|
REGELING houdende regels
inzake de informatievoorziening van gemeenten aan het Rijk in verband
met de uitvoering van de Wet inschakeling werkzoekenden (Regeling
informatie Wet inschakeling werkzoekenden)
10 maart 1998/nr.
A&O/98/466
Directie Analyse & Onderzoek
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 21, tweede lid, van de Wet
inschakeling werkzoekenden;
Besluit:
Art. 1.
Definities
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. de wet: de Wet
inschakeling werkzoekenden;
b. de minister: de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
c. werkervaringsplaats: een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de
wet;
d. scholings- en
activeringsbudget: het bedrag, bedoeld in artikel
14, tweede lid,
onderdeel c, van de wet.
Art. 2.
Structurele
verstrekking persoonsgegevens
-1. Het gemeentebestuur registreert over elk halfjaar ten behoeve van de
uitvoering van artikel 21 van de wet de in bijlage 1 bij deze regeling
opgenomen gegevens ten aanzien van personen met een dienstbetrekking of
werkervaringsplaats die op enig moment in het betreffende halfjaar zijn
vervuld.
-2. Het gemeentebestuur registreert over elk halfjaar ten behoeve van de
uitvoering van artikel 21 van de wet de in bijlage 2 bij deze regeling
opgenomen gegevens ten aanzien van personen:
a. waarvoor het scholings- en activeringsbudget in het betreffende
halfjaar is ingezet;
b. waarvoor het scholings- en activeringsbudget in het betreffende
halfjaar niet is ingezet, doch die personen jongeren zijn;
c. waarvoor het scholings- en activeringsbudget in het betreffende
halfjaar niet is ingezet, doch die personen uitkeringsgerechtigde van 23
jaar of ouder zijn voor zover zij geen andere uitkering ontvangen dan op
grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen of de Algemene nabestaandenwet, beschikbaar zijn voor
arbeid voor ten minste 12 uur per week; en
1º. voor de gemeenten, genoemd in
bijlage 3, onderdeel A, op of na 1
juli 2001, voor de gemeenten, genoemd in bijlage 3, onderdeel
B, op of na
1 januari 2002 en voor de gemeenten die niet zijn genoemd in bijlage 3
op of na 1 januari 2004, zich als werkloos werkzoekende hebben
ingeschreven bij de Centrale organisatie werk en
inkomen; en
2º. op dat tijdstip nog geen langdurig werkloze als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van
de
wet zijn;
d. waarvoor het scholings- en activeringsbudget in het betreffende
halfjaar niet is ingezet, doch die personen:
1º. zich als werkloos werkzoekende hebben ingeschreven bij de Centrale
organisatie werk en inkomen en nadien, voor de gemeenten, genoemd in
bijlage 3, onderdeel A, op of na 1 juli 2001, voor de gemeenten, genoemd
in bijlage 3, onderdeel B, op of na 1 januari 2002 en voor de gemeenten
die niet zijn genoemd in bijlage 3 op of na 1 januari 2004,
uitkeringsgerechtigde van 23 jaar of ouder zijn geworden voor zover zij
geen andere uitkering ontvangen dan op grond van de Algemene
bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, beschikbaar zijn voor arbeid voor ten
minste 12 uur per week; en
2º. op het tijdstip waarop zij uitkeringsgerechtigde zijn geworden nog
geen langdurig werkloze als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van
de wet
zijn;
e. waarvoor het scholings- en activeringsbudget in het betreffende
halfjaar niet is ingezet, doch die personen als werkzoekende zijn
geregistreerd bij de Centrale organisatie werk en inkomen in de fase 2,
3 of 4, bedoeld in artikel 2.1 van de Regeling
SUWI, en die geen
uitkeringsgerechtigde of langdurig werkloze zijn en ten minste voor 12
uur per week beschikbaar zijn voor arbeid, en voor de gemeenten, genoemd
in bijlage 3, onderdeel A en B, op of na 1 januari 2002 en voor de
gemeenten die niet zijn genoemd in bijlage 3 op of na 1 januari 2004,
zich als werkloos werkzoekende hebben ingeschreven bij de Centrale
organisatie werk en inkomen.
-3. De in het eerste en tweede lid
bedoelde persoonsgegevens worden telkenmale binnen zes weken na afloop van
elk halfjaar door het gemeentebestuur rechtstreeks verstrekt aan een
door de minister aangewezen bewerker. Als bewerker van de in bijlage 1
opgenomen gegevens is aangewezen EIM ¹ te Zoetermeer. Als bewerker van de
in bijlage 2 opgenomen gegevens is aangewezen Research voor Beleid BV te Leiden.
-4. Het gemeentebestuur verstrekt de in het eerste en tweede lid bedoelde
persoonsgegevens op een door de onderscheiden bewerkers, bedoeld in het
derde lid, te bepalen wijze.
1. Economisch Instituut voor
het Midden- en Kleinbedrijf, red.
Art. 3.
Bewerker
-1. De bewerkers verstrekken de persoonsgegevens op een door de
minister te bepalen wijze.
-2. Door de bewerkers worden
geen persoonsgegevens of verwerkte
persoonsgegevens aan derden verstrekt,
behoudens in opdracht van de minister.
Art. 3a.
Overgangsbepaling
verstrekking gegevens bijlage 2
De in bijlage 2 opgenomen gegevens, bedoeld in artikel 2, tweede lid,
worden door de gemeenten:
a. die zijn genoemd in onderdeel A van bijlage 3 bij deze regeling voor
het eerst ingediend uiterlijk binnen zes weken na afloop van het tweede
halfjaar van 2001;
b. die zijn genoemd in onderdeel B van bijlage 3 bij deze regeling voor
het eerst ingediend uiterlijk binnen zes weken na afloop van het eerste
halfjaar van 2002; en
c. die niet zijn genoemd in onderdeel A of
B van bijlage 3 bij deze
regeling voor het eerst ingediend uiterlijk binnen zes weken na afloop van
het eerste halfjaar van 2004.
Art. 4.
Inwerkingtreding
-1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 1998.
-2. De bij deze regeling behorende bijlage ligt ter inzage bij het
ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Art. 5.
Citeertitel
Deze
regeling wordt aangehaald als: Regeling informatie Wet inschakeling
werkzoekenden.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.¹
1. Bijlagen 1 en 2 liggen
met ingang van 1 januari 2002 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie
van SZW (Stcrt. 2001, 246). Bijlage 3 is onderaan deze pagina
geplaatst, red.
’s-Gravenhage, 10 maart
1998.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
TOELICHTING
[10 maart 1998]
Algemeen
Met de
Wet inschakeling
werkzoekenden (Wiw) krijgen de gemeenten een grotere verantwoordelijkheid
voor de inzet van instrumenten om - naargelang de plaatselijke omstandigheden en lokale beleidskeuzen
- de arbeidsmogelijkheden van werkzoekenden te vergroten. De gemeenten
wordt daartoe niet alleen een grotere
beleidsvrijheid geboden, maar ook een
aanzienlijk budget ter beschikking
gesteld.
Beide partijen - de
gemeenten bij wie de nadere invulling en
uitvoering van de wetgeving berust en
de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid die aanspreekbaar is voor het landelijke beleidskader
- dienen inzicht te kunnen geven in
en verantwoording te kunnen afleggen over de wijze waarop de Wiw wordt
toegepast en wat de effecten daarvan
zijn, met name of de beoogde
resultaten daadwerkelijk worden gerealiseerd.
De statistische
informatievoorziening speelt hierbij een
belangrijke rol. Gebaseerd op de gegevens die
de gemeenten bij de uitvoering
van de wet
verkrijgen en in de administraties vastleggen, is dit het
primair aangewezen kanaal waarlangs informatie
ter beschikking kan komen over
de groepen die met de Wiw worden
bereikt, over de instrumenten die
daadwerkelijk zijn toegepast en - door
een verbinding te leggen met andere
relevante statistische gegevensbronnen - over de resultaten daarvan.
In artikel 21 van de Wiw
wordt aan gemeentebesturen de
verplichting opgelegd om de minister deze
statistische gegevens te verstrekken.
Deze regeling is daarvan een uitwerking.
Reikwijdte
Deze regeling bestrijkt
slechts een deel van de beleidsinformatie die
door de gemeenten aan de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
wordt verstrekt ten aanzien van de toepassing
van de Wiw.
De met deze regeling
vastgestelde statistiek beperkt zich tot
de toepassing van de Wiw bij degenen met
een dienstbetrekking of
werkervaringsplaats. Als de Eerste Kamer instemt met de voorgenomen Wet op de
(re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea), zullen, bij
inwerkingtreding van die wet, tevens degenen
met een plaatsingsbudget ¹ via deze
statistiek worden waargenomen. Voor de gemeenten brengt dat
overigens slechts zeer beperkte
aanpassingen met zich mee. In de
toelichting op de bijlage wordt hierop, onder
het voorbehoud van die instemming door de Eerste Kamer, nader
ingegaan.
Ten aanzien van degenen die
uitsluitend gebruik maken van de scholings- en activeringsinstrumenten zal
een vergelijkbaar structureel inzicht tot
stand dienen te worden gebracht.
De feitelijke vormgeving
daarvan is mede afhankelijk van de
wijze waarop ten behoeve van de
beleidsinformatie gebruik kan worden gemaakt
van de administratieve voorzieningen die de gemeenten hebben getroffen
ten behoeve van de financiële verantwoording van dit onderdeel van de Wiw. In dit verband zijn ook
de ontwikkelingen in het kader
van het zogeheten SWI-traject van belang [zie onder meer Samenwerkingsbesluit
SWI, red.].
In beperkte mate wordt met
deze statistiek informatie
gevraagd over de voorzieningen die in het
kader van de Wiw worden verstrekt aan
degenen met een dienstbetrekking, werkervaringsplaats of - bij inwerkingtreding
van de Wet Rea - plaatsingsbudget. Het gaat hierbij om de
voorzieningen die ten laste komen van het Wiw-budget.
Ten slotte is van belang erop
te wijzen dat met deze regeling alleen
de periodiek te verstrekken
beleidsinformatie wordt geregeld voor de
verstrekking waarvan de gemeenten voorzieningen dienen te
treffen in hun administratie. De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan
zo nodig ook andere
beleidsinformatie van gemeenten verlangen.
1. Ingevolge artikel II, onderdeel F,
van het
Belastingplan 2002 V - Socialezekerheidswetgeving zijn het (her)plaatsingsbudget en het pakket op maat met ingang van
1 januari 2002 komen te vervallen. Zie verder de artikelen 15 en
16 Wet
Rea en het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea, red.
Aard van de
gegevensverstrekking
De regeling houdt in dat de
gemeenten - of de organisaties die
namens de gemeente de Wiw uitvoeren - periodiek basisgegevens verstrekken
die zij aan hun reguliere administratie ontlenen. Deze wijze van
gegevensverstrekking is de gemeenten bekend van bijvoorbeeld de statistiek
Algemene bijstandswet [zie Regeling
statistische gegevens Abw, red.], maar ook van
de zogeheten JWG- en Banenpoolmonitors
waarbij een groot aantal JWG- en
Banenpoolorganisaties was betrokken.
Voor de gemeenten heeft een
dergelijk systeem voordelen, omdat zij
worden ontlast van uitvoering van
nadere bewerkingen op deze
gegevens. Voor de gemeenten blijven de
lasten goeddeels beperkt tot het
eventueel aanbrengen van aanpassingen
in de administratie naar de bij
deze regeling vastgelegde uniformering van
begrippen. In sommige gevallen zullen
de gemeenten in de
administratie enkele extra gegevens moeten
opnemen. Over de inhoud van de statistiek
heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden met de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten, uitvoeringsorganisaties en automatiseringsbureaus, opdat
een optimale afstemming wordt
bereikt met de bestaande of opnieuw
in te richten administraties.
Deze wijze van
gegevensverstrekking maakt bovendien een
flexibele informatievoorziening mogelijk. De bewerking van de gegevens tot de
benodigde informatie vindt op een
centraal punt plaats. Hiermee kan
aanzienlijk sneller worden ingespeeld op
wisselende beleidsvragen dan wanneer
van elk van de betrokken gemeenten zou
worden gevraagd de gegevens op een
bepaalde wijze te presenteren met
alle daaraan verbonden wijzigingen in
programmatuur en dergelijke.
Bewerker
De gegevens worden in
formele zin ter beschikking gesteld aan de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. De
feitelijke verzameling en bewerking van deze
gegevens wordt echter in handen
gelegd van een extern bureau dat
deze werkzaamheden in opdracht van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid verricht. Op dit moment is
nog niet bekend welke instantie de
bewerker wordt. Hieraan ligt een openbare aanbesteding ten grondslag. In de
Staatscourant zal worden bekendgemaakt wie als bewerker
wordt aangewezen.
De relatie tussen de
minister en de bewerker zal nader vorm
worden gegeven in een schriftelijke
overeenkomst. In die overeenkomst zullen
voldoende waarborgen worden opgenomen
ten aanzien van de technische en
organisatorische beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de te
verrichten verwerkingen door de bewerker.
Deze uitbesteding doet er
niet aan af dat de verzameling, bewaring
en bewerking van de gegevens
plaatsvindt onder de
verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het
betrokken externe bureau is echter
zelf ook onderworpen aan algemene
wettelijke bepalingen voor een
zorgvuldige behandeling van de verkregen gegevens. Voorts gelden voor de
bewerker de specifieke bepalingen die
in deze regeling zijn opgenomen.
Deze zijn zodanig geformuleerd dat er,
ongeacht de partij die de gegevensbewerking zal uitvoeren, toereikende
waarborgen zijn voor een verantwoorde behandeling van de door de gemeenten
verstrekte gegevens.
In het contract dat met de
externe bewerker wordt gesloten,
zullen daarnaast de nodige waarborgen worden opgenomen voor een
zorgvuldige omgang tussen de bewerker en de betrokken gemeenten. Deze
zal er onder andere voor dienen
zorg te dragen dat er voldoende en tijdig
overleg met de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten en uitvoeringsorganen plaatsvindt over de
praktische aspecten van de gegevensverstrekking.
In overleg met hen zal bovendien worden vastgesteld over welke aspecten van de
Wiw een rapportage
plaatsvindt aan de gemeenten, waarin niet
alleen de "eigen" gegevens van de
betreffende gemeente zijn opgenomen,
maar ook landelijke gegevens en die
van vergelijkbare groepen gemeenten.
De bewerker zal regelmatig
aan de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid dienen te
rapporteren over de voortgang van de
gegevensverzameling, zodat deze zich, als daartoe aanleiding is, met
de gemeenten kan verstaan over de
kennelijke knelpunten.
Privacybescherming
De gemeenten
en de burgers
over wie gegevens worden verstrekt,
dienen er volledig op te kunnen
vertrouwen dat de gegevens op een
zorgvuldige wijze worden behandeld. Dit is in
het bijzonder van belang omdat bij de
informatievoorziening gebruik wordt gemaakt van het sociaal-fiscaal
nummer. Opname van het
sociaal-fiscaal nummer in de te verstrekken
statistische gegevens is nodig om een
relatie te kunnen leggen tussen de gegevens die door de gemeenten over de
verschillende tijdvakken worden verstrekt. Alleen op deze wijze is het
mogelijk een inzicht te krijgen in de
opeenvolgende toepassingen van de
verschillende instrumenten voor bepaalde doelgroepen en om gegevens over de
Wiw te kunnen verbinden met gegevens over dezelfde personenkring waarover met
name het Centraal Bureau
voor de Statistiek reeds beschikt.
De gemeente is op grond van artikel 22,
vijfde lid, van de Wiw bevoegd het
sociaal-fiscaal nummer in haar administratie
op te nemen, omdat dit voor de
uitvoering van de Wiw is vereist.
De gemeenten dienen die
gegevens te registreren die
noodzakelijk zijn om te voldoen aan de
verplichting van artikel 21 van de wet de
minister de
gegevens te verstrekken ten behoeve
van de beleidsvorming. Hiervoor is
aangegeven dat het sofinummer voor de beleidsvorming noodzakelijk is. Dat bij de
gegevensverstrekking op
grond van deze regeling gebruik wordt
gemaakt van het sofinummer is
daarom vereist voor de uitvoering van de wet.
De partijen die betrokken
zijn bij de gegevensbewerking zijn alle
onderworpen aan het algemene wettelijke regime voor de behandeling van
persoonsgegevens. De bescherming van
persoonsgegevens is momenteel in de Wet persoonsregistraties geregeld. Deze
wet zal op termijn worden
vervangen door de Wet
bescherming persoonsgegevens. Deze algemene bepalingen
bieden reeds de zekerheid
van een zorgvuldige behandeling.
Daarnaast verschaffen, zoals hierboven
reeds vermeld, de specifieke bepalingen van deze regeling én de
aanvullende voorwaarden die in het contract met de bewerker worden opgenomen,
de nodige aanvullende
zekerheid.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid zal in
beginsel niet zelf over de van de
gemeenten ontvangen gegevens beschikken, maar
deze laten berusten bij de
externe bewerker. Het ministerie zal slechts
de beschikking krijgen over een afgeleid en bewerkt gegevensbestand ten
behoeve van nadere analyses die door
het ministerie zelf worden verricht.
De gegevens worden slechts
aan derden verstrekt ten behoeve van
nader statistisch of wetenschappelijk onderzoek. Zo nodig zullen in
aanvulling op de algemene privacywetgeving nadere voorwaarden worden gesteld.
Een verzoek om over de gegevens te
beschikken zal worden beoordeeld naar
het doel en mogelijke gebruik
van zo’n onderzoek. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten zal
van een dergelijke overdracht op de
hoogte worden gesteld.
Voor de beleidsvorming is
het van groot belang inzicht te
hebben in de gemeentelijke kenmerken die
kunnen samenhangen met de
uitvoering van de Wiw. Onderdeel van de gegevensverwerking is
derhalve een overzicht van de gemeenten
naar een aantal aspecten van de
uitvoering van de Wiw. Ook deze gegevens
dient de gegevensbewerker
vertrouwelijk te behandelen, dat wil zeggen
slechts aan derden te verstrekken na
uitdrukkelijke opdracht van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Dergelijke, door hun
bewerking niet meer naar personen te
herleiden, gegevens vallen onder de
werkingssfeer van de Wet
openbaarheid van bestuur. De Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid verkeert
hierin niet in een andere positie dan de
individuele gemeenten op wie deze
gegevens betrekking hebben en van wie
de verstrekking van deze gegevens eveneens worden verlangd met beroep
op de Wet openbaarheid van bestuur.
In dit verband is het van
belang erop te wijzen dat de op deze
wijze verkregen informatie over de
uitvoering van de Wiw door de gemeenten ook
voor algemene toezichtsdoeleinden
kan worden gebruikt. Dit
betekent geen uitbreiding van de aspecten waarop de gemeenten worden getoetst.
Het uiteindelijke oordeel van het toezicht blijft gebaseerd op de
accountantsverklaring, de jaaropgave van de gemeenten en zo nodig aanvullende
eigen waarneming door de
rijksconsulent. In dit kader wordt tevens vastgelegd op welke situaties en op
welke gronden de rijkssubsidie
lager kan worden vastgesteld. De statistiek
brengt derhalve geen nieuwe
elementen in.
Op dezelfde wijze waarop de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid gegevens verkrijgt, kan ook de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten beschikken over de verzamelde gegevens. Deze heeft deze
gegevens nodig omdat zij bij
de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden optreedt als CAO-partij en
omdat zij betrokken is bij de kwaliteitsbevordering van de uitvoering.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 1
In artikel 1 van
de wet is het begrip "dienstbetrekking"
reeds gedefinieerd. Dat geldt niet voor het
begrip "werkervaringsplaats".
Om die reden wordt dit laatste begrip
hier omschreven voor de toepassing van deze
regeling.
Artikel 2
In het eerste lid
van dit artikel wordt de werkingssfeer van
deze regeling aangegeven: op grond van
deze regeling verstrekken de gemeenten gegevens over de personen die gedurende kortere of langere tijd in
het desbetreffende kwartaal een
dienstbetrekking bij de gemeente vervullen
dan wel op een werkervaringsplaats
zijn geplaatst waarvoor de gemeente subsidie verstrekt. Om daaraan te
kunnen voldoen, registreren de gemeenten deze gegevens (artikel
2,
eerste lid). In de toelichting op de bijlage
wordt dit nader gepreciseerd.
De regeling richt zich in
formele zin tot de gemeentebesturen, die
immers de verantwoordelijkheid
hebben voor de uitvoering van de Wiw.
Dit laat uiteraard onverlet dat de
feitelijke gegevensverstrekking kan
plaatsvinden door de rechtspersoon die
ten behoeve van de gemeente op het
onderdeel van de dienstbetrekkingen of werkervaringsplaatsen de Wiw uitvoert.
Uit het tweede lid blijkt
dat de gegevens feitelijk niet aan de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid worden verstrekt, maar aan
een extern bureau dat in opdracht van hem de gegevensverzameling en
-bewerking uitvoert.
Voor de feitelijke
gegevensverstrekking zullen nog nadere technische afspraken tussen de
gemeenten en de bewerker moeten worden
gemaakt. Het gaat hierbij om
praktische aspecten als het medium waarop de
gegevens worden verstrekt en de wijze
waarop de gegevens daarop worden
geplaatst.
Het begrip "bewerker" is
overgenomen uit de privacywetgeving.
Dat wil zeggen dat het gaat om
degene die ten behoeve van de
verantwoordelijke feitelijk de gegevens
verwerkt en daarbij geheel overeenkomstig de
instructies van die verantwoordelijke
handelt. De bewerker neemt zelf geen
enkele beslissing over het gebruik
van de gegevens, het verstrekken
van de gegevens aan derden, de duur van de
gegevensopslag, enzovoorts.
Artikel 3
In artikel 3 komt
tot uitdrukking dat de bewerker onder
volledige regie en verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid staat. Zijn positie is vergelijkbaar met die van
een administratiekantoor dat personeelsgegevens verwerkt ten behoeve van een
werkgever. De onbewerkte én bewerkte
gegevens kunnen slechts ter
beschikking worden gesteld aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, tenzij deze de bewerker
uitdrukkelijk de opdracht geeft deze aan derden te verstrekken. In het algemene
deel van de toelichting is hierop
reeds ingegaan.
Artikel 4
Het besluit treedt
op 1 juli 1998 in werking. Deze datum
is gekozen om de gemeenten een ruime
periode te geven om eventueel
benodigde aanpassingen in de
administraties aan te brengen.
Vanaf deze datum treedt
derhalve ook de verplichting van
artikel 2, eerste lid, in werking om de
administratieve gegevens volgens de
richtlijnen van deze regeling te registreren en op grond van het tweede lid van
dit artikel telkens binnen zes weken na
afloop van het kwartaal aan de
bewerker te verstrekken.
Dat brengt met zich dat een
eerste verstrekking van gegevens
(die uiterlijk medio november 1998 zal plaatsvinden) slechts betrekking zal
hebben op de personen die in het derde
kwartaal van 1998 op enig moment een
dienstbetrekking of werkervaringsplaats
hebben vervuld. Het gaat hierbij
derhalve om personen die op 1 juli 1998 reeds tot het personenbestand van
de Wiw behoorden of vanaf deze
datum daarin zijn ingestroomd. Er worden
derhalve geen gegevens verlangd over
personen die in de eerste periode van
de werking van de Wiw weliswaar een
dienstbetrekking of werkervaringsplaats
hadden, maar die vóór 1 juli 1998
zijn uitgestroomd.
De bij deze regeling
behorende bijlage wordt aan alle gemeenten
gezonden. Voor een ieder ligt deze
bijlage vanaf de datum van
publicatie van de regeling ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
BIJLAGE
3
bij de
Regeling informatie Wet inschakeling werkzoekenden, artikel 3a
[Stcrt.
2001, 71]
Onderdeel A
(G25-gemeenten):
Almelo
Amsterdam
Arnhem
Breda
Den Haag
Deventer
Dordrecht
Eindhoven
Enschede
Groningen
Haarlem
Heerlen
Helmond
Hengelo
’s-Hertogenbosch
Leeuwarden
Leiden
Maastricht
Nijmegen
Rotterdam
Schiedam
Tilburg
Utrecht
Venlo
Zwolle
Onderdeel B
(G61-gemeenten):
Alkmaar
Almere
Alphen aan den Rijn
Amersfoort
Amstelveen
Apeldoorn
Assen
Bergen op Zoom
Brunssum
Capelle aan den IJssel
Delft
Delfzijl
Den Helder
Doetinchem
Ede
Emmen
Geleen
Gorinchem
Gouda
Haarlemmermeer
Heemskerk
Heerenveen
Hellevoetsluis
Hilversum
Hoogeveen
Hoogezand-Sappemeer
HoornKerkrade
Landgraaf
Lelystad
Maassluis
Middelburg
Nieuwegein
Noordoostpolder
Oosterhout
Oss
Purmerend
Rheden
Ridderkerk
Rijswijk
Roermond
Roosendaal
Sittard
Smallingerland
Sneek
Spijkenisse
Stadskanaal
Terneuzen
Tiel
Veenendaal
Velsen
Vlaardingen
Vlissingen
Waalwijk
Wageningen
Weert
Zaanstad
Zeist
Zoetermeer
Zutphen
Zwijndrecht
|