden verlengd tot ten hoogste één jaar. In de
uitvoeringspraktijk van de JWG bleek een aanzienlijk deel van de
jongeren één jaar op één garantieplaats werkzaam. De begrenzing in
de plaatsingsduur werd mede noodzakelijk geacht om een zekere variatie
in de arbeidservaring van de jongeren te garanderen.
In de voorgestelde trajectbenadering voor jongeren wordt een dergelijke
beperking van de detacheringsduur te rigide geacht. Deze benadering
heeft immers als uitgangspunt dat een traject wordt uitgezet dat de
jongere zo snel mogelijk naar reguliere arbeid toeleidt. Wordt daarvoor
een detachering die langer duurt dan één jaar noodzakelijk geacht, dan
mag de regelgeving dit niet belemmeren.
Desondanks moet worden onderkend dat het
regelmatig wisselen van werkzaamheden en detacheringsplaatsen een
belangrijk middel is om relevante werkervaring op te doen. Ook hier
geldt dat moet worden voorkomen dat jongeren langdurig worden ingezet op
routinematige werkzaamheden die uiteindelijk niet leiden tot een
verhoging van hun kwalificatieniveau. Dit betekent dat het uitgangspunt
van de JWG, namelijk dat uiterlijk elk jaar van detacheringsplaats moet
worden gewisseld, niet zonder meer wordt verlaten. Het kabinet gaat ervan
uit dat ook in de uitvoeringspraktijk van de Wiw
detacheringsplaatsingen die langer duren dan het jaar eerder
uitzondering dan regel zullen zijn.
Teneinde administratief te kunnen vaststellen of de detacheringsplaats
is overeengekomen, dient de gemeente
met de inlener een schriftelijke
detacheringsovereenkomst af te sluiten. Op grond van artikel
4, tweede
lid, dienen daarin in ieder geval te worden geregeld de aard, de duur
van de werkzaamheden, de plaats waar de werkzaamheden worden verricht en
de begeleiding van de werknemer.
De beschikbaarheid van een dergelijke overeenkomst is ook noodzakelijk
om te kunnen vaststellen of en hoe lang een Wiw-werknemer zich in een
leegloopsituatie bevindt, dat wil zeggen een Wiw-dienstbetrekking zonder
een detacheringsplaats. Leegloop dient zoveel mogelijk te worden
voorkomen. Het kabinet heeft er begrip voor dat niet in alle gevallen
direct na beëindiging van een detachering een nieuwe
detacheringsplaats voorhanden is. De flexibilisering van de
plaatsingsduur biedt gemeenten
(in vergelijking met de JWG) echter meer
mogelijkheden om een nieuwe plaatsing direct te laten aansluiten. De
frictieleegloop kan daarmee verder worden teruggedrongen.
Langdurige leegloop kan niet worden
geaccepteerd. Daarom is in de wet, overeenkomstig de JWG en de
Rijksbijdrageregeling banenpools, bepaald dat de gemeente niet in
aanmerking komt voor subsidie indien de leegloopsituatie drie maanden of
langer duurt. Alleen indien de gemeente kan aantonen dat geen
werkzaamheden beschikbaar zijn gesteld tengevolge van ziekte of
arbeidsongeschiktheid van de werknemer, wordt de subsidieverstrekking na
deze drie maanden gecontinueerd, voor zover de gemeente een reïntegratieplan
voor herintreding heeft opgesteld. Bij dit laatste moet worden gedacht
aan een adequaat reïntegratieplan als bedoeld in artikel 71a, eerste
lid, WAO.
Artikel 38, eerste lid, Ziektewet verplicht de
werkgever om uiterlijk binnen dertien weken de uitvoeringsorganisatie sociale
verzekeringen in rblz.|47|
kennis te stellen van ongeschiktheid van de werknemer
tot het verrichten van arbeid wegens ziekte (gemeten vanaf de eerste
ziektedag). Artikel 71a, eerste lid, WAO bepaalt dat daarbij
gelijktijdig een adequaat reïntegratieplan ten behoeve van
herintreding van de werknemer in het arbeidsproces moet worden overgelegd.
Om na drie maanden leegloop nog in aanmerking
te kunnen komen voor subsidie, zal de gemeente er dus zorg voor moeten
dragen dat er tijdig een reïntegratieplan is opgesteld.
Dit betekent dat, indien de werknemer gedurende
een leegloopsituatie ziek of arbeidsongeschikt wordt, de
subsidieverstrekking na drie maanden leegloop pas wordt hervat nadat een
adequaat reïntegratieplan is opgesteld. Op deze wijze wordt voorkomen
dat gemeenten financieel risico lopen door ziekte of
arbeidsongeschiktheid van de werknemer en is tevens gewaarborgd dat de
gemeenten inspanningen verrichten om de werknemer weer aan het werk te
krijgen.
Uit de evaluatie van de Jeugdwerkgarantiewet komt naar voren dat de
wetswijzigingen in 1994 de leegloop hebben teruggedrongen. De
belangrijkste wijzigingen hadden betrekking op de invoering van de
voorbereidingsfase, het openstellen van de marktsector (waardoor een
ruimer aanbod van garantieplaatsen mogelijk werd) en de hiervoor
genoemde beëindiging van de subsidie aan gemeenten
bij leegloop
langer dan drie maanden. Ingevolge deze wet gelden overeenkomstige
bepalingen. De nieuwe wet biedt de gemeenten mogelijkheden om de
leegloop verder terug te dringen. Daarbij moet worden gedacht aan de
mogelijkheid om in de plaats van een detacheringsplaats, indien goed
beargumenteerd, een alternatief traject te bieden indien dit voor de
jongere meer perspectief biedt op uitstroom uit de Wiw.
6.6. Verhuizing
De verhuizing van een Wiw-werknemer naar een andere
gemeente vormt op
zich geen ontslaggrond. Zolang de reisafstand tussen de nieuwe gemeente
en de detacheringsplaats voor de werknemer geen beletsel vormt, dan kan
de arbeidsovereenkomst in stand blijven. In artikel
18, derde lid, is
geregeld dat de dienstbetrekking kan worden voortgezet zonder dat dit
gevolgen heeft voor de subsidie aan de gemeente. Wanneer de afstand
tussen de nieuwe woonplaats en de vestigingsplaats van de inlener niet
te bereizen is, dan zal de dienstbetrekking moeten worden beëindigd.
De werknemer is dan immers niet meer in staat om zijn werkzaamheden te
verrichten.
Voor Wiw-werknemers van 23 jaar of ouder geldt dat bij verhuizing de
nieuwe gemeente niet verplicht is betrokkene een Wiw-dienstbetrekking
aan te bieden. Een Wiw-werknemer die verhuisplannen heeft zal zich - net
als een reguliere werknemer - er dus van moeten vergewissen welke
consequenties deze hebben voor zijn dienstbetrekking. Dit kan door
vooraf afspraken te maken over de continuering van de bestaande
dienstbetrekking dan wel met de toekomstige gemeente contact op te nemen
over de mogelijkheden van een nieuwe Wiw-dienstbetrekking.
Om te kunnen bepalen wat de gevolgen van een verhuizing voor een jongere
zijn, moet een onderscheid worden gemaakt tussen jongeren in een traject
met of zonder Wiw-dienstbetrekking. Indien de jongere een traject zonder
dienstbetrekking volgt, dan neemt de nieuwe gemeente
de
verantwoordelijkheid daarvoor over. Dit ligt voor de hand omdat in de
meeste gevallen deze gemeente de jongere ook een uitkering zal
verstrekken. Dit sluit echter niet uit dat de betrokken gemeenten en de
jongere overeenkomen om het traject in de voormalige gemeente geheel of
gedeeltelijk af te ronden.
rblz.|48|
Voor jongeren met een Wiw-dienstbetrekking geldt dat verhuizing geen
ontslaggrond is. Zolang de dienstbetrekking met de voormalige gemeente
in stand blijft, houdt deze gemeente de verantwoordelijkheid voor het
traject van betrokken jongere.
Wordt de dienstbetrekking echter op enig moment
beëindigd en vraagt de jongere een uitkering aan of schrijft hij zich
bij Arbeidsvoorziening in als werkloos werkzoekend, dan stellen de
nieuwe gemeente en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van
artikel 9, eerste lid, een nieuw traject vast. In de meeste gevallen zal
dit inhouden dat de nieuwe gemeente een nieuwe dienstbetrekking
aanbiedt. Een uitzondering betreft de situatie waarin na herindicatie
van de jongere blijkt dat een ander traject meer passend moet worden
geacht. Er wordt dan geen nieuwe dienstbetrekking aangeboden, maar een
andere activiteit met de jongere overeengekomen.
In de praktijk zullen in geval van verhuizing
de betrokken gemeenten en de jongere vooraf afspraken moeten maken over
de wijze waarop de sluitende benadering voor de jongere wordt
gehandhaafd.
6.7. Terugkeergarantie
De uitstroom uit de Wiw zou kunnen worden
belemmerd wanneer werknemers de zekerheid van een Wiw-dienstbetrekking
verkiezen boven een reguliere arbeidsplaats. Om hieraan tegemoet te
komen, kende de banenpoolregeling onder bepaalde voorwaarden een
terugkeeroptie in het geval de reguliere arbeidsovereenkomst van een
voormalige banenpoolmedewerker binnen één jaar na doorstroming werd beëindigd.
Teneinde in de Wiw een soortgelijke
terugkeermogelijkheid te creëren, zal in de ministeriële regeling,
genoemd in artikel 1, derde lid, worden bepaald dat de gemeente
werknemers van 23 jaar of ouder die in aansluiting op het
Wiw-dienstverband een arbeidsovereenkomst afsluiten met een reguliere
werkgever, maar die buiten hun toedoen binnen één jaar deze reguliere
arbeidsplaats verliezen, kunnen worden aangemerkt als een langdurig
werkloze als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de
wet.
De strekking van deze bepaling is dat de Wiw-werknemer
tot één jaar na het beëindigen van de Wiw-dienstbetrekking vanwege
het aanvaarden van een regulier dienstverband tot de doelgroep van de
Wiw kan worden gerekend. Dit betekent niet dat iedere voormalige
Wiw-werknemer binnen dat jaar recht heeft op een nieuwe
Wiw-dienstbetrekking. Het is aan de gemeente om
te bepalen of terugkeer wenselijk is.
Naar verwachting zullen de gemeente en de Wiw-werknemer
met doorstroomplannen vooraf afspraken maken voor de situatie dat
betrokkene onverhoopt zijn reguliere baan zou verliezen. Ook hier kan
maatwerk worden geleverd. In sommige gevallen is een daadwerkelijke
terugkeergarantie voor de periode van één jaar nodig om betrokken
werknemer over de streep te trekken om door te stromen. In andere
gevallen kan worden volstaan met een terugkeergarantie voor de periode
van de proeftijd bij de reguliere werkgever, waarbij twee maanden
toereikend is.
De gemeente heeft dus een grote mate van
vrijheid om afspraken te maken over een eventuele terugkeer. De enige
beperking is dat na één jaar na beëindiging van de Wiw-dienstbetrekking
vanwege doorstroming naar een reguliere werkgever, een directe terugkeer
naar een Wiw-dienstverband niet meer mogelijk is.
Voor werkloze jongeren is er vanwege de sluitende benadering altijd
sprake van een terugkeermogelijkheid. Indien een jongere uit de Wiw
naar rblz.|49|
een reguliere baan doorstroomt en de reguliere arbeidsovereenkomst
wordt vóór het bereiken van de leeftijd van 23 jaar beëindigd, dan
behoort hij opnieuw tot de Wiw-doelgroep. Afhankelijk van de periode dat
deze jongere (in combinatie met zijn Wiw-dienstbetrekking) heeft
gewerkt, kan hij recht op een WW-uitkering
hebben. Tijdens de WW-periode dragen de bedrijfsvereniging en Arbeidsvoorziening de
verantwoordelijkheid voor de sluitende benadering, daarna de gemeente.
6.8. Medezeggenschap
Kenmerkend voor de Wiw-dienstbetrekking is dat
de werknemers een arbeidsovereenkomst met de gemeente
hebben, terwijl zij hun werkzaamheden op een detacheringsplaats bij
derden of een gemeentelijke dienst verrichten. Mede naar aanleiding van
twee uitspraken van de Hoge Raad ¹ heeft het
kabinet vastgesteld dat een wijziging van artikel 1 van de Wet
op de ondernemingsraden (WOR) noodzakelijk is teneinde te garanderen dat
gedetacheerde werknemers hun medezeggenschapsrechten kunnen uitoefenen.
Deze wetswijziging is opgenomen in het voorstel van wet
tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en titel 7.10
(arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken II
1995-1996, 24 615, nr. 2) dat bij koninklijke boodschap van 19 februari
1996 ter behandeling aan de Tweede Kamer is aangeboden.
1. Hoge Raad 30 december
1994, NJ 1995/448 en 449.
Uitgangspunt bij deze wetswijziging is dat gedetacheerde werknemers
zowel bij de arbeidsorganisaties van de inlener als bij de
arbeidsorganisatie van de uitlener een medezeggenschapsbelang hebben.
Bij de inlener uit dit belang zich vooral bij besluiten betreffende de
werksituatie en het daar gevoerde sociaal beleid. Bij de uitlener zal
het vooral gaan om meer rechtspositionele aangelegenheden, zoals
arbeidsvoorwaarden en loopbaan.
Wanneer artikel 1 WOR
conform het wetsvoorstel wordt gewijzigd, betekent
dit dat Wiw-werknemers medezeggenschapsrechten
krijgen in de onderneming waar zij voor het verrichten van hun
werkzaamheden zijn gedetacheerd, voor zover wordt voldaan aan de
diensttijdvereisten van artikel 6 WOR. Dat wil zeggen dat men na een halfjaar het actief kiesrecht kan uitoefenen en het passief kiesrecht
na één jaar werkzaamheid in die onderneming.
Tevens krijgen gedetacheerde werknemers medezeggenschapsrechten bij de
uitlener.
Voor de uitvoering van de Wiw
betekent dit dat er door het gemeentebestuur een ondernemingsraad dient
te worden ingesteld waarin de Wiw-werknemers zijn vertegenwoordigd. De
bestuurder als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, WOR
voert dan
namens het gemeentebestuur het overleg met deze ondernemingsraad. Ook
hier gelden voor de Wiw-werknemers voor het verkrijgen van actief en
passief kiesrecht de diensttijdvereisten van de WOR.
Wanneer voor een gemeente
reeds een ondernemingsraad is ingesteld, is het ook denkbaar dat
Wiw-werknemers via deze ondernemingsraad hun kiesrechten uitoefenen.
7. Het gemeentelijk
Werkfonds
7.1. Inleiding
Voor de financiering van de instrumenten die nu in de Wet inschakeling
werkzoekenden zijn ondergebracht, waren de gemeenten in de achterliggende
periode afhankelijk van een aantal verschillende bronnen in rblz.|50|
aanvulling
op de algemene middelen die aan de gemeenten via het Gemeentefonds ter
beschikking worden gesteld.
Eén van de centrale elementen in de onderhavige
wet is een
aanzienlijke vereenvoudiging van de bekostiging van het activerend
arbeidsmarktbeleid van gemeenten. Een groot aantal bestaande geldstromen
wordt daartoe samengevoegd in een brede doeluitkering in de vorm van het
gemeentelijk Werkfonds. De mogelijkheden van gemeenten om te komen tot
een integraal beleid ten behoeve van de inschakeling werkzoekenden zijn
daarmee aanzienlijk vergroot. De administratieve lasten en
informatiestromen die samenhangen met de bekostiging van de
verschillende voorzieningen zijn in het kader van de onderhavige wet
ten opzichte van de eerdere situatie duidelijk minder. Ook het toezicht
van het Rijk op de uitvoering van de wet door gemeenten is aanzienlijk
vereenvoudigd.
Tot het moment van inwerkingtreding van de Wiw declareren de
gemeenten voor de bekostiging van de banenpools de in te zetten uitkeringen bij
het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, daarnaast ontvangen
zij subsidie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en zijn de zogenaamde
startgelden beschikbaar via het Fonds Sociale Vernieuwing, dat door het
ministerie van Binnenlandse Zaken wordt beheerd.
Voor de bekostiging van de Jeugdwerkgarantiewet declareren de gemeenten
de loonkosten bij het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
De vergoeding voor uitvoeringskosten is beschikbaar via het Fonds
Sociale Vernieuwing.
Daarenboven zijn via het Fonds Sociale Vernieuwing de middelen voor
sociale activering op grond van het inmiddels vervallen artikel 36 van
de Wet
Werkloosheidsvoorziening [WWV, red.] en het incentivebudget Algemene
bijstandswet beschikbaar, en ter bevordering van uitstroom uit
banenpools en JWG tijdelijk specifieke subsidies via de begroting van
het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De bekostigingssystematiek van de Wiw is zodanig ingericht dat
gemeenten een basisbedrag kunnen declareren bij het
ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid voor iedere in het kader van de wet gerealiseerde
werkervarings- of detacheringsplaats. Voor 1998 is dit basisbedrag
gesteld op ƒ17 000,-. Dit basisbedrag bouwt voort op de mogelijkheden die
gemeenten voorheen hadden om de loonkosten in het kader van de
Jeugdwerkgarantiewet, respectievelijk de per deelnemer in te zetten
uitkering in het kader van de banenpool te declareren bij de
rijksoverheid. Omdat er geen maximum wordt gesteld aan het aantal
werkervarings- of detacheringsplaatsen, stelt de bekostigingssystematiek
waarbij voor elke arbeidsplaats een basisbedrag ter beschikking wordt
gesteld, gemeenten in staat zelf te bepalen in welke mate gesubsidieerde
arbeid zal worden gerealiseerd voor de doelgroep.
Voor de aanvullende kosten die gemoeid kunnen
zijn met het realiseren van detacheringsplaatsen voor jongeren en
personen van 23 jaar of ouder met een grotere afstand tot de
arbeidsmarkt krijgen de gemeenten in het kader van het Werkfonds
jaarlijks een vooraf vastgesteld budget beschikbaar, gekoppeld aan een
minimaal te realiseren aantal arbeidsplaatsen. Tevens wordt budget
beschikbaar gesteld voor de kosten gemoeid met incentives, de inkoop van
scholing en sociale activering. De drie componenten tezamen vormen de
brede doeluitkering voor gemeenten in het kader van het Werkfonds.
rblz.|51|
De bekostigingsstructuur is zodanig ingericht dat de gemeente
aanzienlijke beleidsvrijheid heeft om een optimale benadering te
ontwikkelen voor de inschakeling van werklozen en
uitkeringsgerechtigden, terwijl aan de andere kant de garantie bestaat
dat de financiële risico’s die potentieel aan de geschetste aanpak
zijn verbonden op een verantwoorde wijze zijn ingekaderd. Het aantal
gesubsidieerde arbeidsplaatsen dat gemeenten feitelijk weten te
realiseren, wordt door de gekozen opzet afhankelijk van de efficiency
waarmee het bedrag voor aanvullende kosten wordt benut, de hoogte van de
gerealiseerde inleenvergoedingen en de bereidheid om complementair eigen
gemeentelijke middelen in te zetten.
De mogelijkheden voor integraal beleid zijn verder vergroot door ruimte
te bieden om binnen zekere grenzen uit te wisselen met middelen voor de
sociale werkvoorziening en de middelen op grond van deze wet. Zowel in
de onderhavige
wet (artikel 18, tweede lid, onderdeel
e) als in de Wet
sociale werkvoorziening is de mogelijkheid opgenomen middelen die in
enig jaar niet behoeven te worden ingezet voor een adequate uitvoering
van de desbetreffende wet in te zetten in het kader van de andere
regeling.
7.2.
Bekostigingssystematiek nader uitgewerkt
Het te declareren basisbedrag
Centraal element in de bekostiging van gesubsidieerde arbeid door gemeenten
vormt het basisbedrag van ƒ17 000,- per arbeidsplaats. Dit
houdt in dat de gemeente voor elke Wiw-dienstbetrekking of
werkervaringsplaats aanspraak kan maken op een genormeerd vast
subsidiebedrag. Het totaal van deze bedragen kan per kwartaal bij het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden gedeclareerd
(artikel 16).
De hoogte van het bedrag per arbeidsplaats is zodanig vastgesteld dat
het gemiddeld toereikend moet worden geacht voor het realiseren van Wiw-detacheringsplaatsen voor personen die
één tot twee jaar werkloos waren
en van werkervaringsplaatsen. Verschil met de oude systematiek is dat
niet wordt gewerkt met de werkelijke loonkosten per deelnemer,
respectievelijk de individuele uitkering, maar met een vast basisbedrag
per arbeidsplaats. Daardoor wordt een aanzienlijke administratieve
vereenvoudiging bereikt.
Door de gemeente in de gelegenheid te stellen zelf het aantal
arbeidsplaatsen te bepalen waarvoor het basisbedrag wordt gedeclareerd,
wordt de rigiditeit ondervangen die een volledig gebudgetteerde
vergoeding met zich mee zou brengen. Daardoor is de gemeente tevens in
staat de schommelingen in aantallen arbeidsplaatsen voor jongeren te
ondervangen die het gevolg kunnen zijn van de sluitende benadering van
deze groep.
Vaste budget voor aanvullende kosten van
Wiw-dienstbetrekkingen
Tweede element van het gemeentelijk Werkfonds is een budget voor de
aanvullende kosten van Wiw-dienstbetrekkingen dat jaarlijks per
gemeente voorafgaand aan het begrotingsjaar wordt toegekend. Dit budget is
bedoeld voor arbeidsplaatsen voor jongeren en voor personen met een
grotere afstand tot de arbeidsmarkt voor wie het te declareren
basisbedrag ontoereikend is om een Wiw-dienstbetrekking te kunnen
financieren. Bij personen ouder dan 23 jaar [23 jaar of ouder, red.]
gaat het om langdurig
werklozen die zijn aangewezen op permanent gesubsidieerde arbeid of op rblz.|52|
een langdurig en intensief begeleid werkervaringstraject. Deze personen
zullen doorgaans in eerste instantie onvoldoende productief zijn om hun
arbeidsplaats door middel van een aanmerkelijke inleenvergoeding in
aanvulling op het basisbedrag te kunnen realiseren.
Het vaste budget wordt toegekend voor drie categorieën, namelijk voor
jongeren alsmede voor voormalig werklozen van 23 tot [en met, red.]
64 jaar met een Wiw-dienstbetrekking die daarvoor
twee tot drie jaar werkloos dan wel drie jaar
of langer werkloos waren. Deelnemers aan de banenpoolregeling die na
inwerkingtreding van onderhavige wet een Wiw-dienstbetrekking krijgen
aangeboden, worden tot de laatste categorie gerekend.
Het normbedrag uit het vaste budget waarmee bij de subsidievaststelling
wordt gerekend, is afhankelijk van de categorie waartoe de geplaatste
personen behoren. Dit is geoperationaliseerd door in het benodigde vaste
budget een verschillende gemiddelde inleenvergoeding te verdisconteren.
Aan het vaste budget is de voorwaarde verbonden dat ten minste een nader
te specificeren aantal personen uit de genoemde categorieën op een Wiw-dienstbetrekking werkzaam is. Voor zover dit aantal niet wordt
gehaald, wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld. Overigens staat
het de gemeente
vrij om in de inspanningen over de onderscheiden groepen
een eigen beleid te kiezen, mits het geheel van de inspanningen, gewogen
naar het aandeel in de bekostiging van het vaste budget, spoort met het
beschikbaar gestelde budget.
Uitdrukkelijk zij daarbij aangetekend dat een efficiënte besteding
van gelden niet tot bijstellingen achteraf leidt. Indien de gemeente
in
staat is om voor een langdurig werkloze al van meet af aan een hoge
inleenvergoeding te bedingen, dan wel deze met een geringe
loonkostensubsidie op een werkervaringsplaats te plaatsen, dan blijft
het financiële voordeel voor de gemeente beschikbaar binnen het
Werkfonds.
Budget voor scholing en activering
Ten behoeve van het flankerend beleid van gemeenten
op het terrein van
scholing en stimuli tot het aanvaarden van arbeid is in de onderhavige
bekostigingssystematiek gekozen voor een vast bedrag per gemeente
waaruit deze activiteiten kunnen worden bekostigd. Gemeenten hebben
daardoor helderheid over de omvang van de inspanningen die zonder de
inzet van eigen gemeentelijke middelen mogelijk zijn.
In het verleden werden deze activiteiten voornamelijk bekostigd via het
incentivebudget Abw en de eerder genoemde reïntegratiemiddelen op
grond van artikel 36 WWV
en op onderdelen ook via de
declaratiesystematiek van de JWG en de doorstroombudgetten.
Voor de besteding van deze middelen geldt geen andere beperking dan dat
het hiervoor ter beschikking gestelde budget ook daadwerkelijk aan
scholing en activering ten behoeve van de doelgroep van de wet wordt
uitgegeven. Dit budget mag niet worden aangewend voor de financiering
van loon- en uitvoeringskosten in verband met de Wiw-dienstbetrekking.
In dit onderdeel is thans nog niet het budget opgenomen dat voor de
inkoop van activiteiten van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie aan een
aantal gemeenten is toegedeeld. Het ligt in de bedoeling om op termijn
te bezien of deze in het scholings- en activeringsbudget van de Wiw
kunnen worden geïncorporeerd.
rblz.|53|
Banen van 32 uur
De bekostigingssystematiek gaat uit van banen van 32 uur, tenzij sprake
is van een langere arbeidsduur op grond van bij de werknemer gelegen
factoren (artikel 15, tweede lid, onderdeel a
[eerste lid, red.]). Voor personen die zijn
overgegaan van de banenpool naar een detacheringsplaats in het kader van
de wet blijft de oorspronkelijke arbeidsduur gehandhaafd. Zowel met deze
"oude gevallen" als met de personen die op grond van bij de werknemer
gelegen factoren zijn aangewezen op een langere arbeidsduur wordt
rekening gehouden bij de subsidievaststelling. Voor de hoogte van de
normbedragen uit het vaste budget voor aanvullende kosten wordt in die
gevallen een proportioneel hoger bedrag vastgesteld. Eén en ander kan
nader worden uitgewerkt in de lagere regelgeving op grond van artikel
18, vierde lid.
Indien op grond van bij de werknemer gelegen
factoren de wekelijkse arbeidsduur minder dan 32 uur bedraagt, dan
worden het basisbedrag en het normbedrag naar evenredigheid verminderd.
Subsidievaststelling
Hoewel de voeding van het gemeentelijk Werkfonds bestaat uit drie
afzonderlijke elementen, kan de vaststelling achteraf van de subsidie
waarop de gemeente aanspraak had voor de brede doeluitkering in zijn
totaliteit plaatsvinden. Vastgesteld behoeft immers slechts te worden of
de middelen binnen het doel van de regeling en de gestelde kaders zijn
besteed, of het aantal arbeidsplaatsen in overeenstemming was met de
gedeclareerde basisbedragen en/of de normbedragen uit het vaste budget
voor aanvullende kosten voor jongeren alsmede voor voormalige werklozen
met een werkloosheidsduur van twee tot drie jaar dan wel drie jaar of langer,
optellen tot het totaal van het daarvoor toegekende budget.
Stimuli voor doorstroming uit
gesubsidieerde arbeid naar regulier werk
De doelgroep van de wet bestaat uit personen die vooralsnog geringe
kansen hebben op de arbeidsmarkt. Niettemin blijft het streven hen
uiteindelijk op een reguliere arbeidsplaats te plaatsen. De wet biedt
hiertoe een aantal instrumenten variërend van scholing en activering
tot een Wiw-dienstbetrekking of een werkervaringsplaats.
De vormgeving van het bekostingssysteem ondersteunt de doelstelling van
doorstroming naar reguliere arbeid zoveel mogelijk, onder andere doordat
impliciet financiële prikkels zijn ingebouwd voor uitvoerders en
deelnemers. Zo is het te declareren basisbedrag een gemiddelde, ongeacht
de werkelijke kosten per arbeidsplaats. Bij de jongeren nemen op grond
van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag de loonkosten toe
naarmate de leeftijd van de jongere stijgt. Bij een gelijkblijvende
gemiddelde aanspraak van de gemeente
op het basisbedrag en oplopende
kosten zal de gemeente willen voorkomen dat jongeren langer dan
noodzakelijk hun Wiw-dienstbetrekking behouden, waardoor er een
stimulans ontstaat om jongeren te laten doorstromen naar reguliere
arbeid.
In de bekostigingssystematiek is ook volledig rekening gehouden met de
bestaande mogelijkheden van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(WVA). Wanneer de beloning uitstijgt boven
de 115% van het toetsloon WVA, zodat de afdrachtskorting lage lonen
vervalt, dan zal dit moeten worden gecompenseerd met een corresponderend
hogere inleenvergoeding.
rblz.|54|
Ook via de afdrachtskorting langdurig werklozen bestaat een prikkel. De
loonkosten voor personen van 23 jaar of ouder nemen vier jaar na
indienstneming toe, doordat de vermindering langdurig werklozen op grond
van de WVA
dan vervalt. Voor deze toename in loonkosten wordt geen
compensatie geboden, zodat ook hier een stimulans voor de gemeente
ontstaat om personen te laten doorstromen naar reguliere arbeid. Op de
opengevallen plaats kan dan een nieuwe werknemer worden geplaatst,
waarvoor gedurende maximaal vier jaar een premie- en
belastingvermindering op grond van de WVA kan worden ontvangen.
De bovenstaande beleidslijn vormt het uitgangspunt bij de totstandkoming
van deze wet. Deze houdt voor gemeenten
een zeker financieel risico in.
Daarom is het kabinetsvoornemen de ontwikkelingen ter zake van instroom
en uitstroom nauwgezet te volgen en daarover tijdig in overleg te treden
met de VNG, dat wil zeggen voordat de vermindering langdurig werklozen
vervalt voor de groep die met ingang van 1998 op basis van de wet werkzaam is.
Ingeval een werkloze of een Wiw-werknemer met behulp van een
loonkostensubsidie bij een reguliere werkgever op een
werkervaringsplaats in dienst treedt, kan er voor de gemeente
een
voordeel ontstaan indien de loonkostensubsidie lager is dan de
rijkssubsidie die de gemeente voor een werkervaringsplaats ontvangt.
Bovendien kan dit voor de gemeenten een stimulans zijn om voor de
deelnemers het instrument van loonkostensubsidie te kiezen boven een
Wiw-dienstbetrekking.
Voor de werknemer is een stimulans aanwezig om door te stromen naar een
reguliere arbeidsplaats indien een deel van de rijkssubsidie aan de
betrokkene ten goede komt. De Wiw biedt gemeenten
daartoe mogelijkheid (artikel 3).
In de subsidie per Wiw-dienstbetrekking is een gemiddelde
inleenvergoeding verdisconteerd. Indien de gemeente
erin slaagt om met
de inlenende instantie een vergoeding af te spreken die hoger ligt, valt
hiermee niet alleen financieel voordeel te behalen, maar zal de inlener
veelal ook de arbeid van betrokkene van meer gewicht beschouwen. Tevens
is het eenvoudiger om de detacheringsplaats met een hoge
inleenvergoeding om te zetten in een reguliere plaats, waarvoor een
loonkostensubsidie wordt ontvangen. In beide situaties wordt de
doorstroomkans van betrokkene vergroot.
Deelname door WW-gerechtigden
In de wet is de mogelijkheid opgenomen dat ook
WW-uitkeringsgerechtigden
voor een plaatsing via het gemeentelijk Werkfonds in aanmerking komen.
Het ligt voor de hand om in deze gevallen het basisbedrag ten laste van
het Algemeen Werkloosheidfonds te brengen. Dit is vormgegeven door in
de WW de mogelijkheid van bekostiging van plaatsing op grond van de
onderhavige
wet op te nemen. Voor de verrekening is het nodig dat het
Tica budgetten voor plaatsing in het kader van de Wiw ten behoeve van de
bedrijfsverenigingen vaststelt. De plaatsende gemeente
kan vervolgens op basis
van een per geval te sluiten plaatsingscontract de WW-gerechtigde
plaatsen en de bijbehorende financiering van de bedrijfsvereniging
ontvangen. Het ligt voor de hand dat de maximale duur van de plaatsing
in deze gevallen wordt gerelateerd aan de theoretische looptijd van de
WW-uitkering.
rblz.|55|
7.3. Budgettaire aspecten
Voeding van het gemeentelijk Werkfonds
De voor het Werkfonds beschikbare middelen zijn tot 1998 op de begroting
terug te vinden in artikel 12.03 Jeugdwerkgarantiewet en artikel 12.04
Rijksbijdrageregeling banenpools, onderdelen vrijvallende uitkeringen en werkervaringsplaatsen
en doorstroomsubsidies. Het CBA verstrekt tot op heden eveneens
subsidies voor de banenpoolplaatsen. Deze zullen ook in het gemeentelijk
Werkfonds worden opgenomen.
Daarboven zullen middelen uit het Fonds Sociale Vernieuwing, waarvan
aanvankelijk werd beoogd deze over te hevelen naar het Gemeentefonds,
aan het gemeentelijk Werkfonds worden toegevoegd. Dit zijn middelen die
indertijd vanuit de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid in het Fonds Sociale Vernieuwing [FSV, red.] zijn gestort ten behoeve van de
uitvoeringskosten JWG, de startgelden banenpools, het incentivebudget
Abw en de middelen voor artikel 36 WWV.
Hiermee wordt teruggekomen op het eerdere voornemen om deze middelen te
laten toevloeien naar het Gemeentefonds. Aan de beslissing om de
middelen toe te voegen aan het gemeentelijk Werkfonds liggen meerdere
overwegingen ten grondslag. De belangrijkste overweging is dat met de
inwerkingtreding van de onderhavige
wet een nieuwe en samenhangende
basis is gelegd onder het activerend arbeidsmarktbeleid van gemeenten.
Het kabinet wil daarmee tot uitdrukking brengen hoezeer het prioriteit
wil geven aan de activering van uitkeringsgerechtigden en de toeleiding
naar de arbeidsmarkt. In dat kader is het gewenst dat de middelen die
voor die toeleiding beschikbaar zijn zoveel mogelijk worden verdeeld
volgens de specifieke maatstaven die met deze problematiek verband
houden. Deze verdeelmaatstaven zijn thans onderdeel van het gemeentelijk
Werkfonds. Voor een deel gaat het bovendien om middelen die direct zijn
gerelateerd aan de arbeidskosten van de gesubsidieerde arbeidsplaatsen
die gemeenten realiseren. Het kabinet wil met de toevoeging van de
FSV-middelen aan het gemeentelijk Werkfonds tevens voorkomen dat deze
middelen wegvloeien en voor andere minder prioritaire gemeentelijke
taken worden aangewend.
In paragraaf 4.5 is aangegeven dat er een structureel bedrag van ƒ85
miljoen beschikbaar is voor kinderopvang voor zover daarmee de uitstroom
uit de uitkering van alleenstaande ouders met jonge kinderen wordt
bevorderd. Omdat deze middelen ter beschikking worden gesteld onder de
voorwaarde dat daadwerkelijk kinderopvang voor bedoelde categorie
uitkeringsgerechtigden wordt gerealiseerd, is er in deze wet vooralsnog
voor gekozen deze middelen te oormerken.
Buiten het Werkfonds blijven de gelden die thans zijn bedoeld voor het
levensonderhoud van jongeren die via de JWG een
voorbereidingsovereenkomst werd aangeboden. Deze jongeren zullen na de
invoering van de
onderhavige
wet hun Abw-uitkering tijdens het
scholingstraject behouden. Dit deel van de begrote gelden zal dan ook
naar de Abw worden overgeheveld.
Omvang van het gemeentelijk Werkfonds
Het gemeentelijk Werkfonds zal in de hiervoor geschetste benadering een
omvang kennen van ƒ1,7 miljard in 1998. De omvang kan enigszins
fluctueren omdat de te declareren basisbedragen in de opzet van de
onderhavige
wet, net als bij de JWG en banenpoolregeling, in principe
niet aan een maximum zijn gebonden. De grenzen van de gemeentelijke rblz.|56|
inspanningen zullen worden bepaald door enerzijds de aantallen personen
die volgens Arbeidsvoorziening zijn aangewezen op gesubsidieerde
arbeid en anderzijds de voor het realiseren van Wiw-dienstbetrekkingen
benodigde aanvullende middelen. In geval van uitbreiding van de
aantallen gesubsidieerde arbeidsplaatsen bij de gemeenten zal dekking
worden gevonden langs de weg van vrijvallende Abw-uitkeringen.
Het kabinet gaat ervan uit dat de inspanningen van de gemeenten
vooralsnog het aantal van 12 000 werkervaringsplaatsen per jaar niet
zullen overstijgen en dat dit aantal toereikend is om de ambities van de
gemeenten te honoreren. Indien het aantal werkervaringsplaatsen de 12
000 benadert, zal het kabinet bezien of een verdeling van dit aantal
over gemeenten tot stand moet worden gebracht of dat een heroverweging
van dit plafond noodzakelijk is. Voor zover de Subsidieregeling
experimenten activering van uitkeringsgelden ["Melkert-II-Regeling", red.]
uitgevoerd door gemeenten in
1999 onder het regime van de Wiw wordt voortgezet, is het aantal van 12
000 daarop ook van toepassing.
7.4. Volumeontwikkeling
en subsidie per dienstbetrekking en werkervaringsplaats
Onderstaand schema geeft een overzicht van de voor 1998 geraamde
subsidie per Wiw-dienstbetrekking en werkervaringsplaats. De subsidie
uit het budget voor scholing en activering is p.m. vermeld, omdat deze
middelen niet aan gesubsidieerde arbeidsplaatsen zijn gerelateerd, maar
wel voor scholing van jongeren, Wiw-werknemers en personen werkzaam op
een werkervaringsplaats kunnen worden ingezet. Voorts wordt verwezen
naar bijlage 2, waarin voor jongeren en voor werknemers uit de
verschillende werkloosheidscategorieën een overzicht wordt gegeven van
de subsidie en de geraamde kosten.
Subsidie per Wiw-dienstbetrekking onderscheiden naar jongeren en
werkloosheidscategorieën, en werkervaringsplaats in guldens (1998):
| |
Basisbedrag |
Normbedrag
uit vast budget |
Scholing
en activering |
Jongeren:
Werklozen 1-2 jaar: |
17
000
17 000 |
2
252xxxxx
0xxxxx |
p.m.
p.m. |
Werklozen
2-3 jaar,
- 32 uur:
- 36 uur: |
17 000
17 000 |
7 065xxxxx
10 361xxxxx |
p.m.
p.m. |
Werklozen
>3 jaar,
- 32 uur:
- 36 uur: |
17 000
17 000 |
9 065xxxxx
12 943xxxxx |
p.m.
p.m. |
| Werkervaringsplaatsen: |
17
000 |
0xxxxx |
p.m. |
Jongeren
Het volume van jongeren met een Wiw-dienstbetrekking wordt in 1998
geraamd op 21 000; dit aantal zal in 1999 oplopen tot 23 200. In de
jaren daarna wordt een constant volume van circa 21 700 jongeren met een
dienstbetrekking voorzien. De daling na 1999 wordt veroorzaakt doordat
de categorie jongeren van 23 jaar of ouder die onder het regime van de
JWG waren ingestroomd, dan zal zijn uitgestroomd. Voor deze groep geldt
immers een overgangsregeling waarbij deze jongeren in de gelegenheid
worden gesteld om in een periode van twee jaar arbeid buiten de Wiw te
vinden (artikel 23).
Voor jongeren is naast het basisbedrag van ƒ17
000,- ook een rblz.|57|
normbedrag uit het vaste budget voor aanvullende kosten van
ƒ2252,- (1998) beschikbaar. Dit laatste bedrag ligt de eerste jaren
hoger vanwege meerkosten als gevolg van Wiw-dienstbetrekkingen voor Wsw-geïndiceerde jongeren. Uitgaande van een inleenvergoeding van ƒ750,-
(ter financiering van de overige kosten) en uitvoeringskosten van ƒ4515,- (1998) is deze vergoeding toereikend om de gemiddelde kosten voor
een dienstbetrekking van een jongere te financieren (bijlage 2, onder
I).
Voor de JWG-ers die vanwege de in de wet
opgenomen overgangsregeling tot uiterlijk 1999 aan de Wiw deelnemen, is
voor de jaren 1998 en 1999 een hoger normbedrag uit het vaste budget
voor aanvullende kosten van ƒ10 365,- beschikbaar teneinde de kosten
voor de gemeenten te kunnen dekken (bijlage 2, onder Ib).
De scholingskosten van jongeren zijn hierin
niet meegenomen, deze worden immers gefinancierd uit het budget voor
scholing en activering.
Voormalig werklozen van 23 tot en met 64 jaar die
één tot twee jaar werkloos waren
Het volume van de categorie voormalige werklozen van 23 tot en met 64 jaar met
een Wiw-dienstbetrekking die één tot twee jaar werkloos waren, wordt
jaarlijks op 1000 personen geraamd.
Voor deze groep geldt dat de gemeente
uitsluitend het basisbedrag van ƒ17 000,- kan inzetten; voor de
financiering van de loonkosten van deze categorie mogen geen middelen
uit het vaste budget worden benut. Dit betekent dat de gemeente een hoge
inleenvergoeding (ƒ11 065,-) zal moeten vragen om de totale kosten van de
dienstbetrekking te kunnen financieren (bijlage 2, onder
II). Dit is dan
ook de reden waarom het aantal dienstbetrekkingen voor deze categorie
werklozen relatief laag is geraamd.
Voormalig werklozen van 23 tot en met 64 jaar die
twee tot drie jaar werkloos waren
Voor de categorie voormalige werklozen met een Wiw-dienstbetrekking die
tussen de twee tot drie jaar werkloos waren, wordt het volume voor 1998
geraamd op 2700 personen. Dit aantal loopt geleidelijk op tot 6700
werknemers in 2001.
Bijlage 2, onder III en
IIIb, bevat een
overzicht van subsidie en kosten per arbeidsplaats voor Wiw-werknemers
die twee tot drie jaar werkloos waren. Het te declareren basisbedrag bedraagt
ƒ17 000,-. Het normbedrag uit het vaste budget voor aanvullende kosten
van deze arbeidsplaatsen is gesteld op ƒ7065,- (1998) voor een
dienstbetrekking van 32 uur (voor met name alleenstaanden) en op ƒ10 361,-
(1998) voor een dienstbetrekking van 36 uur (voor met name kostwinners),
waarbij is uitgegaan van een inleenvergoeding van ƒ4000,- (1998) bij een
dienstbetrekking van 32 uur en ƒ4375,- (1998) bij 36 uur.
De uitvoeringskosten en overige kosten worden
geraamd op ƒ4700,-.
Het normbedrag uit het vaste budget stijgt vanaf 2000 geleidelijk, omdat
hierin een tegemoetkoming in de loonkostenontwikkeling is opgenomen. De
geraamde toename van de inleenvergoeding dient eveneens om deze
loonkostenontwikkeling te kunnen financieren.
Werklozen van 23 tot en met 64 jaar die ten minste
drie jaar werkloos waren
Voor de categorie voormalige werklozen met een Wiw-dienstbetrekking die
ten minste drie jaar werkloos waren, wordt het volume 1998 geraamd op 27
000. Dit aantal neemt tot 2001 niet toe.
Het gaat hier voornamelijk om voormalige
banenpooldeelnemers; hun aantal wordt voor 1998 geschat op 23 000 en
loopt langzaam terug tot 17 500 personen in 2001.
Bijlage 2, onder IV en
IVb, bevat een overzicht
van subsidie en kosten rblz.|58|
per arbeidsplaats voor Wiw-werknemers die ten
minste drie jaar werkloos waren. Het basisbedrag bedraagt ƒ17 000,-. Het
normbedrag uit het vaste budget voor aanvullende kosten van deze
arbeidsplaatsen is gesteld op ƒ9065,- (1998) voor een dienstbetrekking
van 32 uur (voor met name alleenstaanden) en op ƒ12 943,- (1998) voor een
dienstbetrekking van 36 uur (voor met name kostwinners en voormalige
banenpoolers). De geleidelijke groei in het normbedrag na 1998 komt
voort uit de eerder genoemde tegemoetkoming voor de
loonkostenontwikkeling. Tevens is in de eerste jaren een hoger
normbedrag vastgesteld om een eventuele nettoteruggang in inkomen te
compenseren voor voormalige banenpooldeelnemers die voorheen onder de
Wet bevordering arbeidsinpassing vielen.
Voor de inleenvergoeding is uitgegaan van een
bedrag van ƒ2000,- (1998) bij een dienstbetrekking van 32 uur en ƒ2957,-
bij 36 uur. Deze inleenvergoeding is vergelijkbaar met de vergoeding die
in de regel voor banenpooldeelnemers werd gehanteerd, hetgeen
voortvloeit uit een vergelijkbare positie op de arbeidsmarkt (langer dan
drie jaar werkloos). De berekende inleenvergoeding bij een
dienstbetrekking van 36 uur ligt hoger dan bij 32 uur, omdat het hier
voornamelijk gaat om voormalig banenpooldeelnemers (twee jaar of langer
werkzaam) van wie het loon hoger kan zijn dan 100% WML. Deze hogere
inleenvergoeding en de berekende groei in de inleenvergoeding na 1998 is
noodzakelijk om de loonkostenontwikkeling te kunnen financieren.
De uitvoeringskosten en overige kosten worden
geraamd op ƒ4700,-.
Volume totaal aantal dienstbetrekkingen
Het volume van het totaal aan Wiw-dienstbetrekkingen zal naar
verwachting toenemen, namelijk van 51 700 in 1998 naar 56 200 in 2001.
Deze groei is grotendeels, namelijk voor 5000 personen, toe te
schrijven aan de uitvoering van het amendement-Van Zijl (Kamerstukken II
1993-1994, 23 400 VII, nr. 21), waarmee is beoogd het banenpoolvolume
structureel te laten toenemen tot 26 500 deelnemers. In onderhavige wet
is aan het amendement invulling gegeven door de beoogde volumestijging
te ramen voor de werklozen die twee jaar of langer werkloos zijn.
Verdeling over gemeenten
In artikel 17 Wiw is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur
nadere uitwerking zal worden gegeven aan de verdeling van de subsidie
over de gemeenten. Het gaat hier om het vaste budget voor de aanvullende
kosten van Wiw-dienstbetrekkingen en om het budget voor scholing en
activering.
De toedeling van het vaste budget bepaalt in
belangrijke mate het aantal Wiw-dienstbetrekkingen dat een gemeente kan
realiseren voor werklozen van 23 tot en met 64 jaar met een verstreken
werkloosheidsduur van ten minste 24 maanden. Deze toedeling van het
vaste budget aan de gemeenten zal in hoge mate zijn gebaseerd op de
actuele verdeling van de banenpoolplaatsen en de aantallen JWG-ers
waaronder diegenen op wie de overgangsregeling van artikel
23, eerste
lid, Wiw van toepassing is. Daarnaast zullen ongewenste
herverdeeleffecten ten opzichte van de toedeling uit het Fonds Sociale
Vernieuwing in de verdeling worden gecorrigeerd.
De verdeling van het budget voor scholing en
activering zal bij inwerkingtreding van de wet op basis van meer
objectieve criteria plaatsvinden.
rblz.|59|
8. Het toezicht en
informatievoorziening
8.1. Toezicht op de uitvoering van de wet
door gemeenten
De uitvoering van de Wiw geschiedt in medebewind, hetgeen een zodanige
bestuurlijke verhouding impliceert dat gemeenten
verantwoordelijk zijn
voor de nadere invulling van het beleid binnen de wettelijke kaders. Ook
voor het toezicht op de uitvoering van de wet is sprake van een
gezamenlijke verantwoordelijkheid voor Rijk en gemeenten. De
verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid voor een landelijk rechtmatige en doeltreffende
invulling van de Wiw-zorgplicht, in combinatie met vorenbedoelde
medebewindsconstructie, brengt onder meer met zich dat hij moet kunnen
toetsen of het beleid van de gemeente in voldoende mate afgestemd is op
het rijksbeleid. Daarnaast is de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid grotendeels verantwoordelijk voor de financiering van de
Wiw; de aan gemeenten te verstrekken subsidies komen ten laste van zijn
begroting. In verband met deze verantwoordelijkheid geldt het
rechtmatigheidsregime van de Comptabiliteitswet. De artikelen 22, eerste
lid, onderdeel a, en 51, tweede en derde lid, van die wet leiden ertoe
dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid erop dient toe te
zien dat de departementale uitgaven en ontvangsten voldoen aan de
daaraan gestelde eisen van rechtmatigheid en doelmatigheid en voorts in
overeenstemming zijn met de begrotingswetten en overige wettelijke
regelingen. Ten slotte houdt de toezichtsopdracht aan de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die niet alleen toezichthouder is maar
ook medewetgever, verband met de wetshandhaving. De regeling van het
toezicht op de uitvoering van de Wiw sluit aan bij de bestuurlijke
toezichtsverhoudingen, zoals die inmiddels hun weerslag hebben gevonden
in de op 1 januari 1996 in werking getreden Algemene
bijstandswet. Het
toezicht vindt mitsdien plaats op twee niveaus, te weten de eerstelijns-
en tweedelijnsuitvoeringscontrole.
In de eerstelijnsuitvoeringscontrole komt tot uitdrukking dat de
primaire verantwoordelijkheid voor het toezicht op de uitvoering van de
wet bij het gemeentebestuur berust. Burgemeester en wethouders zijn
verantwoordelijk voor de aanwezigheid en werking van interne
controlemechanismen binnen de gemeente, waaronder begrepen de processen
gericht op een wetsconforme uitvoering en kwaliteitshandhaving daarvan.
Belangrijk doel van de, onder verantwoordelijkheid van het
gemeentebestuur uitgevoerde, eerstelijnsuitvoeringscontrole is een
gefundeerd oordeel te vormen over de rechtmatigheid en de
doeltreffendheid van de Wiw-uitgaven. Met inachtneming van de op grond
van artikel 213 van de Gemeentewet
door de raad [gemeenteraad, red.]
gestelde regels
controleert de bij de gemeente fungerende accountant de administratie en
het beheer op recht- en doelmatigheid.
In de tweedelijnsuitvoeringscontrole komt de reeds vermelde
verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid voor een landelijk rechtmatige en doeltreffende
invulling van de Wiw-zorgplicht tot uitdrukking. In dit kader beoordeelt
de minister de rechtmatigheid van de wetsuitvoering en de
doeltreffendheid van het uitvoeringsproces, voor zover dit van belang is
voor de rechtmatigheid van de ten laste van het Rijk gebrachte subsidie,
alsmede de doeltreffendheid van de wetsuitvoering. Uitgangspunt is dat
de minister zich hierbij baseert op bestuurlijke en
verantwoordingsinformatie van de gemeente, alsmede op de resultaten van
de eerstelijnsuitvoeringscontrole, waaronder de specifieke verklaring en
de bijbehorende controlerapportage van de bij de gemeente fungerende
accountant.
rblz.|60|
De besluitvorming naar aanleiding van de resultaten van het lopende
experiment "single audit Abw" bij een aantal
gemeenten
zal van belang
zijn voor de concrete invulling van de verantwoordings-, controle- en
rapportagestructuur en de positie van het rijkstoezicht.
Het toezicht op de rechtmatigheid heeft betrekking op alle vormen
waaraan de gemeente uitvoering kan geven aan de in
artikel 2 neergelegde
zorgplicht. Het richt zich op de vraag of de betalingen overeenkomstig
het bevoegd genomen besluit dan wel de aangegane arbeidsovereenkomst
zijn verricht en of de betalingen tot de juiste hoogte plaatsvinden, of
de administratie aan de in de wet gestelde eisen voldoet, maar
óók op de vraag of besluiten ter uitvoering van de zorgplicht en de
aangegane arbeidsovereenkomsten in overeenstemming zijn met de geldende
voorschriften, waaronder de wettelijke bepalingen (wetstechnisch juiste
uitvoering).
Het toezicht op de doeltreffendheid van de invulling van de zorgplicht
door gemeenten richt zich op de vraag of en in welke mate de doelen van
de wet gerealiseerd of bevorderd worden, waarbij de nadruk ligt op de
vraag of de gemeente voldaan heeft aan de voor haar geldende
taakstelling, in termen van het aantal gerealiseerde dienstbetrekkingen.
De wettelijke kaders waarbinnen de gemeente nadere invulling aan het
beleid moet geven, vormen het toetsingskader voor het rijkstoezicht. Bij
de uitvoering daarvan geldt dat de wet de norm is waaraan de uitvoering
getoetst wordt. De toezichthouder toetst in hoeverre de uitvoering door
de gemeente in overeenstemming is met de vigerende wet- en regelgeving.
De toezichthouder stelt daarbij geen andere normen of eisen dan uit de
wet voortvloeien. Voor zover sprake is van een voor de gemeente geldende
discretionaire bevoegdheid, beoordeelt het toezicht of de gemeente bij
de invulling van die bevoegdheid gebleven is binnen de door de wet
gestelde grenzen, zo deze gesteld zijn.
Toezicht kan worden omschreven als een samenhangend stelsel van
activiteiten gericht op een blijvende bevordering en handhaving van een
juiste naleving van wetten en regelingen. Het behelst niet alleen de
beoordeling of de uitvoerder de geldende normen heeft nageleefd, maar
ook de bijsturing van de uitvoering indien deze tekortkomingen
vertoont. De Wiw voorziet derhalve in een
correctie-instrumentarium, dat
uit zowel financiële als niet-financiële maatregelen bestaat. Met
betrekking tot de mogelijk te treffen financiële maatregelen kunnen
op grond van artikel 18, vierde lid, bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur nadere regels gesteld worden. Daarnaast kan een
niet-wetsconforme uitvoering ook gecorrigeerd worden met toepassing van
artikel 268 van de Gemeentewet. Dit zware correctie-instrument zal
echter niet in alle gevallen een adequaat middel kunnen zijn, met name
niet indien de invulling van de discretionaire bevoegdheid door de gemeente
uit een reeks van besluiten in individuele gevallen spreekt. Om
die reden biedt artikel 20, tweede lid, van de Wiw de
minister een
aanvullend, niet-financieel correctie-instrument in de vorm van de
aanwijzingsbevoegdheid. In de artikelsgewijze toelichting wordt nader
ingegaan op dit ultimum remedium.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hanteert de resultaten
van de eerstelijns- en tweedelijnsuitvoeringscontroles als basis voor
de vaststelling van de subsidie en, voor zover aan de orde zijnde, voor
het eventueel treffen van een corrigerende maatregel jegens een gemeente.
rblz.|61|
8.2.
Informatievoorziening
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is belast met de
vorming en de evaluatie van het beleid inzake de Wiw en het toezicht op
de uitvoering van de wet door gemeenten. Voorts heeft hij een politieke
verantwoordingsplicht jegens het parlement. De minister dient ervoor
zorg te dragen dat beschikt kan worden over voldoende en adequate
informatie om te kunnen voldoen aan zijn verantwoordelijkheden met
betrekking tot beleidsontwikkeling, evaluatie, toezicht, beheer en
verantwoordingsplicht.
Bij het vaststellen van de kaders waarbinnen de informatievoorziening
dient te verlopen en de keuze van de hier bij te betrekken gegevens is
uitgangspunt een zo gering mogelijke belasting van de uitvoerende
instanties. Het overgaan tot het laten verstrekken van gegevens op
persoonsniveau past in dit streven, omdat de uitvoerende organisaties
hierbij worden ontlast van aggregatiewerkzaamheden. Voor de bepaling van
de noodzakelijke gegevens wordt daarom waar mogelijk uitgegaan van
gegevens die reeds door de aard van het uitvoeringsproces beschikbaar
zijn. Gezien de wisselwerking met aanpalende beleidsterreinen, zoals
sociale zekerheid en arbeidsvoorziening, wordt tevens nagegaan in welke
mate bestaande gegevensstromen op deze terreinen kunnen worden benut.
Voor gegevens die structureel behoren tot hetgeen wordt betrokken bij de
toets op rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering, geldt dat
deze gegevens ook kunnen dienen voor de beleidsinformatie. Dit geldt ook
voor de noodzakelijke gegevens in het kader van de financiering en de
bekostiging. Voor de beleidsinformatie geldt dan vervolgens dat deze kan
worden aangewend bij de selectie van onderwerpen die via
toezichtsactiviteiten nader onderzocht moeten worden en van de
uitvoeringsorganen die bij dergelijke onderzoeken betrokken zullen
worden. Het is de bedoeling de informatievoorziening te enten op een
periodieke, via een vaste structuur verlopende gegevensverstrekking.
Daarnaast zal het voorkomen dat sprake dient te zijn van het op
ad-hocbasis verstrekken van relevante gegevens. Voor wat betreft de
wijze van gegevensverstrekking zal in overleg met de
gegevensverstrekkers worden nagegaan op welke wijze de
gegevensverstrekking voor alle partijen efficiënt kan verlopen. De
door de uitvoeringsorganen verstrekte gegevens zullen worden opgenomen
in een centraal bestand. Bij het beheer van dit bestand zal worden
uitgegaan van de bescherming van de privacy van individuele personen,
zoals dit in de Wet persoonsregistraties [zie Wet
bescherming persoonsgegevens, Stb. 2000, 302, red.] is bepaald. Het in de te
verstrekken gegevens opnemen van het sofinummer heeft slechts tot doel
het in de loop der tijd statistisch kunnen volgen van de betrokken
personen en het bieden van de mogelijkheid tot koppeling met andere
bestanden indien dit uit oogpunt van analyse is gewenst.
Bij het gegevensverkeer kan de door de gemeente aangewezen rechtspersoon
rechtstreeks worden aangesproken. Dit doorkruist de gemeentelijke
verantwoordelijkheid niet; uitsluitend uit oogpunt van efficiency wordt
het van belang geacht dat de minister zich met verzoeken om informatie
rechtstreeks tot de met de uitvoering belaste rechtspersoon kan wenden.
9. De effecten van het
wetsvoorstel
De Wiw heeft een aantal effecten op het punt van de werkgelegenheid,
uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Dit zijn aspecten waaraan het
kabinet in het kader van het project Marktwerking, Deregulering en rblz.|62|
Wetgevingskwaliteit bijzondere aandacht besteedt. Deze zijn in het
voorafgaande impliciet aan de orde geweest. In dit hoofdstuk geeft het
kabinet inzicht in de belangrijkste afwegingen die rekening houdend met
de effecten bij de keuzes in deze wet een rol hebben gespeeld.
Effecten voor de werkgelegenheid en de
arbeidsmarkt
De Wiw is niet zonder gevolgen voor de arbeidsmarkt. In de eerste plaats
is de verwachting dat het aantal Wiw-dienstbetrekkingen zal toenemen,
namelijk van 51 700 in 1998 naar 56 200 in 2001. De groei is
grotendeels, namelijk voor 5000 personen, toe te schrijven aan de
uitvoering van het amendement-Van Zijl (Kamerstukken II 1993-1994, 23 400
VII, nr. 21) waarmee is beoogd het banenpoolvolume structureel te laten
toenemen tot 26 500 deelnemers.
Deze volumeontwikkeling heeft gevolgen voor
het bedrijfsleven en andere arbeidsorganisaties. Er zal vaker een beroep
op bedrijven worden gedaan om een plaatsing in het kader van de Wiw te
realiseren. Dit als gevolg van de ruimere toepassingsmogelijkheden met
betrekking tot de marktsector ten opzichte van de bestaande situatie
(met name wat betreft de banenpoolregeling) en de mogelijkheid het
instrument werkervaringsplaatsen in de kader van deze wet
in te zetten.
Deelname van bedrijven geschiedt op vrijwillige
basis. Dit betekent dat geen enkel bedrijf onvrijwillig direct met de
gevolgen van de regeling wordt geconfronteerd. Indirecte gevolgen kunnen
zich wel voordoen, met name in de sfeer van de concurrentieverhoudingen.
In paragraaf 5.5 is reeds inzicht gegeven op welke wijze de effecten
daarvan door de toets op verdringing en het vereiste dat in de
prijsstelling bij de detachering de concurrentieverhoudingen niet mogen
worden beïnvloed, kunnen worden beheerst.
De uitstroompercentages voor de banenpool, JWG en
KRA-werkervaringsplaatsen liepen uiteen. De doelgroep van de
banenpoolregeling bestond uit langdurig werklozen zonder
arbeidsmarktperspectief, hetgeen tot uitdrukking kwam in het
doorstroompercentage. Op basis van de declaratiecijfers kan worden
vastgesteld dat er in 1994 gemiddeld ongeveer 19 900 personen aan de
banenpool deelnamen, terwijl er in dat jaar ongeveer 470 deelnemers zijn
uitgestroomd naar regulier werk, hetgeen neerkomt op 2,4%.
Het doorstroompercentage van de JWG was
aanmerkelijk hoger: in 1994 stroomde 25% door naar een reguliere baan of
naar scholing.
De effectiviteit van de werkervaringsplaatsen
was het grootst: 63% van degenen die op een werkervaringsplaats werden
geplaatst, hadden na gemiddeld twee jaar nog een reguliere baan.
In de Wiw is meer dan in de JWG of
banenpoolregeling de nadruk komen te liggen op het bevorderen van de
doorstroming. Alleen degenen die geen perspectief op de reguliere
arbeidsmarkt hebben, wordt - na twee jaar - een Wiw-dienstbetrekking
voor onbepaalde tijd geboden. Voor de overige categorieën geldt dat
deze na werkervaring te hebben opgedaan in de Wiw of op een
werkervaringsplaats dienen door te stromen. De Wiw is met name door de
schakelingsmogelijkheid van de verschillende instrumenten en de
trajectbenadering voor jongeren zodanig ingericht dat aan betrokkenen
maatwerk gericht op doorstroming kan worden geboden. Er is dan ook alle
aanleiding te veronderstellen dat tengevolge van de Wiw in de toekomst
hogere doorstroompercentages uit gesubsidieerde werkgelegenheid kunnen
worden gerealiseerd dan onder de JWG en banenpoolregeling.
Effecten voor bedrijven
Bedrijven die nu reeds deelnemen aan bestaande regelingen ondervinden rblz.|63|
zeer
geringe gevolgen van de nieuw in te voeren regeling. Wat de
plaatsingsvoorwaarden betreft, wordt op veel punten aangesloten bij de
bestaande situatie. Alleen het voorschrift dat het maximum aantal
Wiw-werknemers binnen een onderneming niet meer dan een bepaald percentage van
het personeelsbestand mag bedragen, kan ten opzichte van de huidige situatie
een inperking betekenen. Deze mogelijke inperking wordt in sommige gevallen
echter gecompenseerd door bepalingen met een verruimende werking, waaronder
een ruimere beschrijving van het personeelsbestand.
Voor arbeidsorganisaties die op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet meer dan het toegestane percentage van het
personeelsbestand (volgens de nieuwe definitie) gedetacheerden uit JWG en
banenpool hebben ingeleend, zal in een overgangsmaatregel worden voorzien.
De JWG-dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten
met de banenpool worden als dienstbetrekkingen met de gemeente op grond van
deze wet beschouwd. Voor detacheringsplaatsen die zijn gerealiseerd vóór de
inwerkingtreding van deze wet vindt nog geen toets plaats ten aanzien van de
maximering van het aantal plaatsen. Dit betekent dat ingeval er meer
Wiw-werknemers werkzaam zijn bij de onderneming van de inlener dan op grond
van deze wet is toegestaan, daar zolang de voormalige banenpooldeelnemers en
JWG-ers hun werkzaamheden niet beëindigd hebben, geen nieuwe Wiw-werknemers
kunnen worden ingeleend.
Effecten voor werknemers
Vanzelfsprekend heeft de Wiw voor een breder scala actoren consequenties dan
alleen voor de (inlenende) arbeidsorganisaties. De Wiw is primair van belang
voor de doelgroep die het betreft, te weten langdurig werklozen en werkloze
jongeren.
Voor een aanzienlijk deel van de populatie brengt deze wet
een verruiming van mogelijkheden met zich mee. Zo kunnen banenpoolers
anders dan nu het geval is onder het Wiw-regime in de marktsector worden
geplaatst en kan hun beloning na twee jaar dienstverband oplopen tot 120% van
het wettelijk minimumloonniveau. Voor een deel van de werknemers krijgt het
werk een structureler karakter dat in de arbeidsvoorwaarden tot uitdrukking
komt. Aan de andere kant wordt ook een breder instrumentarium geboden om de
uitstroom naar regulier werk te bevorderen.
Effecten voor de uitvoering
Met de
uitvoering van de onderhavige regelgeving zijn primair de
gemeenten belast. De
zorgplicht op grond van deze wet berust bij de gemeenten. Het gemeentebestuur
kan desgewenst besluiten de uitvoering geheel of gedeeltelijk op te dragen aan
een rechtspersoon, zoals momenteel - volgens verplicht voorschrift - het
geval is bij de uitvoering van de JWG en de banenpoolregeling. In de
gemeentelijke sfeer raakt de onderhavige wet dus zowel de gemeente zelf als de
bestaande (en mogelijk potentiële) uitvoerende instanties. Het verdwijnen
van de voorschriften over de apart op te richten rechtspersonen kan leiden tot
kostenvermindering en efficiencyverbetering bij de uitvoering door de
gemeenten.
Deze wet zal gevolgen hebben voor de wijze waarop de
gemeenten binnen de gemeentelijke organisatie vorm geven aan het
werkgelegenheidsbeleid en de samenwerkingsverbanden die ze daarbij aangaan met
andere instanties, met name de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de
uitvoeringsinstanties sociale verzekeringen.
rblz.|64|
De
uitvoerbaarheid van de onderhavige
wet en de kosten daarvan is in een overleg
met belanghebbende organisaties aan de orde geweest. Deze instanties achten
het wetsvoorstel een verbetering ten opzichte van het thans versnipperde
instrumentarium. Dit bleek in het overleg met de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG) en het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening
(CBA).
Het CBA toont zich positief over de wijze waarop de
taak en expertise van Arbeidsvoorziening met betrekking tot de indicering van
werkzoekenden in de Wiw tot uitdrukking is gebracht en over de nieuwe
vormgeving van het activerend arbeidsmarktbeleid voor jongeren. Het CBA heeft
daarnaast twee hoofdpunten van kritiek. Het CBA is van oordeel dat de
werkervaringsplaats geen onderdeel van het Wiw-instrumentarium zou moeten
zijn. De arbeidsbemiddeling naar regulier werk van de categorie werklozen die
gebruik zullen maken van werkervaringsplaatsen (fase 3 in termen van het
vierfasenmodel) is de primaire verantwoordelijkheid van Arbeidsvoorziening en
derhalve dient Arbeidsvoorziening ook voor deze taak te worden toegerust. De
brede doelstelling van de Wiw geeft naar het oordeel van het CBA onvoldoende
helderheid omtrent de verdeling van taken, middelen en instrumenten. Voorts
maakt het CBA bezwaar tegen de voorgenomen overheveling van de
banenpoolmiddelen uit de CBA-begroting naar het Werkfonds. Tevens wordt
gepleit voor een zorgvuldige invoering van de Wiw en wordt gesteld dat moet
worden voorkomen dat de samenwerking op regionaal niveau in het kader van het
project Samenwerking Werk en Inkomen (zie paragraaf
2.2) wordt belemmerd door
het tussentijds wijzigen van regelgeving en de gevolgen daarvan voor de
samenwerking.
Conform artikel 114 van de Gemeentewet
is de VNG een
oordeel gevraagd over dit wetsvoorstel. De VNG heeft in het overleg te kennen
gegeven van oordeel te zijn dat de gemeenten
met deze wet
een waardevol
instrument voor de inschakeling van werklozen krijgen. De VNG heeft de
voorkeur om ook de Regeling extra werkgelegenheid langdurig werklozen 1996 [opgegaan in
Besluit
in- en doorstroombanen, red.]
in
de Wiw onder te brengen.
De VNG kan instemmen met de overheveling van het
incentivebudget van het Fonds Sociale Vernieuwing naar het gemeentelijk
Werkfonds, mits er ook verder sprake is van een breed instrumentarium voor de
inschakeling van werkzoekenden. In dat kader denkt de VNG in ieder geval aan
de inkoop van diensten bij Arbeidsvoorziening en derden.
De VNG betwijfelt of de subsidie voor een
Wiw-dienstbetrekking voor personen van 23 jaar of ouder op den duur toereikend
is in verband met het wegvallen van de vermindering langdurig werklozen op
grond van de WVA
na vier jaar dienstverband. Ook wordt erop gewezen dat de
rijkssubsidie voor dienstbetrekkingen is gebaseerd op een beloning op het
niveau van het wettelijk minimumloon, terwijl de beloning na twee jaar kan
oplopen tot 120% van het wettelijk minimumloon. Dit hogere loon dient ten dele
door verhoging van de inleenvergoeding te worden bekostigd.
De VNG is voorstander van het mogelijk maken van
enige salarisontwikkeling, maar alleen indien de financiering daartoe ruimte
biedt. Een sterke verhoging van de inleenvergoeding brengt met zich mee dat
juist de moeilijkste doelgroep van de Wiw niet meer kan worden geplaatst. De
VNG ondersteunt de gedachte om de uitstroom te verhogen, maar wijst op de
grenzen die daaraan zitten, gezien het karakter van de doelgroep en zeker ook
van de huidige banenpooldeelnemers.
De overige kosten en uitvoeringskosten van de
Wiw-dienstbetrekkingen zijn naar het oordeel van de VNG door SZW te laag
geraamd. De VNG meent echter dat het verschil tussen de door de VNG en SZW
geschatte kosten kunnen worden gedekt uit een gemeentelijke bijdrage.
De VNG wijst op het belang van een heldere
taakverdeling tussen de gemeenten en Arbeidsvoorziening. De VNG onderschrijft
de verdeling op rblz.|65|
hoofdlijnen in het wetsvoorstel, maar vindt de rol van
Arbeidsvoorziening bij de vaststelling van de doelgroep te gedetailleerd.
Het
kabinet is het eens met de constatering van zowel VNG
als
CBA dat een grote
mate van zorgvuldigheid bij de invoering van de wet gewenst is om
overgangsproblemen te voorkomen. Daarom bestaat het voornemen een projectgroep
met vertegenwoordigers uit het veld in te stellen met de opdracht de invoering
van de wet op uitvoeringsniveau zo soepel mogelijk te laten verlopen.
Aan de zorg van de VNG over de financierbaarheid van
de loonkostenontwikkeling is het kabinet tegemoet gekomen (paragraaf
7.4).
Over het wegvallen van de vermindering langdurig werklozen op grond van de WVA
is een procedurele afspraak met de VNG gemaakt (paragraaf 7.2). Voorts zijn
naar aanleiding van commentaar van de VNG diverse onderdelen in de toelichting
nader uitgewerkt. Deze hebben betrekking op de algemene zorgplicht van artikel
2,
de zorgtrajecten voor jongeren en op de taken van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Ten aanzien van de indicatiestelling wordt
opgemerkt dat bij de uitwerking van nadere regels hieromtrent zal worden
aangesloten bij de uitkomsten van het project Samenwerking Werk en
Inkomen. Zo
nodig zal naar aanleiding van deze uitkomsten de wettekst worden aangepast.
In de
verhouding Rijk en gemeenten
sluit deze wet aan bij de Gemeentewet. Uit hoofde
van zijn verantwoordelijkheid heeft de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid een toezichtstaak, hetgeen in hoofdstuk 8 is beschreven. De
uitkomsten van het lopende experiment "single audit Abw" kunnen leiden tot
een vermindering van de beheerslasten van het Rijk en de gemeenten.
De wet heeft tot gevolg dat de bestaande - uit de
regelingen voortvloeiende - verschillen in het toezicht op de JWG en de
banenpools worden opgeheven. Met deze uniformering van het toezichtsregime
wordt een bijdrage aan de uitvoerbaarheid geleverd.
Aan
het voorkomen van misbruikgevoeligheid van de regelgeving is vormgegeven door
de voorwaarden voor de toepassingsmogelijkheden van de Wiw te beperken tot
enkele geobjectiveerde maatstaven. De wet legt de gebruikers van de
Wiw-voorzieningen weinig verplichtingen op en kent geen beperkingen met
betrekking tot woon- en leefsituatie, inkomen en vermogen (hetgeen immers juist aspecten zijn die sterk gevoelig zijn voor misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O))
indien sprake is van een dienstbetrekking. Mitsdien bevat de wet weinig
handhavingsrisico’s evenmin als een stelsel van bestuursrechtelijke of
strafrechtelijke sancties. Ook ten aanzien van de rol van de werkgevers bevat
de wet weinig handhavingsrisico’s, vooral vanwege de in paragraaf
5.5
toegelichte zelfregulerende mechanismen. Een "resterend M&O-risico"
heeft betrekking op de mogelijk onterechte toelating tot de doelgroep.
Enerzijds kan dit het rechtstreekse gevolg zijn van te gemakkelijk afgegeven
verklaringen door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Anderzijds kan het
verband houden met geconstateerd misbruik in het kader van één der socialezekerheidsregelingen, als gevolg waarvan achteraf geconcludeerd moet worden
dat de betrokkene feitelijk niet tot de doelgroep behoord heeft. Om een
tweetal redenen is het niet nodig voor genoemde situaties
handhavingsbepalingen in de Wiw op te nemen. Ten eerste behoort het tot de
verantwoordelijkheid van het CBA om vorm te geven aan het M&O-beleid
inzake de arbeidsvoorziening. Ten tweede geldt dat het gemeentebestuur de
onverschuldigd betaalde gelden via civielrechtelijke weg van betrokkene kan
terugvorderen.
Deze wet brengt geen verandering in het
M&O-beleid in het kader van de uitvoering van socialezekerheidswetten.
rblz.|66|
Rechtsbescherming
Voor
zover burgers aanspraken hebben op subsidie en premies is erin voorzien dat
de gemeentebesturen daarvoor bij verordening regels stellen. Hierdoor kan op
gemeentelijk niveau rechtszekerheid worden gegeven.
De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van toepassing
op de totstandkoming van en conflicten over besluiten op grond van deze
wet.
Deze wet bevat in tegenstelling tot de JWG geen van de Awb afwijkende
beslistermijnen. Er zal veelal sprake zijn van besluiten in samenhang met
besluiten over uitkeringsrechten. Het al dan niet in aanmerking komen voor de
voorzieningen op grond van deze wet heeft gevolgen voor het uitkeringsrecht.
Indien de betrokkene onvoldoende meewerkt, kan dit leiden tot een maatregel op
grond van de uitkeringsregelingen. Er wordt geen apart administratief beroep
of beroep op andere rechterlijk college dan de rechtbank in deze wet
opgenomen. De kern van de besluiten is afkomstig van de gemeenten.
Tegen
de besluiten van de gemeente kan bezwaar worden gemaakt en beroep bij de
rechtbank worden ingesteld. Bezien is welke effecten deze wet kan hebben voor
de belasting van de rechterlijke macht.
De besluiten waartegen bezwaar zal worden gemaakt of
beroep zal worden ingesteld, zullen met name die zijn waarin in de sfeer van
het recht op uitkering maatregelen zijn getroffen.
Deze samenhang bestond al met de gemeentelijke
uitkeringsregelingen ten opzichte van de JWG en de banenpoolregeling. Op dit
punt is ook geen uitbreiding van het instrumentarium voorzien. Daarom wordt
door de inhoudelijke wijzigingen in deze wet ten opzichte van die wetten en
regelingen die met deze wet worden vervangen geen toename van de belasting
van de rechterlijke macht verwacht. Het kan zijn dat deze wet de gemeenten
meer stimuleert personen die tot de doelgroep behoren in aanmerking te
brengen voor de voorzieningen op grond van deze wet. Weigering daaraan mee te
werken kan dus leiden tot meer besluiten, met name in de sfeer van het
uitkeringsrecht, die leiden tot bezwaar en beroep. Echter de eerste jaren zal
door de financiële beperking de volumegroei niet zodanig zijn dat dit
effect groot zal zijn. De Werkloosheidswet kende nog niet de verplichting mee
te werken aan de voorzieningen als in deze wet geregeld. Maatregelen op grond
van de WW kunnen leiden tot bezwaar en beroep en dus tot enige toename van de
belasting van de rechterlijke macht. Daarentegen is de uitsluitingsgrond voor
de WW van de jongere die in aanmerking komt voor de JWG komen te vervallen.
Een
ander type besluiten zijn de besluiten gericht op jongeren op grond van
paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van deze wet. In de uitvoering van de JWG is
gebleken dat jongeren nauwelijks bezwaar en beroep aantekenen tegen een
besluit omtrent de keuze van de voorziening: een dienstbetrekking of
scholingsactiviteiten. Als dit al voorkomt, dan zal dit in de bezwaarfase wel
tot een oplossing leiden. Op dit punt wordt dan ook geen toename van de
belasting van de rechterlijke macht verwacht.
De
wijze van subsidieverstrekking aan de gemeente is vereenvoudigd. Voorts zal de
minister niet meer voor verschillende regelingen aparte subsidiebeslissingen
nemen. Daarom wordt een afname van het aantal beroepen van gemeenten verwacht.
Vanwege de samenhang met de uitkeringswetten die
door gemeenten worden uitgevoerd, de Werkloosheidswet en een vergelijkbare
voorzieningenwet als de Wet voorzieningen gehandicapten, is
deze wet evenals
die wetten opgenomen in de bijlage bij de
Beroepswet. Dit rblz.|67|
betekent dat zaken
in hoger beroep aan de Centrale Raad van Beroep worden voorgelegd.
De
conflicten die voortvloeien uit de dienstbetrekking met de gemeente worden
voorgelegd aan de civiele rechter. Ondanks het feit dat met name de JWG
uitgebreide, van het Burgerlijk Wetboek afwijkende, bepalingen bevatte voor de
dienstbetrekking, heeft dit voor zover bekend niet tot conflicten geleid die
aan de civiele rechter zijn voorgelegd. De verwachting is dat dit met deze
wet ook niet meer dan bij normale arbeidsovereenkomsten zal gebeuren.
Artikelsgewijs
Artikel
1. Begripsbepalingen
Eerste lid
De
voorzieningen in deze wet zijn onder andere bedoeld voor de
personen die een
uitkering ontvangen en gestimuleerd moeten worden weer beschikbaar te zijn
voor het arbeidsproces. Ook arbeidsongeschikten kunnen in die positie
verkeren, zeker wanneer ze gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn en de
arbeidsongeschiktheidsuitkering combineren met een werkloosheidsuitkering. De
voorzieningen zijn ook voor degene die door vermindering van de
arbeidsongeschiktheid de uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) hebben verloren en een uitkering
hebben op grond van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria (WBIA). Voor de personen die zo’n uitkering
ontvangen, is de WW overigens van toepassing. De verwijzing in onderdeel
d naar
uitkeringen op grond van regelingen die overeenstemmen met die op grond van de
genoemde wetten heeft vooral betrekking op speciale uitkerings- en
wachtgeldregelingen voor ambtenaren, militairen en onderwijsgevenden.
De
omschrijving van de langdurig werkloze in onderdeel e is gelijk aan die in de
Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(WVA). Voor de vaststelling van periode van inschrijving als werkloos
werkzoekende in de ministeriële regeling op grond van het derde lid zal dan
ook aangesloten worden bij de nadere regelgeving op grond van die wet (met
name de Uitvoeringsregeling
afdrachtvermindering).
Wanneer in deze wet wordt gesproken over de dienstbetrekking, dan wordt
daarmee de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met de gemeente bedoeld.
De persoon met wie de gemeente de arbeidsovereenkomst sluit, is werknemer in de
zin van deze wet (onderdelen g en h). De arbeidsverhoudingen met een ander dan
de gemeente worden aangeduid met de aard van de overeenkomst tot het
verrichten van arbeid, meestal de arbeidsovereenkomst.
In
artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
op de ondernemingsraden wordt
de onderneming omschreven als elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid
optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of
krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht. Het begrip
onderneming is van belang om de organisatie aan te duiden die werknemers op
grond van deze wet kan inlenen. Het moet gaan om organisaties die bekend zijn
met het in dienst hebben van een arbeidskracht.
rblz.|68|
Bij
onderdeel j is ervan uitgegaan dat het bij koninklijke boodschap van 19
februari 1996 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet
op de ondernemingsraden (WOR) en titel 7.10 (arbeidsovereenkomst) van het nieuw
Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken II 1995-1996, 24 615,
nrs. 1 en 2) reeds in
werking is getreden. In dat wetsvoorstel wordt een nieuw derde lid aan artikel
1 van de WOR toegevoegd met een nadere omschrijving van wie onder de in de
onderneming werkzame personen moeten worden verstaan. De kern van die
wijziging is dat daartoe ook de bij de onderneming gedetacheerden en de door
die onderneming gedetacheerden behoren.
Tweede lid
Personen die onderwijs of een beroepsopleiding volgen waarvoor zij in
aanmerking kunnen komen voor studiefinanciering of een
tegemoetkoming in de studiekosten, worden geacht niet beschikbaar te zijn voor arbeid. Omdat zij
zo’n opleiding volgen en daarvoor ook een financiële tegemoetkoming
krijgen, komen ze ook niet in aanmerking voor een uitkering (zie bijvoorbeeld
artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene bijstandswet, waarin is
geregeld dat dan geen recht op uitkering bestaat). Het gaat in de praktijk om
personen tot 27 jaar. Om te voorkomen dat een dergelijke studie gedeeltelijk
wordt gefinancierd op basis van een dienstbetrekking op grond van deze
wet, is
deze groep hier via de begripsbepalingen buiten de doelgroep gehouden.
Derde lid
De
wijze waarop de werkloosheidsduur wordt vastgesteld en personen met langdurig
werklozen worden gelijkgesteld, wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.
De reden voor deze keuze is dat deze onderwerpen ook in andere wetten en
regelingen een rol spelen. In dit verband wordt genoemd de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(WVA). Het
verdient voorkeur gelijke onderwerpen gelijkvormig te regelen. Vanwege de
wenselijkheid deze harmonisatie te handhaven, zal worden aangesloten bij de
regelgeving zoals deze vorm heeft gekregen in de Uitvoeringsregeling
afdrachtvermindering van de Staatssecretaris van Financiën.
In de
ministeriële regeling zal tevens worden opgenomen dat een periode van
gebruik maken van een Wiw-voorziening meetelt voor de vaststelling van de
periode van inschrijving als werkloos werkzoekende. Zo worden deze personen
gelijkgesteld met langdurig werklozen. Een dergelijke bepaling is noodzakelijk
om een terugkeer naar een Wiw-dienstbetrekking mogelijk te maken voor
Wiw-werknemers die zijn uitgestroomd naar regulier werk of scholing, maar
binnen één jaar na uitstroom opnieuw werkloos werkzoekend zijn geworden. Zie
ook paragraaf 6.7 van het algemene deel van de toelichting. Met langdurig
werklozen worden ook gelijkgesteld bepaalde uitkeringsgerechtigden die nog
niet of zeer kort zijn ingeschreven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Daarbij moet gedacht worden aan WAO-ers die na herkeuring niet of minder
arbeidsongeschikt worden geacht. Tevens kan gedacht worden aan jongeren die
de leeftijd van 23 jaar hebben bereikt en op grond van dat feit hun
dienstbetrekking hebben verloren.
Artikel
2. Algemene
gemeentelijke zorgplicht
Dit
artikel regelt in algemene bewoordingen de zorgplicht van de gemeente.
Aangegeven wordt dat het aanbieden van en het tot stand brengen van de
genoemde voorzieningen een belangrijke medebewindtaak is van de gemeente. Deze
zorg kan niet verder strekken rblz.|69|
dan voor de in de gemeente woonachtige personen
die langdurig werkloos zijn, hetgeen blijkt uit de inschrijving als werkloos
werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, of die een uitkering
ontvangen, ongeacht of deze zijn ingeschreven bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Voor al deze personen geldt dat ze
gestimuleerd moeten worden toe te treden tot het arbeidsproces. De zorgplicht
geldt in het bijzonder voor de jongeren. De zorgplicht berust bij de gemeente
waar die persoon woonplaats heeft als bedoeld in titel 3 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals in de Algemene bijstandswet in
artikel
63, eerste lid, wordt voorgeschreven voor het recht op bijstand. Alleen voor
degene die
in de gemeente woont, de ingezetene, kan de gemeente subsidie verkrijgen.
Daarom is in artikel 18, derde lid, dat over de vaststelling van de subsidie
gaat, een bijzondere bepaling opgenomen in geval van verhuizing.
De reikwijdte van de voorzieningen is in algemene
bewoordingen aangegeven. De voorzieningen worden vervolgens in de andere
artikelen van deze paragraaf nader uitgewerkt. De breed geformuleerde
zorgplicht van de gemeente voor langdurig werklozen en uitkeringsgerechtigden
betekent overigens niet dat de gemeenten aan het onmogelijke zijn gehouden. De
mogelijkheden om voorzieningen voor deze categorieën te realiseren, worden in
belangrijke mate bepaald door de omvang van de middelen die in het kader van
deze wet aan de gemeenten ter beschikking wordt gesteld. Voor jongeren geldt
een uitzondering, omdat voor hen de sluitende benadering van toepassing is. De
rijkssubsidie voor jongeren is zonder meer toereikend deze sluitende
benadering te realiseren.
Welk orgaan van de gemeente bevoegd is tot de
uitvoering van deze wet wordt aan de gemeente zelf overgelaten. De
bevoegdhedentoedeling wordt overigens bepaald door de Gemeentewet. Waar in
deze wet bevoegdheden worden toegekend of verplichtingen worden opgelegd,
wordt dit gedaan aan het gemeentebestuur. Het gemeentebestuur is dan, zoals in
artikel 5, onderdeel a, van de Gemeentewet
wordt geregeld, ieder bevoegd
orgaan van de gemeente.
Artikel
3. Sociale
activering, kinderopvang, scholing en andere stimuleringsactiviteiten
Dit
artikel gaat over alle activiteiten die niet direct het verrichten van arbeid
in een dienstbetrekking met de gemeente betreffen. Dit gaat van sociale
activering tot gerichte scholing en premies ter stimulering van het aanvaarden
van arbeid. De activiteiten die leiden tot inschakeling in de arbeid en
scholing worden veelal niet door de gemeente zelf uitgevoerd of ontwikkeld.
Dit artikel biedt de algemene mogelijkheid aan de gemeenten die diensten ten
behoeve van de uitkeringsgerechtigde of langdurig werkloze bij andere
instanties in te kopen. Zo’n instantie kan ook de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn.
De
premies, ook wel incentives genoemd, zijn aangeduid bij onderdeel b van het
eerste lid. Met dergelijke premies kunnen de langdurig werklozen of
uitkeringsgerechtigden worden gestimuleerd iedere soort arbeid te aanvaarden,
direct uit de uitkeringssituatie of in aansluiting op een Wiw-dienstbetrekking. De premies en andere subsidies voor het voltooien van
scholing en opleiding kunnen rechtstreeks aan de uitkeringsgerechtigde worden
verstrekt. Omdat met dergelijke voorzieningen de rechtszekerheid gemoeid kan
zijn, wordt in het tweede lid voorgeschreven dat de gemeente
regels stelt in
een gemeentelijke verordening voor het verstrekken van subsidie aan de
persoon. Daarmee wordt de gemeentelijke beleidsvrijheid op dit punt in stand
gelaten. Dit voorschrift is vergelijkbaar met dat in het derde lid van artikel
111 van de Algemene bijstandswet. Deze voorzieningen werden voorheen
grotendeels op de Algemene bijstandswet gebaseerd. Nu ze in
deze wet hun
grondslag rblz.|70|
hebben gekregen, past de verordeningsplicht ook beter in deze wet en
kan het derde lid van artikel 111 komen te vervallen (zie
artikel 26,
onderdeel C).
Het
derde lid biedt de gemeenten
de mogelijkheid kinderopvang te realiseren. Dit
kan door kinderopvangcapaciteit in de kopen bij derden of daarin zelf te
voorzien. Het betreft hier kinderopvang ter bevordering van de inschakeling in
de arbeid. Het gebrek aan kinderopvang kan een probleem vormen om
alleenstaande ouders in aanmerking te laten komen voor de activiteiten die
bijdragen aan het bevorderen van een zelfstandige bestaansvoorziening en de
inschakeling in het arbeidsproces. Door in deze kinderopvang te voorzien en
met name in buitenschoolse opvang wordt deze belemmering weggenomen.
Het realiseren van deze kinderopvang moet worden
bezien in samenhang met andere regelingen die betrekking hebben op
kinderopvang. Dit betekent dat de vormen van kinderopvang die op grond van
deze wet gesubsidieerd kunnen worden, de doelgroep (niet iedere
uitkeringsgerechtigde of persoon die werkzaamheden verricht in plaats van een
uitkering in aansluiting op een uitkeringsrecht) en de soort activiteiten
waaraan deelgenomen kan blijven worden, alsmaar in de kinderopvang wordt
voorzien, beperkt kunnen worden. De algemene maatregel van bestuur op grond
van het vijfde lid kan hierin voorzien. Daarin kunnen ook de
kwaliteitseisen
die aan de kinderopvang worden gesteld, worden geregeld.
In het
vierde lid wordt het begrip kinderopvang geregeld. De omschrijving van het
begrip kinderopvang is grotendeels ontleend aan de Welzijnswet
1994 en het daarop
gebaseerde Tijdelijke besluit kwaliteitsregels kinderopvang. Het element
"in
georganiseerd verband" beoogt tot uitdrukking te brengen dat het incidenteel
oppassen op een kind van een ander - bijvoorbeeld in het geval het kind voor
enkele uren bij een buurvrouw wordt ondergebracht - nog niet tot
kinderopvang in de hier bedoelde zin wordt gerekend. Een zekere regelmaat,
bestendigheid en organisatiegraad is een vereiste. Daarom is ook van belang
dat de verzorging van de kinderen tegen vergoeding plaatsvindt.
De
voorzieningen vermeld in het eerste lid hebben veelal nog een experimenteel
karakter. Zo staan de experimenten gericht op sociale activering van artikel
144 van de Algemene bijstandswet momenteel alleen open voor gemeenten
die
toestemming hebben gekregen om een bijstandsexperiment uit te voeren.
Overigens kunnen gemeenten de activiteiten die in dit artikel genoemd worden
wel op individuele basis toestaan mits voldaan wordt aan de verplichtingen die
de Algemene bijstandswet over het algemeen aan het ontvangen van een
bijstandsuitkering verbindt. Dat betekent dat de bijstandsgerechtigde onder
andere moet voldoen aan de arbeidsverplichting. Premies die hij eventueel
ontvangt voor vrijwilligerswerk moeten gekort worden op de uitkering. In de algemene maatregel van bestuur op grond van het vijfde lid
kunnen hiervoor
nadere regels worden gesteld in samenhang met die op grond van artikel 144 van
de Algemene bijstandswet. Bij meer ervaring met de genoemde experimenten zal
de noodzaak van nadere regelgeving pas blijken. Veelal zal het gaan om de
vervanging van bestaande tijdelijke regelingen. De afstemming op andere
regelingen, zoals die ook op grond van de Wet
educatie en beroepsonderwijs,
kan ook aan de orde zijn. Het betreft dan de nadere invulling van de
voorzieningen en de voorwaarden voor het verstrekken van deze voorzieningen.
Omdat het bij die tijdelijke regelingen ook veelal om algemene maatregelen van
bestuur gaat en voorts de afstemming met andere terreinen van kabinetsbeleid
een rol speelt, is in het vijfde lid de mogelijkheid voor deze algemene
maatregel rblz.|71|
van bestuur opgenomen. Zie ook de paragrafen 4.3 en 4.4 van het
algemene deel van de toelichting.
Artikel
4. De
dienstbetrekking
De
dienstbetrekking op grond van deze wet is een arbeidsovereenkomst met de
gemeenten naar burgerlijk recht, dat wil zeggen de arbeidsovereenkomst, bedoeld
in artikel 1637a van het Burgerlijk
Wetboek (BW). In verband met artikel
1637z
van Boek 7a van
het BW is in het eerste lid bepaald dat titel 7a van Boek
7a
(en in de toekomst titel 7.10) van het BW
van toepassing is op
deze arbeidsovereenkomst met de gemeente.
In het
tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat de
gemeente de werknemer voor het
verrichten van werkzaamheden ter beschikking moet stellen aan een bestaande
organisatie of organisatieonderdeel waar arbeid wordt verricht. Onder
onderneming wordt immers verstaan: elk in de maatschappij als zelfstandige
eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst
of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht. De
feitelijke werkzaamheden zullen plaatsvinden in het verlengde van de in dat
organisatorisch verband verrichte werkzaamheden. Deze organisatorische
eenheden kunnen ook gemeentelijke diensten zijn of de organisatie voor de
sociale werkvoorziening. De terbeschikkingstelling moet uit een schriftelijke
overeenkomst blijken. Zo’n overeenkomst maakt het mogelijk duidelijke
afspraken te maken over onder andere de soort werkzaamheden en de begeleiding
van de werknemer. Dit wordt dan ook in dit artikellid voorgeschreven.
Het
derde lid betreft de scholingsactiviteiten die in combinatie met de
dienstbetrekking kunnen worden aangeboden. Met dergelijke scholing wordt ook
doorstroming naar reguliere arbeid bevorderd.
Het
vierde lid stelt beperkingen aan de
scholing die in het kader van
dienstbetrekking kan worden verricht. Gezien de doelgroep voor deze
dienstbetrekking is enige scholing op de tijdstippen dat anders arbeid wordt
verricht, onder doorbetaling van loon, wel mogelijk. Echter op ten minste 19
uur per week moet daadwerkelijk arbeid worden verricht. Voor zover het de
combinatie werkzaamheden en opleiding in het kader van een beroepsopleiding
betreft, bevat het vijfde lid een regeling. In het vijfde lid is bepaald dat
in overleg met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen regels
worden gesteld ten aanzien van het inzetten van de werk-/leertrajecten
ingevolge het leerlingwezen als instrument voor uitstroom uit de Wiw-dienstbetrekking. In eerste instantie zal hierbij worden aangesloten bij
de voorwaarden die zijn gesteld aan de experimenten combinatie JWG en
leerlingwezen, zoals die onder andere in het kader van het grotestedenbeleid
zijn gestart. Aan de hand van de uitkomsten van de evaluatie van de
experimenten zal worden vastgesteld of aanpassing van de voorwaarden
noodzakelijk is.
In het
zesde lid is bepaald dat de
gemeente het loon geheel of gedeeltelijk kan
inhouden indien het aan de werknemer te wijten is dat de aangeboden
werkzaamheden niet worden verricht. Dit kan zowel betrekking hebben op de
situatie dat de werknemer een bepaalde detacheringsplaats weigert als op de
situatie dat de werknemer bepaalde werkzaamheden op die detacheringsplaats
weigert uit te voeren. Onder het weigeren van het verrichten van werkzaamheden
kan tevens worden verstaan een negatieve werkhouding, zoals regelmatig te laat
komen of ongeoorloofd verzuim. Deze "sanctie"-mogelijkheid sluit niet
uit
dat de dienstbetrekking wordt opgezegd op grond van artikel 1639p BW
wegens rblz.|72|
dringende redenen of dat geen loon verschuldigd is zolang de werknemer geen
arbeid verricht.
De
bijzondere bepalingen voor de opzegging in het zevende lid zijn
respectievelijk in paragraaf 6.3 en 6.4 toegelicht. De passende arbeid die
wordt geweigerd, kan ook bestaan uit een arbeidsovereenkomst met een werkgever
waarvoor op grond van artikel 5 van deze wet subsidie kan worden verstrekt.
Het zal dan veelal gaan om het aanbod van een werkervaringsplaats. Deze
bepalingen moeten beschouwd worden als nadere invulling van de bepalingen over
het einde van de arbeidsovereenkomst in het Burgerlijk
Wetboek. De bepalingen
in het Burgerlijk Wetboek zijn voor de wijze van beëindiging en de
beperkingen daarbij verder van toepassing. Dit artikel regelt de verhouding
tussen de
gemeente als werkgever en de werknemer die beheerst wordt door het
Burgerlijk recht en is geen opdracht aan de gemeente in alle gevallen zo te
handelen.
Artikel
5. Subsidie aan een
werkgever
Op dit
artikel is uitgebreid in paragraaf 5.3 van het algemene deel ingegaan. Daarbij
is ook vermeld dat het bemiddelen naar werkervaringsplaatsen niet door de
gemeenten zelf zal worden uitgevoerd. Het tweede lid regelt dit.
De Subsidieregeling experimenten activering van
uitkeringsgelden bevat voorwaarden voor de duur van de subsidie en de hoogte
daarvan en stelt nadere eisen aan de subsidieverlening, zoals een
verdringingstoets en de hoogte van het overeengekomen loon. Op grond van de
uitkomsten van deze experimenten kan het noodzakelijk blijken de toepassing
van dit instrument ook aan dergelijke nadere normen te binden. Echter de
afstemming tot ander arbeidsmarktinstrumentarium dan in deze wet wordt
geregeld, zoals dat van de WVA, speelt daarbij een rol. Daarom is onder andere
de verdringingstoets van artikel 6, eerste lid, niet van toepassing. Met name
de toets op recent ontslag vindt ook al plaats voordat door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie een verklaring langdurig werkloze op grond van
de WVA kan worden afgegeven. Om die reden bevat het derde lid de mogelijkheid
van regels voor deze aspecten bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel
6. Tegengaan
verdringing en concurrentieverstoring
Artikel 6 is op alle onderdelen toegelicht in
paragraaf 5.5 van het algemene
deel. De hier voorgeschreven toets geldt alleen voor het ter beschikking
stellen van de
werknemers die een dienstbetrekking met de
gemeente hebben.
Het gemeentebestuur dient bij de werving van een concrete inleenplaats zich ervan te vergewissen dat de plaatsing aan de bepalingen van
artikel 6, eerste
lid, en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur voldoet.
Ten aanzien van onderdeel a van het eerste lid nog
het volgende. Wat het maximumpercentage Wiw-werknemers in een onderneming
betreft, zal het gemeentebestuur de onderneming verzoeken schriftelijk te
verklaren dat het maximumpercentage Wiw-ers in de onderneming niet wordt
overschreden. Een schriftelijke verklaring is nodig uit toezichtsoogpunt
alsmede om langs deze weg de vereiste afstemming te helpen waarborgen in geval
van plaatsing door meerdere gemeenten bij eenzelfde onderneming of plaatsing
door een gemeente bij een onderneming die in meerdere gemeenten gevestigd is.
De verklaring van de inlener kan onderdeel uitmaken van de
detacheringsovereenkomst.
Onderdeel b van het eerste lid heeft betrekking op de beëindiging van
overeenkomsten of aanstellingen om vergelijkbare arbeid te verrichten op grond
van bedrijfseconomische redenen, al dan niet met toestemming rblz.|73|
van de Regionaal
Directeur voor de Arbeidsvoorziening, indien deze toestemming op grond van
artikel 6 van het Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) voor de
beëindiging van de arbeidsverhouding vereist is. Voor een arbeidsverhouding die niet een arbeidsovereenkomst is op grond van artikel
1637a BW en voor een arbeidsverhouding bij een publiekrechtelijk
lichaam, is
deze toestemming niet voorgeschreven. Daarnaast kan een arbeidsovereenkomst
ook wegens bedrijfseconomische redenen ontbonden zijn door de kantonrechter.
De
gemeente heeft op grond van dit artikel in eerste
instantie de taak zich ervan te vergewissen hoeveel mensen werkzaam zijn in
de onderneming van de inlener en of in die onderneming geen ontslagen hebben
plaatsgevonden op grond van bedrijfseconomische redenen. Uit zijn
administratie dient te blijken op welke wijze het gemeentebestuur bedoelde
toetsen heeft uitgevoerd en met welk resultaat. Het kan zijn dat in de
ministeriële regeling op grond van artikel 20 nadere eisen zullen worden
gesteld aan de informatie die de gemeente zal moeten verstrekken om inzicht te
geven in de wijze van toetsing op grond van dit artikel.
Onderdeel c van het eerste lid betekent dat de gemeente zich ervan dient te
vergewissen dat in de onderneming waaraan de werknemer ter beschikking wordt
gesteld met de daar aanwezige ondernemingsraad of een
personeelsvertegenwoordiging is overeengekomen dat dergelijke werknemers
kunnen worden ingeleend. Het kan zijn dat met de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging, zoals die voor ondernemingen waar minder dan 35
personen werkzaam zijn in de Wet
op de ondernemingsraden wordt geïntroduceerd,
een regeling tot het inlenen van Wiw-werknemers is overeengekomen. In ieder
geval kan het inlenen van deze werknemers niet zonder de betrokkenheid van de
ondernemingsraad gerealiseerd worden. Voor bepaalde sectoren (onderwijs en
defensie) gelden specifieke regelingen voor de personeelsvertegenwoordiging.
Daarom kan niet worden volstaan met een verwijzing naar de ondernemingsraad,
bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden.
Het
tweede en derde lid bevatten algemene normen voor de prijsstelling ter
voorkoming van verstoring van de concurrentieverhoudingen. Het tweede lid
betreft de vergoeding die van de inlener wordt gevraagd. Het derde lid
betreft de prijs van de goederen en diensten die tot stand gekomen zijn door
de werkzaamheden van de personen waar deze wet betrekking op heeft.
Indien iemand meent schade te leiden door het feit
dat met gesubsidieerde arbeid lagere prijzen kunnen worden bedongen, is de
belangrijkste juridische weg de civiele procedure van onrechtmatige daad. In
het belang van die procedure kan duidelijke normstelling op dit punt waarop
een klager zich in rechte kan beroepen behulpzaam zijn. Daarom is in dit
artikel niet alleen bepaald dat de prijs die voor de werknemer wordt
bedongen bij het ter beschikking stellen van die werknemer de
concurrentieverhoudingen niet onverantwoord mag beïnvloeden, maar ook dat
voor de tengevolge van de arbeid van de werknemer en de arbeidskracht op een
werkervaringsplaats geleverde diensten of goederen een vergoeding moet wordt
gevraagd die de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord beïnvloedt. Het
toezicht van de minister wordt begrensd door de vraag in hoeverre de
gemeente verantwoordelijk is voor het voorkomen van concurrentieverstoringen. Nu die
directe bestuurlijke verantwoordelijkheid hiervoor niet kan worden aangenomen,
strekt het toezicht zich dus niet uit tot de normen van het tweede en derde
lid.
rblz.|74|
Artikel
7. Samenwerking met
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en uitvoeringsinstanties
Om
uitstroom uit de uitkeringsregelingen tot stand te brengen, hebben de
uitvoeringsinstanties sociale verzekeringen en de
gemeenten de taak de
inschakeling in de arbeid te bevorderen. Daartoe dienen ze op grond van die
regelingen samen te werken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, met name op
het punt van de scholing en de bijzondere inspanningen voor de
arbeidsbemiddeling. De instrumenten van deze wet dragen ook bij aan die
inschakeling in het arbeidsproces. De samenwerking dient daarom gericht te
zijn op de inzet van het instrumentarium van deze wet en het inzetten van het
reïntegratie-instrumentarium door de uitkeringsinstanties in samenwerking
met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De in het tweede lid opgenomen
samenwerkings-algemene maatregel van bestuur zal, zoals in paragraaf 2.2 van
het algemene deel van de toelichting reeds is toegelicht, overeenstemmen met
die op grond van de andere wetten.
Daarnaast krijgt de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in
deze wet nog specifieke taken, zoals geregeld in de artikelen 5
(werkervaringsplaatsen), 9 (traject voor jongeren) en
12 (indicatie langdurig
werklozen). De financiering van deze taken van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie vindt plaats uit de basisbijdrage als onderdeel
van de rijksbijdrage die op grond van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 aan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt verstrekt. In eerste instantie zal de
uitvoering ook onderdeel zijn van de prestatiebijdrage, als onderdeel van de
rijksbijdrage. De gemeenten zullen met de Regionale besturen voor de
Arbeidsvoorziening met name op het punt van de uitvoering van de werkzaamheden
voor jongeren die verder gaan dan het vaststellen van een traject (artikel
9,
eerste lid) afspraken maken over de inzet van het prestatiebudget. Het ligt in
de rede dat indien het traject bestaat uit toeleiding naar reguliere arbeid,
Arbeidsvoorziening dit traject uitvoert, voor zover dit past binnen de
afspraken tussen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en gemeenten met betrekking
tot de aanwending van het prestatiebudget van de gemeenten voor Abw-gerechtigde jongeren. Wanneer de verwachting bestaat dat de jongere binnen
de in artikel 9, tweede lid, genoemde termijn van één jaar geen reguliere
arbeid zal kunnen vinden, dan komen de kosten van het traject ten laste van
het Werkfonds. Voorts zal in artikel 47 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Kamerstukken II 1995-1996, 24 450,
nrs. 1 en 2) worden bepaald dat de
basisbijdrage, als onderdeel van de rijksbijdrage, zal worden toegekend ten
behoeve van de uitvoering van bij of krachtens een andere wet aan de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie opgedragen taken. Zo’n andere wet is deze
wet.
Artikel
8. Aanwijzing
rechtspersoon voor uitvoering
Dit
artikel regelt de mogelijkheid voor de uitvoering van deze wet een
rechtspersoon aan te wijzen. Zo’n rechtspersoon kan ook door een aantal
gemeenten gezamenlijk worden opgericht. Er is niet geregeld dat aan die
rechtspersoon bevoegdheden kunnen worden gedelegeerd. Met delegatie zou de
gemeente zich aan de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze wet
kunnen onttrekken en zou de gemeente hierop ook moeilijk kunnen worden
aangesproken. Dit sluit niet uit dat het gemeentebestuur de door haar
aangewezen rechtspersoon wel kan machtigen om namens haar een dienstbetrekking
aan te gaan of om namens haar te handelen in zaken de arbeidsovereenkomst met
de gemeente betreffende. Belangrijk is dat de gemeenten verantwoordelijk
blijven voor de uitvoering van de wet, waaronder de arbeidsvoorwaarden die
gelden voor de dienstbetrekkingen op grond van deze wet. De werkgevers die
gebonden zijn aan de collectieve arbeidsovereenkomst zijn zo alleen de
gemeenten en kunnen rblz.|75|
daarom representatief vertegenwoordigd worden door een
vereniging van gemeenten.
Artikel
9. Sluitende
benadering leidend tot dienstbetrekking
Eerste lid
Dit
artikel regelt de sluitende benadering. Voor iedere jongere die tot de
doelgroep behoort, dient een traject te worden vastgesteld dat leidt tot
inschakeling in het arbeidsproces. In het algemene deel van de toelichting is
de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de
gemeente en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie beschreven. Wie jongere is in de zin van deze
wet is omschreven in artikel 1, onderdeel f.
Jongeren die nog geen recht hebben op een uitkering omdat zij nog niet de
leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, behoren tot de doelgroep van de sluitende
benadering in de Wiw op grond van hun inschrijving als werkloos werkzoekende
bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Dit betekent dat jongeren die zich niet
melden bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, nog niet worden gerekend tot de
doelgroep van de Wiw. Het is de verantwoordelijkheid van deze jongeren zelf of
van hun ouders dan wel verzorgers om gebruik te maken van het recht op de
voorzieningen die deze wet biedt. Hierin wijkt de sluitende benadering in de
Wiw niet af van de sluitende aanpak in de JWG. Er rust op de jongere geen
plicht gebruik te maken van deze voorzieningen. Overigens schrijft ook de
Algemene Kinderbijslagwet voor dat het kind ingeschreven moet zijn bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie om als werkloos te kunnen worden aangemerkt.
Indien een 16- of 17-jarig kind geen scholing volgt of niet arbeidsongeschikt
is, moet het werkloos zijn om de ouders voor kinderbijslag in aanmerking te
laten komen.
Tweede lid
Hierin
wordt bepaald dat de jongere uiterlijk één jaar na inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, dan wel
één jaar na de dag waarop recht op een
uitkering is ontstaan, een dienstbetrekking in het kader van deze wet
aangeboden dient te worden. In de uitvoering zal moeten worden vastgesteld
welke datum voor de vaststelling van het jaar aan de orde is. Het staat de
gemeente niet vrij te kiezen voor de dag waarop het recht op uitkering
ontstaat of de dag van inschrijving afhankelijk van de meest gunstige
uitkomst.
Van het aanbieden van een dienstbetrekking kan
slechts worden afgeweken indien andere voorzieningen dan wel activiteiten die
zijn gericht op het vergroten van de doorstroomkansen naar werk of scholing
groter worden geacht. Uit het trajectplan, bedoeld in artikel
70, derde lid,
van de Algemene bijstandswet, moet duidelijk naar voren komen op welke gronden
is besloten om de andere voorzieningen meer passend te achten. Ook biedt dit
de jongere de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen dit besluit als deze
jongere van oordeel is dat hem ten onrechte een dienstbetrekking wordt
onthouden.
Als aanvullende voorwaarde wordt in dit artikellid
tevens bepaald dat de binnen de voorziening aangeboden activiteiten een
tijdsbeslag hebben van ten minste 19 uur per week om te garanderen dat de
jongere een wezenlijk deel van zijn tijd bezig is zijn kansen op werk te
vergroten.
Derde lid
Voor
de vaststelling van de termijn van één jaar wordt aansluiting gezocht bij de
werkloosheidsduur, zoals die wordt vastgelegd in de ministeriële regeling
op basis van artikel 1, derde lid, van deze wet. In
rblz.|76|
concreto zal dit betekenen
dat wanneer de uitkering of de inschrijving bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor kortere perioden wordt onderbroken in
verband met het verrichten van reguliere arbeid of het volgen van een
opleiding buiten het kader van de Wiw, dit geen gevolgen heeft voor de
bepaling van de jaarperiode, voor zover deze onderbrekingen binnen dit jaar
niet meer bedragen dan in totaal 50 dagen of 400 (werk- of scholings)uren.
Voor jongeren die meer dan 50 dagen of 400 uur buiten het kader van de Wiw
hebben gewerkt of scholing hebben gevolgd, betekent dit dat de termijn van
één
jaar opnieuw aanvangt. Ook in deze situatie geldt dat de periode van één jaar
geldt als de maximale termijn waarbinnen een dienstbetrekking moet worden
aangeboden. Afhankelijk van de perspectieven die de jongere heeft om binnen
dat jaar alsnog een reguliere baan te vinden, moet voor het trajact, bedoeld in
het eerste lid, worden vastgesteld in welk stadium binnen dat jaar het
wenselijk is een Wiw-dienstbetrekking aan te bieden. Voor de jongere die van
oordeel is dat hem door verlenging van de jaartermijn tengevolge van
onderbrekingen van meer dan 50 dagen of 400 uur ten onrechte een
Wiw-dienstbetrekking wordt onthouden, bestaat de mogelijkheid van bezwaar
tegen het traject dat op grond van het eerste lid is vastgesteld.
Vierde lid
Jongeren die een reguliere (deeltijd)baan hebben, maar die voor hun
inkomensvoorziening blijven aangewezen op een aanvullende uitkering, behoren
eveneens tot de Wiw-doelgroep. Ook deze jongeren dient een individueel traject
te worden aangeboden dat erop is gericht om de uitkeringsafhankelijkheid zo
spoedig mogelijk te beëindigen.
In het vierde lid wordt bepaald dat de voorwaarde,
genoemd in het tweede lid, om binnen één jaar een dienstbetrekking of andere
voorzieningen aan te bieden met een tijdsbeslag van ten minste 19 uur per week,
niet van toepassing is indien de jongere naast zijn uitkering reguliere
arbeid verricht. Het moet dan gaan om arbeid anders dan op basis van een
Wiw-dienstbetrekking met een arbeidsduur van ten minste 19 uur per week. De
verplichting uit het tweede lid om na uiterlijk één jaar een
Wiw-dienstbetrekking (in deeltijd) aan te bieden, is dan niet van toepassing.
Dit houdt echter niet in dat een Wiw-dienstbetrekking op voorhand moet worden
uitgesloten. Indien dit past binnen het traject, kan, afhankelijk van de
beschikbare uren waarop geen reguliere arbeid wordt verricht, een
Wiw-dienstbetrekking in deeltijd wordt aangeboden. Is daartoe geen
mogelijkheid, dan zal de
gemeente in overleg met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie moeten vaststellen welke alternatieve
instrumenten kunnen worden ingezet om de jongere zo snel mogelijk ook voor het
resterende deel uit de uitkering te laten uitstromen. Zo’n traject kan
bestaan uit het volgen van activiteiten op grond van de Wiw, waaronder
scholing, maar dan voor minder dan 19 uur per week.
Artikel
10. Jongere geïndiceerd
voor de sociale werkvoorziening
Op
grond van het eerste lid behoeven de
gemeente en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie geen traject op te stellen voor jongeren die op
basis van een indicatie door de Dienst indicatie sociale werkvoorziening - op grond van de
Wet sociale werkvoorziening belast met de uitvoering van de
indicatie - worden gerekend tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening.
Het plaatsen van deze jongeren op een traject dat moet leiden tot doorstroming
naar reguliere arbeid is in deze gevallen niet zinvol.
De sluitende benadering van deze jongeren is evenwel
gewaarborgd omdat zij op grond van het tweede lid een dienstbetrekking in het
kader van de Wiw krijgen aangeboden, waarbij zij arbeid gaan verrichten die
rblz.|77|
voldoet aan de criteria die in de Wet sociale werkvoorziening ten aanzien van
arbeid onder aangepaste omstandigheden zijn vastgelegd.
De regels die op grond van artikel
6, eerste lid,
zijn gesteld ten aanzien van het maximum aantal Wiw-dienstbetrekkingen die bij
een onderneming zijn toegelaten, zijn op deze jongeren niet van toepassing.
Daarmee wordt voorkomen dat de jongere niet geplaatst zou kunnen worden bij
een organisatie van sociale werkvoorziening.
Artikel
11. Bijzondere
bepaling voor opzegging dienstbetrekking met jongere
Dienstbetrekkingen in het kader van deze wet worden gesloten overeenkomstig de
bepalingen in het Burgerlijk
Wetboek. Gelet op het specifieke karakter van de
dienstbetrekkingen op grond van deze wet, vooral de sluitende benadering voor
jongeren, zijn enkele specifieke bepalingen nodig met betrekking tot het beëindigen van de dienstbetrekking. Deze specifieke bepalingen zijn opgenomen in
dit artikel. In de eerste plaats is bepaald dat de dienstbetrekking van de
jongere wordt opgezegd bij het bereiken van de leeftijd van 23 jaar. Op grond
van de overgangsbepaling in artikel 22 kan gedurende een periode van twee jaar
nog van deze bepaling worden afgeweken indien de jongere op de datum van
inwerkingtreding van deze wet 21 jaar of ouder is.
In de tweede plaats wordt de dienstbetrekking beëindigd als de jongere weigert een activiteit te verrichten die in het kader
van het traject, op grond van artikel 9, voor de jongere als passend wordt
aangemerkt. Deze situatie kan zich vooral voordoen als op grond van het
vastgestelde traject scholing voor een jongere aangewezen wordt geacht. Met
deze bepaling wordt bewerkstelligd dat de
gemeente een dienstbetrekking
gemakkelijk kan beëindigen indien de jongere weigert mee te werken aan deze
scholing.
Artikel
12. Taak
Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij selectie langdurig werklozen
Niet
iedere langdurig werkloze komt in aanmerking voor de dienstbetrekking of een
gesubsidieerde arbeidsovereenkomst bij een werkgever. Op de selectie bij de
toeleiding is in paragraaf 5.4 in het algemene deel ingegaan. In dit artikel
wordt geregeld dat in formele zin de Arbeidsvoorzieningsorganisatie moet
verklaren dat de afstand tot de arbeidsmarkt zodanig is dat intensieve
arbeidsinpassingstrajecten noodzakelijk zijn en dat voorzieningen op grond van
deze wet daarvoor het meest in aanmerking komen. Voorts kan de verklaring
inhouden dat de afstand tot de arbeidsmarkt onoverbrugbaar is door de
situatie op de arbeidsmarkt en de mogelijkheden van betrokkene zelf, en dat
alleen de Wiw-voorzieningen zijn aangewezen. De beoordeling van de
arbeidsmarktpositie is bij uitstek een deskundigheid van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Daarom zal worden aangesloten bij de door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie gehanteerde fasering. De afstand tot de
arbeidsmarkt waar het hier om gaat, is in feite die in fase 3 en fase 4.
Uit administratie voor de toekenning van
voorzieningen moet blijken dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de
arbeidsmarktpositie van betrokkene heeft beoordeeld. Dit sluit niet uit dat
deze verklaring in samenspraak met de uitkeringsinstanties tot stand komt. Dit
artikel moet immers in samenhang met artikel 7, dat de samenwerking regelt,
worden bezien. De
gemeente en de uitvoeringsinstantie voor de sociale
verzekeringen selecteren uiteindelijk de concrete deelnemer. De verklaring van
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie moet zijn opgenomen in de gemeentelijke
administratie. Deze verklaring kan een apart schriftelijk stuk zijn, maar ook
een op geautomatiseerde wijze aangeleverd document. Daarnaast kan de
feitelijke verklaring ook nader vorm krijgen in het kader van de afspraken rblz.|78|
rond de samenwerking. Dit neemt niet weg dat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie de verklaring op verzoek schriftelijk aan de
belanghebbende kan verstrekken.
Een Wsw-werknemer die blijkens het oordeel van de Dienst indicatie sociale
werkvoorziening niet langer tot de doelgroep voor die wet behoort, zal gezien
zijn positie op de arbeidsmarkt in de regel in aanmerking kunnen komen voor
een Wiw-dienstbetrekking. Daarbij heeft een verklaring van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie geen toegevoegde waarde. Het tweede lid regelt
deze uitzondering.
Omdat
nog niet geheel te overzien is hoe de taak van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie in relatie tot de
gemeente, maar ook in relatie
tot de uitvoeringsinstanties sociale verzekeringen, vorm krijgt, wordt in het
derde lid de mogelijkheid geopend hiervoor
ministeriële regels te stellen.
Artikel
13. Bijzondere
bepalingen voor dienstbetrekking met langdurig werklozen
In het
eerste lid is geregeld dat de dienstbetrekking met een langdurig werkloze van
23 jaar of ouder eerst voor de duur van twee jaar dient te worden aangegaan.
Als subsidievoorwaarde geldt daarbij dat de beloning het minimumloon is
(artikel 15, eerste lid, onderdeel b [zie tweede
lid, red.]). Na verloop van die twee jaar kan de
dienstbetrekking worden aangegaan voor onbepaalde tijd indien de werknemer
nog tot de doelgroep behoort (het tweede lid). De
Arbeidsvoorzieningsorganisatie dient dat te verklaren als in artikel 12 is
geregeld. Dan gelden de vereisten voor de hoogte van de beloning om de
dienstbetrekking voor subsidiëring in aanmerking te laten komen die in de
algemene maatregel van bestuur op grond van artikel
15, tweede lid [zie derde lid,
red.], zijn
opgenomen.
Artikel
14. Subsidieverstrekking
en hoogte subsidie
Dit
artikel regelt dat het Rijk subsidie verstrekt voor de uitvoering van deze wet
door de
gemeente. Het betreft in feite de totale uitkering aan de gemeenten
voor de kosten van de uitvoering van deze wet, voor zover deze ten laste van
het Rijk komen, en niet op andere wijze, via bijvoorbeeld het Gemeentefonds
aan de gemeenten worden vergoed. Uit welke elementen de totale aan de
gemeenten te verstrekken subsidie bestaat, is uitgebreid toegelicht in
hoofdstuk 7 van het algemene deel. Deze bestanddelen vormen het gemeentelijke
Werkfonds, voor zover het het aandeel van het Rijk betreft. In de algemene
maatregel van bestuur op grond van het derde lid zal worden uitgewerkt hoe het
totale subsidiebedrag is samengesteld. Daarbij kan op onderdelen een
subsidieplafond worden vastgesteld.
Voorts zal worden aangegeven in welke mate een
bepaald onderdeel van die subsidie voor een specifiek doel moet worden besteed
(geoormerkte budgetten). Dit zal bijvoorbeeld gelden voor de realisatie van
kinderopvang. De besteding betreft ook het voorschrift dat de gemeente het in
een jaar opgebouwde "batig saldo", zijnde het verschil tussen de verleende
subsidie en het bedrag dat de gemeente feitelijk heeft uitgegeven voor de
uitvoering van deze wet, naast de uitvoering van deze wet ook kan aanwenden
voor de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening. Dit artikel regelt de
samenstelling van de totale subsidie, de inhoud van het gemeentelijk
Werkfonds. Voor de wijze van verlening van de subsidie aan de gemeenten is de
aanduiding van de verschillende onderdelen van belang. Daarvoor gelden aparte
bepalingen (zie de artikelen 16 en 17).
rblz.|79|
Artikel
15. Vereisten
subsidieverstrekking
De
vereisten die aan de activiteiten worden gesteld om voor subsidiëring in
aanmerking te komen (de bekostigingsvoorwaarden), zijn opgenomen in dit
artikel. De achtergrond van deze vereisten is toegelicht in paragraaf 6.2 van
het algemene deel van de toelichting.
Het
eerste lid, onderdeel a [zie eerste lid, red.], regelt het vereiste van 32 uur dat voor iedere
dienstbetrekking geldt, zowel voor de jongere als voor de langdurig werkloze.
Van een langere arbeidsduur kan alleen sprake zijn op
grond van bij de werknemer gelegen factoren. Hiermee wordt vooral gedoeld op
de situatie dat door een langere arbeidsduur een uitkeringssituatie kan worden
vermeden.
Ook een kortere arbeidsduur is alleen mogelijk op
grond van bij de persoon gelegen factoren (zie ook paragraaf 6.3 van het
algemene deel van deze toelichting). Hierbij kan onder andere worden gedacht
aan scholing of andere activiteiten in het kader van deze wet en aan de
situatie dat de werknemer (nog) niet in staat is om 32 uur arbeid te
verrichten.
Ook bij onregelmatig werk in het weekend, ’s avonds
en ’s nachts kan feitelijk minder dan 32 uur arbeid worden verricht, maar
dan wordt uitgegaan van compensatie-uren in een dienstbetrekking die voor 32
uur is aangegaan.
In het
eerste lid, onderdeel b [zie tweede lid,
red.], is bepaald dat aan jongeren en langdurig werklozen met
een dienstbetrekking van bepaalde duur ingevolge deze wet geen loon mag worden
betaald dat uitkomt boven het bedrag dat voor hem als minimumloon geldt in de
zin van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, overeenkomstig het
aantal uren van de dienstbetrekking. Met de uitzondering door middel van een
verwijzing in onderdeel b [zie tweede lid,
red.] naar artikel 12, tweede lid, wordt bewerkstelligd
dat voor de voormalig Wsw-werknemers het vereiste van de betaling van het
minimumloon voor de eerste twee jaar Wiw-dienstbetrekking niet geldt. Wat de
werknemer in de eerste twee jaar aan loon mag ontvangen, mag het bedrag dat
wordt vastgesteld op grond van artikel 8 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag niet te boven gaan. Het artikelonderdeel [zie tweede
lid, red.] biedt de
mogelijkheid bij ministeriële regeling hierop een uitzondering te maken.
Het gaat dan om zeer specifieke situaties, bijvoorbeeld in verband met
wijzigingen in belastingwetgeving waardoor verschillen in nettobeloning
kunnen ontstaan, terwijl de intentie is niet meer dan het minimumloon te
betalen. Dergelijke afwijkingsmogelijkheden worden dan nader in een ministeriële regeling aangeduid en kunnen ook alleen maar toegepast
worden indien een
dergelijke ministeriële regeling tot stand is gekomen.
Het
tweede lid [zie derde lid,
red.] betreft de beloning van de werknemers na twee jaar
dienstbetrekking. Zoals in paragraaf 6.2 van het algemene deel van de
toelichting is uiteengezet, zijn er redenen in verband met de subsidiëring
van deze dienstbetrekking de beloning nader te begrenzen boven het niveau van
het wettelijk minimumloon. Omdat de exacte hoogte van deze grens afhankelijk
is van de afstemming ten opzichte van andere regelingen voor gesubsidieerde
arbeid en met het aanduiden van een percentage van het minimumloon de beoogde
grens niet altijd wordt bereikt door de verschillende componenten die tot het
loon behoren, wordt deze beloning geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
In de genoemde paragraaf is een indicatie gegeven hoe deze grens zal worden
gelegd op een percentage van het minimumloonbedrag van het genoemde artikel 8.
rblz.|80|
Onder
loon wordt verstaan het loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Dit vereiste betekent dat boven de grens wel inkomensbestanddelen kunnen
worden verstrekt die op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 niet tot het loon voor de loonbelasting behoren. Zo is in
artikel 11, aanhef en het eerste lid, onderdeel q, van de Wet
op de loonbelasting 1964 bepaald dat niet tot het loon behoren geschenken ter
gelegenheid van algemeen erkende feestdagen, het sint-nicolaasfeest, alsmede
persoonlijke feestdagen, tot een maximaal bedrag dat op grond van dit artikel
11 is vastgesteld. Toeslagen, gratificaties en dergelijke zijn voor deze
deelnemers toegestaan, maar behoren wel tot het loon. De loonruimte tot 120%
zal dan ook benut moeten worden voor deze toeslagen. In de eerste twee jaar
dient een eventuele onregelmatigheidstoeslag gecompenseerd te worden in vrije
tijd.
Het voorgaande laat onverlet dat wel kunnen worden
vergoed de werkelijk gemaakte kosten die door de deelnemer noodzakelijk moeten
worden gemaakt in verband met de functievervulling. Ook hier wordt aangesloten
bij de belastingwetgeving; de onkostenvergoeding mag niet hoger zijn dan het
bedrag dat door de inspecteur der belastingen als onkostenvergoeding wordt
aangemerkt.
In het
derde lid [zie vierde lid,
red.] is bepaald dat geen subsidie wordt verleend ten behoeve van de
dienstbetrekking indien de werknemer gedurende een aaneengesloten periode van
langer dan drie maanden niet werkzaam is, omdat er geen werkzaamheden in de
vorm van een detachering beschikbaar zijn gesteld. Deze bepaling komt overeen
met de bepalingen zoals die in de JWG en de Rijksbijdrageregeling banenpools
waren opgenomen.
De beschikbaarstelling aan een inlener moet blijken
doordat in de administratie een detacheringsovereenkomst is opgenomen. Het
ontbreken van een dergelijke overeenkomst, voor een periode van langer dan
drie maanden, leidt tot het niet langer beschikbaar stellen van de subsidie,
ongeacht de reden voor het ontbreken van die overeenkomst. Indien een
werknemer wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet in staat is gedurende
die periode arbeid te verrichten, kan dit de gemeente niet worden aangerekend.
Dan geldt niet dat geen subsidie meer wordt verstrekt, voor zover over een
zelfde periode niet gewerkt is wegens ziekte. Er moet echter wel kunnen worden
vastgesteld dat alleen wegens ziekte geen arbeid is verricht. De gemeente
moet dan ook aantonen dat de werknemer ziek was en dat zij als werkgever al
het mogelijke heeft gedaan de werknemer te reïntegreren in het
arbeidsproces. Het plan waarnaar in dit artikellid verwezen wordt, zal in de
meeste gevallen het reïntegratieplan zijn genoemd in artikel 71a
van de
WAO, dat na maximaal dertien weken aan de uitvoeringsinstantie wordt
overgelegd.
Artikel
16. Verlening
basisbedragen
Het
basisbedrag per dienstbetrekking en arbeidsovereenkomst kunnen de gemeenten
gedurende het subsidiejaar declareren. Deze bedragen worden per
kalenderkwartaal vergoed. De rest van de subsidie wordt voorafgaande aan het
jaar waarop deze betrekking heeft aan de gemeenten verleend (zie artikel
17). Indien de werknemer voorafgaande aan de dienstbetrekking een uitkering
ontving die ten laste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds en de gemeente
de kosten in verband met deze dienstbetrekking vergoed krijgt van de
bedrijfsvereniging op grond van de WW (zie artikel 29, onderdeel
D), dan zal
bij de vergoeding van het normbedrag daarmee rekening kunnen worden gehouden.
Een dergelijke regeling voor de vergoeding kan in de ministeriële regeling op grond van het tweede lid zijn opgenomen. Bij ministeriële regeling
zal
tevens bepaald worden op welke wijze en op welk tijdstip het gemeentebestuur rblz.|81|
opgave dient te doen en welke gegevens het gemeentebestuur moet verstrekken om
voor deze vergoeding in aanmerking te komen.
Artikel
17. Verlening vast
subsidiebedrag
De minister
verleent jaarlijks vóór 1 oktober het voor elke gemeente
beschikbare
subsidiebedrag voor het komende kalenderjaar. De gemeente behoeft de subsidie
derhalve niet telkens aan te vragen. Het betreft de subsidie uitgezonderd de
basisbedragen.
Het beschikbare subsidiebudget wordt op grond van de
in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur over de gemeenten
verdeeld. Deze algemene maatregel van bestuur bevat de verdeelsystematiek. Om
te voorkomen dat er herverdeeleffecten ontstaan op het moment dat deze wet
in werking treedt, moeten de verdeelcriteria de eerste paar jaar rekening
houden met de realisatiecijfers en de wisselende bedragen uit de voormalige
geldstromen. In het tweede lid wordt dan ook aangeduid dat in de algemene
maatregel van bestuur zal worden geregeld hoe bij de verdeling van de
subsidiebedragen over de gemeenten rekening wordt gehouden met de vastgestelde
subsidie over het voorafgaande jaar. Dit laat onverlet dat op termijn
objectieve verdeelmaatstaven zullen worden gebruikt die zijn gebaseerd op de
behoefte aan gesubsidieerde arbeidsplaatsen voor de doelgroep van de wet
in de
afzonderlijke gemeenten. De geleidelijke overschakeling van realisatiecijfers
op objectieve verdeelmaatstaven vraagt om flexibiliteit en daarom regeling bij
algemene maatregel van bestuur.
Artikel
18. Vaststelling
subsidie
Na
afloop van het jaar dient de gemeente verantwoording af te leggen over de
besteding van de subsidie. De minister zal de verklaring van de bij de
gemeente fungerende accountant, als een uitkomst van de onder
verantwoordelijkheid van de gemeente uitgevoerde
eerstelijnsuitvoeringscontrole, hanteren bij de vaststelling van de subsidie.
Uitsluitend op de in dit artikel genoemde gronden kan de minister verleende
subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen dan wel verrekenen met de
subsidie over een komend jaar.
De
jaarlijkse subsidie voor activiteiten die bijdragen aan en voorbereiden tot de
dienstbetrekking wordt vastgesteld op basis van het voor de gemeente
vastgestelde aantal gerealiseerde dienstbetrekkingen. Daarnaast is in verband
met een vast te stellen maximum te realiseren werkervaringsplaatsen het aantal
gerealiseerde arbeidsovereenkomsten van belang. Hierop heeft het eerste lid
betrekking. Op basis daarvan wordt ook vastgesteld of de gemeente het juiste
bedrag aan basisbedragen heeft ontvangen.
Aan
het toepassen van het tweede lid ligt de beoordeling van de minister
omtrent
de wetsuitvoering ten grondslag. Bij deze beoordeling baseert de minister zich
op de bevindingen van de uitvoeringscontrole van de gemeenteaccountants en van
de eigen controlediensten.
Bij de subsidievaststelling zal beoordeeld moeten
worden of de activiteiten voor subsidie in aanmerking komen. Dit betekent dat
moet worden bepaald of de in artikel 15, eerste lid, genoemde arbeidsduur in
acht is genomen. Bij de subsidievaststelling zal er daarbij van uitgegaan
worden dat een niet gerechtvaardigde hogere arbeidsduur voor rekening van de gemeente
komt. Daarnaast zal vastgesteld moeten worden of een dienstbetrekking waarbij in strijd met
artikel 15, eerste lid, onderdeel
b [zie eerste lid, red.],
meer dan het minimumloon is betaald, wel gesubsidieerd kan worden. Een zelfde
toets geldt voor de beloning van de dienstbetrekking van meer dan rblz.|82|
twee jaar
aan de hand van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
15,
tweede lid [zie derde lid,
red.]. Onderdeel a regelt deze toets.
Op grond van onderdeel b moet de leegloop worden
vastgesteld. Voor zover geen arbeid is aangeboden in een periode langer dan
drie maanden, wordt voor de dienstbetrekking geen subsidie verstrekt, tenzij
dit (aantoonbaar zoals in artikel 15, derde lid [zie
vierde
lid, red.], is geregeld) veroorzaakt
werd door ziekte of arbeidsongeschiktheid.
Met name bij de uitvoering van de in artikel 3
bedoelde voorzieningen en activiteiten ten behoeve van de inschakeling in het
arbeidsproces beschikt de gemeente in ruime mate over beleidsvrijheid.
Uiteraard geldt dit ook voor de besteding van de daartoe op grond van artikel
14 verstrekte subsidie. Zowel de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de
minister voor een landelijk juiste uitvoering van de wet alsmede het van
toepassing zijnde rechtmatigheidsregime van de Comptabiliteitswet vergen dat
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de subsidie geheel of
gedeeltelijk moet kunnen terugvorderen of verrekenen voor zover de gemeente de
gelden niet of niet rechtmatig besteed heeft. De in de onderdelen c en
d [zie onderdelen d en e, red.] van
het eerste lid [zie tweede lid,
red.] genoemde gronden hebben hier betrekking op.
Uitgangspunt voor de subsidie voor dienstbetrekkingen is dat deze slechts
wordt verstrekt voor zover daarbij sprake is van een wetsconforme uitvoering.
Dit houdt met name in dat de werknemer, blijkens een daartoe door de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie afgegeven verklaring, behoort tot de Wiw-doelgroep en dat de voorschriften worden nageleefd met betrekking tot het
karakter en de duur van de arbeidsovereenkomst, de maximale duur van de
inleenperiode en de hoogte van het loon. Verder dienen uiteraard ook de
bepalingen ter voorkoming van verdringing in acht genomen te worden.
Afhankelijk van de mate waarin de gemeente afwijkt van de bepalingen in en
krachtens hoofdstuk 2 en van de ernst van deze tekortkoming, kan de subsidie
geheel of gedeeltelijk teruggevorderd of verrekend worden door de minister.
Onderdeel c [zie onderdeel d, red.] is ook aan de orde indien het gemeentebestuur niet voldoet aan de
verplichtingen inzake de administratie en het juist en tijdig afleggen van
verantwoording over de besteding van de verleende subsidie.
Indien
blijkt dat de gemeente aan haar taakstelling binnen de doelstelling van
de
wet heeft voldaan, zal de subsidie in beginsel vastgesteld worden op het
bedrag van de reeds verleende subsidie. Onder voorwaarde dat zij aan haar
taakstelling heeft voldaan, mag de gemeente het in het betreffende jaar
opgebouwde "batig saldo", zijnde het verschil tussen de verleende subsidie
en het bedrag dat de gemeente feitelijk heeft uitgegeven voor de uitvoering
van deze wet, aanwenden voor de uitvoering van de Wiw
of Wsw. De besteding van
deze gelden - en de daaraan ten grondslag liggende besluitvorming - dient
op grond van artikel 19 zichtbaar te worden gemaakt in de gemeentelijke
administratie. Het "batig saldo" over een kalenderjaar dient uiterlijk in
het daaropvolgende jaar aangewend te worden voor de uitvoering van de Wiw of
Wsw. Op deze wijze zal besteding van de subsidie op grond van onderdeel d
van
het tweede lid worden getoetst.
In het
derde lid is bepaald dat bij verhuizing van de werknemer de dienstbetrekking
in aanmerking wordt genomen bij de subsidievaststelling van de gemeente
waaruit de werknemer afkomstig was, zolang de dienstbetrekking voortduurt.
Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
voor het maatregelenbeleid op grond van dit artikel. De wijze van
subsidievaststelling en de beoordelingen daarbij kunnen daarin nader inhoud
worden gegeven. Het vierde lid voorziet daarin.
rblz.|83|
Artikel
19. Administratie
ten behoeve van de uitvoering
Voor
een correcte wetsuitvoering is het onontbeerlijk dat het gemeentebestuur een
toereikende administratie voert. Het begrip administratie heeft niet alleen
betrekking op de financiële administratie en de dossiers, maar heeft een
ruimere betekenis. Onder de administratie wordt verstaan een systeem van
informatievoorziening gericht op de totstandkoming van een effectief
uitvoeringsproces en ten behoeve van de verantwoording die daarover afgelegd
moet worden.
Het voeren van een administratie is een eigen
gemeentelijke verantwoordelijkheid. Terughoudendheid met de aan de
administratie te stellen eisen is geboden. Met het oog op een zo doelmatig
mogelijk toezicht worden eisen gesteld aan de administratie. De in het tweede
lid opgenomen eisen bieden enerzijds voldoende waarborgen voor een doelmatig
toezicht en laten anderzijds de gemeente voldoende eigen ruimte bij de
inrichting van de administratie. De vereisten verschillen niet van die op
grond van de uitkeringsregelingen die ten laste komen van het Rijk.
Bij zijn oordeelsvorming over de rechtmatigheid en
doeltreffendheid van de gemeentelijke invulling van de zorgplicht baseert de minister
zich in beginsel op de beschikbare resultaten en documenten van de
gemeentelijke uitvoeringscontrole.
Artikel
20. Toezicht
Hoofdstuk 8 van het algemene deel van de toelichting op deze wet gaat in op de
achtergronden van het toezicht en het verstrekken van informatie ten behoeve
van het beleid.
De toezichtstaak van de minister
heeft betrekking op
de rechtmatige en doeltreffende invulling van de zorgplicht door gemeenten.
Het toezicht op de rechtmatige invulling van de zorgplicht betreft de
rechtmatige besteding van de in hoofdstuk 3 geregelde subsidie door gemeenten.
De toezichtstaak van de minister strekt zich niet uit tot de algemene normen,
zoals dat de te bedingen inleenvergoeding of prijzen de
concurrentieverhoudingen niet onaanvaardbaar mogen beïnvloeden. Het betreft
hier een niet direct door het gemeentebestuur bij de uitvoering van deze wet
te beïnvloeden effect. In paragraaf 5.5 van de algemene toelichting is
immers aangegeven dat de zelfregulerende werking van de markt ervoor zal
zorgen dat artikel 6, tweede en derde lid, nageleefd zal worden. Het de
minister ter beschikking staande correctie-instrumentarium kan dan ook niet
toegepast worden met betrekking tot artikel 6, tweede en derde lid.
Het
tweede lid regelt de aanwijzingsbevoegdheid.
Deze wet biedt de gemeenten
een ruime mate van
beleidsvrijheid in de uitvoering. De wet
geeft slechts de kaders aan
waarbinnen gemeenten activiteiten kunnen ontwikkelen. Hierbij kan het zowel
gaan om toeleiding naar arbeid als om voorkoming van sociale uitsluiting. Het
is de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur om een zodanig beleid te
ontwikkelen dat de beschikbare middelen optimaal en evenwichtig worden ingezet
om de verschillende doelstellingen die met deze wet worden beoogd te
realiseren. Het is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de
gemeenteraad om te beoordelen of het door burgemeester en wethouders gevoerde
beleid aan deze doelstellingen voldoet. Deze toetsing van het lokale beleid
door de gemeenteraad laat echter onverlet dat het de verantwoordelijkheid van
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is om te beoordelen of het
lokale beleid past binnen het kader van de door het kabinet beoogde
doelstellingen. De aan de gemeenten geboden ruimte om binnen de aangegeven
kaders tot een lokale ontwikkeling van het beleid te komen, houdt immers ook
het risico in dat zich ontwikkelingen kunnen voordoen die, gelet op de
doelstelling rblz.|84|
van deze wet, niet wenselijk zijn te achten. In een dergelijk
geval zal in overleg met de betrokken gemeenten worden getracht het lokale
beleid om te buigen in de gewenste richting. Indien echter geen
overeenstemming kan worden bereikt, dient de minister te beschikken over een
instrument om een niet gewenste ontwikkeling bij te sturen. Hiertoe biedt het
instrument van de aanwijzing de mogelijkheid. Benadrukt zij dat de aanwijzing
gezien moet worden als een ultimum remedium, dat wil zeggen dat deze alleen
wordt toegepast wanneer andere bestuurlijke correctie-instrumenten onverhoopt
ontoereikend zijn.
De aanwijzing betreft een toezichtsinstrument om aan
individuele gemeenten bindende aanwijzingen te geven met betrekking tot de
uitvoering van deze wet. Het betreffende gemeentebestuur is dus gehouden
overeenkomstig de aanwijzing te handelen. Indien de aanwijzing algemeen
kenbaar wordt gemaakt, kunnen alle gemeentebesturen aan een overeenkomstige
uitvoering gehouden worden. Indien een gemeente niet overeenkomstig een
gegeven aanwijzing handelt, kan de minister op grond van artikel
18, tweede
lid, de subsidie lager vaststellen. De aanwijzing moet bijdragen aan een
efficiënte uitvoering van de toezichthoudende taak. De aanwijzing zal
voornamelijk worden toegepast indien de invulling van de discretionaire
bevoegdheden door de lokale overheid niet overeenkomt met het door het Rijk
voorgestane beleid, voor zover laatstbedoeld beleid niet is geëxpliciteerd
hetzij in regelgeving dan wel op basis van jurisprudentie. Uiteraard moet het
wel gaan om beleid dat op enigerlei wijze is uitgedragen.
Zoals gebruikelijk voor het opleggen van een
aanwijzing zal deze niet worden gegeven dan nadat het gemeentebestuur
gelegenheid heeft gehad het gevoerde gemeentelijk beleid mondeling of
schriftelijk toe te lichten. Na een dergelijke toelichting wordt het enerzijds
mogelijk de aanwijzing zorgvuldig te onderbouwen. Anderzijds draagt het vragen
van een toelichting ertoe bij dat het gemeentebestuur in de gelegenheid wordt
gesteld om zijn beleid aan te passen, zodat een aanwijzing achterwege kan
blijven.
Bij het geven van een aanwijzing kan de minister niet
treden in de besluitvorming in individuele gevallen. Een aanwijzing kan
derhalve niet de opdracht tot herziening van een besluit van het
gemeentebestuur inhouden. Verder kan de aanwijzing niet het karakter hebben
van een algemeen verbindend voorschrift dan wel een beleidsregel.
Indien
de administratie en documenten van de gemeente ontoereikend blijken te zijn
voor een effectief toezicht, zal de gemeente hierop gewezen worden met een
gelijktijdig verzoek tot correctie. In laatste instantie zal inzage in de
administratie van de gemeente of de aangewezen rechtspersoon mogelijk moeten
zijn. Het derde lid voorziet hierin.
Artikel
21. Informatieverplichtingen
Bij
het uitwerken van de verplichtingen op grond van het tweede lid om
inlichtingen te verstrekken zal rekening worden gehouden met de uitgangspunten
van single audit en single information. Er zal niet meer informatie worden
gevraagd dan noodzakelijk is wegens de verantwoordelijkheid van de minister
voor deze wet. Voor zover daartoe uit oogpunt van efficiency aanleiding
bestaat, kan de minister de door de gemeente aangewezen rechtspersoon
rechtstreeks benaderen met verzoek om inlichtingen.
Bij ministeriële regeling zullen daarnaast regels
gesteld worden inzake de specifieke verklaring van de bij de gemeente
fungerende accountant en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. Daarin
zal eveneens bepaald worden op welke wijze en binnen welke termijn de gemeente
verantwoording moet afleggen over de besteding van de subsidie.
rblz.|85|
Artikel
22. Gegevensverwerking
Dit
artikel betreft het verwerken van gegevens op gevalsniveau. Het gaat om de
gegevens die noodzakelijk zijn voor de besluiten over de voorzieningen voor
de betrokken werkloze, jongere en uitkeringsgerechtigde. Met de
gegevensuitwisseling die in het eerste en tweede lid wordt toegestaan, wordt
het mogelijk inhoud te geven aan het één-dossiermodel. Tevens krijgt
het gebruik van het sociaal-fiscaal (sofi-)nummer een wettelijke basis (het
vijfde lid). Omdat de voorzieningen van deze wet veelal aanvullend zijn op
uitkeringen en in de uitkeringsregistraties de belanghebbenden op sofinummer
worden geregistreerd, ligt het gebruik van het sofinummer voor de hand. Dit
gebruik is ook van belang voor de gegevensuitwisseling met de meest betrokken
instanties, die allen op sofinummer registreren.
Bij het gegevensverkeer is zowel de gemeente
als de
door het gemeentebestuur aangewezen rechtspersoon betrokken.
Artikel
23. Overgang uit
Jeugdwerkgarantiewet
In het
eerste lid is bepaald dat de arbeidsovereenkomst van de jongere in het kader
van de Jeugdwerkgarantiewet, na de inwerkingtreding van deze wet, aansluitend
wordt aangemerkt als een dienstbetrekking in het kader van de Wiw. Doordat er
geen sprake is van een nieuwe arbeidsovereenkomst blijven alle rechten en
verplichtingen die voortvloeien uit de JWG-arbeidsovereenkomst ongewijzigd van
kracht.
Er is geen sprake van een nieuwe arbeidsovereenkomst,
maar een continuering van de bestaande arbeidsovereenkomst. Dit betekent
tevens dat mogelijke sancties die ten aanzien van beloning van de werknemer in
de JWG zijn getroffen overeenkomstig worden overgenomen. Een korting op het
loon in de JWG, bijvoorbeeld, loopt gewoon door in de Wiw voor de duur
waarvoor de korting is opgelegd.
Ook indien een jongere is uitgesloten van deelname
aan de JWG, kan dit overeenkomstig worden toegepast in de Wiw.
De periode dat een jongere wel een dienstbetrekking
JWG had, maar niet was geplaatst, de leegloop, geldt mee voor de vaststelling
van de duur van de leegloop in de Wiw.
In
tegenstelling tot de JWG, waar de sluitende aanpak voor werkloze
schoolverlaters was gegarandeerd tot 27 jaar, is de sluitende benadering in de
Wiw gegarandeerd voor alle werkloze jongeren tot 23 jaar. Om te voorkomen dat
er zeer langdurig sprake zal zijn van een overgangssituatie en te garanderen
dat jongeren die buiten de doelgroep van de sluitende benadering Wiw gaan
vallen minimaal twee jaar de tijd krijgen een reguliere baan te vinden, is in
het eerste lid, onderdeel a, bepaald dat voor jongeren die op het moment van
de inwerkingtreding van deze wet
21 jaar of ouder zijn de dienstbetrekking
nog maximaal twee jaar kan worden voortgezet.
Dit laat overigens onverlet dat de gemeente
de
bevoegdheid heeft de jongere, maar dan onder de noemer langdurig werkloze,
aansluitend een nieuwe dienstbetrekking aan te bieden.
In
artikel 6 van deze wet is bepaald op welke wijze verdringing van reguliere
arbeid en concurrentievervalsing zoveel mogelijk wordt voorkomen. Deze
bepalingen wijken af van de bepalingen die hiertoe in de JWG waren opgenomen.
Om te voorkomen dat de gemeente direct bij de inwerkingtreding van deze wet
zou worden geconfronteerd met garantieplaatsen die in strijd zijn met de
uitgangspunten van deze wet, is in het eerste lid, onderdeel b, bepaald dat
artikel 6 nog niet van toepassing is op de garantieplaats waarop een jongere
direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet was geplaatst. Na beëindiging van
rblz.|86|
de plaatsing van de jongere kan de garantieplaats alleen worden
gehandhaafd indien wordt voldaan aan de criteria van artikel 6 van deze
wet.
In
overeenstemming met de JWG-dienstbetrekking kan in de Wiw-dienstbetrekking
scholing worden aangemerkt als onderdeel van de dienstbetrekking, voor zover
ten minste 19 uur per week ook arbeid wordt verricht (artikel
4, vierde lid).
In het tweede lid is bepaald dat de gemeenten jongeren die direct voorafgaand
aan de inwerkingtreding van deze wet
een dienstbetrekking JWG hadden, waarvan
scholing een onderdeel vormde, deze scholing als onderdeel van de
Wiw-dienstbetrekking moeten laten afronden.
Voorbereidingsovereenkomsten JWG worden op het moment van inwerkingtreding van
deze wet, ingevolge het derde lid, van rechtswege beëindigd. Jongeren van
18 jaar of ouder met een voorbereidingsoverenkomst ontvangen vanaf dat moment
geen vergoeding meer, maar komen in aanmerking voor een daarmee in hoogte
vergelijkbare uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet en indien ze 21
jaar of ouder zijn een hogere uitkering.
Jongeren onder de 18 jaar die direct voorafgaand aan
de inwerkingtreding van deze wet een voorbereidingsovereenkomst ingevolge de
JWG hadden, houden evenwel recht op de vergoeding tot het moment waarop zij
een dienstbetrekking krijgen, dan wel 18 jaar worden. Op deze wijze wordt
voorkomen dat ten behoeve van deze jongeren weer een beroep moet worden gedaan
op kinderbijslag ingevolge de Algemene
Kinderbijslagwet. De hoogte van de
vergoeding wordt vastgesteld op basis van de ministeriële regeling op grond
van artikel 16d van de JWG. Indien de normbedragen waarop deze vergoeding
gebaseerd is wijzigen na de datum van inwerkingtreding van deze wet, zal de
vergoeding op grond van dit derde lid daaraan via die ministeriële regeling
worden aangepast.
De beëindiging van de voorbereidingsovereenkomst betekent overigens niet dat de met
de jongere overeengekomen activiteiten ook moeten worden beëindigd. In de
voorbereidingsfase zijn immers activiteiten opgenomen die ertoe leiden dat
een jongere op zo kort mogelijke termijn wordt toegeleid naar een
dienstbetrekking. Dit komt dus volledig overeen met hetgeen met de
trajectbenadering in het kader van deze wet wordt beoogd. De overeengekomen
activiteit kan dan ook worden voortgezet als onderdeel van het traject dat
voor de jongere wordt vastgesteld.
Om de gemeenten
bij de inwerkingtreding van deze wet niet te belasten met de
toetreding van een grote categorie nieuwe jongeren, is ervan afgezien om de
jongeren die direct voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet niet
behoorden tot de doelgroep van de JWG, verplicht in aanmerking te brengen voor
de toepassing van deze wet. In het vierde lid wordt bepaald dat de sluitende
benadering van artikel 9 voor deze jongeren niet van toepassing is. Dit neemt
niet weg dat de gemeenten wel zelf kunnen bepalen in hoeverre deze categorie
jongeren onder de werking van deze wet wordt gebracht.
Dit laat onverlet dat de jongeren die na de
inwerkingtreding van deze wet werkloos worden, 21 jaar of ouder zijn maar
jonger dan 23 jaar, wel onder het bereik van deze wet vallen. De keuze voor
deze overgangsbepaling leidt ertoe dat na twee jaar alle werkloze jongeren tot
23 jaar onder de werking van deze wet vallen. Dit moment valt samen met het
tijdstip waarop de dienstbetrekking met de jongeren die ouder zijn dan 23 jaar
uiterlijk moet worden beëindigd. Op deze wijze wordt voor de gemeenten een
geleidelijke overgang gewaarborgd voor de aanpassing van de doelgroep
jongeren.
rblz.|87|
Artikel
24. Overgang uit
banenpool
In het
eerste lid wordt bepaald dat ook de dienstbetrekking ingevolge de
Rijksbijdrageregeling banenpools vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van
deze wet wordt aangemerkt als Wiw-dienstbetrekking. Ook in dit geval betekent
dit dat bestaande rechten en verplichtingen ongewijzigd worden voortgezet. Dat
wil onder andere zeggen dat de overeengekomen arbeidsduur in de banenpool in
de Wiw ongewijzigd wordt voortgezet, ook indien dit 38 uur per week bedraagt.
Een specifieke situatie doet zich voor ten aanzien
van Wiw-werknemers die direct voorafgaand aan de Wiw-dienstbetrekking een
dienstbetrekking hadden ingevolge de Rijksbijdrageregeling banenpools. Met
toepassing van artikel 13 zou de dienstbetrekking eerst voor bepaalde tijd
moeten worden aangegaan en vervolgens met nadere indicatie voor onbepaalde
tijd. Echter voor zover er sprake was van een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde duur met de banenpool zou deze dienstbetrekking ook ingevolge deze
wet als zodanig moeten worden aangemerkt. Voor zover er sprake was van een
arbeidsovereenkomst met de banenpool voor bepaalde duur betekent dit dat de
dienstbetrekking ook ingevolge deze wet als arbeidsovereenkomst voor bepaalde
duur wordt aangemerkt, in dier voege dat de termijn van de beperkte duur
tezamen twee jaar moet bedragen.
Ook voor wat de hoogte van het loon betreft, dient te
worden uitgegaan van de duur van de arbeidsovereenkomst ingevolge de
banenpoolregeling en deze wet tezamen. In deze situatie is het dan ook
mogelijk dat een Wiw-werknemer een arbeidsovereenkomst heeft voor onbepaalde
duur, maar nog geen beloning mag ontvangen boven het niveau van het WML. Deze
beperking geldt tot uiterlijk twee jaar nadat de Wiw-werknemer is ingestroomd
in de banenpool. Daarna is het ter beoordeling van de gemeente
om vast te
stellen of er redenen aanwezig zijn om tot een hogere beloning over te gaan.
Om dit te bereiken, wordt in onderdeel a
bepaald dat
deze dienstbetrekkingen niet onder de werking van artikel 13 vallen. Dit
betekent dat de indicatie voor een aanstelling na twee jaar niet noodzakelijk
is. Voorts is expliciet geregeld dat voor de beloning de duur van de
dienstbetrekking wordt bepaald vanaf de dag van aanvang van het dienstverband
met de banenpool (onderdeel b).
In het
eerste lid is tevens bepaald dat de dienstbetrekking, voor zover dit betreft
een dienstbetrekking die direct aansluit op een dienstbetrekking ingevolge de
Rijksbijdrageregeling banenpools, niet behoeft te voldoen aan de concurrentie-
en verdringingsbepalingen zoals die zijn vastgelegd in artikel 6 van deze
wet.
Bij
wijziging van de Rijksbijdrageregeling banenpools is met ingang van 1 januari
1996 de mogelijkheid ingevoerd dat de deelnemer gedurende één jaar
voltijdsscholing volgt en/of praktijkervaring opdoet in het kader van een
uitstroomtraject. Hierbij loopt de dienstbetrekking van de deelnemer gewoon
door. Deze mogelijkheid is in strijd met artikel 4, vierde lid, van deze
wet.
Om echter te voorkomen dat door de invoering van deze wet de reeds gestarte
uitstroomtrajecten worden gefrustreerd, is in het tweede lid bepaald dat deze
trajecten in het kader van de dienstbetrekking kunnen worden afgerond.
Artikel
25. Toepassing van
recht van vóór datum van inwerkingtreding
Voor
besluiten die betrekking hebben op de periode van vóór de inwerkingtreding van
deze wet en de beroepen en bezwaar tegen die besluiten, blijft het oude recht
van toepassing zoals het neergelegd was rblz.|88|
in de JWG en de Rijksbijdrageregeling
banenpools en de andere subsidieregelingen die met deze wet komen te
vervallen. Naast de Rijksbijdrageregeling banenpools zullen andere
subsidieregelingen in samenhang daarmee, zoals de Tijdelijke subsidieregeling
bevordering uitstroom banenpools en Jeugdwerkgarantiewet, bij de
inwerkingtreding van deze wet worden ingetrokken. Bij intrekking wordt met dit
artikel duidelijk dat op de besluiten genomen op grond van die regelingen
het oude recht van toepassing blijft.
Artikel
26. Wijziging
Algemene bijstandswet
Het
beschikbaar zijn van voorzieningen op grond van deze wet kan gevolgen hebben
voor het recht op uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). In
het algemeen voorziet de Abw door de algemene formulering daar al in. De
subsidiebedragen die aan de bijstandsgerechtigde kunnen worden toegekend bij
het aanvaarden van arbeid bijvoorbeeld op grond van artikel 3 van deze
wet,
zijn aan te merken als premies, bedoeld in bijvoorbeeld artikel 43 van de
Abw.
In het kader van de experimenten op grond van artikel 144 van de
Abw kunnen
bepaalde verplichtingen die aan uitkeringsgerechtigden worden opgelegd, niet
worden opgelegd in geval van sociale activering. Voor zover de voorzieningen
op grond van artikel 3 van deze wet passen bij die waarop deze experimenten
betrekking hebben, kan in de algemene maatregel van bestuur op grond van
artikel 144 Abw aansluiting bij deze wet worden gezocht. Na afloop van de
experimenten op grond van artikel 144 zal nader in een structurele regeling
van deze afwijkingen in samenhang met de voorzieningen op grond van deze wet
worden voorzien. Deze structurele regeling zal in ieder geval in de Abw moeten
zijn vormgegeven na 1 januari 2000, tenzij artikel 144 nog met twee jaar
wordt verlengd (zie artikel 147
Abw). De nu wel noodzakelijke wijzigingen in
de Abw betreffen het laten vervallen van de specifieke sanctiebepalingen voor
jongeren (onderdeel A), het laten vervallen van de verwijzing naar de JWG
(onderdeel B) en de verplichting mee te werken aan de
Wiw-voorzieningen, die
dan op grond van artikel 14 kan worden gesanctioneerd
(onderdeel D). Bij de
wijziging van artikel 14 in onderdeel A is ervan uitgegaan dat de Wet boeten, maatregelen en
terug- en invordering sociale zekerheid bij de
inwerkingtreding van deze wet in werking is getreden (dit geldt ook voor de
onderdelen A van de artikelen 27 en 28).
Waarom het derde lid van artikel 111 kan komen te
vervallen (onderdeel C), is toegelicht bij artikel
3. Deze wet, de Wiw,
voorziet nu in de verplichting tot het vaststellen van een verordening.
In een
voorstel van wet tot wijziging van de Abw in verband met de preventie en
bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, dat bij de Tweede Kamer is
ingediend, is een artikel 115a in de Abw opgenomen als grondslag voor de
tegemoetkoming ten laste van ’s Rijks kas voor de kosten van het realiseren
van kinderopvang. In dit wetsvoorstel is het realiseren van kinderopvang in
artikel 3, derde lid, geregeld en maakt de subsidie aan de gemeenten
deel uit
van het Werkfonds (zie bij artikel 14). Wanneer deze wet in werking treedt,
kan artikel 115a Abw dus vervallen.
Artikelen 27 en 28. Wijziging
in Ioaw en Ioaz
De
wijzigingen in de Ioaw en Ioaz zijn vergelijkbaar met die van de
Abw op het
punt van de sanctionering en het meewerken aan de voorzieningen op grond van
deze wet.
rblz.|89|
Artikel
29. Wijziging
Werkloosheidswet
Artikel 19a
van de Werkloosheidswet (WW) kan komen te vervallen, omdat de JWG
en de daarbij behorende sluitende aanpak, waardoor geen recht op de
WW-uitkering bestaat indien de jongere een JWG-overeenkomst is aangeboden,
met deze wet wordt ingetrokken (onderdeel
A).
In het
voorstel van wet Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996
(IAvw 1996) (Kamerstukken II 1995-1996, 24 554, nrs. 1 en 2) wordt in
artikel 22 de WW
gewijzigd. In onderdeel A van dat artikel 22 wordt de verplichting om mee te
werken aan scholing en opleiding in artikel 26, eerste lid, onderdeel f, van
de WW geherformuleerd. Bij deze wijziging wordt in onderdeel B aangesloten.
Het beschikbaar zijn voor de voorzieningen van deze wet (en daaraan mee te
werken) wordt nu ook voorgeschreven in hetzelfde onderdeel van artikel
26,
eerste lid, van de WW. Het niet behoorlijk nakomen van deze verplichting kan
op grond van artikel 27, derde lid, van de WW met een maatregel worden
gesanctioneerd.
In
genoemd artikel 22 van de IAvw 1996 wordt het
hoofdstuk VI van de WW, dat de
reïntegratiemaatregelen betreft die de bedrijfsvereniging ter beschikking
staat, nader ingevuld.
In onderdeel C van dit artikel van deze wet wordt er
in het hoofdstuk reïntegratiemaatregelen in voorzien dat de
bedrijfsvereniging een taak heeft de WW-gerechtigden voor de voorzieningen van
de Wiw in aanmerking te brengen (artikel 73). In het tweede lid van
artikel 73
wordt daarbij de sluitende benadering voor de jongere die in aanmerking komt
voor een WW-uitkering geregeld. De bedrijfsvereniging dient met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie in het kader van de sluitende benadering voor
jongeren een traject vast te stellen. Nu deze jongeren na het vervallen van de
JWG in aanmerking kunnen komen voor een WW-uitkering, hebben de
bedrijfsverenigingen de taak direct samen met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie te bezien welk traject naar spoedige terugkeer
in het arbeidsproces moet worden gevolgd. Voorts is geregeld dat de
financiering van die voorzieningen op basis van contracten met de gemeenten
ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komt (nieuw artikel 93b
in
onderdeel D). Daarbij is ervan uitgegaan dat het bij de IAvw 1996 ingevoegde
artikel
93a over de financiering van de inkoop van de diensten met
betrekking tot de arbeidsbemiddeling en scholing reeds in werking is getreden.
De constructie is vergelijkbaar met die in de IAvw 1996, waarbij in de WW in
artikel 72 de taak van de bedrijfsvereniging wordt geregeld de inschakeling in
de arbeid te bevorderen. De voorgestelde regeling in artikel 73 is in feite
een nadere invulling van die taak en de samenwerking met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
De
inzet van het reïntegratie-instrumentarium geldt ook voor de personen die
een uitkering ontvangen op grond van de Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (WBIA). In artikel
3, derde
lid, van die wet zijn de bepalingen van de WW van overeenkomstige toepassing
op de werkloze persoon die recht heeft op een uitkering op grond van die
wet.
Daarbij wordt op grond van het vierde lid van dat artikel 3 voor de toepassing
van andere wetten een WBIA-uitkering als vervolguitkering aangemerkt op grond van de
verplichte verzekering ingevolge de WW. Met de verwijzing naar een uitkering
op grond van hoofdstuk IIa of IIb
van de WW is artikel 73
WW zo ook van
toepassing voor de personen met een WBIA-uitkering. De kosten van de inzet van
het reïntegratie-instrumentarium voor deze personen komen dan ook ten laste
van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Het is
de verantwoordelijkheid van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en
afstemming (Tica) om als fondsbeheerder vast te stellen welk rblz.|90|
bedrag
beschikbaar is voor de vergoedingen aan de gemeenten voor de
Wiw-voorzieningen
voor in die gemeente woonachtige WW-gerechtigden. Aan de vergoeding liggen
overeenkomsten ten grondslag over de wijze waarop WW-gerechtigden in
aanmerking worden gebracht voor de Wiw-voorzieningen. Het is de taak van het
Tica in het kader van de samenwerking met de gemeenten en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie te regelen op welke wijze aan die
overeenkomsten inhoud kan worden gegeven. Deze overeenkomsten bepalen de
verdeling van het beschikbare budget (het tweede lid van artikel 93b
WW in
onderdeel D). Het Tica stelt regels voor de hoogte van de vergoeding en de
wijze waarop deze wordt vastgesteld. Daarnaast zal het Tica moeten
voorschrijven op welke wijze de bedrijfsverenigingen de besteding van de
Wiw-vergoedingen aan de gemeenten moeten verantwoorden. Het derde lid [zie tweede
lid,
red.] van
artikel 93b voorziet in deze regelgeving. De regels van het Tica behoeven de
goedkeuring van de minister
om afstemming mogelijk te maken op de regels voor
de subsidie en de vergoedingen die de minister aan de gemeenten verstrekt op
grond van deze wet.
Artikel
30. Wijziging
Algemene Kinderbijslagwet
De
wijzigingen in de Algemene Kinderbijslagwet zijn noodzakelijk wegens het
intrekken van de JWG. Onderdeel 2 is in feite een overgangsbepaling. Zolang in
het kader van het overgangsrecht een vergoeding wordt ontvangen uit de
vroegere voorbereidingsovereenkomst (zie artikel 23, derde lid), bestaat geen
recht op kinderbijslag. Wanneer werkloze jongeren van 16 tot
18 jaar zonder
Wiw-dienstbetrekking geen andere inkomsten hebben, komen hun ouders in
aanmerking voor kinderbijslag. Ze behouden de kinderbijslag voor de duur van
de werkloosheid (onderdeel 3). De werkloosheid eindigt indien de jongere met
de gemeente een dienstbetrekking aangaat op grond van
artikel 9 van
deze wet.
De nieuwe bepalingen zijn, omdat niet kan worden teruggevallen op de sluitende
aanpak van de JWG waardoor de duur van de werkloosheid werd beperkt, ruimer
dan vóór intrekking van die wet. Het gaat echter om een zeer gering aantal
jongeren.
Artikel
31. Wijziging
Beroepswet
De
keuze voor het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep is in
hoofdstuk 9
van het algemene deel van de toelichting behandeld.
Artikelen
32, 33 en
34
De
wijzigingen in de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, de Wet
op de loonvorming en de Ambtenarenwet
voorzien erin dat de dienstbetrekkingen met
de gemeente niet onder de uitzonderingen of bijzondere bepalingen voor
dienstverbanden met publiekrechtelijke instanties vallen. De Wet minimumloon
en minimumvakantiebijslag en de Wet op de loonvorming zijn dus wel van
toepassing op dienstbetrekkingen op grond van de Wiw. De bijzondere
rechtspositieregelingen voor personen die op arbeidsovereenkomst in dienst
zijn bij gemeenten die gebaseerd zijn op artikel 134 van de Ambtenarenwet,
gelden niet.
Artikel
35. Wijziging Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
Artikel
35, tweede en derde lid, van de hier te wijzigen wet (de WVA) bevatte
een bijzondere bepaling voor de toepassing van de WVA
voor personen die
werkzaam zijn in de banenpool. Voor de dienstbetrekkingen op basis van de
Rijksbijdrageregeling banenpools geldt niet de vermindering langdurig
werklozen, maar geldt evenals voor de vóór de datum rblz.|91|
van inwerkingtreding van
de WVA aangegane dienstbetrekkingen, een bijzondere premievrijstelling op
grond van de Wet ter bevordering werkgelegenheid voor werkzoekenden die zeer
langdurig werkloos zijn. Deze premievrijstelling geldt tot 1 januari 1997, bij
algemene maatregel van bestuur verlengd tot 1 januari 1998 (de verlenging in
het derde lid van dit artikel 35). Daarbij werd ervan uitgegaan dat deze wet
in werking zou zijn getreden op één van deze data. Met de totstandkoming
van deze wet kan deze uitzonderingsbepaling dus komen te vervallen. Op de
dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten op grond van artikel 5 van deze
wet (de Wiw) die worden aangegaan na de datum van inwerkingtreding van deze wet, is de WVA gewoon van toepassing. In het nieuwe tweede lid van artikel 35
van de WVA
wordt nu, bij wijze van een bijzondere overgangsbepaling, bepaald
dat de vermindering langdurig werklozen voor de werknemer die op de datum van
inwerkingtreding van deze wet een Wiw-dienstbetrekking heeft voor de maximale
duur van vier jaar kan gelden, dat wil zeggen ten hoogste 48 maanden na de
datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing is. Deze
overgangsbepaling is dus ook van toepassing voor personen die na de datum van
inwerkingtreding van de WVA (1 januari 1996) een dienstverband met de banenpool zijn
aangegaan.
Artikel
36. Wijziging
verwijzing naar Burgerlijk Wetboek
Bij de
inwerkingtreding van titel 7.10 van het Burgerlijk
Wetboek moet naar deze
titel in deze wet
verwezen worden in plaats van naar titel 7a van Boek
7a en naar artikel 610, eerste lid, van die titel in plaats van naar
artikel 1637a.
Artikel
37. Evaluatie
Omdat
deze wet belangrijk instrumentarium biedt in het kader van het
werkgelegenheidsbeleid, dient binnen vijf jaar de doeltreffendheid van deze
wet vastgesteld te worden in een evaluatie.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
rblz.|92|
BIJLAGE
1
Overzicht
regelingen gesubsidieerde arbeid
Overeenkomstig het advies van
de Raad van State wordt in deze bijlage een overzicht gegeven van de diverse
regelingen die in de afgelopen jaren tot stand zijn gekomen, die voorzien in
arbeid met financiële steun van de overheid. Per regeling is aangegeven:
- doelstelling;
- welk orgaan of welke organen met de uitvoering is of zijn belast;
- wat de doelgroep is;
- hoe groot de doelgroep is (voor zover mogelijk) en hoeveel personen van de
bestaande regeling gebruik maken;
- hoe de bekostiging is geregeld en hoe groot het beslag op collectieve
middelen is;
- wat de meest recente evaluatie van de regeling is;
- welke verschillen met de bestaande situatie uit het wetsvoorstel
voortvloeien.
Tevens acht de Raad het van belang aan te geven hoe het
voorgestelde stelsel zich zal verhouden tot de niet-geïncorporeerde typen
gesubsidieerde arbeid die blijven bestaan.
In het overzicht is aangegeven waarom deze regelingen niet
in de Wiw zijn ondergebracht.
A. Regelingen die in de Wiw
zijn opgenomen
1. Rijksbijdrageregeling banenpools (Stcrt.
1990, 169; laatstelijk gewijzigd Stcrt. 1996, 18)
Doel: regeling beoogt
zeer moeilijk bemiddelbare werklozen te plaatsen op additionele plaatsen in
collectieve en non-profitsector. Banenpooldeelnemers zijn in dienst van een
banenpoolorganisatie die hen tegen een inleenvergoeding detacheert.
Uitvoering: banenpoolorganisatie onder gemeentelijke
verantwoordelijkheid.
Doelgroep: zeer moeilijk bemiddelbare werklozen, langer dan drie jaar
werkloos, die door RBA en GSD [gemeentelijke sociale
dienst, red.] voor de banenpool worden
geïndiceerd.
Omvang: begroting 1997: 22 525 deelnemers.
Bekostiging: financiering per banenpooldeelnemer per jaar:
- bespaarde (Abw-, Ioaw-, of
Ioaz-)uitkering: ƒ20 320,-;
- RBA-subsidie: maximaal ƒ3500,-;
- FSV-bijdrage uitvoeringskosten: ƒ7600,-;
- WBA/WVA: maximaal ƒ6000,- per 1 januari 1997;
- inleenvergoeding.
Totaal rijksuitgaven excl. WVA, FSV (1997): ƒ457 mln.
Evaluatie:
- Landelijke evaluatie banenpool, eindrapport, M. van der Aalst e.a., Arbeidsvoorziening, Rijswijk, 1993;
- Banenpoolmonitor 1994, C. van der Werf e.a., Vuga, 1996.
Gevolgen Wiw:
- meer gemeentelijke vrijheid in uitvoering;
- verruiming doelgroep;
- meer arbeidsplaatsen;
- transparante financiering;
- 32-urige werkweek met mogelijkheid van loonsverbetering tot 120% WML;
- meer aandacht voor scholing en doorstroming naar regulier werk.
rblz.|93|
2. Jeugdwerkgarantiewet (Stb. 1991, 250;
laatstelijk gewijzigd Stb. 1994, 362)
Doel: regeling beoogt
door het bieden van werkervaring langdurige werkloosheid onder jongeren te
voorkomen. In plaats van een uitkering wordt een inkomen uit (additionele)
arbeid geboden. Jongeren die nog niet in staat zijn tot werken, worden in de
JWG-voorbereidingsfase daartoe voorbereid.
Uitvoering: JWG-organisatie onder gemeentelijke verantwoordelijkheid.
Doelgroep: werkloze jongeren tot 21 jaar die zes tot twaalf maanden werkloos zijn en werkloze schoolverlaters tot 27 jaar die
zes tot twaalf maanden werkloos
zijn.
Omvang: begroting 1997: 22 200 JWG-ers met een JWG-dienstbetrekking en
2470 jongeren met een JWG-voorbereidingsovereenkomst; totale JWG-doelgroep: 33 000 jongeren (Evaluatie
Jeugdwerkgarantiewet).
Bekostiging: financiering per JWG-er per jaar:
- rijksbijdrage: ƒ16 840,- per dienstbetrekking en ƒ4360,- per
voorbereidingsovereenkomst;
- FSV-bijdrage uitvoeringskosten: ƒ2500,-;
- WVA: maximaal ƒ5685,- per instromer per 1 januari 1997.
Totaal rijksuitgaven excl. WVA, FSV (1997): ƒ385 mln.
Evaluatie:
- Evaluatie Jeugdwerkgarantiewet, R. Olieman e.a., Vuga, 1996; ¹
- JWG-signalement 1994, A. Verkaik e.a., Vuga, 1996.
Gevolgen Wiw:
- gezamenlijke indicatiestelling door Arbeidsvoorziening en
gemeente;
- trajectbenadering voor alle werkloze jongeren tot 23 jaar;
- vereenvoudiging van doelgroepbepaling;
- verhoging rijksbijdrage uitvoeringskosten;
- meer aandacht voor scholing en doorstroming naar regulier werk.
1. De evaluatie is ter inzage
gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.
3. Tijdelijke subsidieregeling bevordering
uitstroom banenpools en Jeugdwerkgarantiewet (Scrt. 1995, 250)
Doel: regeling beoogt in
de vier grote steden de uitstroom uit de banenpools en de JWG naar reguliere
arbeid of scholing te bevorderen door extra middelen ter beschikking te
stellen.
Uitvoering: gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag.
Doelgroep: jongeren die minimaal één jaar een dienstbetrekking
en/of voorbereidingsovereenkomst hebben gehad ingevolge de JWG of deelnemers
die minimaal één jaar een arbeidsovereenkomst hebben met de banenpool.
Omvang: begroting 1997: 3840 JWG-ers of banenpooldeelnemers.
Bekostiging: financiering: ƒ15 000,- per uitgestroomde jongere en
uitgestroomde banenpooldeelnemer; bij jongeren wordt een drempel gehanteerd
(gemiddelde gerealiseerde uitstroom in de jaren 1994 en 1995 in de betrokken
steden).
Totaal rijksuitgaven (1997): ƒ57,6 mln.
Evaluatie: niet voorzien.
Gevolgen Wiw: toevoeging van middelen aan
scholings- en
activeringsbudget ten behoeve van vier grote steden.
rblz.|94|
B. Experimentele regelingen,
waarvan inpassing in Wiw afhankelijk is gesteld van evaluatie-uitkomsten
1. Subsidieregeling experimenten activering
van uitkeringsgelden (Stcrt. 1995, 13)
Doel: experiment om
inzicht te verkrijgen in effectieve methoden om met inzet van een vast (Abw-uitkerings)bedrag langdurig werklozen aan het werk te helpen.
Uitvoering: 63 experimenten uitgevoerd door gemeenten
en landelijke
organisaties waaronder uitzendbureaus, werkgevers- en werknemersorganisaties en
RBA’s.
Doelgroep: personen die ten minste één jaar werkloos zijn en die een
Abw-, Ioaw-, of Ioaz-uitkering ontvangen.
Omvang: begroting 1997: 17 778 deelnemers.
Bekostiging: financiering per deelnemer per jaar:
- rijksbijdrage: ƒ18 000,- (maximaal twee jaar);
- WVA: maximaal ƒ2000,- per 1 januari 1997.
Totaal rijksuitgaven excl. WVA (1997): ƒ320 mln.
Evaluatie: 1999.
Gevolgen Wiw: afhankelijk van evaluatie-uitkomsten.
2. Artikel 144 Abw; Besluit houdende regels
m.b.t. de criteria voor de aanwijzing van gemeenten die deelnemen aan
experimenten op grond van de Abw (Stb. 1995, 317); Regeling verzoek tot
aanwijzing als experimenteergemeente (Stcrt. 1995, 208)
Doel: experiment om
inzicht te verkrijgen in alternatieven om personen die niet met de
gebruikelijke voorzieningen aan werk kunnen worden geholpen dan wel met
sociale uitsluiting worden bedreigd, toch voor inschakeling in aanmerking te
laten komen, waarbij kan worden gedacht aan vrijwilligerswerk en het
verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten met behoud van uitkering. Artikel 144
Abw vormt de juridische grondslag voor dit experiment, waarbij op
basis van een goedgekeurd experimentvoorstel van de gemeente
kan worden
afgeweken van diverse Abw-artikelen.
Uitvoering: diverse gemeenten.
Doelgroep: Abw-gerechtigden die één jaar of langer geen arbeid hebben
verricht.
Omvang: aantal deelnemers onbekend, omdat tot 31 december 1996
experimentvoorstellen kunnen worden ingediend.
Bekostiging: reguliere verhouding tussen Rijk en gemeente wordt niet
gewijzigd.
Evaluatie: 1997.
Gevolgen Wiw: afhankelijk van evaluatie-uitkomsten.
rblz.|95|
C. Regelingen die niet in
Wiw zijn opgenomen
1. Wet sociale werkvoorziening
(Kamerstukken II
1995-1996, 24 787, nrs. 1 en 2)
Doel: regeling beoogt
personen met een arbeidshandicap arbeid onder aangepaste omstandigheden te
bieden die zoveel mogelijk is gericht op het behoud, het herstel of de
bevordering van hun arbeidsgeschiktheid. Gemeenten wordt daartoe een subsidie
verstrekt.
Uitvoering: gemeenten of door gemeenten aangewezen rechtspersonen.
Doelgroep: personen die door lichamelijke, verstandelijke of psychische
beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid
in staat zijn.
Omvang: begroting 1997: 81 700 Wsw-werknemers; aantal personen op de
wachtlijst (medio 1996): 22 600.
Bekostiging: financiering per Wsw-werknemer:
- rijksbijdrage: ƒ42 640,-;
- WVA: maximaal ƒ6000,- per instromer per 1 januari 1997. Totaal rijksuitgaven excl.
WVA (1997): ƒ3483 mln.
Evaluatie: Kwartaalrapportage sociale werkvoorziening, tweede kwartaal
1996, ministerie SZW.
Niet in Wiw: kabinet heeft ervoor gekozen om de bekostiging van de Wsw
niet in het gemeentelijk Werkfonds onder te brengen vanwege het specifieke
karakter van de voorziening en vanwege herverdeeleffecten (Stroomlijningsnota,
paragraaf 3.33.4); Wsw en Wiw zijn in de verdere uitwerking optimaal afgestemd
(sluitende benadering jongeren, overgang van werknemers tussen beide
regelingen, verrekening exploitatieoverschotten).
2. Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Stb. 1995, 635)
Doel: regeling beoogt
verlaging van de werkgeverslasten aan de onderkant van de arbeidsmarkt (afdrachtskorting lage lonen) en bevordering van indienstname van langdurig
werklozen (afdrachtskorting langdurig werklozen).
Uitvoering: belastingdienst.
Doelgroep: werkgevers van werknemers die niet meer dan 115% WML
verdienen (afdrachtskorting lage lonen) en werkgevers die werklozen in dienst
nemen die langer dan één jaar werkloos zijn en die niet meer dan 130% WML
verdienen (afdrachtskorting langdurig werklozen).
Omvang: nog niet bekend.
Bekostiging: financiering per werknemer per jaar:
- afdrachtskorting lage lonen: ƒ2000,- (volwassenen) of ƒ1185,- (jongeren)
bij 32-urige werkweek per 1 januari 1997;
- afdrachtskorting langdurig werklozen: ƒ4500,- bij 32-urige werkweek voor
vier jaar; in combinatie met afdrachtskorting lage lonen maximaal ƒ6000,-.
Totaal rijksuitgaven:
- afdrachtskorting lage lonen: ƒ518 mln structureel;
- afdrachtskorting langdurig werklozen: ƒ496 mln structureel.
Evaluatie: 1997.
Niet in Wiw: fiscale faciliteit.
rblz.|96|
3. Regeling extra werkgelegenheid voor
langdurig werklozen 1996 (Stcrt. 1995, 13; laatstelijk gewijzigd: Stcrt.
1996, 183) [opgegaan in Besluit in- en
doorstroombanen, red.]
Doel: regeling beoogt de
creatie van 40 000 extra arbeidsplaatsen in de collectieve sector voor
langdurig werklozen in een beperkt aantal gemeenten en in de zorgsector.
Uitvoering: diverse koepelorganisaties voor de realisatie van 20 000
banen in de zorgsector (via ministerie VWS); 48 gemeenten
voor de realisatie
van 20 000 banen op terrein van toezicht, veiligheid, kinderopvang, onderwijs
en beheer publieke monumenten en openbare ruimte (via ministerie
Biza).
Doelgroep: werkgevers in de zorg en (voor de gemeentelijke regeling)
werkgevers op terrein van toezicht, veiligheid, kinderopvang, onderwijs en
beheer publieke monumenten en openbare ruimte.
Omvang: ultimo 1998: 40 000 arbeidsplaatsen voor personen die langer
dan één jaar werkloos zijn, een Abw-, Ioaw- of
Ioaz-uitkering ontvangen en
(voor de gemeentelijke regeling) woonachtig zijn in de 48 gemeenten waaraan
banen zijn toegekend.
Bekostiging: financiering per arbeidsplaats:
- rijksbijdrage: ƒ34 500,- (1996);
- WVA: maximaal ƒ6000,- per instromer per 1 januari 1997.
Totaal rijksuitgaven (1998): ƒ1600 mln.
Evaluatie: niet voorzien.
Niet in Wiw: regeling beoogt totstandkoming van reguliere
arbeidsplaatsen (Algemene toelichting, paragraaf 3.6).
4. Regeling experiment marktverruiming in de
schoonmaakbranche (Stcrt. 1996, 101; laatstelijk gewijzigd: Stcrt.
1996, 186) [vervangen door Regeling
schoonmaakdiensten particulieren, red.]
Doel: experiment om de
formele vraag naar schoonmaakdiensten door particulieren uit te breiden onder
gelijktijdige uitbreiding van de werkgelegenheid voor laaggeschoolden.
Uitvoering: werkgevers waarop de CAO voor schoonmaak- en glazenwassersbranche
van toepassing is die in hoofdzaak schoonmaakwerkzaamheden verrichten.
Doelgroep: idem.
Omvang: ultimo 1997: 1866 arbeidsplaatsen voor personen die langer dan
één jaar werkloos zijn en een Abw-, Ioaw- of
Ioaz-uitkering ontvangen; in de gemeenten
Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Arnhem, Heerlen, Nijmegen en
Groningen geldt werkloosheidsduur van zes maanden.
Bekostiging: financiering per arbeidsplaats per jaar:
- rijksbijdrage: ƒ12 600,- voor maximaal twee jaar;
- WVA: maximaal ƒ6000,-.
Totaal rijksuitgaven excl. WVA (1997): ƒ23,5 mln.
Evaluatie: medio 1997.
Niet in Wiw: regeling beoogt totstandkoming reguliere arbeidsplaatsen.
rblz.|97|
BIJLAGE
2
Overzicht
kosten en subsidie per arbeidsplaats
[in guldens, red.]
I. Jongeren tot 23 jaar (excl. jongeren art.
23, eerste lid, Wiw):
|
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
xx1998xx |
xx1999xx |
xx2000xx |
xx2001xx |
Loonkosten
(incl. wgpr. + vak.):
Afdr.k. langd. werkl. (32 u.):
Afdr.k. lage lonen (32 u.):
Subtotaal: |
20
058xx
- 4 500xx
- 821xx
14 737xx |
20
398xx
- 4 500xx
- 835xx
15 063xx |
20
404xx
- 4 500xx
- 835xx
15 069xx |
20
419xx
- 4 500xx
- 835xx
15 084xx |
Uitvoering:
Overige kosten:
TOTAAL KOSTEN: |
4
515xx
750xx
20 002xx |
4
335xx
750xx
20 148xx |
4
202xx
750xx
20 021xx |
4
101xx
750xx
19 935xx |
Inleenvergoeding:
Normbedrag (vast budget):
Basisbedrag: |
750xx
2 252xx
17 000xx |
750xx
2 398xx
17 000xx |
750xx
2 271xx
17 000xx |
750xx
2 185xx
17 000xx |
Ib. Jongeren 23 jaar of ouder
(art. 23, eerste lid, Wiw):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
xx1998xx |
xx1999xx |
Loonkosten
(incl. wgpr. + vak.):
Afdr.k. lange. werkl. (32 u.):
Afdr.k. lage lonen (32 u.):
Subtotaal: |
29
365xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 365xx |
29
365xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 365xx |
Uitvoering:
Overige kosten:
TOTAAL KOSTEN: |
4
000xx
750xx
28 115xx |
4
000xx
750xx
28 115xx |
Inleenvergoeding:
Normbedrag (vast budget):
Basisbedrag: |
750xx
10 365xx
17 000xx |
750xx
10 365xx
17 000xx |
II. Voormalige werklozen van
23 t/m 64 jaar die één tot twee jaar werkloos waren:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
xx1998xx |
xx1999xx |
xx2000xx |
xx2001xx |
Loonkosten:
Afdr.k. langd. werkl. (32 u.):
Afdr.k. lage lonen (32 u.):
Subtotaal: |
29
365xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 365xx |
29
365xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 365xx |
29
365xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 365xx |
29
365xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 365xx |
Uitvoering:
Overige kosten:
TOTAAL KOSTEN: |
3
500xx
1 200xx
28 065xx |
3
500xx
1 200xx
28 065xx |
3
500xx
1 200xx
28 065xx |
3
500xx
1 200xx
28 065xx |
Inleenvergoeding:
Normbedrag (vast budget):
Basisbedrag: |
11 065xx
0xx
17 000xx |
11 065xx
0xx
17 000xx |
11 065xx
0xx
17 000xx |
11 065xx
0xx
17 000xx |
III. Voormalige werklozen
van 23 t/m 64 jaar die twee tot drie jaar werkloos waren met dienstbetrekking van 32
uur:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
xx1998xx |
xx1999xx |
xx2000xx |
xx2001xx |
Loonkosten:
Loonkostenontwikkeling:
Afdr.k. langd. werkl. (32 u.):
Afdr.k. lage lonen (32 u.):
subtotaal: |
29
365xx
0xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 365xx |
29
365xx
0xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 365xx |
29
365xx
275xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 640xx |
29
365xx
558xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 923xx |
Uitvoering:
Overige kosten:
TOTAAL KOSTEN: |
3
500xx
1 200xx
28 065xx |
3
500xx
1 200xx
28 065xx |
3
500xx
1 200xx
28 340xx |
3
500xx
1 200xx
28 623xx |
Inleenvergoeding:
Normbedrag (vast budget):
Basisbedrag: |
4 000xx
7 065xx
17 000xx |
4 000xx
7 065xx
17 000xx |
4 138xx
7 203xx
17 000xx |
4 279xx
7 344xx
17 000xx |
rblz.|98|
IIIb. Voormalige werklozen
van 23 t/m 64 jaar die twee tot drie jaar werkloos waren met dienstbetrekking van 36
uur:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
xx1998xx |
xx1999xx |
xx2000xx |
xx2001xx |
Loonkosten:
Loonkostenontwikkeling:
Afdr.k. langd. werkl. (32 u.):
Afdr.k. lage lonen (32 u.):
Subtotaal: |
33
036xx
0xx
- 4 500xx
- 1 500xx
27 036xx |
33
036xx
0xx
- 4 500xx
- 1 500xx
27 036xx |
33
036xx
309xx
- 4 500xx
- 1 500xx
27 345xx |
33
036xx
627xx
- 4 500xx
- 1 500xx
27 663xx |
Uitvoering:
Overige kosten:
TOTAAL KOSTEN: |
3
500xx
1 200xx
31 736xx |
3
500xx
1 200xx
31 736xx |
3
500xx
1 200xx
32 045xx |
3
500xx
1 200xx
32 363xx |
Inleenvergoeding:
Normbedrag (vast budget):
Basisbedrag: |
4 375xx
10 361xx
17 000xx |
4 375xx
10 361xx
17 000xx |
4 530xx
10 516xx
17 000xx |
4 689xx
10 675xx
17 000xx |
IV. Voormalige werklozen van
23 t/m 64 jaar die ten minste drie jaar werkloos waren met dienstbetrekking van 32
uur:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
xx1998xx |
xx1999xx |
xx2000xx |
xx2001xx |
Loonkosten:
Loonkostenontwikkeling:
Afdr.k. langd. werkl. (32 u.):
Afdr.k. lage lonen (32 u.):
Subtotaal: |
29
365xx
0xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 365xx |
29
365xx
0xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 365xx |
29
365xx
367xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 732xx |
29
365xx
718xx
- 4 500xx
- 1 500xx
24 083xx |
Uitvoering:
Overige kosten:
TOTAAL KOSTEN: |
3
500xx
1 200xx
28 065xx |
3
500xx
1 200xx
28 065xx |
3
500xx
1 200xx
28 432xx |
3
500xx
1 200xx
28 783xx |
Inleenvergoeding:
Normbedrag (vast budget):
Basisbedrag: |
2 000xx
9 065xx
17 000xx |
2 000xx
9 065xx
17 000xx |
2 184xx
9 249xx
17 000xx |
2 359xx
9 424xx
17 000xx |
IVb. Voormalige werklozen
van 23 t/m 64 jaar die ten minste drie jaar werkloos waren met dienstbetrekking van
36 uur:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
xx1998xx |
xx1999xx |
xx2000xx |
xx2001xx |
Loonkosten:
Loonkostenontwikkeling:
Afdr.k. langd. werkl. (32 u.):
Afdr.k. lage lonen (32 u.):
Subtotaal: |
33
036xx
1 163xx
- 4 500xx
- 1 500xx
28 199xx |
33
036xx
1 529xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 365xx |
33
036xx
2 264xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 640xx |
33
036xx
2 957xx
- 4 500xx
- 1 500xx
23 923xx |
Uitvoering:
Overige kosten:
TOTAAL KOSTEN: |
3
500xx
1 200xx
32 899xx |
3
500xx
1 200xx
33 265xx |
3
500xx
1 200xx
34 000xx |
3
500xx
1 200xx
34 693xx |
Inleenvergoeding:
Normbedrag (vast budget):
Basisbedrag: |
2 957xx
12 943xx
17 000xx |
3 140xx
13 126xx
17 000xx |
3 507xx
13 493xx
17 000xx |
3 854xx
13 840xx
17 000xx |
|