|
REGELING houdende regels
inzake de uitvoering en de financiering van de Wet inschakeling
werkzoekenden (Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling
werkzoekenden)
18 december 1997/nr.
AM/RAW/97/2742c
Directie Arbeidsmarkt
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Handelende in overeenstemming met de Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;
Gelet op de artikelen 4, vijfde lid, en
21,
tweede lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden en de
artikelen 9,
eerste en vijfde lid, 10, eerste en vijfde lid,
12, tweede lid, 13,
zesde lid, 14, zesde lid, 15, vijfde lid, en
17, eerste lid, van het
Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden;
Besluit:
Art. 1.
Definities
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. de wet: de Wet
inschakeling werkzoekenden;
b. het besluit: het
Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden;
c. de minister: de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Art. 1a. Vervallen.
Art. 2.
Combinatie
dienstbetrekking en beroepsbegeleidende
leerweg
Met inachtneming van de
taken van de landelijke organen voor het
beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet
educatie en beroepsonderwijs, en
hetgeen omtrent beroepsopleidingen
in de van toepassing zijnde
collectieve arbeidsovereenkomsten is opgenomen, kan een werknemer in combinatie
met de dienstbetrekking een beroepsopleiding volgen van de
beroepsbegeleidende leerweg op grond van
genoemde wet.
Art. 3.
Basisbedrag
dienstbetrekking
Het basisbedrag voor een
dienstbetrekking bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ18 700,00;
b. voor het jaar 2002: €|8865,00;
c. voor het jaar 2003: €|4500,00.
Art. 4.
Basisbedrag
werkervaringsplaats
-1. Het basisbedrag voor een
werkervaringsplaats bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ18 700,00;
b. voor het jaar 2002: €|8865,00;
c. voor het jaar 2003: €|8000,00.
-2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel c, bedraagt het basisbedrag voor een
werkervaringsplaats die is ontstaan vóór 1 oktober 2002 €|8865,00.
Art.
4a. [Plafond werkervaringsplaatsen, red]
Het aantal plaatsen waarvoor
door de gemeente het in
artikel 4 bedoelde basisbedrag over 2003 kan
worden gedeclareerd, is beperkt tot 100% van het aantal in 2001 door de
gemeente gerealiseerde werkervaringsplaatsen. Gemeenten die in 2001 geen
werkervaringsplaats hebben gerealiseerd, kunnen over 2003 het genoemde
basisbedrag maximaal eenmaal declareren.
Art. 5.
Normbedragen
-1. Het normbedrag voor de categorie
jongeren tot 23 jaar met een werkweek van 32 uur bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ3482,00;
b. voor het jaar 2002: €|1187,00;
c. voor het jaar 2003: €|6520,00.
-2. Het normbedrag voor de categorie
jongeren tot 23 jaar met een werkweek van 36 uur bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ5746,00;
b. voor het jaar 2002: €|2215,00;
c. voor het jaar 2003: €|7610,00.
-3. Het normbedrag voor de categorie
werklozen met een werkloosheidsduur van één tot twee jaar en een
werkweek van 32 uur bedraagt voor het jaar 2003 €|5220,00.
-4. Het normbedrag voor de categorie
werklozen met een werkloosheidsduur van één tot twee jaar en een
werkweek van 36 uur bedraagt voor het jaar 2003 €|5220,00.
-5. Het normbedrag voor de categorie
werklozen met een werkloosheidsduur van twee tot drie jaar en een
werkweek van 32 uur bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ8062,00;
b. voor het jaar 2002: €|3548,00;
c. voor het jaar 2003: €|8710,00.
-6. Het normbedrag voor de categorie
werklozen met een werkloosheidsduur van twee tot drie jaar en een
werkweek van 36 uur bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ11 056,00;
b. voor het jaar 2002: €|4958,00;
c. voor het jaar 2003: €|10
240,00.
-7. Het normbedrag voor de categorie
werklozen met een werkloosheidsduur van meer dan drie jaar en een
werkweek van 32 uur bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ10 549,00;
b. voor het jaar 2002: €|4720,00;
c. voor het jaar 2003: €|9910,00.
-8. Het normbedrag voor de categorie
werklozen met een werkloosheidsduur van meer dan drie jaar en een
werkweek van 36 uur bedraagt:
a. voor het jaar 2001: ƒ14 363,00;
b. voor het jaar 2002: €|6997,00;
c. voor het jaar 2003: €|12
260,00.
Art. 6. Geoormerkt
scholings- en activeringsbudget voor niet-uitkeringsgerechtigden en
personen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
Het extra subsidiebedrag, bedoeld in artikel
14, vierde lid, van het
besluit, bedraagt voor het jaar 2002 €|86
990 186,00.
Art. 7. Vervallen.
Art.
8. Vervallen.
Art.
8a. Vervallen.
Art. 8b. Aanvulling bedragen
scholings- en activeringsbudget gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag
en Utrecht
-1. De gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht ontvangen
voor het kalenderjaar 2001 een aanvulling op het scholings- en
activeringsbudget van in totaal ƒ40 000 000,00. Van dit bedrag wordt
aan de gemeente Amsterdam ƒ13 425 000,00, de gemeente
Rotterdam ƒ13
601 000,00, de gemeente Den Haag ƒ8 399 000,00 en de gemeente Utrecht ƒ4 575 000,00 verleent.
-2. De gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en
Utrecht ontvangen voor het kalenderjaar
2002 een aanvulling op het scholings- en activeringsbudget van in
totaal €|18 151 210,00. Van dit
bedrag wordt aan de gemeente Amsterdam €|6
092 000,00, aan de gemeente Rotterdam €|6
171 865,00, aan
de gemeente Den Haag €|3
811 300,00 en aan de gemeente Utrecht €|2
076 045,00 verleend.
-3. De gemeenten Amsterdam,
Rotterdam, Den Haag en Utrecht ontvangen voor het kalenderjaar 2003 een
aanvulling op het scholings- en activeringsbudget van in totaal €|15
451 133,00. Van dit bedrag wordt aan de gemeente Amsterdam €|5
185 787,00, aan de gemeente Rotterdam €|5
253 771,00, aan de gemeente Den Haag €|3
244 351,00 en aan de gemeente Utrecht €|1
767 224,00 verleend.
Art. 8c. Vervallen.
Art. 8d. Aanvulling
bedragen scholings- en activeringsbudget ten behoeve van gemeenten met
een groot aantal bijstandsgerechtigden
De in bijlage 8 bij deze regeling genoemde gemeenten
met een groot
aantal bijstandsgerechtigden ontvangen voor een subsidiejaar een in die
bijlage genoemde aanvulling op het scholings- en activeringsbudget.
Art. 9.
Voorschotten
-1. De maandvoorschotten,
bedoeld in artikel 15, derde lid, van het
besluit, zijn gebaseerd op de opgave
van de gemeente van twee kwartalen terug.
-2. De maandvoorschotten,
bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het
besluit, bedragen telkens een
twaalfde deel van de verleende budgetten.
Art. 10.
Verrekening
Met de betaalbaarstelling
van de opgave, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het
besluit, worden
de maandvoorschotten die betrekking hebben op de periode waarover die opgave
betrekking heeft, verrekend.
Art. 10a.
Beperking
toevoeging budget aan scholings- en activeringsbudget volgend
subsidiejaar
-1. Het deel van het
beschikbare scholings- en activeringsbudget van 2003 dat, op grond van artikel 18, vijfde lid, van het
besluit, door de gemeente wordt
toegevoegd aan het budget van 2004, wordt beperkt tot 50 procent van het
toegekende budget.
-2. Het bedrag dat de gemeente in enig jaar meer aan scholing en
activering heeft besteed dan het voor dat jaar beschikbare scholings- en
activeringsbudget dat, op grond van artikel
18, zesde lid, van het
besluit, door de gemeente ten laste wordt gebracht van het scholings- en
activeringsbudget van het daaropvolgende studiejaar, wordt beperkt tot
50 procent van het toegekende budget.
Art. 11.
Modellen
-1. Het model van de opgave,
bedoeld in artikel 15, eerste lid,
van het
besluit, is vastgesteld
volgens het model van bijlage 1 bij deze
regeling.
-2. Het model van het
verslag, bedoeld in artikel 20, vierde lid,
van de wet, is vastgesteld volgens het
model van bijlage 2 bij deze regeling.
-3. Het model van de
verklaring, bedoeld in artikel 20,
vierde lid, van de wet, is vastgesteld volgens het model van bijlage 3 bij deze
regeling.
-4. De verklaring, bedoeld in
het derde lid, is gebaseerd op een
onderzoek dat is uitgevoerd
overeenkomstig het in bijlage 4 bij deze
regeling beschreven controle- en rapportageprotocol.
-5. Bij de indiening van de
opgave, bedoeld in het eerste lid,
voegt het gemeentebestuur de kwartaalstatistiek Wiw. Het model van de
kwartaalstatistiek Wiw is vastgesteld volgens het model van bijlage 6 bij deze
regeling.
-6. Bij de indiening van de
in het eerste, tweede, derde en vijfde lid bedoelde bescheiden maakt
het gemeentebestuur gebruik van
de daarvoor door de minister
verstrekte formulieren, die zijn
ingericht overeenkomstig de in die leden bedoelde modellen en zijn voorzien
van een voor iedere gemeente
uniek
kenmerk.
Art. 12.
Vervallen.
Art. 13.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling uitvoering en
financiering Wet inschakeling
werkzoekenden.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.¹
1. Bijlagen 2 en 4 liggen met ingang van
25 juli 2003 ter inzage in de bibliotheek van
het ministerie van SZW (Stcrt. 2003,
136), bijlagen 1 en 3 met ingang van 1 januari 2003 (Stcrt. 2002,
220) en bijlage 5 met ingang van 1 april 1998. Raadpleeg voor bijlage 6 Staatscourant
2001, 249. Zoals vermeld in Staatscourant 1999, 190, dient
bijlage 7 als niet geschreven te worden beschouwd. Bijlage 8
(2002, 2003 en 2004) is onderaan deze pagina
geplaatst. Het gewijzigde model van het verslag en de bijlage controle-
en rapportageprotocol betreffende het jaar 2003 liggen met ingang van 1
april 2004 ter inzage in de bibliotheek van het ministerie van SZW (Stcrt.
2004, 63), red.
’s-Gravenhage, 18 december
1997.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
TOELICHTING
[18 december 1997]
Combinatie dienstbetrekking
en beroepsbegeleidende leerweg
De Wiw-dienstbetrekking
biedt de mogelijkheid om werkervaring
op te doen, waarmee de kans op
uitstroom naar ongesubsidieerd werk
toeneemt. Deze kansen kunnen nog verder toenemen indien de werkervaring wordt
aangevuld met scholing. Een mogelijkheid hiertoe is de combinatie van
de dienstbetrekking met de beroepsbegeleidende leerweg. Met deze combinatie
hebben 22 regio’s in de
zogenaamde experimenten
JWG-leerlingwezen ervaring opgedaan. Indien
bij de toepassing van deze combinatie de
volgende uitgangspunten worden
gehanteerd, kunnen de uitstroomkansen
van werknemers met een Wiw-dienstbetrekking toenemen:
- Bij de opstelling van
het traject voor de jongere worden de
mogelijkheden om direct in te stromen in
een beroepsopleiding, dan wel
een beroepsbegeleidende leerweg
in combinatie met een reguliere baan, nadrukkelijk afgewogen.
Ook voor een Wiw-werknemer
die niet als jongere kan worden
aangemerkt, bestaat de mogelijkheid om de beroepsbegeleidende
leerweg te combineren met een Wiw-dienstbetrekking, maar ook in deze situatie
ligt het in de rede om eerst
na te gaan of de combinatie van de
beroepsbegeleidende leerweg in combinatie met een reguliere baan tot de
mogelijkheden behoort. De combinatie van Wiw en beroepsbegeleidende leerweg
mag immers niet leiden tot
verdringing van de reguliere instroom in
het leerlingwezen. Daartoe zal ook monitoring plaatsvinden van de
ontwikkeling van deze combinatievariant. In
deze monitoring zal onder andere worden
gekeken of de deelname aan deze combinatievariant niet hoger
zal zijn dan 10% van de deelname in
de reguliere (ongesubsidieerde) deelname
aan die beroepsbegeleidende
leerweg. Een overschrijding van dit
percentage zal aanleiding kunnen zijn om
aanscherping van de regeling aan de orde
te stellen.
- Bij het kiezen van een
opleidingsrichting wordt niet alleen gekeken
naar de bereidheid van een werkgever
om een leerling te plaatsen, maar
ook naar de uitstroomkansen naar regulier werk. Er moet vraag zijn naar mensen
met een dergelijke
opleidingsrichting.
- Het landelijk orgaan
voor het beroepsonderwijs in de
betreffende sector moet betrokken zijn
bij de invulling van de combinatievariant, in
ieder geval met het oog op de accreditering van de praktijkplaatsen.
- Het commitment van
werkgevers en werknemers in de sector is
van belang. Eventuele CAO-afspraken op
dit punt dienen in acht te worden
genomen.
- Bij het vaststellen van
de hoogte van de inleenvergoeding dient de gemeente
er, overeenkomstig artikel 6
van de wet, voor zorg te dragen dat
de concurrentieverhoudingen niet worden verstoord en dat de kans op
uitstroom naar een ongesubsidieerde (leer)arbeidsovereenkomst zo
groot mogelijk is.
In de
wet is ervan afgezien
de combinatievariant aan strikte regels te
binden. In artikel 2 van de regeling
is slechts bepaald dat rekening
moet worden gehouden met de taken van de landelijke organen voor
het beroepsonderwijs, zoals
bedoeld in de Wet
educatie en beroepsonderwijs en met de afspraken tussen
sociale partners ten aanzien van beroepsopleidingen die zijn opgenomen in de
van toepassing zijnde
collectieve arbeidsovereenkomsten.
Basisbedrag en normbedragen
Gemeenten
kunnen voor iedere Wiw-dienstbetrekking een basisbedrag bij het
Rijk declareren. Voor
1998 is dit bedrag vastgesteld op ƒ17 000,- op jaarbasis (artikel
3, eerste lid). Het
basisbedrag is niet in alle gevallen
toereikend om een Wiw-dienstbetrekking volledig te financieren. Daarom kent
de Wiw een vast budget voor
aanvullende kosten. Dit budget moet worden
aangewend om het verschil tussen het
basisbedrag en de loonkosten inclusief uitvoeringskosten te dekken.
Het bedrag dat de gemeente
uit dit vaste budget kan aanwenden
om de aanvullende kosten van een
dienstbetrekking te financieren, wordt het normbedrag genoemd. Dit normbedrag
op jaarbasis verschilt per
categorie jongeren, voormalige JWG-ers
van 23 tot 27 jaar en voormalig
langdurig werklozen (artikel 5).
Artikel 5 van de wet biedt
de gemeenten de mogelijkheid om
een subsidie aan werkgevers te
verstrekken die met langdurig werklozen
of jongeren een arbeidsovereenkomst
sluiten teneinde werkervaring op te
doen. Dergelijke arbeidsplaatsen
worden werkervaringsplaatsen
genoemd. De gemeente kan bij het Rijk voor een werkervaringsplaats het
basisbedrag declareren. Voor 1998 is het
basisbedrag voor de werkervaringsplaats
vastgesteld op ƒ17 000,- op jaarbasis (artikel 4, eerste lid).
Bij de totstandkoming van de Wiw is de Werkloosheidwet (WW)
gewijzigd, waarbij het voor
uitvoeringsinstellingen in de zin van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 (uvi’s)
namens het Landelijk instituut
sociale verzekeringen [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) en hoofdstuk 5 van de Wet
SUWI, red.] mogelijk wordt gemaakt om voor WW-gerechtigden Wiw-dienstbetrekkingen en werkervaringsplaatsen in te kopen.
De uvi’s wordt daarmee een
nieuwe instrumentarium - de
dienstbetrekking en de werkervaringsplaats - geboden om de uitstroom uit de
WW-uitkering te bevorderen.
Daarbij is in eerste
instantie gedacht aan oudere werklozen met een
verouderde en niet meer aansluitende
opleiding en werkervaring voor de
arbeidsmarkt. Voor deze groep kan een Wiw-dienstbetrekking een
waardevol alternatief voor een
uitkeringssituatie betekenen met een mogelijk
doorstroomperspectief naar regulier werk.
Ook voor jongeren met een
WW-uitkering die nog geen jaar werkloos
zijn, kunnen dienstbetrekkingen
worden ingekocht. In de praktijk
zal dit een groep jongeren betreffen die
ondanks hun arbeidsverleden naar
verwachting tijdens de WW-periode geen reguliere arbeidsplaats zullen kunnen
verwerven zonder dat eerst binnen een Wiw-dienstbetrekking met bijzondere begeleiding
relevante werkervaring is
opgedaan. Deze inkoopmogelijkheid voor jongeren kan maximaal één
jaar duren, omdat het aanbieden c.q.
voortzetten van een Wiw-dienstbetrekking
nadien een gemeentelijke verantwoordelijkheid is (artikel
9, tweede lid,
van de wet).
De hoogte van het
inkoopbedrag voor een Wiw-dienstbetrekking is een kwestie van onderhandelingen
tussen uvi en gemeente binnen het
beleidskader dat het Landelijk instituut
sociale verzekeringen daarvoor heeft
gesteld. Voor de uvi zullen daarbij
de hoogte van de uitkering, de
maximumduur van de WW-uitkering en de
inschatting van de doorstroomkansen naar
regulier werk relevante factoren
zijn. Voor de gemeente is van belang
dat ten minste alle kosten van de
dienstbetrekking kunnen worden gefinancierd, maar voorstelbaar is dat
inkoop daarnaast voor de gemeente extra middelen genereert die in het kader
van de Wiw dienen te worden
aangewend.
Om te bewerkstelligen dat de
uvi - naast het Rijk - een
redelijke bijdrage levert aan de financiering
van een dienstbetrekking is bepaald
dat voor een ingekochte dienstbetrekking geen ƒ17 000,-, maar ƒ10 000,- als
basisbedrag bij het Rijk kan worden gedeclareerd (artikel 3, tweede lid). Dit
impliceert dat een uvi op jaarbasis ten
minste ƒ7000,- aan een
dienstbetrekking zal moeten bijdragen teneinde
de kosten voor de gemeenten volledig
gefinancierd te krijgen. Dit bedrag is
zodanig gekozen dat dit uvi’s de
mogelijkheid biedt om te komen tot
beperkte besparingen op de
WW-uitkeringen van de beoogde doelgroep.
Indien de ontwikkelingen
daartoe aanleiding geven, kan het
verlaagde basisbedrag bij inkoop
desgewenst in de loop van 1998 worden
bijgesteld.
Voor ingekochte
dienstbetrekkingen voor jongeren geldt geen
verlaagd basisbedrag, maar kan het
volledige basisbedrag worden
gedeclareerd. Gezien de geringere hoogte en kortere looptijd van WW-uitkeringen
voor jongeren is een bijdrage van ƒ7000,-
aan een dienstbetrekking voor
een uvi geen reële optie.
Voor een werkervaringsplaats
die voor een WW-gerechtigde
wordt ingekocht, is bepaald dat er geen
basisbedrag kan worden gedeclareerd (artikel 4, tweede lid). Het gaat
hier immers om een loonkostensubsidie
van de uvi aan een reguliere werkgever.
De gemeente is hierbij
weliswaar intermediair, maar dit leidt niet tot
kosten die uit een rijkssubsidie zouden
behoeven te worden gefinancierd.
Volledigheidshalve wordt
opgemerkt dat inkoop van een Wiw-dienstbetrekking door een uvi alleen mogelijk
is indien de betrokken
WW-gerechtigde daartoe door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.] is geïndiceerd (artikel 12
van de wet), dan wel indien
dit onderdeel vormt van een traject dat
uvi en de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor de betrokken jongere
hebben opgesteld (artikel 73,
tweede lid, WW).
Verzoek ander vast budget
Door het ontbreken van
actuele beleidsinformatie op
gemeentelijk niveau bestaat geen volledige zekerheid over de vraag of voor alle
gemeenten het vaste budget
toereikend zal zijn om per 1 januari
1998 bestaande dienstbetrekkingen
volledig te financieren. Artikel 13,
vijfde lid, van het
besluit biedt de minister de mogelijkheid om gemeenten op verzoek een ander vast budget
te verlenen. In artikel 6 van deze
regeling is aan deze bevoegdheid nadere
invulling gegeven.
Een ander vast budget kan
worden verleend ingeval het vast
budget ontoereikend is gelet op het
aantal Wiw-dienstbetrekkingen per 1
januari 1998 met voormalige banenpooldeelnemers en jongeren met een
voormalige JWG-dienstbetrekking.
Het vast budget kan
bijvoorbeeld ontoereikend zijn wanneer
gemeenten in 1997 extra veel
banenpooldeelnemers in dienst hebben genomen, omdat het vast budget mede
gebaseerd is op het aantal
banenpooldeelnemers ultimo 1996. Ook is in de budgetverlening geen
rekening gehouden met
banenpooldeelnemers die vóór indiensttreding
bij de banenpool geen aanspraak hadden op een Abw-uitkering.
Voor gemeenten waar per 1
januari 1998 verhoudingsgewijs veel
jongeren van 23 jaar of ouder op een
dienstbetrekking werkzaam zijn, kan het vast budget eveneens ontoereikend
zijn.
Een verzoek voor een ander
vast budget dient vóór 1 maart
1998 te worden ingediend bij het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, directie Financieel-Economische Zaken, afdeling Bekostiging,
postbus 90801, 2509 LV te Den Haag,
onder vermelding van gegevens op
grond waarvan de hoogte van een
ander budget kan worden
vastgesteld. Daarbij gaat het om drie te
onderscheiden categorieën Wiw-dienstbetrekkingen, namelijk voor:
- personen van 23 jaar of ouder die op 31 december 1997 op grond
van de Rijksbijdrageregeling
banenpools werkzaam waren;
- personen van 23 jaar of ouder die op 31 december 1997 op grond
van de Jeugdwerkgarantiewet
werkzaam waren;
- jongeren tot 23 jaar die
op 31 december 1997 op grond van de
Jeugdwerkgarantiewet werkzaam waren.
Personen die per 1 januari
1998 een Wiw-dienstbetrekking met de gemeente aangaan zonder
daarvoor op 31 december 1997 op basis
van de banenpoolregeling of JWG werkzaam te zijn geweest, tellen voor
de berekening van een ander vast budget
dus niet mee.
Voor de berekening van het
andere budget worden de
onderscheiden categorieën dienstbetrekkingen
vermenigvuldigd met de bijbehorende
normbedragen. Daarbij dient rekening te
worden gehouden met de arbeidsduur. Dus wanneer bijvoorbeeld een persoon
16 uur per week werkt, dan
wordt in de berekening de helft van
het normbedrag voor 32 uur gehanteerd.
Indien de som van de
aantallen vermenigvuldigd met de bijbehorende normbedragen rekening
houdend met de arbeidsduur hoger is dan
het verleende budget, dan wordt voor 1998 een ander budget ter hoogte
van het aldus berekende budget
verleend (artikel 6, tweede lid).
Het verzoek om een ander
budget dient te zijn voorzien van
een accountantsverklaring (artikel 6, derde lid). Daartoe kan dezelfde
verklaring dienen die wordt opgesteld in verband met de toepassing van de
vermindering langdurig werklozen (VLW)
voor vier jaar voor Wiw-werknemers die per 1 januari 1998 uit de JWG en
banenpool zijn ingestroomd (artikel 35
van de wet). Een afzonderlijke
verklaring langdurig werkloze is voor JWG- en banenpoolwerknemers die per
1 januari 1998 instromen in de Wiw,
niet noodzakelijk. Om echter de
uitvoering van artikel 35
controleerbaar te maken, moeten de gemeenten op 1 januari 1998 een lijst
hebben aangelegd, voorzien van een
accountantsverklaring, waarop degenen worden vermeld die op 1 januari
1998 een Wiw-dienstbetrekking hebben.
Deze lijst moet bij de
loonadministratie worden bewaard en is als zodanig vergelijkbaar met de verklaring langdurig
werkloze, zoals die vanaf 2
januari 1998 voor nieuw aangegane Wiw-dienstbetrekkingen door Arbeidsvoorziening zal dienen te worden verstrekt.
Door de belastingdienst
wordt deze lijst voorzien van een accountantsverklaring aangemerkt als een
(collectieve) verklaring langdurig
werkloze.
Nader verzoek ander vast
budget
Artikel 6 voorziet in de
verlening van een ander vast budget per 1
januari 1998 (voor zover het vast
budget gelet op het aantal Wiw-dienstbetrekkingen voor voormalige banenpooldeelnemers en JWG-jongeren op die datum
ontoereikend is). Echter ook in de loop
van 1998 en 1999 zou het vast
budget ontoereikend kunnen worden
wanneer een deel van de jongeren
die op 31 december 1997 een
JWG-dienstbetrekking hadden 23 jaar worden. De aantallen waar dit om gaat,
kunnen op grond van de leeftijdsopbouw
van het jongerenbestand door de gemeenten zelf worden geraamd.
Gemeenten zullen in eerste aanleg dan ook
moeten proberen om de meerkosten
van dienstbetrekkingen voor jongeren die in 1998 of 1999 23 jaar
worden, te financieren uit de ruimte
die ontstaat tengevolge van de
natuurlijke uitstroom. Dit betekent dat wanneer kan worden voorzien dat deze
meerkosten in 1998 of 1999 zullen
ontstaan, herbezetting van
vrijvallende arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen tengevolge van uitstroom niet
mogelijk is. Mocht desondanks het vast
budget ontoereikend zijn, dan kan
op grond van artikel 7 voor 1998
alsnog een ander budget worden
toegekend. De gemeente kan hiertoe gelijktijdig met het indienen van de
jaaropgave over het jaar 1998 (derhalve vóór 20 september 1999) een nader
verzoek voor een ander budget
indienen. Bij de beoordeling van dit verzoek
zal door de accountant nadrukkelijk
worden getoetst in hoeverre de meerkosten hadden kunnen worden
gefinancierd uit mogelijke financiële
ruimte die ontstaat tengevolge van natuurlijke
uitstroom. Het verzoek dient te worden ingediend op basis van een model dat
vóór 1 april 1998 zal worden
vastgesteld en aan de gemeenten zal
worden toegezonden.
Afhankelijk van de aard en
omvang van de verzoeken op grond
van artikel 7 zal worden bezien of ook
de mogelijkheid moet worden geboden voor de vaststelling van een ander budget over
1999 als gevolg van de
ontwikkeling van de kosten van
dienstbetrekkingen van personen die op 31
december 1997 een JWG-dienstbetrekking
hadden. In het jaar 2000 kan zich op
dit onderdeel geen financieringsprobleem
meer voordoen, omdat de categorie
voormalige JWG-jongeren van 23 jaar of ouder in dat jaar volledig zal zijn uitgestroomd
(artikel 23, eerste lid,
onderdeel a, van de wet).
Voorschotten
Voor het bevoorschotten van
de maandbetalingen met
betrekking tot de basisbedragen wordt
aangesloten bij de systematiek die werd
gebruikt bij de Jeugdwerkgarantiewet
en de Rijksbijdrageregeling
banenpools. De declaratie over twee
kwartalen terug is de basis voor de berekening.
Per maand wordt een derde van die
declaratie bevoorschot.
Daar voor het eerste
halfjaar 1998 nog geen basis aanwezig is
om de maandvoorschotten te
berekenen, is geregeld dat voor de
berekening uitgegaan zal worden van de
kwartaaldeclaraties van de JWG en de banenpool. Mocht blijken dat dit maandbedrag
substantieel te kort is, dan
kan verhoging van dit voorschot worden gevraagd. Een onderbouwde
berekening dient bij het verzoek te
worden overgelegd.
Bij de betaling van een
declaratie zullen de betaalde
voorschotten over die periode worden verrekend
met die declaratie.
Voorts zal maandelijks een
voorschot worden betaald voor de vaste
vergoeding en het scholings- en
activeringsbudget. De hoogte van dit voorschot zal worden bepaald op een
twaalfde
deel van het toegekende
budget.
De opgave die in artikel 10
wordt bedoeld, is de declaratie.
Modellen
De modellen voor het
declareren en verantwoorden van de
rijkssubsidie worden vastgesteld bij dit
besluit. Tevens wordt een model accountantsverklaring en kwartaalstatistiek voorgeschreven. De
kwartaalstatistiek is een voortzetting van de
in- en uitstroomstatistiek zoals
die werd ingediend bij de kwartaaldeclaraties
voor de Jeugdwerkgarantiewet en
de banenpoolregeling. Deze
statistiek zal te zijner tijd worden vervangen door een andere vorm van opvraag
van beleidsinformatie.
De modellen en het controle-
en rapportageprotocol zijn opgenomen in de volgende bijlagen, die
onderdeel van onderhavige regeling vormen:
- bijlage 1: het model van
de opgave, bedoeld in artikel 11,
eerste lid, van de regeling (de declaratie);
- bijlage 2: het model van
de jaaropgave, bedoeld in artikel 11,
tweede lid, van de regeling;
- bijlage 3: het model van
de accountantsverklaring,
bedoeld in artikel 11, derde lid, van de
regeling;
- bijlage 4: het controle-
en rapportageprotocol, bedoeld in artikel 11,
vierde lid, van de regeling;
- bijlage 5: het model van
het verzoek, bedoeld in artikel 7, tweede
lid, van de regeling;
- bijlage 6: het model van
de kwartaalstatistiek Wiw, bedoeld in artikel
11, vijfde lid.
De bijlagen 1, 2 en 6 liggen
per 1 januari 1998 ter inzage in
de bibliotheek van het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Voor de bijlagen 3, 4 en 5 geldt hiervoor de datum 1 april 1998.
De bijlagen worden aan de gemeenten
toegezonden. Voor de
modellen van de bijlagen 1 en 2
geschiedt dit voor ieder
verantwoordingsjaar. Bij wijziging van de bijlagen
zal hiervan mededeling worden gedaan in
de Staatscourant.
Op grond van artikel
17,
zesde lid, van het
besluit moet de
jaaropgave worden ingediend vóór 20
september in het jaar volgend op het
jaar waarop die opgave betrekking heeft. De verklaring van de accountant, bedoeld
in artikel 21 van de wet, dient
bij deze jaaropgave te zijn gevoegd.
Beide bescheiden maken onderdeel
uit voor de vaststelling van de
rijkssubsidie en dienen gelijktijdig te
worden ingezonden. Het niet tijdig inzenden dan
wel ontbreken van één van deze
bescheiden kan leiden tot het aanhouden
van de voorschotbetalingen en
ambtshalve vaststellen van de
rijkssubsidie.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert.
BIJLAGE
8
[2002]
behorende bij de
Regeling uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden,
artikel 8d [de voor het jaar 2002 voor de G86-gemeenten beschikbare
extra middelen ten behoeve van het scholings- en activeringsbudget (Stcrt.
2001, 206), red.]
|
UO-nummer |
Gemeentenaam |
Budget (€)
|
| 361xxxxxxxx |
Alkmaar |
241
411,-xx |
| 141 |
Almelo |
555
881,-xx |
| 34 |
Almere |
250
940,-xx |
| 484 |
Alphen aan den Rijn |
77
596,-xx |
| 307 |
Amersfoort |
226
890,-xx |
| 362 |
Amstelveen |
80
319,-xx |
| 363 |
Amsterdam |
10
482 777,-xx |
| 200 |
Apeldoorn |
246
403,-xx |
| 202 |
Arnhem |
1
449 828,-xx |
| 106 |
Assen |
147
479,-xx |
| 748 |
Bergen op Zoom |
125 243,-xx |
| 758 |
Breda |
1
053 224,-xx |
| 899 |
Brunssum |
87
126,-xx |
| 502 |
Capelle aan den IJssel |
129
327,-xx |
| 503 |
Delft |
259
109,-xx |
| 10 |
Delfzijl |
83
042,-xx |
| 518 |
Den Haag |
5 487 110,-xx |
| 400 |
Den Helder |
169
260,-xx |
| 150 |
Deventer |
476
469,-xx |
| 222 |
Doetinchem |
80
319,-xx |
| 505 |
Dordrecht |
1
141 711,-xx |
| 228 |
Ede |
119
344,-xx |
| 772 |
Eindhoven |
1
415 340,-xx |
| 114 |
Emmen |
232
789,-xx |
| 153 |
Enschede |
1
251 980,-xx |
| 512 |
Gorinchem |
57
630,-xx |
| 513 |
Gouda |
142
033,-xx |
| 14 |
Groningen |
2
411 842,-xx |
| 392 |
Haarlem |
915
728,-xx |
| 394 |
Haarlemmermeer |
88
487,-xx |
| 396 |
Heemskerk |
77
143,-xx |
| 74 |
Heerenveen |
67
613,-xx |
| 917 |
Heerlen |
996
955,-xx |
| 530 |
Hellevoetsluis |
65
344,-xx |
| 794 |
Helmond |
569
948,-xx |
| 164 |
Hengelo |
491
444,-xx |
| 796 |
’s-Hertogenbosch |
805 460,-xx |
| 402 |
Hilversum |
132
504,-xx |
| 118 |
Hoogeveen |
85
311,-xx |
|
18 |
Hoogezand-Sappemeer |
98 470,-xx |
|
405 |
Hoorn |
122
067,-xx |
|
928 |
Kerkrade |
151
109,-xx |
|
882 |
Landgraaf |
84
403,-xx |
|
80 |
Leeuwarden |
983
796,-xx |
|
546 |
Leiden |
805
006,-xx |
|
995 |
Lelystad |
169
260,-xx |
|
556
|
Maassluis
|
55
815,-xx
|
|
935
|
Maastricht
|
890
317,-xx
|
|
687
|
Middelburg
|
103
916,-xx
|
|
356
|
Nieuwegein
|
86
672,-xx
|
|
268
|
Nijmegen
|
1
713 020,-xx
|
|
171
|
Noordoostpolder
|
53 092,-xx
|
|
826
|
Oosterhout
|
73
059,-xx
|
|
828
|
Oss
|
112
537,-xx
|
|
439
|
Purmerend
|
108
907,-xx
|
|
275
|
Rheden
|
66
252,-xx
|
| 597
|
Ridderkerk
|
66
252,-xx
|
|
603
|
Rijswijk
|
96
655,-xx
|
|
957
|
Roermond
|
142
033,-xx
|
|
1674
|
Roosendaal
|
136
134,-xx
|
|
599
|
Rotterdam
|
8
383 136,-xx
|
|
606
|
Schiedam
|
697
006,-xx
|
|
1883
|
Sittard-Geleen
|
273 176,-xx
|
|
90
|
Smallingerland
|
147
479,-xx
|
|
91
|
Sneek
|
92
571,-xx
|
|
612
|
Spijkenisse
|
175
613,-xx
|
|
37
|
Stadskanaal
|
72
151,-xx
|
|
715
|
Terneuzen
|
69
882,-xx
|
|
281
|
Tiel
|
77
143,-xx
|
|
855
|
Tilburg
|
1
386 299,-xx
|
|
344
|
Utrecht
|
2
805 723,-xx
|
|
345
|
Veenendaal
|
71
697,-xx
|
|
453
|
Velsen
|
93
025,-xx
|
|
983
|
Venlo
|
542
267,-xx
|
|
622
|
Vlaardingen
|
189
226,-xx
|
|
718
|
Vlissingen
|
119
344,-xx
|
|
867
|
Waalwijk
|
62
622,-xx
|
|
289
|
Wageningen
|
68
067,-xx
|
|
988
|
Weert
|
80
773,-xx
|
|
479
|
Zaanstad
|
256
840,-xx
|
| 355
|
Zeist
|
98
017,-xx
|
|
637
|
Zoetermeer
|
172
890,-xx
|
|
301
|
Zutphen
|
95
748,-xx
|
|
642
|
Zwijndrecht
|
65
344,-xx
|
|
193
|
Zwolle
|
549
074,-xx
|
| |
|
xxxxxxxxxxxxx |
| |
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
55
542 244,-xx
|
BIJLAGE
8
[2003]
Aanvulling
bedragen scholings- en activeringsbudget voor gemeenten
met een groot aantal bijstandsgerechtigden [de G86-gemeenten, red.]
[Behorende bij artikel 8d, Stcrt. 2002, 191, red.]
|
UO-nummer |
Gemeentenaam |
Budget (€)
|
| 361xxxxxxxx |
Alkmaar |
237
000,-xx |
| 141 |
Almelo |
593
000,-xx |
| 34 |
Almere |
279
000,-xx |
| 484 |
Alphen aan den Rijn |
78
000,-xx |
| 307 |
Amersfoort |
248
000,-xx |
| 362 |
Amstelveen |
80
000,-xx |
| 363 |
Amsterdam |
10
643 000,-xx |
| 200 |
Apeldoorn |
257
000,-xx |
| 202 |
Arnhem |
1
563 000,-xx |
| 106 |
Assen |
141
000,-xx |
| 748 |
Bergen op Zoom |
119
000,-xx |
| 758 |
Breda |
1
020 000,-xx |
| 899 |
Brunssum |
89
000,-xx |
| 502 |
Capelle aan den IJssel |
138
000,-xx |
| 503 |
Delft |
275
000,-xx |
| 10 |
Delfzijl |
85
000,-xx |
| 518 |
Den Haag |
5
614 000,-xx |
| 400 |
Den Helder |
166
000,-xx |
| 150 |
Deventer |
483
000,-xx |
| 222 |
Doetinchem |
87
000,-xx |
| 505 |
Dordrecht |
1
163 000,-xx |
| 228 |
Ede |
130
000,-xx |
| 772 |
Eindhoven |
1
462 000,-xx |
| 114 |
Emmen |
237
000,-xx |
| 153 |
Enschede |
1
244 000,-xx |
| 512 |
Gorinchem |
60
000,-xx |
| 513 |
Gouda |
164
000,-xx |
| 14 |
Groningen |
2
340 000,-xx |
| 392 |
Haarlem |
929
000,-xx |
| 394 |
Haarlemmermeer |
87
000,-xx |
| 396 |
Heemskerk |
79
000,-xx |
| 74 |
Heerenveen |
67
000,-xx |
| 917 |
Heerlen |
959
000,-xx |
| 530 |
Hellevoetsluis |
73
000,-xx |
| 794 |
Helmond |
576
000,-xx |
| 164 |
Hengelo
(Ov) |
489
000,-xx |
| 796 |
’s-Hertogenbosch |
830
000,-xx |
| 402 |
Hilversum |
133
000,-xx |
| 118 |
Hoogeveen |
93
000,-xx |
|
18 |
Hoogezand-Sappemeer |
94
000,-xx |
|
405 |
Hoorn |
124
000,-xx |
|
928 |
Kerkrade |
150
000,-xx |
|
882 |
Landgraaf |
87
000,-xx |
|
80 |
Leeuwarden |
1
008 000,-xx |
|
546 |
Leiden |
849
000,-xx |
|
995 |
Lelystad |
196
000,-xx |
|
556
|
Maassluis
|
64
000,-xx
|
|
935
|
Maastricht
|
946
000,-xx
|
|
687
|
Middelburg
|
108
000,-xx
|
|
356
|
Nieuwegein
|
88
000,-xx
|
|
268
|
Nijmegen
|
1
790 000,-xx
|
|
171
|
Noordoostpolder
|
55
000,-xx
|
|
826
|
Oosterhout
|
71
000,-xx
|
|
828
|
Oss
|
118
000,-xx
|
|
439
|
Purmerend
|
113
000,-xx
|
|
275
|
Rheden
|
70
000,-xx
|
| 597
|
Ridderkerk
|
65
000,-xx
|
|
603
|
Rijswijk
|
111
000,-xx
|
|
957
|
Roermond
|
141
000,-xx
|
|
1674
|
Roosendaal
|
138
000,-xx
|
|
599
|
Rotterdam
|
8
563 000,-xx
|
|
606
|
Schiedam
|
705
000,-xx
|
|
1883
|
Sittard-Geleen
|
270
000,-xx
|
|
90
|
Smallingerland
|
140
000,-xx
|
|
91
|
Sneek
|
89
000,-xx
|
|
612
|
Spijkenisse
|
183
000,-xx
|
|
37
|
Stadskanaal
|
77
000,-xx
|
|
715
|
Terneuzen
|
68
000,-xx
|
|
281
|
Tiel
|
81
000,-xx
|
|
855
|
Tilburg
|
1
385 000,-xx
|
|
344
|
Utrecht
|
2
857 000,-xx
|
|
345
|
Veenendaal
|
76
000,-xx
|
|
453
|
Velsen
|
93
000,-xx
|
|
983
|
Venlo
|
559
000,-xx
|
|
622
|
Vlaardingen
|
201
000,-xx
|
|
718
|
Vlissingen
|
128
000,-xx
|
|
867
|
Waalwijk
|
64
000,-xx
|
|
289
|
Wageningen
|
67
000,-xx
|
|
988
|
Weert
|
81
000,-xx
|
|
479
|
Zaanstad
|
256
000,-xx
|
| 355
|
Zeist
|
102
000,-xx
|
|
637
|
Zoetermeer
|
187
000,-xx
|
|
301
|
Zutphen
|
98
000,-xx
|
|
642
|
Zwijndrecht
|
67
000,-xx
|
|
193
|
Zwolle
|
550
000,-xx
|
| |
|
xxxxxxxxxxxxx |
| |
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
56
643 000,-xx
|
BIJLAGE
8
[2004]
[Aanvulling
bedragen scholings- en activeringsbudget voor gemeenten
met een groot aantal bijstandsgerechtigden (de G86-gemeenten), behorende bij artikel 8d, Stcrt.
2003, 197, red.]
|
UO-nummer |
Gemeentenaam |
Budget (€)
|
| 361xxxxxxxx |
Alkmaar |
208
873,-xx |
| 141 |
Almelo |
522
623,-xx |
| 34 |
Almere |
245
888,-xx |
| 484 |
Alphen aan den Rijn |
68
743,-xx |
| 307 |
Amersfoort |
218
567,-xx |
| 362 |
Amstelveen |
70
506,-xx |
| 363 |
Amsterdam |
9
379 891,-xx |
| 200 |
Apeldoorn |
226
499,-xx |
| 202 |
Arnhem |
1
377 504,-xx |
| 106 |
Assen |
124
266,-xx |
| 748 |
Bergen op Zoom |
104
877,-xx |
| 758 |
Breda |
898
946,-xx |
| 899 |
Brunssum |
78
438,-xx |
| 502 |
Capelle aan den IJssel |
121
622,-xx |
| 503 |
Delft |
242
363,-xx |
| 10 |
Delfzijl |
74
912,-xx |
| 518 |
Den Haag |
4
947 732,-xx |
| 400 |
Den Helder |
146
299,-xx |
| 150 |
Deventer |
425
678,-xx |
| 222 |
Doetinchem |
76
675,-xx |
| 505 |
Dordrecht |
1
024 976,-xx |
| 228 |
Ede |
114
572,-xx |
| 772 |
Eindhoven |
1
288 490,-xx |
| 114 |
Emmen |
208
873,-xx |
| 153 |
Enschede |
1
096 362,-xx |
| 512 |
Gorinchem |
52
879,-xx |
| 513 |
Gouda |
144
537,-xx |
| 14 |
Groningen |
2
062 289,-xx |
| 392 |
Haarlem |
818
747,-xx |
| 394 |
Haarlemmermeer |
76
675,-xx |
| 396 |
Heemskerk |
69
624,-xx |
| 74 |
Heerenveen |
59
048,-xx |
| 917 |
Heerlen |
845
186,-xx |
| 530 |
Hellevoetsluis |
64
336,-xx |
| 794 |
Helmond |
507
641,-xx |
| 164 |
Hengelo
(Ov) |
430
966,-xx |
| 796 |
’s-Hertogenbosch |
731
496,-xx |
| 402 |
Hilversum |
117
216,-xx |
| 118 |
Hoogeveen |
81
963,-xx |
|
18 |
Hoogezand-Sappemeer |
82
844,-xx |
|
405 |
Hoorn |
109
284,-xx |
|
928 |
Kerkrade |
132
198,-xx |
|
882 |
Landgraaf |
76
675,-xx |
|
80 |
Leeuwarden |
888
371,-xx |
|
546 |
Leiden |
748
241,-xx |
|
995 |
Lelystad |
172
739,-xx |
|
556
|
Maassluis
|
56
405,-xx
|
|
935
|
Maastricht
|
833
729,-xx
|
|
687
|
Middelburg
|
95
183,-xx
|
|
356
|
Nieuwegein
|
77
556,-xx
|
|
268
|
Nijmegen
|
1
577 563,-xx
|
|
171
|
Noordoostpolder
|
48
473,-xx
|
|
826
|
Oosterhout
|
62
574,-xx
|
|
828
|
Oss
|
103
996,-xx
|
|
439
|
Purmerend
|
99
589,-xx
|
|
275
|
Rheden
|
61
692,-xx
|
| 597
|
Ridderkerk
|
57
286,-xx
|
|
603
|
Rijswijk
|
97
827,-xx
|
|
957
|
Roermond
|
124
266,-xx
|
|
1674
|
Roosendaal
|
121
622,-xx
|
|
599
|
Rotterdam
|
7
546 745,-xx
|
|
606
|
Schiedam
|
621
331,-xx
|
|
1883
|
Sittard-Geleen
|
237
956,-xx
|
|
90
|
Smallingerland
|
123
385,-xx
|
|
91
|
Sneek
|
78
438,-xx
|
|
612
|
Spijkenisse
|
161
282,-xx
|
|
37
|
Stadskanaal
|
67
862,-xx
|
|
715
|
Terneuzen
|
59
930,-xx
|
|
281
|
Tiel
|
71
387,-xx
|
|
855
|
Tilburg
|
1
220 629,-xx
|
|
344
|
Utrecht
|
2
517 932,-xx
|
|
345
|
Veenendaal
|
66
980,-xx
|
|
453
|
Velsen
|
81
963,-xx
|
|
983
|
Venlo
|
492
658,-xx
|
|
622
|
Vlaardingen
|
177
145,-xx
|
|
718
|
Vlissingen
|
112 809,-xx
|
|
867
|
Waalwijk
|
56
404,-xx
|
|
289
|
Wageningen
|
59
048,-xx
|
|
988
|
Weert
|
71
387,-xx
|
|
479
|
Zaanstad
|
225
618,-xx
|
| 355
|
Zeist
|
89
895,-xx
|
|
637
|
Zoetermeer
|
164
807,-xx
|
|
301
|
Zutphen
|
86
369,-xx
|
|
642
|
Zwijndrecht
|
59
048,-xx
|
|
193
|
Zwolle
|
484
726,-xx
|
| |
|
xxxxxxxxxxxxx |
| |
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
49
920 621,-xx
|
|
|