|
21 oktober 1999/nr. AM/RAW/99/63641
Directie Arbeidsmarkt
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Handelend in overeenstemming met de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer;
Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet
SZW-subsidies;
Besluit:
Art. 1.
Definities
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. de minister: de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. huursubsidie, huurder,
rekeninkomen en rekenhuur: hetgeen
daaronder wordt verstaan in de Huursubsidiewet.
Art. 2.
Doelgroep
-1. De minister verstrekt
over de periode van 1 juli 1999 tot en met
30 juni 2000, de periode van 1 juli
2000 tot en met 30 juni 2001 en de
periode van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002 op aanvraag aan de persoon,
bedoeld in artikel 24, derde lid, van
de Wet inschakeling werkzoekenden,
een compensatie in de vorm van een subsidie indien die persoon
uitsluitend tengevolge van het vervallen
van het recht op premievrijstelling, bedoeld in genoemde bepaling, met
ingang van 1 juli 1999 minder aanspraak
kan maken op huursubsidie.
-2. De subsidie voor de
perioden, bedoeld in het eerste lid,
wordt uitsluitend verstrekt indien de
persoon, bedoeld in het eerste lid,
desgewenst op verzoek van de minister, aantoont dat hij telkens op 1 januari
van de jaren 1999, 2000 en 2001:
a. een dienstbetrekking
heeft als bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel g, van de Wet inschakeling
werkzoekenden; en
b. huurder is.
Art. 3.
Aanvraag
-1. De persoon, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, ontvangt van de minister
ambtshalve een aanvraagformulier voor de subsidie.
-2. De persoon, bedoeld in
artikel 2, eerste lid, die op 1 januari
2000 geen aanvraagformulier heeft
ontvangen, kan tot 1 maart 2000 een
aanvraagformulier aanvragen bij de minister.
-3. Aanvraagformulieren die
na 1 april 2000 door de minister zijn
ontvangen, worden niet meer in
behandeling genomen.
-4. Het aanvraagformulier is
ingericht overeenkomstig de bijlage
bij deze regeling.
Art. 4.
Toekenning,
betaalbaarstelling en verrekening subsidie
-1. Over de periode van 1
juli 1999 tot en met 30 juni 2000 wordt
door de minister, zo mogelijk v๓๓r
1 januari 2000, aan de persoon,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, bij wijze van
voorschot een voorlopige subsidie
verstrekt en betaalbaar gesteld indien
een volledig ingevuld aanvraagformulier
v๓๓r 15 november 1999 door de
minister is ontvangen.
-2. De subsidie over de
periode van 1 juli 1999 tot en met 30
juni 2000 wordt door de minister
ambtshalve definitief vastgesteld
v๓๓r 1 september 2000.
-3. De subsidie over de
periode van 1 juli 2000 tot en met 30
juni 2001 wordt door de minister
ambtshalve vastgesteld v๓๓r 1
september 2000. De definitieve subsidie over de periode van 1 juli 1999 tot en met
30 juni 2000 en de subsidie over de
periode van 1 juli 2000 tot en met 30
juni 2001 wordt betaalbaar gesteld
v๓๓r 1 september 2000. Met de betaalbaarstelling van de definitieve subsidie
over de periode van 1 juli 1999 tot
en met 30 juni 2000 en de subsidie
over de periode van 1 juli 2000 tot
en met 30 juni 2001 wordt een
verstrekt voorschot over de periode van 1 juli
1999 tot en met 30 juni 2000 verrekend.
-4. De subsidie over de
periode van 1 juli 2001 tot en met 30
juni 2002 wordt door de minister
ambtshalve vastgesteld en betaalbaar
gesteld v๓๓r 1 september 2001.
Art. 5.
Hoogte subsidie
-1. De voorlopige subsidie
over de periode van 1 juli 1999 tot
en met 30 juni 2000 wordt als volgt
berekend:
a. het rekeninkomen over
1997 wordt vermenigvuldigd met 0,95,
daardoor ontstaat een fictief
rekeninkomen over 1998;
b. de rekenhuur over 1998
wordt vermenigvuldigd met 1,029, daardoor ontstaat een fictieve
rekenhuur over 1999;
c. met behulp van het
fictief rekeninkomen over 1998 en de fictieve
rekenhuur over 1999 wordt de huursubsidie berekend, daardoor ontstaat
de huursubsidie A;
d. door het tabelloon,
bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel e,
van het Uitvoeringsbesluit
loonbelasting 1965, over 1997 te
vermenigvuldigen met 0,223 en van de uitkomst
daarvan 1947,86 af te trekken,
ontstaat een vrijlatingsbedrag;
e. het vrijlatingsbedrag
wordt opgeteld bij het fictief rekeninkomen
1998, daardoor ontstaat een nieuw
fictief rekeninkomen over 1998;
f. met behulp van het nieuwe
fictief rekeninkomen over 1998 en de
fictieve rekenhuur over 1999 wordt de
huursubsidie opnieuw berekend, daardoor ontstaat de huursubsidie B;
g. van de huursubsidie A
wordt vervolgens afgetrokken de huursubsidie
B, de uitkomst daarvan wordt
vermenigvuldigd met 12, daardoor ontstaat de voorlopige subsidie over de
periode van 1 juli 1999 tot en met
30 juni 2000.
-2. De definitieve subsidie
over de periode van 1 juli 1999 tot
en met 30 juni 2000 wordt als volgt
berekend:
a. met behulp van het
rekeninkomen over 1998 en de rekenhuur
over 1999 wordt de huursubsidie
berekend, daardoor ontstaat de huursubsidie C;
b. het vrijlatingsbedrag,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d,
wordt afgetrokken van het rekeninkomen over 1998, hierdoor ontstaat een
nieuw rekeninkomen over 1998;
c. met behulp van het nieuwe
rekeninkomen over 1998 en de rekenhuur over 1999 wordt de
huursubsidie opnieuw berekend, daardoor
ontstaat de huursubsidie D;
d. van de huursubsidie D
wordt vervolgens afgetrokken de huursubsidie
C, de uitkomst daarvan wordt
vermenigvuldigd met 12, daardoor ontstaat de definitieve subsidie over de
periode van 1 juli 1999 tot en met
30 juni 2000.
-3. Indien bij de berekening
van de voorlopige subsidie over de
periode van 1 juli 1999 tot en met
30 juni 2000 het tabelloon, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel d, nog niet
bekend is, wordt bij de berekening van
de voorlopige subsidie uitgegaan van een
fictief tabelloon van 27
000,00.
-4. Bij de toepassing van het
derde lid wordt bij de berekening van
de definitieve subsidie het vrijlatingsbedrag, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel d, alsnog berekend met het in
dat lid bedoelde tabelloon. De
uitkomst van die berekening is vervolgens
het vrijlatingsbedrag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
-5. De subsidie over de
periode van 1 juli 2000 tot en met 30
juni 2001 bedraagt twee derde deel van de
definitieve subsidie over de periode van
1 juli 1999 tot en met 30 juni 2000.
-6. De subsidie over de
periode van 1 juli 2001 tot en met 30
juni 2002 bedraagt een derde deel van de
definitieve subsidie over de periode van
1 juli 1999 tot en met 30 juni 2000.
-7. De subsidie wordt naar
boven afgerond op hele guldens.
Art. 6.
Belasting;
inkomensafhankelijke uitkeringen
-1. De over de subsidie
verschuldigde belasting op grond van de Wet
inkomstenbelasting 2001 en de Wet
op de loonbelasting 1964 alsmede de premie voor de volksverzekeringen op grond van de Wet
financiering volksverzekeringen komen ten laste van het Rijk.
-2. De subsidie blijft buiten
beschouwing bij de verlening van op het
inkomen afgestemde publiekrechtelijke uitkeringen of verstrekkingen.
Art. 7.
Geringe bedragen
-1. De subsidie over de
periode van 1 juli 1999 tot en met 30
juni 2000 komt niet tot uitbetaling
indien deze voorlopig wordt berekend op
een bedrag van minder dan 120,00 en definitief wordt vastgesteld
op een bedrag van minder dan 120,00.
-2. De subsidie over de
periode van 1 juli 2000 tot en met 30
juni 2001 en de periode van 1 juli 2001
tot en met 30 juni 2002 komt niet tot uitbetaling indien de subsidie over de periode van 1 juli 1999 tot en met 30
juni 2000 definitief is vastgesteld op
een bedrag van minder dan 120,00.
Art. 8.
Terugvordering
-1. De minister
kan de
subsidie geheel of gedeeltelijk
terugvorderen dan wel verrekenen met de subsidie
over enige periode, indien:
a. de subsidie wordt
verstrekt aan een persoon die niet tot de
doelgroep, bedoeld in artikel 2, eerste
lid, behoort;
b. door de persoon, bedoeld
in artikel 2, eerste lid, onjuiste
gegevens zijn verstrekt tengevolge waarvan die
persoon ten onrechte een subsidie
heeft ontvangen;
c. anderszins in strijd met
deze regeling subsidie is verstrekt.
-2. Onverminderd het eerste lid wordt, indien de voorlopige
subsidie 120,00 of meer bedraagt en de
definitieve subsidie wordt vastgesteld op minder
dan 120,00, de voorlopige
subsidie niet teruggevorderd.
Art. 9.
Algemene Regeling
SZW-subsidies
De Algemene
Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing.
Art. 10.
Uitvoering en
mandaat
-1. De minister
mandateert
het hoofd van de Cluster Overige
Regelingen van de Afdeling Uitvoering
Volkshuisvestingsregelingen van de Directie Reken- en Administratiecentrum
van het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer tot het nemen van besluiten
krachtens deze regeling, met
uitzondering van besluiten, genoemd in het
derde lid van dit artikel, en tot het
afdoen van alle op deze besluiten betrekking hebbende stukken.
-2. De ondertekening van de
in het eerste lid genoemde besluiten luidt
als volgt:
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
namens deze:
Het hoofd van de Cluster Overige Regelingen van de Afdeling
Uitvoering Volkshuisvestingsregelingen
van de Directie Reken- en
Administratiecentrum van het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
gevolgd door de handtekening
en de naam van de betrokken
functionaris.
-3. De minister mandateert
het hoofd van de Afdeling Uitvoering Volkshuisvestingsregelingen van de Directie
Reken- en
Administratiecentrum van het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer tot het beslissen op
bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld
in het eerste lid en tot het afdoen van alle op deze beslissingen betrekking
hebbende stukken.
-4. De ondertekening van de
in het derde lid genoemde
beslissingen luidt als volgt:
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
namens deze:
Het hoofd van de Afdeling
Uitvoering Volkshuisvestingsregelingen
van de Directie Reken- en Administratiecentrum van het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
gevolgd door de
handtekening en de naam van de betrokken functionaris.
Art. 11.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Art. 12.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling compensatie
inkomensachteruitgang ex-banenpoolers.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
s-Gravenhage, 21 oktober
1999.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.
TOELICHTING
[21 oktober 1999]
Algemeen
Op 1 januari 1998 is de Rijksbijdrageregeling
banenpools opgegaan in de Wet inschakeling werkzoekenden
(Wiw).
Personen die tot dat moment een arbeidsovereenkomst hadden in het kader van
voornoemde banenpoolregeling kregen vanaf 1 januari 1998 een
arbeidsovereenkomst in het kader van de Wiw.
Voor personen die reeds
v๓๓r 1 januari 1996 werkzaam waren in het
kader van de banenpoolregeling was
tot 1 januari 1998 via het
overgangsrecht van de Wet afdracht loonbelasting en premies voor de
volksverzekering (artikel 35), de Wet bevordering arbeidsinpassing van toepassing (deze wet
wordt ook wel aangeduid als
de Wet Vermeend/Moor). Op grond van die wet waren werkgevers, onder
nader in die wet aangegeven
voorwaarden, gedurende ten hoogste twee
jaar vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van
werkgeverspremies. Het ging daarbij na 1 januari
1996 om premies die een werkgever
verschuldigd was ingevolge de Ziekenfondswet, de
Werkloosheidswet wat betreft
het deel van de premie dat ten gunste
kwam van het Algemeen
Werkloosheidsfonds en de basispremie van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (artikel 76a, onderdeel
a,
van die wet). Hierdoor was het belastbaar
inkomen van deze personen lager dan
zonder toepassing van genoemde wet.
Met ingang van 1 januari
1998 is de Wet bevordering
arbeidsinpassing voor deze personen vervallen. Het
belastbaar inkomen ging daardoor per 1 januari 1998 omhoog. Voor
personen die hierdoor geconfronteerd
werden met een achteruitgang in netto-inkomen werd de zogenoemde
banenpooltoeslag ingesteld. Deze banenpooltoeslag is geregeld in artikel
24,
derde (en vierde) lid, van de Wiw.
De stijging van het
belastbaar inkomen 1998 ten opzichte van 1997
heeft in bepaalde gevallen recent
geleid tot een verminderde aanspraak op inkomensafhankelijke regelingen,
waaronder de huursubsidie. Deze
inkomensafhankelijke regelingen zijn immers
veelal gebaseerd op het belastbaar inkomen. Zo wordt de
huursubsidie per 1 juli 1999 gebaseerd op
het belastbaar inkomen 1998. De
groep ex-banenpoolers die vanaf de inwerkingtreding van de Wiw feitelijk meer
aanspraak op huursubsidie heeft kunnen maken dan andere personen
met een Wiw-dienstbetrekking, werd
hierdoor met een inkomensachteruitgang geconfronteerd. Overigens
ontving de groep ex-banenpoolers niet
meer of minder aan huursubsidie dan
op grond van hun belastbaar inkomen gerechtvaardigd was.
Niettemin heeft het kabinet
besloten om de achteruitgang in
huursubsidie per 1 juli 1999 voor deze
personen tijdelijk te compenseren door middel
van een afbouwregeling. Het kabinet heeft hiervoor gekozen omdat door
het lage belastbare inkomen in de
jaren v๓๓r 1998 deze personen een
hogere aanspraak op huursubsidie hadden dan personen met een
vergelijkbaar belastbaar inkomen. Het voor lange tijd in stand houden van deze hogere
aanspraak op huursubsidie in
vergelijking met andere personen met een vergelijkbaar belastbaar inkomen acht het
kabinet niet wenselijk.
Echter, gezien de in sommige gevallen vrij
forse achteruitgang in huursubsidie vindt het kabinet enige vorm van
compensatie, zij het tijdelijk, op zijn
plaats. Het kabinet heeft de inhoud van deze regeling afgestemd met de Tweede
Kamer (zie hieromtrent Kamerstukken II,
26 200 XV, nrs. 82 en 85)
Compensatiemaatregel
Voor de compensatie is door
de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid een aparte
subsidieregeling vastgesteld op basis van de Kaderwet
SZW-subsidies. De subsidie
wordt ook vanuit de
begroting van het ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid betaald. De
uitvoering van de regeling is echter
geheel in handen gelegd (mandaat) bij
het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, omdat deze over de meeste
gegevens beschikt
(huursubsidiegegevens) om de compensatie te kunnen
berekenen en betaalbaar te stellen.
De doelgroep van de
compensatieregeling bestaat uit personen die:
onder artikel 24, derde
lid, van de Wiw vallen. Dat zijn
personen die reeds v๓๓r 1 januari 1996
werkzaam waren in de
Rijksbijdrageregeling banenpools. (Op personen die later zijn ingestroomd was de Wet
bevordering arbeidsinpassing niet meer
van toepassing; met ingang van 1
januari 1996 is de Wet bevordering
arbeidsinpassing opgegaan in de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.
Personen die op of na 1 januari 1996 in
de Rijksbijdrageregeling banenpools zijn gestroomd, hebben dus geen
achteruitgang in huursubsidie
als gevolg van het wegvallen van de Wet
bevordering arbeidsinpassing); en
op 1 januari 1999 nog
steeds werkzaam waren in een Wiw-dienstbetrekking; en
per 1 juli 1999 een
verminderde aanspraak op huursubsidie hadden als gevolg van het wegvallen van
de premievrijstelling van de Wet bevordering arbeidsinpassing.
De subsidieregeling is
zodanig opgezet dat personen die tot de
doelgroep behoren in principe
automatisch een aanvraagformulier voor deze
compensatie ontvangen. Daartoe zijn bij
de gemeenten inmiddels naam-,
adres- en woonplaatsbestanden
opgevraagd van personen die tot de Wiw-doelgroep behoren. Ook is daarbij naar
het tabelloon 1997 gevraagd. De door de gemeente opgegeven doelgroep
ontvangt automatisch een aanvraagformulier voor de compensatie. Aan de betrokken personen wordt bij
dit aanvraagformulier naar een aantal aanvullende gegevens gevraagd (sofinummer, GBA-nummer
[GBA: Gemeentelijke Basisadministratie
persoonsgegevens, red.],
huursubsidiebeschikking en het bank- of gironummer). Ook wordt toestemming
gevraagd om bij andere
instanties, zoals de belastingdienst
gegevens op te vragen. Als het
aanvraagformulier is ingediend, kan het ministerie
van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met behulp
van de huursubsidiegegevens van de
aanvrager de compensatie berekenen en betalen.
Voor mensen die tot de
doelgroep behoren maar niet
automatisch een aanvraagformulier hebben
ontvangen, is een aparte
aanvraagprocedure opgenomen in artikel 3, tweede lid.
Hoogte van de compensatie
Voor personen binnen de
doelgroep zal eenmalig de
achteruitgang in huursubsidie
per 1 juli 1999 als gevolg
van het wegvallen van de Wet
bevordering arbeidsinpassing worden vastgesteld. Een achteruitgang in
huursubsidie die het gevolg is van het feit
dat men in 1998 meer verdiende dan in
1997 of vanwege andere oorzaken
wordt niet gecompenseerd.
De compensatieregeling duurt
drie jaar. In het eerste jaar
(juli 1999 tot en met juni 2000) wordt volledig
gecompenseerd, in het tweede en derde jaar
respectievelijk twee derde en een derde deel van het
berekende compensatiebedrag. In het
tweede en derde jaar wordt de
hoogte van de compensatie niet opnieuw
berekend. Wel zal worden getoetst of
betrokkene nog steeds een Wiw-dienstbetrekking heeft en of hij nog huurder
is. Is aan ้้n van deze vereisten niet voldaan, dan wordt de compensatie
niet (meer) verleend. Zie
hiervoor de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.
Door deze afbouwregeling
ontstaat per 1 juli 2002 een situatie
waarin deze personen hetzelfde worden
behandeld als andere personen met een
vergelijkbaar inkomen.
Uitbetaling
De hoogte van de compensatie
kan pas in de loop van het jaar 2000
exact worden berekend. Hiervoor is immers
de definitieve vaststelling van
de huursubsidie
per 1 juli 1999 per
huishouden nodig. Deze definitieve
vaststelling vindt eerst in de loop van
het jaar 2000 plaats. Om er toch voor te
zorgen dat betrokkenen eerder worden gecompenseerd, zal nog in 1999 een
voorschot worden verstrekt dat
gebaseerd is op voorlopige gegevens.
Bij de verstrekking van de compensatie voor het tweede jaar (v๓๓r 1
september 2000) wordt dan een eventuele
over- of ondercompensatie verrekend.
De compensatie zal eenmaal per jaar
worden toegekend. De betaling die
in de vorm van een voorschot nog in
1999 (of zo vroeg mogelijk in 2000)
wordt gedaan, zal dus betrekking hebben op
de periode juli 1999 tot en met
juni 2000.
De compensatie telt niet mee
bij het belastbaar inkomen van
betrokkenen, zodat er in volgende jaren
niet opnieuw een negatief effect
op de aanspraak op huursubsidie en andere inkomensafhankelijke
regelingen ontstaat.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1. Definities
In deze ministeri๋le
regeling van de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid wordt het
begrippenkader gebruikt uit de Huursubsidiewet.
Artikel
2. Doelgroep
In dit artikel wordt bepaald
op welke doelgroep de regeling van
toepassing is. Deze doelgroep is
omschreven in artikel 24, derde lid, van
de Wiw. Dit zijn personen die reeds
v๓๓r 1 januari 1996 in het kader van de
Rijksbijdrageregeling banenpools werkzaam waren en op wie tot 1 januari
1998, op grond van het overgangsrecht van artikel 35 van de Wet
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, de Wet bevordering
arbeidsinpassing van toepassing bleef.
Jaarlijks wordt vastgesteld
of personen nog tot de doelgroep van de Wiw behoren, dat wil zeggen of
zij nog steeds werkzaam zijn in een Wiw-dienstbetrekking en of zij nog steeds huurder zijn. Dit zullen de
desbetreffende personen op verzoek van de minister
moeten aantonen.
Hierbij wordt telkens de peildatum 1
januari gehanteerd. Personen moeten
om voor subsidie in aanmerking te
komen en blijven komen telkens op genoemde peildatum aan de genoemde
voorwaarden voldoen. Dit heeft tot
gevolg dat als iemand bijvoorbeeld
uit de Wiw stroomt en later gebruik
maakt van een terugkeerregeling,
hij alleen voor de subsidie in
aanmerking komt als hij op de peildatum (weer) op een Wiw-dienstbetrekking
werkzaam is. Hetzelfde geldt met
betrekking tot het vereiste van huurder zijn.
De persoon die op 1 januari 2000 niet
aan de voorwaarden voldoet, ontvangt geen
subsidie over het tweede jaar. Ook
voor de subsidie voor het derde jaar
komt hij dan niet meer in aanmerking
(ook al voldoet hij op dat moment
weer wel aan de genoemde
voorwaarden).
Artikel
3. Aanvraag
Aan alle
gemeenten is, als
werkgevers van de Wiw-werknemers,
inmiddels gevraagd om een opgave van
alle personen binnen die doelgroep. Op
basis van deze opgave wordt aan
alle door de gemeenten aangegeven
personen een aanvraagformulier
gestuurd. Personen die op 1 januari
2000 nog geen aanvraagformulier
hebben ontvangen, doch menen tot de doelgroep van de regeling te behoren,
kunnen tot 1 maart 2000 een aanvraagformulier aanvragen. Dit
aanvraagformulier kan worden verkregen bij het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Een model van het
aanvraagformulier is als bijlage bij deze
regeling opgenomen. Aanvraagformulieren die na 1 april 2000 zijn ingediend,
worden niet meer in behandeling genomen.
Voor alle duidelijkheid
wordt nog opgemerkt dat om voor de
subsidie ten behoeve van de drie
subsidieperioden in aanmerking te komen
slechts eenmaal een aanvraagformulier moet worden ingediend.
Artikel
4. Toekenning,
betaalbaarstelling en verrekening subsidie
Het
ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer beschikt in het jaar 1999
nog niet over de benodigde gegevens om
exact de hoogte van de compensatie te
kunnen berekenen. Daarom is in de
regeling opgenomen dat in 1999 een voorschot betaald wordt dat gebaseerd
is op zo realistisch mogelijke
fictieve gegevens. Dit voorschot wordt op basis
van het ontvangen aanvraagformulier
berekend en in principe uitbetaald in
1999. Daarbij is het van belang
dat een volledig ingevuld aanvraagformulier
is ontvangen v๓๓r 15 november 1999.
Aanvraagformulieren die na
die datum zijn ontvangen, worden
eerst v๓๓r 1 september 2000
betaalbaar gesteld en wel gelijktijdig
met de betaling over de tweede periode.
In de loop van het jaar 2000
beschikt het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer wel over de juiste gegevens,
zodat de exacte hoogte van de compensatie kan worden berekend. Een
eventueel te veel of te weinig betaald
voorschot zal worden verrekend met de
subsidie over de tweede periode.
In artikel 4 is verder
geregeld dat de subsidie over de tweede
periode wordt betaald v๓๓r 1 september
2000 en de subsidie over de derde
periode wordt betaald v๓๓r 1 september
2001.
Artikel
5. Hoogte subsidie
In dit artikel zijn de
rekenregels opgenomen voor de bepaling van de
hoogte van het voorschot en de
hoogte van de definitieve subsidie.
Uitgangspunt bij de rekenregels is dat
het effect van het wegvallen van de Wet
bevordering arbeidsinpassing op de
hoogte van de huursubsidie moet worden
berekend. Dit effect wordt met de
subsidie gecompenseerd. Om die reden
wordt de huursubsidie berekend met
en zonder toepassing van genoemde wet.
Complicerende factor is dat
nog niet alle gegevens over 1999
bekend zijn. Om die reden wordt gewerkt
met een aantal fictieve gegevens. Zo
is het rekeninkomen over het jaar 1998 in 1999 nog niet in alle
gevallen definitief bekend. Daarom wordt op
basis van het rekeninkomen 1997 een
fictief rekeninkomen 1998
vastgesteld (eerste lid, onderdeel a).
Omdat ook de hoogte van de
huur in het jaar 1998 nog niet in
alle gevallen bekend is, wordt ook dit
gegeven fictief vastgesteld door een
huurverhoging te veronderstellen van 2,9%
ten opzichte van de huur van
1997 (eerste lid, onderdeel b).
Met de fictieve huur en het
fictieve rekeninkomen wordt de hoogte
van de huursubsidie vanaf 1 juli
1999 bepaald (eerste lid, onderdeel c).
Dit is een voorlopige berekening van de
huursubsidie die zou zijn ontvangen als
de Wet bevordering
arbeidsinpassing nog van toepassing zou zijn
(huursubsidie A). De berekening van de
huursubsidie geschiedt op de in de Huursubsidiewet
aangegeven wijze.
Met behulp van de formule in
het eerste lid, onderdeel d, kan
het effect van de Wet bevordering
arbeidsinpassing op het rekeninkomen worden bepaald. Door dit effect
(het vrijlatingsbedrag) op te tellen bij het
fictieve inkomen 1998 ontstaat een
nieuw fictief inkomen 1998 (eerste
lid, onderdeel e).
Met de fictieve huur en het
nieuwe fictieve rekeninkomen wordt
opnieuw de hoogte van de
huursubsidie vanaf 1 juli 1999 bepaald (eerste
lid, onderdeel f). Dit is een voorlopige berekening van de daadwerkelijk
ontvangen huursubsidie, waarbij geen
rekening is gehouden met bovengemiddelde
brutoloonsverhogingen (huursubsidie B). De berekening van de
huursubsidie geschiedt weer op de in de Huursubsidiewet aangegeven
wijze. Het verschil tussen
huursubsidie A en B bepaalt de hoogte van de voorlopige (maandelijkse) compensatie
(eerste lid, onderdeel g).
Bij de vaststelling van de
definitieve compensatie zijn de
daadwerkelijke inkomensgegevens over 1998
en de huurgegevens over 1999 wel
bekend. Hierdoor kan voor de
berekening van de definitieve compensatie
worden volstaan met de vaststelling van het rekeninkomen dat zou zijn
ontvangen als de Wet bevordering
arbeidsinpassing nog zou bestaan. De wijze
van berekening van de
definitieve subsidie is aangegeven in het tweede
lid.
Het inkomen kan worden
berekend door van het definitieve
rekeninkomen het vrijlatingsbedrag (van
het eerste lid, onderdeel d) af te
trekken. Op twee manieren wordt de
hoogte van de huursubsidie berekend:
met het daadwerkelijke inkomen 1998 (huursubsidie C) en met een gecorrigeerd
rekeninkomen (huursubsidie
D). Het verschil tussen
huursubsidie C en D bepaalt de hoogte van de
definitieve (maandelijkse) compensatie.
Voor het tweede en het derde
subsidiejaar wordt de hoogte van de
compensatie niet opnieuw berekend. In het tweede en derde jaar
wordt respectievelijk twee derde en een derde van de definitieve subsidie uitbetaald (als
wordt voldaan aan artikel 2, tweede lid).
Indien het tabelloon bij de
berekening van de voorlopige
compensatie nog niet bekend mocht zijn,
wordt gehandeld overeenkomstig het
derde en vierde lid.
Voorbeeld
Een voorbeeld kan
้้n en
ander wellicht nog verduidelijken.
Uitgegaan wordt van een
alleenstaande ex-banenpooler met een
rekenhuur van 600,- per maand in
1998 en een rekeninkomen over 1997 van 25 360,-. Het tabelloon bedraagt
27 961,-. Allereerst wordt, conform
artikel 5, eerste lid, de voorlopige
subsidie berekend. De stappen onder a tot en
met g worden achtereenvolgens
doorlopen.
- Onder a: het fictief
rekeninkomen 1998 wordt berekend: 25 360,- x 0.95 = 24 092,-.
- Onder b: de fictieve
rekenhuur 1999 wordt berekend: 600,- x
1,029 = 617,40.
- Onder c: met a en b wordt de
huursubsidie berekend die zou gelden als
de Wet bevordering
arbeidsinpassing nog zou gelden: de
huursubsidie A zou dan volgens de regels
van de Huursubsidiewet
220,40 per
maand bedragen.
- Onder d: er wordt een
vrijlatingsbedrag berekend. In het voorbeeld bedraagt dit: (0,223 x 27
961,-) - 1947,86 = 4287,-.
- Onder e: het
vrijlatingsbedrag wordt opgeteld bij het fictieve
rekeninkomen 1998: 24 092,- + 4287,-
= 28 379,-.
- Onder f: met b en e wordt de
huursubsidie berekend die geldt na het
wegvallen van de Wet bevordering
arbeidsinpassing: de huursubsidie B zou dan volgens de regels van de Huursubsidiewet
25,40 per
maand bedragen.
- Onder g: het verschil tussen
huursubsidie A en huursubsidie B,
vermenigvuldigd met 12, is de voorlopige
compensatie voor het eerste jaar: 12 x (220,40 - 25,40) = 2340,-.
Dit bedrag wordt zo mogelijk v๓๓r 1 januari 2000 uitgekeerd.
Conform het tweede lid wordt
de definitieve subsidie
berekend.
Bij de vaststelling van de
definitieve subsidie zijn het
rekeninkomen 1998 en de rekenhuur in het jaar
1999 bekend. In het voorbeeld
wordt uitgegaan van een daadwerkelijk
rekeninkomen van 30 310,-, bijvoorbeeld
veroorzaakt door een bovengemiddelde loonstijging, en een
rekenhuur van 630,-, een stijging van 5%
ten opzichte van 1997.
Onder a: met het
rekeninkomen 1998 en de rekenhuur 1999 wordt
de huursubsidie berekend: de huursubsidie C zou volgens de regels van de
Huursubsidiewet 0,- per maand bedragen. Er is dus geen
aanspraak op huursubsidie.
Onder b: het
vrijlatingsbedrag uit het eerste lid, onderdeel d,
wordt afgetrokken van het rekeninkomen 1998: 30 310,- - 4287,- = 26
023,-.
Onder c: met de rekenhuur
1999 en b wordt de huursubsidie berekend die zou gelden als de Wet
bevordering arbeidsinpassing nog zou
bestaan: de huursubsidie D zou volgens
de regels van de Huursubsidiewet 151,- bedragen.
Onder d: het verschil tussen
huursubsidie C en huursubsidie D,
vermenigvuldigd met 12, is de definitieve
subsidie: 12 x (151,- - 0,-) = 1812,-.
In het tweede jaar bedraagt
de subsidie 2/3 x 1812,- = 1208,-.
Het te veel betaalde voorschot (2340,- - 1812,- = 528,-) wordt verrekend
met de subsidie van het tweede jaar, waardoor
er uiterlijk in augustus 2000
een bedrag van 1208,- - 528,- = 680,- wordt uitgekeerd.
In het derde jaar bedraagt
de subsidie 1/3 x 1812, = 604,-. Dit bedrag wordt uiterlijk in augustus
2001 uitgekeerd.
Artikel
6. Belasting;
inkomensafhankelijke uitkeringen
In artikel 6 is bepaald dat
de over de subsidie verschuldigde loon-
en inkomstenbelasting en de premie
volksverzekeringen voor rekening van het Rijk komen. Tevens is bepaald dat
de subsidie buiten beschouwing wordt
gelaten bij de bepaling van de
hoogte van inkomensafhankelijke
publiekrechtelijke uitkeringen als de huursubsidie. Ter uitvoering hiervan zal de
subsidie door de Staatssecretaris van
Financi๋n worden aangewezen als uitkering in
de zin van artikel 31, tweede lid,
onderdeel c, van de Wet
op de loonbelasting 1964. Hierdoor wordt de over de
subsidie verschuldigde belasting en premie bij wijze van eindheffing
geheven van de inhoudingsplichtige
overheidsinstantie. Als inhoudingsplichtige zal
ter bevordering van een goede uitvoering van de eindheffing niet de
gemeente fungeren, maar zal het ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer worden
aangewezen. E้n en ander heeft tot
gevolg dat de ontvanger van de subsidie
geen belasting en premie volksverzekeringen
verschuldigd is over de ontvangen
subsidie en dat de subsidie geen deel uitmaakt van het belastbaar inkomen.
In verband met de
eindheffing over de subsidie hoeven de
ontvangers de ontvangen subsidie niet aan te geven
bij hun aangifte
inkomstenbelasting. Het ontvangen van de subsidie
heeft op de voorgestelde wijze ook geen
gevolgen voor de bepaling van de
hoogte van de huursubsidie en de hoogte
van andere inkomensafhankelijke uitkeringen die zijn gebaseerd op het
belastbaar inkomen.
Artikel
7. Geringe bedragen
Net als in de
Huursubsidiewet worden bedragen van minder dan 10,- per maand (120,- per jaar)
niet uitbetaald. Dit geldt alleen als zowel
bij de voorlopige als bij de
definitieve berekening het bedrag beneden de 120,- blijft.
Artikel
8. Terugvordering
In artikel 8 is de
mogelijkheid van terugvordering geregeld. De minister
kan de subsidie geheel of
gedeeltelijk terugvorderen als de
subsidie aan een persoon is verstrekt die
niet tot de doelgroep behoort, als door
een persoon van de doelgroep onjuiste
gegevens zijn verstrekt, waardoor ten onrechte subsidie is betaald
en als de subsidie anderszins in strijd met de regeling is verstrekt.
In het tweede lid is de
bepaling opgenomen dat indien de
voorlopige subsidie meer dan 120,-
bedraagt en derhalve betaalbaar is
gesteld, doch de definitieve subsidie beneden de 120,- blijft, de subsidie niet
wordt teruggevorderd. De subsidie kan echter wel worden teruggevorderd als
sprake is van omstandigheden als
bedoeld in het eerste lid.
Artikel
9. Algemene Regeling
SZW-subsidies
Naast de Regeling
compensatie inkomensachteruitgang ex-banenpoolers zijn geen nadere
subsidievoorschriften nodig als aangegeven in de Algemene
Regeling SZW-subsidies. Om
die reden is laatstgenoemde regeling
dan ook niet van toepassing verklaard.
Artikel
10. Uitvoering
Zoals in het algemeen deel
van deze toelichting al is aangegeven,
is de uitvoering van deze regeling
gemandateerd aan de Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Door het ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
zullen ook bezwaar- en
beroepsprocedures worden afgehandeld. Aangezien op
grond van artikel 10:3, derde lid,
van de Algemene wet bestuursrecht mandaat tot het beslissen op een
bezwaarschrift niet wordt verleend aan
degene die het besluit waartegen het
bezwaar zich richt, krachtens
mandaat heeft genomen, is in artikel 10
een onderscheid gemaakt tussen de
onderafdeling Overige Regelingen i.o. die
de primaire subsidiebeschikking neemt en
de onderafdeling
Specialistische Juridische Behandeling i.o. die de
bezwaar- en beroepsprocedures afhandelt.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.
BIJLAGE
behorende bij
artikel 3, vierde lid, van de Regeling compensatie inkomensachteruitgang
ex-banenpoolers
Aanvraag compensatie huursubsidie ex-banenpooler
Huidige gegevens
Hieronder vindt u de
gegevens die bij het ministerie van VROM
bekend zijn. Controleer deze
gegevens.
Naam:
..............................
Adres: ..............................
Postcode: ..............................
Woonplaats: ..............................
Geboortedatum: ..............................
Correspondentienr.: ..............................
Huursubsidie:
..............................
Wijzigingen
Zijn de gegevens onjuist? Hieronder kunt u de wijzigingen aangeven.
Naam:
..............................
Adres: ..............................
Postcode: ..............................
Woonplaats: ..............................
Geboortedatum: ..............................
Correspondentienr.: ..............................
Huursubsidie:
..............................
Voor het beoordelen van uw
aanvraag en het uitbetalen van de compensatie zijn ook de onderstaande
gegevens nodig. Vult u deze gegevens in.
Sofinummer:
..............................
Bank-/gironummer: ..............................
Ten name van: ..............................
Alleen invullen als deze
naam anders is dan bovenaan vermeld.
Ik verklaar dit formulier
naar waarheid te hebben ingevuld en ga akkoord met controle van de gegevens. Ik
verklaar v๓๓r 1 januari 1996 een dienstbetrekking via de banenpoolregeling en
op 1 januari 1999 een Wiw-dienstbetrekking te hebben gehad en op 1 januari
1999 een huurhuis te bewonen.
Plaats:
..............................
Datum:
..............................
Handtekening:
..............................
|
|