|
REGELING houdende nadere
regels ter zake van de aanmerking als langdurig werkloze en de
inschrijving als werkloos werkzoekende in het kader van de Wet
inschakeling werkzoekenden (Regeling langdurig werkloze Wet inschakeling
werkzoekenden)
18 december 1997/nr.
AM/RAW/97/2742B
Directie Arbeidsmarkt
De
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 1, derde lid, van de Wet
inschakeling werkzoekenden en artikel
12, tweede lid, van het Besluit
uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden;
Besluit:
Art. 1.
Definities
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. de wet: de Wet
inschakeling werkzoekenden;
b. het besluit: het Besluit
uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden;
c. werkervaringsplaats: een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de
wet.
Art. 2.
Gelijkstelling
langdurig werkloze
-1. Met een langdurig
werkloze wordt gelijkgesteld de persoon
die bij de Centrale organisatie werk en
inkomen als werkloos werkzoekende is
ingeschreven voor een kortere periode dan twaalf maanden en:
a. die op grond van artikel
29, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet
2000 is toegelaten als verdragsvluchteling, tenzij hij sedert zijn
toelating in Nederland reeds eerder als
werknemer of als zelfstandige werkzaam
is geweest; of
b. vreemdeling is en voldoet
aan artikel 3, eerste lid, of artikel 4,
eerste lid, van de Wet
arbeid vreemdelingen; of
c. die arbeidsgehandicapte
is in de zin van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten;
d. die naar het oordeel van
de Centrale organisatie werk en
inkomen heeft kunnen aantonen dat hij
gedurende één jaar of langer zonder
onderbreking werkloos werkzoekende is geweest en in voldoende mate
heeft getracht arbeid te vinden;
e. voor wie in het belang
van de vermindering van de afstand tot de arbeidsmarkt en gelet op alle
omstandigheden naar het oordeel van de Centrale organisatie werk en
inkomen slechts een dienstbetrekking of werkervaringsplaats aangewezen
is.
-2. Met een langdurig
werkloze wordt tevens gelijkgesteld de
persoon:
a. die arbeid verricht op
een dienstbetrekking;
b. die arbeid heeft verricht
ingevolge een arbeidsovereenkomst op
grond van de Rijksbijdrageregeling
banenpools, zoals deze regeling luidde
tot inwerkingtreding van de wet,
en sindsdien geen arbeid heeft verricht
anders dan op grond van de wet,
waarbij artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van
overeenkomstige toepassing is;
c. die, nadat hij is
opgehouden loon uit tegenwoordige arbeid, resultaat uit overige
werkzaamheden of winst uit onderneming in de zin van de Wet
inkomstenbelasting 2001 te genieten, werkloos wordt en de leeftijd van
57,5 jaar of ouder heeft;
d. van wie de
dienstbetrekking op grond van de artikelen 11, onderdeel a,
13, eerste
lid, of 23, eerste lid, onderdeel a, van de
wet is beëindigd;
e. die in aansluiting op een
dienstbetrekking arbeid gaat verrichten
buiten het kader van de wet,
vervolgens binnen één jaar onvrijwillig
werkloos wordt en het gemeentebestuur binnen acht weken na die datum
verzoekt opnieuw in aanmerking te
komen voor een dienstbetrekking;
f. vervallen;
g. vervallen;
h. die een arbeidsovereenkomst had
als bedoeld in de Rijksbijdrageregeling banenpools, zoals deze regeling
luidde vóór 1 januari 1998, en die nadien onafgebroken een
dienstbetrekking heeft gehad en in de periode van 1 januari 2001 tot en
met 1 juli 2002 in aansluiting op een dienstbetrekking arbeid gaat
verrichten buiten het kader van de wet, vervolgens binnen twee jaar
onvrijwillig werkloos wordt en het gemeentebestuur binnen acht weken na die
datum verzoekt opnieuw in aanmerking te komen voor een dienstbetrekking.
-3. De persoon die arbeid
heeft verricht op een werkervaringsplaats
en uit die arbeidsovereenkomst
onvrijwillig werkloos is geworden en het
gemeentebestuur binnen acht weken na die datum verzoekt in aanmerking
te komen voor een
dienstbetrekking, wordt met een langdurig
werkloze gelijkgesteld indien voor
die persoon naar het oordeel van de
Centrale organisatie werk en inkomen in het belang van de vermindering van de
afstand tot de arbeidsmarkt van die persoon
slechts een dienstbetrekking aangewezen is.
Art. 2a.
Afwijking
minimumloonbepaling
-1. Indien een dienstbetrekking wordt aangegaan met een werknemer die
langdurig werkloze is op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e en
h, is artikel 15, tweede lid, van de wet
niet van toepassing voor zover
in de eerdere dienstbetrekking artikel 15, tweede lid, van de
wet reeds
is toegepast.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de langdurig
werkloze, bedoeld in artikel 2, derde lid, indien die langdurig werkloze
voorafgaand aan zijn arbeid op een werkervaringsplaats arbeid heeft
verricht in een dienstbetrekking.
Art. 3.
Onderbreking
periode van inschrijving als langdurig
werkloze
Als dagen van inschrijving
als werkloos werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en
inkomen worden mede beschouwd de dagen waarop de
langdurig werkloze niet werkzoekend
was door:
a. het na toestemming van de
Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of het gemeentebestuur verrichten van onbetaalde
arbeid als vrijwilliger, dan wel het volgen van een cursus, opleiding of
scholing;
b. het verrichten van arbeid
in een andere dan in artikel 4 van de wet bedoelde arbeidsverhouding
gedurende een periode van in totaal
per jaar niet meer dan 50 dagen of 400 uur;
c. het ondergaan van
hechtenis of gevangenisstraf;
d. de door burgemeester en
wethouders op grond van de Algemene
bijstandswet verleende tijdelijke
ontheffing van de verplichtingen, genoemd in artikel
113,
eerste lid, van die wet.
Art. 4.
Gelijkstelling
ten behoeve van werkervaringsplaats
De persoon die arbeid
verricht op een werkervaringsplaats en
binnen één jaar na aanvang van die
arbeid onvrijwillig werkloos wordt, wordt tot
één jaar na de aanvang van die
arbeid als langdurig werkloze aangemerkt.
Art. 5.
Categorieën van
jongeren en langdurig werklozen
-1. Bij de toekenning van de
normbedragen, bedoeld in artikel 12 van het
besluit, wordt bij de
categorie jongeren onderscheid gemaakt naar een arbeidsduur van 32 en
van 36 uur.
-2. Bij de toekenning van de
normbedragen wordt verder uitgegaan van
de volgende categorieën
werklozen, telkens onderscheiden naar een
arbeidsduur van 32 uur en van 36 uur:
a. van één tot twee jaar
werkloos;
b. van twee tot drie jaar
werkloos;
c. van meer dan drie jaar
werkloos.
Art. 6.
Indeling
langdurig werklozen in de in artikel 5 genoemde
categorieën
Bij de indeling van de in
artikel 5, tweede lid, genoemde
categorieën, onderscheiden naar een
arbeidsduur van 32 uur en van 36 uur,
wordt uitgegaan van de periode van inschrijving bij de Centrale organisatie werk en
inkomen, rekening houdend met artikel 3, direct voorafgaand aan het
tot stand komen van een dienstbetrekking of werkervaringsplaats als
bedoeld in de wet.
Art. 7.
Indeling
gelijkgestelde langdurig werklozen in de in artikel 5 genoemde
categorieën
-1. De personen, bedoeld in artikel
2, eerste lid, onderdeel
a, b en c, en
tweede lid, onderdeel b, worden ingedeeld in de categorie werkloze van meer
dan drie jaar.
-2. De persoon, bedoeld in artikel
2, eerste lid, onderdeel
d, wordt
ingedeeld in de categorie van twee tot drie jaar werkloos.
-3. De persoon, bedoeld in artikel
2, tweede lid, onderdeel
c, wordt
ingedeeld in de categorie van twee tot drie jaar werkloos, tenzij zijn
inschrijvingsduur bij de Centrale organisatie werk en
inkomen, rekening
houdend met artikel 3 meer dan drie jaar bedraagt.
-4. De personen, bedoeld in artikel
2, tweede lid, onderdeel
d, e en h,
worden ingedeeld in één van de categorieën, bedoeld in artikel
5,
tweede lid, overeenkomstig de indeling die op hen van toepassing was in
hun eerdere dienstbetrekking in het kader van de
wet.
-5. De persoon, bedoeld in artikel
2, tweede lid, onderdeel
a, wordt
ingedeeld in één van de categorieën, bedoeld in artikel
5, tweede lid,
waarbij de werkloosheidsduur voorafgaand aan en na afloop van zijn
arbeid wordt aangemerkt als een ononderbroken periode van werkloosheid.
-6. Voor een jongere uit de categorie jongeren tot 23 jaar die 23 jaar
wordt, geldt dat hij vanaf dat tijdstip tot twee jaar daarna wordt
ingedeeld in de categorie werkloze van twee tot drie jaar werkloos.
-7. In afwijking van het zesde lid wordt een jongere als bedoeld in dat
lid die geïndiceerd is voor de Wet sociale werkvoorziening op het
tijdstip waarop hij 23 wordt, ingedeeld in de categorie werkloze van
meer dan drie jaar.
Art. 8.
Indeling
gelijkgestelde uit werkervaringsplaats
langdurig werkloze
-1. Een persoon die een
werkervaringsplaats heeft beëindigd en na
afloop van die arbeid ten minste twaalf maanden als werkloos werkzoekende
staat ingeschreven bij de Centrale organisatie werk en
inkomen, rekening houdend met artikel 3 wordt ingedeeld in
één van
de categorieën,
bedoeld in artikel 5, tweede lid,
waarbij de werkloosheidsduur voorafgaand aan en na afloop van die arbeid wordt
aangemerkt als een ononderbroken periode van werkloosheid.
-2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op de persoon,
bedoeld in artikel 2, derde lid.
Art. 9.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de dag waarop de wet in werking treedt.
Art. 10.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling langdurig werkloze
Wet inschakeling werkzoekenden.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 18 december
1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.
TOELICHTING
[18 december 1997]
Als doelgroep van de
Wet
inschakeling werkzoekenden (Wiw) worden
aangemerkt uitkeringsgerechtigden,
langdurig werklozen en jongeren.
Op grond van de
wet wordt
als langdurig werkloze beschouwd de
persoon die langer dan twaalf maanden
zonder onderbreking als werkloos
werkzoekende staat ingeschreven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
[zie Centrale organisatie werk en
inkomen (CWI), red.].
In deze regeling worden
nadere regels gesteld voor de
gelijkstelling van personen met langdurig
werklozen, voor zover er geen dan wel
korter dan twaalf maanden sprake is van een inschrijving als werkloos
werkzoekende bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, alsmede voor zover de inschrijving als werkloos
werkzoekende gedurende bepaalde tijd is
onderbroken (artikel 1, derde lid, van de
wet).
In de tekst zal waar nodig
worden verwezen naar het
betreffende artikel van de regeling, zodat een
afzonderlijke artikelsgewijze toelichting
niet nodig is.
In deze regeling worden
tevens regels gesteld voor de
indeling van jongeren en langdurig
werklozen in de onderscheiden categorieën
voor de vaststelling van het normbedrag dat aan de gemeente wordt
verstrekt als aanvullende financiering bij
het in dienst nemen van een jongere
of een langdurig werkloze (artikel 12, tweede lid, van het
Besluit
uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden).
Voor de vaststelling van de
gelijkstelling van personen met langdurig
werklozen en voor de vaststelling van
de inschrijvingsduur is, waar
mogelijk, aansluiting gezocht bij
andere regelingen gericht op het in dienst nemen van langdurig werklozen.
De gelijkstelling van een
persoon aan een langdurig werkloze
betekent niet automatisch dat de
gelijkgestelde behoort tot de doelgroep van
de Wiw en op die grond op een Wiw-dienstbetrekking of werkervaringsplaats kan
worden geplaatst. De werkloosheidsduur is immers slechts één van
de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen. De andere
voorwaarde is de Wiw-verklaring.
De Wiw-verklaring ¹
Voor de plaatsing op een
Wiw-dienstbetrekking of werkervaringsplaats is altijd een
Wiw-verklaring
van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
noodzakelijk, dit is geregeld in artikel 12, eerste lid, van
de
wet.
Slechts in enkele gevallen kan van deze
voorwaarde worden afgeweken.
In de eerste plaats betreft
dit de jongere die valt onder de sluitende
benadering van de Wiw, dat wil dus
zeggen alle werkloze jongeren onder
de 23 jaar, dan wel de jongeren die op grond van de overgangsbepalingen
in de wet
nog niet de leeftijd van 27
jaar hebben bereikt (artikel 23, eerste
lid, van de wet).
In de tweede plaats is in
artikel 12, derde lid, van de Wiw bepaald dat voor de
Wsw-werknemer die
na de herindicatie niet meer wordt
gerekend tot de doelgroep van de Wsw,
geen Wiw-verklaring noodzakelijk
is. Een soortgelijke bepaling is
evenwel niet opgenomen voor de persoon
die vóór 1 januari 1998 op de
wachtlijst voor de oude WSW stond en na
(her)indicering niet meer wordt gerekend tot
de nieuwe Wsw-doelgroep. Voor deze
persoon is een Wiw-verklaring
derhalve noodzakelijk om in
aanmerking te kunnen komen voor een Wiw-dienstbetrekking of -werkervaringsplaats.
In de derde plaats betreft
dit de Wsw-geïndiceerde jongere
bij het bereiken van de 23-jarige
leeftijd. De hoofdregel is dat de jongere
die is geplaatst op een Wiw-dienstbetrekking dient te worden ontslagen
bij het bereiken van de 23-jarige leeftijd. Dit is geregeld in artikel 11 van
de wet.
Artikel 11 heeft echter geen
betrekking op de jongere die is
geplaatst op grond van artikel 10 van de
wet, dat wil zeggen op de jongere die
met een Wsw-indicatie arbeid
verricht onder aangepaste omstandigheden ingevolge de Wiw. Deze jongere wordt,
in afwachting van doorstroming
naar een Wsw-dienstbetrekking, niet
ontslagen bij het bereiken van de
23-jarige leeftijd. In een dergelijk geval is
dan ook geen Wiw-verklaring nodig.
1. Ingevolge artikel 81,
onderdeel H, van de Invoeringswet SUWI is de
Wiw-verklaring geschrapt en is het door de CWI
af te geven, niet-appellabele, advies daarvoor in de plaats gekomen (zie
hoofdstuk 3 van de Wiw), red.
Gelijkstelling aan periode
van inschrijving als werkloos werkzoekende
Voor de toepassing van de
Wiw wordt als langdurig werkloze
aangemerkt de uitkeringsgerechtigde die
gedurende een periode van twaalf maanden
bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie staat ingeschreven als werkloos
werkzoekende.
Om te voorkomen dat deze
formele eis toelating tot de Wiw-dienstbetrekking of werkervaringsplaats
verhindert voor personen die in
vergelijkbare omstandigheden verkeren, zijn in deze
regeling aangegeven welke periodes
kunnen worden aangemerkt als
periode van inschrijving als
werkloos werkzoekende.
Volledigheidshalve kan er
nog op worden gewezen dat het in
alle gevallen gaat om personen die direct
voorafgaande aan een plaatsing ingevolge de Wiw als onvrijwillig werkloos kunnen
worden aangemerkt.
Gelijkstelling aan langdurig
werkloze van personen die nog geen twaalf maanden staan ingeschreven
In de eerste plaats wordt
gelijkgesteld aan langdurig werkloze, de
vreemdeling die is toegelaten als
vluchteling op grond van artikel 10, eerste
lid, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet (artikel 2, eerste lid, onderdeel a) en de
vreemdeling die voldoet aan artikel 3,
eerste lid, of artikel 4, eerste lid, van de Wet
arbeid vreemdelingen (artikel 2, eerste lid, onderdeel b). Deze personen zijn
immers reeds voordat zij voldoen
aan de voorwaarden om in Nederland arbeid te mogen verrichten en zich als
werkloos werkzoekende te mogen laten
registreren gedurende een behoorlijke
tijd feitelijk werkloos geweest.
In de tweede plaats wordt de
arbeidsgehandicapte
gelijkgesteld aan langdurig werkloze (artikel 2, eerste lid, onderdeel c). Als
arbeidsgehandicapte wordt aangemerkt de persoon:
1. die een gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) of de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong);
2. van wie één van de
bovengenoemde uitkeringen is ingetrokken
in verband met vermindering van de
arbeidsongeschiktheid. Dat wil dus zeggen de ex-arbeidsongeschikte;
3. aan wie een voorziening
tot scholing is toegekend in verband met
ziekte of gebrek of de persoon die
scholing heeft gevolgd aan een
aangewezen scholingsinstituut;
4. aan wie op grond van een
wettelijk voorschrift in verband met
ziekte of gebrek een voorziening is toegekend die strekt tot behoud,
herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid
of aan wie een voorziening is
verstrekt voor aanpassing van de werkplek of ter zake vervoer naar het
werk;
5. die Wsw-geïndiceerd is,
doch niet op een Wsw-plaats werkt en
de persoon die Wsw-werkzaamheden heeft verricht, doch na
herindicatie niet meer Wsw-geïndiceerd is. De
persoon die Wsw-arbeid verricht
behoort niet tot de doelgroep arbeidsgehandicapte. Op deze persoon is de
Wsw
van toepassing;
6. ten aanzien van wie op
grond van een medisch-arbeidskundige
beoordeling is vastgesteld dat hij in
verband met ziekte of gebrek een
belemmering heeft bij het verkrijgen of
verrichten van arbeid.
Voor de onder 2 tot en met 5
genoemde personen geldt dat
zij voor een periode tot vijf jaar na
de beëindiging van de uitkering, de
scholing, de voorziening of de
(her)indicatie als arbeidsgehandicapte worden beschouwd. De persoon
genoemd onder 6 blijft eveneens
gedurende een periode van vijf jaar na de
vaststelling van de arbeidshandicap als
arbeidsgehandicapte aangemerkt, maar na afloop van deze termijn
wordt opnieuw vastgesteld of de
persoon opnieuw als
arbeidsgehandicapte kan worden aangemerkt.
Of een persoon als
arbeidsgehandicapte wordt aangemerkt, wordt
vastgesteld door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.], voor
wat betreft de persoon die recht heeft op loondoorbetaling op grond
van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel een uitkering
ontvangt ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria (WBIA), de Wajong, de
WAZ of een daarmee
overeenkomende regeling. Voor de persoon
met een bijstandsuitkering dan wel een uitkering ingevolge de Ioaw of
Ioaz
stelt het gemeentebestuur vast of de
betrokkene kan worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte.
Voor de overige personen
geldt dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de instantie is die vaststelt
of een persoon kan worden aangemerkt als
arbeidsgehandicapte.
De bovengenoemde
omschrijving van de arbeidsgehandicapte is
overeenkomstig de omschrijving in het
voorstel voor de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea).
Na de inwerkingtreding van
de Wet Rea vallen deze personen
dus eveneens onder de werking van die wet.
In de derde plaats is het de
bevoegdheid van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie om de aanvangsdatum van de werkloosheid van een
werkloze die als werkloos werkzoekende staat ingeschreven vast te stellen op een
vroeger tijdstip dan de feitelijke
inschrijving als werkloos werkzoekende als de
werkloze naar het oordeel van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in voldoende
mate heeft kunnen aantonen
gedurende die periode werkloos
werkzoekend te zijn geweest en in
voldoende mate heeft getracht arbeid te
vinden (artikel 2, eerste lid, onderdeel d). Met
deze gelijkstellingsbepaling wordt beoogd te bewerkstelligen dat de
persoon die feitelijk langdurig werkloos is, maar
niet voldoet aan de formele
vereiste inschrijvingsduur toch in
aanmerking kan worden gebracht voor een Wiw-dienstbetrekking of
-werkervaringsplaats. Hierbij moet onder andere
worden gedacht aan een persoon
zonder uitkering, zoals een
herintredende vrouw, voor wie geen
inschrijvingsplicht geldt.
In de vierde plaats wordt
als langdurig werkloze aangemerkt de
persoon van wie de inschrijving als
werkloos werkzoekende is onderbroken
door het verrichten van arbeid in
een dienstbetrekking (artikel 2, tweede lid,
onderdeel a), dan wel op grond van de Rijksbijdrageregeling banenpools
(artikel 2,
tweede lid, onderdeel b). Deze
bepaling is onder andere van belang in
het geval dat de betrokken persoon
verhuist naar een andere gemeente en
in verband daarmee de dienstbetrekking moet worden beëindigd.
Als langdurig werkloze wordt
in de vijfde plaats aangemerkt de
persoon die ouder is dan 57,5 jaar (artikel 2,
tweede lid, onderdeel c). Voor deze werkloze zou een verplichte inschrijvingsduur
van twaalf maanden namelijk op
gespannen voet staan met de socialezekerheidsregelgeving waar voor deze werkloze niet de verplichting geldt
om
zich als werkloos werkzoekende te laten
inschrijven.
In de zesde plaats volgt uit
artikel 13, tweede lid, van de
wet dat
de gemeente aan de persoon van wie de Wiw-dienstbetrekking eindigt omdat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur afloopt, opnieuw een
dienstbetrekking, nu voor onbepaalde duur, of een werkervaringsplaats kan
aanbieden, nadat een nieuwe Wiw-verklaring is verstrekt. De gelijkstelling van deze persoon aan langdurig
werkloze is geregeld in artikel 2,
tweede lid, onderdeel d, van deze regeling.
In de zevende plaats wordt
net als in de Rijksbijdrageregeling
banenpools in de
wet aan de gemeente de
mogelijkheid geboden om de persoon die
uit de dienstbetrekking doorstroomt naar reguliere arbeid gedurende één jaar een garantie te bieden op
een nieuwe dienstbetrekking als de
persoon binnen de termijn van één jaar
onvrijwillig werkloos wordt. Hiertoe is
bepaald dat de persoon die uitstroomt
uit de Wiw-dienstbetrekking naar een reguliere baan gedurende de periode
van één jaar na de uitstroom wordt
aangemerkt als langdurig werkloze in de
zin van de wet
(artikel 2, tweede lid, onderdeel e).
Het is de bevoegdheid van de
gemeente om te bepalen of
een persoon daadwerkelijk een terugkeergarantie wordt geboden en of deze
garantie wordt geboden
gedurende het volledige jaar of
slechts voor een beperktere periode. De
gemeente heeft de beleidsvrijheid om
hier maatwerk te leveren. Van rijkswege
wordt slechts als voorwaarde gesteld dat de betrokken persoon zich
binnen een periode van acht weken na
het ontstaan van de onvrijwillige
werkloosheid meldt bij de gemeente met
het verzoek opnieuw voor een
dienstbetrekking in aanmerking te komen. In de regeling is geen bepaling
opgenomen omtrent de maximale termijn waarbinnen de gemeente een
nieuwe dienstbetrekking moet
aanbieden. Het ligt evenwel in de rede dat
de gemeente, voor zover van toepassing,
zo snel mogelijk zorgt voor de
realisatie van deze dienstbetrekking.
Deze terugkeerregeling geldt
ook ten aanzien van personen die
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet zijn uitgestroomd
naar reguliere arbeid uit een dienstbetrekking ingevolge de
Rijksbijdrageregeling banenpools (artikel 2,
tweede lid, onderdeel g) of de
Jeugdwerkgarantiewet (artikel 2, tweede lid,
onderdeel f) en binnen één jaar na die uitstroom
onvrijwillig werkloos worden.
Voor een jongere onder de 23
jaar is de terugkeerregeling
overbodig, omdat een jongere bij werkloosheid
of uitkeringsafhankelijkheid altijd valt onder de sluitende benadering van
de wet.
Ten aanzien van de werkloze
jongere onder de 23 jaar doch ouder
dan 21 jaar, niet zijnde
schoolverlater in de zin van de JWG, die op het
moment van inwerkingtreding van deze
wet niet behoort tot de doelgroep van
de Jeugdwerkgarantiewet is in
artikel 23, vierde lid, van de
wet bepaald dat de sluitende benadering op deze
jongeren niet van toepassing is. Dit
laat onverlet dat de gemeente de
bevoegdheid heeft om deze jongeren een Wiw-voorziening, inclusief
een dienstbetrekking of werkervaringsplaats aan te bieden. Dit geldt
speciaal voor de jongeren die ten tijde van
de inwerkingtreding van deze wet in de "wachttijd" van de JWG verkeerden. Ook
andere werkloze jongeren
onder de 23 jaar die niet onder de
sluitende benadering vallen kan een Wiw-voorziening worden aangeboden. Voor deze jongeren geldt overigens dat
zij wel bij het bereiken van de
23-jarige leeftijd moeten worden ontslagen,
omdat zij dan niet meer als jongere kunnen worden aangemerkt in de zin van de
wet. Dit is dus afwijkend van de
jongeren die reeds een
dienstbetrekking hadden ingevolge de JWG. Voor die
jongeren geldt immers dat, voor zover
zij op de datum van inwerkingtreding
van deze wet 21 jaar of ouder zijn,
zij twee jaar na de inwerkingtreding van
de wet worden ontslagen, dan wel eerder als zij 27 jaar worden (artikel
23, eerste lid, onderdeel a, van de
wet).
Tevens wordt als langdurig
werkloze aangemerkt de persoon die
binnen één jaar, maar na de
periode van 50 dagen of 400 uur, na
indiensttreding op een werkervaringsplaats onvrijwillig werkloos wordt. Deze persoon
kan voor een dienstbetrekking in
aanmerking worden gebracht nadat door
de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
is getoetst dat de betrokkene
is aangewezen op een Wiw-dienstbetrekking. Dit is geregeld in artikel
2, derde lid.
Voor de persoon die direct
voorafgaand aan de werkervaringsplaats
uit een Wiw-dienstbetrekking is
doorgestroomd naar een werkervaringsplaats geldt de terugkeerregeling
vanuit een Wiw-dienstbetrekking, dat
wil zeggen dat de betrokkene tot
maximaal één jaar na uitstroom uit de
dienstbetrekking alsnog kan terugkeren in een Wiw-dienstbetrekking.
Er bestaat derhalve een
onderscheid met de persoon die zonder de
tussenstap van de dienstbetrekking
rechtstreeks op een werkervaringsplaats wordt geplaatst. Dit onderscheid kan
worden gemotiveerd doordat
ten aanzien van de persoon die rechtstreeks op een werkervaringsplaats
wordt geplaatst kennelijk is
geoordeeld dat hij met de inzet van een
loonkostensubsidie direct kan uitstromen naar regulier werk.
Gelijkstelling aan langdurig
werkloze van personen van wie de
inschrijving is onderbroken
Als de periode van
inschrijving als werkloos werkzoekende wordt
onderbroken om één van de hieronder genoemde redenen, kan deze
periode worden aangemerkt als
periode van inschrijving als werkloos
werkzoekende.
In de eerste plaats betreft
dit de situatie dat de inschrijving is
onderbroken als gevolg van het volgen
van een cursus, opleiding of scholing met
instemming van de uitkeringsinstantie
of de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, voor
zover er geen aanspraak bestaat op studiefinanciering op grond
van hoofdstuk II van de Wet
op de studiefinanciering of een tegemoetkoming in de studiekosten op grond
van hoofdstuk II of III van de
Wet tegemoetkoming studiekosten. Het betreft hier dus scholing die met instemming
van de uitkeringsinstantie
met behoud van uitkering is gevolgd.
Het aantal uren of de periode dat de
scholing is gevolgd, is hierbij niet van
belang (artikel 3, eerste lid, onderdeel a).
Voor zover scholing wordt
gevolgd waar wel aanspraak op studiefinanciering dan wel een tegemoetkoming
in de studiekosten bestaat,
wordt dit niet als periode van inschrijving
als werkloos werkzoekende gezien. Hierbij
is niet relevant of de studiefinanciering dan wel de tegemoetkoming
ook feitelijk is aangevraagd of ontvangen. Voldoende is dat er
aanspraak bestaat op grond van de betreffende regelgeving.
In de tweede plaats wordt de
periode dat de inschrijving als
werkloos werkzoekende is onderbroken
voor het verrichten van arbeid
zonder beloning, zowel in de situatie dat er sprake is van werken met behoud van
uitkering als in de situatie dat de uitkeringsinstantie heeft ingestemd met het
verrichten van
vrijwilligerswerk gedurende de normale werkuren, voor de toepassing van deze wet
beschouwd als periode van inschrijving
als werkloos werkzoekende (eveneens
artikel 3, eerste lid, onderdeel a). Voor vrijwilligerswerk buiten de normale werkuren
is geen instemming van de uitkeringsinstantie nodig, omdat door deze
activiteiten de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt niet wordt
aangetast.
In de derde plaats wordt de
periode dat een inschrijving als
werkloos werkzoekende wordt onderbroken door het verrichten van arbeid, voor
zover dit gedurende een periode van twaalf maanden niet meer bedraagt dan 50
dagen of 400 uur, gelijkgesteld aan de periode van inschrijving als
werkloos werkzoekende. De voor de persoon meest gunstige telling prevaleert hierbij.
Door deze gelijkstelling wordt
voorkomen dat de persoon die gedurende
korte perioden arbeid heeft
verricht, bijvoorbeeld uitzendarbeid of
seizoenarbeid, na beëindiging van die
arbeid opnieuw twaalf maanden ingeschreven moet staan en mogelijk om die reden zou
kunnen afzien van het aanvaarden
van die (kortdurende) arbeid (artikel 3, eerste lid, onderdeel b).
In de vierde plaats wordt
tevens als periode van inschrijving als
werkloos werkzoekende aangemerkt de
periode dat een persoon niet voor
arbeid beschikbaar is vanwege het ondergaan van hechtenis of van
gevangenisstraf (artikel 3, eerste lid,
onderdeel c). Uit het oogpunt van een soepele
herintegratie van ex-gedetineerden moet
worden voorkomen dat deze personen
na het ondergaan van hun straf
eerst minimaal gedurende één jaar werkloos moeten zijn voordat instroom
in een Wiw-dienstbetrekking of -werkervaringsplaats mogelijk is. Uiteraard moet
ten behoeve van de
betrokkene wel een Wiw-verklaring zijn
verstrekt.
Als periode van inschrijving
als werkloos werkzoekende wordt in de
vijfde plaats tevens aangemerkt de
periode dat de inschrijving wordt
onderbroken omdat een bijstandsgerechtigde op grond van de Abw een
tijdelijke ontheffing is verleend van de verplichtingen, genoemd in artikel
113,
eerste lid, van de Abw (artikel
3,
eerste lid, onderdeel d). De verplichtingen op
grond van artikel 113, eerste lid, Abw
hebben betrekking op de inspanningen gericht op het verkrijgen van
arbeid, zoals de verplichting passende arbeid te zoeken en te aanvaarden, zich te
laten inschrijven als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
en mee te werken aan noodzakelijk
geachte scholing.
In de zesde plaats wordt als
langdurig werkloze aangemerkt de
persoon van wie de inschrijving als
werkloos werkzoekende is onderbroken
door het verrichten van activiteiten of arbeid ingevolge de
Jeugdwerkgarantiewet (artikel 3, tweede lid,
onderdeel a, respectievelijk b). Hiermee
wordt onder andere bewerkstelligt
dat een jongere bij het bereiken van
de maximumleeftijd toch als langdurig
werkloze in de zin van de
wet kan worden aangemerkt. Dit laat de
bevoegdheid van de gemeente open om een
jongere na het bereiken van de maximumleeftijd aansluitend een
dienstbetrekking of werkervaringsplaats aan
te bieden in de hoedanigheid van
langdurig werkloze, voor zover ten minste een Wiw-verklaring is verstrekt.
Tevens is deze bepaling nodig om de hiervoor genoemde terugkeerregeling
te kunnen realiseren.
Gelijkstelling aan langdurig
werkloze voor plaatsing op een
werkervaringsplaats
Buiten de hiervoor genoemde
algemene gelijkstellingsbepalingen
wordt specifiek voor instroom in de
werkervaringsplaatsen als langdurig werkloze aangemerkt de persoon die direct aansluitend
aan een werkervaringsplaats ingevolge het Tijdelijk
besluit subsidiëring experimenten activering van
uitkeringsgelden (EAU) onvrijwillig werkloos werkzoekend wordt, uiteraard
voor zolang de betrokkene ten minste werkloos werkzoekend blijft.
Dat wil zeggen, geen andere arbeid
verricht dan ingevolge de Wiw voor
een periode langer dan 50 dagen of 400
uur (artikel 4, eerste lid).
Ook de persoon die arbeid
verricht op een Wiw-werkervaringsplaats
en binnen één jaar na de aanvang van
die arbeid onvrijwillig werkloos
wordt, wordt voor de toepassing van de werkervaringsplaatsen in de zin van
de wet
als langdurig werkloze
aangemerkt (artikel 4, tweede lid). Dit
betekent dat als een persoon op een
werkervaringsplaats binnen één jaar opnieuw
onvrijwillig werkloos wordt een nieuwe werkervaringsplaats kan worden aangeboden.
De gemeente kan in deze situatie dus eveneens per
maand een twaalfde deel van het
basisbedrag bij het Rijk declareren, totdat
het volledige basisbedrag van ƒ17 000,- is
besteed. De periode dat de werknemer
arbeid verricht op de werkervaringsplaats (of werkervaringsplaatsen) zelf
kan uiteraard langer duren dan één jaar.
Vaststelling van de duur van
de werkloosheid
De duur van de werkloosheid
voorafgaand aan de Wiw-dienstbetrekking
is van belang voor de hoogte
van de rijkssubsidie die
beschikbaar wordt gesteld als normbedrag in het vaste budget. De hoogte van de
normbedragen is vastgelegd in de Regeling uitvoering en financiering
Wet inschakeling werkzoekenden.
Onderscheid wordt gemaakt
tussen de werkloze met een
werkloosheidsduur van één tot twee jaar, van
twee tot drie jaar en langer dan drie jaar. Er zijn eveneens normbedragen voor
jongeren, maar die zijn in het kader
van deze gelijkstellingsregeling
niet van belang, evenmin als het
onderscheid in banen van 32 en 36 uur. Deze
aspecten worden hier dan ook verder
buiten beschouwing gelaten.
Een normbedrag kan alleen
worden ingezet voor de langdurig
werkloze als er sprake is van een
werkloosheidsduur van twee tot drie jaar of
langer dan drie jaar (of voor een jongere) en alleen indien er sprake is
van een plaatsing op een
dienstbetrekking. Onder dienstbetrekking wordt
verstaan de dienstbetrekking met de gemeente als bedoeld in
artikel 4 van de wet.
In het geval er sprake is
van een werkloosheidsduur van één
tot twee jaar kan, overeenkomstig de
bepalingen in de Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling
werkzoekenden, geen normbedrag worden
ingezet. Ook als een langdurig werkloze wordt geplaatst op een
werkervaringsplaats is er geen sprake van een normbedrag boven op het basisbedrag.
Als hoofdregel geldt dat de
werkloosheidsduur op het moment van de instroom in de Wiw-dienstbetrekking
bepalend is voor de
vaststelling van de werkloosheidsduur en daarmee
voor de vaststelling van het
normbedrag. Dat wil dus zeggen dat de werkloosheidsduur tijdens de plaatsing op een
dienstbetrekking of een werkervaringsplaats niet wordt verlengd of het normbedrag wordt verhoogd.
Voor de vaststelling van de
werkloosheidsduur moet onderscheid worden gemaakt tussen de werkloze
die zonder meer voldoet aan (één van)
de periode(n) van inschrijving als werkloos werkzoekende en de werkloze
die op basis van één van de
hiervoor genoemde gronden wordt gelijkgesteld
aan een langdurig werkloze.
Algemeen uitgangspunt voor de vaststelling van de werkloosheidsduur is de
feitelijke duur van de inschrijving als
werkloos werkzoekende. Voor de werkloze die op één van de hiervoor genoemde gronden
wordt gelijkgesteld aan een
langdurig werkloze is evenwel een nadere vaststelling van de
werkloosheidsduur en van het normbedrag
noodzakelijk.
Werkloos langer dan drie
jaar
De persoon die op één van
de volgende gronden wordt gelijkgesteld
aan langdurig werkloze wordt
ingedeeld in de categorie langer dan drie
jaar werkloos. Het gaat hier in het
algemeen om een persoon met een zeer
grote afstand tot de arbeidsmarkt. Aangenomen mag worden dat de gemeente
geen hoge inleenvergoeding
voor deze persoon kan ontvangen en
extra inspanningen moet
verrichten. Het gaat hierbij om:
- de vreemdeling en de
vluchteling;
- de arbeidsgehandicapte;
- de geherindiceerde Wsw-werknemer die niet meer tot de
doelgroep van de Wsw wordt gerekend;
- de persoon die na een
herindicatie niet meer op de wachtlijst
voor de Wsw wordt geplaatst;
- de Wsw-geïndiceerde
jongere na het bereiken van de 23 jarige
leeftijd;
- de banenpooldeelnemer,
ook als deze op grond van de
terugkeerregeling opnieuw instroomt in een
dienstbetrekking.
Werkloos tussen twee en drie
jaar
De jongere die vanwege het
bereiken van de maximumleeftijd moet
worden ontslagen uit de Wiw-dienstbetrekking kan door de
gemeente daarop aansluitend een aanbod worden
gedaan voor een Wiw-dienstbetrekking als langdurig werkloze, voor zover
ten minste een Wiw-verklaring is verstrekt.
In de structurele situatie
zal dit betrekking hebben op de
jongere die de leeftijd van 23 jaar bereikt. In de
overgangsperiode van twee jaar heeft dit
betrekking op de jongere die de leeftijd
van 27 jaar bereikt en op de jongeren
die op 1 januari 2000 23 jaar of
ouder zijn en vóór die tijd nog als
jongere zijn aangemerkt (artikel 23, eerste lid,
onderdeel a, van de
wet).
Voor de vaststelling van de
werkloosheidsduur is ervoor gekozen deze
jongeren in te delen in de categorie
werklozen tussen de twee en drie jaar.
Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat de gemeente een nauwkeurige
afweging maakt om de jongere aansluitend een nieuwe dienstbetrekking
aan te bieden, dan wel te trachten
de jongere eerst op andere wijze toe te
leiden naar de arbeidsmarkt.
De situatie kan zich
voordoen dat een jongere die geen
aansluitende dienstbetrekking of werkervaringsplaats wordt aangeboden, daarna
werkloos werkzoekend blijft.
In dat geval blijft de jongere
gedurende een periode van twee jaar
aangemerkt als een langdurig werkloze
ingedeeld in de categorie tussen de twee
en drie jaar. Na die periode is de
duur van de inschrijving als werkloos
werkzoekende bepalend voor de
vaststelling van de werkloosheidsduur en
wordt daarmee dus de hoofdregel weer van
toepassing voor de vaststelling van de werkloosheidsduur.
Volledigheidshalve wordt
hierbij nog opgemerkt dat een
aansluitende nieuwe dienstbetrekking, onder de
noemer van langdurig werkloze,
alleen mogelijk is nadat een Wiw-verklaring
is verstrekt. Ook in dit geval geldt dat
eerst een dienstbetrekking moet worden aangegaan voor de duur van
twee jaar.
De persoon die wordt
gelijkgesteld aan een langdurig werkloze,
omdat hij naar het oordeel van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
in voldoende mate heeft kunnen aantonen langdurig werkloos
werkzoekend te zijn, wordt eveneens
ingedeeld in de categorie werkloos tussen
twee en drie jaar.
Overige vaststellingen van
de werkloosheidsduur
Voor de overige personen die
worden gelijkgesteld aan een
langdurige werkloze geldt een variabele
werkloosheidsduur.
De werkloze van 57,5 jaar of
ouder wordt ingedeeld in de
categorie twee tot drie jaar werkloos,
tenzij de betrokkene langer dan drie jaar als
werkloos werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
staat ingeschreven.
In dat geval behoort de
betrokkene tot de categorie langer dan drie jaar werkloos.
Voor de persoon die direct
aansluitend op de beëindiging van de EAU- of Wiw-werkervaringsplaats
onvrijwillig werkloos wordt en vervolgens
na één jaar werkloosheid instroomt
in de Wiw-dienstbetrekking wordt
de werkloosheidsperiode direct voorafgaand aan de werkervaringsplaats
en de periode na afloop van die werkervaringsplaats voor de vaststelling van de
werkloosheidsduur aangemerkt
als één ononderbroken periode van
werkloosheid. Dit betekent dan ook dat de beide werkloosheidsperioden
bij elkaar worden opgeteld. Deze
werkloze behoort bij instroom in de Wiw-dienstbetrekking dus altijd minimaal tot de categorie werkloos tussen
twee en drie jaar.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
|
|